100_5p-gecomprimeerd

stichtingmeo1

5 ISSN

Oktober 2021

Jaargang 100

0039-4467


LHBTIQAPC

Ben Wijffelaars

Een paar jaar terug liep ik op de Nijmeegse

cactusbeurs wat achteloos voorbij aan een

kraam met specialiteiten waaronder een

paar mooie exemplaartjes van Euphorbia

obesa. U kent ze natuurlijk wel, die mooie

groene kogelronde ballen, als twee druppels

water lijkend op mediterrane zee-

-egels. Op het etiketje stond achter de

naamgeving een intrigerend symbooltje:

♀. Een vrouwelijk exemplaar, vertelde

de eigenaar trots. Hij beschikte over een

gezonde dosis verkooptechniek, zoveel

dat het plantje nu al een tijdje een plaatsje

heeft in mijn bescheiden kasje, pal naast

mijn eigen obesa. Ik gok er maar op dat

die de mannelijke identiteit heeft, want ik

hecht wel aan wat gezelligheid in de kas.

Het klinkt wat dom als ik nu vertel dat ik

mij nooit erg bewust ben geweest van

geslachtsidentiteiten. Voor alle duidelijkheid:

in de plantenwereld. In de grotemensenwereld

ligt dat wat anders, ook al door

de verpletterende hoeveelheid informatie

waarover u struikelt in alle media die over

ons uitgestort wordt. Van de lijst LHBTI-

QAPC begrijp ik niet alle letters even goed

maar ik geef toe, het leven wordt er onmiskenbaar

wel kleurrijker en minder grijs

door. Van die C hoeft u niet nerveus te

worden, dat staat niet voor Cactofiel. Waar

hier in het, toen nog, katholieke zuiden

zelfs de L en de H onder de gangloper in

het kerkportaal werden geveegd, wapperen

nu de regenboogvlaggen op het bordes van

het stadhuis in ’s-Hertogenbosch. En zelfs

van de net gerestaureerde toren van die

mooie Sint Jan. Mooi toch! Maakt u zich dus

geen zorgen. Succulenta gaat u echt niet

vragen een regenboogvlag op uw cactuskas

te zetten of regenboog-taartprikkers tussen

de planten op uw vensterbank. Hooguit

zouden we Echinocereus dasyacanthus, de

regenboogcactus uit Texas, nog een keer

als ‘Plant van de Maand’ in het zonnetje

kunnen zetten. Uw cactushobby zal door

al dat regenbooggeweld dus niet in gevaar

komen. U mag uw planten gewoon op de

vensterbank of tablet neer blijven zetten

zoals u dat zelf mooi vindt. Zij aan zij of,

als u dat liever ziet, hij aan hij. Allemaal bij

elkaar of juist door elkaar. Zij zullen echt

niet protesteren. Nog een advies: als u

nageslacht wilt hebben van uw planten,

zult u wel moeten zien te ontdekken of het

mannelijke of vrouwelijke exemplaren zijn.

Je kunt het aan de bloemen zien, heeft mijn

Nijmeegse expert uitgelegd. Bij Dioscorea,

Fockea en meer van die grote knollen zal

dat niet meevallen, zei iemand erbij; die

bloeien pas op een leeftijd die u waarschijnlijk

niet zult halen. Tenslotte, bent u

nieuwsgierig geworden hoe het zit met uw

columnist? Die komt elke dag uit de kas!

bwijffelaars@planet.nl

Echinocereus dasyacanthus

Foto: Henk Ruinaard

194

Succulenta jaargang 100 (5) 2021


ARIOCARPUS KOTSCHOUBEYANUS:

DE KLEINE ROZETCACTUS

Theo Heijnsdijk

De Kleine-Rozetcactus (A. kotschoubeyanus) stamt uit Mexico en is een

grijsachtig, bruingroen, plat plantje, niet meer dan 3 tot 5 cm breed,

waarvan slechts de platte kroon boven den bodem verschijnt. De dikke,

vleezige worteltronk of aardstam zit, evenals bij de vorige soorten, in

den grond. Hier zijn de knobbels klein en plat, eveneens driehoekig, over

het midden, tot bijkans aan den top, gegroefd, de groef met wol gevuld;

de fijne rose of lichtpurperen, wijd geopende bloempjes met spreidende

bloemblaadjes ontspringen aan het centrum der plant, uit de oksels der

jonge knobbels. ’t Is wel aardig te weten, dat de eerste in 1840 in Europa

ingevoerde plant 200 dollars opbracht of ongeveer haar gewicht in goud!

Tot zover de tekst van A.J. Van Laren in het Verkade-album ‘Cactussen’

uit 1931. Zie de afbeelding.

Na de uiteindelijk mislukte poging van

Charles Lemaire om de beschrijving van de

eerste ariocarpus die naar Europa kwam,

A. retusus, ten onrechte als Anhalonium prismaticum

op zijn naam te krijgen, kreeg hij

een paar jaar later de kans om een nieuwe

soort in het geslacht te beschrijven.

Met de hierboven vermelde 3 tot 5 centimeter

diameter is Ariocarpus kotschoubeyanus

veel kleiner dan A. retusus. Opvallend

aan de platte driehoekige tuberkels is de

wollige groef die over de bovenkant loopt.

Dat viel natuurlijk meteen bij de introductie

al op. De verschillen tussen de diverse

soorten in het geslacht Ariocarpus brachten

Schumann in 1898 er toe om het geslacht

op grond van het uiterlijk van de tuberkels

in drie ondergeslachten onder te verdelen:

Leiothele (= gladde tepel) voor grote

tuberkels zonder groef (A. retusus), Aegopodothele

(= geitenvoettepel) voor tuberkels

met een groef, maar verder redelijk vlak

(A. kotschoubeyanus) en Chasmatothele

(= gekloofde tepel) voor oneffen, veelvoudig

gegroefde tuberkels (A. fissuratus).

De eerste planten in Europa

De eerste exemplaren van A. kotschoubeyanus

die in Europa kwamen, waren vanuit

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

Mexico verzonden door Baron Karwinski.

Tijdens zijn tweede reis door Mexico (van

1840 tot 1843) moet hij de plant ergens

aangetroffen hebben. Details over de

vondst zijn niet bekend. Karwinski was niet

zo nauwgezet in zijn administratie. Zie hierover

ook het eerdere artikel in deze serie

Afb. 1: De eerste gepubliceerde afbeelding van

Ariocarpus kotschoubeyanus (in 1897

in het Duitse Monatsschrift für

Kakteenkunde) was een tekening van

een exemplaar op alcohol.

195


(ongedateerd) artikel van Lemaire onder de

titel:

“Quelques mots sur une plante de la famille

des CACTACÉES

Présentée par M. Cels à l’une des dernières

séances.

ANHALONIUM KOTSCHOUBEYANUM.”

Afb. 2: De afbeelding uit Schumanns Blühende

Kakteen (Iconographia Cactacearum),

band 1, serie 13, plaat 52a, gepubliceerd

in 1904.

over Astrophytum asterias.

De precieze toedracht van de introductie

in Europa laat zich niet meer eenduidig

reconstrueren. Alles, wat er in allerlei boeken

en tijdschriften over te vinden is, valt

te herleiden tot één bron: Charles Lemaire.

Maar Lemaire is beslist niet consequent in

zijn publicaties hierover.

De eerste vermeldingen die ik heb kunnen

vinden, staan in het bulletin van de ‘Cercle

Général d’Horticulture’ van 1845. Dat is

een soort jaarboek en de inhoud gaat over

gebeurtenissen in 1844. Lemaire was in die

tijd hoofdredacteur van het bulletin. Helaas

is de inhoud niet chronologisch gerangschikt

en naar de datering van een bijdrage

is het vaak gissen.

Op blz. 128, in het verslag van de bijeenkomst

van de ‘cercle’ (sociëteit) van 4 juni

1844, is te lezen:

“M. Cels présente une plante de la famille

des Cactées paraissant appartenir au genre

Anhalonium; elle est renvoyée à l’examen de

M. Lemaire.“ (De heer Cels presenteerde

een plant uit de cactusfamilie die leek te

behoren tot het geslacht Anhalonium; deze

is voor onderzoek verwezen naar de heer

Lemaire).

Een paar bladzijden verder (131) staat een

(Enkele woorden over een plant uit de cactusfamilie.

Door de heer Cels tijdens een van de

vorige bijeenkomsten gepresenteerd. Anhalonium

kotschoubeyanum.)

Het artikel begint als volgt (vertaald):

De heer Karwinsky, een geleerde reiziger-natuuronderzoeker,

stuurde zeer recentelijk

onder de naam Cactus Kotschoubeyi drie

kleine plantjes met een buitengewone vorm en

aanzien naar de Russische prins Kotschoubey.

Ik zag gemakkelijk in dat ze van dezelfde soort

waren en duidelijk behoren tot een nieuw

geslacht dat ik in 1839 in een speciale uitgave

opgesteld heb en dat nu door zowel de botanici

als door de kwekers algemeen erkend is.

Daarna schrijft hij hoe de plant eruitzag

(onder andere de grootte, 7 tot 8 cm hoog

bij een diameter van 3 cm). Hij eindigt het

artikel met de woorden:

Deze plant, heren (onder de 174 leden waren

kennelijk geen dames), is door zijn ongebruikelijke

vormen van groot wetenschappelijk

belang. Wat betreft het belang voor de teelt,

voldoet het om te zeggen, dat onze collega het

voor een hoge prijs (1000 fr.) heeft gekocht, en

dat er maar drie exemplaren in Europa zijn.

Ergens anders in dit ‘bulletin’ schrijft

Lemaire over de tentoonstelling van 12 tot

16 juni 1844 van de Société Royale d’Horticulture

de Paris, in de Orangerie de Luxembourg.

De kwekerij van de gebroeders Cels

was daar met ongeveer 400 planten vertegenwoordigd.

In dit stuk schrijft Lemaire

dat ongetwijfeld de zeldzaamste van alle

gepresenteerde cactussen een kleine plant

is die onder de naam Cactus Kotschoubeyi

door Karwinski naar Europa gebracht is en

die tot het geslacht Anhalonium behoort.

Het verslag is niet gedateerd, maar in een

196 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


Afb. 3: Typische habitat van A. kotschoubeyanus: in de volle zon in gebarsten leemachtige grond.

In de cirkels bevindt zich een exemplaar. In dit gebied groeit ook de nog kleinere

Mammillaria coahuilensis.

Foto Wolter ten Hoeve

voetnoot wordt verwezen naar een korte

beschrijving van de plant op bladzijde 63

van l’Horticulteur Universel van 1844.

De eerstbeschrijving?

De beschrijving waar Lemaire naar verwijst

staat inderdaad op bladzijde 63 van l’Horticulteur

Universel. Alleen betreft het hier

jaargang 6, gedateerd op 1845. Waarschijnlijk

loopt die jaargang (377 bladzijden) van

de tweede helft van 1844 tot de tweede

helft van 1845. Nergens in die jaargang is

een datering van de artikelen te vinden.

Overigens was Lemaire ook van dit tijdschrift

de hoofdredacteur.

Laten we dan eens kijken naar deze korte

beschrijving met als titel: “Anhalonium

kotschoubeyanum NOB. (Cactus Kotschoubeyi

Karw.)”

NOB is de afkorting van ‘nobis’ (door ons),

een aanduiding dat de schrijver van het

stuk ook de auteur van de wetenschappelijke

plantennaam is.

Lemaire begint het stuk met de mededeling

dat hij recentelijk van de heer F. Cels

vernomen had dat de Russische prins

Kotschoubey kort daarvoor van de heer

Karwinski vanuit Mexico een werkelijk

buitengewone cactus ontvangen had die tot

‘ons’ geslacht Anhalonium behoort.

(Prins Vassili Viktorovitch Kotchoubeï was

Afb. 4. Deze A. kotschoubeyanus, ten zuiden

van San Francisco, San Louis Potosí, zou

zonder bloem niet opgevallen zijn.

Foto Wolter ten Hoeve

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

197


Afb. 5: A. kotschoubeyanus komt, zoals hier bij Estación Marte in Coahuila, meestal niet of nauwelijksboven

het grondoppervlak uit en is vaak geheel of gedeeltelijk met een zanderige

leemlaag bedekt.

Foto Andre van Zuijlen

een van de vijf personen die de reis van

Karwinski bekostigden. Kennelijk had

Karwinski al bedacht dat deze plant naar

Kotchoubeï genoemd moest worden.)

Na een beschrijving van het uiterlijk van de

plant eindigt het stuk als volgt:

“L’ A. kotschoubeyanum paraît extrêmement

rare. M. Karwinsky n’en aurait pu envoyer,

dit-on, que trois individus au prince à qui

nous l’avons dédié, et qui a gardé l’un, cédé

l’autre à MM. Cels AU PRIX de I,000 fr., et

donné le troisième au Jardin botanique de

Pétersbourg.”

(vertaling: A. kotschoubeyanum lijkt uiterst

zeldzaam te zijn. Men zegt dat de heer

Karwinski slechts drie exemplaren heeft

gezonden naar de prins aan wie wij hem

hebben opgedragen, en die heeft er een

gehouden, een andere voor de prijs van

I000 fr. afgestaan aan de heren Cels, en de

derde geschonken aan de Botanische Tuin

van Petersburg.)

Het artikel lijkt niet te voldoen aan de eisen

die in die tijd aan een ‘eerstbeschrijving’

gesteld waren. Er is bijvoorbeeld geen diagnose

in het Latijn. Er is ook geen verwijzing

naar een eerdere beschrijving.

De conclusie kan niet anders zijn dan dat

Lemaire de plant voor het eerst onder ogen

kreeg op 4 juni 1844 en dat hij in de tweede

helft van 1844 in l’Horticulteur Universel

voor het eerst een beschrijving (in het

Frans) gegeven heeft.

Maar in later werk (1869) geeft Lemaire

aan dat hij de soort al eerder van de naam

voorzien heeft. De verwijzing die hij zelf

geeft, en die, vaak ingekort, terug te vinden

is in bijna alle publicaties over A. kotschoubeyanus,

luidt als volgt:

“Ch. L. olim in Catal. Celsianis, Bullet, du Cercle

des Confer, hortic. du dep. de la Seine....

Afb. 6. Een ander exemplaar op dezelfde

locatie

Foto Andre van Zuijlen

198 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


Succulenta jaargang 100 (5) 2021

199


Afb. 7: Typische habitat voor de elephantidensvorm. In een cirkel bevindt zich een bloeiend

exemplaar; in een ovaal een niet bloeiend. Waarschijnlijk staan er nog veel meer.

Foto Wolter ten Hoeve

1842. Red. Ch. L.”

Laten we eens verder kijken naar deze referentie

van Lemaire.

Er staat dat hij zelf de plant eerder heeft

benoemd, namelijk in 1842. Dat zou zijn

geweest in het ‘Bulletin du Cercle des conférences

horticoles du département de

la Seine’ onder redactie van Lemaire.

Deze cercle, opgericht in 1841, heeft maar

één jaar onder die naam bestaan. In 1842

moet dan het genoemde bulletin, als

bundeling van alle stukken, verschenen

zijn. Helaas heb ik dit bulletin niet op het

internet kunnen vinden. Na dat ene jaar

is de naam van deze cercle veranderd in

de hierboven al genoemde Cercle Général

d’Horticulture. Daarvan zijn wel de bulletins,

vanaf het eerste in 1843, te vinden op

het internet.

“Catal. Celsianis” betekent waarschijnlijk

dat het gaat om een bespreking van de

catalogus van de plantenkwekerij van de

gebroeders Cels. Lemaire schreef vaker

over de bijzondere planten (vooral cactussen)

die de kwekerij verworven had.

En daar zit een probleem. De catalogi van

de ‘Frères Cels’ zijn ook via het internet

beschikbaar. In alle jaren tot en met 1844

komt er naast Anhalonium prismaticum

(= A. retusus, vanaf 1840) en A. pulvilligerum

(ook A. retusus, vanaf 1843) geen andere anhalonium,

onder welke benaming dan ook,

voor. Pas in 1845 verschijnt A. kotschoubeyanus

(met tussen haakjes ‘Stromatocactus’)

op de lijst voor het indertijd astronomische

bedrag van 1000 franc. Helemaal onderaan

in deze alfabetische lijst staat de soort ook

nog als “Stromatocactus Kothschoubeyi”.

In 1846 en 1847 ontbreekt de soort weer.

Waarschijnlijk was dat ene exemplaar

verkocht of dood gegaan. Dat moet dan na

april 1845 geweest zijn, want op de tuinbouwtentoonstelling

van de Cercle Général

d’horticulture, in april 1845, was de plant

ook weer onderdeel van de inzending van

de heren Cels.

200 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


Afb. 8: Als je in een rotsspleet gaat staan, dan wordt het moeilijk om in vorm te blijven.

Foto Wolter ten Hoeve

De vraag is: Hoe kan Lemaire de plant al in

1842 beschreven, of in ieder geval benoemd

hebben, als hij de plant pas in 1844

voor het eerst heeft kunnen zien? En daarbij

verwijzen naar de catalogus van Cels

terwijl de plant pas in 1845 voor het eerst

daarin stond? Had hij in 1842 alleen nog

maar gehoord over de plant van Karwinski

en alvast de naam geclaimd?

Ook Britton & Rose, die naar mijn idee

altijd de bronnen checkten, bieden geen

uitkomst. Zij geven wel een verkorte referentie

van Lemaire “Anhalonium kotschoubeyanum

Lemaire, Bull. Cercle Confér. Hort.

Dép. Seine.1842.”, maar verderop schrijven

ze dat ze de referentie niet gezien hebben

en daardoor niet hebben kunnen checken

of de naam goed gespeld is.

Eerder (1897) had Schumann ook al aangegeven

dat hij de referentie niet in had

kunnen zien om de naam te checken.

Nieuwe verwarring werd in 1850 geschapen

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

door Salm-Dyck. In de catalogus van planten

die hij in zijn tuin, de Horto Dyckensi, in

1849, in cultuur had, beschreef hij als nieuwe

soort Anhalonium sulcatum ( = gegroefd,

wel een toepasselijke naam voor de plant)

met als synoniem A. Kotchubeyi, Lem. Deze

beschrijving is wel in het Latijn.

Ik vraag me hierbij meteen af: hoe kwam hij

aan die plant? Is hij misschien degene die

de plant voor 1000 fr. gekocht heeft van de

gebroeders Cels?

Dit alles roept wel de vraag op of de naam

A kotschoubeyanus volgens de nomenclatuurregels

gerechtvaardigd is en of het niet

A. sulcatus zou moeten zijn.

Nog meer verwarring

Zelfs de route door Europa van de eerste

planten is niet duidelijk. In 1869 schreef

Lemaire een uitgebreid artikel over anhaloniums

in ‘l’Illustration horticole’ waarin de

gang van zaken ineens weer anders is. Lees

maar mee (vertaald):

201


Het schijnt dat er nooit meer dan twee exemplaren

van deze soort, eertijds vanuit Mexico

geïntroduceerd in de collectie Cels, in cultuur

geweest zijn. Een daarvan werd overgenomen

door Prins Kotschoubey, tegen de redelijke

prijs van ......... 1000 fr.; de andere ...... we

weten niet wat er van geworden is.

Voor de volledigheid meld ik hier nog wat

Labouret in 1853 in zijn Monographie de la

famille des Cactées over de soort schrijft:

(vertaald)

Deze plant is nog steeds uiterst zeldzaam; er

zijn hoogstens twee exemplaren in Frankrijk,

een in de collectie van M. Mallet de Chily, te

Orléans, de andere in de rijke collectie van M.

de Gourgue, nabij Angers. Beide geïntroduceerd

in Frankrijk door de heer Cels, tuinder

nabij Parijs, Chaussée du Maine, no 77.

Andere namen

Volgens Lemaire had Karwinski de soort

dus als Cactus Kotschoubey naar Europa

gestuurd. Waarschijnlijk had Karwinski nog

nooit van Anhalonium of Ariocarpus gehoord.

In latere werken komt steeds naar

voren dat Karwinski de naam Stromatocactus

voor het geslacht bedacht zou hebben.

Dat komt vermoedelijk van het Griekse

‘stromateis’. Dat is wat wij ‘patchwork’ noemen

en dat zal dan wel betrekking hebben

op het bovenaanzicht van de plant. Een datering

van die naam of andere publicatiegegevens

zijn nergens in de literatuur bekend.

De naam is in ieder geval ongeldig omdat

de naam Ariocarpus al uit 1838 dateert,

vóór de ontdekking van A. kotschoubeyanus.

In de literatuur wordt ook steeds vermeld

dat Monville in de catalogus van zijn Hortus

Monvilleanum de plant Anhalonium fissipedum

noemde (fissipedum betekent met

gespleten voet). Dat heeft betrekking op de

vorm van de tuberkels. In Mexico wordt de

soort ook Pata de venado (hertenvoet) of

Pezuna de venado (hertenhoef) genoemd.

Alwin Berger vond de af- of aanwezigheid

van een groef zo essentieel, dat hij het

noodzakelijk vond om de soorten met groef

af te splitsen van het geslacht Ariocarpus.

Hij betoogde dat bij de ‘echte’ ariocarpus, A.

retusus, er een vegetatief areool (waaruit de

doorns ontspringen) is aan het uiteinde van

de tuberkels en een fertiel areool (waaruit

de bloemen ontstaan) in de oksels tussen

de tuberkels. Deze twee areolen zijn niet

zichtbaar met elkaar verbonden. Daarin

komt Ariocarpus overeen met Mammillaria.

Bij de soorten met groef is er geen splitsing

van het vegetatieve en het fertiele deel. Het

areool ligt onderaan de met wol gevulde

groef verborgen.

Ter ere van J. N. Rose gaf hij het nieuwe

geslacht de naam Roseocactus. Daarin

bracht hij A. fissuratus, A. kotschoubeyanus

en A. lloydii onder.

Tegenwoordig zijn de toonaangevende

taxonomen het er wel over eens dat de verschillen

geen reden zijn om de roseocactussen

als een apart geslacht te beschouwen.

Het zijn dus allemaal ariocarpussen.

Honderd Franse soldaten kammen

een terrein in Mexico uit om te zoeken

naar… een cactus.

Over de twee of drie planten die Karwinski

naar Europa gestuurd had is later niets

meer vernomen. Waarschijnlijk zijn ze na

enige tijd doodgegaan.

Het duurt dan enige decennia tot er weer

nieuws over de soort gemeld wordt. Karl

Schumann schrijft namelijk in 1896, in het

Monatsschrift für Kakteenkunde, dat hij op

bezoek bij Frederic Weber in Parijs (vermoedelijk

in 1895), een aantal gedroogde

cactussen te zien kreeg. Daaronder een

cactus ter grootte van een walnoot, waarvan

Weber graag de naam wilde weten.

Schumann moest lang nadenken tot hij

plotseling besefte dat hij misschien wel de

grootste zeldzaamheid onder de cactussen

in handen had, namelijk A. sulcatus (hij ging

nog uit van de nieuwbeschrijving van Salm-

-Dyck). Hij kreeg de helft van het overblijfsel

cadeau.

Frederic Weber, een Franse arts en botanicus

uit Straatsburg, was van 1864 tot 1867

in Mexico.

Natuurlijk vroeg Schumann aan Weber hoe

202 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


Afb. 9: Ten westen van Tula (Tamaulipas) komen

zuiver wit bloeiende planten voor.

Foto Coby Keizer

hij aan de plant kwam. In het genoemde

artikel komt dat niet aan de orde, maar in

het botanisch jaarboek van 1898 schrijft

Schumann (vertaald, hij gebruikte inmiddels

ook de naam A. kotschoubeyanus):

De omstandigheden waaronder hij deze

ariocarpus gevonden had, waren zeer

merkwaardig.

Tijdens de eerste Franse bezetting van

Mexico werd een detachement soldaten

naar het noorden gestuurd om opstanden

die daar plaatsvonden, neer te slaan.

Dokter Weber was daar als arts aan toegevoegd.

Hij had de gewoonte om tijdens

de tocht links en rechts van de weg naar

cactussen te zoeken en zijn helper deed dat

ook. Deze was in de buurt van Matehuala

in de staat San Luis Potosí zover achtergebleven

dat Weber dacht dat hij door

vijandige bewoners opgepakt was. Maar hij

keerde terug en hij bracht een exemplaar

van A. kotschoubeyanus mee. Een paar jaar

later leidde Saussier, de toenmalige militair

gouverneur, weer een tocht in dezelfde omgeving.

Weber, die met hem bevriend was,

kreeg toestemming om mee te gaan. Toen

ze bij de groeiplaats van A. kotschoubeyanus

kwamen, werd zijn verzoek ingewilligd om

meer dan 100 soldaten de omgeving naar

de soort af te laten zoeken. Ze doorzochten

het hele, met lage prosopisstruiken begroeide

landschap. Ondanks deze ongewone

inspanning was het resultaat nogal

pover: men vond namelijk maar 7 tot 8

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

Afb. 10: Een rozebloeiende vorm op dezelfde

groeiplaats.

Foto Coby Keizer

stuks, en daarvan heb ik nu een halve.

In 1896 had Schumann al geschreven

dat het ene exemplaar dat de helper van

Weber bij de eerste tocht gevonden had,

in bloei stond. Ook meldde hij dat de 7 tot

8 exemplaren die de tweede tocht opgeleverd

had, eerst in Mexico in de grond gezet

waren. Een aantal daarvan was al snel

verloren gegaan. De rest was intussen ook

dood.

De eerste afbeelding

In januari 1897 schreef Schumann In het

Monatsschrift für Kakteenkunde dat hij kort

na het bezoek aan Weber in het Koninklijk

Botanisch Museum in Berlijn een exemplaar

van Ariocarpus sulcatus op alcohol

zag. Het bleek dat deze plant afkomstig was

van een beroemd farmacologisch instituut,

dat onderzoek deed naar de alkaloïden

in anhaloniums. Van dit exemplaar heeft

Schumann toen een tekening laten maken

(afb.1). Dat moet dan de eerste gepubliceerde

afbeelding van deze soort zijn.

Schumann kreeg ook te horen dat er een

levende plant naar de botanische tuin in

Leipzig gegaan zou zijn. Bij navraag bleek

dat te kloppen, maar helaas was deze plant

doodgegaan. Hij eindigde het artikel met de

woorden:

„Wenn wir also mit Genugthuung sagen können,

daß wir diesen „seltenen Vogel“ wieder

einmal in Deutschland gehabt haben, so hat

203


leider die Freude nicht lange gewährt.“

(Dus als we met voldoening kunnen zeggen

dat we deze “zeldzame vogel” weer een keer in

Duitsland hebben gehad, dan heeft de vreugde

helaas niet lang geduurd.)

Zo gaat ‘s werelds glorie ten onder; de

plant die ooit 1000 Fr kostte, werd verkocht

voor 30 Pfennig

Toen het artikel van Schumann verscheen,

was het bijna meteen al weer achterhaald.

Want in september van hetzelfde jaar 1897

staat in het Monatsschrift für Kakteenkunde

bij de verenigingsmededelingen, dat er

een offerte is ontvangen van de heer Heinrich

Zeissold met betrekking tot de in de

laatste tijd ingevoerde Ariocarpus kotschoubeyanus.

Hermann Zeissold in Leipzig was cactusimporteur

en kweker. De prijs wordt daarbij

niet genoemd.

Maar in het eerder genoemde botanische

jaarboek van 1898 schrijft Schumann dat

hij de nieuwe import op 30 mei 1897, op

de jaarvergadering van de cactusvereniging,

voor het eerst te zien kreeg, en dat nu

(waarschijnlijk eind 1897) bijna iedere cactusliefhebber

de plant in zijn bezit heeft. En

dat er ook al bloeiende exemplaren bij zijn.

In Hamburg werden ze zelfs vanaf een tafel

vol met over elkaar gegooide exemplaren

verkocht, drie voor één Mark. Hij beëindigde

de passage als volgt:

„Sic transit gloria mundi; die Pflanze, welche

einstmals 1000 Fr. gekostet, wurde für 30

Pfennige verkauft.“

In 1898 verscheen Schumanns beroemde

‘Gesammtbeschreibung der Kakteen‘

met dezelfde afbeelding als hierboven

genoemd. Nu niet meer als A. sulcatus,

maar als Ariocarpus kotschoubeyanus. De

plant van de botanische tuin in Leipzig (het

bleken er twee geweest te zijn) was als

A. retusus uit Mexico gekomen. De plaats

van herkomst zou Lerdo aan de Rio Nazas

in de staat Durango zijn.

Schumann meldde in zijn Gesammtbeschreibung

ook dat de soort in 1897 in verhoudingsgewijs

grote aantallen ingevoerd

is, en in Berlijn bij Emil Heese (Herr Kaufmann

Heese wordt hij steeds genoemd) in

Steglitz voor het eerst gebloeid heeft.

In de catalogus van de firma Haage komt

de plant voor het eerst in 1898 voor. De

prijs was 3,50 tot 5,- Mark. Bepaalde vormen

van Astrophytum myriostigma kostten

30 Mark.

Zes jaar later verscheen een fraaie kleurenafbeelding

in Schumanns ‘Blühende

kakteen’: plaat 52, gepubliceerd in augustus

1904 (afb. 2). De door Karwinski voorgestelde

naam Stromatocactus wordt in de bijbehorende

toelichting abusievelijk verbasterd

tot Stromatocarpus.

De natuurlijke groeiplaatsen

Het verspreidingsgebied van A. kotschoubeyanus

is vrij groot. Het strekt zich volgens

de literatuur uit over de Mexicaanse staten

Coahuila, Nuevo León, Zacatecas, Tamaulipas,

San Luis Potosí en Querétaro. Gezien

het bovenstaande en gegevens van hedendaagse

verzamelaars komt de soort ook in

Durango voor.

Het totale verspreidingsgebied is meer

dan 60.000 km 2 groot. Maar binnen dat

gebied is de totale door de soort begroeide

oppervlakte nogal klein. De groeiplaatsen

(er zijn er meer dan 35 bekend) liggen ver

uiteen. Het aantal volwassen planten wordt

op circa 100.000 geschat. De soort groeit

op hoogtes tussen 1000 en 2000 meter.

Daar staan de planten bijna altijd op vlakke

delen in leemachtige, kalkhoudende, en

vaak zanderige grond. De planten komen in

de natuur niet boven het grondoppervlak

uit en ze zijn buiten de bloeitijd dan ook

zeer moeilijk te vinden (afb. 3, 4, 7, 9, en

10). Vaak staan ze in gebieden die tijdens

de zomerse regenval onder water komen

te staan. Daarna zijn ze overdekt met een

laagje modder dat na indroging overal

scheurt (afb. 3). Als de grond rond een

plant toevallig weggespoeld is, blijkt dat het

meestal ondergrondse deel van de plant

behoorlijk omvangrijk kan zijn (afb. 6).

De typeplant is gevonden langs de weg

MEX-80 tussen knooppunt El Huizache en

Santo Domingo.

204 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


Afb. 11: Een cristaat (lengte circa 20 cm) van A, kotschoubeyanus elephantidens in de omgeving

van Bella Vista del Rio

Foto Coby Keizer

In het algemeen zijn de planten op de meer

zuidelijk gelegen locaties groter, en naar

het noorden toe kleiner.

De ‘zuidelijke vorm’, geconcentreerd rond

Bella Vista del Rio (Querétaro), ten oosten

van Cadereyta, is met een diameter tot wel

10 cm (volgens de boeken), veel groter dan

de ‘noordelijke vorm’. De tuberkels zijn langer

dan bij de andere vormen en de bloem

is dieppaars met geen of weinig wit in de

buitenste bloemblaadjes (afb. voorplaat).

Coby Keizer fotografeerde er ook een

plant die 11 cm breed was. Deze zuidelijke

vorm wordt ook wel eens aangeduid als A.

kotschoubeyanus subsp. elephantidens (=

olifantstand). De planten staan steeds in

stenig terrein (afb. 7) en als je als zaadje

in een rotsspleet terecht komt, dan wordt

het wel lastig om je volop in de breedte te

ontwikkelen (afb. 8).

In de regel is de bloemkleur dus paars,

maar er zijn ook populaties, bijvoorbeeld

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

bij Tula (Tamaulipas) waar zowel zuiver wit

als roze bloeiende planten en mengvormen

naast elkaar voorkomen (afb. 9 en afb.

10). In het verleden werd de witbloeiende

vorm wel A. kotschoubeyanus var. albiflorus

genoemd, maar dat is een ongeldige naam

(evenals A. kotschoubeyanus subsp. tulensis

voor dezelfde vorm).

In de buurt van Tula overigens, zijn ook

natuurhybriden van A. kotschoubeyanus met

A. agavoides gevonden.

De planten in de noordelijke groeigebieden

blijven kleiner en de bloem is bleker.

In veldnummerlijsten wordt deze vorm

vaak A. kotschoubeyanus var. macdowellii

genoemd. Deze naam komt van Backeberg,

die dat in 1949 overnam uit de catalogus

van de firma Haage & Schmidt van 1908

(als Ariocarpus McDowellii). De groeiplaats

kende Backeberg echter niet. Marshall en

Bock schreven in 1941 al dat Ariocarpus

Macdowellii nom.nud. in de handel aange-

205


oden wordt, maar slechts een kleine vorm

van A. kotschoubeyanus is.

In de Cactus and Succulent Field Number

Finder op het internet, worden uiteenlopende

vindplaatsen vermeld (Saltillo, El

Pilar, Hipólito, Estación Marte, La Peña; alle

in Coahuila). Een overeenkomstige vorm,

die tussen San Bartolo en San Francisco

in San Luis Potosí groeit, is door de Tsjech

Josef Halda beschreven als A. kotschoubeyanus

subsp. sladkovskyi. Die zou zich onderscheiden

door een meer glad en glimmend

oppervlak van de tuberkels en witte tot

roze bloemen.

Er circuleren ook nog allerlei ‘nieuwe’ namen

voor veronderstelde ondersoorten en

vormen. Vooral de al genoemde Josef Halda

is daar druk mee geweest. Ik vond bijvoorbeeld

subsp. skarupkeanus (de hierboven

genoemde elephantidensvorm), subsp.

neotulensis (de hierboven genoemde witbloeiende

vorm), subsp. angelensis, subsp.

zacatecasensis, subsp. macdowellii forma

minimus. Voor zover er foto’s te vinden zijn,

zien ze er voor mij allemaal hetzelfde uit.

De meeste taxonomen vinden dat het

niet gerechtvaardigd is om allerlei standplaatsvormen

als aparte ondersoorten

te beschrijven. A. kotschoubeyanus is één

soort met van noord naar zuid en van oost

naar west geleidelijk in elkaar overgaande

vormen.

Rest nog te vermelden dat er ook van A. kotschoubeyanus

in de natuur cristaten voorkomen

(afb. 11).

Red List

Hoewel A. kotschoubeyanus op veel groeiplaatsen

massaal voorkomt, heeft de soort

in de IUCN Red List de status ’near threatened’.

De belangrijkste bedreigingen voor deze

soort zijn menselijke nederzettingen,

vuilstortplaatsen, illegaal verzamelen

door ‘liefhebbers’ en voor lokaal medicinaal

gebruik (als ontstekingsremmer en

als pijnstiller). Veel van de gebieden waar

de soort voorkomt, zijn geschikt om voor

landbouwactiviteiten gebruikt te worden.

Dit laatste is wel afhankelijk van de beschikbaarheid

van water voor irrigatie. Wolter

ten Hoeve vond in het jaar 2000 met zijn

reisgezelschap een populatie bij Estación

Marte. Een paar jaar later bleek het hele

terrein omgeploegd door een boertje dat in

dit kurkdroge gebied wat wilde verbouwen.

Er was prikkeldraad aangebracht en alleen

voor het prikkeldraad stonden nog een

paar exemplaren.

Over het illegaal verzamelen is in Succulenta

al vaker melding gemaakt. Bijvoorbeeld

in het jaar 2000 toen er verslag gedaan

werd van een inbeslagname op Schiphol

door de Algemene Inspectiedienst (AID).

Het ging toen om vier koffers met in totaal

bijna 700 zeldzame cactussen. Daaronder 7

ariocarpussoorten en daaronder 276 exemplaren

van A. kotschoubeyanus.

Cultuur

Zoals alle ariocarpussen is de plant een

langzame groeier, maar beslist niet moeilijk

in de cultuur. Om ruimte te geven aan de

penwortel is een diepe pot noodzakelijk.

De behandeling wijkt verder niet af van

de standaardverzorging voor cactussen.

Ariocarpussen zijn niet kougevoelig. De

bloei valt meestal in de late herfst, een tijd

waarin weinig andere cactussen bloeien.

Vermeerderen uit zaad is goed mogelijk.

Bij mij is de opkomst laag, onder de 10%.

Gezien de langzame groei, kan het verspenen

wachten tot het tweede jaar. De grond

waarin verspeend wordt moet niet vochtig

zijn, want zoals in het artikel over A. retusus

al is opgemerkt, de wondjes die onvermijdelijk

ontstaan bij de werkzaamheden,

kunnen gemakkelijk infecteren waardoor

de plant snel wegrot. Ook na het verpotten

van grotere planten is het raadzaam om de

planten de eerste weken daarna kurkdroog

te houden.

Voor een snellere groei kunnen de zaailingen

geënt worden, maar nodig is het niet.

Geënte planten worden vaak veel groter

dan exemplaren op eigen wortel en ze

verliezen vaak de natuurlijke compacte

groeiwijze.

206 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


Literatuur

Bailey, G. & Miller, J. (2008). Natural Hybrids

between Ariocarpus kotschoubeyanus

and Ariocarpus agavoides, Living Rocks of

Mexico,

https://www.living-rocks.com/agavxkot.htm

Berger, A. (1925). Roseocactus, a new genus

of Cactaceae, Journal of the Washington

Academy of Sciences 15 (3): 43 – 48.

Britton, N. L. & Rose, J.N. (1922). The Cactaceae

vol. 3: 82.

Cels, (1845). Extrait du Catalogue des cultures

des Frères Cels: 25,31.

Haage & Schmidt. (1908). Haupt-Verzeichnis

über Samen und Pflanzen: 225.

Halda, J. J. & Horáček, L. (1998). New descriptions,

Ariocarpus kotschoubeyanus

subsp. sladkovskyi, Acta Musei Richnoviensis,

Sect. Nat. 5(5): 185.

Halda, J. J. & Horáček, L. (2002). Ariocarpus

kotschoubeyanus (Lemaire) K. Schumann

subsp. skarupkeanus, Acta Musei Richnoviensis,

Sect. Nat. 9(1): 3–4.

Halda, J. J. (2002). New descriptions and

combinations, Ariocarpus kotschoubeyanus

(Lemaire) K. Schumann subsp. neotulensis,

Acta Musei Richnoviensis, Sect.

Nat. 9(1): 51–52.

Heijnsdijk, T. (2015). Astrophytum asterias:

de zeestercactus, Succulenta 94 (3): 103.

Heijnsdijk, T. (2020). Ariocarpus retusus: de

puntige rozetcactus, Succulenta 100 (2):

51.

Hirscht-Zehlendorf, K. (1897). Aus der Gesellschaft

der Kakteenfreunde, Monatsschrift

für Kakteenkunde 7: 143.

Labouret, J. (1853). Monographie de la

famille des Cactées: 154.

Lemaire, C. (1845). Anhalonium kotschoubeyanum,

Bulletin du Cercle Général

d’Horticulture 2: 95,128,131.

Lemaire, C. (1845). Anhalonum kotschoubeyanum,

L’Horticulteur Universel 6: 63.

Lemaire, C. (1869). Histoire, caractères,

culture et espèces du genre Anhalonium,

L’Illustration horticole 16: 72.

Marshall, W. T. & Bock, T. M. (1941). Cactaceae:

135.

Redactie Succulenta (2000). LIEFHEB-

BERS!!!!, Succulenta 79 (4): 174.

Salm-Dyck, J. de (1850). Cactæ in Horto

Dyckensi cultæ anno 1849: 5, 78.

Schumann, K. (1898). Die Gattung Ariocarpus

(Anhalonium), Botanische Jahrbücher

für Systematik, Pflanzengeschichte und

Pflanzengeographie 24: 541 – 546.

Schumann, K. (1896). Succulente Reiseerinnerungen

(Schluss), Monatsschrift für

Kakteenkunde 6: 179.

Schumann, K. (1897). Ariocarpus sulcatum,

Monatsschrift für Kakteenkunde 7: 9.

Schumann, K. (1898). Gesamtbeschreibung

der Kakteen: 604.

Schumann, K. (1903). Blühende Kakteen 1,

plaat 52.

Cactus and Succulent Field Number:

http://www.cl-cactus.com/fnfinder.asp?Lang=en&Plant=Ariocarpus+kotschoubeyanus

De IUCN Red List met betrekking tot A. kotschoubeyanus:

https://www.iucnredlist.

org/species/41217/121435216

Maasdijk 11

6629 KD Appeltern

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

207


Voor het voetlicht 117

Bertus Spee

Crassula corallina

Dit is een van de kleinst blijvende crassula’s.

We kunnen ze vinden in Namibië en

Zuid-Afrika, vaak op zanderige plaatsen. De

korte stengeltjes zijn bezet met 5 mm grote

blaadjes; oudere planten vormen clusters

van wel 20 cm in doorsnede (de bolletjes

op de foto zijn geitenkeutels). Ze houden

van een zonnige plaats.

Crassula corallina bloeit in de zomer vanuit

de top van de stengels, met trosjes witte

bloempjes van 2 mm. Vermeerderen gaat

gemakkelijk door stekken. We planten de

stekjes het best in een zanderig substraat

in een terracottaschaaltje en geven matig

water om de week.

Na verloop van tijd verdrogen de onderste blaadjes aan de stengels. De toppen kunnen

dan afgeknipt en opnieuw beworteld worden.

In de winter houden we ze droog bij een minimumtemperatuur van 5 graden.

Melocactus peruvianus

Deze melocactus groeit massaal in de rivierdalen

die vanaf het Andesgebergte naar

de kust van Peru lopen. Door de wolken die

vanaf de kust de valleien indrijven, ontstaat

hier een microklimaat waar veel planten

groeien. Eenmaal boven de wolkenzone

(1500 m) groeit er niets meer.

In cultuur zijn het geen moeilijke planten.

Ze zijn prima uit zaad op te kweken en

groeien redelijk snel. Na 10 jaar kunnen

ze al een cephalium vormen en dan gaan

ze ook bloeien. Het cephalium blijft hierna

doorgroeien en kan uiteindelijk wel 30 cm

of meer hoog worden.

We planten ze in een mineraalrijk substraat

en geven in de zomer regelmatig water,

waarna we de potkluit weer op laten drogen.

Tijdens de winterrust houden we deze planten

droog bij een minimumtemperatuur

van 10 graden.

208 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


Sarcocaulon herrei

Een bijzondere plant die heel sporadisch te

vinden is in het Namaqualand (Zuid-Afrika).

Ze staan hier op kwartsrijke heuvels en

groeien struikvormig tot zo’n 40 cm hoog.

In de rusttijd laten ze hun blad vallen. In

cultuur zijn het wintergroeiers. Als de groeiperiode

begint, bloeien ze eerst op de kale

stammetjes en vormen kort daarna nieuw

bladeren.

Ook daarna verschijnen er nog bloemen. Ze

zijn goed uit zaad op te kweken en we planten

ze in een grof doorlatend en mineraalrijk

substraat. Ze vragen verder een zeer

zonnige plaats en vooral een zeer matige

watergift, zo ongeveer om de twee weken.

Als ze na het groeiseizoen hun blad laten

vallen houden we ze volkomen droog. Tijdens

de groeiperiode in de winter houden

we ze het best tussen de 15-20 graden.

Islaya islayensis

Deze planten zijn te vinden in de Nazca

woestijn, het droogste kustgebied van Peru.

Het regent daar zelden en de planten krijgen

alleen vocht van de nachtelijke zeemist

die het landinwaarta drijft. In cultuur zijn

ze redelijk goed uit zaad op te kweken. We

dienen echter zeer spaarzaam met water

te zijn; wel kunnen we regelmatig nevelen.

Deze soort wordt vaak geënt. De planten

zijn dan minder gevoelig voor te veel vocht.

De gele bloemen verschijnen in de vroege

zomer, waarna zich enorme zaadbessen

vormen. Deze bevatten meestal maar enkele,

vrij grote zaden.

We planten ze in een mineraalrijk zanderig grondmengsel en geven ze ook een luchtige

plaats. Tijdens de winterrust houden we ze droog bij een minimumtemperatuur van 5

graden. Op zonnige dagen kunnen we licht nevelen met lauw water.

Diepeneestraat 4

4454 BJ Borssele

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

209


Een prikkelende hobby

Stan Oome

Als ik mensen vertel dat ik cactussen kweek, krijg ik vaak de vraag wat precies de

reden hiervoor is. Verkoop wellicht? Alsof een commercieel belang het enige nut is en

de hobby dus wordt beoefend als een soort van beroep: het doel zal wel geld verdienen

zijn, waarmee je dan vervolgens datgene kunt doen dat je écht leuk vindt. Een échte

hobby is blijkbaar iets dat prikkelender moet zijn dan plantjes opkweken. Bijvoorbeeld

iets met dieren of met sport of zo, iets waarbij je zintuigen meer gebruikt worden.

Maar op zich vind ik het een goede vraag

wat er nou eigenlijk zo boeiend is aan

planten kweken. Het lijkt inderdaad op

het eerste gezicht niet echt spannend, en

wellicht (weet ik uit ervaring) bijzonder saai

voor buitenstaanders. Toch weten wij als

Afb. 1: Echinocereus scheeri var. gentryi: een sterk contrast tussen de stempel en de

bloemblaadjes

210 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


liefhebbers dat dit niet het geval is. Maar

waaróm ervaren wij dit dan als een fascinerende

hobby? Welke behoeftes vervult het

bij ons als cactofiel?

Graag zou ik willen starten bij de zintuigen.

Ik denk dat het meest prominente in het

geval van cactusverzamelaars het visuele

aspect is. Het lijkt mij persoonlijk een lastige,

en niet zeer bevredigende hobby voor

blinde mensen, maar wie weet vergis ik mij

daarin. Het visuele aspect is voor mezelf in

elk geval zeer sterk aanwezig, met natuurlijk

als eerste de prachtige bloemen van

cactussen. Van mooie subtiele pasteltinten

tot felle zuurstokkleuren waar een neonreclamebord

zich niet voor zou schamen. Er

zijn natuurlijk andere plantfamilies met veel

complexere bloemen, zoals orchideeën,

maar om een of andere reden trekken de

bloemen van cactussen me sterk. Dit heeft,

denk ik, iets te maken met de vorm en de

(soms) sterke contrasten tussen stempel

en bloembladeren (een van de redenen

waarom ik bloemen van echinocereussen

vaak erg mooi vind), maar ik kan de vinger

daar niet exact op leggen. Daarnaast is er,

ondanks de korte bloeitijd van de meeste

cactussen, vaak dagelijks iets nieuws te zien

in de kas. Je weet dat de prachtige bloei

van een plant slechts van korte duur is, dus

geniet ervan als het kan! Anders is het weer

een jaar wachten.

Afb. 2. Mamillopsis senilis: een groot contrast tussen de witte bedoorning en felrode bloem

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

211


Afb. 3: Lophophora williamsii: van bovenaf

gezien een bijna perfecte symmetrie

Ook het plantlichaam van veel cactussen

vind ik bijzonder fascinerend. De enorm

strakke symmetrie van deze planten trekt

mijn oog altijd zeer sterk. Dit zal te maken

hebben met de gulden snede. Die is

gebaseerd op een manier om een lijnstuk

in twee stukken te verdelen. De verhouding

in lengte tussen die twee stukken moet dan

(afgerond) 1,618 : 1 zijn. Het getal 1,618

heet het gulden getal. Het wordt aangegeven

met de Griekse letter phi (symbool ϕ,

uitgesproken als fie). Door onder andere

Leonardo da Vinci werd dit getal gezien als

de perfecte ratio voor schoonheid, zowel

in de kunst als in de natuur. Dit uit zich bij

cactussen met name in de plaatsing van

de areolen, die in spiralen van onder naar

boven over de plant geplaatst zijn. Wellicht

meer daarover in een toekomstige bijdrage.

Een volgend zintuig is de geur. Wederom

startend bij de bloemen, waar de geur vrij

prominent aanwezig kan zijn, hoewel er

ook best veel soorten zijn met geurloze

bloemen. Sommige nachtbloeiers, zoals

Setiechinopsis mirabilis, kunnen met een

enkele bloem je hele kas naar een snoepwinkel

laten ruiken, maar de meeste geuren

zijn subtieler. De vruchten van Pereskia

grandifolia ruiken naar fruit, iets perzik/

pruim-achtigs, en blijven dit maanden

volhouden. Hoewel niet allemaal parfumwaardig

(ik zou persoonlijk de geur van de

bloemen van Rebutia en aanverwanten niet

aanmerken als bijzonder lekker), zijn er bij

mijn weten geen cactussen die ruiken naar

rottend vlees en uitwerpselen, zoals vaker

voorkomt in de familie van aasbloemen.

Toch zou het mij niet verbazen als liefhebbers

van deze planten deze geuren niet als

negatief ervaren! Een geur die ik wel als

negatief ervaar, is die van rottende planten.

Ik kan vaak bij binnenkomst in de kas vertellen

dat er iets mis is, waarna ik mijn neus

kan volgen naar de bron van het probleem.

Dat blijkt dan vaak een stervende plant te

zijn. Bij mijn weten heeft een gezonde cactus

geen typische (sterke) lichaamsgeur.

Qua (uitwendig) gevoel zijn er meerdere

aspecten. Ten eerste het gevoel

van warmte dat een kas biedt.

In het voorjaar en najaar

is het er vaak erg prettig

vertoeven als het

een beetje zonnig

is, terwijl het dan

buiten vaak nog

koud is. Omgekeerd

is het

op een warme

zomerse dag

fijn om na

een kasbezoek

weer

naar buiten

te gaan; 30

graden buiten

lijkt dan opeens

niet meer zo

warm…

Voor wat betreft

aanraking staan

cactussen niet bekend

als zeer knuffelbaar,

hoewel de meeste, indien je

een beetje voorzichtig

bent, prima

kunnen worden

aangeraakt.

Afb. 4. Sulcorebutia rauschii: de gul

plaatsing van de areolen

212 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


Een klein duwtje tegen een plant geeft me

informatie over mogelijke rot en of de plant

nog goed geworteld is. Ook bij het optillen

van een potje weet ik vrij snel of deze vervangen

moet worden, aangezien ik kweek

in lavagruis. Dit is volkomen onelastisch,

waardoor het (plastic) potje bij voortgaande

wortelgroei vervormt van rond naar

ovaal, of je voelt de vorm van de steentjes

door de pot heen. Dan is het tijd om te

verpotten!

Ook geluid speelt voor mij een rol. Of beter

gezegd; het grotendeels ontbreken hiervan.

Voor mij is mijn kas een oase van stilte, met

als meest hoorbare geluiden de vogeltjes

en het kraken van de automatische

raamopeners. Overigens kunnen cactussen

ook wel degelijk geluid maken. Het is alsof

je een kalimba bespeelt wanneer je langs

de doorns strijkt met je vingertoppen;

elke soort maakt een wat ander

ploing-geluid. Ook je eigen

gevloek als je dit probeert

bij een opuntia vol

glochiden zal duidelijk

hoorbaar zijn,

wellicht zelfs voor

de buren.

Ik denk dat

smaak voor

mij een van de

minst benutte

zintuigen is

in de beleving

van mijn

hobby. Ik

moet zeggen

dat ik bijzonder

weinig

proef in mijn

kas. Nou is er wat

cactussen betreft

ook niet veel te

proeven: de bekende

‘Dragon Fruit’ (vrucht

van Selenicereus undatus) en

cactusvijg (vrucht

van Opuntia ficusden

snede is terug te vinden in de -indica) staan bij

mij niet erg hoog

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

Afb. 5: Pereskia grandifolia: de vrucht blijft

maandenlang ruiken naar fruit.

qua smaakbeleving, en ik kweek ze zelf ook

niet. Als je agave meerekent kun je zeggen

dat tequila (gemaakt van Agave tequilana)

misschien de beste smaakbeleving geeft,

hoewel hierover de meningen verdeeld

zijn. Ook iedereen die ooit eens ‘San Pedro’

of ‘Peyote’ heeft gegeten/gedronken weet

dat de smaakbeleving hiervan verre van

positief is…

Voor wat betreft emoties/gevoel van binnen

is het weer een heel ander verhaal. Naast

een plek van rust is de kas ook een plek van

verwachting: wat staat er vandaag weer in

bloei, welke zaadjes zijn er gekiemd, welke

planten gaan na hun eerste watergift van

het jaar mooi in de groei, zie ik in de lente

de eerste knoppen weer verschijnen, en

vast nog andere dingen. Doordat veel van

de planten al een tijd meegaan, heeft elke

plant ook een eigen verhaal. Misschien heb

je ‘m al zien opgroeien van zaadje tot eerste

bloemetje en gaat ie intussen al jaren

trouw mee. Dat is ook een van de redenen

waarom ik niet vaak oude planten koop;

een groot deel van het verhaal ontbreekt

dan.

Ook negatieve emoties komen langs: frustratie

om zaadjes die niet willen kiemen,

213


Afb. 6. Rebutia heliosa: de spanning stijgt naarmate de knoppen groeien.

een traantje om een oude plant die het na

jaren trouwe dienst begeeft, boosheid op

een kas die lekt, diepe zucht door verbranden

van planten op een te hete dag, zorgen

of je kachel voldoende vermogen heeft

tijdens strenge vorst, beestjes (van insecten

tot vogels) die zich te goed doen aan je

planten. Gelukkig zijn de meeste van deze

zaken goed te managen als je wat jaren

meedraait, en wellicht te voorkomen als je

advies inwint van ervaren kwekers. Financiële

zorgen zitten er gelukkig niet echt bij;

op de schaal van mijn verzameling kost

het misschien een paar honderd euro per

jaar aan bijvoorbeeld aanschaf van nieuwe

planten, zaadjes, materialen en stookkosten.

Voor mij fungeert mijn verzameling ook

als een soort klok. Naast de veranderingen

per dag (behalve in de winter) en per

seizoen, dient het ook als een soort maat

voor het verstrijken van de jaren. Ik heb

op elk labeltje in de kas het zaaijaar staan,

waardoor ik me bewust ben van hoe lang

ik al mag genieten van de aanwezigheid

van het betreffende plantje. Soms lijken de

planten nauwelijks te groeien, totdat je een

foto van enkele jaren geleden van hetzelfde

214 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


exemplaar bekijkt. Ook zelf zaaien maakt

me hier steeds bewust van, elk jaar weer

zien hoe verschrikkelijk klein en kwetsbaar

een cactus zijn leven begint.

Er zullen meerdere hobby’s zijn die een

hoop van deze aspecten aanstippen, zoals

tuinieren. Die hobby heeft nog wat meer

een fysieke component, afhankelijk van de

grootte van de tuin en de werkzaamheden

die je verricht. Wat ik het voordeel vind van

mijn verzameling boven een tuin (die ik

overigens ook heb), is dat mijn verzameling

niet sterk plaatsgebonden is. Dit is natuurlijk

deels afhankelijk van de grootte van je

verzameling (en de individuele planten),

maar verhuizen is in principe vaak mogelijk.

In mijn 25 jaar als praktiserend cactofiel

ben ik meerdere malen verhuisd, zonder

veel moeite. Een tuin ben je grotendeels

kwijt, inclusief de moeite die erin zit, een

cactusverzameling niet. Dit maakt me

flexibel qua woonplaats binnen Nederland,

en zelfs binnen de EU. Een verzameling

meenemen buiten deze grenzen zal, vrees

ik, te kostbaar worden.

Gekscherend zie ik het ook als een luie-

-mensen-hobby. Als ik een dag geen zin

heb (of geen tijd), dan redt mijn verzameling

zich prima. Zeker met automatische

raamopeners en een kachel met thermostaat.

Een dagje zonder water overleven

juist deze planten wel, en een weekje vaak

ook. De wintertijd is daarnaast vreemd genoeg

ook een tijd om even bij te komen van

een jaar kweken. Als het 5 graden is in de

kas ga ik er niet zo graag heen, maar met

cactussen hoeft dat, indien alles op orde is,

dus ook niet!

Ik denk niet dat ik mijn vrouw ooit kan

overtuigen van de lol van mijn hobby, maar

ik ben mijn best aan het doen om de liefde

over te brengen op mijn twee dochtertjes

(nu 4 en 6 jaar oud). Ik ben zelf besmet

geraakt met het cactusvirus rond mijn

11 e , dus wie weet ben ik nog wat te vroeg,

maar ze mogen al meehelpen met watergeven,

en ik probeer ze er gewoon bij te

betrekken. Het zijn van nature allebei kleine

‘bioloogjes’, dus wie weet!

Afb. 7. Mijn kleine bioloogjes in actie

Als ik dit hele verhaal nu lees, is het eigenlijk

niet zo vreemd dat ik deze hobby heb.

Het vervult een hele hoop behoeften die ik

als mens heb, en die soms lastig zijn om uit

een andere bron te halen. Wat nou, “saaie

hobby”?!

stan_oome@yahoo.com

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

215


Echinocactus polycephalus

Henk Ruinaard

Er zijn cactussen die je niet snel over het hoofd ziet als je door de woestijnen van

zuidwest-USA wandelt. Naar kleinere soorten, zoals Ariocarpus fissuratus of Echinocereus

davisii, moet je echt heel goed zoeken, ook al weet je dat ze op die plaats zouden

moeten groeien. Naar grotere cactussen hoef je niet te zoeken; die kom je vanzelf

tegen. Voorbeelden daarvan zijn Carnegiea gigantea, Stenocereus thurberi, de meeste

opuntiasoorten en de meeste ferocactussoorten. Echinocactus polycephalus is ook zo’n

soort die je al van verre ziet, zonder vooraf te weten dat je op een van zijn groeiplaatsen

bent.

Mijn eerste ontmoeting met E. polycephalus

was op 5 juni 2009 aan de noordkant van

Death Valley in Californië. Bij het benaderen

van de elfkoppige cluster dacht ik

een ferocactussoort gevonden te hebben

(afb. 1). Dezelfde forse bolvorm en dezelfde

kromme bedoorning. Toch was er iets

dat me deed twijfelen, namelijk de wollige

vlokjes tussen de doorns (afb. 2). Pas na

thuiskomst ontdekte ik dat dit laatste een

typisch kenmerk is van E. polycephalus.

De tweede ontmoeting was op 6 maart

2013. We stonden met onze gehuurde

camper op de camping van Red Rock State

Park, net ten zuiden van Las Vegas, Nevada.

’s Morgens vroeg ging ik de omliggende

heuvels verkennen. Het had de dag ervoor

geregend en de rotsachtige grond

Afb. 1: 11-koppige E. polycephalus cluster

216 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


Verenigingsnieuws

Oktober 2021

In dit nummer:

Adressen 66

Agenda Algemene Ledenvergadering 67

Jaarverslagen instellingen 68

Instellingen en redactie 76

Afdelingsactiviteiten 77

Ledenadministratie 78

Advertenties 78 t/m 80

Fraaie verkleuring bij een oudere bloem op

Ferocactus hamatacanthus

Kopij voor het verenigingsnieuws voor de

1 e van de oneven maanden zenden naar:

Andre van Zuijlen,

E-mail: succulenta@home.nl

Verenigingsnieuws Succulenta jaargang Succulenta 100 (5) jaargang 2021 100 (5) 2021 217 65


Adressen

Succulenta

Koninklijke Nederlandse vereniging van

liefhebbers van cactussen en andere vetplanten

Succulenta

Bestuur

Voorzitter

Frans Mommers

Egyptering 18, 5152 MZ Drunen

Tel. 0416 - 374393

E-mail: voorzitter@succulenta.nl

Secretaris

Andre van Zuijlen

Hoefstraat 9, 5345 AM Oss

Tel. 0412 - 630733

E-mail: secretaris@succulenta.nl

Penningmeester

Jacques Baltis

Meidoorn 134, 6226 WD Maastricht

Tel. 043 - 3622260 en 0651552199

E-mail: penningmeester@succulenta.nl

Pr & Promotie en vice-voorzitter

Peter Knippels

Tel. 0648590702

E-mail: prfunctionaris@succulenta.nl

Algemeen bestuurslid

Saskia Barendregt

E-mail: bestuurslid2@succulenta.nl

Algemeen bestuurslid

Paul Laney

E-mail: bestuurslid1@succulenta.nl

Financiële Zaken

Betaling via de bankrekening van

Succulenta, Meidoorn 134, Maastricht

IBAN: NL31INGB0000680596

BIC: INGBNL2A

Ledenadministratie

Verzoeken om inlichtingen, aanmeldingen

lidmaatschap, adreswijzigingen en opzeggingen

(vóór 1 december) schriftelijk of per

e-mail bij de ledenadministrateur:

Miranda Tap

Koldijksterraklaan 218

3544 PP Utrecht

ledenadministratie@succulenta.nl

Lidmaatschap 2021

Nederland € 30,–

België € 36,50

Jeugdleden Nederland € 15,-

Jeugdleden België € 18,25

Europa € 51,50

Buiten Europa € 51,50

Digitaal lidmaatschap € 27,–

Inschrijfgeld nieuwe leden € 3,–

Nieuwe leden ontvangen gratis het boek

“Cactussen en vetplanten - een handleiding”

ter waarde van € 6,50.

Advertenties

Andre van Zuijlen, Hoefstraat 9,

5345 AM Oss. Tel. 0412 - 630733

E-mail: succulenta@home.nl

Tarieven

1/8 pagina € 29,50

1/4 pagina € 45,50

1/2 pagina € 72,50

1/1 pagina € 125,00

66 218 Verenigingsnieuws Succulenta jaargang 100 100 (5) (5) 2021 2021


Algemene Ledenvergadering 16 oktober 2021

De Algemene Ledenvergadering zal plaatsvinden in Hajé restaurant Nieuwegein

Het adres is Waterliniedok 1, 3433 NV Nieuwegein

Programma

09:30 uur Ontvangst met koffie

10:00 uur Eerste deel Algemene Ledenvergadering

12:30 uur Lunch met broodjes

13:30 uur Tweede deel Algemene Ledenvergadering (indien nodig)

15:00 uur Sluiting

Agenda Algemene Ledenvergadering

1. Opening door de voorzitter

2. Mededelingen en binnengekomen en uitgegane stukken

3. Stilstaan bij overleden leden

4. Huldiging van de jubilarissen die 40, 50 of 60 jaar lid zijn

5. Goedkeuring notulen van de ALV 2020 van de vergadering van 27 september 2020

(zie verenigingsnieuws van december 2020)

6. Jaarverslag van de secretaris over 2020 (verenigingsnieuws april 2021)

7. Financieel verslag over 2020 (verenigingsnieuws april 2021)

8. Verslag van de kascommissie

9. Verkiezing nieuwe kascommissie

10. Begroting 2021 (verenigingsnieuws van februari 2021) met daarbij het beleid m.b.t. de

omvang van de financiële reserves van Succulenta

11. Vaststellen contributie 2022

12. Bestuurswijzigingen

13. Verslag van de instellingen:

De instellingen hebben - evenals vorig jaar - hun jaarverslag op papier gezet en deze

verslagen zijn te vinden in het verenigingsnieuws van oktober

15. Voortgang Office 365 in de vereniging

16. Vaststelling datum en, indien mogelijk, locatie voor de ALV 2022

17. Rondvraag

18. Sluiting

Aanmelden voor de vergadering kan nog in de eerste week van oktober en moet gebeuren door

een mail te sturen aan de secretaris: secretaris@succulenta.nl.

Indien nog voorgeschreven, zijn geldende coronavoorschriften van kracht.

Succulenta Verenigingsnieuws jaargang Succulenta 100 (5) 2021 jaargang 100 (5) 2021

21967


Jaarverslagen van de instellingen over 2020

Redactie van het tijdschrift

We hebben weer een lange periode achter

de rug waarin we een zo gevarieerd mogelijk

aantal artikelen in ons tijdschrift hebben

weten te plaatsen.

Ondanks de corona-maatregelen hebben we

toch zoveel mogelijk samengewerkt. 2020 Is

dan ook een uitzonderlijk jaar geworden

waar we de onderlinge contacten tot een

minimum beperkt hebben. Toch is digitaal

werken niet een fijne oplossing; je mist

bepaalde aspecten. Een computer kan nooit

ofte nimmer het fijne samenwerken vervangen.

Je hebt altijd de behoefte om al pratende

dingen voor elkaar te krijgen. De computer

is een steriel apparaat dat geen enkel

gevoel kent.

Alles liep op rolletjes tot ons op 2 maart van

dit jaar het trieste bericht bereikte dat

Ludwig Bercht was overleden.

Na 21 jaar als hoofdredacteur heb ik meerdere

malen gewaardeerde redactieleden

weg zien vallen en gelukkig is het steeds

weer op zijn pootjes terechtgekomen.

Zoals bij veel zaken die een continuïteit

vereisen is ons tijdschrift hierdoor niet in het

gedrang gekomen en konden we voor

volwaardige exemplaren zorgen.

Wel zou de opengevallen plaats weer

ingevuld moeten worden.

Theo Heijnsdijk gaf aan ons verzoek om

plaats te nemen in de redactie gehoor en

heeft ons na twee edities al het gevoel

gegeven een waardige opvolger van Ludwig

te zijn.

Naast de gebruikelijke vaste artikelen,

waarvoor we de auteurs zeer erkentelijk zijn,

willen we ook onze dank uitspreken voor al

die andere auteurs die ervoor gezorgd

hebben dat het niveau van ons tijdschrift

gewaarborgd is.

Aangezien er altijd wel wat op de plank moet

liggen willen we toch eenieder uitnodigen

om op geheel eigen wijze een invulling aan

ons blad te geven.

Hierbij moeten we altijd bedenken dat wat

voor de een als artikel goed is, voor een

ander alweer niet goed meer is en voor weer

een ander nog niet goed is. Tussen deze drie

gegevens moeten we iedere keer weer

laveren om onze lezers tevreden te houden.

Mochten er wensen of ideeën zijn voor ons

tijdschrift, schroom niet om het ons mede te

delen.

Henk Viscaal, hoofdredacteur

Het verenigingsnieuws

Begin 2020 was er nog nieuws van de

vereniging over een nieuwe webbeheerder,

over de aanstaande ledenvergadering en

over het koninklijk certificaat. Maar in maart

sloeg corona toe en in april kwam met

afgelassen en uitstellen van evenementen

het verenigingsleven tot stilstand. Voor het

eerst in mijn ruim 20 jaar als redacteur

moest ik in juni bij nagenoeg alle afdelingen

68 220 Verenigingsnieuws Succulenta jaargang 100 100 (5) (5) 2021 2021


melden dat er geen bijeenkomsten meer

zouden worden georganiseerd.

De Algemene Ledenvergadering werd

uitgesteld en ingekort en dit leidde tot het

verzoek aan de instellingen om hun jaarverslagen

in het verenigingsnieuws te publiceren.

Samen met hun foto gaf dit een mooi

inzicht in welke mensen hun tijd stoppen in

beheer van deze instellingen. De enige

verenigingsactiviteit waarover nog werd

gerapporteerd was de voortgang van het

Microsoft-account voor Succulenta.

In het laatste nummer van 2020 volgde het

verslag van de Algemene Ledenvergadering

op 27-9-’20 en - heel belangrijk voor de

vereniging - de introductie van een nieuwe

webmaster, een nieuwe penningmeester en

twee nieuwe bestuursleden. Maar nog

steeds geen evenementen en geen afdelingsbijeenkomsten.

Hopelijk kunnen we in 2021 de draad weer

oppakken en daar past een oproep aan de

leden bij. Mocht u een evenement of activiteit

bijwonen schrijf hier dan eens wat over

voor het verenigingsnieuws. De redactie is

altijd beschikbaar voor ondersteuning of

hulp. Aarzel niet om daar gebruik van te

maken.

Andre van Zuijlen, verenigingsnieuws

De website

Een website is je visitekaartje. Met die

insteek heb ik eind 2019 bij het bestuur

aangeklopt om de vacature voor webmaster

in te vullen. Webmaster wordt nu webbeheerder

genoemd. De beheerder is niet

verplicht bestuurslid te zijn met de bijbehorende

termijn.

Alle begin is moeilijk, en naast het leren

kennen van de website moest ik ook wennen

aan wie ik om bepaalde informatie

moest vragen. Zo is er heel wat e-mailverkeer

rondgegaan, en kreeg ik regelmatig wat

doorgestuurd omdat de ‘nieuwe’ nog niet in

het systeem zat. Met de hulp van Theo

Heijnsdijk ben ik op de rails gezet. De

terugkerende taken zoals het plaatsen van

afdelingsblaadjes, het tijdschrift en nieuwsberichten

moest ik in sneltreinvaart onder

de knie zien te krijgen. En naast het corrigeren

van stijl- en spelfouten ben ik aan de

slag gegaan om verouderde informatie weer

up-to-date te maken. Ook de discrepanties

heb ik rechtgezet. Verder heb ik een aantal

pagina’s onder de loep genomen om ze

vervolgens in een nieuw en meer overzichtelijk

jasje te steken. Om deze veranderingen

te bereiken heb ik een goed contact en een

prima samenwerking ondervonden.

De afgelastingen van de activiteiten waren

een enorme domper. Hoe leuk was het

geweest om fotoverslagjes e.d. op de

website te tonen! In plaats daarvan heb ik

van Peter Knippels wat ‘Corona-berichten’

gekregen om toch wat dynamiek op de site

te brengen. Voor de pagina ‘Digitale Open

Kas’ heb ik een Youtube-kanaal aangemaakt,

ook voor toekomstig gebruik. De ‘Digitale

Plantenbeurs’ was echter geen succes; daar

werd maar mondjesmaat iets voor ingestuurd.

Uiteindelijk is een website nooit af, en zie ik

graag jullie input om deze steeds verder uit

te breiden en te verbeteren.

Dat visitekaartje, dat doen we samen!

Verenigingsnieuws Succulenta jaargang Succulenta 100 (5) 2021 jaargang 100 (5) 2021

221 69


Debbie van den Heuvel, webbeheerder

Clichéfonds

In één woord, een turbulent jaar voor het

Clichéfonds.

Van de zaadlijst 2019/2020 zijn 261 bestellingen

ontvangen ten opzichte van de 225

bestellingen van de zaadlijst 2018/2019, een

stijging van 16%.

Deze stijging is grotendeels ontstaan

doordat er meer tijd thuis doorgebracht is

vanwege de coronamaatregelen en meer tijd

beschikbaar was om thuis te zaaien.

Er werden dan ook meer late bestellingen

geplaatst dan voordien.

Ook was er een stijging van 9% in bestellingen

van niet-leden.

De korting voor leden van 25% heeft wel tot

gevolg gehad dat er ook meer bestellingen

ontvangen zijn van leden die in 2020 lid zijn

geworden. Mogelijk dat een grotere korting

of andere beloningen voor leden nog meer

kunnen bijdragen om te kiezen voor een

lidmaatschap.

Het uitleveren van de zaden is later, in de

tweede week van februari 2020 op gang

gekomen. Voor het komende jaar,

2021/2022, wordt gezocht naar oplossingen

om dit te versnellen.

De laatste bestellingen, grotendeels van

niet-leden, waren half mei afgerond.

Het verzenden van de zaden heeft plaatsgevonden

via een brievenbuspakje.

Van de mogelijkheid om gratis een portie

gemengde cactuszaden te ontvangen van

2008 of later is in ongeveer 20% van de

bestellingen gebruik gemaakt. Ook het

komende jaar kan hiervoor weer worden

gekozen.

Van enkele leden heb ik foto’s ontvangen

van de resultaten. Zo te zien is de opkomst

voldoende om de verzameling uit te breiden,

waarbij het nog wel een uitdaging blijft om

te achterhalen wat er precies is opgekomen.

Het streven is nog steeds om op termijn

zelfvoorzienend te worden. Voor cactuszaden

zijn we op de goede weg. Op termijn

doen we alleen nog inkoop van soorten die

nieuw worden opgenomen. Voor zaden van

vetplanten is dit echter nog niet het geval,

waardoor we hiervoor nog zaden hebben

ingekocht.

Van sommige soorten was de opkomst niet

wat de besteller ervan had verwacht, er

wordt nog nader onderzocht wat hiervan

precies de oorzaak is.

Het ontkiembaar maken van oude zaden is

nog niet afgerond, over de resultaten

hiervan verschijnt nog een artikel in Succulenta.

Voor komend jaar wordt het aantal opgenomen

soorten, in plaats van rond de 1600,

teruggebracht tot ongeveer 1000, een aantal

dat beter is te hanteren.

Rest mij wederom alle leden te bedanken

die zaden in hebben gezonden, meegeteld

hebben en hulp geboden hebben bij het

verzendklaar maken.

70 222 Verenigingsnieuws Succulenta jaargang 100 100 (5) (5) 2021 2021


Gerard Rutten, Clichéfonds

Ledenadministratie

Het jaar 2020 is, als je het vergelijkt met de

vorige jaren, voor het ledenbestand van

Succulenta een gemiddeld jaar geweest.

Dit betekent per saldo een relatief kleine

daling van het aantal leden.

Het ontbreken van diverse evenementen en

beurzen in 2020 door beperkende overheidsmaatregelen

wegens Covid-19 heeft

geen of nauwelijks invloed gehad op het

aantal nieuwe leden.

Er zijn 71 nieuwe leden ingeschreven en 89

leden zijn om diverse redenen uitgeschreven

als lid.

Aanmeldingen voor het lidmaatschap zijn in

2020 vrijwel uitsluitend via de website van

Succulenta binnengekomen. De vorige jaren

waren beurzen en evenementen ook een

belangrijke bron voor aanmeldingen voor

het lidmaatschap via een aanbieding.

Van 22 uitgeschreven leden heeft Succulenta

een bericht van overlijden ontvangen.

Verder zijn er 19 leden uitgeschreven

vanwege het niet (willen) betalen van de

contributie voor het jaar 2020.

Mijn wens om na 23 jaar mijn loopbaan als

ledenadministrateur te willen beëindigen

wordt vervuld.

Vanaf 2021 gaat Miranda Tap de ledenadministratie

alsmede de contributie-inning van

Succulenta verzorgen.

De komst van Covid-19 heeft ervoor gezorgd

dat de overdracht van de ledenadministratie

pas aan het einde van 2020 heeft kunnen

plaatsvinden.

Omdat persoonlijk contact via een gezamenlijke

sessie eind 2020 wegens Covid-19 nog

niet kon plaatsvinden heeft de overdracht

uitsluitend via mail en de telefoon plaatsgevonden.

De overdracht van de ledenadministratie is

in twee stappen opgedeeld.

Omdat de contributie-inning door de

ledenadministrateur wordt verzorgd en dit

als te lastig wordt ervaren om deze via mail

en telefoon over te dragen is deze overdracht

aan het einde van 2021 gepland.

Ik ga ervan uit dat persoonlijk contact in het

vierde kwartaal 2021 in een bijeenkomst dan

wel mogelijk is omdat ikzelf en Miranda Tap

dan gevaccineerd zijn.

De contributie-inning voor het jaar 2021 is/

wordt nog door mij verzorgd.

Een aandachtspunt voor de toekomst blijft

de contributie-inning.

Eind 2020 is het merendeel van de verzoeken

om de contributie voor het jaar 2021 te

betalen per e-mail verzonden. Het resultaat

was uiteindelijk erg goed te noemen. De

leden betaalden gemiddeld de contributie

sneller dan voorheen.

Echter er zijn nog ongeveer 125 leden

waarvan het mailadres niet bekend is bij de

ledenadministratie. Wanneer je momenteel

geen digitale nieuwsbrief ontvangt dan

betekent dit dat er geen mailadres bekend

is. Aan leden zonder e-mailadres moet nog

steeds per post een verzoek tot betaling

gestuurd worden. Dit kost veel extra tijd

voor de ledenadministratie.

Succulenta Verenigingsnieuws jaargang Succulenta 100 (5) 2021 jaargang 100 (5) 2021

22371


Wij willen deze leden nogmaals vriendelijk

verzoeken om voor zover aanwezig een

mailadres aan de ledenadministratie door te

geven. Dit maakt dat de contributie-inning

veel efficiënter kan worden ingericht.

Omdat het ledenbestand van Succulenta

aan het vergrijzen is heb ik eens uitgezocht

hoe het met de leeftijd van de nieuwe leden

bij de aanmelding is gesteld.

De gemiddelde leeftijd bij de aanmelding

van de nieuwe leden is vanaf 2014 als volgt.

2014 55,9 jaar

2015 55,1 jaar

2016 58,3 jaar

2017 55,9 jaar

2018 53,1 jaar

2019 52,9 jaar

2020 51,9 jaar

Een ander relevant cijfer is wellicht het

aantal jaren dat iemand lid is van Succulenta

bij het beëindigen van het lidmaatschap.

2014 15,2 jaar

2015 17,7 jaar

2016 15,4 jaar

2017 19,6 jaar

2018 21,3 jaar

2019 17,9 jaar

2020 17,8 jaar

Deze cijfers geven een beeld dat in de

afgelopen jaren de duur van het lidmaatschap

redelijk constant is.

Henk Roozegaarde, ledenadministrateur

Pr en promotie

De activiteiten in 2020 werden bepaald door

de Covid-19 maatregelen: geen deelname

aan beurzen en bijeenkomsten. Alleen inzet

via de website en social media.

Website

Het aantal bezoekers aan de website is ten

opzichte van 2019 met 6,2% gestegen tot

10.663. De best bezochte pagina’s zijn (in

volgorde van aantal bezoekers):

o Homepage

o Zaadlijst

o Webwinkel

o Pagina over Succulenta

Ondanks dat het nog niet bekend was hoe

lang de Covid-19 maatregelen zouden gaan

duren, is in maart gestart met een serie

korte verhalen op de website en op de

Facebookpagina van de vereniging. Tussen

eind maart en eind december 2020 zijn in

totaal 36 korte reisverhalen met enkele

foto’s geplaatst onder het motto ‘Door de

corona-crisis kunnen we helaas niet reizen.

Tot de tijd dat we weer op pad mogen

moeten we het doen met herinneringen’.

72 224 Verenigingsnieuws Succulenta jaargang 100 100 (5) (5) 2021 2021


Gestart is met twee berichten per week.

Vanaf juli is het aantal berichten teruggebracht

naar twee per maand.

Door de Covid-19 situatie zijn in mei 2020 op

de website de ‘digitale plantenbeurs’ en ‘de

digitale open kas’ gelanceerd. Als alternatief

voor de plantenverkoop via beurzen konden

leden via de digitale plantenbeurs planten te

koop aanbieden. Ondanks verschillende

oproepen is hier eenmaal gebruik van

gemaakt. Enkele leden hebben een fotoreportage

of een filmpje gemaakt van hun

verzameling en ingestuurd voor de digitale

open kas.

In 2019 was de webwinkel aangekondigd; de

digitale verkoop van artikelen via de website

van Succulenta. De webwinkel heeft in

februari 2020 zijn digitale deuren geopend.

Op de Facebook groepspagina en in de

digitale nieuwsbrief zijn terugkerende items

geplaatst over de webwinkel. Desondanks

blijft het aantal bestellingen in 2020 via de

webwinkel beperkt.

Facebook

Er bestaat sinds 2020 een eigen Facebookgroep:

‘Succulenta Vereniging Facebook

groep’, met eind 2020 zo’n 650 leden. Op de

pagina van deze groep kunnen groepsleden

berichten en foto’s plaatsen en op elkaars

berichten reageren. Gezien het aantal

berichten, likes en reacties blijkt tegemoetgekomen

te worden aan een behoefte.

Een van de afspraken met MEO is dat zij

tweemaal per week een Facebookbericht

maken en plaatsen. Om meer structuur en

inhoud te geven aan deze berichten is een

jaarkalender opgesteld met hierin per

thema en maand opmerkingen en tips voor

de berichten.

Instagram

In 2020 is gestart met het Instagram account.

Het aantal volgers bedraagt iets meer

dan 100. MEO plaatst op aangeven van het

pr-bestuurslid tweemaal per week een foto

met een korte tekst. Dit zijn voornamelijk de

bekende mensen. We hebben geen nieuwe

doelgroep bereikt. Geconcludeerd is dat het

account en de berichten een beperkte

toegevoegde waarde hebben. Het is wel

goed dat de vereniging zichtbaar is op

Instagram.

Nieuwsbrief

In 2020 is de digitale nieuwsbrief 6 maal

verschenen. De nieuwsbrief verschijnt in de

maanden waarin Succulenta niet uitkomt.

Het aantal e-mailadressen waar de nieuwsbrief

naartoe wordt gestuurd, is toegenomen

in 2020. Dit zijn niet alleen leden van de

vereniging. Mensen kunnen zich rechtstreeks

via de website abonneren op de

nieuwsbrief. Dit heeft het bestuur eerder zo

bepaald. Verder zien we dat een meer

bezochte websitepagina het nieuwsbriefarchief

is. Het bestuur heeft besloten om de

publicatie van de nieuwsbrieven in 2021

ongewijzigd voort te zetten.

Inzet MEO

MEO ondersteunt Succulenta op het terrein

van de socialmedia-activiteiten. Het bestuur

beoordeelt ten minste eenmaal per jaar

deze inzet, waarbij gekeken wordt naar

resultaat in relatie tot de kosten.

Peter Knippels, pr en promotie

Succulenta Verenigingsnieuws jaargang Succulenta 100 (5) 2021 jaargang 100 (5) 2021

22573


De bibliotheek

Zoals ik ook het voorgaande jaar al opmerkte,

staan de activiteiten van de bibliotheek

dit jaar nog steeds op een laag pitje. Er is

enige malen een setje boeken uitgeleend en

er is tweemaal een artikeltje gescand.

Over dat scannen gesproken, Paul Laney

scant een aantal nieuwe tijdschriften dat bij

Succulenta via een ruilabonnement binnenkomt

voor eigen gebruik. Als iemand voor

studie een artikel nodig heeft kan hij/zij dat

bij hem aanvragen.

Het lijkt erop dat in de toekomst steeds

minder gebruik zal worden gemaakt van de

bibliotheek, het internet is een grote concurrent.

Toch kan ik van harte aanbevelen om

eens een setje boeken te lenen, er gaat

eigenlijk niets boven het rustig lezen van

interessante vakliteratuur!!!

slechts enkele pagina’s. Deze werden

verstrekt nadat aangetoond was dat de

aanvrager lid van Succulenta was.

Voor 2021 staat het opslaan van de digitale

bibliotheek in het Elektronisch archief op de

planning.

Paul Laney, elektronisch archief

Het archief

Coby Keizer-Zinsmeester, bibliothecaris,

Elektronisch archief

In het jaar 2020 hebben slechts drie mensen

gebruikgemaakt van de digitale bibliotheek.

Het betrof in alle gevallen kopieën van

Ik ben blij dat het archief inmiddels officieel

gestalte heeft gekregen en nu via de site van

Succulenta kan worden ingezien.

Natuurlijk staat nog lang niet alles in het

digitale archief. Succulenta is een “oude”

vereniging en ook al is er in de loop der tijd

veel verloren gegaan, het analoge archief

omvat nog steeds ongeveer 0,4 m 3 dicht

beschreven vellen waarvan een groot

gedeelte nog met de hand is geschreven.

Inmiddels heb ik genoeg gedigitaliseerd om

tot de conclusie te komen dat dit bijna

onbegonnen werk is. En dan heb ik alleen

nog maar kopieën in jpg-format gemaakt.

Om ze ook nog eens in een tekstformat te

zetten vraagt professionele apparatuur en

die is niet voorhanden. Natuurlijk zal ik in de

rustige wintermaanden verder gaan met het

226 74 Verenigingsnieuws Succulenta jaargang 100 100 (5) (5) 2021 2021


digitaliseren, maar als er leden zijn die ook

de beschikking hebben over een digitaal

kopieerapparaat zijn ze van harte uitgenodigd

om aan dit project deel te nemen.

Peter Melis, archief

Boekenbeurs

Nadat de boekenbeurs in 2019 een flinke

boost gekregen had door de verkoop tijdens

de jubileumviering in De Uithof, was te

verwachten dat de opbrengst in 2020 weer

zou dalen tot het niveau van 2018 en

daarvoor. Niets is minder waar. De nettoopbrengst

steeg van € 1110,72 in 2019 naar

€ 1691,64 in 2020. In 2018 was de opbrengst

€ 598,- . In onderstaande tabel zijn wat gedetailleerdere

gegevens verzameld. Alle

bedragen zijn in euro’s.

Dat de opbrengst van tweedehands boeken

gestegen is, is voor een deel te verklaren

door het aanbieden, via het verenigingsnieuws

in Succulenta, van zeldzame, specialistische

en daardoor weinig aangeboden

werken. Het betrof daarbij vaak boeken die

de laatste jaren zijn verkregen uit schenkingen;

voor een deel door de nabestaanden

van overleden leden, maar ook door liefhebbers

die gestopt zijn.

Er is nog steeds een ruime voorraad boeken

aanwezig, maar liefst 395 titels. Deze boeken

bestrijken een groot gebied van onze mooie

liefhebberij. De publicatiedata lopen van

1903 tot en met 2020. Daarnaast zijn er

tijdschriften. Niet alleen Succulenta, maar

ook bladen van Belgische, Duitse, Engelse,

Amerikaanse, Tsjechische en Noorse zusterverenigingen.

Voor de gespecialiseerde

liefhebber zijn er diverse veldnummerlijsten

te koop.

Kijk eens op de website

(https://succulenta.nl/boeken/) of er iets van

je gading bij is.

Om de prijs hoef je het niet te laten.

2019 2020

tweedehands boeken 819,22 1324,00

bewaarbanden 135,50 231,14

handleiding 156,00 136,50

totaal 1110,72 1691,64

Theo Heijnsdijk, boekenverkoop

Succulenta Verenigingsnieuws jaargang Succulenta 100 (5) 2021 jaargang 100 (5) 2021

22775


Instellingen en redactie

Verenigingsartikelen

Bewaarband voor Succulenta:

De prijs is € 8,50 per band.

Wat betekent die naam?

Een verklarend woordenboek: € 5,-

Cactussen en vetplanten. Een handleiding.

Nieuw 2019: € 6,50.

Oude jaargangen Succulenta:

1955 tot 2000 € 5,- per jaargang

2000 t/m 2020 € 9,- per jaargang

Losse nummers € 2,50 per stuk

En nog vele andere verenigingsartikelen die u

op de website kunt vinden.

Succulenta heeft een groot aantal boeken in

de aanbieding. Zowel nieuw als tweedehands.

Daarnaast zijn er vele jaargangen tijdschriften

in de verkoop.

Kijk op de website van Succulenta onder de

kop “BOEKEN” naar de lijsten, zoek wat uit en

stuur een mail voor een prijsopgave.

Alle prijzen zijn exclusief verzendkosten.

Inlichtingen en bestellingen bij Theo

Heijnsdijk: boeken@succulenta.nl.

Folders voor pr-doeleinden zijn te bestellen via

een e-mail naar promotie@succulenta.nl.

Clichéfonds

Gerard Rutten, Prins Hendrikstraat 15

2641 HK Pijnacker. Tel. 015-3610078

E-mail: zaden@succulenta.nl

Bankrekeningnummer Clichéfonds:

IBAN: NL22INGB0000014465

BIC: INGBNL2A, t.n.v. Beheerder

Clichéfonds Succulenta te Pijnacker

Bibliotheek Succulenta

Bibliothecaris: Coby Keizer-Zinsmeester,

Westeind 96, 9636 CE Zuidbroek.

Tel. 0598-395128

E-mail: keizer.zinsmeester@ziggo.nl

Digitale bibliotheek:

Paul Laney, Graaf Floris 37, 1276 XA Huizen.

E-mail: electronischarchief@succulenta.nl

Website van Succulenta

Debbie van den Heuvel

E-mail: webmaster@succulenta.nl

Colofon

Tijdschrift Succulenta

http://www.succulenta.nl

E-mail: info@succulenta.nl

Auteursrecht

Gehele of gedeeltelijke overname van

artikelen is alleen toegestaan na verkregen

toestemming van de auteur/illustrator en met

een duidelijke bronvermelding

Redactiesecretariaat

Mevr. R. Maessen

Weezenhof 1232, 6536 EZ Nijmegen

E-mail: redactie@succulenta.nl

Hoofdredactie

H.W. Viscaal

E-mail: hoofdredacteur@succulenta.nl

Redactie

R. Bregman

E-mail: rob.bregman@icloud.com

W. ten Hoeve

E-mail: tenho11@hetnet.nl

H. Ruinaard

E-mail: henk.ruinaard@ziggo.nl

B.J.M. Zonneveld

E-mail: ben.zonneveld@naturalis.nl

Eindredactie

Theo Heijnsdijk

E-mail: eindredacteur@succulenta.nl

Vormgeving

H. W. Viscaal, Tom Twijnstra (basis layout)

Druk

Senefelder Misset Doetinchem

76 228 Verenigingsnieuws Succulenta jaargang 100 100 (5) (5) 2021 2021


Afdelingsactiviteiten 2021

Afdeling Datum Activiteit Informatie bij:

De Achterhoek 14 okt. Verzorgd door Theo Rengelink A. Heijnen

11 nov. Verzorgd door Theo Rengelink 0543-564314

Den Helder 9 okt. Lezing Mexico door Jacq Janssen J. Jansen

13 nov. Planten van Zuid Afrika door Jacq Janssen 0223-620931

Eindhoven 11 okt. Mieke Geuens over Mexico Al Norte R. Salters

8 nov. Onderlinge uitwisseling 040-223010

Gorinchem- 11 okt. Plant en praatje A. van Zuijlen

’s-Hertogenbosch 8 nov. Lezing Kees van Berkel over agaves 0412-630733

Gouda e.o. 21 okt. Wim Alsemgeest met: Mexico busje 3 N. Uittenbroek

18 nov. Nico Uittenbroek : winterharde succulenten 0655900082

Groningen en 18 okt. Lezing Wiebe Bosma over Tanzania V. Bicknese

Ommelanden 15 nov. Rudolf Schwab over bloei bij cactussen 0595-491598

Haag- en Westland okt. Nog niets gepland P. Beurskens

nov. Nog niets gepland 0611267411

Haarlem 20 okt. Bijeenkomst, programma nog niet bekend H. v.d. Zouwen

17 nov. Bijeenkomst, programma nog niet bekend 0612256825

Hoeksche Waard 14 okt. Fotograferen J. Magnin

11 nov. Jan Magnin: vervolg over de cactusfamilie 078-6131283

Maas & Peel 26 okt. Thema-avond Haworthia + verloting R. Coenen

23 nov. Lezing door Kees van Berkel over agaves 0475-461945

Nijmegen okt. Let op aankondiging in de Noviocactum R. Maessen

nov. Let op aankondiging in de Noviocactum 024-3440425

Tilburg okt. Nog geen bijeenkomst P. van Halteren

nov. Nog geen bijeenkomst 013-5701106

Voorne-Putten en okt. Voor informatie P.C. de Jong, e-mail: P. de Jong

Rozenburg nov. dejong.succulenta.vpr@hotmail.com 0181-484654

Wageningen 14 okt. Najaarsverloting C. Geris

11 nov. Nico Uittenbroek: succulenten van A tot Z 0318-417319

West-Brabant 9 okt. Plantenveiling en een fotopresentatie H. Schippers

13 nov. Jaarvergadering en verloting grote planten 0164-257905

West-Friesland okt. Nog niet bekend R. Wiecherink

nov. Nog niet bekend 06 2455 6200

Zaanstreek-Waterland okt. Nog niet bekend. Per 1 oktober van start? A. van Leeuwen

nov. Nog niet bekend 0251-313544

Zeeland okt. Niet bekend K. de Meij

nov. Niet bekend 0113-311682

Zuid-Limburg 5 okt. Mieke & René Goris: Mexico Al Norte W. Thissen

2 nov. Jan en Anny Linden: Namibië 043-3644612

Zwolle 12 okt. Lezing Henk Viscaal over Argentinië W. Adams

9 nov. Jan en Anny Linden: Op weg naar Richtersveld 0611265055

Succulenta Verenigingsnieuws jaargang Succulenta 100 (5) 2021 jaargang 100 (5) 2021

22977


Ledenadministratie

juli - augustus

In de maanden juli en augustus hebben zich

8 nieuwe leden opgegeven en hebben 5

mensen hun lidmaatschap opgezegd.

Er is één lid overleden:

M.J.A. Vernet uit Harderwijk

Instellingen

Volgens het Huishoudelijk reglement kent de

vereniging momenteel de volgende instellingen:

- Het blad ‘SUCCULENTA’

- De ledenadministratie

- Het verenigingsnieuws

- Het Clichéfonds

- De bibliotheek en de digitale bibliotheek

- De boekenbeurs

- Het archief

- De website

78 230 Verenigingsnieuws Succulenta jaargang 100 100 (5) (5) 2021


Verenigingsnieuws Succulenta jaargang Succulenta 100 (5) 2021 jaargang 100 (5) 2021

231 79


Verenigingsnieuws 232 Succulenta jaargang 100 (5) 2021

Succulenta jaargang 100 (5) 2021 80


en de planten waren nog nat. Bijna op het

hoogste punt van de heuvel zag ik een

roodachtig voorwerp. Van dichtbij bleek het

een cluster van E. polycephalus te zijn (afb.

3). De doorns van de zes koppen waren

intens rood gekleurd door het opgenomen

vocht. Ook deze cluster bleek niet moeilijk

te vinden. Vanaf de groeiplaats had ik een

mooi uitzicht op de camping (afb. 4).

Aan het einde van onze reis overnachtten

we op de dag voor ons vertrek op 2 april

2013 opnieuw op deze camping en liep ik

nog een rondje over de heuvel. Dat was laat

in de middag en de E. polycephalus cluster

was nu droog. De intens rode kleur van de

doorns was helemaal verdwenen.

David Hunt et al. (2006) rekenen polycephalus

tot het geslacht Echinocactus, samen

met E. grusonii, E. horizonthalonius,

E. parryi, E. platyacanthus en E. texensis. In

zijn artikel over E. texensis vermeldt Theo

Heijnsdijk (2019) dat Amerikaanse wetenschappers

in 2018 het geslacht Homalocephata

hebben afgescheiden van Echinocactus.

Daarbij blijven nog maar twee soorten

over in Echinocactus, namelijk E. platyacanthus

en E. horizonthalonius. Polycephalus heet

vanaf die tijd Homalocephala polycephala. Ik

heb de plant helaas niet in mijn verzameling,

maar als dat wel zo was zou ik het etiket

niet meteen gaan vervangen. Overigens

is E. grusonii nu verbannen naar het nieuw

opgerichte geslacht Kroenleinia. Die plant

heb ik wel (wie niet?). Het etiket laat ik toch

maar staan, want het klinkt zo vertrouwd:

Echinocactus grusonii.

E. polycephalus komt voor in de USA (Mojave

en Sonora Desert: Yuma en Mojave

Co., Arizona; Inyo, San Bernadino Valley,

Riverside en Imperial Co., California; Lincoln

en Clark Co., Nevada) en in Mexico (Noordwest-Sonora).

Jonge planten zijn solitair,

maar oudere planten spruiten vanuit

de basis en vormen clusters van 20 - 30

koppen (soms zelfs meer dan 100 koppen).

Deze bereiken een hoogte tot 60 cm en een

diameter tot 120 cm. De naam is afkomstig

van de Griekse woorden poly (= veel) en

Afb. 2: Dicht met wol bedekte vruchten

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

217


van Las Vegas (afb. 5), maar

of dit subsp. xeranthemoides is

durf ik niet te zeggen.

Je ziet E. polycephalus niet vaak

in verzamelingen. De zaden

schijnen redelijk goed op te

komen, als je er tenminste

aan kunt komen. Ze worden te

koop aangeboden bij seedscactus.com/en/home/93-echinocactus-polycephalus.html.

Ik ga

volgend jaar (2021) maar eens

proberen of ze daar ook echt

verkocht worden.

Afb. 3: 6-koppige cluster met vochtige doorns

kephalë (= hoofd).

De bedoorning is grijsachtig geel tot rood. De kleine

bloemen zijn geel en komen amper door de dichte

bedoorning heen. De vruchten zijn dicht met wol bedekt,

waaraan hij zijn Amerikaanse naam ‘Cotton top cactus’

en zijn Engelse naam ‘Woolly-headed Barrel Cactus’ te

danken heeft. Toen ik dat in 2009 zag, wist ik nog niet

dat het de vruchten waren.

Er is ook een ondersoort van E. polycephalus beschreven,

namelijk E. polycephalus subsp. xeranthemoides (J.M.

Coult) N.P. Taylor. Deze heeft zeer gladde doorns, groeit

meestal in asymmetrische clusters van zelden meer dan

12 koppen en soms solitair. Zo’n solitaire plant kwam ik

toevallig tegen op de heuvel bij de camping ten zuiden

Literatuur

Heijnsdijk, T. (2019). Echinocactus

texensis. Succulenta 98

(6): 309-315.

Hunt, D., Taylor, N. & Charles,

G. (2006). The New Cactus

Lexicon, Text: 79-80.

Vargas-Luna, M.D. (2018).

Splitting Echinocactus: morphological

and molecular

evidence support the recognition

of Homalocephala as a

distinct genus in the Cacteae,

PhytoKeys 111:31-59.

https://doi.org/10.3897/phytokys.111.26856.

henk.ruinaard@ziggo.nl

Afb. 4: Standplaats ten zuiden van Las Vegas

Afb. 5: Solitaire plant

218 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


Succulenta jaargang 100 (5) 2021

219


Spannend moment:

omschakelen naar de herfstmodus

Peter Knippels

September en oktober zijn voor mij de meest spannende maanden bij het kweken van

succulenten. Op de eerste plaats vanwege het vinden van het geschikte moment voor

de laatste watergift; daarnaast voor het bepalen van de winterlocatie van de planten

in mijn collectie. Het vaststellen van het moment van de verhuizing is ook een aandachtspunt.

Ik wil de planten zo lang mogelijk in de kas laten staan. Ik kijk met name

naar de nachttemperaturen voor het verhuismoment.

De laatste keer watergeven voordat de

planten droog de winter in gaan kun je zo

spannend en moeilijk maken als je zelf wilt.

Ik doe dat maar niet en pak het praktisch

aan. Als er half september een of meer zonnige

en droge dagen zijn, geef ik een laatste

keer water. Ook als er later meer mooie

dagen komen.

De grote plantenverhuizing

Mijn succulentenverzameling staat op twee

plaatsen: een deel bevindt zich het hele

jaar op de vensterbank van een verwarmde

kamer in huis; een ander deel staat van

voorjaar tot najaar in de kas. In de winter

komt er een derde plek bij, namelijk een

niet verwarmde kamer op zolder.

Laten we starten met de vensterbank in de

verwarmde kamer. De planten staan hier

gedurende het gehele jaar. Het zijn voornamelijk

euphorbia’s en melocactussen.

Bij de euphorbia’s gaat het met name om

soorten die hun habitat hebben op Madagaskar

of in het (zuid)oosten van Afrika. In

onderstaande tabel staan de soorten naar

herkomstgebied weergegeven.

Bijna alle Zuid-Afrikaanse euphorbia’s staan

van voorjaar tot en met herfst in de kas, op

één soort na: E. bupleurifolia. De twee planten

van deze soort staan jaarrond op de

vensterbank in de verwarmde kamer. Dit

doe ik op advies van Rikus van Veldhuisen

die mij een keer heeft verteld dat planten

van deze soort niet van koude houden en

dat ze het beter doen in een verwarmde

kamer in huis.

Naar de kas. In de periode voorjaar-najaar

staat hier een grote diversiteit aan planten:

een paar cactussen, agaves, aloë’s,

euphorbia’s, verschillende caudexplanten,

zomergroeiende bolgewassen (zoals Crinum,

Cyrtanthus, Habranthus, Scadoxus en

Zephyranthes) en de wintergroeiende bolgewassen

(Haemanthus, Lachenalia en Massonia).

De kas is eerlijk gezegd overvol en het

is schipperen met de ruimte. De planten

staan allemaal in kratten. De kratten met

wintergroeiende bolgewassen staan in de

periode mei-augustus opgestapeld om zo

ruimte te maken voor de andere planten.

Herkomstgebied

Madagaskar

(Zuid)oost-Afrika

Soorten

E. beharensis, E. cylindrifolia subsp. cylindrifolia, E. cylindrifolia subsp.

tuberifera, E. gottlebei, E. milii, Euphorbia milii var. hislopii, E. rossii, E. suzannae-marnierae,

E. torrei (Monadenium torrei) en Euphorbia waringiae

E. biselegans (syn. Monadenium elegans), E. decidua, E. neococcinea (syn.

Monadenium coccineum), Euphorbia magnifica (Monadenium magnificum),

E. neostolonifera (Monadenium rhizophorum var. stoloniferum),

Euphorbia spectabilis (Monadenium spectabile) en E. venefica

Tabel 1: Euphorbia-soorten op de vensterbank, ingedeeld naar herkomstgebied.

220 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


van ervaringen, niet een die is gebaseerd

op wetenschappelijk onderzoek. Voor het

‘vertalen’ van mijn tweedeling naar geslachten

en soorten heb ik de regio’s waar

ze van nature voorkomen opgenomen.

Als je de groeiplaats weet, dan kun je de

lokale klimaatomstandigheden vinden. Die

omstandigheden kun je vertalen naar de

kweekomstandigheden, zoals temperatuur,

water, licht, grondsoort en groeiperiode.

Afb.1: Euphorbia bupleurifolia heeft zijn habitat

in Zuid-Afrika en staat jaarrond in

huis op de vensterbank.

Vanaf augustus/september heb ik ruimte

nodig voor deze bolgewassen, dus moet in

het najaar een deel van de andere planten

de kas uit. Dat past heel goed, omdat het

voor een deel van de planten in de winter

te koud is in de kas. Met behulp van een

heater houd ik de temperatuur in de kas in

de winter namelijk op minimaal 4-5 o C.

Op de volgende pagina twee overzichten,

een van de planten die in de kas blijven

en een van de planten die naar de onverwarmde

kamer op zolder verhuizen. Als er

ruimte is op de vensterbank in de verwarmde

kamer gaan hier ook wat planten

naar toe in plaats van naar de zolder. In

ieder geval gaat Alluaudia canescens naar

de vensterbank in de verwarmde kamer.

Verder is het redelijk willekeurig. Hierbij de

opmerking dat dit mijn selectie is op basis

Zit er een systeem in mijn grote plantenverhuizing?

Volgens mij wel:

1. De agaves en aloë’s en bijna alle

euphorbia’s uit Zuid-Afrika. Zij blijven in

de kas.

2. De euphorbia’s uit andere gebieden

dan Zuid-Afrika gaan naar de onverwarmde

kamer op zolder. E. aphylla

en E. canariensis kunnen ook in de kas

overwinteren.

3. De sanseveria’s en bijna alle caudexplanten

verhuizen naar de zolder.

4. De cactussen blijven in de kas, op de

arrojadoa’s na, die naar de zolder gaan.

Je kunt discussiëren over de planten op

de vensterbank in de verwarmde kamer.

Kunnen die ook niet naar de kas in de

periode voorjaar-najaar? Dat zou kunnen.

Op de eerste plaats kan dat nu niet meer,

omdat de kas (over)vol is. Er is dus simpelweg

geen plek. Daarnaast wil ik bepaalde

planten graag binnenshuis hebben om ze

goed te kunnen volgen. Je kunt ook zeggen

dat ik er zuinig op ben.

Afb. 2. Euphorbia meloformis, afkomstig uit

Zuid-Afrika, blijft in de kas.

Foto Cameron MacMaster

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

Overwinteren in de niet-verwarmde

kamer op zolder

De planten staan op de zolder voor een

raam dat op het noorden ligt. In de winter

is de minimumtemperatuur hier 12 o C. Ik

geef drie groepen planten water om te

voorkomen dat ze (te veel) uitdrogen en

volgend seizoen moeizamer uitlopen: de

adansonia’s, de voormalige monadeniums

en de struikvormende euphorbia’s met bladeren

(o.a. E. dendroides en E. regis-jubae).

Ze krijgen iedere drie tot vier weken een

221


Soort

Agave parrasana

Agave seemanniana subsp. pygmaea

Agave utahensis

Agave utahensis var. nevadensis

Agave xylonacantha

Aloe bowiae

Aloe bulbifera

Aloe cooperi

Aloe parvibracteata

Aloe rupestris

Euphorbia aphylla

Euphorbia canariensis

Euphorbia clandestina

Euphorbia clavarioides

Euphorbia enopla

Euphorbia ferox

Euphorbia globosa

Euphorbia gorgonis

Euphorbia horrida

Euphorbia infausta

Euphorbia inermis

Euphorbia meloformis

Euphorbia obesa

Euphorbia stellata

Euphorbia stellispina

Euphorbia susannae

Euphorbia tubiglans

Sinningia canescens (Rechsteineria canescens)

Groeiplaats en opmerkingen

Noordelijk deel van Centraal Mexico

Zuiden van Mexico

Noorden van Arizona en zuiden van Utah (VS)

Californië en Nevada (VS)

Mexico

Zuid-Afrika

Madagaskar

Zuid-Afrika

Oosten van Zuid-Afrika, zuiden van Mozambique en

Zimbabwe

Oosten van Zuid-Afrika en zuiden van Mozambique

Canarische Eilanden

Canarische Eilanden

Zuid-Afrika

Zuid-Afrika

Zuidwesten van Zuid-Afrika

Zuid-Afrika

Zuidoosten van Zuid-Afrika

Zuidoosten van Zuid-Afrika

Zuidelijk deel van Zuid-Afrika

Zuidwesten van Zuid-Afrika

Zuidoosten van Zuid-Afrika

Zuid-Afrika

Zuid-Afrika

Zuidoosten van Zuid-Afrika

Zuiden van Zuid-Afrika

Zuiden van Zuid-Afrika

Zuiden van Zuid-Afrika

Brazilië

Tabel 2: Planten die in de winterperiode in de kas blijven.

scheutje water. De andere planten houd ik

droog.

Paniek en crisis succesvol opgelost

Mijn Alluaudia ascendens stond in de winter

van 2020/2021 op zolder. De zo’n 40 cm

hoge plant stond er prima bij, totdat ik

in januari zag dat de bovenste helft van

de plant naar beneden ging buigen, zover

zelfs dat de twee ‘delen’ elkaar bijna

raakten. Eerlijk gezegd heeft dit wel tot een

paniekmomentje geleid. De plant voelde

nog stevig aan, hij rotte dus niet, evenmin

was hij verdroogd. Ik heb de plant in de

verwarmde kamer op de vensterbank gezet

en het omgebogen deel voorzichtig teruggebogen

en tegen het kozijn gezet én weer

water gegeven. Het eindresultaat is dat het

bovenste deel weer gewoon rechtop staat

en dat de plant weer lekker groeit.

Gelukkig is de verhuizing maar twee keer

per jaar: één keer begin oktober en één

keer in de tweede helft van maart.

Te droog of te nat

Ik heb eerder geschreven over de (hoge)

luchtvochtigheid in de kas. Dat is en blijft

222 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


Soort

Adansonia rubrostipa

Adansonia za

Adenium obesum

Alluaudia ascendens

Alluaudia procera

Arrojadoa bahiensis

Arrojadoa eriocaulis var. rosenbergeriana

Cyphostemma juttae

Euphorbia alluaudii

Euphorbia aphylla

Euphorbia atropurpurea

Euphorbia dendroides

Euphorbia handiensis

Euphorbia knuthii

Euphorbia officinarum subsp. echinus

Euphorbia regis-jubae

Euphorbia ritchiei (Monadenium ritchiei)

Euphorbia succulenta (Monadenium stapelioides)

Euphorbia tuckeyana

Euphorbia vajravelui

Fouquieria macdougalii

Fouquieria splendens

Hoodia gordonii

Jatropha cathartica

Pachypodium brevicaule

Pachypodium succulentum

Sansevieria concinna

Sansevieria hallii

Sansevieria subspicata

Sesamothamnus guerichii

Groeiplaats

Madagaskar

Madagaskar

Oostelijk Afrika en Arabisch schiereiland

Zuiden van Madagaskar

Zuiden van Madagaskar

Bahia, Brazilië

Minas Gerais, Brazilië

Namibië

Zuiden van Madagaskar

Canarische Eilanden

Tenerife (Canarische Eilanden)

Landen rond de Middellandse Zee

Fuerteventura (Canarische Eilanden)

Noordoosten van Zuid-Afrika en Mozambique

Marokko

Canarische Eilanden

Kenia

Kenia en Tanzania

Kaapverdië

India

Mexico en Sonora-woestijn (VS)

Zuidwesten van de VS

Kalahari woestijn in Zuid-Afrika en Namibië, verder

in Botswana en Angola

Texas, Mexico en Centraal-Amerika

Centraal Madagaskar

Zuid-Afrika

Noordoosten van Zuid-Afrika, Mozambique, Zimbabwe

en Tanzania

Noordoosten van Zuid-Afrika, Mozambique en Zimbabwe

Mozambique

Noordwesten van Namibië

Tabel 3. Planten die in de winter naar de onverwarmde kamer op zolder gaan.

een aandachtspunt in verband met het

voorkomen van schimmelaantastingen.

Daarom is het verstandig om de kas schoon

te houden en alle planten- of bloemenresten

te verwijderen die op de grond of tussen

de planten liggen. Daarnaast controleer

ik de planten regelmatig op schimmelaantastingen.

Aangetaste planten verwijder ik

direct. Als de aantasting nog niet te erg is,

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

zet ik de plant binnen in de hoop dat de

aantasting tot staan wordt gebracht. Soms

lukt dat niet, soms wel.

De verhuizingen in het voor- en najaar zijn

ook mooie momenten om de kas op te ruimen

en aan te vegen. Mijn planten staan in

kunststof kratten van 60x40 cm, zodat ik ze

makkelijk kan verplaatsen. Als ik de kratten

toch in mijn handen heb, kijk ik de planten

223


Afb. 3. Euphorbia dendroides op Kreta. Mijn

planten van deze soort gaan in de

winter naar de zolder.

na op problemen, ongedierte en andere

ellende.

De luchtvochtigheid in huis is een ander

verhaal. Binnen is de luchtvochtigheid vaak

niet hoger dan 50%. De lucht is dus droog.

Dit heeft ook invloed op de planten en op

het oppotmedium. Dat droogt snel op.

Daarom geef ik de planten in de verwarmde

kamer regelmatig, bijna om de week,

water. De planten die aan de groei zijn geef

ik wekelijks water.

De grote verkleedactie

Gelijktijdig met de verhuisactie is de halfjaarlijkse

‘kasverkleedactie’. Dit houdt in

dat in het najaar het schermdoek eruit gaat

en de noppenfolie aan de binnenkant van

de kas wordt aangebracht. In het voorjaar

gebeurt het tegenovergestelde.

Tweeblaarkanniedood-plant in de herfst

en winter

Mijn Welwitschia mirabilis, met de mooie

Afrikaanse naam Tweeblaarkanniedood,

staat nog steeds op zijn plek op de vensterbank

en krijgt jaarrond water. In de zomer

meer dan in de winter. De zaadlobben zijn

ondertussen verdroogd. Dat indrogen zie

ik ook bij de punten van de twee volwassen

bladeren. Ondertussen zie ik wel dat de

bladeren aan de basis breder worden en

dat de bovenzijde van de wortel, die net

onder de grond zit, verdikt. Hij lijkt het dus

goed te doen.

Suggesties om verder te lezen

Strawberry Press, een initiatief van Herman

Schwartz, heeft in de periode 1982-1997

de tiendelige boekenserie ‘The Euphorbia

Journal’ uitgegeven. Voor de euphorbia-liefhebber

is dit een standaardwerk over dit

geslacht. De Engelstalige boeken zijn alleen

al de moeite waard door de foto’s van

Ron Lafon. Alle delen van ‘The Euphorbia

Journal’ kun je lenen bij de bibliotheek van

Succulenta.

The International Euphorbia Society geeft

drie keer per jaar een tijdschrift uit met de

naam ‘Euphorbia World’. Zeer lezenswaardig

met mooie foto’s. Ook interessant voor

beginnende liefhebbers. De bibliotheek

van Succulenta heeft de tijdschriften in de

collectie en ze kunnen worden geleend. De

teksten zijn weliswaar in het Engels, maar

zijn vrij makkelijk leesbaar (opmerking

redactie: Als je de Engelse taal enigszins

beheerst.).

Voor liefhebbers van caudexplanten zijn

de boeken ‘The Adenium & Pachypodium

Handbook’ en ‘Caudiciform and Pachycaul

Succulents’ van Gordon Rowley een

aanrader. De informatie is mogelijk wat

gedateerd, maar het zijn en blijven mooie

boeken. Het eerste boek kun je lenen bij de

bibliotheek van Succulenta.

De catalogus van de bibliotheek van Succulenta

vind je op de website van de vereniging:

https://succulenta.nl/bibliotheek.

Interessante websites (alle in het Engels)

zijn:

The International Euphorbia Society:

https://www.euphorbia-international.org/

index.htm

Overzicht van caudexplanten: http://www.

bihrmann.com

Encyclopedie van planten: http://www.llifle.

com

Ik heb nu bijna twee jaar mijn ervaringen

gedeeld. Om te voorkomen dat ik in herhaling

ga vervallen, stop ik met deze serie.

Er komt nog één artikel in het decembernummer,

dat geheel gewijd zal zijn aan het

kweken op de vensterbank.

Info@bloembol.info

224 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


Een speciaal plekje 16

Richtersveld Namibië

Andre van Zuijlen

In 2017 werden er plannen gemaakt om naar Namibië te gaan. Het werd een reis die

vooral gericht was op succulente planten, maar Namibië biedt natuurlijk nog veel

meer. Wat betreft planten waren er eigenlijk twee soorten die ik graag wilde zien

namelijk Pachypodium namaquanum en Aloe pillansii. En zo werd 9 oktober 2017 een

onvergetelijke dag, toen we beide soorten vonden in het Richtersveld in het uiterste

zuiden van Namibië.

Samen met Bertus Spee ondernam ik in

2017 een reis van zuid tot noord dwars

door het midden en westen van Namibië.

Zoals een Namibisch gedicht zegt:

“Namibië …

Land van sand en vlaktes wyd.

Hier waar mijn siel kan leef.

My droome sweef.

Jou skoonheid het geen gelyk.”

Het is inderdaad een ongelooflijke ervaring

om zoveel zand te zien. Met als hoogtepunten

natuurlijk de beroemde Welwitschia

Plains met Welwitschia mirabilis en de

prachtige rode duinen in de Sossusvlei met

de Deadvlei. Naast de vele mooie landschappen

en planten was het tweedaagse

bezoek aan het Etosha wildpark in het

noorden een ander hoogtepunt.

De Oranjerivier loopt door bijna geheel Zuid-

-Afrika.

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

Maar deze aflevering van ‘Een speciaal plekje’

gaat over de rit door het Richtersveld

in Namibië. Op die 9 e oktober reden we

grotendeels over de C13 langs de Oranjerivier

van Noordoewer naar Rosh Pinah,

een afstand van 153 km. Het stuk door het

Richtersveld is ongeveer 87 km lang en ligt

grofweg tussen Aussenkehr en Sendelingsdrift.

De Oranjerivier, soms ook Gariep of

Grootrivier genoemd, vormt hier de grens

tussen Namibië en Zuid-Afrika en is met

2160 km de langste rivier van Zuid-Afrika.

De rivier werd door de Nederlandse ontdekkingsreiziger

vernoemd naar het Huis

Oranje-Nassau. De rivier ontstaat in de Drakensbergen

bij de grens tussen Lesotho en

Zuid-Afrika en mondt uit in de Atlantische

Oceaan bij Alexanderbaai in Zuid-Afrika.

Het eerste wat ons opviel toen we bij de

Oranjerivier aankwamen was de aanplanting

van druiven in Namibië. Vanaf de C13

strekten zich de groene wijngaarden uit

tot aan de rivier, die de druiven van het

hoognodige water moet voorzien. En dat er

veel water voor nodig is in het hier gortdroge

klimaat laten onderstaande foto’s

overduidelijk zien. Afb. 1 van de wijngaarden

is genomen met het gezicht naar de

Oranjerivier. Bij afb. 2 heb ik me omgedraaid

en een aantal foto’s genomen die

tot deze panoramafoto zijn samengevoegd.

Een uitgedroogd landschap met slechts

hier en daar een struikje. In feite helemaal

geen plek voor wijngaarden. De vraag is of

er in het droge seizoen in de toekomst wel

225


Afb. 2: Nabab

voldoende water door de rivier stroomt om

deze druivenstruiken in leven te houden.

Een eindje voorbij Aussenkehr word je geregistreerd

als bezoeker aan het Richtersveld.

Daarna rijd je eerst een stuk langs de

Oranjerivier, waar erg weinig water doorheen

stroomt, maar wat wel weer mooie

plaatjes oplevert (afb. 3). Een stukje verder

loopt de weg een stuk rechtdoor en snijdt

zo een bocht in de Oranjerivier af. Hier

hadden we al op een berghelling gekeken

wat er zoal groeide, maar met een enkele

Euphorbia virosa en Aloe dichotoma was dat

niets nieuws voor ons. Een stukje voordat

de C13 weer terugkomt bij de rivier zagen

we redelijk hoog tegen een berghelling iets

wat heel erg veel leek op dat beroemde

silhouet van de halfmens (zie afb. 4). En na

een flinke klauterpartij stond ik dan oog in

oog met mijn eerste Pachypodium namaquanum

in de natuur. Uiteindelijk vonden

we op deze helling een achttal planten,

waarvan de grootste bijna 3 meter hoog is.

De meeste indruk maakte een forse plant

met een aantal zijtakjes (afb. 5 en 6).

Alhoewel het er erg droog was, alle andere

begroeiing was verdord of dood, von-

Afb. 1: Wijngaarden op de oever van de Oranjerivier

226 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


iepsbergen

den we toch nog een levend jong plantje

(afb. 7).

Op 10 oktober vonden we trouwens ca. 12

km ten noorden van Rosh Pinah nog een

aantal planten van Pachypodium namaquanum.

Eigenlijk per toeval, want we beklommen

deze helling omdat er een aantal zeer

opvallende, oranje tot donkerrode exemplaren

stonden van Aloe gariepensis.

Op internet kun je bij de LLIFLE Encyclopedia

of Succulents informatie vinden over

Pachypodium namaquanum. Hier staat

o.a. dat het verspreidingsgebied ligt in het

Richtersveld (Noordkaap en Zuid-Namibië)

aan weerszijden van de Oranjerivier. Er zijn

meldingen van meer dan 50 locaties op een

oppervlakte van 15.000 km². Er staat dat de

meeste populaties aan de Namibische kant

van de Oranjerivier moeilijk bereikbaar

zijn en dat daar tot wel tussen de 625 en

1100 planten per hectare voorkomen. De

ongeveer 15 planten die wij langs de C13 in

het Richtersveld in Namibië hebben gezien,

vormen dus maar een fractie van de hele

populatie daar. Ook Gordon Rowley schrijft

in zijn boek dat Pachypodium namaquanum

in sommige delen van Namaqualand net

zo kenmerkend is in het landschap als de

Afb. 3: Oranjerivier

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

227


saguaro, Carnegiea gigantea, dat is in het

zuiden van Arizona. Gezegd wordt dat vertakkingen

alleen optreden door beschadigingen,

maar planten met een of meerdere

uitlopers (zoals op afb. 6 te zien zijn) zijn

niet ongewoon. In de groeitijd krijgen de

planten een groene kroon van bladeren. In

die kroon verschijnen dan de buisvormige

geelgroene bloemen die van binnen rood

zijn. Op afb. 5 is een van die bloempjes

zichtbaar.

Hoewel er in het verleden door ‘verzamelaars’

nogal wat planten zijn meegenomen,

is de populatie tegenwoordig gezond. Zowel

de bescherming van de planten als ook

de moeilijke bereikbaarheid van de groeigebieden

zorgen hiervoor.

Het kweken van Pachypodium namaquanum

vergt veel geduld. Goed gekweekt groeien

deze planten maar 0,5 tot 1,5 cm per jaar.

Wel kunnen deze planten jou gemakkelijk

overleven, want ze kunnen meer dan 100

jaar oud worden.

Planten zijn gemakkelijk uit zaad op te

kweken, mits je beschikt over vers zaad.

Het grootste gevaar is het geven van te veel

water. Jonge plantjes, maar ook oudere, zijn

gevoelig voor rot en schimmelaantasting.

Zorg voor goed doorlatende grond en vermijd

dat de grond te lang nat blijft. Hou er

ook rekening mee dat P. namaquanum zijn

rusttijd heeft in onze zomer (april tot oktober)

en dat hij dan dus geen water moet

krijgen. Gedurende de wintermaanden

(november tot en met maart) moet dus water

worden gegeven. Zorg voor een warme,

lichte, goed geventileerde standplaats en

geef maximaal een keer per week spaarzaam

water. Om het kweken gemakkelijker

te maken en ze sneller te laten groeien en

bloeien kunnen jonge zaailingen worden

geënt op Pachypodium geaeyi of P. lamerei.

Zoals al opgemerkt groeide er op deze plek,

behalve deze pachypodiums, weinig tot

niets of wat er groeide was dood. Er was

in 2017 al een jarenlang tekort aan regen

in Namibië en daar zouden we de rest van

onze reis bij herhaling de gevolgen van

zien.

We vervolgden onze rit en gebruikten de

(meegenomen) lunch bij de plek waar de

nu compleet droge Fish River in de Oranje

Rivier uitmondt. Vlak bij deze plek zagen

we een boomvormige aloë, waarvan we in

eerste instantie zeker waren dat dit onze

eerste Aloe pillansii was (afb. 8). Iets ver-

Afb. 4: Berg met Pachypodium namaquanum

Afb. 5: De kop van een van de planten

228 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


derop stond namelijk nog een andere aloë

(afb. 9) en dit was in elk geval duidelijk Aloe

dichotoma.

Wat nu eerst nodig is, is een vergelijking

tussen deze beide boomvormige aloë’s. We

konden in Namibië al het boekje van Sakkie

Rothmann kopen, waarin de Namibische

aloë’s worden beschreven. Thuis werd hiervoor

ook Aloes, ‘The Definitive Guide erop

nageslagen.’

Wat Rothmann in elk geval duidelijk maakt,

is dat Aloe pillansii heel erg zeldzaam is in

Namibië. Er zijn maar zeven locaties bekend

ten noorden van de Oranjerivier. Deze

aloë wordt beschouwd als ernstig bedreigd.

Oorzaken hiervan zijn verlies van groeigebied,

illegaal verzamelen en begrazing door

vee. Het zijn met name de geiten en ezels

die vooral de jonge planten eten. Maar we

hebben zelf ook een paar keer gezien dat

de klipdassies in elk geval de jonge planten

van Aloe dichotoma eten.

De belangrijkste verschillen tussen Aloe

pillansii en Aloe dichotoma zijn de bloeiwijze,

de vorm van de bladeren en de vertakking.

De verschillen volgens Rowley zijn in de tabel

onderaan deze bladzijde weergegeven,

Voor mij was Aloe dichotoma een nog

enigszins bekende plant, zowel van eerdere

waarnemingen in de natuur (Zuid-Afrika),

als ook van planten in cultuur. Daarentegen

had ik nog niet eerder een Aloe pillansii

gezien, noch in de natuur, noch in cultuur.

Er waren op beide planten geen bloeiresten

aanwezig, dus dat hielp niet. Op basis

van de vertakkingen is de plant op afb. 9

met een kroon duidelijk Aloe dichotoma. De

takken van de plant op afb. 8 zijn veel langgerekter

en vormen meer een vork, zoals

dat bij Aloe pillansii hoort. De stand van de

bladeren bij de plant op afb. 8 is rechtopstaand,

wat hoort bij Aloe dichotoma. En de

bladeren van de plant op afb. 9 zijn duidelijk

teruggebogen, wat hoort bij Aloe pillansii.

De kleur van de bladeren geeft verder

geen uitsluitsel. Alle aloë’s hadden duidelijk

veel geleden door de langjarige droogte en

nagenoeg alle bladeren waren gekrompen

en roodbruin gekleurd. Het is overigens

ook door die droogte, of het ontbreken

van een regenperiode, dat de planten hier

lang niet meer hebben gebloeid en er geen

bloemresten of vruchten aanwezig waren.

Aloe pillansii zie je zelden in cultuur. Het is

een moeilijk te kweken plant en daarbij is

de groei ook nog eens extreem traag. Onder

optimale omstandigheden groeit deze

soort ongeveer 3 cm per jaar. Voor succesvol

kweken heb je veel zon nodig, een zeer

goed waterdoorlatend mineraal substraat

en hele droge condities.

Ik denk dat het moeilijk is om aan zaad te

komen van Aloe pillansii. En als het er al is,

dan is de prijs toch wel iets om even over

na te denken. Op internet vond ik alleen

zaden bij Africa Seeds in Namibië met een

aanbod van 500 zaden afgeprijsd van $

1050 nu voor $ 800.

Aloe pillansii en Aloe dichotoma zijn duidelijk

verwante planten. Maar in deze zelfde

omgeving groeit nog een derde aloë die

ook aan deze beide soorten is verwant,

namelijk Aloe ramosissima. Alle drie hebben

ze een vergelijkbare groeiwijze en alle drie

hebben ze ook dezelfde vorm en kleur van

de bloemen.

In tegenstelling tot Aloe pillansii en Aloe

dichotoma, die beide boomvormig worden,

vormt Aloe ramosissima vanaf de grond vertakkende

struiken. ‘Ramosissima’ betekent

dan ook ‘met veel takken’. Zoals hierboven

gemeld, groeien in het Richtersveld deze

drie soorten samen. Op een van de volgende

heuvels die we passeerden groeide

een aantal van deze planten. Op afb. 10 is

Aloe Kroon Bladeren Bloei

pillansii

dichotoma

Vorkachtige

vertakkingen

Dichtere kroon

van takken

Breder, zilvergrijs,

teruggebogen

Smaller, spreidend tot

afstaand en olijfgroen

Bloeit uit de okselknoppen van de

onderste bladeren, zich dan horizontaal

spreidend en soms afhangend

Bloei vanuit de bovenste bladeren,

rechtopstaand

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

229


de typische groeiwijze van

Aloe ramosissima duidelijk

te zien. Ook is te zien

dat, waarschijnlijk door de

droogte, delen van de planten

verdrogen en afvallen.

Overigens kunnen beschadigingen

ook ontstaan doordat

onder andere zebra’s en

onyxen in tijden van droogte

het jonge blad van deze

planten eten.

Zowel Aloe ramosissima als

Aloe dichotoma laten zich,

in tegenstelling tot Aloe pillansii,

gemakkelijk uit zaad

opkweken. Bij voldoende

zon en warmte kunnen ze

ook relatief snel tot behoorlijke

planten uitgroeien.

Al een aantal keren heb ik in

dit artikel melding gemaakt

van de droogte in Namibië.

Het was in 2017 al zo lang

droog in het zuiden dat de

boeren hun vee naar het

noorden moesten verhuizen.

Daar was het ook wel

droog, maar de droogte

was niet zo nijpend als in

het zuiden. Door die droogte

waren ook vele jonge

planten, maar soms ook

oudere, doodgegaan. Maar

ook veel kleine succulenten

hadden deze periode niet

overleefd. Zo hebben we op

plekken waar normaal gesproken

Lithops groeit, deze

planten niet teruggevonden

of alleen nagenoeg dode

exemplaren. Betekent dat

dan dat er behalve de drie

boomaloë’s en de halfmens

geen andere succulenten

waren te vinden? Nee, dat

Afb. 6: Pachypodium

namaquanum

230 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


Afb. 7: Een jonge Pachypodium namaquanum

was gelukkig niet het geval. We hadden al

een paar succulente struiken gezien, zoals

Othonna clavifolia en Ceraria namaquensis.

En tussen de eerste gevonden aloë en Aloe

ramosissima vonden we Euphorbia virosa,

een soort die we regelmatig zijn tegengekomen

tijdens deze reis. Afb. 11 laat toch ook

wel weer zien dat zelfs deze euphorbia het

in dit droge klimaat erg moeilijk heeft.

Zeer recent is er echter weer volop regen

gevallen in Namibië. In januari 2021 waren

voor het eerst sinds jaren de rivieren weer

vol water. Dus breken er hopelijk betere tijden

aan voor mens en dier, maar ook voor

‘onze’ planten.

Tussen de planten van Aloe ramosissima

vonden we ook een aantal planten van

Hoodia alstonii (afb. 12). We zagen zelfs op

een van de planten het typische kleine, gele

bloempje (afb. 13).

Een eind verderop zagen we dan een aloë

waar geen twijfel over kon bestaan dat

het een Aloe pillansii was. Afb. 15 laat ook

mooi zien hoe deze aloë’s op de hellingen

langs de Oranjerivier groeien. Op dezelfde

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

berg werden nog een aantal mooie kleine

succulenten gevonden, waaronder Crassula

obvallata (afb. 14), Crassula tecta (afb. 16) en

Conophytum pageae (afb. 17). Ook groeiden

hier weer Hoodia alstonii en een aantal

andere kleine vetplantjes.

Op dit dagje Richtersveld heb ik ook een

aantal foto’s genomen van de omgeving.

Afb. 18 geeft een mooie indruk van bovenaf.

Vanaf de hellingen waar we de planten

vonden zie je op de weg onze auto staan en

in de achtergrond de Oranjerivier.

Ik heb nagekeken of er in onze Succulenta

de laatste 25 jaar iets over de twee planten

uit dit artikel – Pachypodium namaquanun

en Aloe pillansii – is verschenen. Het eerste

artikel genaamd ‘Een trip naar het Richtersveld’.vond

ik in het juninummer van 2002.

Hierin beschrijft Jan Vandorpe beide soorten.

En op de voorpagina van dit nummer

staat een prachtige foto van Aloe pillansii.

Jan noemt ook nog eens de zeldzaamheid

van deze aloë. Hij zag slechts 5 exemplaren

tijdens zijn trip en noemt als een van de

231


Afb. 8: Aloe pillansii of niet?

oorzaken de vraat van met name de jonge

planten door geiten.

In 2010 is er ook een artikel over Pachypodium

namaquanum over een reis uit 1988

naar Zuid-Afrika en Namibië. Hierin vertelt

Albert Goossens o.a. hoe deze planten

aan hun naam ‘halfmens’ zijn gekomen.

Hij noemt ook het feit dat de planten goed

worden beschermd. Zelfs exemplaren bij

mensen in de tuin zijn geregistreerd.

En dan was mijn reisgenoot van 2017, Bertus

Spee, al eens eerder in het Richtersveld,

maar dan aan de Zuid-Afrikaanse kant. In

februari 2010 schrijft hij hierover in het

artikel ‘Avonturen in het Richtersveld’. Bij

dit artikel staat een aantal heel mooie foto’s

Afb. 9: Aloe dichotoma

van zowel Aloe pillansii als van Pachypodium

namaquanum. Vooral afbeelding 3 in dit

artikel met maar liefst vier planten van Aloe

pillansii is om jaloers op te worden.

Afsluitend een stukje taxonomie over de

in dit artikel voorkomende aloë’s. Op basis

van fylogenetische studies (bestudering van

de afstammingsgeschiedenis) werd vastgesteld

dat verschillende soorten aloë’s duidelijk

afwijkend waren en een aparte clade

vormen. Een clade is een groep die afstamt

van een gemeenschappelijke voorouder.

Dus werd in 2013 voor de boomvormige

aloë’s een apart geslacht Aloidendron afgesplitst

van Aloe.

232 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


Afb. 10: Aloe ramosissima

Afb. 11: Euphorbia virosa

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

233


Afb. 12: Hoodia alstonii

Afb. 13: Bloem Hoodia alstonii

Afb. 14: Crassula obvallata

Afb. 16: Crassula tecta

Afb. 15: Aloe pillansii

Afb. 17: Conophytum pageae

234 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


Afb. 18: Het Richtersveld

Dit nieuwe geslacht kent zeven soorten zie

de tabel onderaan de pagina:

Literatuur

Rothman, S. (2004). Aloes, aristocrats of

Namibian Flora, St Promotions.

Carter, S.; Lavranos, J.J.; Newton, L.E.;

Walker, C.C. (2011). Aloes, The Definitive

Guide. Kew Publishing in association with

the British Cactus and Succulent Society,

London.

Rowley, G. (1999). Pachypodium and Ade-

nium, The Cactus File Handbook 5. Cirio

Pub. Services, Southampton.

Website LLIFLE: Encyclopedia of Succulents.

Vandorpe, J. (2002). Een trip naar het Richtersveld.

Succulenta 81 (3): 119-125.

Goossens, G. (2010). Pachypodium namaquanum.

Succulenta 89 (2): 75-78.

Spee, B. (2010). Avonturen in het Richtersveld.

Succulenta 89 (1): 16-22.

Hoefstraat 9

5345 AM Oss

Aloidendron

Aloe

barberae barberae of bainesii Oostkaap, Transkei, KwaZulu-Natal, eSwatini en

Mpumalanga en in het noorden in Mozambique en

Oost-Afrika

dichotomum dichotoma Ten noorden van Keetmanshoop (Namibië) en de

Noordkaap van Zuid-Afrika

eminens eminens Noordelijk gebied rond Erigavo, Ethiopië

pillansii pillansii Namibië en Zuid-Afrika

ramosissimum ramosissima Tussen Zuid-Afrika en Namibië

sabaeum sabaeum Saudi-Arabië en Jemen

tongaense tongaense KwaZulu-Natal op de grens van Mozambique en

Zuid-Afrika

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

235


SUCCULENTENNIEUWTJES

Wolter ten Hoeve

Het maartnummer van Kakteen und andere

Sukkulenten (72-3) memoreert de 200-

ste geboortedag van Hermann Gruson, een

Duitse industrieel die een enorme succulentenverzameling

opbouwde en naar wie

o.a. Echinocactus grusonii, de welbekende

schoonmoederstoel, vernoemd is. Klaus-

-Dieter Lentzkow bespreekt het leven van

deze sociale ondernemer, wiens voorouders

als calvinistische vluchtelingen vanuit

Noord-Frankrijk naar Duitsland getrokken

waren. Michael Greulich, agaveliefhebber

uit Berlijn, heeft in het voorjaar van 2020

kennisgemaakt met de ijsheiligen. Door het

mooie weer had hij talrijke agaven buiten

geplaatst, maar enkele zware nachtvorsten

in mei leidden tot schade aan meerdere

agaven. Het betrof vooral de soorten die

het zuiden van Mexico als vaderland hebben.

Michael Lange wijdt enkele gedachten

aan Echinocereus knippelianus, zulks naar

aanleiding van een bezoek aan een liefhebber

in Berlijn, waar hij een knippelianus zag

die mogelijk teruggaat op oorspronkelijk

materiaal. Door hetere en drogere zomers

wordt het voor geraniums op een balkon

steeds moeilijker, aldus Hans-Jürgen Neβ.

Hij heeft een goed alternatief: Crassula exilis

subsp. schmidtii. Het is een rijke bloeier die

niet meteen baalt als hij een paar dagen

geen water krijgt. Ferocactus latispinus en F.

robustus krijgen in de Karteikarten de volle

aandacht. Hardy Hübener heeft in 2018

twee mierenplanten, namelijk Myrmecodia

beccarii, in een tuincentrum gekocht. Vruchten

bleken spontaan gevormd te worden

uit de kleine, onopvallende bloemen. Vers

zaad kiemde uitstekend, maar oud zaad

van ingedroogde bessen kiemde in het

geheel niet. Deze mierenplanten behoeven

een andere behandeling dan succulenten,

maar ze hebben fraaie bovengrondse knollen.

Gevoelig voor wolluis blijken de planten

wel te zijn. Manfred Hartl stelt zijn Pereskia

grandifolia voor. Deze pereskia bloeit al als

plant van 20 cm hoog. Christine en Franz

Spielmann verhalen hoe zij, door hogere

leeftijd gedwongen, hun uitgebreide succulentenverzameling

van de hand hebben

kunnen doen.

In de daaropvolgende Kakteen und andere

Sukkulenten (72-4) is het eerste artikel

van de hand van Holger Wittner. Hij is erin

geslaagd om Borzicactus leonensis in bloei

te krijgen en hij vermoedt dat hij de eerste

is die foto’s van een bloeiende cultuurplant

publiceert. Michael Greulich plaatst vraagtekens

bij de identiteit van de in het decembernummer

getoonde bloeiende Agave

parryi. Hij vermoedt dat Agave havardiana

de juiste naam is. Rolf Weber gaat uitgebreid

in op Rebutia atrovirens en talrijke

daaraan verwante taxa, o.a. R. haefneriana,

R. mixtecolor, R. ritteri en R. zecheri. De door

hem besproken taxa worden verder met

een foto van de bloeiende plant belicht. De

Karteikarten bestaan uit portretten van Ceropegia

sandersonii en Opuntia galapageia.

Thomas Brand, specialist op het gebied

van ongedierte en ziekten bij succulenten,

heeft zijn oog laten vallen op Oxalis corniculata,

de gehoornde klaverzuring, die zich

in talrijke verzamelingen als een lastige

indringer gevestigd heeft. Dit plantje staat

op nummer 3 van de lijst van de wereldwijd

meest verspreide neofyten (planten die zich

ooit ergens gevestigd hebben). Als oxalis

zich in een succulentencollectie bevindt,

dan is hij lastig te verwijderen (plant uit de

pot, alle substraat verwijderen, oppotten in

vers substraat en een tijdland goed in de

gaten houden). Manfred Hils heeft succesvol

Ferocactus gracilis met Leuchtenbergia

principis bestoven. De op de leuchtenbergia

ontstane vrucht leverde zaden, waarvan

er eentje succesvol op kon groeien tot

een lichtroze bloeiende plant, de hybride

xFerobergia. Deze plant had eigenschappen

van beide ouders. Sabine Phillipp heeft flink

wat asclepia’s gezaaid. Tot haar verbazing

236 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


Succulenta jaargang 100 (5) 2021

produceerde een van die soorten, namelijk

Duvalia elegans, na negen maanden al een

bloem.

De op Gran Canaria voorkomende Aeonium

percarneum krijgt de volle aandacht

van Marco Cristini in het Franse Cactus &

Succulentes (12-2). Talrijke habitatfoto’s

vergezellen de tekstuele bijdrage. Norbert

Rebmann bespreekt de melocactussen die

op Cuba voorkomen. Hij heeft de meeste

soorten in de natuur kunnen vinden, d.w.z.

de 11 soorten die behoren tot de groepen

van Melocactus matanzanus, M. guitartii en

M. harlowii. Jean Marie Solichon haalt herinneringen

op aan een reis naar Chili in 2010.

De focus van die reis lag op het vinden van

copiapoa’s.

Kaktusy (2021-1) start met een bijdrage

van Zlatko Janeba over Sclerocactus

nyensis, welke hij op enkele plekken in de

Amerikaanse staat Nevada aantrof. Ook

geeft hij enkele kweekadviezen. Jaroslav

Vích heeft Frailea horstii als onderwerp en

gaat in op diverse aspecten. Mário Snopka

is Austrocylindropuntia pachypus in de natuur

tegengekomen en schrijft erover. Het

artikel van Jan Hadrava handelt over Echinocereus

palmeri en de ondersoorten escobedensis

en mazapil. Rudolf Slaba schrijft over

Sulcorebutia pulchra var. albiareolata en

Libor Kunte over Monsonia peniculina.

De eerste special van Kaktusy in 2021, met

als auteur Jan Hadrava, staat volledig in het

teken van de echinocereussen in de Amerikaanse

staat Arizona. Na een inleiding

over het klimaat van Arizona worden de

afzonderlijke soorten, ondersoorten en variëteiten

besproken. Tot slot volgt nog een

pagina met kweekadviezen. Deze special is

niet alleen voor Tsjechen bedoeld, want de

tekst is volledig in het Duits.

Het blad Piante Grasse (40-4) viert het

40-jarig bestaan van de Italiaanse vereniging

AIAS met een terugblik op de beginjaren.

René Zahra vraagt zich af welke aloë

op het eiland Gozo (Malta) groeit. Hij vermoedt

dat deze aloë’s nog de oorspronkelijke

Aloe vera zijn. Franco Rosso geeft een

korte inleiding op het geslacht Tacinga en

gaat daarna uitgebreider in op T. inamoena.

Het enten van succulenten wordt door

Roberto Borromeo uitgelegd en toegepast.

In Mammillaria (45-1) presenteren

Matuszewski en Šnicer een nieuwe

coryfantha-onder-soort, Coryphantha

durangensis subsp. cincomayoensis. Deze

klein blijvende ondersoort, die op het eerste

gezicht aan een escobaria doet denken,

groeit ten zuiden van Viesca (Coahuila) op

gipsheuvels. Othmar Appenzeller vergelijkt

de oorspronkelijke beschrijvingen van

Mammillaria wildii en M. wildiana en concludeert

dat het om dezelfde soort gaat. Klaus

Rebmann tracht een verklaring te vinden

voor het feit dat M. geminata twee groeigebieden

heeft die 170 km uit elkaar liggen.

In een uitgebreid artikel geeft hij diverse

verklaringen voor deze disjunctie, waaronder

klimaatveranderingen in het verleden.

Zo was er van de jaren 550 tot 850 een

periode van enorme droogte in Mexico

waardoor een aanvankelijk aaneengesloten

groeigebied in tweeën gedeeld kan zijn.

In het slotdeel van het artikel van Erich

Schrempf over Mammillaria melanocentra

en consorten vergelijkt hij M. melanocentra,

M. rubrograndis en M. linaresensis en komt

dan tot de aanname dat het drie afzonderlijke

taxa zijn. Holger Rudzinski besteedt

aandacht aan de enkele jaren geleden in

de Mexicaanse staat Durango ontdekte

en onlangs in het tijdschrift Phytotaxa

beschreven M. breviplumosa. De belangrijkste

karakteristieken van dit fraaie nieuwe

plantje uit de serie Lasiacanthae worden genoemd.

Andreas Böcker verhaalt over zijn

bezoek aan M. pennispinosa in haar natuurlijke

omgeving nabij het plaatsje Mapimi. In

een uitermate kritische bijdrage gaat Erich

Schrempf nader in op de eerder reeds door

Appenzeller gediagnosticeerde ‘subspecieritis’

bij de IOS (International Organization

for Succulent Plant Study). Na bestudering

van allerlei, vanuit de IOS gepubliceerde

artikelen, is de conclusie van Schrempf dat

de doorslaggevende reden om de term

subspecies te promoten was dat dan de

eigen naam achter de tot subspecies herbenoemde

variëteit of vorm geplaatst kon

worden.

237


Het Edwards-plateau in Texas is bereisd

door Peter Berresford. Zijn verslag is te lezen

in Cactus World (39-1). Op dit plateau,

dat oostelijk van de Pecos River ligt, zijn

talrijke cactussoorten te vinden, waarbij de

focus van de schrijver op de echinocereussen

ligt. Andrew Harris en Richard Cox laten

aan de hand van een aantal voorbeelden

zien hoe zij sommige cactussen in speciale

hangbloempotten (sky planters) kweken.

Holger Wittner discussieert over de variabiliteit

van Matucana intertexta in de natuur

en becommentarieert mogelijke hybriden.

Deze gemakkelijk te kweken soort blijkt bijzonder

variabel op haar natuurlijke locaties,

zowel qua bedoorning als qua bloemkleur.

In de natuur zijn hybriden aan te treffen

met o.a. M. aureiflora. Colin Walker stelt

zijn Aeonium haworthii voor. John Pilbeam

brengt het geslacht Huernia onder de aandacht.

Bijna twintig soorten worden fotografisch

voorgesteld en enkele kweekadviezen

voor de planten uit dit geslacht worden

gegeven. Ferocactus haematacanthus

groeit in een beperkt gebied van de staten

Puebla en Veracruz. Ian Woolnough is op

visite geweest bij deze fero’s en verhaalt

daarover. Dave Marchbank heeft de lockdown

als onderwerp. Voor hem ging die

lockdown gepaard met extra tijd voor de

hobby. Gevolgen: een betere administratie

van zijn planten en de aanschaf van meer

echinopsis-hybriden. De nieuwe redacteur

van Bradleya, George Thomson, blikt terug

op de 40 jaar die dit jaarboek inmiddels

bestaat. In de rubriek ‘In my greenhouse’

kijken we bij newbie Martin Ciderspiller in

de kas. Hij, geluidstechnicus en liefhebber

van heavy metal, had door de lockdown

plotsklaps niets meer te doen. Toen zijn

vriendin met een cactus thuiskwam, sloeg

het cactusvirus onverbiddelijk toe, want

binnen een jaar stond er een kas vol planten

en was een kasje voor het zaaien in

aanbouw. Is corona toch nog ergens goed

voor! Terry Smale, schrijvend vanuit meer

dan 30 jaar praktijkervaring, geeft adviezen

betreffende het kweken van vetplanten uit

de geslachten Haworthia, Haworthiopsis, Tulista

en Gasteria. Ralph Peckover publiceert

een nieuwe ceropegia, namelijk Ceropegia

aquamontana. Deze nieuwe soort is tot nu

toe alleen bekend van de farm van de auteur

bij Waterberg in Zuid-Afrika. Als naaste

verwant komt C. fortuita in aanmerking.

Zlatko Janeba stelt een van zijn favorieten

voor: Echinopsis silvestrii, een cactus die hij

in 1998 als jonge zaailing kreeg en waarvan

hij de Latijnse naam pas kon vaststellen

nadat er in 2020 een bloem geproduceerd

werd. Julian Shaw heeft zich beziggehouden

met de identiteit van Oxalis megalorrhiza,

welke ruim 200 jaar geleden in Peru gevonden

is. Deze naam wordt soms ten onrechte

toegekend aan de uit Chili afkomstige

O. carnosa. Verder is O. rubrocincta geen

synoniem van O. megalorrhiza.

Het gedegen Succulenta-artikel van Theo

Heijnsdijk over Agave victoriae-reginae heeft

zijn weg gevonden naar Piante Grasse

(41-1). Het blad heeft zowel een Italiaanse

als een Engelse vertaling geplaatst. Marco

Cristini heeft een uitgebreide verhandeling

geschreven over de in India en Pakistan

voorkomende Sedum sedoides. Tijdens een

korte vakantie in Triora (Noord-Italië) vond

Massimo Afferni diverse succulenten in de

omgeving, waaronder Sedum fragrans.

Vreebergen 2

9403 ES Assen.

238 Succulenta jaargang 100 (5) 2021


Summary

Rob Bregman

Columnist Ben Wijffelaars leads it off with

some notes on sexual differences in succulents.

He recently purchased a female specimen

of Euphorbia obesa. Given the present gender

discussions, a photo of the rainbow cactus,

Echinocereus dasyacanthus, is an appropriate

illustration.

Theo Heijnsdijk continues his series of articles

dealing with the ‘Verkade’ handbooks from the

1930s. This time he focuses on Ariocarpus kotschoubeyanus,

a spineless flat-globular cactus

from Mexico. This species was discovered in

1844 by baron Karwinski, who sent a few plants

to the Russian prince Vassili Kotschoubey. Soon

thereafter, it was described as Anhalonium kotschoubeyanum

by the French botanist Charles

Lemaire. The generic name Roseocactus,

introduced by Alwin Berger in 1925 in order to

distinguish the Ariocarpus species with grooved

tubercles as a separate group, is now considered

a synonym. The natural habitat of A. kotschoubeyanus

covers a large area in 6 Mexican

states. Consequently, quite a number of local

ecotypes are known, which have been described

as varieties and subspecies. The northern

plants are smaller than the southern ones;

The flower color is mostly deep purple, but

pink and even white flowering specimens

can also be found. The plants mostly grow in

loamy and sandy soil. During the dry season,

the plant body shrinks and becomes covered

with sand, which renders the plants (without

flowers) very difficult to find. Despite its large

distribution area with an estimated number of

appr. 100.000 adult individuals, A. kotschoubeyanus

is placed on the IUCN Red List in the ‘near

threatened’ category. Although the plants grow

slowly, they are not difficult to cultivate.

In his series ‘In the spotlight’, Bertus Spee pays

attention to Crassula corallina, Melocactus peruvianus,

Sarcocaulon herrei and Islaya islayensis.

Stan Oome explains why he became a cactophile.

Important for him was the tingling of

his senses: visual aspects such as color of the

flowers and symmetry of the plant body, the

sweet smell of night-blooming species and

Succulenta jaargang 100 (5) 2021

Pereskia fruits, the quietness inside the greenhouse,

the sound of the spines when you touch

them, etc.

Henk Ruinaard reports about his visit to the

habitat of Echinocactus polycephalus south of

Las Vegas, Nevada, USA. After a rain shower

the spines turn beautifully red. The small flowers

are yellow; the fruits are densely covered

with wool (popular name: cotton top cactus). In

2018, as a result of molecular work by American

scientists, E. polycephalus was transferred

to the genus Homalocephala.

Peter Knippels presents his final report about

the way he cultivates his plants (South African

bulbs, euphorbias, aloes, agaves and some

cacti). In his house he has 3 places where the

plants can be set: the greenhouse, a window-

-sill and a cool loft room that he uses to hibernate

some sensitive species.

André van Zuijlen traveled to the Richtersveld

in south Namibia, SW Africa, primarily to look

for Aloe pillansii and Pachypodium namaquanum.

The vegetation in this region clearly suffered

dramatically from a lack of rain for a long

time. P. namaquanum dominates the landscape

just like the Saguaro cactus (Carnegiea gigantea)

does in the Arizona desert. Aloe pillansii is very

rare in Namibia; north of the Orange River still

only 7 locations exist. André also found Aloe

dichotoma, another tree-shaped species. Other

than A. pillansii, this species has smaller and

olive-green leaves; its inflorescenses are borne

from the upper leave rosettes. Based on recent

molecular studies, both Aloe species are now

placed in the new genus Aloidendron.

Wolter ten Hoeve brings his usual summary of

the most important articles in other journals on

succulent plants.

Tom Twijnstra closes this Succulenta edition

with a short story about his Agave attenuata.

This plant has grown so big that in the near

future it will no longer fit in his greenhouse.

Fortunately, the plant will survive in Tom’s collection

by means of its many offsets.

rob.bregman@icloud.com

239


Agave attenuata

Ben Wijffelaars

LHBTIQAPC ............................... 194

Theo Heijnsdijk

Ariocarpus kotschoubeyanus,

de kleine rozetcactus ...................... 195

Bertus Spee

Voor het voetlicht 117 ..................... 208

Stan Oome

Een prikkelende hobby. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 210

Henk Ruinaard

Echinocactus polycephalus ................. 216

Peter Knippels

Spannend moment:

omschakelen naar de herfstmodus . . . . . . . . . . 220

André van Zuijlen

Een speciaal plekje 16

Richtersveld Namibië ...................... 225

Wolter ten Hoeve

Succulentennieuwtjes. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 236

Rob Bregman

Summary ................................ 239

Tom Twijnstra

Ouwe reus ............................... 240

Voorpagina:

De ‘zuidelijke vorm’ van A. kotschoubeyanus, ook wel

subsp. elephantidens genoemd, bij Bella Vista del Rio

(Querétaro).

Foto Coby Keizer

Inlichtingen over het lidmaatschap en ontvangst

van nummers en adreswijzigingen aan:

Inquiries about membership and receipt of issues

and address changes to:

Miranda Tap

Koldijksterraklaan 218

3544 PP Utrecht

E-mail: ledenadministratie@succulenta.nl

Ouwe reus

Agave attenuata is de grootste

plant die ik in mijn verzameling

heb, groeit als een tierelier en is

ook nog eens één van de weinige

agaves die stamvormend zijn.

Mijn kas is klein en planten die

een zomer buiten hebben gestaan

moeten ook weer naar binnen.

Dat gaat met dit exemplaar steeds

moeizamer, en in de nabije toekomst

komt er een moment dat

deze ouwe reus niet meer door

de deur past. Dan moet ie de deur

uit. Dat zou erg spijtig zijn, want

een blikvanger is het wel. Ik mis

dan ook de bijzondere bloei; in

plaats van de hoogte in te gaan

maakt de lange bloemstengel een

elegante buiging naar de grond.

Hierna sterft de plant af. Gelukkig

maakt deze agave veel stekken

aan de voet, en leeft op deze wijze

weer vrolijk verder. En ik kan bezoekende

bewonderaars altijd blij

maken door ze een opgepot agavetje

mee te geven. De toekomst

is gewaarborgd, maar ik hoop nog

lang te kunnen genieten van deze

krachtige en bovenal prachtige

plant.

tomtwijnstra@hotmail.com

240 Succulenta jaargang 100 (5) 2021

More magazines by this user