154143 Thema nr 4 2021 Bladerversie

Instondo2021

WWW.THEMAHOGERONDERWIJS.ORG

TH MA

HOGER ONDERWIJS

Europese universiteiten

2021

4

‘Europa, dat zijn wij allemaal’

Interview met Jan Buysse, algemeen directeur van VLEVA

Luchtfietserij of model van de toekomst?

Martin Paul

De alliantie als levend organisme

Patricia Huion, Marc Van De Walle & Klaas Vansteenhuyse

Landsgrenzen overstijgen en het blikveld verruimen

Mervin Bakker, Gijs Coucke, Frederik De Decker & Elmer Sterken

An unprecedented but still fragile initiative

Ludovic Thilly

Time for action!

Kurt Deketelaere

De klas van de toekomst is gemengd

Marlies Brinkhuijsen, Sarah de Vries, Gabrielle Bartelse, Carla Oonk & Judith Gulikers

Excellentieonderwijs kan diverser

Samantha Haasnoot


Waarom al zoveel

universitaire

opleidingen voor

Certiked vbi kiezen?

U

heeft geen keuze: voor elke bachelor- of masteropleiding

heeft u een NVAO-accreditatie

nodig. Gelukkig kunt u zelf uw visiterende en beoordelende

instantie kiezen. In de praktijk werkt u het

prettigst samen met een evaluatiebureau dat constructief

met u meedenkt en u soepel naar uw accreditatie

begeleidt. Dus met Certiked vbi, het slagvaardige

NVAO-erkende evaluatiebureau. Laat ons collegiaal,

doelgericht en tegen lagere kosten aan de hand van de

NVAO-beoordelingskaders toetsen of uw opleidingen

voldoen aan de eisen. Daarbij houdt u zelf de regie,

maar krijgt u alle ondersteuning bij het aantonen en

zo nodig verbeteren van de kwaliteit. Bijvoorbeeld met

Certiked vbi:

de eigenlijke visitatie.

de snelste weg

Omdat we liever

naar uw NVAO accreditatie

van Certiked vbi.

helpen aanscherpen

dan neersabelen.

een Kritische Reflectie die u optimaal voorbereidt op

Om Om uw uw Bachelor- of of Masteropleiding internationaal erkend te te krijgen voor is is een een vrijblijvend NVAO accreditatie

gesprek

een een must. must. Daarvoor Daarvoor moet moet een een officieel officieel erkend erkende evaluatiebureau VBI (Visiterende controleren en Beoordelende of kijk studierichting

op Instelling)

voldoet controleren aan de of voorgeschreven de nieuwe studierichting profielen. Zo’n voldoet door aan de NVAO de voorgeschreven erkend www.certiked-vbi.nl

bureau profielen. is Certiked Zo’n door Dat

zich de echter NVAO erkende onderscheidt instelling door is de Certiked collegiale vbi. en Dat doelgerichte zich echter benadering, onderscheidt die door u sneller de collegiale op uw

7 Sterke redenen om voor

Certiked vbi te kiezen:

Ontdek de motiverende aanpak

Bel Drs. P.M. Esveld op 010-201 42 43

eindbestemming en doelgerichte brengt. benadering, Tijdens die het u hele sneller traject op uw behoudt eindbestemming u zelf het initiatief, brengt. maar Tijdens krijg het u heel hele

Minder administratie.

Meer motivatie.

gestructureerd traject behoudt hulp u zelf bij het aantonen initiatief, maar – en verbeteren krijg u heel - gestructureerd van kwaliteit. Bijvoorbeeld hulp bij het bij aantonen het opstellen – en

1. Minder grote, dus flexibeler en slagvaardiger organisatie.

van verbeteren een Kritische - van Reflectie kwaliteit. dat Bijvoorbeeld dient als basis bij het voor opstellen de eigenlijke van een visitatie zelfevaluatierapport en het visitatierapport. (ZER) dat

2. Werkwijze gericht op minimale (administratieve) overlast.

Opleiders dient als ervaren basis voor de unieke de eigenlijke Certiked visitatie vbi aanpak en het als visitatierapport. bewustmakend Opleiders en ongelooflijk ervaren stimulerend. de unieke

3. Stimulerende En Certiked dat aanpak vertaalt vbi

voor

aanpak zich structurele keer als op kwaliteitsverbetering.

bewustmakend keer in een hoge en ongelooflijk mate van tevredenheid stimulerend. En over dat het vertaalt eindresultaat. zich keer Op op

4. Zeer deskundige www.certiked-vbi.nl keer in en een constructief hoge mate meedenkende vindt van u meer tevredenheid visitatiepanels. informatie. over Of het bel eindresultaat. drs. P.M. Esveld Op op www.certiked-vbi.nl 010-201 42 61 voor vindt een

5. Thuis in vrijblijvende alle u meer NVAO-protocollen, informatie. kennismaking. loodst Of bel u drs. er probleemloos P.M. Esveld doorheen. op 010-201 42 61 voor een vrijblijvende kennismaking.

6. Slimme tools voor gerichte toepassing officiële toetsingskaders.

Certiked vbi is onderdeel van

Lloyd’s Register Nederland B.V., een mondiale autoriteit in

7. Sterk concurrerende prijs-prestatieverhouding.

certificeren. Dit garandeert kwaliteit en continuïteit.

Certiked vbi. vbi. De De kortste weg weg naar naar uw uw NVAO (her-)accreditatie.

Weena-Zuid 170 1703012 NC NC Rotterdam T: T: 010 - - 201 42 4261 info@certiked-vbi.nl www.certiked-vbi.nl

Certiked vbi K.P. van der Mandelelaan 41a vbi 3062

Certiked vbi maakt MB

deel Rotterdam

uit uit van van Lloyd’s T: 010-201

Register Nederland 42 43 info@certiked-vbi.nl

B.V.

www.certiked-vbi.nl


Maar vóór het

zover is

Europese universiteiten

moet de opleiding zelf

geslaagd zijn

Vóór u investeert in een dure vervolgopleiding voor uzelf of voor getalenteerde

medewerkers wilt u natuurlijk weten wat daarvan de waarde is.

42021

Voor uzelf, uw bedrijf, op de arbeidsmarkt en maatschappelijk. Waar moet

u op letten? Simpel. Kies een opleiding die is opgenomen in het Register

van het Centrum voor Post-Initieel Onderwijs in Nederland. CPION toetst het

cursusaanbod voor mensen met een wetenschappelijke, hogere of middelbare

(beroeps) opleiding op inhoud en maatschappelijke relevantie. Alleen

post-initiële opleidingen die aan strenge kwaliteitscriteria voldoen krijgen het

predikaat Registeropleiding. Dit kunt u beschouwen als een keurmerk, dat de

waarde van het diploma of certificaat garandeert. Meer weten over CPION en

Registeropleidingen? Kijk op www.cpion.nl.

CPION Keurmerk Registeropleidingen

Alleen voor post-initiële opleidingen die er écht toe doen.

CPION Postbus 701 3000 AS Rotterdam tel: +31 (0)10 201 42 22 fax: +31 (0)10 224 85 87 www.cpion.nl


TH MA

0-21

Colofon

Tijdschrift voor Hoger onderwijs & Management verschijnt

5 x per jaar en is een uitgave van Instondo B.V.

Dordrecht.

Jaargang 28, nummer 4

Uitgave van: Instondo B.V.

Binnen Kalkhaven 263

3311 JC Dordrecht

T +31 (0)78 645 50 85

I www.instondo.nl

I www.themahogeronderwijs.org

Uitgever: Marcel Mathijssen

Eindredactie

Elma Drayer

E-mail: info@elmadrayer.nl

Voor het aanbieden van artikelen kunt u zich richten tot

de hoofdredactie, Sijbolt Noorda en Bert Hoogewijs

E-mail: m.kok@instondo.nl

Advertentieacquisitie

Voor informatie over de advertentiemogelijkheden

kunt u een e-mail sturen aan: sales@instondo.nl.

Basisontwerp

Hans Lodewijkx, Visuele Communicatie, Tilburg

Vormgeving

Verloop drukkerij, www.verloop.nl

Druk

Veldhuis Media BV, www.veldhuismedia.nl

Abonnementen

Abonnementsprijs voor Nederland € 350,00 excl. 6% btw,

inclusief verzendkosten, per jaar. Voor België € 360,00

(indien van toepassing btw-nummer opgeven).

Abonnementen lopen automatisch door, tenzij deze uiterlijk

2 maanden voor de vervaldatum schriftelijk worden opgezegd bij

onze abonnementenadministratie.

Redactie

SIJBOLT NOORDA, hoofdredacteur

BERT HOOGEWIJS, hoofdredacteur

ELMA DRAYER, eindredacteur

BABS VAN DEN BERGH, Vereniging van Universiteiten

HARRY DE BOER, Universiteit Twente

TOM DEKEYZER, UGent

HANS DE JONGE, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

RON MINNÉE, Vereniging Hogescholen

SERGE SIMON, Universiteit Antwerpen

HENNO THEISENS, De Haagse Hogeschool

ALEXANDRA VENNEKENS, Rathenau Instituut

KOEN VERLAECKT, Vlaamse Interuniversitaire Raad

ERIC VERMEYLEN, Vlaamse Hogescholenraad

HANS VOSSENSTEYN, Saxion Hogeschool

MARIJK VAN DER WENDE, Universiteit Utrecht

Recensieredactie

VERONICA BRUIJNS, Hogeschool van Amsterdam (coördinator)

PIM BREEBAART, De Haagse Hogeschool

BRUNO BROUCKER, KU Leuven

HUIB DE JONG, Hogeschool van Amsterdam

MYRTE LEGEMAATE, Avans Hogeschool

ALBERT PILOT, Universiteit Utrecht

KOEN RYMENANTS, Hogeschool Gent

KURT DE WIT, KU Leuven

Contactgegevens voor Nederland en België:

Instondo Uitgevers B.V.

Binnen Kalkhaven 263

3311 JC Dordrecht, Nederland

E-mail: administratie@instondo.nl

I www.themahogeronderwijs.org

© Instondo B.V. Auteursrechten voorbehouden.

Het is niet toegestaan zonder schriftelijke toestemming

van de uitgever artikelen, illustraties of schema’s geheel of

gedeeltelijk over te nemen.

Aan de totstandkoming van deze uitgave is de uiterste zorg

besteed. Voor informatie die nochtans onvolledig of onjuist

is opgenomen, aanvaarden auteur(s), redactie en uitgever

geen aansprakelijkheid. Voor eventuele verbeteringen van de

opgenomen gegevens houden zij zich gaarne aanbevolen.

ISSN 1380-7110

Medewerkers aan dit nummer

Mervin Bakker

Gabrielle Bartelse

Ruth van der Beek

David Bohmert

Marlies Brinkhuijsen

Bruno Broucker

Veronica Bruijns

Anna-Lena Claeys-Kulik

Gijs Coucke

Jan Danckaert

Frederik De Decker

Kurt Deketelaere

Elma Drayer

Sophie Duijser

Veronique Eurlings

Marianne van Exel

Mark Frederiks

Rogier Goetze

Judith Gulikers

Samantha Haasnoot

Marijke Hoekstra

Bert Hoogewijs

Patricia Huion

Jeroen Huisman

Rosette S’Jegers

Magdalena Kohl

Luk Van Langenhove

Myrte Legemaate

Sander Lotze

Linde Moriau

Carla Oonk

Martin Paul

Lize De Potter

Kurt Rymenants

René Schotanus

Elmer Sterken

Ludovic Thilly

Daniela Trani

Anouk Tso

Klaas Vansteenhuyse

Sarah de Vries

Marc Van De Walle

Rik Van de Walle

Marijk van de Wende

Olga Wessels


inhoud

TH MA

themahogeronderwijs.org

Europese universiteiten

thema

4 Bert Hoogewijs

Hoofdredactioneel

6 Elma Drayer

‘Europa, dat zijn wij allemaal’

Interview met Jan Buysse,

algemeen directeur van VLEVA

12 Martin Paul

Luchtfietserij of model van

de toekomst?

De droom van een Europese universiteit

17 Sophie Duijser & Marianne van Exel

Leren van elkaars ervaringen

Werken aan kwaliteit en inclusiviteit

20 Olga Wessels, Sander Lotze, Anouk

Tso, Daniela Trani, Veronique

Eurlings, Magdalena Kohl

& Mervin Bakker

Ongekende kansen voor het hoger

onderwijs

De kracht van Europese samenwerking

27 Patricia Huion, Marc Van De Walle

& Klaas Vansteenhuyse

De alliantie als levend organisme

Naar toekomstbestendig onderwijs

33 Rik Van de Walle & David Bohmert

Retour vers le futur

36 Mervin Bakker, Gijs Coucke,

Frederik De Decker & Elmer Sterken

Landsgrenzen overstijgen en het

blikveld verruimen

Het potentieel van een Europese

universiteit

42 Marijk van de Wende

Er is flinke druk nodig

43 Anna-Lena Claeys-Kulik

The future of Europe’s universities

Opportunities and limits of alliances

as testbeds

45 Ludovic Thilly

An unprecedented but still fragile

initiative

The essential role of networks

47 Jeroen Huisman

Zot experiment

48 Kurt Deketelaere

Time for action!

Realising the full potential of European

alliances

50 Mark Frederiks

Ook kwaliteitszorg moet de grenzen

verleggen

Op naar een Europese aanpak

56 Ruth van der Beek

De deur naar de wereld openzetten

Verbreding door structurele

samenwerking

58 Marijke Hoekstra

Dit zou weleens een buitenkans

kunnen zijn

Inzetten op innovatie en internationale

ervaring

61 Rosette S ‚ Jegers, Luk Van Langenhove,

Jan Danckaert, Linde Moriau &

Lize De Potter

EUTOPIA als praktijk van

verbondenheid

Kennis en ervaring delen in Connected

Learning Communities

Verder in deze uitgave:

65 Marlies Brinkhuijsen, Sarah de Vries,

Gabrielle Bartelse, Carla Oonk

& Judith Gulikers

De klas van de toekomst is gemengd

Een diverse doelgroep voor het

hoger onderwijs

70 Samantha Haasnoot

Excellentieonderwijs kan diverser

De drempel die selectie heet

Boeken & bladen

75 Veronica Bruijns

Scherpe blik op onderwijspraktijk

77 Bruno Broucker

Welk hoger onderwijs wil de

samenleving?

80 Myrte Legemaate

Werken aan een kwaliteitscultuur

83 Kurt Rymenants

Een ongelijke bundel

3


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Hoofdredactioneel

Afstanden overbruggen

E

en Europese universiteit: hebben we die in Nederland

en Vlaanderen niet al sinds 2000? Vooral met

de Transnationale Universiteit Limburg (TUL), een

samenwerkingsverband dat de ambitie formuleerde

op termijn uit te groeien tot één universiteit met twee campussen,

die zelfs zou kunnen evolueren naar een ruimer

euregionaal conglomeraat. Ongetwijfeld een belangwekkend

initiatief, waar andere universiteiten met belangstelling naar

keken. Heb ik het fout dat het finaal toch niet is uitgedraaid

zoals aanvankelijk verhoopt? Moeilijke of onoverbrugbare

cultuurverschillen, heb ik weleens gehoord. Liggen met het

European Universities Initiative de kaarten dan beter?

Los van de TUL bestaan transnationale netwerken van

universiteiten al langer, maar de uitdaging die voorligt met

het dit project, geïnitieerd door de Franse president Emmanuel

Macron, is toch bijzonder. Vooral de creatie tegen

2024 van twintig Europese universiteiten die naar voren

worden geschoven als de universiteiten van de toekomst.

Welke hogeronderwijsinstelling heeft niet de ambitie om

daarbij aan te sluiten? En toch stellen we ons de vraag of het

inhoudelijk en juridisch kader van dit initiatief wel duidelijk

is bepaald. In een advies van 2018 zag ook de Raad Hoger

Onderwijs van de Vlaamse Onderwijsraad nog heel wat contouren

van de nieuwe netwerken als onvoldoende duidelijk

en pleitte alvast voor de grootste omzichtigheid bij de eventuele

creatie van transnationale juridische structuren.

En toch stellen we ons

de vraag of het inhoudelijk

en juridisch kader wel

duidelijk is bepaald

Het gaat over samenwerkingsverbanden waarbij studenten in

de verschillende instellingen opleidingsonderdelen volgen en

uiteindelijk één gezamenlijk diploma krijgen. Of is de doelstelling

toch om tegen 2024 nieuwe universiteiten op te richten?

Wat zal ervoor zorgen dat deze nieuwe associaties echt

succesvol zullen zijn in de creatie van joint degrees? De directe

nabijheid van de Universiteit Maastricht en het Limburgs

Universitair Centrum werd destijds genoemd als een cruciale

factor voor het welslagen van het samenwerkingsverband.

Bij de nieuwe Europese universiteiten moeten we grotere

afstanden overbruggen, terwijl het voor de TUL blijkbaar al

niet evident was of is. Er zijn niet alleen de fysieke afstanden,

maar ook verschillende bestuursculturen, verschillende nationale

regelgevingen, diverse kwaliteitszorgsystemen en dies

meer. Niet getreurd evenwel, misschien zijn al deze verschillen

wel de sterkte van de nieuwe allianties.

Na twee oproepen gefinancierd door het programma Erasmus+

heeft het initiatief inmiddels 41 allianties geselecteerd

die verschillende modellen moeten testen om het concept

‘Europese universiteit’ verder vorm te geven. Daar zijn

meer dan 280 instellingen bij betrokken uit alle lidstaten en

daarbuiten. Ook de Nederlandse en Vlaamse hogescholen

konden kandideren.

In mei van dit jaar boog de Europese Raad zich over het

initiatief en concludeerde dat het de weg moet effenen voor

een nieuwe dimensie in het Europese hoger onderwijs.

De ministers sporen daarbij de lidstaten en de Commissie

aan om het initiatief centraal te stellen in de totstandbrenging

van de Europese Onderwijsruimte in 2025. Tijd dus

om ook in Th&ma dit initiatief centraal te stellen.

Met meer dan 280 betrokken instellingen betreft het ongetwijfeld

een belangrijk initiatief, maar anderzijds bestrijkt

het hiermee toch ook maar 5 procent van alle instellingen

voor hoger onderwijs in heel Europa. De Europese Raad is

er zich trouwens van bewust dat ‘de Europese universiteiten

zich nog in de beginfase bevinden en er meer evaluatie en

empirisch onderbouwde informatie over de 41 geselecteerde

proefprojecten en de resultaten daarvan nodig zijn

om een coherent en toekomstgericht beleid te kunnen

ondersteunen’.

4


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

We lezen graag wat hen

heeft aangetrokken en

wat de meerwaarde is

van de samenwerking

diverse andere samenwerkingsverbanden waarbij instellingen

betrokken zijn, verdient nadere aandacht.

Vanuit diverse invalshoeken lezen we hierover meer in dit

nummer. Veel dank aan allen die hebben bijgedragen tot de

realisatie ervan.

Bert Hoogewijs

is hoofdredacteur van Th&ma

De League of European Research Universities beklemtoont

het enthousiasme waarmee universiteiten op het initiatief

zijn ingegaan, ondanks de beperkte financiering, maar wijst

inmiddels toch op de nood aan meer financiële ondersteuning

en het wegwerken van bureaucratische hindernissen

om echt tot een succes te komen. De European University

Association wil minder sturing van bovenaf, meer tijd en

middelen voor de bestaande allianties en heeft vragen bij de

realiteitszin van de door de Europese Raad geformuleerde

verwachtingen. En zoals recentelijk te lezen op ScienceGuide

rekent de Nederlandse universiteitskoepel VSNU op meer

steun vanuit de overheid en vreest ze een zekere terughoudendheid

bij minister Van Engelshoven. De Vlaamse

Onderwijsraad wijst er in een advies van maart dit jaar dan

weer op dat ook Vlaanderen niet voldoet aan de verwachting

van de Europese Commissie om de Europese universiteiten

voldoende te cofinancieren.

Heel wat aandachtspunten dus, waarop we in dit nummer

van Th&ma graag ingaan. Verschillende Nederlandse en

Vlaamse universiteiten evenals enkele hogescholen zijn

actief betrokken. We lezen graag wat hen heeft aangetrokken,

wat zoal heeft bijgedragen om hun applicatie succesvol

af te ronden, wat de inhoudelijke meerwaarde is van de

bewuste samenwerking, wat ze willen bereiken en wat de

uitdagingen zijn waarvoor ze nu staan. Ook hoe de samenwerking

binnen een Europese universiteit zich verhoudt tot

5


TH MA 2-21

‘Europa, dat zijn

wij allemaal’

Interview met Jan Buysse,

algemeen directeur van VLEVA

6


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

Vanuit VLEVA, bemiddelaar tussen Vlaamse maatschappelijke organisaties en Europa, laat algemeen directeur

Jan Buysse zijn licht schijnen over het nieuwe netwerk van Europese universiteiten. ‘De hogeronderwijsinstellingen

in Vlaanderen zijn absoluut overtuigd van het nut van het initiatief.’

Elma Drayer

M

et gevoel voor understatement noemt Jan Buysse

(1974) Europa ‘de rode draad’ in zijn loopbaan. Tijdens

zijn studie specialiseerde hij zich in Europees

recht, daarna kwam hij te werken bij de Europese

Commissie. ‘Zeker toen ik jonger was’, zegt hij vanuit zijn

huis in Sint-Niklaas, ‘had ik nogal een idyllisch beeld van

werken bij een Europese instelling. Tot ik vaststelde dat het

gewoon werken was bij een Europese instelling. Maar voor

de functie die ik nu heb was het nuttig om het persoonlijk

mee te maken.’

Sinds 2011 is de welbespraakte Buysse algemeen directeur

van het Vlaams-Europees verbindingsagentschap, oftewel

VLEVA, een privaat-publiek orgaan dat als bemiddelaar

optreedt tussen het maatschappelijke middenveld en

Europa (zie kader hiernaast). Natuurlijk volgt hij het European

Universities Initiative met bijzondere belangstelling

– daarover straks meer.

U bent dus van huis uit een enthousiaste Europeaan?

‘Zeker. Ik zie mezelf als fan van het Europese project. Maar

ik ben ook heel kritisch, omdat uiteraard niet alles perfect

verloopt. Tegelijkertijd ben ik ervan overtuigd: schaffen we

Europa bij wijze van spreken vandaag af, dan zal er morgen

noodzakelijkerwijze iets anders voor in de plaats moeten

komen. Los van het ganse waardenverhaal is Europese

samenwerking – we merken dat zeker vanuit Vlaanderen –

gewoon een belangrijke hefboom.’

Wat heeft u ooit geraakt in het Europese project?

‘Dat is het bekende verhaal van landen die voorheen aartsvijanden

waren en nu rond de tafel zitten en afspraken

kunnen maken. Je hoort veel klagen over het feit dat er

zo veel gepraat wordt binnen Europa en dat alles zo lang

duurt. Dat vind ik zeer intrigerend. Je zag bijvoorbeeld in de

coronacrisis dat er fouten zijn gemaakt. Voor veel mensen

was dat een teken: zie je wel, Europa werkt niet als het erop

aankomt. Maar achter de schermen gebeurde wel degelijk

van alles. De aankoop van die vaccins bijvoorbeeld is best

goed verlopen. Dan kunnen we toch blij zijn dat Europa er

is. Veel mensen zien Europa nog steeds als een toplaagje,

waar je al dan niet betrokken bij bent of al dan niet interesse

in hebt. Het blijft voor velen een ver-van-mijn-bedshow.

Wat is VLEVA?

Het Vlaams-Europees verbindingsagentschap

(VLEVA), opgericht in 2006, is een privaatpubliek

bureau dat als intermediair wil dienen

tussen de belangrijkste maatschappelijke organisaties

in Vlaanderen en de Europese Unie.

Jan Buysse: ‘De concrete aanleiding was de

vaststelling dat Europa op verschillende vlakken

meer en meer direct en indirect impact heeft op

wat er in Vlaanderen gebeurt. Maar organisaties

kunnen daar dikwijls niet tijdig op anticiperen,

laat staan dat ze het Europese beleid eventueel

mede kunnen beïnvloeden.’ VLEVA zorgt ervoor

dat de juiste informatie op het juiste moment

bij de juiste organisaties terechtkomt. ‘Elk jaar

bespreken we op basis van het werkprogramma

van de Europese Commissie met onze leden wat

voor hen de belangrijkste dossiers lijken te zijn.’

VLEVA organiseert debatten, bilaterale contacten

met leden van de Europese Commissie en wijst

de weg in het woud van Europese subsidies.

‘Wij zijn neutraal. Wij stappen niet naar de Europese

instellingen om te zeggen: kijk, wij vinden

dat het zo moet. Dat blijft de taak en de verantwoordelijkheid

van die organisaties en van de

Vlaamse overheid zelf.’

Op dit moment zijn 38 leden aangesloten bij

VLEVA. Er bestaat geen Nederlands equivalent,

maar Buysse merkt ‘dat er wel interesse voor is’.

Maar Europa is niet iets dat je aanknipt of uitknipt. Of waarvan

je kunt zeggen: het interesseert me niet dus ik volg

het niet op. Europa is een in-mijn-bedshow. Het bemoeit

zich sowieso met je leven. Europa, dat zijn wij allemaal.

Dus eigenlijk zou je het wel moeten opvolgen.’

7


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Deelt u mijn indruk dat Europa in Vlaanderen beter ligt dan

in Nederland? Het Nederlandse parlement schijnt het enige

parlement te zijn in Europa waar naast de nationale geen

Europese vlag hangt.

‘Echt waar? Daar verschiet ik wel van. Alsof je je er een

beetje voor schaamt. Ik denk dat Nederland zeer nuchter

en kritisch kijkt naar Europa, kritischer dan hier. Maar we

zien het in Vlaanderen langzaam schuiven, misschien wel

onder Nederlandse invloed. Bij een aantal politieke partijen

verdwijnt wat vroeger de ‘permissieve consensus’ heette:

als het van Europa komt zal het wel goed zijn. Die nieuwe

kritische blik is soms terecht, soms ten onrechte. Tegenwoordig

wordt Europa vaak als de gemakkelijke zondebok

aangewezen als dingen fout lopen. Onaangename beslissingen

komen niet van ons maar van Europa. Toch denk ik

dat Vlaanderen over het algemeen nog steeds welwillender

tegenover Europa staat dan Nederland.’

De stemming in Nederland is volgens mij: Europa moet niet te

veel te vertellen krijgen.

‘Het zou best kunnen zijn dat Nederland, zeker na de

Brexit, uitgroeit tot het nieuwe Verenigd Koninkrijk: wel

het economische verhaal van Europa volgen, maar veel

méér mag het niet zijn. Aan de andere kant is er in België

soms te weinig kritische zin. Dat is echt iets wat we bij

VLEVA proberen op te poken. Of Europa geldt als iets

‘Ik denk dat Nederland

zeer nuchter en kritisch

kijkt naar Europa,

kritischer dan hier

te complex. Of wat ik net noemde: het is Europees, dus

het zal wel goed zijn. Dat maakt dat je te weinig je eigen

standpunt bepaalt. Ik vind dat we dat in Vlaanderen meer

moeten doen: kritisch kijken en dan gaan voor het eigenbelang

– uiteraard wel gemixt met het gemeenschappelijke,

Europese belang.’

Welke rol speelt het hoger onderwijs volgens u in het Europese

project?

‘Een heel belangrijke. Dat beseft het misschien niet altijd.

Een heel visibel voorbeeld is Erasmus, maar Europa is met

8


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

het Horizonprogramma ook in het onderzoek heel actief.

Ik denk dat het initiatief op dat elan voortbouwt.’

Bent u er als VLEVA mee bezig?

‘In die zin dat we erover informeren. Wij werken op maat

van de behoefte en de mogelijkheden die er zijn. Dit is

primair een zaak van de hogeronderwijsinstellingen zelf.

Wij zijn slechts intermediair.’

Wat is volgens u het belang van het initiatief?

‘Het is in elk geval de bedoeling dat het een belangrijk

instrument wordt voor het verwezenlijken van die Europese

Onderzoeks- en Onderwijsruimte. Dat er gepoogd wordt

om allianties tussen universiteiten mogelijk te maken,

om onder andere de mobiliteit te bevorderen van studenten

en staf. En uiteindelijk ook de competitiviteit van die

universiteiten zelf. Dit vanuit het idee: samen staan we

sterk, zeker over de grenzen heen, waar toch nog heel wat

moeilijkheden en belemmeringen zijn. Ik heb van onze

leden begrepen, maar ook vanuit de Europese associaties,

dat de hogeronderwijsinstellingen het nog niet zien als een

alliantie die in lijn is met hun eigen strategische visie en

kerntaken. Ze zijn bekommerd om de topdownbenadering

van de Europese Commissie. De vrees is dat die het als een

politiek instrument beschouwt. Zij willen graag dat het hún

instrument blijft en niet dat het bij wijze van spreken politiek

gerecupereerd wordt en zij gedwongen worden in een

keurslijf dat niet het hunne is. Dat het hun kerntaken en

visie niet meer dient.’

Is dat een terechte vrees?

‘Laat ik het zo zeggen: ik denk dat dit het moment is om die

bekommernis heel expliciet te maken en op tafel te leggen,

zowel bij de Europese Commissie als bij de lid staten.

Ze moeten duidelijk maken dat ze zelf voldoende aan het

stuur willen blijven. De Europese Commissie ziet het initiatief

als een hefboom om zaken te realiseren. Maar het is

voor hogeronderwijsinstellingen belangrijk om zich ertussen

te zetten en niet als een soort springbal tussen de Europese

Commissie en de lidstaten te fungeren. Ze moeten

‘Dit is het moment

om die bekommernis

heel expliciet te maken

en op tafel te leggen

Wie is Jan Buysse?

Jan Buysse (1974) studeerde rechten en Europees

recht aan de UGent en ondernemingsrecht

aan de Universiteit Antwerpen. Na zijn

studie werkte hij voor de Europese Commissie,

voor de Vlaamse Vertegenwoordiging bij de

EU en voor Voka, het Vlaams netwerk van

ondernemingen. Sinds 2011 is hij algemeen

directeur van VLEVA. Daarnaast geeft hij duaal

les over de EU bij Syntra en gastcolleges aan

Vlaamse universiteiten.

Jan Buysse is getrouwd, heeft vier kinderen en

woont in Sint-Niklaas.

voldoende op hun strepen staan: dit blijft van ons. Dat is

een spanningsveld, want tegelijkertijd speelt de kwestie van

de financiering. Hogeronderwijsinstellingen willen graag

meer financiering, maar ze willen niet dat die gekoppeld

wordt aan zulke strakke voorwaarden dat het project eigenlijk

niet meer van hen is.’

9


TH MA 4-21

Europese universiteiten

De Nederlandse regering bleek, tot teleurstelling van de

universitaire koepel VSNU, niet erg enthousiast. De minister

van Onderwijs vreest dat het project leidt tot elite-universiteiten.

Frankrijk en Duitsland steken er wel veel geld in. Hoe zit dat in

Vlaanderen?

‘De term elite-universiteiten leeft ook in Vlaanderen. Het is

eigen aan kleinere lidstaten dat je die bekommernis hebt.

En al is het misschien niet altijd terecht, als Duitsland en

Frankrijk heel enthousiast zijn, worden zij wantrouwig.

Anderzijds heb je die grote landen nodig als trekkers. Maar

dan moeten we er wel voor zorgen dat de kleine landen

voldoende ruimte krijgen om mee te kunnen doen, op een

manier die voor hen nuttig is. Niet dat ze het vijfde wiel aan

de wagen worden. De vrees is dat het project het verhaal

‘Is het een elitair verhaal,

dan versterken we

misschien net weer die

elite, ook institutioneel

wordt van de grote, sterke spelers die de kleinere tegen

heug en meug meesleuren. En dat het uiteindelijk alleen de

Franse en Duitse universiteiten versterkt, ten koste van de

andere. Maar de hogeronderwijsinstellingen in Vlaanderen

zijn absoluut overtuigd van het nut van het initiatief. Er is

toch al een zestal Vlaamse instellingen bij betrokken, een

barometer voor het enthousiasme. De Vlaamse universitaire

koepel VLIR beschouwt het als een potentiële gamechanger

in de Europese Hogeronderwijs- en Onderzoeksruimte.

Op termijn moet het immers uitmonden in een geïntegreerde

Europese campus. Zij kijken daar reikhalzend naar

uit. Maar wat er precies zal veranderen – dat is zeker een

aandachtspunt. Ze willen duidelijkheid: wat kunnen we

verwachten, wat is de bedoeling, wat is de intentie? Ik zie

dat niet als negatief ten aanzien van het Europese verhaal.

Het wijst op het belang van subsidiariteit: we moeten Europees

regelen wat we zelf niet goed kunnen regelen, maar

we moeten er niet in overdrijven. Je moet Europees regelen

waar het Europese verhaal meerwaarde heeft, niet waar het

géén meerwaarde heeft of misschien zelfs haaks staat op

lokale voorkeuren en behoeften.’

Stel dat het initiatief slaagt, welke invloed zal het hebben op het

hoger onderwijs in Europa?

‘Ik denk dat de grootste meerwaarde zal zijn dat de universiteiten

zichzelf op die manier kunnen versterken. Zowel

op het gebied van mobiliteit, het werven van de juiste

mensen en het verkrijgen van middelen voor onderzoek.

Vanuit het principe van ‘samen sterk’. Ik denk dat dat de

10


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

allerbelangrijkste betrachting en ambitie is. Het is een

beetje koffiedik kijken of het effectief zal leiden tot joint

European degrees en joint recruitment schemes. Dat zal de

toekomst moeten uitwijzen. Tegelijkertijd denk ik dat de

instellingen hopen dat zij een institutionelere rol in die

Europese Onderwijs- en Onderzoeksruimte verkrijgen.

Maar ook daar heb je het punt: als het een elitair verhaal

is, dan versterken we misschien net weer die elite, ook

institutioneel. En dan blijven degene die kleiner zijn of niet

mogen meespelen opnieuw achter. En nee, dat is geen wenkend

perspectief.’

U zegt: samen sterk. Betekent dat ook: samen sterk tegen de

Verenigde Staten en tegen de opkomende landen in Azië?

‘Dat speelt absoluut een rol, daar ben ik van overtuigd.

We bekijken het nu op Europees niveau, maar uiteraard is

de concurrentie mondiaal.’

Kijk, zegt hij. ‘Dit is heel nieuw, zo’n samenwerking is

er niet van vandaag op morgen. Plus dat je elkaar moet

kunnen vertrouwen. Dat vraagt tijd. Vandaar dat de instellingen

zeggen: overlaad ons niet met een heel strak tijdskader

en leg evenmin een heel strakke doelstelling op.

Dat zou de bottom-upsamenwerking serieus in de weg

kunnen staan.’

Elma Drayer

is journalist en eindredacteur van Th&ma

foto’s rené schotanus

11


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Europese samenwerking in het hoger onderwijs is nog steeds springlevend. Hoe zetten we die voort? Als grote

gemeenschap, maar zonder middelen? Of met een kleine groep die fungeert als proeftuin? De verstandigste aanpak ligt

misschien wel in het midden, schrijft Martin Paul.

Luchtfietserij of model van de toekomst?

De droom van een Europese universiteit

Martin Paul

Maastricht University

D

e moderne universiteit is een Europese ‘uitvinding’:

de term universitas werd voor het eerst gebruikt

in Bologna, bij de oprichting van de eerste Europese

universiteit. In 1158 nam de Universiteit van

Bologna de Constitutio Habita aan, een document dat was

opgesteld door keizer Frederik I, bijgenaamd Barbarossa,

en dat onder meer het recht van een universiteitsgeleerde

garandeerde om vrij door Europa te reizen. Het document

wordt beschouwd als de basis voor het ideaal van academische

vrijheid en mobiliteit: docenten en geleerden werken

aan de uitbreiding van onze kennis van de wereld om ons

heen, zonder politieke, economische en sociale vooringenomenheid.

Ze hadden daarom al in de 12de eeuw de opdracht

uitwisseling te zoeken met andere geleerden in de toenmalige

Europese ruimte.

Vanaf het begin waren universiteiten plaatsen die kennis

creëerden en doorgaven zonder in de eerste plaats persoonlijke

belangen te dienen. Deze geest van vrijheid

van denken, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van

academische uitwisseling is nog steeds kenmerkend voor

de universiteiten. Ook vandaag nog zit hij in het dna van

universiteiten in Europa en de rest van de wereld, een dna

waarmee het model van de universiteit alle crisissituaties

door de eeuwen heen heeft weten te overleven.

We kunnen stellen dat de meeste universiteiten het goed

doen in hun rol als voornaamste actoren van het hoger

onderwijs in Europa en de rest van de wereld. Nog steeds

gebaseerd op hun tradities vervullen ze de belangrijke

taken van het opleiden van studenten en het verrichten van

onderzoek in hun respectieve landen. Er bestaan netwerken

tussen instellingen, hun academici en studenten op

Europese schaal en mobiliteit is steeds nog een belangrijk

element. Europese subsidies stimuleren deze samenwerking

bijvoorbeeld door uitwisselingsprogramma’s zoals

Erasmus en door Europese financiering voor onderzoek

in het kader van programma’s als Horizon en ERC (European

Research Council). Een gevoel van routine, weten

hoe we het meeste uit Europa kunnen halen, heeft zijn

intrede gedaan.

Tegelijkertijd zien we dat het universitaire model onder

druk komt te staan. Niet alleen de nasleep van de Brexit en

de consequenties van de coronapandemie spelen hierbij

een rol, maar zeker ook de opmars van het populisme in

Europa, waardoor steeds meer mensen de universiteiten als

Een gevoel van routine,

weten hoe we het meeste

uit Europa kunnen halen,

heeft zijn intrede gedaan

12


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

elitair zijn gaan beschouwen, ver weg van de behoeften van

de ‘gewone’ mensen.

Frisse lucht

Het kwam als een stoot frisse lucht in het hoger onderwijs

toen de Franse president Emmanuel Macron in 2017 een

toespraak (nota bene aan de Sorbonne) gebruikte om zijn

visie op een nieuwe Europese universiteit aan de orde te

stellen en het Europese universiteitslandschap hiermee

uitdaagde. Zijn kernboodschap klonk als een oproep tot

een nieuwe start, of op zijn minst een ‘rebranding’ van het

Europese concept van de universiteit: ‘Ik geloof dat we

Europese universiteiten moeten creëren: een netwerk van

universiteiten in heel Europa met programma’s die al hun

studenten in het buitenland laten studeren en in ten minste

twee talen les laten volgen. Deze Europese universiteiten

zullen ook de drijvende kracht zijn achter onderwijsinnovatie

en het streven naar excellentie. We moeten ons ten

doel stellen om er tegen 2024 minstens twintig te hebben

opgericht. We moeten al in het volgend academisch jaar

beginnen met de oprichting van de eerste van deze universiteiten,

met echte Europese semesters en echte Europese

diploma’s.’

Gedurfde politieke verklaringen kunnen natuurlijk overweldigend

zijn, maar met de nodige voortvarendheid

gaf de Europese Commissie gehoor aan deze oproep.

Ze ontwikkelde een programma met een verzoek – niet

aan individuele universiteiten, maar aan allianties van zes

tot acht deelnemende universiteiten – om met ideeën en

concepten te komen voor de oprichting van deze Europese

universiteiten van de toekomst. In het begin ging ze ervan

uit dat ongeveer zes van deze nieuwe allianties financiering

zouden ontvangen, maar iedereen, waarschijnlijk zelfs ook

de Europese Commissie, was overdonderd door de respons.

Er kwamen maar liefst 54 aanvragen van allianties binnen

voor evaluatie; uiteindelijk verdeelde de Commissie het

beschikbare bedrag van 85 miljoen euro over zeventien allianties,

voor een periode van in beginsel drie jaar.

Zijn kernboodschap

klonk als een oproep

tot een nieuwe start,

of tot een ‘rebranding’

Hieruit bleek op een overtuigende manier dat de visie van

de Europese universiteit nog steeds springlevend is. De actie

leverde een fascinerende waaier op van ideeën en concepten,

moonshots en innovatieve plannen. Het was een echte

ideeënwedstrijd over de vraag hoe we ook de uitdagingen

waarmee het hoger onderwijs zich nog steeds geconfronteerd

ziet het best kunnen aanpakken: bureaucratie, onderfinanciering

en ongelijkheid (bijvoorbeeld tussen oude en

nieuwe lidstaten). Last but not least was het de ambitie en

de gemeenschappelijke noemer van alle allianties om de

ivoren toren op Europese schaal te verlaten.

De voorgestelde programma’s zijn fascinerend en divers,

met concepten voor open cursussen, virtuele campusmodellen

(die goed van pas kwamen toen de coronapandemie

toesloeg), betrokkenheid van burgers, gemeenten en regio’s,

vergroting van de inzetbaarheid en connectiviteit tussen

universiteiten en de publieke en private sector.

Het enthousiasme over dit alles was zo groot dat een tweede

oproep nog meer allianties opleverde, wat het totaal op

41 bracht, met bijna driehonderd deelnemende Europese

universiteiten. We kunnen het dus met recht als een groot

succes beschouwen.

Nieuwe elite

Zoals elk groot innovatief idee

stuitte het concept op kritiek

en kreeg te kampen met

een aantal struikelblokken

Het succes van dit Erasmusprogramma is inderdaad opmerkelijk.

Het is prijzenswaardig dat de Europese Commissie

de bestaande allianties verder zal begeleiden, hun ideeën

zal evalueren en zelfs plannen heeft om de financiering in

de komende jaren voort te zetten met een hoger budget en

over een langere periode. Dit is zeker nodig, want voor het

verwezenlijken en het tonen van de doeltreffendheid van

de door de allianties uitgesproken ambities is tijd nodig.

Tegelijkertijd was het geen verrassing dat het concept van de

Europese universiteit, zoals elk groot innovatief idee, ook op

kritiek stuitte en mettertijd te kampen kreeg met een aantal

struikelblokken – of, in medische termen, bijwerkingen –

die bij elke start van een nieuw en innovatief programma

optreden.

13


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Vanzelfsprekend kunnen we kritische kanttekeningen

maken. Een daarvan betreft de exclusiviteit: hoewel een

groot aantal universiteiten aan het programma deelneemt,

gaat het nog steeds maar om ongeveer 5 procent van alle

Europese universiteiten. Zou dit kunnen leiden tot een

nieuw tweeklassensysteem met een nieuwe groep Europese

elite-universiteiten, wat ingaat tegen de geest van Europese

inclusiviteit, equality en equity?

De Nederlandse minister van Onderwijs, Ingrid van Engelshoven,

uitte haar bezorgdheid in een brief aan het parlement

als volgt: ‘Nederland heeft aangegeven dat de status

van ‘Europese universiteit’ geen doel op zichzelf is en dat

de noodzaak van door het initiatief beoogde innovaties vooropstaat.

In dat kader moet worden gewaakt voor het creëren

van een elitestatus voor een selecte groep instellingen voor

hoger onderwijs.’ Deze bezorgdheid is uiteraard begrijpelijk,

maar miskent tegelijkertijd ook de realiteit, aangezien

het initiatief voor een Europese universiteit juist een dwarsdoorsnede

van de hele Europese hogeronderwijssector

heeft laten zien, waarbij veel van de gefinancierde projecten

niet naar de usual suspects gaan, de zogenoemde ‘leading’

of topuniversiteiten, maar ook naar regionale universiteiten,

gespecialiseerde instellingen en hogescholen. De diversiteit

van de instellingen is opvallend en uit de resultaten

blijkt dat de beoordelingscommissie de beste ideeën heeft

beloond en niet te veel nadruk heeft gelegd op status en

reputatie als primair kenmerk. Dit alleen al is een grote verbetering

ten opzichte van het ‘rankingfetisjisme’ dat soms

in het hoger onderwijs en in politieke kringen de boventoon

voert. Het resultaat van de wedstrijd, in de geest van differentiatie

en diversificatie, onderstreepte ook op indrukwekkende

wijze dat er geen one size fits all-concept bestaat

voor universiteiten, die verschillende rollen kunnen spelen

op regionaal, nationaal en internationaal niveau. Tot slot

maakte de exercitie duidelijk dat er een verschil bestaat

tussen universiteiten in Europa en Europese universiteiten.

Onvoldoende brandstof

Andere kritische geluiden komen meer vanuit de allianties

en hebben betrekking op de financieringssituatie. Hoewel

alle gefinancierde allianties de uitdaging van het ‘grote idee’

met lef zijn aangegaan, bleek de subsidie ontoereikend om

de plannen effectief te verwezenlijken. In bijna alle gevallen

waren de universiteiten genoodzaakt extra middelen voor

het project beschikbaar te stellen, wat je een uitdaging kunt

noemen in een situatie waarin zij onder druk staan van

andere factoren, zoals de aanhoudende pandemie. Je zou bij

wijze van spreken kunnen zeggen dat de instellingen zijn

aangemoedigd om een mooie raceauto te bouwen, maar

niet genoeg brandstof hebben gekregen om ermee de wedstrijd

in te gaan. Gelukkig heeft de Europese Commissie

op deze signalen gereageerd en is zij niet alleen van plan

de financiering voor het initiatief te verhogen, maar ook

de financieringsperiode te verlengen. De plannen van de

allianties vereisen per slot van rekening een perspectief op

langere termijn om duurzame veranderingen te realiseren.

Er is nog een financiële kwestie die tot problemen heeft

geleid: de extra financiële steun van de nationale regeringen.

Hoewel de Europese Commissie verwachtte en

stimuleerde dat de nationale regeringen de deelnemende

universiteiten zouden meefinancieren, is de reactie hierop

nogal wisselend geweest. Sommige landen, zoals Duitsland,

hebben diep in de buidel getast en aanzienlijke cofinancieringen

verstrekt, andere niet. Interessant is dat er geen correlatie

is met het bbp van de landen in kwestie, aangezien

rijke landen zoals Nederland tot nu toe het initiatief niet

meefinancieren, terwijl andere landen die het economisch

moeilijker hebben wel dergelijke middelen verstrekken.

De reden voor deze verschillen in betrokkenheid is dan ook

waarschijnlijk niet de financiële situatie van een bepaald

land, maar de bezorgdheid dat ‘Europa’ zich te veel mengt

met nationale strategieën en beleid voor het hoger onderwijs.

Het zou dan ook wenselijk zijn dat de deelname van de

lidstaten aan het initiatief vóór de volgende financieringsronde

vooraf duidelijk wordt, om een onevenwichtige situatie

en verdere ongelijkheid te voorkomen. Het initiatief kan

alleen op Europese schaal succesvol zijn als het een gelijk

speelveld creëert.

Deze bezorgdheid over nationaal protectionisme vormt een

potentiële hinderpaal voor de verdere ontwikkeling van het

idee van de Europese universiteit. Natuurlijk is het vanuit

het perspectief van een land begrijpelijk om sceptisch te

zijn over het idee dat ‘Europa’ met een betrekkelijk gering

bedrag het nationale onderwijsbeleid beïnvloedt. Aan de

andere kant is het essentieel om wettelijke belemmeringen

op nationaal niveau te bespreken en eventueel weg te

nemen, om de visie te realiseren van het creëren van een

gelijk speelveld voor Europese universiteiten met vergelijkbare

normen en regels, echte Europese graden en echt vrij

verkeer, voor iedereen.

Het is goed om te zien dat de Europese Commissie deze

kwestie begrijpt en overleg is begonnen om enkele van de

struikelblokken weg te nemen. Het is te hopen dat ook alle

Het initiatief kan alleen

op Europese schaal

succesvol zijn als het

een gelijk speelveld creëert

14


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

lidstaten openstaan voor deze discussies en dat ze sommige

van de belemmeringen op een praktische manier

kunnen wegnemen.

Duurzame innovatie

Tot slot is het van belang goed na te denken over het

gewenste resultaat en de duurzame impact van het project.

Het moet in ieder geval duidelijk zijn dat er meer uit moet

komen dan een glimmend bord ‘Europese universiteit’

bij de ingang van de instelling, vooral bedoeld voor public

relations, het vergroten van de reputatie en de positie in

ranglijsten. Dat zou inderdaad een nieuw spookbeeld van

elitarisme creëren. Het is belangrijker om de gewenste

toekomst en het beoogde resultaat goed voor ogen te

houden. Wat we met het Europese universiteitsproject

willen bereiken, is duurzame innovatie die het hele hoger

onderwijs in Europa ten goede komt. Maar hoe realiseren

we een gezonde balans tussen nationale en internationale

behoeften? Wat betekent dit voor de nu gefinancierde allianties?

Komt er een nog bredere verdeling (of verdunning)

van middelen, bijvoorbeeld door nog meer allianties toe te

voegen? Of komt er een evaluatie van de bereikte resultaten,

wat zou kunnen betekenen dat sommige allianties op basis

van de analyse geen verdere financiering krijgen en andere

zelfs meer geld?

Naar mijn mening zouden er vooral een verzameling en

een analyse moeten komen van door de allianties geteste

en bewezen best practices, en ook een evaluatie van wat

níét heeft gewerkt. Deze ervaringen zou je dan kunnen

opnemen in het bredere hogeronderwijsbeleid op Europees

niveau, wat alle universiteiten in Europa ten goede

zou komen. En ten slotte moeten we een gepast antwoord

vinden op het oorspronkelijke idee van Macron. Wat zou het

betekenen als we (een klein aantal?) echte Europese universiteiten

oprichtten en wat zouden dan de gevolgen zijn in

termen van structuur, bestuur en financiering? Een dergelijk

model of een ambitieus pilotprogramma zou in ieder

geval een Europees juridisch statuut vereisen, plus een aanzienlijke

financiering door de Europese Unie die veel verder

In het Europa van vandaag

klagen we graag over

regels, over bureaucratie

en soms ook over ‘Brussel’

We staan dus op een

kruispunt en moeten

beslissen hoe we dit

experiment voortzetten

zou gaan dan de huidige financiële middelen voor de allianties.

Maar deze oplossing zou ongetwijfeld weer verwijten

van Europees elitarisme en een speeltje van de happy few

kunnen oproepen, waarover velen zich zorgen maken.

We staan dus op een soort kruispunt en moeten beslissen

hoe we dit experiment voortzetten. Als een model van een

grote universitaire gemeenschap die zichzelf als echt Europees

beschouwt, zonder de middelen om echt duurzame

veranderingen teweeg te brengen? Of moeten we de radicalere

keuze maken om een kleine groep speciaal gefinancierde

universiteiten met een Europees statuut in het leven

te roepen, die als proeftuin kan fungeren en waarmee we

kunnen experimenteren hoe we het Europese landschap ten

goede kunnen veranderen? Misschien ligt de verstandigste

aanpak wel tussen deze twee uitersten in. Een mogelijke

oplossing: creëer een groep van experimentele Europese

universiteiten die nieuwe modellen van grensoverschrijdend

onderzoek en onderwijs op Europese schaal ontwikkelen

en best practices definiëren die in een tweede stap het

hele academische landschap ten goede komen.

Europese geest

In het Europa van vandaag klagen we graag over regels, over

bureaucratie en soms ook over ‘Brussel’, maar de hierboven

genoemde problemen en kritiekpunten mogen niet verhullen

dat het idee van een Europese universiteit nog steeds

iets is waarmee we ons moeten bezighouden. En dit niet

alleen vanwege onze geschiedenis en tradities, maar ook

omdat onze concurrentie niet in een ander Europees land

te vinden is, maar in een mondiale context. Sterke universiteiten

wedijveren om de beste talenten en naast de academische

powerhouses in de Verenigde Staten ontwikkelen zich

sterke academische clusters in andere regio’s van de wereld,

zoals in Azië. Daarom is het belangrijk dat wij ons er samen

voor inzetten de Europese geest en de kracht van de Europese

universiteit als unique sellingpoint in deze discussie in

te brengen.

15


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Maar dit betekent ook dat we samen het model verder

moeten ontwikkelen, om klaar te zijn voor de toekomst

en veerkrachtig te blijven. In het huidige geopolitieke

klimaat trekken sommigen de academische vrijheden en

privileges zoals universitaire autonomie steeds meer in

twijfel, met soms alarmerende gevolgen – zelfs in Europa:

je hoeft alleen maar te denken aan de verhuizing van de

Centraal-Europese Universiteit van Boedapest naar Wenen,

gedwongen door de Hongaarse politiek. Minder dramatisch,

maar niet minder alarmerend zijn de tendensen om universiteiten

en academische instellingen te classificeren als

onderdeel van een elite die ver van de samenleving staat en

die je moet bestrijden. In tijden waarin nepnieuws en alternatieve

feiten steeds meer deel uitmaken van onze samenleving

is het naar mijn idee noodzakelijk dat universiteiten

deze gebeurtenissen niet passief gadeslaan, maar naar hun

Europese tradities een actieve rol spelen in de samenleving.

Het academisch denken, het zoeken naar de waarheid, het

streven naar kwaliteit in onderzoek en onderwijs en het

wetenschappelijk discours zijn basisvereisten die we niet

mogen onderwerpen aan politieke, ideologische of geografische

grenzen. Dit betekent dat wij, als Europese universiteiten,

de uitdagingen van onze omgeving moeten aangaan, in

plaats van er louter op te reageren.

In dit verband moeten we ons afvragen in hoeverre eliteonderwijs

nog een hedendaagse taak is. Naar mijn mening

zijn termen als uitmuntendheid, kwaliteit en talentgerichtheid

veel beter geschikt om de aanspraak van de moderne

universiteit op de maatschappij te beschrijven, een maatschappij

waarin universiteiten niet langer alleen toegankelijk

zijn voor de happy few. Naast onze traditionele rol in

onderzoek en onderwijs moeten we ons ook meer openstellen

voor maatschappelijke kwesties, zonder de academische

vrijheid in te perken. Vragen in verband met duurzaamheid,

klimaatverandering, de impact van digitalisering, het

veiligstellen van de levenskwaliteit, de politieke toekomst

van Europa in een mondiale context: het zijn vragen die we

wetenschappelijk moeten beantwoorden en waarvoor we

onze ogen niet mogen sluiten. Maatschappelijke impact is

Dit betekent dat wij

de uitdagingen moeten

aangaan, in plaats van

er louter op te reageren

niet alleen een modewoord, maar ook een uitdaging voor

ons. Dit geldt in het bijzonder voor onze studenten, die

wij moeten opleiden voor een toekomst in een Europa in

transitie, waarin zij een rol kunnen spelen als Europese

en mondiale burgers. Om dit te bereiken is het niet alleen

belangrijk om terug te keren naar de wortels, de basisidealen

en -waarden van de Europese universiteit, maar ook

om over de grenzen heen te netwerken met gelijkgestemde

instellingen in andere Europese landen. Op die manier

kunnen we niet alleen een belangrijke bijdrage leveren aan

onze eigen institutionele duurzaamheid, maar ook aan het

toekomstperspectief van de samenleving in een gezonde en

toekomstbestendige Europese context.

Als wij samen aan dit profiel kunnen werken, zullen wij

als academische instellingen niet alleen een brede impact

hebben, maar ook het imago van elitarisme kunnen vervangen

door de geest van saamhorigheid, waarbij we leren van

onze fouten uit het verleden en een Europees model van

hoger onderwijs creëren dat aantrekkelijk en concurrerend

zal zijn in een mondiale context. De Universiteit Maastricht,

die ik de afgelopen tien jaar heb mogen leiden, gaat deze

uitdaging samen met haar partners in Europa zeker aan.

Om dit vanbinnen en vanbuiten zichtbaar te maken heeft

zij zichzelf met haar nieuwe strategische programma gedefinieerd

als dé Europese universiteit van Nederland. Niet

in de geest van exclusiviteit, maar in de hoop dat anderen

zullen volgen.

We moeten ons openstellen

voor maatschappelijke kwesties,

zonder de academische

Martin Paul

was sinds 2011 voorzitter van het college van bestuur van

Maastricht University. Vanaf 1 november dit jaar is hij rectorvoorzitter

van de Ruhr-University Bochum in Duitsland

vrijheid in te perken

16


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

De internationale samenwerking binnen het European Universities Initiative leidt tot nieuwe ontwikkelingen.

Die brengen vragen met zich mee voor hogescholen en universiteiten. Tijd dus voor allianties, instellingen,

organisaties en de overheid om verder met elkaar in gesprek te gaan, schrijven Sophie Duijser en Marianne

van Exel van het Nederlandse ministerie van Onderwijs.

Leren van elkaars ervaringen

Werken aan kwaliteit en inclusiviteit

Sophie Duijser & Marianne van Exel

Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap, Den Haag

I

n haar visiebrief ‘Internationalisering in evenwicht’ 1

onderstreepte minister van Onderwijs, Cultuur

en Wetenschap (OCW) Ingrid van Engelshoven in

2018 het belang van de komst van netwerken van

Europese universiteiten (transnationale allianties tussen

hogeronderwijsinstellingen). Van Engelshoven sprak over

de nieuwe kansen die zich hiermee voordoen in het hoger

onderwijs. De Europese universiteiten hebben een voortrekkersrol

en het ministerie ondersteunt het initiatief op

nationaal en internationaal vlak. De bottom-upbenadering,

de ruimte voor praktijkgericht onderzoek, de inclusieve en

gebalanceerde mobiliteit en de functie van proeftuin zijn

belangrijke componenten van het initiatief voor Nederland.

Inmiddels zijn er in Nederland in totaal dertien hogescholen

en universiteiten die eraan deelnemen en hun ontwikkelingen

zijn in volle gang.

Het European Universities Initiative is een van de grootste

plannen om de Europese Hogeronderwijsruimte op te

bouwen om zo de kwaliteit en inclusiviteit van het Europese

hoger onderwijs te verbeteren. Dit is een van de doelstellingen

van het Bolognaproces, gestart in 1999, waarbij de

Europese overheden overleggen over hervormingen van

het hoger onderwijs. De overheden verklaren de Bologna-instrumenten

(gradenstructuur, studielast en kwalitatief

hoogwaardig onderwijs) zo veel mogelijk te implementeren

in hun hoger onderwijssysteem. Een toekomstbestendige

sturing op de toegankelijkheid, kwaliteit en doelmatigheid

van nationale systemen vereist het doordenken van deze

principes in Europese context. Ze proberen de obstakels

voor een Europese ruimte voor hoger onderwijs te

voorkomen of weg te nemen. Momenteel staat er bij het

Bolognaproces en bij de Europese Commissie een aantal

ontwikkelingen hoog op de agenda, zoals een Europese routekaart

voor microcredentials, de komst van een Europese

graad en van de Europass, en de ontwikkeling van Europese

universiteiten.

Totstandkoming

Het European Universities Initiative ontstond op de top

van Europese leiders in Göteborg (2017), nadat de Franse

president Emmanuel Macron het idee voor het eerst had

verwoord. Sindsdien jaagt de Europese Commissie de

totstandkoming van Europese universiteiten aan. Dit doet

ze door het subsidiariteitsbeginsel na te leven ter bescherming

van de bevoegdheden van en in samenwerking met

de lidstaten, instellingen en andere stakeholders. De Europese

Commissie stelt voor de Europese universiteiten

financiële ondersteuning beschikbaar vanuit Erasmus+

en Horizon. Ze is voornemens over te gaan tot verdere

subsidieverstrekking (restricted call for proposal) voor de

komende jaren voor de allianties. Het doel is dat op termijn

10 procent van het Europese hogeronderwijsveld

deelneemt aan het initiatief. Deze doelstelling kan ze behalen

door enerzijds allianties te stimuleren om hun netwerk

uit te breiden en anderzijds nieuwe partnerschappen te

laten toetreden.

17


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Het is belangrijk voor de ontwikkeling van het hoger onderwijs

dat door deze bottom-upnetwerken kansen voor Nederlandse

instellingen ontstaan. Speerpunten daarbij zijn dat

de netwerken toegevoegde waarde hebben en dat er sprake

is van goede geografische spreiding. Europese universiteiten

leiden onder meer een nieuwe generatie studenten op.

Dit zijn studenten die over grenzen en disciplines heen en in

verschillende talen kunnen samenwerken om maatschappelijke

problemen en tekorten aan vaardigheden in Europa aan

te pakken. Ook streeft het initiatief naar betere onderzoeksen

onderwijsloopbanen. In Nederland zijn zowel universiteiten

als hogescholen aangesloten en participeren instellingen

als partner of coördinator binnen hun allianties.

Flexibele inborst

Het initiatief is sinds de start volop in ontwikkeling geweest.

De onverwachte omstandigheden die de coronacrisis met

zich meebrengt hebben hun weerslag op deze ontwikkeling.

Toch zei ruim 60 procent van de instellingen in heel Europa

in een in 2020 uitgestuurde enquête baat te hebben gehad

van deelname aan een Europese universiteit om de uitdagingen

van de coronacrisis aan te gaan. Een voorbeeld hiervan is

de versnelling van processen door de digitale samenwerking

en een versnelling van het beoogde hybride onderwijsplan.

Dit toont de flexibele inborst van de Europese universiteiten.

Een ander belangrijk uitgangspunt van het hoger onderwijs

is dat iedere student internationale ervaring kan opdoen.

Op dat vlak bieden de Europese universiteiten studenten

fysieke en virtuele mobiliteit. De lessen die instellingen hieruit

kunnen trekken bieden waardevolle informatie voor de

rest van het onderwijsveld. Interessant zou zijn of het initiatief

de drempel kan helpen verlagen die sommige studenten

ervaren om internationale ervaringen op te doen, bijvoorbeeld

door nauwe samenwerkingen met de alliantiepartners

te onderhouden en hybride onderwijs mogelijk te maken.

De Europese universiteiten kunnen ontwikkelingen in

het huidige beleid in gang zetten en experimenteren met

nieuwe onderwijsvormen, diversiteit en samenwerking, het

toegankelijk maken van kennis, het versterken van Europese

waarden en het komen tot waarden die passen binnen

de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen. De ontwikkelingen

in het onderwijs dankzij de mooie samenwerkingen die

zijn ontstaan, brengen ook vragen voor ons hogeronderwijsstelsel

met zich mee.

In gesprek

In dit kader vond op 27 mei 2021 een nationale bijeenkomst

plaats over de Europese universiteiten. Het doel van de bijeenkomst

was om met elkaar in gesprek te gaan en te leren

van de ervaringen die de verschillende allianties hadden

opgedaan. Naast het ministerie van OCW en de dertien

deelnemende samenwerkingsverbanden waren hierbij de

Europese Commissie, de de NVAO (Nederlands-Vlaamse

Accreditatieorganisatie), de Commissie Doelmatigheid

Hoger Onderwijs, de Vereniging Hogescholen en de Vereniging

van Universiteiten aanwezig. In de bijeenkomst

kwamen kansen en uitdagingen van de deelnemende instellingen

aan bod op het gebied van de Europese aanpak voor

kwaliteitszorg, macrodoelmatigheid, bekostiging, Europese

samenwerking en wetgeving, en graadverlening.

Aanpak kwaliteitszorg

De vraag die bij het gesprek over de Europese aanpak voor

kwaliteitszorg aan de orde kwam, was of de European

Approach for Quality Assurance of Joint Programmes 2

(hierna: European Approach) voldoende uitkomst biedt voor

de benodigde kwaliteitszorg van een consortium. De European

Approach is bedoeld voor de kwaliteitsborging van

internationale gezamenlijke programma’s. Deze maakt het

mogelijk om op basis van één kwaliteitsbeoordeling accreditatie

in alle landen van de Europese Hogeronderwijsruimte

te verkrijgen waar accreditatie verplicht is. 3 Nederlandse

opleidingen die ook in andere landen worden aangeboden,

krijgen vaak te maken met verschillende nationale accreditatievereisten.

Dit kan een belemmering vormen voor de totstandkoming

van gezamenlijke opleidingen, terwijl dit in het

kader van internationalisering goede ontwikkelingen zijn.

Om deze obstakels het hoofd te bieden hebben de ministers

van de Europese Hogeronderwijsruimte in 2015 de European

Approach aangenomen. Deze Europese aanpak bestaat

uit één kader met daarin de standaarden en werkwijze voor

de beoordeling van internationale gezamenlijke opleidingen.

Instellingen in verschillende landen verzorgen de opleiding.

Hiervoor kunnen ze zowel een gezamenlijk diploma als twee

of meerdere diploma’s uitreiken. Alle kwaliteitszorgorganisaties

die zijn opgenomen in EQAR, het Europese register van

kwaliteitszorgorganisaties, kunnen met behulp van dit kader

beoordelingen van gezamenlijke opleidingen uitvoeren.

Macrodoelmatigheid

Op de bijeenkomst stond ook de vraag centraal hoe je de

internationale dimensie van het hoger onderwijs beter zou

De omstandigheden

rond de coronacrisis

hebben hun weerslag

op deze ontwikkelingen

18


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

kunnen belichten in het macrodoelmatigheidsbeleid. Waar

in Nederland de toetsing van de macrodoelmatigheid van

een nieuwe opleiding een standaardprocedure is voorafgaand

aan de beslissing om die opleiding al dan niet te

bekostigen, is dit in de rest van de Europese Unie niet het

geval (met uitzondering van Vlaanderen en Denemarken).

In Nederland adviseert de Commissie Doelmatigheid Hoger

Onderwijs over aanvragen van nieuwe opleidingen en bekijkt

ze de aansluiting op de arbeidsmarktbehoefte en de maatschappelijke

behoefte. Hierbij vormt de nationale arbeidsmarkt

het uitgangspunt. In de Regeling macrodoelmatigheid

hoger onderwijs uit 2018 4 is de internationale dimensie

van de arbeidsmarkt meer geïntegreerd, waardoor er meer

ruimte is voor nieuwe opleidingen om de meerwaarde van

de opleiding voor zowel de nationale als de internationale

arbeidsmarkt toe te lichten. Op de bijeenkomst benadrukten

de Europese universiteiten de sterke internationale maar ook

nationale en regionale oriëntatie van het onderwijs dat zij

ontwikkelen en de algemene waardering van deze ambities

binnen de kaders van macrodoelmatigheid.

Nationale bekostiging

De bekostiging van de Europese universiteiten betreft

een financiering vanuit het Erasmus+-programma en

eventuele aanvullende subsidie vanuit Horizon. Nationale

bekostiging betreft daarnaast de reguliere bekostigingssystematiek.

Onder meer op basis van het aantal studenten

dat staat ingeschreven bij een Nederlandse bekostigde

instelling ontvangen Nederlandse hogeronderwijsinstellingen

hun jaarlijkse lumpsumbijdrage. Een instelling heeft

ook de mogelijkheid om een deel van de rijksbijdrage toe

te kennen aan de ontwikkelingen voor de Europese universiteit;

dat past binnen de bestedingsvrijheid van de lumpsum.

In opdracht van de Europese Commissie vindt er

momenteel onderzoek plaats naar de verschillende bekostigingsmethoden

binnen de aangesloten landen van de allianties.

De resultaten hiervan staan gepland voor eind 2021.

Europese samenwerking en nationale wetgeving

In lijn met de bottom-upstructuur is de onderlinge samenwerking

van de Europese universiteiten de motor om de

gestelde ambities waar te maken. Daarnaast dragen de

overlegstructuren, onder andere centraal vanuit de Europese

Commissie georganiseerd, bij aan de discussie over

de horizon van het initiatief. In deze overleggen vinden

gesprekken plaats over de voortgang, de evaluatie en de

toekomst van het initiatief. Een belangrijke focus hierbij is

ook de kennisdeling (bijvoorbeeld de uitwisseling van good

practices) met het overgrote deel van het veld dat geen deel

uitmaakt van het initiatief. Voor veel lidstaten biedt het initiatief

de gelegenheid om het stelsel te moderniseren. Denk

hierbij aan flexibilisering, maar ook aan opvolging van de

Bologna-afspraken. Discrepanties tussen lidstaten en hun

wet- en regelgeving zorgen voor uitdagingen. Het doel is

dus om onnodige procesverschillen in Europa te verhelpen,

zonder daarbij de belangen van het nationale hoger onderwijs

als geheel uit het oog te verliezen.

Een ontwikkeling als deze brengt dus ontwikkelingen,

oplossingen maar ook nieuwe vragen over ons hogeronderwijsstelsel

met zich mee. Zo denken de Europese

Commissie en de lidstaten in lijn met dit initiatief na over

de toekomstige Europese arbeidsmarkt en een evenwichtige

verdeling van kennis, en spreken deze partijen en de

Europese universiteiten over een Europese graad, nieuwe

onderwijsvormen, de economische en sociale impact, het

toegankelijk houden van onderwijs, uitwisseling, diversiteit

en samenwerking. Om het hoger onderwijs in Nederland

blijvend te innoveren is het van belang om bij de signalering

van knelpunten met elkaar in gesprek te blijven gaan,

om zo naar mogelijke oplossingen te zoeken voor een kwalitatief

hoogwaardig en flexibel hoger onderwijs.

Laagdrempelig benaderbaar

Ook komend jaar zullen wij betrokken zijn bij gezamenlijke

sessies voor kennisdeling met de verschillende partijen.

Daarnaast hebben we de deelnemers opgeroepen om bij

vragen of het signaleren van knelpunten tussentijds contact

op te nemen met het ministerie. Tot slot hebben de

NVAO en de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs

gezegd dat instellingen hen ook laagdrempelig kunnen

benaderen met vragen over de European Approach of over

macrodoelmatigheid.

Sophie Duijser

is beleidsmedewerker Internationalisering hoger onderwijs bij het

ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap

Marianne van Exel

is senior beleidsmedewerker Governance & (Europese)

Kwaliteitszorg hoger onderwijs bij het ministerie van Onderwijs,

Cultuur & Wetenschap

Noten

1 OCW (2018). Visiebrief ‘Internationalisering in evenwicht’. Kamerstukken II 2017/18,

22452, nr. 59.

2 www.eqar.eu/kb/joint-programmes/

3 www.nvao.net/nl/european-approach-for-quality-assurance-of-joint-programmes

4 www.rijksoverheid.nl/documenten/regelingen/2018/06/20/

regeling-macrodoelmatigheid-hoger-onderwijs

19


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Betrokkenen bij vier allianties vertellen waarom de initiatieven die zij samen met hun Europese partners ontplooien

van belang zijn voor het hele onderwijsveld, in Nederland en daarbuiten. ‘Het European Universities Initiative heeft alle

kenmerken van een wereldwijde gamechanger.’

Ongekende kansen voor het hoger

onderwijs

De kracht van Europese samenwerking

Olga Wessels, Sander Lotze, Anouk Tso, Daniela Trani, Veronique Eurlings, Magdalena Kohl & Mervin Bakker

Universiteit Twente, Universiteit van Amsterdam, Maastricht University, Rijksuniversiteit Groningen

V

oor het Nederlandse hogeronderwijs- en kennisveld

is het European Universities Initiative een logisch

vervolg op de nauwere samenwerkingsverbanden

die universiteiten en hogescholen in de afgelopen

jaren zijn aangegaan.

Het initiatief lijkt op het eerste gezicht vergelijkbaar met

het Strategisch Partnerschap uit het Erasmus+-programma,

maar is ambitieuzer en gericht op het institutionaliseren

van samenwerking op Europees niveau, met als doel impact

voor de lange termijn op het gebied van onderzoek, valorisatie,

onderwijsinnovatie en kenniscirculatie. Zo zorgt

het voor inbedding van het werken over landsgrenzen,

disciplines en culturen in de deelnemende instellingen.

Studenten krijgen meer kansen om in Europa kennis op te

doen met een Europees en flexibel curriculum. Daarnaast

kunnen docenten en onderzoekers makkelijker samenwerken

met Europese collega’s en andere maatschappelijke en

businesspartners.

Emmanuel Macron stelde het initiatief voor in zijn Sorbonne-toespraak

in 2017. 1 De Europese Raad, bestaande uit

regeringsleiders onder wie Mark Rutte, bejubelde het later

dat jaar. De Raad pleitte voor een versterking van Europese

universiteitsnetwerken om het studenten makkelijker te

maken studies van verschillende Europese hogeronderwijsinstellingen

te combineren en om de instellingen in

hun algemeenheid sterker te maken. 2 Na een competitief

selectieproces ontvingen de eerste instellingen in 2019 een

financiering van 5 miljoen euro voor het leggen van de basis

van hun Europese universiteitsalliantie. 3 Vanuit Nederland

zijn er inmiddels dertien instellingen bij betrokken.

Het European Universities Initiative heeft alle kenmerken

van een wereldwijde gamechanger. Het initiatief is niet

alleen op wereldniveau uniek, waarbij andere landen en

netwerken met grote interesse naar deze ontwikkeling

kijken, het zorgt er bovenal voor dat studenten zich beter

kunnen voorbereiden op het ontwikkelen van duurzame

oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken die

Europese samenwerking nodig hebben. Bovendien dragen

Het zorgt voor inbedding

van het werken over

landsgrenzen, disciplines

en culturen heen

20


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

Deze inclusiviteit is

belangrijk voor

het dichten van de

huidige skills gaps

mobiliteit, de innovatieve onderwijsformats en de ontwikkelingen

op het gebied van microcredentials, een Europees

diploma, kwaliteitszorg en meertaligheid van studenten.

Aangezien de resultaten van de samenwerkingen van groot

belang zijn voor onderwijsinstellingen in heel Europa, delen

de allianties ze met het gehele Europese onderwijsveld.

Ze bieden kans om de Bologna-afspraken te realiseren,

regelgeving te harmoniseren, onderwijssamenwerking te

vergemakkelijken, innovatieve onderwijsvormen te testen,

een bredere aansluiting met de maatschappij te realiseren,

kortom, om een sterker en inclusief onderwijs- en onderzoekstelsel

te ontwikkelen dat bijdraagt aan kenniscirculatie.

Niet enkel de dertien aangesloten instellingen, maar het

Europese universiteiten bij aan meer kenniscirculatie, aan

quadruple helix-ontwikkelingen die zorgen voor innovatieve

ecosystemen en aan een evenwichtigere internationalisering,

niet alleen voor studenten maar ook voor staf en

burgers. Zij kunnen ideeën, modellen en technieken van

andere bedrijven, sectoren of landen in Europa ophalen

en delen in Nederland, en vice versa. Het initiatief biedt zo

ongekende kansen voor het hele Nederlandse onderwijsveld

en daarbuiten.

Europese universiteiten zijn expliciet bedoeld voor iedereen

die wil (blijven) leren. Deze inclusiviteit voor alle soorten

lerenden is belangrijk voor het dichten van de huidige skills

gaps en om iedereen de kans te bieden om mee te komen

in de maatschappij. De ontwikkelingen van de wetenschap

gaan razendsnel en Europese universiteiten moeten een

brede disseminatie van deze kennis optimaal faciliteren.

Deze doelstelling sluit naadloos aan bij de Nederlandse

onderwijsagenda.

Concrete resultaten

De pilotfase van de eerste Europese universiteiten is

inmiddels op de helft. De allianties hebben al veel concrete

resultaten geboekt, zoals de innovatieve digitaliseringsontwikkelingen

die zorgen voor flexibele en inclusieve

Ze kunnen kiezen uit

onder meer internationaal

academisch onderwijs

en challenge teams

YUFE, ECIU en EPICUR zijn voorbeelden

van allianties die een virtuele campus hebben

ontwikkeld.

• De YUFE Virtual Campus, sinds november

2020 de interactieve rode draad van de alliantie,

brengt alle YUFE-activiteiten bij elkaar

in een gepersonaliseerde digitale omgeving.

Via dit platform kunnen studenten zich

sinds december 2020 aanmelden en hun

curriculum samenstellen, waarbij ze kunnen

kiezen uit onder meer internationaal academisch

onderwijs (in het Engels of in de

lokale taal van de betreffende universiteit),

fysieke of virtuele mobiliteit, taalonderwijs

en challenge teams, waarbij ze zich samen

met een team van onderzoekers en burgers

bezighouden met het oplossen van lokale of

wereldwijde praktijkvraagstukken. De YUFE

Virtual Campus is vanaf eind 2021 ook

beschikbaar voor staf en burgers.

• De ECIU University heeft in september

2021 een Extended Reality Campus gelanceerd

als onderdeel van het bestaande

digitale ecosysteem: een virtuele campus

die samenwerking faciliteert tussen lerenden,

docenten, onderzoekers en regionale

partners uit heel Europa, alsof ze fysiek bij

elkaar zijn.

• De EPICUR Inter-University Campus

(EIUC), met de geïntegreerde oplossing voor

het volledig digitaal organiseren van alle

EPICUR-mobiliteit en de virtuele campus, is

inmiddels een begrip in Europa. Technologie

helpt zo het leren en werken over grenzen

heen, om studenten, docenten, onderzoekers

en belanghebbenden een digitale omgeving

te bieden voor interactie, creativiteit

en gemeenschapsgevoel.

21


TH MA 4-21

Europese universiteiten

gehele Nederlandse onderwijsveld heeft baat bij deze resultaten.

De volgende voorbeelden illustreren dit.

Digitalisering: nieuwe vormen van mobiliteit

De coronapandemie is een katalysator gebleken voor het

versneld ontwikkelen van nieuwe vormen van virtuele

en hybride mobiliteit. Meer dan 80 procent van de eerste

generatie allianties liet in het voorjaar van 2020 weten dat

zij de gedwongen overstap naar onlineonderwijs hadden

aangewend voor het testen en implementeren van virtuele

en blended mobiliteit. Dit heeft geresulteerd in een

versnelde ontwikkeling van digitale en hybride Europese

campussen, veelal in eigen beheer door universiteiten. Deze

campusstructuren, die voortbouwen op dergelijke integrale

oplossingen voor het toegankelijk maken van academisch

onderwijs, gelden als cruciale infrastructuur voor Europese

universiteiten van de toekomst. Bovendien dragen ze bij aan

inclusievere vormen van mobiliteit, en zetten instellingen

ze in om nieuwe ontwikkelingen zoals de European Student

Card of eID voor studenten en levenslanglerenden te testen.

Onderwijsvernieuwing: probleemgestuurd onderwijs

Een brug slaan tussen onderwijsinstellingen en de maatschappij

is een van de belangrijkste doelen van het European

Universities Initiative. De Europese universiteiten

vertalen probleemgestuurd onderwijs, waarbij studenten

werken aan een vraagstuk uit de praktijk, naar een Europese

schaal. Dit is een vorm van onderwijsvernieuwing die meer

aantrekkelijke onderwijs- en carrièremogelijkheden met

zich meebrengt.

Zo creëren de allianties een Europees ecosysteem tussen

de steden en regio’s van alle partnerinstellingen, waarbij de

regionale maatschappelijke partners van de universiteiten

nauw betrokken zijn. Binnen ENLIGHT ontwikkelen de

Rijksuniversiteit Groningen en de UGent de Global Engagement

Module, waarin studenten van de negen partners

de competenties kunnen verwerven die nodig zijn om te

kunnen bijdragen op de globale arbeidsmarkt en aan de

oplossing van grensoverschrijdende maatschappelijke uitdagingen.

Voor ECIU- en YUFE-studenten geldt dat ze deel

Dit soort onderwijs

regelen op Europees

niveau heeft nogal wat

voeten in de aarde

Het Nederlandse hoger

onderwijs kan hiervoor

waardevolle voorbeelden

en modellen bieden

kunnen uitmaken van Challenge Teams waarin wetenschappers,

ondernemers, professionals en burgers samenwerken

aan het oplossen van maatschappelijke en/of technologische

vraagstukken die van belang zijn voor de lokale economie

en gemeenschap, maar ook daarbuiten toepasbaar zijn.

Het realiseren van probleemgestuurd onderwijs op Europees

niveau heeft nogal wat voeten in de aarde. Digitale

infrastructuur is ook hier van groot belang, samen met

de verspreiding en verdere ontwikkelingen van relevante

didactische aanpakken op een breder niveau in Europa.

Hiervoor kan het Nederlandse hoger onderwijs waardevolle

voorbeelden en modellen bieden. De allianties delen alle

resultaten van de pilots die nu gaande zijn met het Europese

onderwijsveld, waardoor iedereen er een graantje van

kan meepikken.

Europees diploma en microcredentials

Europese allianties bieden studenten een uniek ecosysteem

om flexibelere leerplannen te creëren die gericht zijn op

levenslang en gepersonaliseerd leren. Twee instrumenten

die Europese universiteiten gebruiken en verder ontwikkelen

om deze ambitie te bereiken, zijn het Europese diploma

en microcredentials.

Een Europees diploma maakt een onderwijsstelsel mogelijk

waarin (meer) mobiliteit en innovatieve pedagogiek centraal

staan. Complementaire krachten van verschillende Europese

stelsels en instellingen komen samen in het Europese

diploma, wat resulteert in meer en betere kansen voor alle

studenten en docenten. Zo zal een Europees diploma naast

een nationaal diploma blijven bestaan, maar zal het specifiek

zorgdragen voor erkenning van een binnen Europa

samengesteld onderwijsprogramma. Dat is cruciaal om

kenniscirculatie in Europa en daarbuiten te versterken,

bevestigen ook de conclusies over het European Universities

Initiative dat de Europese onderwijsministers afgelopen mei

hebben aangenomen. 4 De ministers vragen de Europese

Commissie om met een nadere invulling van dit concept te

komen. Duidelijk is al dat het zal gaan om flexibele curricula,

samengesteld door studenten en levenslanglerenden

zelf, onder begeleiding van docenten en mentoren. 5

22


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

Microcredentials zijn een kans om het onderwijs te flexibiliseren

en toegankelijker te maken voor een leven lang leren,

en om de rol van universiteiten beter af te stemmen op

bredere maatschappelijke belangen en noden. De Europese

Commissie werkt nauw samen met de Europese universiteiten

en andere belanghebbenden om een Europees raamwerk

voor microcredentials te ontwikkelen.

ECIU University test microcredentials op grote schaal; zo

werkt de alliantie samen met Europass om credentials in

een Europees competentiepaspoort te kunnen vastleggen.

Ze adviseert de Europese Commissie over het Europees

Kwalificatieraamwerk en ontwikkelt een kader voor de

erkenning van 21ste-eeuwse vaardigheden. Deze ontwikkelingen

zijn van groot belang voor de flexibiliseringskansen

van het onderwijs in Nederland en voor het kunnen faciliteren

van inclusief onderwijs waarbij gepersonaliseerde

curricula mogelijk zijn die ook een brede ontwikkeling

mogelijk maken.

YUFE biedt studenten de kans om gepersonaliseerde curricula

samen te stellen waarbij het niet alleen gaat om het

waarderen van academische prestaties met credentials,

maar ook om het waarderen van de inspanningen van de

student op het gebied van mobiliteit, het leren van talen,

of professionele training zoals het volgen van een stage of

vrijwilligerswerk in de gemeenschap en de arbeidsmarkt.

Hiervoor heeft de alliantie het YUFE Star System in het

leven geroepen, een innovatief erkenningssysteem voor

activiteiten met specifieke en gepersonaliseerde leerdoelen

die verder gaan dan academisch onderwijs in een Europese

universitaire setting. Dit systeem helpt studenten om persoonlijke

en professionele ontwikkeling na te streven en

hun opgedane kennis en ervaring zichtbaar te maken voor

de arbeidsmarkt.

Hoewel het nu de geselecteerde allianties zijn die experimenteren

met het Europees diploma, is deze ontwikkeling

bedoeld voor alle Europese hogeronderwijsinstellingen.

Het is een kans om interdisciplinariteit, gepersonaliseerd

en flexibel leren, sterkere banden met onderzoek en andere

onderwijsconcepten verder te ontwikkelen met Europese

partners.

Dit systeem helpt studenten

hun opgedane kennis en

ervaring zichtbaar te maken

voor de arbeidsmarkt

We zijn nog ver verwijderd

van het vertrouwen

dat nodig is om vlotte

erkenning te realiseren

De lancering van het diploma in 2022 brengt nieuwe

kansen mee voor onderwijsinnovatie en Europese

samenwerking binnen en buiten het European Universities

Initiative.

Europese kwaliteitszorg

Kwaliteitszorg en vlotte erkenning van Europese kwalificaties

en studieperiodes zijn kernafspraken uit het Bolognaproces

die van groot belang zijn voor het realiseren van

een Europese Onderwijsruimte. Onderwijsministers en

-experts bespreken deze onderwerpen al drie decennia lang,

maar toch zijn we nog ver verwijderd van het vertrouwen

in onderwijssystemen dat nodig is om vlotte erkenning te

realiseren.

De 41 allianties, waarbij universiteiten uit alle Europese

lidstaten betrokken zijn, werken toe naar de ontwikkeling

van Europese curricula en daarmee naar het vertrouwen in

de erkenning van elkaars onderwijsaanbod. Gezamenlijke

onderwijsprogramma’s realiseren is een van de belangrijkste

activiteiten van de geselecteerde allianties. Een slimme

zet van de Europese Commissie, want als politici en beleidsmakers

de weg niet kunnen vrijmaken voor de behoeftes

van studenten en universiteiten, moeten instellingen en

hun gemeenschap zelf pionieren en laten zien hoe nauwe

onderwijssamenwerking wel mogelijk en relevant is, zodat

beleid kan volgen.

Alle betrokken instellingen staan in nauw contact met de

Europese Commissie, lidstaten en kwaliteitszorginstanties

om regelgeving op elkaar af te stemmen en kwaliteit te

garanderen. De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie

leidt bovendien het Europees kwaliteitszorgproject EUniQ

(‘Developing a European Approach for Comprehensive QA

of (European) University Networks’) om, samen met andere

Europese kwaliteitszorgorganisaties zoals ENQA (European

Association for Quality Assurance in Higher Education)

en EQAR (European Quality Assurance Register for Higher

Education) toe te werken naar een raamwerk voor Europese

kwaliteitszorg. 6

23


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Het zijn herkenbare obstakels

voor iedereen die

eerder in internationaal

verband samenwerkte

Juridisch statuut

Om duurzame grensoverschrijdende samenwerking te

realiseren is duidelijke maar ook flexibele regelgeving

nodig. De Europese universiteiten hebben te maken met

regelgeving uit ten minste 32 landen die bij het initiatief

zijn aangesloten. De obstakels die dat met zich meebrengt

zijn herkenbaar voor wie eerder in internationale verbanden

samenwerkte. Ook is er een juridische status nodig om

als Europese alliantie de samenwerking vlot te laten verlopen.

Om hieraan tegemoet te komen verkent de Europese

Commissie wat er nodig en mogelijk is via een zogenaamd

juridisch statuut voor Europese universiteiten. Allianties

werken nauw samen met de Europese Commissie en de lidstaten

om de obstakels die ze tegenkomen in de samenwerking

zo precies mogelijk te identificeren en aan te wijzen

wat nodig is om de obstakels te overkomen. Zo ontstaan

mogelijkheden om samen met Europese partners nieuwe

samenwerkingsconstructies en modellen te ontwikkelen,

ook ten behoeve van andere samenwerkingsverbanden in

Nederland en Europa.

Meertaligheid

Het overgrote deel van de allianties van de eerste en tweede

generatie is overtuigd pleitbezorger van het belang van

Europese meertaligheid in onderwijs en onderzoek, alsook

in het dagelijks leven. In een steeds verder globaliserende

wereld raken talen, culturen en identiteiten elkaar meer

en meer. We zien een arbeidsmarkt met een groeiende

behoefte aan interculturele sensitiviteit en meertaligheid.

De bevordering van kennis van Europese talen speelt een

sleutelrol in de bewustwording rondom Europese identiteiten

onder studenten en onderzoekers. We willen benadrukken

dat je Europese mobiliteit en samenwerking enkel via

taalonderwijs tot een goed einde kunt brengen. De allianties

volgen het beleid van de Europese Unie, waarbij studenten

naast de moedertaal en het Engels ten minste één extra

taal moeten beheersen. Ze bieden de mogelijkheid om

door laagdrempelige activiteiten in verschillende Europese

landen de taalvaardigheid ter plaatse te verbeteren.

EPICUR zet zich op twee manieren in voor het bevorderen

van meertaligheid. Allereerst door het creëren van nieuwe

onderwijsconcepten voor Europese talen en culturen, met

het doel deze programma’s te versterken en vernieuwen,

de EPICUR Learning Pathways for European languages.

Daarnaast heeft EPICUR in 2020 een model ontwikkeld

voor taalbeleid voor Europese universiteiten en allianties,

dat ze beschikbaar stelt aan alle Europese en Nederlandse

instellingen.

Terwijl Engels de lijm is van de gezamenlijke onderwijsprogramma’s,

geeft YUFE haar studenten ook de mogelijkheid

om andere Europese talen te studeren, en biedt ze

academisch onderwijs aan in de taal van de diverse universiteiten

in de allianties. De meeste YUFE-studenten grijpen

dit met beide handen aan, omdat ze hiermee hun kansen op

de arbeidsmarkt na hun studie hopen te vergroten.

Onderzoek en innovatie

Het European Universities Initiative is meer dan een onderwijsinitiatief.

Een Europese universiteit bevat twee andere

belangrijke dimensies: onderzoek en innovatie. Daarom

krijgen bijna alle allianties extra geld vanuit het Europees

onderzoeksprogramma Horizon 7 om ook te werken aan

een Europese onderzoeksstrategie en om onderzoekers te

laten samenwerken in het partnerschap. Zo ontwikkelen de

deelnemende instellingen gezamenlijke onderzoeksstrategieën

en -beleid, werken ze aan betere ondersteuning voor

onderzoekers en versterken ze de relatie tussen onderwijs

en onderzoek.

Het is duidelijk dat de onderzoekscultuur in Europa een

omslag nodig heeft. Het Nederlandse ‘erkennen en waarderen’

is een mooi voorbeeld van wat je kunt ontplooien

en bevorderen in de context van het European Universities

Initiative. Allianties en andere Europese universiteitsnetwerken

zijn bezig met het ontwikkelen van alternatieve

methodes om onderzoekers en hun carrières beter te erkennen

en waarderen. Het grote aantal instellingen dat aangesloten

is bij het European Universities Initiative maakt een

internationale cultuuromslag haalbaar.

We zien een arbeidsmarkt

met een groeiende

behoefte aan interculturele

sensitiviteit en meertaligheid

24


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

Ze hebben één ding

gemeen: ze zijn vertrokken

vanuit een ambitieuze

onderwijsvisie

Naar de volgende fase

De eerste allianties hebben dit jaar al over hun voortgang

moeten rapporteren aan het Europees Uitvoerend Agentschap

onderwijs en cultuur (EACEA). Volgend voorjaar is

het tijd om de toekomstige strategie en plannen in te dienen

voor de komende vier tot zes jaar.

Een holistische aanpak is belangrijk om de ambities van de

Nederlandse en Europese studenten en onderwijsinstellingen

te realiseren. Zoals gezegd is het European Universities

Initiative geen opzichzelfstaande ontwikkeling, maar een

overkoepelend initiatief voor onderwijs-, onderzoeks-, valorisatie-,

digitaliserings- en internationaliseringsagenda’s van

nationale overheden en onderwijsinstellingen. De deelnemende

universiteiten kunnen de allianties gebruiken om

innovatieve concepten te testen en te ontwikkelen waarbij

gepersonaliseerd onderwijs en ecosysteembenaderingen

centraal staan. De geleerde lessen en successen van deze

concepten kunnen ze niet alleen binnen de eigen instelling

gebruiken voor opschaling, maar ook ten goede laten

komen aan de hele onderwijssector.

Het European Universities Initiative biedt veel kansen om

bij bestaande allianties aan te sluiten of nieuwe initiatieven

te ontplooien. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de eerdergenoemde

concrete kansen voor Nederland en Europa. Bovendien volgt

er later dit jaar een nieuwe call voor nieuwe netwerken.

Deze stond oorspronkelijk gepland voor 2024, maar is vervroegd

vanwege de groeiende interesse vanuit het veld, wat

ook te danken is aan de resultaten van de eerste allianties.

Naast een call voor nieuwe initiatieven zal een deel van de

bestaande allianties zich uitbreiden, aangezien er vanaf

2022 een financiële prikkel zal zijn om meer dan acht partners

te hebben. Genoeg mogelijkheden dus voor instellingen

om nog aan te sluiten.

Vier allianties

ECIU University brengt dertien universiteiten 8

samen, onder leiding van de Universiteit Twente.

De alliantie ontwikkelt een Europees ecosysteem

waarin lerenden, docenten en onderzoekers

samenwerken met bedrijven en publieke organisaties

om maatschappelijke uitdagingen rondom

duurzame steden en gemeenschappen (Duurzame

Ontwikkelingsdoelstelling 11) op te lossen. 9

ENLIGHT belichaamt met negen partners

uit negen verschillende Europese landen de

geografische, culturele en taalkundige diversiteit

van Europa. Die rijkdom wil de alliantie

ten volle inzetten om meer en toegankelijkere

internationale studiemogelijkheden te bieden

en op termijn een open ruimte voor onderwijs

en onderzoek te creëren tussen de negen

universiteiten, waaronder de Rijksuniversiteit

Groningen. 10

EPICUR ontwikkelt nieuwe vormen voor

het delen van interdisciplinair en meertalig

onderwijs op Europees niveau. Deze nieuwe

mobiliteit, waarin het ecosysteem centraal staat,

wordt gerealiseerd met de infrastructuur van de

EPICUR Inter-University Campus, een digitaal

ecosysteem. De Universiteit van Amsterdam is

hier onderdeel van. 11

YUFE biedt studenten de mogelijkheid een

gepersonaliseerd curriculum samen te stellen

op basis van fysieke en virtuele mobiliteit op

tien universiteiten in Europa. De YUFE Student

Journey telt academische vakken beschikbaar

van tien verschillende universiteiten rondom

diverse disciplines, alsook persoonlijke ontwikkelingsmogelijkheden

via professionele training,

taalonderwijs en vrijwilligerswerk in tien regio’s

van Europa. Studenten kiezen zelf of ze vakken

fysiek of virtueel via de YUFE Virtual Campus

willen volgen, waarmee de alliantie het interdisciplinair,

meertalig onderwijs vanuit tien regio’s

in Europa laagdrempelig beschikbaar stelt.

YUFE 12 is een alliantie van tien universiteiten

en vier niet-academische partners, onder leiding

van Maastricht University.

Enorme energie

Het European Universities Initiative oogst zowel lof als

kritiek. Lof omdat het de meest dynamische verandering

25


TH MA 4-21

Europese universiteiten

is in het Europese hoger onderwijs van de afgelopen

decennia, kritiek omdat het niet inclusief genoeg zou zijn.

Wat vaststaat is dat het initiatief een enorme energie heeft

losgemaakt bij de deelnemende universiteiten, de Europese

Commissie en zelfs bij nationale overheden. Bovendien

staat het programma open voor uitbreiding en richt het zich

op inclusiviteit voor alle lerenden. Een onverwachte, maar

buitengewoon waardevolle ‘bijvangst’ is de samenwerking

die tussen de allianties is ontstaan, waarbij deze in collegiaal

verband inzichten en ervaringen delen en in korte tijd veel

nieuwe kennis hebben opgedaan. Deze vorm van intercollegiale

uitwisseling tussen ongelijksoortige instellingen

bestond voorheen niet, en al helemaal niet in deze mate van

intensiteit. De allianties richten zich op het concreet ontwikkelen

en testen van nieuwe vormen van onderwijs en mobiliteit,

processen die in alle gevallen rechtstreeks raken aan

de kern van het primaire proces. Dat maakt deze vorm van

grenzenloze uitwisseling essentieel: het gaat om pionierswerk

waarbij de instellingen zelf ‘lerend’ zijn.

Noten

1 www.elysee.fr/emmanuel-macron/2017/09/26/initiative-pour-l-europe-discours-

d-emmanuel-macron-pour-une-europe-souveraine-unie-democratique

2 www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2021/05/17/european- universities-

initiative-council-conclusions-pave-the-way-for-new-dimension-in-european-higher-

education/

3 Aanvullende financiering voor de versterking van de dimensie Onderzoek & Innovatie is

in 2020/2021 verkrijgbaar via Horizon 2020 (SwafS). De volgende financieringsmogelijkheden

via Erasmus+ voor Europese universiteiten zijn in voorbereiding.

4 www.consilium.europa.eu/nl/meetings/eycs/2021/05/17-18/

5 ec.europa.eu/education/sites/education/files/document-library-docs/european-

universities-initiative-factsheet.pdf

6 www.nvao.net/nl/euniq

7 Zie eindnoot 3.

8 Van de Nederlandse universiteiten zijn dat de Universiteit Utrecht (CHARM-EU), de

Universiteit van Amsterdam (EPICUR), Maastricht University (YUFE), de Universiteit

Twente (ECIU University), de Erasmus Universiteit Rotterdam (UNIC), Tilburg University

(Engage.eu), de Rijksuniversiteit Groningen (ENLIGHT), de Vrije Universiteit

Amsterdam (Aurora Netwerk), de Universiteit Leiden (EUniWell), de TU Eindhoven

(EuroTeQ) en de Radboud Universiteit (NeurotechEU). Ook de Hogeschool Van Hall

Larenstein (INVEST network) en NHL Stenden (RUN-EU) Alliantie) nemen deel aan het

initiatief.

9 Zie ook: www.eciu.org

10 Zie ook: enlight-eu.org/

11 Zie ook: www.epicur.education

12 Zie ook: yufe.eu/

ECIU University, ENLIGHT, EPICUR, YUFE en de andere

Europese allianties zijn heel divers in hun prioriteiten en

activiteiten, maar één ding hebben ze gemeen: ze zijn vertrokken

vanuit een ambitieuze onderwijsvisie. Deze ambitie

is beloond, en dat geeft niet alleen de mogelijkheid om specifieke

doelen na te streven met Europese partners; het geeft

het Nederlandse hoger onderwijs ook een goede positie om

met Europese politici en beleidsmakers samen te werken

om de al decennia bestaande problemen rond onderwijssamenwerking

eindelijk gezamenlijk aan te pakken.

Olga Wessels

is hoofd van het Brusselkantoor van het European Consortium of

Innovative Universities van de Universiteit Twente

Sander Lotze

is directeur ECIU University aan de Universiteit Twente

Anouk Tso

is Director of International Affairs aan de Universiteit van

Amsterdam

Daniela Trani

is directeur van de YUFE Alliantie aan Maastricht University

Veronique Eurlings

is leider van de YUFE Student Journey en YUFE-coördinator aan

Maastricht University

Magdalena Kohl

is junior beleidsmedewerker binnen de YUFE Alliantie aan

Maastricht University

Mervin Bakker

is hoofd International Strategy & Relations aan de

Rijksuniversiteit Groningen

26


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

De Vlaamse hogescholen UC Leuven-Limburg en LUCA School of Arts zijn beide toegetreden tot een alliantie.

Hun ervaringen zijn positief: de samenwerking biedt kansen om de onderwijsaanpak te vernieuwen en geeft de

instellingen een prominentere rol in de regio.

De alliantie als levend organisme

Naar toekomstbestendig onderwijs

Patricia Huion, Marc Van De Walle & Klaas Vansteenhuyse

UC Leuven-Limburg, LUCA School of Arts

D

e Europese eenmaking is een verhaal van vallen en

opstaan, maar vooral van economische belangen.

Sinds het Bolognaproces officieel van start ging

in 1999 is er bovendien gebruikgemaakt van het

onderwijs als een vorm van soft power, zowel binnen als

buiten de Europese Unie. In dit kader zien we de oproep

van Emmanuel Macron uit 2017 om een reeks Europese

topuniversiteiten te creëren die met iedereen in de wereld

de concurrentie zouden aankunnen, en die een magneet

voor wereldwijd talent zouden vormen.

Op de Europese top in 2017 in Göteborg 1 riep de Europese

Raad de lidstaten en de Europese Commissie op initiatieven

te ondernemen, ‘...strengthening strategic partnerships across

the EU between higher education institutions and encouraging

the emergence by 2024 of some twenty ‘European Universities’,

consisting in bottom-up networks of universities across the EU

which will enable students to obtain a degree by combining

Hierdoor zijn ze

een magneet geworden

voor de knapste koppen

uit de hele wereld

studies in several EU countries and contribute to the international

competitiveness of European universities’.

Daarbij dienen we op te merken dat het initieel minstens

impliciet de bedoeling was om met een beperkt aantal

‘European Universities’ uit te pakken. Met deze nieuwe

instellingen wilde Europa de concurrentie aangaan met

topinstellingen elders in de wereld. Deze instellingen blinken

uit door hun onderzoeksresultaten, met diverse Nobelprijswinnaars

als gevolg, hun onderzoeksbudgetten en de

ongeëvenaarde netwerken die ze aan veelal masterstudenten

kunnen aanbieden. Hierdoor zijn dergelijke instellingen

een magneet geworden voor de knapste koppen uit de hele

wereld en ontstaan er talloze netwerken en initiatieven

omheen, zoals innovatieve bedrijven en een lucratieve

markt van internationale, betalende studenten.

Ontwikkeld door hogeronderwijsinstellingen, studentenorganisaties,

de lidstaten en de Commissie zag het European

Universities Initiative het daglicht. Het is vandaag een van

de sleutelprojecten binnen de Europese ambities om de

Europese Onderwijsruimte 2 uit te bouwen. Ondertussen

zijn na de eerste call in 2019 en de tweede call in 2020 in

totaal 41 allianties gevormd.

Het is opvallend dat de organisatoren de initiële en impliciete

doelstelling van de ‘circa twintig’ Europese universiteiten

vrij snel loslieten. Er zijn ondertussen ook netwerken

ontstaan die zich niet langer exclusief richten op het aantrekken

van niet-Europese studenten of op het uitbouwen

van een wereldwijd erkende onderzoekspoot.

Voor een aantal Europese hogeronderwijsinstellingen biedt

het initiatief vooral een kans om hun eigenheid sterker in

27


TH MA 4-21

Europese universiteiten

de verf te zetten en daarvoor op Europees niveau de meest

kwaliteitsvolle partners te vinden. Zo maken UC Leuven-

Limburg en LUCA School of Arts deel uit van respectievelijk

E 3 UDRES 2 en FilmEU. Deze twee allianties, waaraan we als

projectleiders verbonden zijn, kenden hun ontstaan vanuit

een ‘netwerk van netwerken’, een reeks van zelfsturende,

unieke en vaak reeds bestaande samenwerkingen met

een bottom-upaanpak maar nu tevens gesteund door een

topdown strategische visie en joint governance met gemeenschappelijke

doelen. Net deze structuur van partnerships

verschilt van de traditionele multilaterale connecties die tot

nu standaardpraktijk waren in hogeronderwijsinstellingen,

onder de vorm van het Europese programma Erasmus+.

Reeds in 1994 beschreef Rosabeth Moss Kanter in haar

artikel ‘The Art of Alliances’ 3 een theoretische achtergrond

voor succesvolle partnerships door het aanwenden van het

collaboratieve voordeel en de cocreatie van nieuwe waarden.

Dezelfde sleutelattributen tot succes kunnen we implementeren

binnen de universiteitsallianties. Het is evident dat

het ontwerp van deze allianties ook een voordeel oplevert

voor de individuele partners, niet altijd op korte termijn

maar binnen een langdurig proces van verandering. Daarbij

treedt de alliantie op als een levend organisme en bewerkstelligt

ze de nodige transformaties door eigen vormen van

samenwerking, uniek aan elke alliantie.

Geen toevalstreffer

De alliantie FilmEU heeft de visie en de ambitie om een

Europese universiteit te ontwerpen op het gebied van filmen

mediakunst. Ze is gebaseerd op een innovatieve structuur

van samenwerking tussen vier partners: Dun Laoghaire

Institute Of Art Design & Technology (IADT) in Dublin,

Színház- és Filmmüvészeti Egyetem (SZFE) in Boedapest,

Universidade Lusófona in Lissabon en LUCA School of

Arts in Brussel, met verschillende campussen verspreid

over Vlaanderen. FilmEU is de enige van de 41 allianties

die binnen het domein van film- en mediakunst opereert.

Deze samenwerking is geen toevalstreffer, maar een direct

gevolg van reeds aanwezige en succesvolle verbanden zowel

Artistiek onderzoek

leidt tot betekenisvolle

samenwerkingen

met de betrokkenen

binnen Erasmus+-mobiliteit als binnen Erasmus Mundus

Joint Masters zoals Kino Eyes, Viewfinder en DocNomads.

FilmEU is zich bewust van de noodzakelijke elementen

voor een succesvolle samenwerking, zoals beschreven door

Gallup (Wagner & Muller, 2009). Naast de noodzakelijke

aanvullende sterktes van de partners en het gemeenschappelijke

doel zijn ook eerlijkheid, vertrouwen, aanvaarding en

onbaatzuchtigheid voorwaarden tot slagen. Het is niet altijd

evident om binnen de alliantie eerlijk te communiceren

over voorbije trajecten; instellingen noemen bij voorkeur

hun successen, zonder ook de tekortkomingen en eventuele

falen te vermelden. Het was voor LUCA ook best confronterend

om een exhaustieve lijst van concrete middelen of

faciliteiten te produceren, laat staan een SWOT-analyse

(Strengths, Weaknesses, Opportunities en Threats) te presenteren

als partner binnen de alliantie. Daarenboven hebben

de coronabeperkingen zonder effectieve persoonlijke ontmoetingen

de opbouw tot die gewenste voorwaarden niet

gemakkelijker gemaakt. Dan waren de eerder opgebouwde

relaties uiteraard van grote waarde om de volgende stap tot

FilmEU te zetten.

De stelling: Film + EU = FilmEU, waarbij het geheel sterker

is dan de elementen, blijft niet bij loze woorden. De alliantie

wil immers daadwerkelijke transformaties binnen huidige

les- en leerpraktijken doorvoeren, om onder meer een

antwoord te kunnen bieden op institutionele en nationale

belemmeringen. Maar ze zet vooral in op interdisciplinaire

exploratie om zowel de 650 docenten als 2500 studenten in

Europa op de kaart te zetten als creatieve leiders.

Niettegenstaande FilmEU tijdens dit driejarig proces

flexibiliteit aan de dag wil leggen om het designproces

bij te sturen, is LUCA bij het voorstel vertrokken vanuit

enkele startprincipes:

• Challenge-based learning is cruciaal voor innovatie waarbij

studenten, academici en externe partners samenwerken

om reële (Europese) problemen vast te stellen en

aan te pakken binnen multidisciplinaire teams.

• Digitale media zijn alomtegenwoordig, niet enkel

als een product van maar tevens als een tool tot creatief

leren.

• De pedagogische aanpak sturen we aan door crossdisciplinaire

methodieken over de landsgrenzen heen.

• Innovatieve mobiliteit (fysiek, virtueel en blended) voor

zowel studenten als docenten is fundamenteel binnen

het te ontwerpen curriculum en overstijgt de louter

remediërende aanpak binnen de coronabeperkingen van

2020-2021.

• Artistiek onderzoek leidt tot betekenisvolle samenwerkingen

met het werkveld, overheid en culturele

stakeholders.

Naast de expliciete doelstellingen van de alliantie stelt

LUCA School of Arts na zes maanden werking vast dat

het ontwerpproces ook de lokale LUCA-context impliciet

28


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

Er waait zo een

innovatieve wind

waarvan ook de lokale

omgeving profiteert

ten goede komt. Binnen de verschillende werkpakketten,

gaande van curriculumontwikkeling en onderzoek tot

mobiliteit, kwaliteitsborging, governance en disseminatie,

zijn een duidelijke inbreng en inbedding van de lokale

onderwijscontext onontbeerlijk. We hebben ervoor gekozen

om enthousiaste experts binnen hun vakgebied met reeds

voldoende ervaring bij LUCA te betrekken bij het project.

Het directieteam vindt het immers noodzakelijk om voldoende

sleutelelementen van LUCA’s onderwijsbeleidsplan

aan de discussietafel van FilmEU te brengen. Daarnaast

betrekken we studenten en docenten ook via pilotcases en

prototypes bij FilmEU. Deze wisselwerking zorgt ervoor

dat er een innovatieve wind waait, waarvan ook de huidige

lokale les- en leeromgeving de vruchten plukt.

Omdenken

In tegenstelling tot LUCA en de alliantie FilmEU was er

voor UC Leuven-Limburg niet één enkel definiërend inhoudelijk

element dat de hogeschool deelt met andere binnen

haar alliantie E 3 UDRES 2 . UC Leuven-Limburg herkende

haar strategische doelen in de opbouw van het European

Universities Initiative. Na verschillende wisselende coalities

vond ze ten slotte haar huidige partners met behulp van

EURASHE (de European Association of Institutions in

Higher Education). Voor dat genootschap was het belangrijk

om ook de Europese Universities of Applied Sciences een

plaats te geven binnen het Initiatief.

E 3 UDRES 2 staat voor Engaged and Entrepreneurial European

University as Driver for European Smart and Sustainable Regions.

Partners binnen deze alliantie zijn: St. Pölten University

of Applied Sciences in Oostenrijk, Polytechnic Institute

of Setúbal in Portugal, Hungarian University of Agriculture

and Life Sciences in Hongarije, Politehnica University

Timisoara in Roemenië en Vidzeme University of Applied

Sciences in Letland.

De schrijvers hebben ingezet op een zuiver concept

waarin internationalisering om de regionale werking te

versterken, omdenken, student- en mensgerichtheid en

engagement met de regio de toon zetten. Het omdenken

heeft de alliantie ingezet om haar ogenschijnlijke zwakte

in de ogen van de academische wereld in te zetten als haar

sterkte, haar unieke aanpak. Alle huidige partners bedienen

immers maximaal vijftienduizend studenten (en vaak

veel minder) en zijn gesitueerd in economisch zwakkere

regio’s. Vanuit de vaststelling dat lokale gemeenschappen

zich ook steeds meer geconfronteerd zien met complexe en

globale uitdagingen, maar daarvoor wel een lokaal aangepaste

oplossing nodig hebben, zien de hogescholen binnen

het E 3 UDRES 2 -netwerk zichzelf als een essentiële speler in

dat verhaal.

De E 3 UDRES 2 -partners vinden elkaar bovendien in hun

enorme betrokkenheid bij de studenten en hun jobperspectieven,

en in de ambitie om de kwaliteit van de University

of Applied Sciences te definiëren. Niet het aantal wetenschappelijke

papers maar het aantal eindgebruikers van een

product en het ecosysteem dat een resultaat samen heeft

ontwikkeld, bepalen een succesvol leertraject of onderzoek.

Het consortium heeft daarnaast sterk ingezet op een

methodologische aanpak, met agile management, futuring,

I-living labs, citizen science en innovation hubs voor

ondernemers. Het E 3 UDRES 2 -model van transnationale

samenwerking vertrekt vanuit de mensen voor wie de instellingen

ontwikkelen: managers, beleidsvoerders, lerenden

(zowel studenten als docenten en externe stakeholders),

onderzoekers en ondernemers. Iedereen is welkom in de

futuring-workshops. De studenten worden de change agents

voor de toekomst van hun regio in I-living labs. Zij werken

samen met onderzoekers in citizen science-projecten en

met de ondernemers in hackathons, bootcamps en in een

‘I-cubator’ voor innovatie-competenties. In iedere methode

is de cocreatie met de externe stakeholders cruciaal: de

instellingen roepen burgers op om samen uitdagingen te

bedenken die de toekomst van de regio’s kunnen garanderen.

Een goede toekomst is een democratische samenleving

waarin iedere burger zich levenslang kan bij- of omscholen

aan een Europese hogeschool die uitblinkt in praktijk gericht

onderzoek en innovatie voor de regio en voor verdere

professionalisering.

Een goede toekomst is een

democratische samenleving

waarin iedere burger zich

levenslang kan scholen

29


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Vijf voordelen

Er zijn absoluut opportuniteiten te vinden in het instappen

in het European Universities Initiative. Het is duidelijk dat

het Europese hoger onderwijs voor bijna existentiële uitdagingen

komt te staan. De verschuiving op de arbeidsmarkt

van kennis naar competenties zet het concept van diploma’s

onder grote druk. De ontwikkeling van een leven lang

leren stelt het belang van één enkele formatieve hogere

opleiding ter discussie – een monopoliepositie die het

hoger onderwijs tot nu toe bekleedde. Dit alles betekent

dat er in de toekomst steeds meer studenten zullen instromen,

maar ook dat zij ervarener zullen zijn en kortere

opleidingen zullen volgen. Ook na de coronacrisis zullen

instellingen deze opleidingen steeds meer tijds- en plaatsonafhankelijk

aanbieden.

Voor beide partners helpt het European Universities Initiative

om antwoorden te zoeken voor deze uitdagingen.

Het versterkt het innovatiepotentieel in de hogescholen,

verruimt de diversiteit in het Europees hogeronderwijslandschap

en verstevigt in het bijzonder de rol van de

Universities of Applied Sciences. Binnen de instellingen

bieden nieuwe modellen en methodieken de kans om de

onderwijsaanpak te vernieuwen en nieuwe typen studenten

aan te spreken. Het initiatief vormt een kennisnetwerk

van onderwijsinnovatie om drie kernvragen te onderzoeken:

What’s new?, What’s more? en What’s next?

Het is voor een hogeronderwijsinstelling ten tweede een

goede vingeroefening om na te denken over een andere

structuur. Hoe neem je lokale beslissingen die op termijn

impact hebben op het internationale netwerk? Hoe bereid

je jouw organisatie hierop voor? En wat betekent het om

een echte internationale netwerkorganisatie te zijn?

Ten derde trekt het European Universities Initiative

het verhaal van de multicampusuniversiteit helemaal

open. Leren en werken in door diversiteit gedefinieerde

omgevingen is een competentie die de alliantie voortdurend

stimuleert.

In veel gevallen zal dit, ten vierde, inhouden dat er een

evidente en eenvoudige mobiliteit van personen en ideeën

kan ontstaan. Beide elementen van mobiliteit zijn niet

noodzakelijk gekoppeld, maar ze zijn wel essentieel voor

de ontwikkeling van het Europese onderwijs. Maar ook

voor de ontwikkeling van de regio’s, die vaak met dezelfde

problematieken kampen, ook al vereist de oplossing de

nodige aanpassingen aan de lokale context. Oplossingen

delen binnen een internationaal maar regionaal gericht

team is een onderdeel van internationalisation at home.

Er mag ten slotte een uitgesproken standpunt ingenomen

worden rond de Europese identiteit en haar waarden en

normen. Europa heeft zich, naast zijn donkere geschiedenis,

ook geprofileerd als een baken van democratie, respect

en kansen voor het individu en vrije meningsuiting. Het is

een blijvende worsteling om die aspecten aan te leren en

ervoor te leven.

Het is ten tweede een

goede vingeroefening

om na te denken over

een andere structuur

Hindernissen overwinnen

Om de vruchten voluit te kunnen plukken, dienen

UC Leuven-Limburg en LUCA School of Arts nog een

aantal hindernissen te overwinnen. Van bij de start is het

primordiaal om de juiste balans te zoeken in het initiële

partnerschap, de ruimte te vinden om het aanvraagdossier

rond te krijgen, de nodige communicatie intern te verzorgen

en het loepzuiver concept uit te puren om adequaat

onderwijs onder Europese vlag te verschaffen.

Relevante en kwaliteitsvolle educatie zoals het European

Universities Initiative die ambieert, kan niet zonder innovatie

en transformatie. Gezien de groeiende maatschappelijke

problemen is het geen optie om niet voortdurend over innovatie

na te denken. En verandering betekent altijd bedreiging

en frictie.

Het (hoger) onderwijs percipieert de voorbije decennia als

jaren met steeds maar weer veranderingen en snakt als collectief

naar een moment van stabiliteit. De uitdaging is hoe

je naast de early adopters (die al in het project meedraaien)

ook de grote stille meerderheid laat zien wat de meerwaarde

van dit traject is, waarbij je de groep onderwijsgevenden die

tegenstribbelt toch ook beluistert en serieus neemt. Deze

projecten bieden structuur en ruimte aan deze early adopters

om vanuit een olievlekprincipe elkaar te vinden.

Dit gaat dan nog maar enkel over de medewerkers in de

betrokken instellingen. De uitbreiding van het studentenpubliek

(de lerenden) met zowel nieuwe typen studenten in

de regio als internationale studenten van de partners zet het

vraagstuk van inclusie scherp op de voorgrond. Slagen we

erin om ‘inclusief excellent’ te zijn?

Dit alles leidt onvermijdelijk ook tot aanpassingen in de

huidige managementstructuur van de hogeronderwijsinstellingen.

Wat kun je als instelling nog autonoom beslissen en

hoe realiseer je die echte netwerkorganisatie? Waar bouw

je structureel de participatie van studenten in? Ondanks

alle voorafgaande inspanningen blijven partners in deze

netwerken relatief onbekend voor elkaar. Het is slechts door

deze intensieve samenwerking dat heel wat zenuwbanen

30


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

en sterke spieren worden blootgelegd. In deze fase blijft

het European Universities Initiative nog experimenteel.

De Europese Commissie moet dus ruimte laten voor startende

netwerken, in het besef dat een falend netwerk niet

noodzakelijkerwijs zinloos is geweest.

Voor de allianties is het continu zoeken naar de balans

tussen het vele werk dragen met weinig partners en het

draaiende houden van een dergelijk project met te veel partners

– of met partners die na de inloopperiode aan boord

komen, aangezien de Europese Commissie aanstuurt op

een minimum van zeven partners. Er is vanuit het standpunt

van studenten ook een onvermijdelijke onbalans

tussen partners. Sommige regio’s en partnerinstellingen

zijn om diverse redenen minder in trek bij studenten dan

andere, alleen al omdat niet alle regio’s een even hogere

levensstandaard hebben. Voor de interne fysieke mobiliteit

kan dit gevolgen hebben.

Niet enkel de interne veranderprocessen en de onderlinge

samenwerking zorgen voor drempels. Zodra je als instelling

over grenzen heen werkt, duiken er problemen met de

nationale onderwijswetgeving op. Hoe creëer je legaal joint

degrees die alle betrokken landen erkennen? Die erkenning

komt onder de vorm van kwaliteitszorg en accreditaties;

daaraan gekoppeld komt het recht om diploma’s uit te

reiken en vaak ook overheidsfinanciering te mogen ontvangen.

Er is eigenlijk nood aan een Europees wettelijk kader

om de Europese universiteiten te installeren. En in Vlaanderen

is er nood aan een relaxtere kijk op de taalwetgeving.

Niet verwonderlijk, maar al dit koken kost geld. In een

Vlaamse context waarin de overheidsfinanciering de laatste

jaren geen gelijke tred hield met het stijgende aantal

studenten en de daarbij horende complexiteit, staan heel

wat instellingen – en dus mensen – voor scherpe keuzes.

Wat we vandaag doen, en hoe we dat doen, is simpelweg

niet op te schalen naar nog meer studenten en nog meer

thematieken. De Europese universiteiten helpen zeker om

de onvermijdelijke inhoudelijke keuzes te maken. Tegelijk

kun je een groeiende diversiteit in studenten en een steeds

innoverende aanpak niet ondersteunen zonder bijkomende

Er is vanuit het standpunt

van studenten ook een

onvermijdelijke onbalans

tussen de partners

middelen. De huidige financiering is voor drie jaar gegarandeerd,

maar het is met bovenstaande uitdagingen

onmogelijk om binnen die periode voldoende resultaten

te boeken.

De Europese Commissie zou hierbij ook de criteria voor

haar eigen onderzoeksfinanciering opnieuw onder de loep

kunnen nemen. De verwachte resultaten van bijvoorbeeld

Horizon Europe sluiten niet altijd aan bij de praktijkgerichte

onderzoeksresultaten die een University of Applied

Sciences en haar eindgebruikers belangrijk vinden.

Ook wijzen we ook op de discrepantie in perceptie tussen

hogeronderwijsinstellingen en Europa. Europa ziet de allianties

als de motor voor de verandering van identiteit van de

instellingen, die op hun beurt de alliantie als een hoekje van

de organisatie lijken te zien.

Ten slotte is er nog de politieke en maatschappelijke steun

voor dit project. De Vlaamse regering spreekt zich weinig

tot niet uit over dit initiatief. Is ze een voorstander van deze

ontwikkeling? Het zou goed zijn als ook belangrijke maatschappelijke

spelers zoals de VDAB (Vlaamse Dienst voor

Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding), koepelorganisaties

en grote bedrijven zich positief uitlaten over het concept.

Dat verleent op termijn de nodige kredietwaardigheid

aan de Europese diploma’s.

Wat is succes?

De Vlaamse regering spreekt

zich weinig tot niet uit over

dit initiatief; is ze voorstander

van deze ontwikkeling?

UC Leuven-Limburg en LUCA School of Arts blijven nog

steeds enthousiast over de geboden mogelijkheid en de vooropgestelde

doelen. Voor ons sluiten de Europese universiteiten

nauw aan bij de doelstellingen van de eigen instelling.

Het project brengt bovendien coherentie in de innovatietrajecten

die op eilandjes in verschillende hogeronderwijsinstellingen

lopen. Op die manier versnelt het de innovatie

naar toekomstbestendig onderwijs en geeft het instellingen

hun prominente rol terug als motor van de regio, in het

bijzonder de Universities of Applied Sciences. Diverse struikelblokken

beperken de implementatie van de inhoudelijke

vernieuwingen, maar deze hebben we geïdentificeerd en die

zijn dus potentieel te overwinnen in ons streven naar succes.

31


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Maar wat bedoelen we met succes? Enkele maanden ver

in ons traject steekt de vraag naar een definitie van succes

voor een Europese universiteit van de toekomst de kop op.

We ontdekten alvast enkele prangende dilemma’s.

Indien we het concept van verticale geletterdheid omarmen

en ecosystemen in plaats van egosystemen creëren, waarin

we vertrekken vanuit de noden van de gemeenschap en

samen met de gemeenschap naar oplossingen zoeken, hoe

rijmen we dit dan met de autonomie van de docent en de

onderzoeker? E 3 UDRES 2 en FilmEU hebben de ambitie om

het toekomstmodel van leren en onderzoeken te ontwerpen,

een coherent en onderscheidend onderwijsaanbod te bieden

dat de identiteit van het consortium versterkt. Hoe creëren

we succesvol die cohesie in de onderwijscommunity,

waarbij iedereen in het concept stapt en een evenwaardige

inbreng heeft?

Hoe gaan we om met partners in het consortium die voor

een minimalistisch engagement kiezen? Hoe gaan we om

met partners die geen beloningsbeleid kunnen of willen

voeren voor collega’s die de Europese universiteit van de

toekomst willen helpen vormgeven? We kunnen personeelstrainingen

rond de methodologische aanpak aanbieden en

een waarderingssysteem ontwikkelen opdat collega’s kiezen

voor de Europese universiteit, maar het blijft gissen hoe zo’n

ecosysteem van de transnationale universiteit van de toekomst

er gaat uitzien. Wordt het een instituut dat de slimste

koppen uit de wereld aantrekt en verschillende Nobelprijswinnaars

levert, of is het een ecosysteem dat ervoor zorgt dat

geen enkele lerende uit de boot valt? Als wij akkoord gaan

met de idee dat sociale inclusie in het dna van Europa vervat

zit, hoe combineren we deze ambitie met de wedren naar

excellentie in ons transnationaal onderwijslandschap?

We hopen stellig dat succes verband zal houden met de

mate waarin de Europese universiteit van de toekomst de

Europese democratische waarden verdedigt en realiseert

in haar organisatie en verspreidt in de regio’s waarin zij

gesitueerd is. Als wij akkoord gaan met de norm dat democratie

de beleidsvorm is die Europa definieert, hoe gaan wij

dan om met partners die uit illiberal democracies komen?

Zwijgen wij over antidemocratische wetten waar burgers op

hebben gestemd? Doen we of we niet zien dat instellingen

collega’s vervangen door politieke vriendjes? Aanvaarden

wij dat die politieke vriendjes een mandaat krijgen in het

bestuur van de Europese universiteit van de toekomst?

Hoe pakken succesvolle universiteiten van de toekomst

ondemocratische praktijken en nepotisme concreet aan?

Waaruit bestaat straks de identiteit van zo’n nieuwe Europese

universiteit? Is deze radicaal Europees, of een mengsel

van de vier tot zeven partners?

Als wij de Europese universiteit van de toekomst als de

motor van verandering beschouwen voor een netwerk van

regio’s in Europa, dan moeten ook nationale en regionale

beleidsorganen hun steentje bijdragen. We verwachten

ook van de Vlaamse regering een duidelijke actieve(re)

Hoe gaan we om

met partners die voor

een minimalistisch

engagement kiezen?

houding met cofinanciering en ondersteuning om de

drempel tot succes van de lokale hogescholen te verlagen

en voluit voor deze opportuniteit te kiezen. Toch blijven

UC Leuven-Limburg en LUCA School of Arts enthousiaste

voortrekkers van de vernieuwingen in het Europees onderwijslandschap.

De uitdagingen nemen we mee, we zien ze

als een platform om de conversatie aan te gaan én om de

kwaliteit te waarborgen.

Patricia Huion

is manager European Universities Projects bij UCLL Research

& Expertise

Marc Van De Walle

is projectleider FilmEU aan LUCA School of Arts

Klaas Vansteenhuyse

is hoofd Onderwijs en Studenten aan UC Leuven-Limburg

Noten

1 www.consilium.europa.eu/media/32204/14-final-conclusions-rev1-en.pdf

2 ec.europa.eu/education/education-in-the-eu/european-education-area_en

3 Kanter, R.M. (1994). ‘Collaborative Advantage: The Art of Alliances.’ Harvard Business

Review 72, no. 4, 96-108.

32


OPINIE

Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

Retour vers le futur

Van de Walle & Bohmert

H

et was toch even opkijken toen de Franse president

Emmanuel Macron in zijn befaamde

toespraak aan de Sorbonne 1 van september

2017 een vurig pleidooi hield voor de creatie

van ‘Europese universiteiten’ – allianties van universiteiten

uit verschillende Europese landen die samen werk maken

van het hoger onderwijs van de toekomst en van (nog) excellent(er)

onderzoek. Had hij dan geen lessen getrokken uit

de mislukte pogingen in 1948 om een supranationale universiteit

op te zetten, het relatieve succes van het Europees

Universitair Instituut in Florence (1972) en de worstelingen

van het Europees Instituut voor Innovatie en Technologie

(2014)? 2

Hij zal het ons misschien niet in dank afnemen, maar zijn

pleidooi paste in een lange traditie van staatsinterventies

in het universitaire bestel door Franse leiders, van Napoleon

via Pompidou tot Sarkozy. Vanuit dit perspectief lijkt

het niet meer dan logisch dat wie opkomt voor maximale

institutionele autonomie van universiteiten het European

Universities Initiative met enige argwaan bekijkt. Waarom

zouden wij ons als universiteiten schikken naar deze poging

van de overheid om ons in een specifiek keurslijf te dwingen?

Moeten wij zomaar meegaan in een dergelijk elitaire

onderneming die de brede kwaliteit binnen ons hoger

onderwijsbestel bedreigt? Waarom zouden wij onze huidige,

duurzame vormen van internationale samenwerking

onder druk laten zetten door de rigide kaders van de Europese

Commissie?

Enige argwaan lijkt overigens gerechtvaardigd als we zien

hoe de Commissie en de Raad van de Europese Unie de

afgelopen maanden de Europese Onderzoeksruimte (ERA)

en de Europese Onderwijsruimte (EEA) op de korte termijn

hebben gedegradeerd tot politieke initiatieven. Ook hier

figureren de universiteiten op het nationale niveau als louter

uitvoerders, zonder dat ze enige zeggenschap in de aansturing

en de bestuursstructuren krijgen toebedeeld.

Er valt ook wat voor te zeggen om het European Universities

Initiative vanuit een enigszins ander perspectief te

beoordelen en er meer bepaald de bredere maatschappelijke

context van de rol van universiteiten in kennissamenlevingen

bij te betrekken. Vanuit dit perspectief is de

idee van de Europese universiteiten schatplichtig aan de

spraakmakende mededeling Towards a Europe of Knowledge

(1997) 3 van de Nederlandse voormalig minister en universiteitsbestuurder

Jo Ritzen. Nadat diens inzichten over

de unieke en centrale rol van universiteiten in Europese

kennissamenlevingen verder waren gerijpt in de daaropvolgende

mededeling The Role of Universities in the Europe of

Knowledge (2003) 4 , gingen Nederlandse en Vlaamse politici

zoals Maria van der Hoeven en Frank Vandenbroucke er

daadkrachtig mee aan de slag. Als gevolg daarvan zouden

deze ideeën tussen juli 2007 en juni 2010 ook een significante

rol spelen in het Bolognaproces, onder impuls van het

toen door de Benelux geleide secretariaat van de Bologna

Follow-up Group. Het waren overigens ook Nederlandse

experts die aan de wieg stonden van de moderniseringsagenda

voor het hoger onderwijs binnen de Europese Unie

(2011, update 2016) 5 .

Een dergelijke breed maatschappelijke en zelfbewustere

visie op de rol van de universiteiten zoals gepromoot door

vooral Nederland en Vlaanderen kan een heel wat constructiever

antwoord vormen op de straffe taal over de universiteiten

van onder anderen Pascal Lamy (2017) 6 , Macron dus

en de Onderwijsraad in zijn conclusies van 17 mei 2021 7 .

Zo lijkt ze een goed uitgangspunt te vormen om als universitaire

sector eensgezind en doortastend invloed uit te oefenen

op de ‘Europese strategie voor universiteiten’ die de

Europese Commissie voorbereidt en die cruciaal belooft

Ook hier figureren

de universiteiten op

nationaal niveau als

louter uitvoerders

33


TH MA 4-21

Europese universiteiten

OPINIE

te worden voor de verdere implementatie van de Europese

universiteiten. Daarbij valt het nog te bezien of de Commissie

en de lidstaten in dit dossier wél zullen luisteren naar de

universiteiten en hun belangenbehartigers.

Knelpunten identificeren

Voor wie er zou aan twijfelen: de Europese universiteiten

hebben hun huiswerk betreffende de toekomst van het

initiatief ook al klaar. Zo hebben ze de afgelopen maanden

via hun koepels en met de volle steun van de coördinatoren

van de afzonderlijke Europese universiteiten (waaronder

ENLIGHT, het door de Universiteit Gent gecoördineerde

netwerk waarover u op pagina 36 meer kunt vernemen)

een reeks van diepgaande problemen in kaart gebracht

en bij de Commissie en de lidstaten aan de orde gesteld.

Ook binnen CESAER, een vereniging van meer dan vijftig

toonaangevende universiteiten met een sterk profiel op het

vlak van natuurwetenschappen en technologie, hebben we

alle leden die betrokken zijn bij een Europese universiteit

aan het denken gezet om samen de belangrijkste knelpunten

te identificeren. We sommen hier de zes belangrijkste

op:

• Bestaande obstakels in regionale en nationale wetgeving

bemoeilijken diepgaande samenwerking. Het gaat

hierbij om regels rond het uitreiken van gezamenlijke

diploma’s, de meervoudige btw-heffing op diensten en

goederen, en het vrije verkeer van gezamenlijk wetenschappelijk

personeel.

• De bescheiden middelen die de EU-programma’s Horizon

2020 en Erasmus voor het initiatief ter beschikking

stellen staan in schril contrast met de torenhoge ambities

die de Commissie en de Raad hebben geformuleerd.

• De verschillende systemen van cofinanciering (die overigens

slechts een beperkt aantal lidstaten ter beschikking

stelt) en de tegenstrijdige financieringsvoorwaarden

verhinderen dat er een gelijk speelveld ontstaat voor de

afzonderlijke partners binnen de consortia.

• Door de financiering op projectmatige basis ter beschikking

te stellen kreunen de consortia onder een torenhoge

administratieve last.

• Het gebrek aan duidelijkheid over de wijze van evaluatie

van enerzijds de afzonderlijke Europese universiteiten

en anderzijds het initiatief als geheel vormt een grote

bron van onzekerheid.

• Het uitsluiten van partners uit andere dan de programmalanden

van Erasmus, zoals Zwitserland en het Verenigd

Koninkrijk, is volstrekt onaanvaardbaar.

Wij zijn ervan overtuigd dat je pas concrete oplossingen

kunt vinden als je bereid bent de rol van de universiteiten in

Europa vanuit drie verschillende perspectieven te bekijken 8 :

(i) het huidige politieke perspectief, waarbij universiteiten

gelden als uitvoerders van topdown-, politieke kortetermijnstrategieën,

uitgaand van 27 zeer verschillende nationale

onderzoeks- en onderwijssystemen, (ii) het verzwakte

constitutionele perspectief dat de nadruk legt op de vrije

circulatie van wetenschappelijke kennis, technologie en

wetenschappers, zoals vastgelegd in de Europese verdragen,

en (iii) het leidende maatschappelijke perspectief gericht

op het voorgoed doen verdwijnen van honger en oorlog in

Europa in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog, waarbij

de universiteiten het dringende verzoek krijgen om hun

maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen.

Met deze bijdrage willen we in het bijzonder de Vlaamse

en Nederlandse universiteiten oproepen om samen met

ons te werken aan oplossingen voor onder meer de hierboven

opgesomde problemen in het licht van het derde,

maatschappelijke perspectief. Op die manier bieden de

Europese universiteiten onze instellingen immers de kans

om datgene te realiseren wat ze toch al doen of zouden

willen doen. Eerder dan te verzanden in steriele politieke of

constitutionele debatten kunnen we, door slim gebruik te

maken van de politieke aandacht voor de Europese universiteiten

en vanuit een meer intrinsieke motivatie, de institutionele

ontwikkelingspaden realiseren die elke universiteit

afzonderlijk hoe dan ook al voor ogen heeft en bestaande

samenwerkings relaties bestendigen.

Krachtdadige actie

Al lang voor het European Universities Initiative maakten

onze universiteiten werk van het onderwijs van de toekomst

en van een cultuur van excellentie. Door zich te verenigen

in Europese universiteiten kan de bestaande dynamiek aan

kracht winnen.

Het wegwerken van politieke en juridische belemmeringen,

het garanderen van duurzame en gelijkwaardige geldstromen,

het verlagen van de administratieve lasten, het tot

Door zich te verenigen

in Europese universiteiten

kan de bestaande dynamiek

winnen aan kracht

34


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

stand brengen van een programmatische in plaats van

projectmatige aanpak en het openstellen van de consortia

voor ten minste de 49 landen van de Europese Hogeronderwijsruimte:

al deze oplossingen zullen eensgezinde en

krachtdadige actie vergen van onze universiteitsbestuurders

en universitaire koepels en dit zowel op het regionale, het

nationale als het Europese niveau. Wij van de UGent en van

CESAER staan alvast klaar om hierover het gesprek aan te

gaan en samenwerking uit te bouwen met de collega’s van

de Vereniging van Universiteiten en de Vlaamse Interuniversitaire

Raad.

Rik Van de Walle

is rector van UGent en voorzitter van CESAER

David Bohmert

is secretaris-generaal van CESAER

Noten

1 Op 26 september 2017 hield president Macron aan de Sorbonne voor een publiek van

Europese studenten een opmerkelijke toespraak waarin hij zijn ideeën uiteenzette voor

verdere Europese integratie (‘Voor een soeverein, verenigd, democratisch Europa’).

Voor een samenvatting en de integrale versie van deze toespraak, zie www.elysee.fr/

emmanuel-macron/2017/09/26/president-macron-gives-speech-on-new-initiative-for-europe.en

2 Voor een korte situering van deze eerdere Europese initiatieven, zie Gunn A. (2020).

‘The European Universities Initiative: A Study of Alliance Formation in Higher Education’.

In: Curaj, A., Deca, L. & Pricopie, R. (red.), European Higher Education Area:

Challenges for a New Decade. Springer, Cham. doi.org/10.1007/978-3-030-56316-5_2

3 Zie eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=celex%3A51997DC0563

4 Zie publications.europa.eu/resource/cellar/

a8ba24c6-0033-4b04-baec-f0124698ce85.0005.02/DOC_2

5 Zie eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=LEGISSUM%3Aef0030

6 Deze voormalige Europese commissaris presenteerde in een rapport een aantal strategische

aanbevelingen om de impact van de EU-kaderprogramma’s voor onderzoek en

innovatie te maximaliseren, en een ervan was dat de Europese universiteiten zich fundamenteel

moesten hervormen. Zie ook op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/

ffbe0115-6cfc-11e7-b2f2-01aa75ed71a1/language-en/format-PDF/source-77975731

7 De Onderwijsraad beoordeelde het European Universities Initiative positief en stelde

tevens een zeer ambitieuze agenda op voor de allianties. Zie ook www.consilium.

europa.eu/nl/press/press-releases/2021/05/17/european-universities-initiative- councilconclusions-pave-the-way-for-new-dimension-in-european-higher-education/

8 Tijdens een recente keynotespeech op uitnodiging van de Universiteit van Porto

paste Rik Van de Walle deze benadering ook toe op de gehele Europese

Onderzoeksruimte (ERA), zie www.cesaer.org/news/three-ways-of- looking-

at-the-european-research-area-935/

35


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Eind 2020 traden de Rijksuniversiteit Groningen en UGent toe tot een van de nieuwe allianties. De twee instellingen

beschrijven hoe de Europese universiteit de hefbomen levert om innovatieve onderwijsconcepten te ontwikkelen en in te

zetten op toekomstbestendig onderwijs.

Landsgrenzen overstijgen en het

blikveld verruimen

Het potentieel van een Europese universiteit

Mervin Bakker, Gijs Coucke, Frederik De Decker & Elmer Sterken

Rijksuniversiteit Groningen, UGent

M

et de komst van het European Universities Initiative

effenen 41 allianties het pad voor een nieuwe

dimensie in het hoger onderwijs. Nauwelijks zijn de

allianties uit de startblokken, of de Europese Commissie

buigt zich al over de toekomst van het pilotproject.

De uitdagingen zijn niet min en de roep om meer tijd en

middelen klinkt luider.

Een van de nieuwe Europese universiteiten is ENLIGHT,

dat op 1 november 2020 van start is gegaan. ENLIGHT

staat voor European University Network to Promote Equitable

Quality of Life, Sustainability and Global Engagement through

Higher Education Transformation. 1 De alliantie is geworteld

Verder dan landsgrenzen

overstijgen wil ENLIGHT ook

het blikveld van de universiteit

en haar onderwijs verruimen

in twee bestaande internationale samenwerkingsverbanden:

het U4Society-netwerk, waarvan de Rijksuniversiteit

Groningen (RUG) en UGent stichtende leden zijn, en de

Euskampus Foundation van de universiteiten van Baskenland

en Bordeaux.

Met negen partners uit negen verschillende Europese landen

belichaamt ENLIGHT als geen ander de geografische, culturele

en taalkundige diversiteit van Europa. Die rijkdom wil

de alliantie ten volle inzetten om meer en toegankelijkere

internationale studiemogelijkheden te bieden op maat van al

wie wil leren. ENLIGHT heeft de ambitie om op termijn een

open ruimte te creëren tussen de negen universiteiten, en dit

niet alleen voor onderwijs maar ook voor onderzoek.

Verder dan landsgrenzen overstijgen wil ENLIGHT ook het

blikveld van de universiteit en haar onderwijs verruimen.

De alliantie stelt zich als missie studenten voor te bereiden

om bij te dragen aan de oplossingen van de complexe

maatschappelijke uitdagingen van de toekomst. ENLIGHT

voorziet in die behoefte door het onderwijs te verbinden met

onderzoek en met de lokale en regionale wortels van de universiteiten.

Aan de hand van real-life challenges willen we studenten

stimuleren om samen te werken met onderzoekers,

burgers en bedrijven en zich te bewegen buiten de grenzen

van hun eigen discipline, om zo generieke competenties te

verwerven, te leren omgaan met diversiteit en hun horizon

te verruimen binnen en buiten Europa.

36


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

De komende drie jaar richt ENLIGHT zich op vijf specifieke

thema’s: klimaatverandering, gezondheid en welzijn,

ongelijkheid, digitale revolutie, energie en circulariteit.

Zij gelden als testdomeinen voor flexibele internationale

opleidingstrajecten en als kapstok voor de ontwikkeling van

een gezamenlijke onderzoekstrategie, waarvoor de alliantie

Horizon 2020-financiering heeft verworven.

Ambities en uitdagingen

De Europese universiteiten staan hoog op de Europese

agenda. Ze vormen het brandpunt van heel wat gekende

Europese principes en instrumenten (zoals de Bolognaprincipes,

het European Credit Transfer System, automatic

recognition en joint degrees). De Europese universiteiten

moeten zich toeleggen op de verdere harmonisatie tussen

de nationale onderwijssystemen, zoals voor kwaliteitszorg

en accreditatie. Tegelijk is de verwachting dat de allianties

een aantal recente ontwikkelingen kunnen opschalen

(zoals de European Student Card en Erasmus Without Paper)

en meer nog: dat ze zelfs geheel nieuwe concepten mee

vorm geven en doorvoeren, zoals de European approach to

micro-credentials 2 en de European degree. 3

Voorbij de onderwijsdimensie gelden de Europese universiteiten

ook als pioniers van de Europese strategie voor

universiteiten, die de verbinding maakt tussen diverse Europese

beleidsdimensies: de Europese Onderzoeksruimte,

de Europese Onderwijsruimte, het Digital Education Action

Plan en de European Skills Agenda. 4 Verder is de verwachting

dat de Europese universiteiten gaandeweg een aantal processen

op elkaar afstemmen, zodat studenten en onderzoekers

optimaal gebruik kunnen maken van de best mogelijke

onderwijs- en onderzoeksomgeving.

Bij het waarmaken van deze ambities staan de allianties

voor aanzienlijke uitdagingen. Voor een doeltreffende

opsomming van de voornaamste hiervan verwijzen we

graag naar de bijdrage van Rik Van De Walle en David Bohmert

(zie pagina 33). 5 We beperken ons hier tot een enkele

aanvullende bedenking.

Hierbij zorgt de alliantie

ook voor verandering

binnen elk van onze

partnerinstellingen

De Europese financiering

die de allianties kregen

staat niet in verhouding tot

het verwachte ambitieniveau

De ontoereikende financiering vormt zonder twijfel een van

de voornaamste uitdagingen. Het staat vast dat de Europese

financiering die de allianties te beurt is gevallen lang niet

in verhouding staat tot het verwachte ambitieniveau van het

European Universities Initiative. Sommige landen hebben

daarom besloten om bijkomende financiering ter beschikking

te stellen, omdat het in hun belang is dat universiteiten

de ambities van de Europese universiteit en de eigen strategische

doelen op het gebied van onderwijsinnovatie, onderzoek

en internationalisering zo goed mogelijk op één lijn

brengen. Nederland en Vlaanderen blijven op dit vlak nog

wat achter, maar hopelijk komt hierin nog verandering.

Maar we moeten ook voorbij de investering kijken: de ontwikkeling

van ENLIGHT vraagt ook een inspanning van

alle geledingen binnen onze universiteiten. Om te kunnen

slagen in haar langetermijnopzet moeten we de alliantie verankeren

in al onze processen en activiteiten. Die horizon en

schaalgrootte staan haaks op de rigide projectlogica achter

het Europese initiatief. De allianties vragen terecht tijd en

ruimte om te kunnen groeien. Daarbij mogen we niet vergeten

dat onze universiteiten in het afgelopen anderhalf jaar

alles op alles hebben moeten zetten om te blijven functioneren

en hun kerntaken te verzorgen. In tijden waarin samenwerken

enkel online mogelijk is, kon ENLIGHT niet de

voorziene start nemen. In de onderliggende onderwijsconcepten

van de alliantie speelt digitalisering een belangrijke

rol om studenten een flexibele en persoonlijke leeromgeving

aan te bieden. Alleen is de versnelde digitalisering tijdens

de pandemie niet in een doordacht proces verlopen.

Van bij het prille begin heeft ENLIGHT een transformatieproces

in gang gezet. De Europese financiering verhoogt de

institutionele draagkracht. Veel van de ideeën en principes

voor samenwerking waren reeds aanwezig in het U4Societyconsortium,

maar konden los van een specifiek en bindend

financieringskader niet tot uitvoering komen. Hierbij zorgt

de alliantie ook voor verandering binnen elk van onze

partnerinstellingen. Het European Universities Initiative

dwingt immers elke deelnemer om na te denken over de

implementatie binnen de eigen instelling, zodat ENLIGHT

37


TH MA 4-21

Europese universiteiten

doordringt in de structuren en processen van elke partneruniversiteit.

Elk bestuur heeft zich akkoord verklaard over

de gezamenlijke strategie en erkent de meerwaarde van het

verregaande engagement. Maar misschien nog belangrijker

is dat de centrale diensten en faculteiten mee de motor uitmaken

van de geïntegreerde aanpak van ENLIGHT, die aan

de kern raakt van het onderwijs- en onderzoeksproces. Zoals

de Europese universiteiten het brandpunt vormen van heel

wat gekende Europese principes en instrumenten, verbindt

ENLIGHT ook heel wat agenda’s binnen elke instelling.

Global Engagement Module

Voor ENLIGHT-studenten is het belangrijk dat ze het volledige

interculturele potentieel van het consortium kunnen

benutten in het onderwijs. Naast het creëren en openstellen

van gezamenlijke disciplinespecifieke cursussen in de vijf

ENLIGHT-kernthema’s ontwikkelen de RUG en UGent een

‘Global Engagement Module’, waarin studenten van alle

partners algemene, disciplineoverstijgende competenties

kunnen verwerven. Zulke competenties zijn nodig op de

globale arbeidsmarkt om te kunnen bijdragen aan de oplossing

van complexe maatschappelijke uitdagingen.

Doel

De Global Engagement Module heeft als hoofddoel studenten

kennis te laten maken met de competenties die nodig

zijn om binnen internationale teams aan grote uitdagingen

te werken. Deze competenties zijn opgebouwd uit:

• begrip van historische ontwikkelingen en contemporaine

concepten op het gebied van global engagement,

wereldburgerschap, diversiteit en inclusiviteit;

• vaardigheden om succesvol samen te werken in internationale

teams, met respect en waardering voor

diversiteit, uiteenlopende perspectieven en disciplinaire

verschillen;

• een actieve houding in het verwerven van kennis en

inzicht, het formuleren van vragen en uitdagingen en

willen bijdragen aan de oplossingen;

• het accepteren van de benodigde waarden, zoals

Zodra de studenten

zich welkom voelen in

het onderwijssysteem,

is actief leren het adagium

openheid, menselijke waardigheid, rechtvaardigheid en

academische vrijheid.

Het is bekend dat het leren werken in groepen, het leren

verwerken en vooral geven van feedback en het voeren van

discussies en debatten sterke onderwijskundige instrumenten

zijn om deze competenties te verwerven.

Strategische link

De onderwijsvisie achter de Global Engagement Module is

sterk verbonden met de onderwijsstrategie van Gent en Groningen.

Beide universiteiten stellen onderzoeksgedreven

onderwijs, het gebruikmaken van digitale leermiddelen en

aandacht voor de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen

als speerpunten. De strategie laat zich eenvoudig beschrijven

in drie onderwijskundige stappen:

1. Inclusief onderwijs: iedere student die wil en kan meedoen,

moet zich welkom voelen. Diversiteit aan achtergronden

en opvattingen van studenten en docenten

beschouwen we als een verrijking voor iedere vorm van

onderwijs en is in een programma over Global Engagement

zelfs een vereiste.

2. Actief leren: zodra de studenten zich welkom voelen in

het onderwijssysteem, is actief leren het adagium. Als een

student zichzelf eigenaar voelt van het leerproces, leidt dit

tot effectiever onderwijs.

3. Persoonlijke feedback: als studenten actief zijn in het

onderwijs en zich eigenaar voelen van het eigen leerproces,

is het geven van tijdige persoonlijke feedback, zowel

door medestudenten als door docenten, van groot belang.

Voor de RUG zijn de gevolgde visie en aanpak van de Global

Engagement Module een blauwdruk voor de toekomstige

onderwijsontwikkeling. Ze brengen een aantal eerder

genomen Groninger initiatieven bijeen, zoals het werken

in leergemeenschappen, de activering van studenten en

de international classroom. ENLIGHT sluit verder nauw

aan bij het Strategisch Plan 2021-2026 van de universiteit,

dat sterk inzet op interdisciplinair onderwijs gericht op

maatschappelijke thema’s en op het verbinden van het

lokale en internationale perspectief. De RUG wil studenten

voorbereiden op een toekomst met grote onzekerheden en

sociaal-maatschappelijke uitdagingen. Daartoe heeft de universiteit

een viertal ‘Schools’ opgericht om interdisciplinair

samenwerken te stimuleren rond de maatschappelijke thema’s

gezondheid, digitalisering, energie en duurzaamheid.

Tevens werkt de RUG nauw samen in de regio met andere

kennisinstellingen, maatschappelijke partners en het

bedrijfsleven in een overkoepelende alliantie, de ‘Universiteit

van het Noorden’. Het in de Schools ontwikkelde onderwijs

zal voortbouwen op de ervaringen binnen ENLIGHT.

Connectie met onderzoek en maatschappelijke partners

In de Global Engagement Module leren studenten eerst

over historische ontwikkelingen en eigentijdse visies op

global engagement, wereldburgerschap, diversiteit en

38


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

Van studenten vraagt

een cursus als de Global

Engagement Module

de nodige creativiteit

Engagement-badge ontvangen. Net als bij microcredentials

bevat deze badge een gedetailleerde beschrijving van

de cursus en van de verworven kennis en competenties.

De ontwikkeling van kennis over microcredentials zal de

RUG verder benutten om de kinderziekten eruit te halen.

Tevens kan deze ontwikkeling helpen om snel de noodzakelijke

duidelijkheid over een Europese ruimte voor microcredentials

te creëren.

In een volgende stap naar een volgroeide Europese universiteit

is het noodzakelijk dat het consortium zelf de kwaliteitszorg

draagt. Dit geldt zeker als ENLIGHT niet alleen

individuele cursussen aanbiedt, maar in de nabije toekomst

ook volwaardige Europese diploma’s.

inclusie. Vervolgens brengen ze deze concepten zelf in

diverse interdisciplinaire teams in de praktijk aan de hand

van een concreet wetenschappelijk vraagstuk waar maatschappelijke

partners van de universiteit mee worstelen.

De onderwerpen komen voort uit de interdisciplinaire

onderzoeksspeerpunten en hangen nauw samen met de

Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen. Zo heeft de RUG

een groot onderzoeksprogramma rond gezond ouder

worden. In de Global Engagement Module kunnen studenten

uit het hele ENLIGHT-consortium zowel online

als fysiek in Groningen werken aan een deelvraag van dit

omvangrijke wetenschappelijke veld. Met andere uitdagingen,

zoals duurzame energie en inclusieve samenlevingen,

kunnen studenten aan de slag in de eerste editie van de

module in het voorjaar van 2022 in Gent en Göttingen.

Van studenten vraagt een cursus als de Global Engagement

Module de nodige creativiteit. Binnen de door onderzoekers

en maatschappelijke partners aangedragen brede uitdaging

dienen studenten in hun groep het probleem af te bakenen

en een richting te bepalen voor een mogelijke bijdrage.

Dit proces kan op vele verschillende manieren verlopen,

zoals in het zogeheten Double Diamond-model, waarin je

eerst het probleem ontdekt, vervolgens het veld en het probleem

definieert en daarna mogelijke oplossingen bedenkt

en aandraagt. Van de docenten vraagt de cursus dat zij meer

als coach functioneren dan als overdrager van informatie;

bij de beoordeling is het gevolgde proces immers net zo

belangrijk als het geleverde eindproduct.

Flexibele en persoonlijke leertrajecten

Een belangrijk onderdeel in de onderwijsstrategie van de

RUG is het aanbieden van een flexibele en persoonlijke

leeromgeving, zodat specifieke vaardigheden en competenties

beter zichtbaar worden en we ze (op termijn) op een

duurzame manier kunnen certifiëren voor life long learners.

Binnen ENLIGHT bouwen we ervaring op rond microcredentials

en edubadges. Hiermee draagt de RUG bij aan

meer vraaggestuurd flexibel onderwijs. Studenten krijgen

niet alleen de studiepunten van de RUG, via de normale

kanalen, maar kunnen via SURF ook een ENLIGHT Global

Kantelpunt

Van bij het prille begin stelde de raad van bestuur van de

UGent dat het de ambitie moet zijn om ENLIGHT niet

louter als een internationaliseringsproject te beschouwen,

maar als een manier om in te zetten op toekomstbestendig

onderwijs, gestoeld op criteria uit diverse Europese

beleidsagenda’s. We staan momenteel, versneld door de

coronapandemie, op een kantelpunt wat betreft transformatie

van het hoger onderwijs, ingegeven vanuit economische,

sociale, ecologische en maatschappelijke noden.

Op die manier willen we als universiteit een antwoord

bieden op deze uitdagingen en onze onderwijsvisie en ons

onderwijsbeleid grondig aanpassen, om het toekomstbestendige

karakter van het onderwijs te blijven garanderen

en hierin een duurzame voorsprong te nemen via een toekomstbestendig

en wendbaar opleidingsportfolio. Daartoe

zullen we de UGent-curricula in de komende vijf jaar tegen

het licht houden van deze vijf criteria:

• Biedt de opleiding een weloverwogen balans van leerkansen

voor enerzijds het verwerven van disciplinespecifieke

competenties, die heel belangrijk blijven,

maar anderzijds ook het verwerven van de aan belang

winnende generieke competenties (de idee van de

‘T-shaped professional’ 6 )?

We willen zo een antwoord

bieden op deze uitdagingen

en onze onderwijsvisie en ons

onderwijsbeleid aanpassen

39


TH MA 4-21

Europese universiteiten

• Biedt de opleiding voldoende mogelijkheden voor een

inter-, multi- of transdisciplinaire invulling van het curriculum,

waarbij studenten uit verschillende disciplines

met elkaar in interactie gaan?

• Heeft de opleiding het ‘steppingstoneprincipe’ systematisch

geïntegreerd voor het gradueel, doorheen de

studieloopbaan verwerven van internationale en interculturele

competenties?

• Is de opleiding ingebed in de maatschappij, in die mate

dat ze in overeenstemming is met toekomstige maatschappelijke

noden, gebaseerd op real-life challenges en

biedt ze studenten mogelijkheden tot maatschappelijk

engagement en stages?

• Staat de student in de opleiding centraal? Biedt de opleiding

flexibele leerkansen en leerwegen, zodat het voor

studenten mogelijk is hun opleiding competentiegericht

te personaliseren? Is er aandacht voor zelfsturing en

begeleiding van de student?

ENLIGHT faciliteert het in de praktijk brengen en aftoetsen

van deze algemene Europese principes in grote mate.

Gefaseerd wil de UGent de volgende concrete doelstellingen

realiseren:

• ontwikkelen van een visie en methodieken voor het

inbedden van de vijf toekomstbestendige criteria in de

UGent-opleidingen op basis van innovatie in leerresultaten,

programma en toetsing;

• uitwerken van initiatieven voor professionalisering

van opleidingen en lesgevers bij het implementeren

van toekomstbestendig onderwijs en voorzien in

hands-on-begeleiding;

• implementatie, monitoring en evaluatie van deze toekomstbestendige

curricula in twintig geselecteerde en

over de faculteiten gediversifieerde pilotopleidingen.

De acties naar vernieuwing en optimalisatie van de opleidingen

hebben de UGent-studenten als primaire doelgroep

(in de brede zin van het woord, dus ook alle betrokkenen in

onze initiatieven op het vlak van een leven lang leren).

Daarbij zullen we ons

richten op zowel de

leerresultaten als het

programma en de toetsing

Staat de student in de

opleiding centraal? Is er

aandacht voor zelfsturing en

begeleiding van de student?

Om alle UGent-opleidingen in de komende jaren tegen

het licht te houden, zal de universiteit op twee sporen

inzetten: enerzijds op de ontwikkeling van een visie en

methodieken voor opleidingen en anderzijds op de implementatie,

monitoring en evaluatie van de toekomstbestendige

criteria in een aantal geselecteerde opleidingen of

opleidingsonderdelen.

Voor elk van de vijf toekomstbestendige criteria zullen we

vooreerst aan visieontwikkeling doen, alsook inzetten op

de ontwikkeling van een methodiek om te meten in welke

mate elk criterium reeds aanwezig is en van een concrete

implementatiestrategie (hoe je mogelijkheden kunt creëren

om dit te realiseren). Daarbij zullen we ons richten op zowel

de leerresultaten als het programma (inhoud, werkvormen

et cetera) en de toetsing. Dit zal ontegensprekelijk ook een

impact hebben op het UGent-competentiemodel (2015), het

kader waaraan alle UGent-opleidingen de opleidingsspecifieke

leerresultaten dienen af te toetsen. Een actualisering

dringt zich op om dit model ook toekomstgericht te kunnen

hanteren. Deze universiteitsbrede conceptuele uitwerking

van toekomstbestendige opleidingen zal zich specifiek (wat

de vijf criteria betreft) richten op de volgende elementen.

Een eerste groep van twintig geselecteerde early adopters

zal tijdens de looptijd van het project beginnen met de

implementatie van de toekomstbestendige criteria. Deze

twintig projecten beschouwen we als proeftuinen; centrale

medewerkers bieden ondersteuning bij het implementeren,

monitoren en evalueren via trainingen en begeleiding op

maat. Zij zullen optimaal gebruik kunnen maken van de

mogelijkheden binnen het ENLIGHT-consortium, zoals het

inbedden van disciplinespecifieke korte opleidingstrajecten

binnen de vijf ENLIGHT-kernthema’s of de disciplineoverstijgende

Global Engagement Module, of het opnemen van

real-life uitdagingen van de ENLIGHT Regional Academies,

die samenwerking tussen externe partners en de onderwijsinstellingen

moeten stimuleren en waarin studenten uit

verschillende instellingen samenwerken.

40


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

In beweging

Met ENLIGHT staan we nog maar aan het begin van een

lang transformatieproces. Maar nu al stellen we vast dat de

alliantie zaken in beweging zet binnen elk van onze partnerinstellingen,

die op hun beurt de dynamiek van onze

bestaande samenwerkingsverbanden, zoals U4Society, naar

een hoger niveau tillen door een kader te bieden voor verdere

integratie.

Voor RUG en UGent is ENLIGHT een welkome opportuniteit

om een volgende stap te zetten in het innoveren en

internationaliseren van het onderwijs. De alliantie zorgt

voor methodieken, proeftuinen, financiering en acceleratie

om ons onderwijs uit te rusten voor de noden en uitdagingen

van de toekomst en om een flexibel kader te ontwikkelen

dat studenten en levenslang lerenden in staat stelt

op een laagdrempelige manier een internationale ervaring

op te doen.

De transformatie begint bij concrete acties die we moeten

opschalen en die uiteindelijk deel moeten worden van de

strategie van de instelling. ENLIGHT is geen eindig en losstaand

project, maar moet doordringen in alle geledingen

van onze universitaire gemeenschap en in onze organisatiecultuur.

Op die manier zal de alliantie ook een verdere

integratie toelaten op vlak van kwaliteitszorg, internationale

rekrutering, onderzoeksinfrastructuur en zo veel meer.

Dit is een werk van lange adem en vereist het wegnemen

van een aantal nationale belemmeringen. We hopen dan

ook dat de Europese Unie en de nationale overheden deze

ambitie via een gezamenlijk optreden op een duurzame

manier zullen ondersteunen. Enkel op die manier zullen

de Europese universiteiten het onderwijslandschap blijvend

veranderen en de competitiviteit van de Europese Hogeronderwijsruimte

structureel versterken.

Noten

1 Negen brede Europese universiteiten zijn bij ENLIGHT aangesloten: de Universiteit

van Baskenland in Spanje, de Universiteit van Bordeaux in Frankrijk, de Comenius-

universiteit Bratislava in Slowakije, de National University Ireland Galway in Ierland,

UGent in België, de Universiteit van Göttingen in Duitsland, de Universiteit van Tartu

in Estland, de Uppsala-universiteit in Zweden en de Rijksuniversiteit Groningen in

Nederland.

2 ec.europa.eu/education/education-in-the-eu/

european-education-area/a-european-approach-to-micro-credentials_en

3 ec.europa.eu/education/education-in-the-eu/

european-education-area/a-european-approach-to-micro-credentials_en

4 Zie ec.europa.eu/education/education-in-the-eu/european-education-area_en;

ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=1223&langId=en

5 Zie voor een analyse van de voornaamste uitdagingen inzake governance en de invloed

van de allianties op institutionele processen Estermann, T., Bennetot Pruvot, E. & Stoyanova,

H. (2021), ‘Evolving models of university governance. The governance models

of the European University Alliances’, EUA. eua.eu/resources/publications/

963:evolving-models-of-university-governance.html.

6 Zie ook VLOR (2019), ‘Uitdagingen en kansen voor een toekomstgericht hoger

onderwijs’.

Mervin Bakker

is hoofd International Strategy & Relations aan de

Rijksuniversiteit Groningen

Gijs Coucke

is beleidsadviseur Internationalisering en uitvoerend secretaris

van ENLIGHT aan UGent

Frederik De Decker

is afdelingshoofd Internationalisering aan UGent

Elmer Sterken

is hoogleraar monetaire economie en voormalig rector

magnificus van de Rijksuniversiteit Groningen

41


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Er is flinke druk nodig

Van der Wende

V

erbazing alom toen de Franse president

Emmanuel Macron in 2017 het European

Universities Initiative aankondigde. Wat nu:

oude wijn in nieuwe zakken? Niets geleerd

van voorgaande pogingen? Argwaan ook: Frans centralisme,

topdowninterventie van de Europese Commissie in een

sector (onderwijs) waar ze niet over zelf gaat? Ach, zegt nu

een oud-medewerker van de Commissie, ‘wellicht wederom

une fausse bonne idée’.

Inmiddels zijn 41 allianties ontstaan uit twee aanvraagrondes,

waarin tweederde van de voorstellen werd afgekeurd.

Groei is voorzien met vijf nieuwe per 2022, naar uiteindelijk

zo’n zestig allianties met minimaal negen deelnemers.

Wat betekent deze clustering van zo’n 20 procent van de

instellingen voor het Europese hogeronderwijslandschap?

Een European League? Krijgen ze uiteindelijk een aparte

status (European Statute) – boven het nationale maaiveld

verheven, zoals ooit betoogd door Jo Ritzen? 1 En met of

zonder de beste universiteiten in Europa (in het Verenigd

Koninkrijk en Zwitserland)?

Een reeks diepgaande problemen is intussen in kaart

gebracht. 2 Vooral nationale wet- en regelgeving en de

zwakke competentie van de Europese Commissie om die

te doorbreken zit de allianties in de weg. Is een European

degree daarvoor de oplossing? Ook op andere gebieden ontbreken

adequate bestuurlijke en administratieve kaders.

Dat bemoeilijkt de beoogde verbinding onderwijs-onderzoek

en publiek-private samenwerking.

Ook de veronderstelde sturing op onderzoek vanuit

een institutioneel samenwerkingsverband roept vragen

op. Onderzoekssamenwerking ontstaat immers vooral

bottom- up tussen onderzoekers. 3 Bovendien zal

onderzoeks samenwerking met partners buiten het European

Universities Initiative kwantitatief altijd belangrijker

zijn voor een gevestigde onderzoeksuniversiteit dan die

erbinnen (schattingen gaan uit van maximaal 10 procent

die erbinnen zou kunnen vallen), en voor 90 procent van

de faculteiten zal dat ook in kwalitatief opzicht gelden. Uitzonderingen

kunnen uiteraard interessant en innovatief

zijn, vooral voor instellingen die hun onderzoeksfunctie

nog opbouwen. De meerwaarde van deelname lijkt dan ook

afhankelijk van de positie van een instelling binnen het

Europese hogeronderwijslandschap en van het vermogen

om de bureaucratische inspanning en hoge transactiekosten

op te brengen.

is er het risico dat universiteiten zich te volgend opstellen.

Er is flinke druk nodig om concept (what kind of network?),

condities (governance frameworks) en criteria (voor evaluatie)

van dit initiatief scherp en werkbaar te krijgen. Terwijl voor

Nederlandse instellingen tevens geldt dat dit alles vooral

niet ten koste mag gaan van de broodnodige inspanningen

op het gebied van samenwerking binnen het systeem,

tussen algemene en technische universiteiten en tussen

hogescholen en universiteiten. 4

Marijk van der Wende

is faculteitshoogleraar hoger onderwijs aan de Universiteit

Utrecht en redactielid van Th&ma

Noten

1 Ritzen, J. (2010). A Chance for European Universities. AUP.

2 Zie voor een uitgebreide bespreking het artikel van Rik Van de Walle & David Bohmert

op pagina 33.

Krijgen ze een aparte status,

boven het nationale maaiveld

verheven, zoals ooit

betoogd door Jo Ritzen?

3 Zie ‘Is European Universities Initiative helping to build EHEA?’,

universityworldnews.com

4 Advies commissie beleidsdoorlichting Hoger Onderwijs (2019), pp. 167-195.

Hoe nu verder? ‘Make the best of it, accept muddling through,

be opportunistic’, zeggen Brusselse experts. Tegelijkertijd

42


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

All universities should get more autonomy to be innovative, not only those engaged in the new European alliances,

says Anna-Lena Claeys-Kulik. ‘Limiting flexible collaboration options to just a few institutions may limit the innovation

potential of the sector as a whole.’

The future of Europe’s universities

Opportunities and limits of alliances as testbeds

Anna-Lena Claeys-Kulik

European University Association, Brussels

T

he European Universities Initiative is a unique

opportunity to strengthen university cooperation in

Europe in a time of tremendous challenges. Universities

are both subjects to and shapers of future

developments. With their missions in education, research,

innovation and culture they hold the keys that might help

humanity tackling the big challenges, but they cannot do

this alone. Countering climate change, weakening democracies

and increasing global tensions as well as using the

opportunities that lie in new technologies and social innovation

for positive change needs collaboration. Collaboration

at various levels and with different partners, within one

country or region, across borders in Europe and internationally

is already a key feature of Europe’s universities. 1 It is

also at the heart of European University Association’s

Universities without Walls – A Vision for 2030. 2

Collaboration serves different purposes, but it often has

the goal of enhancing the quality of university missions.

Collaboration is important for innovation, as it adds diversity

in perspectives and approaches and also helps to pool

resources.

Although international strategic institutional partnerships

are not a new phenomenon 3 , the European Universities

Initiative is an occasion to further enhance and deepen

university collaboration in a multilateral setting. Launched

by the European Commission in 2018/2019, the initiative

has fostered the emergence of by now 41 transnational university

alliances involving more than 280 higher education

institutions from 27 European Union Member States plus

Iceland, Norway, Serbia, Turkey and the United Kingdom.

The reasons why universities engage in such alliances are

manifold, but they tend to reflect general internationalisation

priorities of the institutions. 4 They often include the

aim of enhancing the quality through innovation in learning

and teaching, foster synergies between university missions,

build critical mass and increase the attractiveness and visibility

of the institutions involved. While much has been

done in just one to two years, it is important to bear in mind

that building collaboration, especially at such a scale, always

takes time, flexibility and continued support – not only, but

even more in the midst of a pandemic.

Role models

The political pressure is high for the alliances to deliver

quickly on their vision and objectives and beyond this to be

role models for others or ‘test beds’ experimenting with new

approaches. At policy level in some higher education systems,

this already leads to attempts of creating exceptions

for alliances from rules that otherwise continue to apply for

other universities within the system. These exceptions deal

for example with the language of instruction, the length of

studies and programme accreditation regulations for joint

programmes delivered in the framework of an alliance

under the European Universities Initiative. At present, it is

not clear why such flexibility would be limited only to joint

programmes of these alliances rather than to all joint programmes.

There can be merit in testing things before mainstreaming

them, but only with clearly defined, time-bound

43


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Even then, it means that

90 per cent of Europe’s

universities would

not be engaged

Notes

1 Claeys-Kulik, A., Jørgensen, T., Stöber, H. et al., (2020), ‘International strategic institutional

partnerships and the European Universities Initiative – Results of the EUA survey’.

2 EUA (2021). Universities without walls – A vision for 2030.

3 Claeys-Kulik, A., Jørgensen, T., Stöber, H. et al., (2020), ‘International strategic institutional

partnerships and the European Universities Initiative – Results of the EUA survey’,

p. 14.

4 Claeys-Kulik, A., Jørgensen, T., Stöber, H. et al., (2020), ‘International strategic institutional

partnerships and the European Universities Initiative – Results of the EUA survey’,

p. 13; 21.

5 Such experimentation clauses are already used in other policy fields such as the European

Union’s digital and innovation policy, where so called regulatory sandboxes may be

used to test innovative technologies, products, services and approaches.

6 For further information regarding the European policy discussions, see EUA (2021),

‘Policy input: Towards an EU strategy in support of universities’.

criteria, ensuring accessibility and transferability to all those

institutions that would wish to use it to further their work,

guaranteeing a level playing field. 5

Innovation needs diversity. To meet the challenges and

shape a positive future, it will be important to build on

Europe’s strength in diversity of institutional profiles and

approaches. This also means that institutions need collaboration

frameworks that are supportive of this diversity and

do not privilege one model over another. Currently around

5 per cent of Europe’s higher education institutions are

engaged in alliances under the European Universities Initiative

(according to the European Commission) and the European

Commission aims at expanding it to 10 per cent.

Even then, it means that 90 per cent of Europe’s universities

would not be engaged, but they collaborate in many

other ways depending on their specific profile and mission.

There is so far no reason to think that the outcomes of this

are less innovative or needed than others. Limiting flexible

collaboration options to just a few institutions in the

long run may limit the innovation potential of the sector

as a whole, and this would not be in the interest of society.

Instead, reforming regulatory and funding frameworks

to give more autonomy to all universities to be innovative

would be important. This also includes refraining from too

much top-down political steering, but rather focusing on

supporting them in fulfilling their missions. 6

Anna-Lena Claeys-Kulik

is Policy Coordinator at the European University Association

44


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

According to the Coimbra Group – a network of long-established European comprehensive, multidisciplinary universities –

the European Universities Initiative should continue promoting flexibility, creativity, bottom-up approach and inclusiveness.

‘These are success keys for implementing an ambition with respect to fostering the quality of higher education and research.’

An unprecedented but still fragile

initiative

The essential role of networks

Ludovic Thilly

Coimbra Group, Brussels

S

ince the speech of French President Macron in

September 2017 1 and the follow-up Gothenburg

EU Social Summit and December 2017 European

Council Conclusions 2 , the Coimbra Group has been

continuously involved in the development of the European

Universities Initiative.

First, as a permanent member of the Stakeholder Group set

up by the European Commission both during the design

consultation (2018-2019) and the future roll-out consultation

(2020-2021); second, as a proactive supporter to its

member universities in the preparation of their applications;

third as a platform facilitating the exchanges of experiences

Their structure has

proved to provide the

right framework to

address global challenges

and learning between its consistent universities as well as

disseminating the advances achieved through their alliances.

To date, 32 Coimbra Group universities are involved

in eight alliances (4EU+, ARQUS, CHARM-EU, Circle U.,

EC2U, ENLIGHT, EUniWell, Una Europa) and the Coimbra

Group is an Associated Partner to CHARM-EU, Circle U.,

EC2U and Una Europa.

In its effort to contribute to transforming the European

Universities Initiative into a real game changer with respect

to the creation of a single European Higher Education

and Research Area, the Coimbra Group has organised two

public workshops on the initiative since June 2020 that

were both successful in terms of attendance and level of

discussion. 3 Among the many take-away messages are

these three.

• European Universities alliances have already demonstrated

to be true game changers in the field of European

and international knowledge. Their structure has

proved to provide the right framework for universities

to address global challenges, as shown by the ways they

have been responding to the Covid-19 crisis. Structured

cooperation among alliances would be very useful and

beneficial to all parties involved.

• The financial sustainability of the alliances still remains

a major challenge, though: there is unanimity on the

fact that long-term funding support is absolutely needed

45


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Networks such as

the Coimbra Group do

and will have in the future

an essential role to play

United Kingdom from the Erasmus+ programme on the

success of the European Universities initiative is something

to be considered very seriously.

Long-established networks such as the Coimbra Group do

and will have in the future an essential role to play in ensuring

that the knowledge and innovation gained from the

implementation of the alliances are disseminated as widely

as possible and put to practice with tangible benefits to the

entire European higher education and research community.

from the European Commission and the Member

States. The alliances will not be sustainable only on the

basis of calls for proposals (Erasmus+, Horizon 2020,

Horizon Europe, et cetera).

• Policy and regulatory developments are necessary.

The European Universities Initiative provides a framework

for creating a European degree but a good balance

of European and national measures will be needed to

ensure the removal of existing barriers not only for the

first pilot initiatives, but beyond them to systemic level.

Ludovic Thilly

is a Full Professor at the University of Poitiers and Chair of the

Coimbra Group Executive Board

Notes

1 https://www.elysee.fr/en/emmanuel-macron/2017/09/26/

president-macron-gives-speech-on-new-initiative-for-europe

2 https://www.consilium.europa.eu/media/32204/14-final-conclusions-rev1-en.pdf

3 https://www.coimbra-group.eu/events/2020-open-session-on-the-european-universities-

alliances; https://coimbra2021.cuni.cz/CG21-10.html

4 https://www.coimbra-group.eu/coimbra-group-statement-on-the-rolling-out-of-the-

european-universities-initiative-after-the-pilot-phase

What should be the priorities?

In light of its experience with this initiative, and after carefully

considering the recent proposals put forward by the

European Commission for the next steps, the Coimbra

Group issued a statement in July 2021 4 where it has reiterated

some important reflections:

• The European Universities Initiative should continue

promoting flexibility, creativity, bottom-up approach and

inclusiveness. These are success keys for implementing

an ambition with respect to fostering the quality of

higher education and research;

• Coimbra Group supports the proposal that the funding

period be extended after the pilot phase to avoid any

funding gap, but there is an urgent need for a long-term

structural programmatic funding after that transition;

• The current and planned funding levels for the alliances

are still too modest, leading to a ‘danger’ that the

running of the projects (Erasmus+, Horizon 2020,

EIT, Horizon Europe, etc.) gets more attention than the

structural building of a European University;

• It is up to the Alliances to decide if they wish to extend

their membership or not; should they wish to do so, a

gradual extension should be allowed without financial

penalties to avoid destabilisation of alliances that are still

under construction;

• Coimbra Group reaffirms that research and education

are intrinsic components of research-led education and,

as such, the impact of Brexit and the withdrawal of the

46


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

Zot experiment

Huisman

J

eff Bezos nodigde me uit voor een ruimtereisje.

Ik nam zijn invitatie aan, niet wetende

dat een van de andere gasten me in een zwart

gat zou duwen. De grapjas.

Ik verstuikte mijn enkel, maar kon ook een glimp opvangen

van het hoger onderwijs in het komende decennium. Ik was

vooral benieuwd naar de stand van zaken van het European

Universities Initiative.

Eerst even de aanleiding. De Franse president Emmanuel

Macron hield in september 2017 een speech vol met holle

retoriek over Europa, democratie, migratie, ecologische

transitie en sociaal-economische hervormingen. In een

bijzin sprak hij over het creëren van Europese universiteiten,

‘réseaux d’universités qui permettent d’étudier à l’étranger et

de suivre des cours dans deux langues au moins’. Niets nieuws

onder de zon, zou je denken. Sterker nog, hij leek te refereren

aan een praktijk die al behoorlijk geïnstitutionaliseerd

was. Groot was destijds dan ook mijn verbazing dat een

jaar later de Europese Commissie met een concreet voorstel

kwam. En nog groter was de verrassing dat honderden

instellingen daadwerkelijk voorstellen indienden.

Wat gebeurde er met deze plannen? Het leek me aardig om

een ruimtereisrondje langs de velden te maken. Hieronder

de hoofdpunten van mijn bevindingen.

Twaalf consortia gooiden de handdoek in de ring. Ze kozen

voor het Engels als voertaal in het netwerk, maar hielden

onvoldoende rekening met de Europese varianten van

deze taal. Omdat partners in het tengels, bengels, hengels

en zwengels communiceerden (respectievelijk de Tsjechische,

Belgische, Hongaarse en Zweedse variant), bleken ze

elkaar onvoldoende te begrijpen. Steenkolenengels bracht

geen uitkomst. Tijdens een deliberatie hoorde ik: ‘Did this

student sink? No, she hit.’ En te weinig participanten waren

het Esperanto machtig (‘C^u c^i tiu studento malsukcesis? Ne,

s^i pasis.’) Ironisch genoeg stopte het consortium BABEL

(Building a Better European Life) als eerste.

Vijfentwintig consortia staakten hun activiteiten uit financiele

overwegingen. Het bleek al snel dat ze de 5 miljoen euro

Europese subsidie voor hun netwerk binnen twee à drie

maanden hadden opgesoupeerd. Niet alleen de vele mensuren

die ze staken in vergaderingen waren problematisch,

meer nog het feit dat ze belangrijke primaire processen at

home veronachtzaamden.

Ik nam zijn invitatie aan,

niet wetende dat een

van de andere gasten me

in een zwart gat zou duwen

tot de ontdekking dat er zowel op nationaal als op Europees

niveau geen enkele ondersteuning was voor het aanpassen

van nationale en/of Europese regelgeving. Een typisch voorbeeld

van too many degrees of separation. Twee netwerken

beloofden, in een vlaag van ongebreideld optimisme, in

2030 een hernieuwde aanvraag in te dienen.

Elf consortia zegden plechtig toe een gezamenlijk plan

te ontwikkelen om green mobility te bevorderen. De Europese

Commissie tikte ze tijdens de interim-evaluatie op

de vingers, omdat ze een kostenpost (achthonderd continentale

vluchten voor overleg met partners) niet konden

verantwoorden.

Voor het bedrag dat de Commissie heeft goedgekeurd voor

reis- en verblijfskosten kunnen Bezos, Branson of Musk

me nog tien keer meenemen op een ruimtereisje. Ik weet

dat het niet SDG-proof is, maar ik zal het graag doen – in de

hoop dat ik weer vanuit de toekomst kan terugblikken op

een ander zot Europees experiment. Dit keer zonder verstuikte

enkel.

Jeroen Huisman

is hoogleraar sociologie, verbonden aan het Centre for Higher

Education Governance Ghent, UGent, en vast columnist van

Th&ma

Vier netwerken (waaronder IDEEFIXE en DREAMON)

hadden vol ingezet op de realisering van de zogenaamde

European degree. Na twee jaar onderhandelen kwamen ze

47


TH MA 4-21

Europese universiteiten

If Member States truly want to contribute to the success of the European Universities Initiative, they will need to put their

money where their mouths are, argues Kurt Deketelaere.

Time for action!

Realising the full potential of European alliances

Kurt Deketelaere

LERU, Leuven

W

ith the upcoming decisions on its full roll-out, the

honeymoon period of the European Universities

Initiative is coming to an end. The European Commission,

with support of some Member States, has

been able to transform French President Macron’s idea into

a potential game changer for the European higher education

scene. But to realise the full potential of the Initiative, and

make the efforts put into it by the universities and the alliances

so far worthwhile, more time, more support and more

funding are needed.

When the European Universities Initiative was developed in

2018, universities across Europe enthusiastically embraced

it, even though they knew from the onset that their engagement

would cost them much more than any funding would

cover. The alliances that are funded in the framework of

the Initiative are long-term, university-wide, intensive partnerships

like have never existed before. Or at least, that is

what they could become if Member States, funding and

time allow.

In May 2021, the Ministers of Education of the 27 European

Union countries met, discussed and adopted Council conclusions

on the European Universities Initiative 1 . Clearly,

these conclusions are just a repetition of mere lip service to

the Initiative. However, if Member States truly want to contribute

to the success of the European Universities, they will

need to step up their game, putting their money and action

where their mouths are.

Removing barriers

A crucial role for Member States to play in the success

story of the European Universities Initiative is the removal

of barriers that hamper cross-border collaboration, joint

degrees and the set-up of legal entities. Member States

should use the decisions on the full roll-out to proactively

engage with their universities and the European Commission,

to identify and break down these barriers. If Member

States do not play their part, the European Commission

should take legal action, aiming at eliminating national

obstacles 2 . The universities and alliances can contribute, but

they should be allowed to focus time and effort on the realisation

of their own goals.

‘The long-term success of the European Universities

depends on the ability of national policy makers and actors

to remove regulatory and administrative hurdles, which are

most often obsolete rules resulting from the historical building

of our national systems’, stated Professor Jean Chambaz,

former President of Sorbonne University and former

Chair of the League of European Research Universities,

They will need to step

up their game, putting

their money and action

where their mouths are

48


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

They risk to drown the

alliances with too many

demands and a push

towards enlargement

when he recently addressed the Directors-General for

Higher Education of the 27 European Union countries. 3

‘Cleaning up these obstacles is a necessity to build up this

open area of higher education in Europe, which we all

call for.’

Next to removing barriers, increased financial support is

absolutely needed to reinforce the existing alliances. This

funding should not only come from the European Commission

but also from all Member States. Currently, the

alliances are very much underfunded and the participating

universities that do not get any additional national funding

even more so, creating an imbalance between partners in

one alliance.

The future funding plans of the European Commission for

the 41 existing alliances are, of course, welcome. Especially

the idea of avoiding a funding gap by offering funding for

six years is applaudable. Further and increased European

Commission funding is absolutely a must, but it should

not be a given: granting funding on a competitive basis,

along the principles of quality and excellence, would

strengthen the position and credibility of the Initiative and

the alliances.

However, one part of the European Commission proposals

is puzzling, namely to financially incentivise an enlargement

of the existing alliances. A direct or indirect forced

increase of partner universities in additional countries,

before the above-mentioned barriers have been removed,

will simply be counterproductive, to say the least. Getting

to know and start working with new partners at this stage

risks to make redundant all, or a large part of the effort

put in by the alliances and their partner universities so far.

Alliances that want to enlarge should be able to do so, but it

would be unwise of the European Commission to push this

(financially).

Building takes time

colleagues need to get to know each other, challenges in

developing cross-border programmes need to be addressed

and buy-in across the university communities needs to

grow. The goals of the Initiative, and hence of the alliances,

are far too ambitious and far-reaching to be realised in a

few years’ time. Both the European Commission and the

European Council need to acknowledge this in their future

approach to the alliances and be realistic in their demands

and expectations in the short term. What the alliances

now need, next to funding and support in removing barriers,

is time.

Even though the European Commission is probably the Initiative’s

biggest fan, they risk to drown the alliances with too

many demands and a push towards enlargement. The alliances

have been set up bottom-up, and that is how they

should be allowed to grow.

Chambaz, as referred to before, underlines this point: ‘We

know that the political time and the media time are not

the academic time. But the development of the European

Universities is already a full success. An evaluation after

the first three years can be a progress update, but it cannot

require every aspect of the networks to be fully functional

in such a short amount of time. Those who did not start

should be stopped; the others have to be supported.’

Last but not least, a swift and pragmatic decision must be

taken on the list of eligible countries for the full roll-out of

the Initiative. In this context, the option of including universities

from the United Kingdom and Switzerland as full

partners, even if these would not be Erasmus programme

countries, is absolutely crucial. Intense linkages have been

existing for a very long time between universities in the

European Union and those in the United Kingdom and

Switzerland. Already, some British universities are full

partners in alliances. It would be of benefit to the European

Union to further strengthen the connections between its

own universities and those in the United Kingdom and

Switzerland, not only in research and innovation, but also

in education.

Kurt Deketelaere

is Secretary-General of LERU (League of European Research

Universities) and Professor of Law at KU Leuven

Notes

1 www.consilium.europa.eu/media/49659/st08658-en21.pdf

2 See my proposal for a European Knowledge Act: www.leru.org/news/

in-the-media-talk-is-cheap

3 www.leru.org/files/News/Jean-Chambaz-EUN-speech-08042021.pdf

Building a partnership between universities across borders,

that works and delivers, takes time. New partners and

49


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Bestaande nationale kaders voor kwaliteitsborging in het hoger onderwijs sluiten vaak niet goed aan op de nieuwe

allianties. Het is dan ook belangrijk om tijdig te bekijken hoe je belemmeringen in de regelgeving kunt wegnemen,

om zo tot een gezamenlijk kader te komen, schrijft Mark Frederiks.

Ook kwaliteitszorg moet de

grenzen verleggen

Op naar een Europese aanpak

Mark Frederiks

NVAO, Den Haag

I

n oktober 2018 lanceerde de Europese Commissie

formeel het European Universities Initiative.

Dit volgde op de conclusies van de Europese Raad

van 14 december 2017 1 , die de opkomst tegen

2024 van rond de twintig Europese universiteiten aanmoedigen,

en de conclusies van de Onderwijsraad van 22 mei

2018 2 , die benadrukken dat Europese Universiteiten een

vlaggeschiprol zouden kunnen spelen bij de totstandbrenging

van een Europese Onderwijsruimte. De Commissie

definieert Europese universiteiten als ‘transnationale

allianties van instellingen voor hoger onderwijs uit de

hele Europese Unie die een langetermijnstrategie delen,

Zij kenmerken zich door

innovatieve pedagogiek

en de nieuwste

digitale technologieën

Europese waarden en identiteit bevorderen, de mobiliteit

van studenten en personeel versterken, evenals de kwaliteit,

inclusiviteit en het concurrentievermogen van het Europese

hoger onderwijs’ 3 .

De langetermijnstrategie van deze allianties is niet gebonden

aan de onderwijsmissie, maar moet waar mogelijk

verbonden zijn met onderzoek en innovatie en met de

samenleving als geheel. De allianties zijn daarom niet

gebonden aan instellingen voor hoger onderwijs, maar

omvatten ook andere partners, zoals bedrijven en regionale

en maatschappelijke actoren. Deze partners werken samen

met studenten, academici en onderzoekers in Europese

kenniscreërende teams om samen maatschappelijke en

andere uitdagingen aan te pakken in een multidisciplinaire

benadering (ook wel de ‘challenge-based approach’).

Europese Universiteiten dienen een interuniversitaire

campus op te richten waar een diverse studentenpopulatie

kan kiezen wat en waar ze studeert, ondersteund door

flexibele, gezamenlijke, sectoroverstijgende en multidisciplinaire

curricula. Deze curricula kenmerken zich door een

innovatieve pedagogiek en de nieuwste digitale technologieën.

Externe mentoren staan studenten bij in het opdoen

van werkervaring en het ontwikkelen van een ondernemersgeest

en maatschappelijk engagement. Mobiliteit op alle

niveaus is een standaard kenmerk van de interuniversitaire

campus, waarbij het streven is dat minimaal de helft van

de studenten mobiel is binnen de alliantie. Hoewel deze

50


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

Belangrijk voor verdere

besluitvorming is de

tussenevaluatie van de

eerste zeventien allianties

mobiliteitsdoelstelling zowel een fysieke als een virtuele

of een blended vorm kan hebben, specificeren de Conclusies

van de Europese Raad van 17 mei 2021 dat fysieke

mobiliteit, zoals in de Erasmus-programma’s, voorop blijft

staan en andere vormen van mobiliteit deze niet kunnen

vervangen. 4

Het is duidelijk dat de Europese Universiteiten een ambitieus

concept betreffen dat het potentieel heeft het aanzien

van het Europese hogeronderwijslandschap ingrijpend te

veranderen. De achterliggende visie op samenwerking is er

een van toenemende integratie ondersteund door gemeenschappelijke

managementstructuren en een gezamenlijk

werkplan van activiteiten gebaseerd op de langetermijnstrategie.

De leden van veel allianties hebben ervaring

opgedaan met intensieve samenwerking in al bestaande

internationale universitaire netwerken en onderzoeks- of

onderwijsgerichte consortia die zijn opgericht in andere

Europese financieringsprogramma’s. Enerzijds kunnen

ze in de samenstelling van de allianties voortbouwen op

de ervaringen en samenwerking met een aantal van de

alliantiepartners in die netwerken; anderzijds zijn er grote

verschillen met die netwerken in missie, bereik, structuur,

inhoud en ambitie.

Een landschap waarin Europese universiteiten de Europese

kernnetwerken vormen, met daaromheen grotere netwerken

met beperktere doelstellingen waartoe ook instellingen

behoren die niet deelnemen aan een alliantie, krijgt

langzaam vorm. Hoever het institutionaliseringsproces

binnen allianties uiteindelijk reikt, zal de toekomst moeten

uitwijzen. Daarbij zijn ook duidelijke verschillen waarneembaar

tussen Europese Universiteiten voor wat betreft hun

ambitieniveau.

Testen wat werkt

Inmiddels zijn er in twee ronden in totaal 41 allianties geselecteerd

(17 in 2019 en 24 in 2020) voor deelname aan de

proeffase van een driejarig, door de Europese Unie gesubsidieerd

project; zij moeten testen welke modellen werken

voor Europese Universiteiten. Het gaat in totaal om ruim

280 instellingen, voornamelijk universiteiten maar ook een

aantal hogescholen, uit alle 27 lidstaten van de Europese

Unie, plus IJsland, Noorwegen, Servië, Turkije en het Verenigd

Koninkrijk.

Sommige allianties bestrijken vrijwel alle disciplines,

andere richten zich op bijvoorbeeld welzijn, techniek, kunsten

of maritieme studies. Een alliantie bestaat gemiddeld

uit zeven leden, met een spreiding van vier tot elf instellingen.

De Europese Commissie wil het aantal instellingen

graag uitbreiden van de huidige 5 procent naar 10 procent

van het totale aantal Europese hogeronderwijsinstellingen.

Dit kan ze bereiken door het gemiddeld aantal deelnemende

instellingen per alliantie te vergroten of door uitbreiding

van het aantal Europese Universiteiten. Belangrijk voor verdere

besluitvorming is ook de lopende tussenevaluatie van

de eerste zeventien allianties, waarvan de resultaten tegen

het eind van 2021 worden verwacht.

Voor elk van de 41 allianties is maximaal 5 miljoen euro

startgeld van de Europese Commissie beschikbaar voor de

proeffase van drie jaar, plus een subsidie van 2 miljoen euro

uit het Horizon 2020-programma ter ondersteuning van de

onderzoeks- en innovatiedimensie van de gezamenlijke langetermijnstrategie.

Europese universiteiten hebben gemeld

dat deze Europese subsidie slechts een deel (wellicht niet

meer dan 15 procent) van de opstartkosten dekt. De Commissie

is van plan het initiatief volledig uit te voeren onder

de programma’s Erasmus+ 2021-2027 en Horizon Europe.

Tevens pleiten de eerdergenoemde Conclusies van de Europese

Raad voor synergie met andere Europese programma’s

en bedenken ze de Europese Universiteiten een belangrijke,

transformerende rol toe binnen de Europese Onderwijs- en

Onderzoeksruimte en de Europese Hogeronderwijsruimte

(het Bolognaproces). Ook halen de Conclusies de lopende

Europese studie aan naar de haalbaarheid van Europese

graden die de allianties kunnen aanbieden.

De huidige realiteit is dat Europese Universiteiten hun

ambities en de aan hen gestelde hoge verwachtingen

moeten waarmaken in een uitdagende, soms sceptische

Zij hebben gemeld

dat deze Europese

subsidie slechts een deel

van de opstartkosten dekt

51


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Daarom is het belangrijk

om na te denken over hoe

je belemmeringen in de

regelgeving wegneemt

omgeving met schaarse middelen en een nationale hogeronderwijsregelgeving

die niet is geschreven voor innovatieve

transnationale allianties. Belanghebbenden zoals studenten,

werkgevers en nationale overheden zullen behoefte hebben

aan zekerheid over de kwaliteit van het aanbod van de

alliantie. Kaders voor kwaliteitsborging en nationale regelgeving

zijn alleen niet ontworpen voor Europese universiteiten.

Meerdere en deels tegenstrijdige nationale regelgeving,

kaders en kwaliteitsverwachtingen die niet passen bij de

allianties kunnen een belemmering vormen voor innovatieve

initiatieven. Daarom is het belangrijk om al in een

vroeg stadium na te denken over de wijze waarop kwaliteitsborging

de ontwikkeling van Europese universiteiten kan

ondersteunen en hoe je belemmeringen in de regelgeving

kunt wegnemen.

Leren van elkaar

In het najaar van 2018 deed zich de mogelijkheid voor een

projectvoorstel in te dienen voor Erasmus+ Key Action

3-financiering in het kader van de Bologna Peer Support

Group C on Quality Assurance. Deze intercollegiale ondersteuningsgroep

ontstond als resultaat van het ministeriële

communiqué van Parijs en bestond uit vertegenwoordigers

van 35 landen en acht organisaties van belanghebbenden.

Het DOV (Vlaamse Departement Onderwijs en Vorming),

optredend als co-voorzitter van de Peer Support Group, en

de NVAO (Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie)

namen het initiatief tot het indienen van het projectvoorstel

‘Developing a European Approach for Comprehensive

QA of (European) University Networks’ (EUniQ) 5 . Om succesvol

te kunnen zijn in het ontwikkelen van een Europese

kwaliteitszorgaanpak voor Europese Universiteiten diende

het projectconsortium zowel kwaliteitszorgorganisaties,

ministeries en Europese organisaties van belanghebbenden

te bevatten. Een andere overweging was dat de logica

van peer support het leren van elkaar mogelijk moet maken

door meer en minder ervaren kwaliteitszorg systemen

in grensoverschrijdende kwaliteitszorg aan elkaar te

koppelen.

Het consortium bestond uiteindelijk uit zeventien partners,

met het DOV als coördinator en de NVAO als projectmanager.

Daarnaast namen nog vijf ministeries uit Albanië, Bulgarije,

Frankrijk, Georgië en Roemenië deel aan het project.

Naast de NVAO waren de kwaliteitszorgorganisaties van

Armenië, Italië, Letland, Servië, Slovenië, Zweden en Zwitserland

projectpartners. Organisaties van belanghebbenden

waren in het project vertegenwoordigd door de European

Students’ Union, de European University Association en de

Europese vereniging van kwaliteitszorgorganisaties ENQA.

De Europese Universiteiten zijn betrokken door een workshop

in Rome in 2019, een viertal proefevaluaties, en bevragingen

en webinars.

De hoofddoelstelling van het project was de ontwikkeling

en het testen, met vier proefevaluaties, van een uitgebreide

methodologie voor de kwaliteitsborging van Europese universiteiten.

De kwaliteitszorgorganisaties en belangenorganisaties

die samenwerken in de Roadmap Group werkten

primair aan deze doelstelling. Een tweede doelstelling was

om zowel deze methodologie als mogelijke obstakels voor

de ontwikkeling van Europese universiteiten te analyseren

in het licht van nationale wettelijke kaders en de Standards

and Guidelines for Quality Assurance in the European Higher

Education Area (ESG). De ministeries die deelnemen aan de

Resonance Group werkten aan deze doelstelling. Aan het

eind van het project (17 november 2021) dient er een getest

en afgerond Europees kwaliteitszorgkader te zijn met een

routekaart die de weg voorwaarts toont voor de kwaliteitsborging

van Europese Universiteiten.

Het project begon in mei 2019 met een startbijeenkomst

in Cyprus. In de daaropvolgende maanden bespraken de

deelnemers de bouwstenen voor het kwaliteitszorgkader

en de selectiecriteria voor de pilots en waren er overlegvergaderingen

met geïnteresseerde allianties en de Europese

Commissie. In oktober 2019 vond een workshop in Rome

plaats met de toen geselecteerde eerste zeventien Europese

Universiteiten.

Aan het eind van het project

dient er een getest

en afgerond Europees

kwaliteitszorgkader te zijn

52


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

Grote verscheidenheid

Om meer zicht te krijgen op de strategische prioriteiten van

de allianties, de ervaren belemmeringen en de relatie tussen

interne en externe kwaliteitszorg ontvingen alle zeventien

allianties een korte vragenlijst, waarop zestien allianties

reageerden. De resultaten van deze survey zijn samengevat

in een achtergronddocument 6 en gepresenteerd tijdens de

workshop met Europese Universiteiten.

Als het gaat om de strategie is het duidelijk dat er een grote

verscheidenheid is tussen allianties, hoewel prioriteiten

vaak rond Europese waarden en identiteit draaien, waaronder

sociale en regionale betrokkenheid, participatief bestuur

en inclusiviteit. Veelal is er sprake van een uitdagingsgerichte

aanpak die onderwijs, onderzoek en bedrijfsleven

overbrugt. Flexibel leren en op maat gemaakte curricula

zijn belangrijke doelstellingen, evenals virtuele dan wel

gemengde mobiliteit, het creëren van e-learningplatforms

en het versterken van gezamenlijk onderzoek. Het geplande

nieuwe aanbod van de allianties heeft doorgaans betrekking

op gezamenlijke programma’s (joint degrees) en inter-/

multidisciplinaire cursussen, mobiele studiepaden en

gepersonaliseerde academische curricula, virtuele mobiliteit

en microcredentials, cursussen aangeboden in het Engels

en andere talen en ter bevordering van interculturele competenties,

betrokkenheid van de regionale gemeenschap

en het bedrijfsleven bij nieuw onderwijsaanbod en het

opzetten van interregionale netwerken via interinstitutionele

leergemeenschappen.

De door de allianties ondervonden belemmeringen zijn

veelal gelegen in verschillen in nationale regelgeving, automatische

erkenning van studiepunten, accreditatiesystemen

die niet geharmoniseerd zijn tussen partnerlanden, belemmeringen

voor het opstellen van gezamenlijke diploma’s

en verschillen in de autonomie en kwaliteitszorgcultuur

van universiteiten in ieders nationale context. De allianties

hebben hun beoogde interne kwaliteitszorgsysteem

vaak gekoppeld aan het Europese projectplan en projectmanagement,

waarbij ze werken aan de integratie van

interne kwaliteitszorg in het bestuursmodel van de alliantie.

Dat het interne kwaliteitszorgsysteem gebaseerd zal moeten

zijn op de ESG is meermaals genoemd. In sommige

gevallen ontwerpen allianties uitgebreide nieuwe interne

kwaliteitszorgsystemen, in andere gevallen maken ze

gebruik van reeds bestaande systemen van de aangesloten

universiteiten. Veel allianties benadrukken dat de interne

en externe kwaliteitszorg op elkaar afgestemd moeten zijn,

en dat externe kwaliteitszorg gebaseerd zou moeten zijn op

vertrouwen en gericht op verbetering.

Gericht op verbetering

Uit de workshop in Rome met de Europese Universiteiten

en projectpartners bleek dat het kwaliteitszorgkader in de

Daar namen ze een lijst

door met potentiële

experts voor de panels

in de proefevaluaties

opstartfase van Europese Universiteiten primair gericht

moet zijn op verbetering. Ook bleek dat de vier proefevaluaties

van Europese Universiteiten moeten helpen bij de ontwikkeling

van het interne kwaliteitsborgingssysteem van de

allianties. Het kader dient de verschillende strategieën van

de door de Europese Commissie geselecteerde allianties als

een gegeven te beschouwen.

Na de workshop werd het conceptkader verder uitgewerkt

waarbij allianties en projectpartners commentaar konden

geven. De projectpartners bespraken het conceptkader

opnieuw in de Roadmap Group-bijeenkomst in december

2019. Bij die bijeenkomst namen ze een lijst door

met potentiële experts voor de panels in de proefevaluaties.

De projectpartners nomineerden mogelijke experts

met ervaring in (online)onderwijs, onderzoek, innovatie,

universitair en netwerkmanagement, studentdeskundigheid,

kwaliteitszorg en internationalisering. Uit deze pool

selecteerden de coördinatoren van de kwaliteitszorgorganisaties

die de proefevaluaties uitvoerden de experts voor

hun evaluatie.

Begin 2020 kon het kwaliteitszorgkader van start gaan in

de proefevaluaties. Het bestaat uit vier evaluatiecriteria die

beschrijven wat we mogen verwachten van een volledig ontwikkelde

Europese Universiteit. Referentiepunten noemen

voor elk van de criteria de elementen die relevant zijn voor

Europese Universiteiten, rekening houdend met de terminologie

en verwachtingen van het European Universities

Initiative. De evaluatie van het ontwikkelingsstadium moet

het mogelijk maken deze verwachtingen aan te passen aan

de realiteit van het huidige vroege ontwikkelingsstadium

van de Europese universiteiten. De evaluatie vindt dus

plaats op het niveau van de alliantie, niet op dat van de

afzonderlijke instellingen, opleidingen en programma’s.

De vier criteria zijn georganiseerd rond de volgende onderling

gerelateerde vragen:

1. Wat is de visie van de Europese Universiteit op de kwaliteit

van haar onderwijs en – waar mogelijk – onderzoek,

innovatie en dienstverlening aan de samenleving?

2. Hoe zal de Europese Universiteit haar visie realiseren?

53


TH MA 4-21

Europese universiteiten

3. Hoe monitort de Europese Universiteit in hoeverre ze

haar visie daadwerkelijk realiseert?

4. Hoe werkt de Europese Universiteit aan verbetering?

5. Hoe waarborgt de Europese Universiteit de kwaliteit van

haar aanbod op internationaal geaccepteerde wijze?

De informatie die het evaluatiepanel ontvangt, moet het ontwikkelingsstadium

van de Europese Universiteit aantonen

met het oog op de criteria. Een evaluatiepanel bestond in de

proef uit drie leden, onder wie een student, en kreeg ondersteuning

van twee procescoördinatoren (een van elke coördinerende

kwaliteitszorgorganisatie). Uit de evaluatie van de

proefevaluaties is gebleken dat het panel uit ten minste vijf

deskundigen zou moeten bestaan om de voor een alliantie

vereiste breedte van deskundigheden beter tot haar recht

te laten komen. De panels nemen deel aan een eendaagse

workshop om daar te spreken over de activiteiten en waarderende

aanpak voor de evaluatie van Europese Universiteiten,

de specifieke rollen van experts en procescoördinatoren,

het door de alliantie verstrekte materiaal en het conceptprogramma

van het locatiebezoek. Uit de evaluatie bleek het

belang van een gedegen voorbereiding van de panels, ook

waar het gaat om afspraken over vraagstellingen, de begeleiding

en rapportage.

Vier allianties

Vier allianties konden deelnemen aan het testen van de ontwikkelde

methodiek:

• EUTOPIA (European Universities Transforming to an

Open, Inclusive Academy for 2050): gecoördineerd door

de nationale kwaliteitszorgorganisaties van Slovenië

(NAKVIS) en Letland (AIC);

• UNA Europa: gecoördineerd door NVAO en de nationale

kwaliteitszorgorganisatie van Servië (NEAQA);

• UNITE! (University Network for Innovation, Technology

and Engineering), gecoördineerd door de nationale

kwaliteitszorgorganisaties van Armenië (ANQA)

en Zweden (UKÄ);

Deze vergaderingen

bleken belangrijk om de

verwachtingen onderling

beter te kunnen afstemmen

• YUFE (Young Universities for the Future of Europe),

gecoördineerd door de nationale kwaliteitszorgorganisaties

van Zwitserland (AAQ) en Italië (ANVUR).

De locatiebezoeken om de allianties volgens het kader te

evalueren waren gepland voor mei en juni 2020, maar

vanwege de pandemie en de daaruit voortvloeiende reisbeperkingen

moesten we alle bezoeken ter plaatse uitstellen.

De Europese Commissie kreeg het verzoek om een verlenging

van het project met zes maanden. Uiteindelijk moesten

alle proefevaluaties online plaatsvinden in het najaar van

2020. Hoewel het onlineformat zeker niet ideaal is voor

dergelijke evaluaties, was het wel een voordeel dat er online

ook meer voorbereidende vergaderingen van het panel –

en tussen panel en alliantie – konden plaatsvinden. Deze

voorbereidende vergaderingen bleken belangrijk om de

verwachtingen over de evaluatie onderling beter te kunnen

afstemmen. Het inplannen van online voorbereidende vergaderingen

zou dan ook zeker bij toekomstige evaluaties

een plaats moeten krijgen.

Na de gevoerde gesprekken stelden de evaluatiepanels vier

rapporten op met relevante bevindingen, een analyse en

de conclusies over de criteria. De in het Engels geschreven

rapporten bevatten ook aanbevelingen voor de verdere

ontwikkeling van de Europese Universiteiten. Die kregen

de gelegenheid om de conceptversie van het evaluatierapport

in te zien en eventuele feitelijke fouten eruit te

halen. Gezien het proefkarakter blijft het volledige rapport

van het panel vertrouwelijk. De samenvattingen van het

panelrapport zijn wel in januari 2021 gepubliceerd op de

EUniQ-projectwebsite 7 .

Verschillen in perspectief

De proefevaluaties en het gebruikte kwaliteitszorgkader zijn

geëvalueerd met de inbreng van de betrokken allianties,

panels en kwaliteitszorgorganisaties. In maart 2021 heeft

bovendien een evaluatiebijeenkomst plaatsgevonden met

alle betrokkenen van de proefevaluaties en met de projectpartners.

De resultaten zijn vervolgens gepresenteerd

tijdens een webinar met een breed publiek, waaronder veel

vertegenwoordigers van Europese Universiteiten.

Een terugkerend punt in de evaluaties bleek de verschillen

in perspectieven: het langetermijnperspectief van de alliantie

(waarop het EUniQ-kader is gebaseerd) en het kortetermijnperspectief

van de alliantiepartners die de aanzienlijke

taak hebben om binnen drie jaar een Europese Universiteit

van de grond te tillen. En dit binnen het driejarige Europese

projectkader waaraan ze zich hebben gecommitteerd

en waardoor de langetermijnstrategie niet altijd helder is.

Juist daarom is het belangrijk dat evaluaties van Europese

Universiteiten het langetermijnperspectief combineren met

het besef van de actuele opgaven waarvoor de alliantie staat,

54


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

wat een geleidelijke ontwikkeling en continue verbetering

impliceert.

Op basis van deze inbreng en suggesties van de Resonance

Group heeft de Roadmap Group aanpassingen van het

kader besproken. Een aantal van deze aanpassingen hebben

we hierboven genoemd. Belangrijk is dat het kader de

verbeteringsdoelstelling blijft dragen maar ook voldoende

ruimte biedt voor ESG-conforme Europese evaluaties, zodat

nationale kwaliteitszorgorganisaties de uitkomsten hiervan

kunnen gebruiken ter ondersteuning van de nationale kwaliteitszorgprocedures.

Zo zou een evaluatie uitgevoerd met

het Europese kwaliteitszorgkader voor Europese Universiteiten

ertoe kunnen bijdragen dat je in nationale instellingsen

opleidingsbeoordelingen van alliantiepartners niet meer

hoeft te kijken naar het onderwijs dat de alliantie verzorgt.

Voor de alliantie als geheel zou dat, gezien de verschillende

nationale procedures en kaders, een aanzienlijke verlichting

betekenen. Daarvoor is het wel van belang dat een valide,

betrouwbare kwaliteitszorgorganisatie, opgenomen in het

Europese register van kwaliteitszorgorganisaties (EQAR), de

Europese evaluatie uitvoert.

Het aangepaste Europese kader, een voorstel voor de

implementatie en de ministeriële overwegingen van de

Resonance Group zijn door NVAO en DOV gepresenteerd

tijdens de eindconferentie van het EUniQ-project op 27 september

2021 8 . Na de feedback van de deelnemers aan het

congres hebben de projectpartners de documenten gefinaliseerd

voor het einde van het project in november 2021.

Dit vormt een belangrijke bijdrage aan de kwaliteitsverbetering

en -borging van de Europese Universiteiten.

Mark Frederiks

is coördinator internationalisering van de Nederlands-Vlaamse

Accreditatieorganisatie (NVAO), afdeling Vlaanderen

Noten

1 www.consilium.europa.eu/media/32204/14-final-conclusions-rev1-en.pdf

2 data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-8701-2018-INIT/en/pdf

3 ec.europa.eu/education/education-in-the-eu/european-education-area/

european-universities-initiative_en

4 Raad van de Europese Unie, Council conclusions on the European Universities initiative

– Bridging higher education, research, innovation and society: Paving the way for a new

dimension in European higher education, Brussel, 17 mei 2021.

5 www.nvao.net/en/euniq

6 www.nvao.net/files/attachments/.1881/Background-Paper-for-the-EUniQ-Rome-

Workshop-23-24-October-2019.pdf

7 www.nvao.net/nl/euniq-pilot-evaluation-reports

8 www.nvao.net/en/agenda/2021/9/euniq-online-dissemination-conference

55


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Hogeschool Van Hall Larenstein is een van de twee Nederlandse hogescholen die zijn geselecteerd voor het

European Universities Initiative. Volgens directeur Onderwijs Ruth van der Beek biedt deelnemen aan een alliantie

een enorme meerwaarde.

De deur naar de wereld openzetten

Verbreding door structurele samenwerking

Ruth van der Beek

Hogeschool Van Hall Larenstein

I

nternationaal georiënteerd als ze is heeft Hogeschool

Van Hall Larenstein (HVHL) nooit te klagen

over een gebrek aan buitenlandse contacten. Integendeel,

jaarlijks vliegen HVHL-studenten uit naar

alle windstreken, zodat ze zich kunnen onderdompelen

in en kunnen leren van andere werelden. Ook komen tal

van buitenlandse studenten naar Nederland om bij HVHL

in Leeuwarden en Velp opleidingen te volgen. Toch heeft

dat de hogeschool er niet van weerhouden om het door de

Europese Raad geïnitieerde European Universities Initiative

te omarmen. Met succes, want de instelling behoort, samen

met NHL Stenden, tot de slechts twee Nederlandse hogescholen

die te horen hebben gekregen dat ze met vlag en

wimpel zijn toegelaten.

Mijn eerste kennismaking met het European Universities

Initiative was via een collega die er enthousiast over vertelde.

Vervolgens wees ook een partneronderwijsinstelling

in Europa me erop. Zodoende is het balletje gaan rollen.

Dat resulteerde in een samenwerkingsverband van onze

hogeschool met de Slovak University of Agriculture in Nitra

in Slowakije, de Karelia University of Applied Sciences in

Finland, de University of Agribusiness and Rural Development

in Bulgarije en de University of Thessaly in

Griekenland. Dit samenwerkingsverband kreeg de naam

Innovations of Regional Sustainability (INVEST) en heeft

als bindende factor het groene en het blauwe domein.

De alliantie INVEST beoogt nieuw bachelor-, master- en

PhD-onderwijs te bieden in zeer (bio)diverse regio’s, en

krijgt in praktijk en onderzoek ondersteuning van regionale

living labs.

Dat zorgt voor andere

accenten, voor een

frisse kijk, voor

nieuwe inzichten

Van elkaar leren

De reden om vooral binnen Europa meer en vooral structurele

samenwerkingen aan te gaan met inhoudelijk gelijkgestemde

universiteiten is voor mij duidelijk. Verbreding,

in de breedste zin van het woord. Want door nauwer samen

te werken kunnen we makkelijker kennis uitwisselen en

ervaringen delen, kunnen we elkaars werkwijzen en leermethodieken

benutten. Zo kunnen zowel studenten als

docenten, onderzoekers en lectoren ogenschijnlijk identieke

vraagstukken van verschillende kanten benaderen, vanuit

verschillende (onderwijs)culturen. Dat zorgt voor andere

accenten, voor een frisse kijk, voor nieuwe inzichten. En die

56


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

Voor we samen echt

één Europese universiteit

zijn, moeten we nog

vakgebieden en studierichtingen. Die extra dimensie, die

mogen wij geen van onze studenten onthouden.

Ruth van der Beek

is directeur Onderwijs van Hogeschool Van Hall Larenstein, Velp

heel wat werk verzetten

kunnen, hoewel ze aanvankelijk van toepassing waren op

een andere situatie, in een ander land, wel degelijk ook van

nut zijn op de situatie in eigen land. We leren van en met

elkaar, we inspireren elkaar, waardoor we echt van waarde

kunnen zijn voor de duurzame transitie in Europa en daarbuiten.

Daar zit ’m de winst.

In mijn ogen onderstreept HVHL door de deelname aan

INVEST eens te meer de wil om een van de beste groene

hogescholen in Europa te zijn. Een hogeschool die mede

dankzij deelname aan de alliantie een duidelijke kwaliteitsslag

maakt in onderwijs en onderzoek, die door innovatieve

oplossingen via praktijkgericht onderzoek in Europa nog

meer een voorloper wordt. En een hogeschool die zich door

het bieden van breed georiënteerde, innovatieve transitieexperts

regionaal nog meer kan onderscheiden. Voor HVHL

biedt INVEST een en al toegevoegde waarde.

We zijn met volle overtuiging in dit initiatief gestapt.

Nu, een jaar verder, zijn we alleen maar meer overtuigd van

de potentie en hoe we die het best kunnen benutten. Maar

laat ook duidelijk zijn dat we nog maar aan het begin van

het proces staan. Onze Europese universiteit staat nog in de

kinderschoenen, en die hebben nog heel wat drempels te

nemen. Er zijn zichtbare drempels, zoals de verschillen in

wet- en regelgeving op het gebied van onderwijs tussen de

landen van onze partnerinstellingen; die kunnen de internationale

samenwerking en uitwisseling in de weg staan.

Maar er zijn ook minder zichtbare drempels, zoals cultuurverschillen

en verschillende belangen die in de onderstroom

meespelen. Dus voor we samen echt één Europese universiteit

zijn, moeten we nog heel wat werk verzetten.

Extra dimensie

Of het nu in Leeuwarden is of in Velp, voor studenten die

zich aanmelden bij HVHL gaat de wereld open, de wereld

van duurzaamheid en van verantwoordelijkheid nemen voor

de toekomst. Als Europese universiteit, als INVEST, zetten

wij de deur naar die wereld alleen nog maar wijder open.

De samenwerkingen worden intenser, de uitwisselingen

effectiever. Dat geeft een extra dimensie aan elk van onze

57


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Binnen de alliantie RUN-EU werkt NHL Stenden Hogeschool samen met zeven partnerinstellingen in Europa.

Bestuursvoorzitter Erica Schaper had er vanaf het begin een goed gevoel bij. ‘We willen onze studenten een

Europese onderwijsomgeving kunnen bieden.’

Dit zou weleens een buitenkans

kunnen zijn

Inzetten op innovatie en internationale ervaring

Marijke Hoekstra

NHL Stenden Hogeschool

B

egin 2020 rondde NHL Stenden Hogeschool een

succesvolle aanvraag af bij het European Universities

Initiative. Daarmee is de hogeschool,

naast Hogeschool Van Hall Larenstein, de eerste

Nederlandse instelling voor hoger beroepsonderwijs die

deelneemt aan een alliantie. Met het RUN-EU-netwerk

(Regional University of Europe), waarbinnen NHL Stenden

met zes andere Universities of Applied Sciences en één

reguliere universiteit uit Europa een diepgaande samenwerking

aangaat, breidt de hogeschool de mogelijkheden

voor haar studenten op het gebied van internationalisering

verder uit.

‘Soms moet je dingen een beetje intuïtief doen’, zegt Erica

Schaper, voorzitter van het college van bestuur van NHL

Stenden Hogeschool. ‘Gevoelsmatig dacht ik meteen: dit

zou weleens een buitenkans kunnen zijn.’

Samen met de andere deelnemende Universities of Applied

Sciences van het RUN-EU-netwerk begon NHL Stenden in

2019 te schrijven aan een voorstel. Schaper: ‘Er zijn genoeg

universiteiten die ook een poging hebben gedaan, maar het

grootste deel wordt afgekeurd. Omdat we ons als netwerk

hebben gericht op innovatie en nieuwe vormen van uitwisseling,

is het ons uiteindelijk gelukt. Vlak voor het begin

van de coronacrisis hoorden we dat we de subsidie toegekend

kregen. Daar waren we ontzettend blij mee.’

Volgens Schaper bevond NHL Stenden zich als University

of Applied Sciences in een goede positie voor een succesvolle

aanvraag. ‘De Europese Commissie vindt bijdragen

aan innovatie een belangrijke factor. Dat is voor reguliere

universiteiten veel lastiger. Wij hebben als hogeschool veel

meer verbinding met bedrijven en met de regio, waarmee

we in ons onderwijs inzetten op innovatie. Dat past goed

in het plaatje dat de Europese Commissie schetst. Binnen

al die Europese universiteiten, waarbij het in de meeste

gevallen research universities betreft, nemen wij dus een specifieke

plaats in.’

Vlak voor het begin

van de coronacrisis

hoorden we dat we

de subsidie kregen

58


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

Het is voor ons heel

belangrijk dat landen die

credits gemakkelijk over

en weer erkennen

Daarnaast sluit het netwerk naadloos aan bij de Strategic

Partnership Policy van NHL Stenden, waarmee de hogeschool

inzet op het creëren van internationale ervaringen

voor alle studenten. Met het RUN-EU-netwerk hoopt

NHL Stenden naar een aantal double en joint degrees toe te

werken, die hieraan een belangrijke bijdrage kunnen leveren.

Met een double degree kunnen studenten bij twee verschillende

Europese universiteiten afstuderen en ook twee

diploma’s krijgen.

Voor alle studenten

Met het wereldwijde partnernetwerk van NHL Stenden was

het voor veel studenten al mogelijk om een periode in het

buitenland te studeren. Zo kunnen studenten momenteel

een minor volgen bij een van de Grand Tour-partners in

Thailand, Bali of Zuid-Afrika, een unieke manier om niet

alleen kennis uit te breiden maar ook te werken aan persoonlijke

ontwikkeling. Ook is er de mogelijkheid om een

semester te volgen bij een van de Exchange-partners in

Europa of daarbuiten.

Met het RUN-EU-netwerk biedt NHL Stenden nu alle

studenten de mogelijkheid om op een laagdrempelige

manier internationale ervaring op te doen. Schaper: ‘Wat

we tot nu toe hadden, had betrekking op een beperkt deel

van ons portfolio. Het bood vooral mogelijkheden voor

opleidingen als Hospitality, Tourism en International

Business. Met RUN-EU hebben we de mogelijkheid om

op grote schaal kortdurende projecten, de zogenoemde

Short Advanced Programs, te ontwikkelen voor al onze

studenten. Daarbij wordt het echt een onderdeel van het

studieprogramma, geïntegreerd in het curriculum, en is

het dus eenvoudiger voor de student om in te stappen.

Die weet waar hij terechtkomt en hoeft niet alles zelf te

regelen. Bovendien gaan Grand Tour en Exchange vooral

over langere uitwisselingen, en zitten hier ook kortere

mogelijkheden bij.’

Zo biedt de samenwerking met partners binnen het

RUN-EU-netwerk die dezelfde regionale focus hebben als

NHL Stenden nieuwe mogelijkheden voor studenten om

samen met studenten uit andere landen te werken aan projecten

en onderzoek.

Waardevolle ervaring

De missie van NHL Stenden luidt ‘Werken aan wereldwijze

innovatie’. Het streven naar een Europese Onderwijsruimte

is dan ook zeker iets waaraan de hogeschool graag meewerkt.

‘Het zou heel mooi zijn als het gemakkelijker wordt

om ECTS-credits uit te wisselen’, zegt Schaper. ‘De nationale

regelgeving van verschillende landen is nu nog vaak

een probleem. Als je bijvoorbeeld twee jaar in Nederland

hebt gestudeerd, en je wilt op een andere universiteit verder,

dan is het vaak heel ingewikkeld om wat je al gedaan hebt

gehonoreerd te krijgen. Het is voor ons heel belangrijk

dat landen die credits gemakkelijk over en weer erkennen.

Zo wordt het voor steeds meer studenten mogelijk een

internationale ervaring op te doen.’

Die internationale ervaring is volgens Schaper ontzettend

waardevol voor studenten, voor nu én in de toekomst.

‘Het helpt soms ontzettend om eens in een geheel andere

omgeving te zijn en je zo bewuster te worden van je eigen

culturele normen en waarden, uitgangspunten en blinde

vlekken. Ook in Nederland hebben we met diversiteit te

maken, dus het is niet alleen maar belangrijk voor studenten

die op de internationale arbeidsmarkt terechtkomen.

Diversiteit speelt overal, het is daarom heel waardevol om

de mogelijkheid te hebben te leren van en in een internationale

omgeving.’

Ondanks al deze voordelen klinken er ook tegengeluiden

als het gaat om internationalisering in het hoger onderwijs.

Zo is er de laatste jaren veel kritiek op de verengelsing van

het Nederlandse onderwijs. Volgens Schaper neemt NHL

Stenden deze tegengeluiden ter harte en gaat de hogeschool

hier verstandig mee om. ‘We zullen nooit honderd

procent Engelstalig onderwijs gaan bieden. Maar als je in

een werkveld terechtkomt waar de voertaal Engels is, moet

je daar wel goed op voorbereid zijn. Wij bieden een opleiding

Engelstalig aan als daar ook een reden voor is. Soms

De laatste jaren is er veel

kritiek op de verengelsing

van het Nederlandse

hoger onderwijs

59


TH MA 4-21

Europese universiteiten

bestaat een opleiding dan uit zowel een Nederlandstalige als

een Engelstalige track, en soms is ze volledig Engelstalig.

We leiden graag internationale studenten op in Nederland,

daar staan we om bekend. Ook de arbeidsmarkt in

Noord-Nederland vraagt om internationaal talent. Maar we

willen zeker niet een drempel opwerpen voor Nederlandse

studenten, daar gaan we heel secuur mee om en dat hebben

we dan ook vastgelegd in ons taalbeleidsplan.’

Strakke criteria

In de nabije toekomst hoopt NHL Stenden samen met het

RUN-EU-netwerk een aantal double degrees te hebben

gerealiseerd. Daarnaast is er de wens om een aantal programma’s

op te zetten waarbij uitwisseling een integraal

onderdeel van de opleiding is. Schaper: ‘We willen onze

studenten eigenlijk een soort Europese onderwijsomgeving

kunnen bieden, waardoor ze op allerlei plaatsen ervaring

kunnen opdoen. Dat zou natuurlijk ontzettend mooi zijn.’

Bij het realiseren van de beoogde Europese onderwijsomgeving

heeft het netwerk te maken met verschillende uitdagingen.

Zo moet de wet- en regelgeving van de verschillende

landen goed op elkaar worden afgestemd. Volgens Schaper

stuit het netwerk hierbij ook weleens op de Nederlandse

wet- en regelgeving. ‘De opleidingen tot docent in het basisof

voortgezet onderwijs en de opleiding verpleegkunde

hebben bijvoorbeeld strakke beroepscriteria, die in een

ander land anders kunnen zijn. Toch neemt dit niet weg dat

een internationale ervaring nog steeds erg relevant en waardevol

kan zijn.’

Een andere uitdaging ligt in het implementeren van internationale

mogelijkheden in de verschillende onderwijsprogramma’s.

Wat voor uitwisseling kun je bij de verschillende

opleidingen inbouwen, welke onderwijselementen kun je

uitwisselen en hoe bouw je dit alles zo in dat het voor studenten

gemakkelijk is om er gebruik van te maken? ‘Dat is

veel werk en daar moet je in investeren’, aldus Schaper.

‘Maar het levert heel veel op. Voor onze studenten biedt het

echt een heel mooie mogelijkheid. En wie weet kan een van

de partijen zich in de toekomst doorontwikkelen tot een

nieuwe Grand Tour-locatie.’

Marijke Hoekstra

is medewerker corporate communicatie bij NHL Stenden

Hogeschool

60


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

De alliantie EUTOPIA brengt mensen samen rond thema’s in onderwijs en onderzoek. Ze dringt niet van bovenaf

innovatie op, maar geeft docenten de verantwoordelijkheid voor het uitbouwen van een thematische leergemeenschap.

EUTOPIA als praktijk van

verbondenheid

Kennis en ervaring delen in Connected Learning Communities

Rosette S , Jegers, Luk Van Langenhove, Jan Danckaert, Linde Moriau & Lize De Potter

EUTOPIA, Vrije Universiteit Brussel

D

e EUTOPIA-alliantie (zie kader hiernaast) bouwt op

verschillende werven aan een verbonden en inclusieve

Europese universiteit. Op vlak van onderzoek

specialiseert ze zich in het ontwikkelen van gemeenschappelijke

onderzoeksagenda’s en onderzoeksarena’s, op

vlak van regionale en stedelijke ontwikkeling kapitaliseert

de alliantie haar placemaking-expertise, op vlak van inclusie

tekent ze een gezamenlijke strategie uit en deelt ze best

practices, en op vlak van internationalisering reiken haar

ambities veel verder dan Europa. Zo zijn er onder meer

bijzondere samenwerkingen met de Monash University in

Australië, de Kyungpook National University in Zuid-Korea,

de Stellenbosch University in Zuid-Afrika en de Université

Internationale de Rabat in Marokko.

Bijzondere aandacht gaat naar het ontwikkelen van het

EUTOPIA-onderwijsmodel. Dit model wil een ingebouwde

motor zijn voor de curriculumontwikkeling in een Europese

universiteit van de toekomst, net zoals de wetenschappelijke

samenwerking een motor voor challenge-driven onderzoek

wordt. Het originele van deze benadering is dat hiervoor

geen nieuwe programma’s nodig zijn, maar dat we zorgen

dat de dynamiek van EUTOPIA doorsijpelt naar het

bestaande opleidingsaanbod van de alliantiepartners.

EUTOPIA selecteert bestaande curriculumcomponenten

in de zes partneruniversiteiten op basis van hun aansluiting

bij de visie van openheid die de alliantie wil uitdragen.

Ze volgt een bottom-upprocedure die docenten toelaat de

verantwoordelijkheid op te nemen voor de uitbouw van

een thematisch netwerk. De gekozen docenten hebben

belangstelling voor onderwijsvernieuwing en hanteren

technieken van actief leren: zij betrekken staf en studenten

in een leerproces dat inspeelt op maatschappelijke uitdagingen

met inbreng van stakeholders uit de bedrijfswereld

en de publieke sector. Openheid vertaalt zich binnen het

EUTOPIA-onderwijsmodel naar het voorbereiden van studenten

op hun verantwoordelijkheden als hogeropgeleide

Europese burgers. Het hoeft dan ook niet te verwonderen

dat we halverwege het project al vele voorbeelden aantreffen

van door EUTOPIA uitgekozen opleidingsonderdelen die

aansluiten bij de prioriteiten die internationale organisaties

zoals de Verenigde Naties en Horizon hebben benoemd.

Het originele van deze

benadering is dat

hiervoor geen nieuwe

programma’s nodig zijn

61


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Wat is EUTOPIA?

De alliantie EUTOPIA bevordert de ontwikkeling

van leergemeenschappen die de partneruniversiteiten

verbinden en hun potentieel vergroten

voor innovatie en maatschappelijke impact van

het leerproces.

De implementatie van het onderwijsmodel

begint met het identificeren van bestaande

curriculumcomponenten al naargelang hun

aansluiting bij de visie van openheid die de alliantie

wil uitdragen. Een bottom-upprocedure

geeft docenten in alle cycli van het leertraject de

mogelijkheid hun belangstelling voor EUTOPIA

te tonen en de verantwoordelijkheid op te nemen

voor de uitbouw van een cross-campus thematisch

netwerk of Connected Learning Community.

Alle geselecteerde docenten hebben ervaring met

onderwijsvernieuwing en een goede reputatie op

het vlak van actief leren.

Door deze benadering combineren de verbonden

leergemeenschappen alle hoofdkenmerken

van EUTOPIA:

• actief leren wordt gestuurd door maatschappelijke

uitdagingen en doorkruist de traditionele

grenzen tussen onderwijs, onderzoek

en impact;

• studenten, lesgevers en experten werken

samen in gezamenlijke leeractiviteiten op

Europese schaal;

• de alliantie erkent bestaande praktijken en

moedigt ze aan, in plaats van verandering

van bovenaf op te leggen.

Het intensieve gebruik van virtuele leerplatformen

en het kiezen voor korte, intensieve

mobiliteit dragen verder bij tot een duurzame en

kostenbesparende aanpak die de inclusie toelaat

van een brede waaier aan lerenden.

EUTOPIA is een alliantie van de Vrije Universiteit

Brussel, de University of Gothenburg,

CY Cergy Paris Université, de Universitat

Pompeu Fabra in Barcelona, de University of

Warwick, de University of Ljubljana, de Università

Ca’ Foscari Venezia, de Technische

Universität Dresden en de Universidade NOVA

de Lisboa.

De EUTOPIA-opleidingsonderdelen zijn de bouwstenen

van het model en vormen de spil van Connected Learning

Communities of thematische leergemeenschappen, die hun

onderlinge verbondenheid over de campussen heen uitbouwen.

De academische partners die betrokken zijn bij zo’n

community beginnen met een verkennende fase waarin ze

leermateriaal uitwisselen, expertise samenvoegen en elkaar

toegang verlenen tot kennisverzamelingen en databanken.

Het internationale curriculumteam faciliteert de samenwerking

en stelt gezamenlijke leerplatformen ter beschikking.

In de daaropvolgende fase zetten de instellingen gezamenlijke

leeractiviteiten op waaraan studenten op alle campussen

kunnen deelnemen vanuit hun registratie voor de

opleidingsonderdelen die bij de leergemeenschap betrokken

zijn. Als de internationale samenwerking na evaluatie een

duidelijke meerwaarde blijkt op te leveren voor studenten

en staf, zal de gezamenlijke activiteit kunnen genieten van

blijvende ondersteuning gedurende het pilotproject en

zullen de deelnemende partneruniversiteiten haar duurzaam

verankeren in hun curriculum.

Figuur 1 Het onderwijsmodel van de EUTOPIA-alliantie

(Beeld Jo Angouri, curriculumontwikkelaar EUTOPIA)

Tastbare resultaten

De kracht en het draagvlak van het EUTOPIA-onderwijsmodel

is de erkenning van waardevolle bestaande pedagogische

praktijken in alle partneruniversiteiten. De alliantie

veroorzaakt geen schokbewegingen en dringt geen innovatie

op van bovenaf. De Connected Learning Communities

beginnen met het delen van kennis en best practices, om

dan uit te monden in gezamenlijke leeractiviteiten die studenten,

staf en stakeholders toelaten de synergie binnen een

Europees netwerk te ervaren. Zo verhogen ze het potentieel

op zowel individueel als institutioneel vlak: de resultaten

zijn tastbaar en kunnen vele vormen aannemen, zoals verrijkte

pedagogische benaderingen, complementair leermateriaal,

toegang tot elkaars bronnen en ecosystemen, gedeelde

ervaringen met state-of-the-artmethodologieën, crosscampus

samengestelde teams van studenten die debatteren

en deelnemen aan echte en gesimuleerde opdrachten.

62


Europese universiteiten

TH MA themahogeronderwijs.org

Zo krijgen zij toegang

tot leermateriaal dat is

verrijkt door Europese

samenwerking

In de loop van het pilotproject (2019-2022) zal EUTOPIA

dertig transnationale Connected Learning Communities uitbouwen

die fungeren als bronnen van innovatie en internationalisering

in de bestaande programma ’s, op alle niveaus

van de onderwijscyclus (van bachelor tot post graduaat).

In totaal zullen deze communities circa 180 (zes keer 30)

docenten en duizenden studenten aanspreken en hun

inspanningen voor activerend leren erkennen. Ze stellen

hen in de gelegenheid om maatschappelijk relevante vraagstukken

vanuit een internationaal perspectief aan te pakken.

In het door de EUTOPIA-alliantie ingediende voorstel

gingen we ervan uit dat blended learning de optimale benadering

zou zijn voor het EUTOPIA-leerproces, dus een

combinatie van systematische verbondenheid op virtuele

leerplatformen met intensieve face-to-facesamenwerking

op cruciale momenten, zoals tijdens opstart en evaluatie.

De pandemie heeft dit ideaalbeeld op de helling gezet en

aangetoond dat het model kan en misschien zelfs moet

functioneren met beperkte fysieke mobiliteit. Deze bevindingen

bieden een perspectief voor haalbare schaalvergroting

en voor duurzame verderzetting van het experiment.

De impact van de Connected Learning Communities kun

je vergelijken met die van een krachtig maar goedaardig

virus dat zich verspreidt (‘percoleert’) doorheen de curricula

van de alliantiepartners. Studenten op onze campussen

zullen er meer en meer mee in aanraking komen

door het opnemen van het toenemend aantal cursussen,

practica of opdrachten die deel uitmaken van een van de

EUTOPIA-leergemeenschappen. Zo krijgen zij toegang tot

leermateriaal dat is verrijkt door Europese samenwerking

en kunnen zij hun inzichten over de hun toevertrouwde

opdrachten aftoetsen met hun collega-studenten op het

EUTOPIA-leerplatform dat we voor iedere leergemeenschap

opzetten.

Door internationale verbondenheid op deze wijze te implementeren

vermijdt EUTOPIA de valkuilen van conventionelere

uitwisselingsprogramma’s, die geen inclusief antwoord

kunnen bieden omdat ze veelal gepaard gaan met hoge verblijfskosten

en lange afwezigheid van de thuisbasis. Vooral

Bouwstenen voor

een Europese

universiteit

De Europese Commissie lanceerde in 2018 een

eerste call voor pilotprojecten, met de bedoeling

om een aantal allianties van universiteiten te

laten experimenteren met coördinaties en coöperaties

in allerlei vormen. De alliantie EUTOPIA

was een van de zeventien geselecteerde pioniers.

De zes partneruniversiteiten hebben van meet af

aan resoluut gekozen voor een aanpak die niet

vertrekt van geforceerde samenwerkingen of

van klassieke mobiliteitsacties. Om te beginnen

bestaan er al bruikbare Europese instrumenten

die instellingen daartoe kunnen inzetten (zoals

Erasmus en Marie Sklodowska-Curie Actions).

Ten tweede laat de huidige wettelijke en administratieve

omkadering niet toe veel verder te

gaan dan dat. EUTOPIA gaat dan ook voor een

compleet andere aanpak: het bewerkstelligen van

samenwerkingsverbanden waarbij de alliantie

personen en groepen samenbrengt rond thema’s

in onderwijs of onderzoek. Een dergelijke

aanpak lijkt geheel in overeenstemming te zijn

met de manier waarop de Commissie de ultieme

Europese universiteiten omschrijft. 1

Het basisidee dat EUTOPIA hanteert is volledig

in lijn met interactief onderwijs, reverse teaching,

probleemgestuurd onderzoek et cetera. De alliantie

spreekt zich niet uit voor een bepaalde

methode, maar laat de betrokken groepen vrij

om zelf te kiezen hoe ze werken. Net zoals ze

vrij zijn om hun internationale samenwerking

om te zetten in formele programma’s zoals

joint of double degrees, of gemeenschappelijke

PhD-trainingen.

EUTOPIA hoopt bij alle partners een zelftransformatie

te stimuleren, zodat zij beter kunnen

inspelen op de maatschappelijke uitdagingen

waarmee de onderzoekers van morgen en de

studenten van nu zich geconfronteerd zien.

Tegelijkertijd hoopt de alliantie op deze manier

de fundamenten te leggen om op termijn de

instrumenten te implementeren die de Europese

Commissie aan het uitwerken is.

63


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Blended onderwijs

De pandemie heeft de digitalisering van het

hoger onderwijs in een stroomversnelling

gebracht. Deze digitale sprong maakt het mogelijk

om face-to-face- en onlineleerervaringen op

doordachte wijze met elkaar te integreren tot wat

we blended learning noemen. Hierbij vertrekken

we van de vraag hoe we het ‘klassieke’ contactonderwijs

digitaal kunnen versterken, met als doel

het activerender en toegankelijker te maken.

Daarbij dienen we erover na te denken wat de

belangrijkste redenen zijn om de studenten naar

een campus te brengen, een aula, een lab of

praktijkzaal. Antwoorden dus op de vraag ‘waar’

ons onderwijs zich zal afspelen. Maar de blend

ligt niet alleen in online versus offline, maar

ook volgens de assen synchroon versus asynchroon,

on campus versus op andere locaties en

sturing versus autonomie van de student in het

leerproces.

Aan de Vrije Universiteit Brussel (VUB) pogen

we alvast zo veel als mogelijk in te zetten op

blended onderwijs. De eigenheid van de universiteit

uit zich in het bijzonder door de sterke

verankering met haar omgeving, onze multiculturele

hoofdstad Brussel, en dit zowel in de

online- als in de offlinecomponenten van ons

onderwijs (zoals WeKONEKT.brussels en Community

Engaged Research & Learning (CERL)).

De face-to-faceonderwijsvormen blijven, naast het

bijdragen aan het bereiken van de leerdoelen, ook

een belangrijke rol spelen in de socialiserende,

netwerkende en inclusieve doelstellingen van de

universiteit. De studenten leren niet alleen van

de professoren en assistenten, maar ook met en

van elkaar. Op een universiteit als de VUB kom je

niet alleen om te studeren: je evolueert er ook van

‘jongere’ tot ‘jongvolwassene’ die bereid is om

engagement in de maatschappij op te nemen.

Daarnaast zullen er ook nieuwe vormen van

mobiliteit mogelijk worden. Studenten kunnen

internationale ervaringen opdoen zonder dat

een van de partijen (de docent of de studenten)

zich noodzakelijkerwijs moet verplaatsen. (Let

op: verplaatsingen kunnen nog steeds een meerwaarde

blijven hebben!) Dat realiseren we aan de

VUB samen met vijf Europese partneruniversiteiten

in ons netwerk EUTOPIA.

studenten die verantwoordelijkheden opnemen in familiale

of professionele context komen voor zware uitdagingen te

staan als ze aan internationale leerprocessen deelnemen.

EUTOPIA biedt een alternatief dat tegemoetkomt aan de

Europese richtlijnen ter bevordering van digitale mobiliteit

en het aanbieden van flexibele oplossingen voor een divers

samengesteld studentenbestand.

Rosette S , Jegers

is coördinator Onderwijs en Studenten bij de alliantie EUTOPIA

Luk Van Langenhove

is academisch opdrachthouder voor internationale netwerken en

instituten aan de Vrije Universiteit Brussel

Jan Danckaert

is vicerector Onderwijs & Studentenzaken aan de Vrije

Universiteit Brussel

Linde Moriau & Lize De Potter

zijn project officer bij de alliantie EUTOPIA

Noot

1 ‘European Universities are transnational alliances of higher education institutions developing

long-term structural and sustainable cooperation. They mobilise multi-disciplinary teams

of students and academics through a challenge-based approach, in close cooperation with

research, business and civil society. European Universities will pool together their online and

physical resources, courses, expertise, data and infrastructure to leverage their strengths and

empower the next generations in tackling together the current challenges that Europe and

the world are facing. They promote all forms of mobility (physical, online, blended) as well as

multilingualism via their inclusive European inter-university campuses.’ COM (2020)625.

64


TH MA themahogeronderwijs.org

In de mixed classroom leren studenten en professionals met en van elkaar. Wageningen University experimenteert met dit

concept, dat een belangrijke bijdrage kan leveren aan een leven lang ontwikkelen. Vijf medewerkers delen hun ervaringen.

Ze noemen de nieuwe vorm veelbelovend.

De klas van de toekomst is gemengd

Een diverse doelgroep voor het hoger onderwijs

Marlies Brinkhuijsen, Sarah de Vries, Gabrielle Bartelse, Carla Oonk & Judith Gulikers

Wageningen University

E

en leven lang ontwikkelen is belangrijk voor de

maatschappij. Volgens de Verenigde Naties helpt

educatie om gezamenlijk te werken aan duurzame

gemeenschappen op mondiaal, nationaal en lokaal

niveau. 1 Levenslang ontwikkelen is ook belangrijk om

andere redenen. De aard van werk verandert snel, en dat

zal ook in de toekomst zo blijven. Als mensen blijven leren,

zijn ze wendbaar, productief en duurzaam inzetbaar op de

arbeidsmarkt. Dit vraagt van professionals dat zij zich voortdurend

kunnen aanpassen en blijven ontwikkelen. Volgens

het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2 is

het de taak van het hoger onderwijs om professionals hierin

te ondersteunen.

De rol van het hoger onderwijs verschuift door deze ontwikkeling.

Traditiegetrouw richt het zich op jonge studenten

Als mensen blijven leren,

zijn ze wendbaar, productief

en duurzaam inzetbaar

op de arbeidsmarkt

die net de middelbare school hebben afgerond, maar met

het paradigma van een leven lang ontwikkelen verandert

de populatie van lerenden. De doelgroep wordt diverser

en bestaat uit een breed scala aan lerenden die in verschillende

fasen van hun leven gebruikmaken van het hoger

onderwijs. 3

Dit vraagt om een heroverweging van de huidige onderwijsconcepten.

Wat als het reguliere klaslokaal in het hoger

onderwijs verandert in een mixed classroom waar professionals

en studenten samenkomen? Zo’n mixed classroom kan

een krachtige leeromgeving bieden waarin professionals en

studenten samen en van elkaar leren.

Het concept van de mixed classroom is een innovatieve

vorm van onderwijs, waarmee enkele onderwijsinstellingen

momenteel experimenteren. 4 Bij Wageningen University

loopt een pilot van drie cursussen dat het concept toepast en

onderzoekt. De eerste cursus is inmiddels ontworpen,

ontwikkeld, uitgevoerd en geëvalueerd. Het concept

blijkt veelbelovend.

Openbare ruimte

Aanleiding voor de mixed classroom in de Wageningse

pilot is een leerbehoefte vanuit de praktijk van het beheer

van de openbare ruimte. De stichting Managing Public

Space, een vertegenwoordiging van gemeenten, provincies,

waterschappen, kennisinstellingen en adviesbureaus, heeft

Wageningen University gevraagd om wetenschap en de

beheerpraktijk met elkaar te verbinden. De beheerwereld

heeft namelijk te maken met grote uitdagingen. Urgente

65


TH MA 4-21

opgaven als klimaatadaptatie, energietransitie, mobiliteit en

sociale rechtvaardigheid vragen om ingrijpende aanpassingen

in de openbare ruimte. Het gaat om zogeheten wicked

problems, problemen waarvoor niet één oplossing bestaat.

Wicked problems zijn complex, controversieel en niet volledig

te definiëren. 5

Het beheerdomein is sterk gefragmenteerd en beheerprofessionals

zijn vooral technisch opgeleid voor operationeel

beheer. Dit sluit niet goed aan bij de wicked problems

die in essentie juist interdisciplinair of transdisciplinair

van aard zijn: die vragen om samenwerking van disciplines

en om een combinatie van verschillende typen kennis. 6

Van de beheerders van de toekomst verwachten we dat

zij niet alleen met praktische maar ook met strategische

oplossingen komen, vanuit een integrale benadering van

de disciplines planning, ontwerp en beheer. 7 Hier ligt een

scholingsbehoefte. Daarnaast is er een urgente behoefte aan

state- of-the-artkennis, academische vaardigheden en een

snelle vertaling van wetenschappelijke inzichten naar de

praktijk. 8 Samenvattend zijn er dus integrale benaderingen

nodig die verschillende disciplines én wetenschap en praktijk

met elkaar verbinden. Met de pilot van drie cursussen

proberen we te voldoen aan deze behoefte in de vorm van

bijscholing voor professionals en het opleiden van een

nieuwe generatie beheerders: de huidige studenten.

De drie cursussen in de pilot, op masterniveau, zijn Engelstalig.

Docenten en onderwijskundigen ontwikkelen de cursussen

samen, in overleg met de stichting Managing Public

Space. De eerste cursus, ‘Planning, design and management:

Public space and transitions’, duurt acht weken.

Oorspronkelijk was het de bedoeling om deze blended aan te

bieden, met een mix van online- en offlineleeractiviteiten,

maar door de coronamaatregelen hebben we de cursus volledig

online moeten geven.

Voor studenten heeft de cursus een studielast van zes studiepunten,

voor professionals is de studielast drie studiepunten.

Studenten en professionals werken twee ochtenden

per week samen aan oefeningen en groepsopdrachten.

De studenten krijgen daarnaast aanvullende en verdiepende

opdrachten. De cursus is opgebouwd uit modules (weken)

en submodules (dagdelen), die bestaan uit verschillende

leeractiviteiten. Cursisten werken deels op hetzelfde

moment (synchroon), maar ook deels op verschillende

tijdstippen (asynchroon). De cursus bestaat uit de volgende

onderdelen: introductie, kennisclips met zelfstudie, een best

practices-groepsopdracht, een realistische case, een stand in

the shoes-opdracht en een persoonlijk ontwikkelplan. Wageningen

University biedt de cursus aan vanuit het leermanagementsysteem

Brightspace.

In totaal namen 28 cursisten deel aan de eerste cursus:

dertien masterstudenten en vijftien professionals. Voor

de masterstudenten was de cursus een vrije keuze binnen

de masteropleidingen Landscape Architecture and Planning,

Urban Environmental Management en Metropolitan

Analysis, Design and Engineering. De beheerprofessionals

hadden een uiteenlopende achtergrond wat betreft object

(groen, afval, riolering), functie (beleid, asset management,

programmering) en type werkgever (gemeentes,

adviesbureaus).

Onderwijskundige ontwerpkeuzes

Aan de cursus liggen verschillende onderwijskundige ontwerpkeuzes

ten grondslag. Een van de basisdoelen van het

onderwijs aan Wageningen University is het bieden van een

rijke leeromgeving waarin lerenden kennis, vaardigheden

en attitude combineren. Vanuit die gedachte hebben we

gekozen voor actief leren en voor het leren in een authentieke

leeromgeving. Net als bij offlineonderwijs is actief

leren ook bij onlineonderwijs belangrijk. 9 Er is volop bewijs

dat onderwijs waarbij de cursist actief leert effectief is. 10 In

de cursus zijn daarom uiteenlopende activerende werkmen

verwerkt, zoals quizzen, peer feedback en discussie- en

groepsopdrachten.

Een tweede ontwerpkeuze is om het leren grotendeels

te laten plaatsvinden in een authentieke leeromgeving.

Het overbrengen van principes, feiten en concepten op

een abstracte manier, los van de context, zorgt er vaak voor

dat lerenden moeite hebben om de kennis toe te passen in

de praktijk. 11 In deze cursus moeten deelnemers daarom

kennis toepassen en oplossingen ontwikkelen en testen

in een realistische case. 12 In de eerste cursus uit de pilot

was dat de vernieuwingsopgave van de wijk Schuilenburg

in Amersfoort. Deze gemeente was hierbij als opdrachtgever

betrokken.

Een belangrijk doel van het cursusontwerp is om de meerwaarde

van de mixed classroom, het samenbrengen van

twee verschillende groepen cursisten, zo veel mogelijk te

benutten. De cursus leunt sterk op het concept van boundary

crossing 13 , om:

• professionals en studenten van elkaar te laten leren;

• wetenschap en praktijk met elkaar te verbinden;

Vanuit die gedachte

kozen we voor actief leren

en voor het leren in een

authentieke leeromgeving

66


TH MA themahogeronderwijs.org

De student is geen ervaren

vakspecialist, maar kijkt open

en vanuit een andere

discipline naar de vraag

• over de potentiële grenzen van de disciplines planning,

ontwerp en beheer heen te leren samenwerken.

Ook het omgaan met wicked problems vraagt ook om boundary

crossing-competenties. 14,15 Het ontwikkelen van die

competenties is ook een van de doelen van interdisciplinair

hoger onderwijs. 16 De cursus bevat daarom verschillende

werkvormen om boundary crossing te stimuleren en te

laten plaatsvinden. Zo zijn de groepsopdrachten gericht op

samenwerkend leren, een belangrijk onderdeel van boundary

crossing:

• In de realistische case werken studenten en professionals

samen. In deze opdracht komen theoretische

kennis en praktijkkennis bij elkaar.

• In de best practices-opdracht maken studenten een

analyse van verschillende disciplines van een innovatief,

integraal project binnen het werkveld. De lessen uit deze

opdracht brengen we in in de realistische case.

De stand in the shoes-opdracht is een-op-eenopdracht die

ook is gericht op boundary crossing. Hierbij fungeert een

professional als opdrachtgever voor een student. Die laatste

gaat met een vraag uit de dagelijkse praktijk van de

professio nal aan de slag. De student is geen ervaren vakspecialist,

maar kijkt open en vanuit een andere discipline

naar de vraag, niet gehinderd door standaardoplossingen

of routinematige inzichten. Hij of zij krijgt de opdracht om

vanuit een onderzoekende en reflectieve houding de vraag

van de professional te herformuleren en beargumenteerd

een alternatieve aanpak voor te stellen. De vaak pragmatische

en oplossingsgerichte benadering die aan de vraag

van de professional ten grondslag ligt, plaatsen ze zo in een

ander perspectief. De cursisten brengen kansen en nieuwe

oplossingsrichtingen in kaart en bespreken ze. De professionals

kunnen hierdoor hun dagelijkse routines ter discussie

stellen.

Om het leerrendement te verhogen, reflecteren de

cursisten op de ontwikkeling van hun eigen boundary

crossing-competenties. Reflectievaardigheden kunnen

immers een positieve impact hebben op het leerrendement.

17 In deze cursus vindt reflectie plaats aan de hand

van een persoonlijk ontwikkelplan. Hierin stellen cursisten

leerdoelen op en reflecteren ze onder andere op

vaardigheden en situaties die zich hebben voorgedaan

in de cursus. Met behulp van een self-assessment van de

boundary crossing- competenties kunnen de cursisten hun

leerproces expliciteren en beoordelen. 18 Een reden om dit

persoonlijke ontwikkelplan met self-assessment te gebruiken,

is dat dit goed past bij zelfgestuurd leren. Cursisten

nemen hiermee zelf de regie over het leerproces. Dit is

een van de bouwstenen van onderwijs voor volwassenen:

dat zij in staat (moeten) zijn om zelf hun leerproces te

sturen. 19 Tijdens een individueel gesprek met de docent en

in een eindreflectie reflecteren cursisten op het persoonlijke

ontwikkelplan.

Ontzettend enthousiast

Op basis van verschillende bronnen is een goed beeld verkregen

van het succes van de cursuselementen. Ook zijn

conclusies getrokken over wat er nog kan verbeterd. De verschillende

bronnen zijn mondelinge evaluaties, schriftelijke

evaluaties, persoonlijke gesprekken tussen cursisten en

docenten, persoonlijke ontwikkelplannen en observaties

door docenten.

Het blijkt dat cursisten ontzettend enthousiast zijn over

het concept van de mixed classroom. Zij ervaren de interactie

en samenwerking tussen studenten en professionals

als bijzonder verrijkend. Actief leren en een authentieke

leeromgeving dragen bij aan het succes van de mixed classroom.

Deze blijkt ook van meerwaarde als het gaat om het

stimuleren van boundary crossing.

Beide groepen cursisten zien de combinatie van praktijk

en theorie in de cursus als een grote winst. Professionals

treden uit hun dagelijkse routine; door de abstractere concepten

en de theoretische benadering van de studenten

gaan zij opdrachten vanuit een ander perspectief zien.

In plaats van de gebaande paden te volgen en te focussen

op uitvoerbare oplossingen voor de korte termijn leren de

professionals, aangespoord door de studenten, creatief te

denken, open te staan voor innovaties en kritisch te reflecteren

op hun dagelijkse routines.

Omgekeerd zetten de praktische kennis en de ervaring

van de professionals de studenten met beide benen op de

grond en leren zij de weerbarstige alledaagse werkelijkheid

kennen. Ze krijgen een kijkje in de keuken van de praktijk

waarvan zij straks zelf deel gaan uitmaken.

Van een klassieke rolverdeling van meester en gezel, zoals

in het gildemodel, is geen sprake. Beide groepen beschikken

over kennis en vaardigheden die de ander niet heeft.

Elke cursist speelt daarmee zowel de rol van meester als van

gezel, waardoor alle cursisten gelijkwaardig zijn. Dat versterkt

het effect van samenwerkend leren.

67


TH MA 4-21

Veel cursisten zeggen dat ze graag meer tijd zouden willen

om de boundary crossing-leerervaring van de mixed classroom

verder te verdiepen. Dat geldt vooral voor de stand in

the shoes-opdracht. Ze ervaren het totale programma als te

vol en merken dat de beperkte tijd voor opdrachten ertoe

leidt dat snel tot resultaat komen prioriteit krijgt boven

de leerervaring. De stand in the shoes-opdracht en de realistische

case bieden in potentie ook aanleiding tot meer

informele gesprekken over elkaars achtergronden. Juist daar

zien de cursisten nog veel mogelijkheid voor uitwisseling.

Overigens zal het feit dat de cursus geheel online plaatsvond

ook hebben bijgedragen aan de beperkte ruimte voor

informele gesprekken. In het theoretische onderdeel van

de kennisclips zien cursisten bijvoorbeeld ook meer potentie

om theorie en praktijk in een onderlinge discussie aan

elkaar te spiegelen.

Uit de feedback van de cursisten blijkt verder dat de cognitieve

belasting tijdens de cursus te hoog is. Zij werken

elke week parallel aan verschillende opdrachten en moeten

daardoor veel schakelen tussen de opdrachten. Daarom

zullen we in een volgende editie van de cursus minder

opdrachten aanbieden, en zullen we die ná elkaar in plaats

van naast elkaar uitvoeren. Bovendien zal deze volgende

versie blended zijn, zoals oorspronkelijk ook de bedoeling

was. Zo is er ruimte voor meer diepgang en informele

gesprekken, die bijdragen aan het leereffect van de mixed

classroom.

De cursisten waarderen het onderdeel persoonlijke ontwikkeling

minder hoog. Ze ervaren de vorm als te schools

en individueel, en te exclusief gericht op boundary crossing-competenties.

Dat sluit niet goed aan bij de intentie

dat cursisten hun eigen leerdoelen en leercurve kunnen

bepalen. Dat de cursisten het onderdeel persoonlijke ontwikkeling

minder waarderen wil overigens niet zeggen dat

het geen leereffect heeft. Sommige cursisten zeggen dat ze

door de opdracht beter leren reflecteren op hun leerproces

en zich gestimuleerd voelen om nieuwe leerdoelen voor

de toekomst te formuleren. In een volgende editie van de

cursus zullen we een vrijere vorm kiezen voor het persoonlijk

ontwikkelplan, een vorm die meer de creativiteit en

samenwerking stimuleert.

Uit de evaluatie van de professionals komt naar voren dat zij

(nog) beperkt mogelijkheden zien om de leerervaring toe te

passen in hun dagelijkse praktijk. Hier ligt een belangrijk

verbeterpunt voor het herontwerp van de cursus. Door in

het persoonlijk ontwikkelplan en het tussentijds reflectiegesprek

specifiek aandacht te besteden aan dit aspect,

dagen we de professional uit om expliciet na te denken

over de toepasbaarheid van de leerervaringen op zijn dagelijkse

werkomgeving.

Een opvallende observatie van de docenten is dat hoewel

volwassenen volgens de theorie zelf de regie nemen in

het aansturen van het leerproces (zelfgestuurd leren is

daarom ook een belangrijke bouwsteen van onderwijs voor

volwassenen), studenten binnen deze cursus hiertoe beter

in staat blijken dan de professionals. De professionals zijn

sterk geneigd om routinematig en productgericht te werken,

in lijn met wat ze gewend zijn in hun dagelijkse praktijk.

Binnen de context van deze cursus is die routine niet langer

zinvol en zijn de producten niet precies gedefinieerd; ze

moeten daarom zelf een nieuwe aanpak en oplossing ontwikkelen.

Veel professionals schieten daardoor weer in de

‘rol van scholier’ en leggen de verantwoordelijkheid voor

wat zij leren bij de docent, in plaats van actief hun eigen

leerproces te sturen.

Hoe dit komt, is onduidelijk. Een van de oorzaken kan

zijn dat de professionals de vaardigheid van zelfgestuurd

leren niet eerder hebben geleerd. Uit een enquête naar de

leerbehoefte van beheerprofessionals blijkt ook dat er naast

actuele wetenschappelijke kennis ook een grote behoefte

is aan academische en 21ste-eeuwse vaardigheden. 20 De

deelnemende studenten zijn al meer getraind in deze vaardigheden.

Wellicht zijn zij daarom sterker in het nemen van

de regie over het leerproces. Een andere oorzaak kan zijn

dat de professionals een kritische en zelfsturende leerhouding

hebben afgeleerd omdat die in hun werkomgeving niet

werkt of niet op waardering kan rekenen.

Smaakt naar meer

Na de uitvoering en evaluatie van een eerste cursus luidt

de conclusie dat het concept van de mixed classroom veelbelovend

is. De cursisten zijn zeer positief over de cursus.

De interactie tussen studenten en professionals is enthousiast

ontvangen en smaakt naar meer.

De onderwijskundige ontwerpkeuzes die ten grondslag

liggen aan de cursus – actief leren in een authentieke

leeromgeving, boundary crossing en zelfgestuurd leren

– dragen bij aan de bijzondere meerwaarde van de mixed

classroom. De docenten, de onderwijskundigen en de

cursisten zijn van mening dat het potentieel van het

concept in deze eerste cursus nog niet volledig is benut.

Dit schept positieve verwachtingen voor de toekomst.

Vooral op het gebied van boundary crossing kan de mixed

De cursisten zijn zeer positief

over de cursus; de interactie

tussen studenten en professionals

is enthousiast ontvangen

68


TH MA themahogeronderwijs.org

classroom-leerervaring nog verder worden versterkt.

Ook het stimuleren van zelfgestuurd leren voor professionals

vraagt om een verdere onderwijskundige uitwerking.

Hoewel deze cursus is gericht op het beheer van de openbare

ruimte, is de verwachting dat je het concept van de

mixed classroom generiek kunt inzetten in andere kennisdomeinen.

Het biedt een bijzondere, innovatieve leerervaring

die binnen het reguliere onderwijs ruimte maakt voor

een leven lang ontwikkelen. Dit maakt het een veelbelovende

onderwijsvorm. Het is een mooie uitdaging om door

empirisch onderzoek het concept verder te ontwikkelen op

verschillende niveaus: pedagogisch-didactische ontwerpkeuzes,

didactische werkvormen en leeractiviteiten, leermiddelen

en beoordeling.

Marlies Brinkhuijsen

is universitair docent landschapsarchitectuur aan Wageningen

University

Sarah de Vries

is medewerker onderwijsontwikkeling aan Wageningen

University

Gabrielle Bartelse

is docent landschapsarchitectuur aan Wageningen University

Carla Oonk

is universitair docent onderwijs- en leerwetenschappen aan

Wageningen University

Judith Gulikers

is universitair hoofddocent onderwijs- en leerwetenschappen aan

Wageningen University

10 Michael, J. (2006). ‘Where’s the evidence that active learning works?’. Advanced Physiology

Education, 30, 159-167. DOI:10.1152/advan.00053.2006

11 Herrington, J. & Oliver, R. (2000). ‘An instructional design framework for authentic

learning environments’. Educational Technology Research and Development, 48(3), 23-48.

12 Steen, K. & Bueren, E. van (2017). Urban Living Labs: A Living Lab Way of Working.

Amsterdam Institute for Advanced Metropolitan Solutions & Delft University of Technology.

www.ams-institute.org/news/urban-living-labs-living-lab-way-working/

13 Akkerman, S.F. & Bakker, A. (2011). ‘Boundary crossing and boundary objects’. Review

of Educational Research, 81(2), 132-169. DOI: 10.3102/0034654311404435

14 Veltman, M.E., Keulen, J. van & Voogt, J.M. (2019). ‘Design principles for addressing

wicked problems through boundary crossing in higher professional education’. Journal

of Education and Work, 32(2), 135-155. DOI: 10.1080/13639080.2019.1610165

15 Fortuin, K.P.J. & Bush, S.R. (2010). ‘Educating students to cross boundaries between

disciplines and cultures and between theory and practice’. International Journal of Sustainability

in Higher Education, 11(1) 19-35. DOI 10.1108/14676371011010020

16 Spelt, E.J., Biemans, H.J., Tobi, H., Luning, P.A. & Mulder, M. (2009). ‘Teaching and

learning in interdisciplinary higher education: A systematic review’. Educational Psychology

Review, 21(4), 365-378. DOI: 10.1007/s10648-009-9113-z

17 Rogers, R. (2001). ‘Reflection in higher education: a concept analysis’. Innovative Higher

Education, 26(1), 37-57.

18 Gulikers, J. & Oonk, C. (2019). ‘Towards a rubric for stimulating and evaluating sustainable

learning’. Sustainability, 11(4), 969. DOI:10.3390/su11040969

19 Merriam, S.B. (2001). ‘Andragogy and self-directed learning: pillars of adult learning

theory’. New Directions for Adult and Continuing Education, 89(3), 3-13.

20 Duivenvoorden, E. (2020). ‘Verkenning Managing Public Space: leerdoelen huidige

beheerders’. Stichting Managing Public Space en Wageningen University & Research.

Noten

1 Unesco Institute for Lifelong Learning (2020). ‘Embracing a culture of lifelong learning’.

uil.unesco.org/lifelong-learning/embracing-culture-lifelong-learning

2 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2019). Strategische agenda hoger

onderwijs en onderzoek. Houdbaar voor de toekomst.

www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/12/02/

bijlage-1-strategische-agenda-hoger-onderwijs-en-onderzoek-houdbaar-voor-de-toekomst

3 Cendon, E. (2018). ‘Lifelong Learning at Universities: Future Perspectives for Teaching

and Learning’. Journal of New Approaches in Educational Research, 7(2), 81-87.

DOI: 10.7821/naer.2018.7.320

4 ‘Docententeam Universiteit Utrecht wint Hogeronderwijspremie (wo) van 800.000 euro’.

(1 maart 2021). www.uu.nl/nieuws/docententeam-universiteit-utrecht- winthogeronderwijspremie-wo-van-800000-euro

5 Rittel, H.W.J. & Webber, M.M. (1973). ‘Dilemmas in a general theory of planning’.

Policy Sciences, 4, 155-169.

6 Brown, V.A., Harris, J. & Russell, J. (2010). Tackling Wicked Problems: Through the Transdisciplinary

Imagination. Earthscan.

7 Duivenvoorden, E., Hartmann, T., Brinkhuijsen, M. & Hesselmans, T. (2021). ‘Managing

public space: A blind spot of urban planning and design’. Cities, 109. doi.org/10.1016/

j.cities.2020.103032

8 Brinkhuijsen, M., Esmail, A., Takx, S. & Hartmann, T. (2019). ‘Verkenning Managing

Public Space’. Stichting Managing Public Space en Wageningen University & Research.

www.wur.nl/de/Publicatie-details.htm?publicationId=publication-way-353730393635

9 Khan, A., Egbue, O., Palkie, B. & Madden, J. (2017). ‘Active learning: engaging students

to maximize learning in an online course’. The Electronic Journal of e-Learning, 15(2),

107-115.

69


TH MA 4-21

Voor studenten die naast hun reguliere opleiding extra uitdaging willen, bieden veel instellingen honoursprogramma’s

aan. Maar toegang tot die programma’s is niet voor iedereen even vanzelfsprekend, schrijft Samantha Haasnoot.

‘Diversiteit is niet iets wat je eenvoudig bereikt, maar het is wel de moeite waard om eraan te werken.’

Excellentieonderwijs kan diverser

De drempel die selectie heet

Samantha Haasnoot

Hogeschool Leiden

D

e afgelopen jaren is er in Nederland groeiende

aandacht voor verschillen tussen studenten in het

hoger onderwijs. Instellingen en overheid investeren

meer in differentiatie en persoonlijke aandacht

voor studenten die niet binnen de marges van het gemiddelde

vallen. Dat betekent niet alleen dat er extra aandacht

is voor studenten die meer ondersteuning nodig hebben,

maar ook dat er oog is voor goed presterende en betrokken

studenten die gemakkelijk door de opleiding fietsen

(Denissen, 2017).

Om die laatste groep te kunnen bedienen heeft het ministerie

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in 2008 een

bedrag van 61 miljoen vrijgemaakt voor de ontwikkeling

van excellentieonderwijs (Van Broekhoven et al., 2020).

Om aanspraak te maken op de zogeheten subsidieregeling

Hieruit blijkt dat het

excellentieonderwijs

zijn weg heeft gevonden

in het hoger onderwijs

Sirius Programma dienden hogescholen en universiteiten

zelf een ambitiebeschrijving en een activiteitenplan aan te

leveren waarin ze beschreven hoe zij hun excellentieonderwijs,

meestal ‘honoursonderwijs’ genoemd, wilden gaan

vormgeven. Na goedkeuring kregen instellingen maximaal

50 procent subsidie voor het opzetten van dergelijke trajecten.

Deze financiering duurde vier jaar, maar op verzoek

van de instelling was een verlenging tot zes jaar mogelijk.

Negentien instellingen maakten gebruik van de regeling

van het Sirius Programma (2015). Vrijwel alle instellingen

behielden hun honoursprogramma’s ook na het beëindigen

van het subsidiëringsprogramma. Inmiddels biedt vrijwel

iedere hbo-instelling en universiteit een vorm van honoursonderwijs

aan voor zowel bachelor- als masterstudenten.

Hieruit kunnen we opmaken dat het excellentieonderwijs

zijn weg heeft gevonden in het Nederlandse hoger onderwijs.

Volgens Wolfensberger (2015) is Nederland vandaag

de dag zelfs koploper in Europa als het gaat om aanbieden

van honoursprogramma’s.

De meeste honoursprogramma’s staan inmiddels niet

meer in de kinderschoenen. Nu de programma’s volwassen

zijn, is het passend om kritisch te reflecteren

op hun werkwijze en te onderzoeken welk effect ze sorteren.

Zo hebben Van Broekhoven en collega’s (2020)

recentelijk een onderzoek gepubliceerd over het effect

van selectie. Uit dit onderzoek kunnen we de conclusie

trekken dat er meer aandacht moet komen voor de toegankelijkheid

van honoursonderwijs. Selectie brengt namelijk

het risico met zich mee dat studenten met een lage

70


TH MA themahogeronderwijs.org

Doordat docenten in

allebei werkzaam zijn,

kan de innovatie zich als

een olievlek verspreiden

sociaal-economische status ondervertegenwoordigd raken

binnen honoursprogramma’s.

Proeftuin voor innovatie

Onderwijsinstellingen profiteren van honoursprogramma’s.

Voor veel instellingen zijn de programma’s een

proeftuin waarbinnen gemakkelijker onderwijsinnovatie

plaatsvindt dan binnen de reguliere opleidingen. Honoursprogramma’s

vallen meestal buiten het accreditatiekader,

wat het een stuk gemakkelijker maakt om te experimenteren

met nieuwe onderwijsvormen en technieken. Daarnaast

is de omvang van een honoursteam kleiner dan een

opleidingsteam en zoeken instellingen bij de werving van

nieuwe collega’s expliciet naar docenten die niet bang zijn

voor vernieuwing. Doordat docenten zowel in het honoursals

het reguliere onderwijs werkzaam zijn, kan de innovatie

zich als een olievlek verspreiden door de instelling.

Diezelfde olievlekwerking zou ook onder studenten

bestaan. Studenten zouden elkaar aansteken met hun inzet

en motivatie, waardoor, zo was aanvankelijk de verwachting,

de zesjescultuur langzaamaan zou omslaan naar een

cultuur waarin studenten ‘willen, kunnen en mogen excelleren’.

De aanname was dat als minstens 5 procent van de

studenten deelneemt aan een honoursprogramma, er een

cultuuromslag zou plaatsvinden (Sirius Programma, 2015).

Deze aanname gaat uit van de werking van de sociale vergelijkingstheorie,

een begrip uit de sociale psychologie dat

inhoudt dat als iemand zich vergelijkt met een beter presterende

ander, hij geneigd is zich meer in te zetten (Aronson,

Akert & Wilson, 2011). Studenten die andere studenten

zien excelleren, zouden zich aan die ander optrekken;

onder het motto ‘wat zij kunnen, kan ik ook’ zouden ze net

een stapje extra willen zetten.

In theorie zou dit moeten werken, maar de praktijk is weerbarstig.

Studieresultaten hangen van veel meer factoren af

dan enkel van de resultaten die medestudenten behalen.

Ook is het goed om te bedenken dat sociale vergelijking

vooral werkt als je de vergelijking maakt met iemand die

op je lijkt (Ball, Alexander & Cleland, 2020). Dan gaat het

niet alleen meer om het kenmerk ‘student zijn’, maar gaat

het er vooral om of je jezelf kunt verhouden tot hoe diegene

eruitziet, hoe diegene denkt en waar hij vandaan komt.

Dit brengt ons bij een belangrijk vraagstuk: kan iedere student

zich wel herkennen in ‘de honoursstudent’?

Exclusief karakter

In veel gevallen moeten studenten die willen deelnemen

eerst een selectieprocedure doorlopen. Er zijn meerdere

redenen aan te wijzen waarom instellingen een dergelijke

procedure hanteren. Ten eerste willen honoursprogramma’s

dat er een goede match is tussen de student en het

programma. Honoursonderwijs vraagt om een extra tijdsinvestering;

studenten die meedoen, moeten die investering

willen en kunnen maken. Daarnaast zijn er ook

instellingen die het exclusieve karakter van het programma

willen waarborgen (Kooijstra, 2015). De kleinschaligheid

en als reactie daarop het ‘communitygevoel’ en de sense of

belonging zijn volgens Coppoolse, Van Eijl & Pilot (2013)

enkele van de factoren die het honoursonderwijs succesvol

maken.

Niet iedere student die extra uitdaging zoekt, zal dus door

de selectie komen. Maar welke student wel? Uit onderzoek

van Van Broekhoven en collega’s (2020) blijkt dat selecteurs

vooral letten op motivatie, denkvermogen en doorzettingsvermogen.

Ook hechten zij waarden aan de mate

van maatschappelijke betrokkenheid en creativiteit van de

honoursstudent in spe. Deze zaken moeten onder andere

blijken uit het cv en de motivatiebrief. Studenten met buitenlandervaring,

bijvoorbeeld een lange reis in een tussenjaar

of een stage in het buitenland, maken significant meer

kans op deelname aan een honoursprogramma dan studenten

zonder die ervaring. Ook ervaring met een bijbaantje

of vrijwilligerswerk vergroot de kans op deelname significant.

Van Broekhoven en collega’s (2020) laten daarnaast

ook zien dat de mate waarin een selecteur waarde hecht

aan eigenschappen zoals creativiteit of maatschappelijke

betrokkenheid invloed heeft op de manier waarop hij een

cv of brief bekijkt. Iedere selecteur hanteert andere criteria.

Met buitenlandervaring

maak je significant meer

kans op deelname aan

een honoursprogramma

71


TH MA 4-21

Mis je door zo’n selectie

niet een groep die het

wel aankan, maar net

buiten de kaders valt?

Naast subjectieve criteria hanteren veel instellingen ook

harde eisen, zoals een bepaald cijfergemiddelde (waarvan

de hoogte verschilt per instelling) of een positieve aanbeveling

van een docent.

Op het eerste gezicht lijkt deze vorm van selectie logisch.

Instellingen selecteren de studenten die de intensiviteit van

het programma aankunnen en al eerder hebben bewezen

maatschappelijk betrokken te zijn. Maar de vraag is of dit

wel echt de juiste weg is. Mis je door een dergelijke selectie

niet een groep die het in potentie wel aankan, maar net

buiten de kaders van de selecteur valt? Een groep voor wie

het minder vanzelfsprekend is om kwaliteiten te bewijzen

met een cv en motivatie in woorden te vatten in een motivatiebrief?

De studenten die geen tijd en ruimte hebben om

vrijwilligerswerk te verrichten, de studenten die, om wat

voor reden dan ook, niet de kans hebben gekregen om een

reis door het buitenland te maken?

Onderzoek wijst uit dat studenten wier ouders een modaal

inkomen of lager hebben, minder kans hebben om deel

te nemen aan honoursonderwijs dan studenten met

ouders die bovenmodaal verdienen. Ook studenten van

ouders zonder universitaire opleiding worden minder vaak

honours student (Van Leest & Wolbers, 2020). Dit maakt

duidelijk dat kapitaal dat je van huis uit meekrijgt van

invloed is op je schoolloopbaan. Zo kunnen ouders economisch

kapitaal inzetten voor bijvoorbeeld extra begeleiding

in het voortgezet onderwijs, waardoor hun kind beter uit

de verf komt. Economisch kapitaal kan ook betekenen dat

een student de middelen toebedeeld krijgt om te reizen,

of genoeg vrije tijd heeft om extra hard te studeren, omdat

hij geen overuren hoeft te maken om zijn collegegeld te

bekostigen.

Naast economisch kapitaal kan ook het culturele kapitaal

zorgen voor de nodige voorsprong in het onderwijs. Cultureel

kapitaal biedt de student bijvoorbeeld de woordenschat

die nodig is om zichzelf te uiten of het lef om het

hoofd boven het maaiveld uit te steken. Ook de waarde die

iemand hecht aan onderwijs en excellentie is een vorm van

cultureel kapitaal die studenten van huis uit meekrijgen.

Buitenlandervaring, mondelinge en schriftelijke vaardigheden,

het uitoefenen van vrijwilligerswerk: het zijn

allemaal zaken die aantoonbaar bijdragen aan de kans om

geselecteerd te worden voor een honoursprogramma (Van

Broekhoven et al., 2020). Studenten die deze kapitalen,

zoals omschreven door Bourdieu (1986), niet van huis uit

meekrijgen, hebben extra uitdagingen te overwinnen als

zij hogerop willen komen. Selectie heeft daardoor als onbedoeld

neveneffect dat instellingen bepaalde groepen studenten

uitsluiten van deelname en dat honoursonderwijs

verandert in een vorm van eliteonderwijs. En dat terwijl

onderwijs in Nederland een plaats zou moeten zijn waar

iedere leerling of student dezelfde kansen krijgt.

Een gelijkwaardige onderwijspraktijk klinkt misschien

logisch, maar momenteel stevenen we af op het omgekeerde.

De onderwijsinspectie rapporteerde in 2016 dat de

kansenongelijkheid in het Nederlandse onderwijs groeit.

Natuurlijk is het opheffen van de selectieprocedure voor

honoursprogramma’s niet dé oplossing voor het kansenongelijkheidsvraagstuk;

dit aspect is slechts een heel kleine

factor in een ongekend complex maatschappelijk probleem.

Maar toch kunnen we de mogelijkheid niet negeren, dat

zou oneerlijk zijn naar onze studenten. Iedere stap naar

kansengelijkheid in het onderwijs is er één.

(G)een afspiegeling

We weten dus uit onderzoek dat studenten uit lagere

economische klassen ondervertegenwoordigd zijn in het

honoursonderwijs. Het is nog niet bekend of de populatie

honoursstudenten een representatieve afspiegeling is als

het gaat om bijvoorbeeld culturele, religieuze of seksuele

diversiteit; ook weten we niet in hoeverre honoursonderwijs

bereikbaar is voor studenten met een handicap.

Wel kunnen we op basis van onderzoek onder studenten

geneeskunde concluderen dat selectie een drempel opwerpt

voor meerdere groeperingen die een minderheid vormen.

Zoals we hiervoor al schreven, doen studenten aan sociale

vergelijking als zij zich aanmelden. Volgens Wouters

Cultureel kapitaal biedt

de student bijvoorbeeld

de woordenschat die

nodig is om je te uiten

72


TH MA themahogeronderwijs.org

Het exacte antwoord op

de vraag hoe selectie

inclusiever kan, moet ik

u verschuldigd blijven

(2020) geldt dit ook voor studenten met een niet-traditionele

achtergrond. Maar wat als er niemand is om jezelf

mee te vergelijken, omdat er niemand is die op jou lijkt?

Het exacte antwoord op de vraag hoe selectie inclusiever

kan, moet ik u verschuldigd blijven. Er is helaas niet

veel bekend over wat wél goed werkt. Onderzoek doen

is ingewikkeld, mede omdat de gebruikte definities van

diversiteit en inclusie uiteenlopen (Göransson & Nilholm,

2014). Wel zijn er inmiddels onderwijsinstellingen die zich

bewust zijn van dit vraagstuk en daarom andere wegen

inslaan. Zo is het honoursprogramma van de Hogeschool

Leiden drie jaar geleden gestopt met selecteren. Dit besluit

kwam voort uit interne gesprekken over diversiteit en het

imago van het honoursonderwijs. Dat werd destijds gezien

als een ‘exclusief excellentietraject voor topstudenten’, terwijl

de hogeschool juist de ambitie had uitgesproken om

het honoursprogramma een plaats te laten zijn waar íédere

student de ruimte kan krijgen om zich te ontwikkelen.

Sinds het stopzetten van de selectieprocedure is een hoog

cijfergemiddelde niet langer een vereiste voor toegang

tot het honoursprogramma van de Hogeschool Leiden.

Wel moet de student voldoende studiepunten hebben

behaald: 55 in het propedeusejaar en 40 in de daaropvolgende

jaren. De gedachte hierachter is dat deelname aan

een honoursprogramma een extra tijdsinvestering vergt

en geen verdere studievertraging in de hand zou moeten

werken. De hogeschool nodigt studenten die willen deelnemen

uit voor een intakegesprek, waarin beide partijen

hun verwachtingen uitspreken.

Het verschil tussen selectie en intake zit hem in het

gegeven dat studenten niet langer worden toegelaten of

afgewezen, maar geheel zelf bepalen of ze zich willen

committeren aan het programma. Daarnaast biedt de

Hogeschool Leiden kortere, flexibelere trajecten aan, zodat

studenten in verschillende fasen van hun studie kunnen

deelnemen aan het honoursprogramma. Beide veranderingen

zijn een stap in de goede richting. Sinds het

invoeren van de intake trekt het honoursprogramma meer

studenten. Het valt alleen niet te zeggen of de studentenpopulatie

ook daadwerkelijk diverser is geworden.

Bewustwording

Eén gouden succesformule voor een inclusieve selectie

bestaat niet. Wat een passende vorm is, hangt geheel af van

de context en de ambities van de instelling. Iedere methode

brengt naast selectie ook een ongewenste vorm van uitsluiting

met zich mee. Let wel: er zal geen enkele selecteur zijn

die bewust studenten afwijst vanwege hun economische

achtergrond, en er zal geen selectiecommissie zijn die het

wenselijk vindt dat deze vorm van (onbewuste) uitsluiting

plaatsvindt. Daarom is het des te belangrijker dat instellingen

zich bewust zijn van het feit dat, hoewel niemand

uitsluiting wenselijk vindt, er toch sprake van is.

Het zou een goed begin zijn als onderwijsinstellingen,

afdelingen en collega’ hierover met elkaar het gesprek

durven aangaan. Diversiteit en inclusie bereik je namelijk

niet met nieuwe technologie, een vernieuwend stappenplan

of een nieuwe methode (Ainscow, 2005). Diversiteit

en inclusie bereik je door bewustwording van de mensen

die erbij betrokken zijn. Het is een proces dat begint met

het uitdagen van wat vertrouwd en vanzelfsprekend is, om

vervolgens een dialoog te voeren over wat de idealen zijn

rond diversiteit en kansengelijkheid, en hoe je dat samen

gaat bereiken. Dit is van belang, want op dit moment

geeft het hoger onderwijs bepaalde studenten structureel

niet dezelfde kansen als andere. Dat is, nogmaals, iets

wat geen enkele onderwijsinstelling wil, maar wat toch

overal plaatsvindt.

Diversiteit is een van de belangrijkste onderwijsuitdagingen

van dit moment. Het aangaan van die uitdaging is de

moeite waard. Niet alleen in het kader van kansengelijkheid,

maar ook voor het leerklimaat binnen de programma’s

is het waardevol om expliciet aandacht te hebben voor

de diversiteit van de studentenpopulatie. Een diverse groep

studenten brengt een rijke verzameling aan invalshoeken,

denkbeelden en meningen met zich mee. Er vinden

Dat is iets wat geen

onderwijsinstelling wil,

maar wat toch

overal plaatsvindt

73


TH MA 4-21

Europese universiteiten

Bovenal vraagt het

om een open dialoog,

binnen en tussen

onderwijsinstellingen

ontmoetingen plaats waarbij studenten van en met

elkaar leren.

Een voormalig decaan van de Honours Academy in Rotterdam

noemde het honoursonderwijs het ‘festijn van

de academie’, een plaats ‘waar studenten de gelegenheid

hebben tot denken’ (Andreoli, 2020). Dat denken wordt

rijker als je kunt bouwen op diversiteit (Ramdas, Slootman

& Oudenhoven-van der Zee, 2019). Dit is waardevol voor de

honoursstudent zelf, maar diversiteit binnen het honoursonderwijs

kan ook een motivatie zijn voor de reguliere studenten.

Bij de opkomst van de honoursprogramma’s was

de verwachting dat honoursstudenten rolmodellen zouden

kunnen zijn voor de rest van de instelling. Juist als zichtbaar

wordt dat je, als onderdeel van een minderheidsgroep,

de ruimte mag en kunt nemen om te excelleren in wat je

doet, kan dit een inspiratiebron zijn voor gelijkgestemden.

Literatuur

Ainscow, M. (2005). ‘Developing inclusive education systems: what are the levers for

change?’ Journal of Educational Change, 6(2), 109-124.

Andrioli, T. (2020). ‘Erasmus had een hekel aan middelmatigheid’. Verkregen van: www.

scienceguide.nl/2020/02/erasmus-had-een-hekel-aan-middelmatigheid/

Aronson, E., Akert, R.M. & Wilson, T.D. (2011). Sociale psychologie (7e editie). Amsterdam:

Pearson educatie.

Ball, R., Alexander, K. & Cleland, J. (2020). ‘”The biggest barrier was my own self”: The role

of social comparison in non-traditional students’. Journey to Medicine, (9), 147-156.

Bourdieu, P. (1986). ‘The forms of capital’. In: J. Richardson (red.), Handbook of Theory

and Research for the Sociology of Education (New York: Greenwood), 241-258.

Broekhoven, K. van, Huijts, T., Isendoam, M., Jacobs, M., Kolster, R., Leest, B., Meng, C.,

Westerheijden, D. & Wolbers, M. (2020). ‘Excellentieonderwijs: Selectie van studenten

en individuele effecten’. ROA Reports, nr. 001. doi.org/10.26481/umarep.2020001.

Broekhoven, K. van, Leest, B., Wolbers, M., Allen, J., Belfi, B., van der Velden, R., Jongbloed,

B., Kolster, R. & Westerheijden, D. (2016). ‘Opbrengsten en kosten van excellentie.

Evaluatie van de Siriusprogramma’s’. Th&ma, 2-2016, 52-55.

Coppoolse, R., Eijl, P. van & Pilot, A. (2013). Hoogvliegers, ontwikkeling naar professionele

excellentie. Rotterdam: Hogeschool Rotterdam.

Denessen, E.J.P.G. (2017). ‘Verantwoord omgaan met verschillen: sociale-culturele achtergronden

en differentiatie in het onderwijs’ (oratie). Leiden: Universiteit Leiden.

Göransson, K. & Nilholm, C. (2014). ‘Conceptual diversities and empirical shortcomings –

A critical analysis of research on inclusive education’. European Journal of Special Needs

Education, 29(3), 265-280.

Kooijstra, G. (2018). ‘Breek de poorten van de honours academy open’. Verkregen van

www.voxweb.nl/nieuws/honours-academy-moet-grondig-hervormd-worden

Leest, B. & Wolbers, M.H. (2020). ‘Critical thinking, creativity and study results as predictors

of selection for and successful completion of excellence programmes in Dutch

higher education institutions’. European Journal of Higher Education, 1-15.

Ramdas, S.K.K., Slootman, M. & Oudenhoven-van der Zee, K. (2019) .‘VU Mixed Classroom

Educational Model’,versie 2 juli 2019. Vrije Universiteit Amsterdam.

ScienceGuide (2020). ‘Selectie bij excellentieprogramma’s heeft geen voorspellende

waarde’. Verkregen van www.scienceguide.nl/2020/12/

selectie-bij-excellentieprogrammas-heeft-geen-voorspellende-waarde/

Sirius Programma (2015). Niet reguleren, maar uitdagen. De vele wegen die leiden naar

excellentie. Overall auditrapport Sirius programma 2008-2014. Verkregen van www.

siriusprogramma.nl/media/files/publicaties/Def_%20webversie%20Overall%20

audit%202014.pdf

Wolfensberger, M.V.C. (2015). Talent Development in European Higher Education. Honors

Programs in the Benelux, Nordic and German-Speaking Countries. Londen: Springer.

Wouters, A. (2020). ‘Getting to know our non-traditional and rejected medical school

applicants’. Perspectives on Medical Education, 1-3.

Open dialoog

Honoursprogramma’s staan voor een uitdaging. Enerzijds

willen ze studenten selecteren die het niveau en de hoeveelheid

werk van het programma aankunnen, anderzijds

moeten ze ervoor waken dat ze bij voorbaat bepaalde groepen

uitsluiten. Dit vraagt om een kritische blik op de eigen

selectiemethoden, de selecteurs en misschien zelfs ook de

wervingsmethodiek. Maar bovenal vraagt het om een open

dialoog, binnen en tussen onderwijsinstellingen.

Dit is geen gemakkelijke weg, want een antwoord op de

vraag hoe het wel moet is er (nog) niet. Diversiteit is niet

iets wat je eenvoudig bereikt, maar het is wel de moeite

waard om eraan te werken. Aandacht voor diversiteit maakt

het honoursprogramma én de organiserende onderwijsinstelling

rijker.

Samantha Haasnoot

is docent en coach bij het honoursprogramma van de

Hogeschool Leiden

74


TH MA themahogeronderwijs.org

Scherpe blik

op onderwijspraktijk

Bruno Broucker, Rosalind

Pritchard, Göran Melin

& Clare Milsom (red.):

Sustaining the Future of

Higher Education

Brill, Leiden. ISBN

9789004467781 (paperback) /

9789004467798 (hardback);

268 blz. € 39,00 (paperback) /

€ 105,00 (hardback)

n 2020 stond het

I

congres van de

European Higher

Education Society

(EAIR) gepland in het Ierse

Cork, maar door de coronapandemie

kon het niet doorgaan.

Als alternatief hebben de redacteuren

een selectie gemaakt van

alle bijdragen en deze in boekvorm

gepresenteerd.

Het thema van het congres was

duurzaamheid, op verschillende

terreinen: bestuur en

management, leren en doceren,

kwaliteit, onderzoek, internationalisering

en professionele

ontwikkeling. De redacteuren

willen met het boek een helder

en stimulerend inzicht geven

in de veelzijdige en complexe

verantwoordelijkheden van het

hoger onderwijs in Europa.

De call for proposals lichtte

duurzaamheid als volgt toe: we

zien snelle maatschappelijke

veranderingen en de druk op

wetenschap en hoger onderwijs

nemen toe; hogeronderwijsinstellingen

moeten laten zien

wat hun bijdrage is aan de

samenleving, proactief inspelen

op de ontwikkelingen, het

kritisch vermogen versterken

en pal staan voor wetenschappelijke

waarden. Het gaat om

de toegevoegde waarde in een

cultureel, politiek en economisch

krachtenveld.

De aard van de bijdragen varieert

van macro- (onderzoek naar

de effecten van het Bolognaverdrag)

tot microniveau (een

casestudy op moduleniveau).

De relatie met duurzaamheid

is niet in alle hoofdstukken

duidelijk aanwezig. Het is nogal

een containerbegrip, en een

duidelijkere afbakening door de

redacteuren ontbreekt. Ook het

gevoel van urgentie uit de inleiding

van het boek blijft in veel

hoofdstukken onderbelicht;

de meeste bijdragen zijn een

analyse van de stand van zaken.

Een afsluitend hoofdstuk van

de redacteuren had geholpen

in het samenbrengen van de

analyses en onderzoeken uit

de verschillende hoofdstukken.

Dat wordt nu aan de lezer

overgelaten, en door de grote

variëteit aan onderwerpen en

herkomstlanden is dat nog niet

eenvoudig.

Wel besteden de redacteuren

in de inleiding kort aandacht

aan een overkoepelend beeld

uit de hoofdstukken. Zij zien

drie rode draden: duurzaamheid,

verandering en het

continu maken van verandering.

Ze schrijven ook dat de

hoofdstukken geen concrete

antwoorden, definitieve conclusies

of veranderaanpakken

bevatten. Dat is volgens hen

inherent aan de huidige situatie

van het continu vragen stellen

en heroverwegen. Dit maakt het

boek vooral een rijke bron van

inzicht in de huidige praktijk

van het hoger onderwijs, de

achtergronden en de onderwerpen

die spelen. Wie op zoek is

naar concrete ideeën en suggesties

om duurzaamheid te

vergroten, moet bij anderen te

rade gaan.

Een aantal onderwerpen

springt er wat mij betreft uit.

Het eerste is de New Public

Management-benadering van

de non-profitsector, met de

nadruk op efficiency en resultaten.

Diverse hoofdstukken

beschrijven en analyseren de

impact van deze internationale

ontwikkeling op het hoger

onderwijs. Door het New Public

Management is er een nieuwe

beroepsgroep van managers in

het hoger onderwijs ontstaan,

waar eerder alleen sprake was

van administratieve ondersteuning.

Dit ging gepaard met een

75


nieuwe meetinstrumenten en

controlemechanismen, vaak van

bovenaf opgelegd door nationale

regeringen.

Als reactie hierop, schrijven Lis

en Rybkowski (Polen) in hun

bijdrage, is de Network Governance-benadering

ontstaan.

Hierbij is het managen van een

instelling een gezamenlijke

activiteit van de betrokkenen

en heeft de staat alleen invloed,

in plaats van voorschrijvend

te zijn. Volgens hen past deze

benadering beter bij hogeronderwijsinstellingen,

omdat

die verschillende stakeholders

met verschillende behoeften

bedienen.

Krempkow en Höhle gaan

vanuit de Duitse context in op de

rol van managers in hogeronderwijsinstellingen.

Zij onderzochten

hun strategische rol: welke

rol zien zij voor zichzelf, en is

hier sprake van professionalisering?

Ze constateren dat managers

moeten opereren in een

autonomere rol van de instelling

en in een complexere omgeving

met meer taken.

Een ander terugkerend onderwerp

is de positionering van

hogeronderwijsinstellingen.

Pinheiro en Abualrub (Noorwegen)

beschrijven vanuit de

Noorse context twee archetypen:

het onderzoeksintensieve type

en het onderwijsintensieve

type, vergelijkbaar met wetenschappelijk

onderwijs en hoger

beroepsonderwijs in Nederland.

Zij constateren dat deze

twee archetypen onder invloed

van het neoliberalisme steeds

meer naar elkaar toe groeien.

Onderzoeksintensieve instellingen

worden ondernemender

om te kunnen concurreren

en gelden binnen te halen.

Onderwijsintensieve instellingen

breiden hun onderzoeksactiviteiten

uit om getalenteerd

personeel en studenten te

trekken en ook een deel van

de onderzoekgelden binnen

te halen. De auteurs zien ook

een onderscheid tussen hogeronderwijsinstellingen

gericht

op universele waarden, zoals

zelfontwikkeling en het vergroten

van kennis, en stakeholder

universities, gericht op de lokale

wensen en behoeften. De combinatie

van deze twee leidt tot

de multiversity, een instelling

die diverse belangen en wensen

op verschillende niveaus wil

bedienen. Een onderwerp dat

daarbij aansluit is kwaliteit en

excellentie. Een instelling die

meerdere en wisselende belangen

wil dienen, moet ook op

meerdere aspecten kwaliteit en

excellentie kunnen aantonen.

Dat kan leiden tot een complex

systeem van verantwoording.

De omslag van doceren (door

de docent) naar leren (van de

student) en de actieve rol van

studenten daarbij is een ander

interessant thema. Stalheim

(Noorwegen) stelt dat hogeronderwijsinstellingen

er nog

niet goed in slagen studenten

voor te bereiden op een rol in

een supercomplexe samenleving.

Belemmerende factoren

zijn onder andere de huidige

kwaliteitseisen, die vooral gaan

over de arbeidsmarkt en studenttevredenheid.

De auteur

beschrijft een casus waarin

studenten bedenken hoe ze

binnen een module een zinvolle

bijdrage kunnen leveren aan de

samenleving.

De bijdrage van O’Leary en

collega’s (Verenigd Koninkrijk)

sluit aan bij dit onderwerp.

Zij lieten studenten en docenten

door observatie ontdekken

wat bijdraagt aan het leren van

studenten. Lag het accent bij

het observeren in aanvang op

het doceren, gedurende het

onderzoekproces verschoof dit

steeds meer naar het observeren

van leren. Ze introduceren de

term classroom consciousness: een

gezamenlijk beeld van docenten

en studenten van het effect van

het geheel van leerdoelen, activiteiten

en reacties op het leren

van studenten. De studenten

die meededen aan de observatieactiviteiten

voelden zich meer

verantwoordelijk voor het eigen

leren. Ook deze bijdrage legt

de link met het neoliberalisme,

waarin de student de consument

is en de docent de leverancier.

Hoewel ze dit niet expliciet

benoemen, zien de auteurs dit

niet als een duurzaam concept

voor het hoger onderwijs.

Een van de doelen van de

Bolognaverklaring was het stimuleren

van studentmobiliteit.

Brandon en collega’s (Verenigd

Koninkrijk) onderzochten wat

het effect is van een periode in

het buitenland studeren versus

extracurriculaire activiteiten in

het eigen land. Zij betrekken

nadrukkelijk de pandemie in

hun verhaal, die ervoor zorgde

dat een periode in het buitenland

studeren niet meer

mogelijk was. De auteurs concluderen

dat studenten met een

buitenlandse studieperiode op

hun cv daar in vergelijking met

andere studenten niet direct van

profiteren bij het solliciteren.

Wat wel effect heeft, is studenten

te begeleiden in de bewustwording

van wat ze door hun

studieperiode in het buitenland

hebben geleerd op persoonlijk,

academisch en professioneel

gebied. Hierdoor kunnen ze

onder woorden brengen wat het

hun heeft opgeleverd en zich

beter presenteren bij potentiële

werkgevers. Dit werkt ook voor

studenten die naast hun studie

extracurriculaire activiteiten

hebben ondernomen in eigen

land. Studenten kunnen die

vaak beter afstemmen op hun

eigen wensen en behoeften

dan studenten die naar het

buitenland gaan en daar een

vaststaand programma volgen.

Interessante bevindingen dus

voor studenten die een goed

alternatief zoeken voor een studieperiode

in het buitenland.

Hieruit blijkt ook weer het

belang van reflectie op persoonlijke,

academische en professionele

ontwikkeling.

Welke lessen kan een hogeronderwijsinstelling

trekken uit het

voorgaande? Afstand nemen

van het neoliberale model en

New Public Management. Alle

stakeholders een actieve rol

geven bij onderwijs en onderzoek.

Omslag van doceren naar

leren. Er zijn goede en wellicht

betere alternatieven voor een

studieperiode in het buitenland.

In dat opzicht zijn de redacteuren

geslaagd: als lezer krijg je

een scherp beeld van de relevante

thema’s en doe je nieuwe

inzichten op.

Veronica Bruijns

is beleidsmedewerker toetsen en

beoordelen bij de stafafdeling

onderwijs en onderzoek van

Hogeschool van Amsterdam

en coördinator van de

recensieredactie van Th&ma

76


TH MA themahogeronderwijs.org

Welk hoger

onderwijs wil

de samenleving?

Heather Eggins, Anna

Smolentseva & Hans

de Wit (red.): Higher

Education in the Next

Decade. Global Challenges,

Future Prospects

Brill | Sense, Leiden. ISBN

9789004462694 (paperback) /

9789004462700 (hardback);

382 blz. € 44,00 (paperback) /

€ 149,00 (hardback)

eze bundel

D

bespreekt de

uitdagingen en

de toekomst van

het hogeronderwijslandschap

voor het komende decennium.

Higher Education in the Next

Decade behandelt vijf belangrijke

thema’s: de academische

loopbaan, de toegang tot het

hoger onderwijs, de rol van

het hoger onderwijs binnen de

samenleving, de financiering

van het hoger onderwijs en het

internationale luik dat eigen is

aan het hoger onderwijs.

Het eerste deel gaat in op de

specifieke uitdagingen van de

academische loopbaan. Zonder

twijfel zullen die in de toekomst

ruime aandacht (moeten) krijgen.

Neem de sterk gegroeide

prestatiedruk. Die heeft niet

enkel betrekking op de werklast

van de individuele onderzoekers,

maar ook op de algemene

performantie van faculteiten

en universiteiten. Hoewel presteren

er evident een vereiste

is, tonen de auteurs aan welke

negatieve neveneffecten een

doorgedreven prestatiecultuur

met zich meebrengt – een

cultuur waarbij excellentie

de norm is en competitie de

arbeidsrelaties en de inhoud

van het werk sterk mee vorm

geeft. Dit wordt bovendien

versterkt door het feit dat een

grote groep onderzoekers een

onzeker arbeidscontract (of toch

enkel van bepaalde duur) krijgt.

De algemene organisatiecultuur,

zo beargumenteren de

auteurs, lijdt hieronder, omdat

er binnen de faculteit of de

wetenschapsgroep een kloof

ontstaat tussen de verschillende

personeelscategorieën en er

weinig ruimte overblijft voor

zelfontplooiing en creativiteit.

De budgetten voor onderzoek

bepalen immers de agenda.

Op langere termijn riskeren

universiteiten, aldus de auteurs,

de academische waarden te

ondermijnen.

Dit thema is brandend actueel

en zal niemand vreemd

in de oren klinken. Maar het

probleem ligt hem net in de

vicieuze cirkel ervan, omdat

prestaties gekoppeld zijn aan

organisationele inkomsten en

aan carrièremogelijkheden.

Wie een zekere carrière tegemoet

wil gaan en wil opklimmen

op de academische ladder,

kan nauwelijks anders dan

meestappen in die competitie

en de nodige resultaten boeken.

Internationale rankings doen

daarbij meer kwaad dan goed, al

weet iedereen hoe relatief die

zijn.

Een tweede thema in het eerste

deel heeft betrekking op genderongelijkheid.

Ook dat is

brandend actueel, sinds jaren,

en ook hier lijkt het moeilijk

om een ‘oplossing’ te bereiken.

Het glazen plafond is

bespreekbaar en breed erkend,

de carrièremoeilijkheden die

vrouwen binnen het hoger

onderwijs ondervinden in

vergelijking met mannen zijn

sterk onderzocht en algemeen

gekend, instellingen ontplooien

en implementeren een genderbeleid,

en steeds meer instellingen

passen (bijvoorbeeld bij

rekrutering van professoren)

positieve discriminatie toe of

stimuleren dit. Maar de conclusie

lijkt hier volgens de auteurs

vooral te zijn dat ondanks

alle geleverde inspanningen

de vooruitgang veel te traag

gaat. Geen wonder dat dit een

77


uitdaging zal blijven voor de

komende decennia. Misschien

kunnen we over een generatie

andere conclusies trekken?

Het tweede deel van het boek

behandelt een erg ‘klassiek’

thema, namelijk de toegang tot

het hoger onderwijs. De hoofdstukken

binnen dit deel kijken

naar vier aspecten:

1. De manier waarop instellingen

(soms vergeefs) proberen

toegang tot het hoger onderwijs

te verhogen en het beleid

dat ze daarvoor ontwikkelen.

Een belangrijke vraag daarbij

is welke competenties je wilt

aantrekken binnen het hoger

onderwijs.

2. De belangrijke rol die het professioneel

hoger onderwijs in

dit verband krijgt toegekend.

3. De link tussen deelname

aan het hoger onderwijs en

burgerschap, of hoe democratisering

aan de toegangspoort

van het hoger onderwijs ook

een vorm van democratisering

teweeg zal brengen na

de uitstroom, en dus een

maatschappijbreed effect

kan genereren.

4. De relatieve successen (onder

meer in Zuid-Afrika) om de

toegang te verbreden.

Vooral het hoofdstuk over de

rol van het professionele hoger

onderwijs is interessant, omdat

het het belang van die specifieke

tak van het onderwijs

sterk in de verf zet. De auteurs

benadrukken het maatschappelijke

potentieel van het

professionele hoger onderwijs

en stellen dat een verankerd

(en ruimdenkend) hogeronderwijsbeleid

met voldoende zicht

op de participatieproblematiek

een belangrijke impact kan

genereren. Dit is een interessante

beleidsoptie, die we al

meermaals hebben gezien: de

participatieproblematiek in het

onderwijs oplossen doe je niet

door enkel in te zetten op het

academische hoger onderwijs.

Dat doe je eerder door in te

zetten op een gericht beleid

waarbij je de juiste profielen

tracht te laten doorstromen

naar het geschiktste onderwijs.

Het interessante daarvan is dat

je daarmee de focus kunt verleggen

van het academische hoger

onderwijs naar alle vormen

van levenslang leren. Op die

manier wordt de participatieproblematiek

niet een probleem

van één type onderwijs, maar

een samenlevingsdoelstelling.

Het derde deel behandelt de rol

van het hoger onderwijs binnen

de samenleving. Het signaleert

dat transnationaal beleid vanuit

de Europese Unie of de OESO

(Organisatie voor Economische

Samenwerking en Ontwikkeling)

beleidsconvergentie in

hoger onderwijs heeft gestimuleerd,

maar dat nationale divergenties

blijven bestaan – zowel

in beleidsresultaten als in governancemodellen.

Het Bolognaproces

heeft ruim duidelijk

gemaakt dat het hogeronderwijsbeleid

van talrijke landen

naar elkaar is gegroeid, maar

dat het onderscheid tussen de

systemen blijft bestaan. En dat

dit verschil waarschijnlijk ten

goede is.

Dit deel bespreekt ook welk

belang het hoger onderwijs

heeft om individuen kansen te

bieden om zich te ontwikkelen,

wetende dat bestaande sociale

structuren persoonlijke ontwikkeling

dikwijls belemmeren.

In feite kun je dat koppelen aan

het tweede deel van het boek, al

is de boodschap hier enigszins

anders: wil je problemen aanpakken

binnen de samenleving,

dan kan het een goede strategie

zijn om te beginnen met de persoonlijke

ontwikkeling van het

individu.

Tot slot is er aandacht aan de

lokale versus de globale rol van

het hoger onderwijs, en dan

vooral welke rol het kan spelen

voor de lokale gemeenschap wat

betreft participatie, economische

stimulus of gemeenschapsontwikkeling,

en hoe die rol ook

past binnen een onderwijssector

die bij uitstek mondiaal is.

Het vierde deel gaat over de

financiering van het hoger

onderwijs en de waargenomen

trends van de laatste jaren

daarin: een toename van ‘kostendeling’

(waarbij instellingen

steeds meer verschillende types

financiering moeten combineren,

zoals tussen private

en publieke inkomsten), een

verschuiving naar meer prestatiegebaseerde

financiering en

de toegenomen concentratie

van middelen en de daaraan

gelinkte selectiviteit. De pertinente

vraag hierbij is in welke

richting het financieringsbeleid

van het hoger onderwijs

zal evolueren, als we de trend

van de voorbije decennia overschouwen.

De auteurs stellen

twee scenario’s voor: ofwel een

versterking van de trend, wat

onvermijdelijk zal leiden tot

verdere maatschappelijke stratificatie

en ongelijkheid, ofwel

het tegengaan van de trend,

uit bezorgdheid voor verdere

sociale ongelijkheid. De vraag

lijkt beangstigend – en het antwoord

evident, maar dat is het

zeker niet.

Het laatste deel gaat over

internationalisering, en meer

bepaald het strategische aspect

ervan. Nu de samenleving

mondialer geworden is, lijkt

een strategische aanpak hiervan

voor de hand liggend en

wordt het steeds logischer om

een internationaliseringsbeleid

te ontwikkelen dat verdergaat

dan (studenten)mobiliteit.

Je kunt je afvragen of internationalisering

op zichzelf wel

een ‘apart’ beleid moet zijn

van instellingen, dan wel of

instellingen niet per definitie

internationaal (moeten) zijn en

internationaliseringsbeleid een

intrinsiek en transversaal thema

is in het reilen en zeilen van het

hoger onderwijs.

78


TH MA themahogeronderwijs.org

Het overzicht hierboven maakt

duidelijk dat dit boek het lezen

waard is, en dit om meerdere

redenen. Ten eerste slagen de

auteurs en redacteurs erin om

erg ‘klassieke’ thema’s anders

te benaderen: toekomstgericht.

Ik geef twee voorbeelden.

Als het over de financiering

van het hoger onderwijs gaat,

verengen ze het thema niet tot

de schulden die Angelsaksische

studenten opbouwen om hun

studies te kunnen betalen, of

tot de toegenomen prestatiedruk

die instellingen ervaren in

verhouding tot de afname van

financiële middelen. De auteurs

nemen die elementen, die reeds

in talrijke andere studies naar

boven komen, zeker mee in het

debat, maar gaan verder dan

de probleemanalyse. Wat net

wel interessant is, is de expliciete

vraag die ze stellen met

het oog op de toekomst. Welke

richting de financiering uitgaat

is immers meer dan een cijfermatige

kwestie. Fundamenteel

stellen ze de vraag of het hoger

onderwijs nog meer competitie

zal inbouwen omdat de

middelen schaars en competitief

zullen blijven, dan wel of

het hoger onderwijs meer zal

inzetten op toegang en sociale

impact, wat mogelijkerwijze

een bredere geldstroom vereist.

Wat voor type hoger onderwijs

wil de samenleving dan

eigenlijk krijgen, en voor wie?

Dat zijn fundamentele vragen

die terug te vinden zijn in het

ganse boek en die de lezer

uitnodigen kritisch en vooral

holistisch na te denken. Hoger

onderwijs is een thema dat vele

andere maatschappelijke thema’s

raakt én verbindt: het kan

een (gedeeltelijke) oplossing

bieden voor armoede en werkloosheid,

het heeft een impact

op maatschappelijke vooruitgang

en innovatie, het draagt bij

tot burgerzin en persoonlijke

ontwikkeling. Die breedte stelt

het boek inzichtelijk en uitdagend

voor.

Ander voorbeeld: de hoofdstukken

over de toegang tot

het hoger onderwijs behandelen

niet alleen (en opnieuw)

de impact van de sociaal-economische

status. Het gaat dan

bijvoorbeeld over de mogelijke

rol van het professioneel hoger

onderwijs daarin. Ook dat is

een manier om te kijken naar

de toekomst van het hoger

onderwijs in plaats van (weeral)

te verzanden in een probleemanalyse

die in de kern al breed

gekend is.

Een tweede reden om dit boek

te lezen – nog belangrijker dan

de eerste – is dat de auteurs

erin slagen om de verschillende

onderdelen inhoudelijk met

elkaar te verbinden tot één

kernthema: welk type hoger

onderwijs wil de samenleving,

en wat is de rol van het hoger

onderwijs daarin? Die vraag

zorgt ervoor dat het boek op een

systemische manier naar het

hoger onderwijs kijkt. De financiering

van het hoger onderwijs

kun je eigenlijk niet los zien

van het type onderwijs dat je

wilt. Wil je een democratische

ingang tot het hoger onderwijs,

waarbij individuele ontwikkeling

leidt tot de afbouw van

belemmerende sociale structuren?

De auteurs herleiden

internationalisering niet meer

tot de mobiliteit van studenten,

maar zien haar als een afgeleide

van de mondiale samenleving

waarin we leven en waarin

onderwijs een belangrijke rol

speelt. Onderwijsbeleid heeft

een rol te spelen binnen verschillende

maatschappelijke

lagen: lokaal, Europees en

mondiaal. Kortom, het boek

bespreekt wat het belooft: global

challenges en future prospects.

Bruno Broucker

is hogeronderwijsexpert bij

het Instituut voor Tropische

Geneeskunde, bijzonder

gastdocent aan het KU Leuven

Instituut voor de Overheid en

lid van de recensieredactie van

Th&ma

79


TH MA 4-21

Werken aan

een kwaliteitscultuur

Guy Bendermacher:

Navigating from

Quality Management

to Quality Culture

Maastricht University.

ISBN 9789464213522;

159 blz. Te raadplegen op

dx.doi.org/10.26481/

dis.20210702gb

walitatief goed

K

onderwijs vinden

we allemaal

zeer belangrijk.

Vreemd genoeg is er weinig

onderzoek naar de wijze waarop

we effectief met elkaar kunnen

werken aan kwaliteitsontwikkeling.

In juli promoveerde Guy

Bendermacher cum laude op

een onderzoek naar kwaliteitscultuur.

Hij heeft verkend wat

een kwaliteitscultuur is, door

welke factoren je deze kunt versterken,

hoe je kunt bijdragen

aan een cultuur van continue

verbetering en welke rol leiderschap

daarbij speelt.

In de eerste studie gaat Bendermacher

in de literatuur op

zoek naar beperkende en versterkende

contextelementen en

werkende mechanismen voor

een kwaliteitscultuur.

Hij laat zien dat om de structuurelementen

te versterken

duidelijke strategieën, beleid,

procedures, verantwoordelijkheden

en het implementeren van

evaluatiemethodieken helpen.

Versterkende culturele elementen

zijn gedeelde waarden, een

focus op innovatie, flexibiliteit

en werkrelaties. Belemmerend

hierbij zijn een gebrek aan

docent- en studentbetrokkenheid

en subculturen binnen de

organisatie die haaks staan op

elementen van een kwaliteitscultuur.

Een goed communicatieklimaat

en leiderschap zijn nodig

om structuur- en cultuurelementen

met elkaar te verbinden.

Bendermacher identificeerde

eveneens vier werkende elementen

van een kwaliteitscultuur:

commitment, eigenaarschap,

kennis en empowerment.

Deze elementen dragen bij

aan het leren en ontwikkelen

van docenten en studenten, de

tevredenheid van docenten en

studenten en de verbetering van

onderwijsprocessen.

In de tweede studie heeft Bendermacher

aan de hand van

een vragenlijstonderzoek onder

onderwijscoördinatoren de relaties

verkend tussen contextuele

kenmerken (conflicterende

waardeoriëntaties, leiderschap

en communicatie), werkgerelateerde

attitudes (empowerment,

commitment en eigenaarschap)

en het werken aan kwaliteitsverbetering.

Zijn analyse laat

zien dat een mensgerichte waardeoriëntatie

de voorkeur heeft;

deze zorgt voor een hogere

communicatietevredenheid.

Daarnaast draagt deze oriëntatie

bij aan empowerment,

commitment en indirect aan

eigenaarschap. Dat zorgt voor

gemotiveerde docenten die

net even een stapje extra doen,

waardoor er meer productiviteit,

creativiteit en innovatie

ontstaat. Naast de mensgerichte

waardeoriëntatie heeft ook

een rationele doelbenadering,

gekenmerkt door een nadruk

op planning, het bereiken van

doelen en efficiëntie, een positieve

invloed op het werken aan

kwaliteitsontwikkeling.

80


Deze studie laat zien dat op

organisatieniveau een leergemeenschap

gericht op

samenwerken, met aandacht

voor betrokkenheid en eigenaarschap,

bijdraagt aan het

versterken van een kwaliteitscultuur.

Bendermacher pleit tevens

voor een ontwikkelprogramma

voor docenten voor de lange

termijn, met aandacht voor hun

persoonlijke waarden en motivatie

in relatie tot het lesgeven

en het verwerven van nieuwe

vaardigheden. De studie toont

daarnaast aan dat onderwijsontwikkelaars

en -coördinatoren

behoefte hebben aan professionele

ruimte. Dat sluit mooi aan

bij een andere conclusie: hoe

meer eigenaarschap mensen

ervaren voor het onderwijs,

des te meer ze verbeteractiviteiten

ondernemen. Hierbij

helpt faciliterend leiderschap,

gericht op een mensgerichte

waardeoriëntatie.

In de derde studie onderzoekt

Bendermacher aan de

hand van groepsinterviews

met opleidingscommissies

welke sleutelkenmerken van

kwaliteits cultuur bijdragen

aan continue verbetering.

Uit de data komen vijf thema’s

naar voren:

1. Stimuleer een opensysteembenadering:

balanceren

tussen flexibiliteit en stabiliteit.

Een open sfeer, externe

oriëntatie en vrijheid om te

experimenteren dragen bij

aan continue verbetering.

Dat vraagt wel om constante

afstemming tussen modules

enerzijds en externe ontwikkelingen

anderzijds. Nieuwe

inzichten die hierbij ontstaan

zijn belangrijke aanjagers van

continue verbetering.

2. Participatieve aanpak: een

adequate balans tussen topdown-

en bottom-upverbeterinitiatieven.

Betrokkenheid

zorgt voor het verhelderen

van verwachtingen, het

wegnemen van onzekerheid

en het creëren van draagvlak

voor de veranderingen.

Zo is het nodig om van

bovenaf kaders te bieden en

te zorgen voor ruimte voor

bottom-upverbetervoorstellen.

3. Waardeer onderwijstaken,

zorg voor balans tussen intrinsieke

en extrinsieke motivatie.

Betrokken docenten zijn

reflectiever, staan meer open

voor feedback en gaan actief

op zoek naar feedback, vanuit

een intrinsieke behoefte om

te verbeteren. Betrokkenheid

wordt groter door het

onderwijs meer te waarderen,

door docenten mee te laten

beslissen en samen doelen

op te stellen. Hoge werkdruk

staat de betrokkenheid bij het

onderwijs soms in de weg.

4. Balanceer tussen eigenaarschap

en verantwoording.

Onderwijs vormgeven op een

manier die aansluit bij de

eigen inzichten van een team

van docenten draagt bij aan

het eigenaarschap en aan continue

verbetering. Autonomie

en eigenaarschap moeten

gerelateerd zijn aan de ondersteuning

door peers en verantwoordingsaanpakken

(zoals

PDCA (Plan-Do-Check-Act)

om systematisch te werken).

Een kortetermijnfocus op

studenttevredenheid staat een

langeretermijnfocus op het

leren en de ontwikkeling van

de student soms in de weg.

5. Integratief leiderschap zorgt

voor een adequate balans

tussen de vier hierboven

beschreven spanningsvelden.

Communicatie speelt hierin

een sleutelrol. Leidinggevenden

hebben als taak de verbinding

te stimuleren tussen de

doelen op opleidingsniveau

en de individuele ambities

van stafleden, en de balans te

bewaken tussen professionele

ruimte en een samenhangend

curriculum.

In zijn laatste studie gaat Bendermacher

aan de hand van

interviews dieper in op de rol

van leidinggevenden bij het

versterken van een kwaliteitscultuur,

door te kijken naar hun

perspectieven en ervaringen.

Volgens leidinggevenden draagt

het werken in multidisciplinaire

teams waarvoor je de juiste

mensen selecteert (op basis van

expertise) bij aan een kwaliteitscultuur.

Deze teams stimuleren

het reflecteren op mogelijke

verbeteringen. De respondenten

zeiden behoefte te hebben

aan het sparren over de onderwijsinhoud

en het delen van

81


TH MA 4-21

ervaringen met het onderwijsproces,

en op die manier van

elkaar te leren. Leidinggevenden

zien innovatienetwerken als

mogelijkheid om op kleine

schaal te experimenteren en bij

succes op te schalen.

Leidinggevenden ervaren soms

spanning tussen het focussen

op de eigen cursus enerzijds

en zich bewust zijn van de

gehele opleiding anderzijds.

Het werken aan een gedeelde

onderwijsidentiteit, gemeenschapsvorming,

draagt bij

aan de bewustwording dat je

onderdeel uitmaakt van een

groter geheel en dat je daar oog

voor moet hebben. Persoonlijke

aandacht voor de motivatie en

ambities van de docent en de

mogelijkheid talenten in te

zetten vergroten de motivatie

en dragen bij aan de geleverde

onderwijskwaliteit. Personeelsbeleid

is van belang om

aandacht te blijven houden voor

de ontwikkeling van individuen,

teams en de organisatie.

Dit beleid moet aansluiten bij de

onderwijsontwikkelingsstrategie

van de organisatie. Leidinggevenden

waarderen de beschikbaarheid

van verschillende

informatiebronnen als input

om het onderwijs te verbeteren.

Hun voorkeur gaat hierbij vooral

uit naar verhalende bronnen

die ook contextuele informatie

geven. Ook waarderen ze onderwijskundige

ondersteuning.

Tot slot laat de studie zien dat

leidinggevenden meer aandacht

voor leiderschap in het onderwijs

zelf ook wenselijk vinden

met het oog op duurzame

onderwijsontwikkeling. Bijvoorbeeld

door meer aandacht

te schenken aan het verkrijgen

van feedback op vervulde coördinerende

rollen, ontwikkelprogramma’s

of het investeren in

gedeeld leiderschap.

Het onderzoek van Bendermacher

is absoluut van toegevoegde

waarde voor het hoger

onderwijs. Er is één kanttekening

te maken, die hijzelf

ook al benoemt: hij heeft alle

studies uitgevoerd binnen één

onderwijsdomein, de gezondheid.

Voor vervolgonderzoek

is domeinoverstijgend onderzoek

van toegevoegde waarde.

Desondanks geven de studies

inzicht in de stand van zaken

van onderzoek op dit moment

en voegt Bendermacher daar

door diverse empirische studies

nieuwe inzichten aan toe.

De onderzoeken laten zien dat

een kwaliteitszorgbenadering

die gericht is op beheersen

en controle niet bijdraagt aan

kwaliteitsontwikkeling op de

lange termijn. De studies pleiten

voor een integrale aanpak

van kwaliteitsontwikkeling met

nadruk op het primaire proces:

het verbeteren van het onderwijs

en het integreren van continue

verantwoording in de dagelijkse

activiteiten. Dat vraagt om

een participatieve aanpak met

ruimte voor professionele autonomie,

ontwikkeling en aandacht

voor de betrokkenheid van

docenten. Faciliterend leiderschap

– gericht op het verbinden

en realiseren van de doelen op

individueel, team- en organisatieniveau

– is hierbij cruciaal.

Myrte Legemaate

is senior onderwijskundig adviseur

en promovendus op het gebied

van kwaliteitscultuur bij het

Leer- en Innovatiecentrum van

Avans Hogeschool en lid van de

recensieredactie van Th&ma

82


TH MA themahogeronderwijs.org

Een ongelijke

bundel

Nancy H. Hensel &

Patrick Blessinger (red.):

International Perspectives

on Undergraduate

Research. Policy and

Practice

Palgrave Macmillan, Cham.

ISBN 9783030535582 (hardback) /

9783030535599 (e-book); 311 blz.

€ 127,19 (hardback) /

€ 99,99 (e-book)

e zogenoemde

D

‘nexus’ tussen

onderwijs en

onderzoek is een

belangrijk kenmerk van het

hoger onderwijs in de moderne

tijd. Een klassiek historisch

referentiepunt in dat verband is

het optreden van de Pruisische

geleerde en staatsman Wilhelm

von Humboldt, die in 1810 de

Berlijnse universiteit oprichtte

die vandaag zijn naam draagt.

Het gezamenlijk ontwikkelen

van kennis door studenten en

docenten stond daarbij voorop.

Die verwevenheid van onderwijs

en onderzoek werd het model

voor tal van universiteiten in

Europa, de Verenigde Staten

en elders.

Ook Nancy H. Hensel en Patrick

Blessinger voeren Humboldt op

in de inleiding tot hun bundel

International Perspectives on

Undergraduate Research. Policy

and Practice. Zoals de titel al

doet vermoeden, behandelt het

boek een specifiek aspect van

de nexus, namelijk de actieve

bijdrage van (bachelor)studenten

aan onderzoek. In de Verenigde

Staten bloeide dat onderzoek

door studenten op vanaf de jaren

zestig. Sinds 1978 bestaat er een

Council on Undergraduate Research

die hogeronderwijsinstellingen

ondersteunt en ijvert voor

overheidsfinanciering. Hensel

was enige tijd directeur van deze

organisatie.

Hensel en Blessinger wijzen

erop dat er weliswaar enige consensus

bestaat over de positieve

impact van onderzoek doen op

het leren van studenten, maar

niet over de gewenste aard en

implementatie van dat onderzoek.

Om het domein nader te

verkennen hebben ze vijftien

bijdragen bijeengebracht uit zes

werelddelen. Samen bieden die

een staalkaart van beleidslijnen

en praktijken op het gebied van

undergraduate research.

De beste hoofdstukken combineren

informatie op metaniveau

over het hogeronderwijslandschap

in een bepaalde nationale

context met concreet uitgewerkte

gevalstudies die inzichtelijk

maken wat studenten en docenten

feitelijk doen. Dat geldt bijvoorbeeld

voor de Ierse bijdrage

van Roisin Donnelly, Claire

McAvinia en Claire McDonnell

over docentenprofessionalisering

op het gebied van onderzoeksbegeleiding

en voor het hoofdstuk

van Wolfgang Deicke en Harald

A. Mieg over ‘Undergraduate

Research in German Higher Education:

Tradition, Policy, and Innovation’.

Niet alle hoofdstukken

weten de balans tussen beleid

en praktijk even goed te treffen,

maar op zijn minst bieden ze

informatie over hogeronderwijssystemen

die veel Nederlandstalige

lezers minder bekend zullen

zijn, van Egypte en de Verenigde

Arabische Emiraten tot Singapore

en Japan.

Het kader dat de samenstellers

aan de bundel bieden, blijft

helaas nogal schetsmatig.

Dat geldt in de eerste plaats voor

83


TH MA 4-21

het model van undergraduate

research dat ze uittekenen in

hun openingshoofdstuk over

‘Undergraduate Research as a

High-Impact Educational Practice’.

Dat model combineert een

bijzonder algemene beschrijving

van de stappen in een onderzoekscyclus

(van ‘Define Research

Question/Statement’ tot ‘Original

Scholarship and Intellectual

Contribution to the Discipline’)

met een al even globale schets

van het onderwijsproces (van het

formuleren van leerdoelen tot de

evaluatie).

‘This model does not offer a cookbook

approach (…) but rather a

high-level guide’, schrijven Hensel

en Blessinger zelf. Dat mag

een understatement heten.

Het model is zo algemeen dat

het weinig richtinggevend kan

zijn voor de praktijk. De voorbeelden

van mogelijke benaderingen

die het model illustreren

zijn bovendien zo uiteenlopend

dat ze een wat vrijblijvend

karakter krijgen. Hetzelfde geldt

voor de ‘Conclusions and Recommendations’

waarmee Hensel en

Blessinger de bundel afsluiten.

Zo wijzen ze op de nood aan

administratieve ondersteuning

en docentenprofessionalisering.

Geen lezer zal het nut

van die evidente randvoorwaarden

betwijfelen, maar het

louter aanbevelen ervan biedt

weinig houvast.

Vanzelfsprekend maakt de grote

diversiteit van de internationale

bijdragen aan de bundel het

moeilijk om algemeen geldige

conclusies te trekken. Hensel

en Blessinger wijzen dan ook

terecht op de bepalende rol

van de context bij undergraduate

research: ‘the culture of the

country, the university, and the

discipline’. Toch hadden ze hun

algemene beschouwingen meer

diepgang en nuance kunnen

geven door minder strak vast te

houden aan het Amerikaanse

concept van undergraduate

research, dat Elizabeth L. Ambos

toelicht in een afzonderlijk, erg

informatief hoofdstuk. Daarin

is een centrale rol weggelegd

voor een nationale organisatie

met een eigen staf, tijdschrift

en congres, en voor specifieke

financiering door zowel overheidsagentschappen

als private

stichtingen.

Hensel en Blessinger lijken een

soort continue lijn te zien van

het 19de-eeuwse Humboldtmodel

naar de hedendaagse

activiteiten van de Council on

Undergraduate Research, die

vooral in de Angelsaksische

wereld navolging hebben

gekend. Toch is de universiteit

zoals Humboldt die kende in

veel opzichten moeilijk vergelijkbaar

met het grootschalige

hoger onderwijs van de jaren na

de Tweede Wereldoorlog. Hensel

en Blessinger wijzen er terecht

op dat een in het curriculum

ingebedde onderzoeksleerlijn

en onderzoek in samenwerking

met maatschappelijke stakeholders

aan méér studenten kansen

bieden dan het traditionele

meester-gezelmodel, dat zich

richt op individuen of kleine

groepen en veelal buiten het curriculum

om wordt georganiseerd

voor gevorderde studenten.

Toch blijkt zo’n minder inclusief

apprentice model vrij courant in

het Amerikaanse hoger onderwijs

en in daarop geïnspireerde

systemen elders in de wereld.

Een belangrijk element van het

Amerikaanse model is voorts

de definitie van undergraduate

research zoals de Council on

Undergraduate Research die

formuleert: ‘an inquiry or investigation

conducted by an undergraduate

student that makes an

orignal intellectual or creative contribution

to the discipline’. Vooral

de gedachte dat het onderzoek

van studenten hoe dan ook

tot een originele bijdrage aan

het vakgebied zou moeten

leiden, is voor discussie vatbaar.

De Dublin-descriptoren bijvoorbeeld

introduceren dat aspect

pas op masterniveau, niet voor

bachelorstudenten. Ook diverse

bijdragen in International

Perspectives on Undergraduate

Research suggereren bijstellingen

en verbredingen van de

definitie. Die sluiten onder meer

aan bij kanttekeningen van Mick

Healey en Alan Jenkins in Developing

Undergraduate Research

and Inquiry (2009). Hoewel

Hensel en Blessinger de relevantie

van dergelijke suggesties

erkennen, schuiven ze de definitie

van de Council on Undergraduate

Research toch expliciet

naar voren als ‘the gold standard’,

‘what we ultimately aspire to for

our students’.

Misschien heeft het grote vertrouwen

van de samenstellers

in het Amerikaanse model van

undergraduate research ook

geleid tot een aantal lacunes

in hun afsluitende beschouwingen.

Wat is bijvoorbeeld de

uiteindelijke doelstelling van

het betrekken van studenten in

onderzoek: is het een eerste stap

in de vorming van toekomstige

onderzoekers (wat bijvoorbeeld

in Brazilië een ambitie blijkt te

zijn), gaat het veeleer om het

opleiden van onderzoekende

professionals en/of is het een

combinatie van beide? Op basis

van de verzamelde bijdragen was

een meer doorgedreven reflectie

over dat soort vragen zeker

mogelijk geweest.

In de inleiding tot International

Perspectives on Undergraduate

Research schrijven Hensel en

Blessinger dat ze ‘an important

knowledge base’ en een ‘meaningful

guide’ bieden aan hogeronderwijsprofessionals

die willen

beginnen met het ontwerpen,

ontwikkelen en implementeren

van undergraduate research

binnen hun instelling, of die

bestaande initiatieven willen

verbeteren. Die ambitie kan het

boek helaas niet helemaal waarmaken.

Hoewel de bundel ongetwijfeld

relevante inzichten bevat

voor het genoemde publiek,

blijft hij als geheel te heterogeen

om de beoogde gidsrol ten volle

te spelen.

Koen Rymenants

is stafmedewerker onderzoek bij

de Hogeschool Gent en lid van de

recensieredactie van Th&ma

84


Maar vóór het

zover is moet de opleiding zelf

geslaagd zijn

Vóór u investeert in een dure vervolgopleiding voor uzelf of voor getalenteerde

medewerkers wilt u natuurlijk weten wat daarvan de waarde is.

Voor uzelf, uw bedrijf, op de arbeidsmarkt en maatschappelijk. Waar moet

u op letten? Simpel. Kies een opleiding die is opgenomen in het Register

van het Centrum voor Post-Initieel Onderwijs in Nederland. CPION toetst het

cursusaanbod voor mensen met een wetenschappelijke, hogere of middelbare

(beroeps) opleiding op inhoud en maatschappelijke relevantie. Alleen

post-initiële opleidingen die aan strenge kwaliteitscriteria voldoen krijgen het

predikaat Registeropleiding. Dit kunt u beschouwen als een keurmerk, dat de

waarde van het diploma of certificaat garandeert. Meer weten over CPION en

Registeropleidingen? Kijk op www.cpion.nl.

CPION Keurmerk Registeropleidingen

Alleen voor post-initiële opleidingen die er écht toe doen.

CPION Postbus 701 3000 AS Rotterdam tel: +31 (0)10 201 42 22 fax: +31 (0)10 224 85 87 www.cpion.nl


More magazines by this user
Similar magazines