12.02.2025 Views

De Somfy Factor #4

Optimale lichtinval, energiebesparing en het voorkomen van oververhitting in woningen

Optimale lichtinval, energiebesparing en het voorkomen van oververhitting in woningen

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

De Somfy Factor #4

Optimale lichtinval, energiebesparing en het

voorkomen van oververhitting in woningen

1


2



4


Thermos

en termiet.

De termiet.

Nietig diertje.

Reuze talentvol.

Enerzijds ingenieus archtitect.

Bouwer van burchten die de tand

des tijds doorstaan.

Meters hoog boven de grond.

En meters diep er onder.

Anderzijds intuïtief thermoregulator.

Bij grote hitte verplaatst de termiet

zich naar beneden.

En bij extreme kou juist naar boven.

Met een constante lichaamstemperatuur

als resultaat.

Een actief principe dat Somfy inspireert.

En dynamisch vertaalt in geautomatiseerde

leefklimaat beheersing.

Om in isolatie gestuurde bouw oververhitting

te voorkomen.

En zo welzijn en wooncomfort te waarborgen.

Vernieuwende technieken.

Met dank aan moeder natuur.

En aan een open mind.

Om zoiets kleins als de termiet niet als

nietig af te doen.

Maar op waarde te schatten.

Die filosofie heeft een naam:

De Somfy Factor.

5


INHOUDSOPGAVE

De Somfy Factor #4

Optimale lichtinval, energiebesparing en het voorkomen van oververhitting in woningen

Voorwoord 10

1. Klimaatverandering en verduurzaming 13

Begrippen voor het doorgronden van de klimaatverandering 14

Opwarming van de aarde 29

2. Gevolgen van klimaatverandering 35

Recente inzichten in veranderingen van het klimaat 36

Gevolgen in Nederland 43

3. Wetenswaardigheden over daglicht 51

Zonlicht 52

Kleuren 70

4. Daglichttoetreding in gebouwen 75

De schil van een gebouw 76

Invloed van het daglicht op energieverbruik 81

5. Glas, gevels en dynamische zonwering 87

Zonnestraling 88

6. Mensen in gebouwen 109

Mensen in gebouwen 110

Thermoregulatie bij mensen 116

Binnenklimaat in vogelvlucht 123

Binnenklimaat nader bekeken 126

Comfort in gebouwen 136

Praktische leidraad 142

7. Technische weefsels in dynamische zonwering 155

Functies van zonweringsdoeken 156

Wetenswaardigheden in relatie tot weefsels 158

Materialen voor zonweringsdoeken 160

6


8. Wetgeving van toepassing op bouwen en gebouwen 183

Europa 184

Nederland 188

Milieuproblematiek 212

9. Oververhitting van woningen 217

Oververhitting woningen in Nederland 218

10. Comfort in woningen door toepassen van DSS 229

Achtergronden 230

Programma van eisen Gezonde Woningen (2022) 234

Marktonderzoek 254

Model 256

11. Parametrisch model voor toepassen DSS in woningen 261

Opkomst parametrisme 262

Parametrisme 264

Model voor het toepassen van DSS in woningen 272

Toelichting op de werking van het model 278

12. Woningmarkt in Nederland 291

Bevolking Nederland 293

Woningbouw 300

Woningmarkt 304

Regelgeving 308

Klimaatrisico’s woningen 310

De actualiteit 312

Samenvatting 321

Achtergronden, begrippen en wetgeving relevant voor het toepassen

van dynamische zonwering in gebouwen 322

Woningen 332

Parametrisch model voor toepassing van dynamische zonwering in woningen 334

7


8


9


VOORWOORD

Voor u ligt een nieuw boekwerk helemaal gewijd aan dynamische zonwering in de

woningbouw. De uitgave is primair bedoeld om bij te dragen aan het kennisniveau

in de branche en dus geschreven voor de vakhandel.

In het boek worden allerlei onderwerpen behandeld die te maken hebben met

dynamische zonwering als oplossing voor een toenemend probleem: oververhitting

in woningen.

Als gevolg van klimaatverandering neemt de gemiddelde temperatuur steeds verder

toe. Om de duurzaamheid van gebouwen te verhogen (minder verbruik van elektriciteit)

worden gebouwen steeds beter geïsoleerd. Isoleren betekent ook dat gebouwen de daarin

opgebouwde warmte steeds moeilijker afstaan, met name in de zomer.

Door een samenloop van deze factoren neemt het probleem oververhitting toe.

Dynamische zonwering is een oplossing die helpt om oververhitting te voorkomen.

Als oplossing is dat beter dan de opgebouwde warmte weg te koelen.

We gebruiken systematisch de toevoeging “dynamisch” hetgeen verwijst naar

automatisering: een combinatie van motoren, besturingen en sensoren. Uit simulaties

met modellen is onomstotelijk komen vast te staan dat elke menselijke interventie de

effectiviteit van zonwering verstoort dan wel soms geheel tenietdoet.

Naar analogie van wat we eerder hebben gedaan voor toepassingen in de utiliteitsbouw

hebben we ook voor woningen een model ontwikkeld. Gebaseerd op het model is er een

digitale tool ontwikkeld (PRISM voor woningen) die de vakhandel kan gebruiken om het

belang van dynamische zonwering over de bühne te brengen.

De bedoeling is de consument een objectief verhaal te geven op wetenschappelijke

basis. In het boek zetten we alle facetten uiteen. Voor zover wij hebben kunnen

vaststellen bestaat een dergelijke aanpak nergens in de wereld en dus vervult de

Nederlandse zonweringsbranche een voortrekkersrol.

10


Het achterliggende model werd ontwikkeld in nauwe samenwerking met twee

onafhankelijke specialisten: bba binnenmilieu, met wie wij al sinds 2019 samenwerken,

en DGMR. Beide hebben hun sporen verdiend, ook in andere branches.

Het initiatief zal hopelijk bijdragen aan de bewustwording van het belang van

dynamische zonwering, zowel bij de vakhandel als bij de consument. Het is een

investering in de markt die hopelijk bijdraagt tot het vergroten daarvan.

Op dit moment ligt nieuwbouw om allerlei redenen moeilijk. Het grootste potentieel

afgemeten aan het aantal vensters dat nog voorzien kan worden van dynamische

zonwering ligt bij bestaande gebouwen. Er is een achterstand en die moet snel

worden weggewerkt.

Sven van Witzenburg

Hoofddorp, februari 2024

11


12


1

KLIMAATVERANDERING EN VERDUURZAMING

13


BEGRIPPEN VOOR HET DOORGRONDEN

VAN DE KLIMAATVERANDERING

Broeikasgassen in de atmosfeer maken de planeet leefbaar

Zonder met name kooldioxide (CO2) zou de gemiddelde temperatuur op aarde ongeveer -18 ºC zijn.

Dankzij de broeikasgassen is deze gemiddeld ongeveer 15 ºC. Dat heet het broeikaseffect. De gassen

houden een deel van de warmte die de aarde uitstraalt vast en creëren als het ware een isolatielaag

rondom de aarde.

Sinds de industriële revolutie stijgt de concentratie van

broeikasgassen, vooral door de hoeveelheid CO2 die

vrijkomt bij het verbranden van steenkool, olie en gas.

Keeling-curve: concentratie CO2 in de atmosfeer in

deeltjes per miljoen (ppm)

425

Aanvankelijk was het alleen het gebruik van steenkool

dat de concentratie deed toenemen, later kwamen daar

ook olie – met name door de groei van het aantal auto’s –

en aardgas bij, hetgeen voor een extra versnelling zorgde.

420

415

De isolatielaag in de atmosfeer is daardoor geleidelijk

dikker geworden en de aarde begon steeds meer

warmte vast te houden. Inmiddels is de concentratie

CO2 met ongeveer 46% toegenomen sinds de industriële

revolutie. Dit is het versterkte broeikaseffect, de extra

warmte die het gevolg is van menselijk handelen.

410

De CO2-concentratie in de jaren 20 van deze eeuw.

405

2020 2021 2022 2023

waarde per maand

jaarlijkse trend

Bron: NRC 30/11/2023 Alles wat je moet weten over klimaatverandering

Keeling-curve: concentratie CO2 in de atmosfeer in

deeltjes per miljoen (ppm)

440

Jaar 1 Jaar 2 3 4 5 6 7 8 9 10

420

Jaren 20

400

Jaren10

380

Jaren 00

Het versterkte broeikaseffect heeft de neiging zichzelf

steeds verder te versterken. Er komt meer waterdamp in

de atmosfeer als het warmer wordt. Omdat waterdamp

360

340

320

Jaren 90

Jaren 80

ook een broeikasgas is, zorgt deze voor extra warmte, en

waarde per maand

jaarlijkse trend

daarmee voor nog meer waterdamp, enzovoort.

Bron: NRC 30/11/2023 Alles wat je moet weten over klimaatverandering

14


Kort- en langgolvige straling

Broeikasgassen zijn gassen in de atmosfeer van de

aarde die warmte vasthouden door infrarode straling

terug te kaatsen naar de aarde, zoals ook een broeikas

warmte vasthoudt. Bereikt energie van de zon de aarde,

dan is dit vooral in de vorm van kortgolvige straling.

Dat licht gaat dwars door de laag broeikasgassen heen.

Wanneer diezelfde energie de aarde verlaat, gebeurt

dat in de vorm van langere infraroodstraling, die voelt

als warmte. Dát is de straling die de broeikasgassen als

een deken vasthouden.

Natuurlijk

broeikaseffect

Warmte van de zon wordt

voor een deel vastgehouden

door broeikasgassen

in de atmosfeer

Atmosfeer

Gemiddelde

pre-industriële tijd

Bron: NRC 30/11/2023 Alles wat je moet weten over klimaatverandering

De impact van verschillende broeikasgassen verschilt

nogal. De onderstaande illustratie helpt de verschillen

te begrijpen.

Aarde

Versterkt

broeikaseffect

Meer vastgehouden

warmte door

hogere concentratie

broeikasgassen

+1ºC

+0,5ºC

0ºC

-0,5ºC

Afwijking

Belangrijke broeikasgassen zijn kooldioxide (CO2),

methaan, waterdamp en lachgas. Zulke gassen zitten

van nature in de lucht en zijn nodig om de aarde op een

leefbare temperatuur te houden. CO2 komt bijvoorbeeld

in de lucht door een vulkaanuitbarsting. Maar de hoeveelheid

broeikasgassen in de lucht neemt toe door mensen,

bijvoorbeeld door verbranding van fossiele brandstoffen.

Van alle broeikasgassen ligt de focus vooral op

kooldioxide. Door menselijk handelen verdwijnt jaarlijks

ruim 35 miljard ton CO2 in de atmosfeer. Daarnaast blijft

dit broeikasgas lang – honderden jaren – in de lucht

hangen voor het op natuurlijke wijze afbreekt. Dus ook al

stoppen álle mensen nu volledig met het uitstoten van

CO2, dan duurt het nog lang voor het opwarmingseffect

verdwijnt. Ook kunnen veel industrieën nauwelijks

functioneren zonder CO2-uitstoot; die komt onder meer

vrij bij verbranding van fossiele brandstoffen voor

energie, maar ook bij de productie van beton en staal.

Effecten broeikasgassen weergegeven

in equivalenten impact CO2

1 eenheid

CO2.

1 eenheid

CO2.

1 eenheid methaan is

gelijk aan 25 eenheden

CO2, zgn. CO2-equivalenten

1 eenheid methaan is

gelijk aan 25 eenheden

CO2, zgn. CO2-equivalenten

1x 25 298 7.000 - 12.000

CO2-eq. CO2-eq. CO2-eq.

1x 25 298 7.000 - 12.000

CO2-eq. CO2-eq. CO2-eq.

CO2 CH4 N2O F-gassen

CO2 CH4 N2O F-gassen

Bron: NRC 30/11/2023 Alles wat je moet weten over klimaatverandering

Aandeel van gassen in het broeikaseffect

% CO2-equivalenten per gas in de wereldwijde atmosfeer

CO2

74,4%

CO2

74,4%

CH4

17,3%

N2O

6,2%

CH4

17,3%

F-gassenN2O

2,5% 6,2%

F-gassen

2,5%

Bron: NRC 30/11/2023 Alles wat je moet weten over klimaatverandering

15


Stijging van de gemiddelde temperatuur

Door opwarming van de aarde stijgt de gemiddelde

temperatuur.

Afwijkingen ten opzichte van de gemiddelde

temperatuur in de periode 1950-1981

1,4

1,2

1

0,8

0,6

0,4

0,2

0

-0,2

-0,4

-0,6

1850

1856

1862

1868

1874

1880

1886

1892

1898

1904

1910

1916

1922

1928

1934

1940

1946

1952

1958

1964

1970

1976

1982

1988

1994

2000

2006

2012

2018

Bron: NRC 30/11/2023 Alles wat je moet weten over klimaatverandering

De afwijkingen zijn niet overal hetzelfde

Fossiele brandstoffen

In het klimaatdebat gaat het vaak over fossiele

brandstoffen. Deze niet-hernieuwbare brandstoffen,

zoals steenkool, aardolie en aardgas, zijn belangrijk

voor de energieproductie en leveren ongeveer 80%

van de energie in de wereld. Bij de verbranding ervan

komen broeikasgassen vrij die het klimaat opwarmen.

In fossiele brandstoffen zit koolstof die miljoenen jaren

geleden door ontbindende planten en andere organismen

is vastgelegd. De koolstof kwam toen niet vrij als CO2,

omdat deze in de grond terechtkwam. Door fossiele

brandstoffen te verbranden komt CO2 vrij.

Landgebruik

Landgebruik is de manier waarop mensen land

gebruiken, bijvoorbeeld voor landbouw, een bos, recreatie

of bebouwing. Het landgebruik beïnvloedt het klimaat,

omdat het bepalend is voor de uitstoot of opname

van broeikasgassen. Als een stuk land verandert van

een bosrijk gebied in een weide voor veeteelt, kan het

stuk land minder CO2 uit de lucht opnemen omdat de

bomen zijn weggehaald. Bovendien stoot het stuk land

dan juist broeikasgassen uit die gerelateerd zijn aan

veeteelt, vooral lachgas en methaan. Koeien en schapen,

bijvoorbeeld, produceren methaan wanneer ze voedsel

verteren. In Nederland komt zo’n 10% van de uitstoot van

broeikasgassen uit de veehouderij.

Gemiddelde temperatuurafwijking ten opzichte van 1950-1980

-1,5 graad +4 graden

Bron: NRC 30/11/2023 Alles wat je moet weten over klimaatverandering

IPCC

Wetenschappers begonnen zich in de loop van

de twintigste eeuw meer zorgen te maken over

de gevolgen van de toenemende concentratie

aan broeikasgassen in de atmosfeer. Als er geen

maatregelen werden genomen, zou de wereld aan het

16


einde van de eeuw mogelijk drie graden warmer zijn,

voorspelde natuurkundige Gilbert Plass in 1959 in het

tijdschrift Scientific American.

rapporten een toenemende bezorgdheid. De stelligheid

over de ernst van de gevolgen van klimaatverandering

wordt met ieder rapport groter.

Ruim tien jaar later waarschuwde de Zweedse

meteoroloog Bert Bolin voor de gevolgen van

zo’n opwarming. In 1983 kwam de Amerikaanse

National Academy of Sciences met een soortgelijke

voorspelling. Beroemd werd de hoorzitting in 1988 van

klimaatwetenschapper James Hansen, hoofd van het

Goddard Institute for Space Studies van NASA. Hansen

hield het Amerikaanse Congres voor dat de extreme

droogte en hitte in dat jaar in de VS het gevolg waren

van de opwarming van de aarde.

Regeringsleiders concludeerden dat ze meer kennis

nodig hadden om te bepalen wat er moest gebeuren.

Het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP)

en de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO)

richtten daarom in 1988 het Intergovernmental Panel

on Climate Change (IPCC) op, waarvan meteoroloog

Bert Bolin de eerste voorzitter werd.

Kantelpunten

Het IPCC omschrijft kantelpunten (tippingpoints)

als "een kritieke drempel waarboven een systeem

reorganiseert, vaak abrupt en/of onomkeerbaar".

Klimaatwetenschappers illustreren dit vaak met een bal

en twee dalen met daartussen een piek. Eerst zit de bal

in het linker dal. Die zit daar stabiel: om van het linker

naar het rechter dal te rollen, zou de bal een flinke

duw nodig hebben om over de piek tussen de dalen te

komen. Nu, door klimaatverandering, zal de bal in het

linker dal door instabiliteit een beetje heen en weer

bewegen. Dat is vergelijkbaar met weersverandering

op de korte termijn. Maar op een bepaald moment is

het linker dal zó instabiel, dat de bal zo sterk heen en

weer beweegt dat hij doorschiet naar het rechter dal.

Nu moet er heel veel gebeuren voordat de bal van het

rechter dal naar het linker teruggaat. Dat bedoelt het

IPCC met onomkeerbaar.

Het IPCC, waarin klimaatwetenschappers uit de

hele wereld samenwerkten, kreeg de opdracht de

klimaatwetenschap te evalueren en suggesties te

doen om verdere opwarming te voorkomen. In 1990

verscheen hun eerste rapport. Met een paar slagen om

de arm was de conclusie toch duidelijk: de temperatuur

op aarde steeg door de toenemende concentratie van

broeikasgassen in de atmosfeer.

Hoewel het IPCC nadrukkelijk niet mag voorschrijven

wat beleidsmakers zouden moeten doen, klinkt er in de

De aarde zit vol met dit soort mogelijke kantelpunten

die voor grote, onomkeerbare veranderingen kunnen

zorgen. Dat gaat hand in hand met versterkende

effecten binnen het klimaatsysteem. Een voorbeeld

is het albedo-effect. IJs reflecteert, omdat het wit

is, zonlicht. Wanneer het warmer wordt, smelt ijs. Zo

verdwijnt het witte oppervlak en blijft juist een donkere

zee over. Daardoor wordt meer warmte opgenomen, en

smelt nog meer ijs.

17


18


Historische uitstoot CO2

Historische emissies zijn alle emissies die (door

verbranding van kolen, olie en gas en door houtkap

en andere vormen van landgebruik) onder de

verantwoordelijkheid van landen zijn uitgestoten sinds

het begin van de industriële revolutie. De emissies van

koloniën, zoals Nederlands-Indië, Brazilië en Congo, zijn

opgeteld bij die van de kolonisator.

Totale cumulatieve uitstoot in miljoenen tonnen CO2

800.000

700.000

600.000

500.000

400.000

300.000

200.000

100.000

0

0 200.000 400.000

VS

China 283.556

Rusland 225.862

VK 135.618

Brazilië 115.881

Duitsland 97.286

Japan 80.194

India 70.706

Indonesië 68.416

Frankrijk 59.338

Canada 59.036

Int. transport 45.615

Nederland 36.184

Mexico 32.470

Italië 29.246

1856

1868

1880

1892

1904

1916

Bron: NRC 30/11/2023 Alles wat je moet weten over klimaatverandering

Het Klimaatakkoord van Parijs

Na het Kyoto-protocol in 1997 is herhaaldelijk geprobeerd

een nieuw akkoord te sluiten. Dat lukte pas tijdens COP21

in Parijs in 2015. In het Klimaatakkoord van Parijs werd nog

steeds uitgegaan van verschillende verantwoordelijkheden

voor rijke en arme landen. Maar voor het eerst werd van

1928

alle landen gevraagd naar vermogen bij te dragen aan het

1940

1952

voorkomen van verdere opwarming.

1964

1976

1988

2023

Totaal 2.528.298

2000

2010

539.764

Nederland China Amerika Europa Azië Afrika Int. transport

2022

Ook werd een einddoel gesteld: zorgen dat de

gemiddelde opwarming van de planeet beperkt blijft tot

minder dan 2 °C, en als het enigszins kan tot minder dan

1,5 °C (ten opzichte van de pre-industriële temperatuur).

Klimaatwetenschappers gaven die grenzen aan. Hoe

verder de aangegeven grenzen worden overschreden,

hoe ernstiger de gevolgen zullen zijn.

In het Parijs-akkoord wordt nadrukkelijker dan

daarvoor onderscheid gemaakt tussen beleid om

klimaatverandering te voorkomen (mitigatie) en beleid

om minder kwetsbaar te worden voor de gevolgen

van de opwarming (adaptatie). Ook zijn afspraken

gemaakt over de financiering van klimaatbeleid

in ontwikkelingslanden. En er wordt voor het eerst

concreet nagedacht over wie moet opdraaien

voor schade in landen die zelf nauwelijks hebben

bijgedragen aan klimaatverandering.

Mitigatie

Doel van mitigatie is klimaatverandering beperken

door de hoeveelheid broeikasgassen terug te dringen.

De meest voor de hand liggende manier hiervoor is de

bronnen van deze gassen te verminderen. Denk aan

minder fossiele brandstoffen verbranden, zuiniger

omgaan met energie, vegetarisch eten, tweedehands

spullen kopen en minder reizen met het vliegtuig of

met de auto.

Een belangrijk deel van de uitstoot van broeikasgassen

komt uit verbranding van fossiele brandstoffen om

energie op te wekken. Overstappen op duurzame

energiebronnen die minder broeikasgassen uitstoten,

is daarom een belangrijke vorm van mitigatie.

19


Voorbeelden van duurzame energie zijn zonne- en

windenergie en energie uit geothermie. Voor dat

laatste wordt warmte uit de aarde omhooggepompt en

gebruikt om gebouwen te verwarmen. In IJsland wordt

geothermie al veel gebruikt. In Nederland loopt een

grootschalig onderzoek naar de mogelijkheden ervan.

Stoppen met het uitstoten van broeikasgassen (of

het verminderen ervan) is slechts één manier om de

concentratie broeikasgassen in de lucht terug te dringen.

Wetenschappers en beleidsmakers denken ook na over

manieren om meer plekken te maken die broeikasgassen

opslaan en ze op die manier uit de lucht houden. Bomen,

bijvoorbeeld, nemen het broeikasgas CO2 op. De groene

bladeren halen CO2 uit de lucht en zetten deze om in

glucose voor groei van de boom. Door simpelweg meer

bomen te planten, sla je meer CO2 op en blijft er minder

van in de lucht zitten. Een andere manier is door bij de

schoorsteen van een fabriek CO2 af te vangen, en deze in

vloeibare vorm te transporteren om deze daarna ergens

onder de grond op te slaan. Dat heet carbon capture and

storage, CCS.

Adaptatie

Adaptatie gaat over het leven in een opwarmende

wereld. In tegenstelling tot bij mitigatie gaat het daarbij

niet om vermindering van klimaatverandering, maar

om het bedenken van manieren om beter te leven met

de gevolgen van klimaatverandering waar mitigatie

gefaald heeft. Hoe moet een land worden ingericht om

de gevolgen van intensere weersextremen te beperken?

Hoe kan een kustlijn beschermd worden tegen een

stijgende zeespiegel? Hoe verklein je de risico’s van

voedselonzekerheid als de grond straks te droog is voor

sommige gewassen? En hoe moeten mensen, dieren en

infrastructuur beschermd worden tegen hittestress? Dit

zijn vragen die vallen onder klimaatadaptatie.

Vergroenen van steden is een voorbeeld van

klimaatadaptatie. Klimaatverandering zorgt voor meer,

langere en intensere hittegolven. Vooral steden hebben

hier last van. Die koelen ‘s nachts minder goed af dan

de hen omringende landelijke gebieden door de vele

en hoge gebouwen: het "hitte-eilandeffect". Daarnaast

houden steen, asfalt en beton in de stad veel warmte

vast. Volgens het KNMI kan het verschil in temperatuur

tussen stad en landelijk gebied oplopen tot 4 graden

voor een stad met 10.000 inwoners, en tot 7 graden

voor een stad met 200.000 inwoners. Een manier om

steden te verkoelen is door meer ruimte te maken

voor planten en bomen. Via verdamping en schaduw

zorgen die voor verkoeling. Een andere vorm van

klimaatadaptatie is het verbouwen van gewassen die

beter tegen hitte kunnen.

Meer drastische voorbeelden zijn de technologische

oplossingen waarmee de mensheid aan de knoppen

van de thermostaat van de aarde zit om de opwarming

ervan minder te voelen. Wetenschappers aan de TU

Delft doen bijvoorbeeld onderzoek naar hoe ze wolken

witter kunnen maken, zodat die wolken meer zonlicht

weerkaatsen en zo voor verkoeling zorgen. Daar willen zij

zeewater voor gebruiken, dat ze onder hoge druk de lucht

in pompen. Om wolken te vormen, moet water in de lucht

condenseren. Daarvoor zijn aerosolen zoals zout nodig,

waar die druppels op kunnen condenseren. Als mensen

zoutkristallen aan de lucht toevoegen, ontstaan meer

waterdruppels. En hoe meer druppels, hoe witter de wolk.

20


Koolstofbudget

Klimaatwetenschappers hebben inmiddels een behoorlijk

nauwkeurig beeld van wat de stijgende concentratie van

broeikasgassen in de atmosfeer doet met de gemiddelde

temperatuur op aarde. Op grond daarvan hebben ze een

inschatting gemaakt van de hoeveelheid CO2 die nog

beschikbaar is voordat de strenge temperatuurgrens van

het Parijs-akkoord (maximaal 1,5 °C) wordt overschreden.

Het restje CO2 dat we nu nog mogen uitstoten, heet ook

wel "het koolstofbudget".

Op basis van de huidige uitstoot wordt de grens over

zo’n jaar of tien bereikt. Tegen die tijd zou de uitstoot

dus eigenlijk "netto nul" moeten zijn. Dat wil zeggen dat

er evenveel CO2 in de atmosfeer terechtkomt als eruit

verwijderd wordt met technologie of door nieuwe bossen

aan te planten. Klimaatwetenschappers gaan er intussen

van uit dat dit niet zal lukken. De meeste rijke landen

mikken op klimaatneutraliteit vanaf 2050. De discussie

in de klimaatonderhandelingen gaat om de vraag wie

recht heeft op welk gedeelte van het resterende budget.

Wereldwijd is sinds het begin van de industriële revolutie

Resterend koolstofbudget

2ºC

al ongeveer 90% van het totale budget opgebruikt.

1,7ºC

1.173 Gt

1,5ºC

673 Gt

Resterend

budget

323 Gt

1.992 Gt

1.992 Gt

1.992 Gt

1975-2023

1800-1975

560 Gt

560 Gt

560 Gt

Bron: NRC 30/11/2023 Alles wat je moet weten over klimaatverandering

21


22


Het eerlijke verhaal is dat we ongehoord diep in de shit zitten

Is het tij nog te keren?

De wereld heeft in 1997 het Kyoto-protocol ondertekend.

Daarin werd afgesproken dat we echt iets gingen doen

om klimaatverandering te voorkomen. Maar in de twee

decennia na dat protocol hebben we meer broeikasgassen

uitgestoten dan in de twee decennia ervoor.

Als wij doorgaan op de huidige voet, dan komen we

misschien wel aan zes graden stijging van de gemiddelde

temperatuur op aarde in een eeuw, tweehonderd keer

zo snel als wat een geoloog ontzettend snel noemt. Een

opwarming van anderhalf of twee graden, waar politici

nog steeds op mikken, is een mooie-woordenscenario

en inmiddels steeds onrealistischer.

Er speelt zich een drama af

Achter de welvaart speelt zich een enorm drama af,

want de kosten daarvan zijn afgewenteld op onze

leefomgeving. We staan daarom voor een principiële

keuze; in de wereld van Descartes gaan we door op

de huidige weg en trekken we ons weinig aan van de

klimaatontwrichting en in die van Humboldt proberen we

ons, met vallen en opstaan, te verzoenen met de natuur.

De verandering zal moeten komen van bezorgde burgers

die zich verenigen in een gevecht voor een leefbare

toekomst. Ze eisen van de rechter een uitspraak over

klimaatbeleid, proberen aandeelhouders ertoe aan te

zetten zich af te keren van vervuilende industrie en fossiele

brandstoffen. Deze burgers zullen de politiek ter verantwoording

moeten roepen en ook zij zullen individuele

keuzes moeten maken. Niemand kan meer ontsnappen...

Parijs was maar een begin

Klimaatneutraal zijn in 2050 betekent netto geen

uitstoot van broeikasgassen meer. Dat is nodig om

klimaatverandering tegen te gaan en de opwarming

van de aarde te matigen. Op de klimaattop in Parijs

in 2015 werd afgesproken de aarde met maximaal

2 °C te laten opwarmen en te streven naar maximaal

1,5 °C opwarming.

Zes graden

In zijn boek Zes graden, over onze toekomst op een

warmere planeet, beschreef de Britse klimaatjournalist

Mark Lynas in 2008 een apocalyptische scène in

Houston. Twaalf jaar later heeft Lynas een tweede

versie van zijn boek geschreven – het is geen herziene

uitgave, maar een compleet nieuw boek. Daarin erkent

hij dat hij zich in 2008 heeft vergist.

Over de gevolgen van de opwarming bestaat volgens

Lynas weinig twijfel. Bij meer dan twee graden

temperatuurstijging komt de samenleving "zwaar

in de knel". Bij drie graden is "de integriteit van de

beschaving" in gevaar. Bij vier graden vreest Lynas dat

delen van de samenleving "compleet zullen instorten"

en bij vijf graden worden grote gebieden "biologisch

onleefbaar". Lynas baseert zich op honderden artikelen

uit alle bekende wetenschappelijke tijdschriften.

23


Het huidige pad

Alle mooie beloftes van wereldleiders ten spijt, ze tellen

op tot een planeet die aan het einde van deze eeuw zo’n

drie graden warmer is.

volgen de komende maanden en jaren discussies

tussen lidstaten die allemaal andere belangen hebben.

Met het vastleggen van dit doel kan de Europese

Commissie geen beleid of maatregelen afdwingen.

De oceanen nemen door ons toedoen per seconde

evenveel energie op als er vrijkomt bij drie Hiroshimaatoombommen.

Een Nederlander is door zijn CO2-

uitstoot gemiddeld verantwoordelijk voor 30 vierkante

meter ijsverlies in het Noordpoolgebied, een Amerikaan

voor bijna 50 vierkante meter, een Chinees voor 20

vierkante meter en een Indiër voor 5 vierkante meter. En

steden op het noordelijk halfrond wandelen qua klimaat

ieder jaar als het ware 20 kilometer zuidwaarts.

Een reductie van 55% is fors, maar wordt door Brussel

als haalbaar ingeschat: niet alleen technisch, maar

ook economisch en politiek. Zowel klimaatorganisaties

als groene politici vinden het doel juist niet ver genoeg

gaan. Zij pleiten voor een snellere reductie, tot 60 of

65% in 2030. Zowel Frankrijk als Duitsland heeft zich

gecommitteerd aan ambitieuze investeringspakketten

waarbij voor de realisatie van de reductie miljarden

worden gestoken in klimaatbeleid.

Om onder de anderhalve graad opwarming te blijven

zouden we vandaag nog alle plannen voor nieuwe

fossiele elektriciteitscentrales in de prullenbak moeten

gooien, moeten stoppen met de verkoop van auto’s,

vliegtuigen, cementovens en andere apparaten en

producten die grote hoeveelheden energie vragen...

Nieuw klimaatdoel Brussel

In 2020 ging het Europese klimaatdoel daarom omhoog

van 40% minder uitstoot in 2030 naar 55% minder

ten opzichte van peiljaar 1990. Met dit aangepaste

nieuwe, ambitieuzere "tussendoel" stippelt Brussel de

route verder uit. Een klimaatneutraal 2050 is een ver

en abstract ideaal. Een vastgespijkerd piketpaaltje

over tien jaar brengt ingrijpende en soms pijnlijke of

kostbare maatregelen wel een stuk dichterbij.

Behalve het CO2-neutrale doel ligt feitelijk nog heel

weinig vast. Over alle voorstellen en maatregelen

Uitstoot broeikasgassen in Europa

De meeste uitstoot is verminderd in de sector die

energie opwekt. Er wordt in de EU tegenwoordig veel

meer aardgas gebruikt om energie op te wekken

dan steenkool, bruinkool of olie. Aardgas heeft

minder broeikasgasuitstoot dan de andere fossiele

brandstoffen. Daarnaast is met name sinds 2005 het

aandeel energie uit windmolens, zonnepanelen en

biomassa toegenomen.

Tot voor de Brexit was het Verenigd Koninkrijk (VK)

koploper in de Europese Unie als het ging om het

reduceren van broeikasgasuitstoot. Het wist de uitstoot

sinds 2005 met 33% terug te dringen, vooral door

het bouwen van efficiëntere energiecentrales, meer

windparken en een krimp in de markt van ijzer- en

staalproductie. Nu het VK niet meer meetelt in de

Europese groene lijsten, vallen met name de prestaties

op van landen als Griekenland, Denemarken (27%)

24


en Italië (27%), allemaal met scores rond de 30% op

dezelfde tijdschaal.

Soms is een verklaring voor een hoge score een

wrange. Zo is de daling van de uitstoot in Griekenland

en Italië te danken (of te wijten) aan de economische

crises tussen 2008 en 2013. Verminderde

economische activiteit drukt het energieverbruik

en dus de CO2-uitstoot. In alle lidstaten daalde de

broeikasgasuitstoot in die periode.

Ook de coronacrisis zorgde voor een daling van broeikasgasuitstoot

en dus een (tijdelijke) wereldwijde trend.

Wie de reductie vanaf 1990 telt, ziet dat de voormalige

Oostbloklanden het goed doen. Na de val van de Sovjet-

Unie en de verschuiving van een planeconomie naar

een vrije markt is in die landen een duidelijke daling te

zien in de broeikasgasuitstoot.

Nederland doet het in vergelijking met andere lidstaten

gemiddeld. Tussen 1990 en 2018 wist Nederland de

broeikasgasuitstoot met 15% te reduceren, tussen 2005

en 2018 met ongeveer 12%. In absolute megatonnen

uitstoot is Nederland een van de grotere uitstoters in

Europa, na Duitsland, Frankrijk, Italië, Polen en Spanje.

Nederland heeft vooral de uitstoot van broeikasgassen

als methaan en lachgas weten terug te brengen. De

CO2-uitstoot in ons land was in 2018 maar een heel

klein beetje minder dan in 1990 (een daling van 1,6%).

Dat komt door het sluiten van 3 oude kolencentrales

tussen 2015 en 2017. De overheid heeft besloten om

kolenstook per 2030 te verbieden en in 2019 is de

Hemweg-kolencentrale in Amsterdam dichtgegaan.

De grootste klapper heeft Nederland gemaakt in de

afvalsector. In 2018 stootte deze sector maar liefst

80% minder broeikasgassen uit dan in 1990. Dat komt

door toenemende recycling en het minder storten van

afval, dat vaker wordt verbrand of gerecycled. Van die

verbranding wordt energie gemaakt.

Duitsland, de grootste absolute vervuiler in Europa,

wist sinds 1990 de emissie te reduceren met 31%. De

ijzer- en staalsector in de voormalige DDR is ingestort

na de val van de muur, wat voor de klimaatcijfers van

Duitsland gunstig is. Duitsland heeft de laatste jaren

zijn energiecentrales veel efficiënter gemaakt en er

worden minder kolen gebruikt. Desondanks heeft

Duitsland nog altijd veel vervuilende bruinkoolcentrales.

Hoe doen Denemarken en Polen het? Deze lidstaten

worden in de EU vaak genoemd als voorbeelden

van landen die het heel goed en heel slecht doen

wat betreft de energietransitie. Denemarken weet

de uitstoot van broeikasgassen eigenlijk al jaren

stabiel naar beneden te brengen, een daling van

31% sinds 1990 en een daling van 27% sinds 2005.

Dit is met name te danken aan het hoge aandeel

hernieuwbare energie - zon, wind en biomassa - in

het energieverbruik van het land. Meer dan twee derde

van de hernieuwbare energie in Denemarken komt

uit biomassa, dat is het verbranden van (rest)hout en

groente-, fruit- en tuinafval.

25


Polen wist de uitstoot van broeikasgassen met 13%

te reduceren sinds 1990, maar sinds 2005 nam de

uitstoot juist toe met 2%. In Polen wordt energie met

name opgewekt uit steenkool en bruinkool. De uitstoot

in het land is de laatste jaren toegenomen, omdat het

economisch beter gaat. Meer mensen in Polen hebben

een auto en er rijden meer bussen, waardoor er een piek

te zien is bij de uitstoot in de vervoerssector.

De EU rekent niet iedere lidstaat af op die 55%

reductie, maar kijkt naar rijke en arme landen en

zet voor iedereen aparte doelen neer. Zo mochten

landen als Bulgarije, Tsjechië en Polen tot 2020 hun

broeikasgasuitstoot laten stijgen. Voor 2030 is iedere

lidstaat wel verplicht de uitstoot te laten dalen,

Nederland met 36%.

Extremen in het klimaat

In Nederland was 2020 een van de warmste jaren ooit,

dat wil zeggen sinds het begin van de metingen in 1901.

De temperatuur kwam ongeveer 1,2 graden boven het

gemiddelde van 1850 tot 1900 uit, op ongeveer een

gelijk niveau als dat in 2016 en 2019.

De warmste dag ooit was in 2019, maar nooit eerder

dan in 2020 kwam de temperatuur in De Bilt 8

aaneengesloten dagen boven de 30 °C (met een

weekgemiddelde van 33,2 °C). Het KNMI becijferde in

2020 dat de koudste nachten en de warmste middagen

veel sterker zijn opgewarmd dan niet extreme dagen

en nachten – ongeveer 6 graden per eeuw tegen

gemiddeld 3 graden. Wat mensen daarvan onthouden

is dat de airco vaker aan moet en dat de schaatsen

steeds langer ongebruikt in de kelder blijven liggen.

Er waren meer records in 2020. Het jaar zat er vol mee.

Zo werd het warmer dan ooit boven de poolcirkel (38 °C in

het Siberische Verchojansk). Aan de andere kant van de

planeet, op de Argentijnse onderzoeksbasis Esperanza,

werd het op 6 februari 18,4 °C, een warmterecord voor

Antarctica. Tussen die twee in ligt het Californische

Death Valley, daar haalde het kwik op 16 augustus

54,4 °C. Officieel werd het in 1913 in hetzelfde gebied

weliswaar 56,6 °C, maar experts vertrouwen dat record

niet. Tegenwoordig worden records getoetst door het

Weather and Climate Extremes Archive van de Wereld

Meteorologische Organisatie.

Klimaatverandering gaat maar zeer ten dele over

weerrecords. De gewone dingen in het weer veranderen

ook. Gemiddeld wordt elke dag iets warmer, maar dat

valt minder op dan de extremen.

Dat de temperatuur in Nederland in het voorjaar nu

ongeveer net zo hoog is als een halve eeuw geleden in

Nice heeft grote gevolgen. Zo waren er in 2020 nog twee

opvallende klimaatrecords: een recordaantal orkanen

en in het noordpoolgebied, vooral in Siberië, werd het

voorjaar 2020 subtropisch warm. Een internationale groep

klimaatwetenschappers heeft onderzoek gedaan naar

de opvallende hitte in Siberië en het temperatuurrecord

in Verchojansk; deze waren niet mogelijk zonder door de

mens veroorzaakte klimaatverandering.

Het World Disasters Report 2020 van het Internationale

Rode Kruis stond dat jaar in het teken van

klimaatverandering. Het rapport laat zien dat neerslag,

droogte, zware stormen en bosbranden een toenemende

rol spelen bij natuurrampen.

26


Volgens hoogleraar rampenpreventie en medeauteur

van het rapport Maarten van Aalst zijn er nu ook

natuurrampen die zonder klimaatverandering bijna

zeker niet zouden zijn gebeurd. Het groeiende aantal

hittegolven is daarvan een voorbeeld. Veel natuurgeweld

zorgt direct voor dramatische beelden van vluchtende

mensen, geblakerde bossen of overstroomde huizen.

Maar ook verstilde satellietbeelden van afbrekende

ijsplaten of smeltende gletsjers zijn een signaal van een

drama in slow motion.

27


28


••

•••

••••

•• •• ••

OPWARMING VAN DE AARDE

Denken in scenario’s

In 2015 werd er in Parijs door landen afgesproken de

opwarming deze eeuw te beperken tot ruim onder de

2 graden en te streven naar een maximale opwarming

van 1,5 graad. Dat laatste doel raakt steeds verder uit

zicht. Zelfs als landen ontzettend hun best doen om de

uitstoot te verminderen, dan nog is er slechts een kans

van 14% dat de opwarming deze eeuw beperkt blijft

tot 1,5 graad. Op dit moment is de aarde al 1,1 graad

warmer dan voor de industriële revolutie.

Steeds meer landen hebben de belofte gedaan om voor

het eind van deze eeuw klimaatneutraal te zijn en de

facto geen broeikasgassen meer uit te stoten. Europa

wil bijvoorbeeld in 2050 klimaatneutraal zijn, China in

2060 en India in 2070. Het is nog vaag hoe landen dat

doel willen gaan halen, maar als het lukt, dan zou de

temperatuurstijging deze eeuw wel beperkt kunnen

blijven tot 2 graden.

Als landen wereldwijd hun klimaatbeleid uitvoeren dan

koerst de aarde tot 2100 af op een opwarming van 2,5

tot 2,9 graden ten opzichte van begin vorige eeuw.

IPCC-rapportage AR6

Willen landen de opwarming van de aarde beperken tot

1,5 graad in deze eeuw, dan moeten regeringen dit jaar

radicale keuzes maken om broeikasgassen terug te

dringen. Het klimaat moet vooropstaan in alle beslissingen

die landen nu nemen, anders is het in 2015 afgesproken

klimaatdoel ten dode opgeschreven, zo waarschuwt de

Verenigde Naties (VN) eind 2023.

Risico’s en scenario’s voor opwarming van de aarde

°C5

4

3

2

1

0

Global surface temperature change

relative to 1850–1900

shading represents the

uncertainty ranges for

the low and high

emissions scenarios

-1

1950 2000 2015 2050 2100

very high

high

4

3

intermediate

low

very low

2011-2020 was

around 1.1°C warme

than 1850-1900r

°C5

2

1.5

1

Global Reasons for Concern (RFCs)

in AR5 (2014) vs. AR6 (2022)

0

AR5 AR6

•••

Unique &

threatened

systems

••••

••••

AR5 AR6

Extreme

weather

events

••

•••

••••

AR5 AR6

Distribution

of impacts

••

••

•••

AR5 AR6

Global

aggregate

impacts

AR5 AR6

Large scale

singular

events

••

•••

risk is the potential for

adverse consequences

Risk/impact

Confidence level

assigned to

transition range

Low

Very high

High

Moderate

Undetectable

Transition range

Very high

midpoint of transition

Bron: IPCC AR6 Synthesis Report Climate Change 2023

29


Het doel van 1,5 graad wordt overschreden in

vrijwel alle scenario's voor broeikasgasuitstoot

die het klimaatbureau van de VN, het IPCC, heeft

opgesteld. Bovendien houden wetenschappers bij hun

berekeningen voor het halen van het doel steeds vaker

rekening met technieken om CO₂ uit de lucht te halen.

De temperatuur op aarde stijgt dan tijdelijk meer dan

1,5 graad, om daarna te zakken. Het probleem is dat

deze technologieën nu nog in de kinderschoenen staan.

Desondanks schrijft het IPCC het klimaatdoel nog

niet af. Er is nog een kans dat landen op tijd genoeg

emissies weten te reduceren. Naar aanleiding van

het IPCC-rapport roept secretaris-generaal van de

VN António Guterres rijke landen op om in 2040 hun

broeikasgassen terug te dringen naar netto nul. Dat

zou voor de meeste landen een forse aanscherping van

hun klimaatdoelen zijn. De Europese Unie — de derde

grootste uitstoter ter wereld — wil bijvoorbeeld in 2050

klimaatneutraal zijn.

30


Mogelijkheden om klimaatacties op te schalen

a) Feasibility of climate responses and adaptation, and potential of mitigation options in the near term

SU PPLY

EN ERG Y

Climate responses and

adaptation options

Energy reliability (e.g.

diversification, access, stability)

Resilient power systems

Improve water use efficiency

Potential

feasibility

up to 1.5°C

Synergies

with

mitigation

Mitigation options

Solar

Wind

Reduce methane from coal, oil and gas

Bioelectricity (includes BECCS)

Geothermal and hydropower

Nuclear

Fossil Carbon Capture and Storage (CCS)

options costing 100 USD tCO2-eq -1 o

less could reduce global emissions by

at least half of the 2019 level by 2030

Potential contribution to

net emission reduction, 2030

GtCO2-eq/yr

0 1 2 3 4 5

FO O D

W A T ER,

LA N D ,

Efficient livestock systems

Improved cropland management

Water use efficiency and water

resource management

Biodiversity management and

ecosystem connectivity

Agroforestry

Sustainable aquaculture and fisheries

Forest-based adaptation

Integrated coastal zone management

Coastal defence and hardening

not

assessed

Reduce conversion of natural ecosystems

Carbon sequestration in agriculture

Ecosystem restoration,

afforestation, reforestation

Shift to sustainable healthy diets

Improved sustainable forest management

Reduce methane and N 2

O in agriculture

Reduce food loss and food waste

H EA LT H S ET T LEM EN T S D

A N

IN FRA ST RU CT U RE

Sustainable urban water management

Sustainable land use and urban planning

Green infrastructure and

ecosystem services

Enhanced health services

(e.g. WASH, nutrition and diets)

Efficient buildings

Fuel efficient vehicles

Electric vehicles

Efficient lighting, appliances

and equipment

Public transport and bicycling

Biofuels for transport

Efficient shipping and aviation

Avoid demand for energy services

Onsite renewables

LIV ELIH O O D

ECO N O M Y

SO CIET Y ,

A N D

Risk spreading and sharing

Social safety nets

Climate services, including

Early Warning Systems

Disaster risk management

Human migration

Planned relocation and resettlement

Livelihood diversification

W A ST E

A N D

IN D U ST RY

Fuel switching

Reduce emission of fluorinated gas

Energy efficiency

Material efficiency

Reduce methane from

waste/wastewater

Construction materials substitution

Enhanced recycling

Carbon capture with

utilisation (CCU) and CCS

Feasibility level and synergies

with mitigation

High

Medium

Insufficient evidence

Low

Confidence level in potential feasibility

and in synergies with mitigation

High Medium Low

Net lifetime cost of options:

Costs are lower than the reference

0–20 (USD per tCO2-eq)

20–50 (USD per tCO2-eq)

50–100 (USD per tCO2-eq)

100–200 (USD per tCO2-eq)

Cost not allocated due to high

variability or lack of data

b) Potential of demand-side

mitigation options by 2050

Key

%

the range of GHG emissions

reduction potential is 40-70%

in these end-use sectors

Total emissions (2050)

Percentage of possible reduction

Demand-side mitigation potential

Potential range

0

Food

0

Land transport

Buildings

Industry

Electricity

67%

10

10

66%

GtCO2-eq/yr

GtCO2/yr

29%

44%

20

20

Additional electrification (+60%)

73% reduction (before

additional electrification)

Bron: IPCC AR6 Synthesis Report Climate Change 2023

De studie van het IPCC concludeert dat de wereldwijde broeikasgasuitstoot in 2022 een

nieuw record heeft gebroken. In 2022 werd 57,4 miljard ton koolstofdioxide, methaan en

lachgas geëmitteerd. Dat is 1,2% meer dan in 2021. Volgens wetenschappers moeten

emissies dit decennium juist zakken om het Parijs-doel te halen.

31


GHC emissions (GtCO2/eq/yr Gigatons of CO2-equivalent emissions (GtCO2-

60

40

20

0

-20

net zero

Implemented policies

2000 2020 2040 2060 2080 2100

Projecties uitstoot broeikasgassen en scenario’s voor

beperking stijging gemiddelde temperatuur

a) Global (GHG) emissions

b) 2030

70

70

60

50

40

30

20

10

0

Nationally Determined

Contributions (NDCs)

range in 2030

Implemented policies

Limit warning

to 2ºC

Limit warning

to 2ºC

Trend from implemented policies

Limit warning to2ºC (>67%)

or 1.5 (50%) after high

overshoot with NDCs

until 2030

Limit warning

to 1.5ºC (>50%) with

no or limited overshoot

Limit warning

to 2ºC (>67%)

2010 2015 2020 2025 2030 2035 2040 2045 2050

60

50

40

30

20

10

0

emissions that lead to warming of 3.2°C,

with a range of 2.2°C to 3.5°C

(medium confidence)

Key

Implemented policies

(median, with percentiles 25-75% and 5-95%)

Limit warming to 2°C (>67%)

Limit warming to 1.5°C (>50%)

with no or limited overshoot

Past emissions (2000–2015)

Model range for 2015 emissions

Past GHG emissions and uncertainty for

2015 and 2019 (dot indicates the median)

+5%

-4%

-26%

-43%

2019

to be on-track to limit

warning to 1.5ºC,

we need much more

reduction by 2030

Past GHG emission and

uncertainty for 2015 an 20

(dot indicates the median)

Bron: IPCC AR6 Synthesis Report Climate Change 2023

De lidstaten van de Europese Unie (EU) zijn samen de op twee na grootste uitstoter ter

wereld. De voornaamste inzet van de EU is dat landen stoppen met het gebruik van

fossiele brandstoffen.

CO2-concentraties

Onderzoekers rekenden zeven jaar lang – met nieuwe kennis en technieken – aan

eerder bestudeerde geologische monsters, zoals stokoude luchtbellen in ijskernen uit

Antarctica. Op basis daarvan kunnen wetenschappers de hoeveelheid CO2 in de lucht en

tem peratuur uit het verleden schatten. De gebruikte monsters zijn tot 66 miljoen jaar oud.

Duidelijk is dat het uitstoten van CO2 in de lucht, bijvoorbeeld door het verbranden

van fossiele brandstoffen, de aarde doet opwarmen. Aan het begin van de industriële

revolutie was de CO2-concentratie in de lucht ongeveer 280 ppm (delen per miljoen),

tegen nu 420 ppm. Als gevolg hiervan is de aarde sindsdien al ongeveer 1,2 graad

opgewarmd. Als de vraag naar energie snel blijft groeien, en mensen die vraag zouden

beantwoorden met fossiele brandstoffen, dan zou aan het eind van de eeuw de CO2-

concentratie voorbij de 800 ppm kunnen gaan.

32


Gevolgen voor de temperatuur op aarde

Om de gevolgen van CO2-concentraties voor de

temperatuur op aarde te onderzoeken, kijken

klimaatonderzoekers onder andere naar het

verleden. Welke temperatuur ging samen met welke

atmosferische CO2-concentratie? Gegevens over

temperatuur en CO2 halen paleoklimatologen dus uit

geologische monsters zoals uit ijskernen, maar ook uit

oceaansedimenten en fossiele plantenbladeren.

Discussie was er over de periode van ongeveer 66

miljoen tot 56 miljoen jaar geleden. De aarde was

toen al grotendeels ijsvrij, terwijl sommige studies

suggereerden dat in die periode de CO2-concentratie

relatief laag was. Nu de onderzoekers de minst

betrouwbare studies eruit hebben gefilterd, zagen ze

dat de CO2-concentratie in die periode wel relatief hoog

was: ongeveer 600 tot 700 ppm.

"We hebben nu een veel robuuster beeld van hoe gevoelig

de aarde is voor een toename van CO2 in de lucht op

lange tijdschalen, van honderdduizenden jaren", zegt

Bärbel Hönisch in een persbericht. Zij is geochemicus

aan Columbia University. Dat helpt klimaatmodelleurs

die proberen te voorspellen wat er de komende decennia

gaat gebeuren. De onderzoekers benadrukken wel dat

de laatste inzichten nog steeds incompleet zijn, omdat

veel gegevens van ver terug ontbreken en sommige

resultaten elkaar tegenspreken.

"Ongeacht hoeveel graden de temperatuur precies

verandert, het is duidelijk dat we de planeet al in een

reeks omstandigheden hebben gebracht die nog nooit

eerder werden waargenomen", zegt Gabriel Bowen,

verbonden aan de universiteit van Utah.

Grote investeringen nodig

Op de klimaattop 2023 gehouden in Dubai, COP28, was

klimaatfinanciering een van de grote thema’s. Met als

twee kardinale punten: aan heel grote investeringen

(klimaatfinanciering) valt niet meer te ontkomen en

arme landen hebben financiële ondersteuning nodig

van rijke landen om het noodzakelijke te kunnen doen

(klimaatschadefonds).

Een groep economen die de VN adviseert, de

Independent High Level Expert Group on Climate

Finance, denkt dat er over 2 jaar al jaarlijks $ 1.000

miljard aan extra klimaatfinanciering nodig zal zijn om

de Parijse doelen te halen. In 2030 zal dat zijn gegroeid

naar $ 2.400 miljard. China, dat rijk genoeg is om

voor zijn eigen klimaatbeleid te betalen, is hierin niet

meegerekend. Het Internationaal Energieagentschap

komt op vergelijkbare bedragen. "De discussie

over klimaatfinanciering moet snel verschuiven

van ‘miljarden’ naar ‘biljoenen’", schreef denktank

Sustainable Finance Lab (SFL) in een rapport in aanloop

naar COP28. Deze biljoenen (duizenden miljarden)

liggen nu nog ver buiten bereik.

Rijke landen hebben al de grootste moeite om te

voldoen aan hun belofte uit 2009 om jaarlijks $ 100

miljard vrij te maken voor klimaatfinanciering in

ontwikkelingslanden. Daaraan moest in 2020 worden

voldaan, maar het doel wordt naar verwachting dit jaar

pas gehaald, en zelfs daar is onzekerheid over.

33


34


2

GEVOLGEN VAN KLIMAATVERANDERING

35


RECENTE INZICHTEN IN VERANDERINGEN

VAN HET KLIMAAT

Klimaatfeiten 2023:

1. 2023 was het warmste jaar ooit; 0,6 °C warmer dan het gemiddelde van 1991 tot 2020

en ongeveer 1,48 °C warmer dan het pre-industriële gemiddelde van 1850 tot 1900.

2. De temperatuur voor het jaar als geheel was 0,17 °C hoger dan het vorige recordjaar 2016.

3. Elke maand van juni tot december was warmer dan elke overeenkomstige maand ooit.

4. Juli en augustus waren de warmste twee maanden ooit en de boreale zomer

(juni-augustus) was het warmste seizoen ooit.

5. September was 0,93 °C warmer dan gemiddeld; de grootste anomalie voor

een maand ooit.

6. Oktober, november en december lagen elk 0,85 °C boven het gemiddelde,

de op een na grootste anomalie voor elke maand ooit.

7. Het was het eerste jaar waarin elke dag 1 °C boven het pre-industriële gemiddelde

van 1850 tot 1900 voor die dag van het jaar lag. Bijna 50% van de dagen was meer

dan 1,5 °C warmer dan het gemiddelde van 1850 tot 1900, en 2 dagen waren voor

het eerst meer dan 2 °C warmer.

8. Voor het hele jaar hadden grote delen van alle oceaanbekkens en alle continenten

behalve Australië gemiddelde luchttemperaturen die de hoogste, of bijna de

hoogste, ooit waren.

36


Tussen het einde van de 19e eeuw (1880-1900) en de laatste 5 jaar (2019-2023) is de

gemiddelde SST* boven de extrapolaire oceaan met ongeveer 0,9 °C toegenomen.

De stijging van 1980 tot 2023 lag rond de 0,6 °C. Het laatste vijfjaarsgemiddelde

ligt ongeveer 0,3 °C boven het gemiddelde voor de referentieperiode 1991-2020.

De belangrijkste oorzaak van de jaarlijkse schommelingen is de El Niño Southern

Oscillation (ENSO) - perioden van warmere (El Niño) of koelere (La Niña) dan

gemiddelde SST's in de centrale en oostelijke tropische Stille Oceaan. El Niño's

verhogen tijdelijk de wereldwijde gemiddelde SST en La Niña's verlagen deze tijdelijk.

* SST = zeewateroppervlaktetemperatuur (sea surface temperature)

37


De polaire ijskappen van de aarde bedekken het

grootste deel van Groenland en Antarctica en slaan

ongeveer 68% van de zoetwatervoorraden van de

planeet op. Als de ijskappen volledig zouden smelten,

zou de wereldwijde gemiddelde zeespiegel met 7,4 ±

0,05 meter stijgen voor de Groenlandse ijskap en 57,9 ±

0,9 meter voor de Antarctische ijskap.

De drie warmste jaren ooit gemeten voor Europa hebben

zich allemaal voorgedaan sinds 2020, en de tien

warmste jaren sinds 2007.

Geschat wordt dat voor elke centimeter zeespiegel stijging

ongeveer zes miljoen mensen over de hele wereld

worden blootgesteld aan overstromingen aan de kust.

Klimaatverandering in Europa

Sinds de jaren 1980 warmt Europa twee keer zo snel

op als het wereldwijde gemiddelde en is daardoor het

snelst opwarmende continent op aarde geworden. Dit

is te wijten aan verschillende factoren, waaronder het

aandeel van het Europese land in het noordpoolgebied,

de snelst opwarmende regio op aarde, en aan

veranderingen in de atmosferische circulatie die

frequentere zomerse hittegolven bevorderen. Gletsjers

smelten en de toename van extreme regenval leidt tot

catastrofale gebeurtenissen, zoals de wijdverbreide

overstromingen in Italië, Griekenland, Slovenië,

Noorwegen en Zweden in 2023. Ondertussen wordt

Zuid-Europa geconfronteerd met wijdverbreide

droogtes. De frequentie en ernst van extreme

gebeurtenissen nemen toe.

Bron: Copernicus

Thermische comfortindices vertegenwoordigen het

effect van de omgeving op het menselijk lichaam.

Een van die indexen is de Universal Thermal Climate

Index (UTCI), die rekening houdt met temperatuur,

vochtigheid, windsnelheid, zonneschijn en warmte

die door de omgeving wordt uitgestraald, en hoe het

menselijk lichaam reageert op verschillende thermische

omgevingen. Die index kan worden gebruikt om door

het weer veroorzaakte thermische stress buitenshuis

bij mensen af te leiden door UTCI-waarden in tien

verschillende categorieën van hitte- en koudestress

te classificeren, waarbij de gebruikte eenheden

een "gevoelstemperatuur" vertegen woordigen.

Voor hittestress ligt de focus op de maximale (dag)

dagelijkse UTCI, en voor koudestress de minimale

(nachtelijke) dagelijkse UTCI.

38


Extreme hittestress*/aantal dagen per jaar

* Percentage dagen per jaar met "extreme hittestress"

(gevoels temperatuur van meer dan 46 ºC) gemiddeld

over het Europese vasteland.

0.8%

0.6%

0.4%

0.2%

0% 1950 1955 1960 1965 1970 1975 1980 1985 1990 1995 2000 2005 2010 2015 2020

Bron: Copernicus

Het grootste deel van Europa, met uitzondering van

European land area: 25ºW-40ºE, 34º-72ºN

de Scandinavische regio, heeft in 2023 ten minste

Data: ERA5-Heat daily maximum Universal Thermal Climate Index (UTCI) • Credit: C3S/ECMWF

enkele dagen met "sterke hittestress" ervaren, terwijl

delen van Zuid-Europa maar liefst 60 tot 80 dagen met

"sterke hittestress" hebben ervaren. Een groot deel

van Zuid-Europa ervoer ook enkele dagen van "zeer

sterke hittestress", met het hoogste aantal dagen (tot

80) in Zuid-Spanje. In sommige delen van Zuid- en

Oost-Spanje, Zuidwest-Frankrijk, Zuidoost-Italië, Zuid-

Sardinië, Griekenland en West-Turkije was er tot 10

dagen sprake van "extreme hittestress".

Het aantal nadelige gezondheidseffecten in verband met

extreme weers- en klimaatgebeurtenissen neemt toe.

In juli 2023 werden de klimaatcrisis en de daarmee

samenhangende extreme weersomstandigheden

voor het eerst in de geschiedenis uitgeroepen

tot een noodsituatie op het gebied van de

volksgezondheid door het regionale kantoor van de

Wereldgezondheidsorganisatie Europa voor Europa.

Sinds 1970 is extreme hitte de belangrijkste oorzaak

van weer- en klimaatgerelateerde sterfgevallen in

Europa, met een aanzienlijke toename sinds 2000.

Klimaatverandering heeft op vele manieren invloed op

de gezondheid. Zij versterkt bijvoorbeeld bestaande

problemen, waaronder: ziekte en overlijden door

gebeurtenissen zoals hittegolven, bosbranden,

stormen en overstromingen; toename van zoölogische,

voedsel-, water- en vector-overdraagbare ziekten;

toenemende niet-overdraagbare ziekten; psychische

stoornissen zoals angst, depressie en posttraumatische

stressstoornis. Er is ook een breed scala aan

indirecte effecten die worden veroorzaakt door

veranderingen in de luchtkwaliteit, de aanvoer

van voedsel, beschikbaarheid van vers drinkwater

en de biodiversiteit.

In Europa is er een stijgende trend in de frequentie en

temperatuur van warmere dagen en nachten, en in de

frequentie en intensiteit van hittegolven en extreme

neerslaggebeurtenissen. Met name in Zuid-Europa

nemen ook de landbouw- en ecologische droogte toe.

Dergelijke toenames, zowel in aantal als in ernst van

sommige extremen, hebben nu al een impact op de

gezondheid en het welzijn.

Sinds 1991 warmt Europa meer dan twee keer zo hard

op als het wereldwijde gemiddelde, met ongeveer 0,5 °C

per decennium, vergeleken met een wereldwijde stijging

van 0,2 °C per decennium. De frequentie en intensiteit

van extreme hitte nemen ook toe in Europa.

Volgens het Regional Climate Centre (RCC) van de

Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) hebben

23 van de 30 ernstigste hittegolven in Europa sinds

1950 plaatsgevonden sinds 2000, en 5 in de afgelopen

3 jaar. De gevolgen van hittegolven zijn niet altijd

39


direct zichtbaar. Het is echter bekend dat ze leiden

tot aanzienlijke aantallen extra sterfgevallen, vooral

in Europa. Naast droogte is er ook een verhoogd

risico op bosbranden, die verdere gevolgen hebben,

zoals verlies van eigendommen en een afname

van de luchtkwaliteit.

De extreme hitte, waaronder hittegolven, is

geïntensiveerd in steden, waar hittegolven ook de

luchtvervuiling hebben verergerd. In totaal 55% van

de wereldbevolking woont momenteel in stedelijke

gebieden en dit aandeel zal naar verwachting toenemen

tot 68% in 2050.

In de afgelopen decennia is extreme hitte verreweg

de belangrijkste oorzaak geweest van gemelde

sterfgevallen als gevolg van extreme weers- en

klimaatgebeurtenissen in Europa. In de zomers

van 2003, 2010 en 2022 waren er naar schatting

tussen de 55.000 en 72.000 sterfgevallen als gevolg

van hitte golven. Een schatting voor 2023 is nog

niet beschikbaar.

Volgens het zesde beoordelingsrapport van het IPCC

zijn er aanzienlijke sociaal-culturele en institutionele

barrières die de uitvoering van gepaste acties

bemoeilijken. Zo kunnen kwetsbare groepen, zoals

ouderen, een onvoldoende perceptie hebben van de

gezondheidsrisico's van de gevolgen van klimaatverandering.

Samen met de hoge kosten van

beschermende maatregelen kan dit een barrière vormen.

In de Europese regio van de WHO is de hitte gerelateerde

sterfte de afgelopen 20 jaar met ongeveer 30%

toegenomen. Tussen 2000 en 2020 is het aantal

hittegerelateerde sterfgevallen naar schatting

toegenomen in 94% van de gecontroleerde Europese

regio's. De meest getroffen regio's bevonden zich

in de centrale en zuidelijke delen van het Iberisch

schiereiland, waar het aantal extra sterfgevallen

toeneemt met 40 tot 50 per 1 miljoen mensen per jaar.

In heel Europa is er een toenemend aantal dagen

waarop hittestress wordt ervaren. De frequentie,

intensiteit en duur van hittegolven zullen blijven

toenemen, met ernstige gevolgen voor de

volksgezondheid. De gecombineerde effecten van

klimaatverandering, verstedelijking en vergrijzing van

de bevolking zullen de hittegerelateerde effecten in de

toekomst waarschijnlijk aanzienlijk verergeren.

Stedenbouwkundige en beheersmaatregelen zoals

groene ruimten, reflecterende materialen en structurele

aanpassingen kunnen bijdragen aan het verminderen

van hitte in steden. Dit soort veranderingen in de

gebouwde omgeving kunnen de risico's voor de

gezondheid aanzienlijk helpen verminderen. Bovendien

is het van vitaal belang om individuele huizen aan te

passen om hittegolven te weerstaan, aangezien de

blootstelling van kwetsbare groepen aan dit extreme

klimaat toeneemt. In Europa bijvoorbeeld neemt de tijd

die thuis wordt doorgebracht toe met de leeftijd, waarbij

mensen ouder dan 65 jaar gemiddeld ongeveer 20 uur

per dag thuis doorbrengen.

De effectiviteit van de meeste opties voor het

verminderen van door het klimaat veroorzaakte

gezondheidsrisico's wordt bepaald door factoren zoals

de omvang van het risico, bestaande sociaal-politieke

40


41


structuren en cultuur, en reeds bestaande

aanpassingen. Voorbeelden van succesvolle

interventies zijn de uitvoering van hittegolfplannen

en verbeteringen in de gezondheidszorg en in de

infrastructuur van woningen. Het combineren van

meerdere soorten aanpassingen in een consistent

beleid kan een versterkend effect hebben op het

verminderen van risico's, met name bij hogere

niveaus van opwarming van de aarde.

Maatregelen ter bescherming van de gezondheid

kunnen ook negatieve gevolgen hebben op het klimaat.

Zo is airconditioning misschien effectief, maar is de

maatregel duur om te installeren en zijn er hoge kosten

verbonden aan het gebruik ervan. Bovendien is bekend

dat de apparaten veel stroom gebruiken. Dergelijke

units genereren ook warmte, versterken het Urban

Heat Island-effect (hitte-eilandefffect) en verhogen

de geluidsoverlast. Dergelijke apparaten verbruiken

veel stroom, generen ook weer warmte en versterken

het Urban Heat Island-effect en veroorzaken

bovendien geluidsoverlast.

42


GEVOLGEN IN NEDERLAND

Klimaatverandering

Het klimaat verandert en extreem weer komt vaker voor.

Niet alleen de gemiddelde temperatuur stijgt, maar

ook de zeespiegel. Een veranderend klimaat heeft ook

invloed op onze gezondheid. Warmere zomers doen een

aanslag op de vitaliteit van kwetsbare groepen. Een

verlenging van het groei- en bloeiseizoen gaat gepaard

met meer pollen in de lucht en daarmee een toename

van luchtwegallergieën. Twee graden opwarming

wordt gezien als een omslagpunt waarbij natuurlijke

processen zo veranderen dat ze onomkeerbaar zijn.

De temperatuur in een stedelijk gebied is gemiddeld

hoger dan die in een niet-stedelijke omgeving. ’s Nachts

is dit hitte-eilandeffect het grootst en kan het verschil

tussen de stad en de landelijke omgeving meer dan 5 °C

bedragen. Dit verschil wordt veroorzaakt door een aantal

factoren: donkere materialen absorberen meer zonlicht,

de afkoeling door straling is lager in stedelijke gebieden

dan in landelijke gebieden en in steden zijn gemiddeld

lagere windsnelheden dan daarbuiten waardoor de

warmte langer blijft hangen. Omdat de verstedelijking

verder zal toenemen, verwacht het KNMI dat de hitte in

de stad in 2050 een groter probleem is dan nu.

Het KNMI en de Wageningen University deden onderzoek

naar de gevolgen van opwarming. Hieronder een aantal

gevolgen zoals die in kaart werden gebracht voor de

regio Amsterdam:

• Sinds 1950 is de jaargemiddelde temperatuur

toegenomen met 1,6 °C. De winters zijn zachter

geworden doordat de wind vaker uit het westen kwam en

de zomers zijn warmer door toename van het aantal uren

zonneschijn. De opwarming is het grootste in de zomer.

Jaargemiddelde temperatuur in Nederland

ºC

16

15

14

13

12

11

10

9

8

7

Bron: KNMI/klimaatscenario’s 2023

• Het gemiddeld aantal vorstdagen gaat van 48 dagen

nu naar 17 dagen in 2085 en het aantal zomerse

dagen gaat van 20 dagen nu naar 40 dagen rond

2085 (Schiphol).

W/m 2

• In steden en dorpen wordt het gemiddeld warmer dan

140

op het platteland (stedelijk hitte-eilandeffect). De

130

grootte van het effect hangt sterk af van de dichtheid

120

110 en hoogte van de bebouwing en de hoeveelheid

100 aanwezig groen. Overdag wordt in steden weinig

zonnewarmte gebruikt voor verdamping doordat

grote delen van de oppervlakte droog zijn. Hierdoor

blijft veel energie over voor het verwarmen van de

lucht. Ook wordt er veel zonnewarmte opgenomen

door stenen en asfalt. ’s Nachts wordt de door

oppervlaktes opgenomen warmte weer afgegeven

aan de omgeving. Dat duurt langer dan op het

platteland doordat er ook meer warmte is opgenomen

cm

door de massa. ’s Winters is er ook sprake van een

120

1900

Scenario’s tot 2100

hitte-eiland 100 doordat de stedelijke bebouwing meer

80

warmte 60 produceert en dus minder snel afkoelt. De

40

opwarming van Amsterdam in 2085 is gemiddeld 5 °C

20

0

1920 1940 1960 1980 2000 2020 2040 2060 2080 2100

Jaargemiddelde 1991-2020

Jaargemiddelde

en kan afhankelijk van de bebouwing nog een graad

extra oplopen.

Trend metingen

90% band

1900 1920 1940 1960 1980 2000 2020 2040 2060 2080 2100

Trend metingen

Jaargemiddelde

Gemiddelde 1991-2020

90% band

2000 2020 2040 2060 2080 2100

Lage uitstootscenario’s (Ld, Ln) Hoofdgetijdenstations Drie schattingen voor de hoogst

mogelijke zeespiegelstijging

Hd

Ld

Hd

Ld

Hn

Ln

Hn

Ln

43


• Er is ook onderzoek gedaan naar de effecten van

hittegolven. Zo bleek uit een simulatie dat de hittegolf

uit 2006 geprojecteerd naar 2050 in Amsterdam

zou zorgen voor 2,5 °C meer opwarming. Als de

hittegolf van juli 2019 zou optreden in een mondiaal

2 °C warmer klimaat dan nu, zijn waarschijnlijke

consequenties onderzocht:

- Temperatuurmaxima bereiken waarden

van tussen de 42,5 en 45 °C op veel plekken

in Nederland.

- Het gebied met temperaturen boven de 40 °C

wordt veel groter.

- Door de hogere temperaturen duurt de hittegolf

langer, vooral in scenario’s met sterke uitdroging.

In een 4 °C warmer klimaat zijn temperaturen in de stad

tot 50 °C niet uit te sluiten en zou de zomer van 2019 vrijwel

één continue hittegolf zijn geweest.

• In steden in het westen van Nederland valt de meeste

regen. Sinds 1901 nam de hoeveelheid regen die in

Amsterdam viel met 25% toe. De totale hoeveelheid

regen zal toenemen, het aantal dagen dat er regen

valt zal toenemen en het aantal keren dat er heel veel

neerslag in korte tijd valt zal toenemen. Om een idee te

geven: in een scenario voor opwarming met 2 °C neemt

de totale hoeveelheid neerslag per jaar met 27% toe.

• Een ander aandachtspunt is de stijging van de

zeespiegel wereldwijd, met name door het smelten

van poolijs op Antarctica. Aan de Nederlandse kust

is het verwachte effect in 2085 een zeespiegelstijging

van tussen de 25 en 125 cm.

• Daarnaast is er nog een ander effect: door

smelt- en regenwater zullen rivieren verhoogde

waterafvoeren vertonen.

De snelheid waarmee de veranderingen zich in

de praktijk voordoen hangt nauw samen met de

CO2-uitstoot in de komende jaren.

Het KNMI heeft in 2023 vier klimaatscenario’s

gepubliceerd die een beeld geven van de gevolgen

van klimaatverandering voor Nederland.

Wolken houden zonnestraling tegen en bepalen daarom

hoeveel straling de aarde bereikt. In het algemeen

geldt: hoe dikker een wolk is, hoe meer zonnestraling

hij terugkaatst. Gerekend over een heel jaar is het in

Nederland aan de kust zonniger dan in het binnenland.

Dit komt doordat er in de buurt van het relatief koele

zeewater in de lente en zomer minder wolken ontstaan.

ºC

Zonnestraling 16 wordt ook teruggekaatst door aerosolen,

15

zwevende 14 deeltjes in de atmosfeer (bijvoorbeeld

13

12

luchtvervuiling), die invloed hebben op het ontstaan van

11

10

wolken. Omdat de lucht in Europa sinds de jaren 80 van

9

8

de 7vorige eeuw steeds schoner werd, nam het aantal

aerosolen af. In diezelfde periode nam ook de bewolking

Jaargemiddelde

90% band

Ld Ln

af en werden wolken dunner en dus doorschijnender.

Hierdoor nam de hoeveelheid doorgelaten zonnestraling

met ongeveer 4 W/m2 (4%) per decennium toe. Dit droeg

bij aan de opwarming in Nederland.

Jaargemiddelde zonnestraling

W/m 2

140

130

120

110

1900

1920 1940 1960 1980 2000 2020 2040 2060 2080 2100

Jaargemiddelde 1991-2020

Trend metingen

100

1900 1920 1940 1960 1980 2000 2020 2040 2060 2080 2100

Trend metingen

Jaargemiddelde

Gemiddelde 1991-2020

90% band

Bron: KNMI/klimaatscenario’s 2023

Hd

Ld

Hd

Hn

Ln

Hn

44


Klimaatscenario’s 2023

Seizoen Variabele Indicator Klimaat

2050 (2036-2065) 2100 (2086-2115)

1991-2020

= referentieperiode

Ld Ln Hd Hn Ld Ln Hd Hn

Wereldwijde temperatuurstijging ten opzichte van 1991-2020 +0,8°C +0,8°C +1,5°C +1,5°C +0,8°C +0,8°C +4,0°C +4,0°C

Wereldwijde temperatuurstijging ten opzichte van 1850-1900 +1,7°C +1,7°C +2,4°C +2,4°C +1,7°C +1,7°C +4,9°C +4,9°C

Jaar

Zeespiegel bij

Nederlandse kust

gemiddelde niveau 0 cm1 +24

(16 tot 34) cm

tempo van verandering 3 mm/jaar1 +3 (1 tot 6)

mm/jaar

+24

(16 tot 34) cm

+3 (1 tot 6)

mm/jaar

+27

(19 tot 38) cm

+5 (4 tot 8)

mm/jaar

+27

(19 tot 38) cm

+5 (4 tot 8)

mm/jaar

+44

(26 tot 73) cm

-1 (-4 tot 4)

mm/jaar

+44

(26 tot 73) cm

-1 (-4 tot 4)

mm/jaar

+82

(59 tot 124) cm

+11 (6 tot 23)

mm/jaar

+82

(59 tot 124) cm

+11 (6 tot 23)

mm/jaar

Temperatuur gemiddelde 10,5°C +0,9°C +0,9°C +1,6°C +1,5°C +0,9°C +0,9°C +4,4°C +4,1°C

Neerslag hoeveelheid 851 mm 0% +3% -2% +3% 0% +3% -3% +8%

Zonnestraling gemiddelde 120 W/m² +5,8 W/m² +4,8 W/m² +5,4 W/m² +2,5 W/m² +5,8 W/m² +4,8 W/m² +7,1 W/m² +1,3 W/m²

Vochtigheid gemiddelde relatieve vochtigheid2 82% -1% -1% -1% 0% -1% -1% -1% +1%

Verdamping potentiële verdamping (Makkink) 603 mm +7% +6% +9% +6% +7% +6% +17% +11%

Wind gemiddelde windsnelheid 4,8 m/s -0,1 m/s -0,1 m/s 0,0 m/s 0,0 m/s -0,1 m/s -0,1 m/s -0,1 m/s -0,1 m/s

Winter Temperatuur gemiddelde 3,9°C +0,7°C +0,7°C +1,2°C +1,3°C +0,7°C +0,7°C +3,7°C +3,9°C

gemiddelde dagmaximum 6,3°C +0,7°C +0,7°C +1,1°C +1,2°C +0,7°C +0,7°C +3,5°C +3,6°C

gemiddelde dagminimum 1,4°C +0,7°C +0,7°C +1,2°C +1,4°C +0,7°C +0,7°C +4,0°C +4,2°C

Neerslag hoeveelheid 218 mm +4% +5% +4% +7% +4% +5% +14% +24%

aantal natte dagen

57 dagen 0,0 dagen 0,0 dagen 0,0 dagen +0,6 dagen 0,0 dagen 0,0 dagen 0,0 dagen +1,1 dagen

(≥ 0,1 mm)

aantal dagen

5,4 dagen +0,4 dagen +0,5 dagen +0,5 dagen +0,8 dagen +0,4 dagen +0,5 dagen +1,6 dagen +2,5 dagen

≥ 10 mm

10-daagse neerslagsom die eens

109 mm 3 -2% +2% 0% +2% -2% +2% +8% +15%

in de 10 jaar wordt overschreden

Zonnestraling gemiddelde 34 W/m² +1,2 W/m² +1,5 W/m² +0,8 W/m² +0,4 W/m² +1,2 W/m² +1,5 W/m² -0,7 W/m² -1,5 W/m²

Vochtigheid gemiddelde relatieve vochtigheid2 87% 0% 0% +1% +1% 0% 0% +1% +2%

Wind gemiddelde windsnelheid 5,6 m/s -0,1 m/s -0,1 m/s 0,0 m/s +0,1 m/s -0,1 m/s -0,1 m/s +0,1 m/s +0,2 m/s

aantal dagen met windrichting

13 dagen +0,1 dagen -0,8 dagen 0,0 dagen +0,1 dagen +0,1 dagen -0,8 dagen -1,7 dagen -1,0 dagen

tussen noord en west

Lente Temperatuur gemiddelde 9,6°C +0,8°C +0,7°C +1,3°C +1,1°C +0,8°C +0,7°C +3,6°C +3,3°C

gemiddelde dagmaximum 13,7°C +0,9°C +0,8°C +1,2°C +1,0°C +0,9°C +0,8°C +3,3°C +2,9°C

gemiddelde dagminimum 5,5°C +0,7°C +0,7°C +1,4°C +1,3°C +0,7°C +0,7°C +3,9°C +3,7°C

Neerslag hoeveelheid 153 mm +1% +3% 0% +4% +1% +3% +4% +10%

Zonnestraling gemiddelde 161 W/m² +6,6 W/m² +5,2 W/m² +3,2 W/m² +0,8 W/m² +6,6 W/m² +5,2 W/m² -0,2 W/m² -4,8 W/m²

Vochtigheid gemiddelde relatieve vochtigheid² 78% -1% -1% 0% 0% 1% -1% +1% +2%

Verdamping potentiële verdamping (Makkink) 1 90 mm +6% +5% +6% +4% +6% +5% +10% +6%

Droogte maximaal neerslagtekort april en mei

+11% +6% +15% +5% +11% +6% +21% +8%

76 mm

Wind gemiddelde windsnelheid 4,7 m/s -0,1 m/s -0,1 m/s 0,0 m/s 0,0 m/s -0,1 m/s -0,1 m/s +0,1 m/s 0,0 m/s

Zomer Temperatuur gemiddelde 17,3°C +1,2°C +1,1°C +2,1°C +1,7°C +1,2°C +1,1°C +5,1°C +4,7°C

gemiddelde dagmaximum 21,7°C +1,4°C +1,2°C +2,2°C +1,7°C +1,4°C +1,2°C +5,4°C +4,7°C

gemiddelde dagminimum 12,9°C +1,0°C +1,0°C +1,9°C +1,8°C +1,0°C +1,0°C +5,0°C +4,9°C

Neerslag hoeveelheid 235 mm -8% -2% -13% -5% -8% -2% -29% -12%

Bron: KNMI/klimaatscenario’s 2023

1-daagse neerslagsom die eens in

de 10 jaar wordt overschreden4

uurlijkse neerslag die eens per

jaar wordt overschreden4

63 mm3 +4 (1 tot 6)% +5 (2 tot 7)% +6 (2 tot 9)% +9 (5 tot 14)% +4 (1 tot 6)% +5 (2 tot 7)% +15 (5 tot

26)%

16 mm3 +4 (2 tot 6)% +6 (3 tot 8)% +6 (2 tot 9)% +11 (6 tot 16)% +4 (2 tot 6)% +6 (3 tot 8)% +15 (5 tot

26)%

+26 (12 tot

41)%

+31 (17 tot

46)%

Zonnestraling gemiddelde 206 W/m² +12 W/m² +9,1 W/m² +14 W/m² +7,4 W/m² +12 W/m² +9,1 W/m² +24 W/m² +11 W/m²

Vochtigheid gemiddelde relatieve vochtigheid2 77% -2% -1% -2% -1% -2% -1% -4% -1%

Verdamping potentiële verdamping (Makkink) 286 mm +8% +6% +11% +7% +8% +6% +22% +14%

Droogte

maximaal neerslagtekort april

160 mm +22% +13% +35% +15% +22% +13% +79% +37%

t/m september

maximaal neerslagtekort april

265 mm +16% +9% +30% +16% +16% +9% +63% +30%

t/m september dat eens in de 10

jaar wordt overschreden

Wind gemiddelde windsnelheid 4,2 m/s -0,1 m/s -0,1 m/s -0,1 m/s -0,1 m/s -0,1 m/s -0,1 m/s -0,2 m/s -0,2 m/s

Herfst Temperatuur gemiddelde 11,2°C +1,0°C +0,9°C +1,8°C +1,6°C +1,0°C +0,9°C +5,0°C +4,8°C

gemiddelde dagmaximum 14,5°C +1,1°C +1,1°C +1,9°C +1,6°C +1,1°C +1,1°C +5,1°C +4,6°C

gemiddelde dagminimum 7,8°C +0,9°C +0,9°C +1,8°C +1,7°C +0,9°C +0,9°C +5,1°C +5,1°C

Neerslag hoeveelheid 245 mm +4% +5% +1% +4% +4% +5% +1% +13%

Zonnestraling gemiddelde 77 W/m² +3,7 W/m² +3,5 W/m² +3,7 W/m² +1,4 W/m² +3,7 W/m² +3,5 W/m² +5,4 W/m² +1,0 W/m²

Vochtigheid gemiddelde relatieve vochtigheid2 85% -1% 0% -1% 0% -1% 0% - 1% 0%

Wind gemiddelde windsnelheid 4,7 m/s -0,1 m/s -0,1 m/s -0,1 m/s 0,0 m/s -0,1 m/s -0,1 m/s -0,2 m/s -0,1 m/s

45


ºC

16

15

14

13

12

11

10

9

8

7

1900

1920 1940 1960 1980 2000 2020 2040 2060 2080 2100

Jaargemiddelde 1991-2020

Trend metingen

Hd

Hn

Jaargemiddelde

90% band

Ld

Ln

Naar verwachting wordt de lucht boven Nederland

in de toekomst nog iets schoner, vooral in het lage

uitstootscenario waarin de hoeveelheid aerosolen

langzaam blijft afnemen. Hierdoor neemt de

W/m 2

gemiddelde zonnestraling nog iets toe ten opzichte van

140

130

de periode 1991-2020, hoewel de natuurlijke jaar-opjaarvariaties

groot zijn (vooral de afgelopen jaren zijn

120

bovengemiddeld zonnig geweest).

110

100

1900 1920 1940 1960 1980 2000 2020 2040 2060 2080 2100

Zelfs als de uitstoot van broeikasgassen nu onmiddellijk

Jaargemiddelde 90% band

Ld Ln

zou stoppen, stijgt de zeespiegel hoe dan ook door. En

niet alleen deze eeuw, maar ook nog honderden jaren

daarna. Dit komt doordat de traag reagerende ijskappen

niet in evenwicht zijn met het huidige klimaat. Zelfs als

de temperatuur gelijk blijft, zullen ze verder slinken.

Zeespiegel bij Nederland

Scenario’s tot 2100

cm

120

100

80

60

40

20

0

Trend metingen

Gemiddelde 1991-2020

2000 2020 2040 2060 2080 2100

Lage uitstootscenario’s (Ld, Ln) Hoofdgetijdenstations Drie schattingen voor de hoogst

mogelijke zeespiegelstijging

Bron: KNMI/klimaatscenario’s 2023

De snelheid waarmee en mate waarin de zeespiegel

verder stijgt hangen dus af van de mate waarin

klimaat en landijs in de komende eeuw uit evenwicht

worden gebracht. Hierbij speelt de totale hoeveelheid

uitgestoten broeikasgassen een allesbepalende rol. Het

gevolg hiervan is dat zelfs in het lage uitstootscenario

de zeespiegel voor de Nederlandse kust na 2150

Hd

Hn

waarschijnlijk meer dan een meter is gestegen. In het

hoge uitstootscenario wordt deze stijging eerder bereikt.

In het Klimaatakkoord van Parijs is afgesproken de

mondiale opwarming te beperken tot ruim onder de

2 °C ten opzichte van het pre-industriële niveau (1850-

1900), met maximaal 1,5 °C als streven. Deze getallen

gelden voor een gemiddelde over een periode van 20

jaar. De kans is groot dat in de komende 5 jaar een

enkel jaar al boven de 1,5 °C opwarming uitkomt. Op

basis van klimaatmodellen verwacht het IPCC dat

1,5 °C opwarming van een 20-jaarsgemiddelde mogelijk

al bereikt wordt rond 2033. Een sterke reductie van de

uitstoot en het op grote schaal verwijderen van CO2

uit de atmosfeer zullen nodig zijn om de opwarming

om te buigen en in 2100 weer uit te komen op 1,5 °C.

De KNMI’23-klimaatscenario’s beschrijven de

klimaatverandering ten opzichte van de meest recente

referentieperiode (1991-2020). In deze periode bedroeg

de mondiale opwarming 0,9 °C ten opzichte van de

periode 1850-1900. Het KNMI verwacht tussen de

meest recente klimaatnormaal en 2033 dus nog een

extra mondiale opwarming van 0,6 °C, waarvan 0,3 °C

inmiddels gerealiseerd is.

Klimaatadaptief bouwen

Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk

werken samen aan het Deltaprogramma Ruimtelijke

Adaptatie (DPRA). Het doel van dit programma is om

Nederland zo in te richten dat we de gevolgen van de

toenemende hitte, droogte, neerslag en overstromingen

kunnen opvangen.

46


Sinds maart 2023 kunnen bouwpartijen

gebruikmaken van de landelijke Maatlat groene

klimaat adaptieve gebouwde omgeving. Op www.

klimaatadaptatienederland.nl staat een overzicht van

hulpmiddelen voor klimaatadaptatie.

Er ligt een enorme woningbouwopgave voor de

komende jaren en een behoorlijk deel daarvan

betreft woningen die ontwikkeld worden specifiek

voor kwetsbare groepen. In het woonbeleid moet

hitteadaptatie een plekje krijgen als factor bij de keuze

voor locaties en de bouweisen voor alle woningen, maar

Om de kwetsbaarheden van regio’s in beeld te krijgen

moeten alle (lokale) overheden een klimaatstresstest

uitvoeren. Zo’n klimaatstresstest bestaat uit testen voor

de vier klimaatthema’s: wateroverlast, hitte, droogte

en overstroming.

met extra aandacht daarvoor bij sociale huur woningen,

woningen voor senioren en zorgwoningen. Volgens het

rapport van de AWGL is het aan te bevelen om externe

zonwering bij raampartijen op het zuiden, westen en

oosten een standaardeis te maken.

Hoewel alle klimaatthema’s natuurlijk van belang zijn,

richten we ons hier primair op het onderwerp hitte.

Klimaat- en Energieverkenning 2024 (KEV)

Het klimaatdoel 2030 voor Nederland verdwijnt uit het

zicht. Het is heel erg onwaarschijnlijk dat Nederland

De Klimaateffectatlas (2023) bevat gegevens over

de gevoelstemperatuur op een warme dag in juli

tussen 12.00 en 18.00 uur. Voor de berekeningen zijn

zowel meteorologische (temperatuur, wind, straling)

als ruimtelijke (landgebruik, sky-view-factor, bomen,

vegetatie) gegevens gebruikt.

het wettelijke klimaatdoel van 55% emissiereductie

in 2030 haalt.

Emissie broeikasgassen Nederland

Trend

megaton CO2 -equivalenten

250

Bij een gevoelstemperatuur van boven de 29 °C spreken

we van "gemiddelde hittestress" en bij die van boven

de 35 °C van "extreme hittestress" (Matzarakis en

Amelung, 2008). Het RIVM heeft per buurt berekend

welk percentage woningen een gevoelstemperatuur

heeft van boven de 35 °C, op basis van de gegevens

van de Klimaateffectatlas.

200

150

100

50

0

1990 1995

Realisatie

2000 2005 2010 2015 2020 2025 2030 2035

Raming vastgestelde en voorgenomen beleid

Raming vastgestelde en voorgenomen beleid en

deel geagendeerd beleid

95%

55%

Bandbreedte raming

Streefdoel 55% reductie

Bron: Klimaat- en Energieverkenning 2024

47


Met het huidige uitgewerkte beleid ("vastgesteld

en voorgenomen") liggen we op koers voor een

broei kasgasemissiereductie van 44 tot 52% in

2030 ten opzichte van 1990. Alleen extra beleid

dat snel reducties oplevert, kan het doel voor 2030

dichterbij brengen.

De verwachte emissiereductie in 2030 valt in 2024

1 tot 5 procentpunt lager uit dan de 46 tot 57% in de

doorrekening van vorig jaar. Dat is deels te wijten aan

tegenslagen in de uitvoering, zoals vertraging van

windparken op zee en stagnatie bij de productie van

groene waterstof. Maar ook politieke keuzes in het

afgelopen jaar zorgen voor een minder dan verwachte

emissiereductie. Dit geldt voor het schrappen van

betalen naar gebruik (kilometerbeprijzing) en voor

beleidswijzigingen door het nieuwe kabinet (onder meer

de wens tot hernieuwde mestderogatie, verhoging

van de maximumsnelheid en het afschaffen van de

salderingsregeling voor zonnepanelen). Zonder nieuwe

plannen, en een snelle uitvoering daarvan, haalt

Nederland het doel van 55% niet. Om het doel met 50%

kans te halen is nog 16 megaton extra uitstootreductie

in 2030 nodig, om het doel met een heel erg grote kans

(95%) te halen is nog 24 megaton extra reductie nodig.

De emissiereductie zit vooral bij de mobiliteit

(verschillende fiscale regelingen en meer bijmenging

van biobrandstoffen door de Europese richtlijn

RED III), de gebouwde omgeving (snellere ingroei

van warmtepompen) en de industrie (CO2-heffing

en subsidie stimuleren onder andere CCS). In de

elektriciteitssector stijgen de emissies juist – door

vertraging bij de uitrol van wind op zee en een toename

48


Totale emissies van broeikasgassen per sector, in megaton CO2-equivalenten

Sector 1990 2023* Raming

2030

Bandbreedte

raming 2030

Bandbreedte

raming 2030

inclusief deel

geagendeerd

beleid met

inschatting

Indicatieve

restemissies

2030

Raming

2035

Bandbreedte

raming 2035

Bandbreedte

raming 2035

inclusief deel

geagendeerd

beleid met

inschatting

Elektriciteit d,e 39,6 23,5 12,9 9,6-19,9 10,2-20,4 13,0 7,9 4,6-16,2 4,9-16,4

Industrie 86,8 46,6 38,5 33,3-42,5 32,1-41,3 29,1 36,6 26,4-38,8 24,6-37,2

Gebouwde omgeving 29,7 17,3 15,6 12,6-18,2 11,6-17,3 13,2 13,4 10,9-16,2 9,9-15,2

Mobiliteit f 33,4 30,6 23,2 20,6-25,4 21,1-25,9 21,0 18,1 15,2-21,1 15,7-21,5

Landbouw 33,1 25,0 22,0 20,0-24,7 20,7-25,5 17,9 20,2 18,4-22,8 19,1-23,8

Landgebruik 5,4 3,8 4,8 4,7-5,3 4,3-5,1 1,8 4,5 4,0-4,9 3,6-4,7

Totaal [megaton] 228 147 117 110-127g 109-126 96i 101 89,1-110 87,6-109

Reductie vanaf 1990 [procent] - 35,6% 48,7% 44,4-51,8% h 44,7-52,1% 58,0% 55,8% 51,9-60,9% 52,3-61,6%

Bron: Klimaat- en Energieverkenning 2024

van de elektriciteitsvraag. Hierdoor is volgens de raming

in 2030 circa 70% van de elektriciteit hernieuwbaar,

terwijl de KEV 2022 nog uitkwam op circa 85%.

De KEV bevat ook een raming voor 2035 en een

doorkijk tot 2040. Daaruit blijkt dat het 2030-doel

van 55% emissiereductie waarschijnlijk rond 2035

gehaald wordt. Dat betekent dat het tempo van

emissiedaling met het huidige beleid niet volstaat

om klimaatneutraliteit in 2050 en een indicatieve

emissiedaling rond 90% in 2040 in EU-verband (zoals

voorgesteld door de Europese Commissie) te bereiken.

Hiervoor zou voortaan een emissiereductietempo nodig

zijn van 7,3 megaton per jaar. Het hoge reductietempo

tussen 2018 en 2023 bereikte nog 9 megaton

CO2-equivalenten per jaar, maar in de jaren tot 2035

wordt volgens deze raming slechts 3,8 megaton per

jaar gereduceerd.

Nederland ligt goed op schema om het Europese

emissiedoel (gebaseerd op 48% minder emissie in 2030

dan in 2005) te halen in de Effort Sharing Regulation

(ESR) voor sectoren buiten het emissiehandelssysteem

ETS1 voor industrie en elektriciteit. Dit cumulatieve doel

geeft de sectoren gebouwde omgeving, mobiliteit en

landbouw een emissiebudget van 830 megaton voor

de periode 2021-2030. In de raming blijft Nederland

hier met 781 tot 819 megaton ruim onder. Dat is mede

te danken aan de scherpe daling van emissies door

corona, hoge energieprijzen en snelle groei van winden

zonnestroom in de afgelopen jaren. Vanaf 2027 ligt

de uitstoot in de ESR-sectoren volgens de raming boven

het emissiepad van de ESR.

49


50


3

WETENSWAARDIGHEDEN OVER DAGLICHT

51


ZONLICHT

De termen daglicht en zonlicht worden door elkaar gebruikt. Zonlicht, of de meer wetenschappelijke

term zonnestraling, is de belangrijkste bron van energie voor het klimaatsysteem van de aarde.

Zonnestraling is de energiebron voor de atmosferische circulatie en de hydrologische cyclus en

speelt een belangrijke rol in een groot aantal processen van het klimaatsysteem. De hoeveelheid

zonnestraling die het aardoppervlak bereikt, aangeduid als de globale straling, beïnvloedt onder

andere de temperatuur aan het aardoppervlak en de verdamping van de planten en de bodem. Wolken

hebben een sterk beperkend effect op de globale straling en kunnen op korte tijdschaal voor grote

variaties in globale straling zorgen.

Gemiddeld neemt de globale straling met 20% af door bewolking, wat een verlaging van de oppervlaktetemperatuur

tot gevolg heeft. Wolken houden echter ook de langgolvige straling die het aardoppervlak

uitstraalt tegen, wat een verwarmend effect heeft. Kiehl en Trenberth hebben schematisch

weergegeven wat de gevolgen van bovengenoemde en andere effecten gemiddeld zijn op het

globale energiebudget. Over lange perioden is aan de top van de atmosfeer de inkomende globale

straling in evenwicht met de reflectie van zonnestraling en de emissie van langgolvige straling.

Schatting van het energiebudget van de aarde

107

Reflected Solar

Radiation

107 Wm -2

Reflected by Clouds

Aerosol and

Atmospheric

Gases

77

342

67

Incoming

Solar

Radiation

342 Wm -2 Emmited by

Atmosphere

Absorbed by

Atmosphere

Emmited by Clouds

165

30

235

40

Atmospheric

Window

Outgoing

Longwave

Radiation

235 Wm -2

Greenhouse

Gases

24

Latent

78 Heat

Reflected by

Surface

30

168

Absorbed by

Surface

24 78

Thermals Evapotranspiration

350

40

324

Back

Radiation

390

Surface

Radiation 324

Absorbed by Surface

Bron: Kiehl en Trenberth, 1997: Earth’s Annual Global Energy Budget, Bull. Amer. Meteor. Soc. 78

52


53


De zon geeft straling in de vorm van elektromagnetische

golven af. Deze straling wordt door de atmosfeer van

de aarde gefilterd en komt dan als globale straling aan

op aarde. Deze globale straling omvat straling van de

golflengtes 300 tot 3.000 nm. Straling van 3.000 tot

100.000 nm (3 tot 100 µm) wordt niet direct geëmitteerd

door de zon, maar is warmtestraling. In de tabel een

overzicht van de optische straling (CIE 106/5, 1993).

De optische straling wordt gekarakteriseerd door de

golflengte, die wordt aangegeven in nanometers (nm)

of micrometers (µm), waarbij 1.000 nanometer gelijk

is aan 1 micrometer.

de omrekeningsfactor is sterk afhankelijk van het

stralingsspectrum van de lichtbron. In de tabel zijn de

omrekeningsfactoren voor natuurlijke globale straling

aangegeven. De omrekeningsfactoren voor verschillende

lampentypes kunnen sterk hiervan afwijken.

PAR

Een gedeelte van het licht wordt door planten gebruikt

voor de fotosynthese. Dit deel van 400 tot 700 nm wordt

daarom (in het Engels) photosynthetic active radiation

(PAR) genoemd. Rode straling (600 tot 700 nm) is het

meest efficiënt voor de fotosynthese van planten,

Indeling van de optische straling

Naam Afkorting Golflengte (nm) Opmerking

Omrekeningsfactoren van verschillende grootheden

uitgaande van natuurlijke straling

Omrekening in

Ultraviolette

straling

Fotosynthetisch

actieve straling

Nabij-infrarode

straling

Ver-infrarode

straling

uv

PAR

NIR

uv c

uv b

uv a

B (blauw)

G (groen)

R (rood)

FR (verrood)

NIR

< 280

280-315

315-400

400-500

500-600

600-700

700-800

800-3.000

FIR 3.000 – 100.000

bereikt aardoppervlak

niet < 300 nm bereikt

aardoppervlak niet

Omrekening van

µmol m -2 s -1 W PAR m -2 W m -2 klux

µmol m -2 s -1 1 0,22 0,43 0,056

W PAR m -2 4,6 1 2 0,26

W m -2 2,3 0,5 1 0,13

klux 18 4 8 1

Bron: Kasalsenergiebron.nl /Agrotechnology & Food Innovations B.V.

Member of Wageningen UR

Bron: Kasalsenergiebron.nl /Agrotechnology & Food Innovations B.V.

Member of Wageningen UR

Een deel van de globale straling is zichtbaar voor het

menselijke oog, namelijk die in het golflengtegebied van

380 tot 780 nm. Dit wordt het zichtbare licht genoemd

en stemt overeen met de kleuren blauw, groen, geel,

oranje en rood.

zij draagt bij aan de chlorofylsynthese en speelt een rol

in het fotoperiodisme en de fotomorfogenese. Groene

straling (500 tot 600 nm) geeft de geringste fysiologische

respons in de planten. Blauwe straling (400 tot 500 nm)

draagt eveneens bij aan de fotosynthese, dus aan de

plantengroei, maar ook aan de fotomorfogenese.

De globale straling kan in verschillende grootheden

worden uitgedrukt. Meteorologische data gebruiken vaak

de energie-inhoud van de straling, uitgedrukt in W m -2 .

De grootheden kunnen naar elkaar worden omgerekend;

Uv

Uv-straling is het gedeelte van de globale straling met de

hoogste energie. Het zogenaamde uv B-licht (300 tot 315 nm)

54


en het uv A-licht (315 tot 400 nm) zijn verantwoordelijk voor

de degradatie van bijvoorbeeld kunststoffen. Daarom is het

nodig om glasfolies en kunststofplaten te beschermen

tegen uv-degradatie (veroudering) door het toevoegen

van uv-stabilisatoren aan het polymeer. Uv-straling

heeft vooral invloed op de fotomorfogenese en kleuring

van planten. Een klein gedeelte van de uv-straling wordt

ook gebruikt voor de fotosynthese en groei van planten.

Solaire straling

Voor planten is de door de zon geëmitteerde en op aarde

aankomende straling, de kwantiteit, de kwaliteit en de

verandering door astronomische en meteorologische

effecten doorslaggevend.

NIR

Het nabije infrarood (NIR) met een golflengte van

700 tot 3.000 nm is het deel van het zonnespectrum

dat nauwelijks gebruikt wordt door planten; het wordt

voornamelijk omgezet in warmte (voelbaar en latent).

Afhankelijk van de locatie en het seizoen kan dit een

gunstig effect hebben op het binnenklimaat of kan het

juist het probleem van oververhitting introduceren. Het

stralingsgedeelte van 700 tot 800 nm wordt ver rood

genoemd en dit draagt bij aan de fotomorfogenese, vooral

de stengelstrekking, en het fotoperiodisme van planten.

FIR

Ver-infrarode straling (FIR) met golflengtes van

3.000 tot 100.000 nm is niet het gevolg van de directe

zoninstraling, maar is warmtestraling, die door elk warm

"lichaam" wordt uitgezonden. Deze straling is van groot

belang in de atmosfeer, zij veroorzaakt namelijk een deel

van het broeikaseffect. De uitstraling van ver-infrarode

straling is isotropisch en heeft dezelfde spectrale

samenstelling als een zwart lichaam. Hiervoor geldt

de wet van Max Planck. Een zwart lichaam emitteert

energie met een spectrale verdeling over de golflengtes

afhankelijk van de tempe ratuur van het lichaam. Het

maximum ligt bij 10 µm bij een temperatuur van 293K.

Voordat de solaire straling de aarde bereikt, wordt deze

door verschillende effecten in de atmosfeer van de

aarde gereduceerd.

- Verstrooiing door luchtmoleculen

(Rayleigh-verstrooiing).

- Verstrooiing en absorptie door stofdeeltjes en

waterdruppels (Mie-verstrooiing). Verstrooiing

verandert per seizoen. De verstrooiing is maximaal

op warme, troebele zomerdagen en minimaal

op koude, heldere winterdagen. Het diffuse

aandeel van de globale straling neemt toe met

toenemende Mie-verstrooiing.

- Absorptie door ozon, waterdamp en andere

atmosferische gassen. De belangrijkste

uv-absorbeerders zijn ozon, SO2 en NO2. Straling

met golflengtes beneden de 300 nm wordt door

de ozonlaag volledig geabsorbeerd. Door waterdamp

(723 nm) en zuurstof (688 nm en 762 nm)

worden aanzienlijke delen van de rode (600 tot

700 nm) en ver-rode straling (700 tot 800 nm)

geabsorbeerd. Door CO2 worden delen van de

warmtestraling (> 3.000 nm) geabsorbeerd.

55


56


Globale straling

Nadat de zonnestraling is gefilterd door de atmosfeer

van de aarde blijft de zogenaamde globale straling over.

Globale straling bestaat uit een direct en een diffuus

stralingsaandeel. In de grafiek wordt een typisch verloop

van de globale straling in Nederland weergegeven (SELjaar

gebaseerd op gegevens van het KNMI). Volgens het

KNMI is de jaarlijkse stralingssom van de globale straling in

Nederland gemiddeld over de jaren 1971 tot 2000 1.027.777

Wh m-2 a-1. De stralingssom is gemiddeld ca. 600 Wh m-2

d-1 (2.770 µmol m-2) in de winter en ca. 4.500 Wh m-2 d-1

(20.730 µmol m-2) in de zomer. De gemiddelde straling over

de lichte uren is rond de 270 Wm-2 in de zomer (1.250 µmol

m-2 s-1) en rond de 70 W m-2 (320 µmol m-2 s-1) in de winter.

De gemiddelde maximale straling ligt rond de 2 keer hoger

dan de gemiddelde straling tijdens de lichte uren, in de

winter is dit zelfs 3 keer hoger. Het absolute maximum ligt

in de zomer rond de 880 Wm-2 (4.030 µmol m-2 s-1) en in

de winter rond de 350 Wm-2 (1.600 µmol m-2 s-1). Rond 50%

van de globale straling ligt in het PAR-gebied en 50% in het

NIR-gebied van het spectrum.

De globale straling verandert door een aantal parameters,

namelijk de zonnestand, de geografische breedte,

het seizoen, het tijdstip van de dag en de mate van

bewolking. CIE 85 (1989) geeft een overzicht van de

intensiteit en de samenstelling van de globale straling

afhankelijk van de verschillende parameters.

De gemiddelde stralingssommen per maand in Nederland

worden weergegeven in de hierna volgende grafiek. Per

jaar komt er in Nederland gemiddeld 3.650 MJ/m2 aan

globale straling binnen, waarbij opgemerkt dat de stralingssommen

in de afgelopen jaren een stuk hoger zijn geweest.

Globale stralingssommen

per maand in Nederland

Globale stralingssom [Mj/m2]

Bron: wiki.groenkennisnet.nl/KNMI

Jaarlijkse gemiddelde globale stralingssom (in J cm -2 )

voor Nederland afgeleid uit pyranometer metingen:

klimatologie over de periode 1970 t/m 2000

380 000

600

500

400

300

200

100

0

70

135

jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec

370 000

375 000

360 000

375 000 365 000

370 000

246

365 000

390

512

360 000

345 000

529 525

350 000

355 000

355 000

Bron: Globale stralingsmeting vanuit de ruimte met de huidige generatie METEOSAT,

Hartwig Deneke, Robert Roebeling, Erwin Wolters en Arnout Feijt (KNMI)

De spectrale verdeling van de globale straling varieert onder

verschillende omstandigheden. Door de ozonlaag in de

atmosfeer wordt de straling beneden de 300 nm volledig

geabsorbeerd. De dikte van deze ozonlaag neemt toe

wanneer de geografische breedtegraad toeneemt, waardoor

de uv-straling afneemt. In de loop van het jaar neemt

de uv-stralingsintensiteit toe. Zo is het aandeel uv-straling

463

350 000

345 000

309

191

joule per cm2

85

55

340 000 - 345 000

345 000 - 350 000

350 000 - 355 000

355 000 - 360 000

360 000 - 365 000

365 000 - 370 000

370 000 - 375 000

375 000 - 380 000

380 000 - 385 000

57


(300 tot 400 nm) onder een hogere zonnestand tijdens

de zomermaanden, absoluut en relatief gezien, hoger dan

onder een lagere zonnestand tijdens de wintermaanden.

Daglengte

Als gevolg van de schuine stand van de aardas in

verhouding tot het ecliptische vlak waarin de aarde om

de zon draait is de daglengte gedurende een jaar nooit

constant. Tijdens het solstitium, dat tussen 20 en 22

juni plaatsvindt, staat de aarde met de noordpool het

dichtst bij de zon en varieert de daglengte bijgevolg op

het noordelijk halfrond van iets meer dan 12 uur ten

zuiden van de Kreeftskeerkring tot 24 uur binnen de

noordpoolcirkel. In deze tijd van het jaar gaat de zon

dus binnen de noordpoolcirkel helemaal niet onder.

Anders dan bij de uv-straling is het aandeel NIR-straling

(800 tot 3.000 nm) relatief gezien bij een lagere

zonnestand groter en bij een hogere zonnestand kleiner.

Het aandeel NIR-straling neemt relatief gezien af met

een toenemende bewolking.

Door de Rayleigh-verstrooiing in de atmosfeer neemt het

aandeel blauwe straling toe. Met een hogere zonnestand,

dus in de zomermaanden, neemt de stralingsintensiteit

van de blauwe straling toe. Door toenemende bewolking

neemt de diffuse straling en zo ook het aandeel blauwe

straling toe. Door toenemende Mie-verstrooiing door

stofdeeltjes en waterdamp in de lucht neemt het

aandeel blauwe straling juist af. Aan het einde van de

dag, in de schemering (zonnestand beneden de 10º),

neemt de Rayleigh-verstrooiing toe en neemt relatief

gezien ook het aandeel blauwe straling toe (Smith, 1982).

Op het zuidelijk halfrond staat de zon dan iets minder

dan 12 uur per etmaal aan de hemel in het gebied ten

noorden van de Steenbokskeerkring, terwijl binnen de

zuidpoolcirkel de zon op dat moment helemaal niet

boven de horizon uitkomt. Tijdens de herfstequinox, die

op 22 of 23 september plaatsheeft, staat geen van beide

polen dichter bij de zon dan de andere, met als gevolg

dat de zon op alle delen van de aarde binnen dat ene

etmaal vrijwel even lang wel en niet aan de hemel staat.

Tijdens het solstitium, dat tussen 20 en 22 december

plaatsheeft, staat de aarde met de zuidpool het dichtst

bij de zon. Hierdoor varieert op dat moment de daglengte

op het zuidelijk halfrond van iets meer dan 12 uur in het

gebied ten noorden van de Steenbokskeerkring tot 24 uur

binnen de zuidpoolcirkel. Op het noordelijk halfrond staat

de zon dan iets minder dan 12 uur per etmaal aan de

hemel in het gebied ten zuiden van de Kreeftskeerkring,

en binnen de noordpoolcirkel komt de zon dan helemaal

niet boven de horizon uit.

58


59


Daglengte - verlichting van de aarde op 21 juni

Lengte van dag en nacht afhankelijk van de breedtegraad

kreeftskeerkring 23,5º NB

evenaar

steenbokskeerkring

23,5º ZB

noordpoolcirkel 66,5º NB

Ecliptica

E≈23,44º

N

6 maanden (pooldag)

24 uur

13½ uur

(zon in het zenit)

noordpool

poolcirkel

keerkring

evenaar

21-3

dag -

nacht

dagen lengen

21-6 21-9 21-12 21-3

zon 24 uur/dag op

dag

max

dag -

nacht

dagen korten

zon 24 uur/dag onder

dag

min

dagen lengen

dag - nacht dag - nacht dag - nacht

dag -

nacht

zuidpoolcirkel 66,5º ZB

poolnacht (6 maanden)

Z

0 uur

10½ uur

12 uur

Daglengte

keerkring

poolcirkel

zuidpool

dag -

nacht

dagen korten

dag

min

zon 24 uur/dag onder

dag -

nacht

dagen lengen

dag

max

zon 24 uur/dag op

dagen korten

dag -

nacht

Bron: Wikipedia

Bron: Wikipedia

Op elk van beide halfronden is de daglengte in de winter

korter naarmate de breedtegraad groter is. Tussen het

zomer- en het wintersolstitium neemt de daglengte

altijd toe en daartussen neemt zij af. Bovendien gaat

de toe- of afname sneller in de buurt van de equinox en

naarmate de breedtegraad groter is. Als gevolg hiervan

duurt zowel op het noordelijk als op het zuidelijk halfrond

zonnetijd de verschuivingen in de zonsopgang meestal

niet gelijk aan die in de zonsondergang. De daglengte

hangt namelijk niet het sterkst samen met de siderische

dag, de rotatie van de aarde om haar as in 23 uur, 56

minuten en 4 seconden, maar met de synodische dag

van gemiddeld 24 uur waarin ook de rotatie van de aarde

rond de zon meespeelt.

op een breedte van 60 graden de dag slechts zeer kort

tijdens en vlak voor of na het wintersolstitium, terwijl

gedurende de lente-equinox de daglengte overal, behalve

op de polen, ongeveer 12 uur is. Op een breedte van 20

graden is de daglengte ten tijde van het wintersolstitium

aanmerkelijk langer; ook gaat de toe- of afname van de

daglengte vlak voor of na het solstitium hier minder snel.

Hetzelfde geldt in omgekeerde richting voor de tijd per

Per etmaal verschuiven de tijden van zonsopgang en

zonsondergang in Nederland elk maximaal ongeveer

twee minuten (afgezien van de sprongen van een uur

door de wisseling tussen zomer- en wintertijd), waardoor

de tijd ertussen per etmaal maximaal ongeveer vier

minuten verandert. De veranderingen zijn heel klein in

december en juni.

etmaal waarin de zon op de verschillende breedtegraden

niet boven de horizon uitkomt tijdens en vlak voor of na

het zomersolstitium en tijdens de herfst-equinox.

De tijd van zonsopgang (in de stad Utrecht, 2021) varieert

van 5.18 uur (zomertijd) tot 8.48 uur (wintertijd), die van

zonsondergang van 16.27 uur (wintertijd) tot 22.04 uur

Ten gevolge van de tijdsvereffening, het effect van de

verandering in de omloopsnelheid van de aarde gedurende

het jaar, zijn gemeten naar de kloktijd in plaats van de

(zomertijd). De verandering gaat bij elk om ongeveer

4,5 uur aan kleine stappen, min een uur door de wisseling

tussen zomer- en wintertijd.

60


Daglengte als functie van de geografische breedte

90

75

24 uur pooldag

60

45

Geografische breedte (º)

30

15

0

-15

-30

-45

-60

-75

24 uur poolnacht

-90

30 60 90 120 150 180 210 240 270 300 330 360

Juliaanse Dag

Bron: Wikipedia

De tijd waarop de zon op een dag op zijn hoogst staat

varieert van 12.23 uur tot 12.54 uur (wintertijd) en van

13.36 uur tot 13.46 uur (zomertijd).

De daglengte is belangrijk voor planten en geeft de duur

waarin straling beschikbaar is voor de plant. De daglengte

varieert afhankelijk van het seizoen en de geografische

breedte. De daglengte inclusief schemering is dicht bij de

evenaar (geografische breedte 0º) het hele jaar vrijwel

constant, ongeveer 13 uur. In Oslo (geografische breedte

60º) bedraagt de daglengte meer dan 22 uur in de

zomer en minder dan 8 uur in de winter. Het verschil in

geo grafische breedte in Nederland is klein, de meeste

tuinbouwgebieden liggen hier op ongeveer 52º. De langste

dag is rond de 16,5 uur, de kortste dag minder dan 8 uur.

De daglengte is niet alleen belangrijk voor de hoeveelheid

straling die planten kunnen benutten voor

de fotosynthese. Zij is vooral belangrijk voor alle

fotoperiodische processen in de plant. Fotoperiodisme is

de reactie van planten op de relatieve lengte van dag- en

nachtfases in een 24 uurscyclus.

De samenvatting van het voorgaande op hoofdlijnen:

- Globale straling bestaat uit een directe straling en

een aandeel diffuse straling.

- De globale straling verandert qua intensiteit en

spectrum door een aantal parameters: de

zonnestand, de geografische breedte, het seizoen,

het tijdstip van de dag en de mate van bewolking.

Dit is van belang omdat de uitkomsten van het

rekenmodel dat in dit boek wordt beschreven dus

afhangen van het land waarvoor de berekeningen

worden gemaakt. De theorie is overal van

toepassing, de uitkomsten van de berekeningen

volgens het model variëren.

- Daglicht is de combinatie van al het licht dat

overdag direct of indirect van de zon komt.

Van alle zonne-energie die het aardoppervlak

bereikt is 40% zichtbare straling. De rest

bestaat uit ultraviolet (uv) of infrarood (ir) licht.

De hoeveelheid daglicht is verschil lend op

verschillende plaatsen en tijdstippen, afhankelijk

van veranderingen in de stand van de zon en het

weer gedurende de dag, het seizoen en het jaar.

61


62


63


Simpel gezegd: de hoeveelheid licht op de grond

is afhankelijk van de hoogte van de zon (des te

hoger de zon, des te meer licht op de grond).

Niveaus van daglicht verschillen duidelijk tussen

horizontale en verticale oppervlakten en verschillende

tijdstippen en seizoenen. Ze staan in direct verband met

lokale zonnebogen en weerscondities.

- Hoewel elektrische lichtbronnen een bepaald

spectrum van het daglicht heel dicht kunnen

benaderen, zijn er nog geen lichtbronnen

ontwikkeld die de variaties kunnen nabootsen die

voorkomen in het spectrum van het licht op verschillende

tijdstippen, in verschillende seizoenen

en bij verschillende weersomstandigheden.

- Het stralingsspectrum van de globale straling

bestaat uit uv B (300 tot 315 nm), uv A (315 tot

400 nm), PAR (400 tot 700 nm) en NIR (700

tot 3.000 nm); straling boven de 3.000 nm is

warmtestraling (FIR). De daglengte varieert in

Nederland van rond de 8 uur in de winter tot

16,5 uur in de zomer.

Daglichtsystemen

Daglichtsystemen maken het mogelijk om natuurlijk

licht gericht te gebruiken in en rondom gebouwen. Dit

wordt bewerkstelligd door het plaatsen van vensters of

andere transparante materialen en weerspiegelende

oppervlakten, zodanig dat het natuurlijke licht gedurende

de dag voor efficiënte interne verlichting zorgt. Om

een daglichtsysteem goed te laten werken moeten er

specifieke overwegingen worden gemaakt tijdens alle

fasen van het ontwerp proces van een gebouw: van

locatieplanning tot architectonische vormgeving tot

interieur- en lichtontwerp. Het daglicht in gebouwen

bestaat uit een mengsel van factoren: direct zonlicht,

diffuus hemellicht en licht dat door de grond en de

omringende elementen wordt weerkaatst. Het ontwerp

van een daglichtsysteem moet rekening houden met

de ligging en specifieke kenmerken van het bouwterrein,

de kenmerken van de gevel en het dak, het formaat

en de plaatsing van vensteropeningen, beglazing en

zonwering, evenals de geometrie en reflectiecoëfficiënt

van opper vlaktes in het interieur. Een goed ontwerp

van een daglichtsysteem zorgt de hele dag voor

voldoende daglicht.

Een aantal basiskenmerken van daglicht in de openlucht:

- Direct zonlicht is zeer intens en constant in

beweging. De hoeveelheid licht die hierdoor

ontstaat op het aardoppervlak kan oplopen tot

meer dan 100.000 lux. De helderheid van direct

zonlicht wisselt per seizoen, per tijdstip, per locatie

en per weersomstandigheid. In zonnige klimaten is

een goed doordachte architectonische vormgeving

nodig met zorgvuldig beheer van toelating,

verspreiding, wering en weerkaatsing van zonlicht.

- Hemellicht is zonlicht dat verspreid is door de

atmos feer en de wolken, resulterend in zacht,

diffuus licht. De lichtsterkte die door een donkere

hemel wordt afgegeven kan oplopen tot 10.000

lux in de winter en tot 30.000 lux op een zonnige

zomerdag met veel bewolking. In bewolkte

klimaten is het diffuse hemel licht vaak de

belangrijkste bron van bruikbaar daglicht.

64


- Weerkaatst licht is licht (afkomstig van zowel

zonlicht als hemellicht) dat door de omgeving

wordt gereflecteerd: door de bodem, bomen,

vegetatie, naastgelegen gebouwen, enzovoorts.

De reflectiecoëfficiënt van het oppervlak van

de omgeving beïnvloedt de totale hoeveelheid

licht die op de gevel van een gebouw valt. In

sommige dichtbebouwde omgevingen kan het

licht dat door de grond en de omgeving wordt

weerkaatst een belangrijke bijdrage leveren aan

daglichtvoorzieningen in het gebouw.

De doelstellingen van een daglichtsysteem voor een

ruimte zijn goede verlichting voor visuele taken, het

creëren van een visueel aantrekkelijke omgeving,

besparing van stroom en voorziening van licht voor

biologische behoeften van het menselijk lichaam.

Een goed verlichte omgeving is gelijktijdig comfortabel,

prettig, relevant en geschikt voor zowel het beoogde

gebruik als voor de gebruikers van de ruimte zelf.

Daglichtsystemen kunnen eenvoudig zijn: van het

combineren van een vensterontwerp met passende

interne en externe zonwering tot volledige systemen die

zijn ontworpen om zonlicht of hemellicht naar plekken

te sturen waar het nodig is. Geavanceerdere systemen

kunnen worden ontworpen om de zon te volgen of

om passief de richting van zonlicht en hemellicht te

sturen. Daglichtsystemen zijn onlosmakelijk verbonden

met de energiebehoefte van een gebouw en met het

binnenklimaat. Het formaat en de plaatsing van de

beglazing moeten bepaald worden in samenhang

met het totale energieverbruik van een gebouw en de

specifieke vereisten voor een daglichtsysteem.

Beschikbaarheid van daglicht

Het primaire doel van daglichtsystemen voor gebouwen

is doorgaans het leveren van voldoende licht in de ruimte

en op de werkplek, op zo'n manier dat daglicht de belangrijkste

(of de enige) bron van licht is gedurende de dag. Er

zijn verscheidene maatstaven voor de beschikbaarheid

van daglicht voor taken en/of ruimten. Een belangrijk

aspect van daglicht waar men zich bewust van dient te

zijn is dat daglicht veranderlijk is: het varieert per seizoen,

per tijdstip en per weersomstandigheid. Daarom zijn de

maatstaven voor de berekening van de beschikbaarheid

van daglicht vaker gebaseerd op relatieve dan op absolute

waarden. Ze worden gewoonlijk gedefinieerd in termen van

het verband tussen het beschikbare licht op verschillende

plekken in het gebouw ten opzichte van het beschikbare

licht buiten (bijvoorbeeld de daglichtfactor, ofwel DF).

De absolute verlichtingssterkte die nodig is bij een

specifieke visuele taak hangt af van de aard van de taak

en de visuele omgeving waarin die wordt uitgevoerd. Zo

adviseert de Chartered Institution of Building Services

Engineers (CIBSE) bijvoorbeeld de volgende lichtsterktes.

- 100 lux voor interieurs waarin bij de visuele taken

bewogen dient te worden, maar waar details niet

duidelijk zichtbaar hoeven te zijn.

- 300 lux voor interieurs waarin vrij eenvoudige

visuele taken worden uitgevoerd.

- 500 lux voor interieurs waarin redelijk complexe

visuele taken worden uitgevoerd en een goed

onderscheid tussen kleuren nodig kan zijn

(bijvoor beeld in het doorsnee kantoor of in keukens).

- 1.000 lux voor interieurs waarin zeer complexe

visuele taken worden uitgevoerd, waarbij ook

kleine details zichtbaar dienen te zijn.

65


66


Uitzicht

Een belangrijk psychologisch aspect met betrekking

tot daglichtsystemen is dat er voldaan wordt aan

de behoefte aan contact met de buitenwereld. Het

leveren van daglicht op zich voldoet nog niet aan de

behoefte aan uitzicht. Ramen bieden een contact met de

buitenwereld, helpen bij de oriëntatie, laten zien als het

weer verandert en maken het mogelijk om het verloop

van de tijd gedurende de dag te volgen.

Uitzicht op stroken lucht, stad of landschap helpt

om vermoeiende monotonie te doorbreken en verzacht

het gevoel opgesloten te zitten. De ooghoogte van

de gebruikers van een gebouw is van belang bij een

doordachte keuze voor de formaten en posities van

venstersystemen.

Om in Nederland een ruimte in huis of in een kantoor

volgens het Bouwbesluit tot een verblijfsruimte

te maken, moet er sprake zijn van voldoende

daglichttoetreding. De norm hiervoor is vastgelegd in

het Bouwbesluit (NEN 2057). Het Bouwbesluit heeft als

vuistregel dat het glasoppervlak minimaal 10% van het

beloopbare vloeroppervlak (2,6 m hoog) moet beslaan.

Bij gebrek aan daglicht is kunstlicht een alternatief. Dit

ontstaat door het omzetten van (elektrische) energie

in zichtbaar licht (bijvoorbeeld gloeilamp, fluorescentielamp,

ledlamp etc.) De CIE-standaard die het complete

daglichtspectrum nabootst heet lichtbron D65.

Daglichtsimulatie wordt onder andere gebruikt in de

veeteelt, tuinbouw en in verpleeginstellingen. Medio 2015

is WVO Zorg in verpleeghuis Ter Reede Vondellaan gestart

met een onderzoek naar hoe cliënten reageren op

daglichtsimulatie in de huiskamers van het verpleeghuis.

Het onderzoek is uitgevoerd samen met het University

College Roosevelt.

Mensen met dementie vertonen gedragsproblemen

(angst, verwarring, apathie) en slaapproblemen

(sundowning, overdag slapen, onrustig in de nacht). Deze

problemen hebben effect op het welbevinden van de

cliënt en beïnvloeden het werk van de zorgmedewerkers.

Gedrags- en slaapproblemen kunnen (deels) veroorzaakt

worden door een verstoring in het dag-en-nachtritme

van de cliënt. Onderzocht is wat het effect is van het

naar binnen brengen van daglicht op het gedrag van

cliënten, op hun slaap en hun dag-en-nachtritme.

De huiskamers van verpleeghuis Ter Reede Vondellaan

zijn daarom allemaal uitgerust met zogenaamde

daglichtlampen. De lichtintensiteit vóór het aanbrengen

van het daglicht varieerde tussen de 50 en 200 lux. Ná

het aanbrengen van het daglicht is de lichtwaarde in de

woonkamer ca. 1.300 lux. Een aanzienlijk verschil dus.

In het onderzoek zijn metingen gedaan vóór en ná het

aanbrengen van het daglicht.

Het activiteitenpatroon van de cliënten is gemeten met

behulp van een zogenaamde FITBIT-activiteitentracker.

We zien dan een aanzienlijk verschil vóór en ná het

aanbrengen van het daglicht. In de ochtend en de

middag zien we dat de cliënten duidelijk actiever

geworden zijn na het aanbrengen van het daglicht. In

de avond en de nacht zien we juist een afname van de

activiteit, de momenten van rust. Geconcludeerd kan

worden dat het daglicht een positief effect heeft op de

activiteit van de cliënten.

67


Vervolgens werd ook de slaapefficiency van de bewoners gemeten. Ook nu

weer vóór en ná het aanbrengen van het daglicht. We zien dat de slaapefficiency

gedurende de nacht van 86% vóór het aanbrengen van het

daglicht aanzienlijk is toegenomen tot 92% ná het aanbrengen van het

daglicht. De getallen geven een gemiddelde voor alle bewoners, inclusief

mensen zonder problemen. Zowel van bewoners die al goed sliepen alsook

van bewoners met een verstoord dag-en-nachtritme. Als we inzoomen

op bewoners met een verstoord dag-en-nachtritme zien we juist bij

hen een heel grote verbetering in de slaapefficiency. Conclusie is dat

lichttherapie (daglicht) een positief effect heeft op de slaapefficiency.

Er werd ook onderzoek gedaan naar het effect van het daglicht op het

gedrag van cliënten. We zien dan dat de score op affect (de maat voor

angst en stemming) na het aanbrengen van het daglicht significant

verbeterd is. Verder zien we een trend die erop duidt dat de cognitie

verbetert. Met andere woorden, het daglicht heeft een positief effect

op het gedrag van cliënten. Dit beeld zien we trouwens ook in de

daglicht projecten in de verpleeghuizen Willibrord en Picassoplein. Een

buiten gewoon mooi resultaat is dat na het aanbrengen van het daglicht

het aantal valpartijen in de huiskamers tot nagenoeg nul is gereduceerd.

68


69


KLEUREN

Alles wat een individu visueel waarneemt dat niet te maken heeft met zijn of haar perceptie van vorm,

grootte, oppervlaktetextuur, toon en beweging van objecten, kan 'kleur' worden genoemd.

Sommige stoffen, zoals zuurstof, zijn kleurloos. Om kleur

waar te nemen of een gevoel van kleur te veroorzaken,

moet aan voorwaarden worden voldaan. Licht (een vorm

van elektromagnetische straling) van een bepaalde

golflengte moet worden uitgezonden of gereflecteerd door

een object. De golflengte bepaalt of de kleur groen, rood

of blauw is of een combinatie hiervan. Alleen ingeval de

mens of het wezen een goed functionerend fysiologisch

systeem heeft, kunnen kleuren worden waargenomen.

Kleur kan alleen worden waargenomen door de

aanwezigheid van licht. De meeste lichtbronnen

produceren verschillende lichtgolfcombinaties. Visueel

licht bestaat uit een breed scala van verschillende

kleuren die kunnen worden gezien door een prisma te

gebruiken. Met een prisma kan men licht splitsen in de

samenstellende kleuren. Het kleurenbereik wordt wel

het "spectrum" genoemd en de kleuren, elk met een

andere golflengte, zijn altijd in dezelfde volgorde, van

rood aan het ene uiteinde via oranje, geel, groen, blauw

en indigo tot violet aan het andere uiteinde. Rood wordt

geassocieerd met lange golven, groen met middellange

golven en blauw met korte golven.

70


380

V B G Y O R

450

495

570

590

620

750

Color Wavelength Frequency Photon energy

violet 380 - 450 nm 668 - 789 THz 2.75 - 3.26 eV

blue 450 - 495 nm 606 - 668 THz 2.50 - 2.75 eV

green 495 - 570 nm 526 - 606 THz 2.17 - 2.50 eV

yellow 570 - 590 nm 508 - 526 THz 2.10 - 2.17 eV

orange 590 - 620 nm 484 - 508 THz 2.00 - 2.10 eV

red 620 - 750 nm 400 - 484 THz 1.65 - 2.00 eV

Bron: quora.com

Kosmische

straling

Röntgenstraling

Ultravioletstraling

Zichtbaar

spectrum

Infrarood

Radar

Radio

1 x tot 100 pm

100 pm tot 1 nm

1 nm tot 380 nm

380 nm tot 700 nm

700 nm tot 1 mm

1 mm tot 30 cm

30 cm tot 100 m

380 nm

Violet

380 nm

Violet

380 nm

Violet

380 nm

Violet

380 nm

Violet

380 nm

Violet

380 nm

Violet

Het zichtbare kleurenspectrum

Bron: marijkevanloon.nl

Bron: Wikipedia

71


In werkelijkheid zijn heel veel verschillende kleuren in het spectrale bereik omdat het bereik naadloos

is en de ene kleur geleidelijk overgaat in de andere. Elke kleur heeft zijn eigen golflengte van licht die

het menselijk oog stimuleert om de verschillende kleursensaties te produceren.

Als we zeggen dat een sinaasappel oranje is, zou het nauwkeuriger zijn om te zeggen dat een gevoel

van oranje wordt gegenereerd door een gebied van het netvlies (aan de achterkant van het oog) dat

overeenkomt met waar lichtstralen van de sinaasappel worden ontvangen.

Anatomie van het oog

Netvlies (retina)

Straalachtig lichaam

Vaatvlies

Hoornvlies

Oogzenuw

Iris

Lens

Blinde vlek

Harde oogrok (sclera)

Glasachtig lichaam

© Oogfonds

Bron: oogfonds.nl

Wit licht bevat drie primaire kleuren: rood, groen en blauw. Deze kleuren zijn "primair" omdat het

kleuren op zichzelf zijn en zij niet kunnen worden gerepliceerd door andere kleuren (licht) te mengen.

Wanneer de drie opnieuw worden gecombineerd, leveren ze wit licht op, een proces dat "additive color"

wordt genoemd en dat bijvoorbeeld wordt gebruikt in projectoren en computerschermen.

Ze kunnen worden gecombineerd om elke andere kleur te creëren en worden ook wel "spectrale"

kleuren genoemd.

In pigmenten, kleurstoffen en inkten komen die primaire kleuren bijna altijd terug. Ze kunnen worden

gemengd om een andere kleur te produceren en staan bekend als subtractieve primaire kleuren omdat

elke kleur die een combinatie is het resultaat is van het aftrekken (of absorberen) van wit licht, gedeeltelijk

of volledig . Deze eigenschappen worden gebruikt door schilders en drukkers. Als alle drie de kleuren

worden gemengd, wordt een zwarte kleur gemaakt.

72


73


74


4

DAGLICHTTOETREDING IN GEBOUWEN

75


DE SCHIL VAN EEN GEBOUW

Het concept van de schil van een gebouw houdt verband met het ontwerp en de constructie van

de buiten zijde van een gebouw. Kernelementen voor het ontwerpen van een goede buitenschil voor

een gebouw zijn het gebruik van constructieve gevel- en dakmaterialen, het rekening houden met

invloeden van het klimaat en het in aanmerking nemen van esthetische elementen (vorm, kleur,

materiaalgebruik en afwerking). Tot de schil van het gebouw worden gerekend: het dak, de wanden,

eventuele verdiepingen alsmede deuren en ramen.

De schil van een gebouw laat al dan niet het toetreden

en afgeven van lucht en licht toe, hetgeen ook verband

houdt met het gewenste binnenmilieu in een gebouw.

De gebruikte bouwmaterialen staan onder invloed van

technologische vooruitgang en stellen de gebruikers

van het gebouw in toenemende mate in staat gebruik te

maken van de omgeving om de omstandigheden binnen

het gebouw te beïnvloeden.

De wanden van een gebouw hebben naast een scheidingsfunctie

ook een constructieve functie. Samen met

eventuele verdiepingsvloeren geven zij stevigheid aan het

gebouw en dragen zij het dak. Vanwege comfort binnen het

gebouw dient in het ontwerp van de schil van een gebouw

rekening te worden gehouden met een aantal bepalende

aspecten, zoals ventilatie, vocht, lichtinval en temperatuur.

Al deze aspecten zijn bepalend voor het welzijn en

welbevinden van de gebruikers van het gebouw.

In het algemeen kan gesteld worden dat de schil van

een gebouw dynamisch is en dus kan reageren op

veranderende omgevingsfactoren. Daarmee draagt de

schil niet alleen in hoge mate bij aan de gezondheid en

het welbevinden van de mensen in het gebouw, maar

herbergt de schil van een gebouw ook mogelijkheden

het gebouw efficiënter te maken.

Gevel

De gevel van een gebouw is de zichtbare buitenzijde die

bestaat uit een voor- en achtergevel alsmede de zijgevels.

Veelgebruikte materialen voor de gevel(bekleding) zijn

steen, hout, glas en metaal. Als er sprake is van een

belangrijke, toonaangevende gevel, dan wordt ook wel

gesproken van een façade. Het onderste deel van de

gevel noemt men de pui, die in veel gevallen afwijkt van

de rest van de gevel, niet in de laatste plaats vanwege

het feit dat de onderzijde van de gevel een extra functie

heeft: de toegang tot het gebouw.

De architectuur van een gevel wordt bepaald door de

vorm, de toegepaste materialen, de plaats, grootte

en vorm van de openingen (ramen en deuren) en de

aanwezigheid van andere vormbepalende elementen.

De gevel heeft een aantal functies, onafhankelijk van

de bestemming van het gebouw:

- Een isolerende werking ten aanzien van

temperatuur en geluid.

- Als afdichting voor (in)watering en vochtregulatie.

- Het reguleren of stoppen van daglichttoetreding,

zonwering.

- De krachtenafdracht van buiten, van binnen en

eigen gewicht.

- Het zicht en visuele effecten.

76


- Het verschaffen van toegang of afsluiten.

- De verschijning: imago, beeld, cultuur en architectuur.

Afhankelijk van de bestemming van het gebouw en de

omgeving waarin het gebouw zich bevindt, zijn er eisen

met betrekking tot de krachten op de gevel. Die eisen

hebben te maken met voorschriften, kosten, materialen

en dergelijke, en kunnen per land behoorlijk verschillen.

De EPBD vereist dat alle nieuwbouw in 2030 (bijna)

energieneutraal is. Wetenschappers zijn het erover eens

dat het voldoen aan deze vereiste alleen mogelijk is door

het optimaliseren van de bouwschil.

Dat geeft ook de mogelijkheid de verwarmings- en

koelinstallaties in het gebouw dienovereenkomstig te

dimensioneren, hetgeen een gunstige uitwerking heeft

op de bouw- en exploitatiekosten van het gebouw.

Daglicht

Medebepalend voor het comfort en welbevinden van

mensen in een gebouw zijn:

- het thermisch comfort;

- de daglichttoetreding;

- het visuele comfort en het contact met de

buitenwereld.

Openingen in de gevel maken de gebouwschil voor een

deel transparant. In het algemeen hebben openingen

twee functies: daglicht toe laten treden (ramen) en

toegang verschaffen tot het gebouw (deuren). Zonwering

maakt samen met de beglazing en de daarbij behorende

profielen onderdeel uit van het transparante deel van

de gebouwschil.

Het wekt geen verwondering dat glasoppervlakken een

belangrijke rol spelen in de schil van een gebouw,

aangezien juist op die plaatsen de transmissie van licht

en warmte het grootst is. Het niveau van transmissie

varieert door het hele jaar heen.

De inspanningen om te komen tot een betere energieprestatie

van gebouwen richten zich derhalve met

verve op betere isolatie en het beheersen van energietransmissie

door glasoppervlakken. Zonwering is in dit

verband niet weg denken uit het ontwerp van een

gebouw en dient dan ook in een vroegtijdig stadium te

worden geïntegreerd in het ontwerp.

Thermisch comfort

Bij thermisch comfort gaat het om het "warm of koud

hebben", tocht en het ongemak van koude vloeren.

Het gaat om de gevoelstemperatuur in een gebouw.

Er zijn diverse factoren die bepalend zijn voor het

thermische comfort, zoals het buitenklimaat (wind,

zon en temperatuur), de isolatie van het gebouw, de

glasoppervlakken en de capaciteit en de kwaliteit van

verwarmings-, koel- en ventilatiesystemen in een gebouw.

Duurzaam thermisch comfort kan in het algemeen het

best bereikt worden in concepten voor gebouwschillen

met variabele thermische lichtdoorlatende eigenschappen.

Gebouwen kunnen zich daarmee het beste

aanpassen aan veranderende binnen- en buitencondities,

afhankelijk van de gebruiksfuncties van het gebouw. In

de gebouwschil gaat de beoogde verbetering van visuele

en thermische kwaliteit idealiter samen met een

substantiële reductie van energieverbruik voor verwarming,

koeling, verversing van de lucht en verlichting.

77


Uit onderzoeken naar thermisch comfort blijkt onder

andere dat:

- Mensen wennen aan de gemiddelde thermische

omstandigheden waaraan ze worden blootgesteld.

- Comforttemperaturen dus variabel zijn.

- Er niet een bepaalde temperatuur is waarbij iedereen

zich comfortabel voelt, mits de temperatuur

zich maar begeeft tussen de 17 °C en 30 °C,

afhankelijk van sociale en culturele gebruiken.

- Mensen geen passieve ontvangers zijn van

een thermische omgeving, maar voortdurend

interacteren met hun omgeving. Bij discomfort

volgen corrigerende acties, zoals bijvoorbeeld het

hoger of lager zetten van de verwarming.

- Er verschillende vormen zijn van adaptie in geval

van discomfort: het beïnvloeden van de omgeving

(ramen openen, zonwering gebruiken), gedragsmatige

adaptie (kleding aan/uit of aanpassing van

het type kleding) en psychologische adaptie.

- Prestaties van mensen een vermindering vertonen

van 10% of meer zodra de temperatuur in een

gebouw tot boven de 30 °C stijgt of daalt tot onder

de 15 °C.

Thermisch comfort wordt bereikt door de temperatuur

binnen een bepaalde bandbreedte te laten variëren

met de buitentemperatuur. Een natuurlijk geventileerde

omgeving waarin gebruikers zelf kunnen ingrijpen

vormt een normale gezonde belasting voor het

menselijk lichaam. Gebruikers dienen zoveel mogelijk

opties te hebben om comforttemperatuur en

omgevingstemperatuur met elkaar in evenwicht te

brengen, zoals ramen die open kunnen, dynamische

zonwering en ventilatie.

Daglichttoetreding

Het menselijk lichaam gebruikt daglicht op dezelfde

wijze als water en voedsel: als grondstof voor

metabolische processen.

Uit onderzoek blijkt een direct verband tussen

welbevinden en de aanwezigheid van daglichttoetreding

op plaatsen waar mensen vertoeven in een gebouw.

Een paar wetenswaardigheden uit verschillende

wetenschappelijke onderzoeken:

- Daglichttoetreding in ruimtes waar gewerkt wordt

vermindert het ziekteverzuim (tot een verbetering

van 6,5 procentpunt) en bevordert een goede

nachtrust (meer dan 45 minuten langer slapen).

- Door daglichttoetreding zijn mensen circa 18%

productiever op hun werk en is de verkoop in de

detailhandel 15 tot 40% hoger.

- Maximaal gebruik van daglicht met minimale

weerkaatsing geeft gemiddeld 4% verbetering

van productiviteit.

- Directe toetreding van (overmatig) zonlicht in

schoolklassen, met name door onbeschermde

oost- en zuidgevels, vermindert de prestaties

van leerlingen met 20 tot 25%.

- Studenten halen door daglichttoetreding

5 tot 14% hogere resultaten voor examens en leren

20 tot 26% sneller.

Visueel comfort en contact met de buitenwereld

Het visuele comfort wordt bepaald door de absolute

hoeveelheid licht en de luminantieverhoudingen binnen

het gezichtsveld. Luminantie is de fysische grootheid die

in het dagelijks leven “helderheid” wordt genoemd. Een

belangrijk aspect is weerkaatsing of schittering.

78


Het weerkaatsen van (zon)licht gebeurt zodra het op

oppervlakken valt en is binnen gebouwen bijvoorbeeld

bijzonder storend op beeldschermen.

Ramen in een gebouw voorzien in een belangrijke menselijke

behoefte, namelijk: visueel contact met de buitenwereld.

Een sterk verkorte weergave van conclusies uit de vele

wetenschappelijke onderzoeken op dit gebied:

- Gezondheidsklachten van mensen die tijdens het

werk dicht bij een raam zijn verminderen met

20 tot 25%. Het verzuim vermindert met 15%.

- Door uitzicht naar buiten verbetert het mentale

functioneren van de mens, inclusief de

geheugenfuncties, 10 tot 25% en verloopt de

afhandeling van gesprekken 6 tot 12% sneller.

- Uitzicht naar buiten werkt sterk bevorderend op

genezingsprocessen; onderzoek heeft uitgewezen

dat het verblijf in ziekenhuizen daardoor gemiddeld

8,5% korter is.

79


80


INVLOED VAN HET DAGLICHT OP ENERGIEVERBRUIK

Een interessante studie uit 2012 geeft inzicht in het energieverbruik

van alle bestaande kantoorgebouwen in New York City:

Bronnen van energieverbruik

Energieverbruik

Verlichting binnen 26%

Verlichting buiten 6%

Koelen 17%

Ventileren 15%

Verwarmen 3%

Apparaten en overig 33%

100%

Bron: "Let There Be Daylight: Retrofitting daylight controls in NYC

office buildings", Green Light New York, 2012

Het uitrusten van het gehele kantorenpark in New York

van 35 miljoen vierkante meter met dynamische

zonwering zou een jaarlijkse besparing op het verbruik

van elektriciteit opleveren van 70 miljoen dollar.

De nieuwste dynamische zonweringen hebben ten

opzichte van de gebruikelijke systemen die uitsluitend

aan de voorschriften voldoen het voordeel dat ze de

meeste besparingen opleveren, doordat ze lichtsterktes

kunnen afstemmen op de behoeften van gebruikers en

op daglichtbesparing. Dit kan ook voordelen opleveren op

het gebied van gezondheid en productiviteit. Sensoren

nemen het daglicht in een ruimte waar en passen automatisch

de elektrische verlichting aan om zo de gewenste

algemene lichtsterkte aan te houden en tegelijkertijd een

significante hoeveelheid stroom te besparen.

De besturing van dimbare verlichting kan de verlichting

helemaal uitzetten als er voldoende daglicht aanwezig is

en kan ook het verbruik van wattages per vierkante meter

doen verminderen. Naast het afstemmen van elektrische

verlichting op het beschikbare daglicht kan een dimbare

verlichting nog een groot voordeel opleveren voor de

gebruiker: het afstemmen van de elektrische verlichting

op de activiteit in de ruimte. In een doorsnee kantoor

wordt de verlichtingssterkte op een hoog algemeen

niveau gezet voor alle ruimten, ongeacht het gebruik.

Dit betekent dat er een intrinsieke en significante

hoeveelheid verspilde energie bespaard kan worden.

Het is gemakkelijk de lichtniveaus van elektrische

verlichting te meten, maar de kwaliteit van daglicht in

een ruimte is veel moeilijker te kwantificeren.

Om geavanceerde daglichtsystemen optimaal te

laten werken is integratie van dynamische zonwering

vrijwel altijd noodzakelijk. Verder dient een optimaal

lichtontwerp goed aan te sluiten op het interieurontwerp

en de afwerking. De kleur van vloerbedekking, muren

en meubilair, de hoogte en de transparantie van

scheidingswanden alsmede andere eigenschappen

kunnen een enorme invloed hebben op de resulterende

lichtniveaus en de mogelijkheid om goed gebruik te

maken van daglicht in de ruimte.

Een correcte bediening van geavanceerde daglichtsystemen

is ook cruciaal, evenals doorlopend onderhoud

en voorlichting aan de gebruikers. Exploitanten en

gebruikers van een gebouw zullen de beoogde werking

van het systeem moeten begrijpen en beheerders

moeten weten hoe ze ervoor kunnen zorgen dat de

systemen goed blijven functioneren.

81


De rol van dynamische zonwering

in de energiehuishouding

Dynamische zonwering voorkomt oververhitting. Zelfs

in koudere seizoenen hebben Bijna Energieneutrale

Gebouwen (BENG) een verhoogde koelbehoefte ter

voorkoming van oververhitting vanwege de goede isolatie

en luchtdichtheid. Rapporten over klimaatveranderingen

en de EPBD (Energy Performance of Building Directive)

bevelen dynamische zonwering aan als een van de meest

energie-efficiënte oplossingen die beschikbaar zijn.

In de zomer:

- De zonwering helpt de warmte zoveel mogelijk buiten

het gebouw te houden (reflectie!) en helpt daardoor

het energieverbruik in het gebouw te reduceren; de

airconditioning hoeft immers minder hard te koelen.

- ’s Avonds kunnen de zonwering en de ramen

worden geopend, waardoor er verse lucht het

gebouw kan binnenstromen. Die binnenstromende

lucht verlaagt de binnentemperatuur.

In de winter:

- Indien de zonwering openblijft, kan zonlicht vrij toetreden

tot het gebouw, waardoor het gebouw beter op

temperatuur blijft of minder verwarming nodig heeft.

- Na zonsondergang zouden ramen en deuren

zoveel mogelijk gesloten moeten blijven om

ongewenst verlies van warmte te voorkomen.

Optimaal technisch en visueel comfort vraagt om

automatisering van dynamische zonwering. Bij de

Dynamische zonwering kan zowel binnen als buiten het

raam worden aangebracht in een groot aantal varianten.

De mogelijkheid om zonwering te (laten) bewegen

verhoogt de voordelen van het gebruik van zonwering.

Voor een optimaal effect geschiedt de beweging

geautomatiseerd, afhankelijk van de omstandigheden

of (vooraf ingestelde) parameters.

Er bestaat een groot aantal verschillende soorten

zonwering, zowel voor binnen als voor buiten, elk met

hun eigen specifieke eigenschappen en mogelijkheden.

Buitenzonwering en rolluiken zijn het meest effectief

doordat 90% van de invallende zonnewarmte daarmee

buiten blijft. Dynamische zonwering is zowel in de winter

als in de zomer van belang.

keuze van het type zon- en lichtwering zijn de volgende

factoren van doorslaggevende betekenis:

- Het lokale klimaat.

- De oriëntatie van de gevel op de zon.

- De functie van het gebouw.

- De omgeving: obstakels en schaduwwerking.

- De gebruikers van het gebouw (privacy, contact

met de buitenwereld).

Het gehele kleurenspectrum van daglicht is essentieel

voor het algemeen welzijn. Zonwering in combinatie

met een heldere beglazing garandeert de kwaliteit van

daglicht dat uitsluitend wordt veranderd in diffuus licht.

De CRI-schaal meet hoe getrouw visuele kleuren worden

weergegeven in vergelijking met ideaal of natuurlijk licht.

82


De mogelijkheid om zonnewinst en thermisch verlies af te

wisselen door de positie van de zonwering laat duidelijk

zien in welke mate dynamische zonwerings systemen

beter kunnen presteren dan statische beglazingssystemen,

aangezien de optische eigenschappen daarvan niet

instelbaar zijn. Het volledige dynamische bereik aan

doorgelaten zonnestraling is zeer hoog voor zonwering

(CRI97 vergeleken met CRI86 voor zonwerend glas).

Factoren van belang bij het reguleren van zonlicht en

daglicht voor verbetering van comfort, gezondheid,

productiviteit en welbevinden:

- Het optimaal benutten van natuurlijk licht.

- Het behoud van het volledige spectrum aan licht

dat afkomstig is van buiten.

- Het voorkomen van schittering en het filteren

van daglicht.

- Beperking van overdadige verwarming.

Factoren van belang bij het reguleren van zonlicht en

dag licht voor besparing van energie en kosten bij koeling:

- Het buitenhouden van de hitte bij zomerachtig weer.

- Het risico op oververhitting van gebouwen

door hoge opbrengsten van goede isolatie

en luchtdichte bouw.

- De kosten voor verwarming zullen overgaan naar

kosten voor koeling, zelfs in koudere klimaten.

Factoren van belang bij het reguleren van zonlicht en daglicht

voor besparing van energie en kosten bij verwarming:

- Het behoud van zonne-energie in winterse

omstandigheden.

- Verbetering van de nachtelijke isolatie in winterse

omstandigheden.

Bij het reguleren van zon- en daglicht voor het besparen

van energie en kosten van verwarming is er veel

beglazing nodig om zoveel daglicht op te vangen dat de

kosten van verlichting merkbaar omlaag gaan.

Capteren van natuurlijk licht bespaart energie

Tussen de 25 en 35% van de elektriciteitskosten in

een standaardkantoorgebouw wordt uitgegeven aan

verlichting. Dynamische zonwering maakt gebruik van

natuurlijk licht om de behoefte aan kunstlicht tot 80%

te verminderen en garandeert zonnewinst voor passieve

verwarming. Als integraal onderdeel van de gebouwschil

bij de energieprestatie van gebouwen heeft dynamische

zonwering zich ontwikkeld van een component tot een

concept van zon- en daglichtregeling.

CO₂-voetafdruk van zonwering

Zonwering is kostenefficiënt met energiebesparingen van

wel 60 maal de bijbehorende CO₂-voetafdruk gedurende

haar 20-jarige levensduur. Het Würzburg-Schweinfurt

Instituut in Duitsland berekende de CO₂-voetafdruk

op verzoek van het broeikasgasprotocol van het World

Resources Institute (WRI) en de World Business Council

for Sustainable Development (WBCSD). De berekeningen

waren gebaseerd op een gemotoriseerde, standaardbuitenjaloezie

met 80 lamellen, met een afmeting van

1,2 x 2,0 m. De resultaten tonen aan dat 86% van de

CO₂-uitstoot afkomstig is uit de winning van grondstoffen

en de productie van primaire producten. Slechts 0,5%

wordt gecreëerd gedurende de vervaardiging zelf.

Uitgaande van een levensduur van 20 jaar wordt tot 11%

uitstoot gecreëerd tijdens de operationele fase, terwijl

transport en afval hiervan 2,4% uitmaken.

83


84


Gedurende haar levensduur brengt een jaloezie ongeveer 150 kg CO₂-uitstoot

teweeg. Echter, de met de jaloezie gerealiseerde bescherming tegen het

zonlicht geeft op zich een besparing van meer dan 8.500 kg aan CO₂, dat

is een 57-voudige verbetering. Andere typen van buitenzonwering, vooral

buitenrolgordijnen en schermen met diverse typen zonwerende stoffen, zorgen

voor een betere energie besparing en CO₂-voetafdruk, omdat zij meestal minder

CO₂ genereren tijdens het productieproces.

Energiebesparing voor koeling

Dynamische zonwering resulteert in een gemiddelde energiebesparing voor

koeling van meer dan 36% wanneer het gemiddelde wordt genomen van alle

beglazingstypen en klimaatomstandigheden in Europa. Energiebesparingen

voor koeling zijn groter voor gevels die liggen tussen het zuidoosten en westen.

De gemiddelde energiebesparingen kunnen oplopen tot circa 60%.

De hoogste energiebesparingen voor koeling zijn haalbaar voor gevels op het

zuidwesten. Bij buitenzonweringen met het hoogste rendement kunnen zonneenergie

of g-waarden worden verminderd tot waarden van slechts 0,02 voor

alle beglazingstypen.

Energiebesparing voor verwarming

Het verminderen van nachtelijke u-waarden door het sluiten van zonweringsystemen

heeft een positief effect op de behoeften voor het verwarmen van

ruimten in alle Europese klimaattypen.

ID beglazing Beglazing Rome Brussel Stockholm Boedapest

Int. Ext. Int. Ext. Int. Ext. Int. Ext.

A Single Clear 36% 71% 31% 64% 33% 66% 32% 65%

B Double Clear 33% 70% 25% 59% 29% 65% 27% 62%

C Heat Control 35% 67% 24% 53% 29% 61% 27% 57%

D Solar Control 31% 63% 24% 51% 25% 58% 26% 54%

E Triple Clear 32% 68% 24% 56% 28% 63% 26% 59%

F Double Clear Low-E 33% 69% 25% 55% 29% 63% 27% 59%

85


86


5

GLAS, GEVELS EN DYNAMISCHE ZONWERING

87


ZONNESTRALING

De zon produceert ongeveer 3,85 x 1026 joules per seconde (W), waarvan 1,74 x 1017 W de aarde bereikt,

gemeten aan de buitenzijde van de atmosfeer. De aarde ontvangt van de zon in minder dan 1 uur

de hoeveelheid energie die de mensheid per jaar verbruikt. De energie bereikt de aarde in de vorm

van straling van verschillende golflengtes, bestaande uit uv, waarneembaar licht en infrarood.

De atmosfeer filtert en reduceert de straling, zodat slechts een deel de oppervlakte van de aarde

bereikt. Infrarode straling tussen de 780-2500 nm wordt ook wel korte straling genoemd, in tegenstelling

tot de l ange-golf-infraroodstraling (5.000 – 25.000 nm) of thermische infrarood straling,

welke wordt uitgestraald door objecten in onze omgeving.

Straling die als korte golf een ruimte in komt door

glas en daar wordt omgezet in lange golfstraling kan

niet meer uit de ruimte ontsnappen langs dezelfde

weg omdat glas deze straling niet doorlaat. Als gevolg

daarvan wordt binnenkomende straling in de ruimte

omgezet in temperatuurstijging.

Zonnehoek

De hoeveelheid energie die door gevelglas de binnenruimte

kan betreden is afhankelijk van de hoek

waaronder de straling het glasoppervlak bereikt, dan wel

de hoeveelheid energie die direct op het glasoppervlak

valt. Achterliggende oorzaken zijn de zomer- en

winterstand van de zon ten opzichte van de aarde als

gevolg van het feit dat de aarde rondom de zon draait,

maar ook het tijdstip van de dag als gevolg van het feit

dat de aarde om haar as draait.

Naast de direct invallende straling ontvangen glasoppervlakken

in een gevel ook diffuus licht vanuit de

lucht en gereflecteerd licht van de omgeving inclusief

het aardoppervlak.

In de grafieken hieronder is de straling weergegeven

op verticale oppervlakten op dagen zonder bewolking

in zomer en winter. Zij geven een goede indruk van de

maximale zonnestraling op een verticaal oppervlak

zoals een gevel.

Zonnestraling op glas

40º Latitude N

December 2021

March 2021

September 2021

June 2021

26.5º

50º

º

73.5º

Bron: REHVA Handbook solar shading

88


Zonnestraling op verticale oppervlakten

1000

800

North Facade

21 jun

21 dec

1000

800

East Facade

21 jun

21 dec

W/m 2

600

400

W/m 2

600

400

200

200

0

4 6 8 10 12 14 16 18 20

0

4 6 8 10 12 14 16 18 20

1000

800

South Facade

21 jun

21 dec

1000

800

West Facade

21 jun

21 dec

W/m 2

600

400

W/m 2

600

400

200

200

0

4 6 8 10 12 14 16 18 20

0

4 6 8 10 12 14 16 18 20

Bron: REHVA Handbook solar shading

Uit de voorgaande grafieken blijkt duidelijk dat de straling op de oostgevel van een

gebouw juist voor de middag een hoogtepunt bereikt, de straling op de zuidgevel rond het

middaguur maximaal is en de straling op de westgevel juist na het middaguur maximaal

is. Juist in de winter kan de hoeveelheid straling op de zuidgevel de hoeveelheid in de

zomer overtreffen vanwege het feit dat de zon in de winter lager aan de horizon staat en

er dus meer zon horizontaal naar binnen schijnt.

89


Vlakglas

In de jaren 60 van de vorige eeuw werd dubbelglas

ontwikkeld, gevolgd door een verdere verfijning door het

vullen van de ruimte tussen de twee glasoppervlakken met

gassen waarmee de isolerende werking ervan kon worden

geoptimaliseerd. Er werden ook manieren gevonden

om glas te kleuren dan wel te voorzien van coatings die

bepaalde functionaliteiten van glas kunnen versterken.

Glas kan het beste worden gekarakteriseerd aan de

hand van drie waarden:

Transmissie van warmte (U-waarde)

De U-waarde van glas wordt uitgedrukt in W/m2K

en is een indicator voor het vermogen van het

glas om de warmte door te geven als gevolg van

temperatuurverschillen tussen buiten en binnen.

Transmissie van licht (Tv)

De transmissiewaarde van het glas is een indicator voor

de hoeveelheid licht die het glas doorlaat.

G-waarde

De g-waarde is een indicator voor de totale hoeveelheid

zonne-energie die wordt doorgelaten en binnen in de

ruimte wordt omgezet in warmte. Het getal voor de

g-waarde is afhankelijk van de hoek waaronder het

zonlicht op het oppervlakte valt.

In het algemeen laat glas behoorlijk wat warmte door. Om

die reden ontstond er ook vraag naar dubbelglas. De ruimte

tussen de twee glasoppervlakken (al dan niet gevuld met

gas) zorgt voor een buffer en verhoogt de isolatiewaarde

van het glas. Door het glas te voorzien van een heel dunne

laag van een metaaloxide kan de U-waarde sterk worden

verlaagd (low-e-coating). De U-waarde van helder enkelglas

is ongeveer 10 keer zo hoog als de U-waarde van

drievoudig low-e-glas (U-waarde van rond de 0,6 W/m2K).

De verschillen tussen de glassoorten met andere

U-waarden zijn veel kleiner. Andere soorten van

dubbelglas beïnvloeden juist specifiek de g-waarde,

bijvoorbeeld door meer warmte te laten absorberen of

reflecteren in de buitenste laag dan wel door gebruik te

maken van speciale coatings die een invloed hebben op

de doorgelaten spectraalwaarden van invallend licht.

Productieproces van glas

Glas wordt gemaakt uit een mengsel van zand, kalk en

soda. Deze grondstoffen worden in een smelt verhit tot

een temperatuur van rond de 1.500 °C. Daarna wordt

de vloeibare massa die daaruit ontstaat in een oven

gecontroleerd afgekoeld. Wanneer de vloeistof de oven

verlaat, ontstaat er een bijna oneindig glaslint. Een

computergestuurde installatie snijdt daarna het glas

op de gewenste maat. De grote en kleine glasplaten

worden aan het einde van de productielijn gesorteerd en

afzonderlijk van elkaar in kratten gezet om ze vervolgens

met een vrachtauto bij de klant te bezorgen.

Isolerende werking van vlakglas

Warmteverliezen in een gebouw worden veroorzaakt door

drie belangrijke factoren:

- Thermische isolatie van de constructie inclusief

ramen en deuren.

- Thermische bruggen, ook wel koudebruggen

genoemd.

- Mate van luchtdichtheid van kieren en naden.

90


De thermische isolatie wordt uitgedrukt in de energie

die verloren gaat tussen de ene zijde van de constructie

waar het 20 °C is (binnen) en de andere zijde van de

constructie. De waarde wordt berekend als de hoeveelheid

watt per m2 per graad Kelvin (delta T tussen binnen

en buiten, W/m2K), ook wel de U-waarde genoemd.

Hoe lager de U-waarde, hoe beter de isolatie. In

Nederland kennen we ook het omgekeerde, de R-waarde

in m2 K/W. De Rc-waarde (gehele constructie) is niet

alleen afhankelijk van de dikte van de isolatie, maar ook

van de Rse en Rsi (warmteovergangsweerstand) van de

buiten- respectievelijk de binnenzijde van de constructie.

In een formule:

metalen als zilver en goud wordt de geleiding kleiner en

de straling teruggekaatst.

Traditioneel dubbelglas zonder coating heeft maar een

U-waarde van 2,6 W/m2K, maar dubbelglas met coating(s)

heeft een U-waarde van tussen de 1,6 tot 1,2 W/m2K.

De optimale maat van de luchtspouw is 15 à 16 mm. Het

smaller of breder maken van de spouw heeft een negatief

effect op de U-waarde, hoewel een grotere spouw van

20 mm bijvoorbeeld wel beter is om geluid te weren.

Door de spouw te vullen met een edelgas, zoals argon

of krypton, wordt de U-waarde nog beter, namelijk 1,2

tot 0,8 W/m2K. Edelgassen isoleren namelijk beter dan

gewone droge lucht.

Rc =((ΣRm+Rsi+Rse)/1+α) - Rsi - Rse

Rm = dikte van het materiaal

λ (lambda) = de warmtegeleidingscoëfficiënt

van het materiaal uitgedrukt in W/mK.

Andersom is de U-waarde = λ x de dikte.

Isolerend glas werd voorheen voor de thermische werking

altijd ingedeeld in klassen:

Standaard isolatieglas .......................................... 2,8 W/m2K.

HR ............................................ 1,6 > U-waarde <= 2,0 W/m2K.

HR+ ..................................... 1,2 > U-waarde en <= 1,6 W/m2K.

HR++ .................................................. U-waarde <= 1,2 W/m2K.

HR+++ ............................................... U-waarde <= 1,0 W/m2K.

Ramen en kozijnen, en in mindere mate deuren, hebben

een grote invloed op warmteverliezen in een gebouw.

Glas geen goede lambda-waarde voor isolatie.

De lambda van glas is 0,8 W/mK terwijl de lambda van

glaswol 0,034 W/mK is. De dikte van het glas doet er in

feite niet toe.

De U-waarde van enkelglas is 5,8 W/m2K. Door daar

dubbelglas van te maken met een spouw met stilstaande

lucht en op het glas een coating aan te brengen van

Sinds de komst van CE-markering zijn deze klassen

steeds meer losgelaten en wordt de U-waarde

gecommuniceerd.

Een ruit met een zeer goede U-waarde heeft niet per

definitie een goede energetische waarde. Ook de ZTAwaarde

(g-waarde) is van belang. Een lage U-waarde

gecombineerd met een hoge zontoetreding geeft de

hoogste optimalisatie, maar een lage U-waarde zorgt

ook dat de zon niet makkelijk binnenkomt.

91


Bij het ontwerpen van een gebouw is het constant zoeken

naar de optimale waarden, waarbij ook het percentage

glas in een gevel in hoge mate bepalend is.

Wanneer een gevel voor 85% bestaat uit glas, is het beter

om de U-waarde omlaag te brengen en de ZTA-waarde

lager te houden, bijvoorbeeld een U-waarde van 0,6 W/m2K

en een ZTA-waarde van 40%. Een verhouding van 35% glas

in een gevel, als minimum voorgeschreven in het Bouwbesluit,

vraagt eerder om een U-waarde van 0,7 W/m2K en

een g-waarde van 57% om energetisch optimaal te zijn.

De U-waarde van glas geeft aan hoeveel warmte er door

het glas verloren gaat, echter zonder het warmteverlies

van de gehele buitenwandopening. Dit bestaat namelijk

uit transmissieverliezen via het glasoppervlak en verliezen

via het kozijn (U-glas en U-frame).

De zontoetredingsfactor wordt ook wel de ZTA-waarde of

g-waarde genoemd. De waarde geeft aan in welke mate

het glas de (warmte)straling tegenhoudt. Zonwerende

beglazing zorgt ervoor dat het binnen minder warm wordt,

hetgeen vooral tijdens de tijdens de zomer een uitkomst

kan zijn. Hoe hoger de zontoetredingsfactor, hoe meer

warmte er via de zon binnenkomt. Het verschil tussen de

internationale g-waarde en de ZTA-waarde is dat de laatste

gemeten wordt onder een hoek van 45°. De g-waarde

wordt daarentegen loodrecht op het glas gemeten.

45º

g-waarde

90º

De zontoetredingsfactor van een raamsysteem is de

verhouding tussen de door dat raamsysteem binnenkomende

zonnewarmtestroomdichtheid en de op

dat raamsysteem vallende zonnestralingsdichtheid

(NEN 1068; NEN 7120: 11.7.2).

De NEN-norm 7120-tabellen 11.7 en 11.2 geven de

volgende waarde:

Raam ................................................................ g-waarde (ZTA)

Blank enkelglas .................................................................. 0,80

Blank dubbelglas of enkelglas met voorzetraam ........ 0,70

Warmtereflecterend, niet-zonwerend dubbelglas ....... 0,60

Diverse zonwerende glassoorten ........................ 0,15 - 0,60

Veel utiliteitsgebouwen worden voorzien van beter

isolerende glassoorten dan standaarddubbelglas.

De glassoorten met een hoog rendement, HR, HR+ en HR++,

hebben een neutrale, niet specifiek zonwerende coating

met een hoge lichtdoorlatendheid. Voor deze glassoorten

zal de waarde voor g in de regel forfaitair 0,60 bedragen.

Voor utiliteitsgebouwen met zonwerende beglazingen

kunnen aanzienlijk lagere g-waarden worden verkregen.

Hoe lager de g-waarde, hoe beperkter de reductie op het

energiegebruik voor verwarming is, maar hoe hoger de

reductie op het energiegebruik voor koeling.

Bij de keuze van het type beglazing gaat het om de balans,

kijkend naar de zomer en winter. In de zomer is het

aangenaam dat er warmte wordt tegengehouden terwijl

in de winter binnenkomende warmte juist gewenst is.

ZTA-waarde

Bron: www.aaglas.nl

Om oververhitting in de zomer tegen te gaan wordt in de

bouwpraktijk vaak nagestreefd om de zontoetreding zo

92


Violet

laag mogelijk te houden en de lichttoetreding zo hoog

mogelijk. De zonnewarmte blijft daardoor buiten terwijl

het daglicht wel mooi naar binnen schijnt. Het reduceren

van de ZTA-waarde is niet de meest effectieve maatregel

om oververhitting te voorkomen. Schaduw die ontstaat

door het toepassen van dynamische of vaste zonwering,

overstekken of bomen is een betere mogelijkheid om

de warmte in de zomer buiten te houden. Bij dit soort

maatregelen kan de zonnewarmte in de winter namelijk

wel in het gebouw terechtkomen en in de winter willen

we deze warmte juist zoveel mogelijk binnen benutten.

Oververhitting in gebouwen is overigens ook uitstekend te

voorkomen door benutting van de koele buitenlucht tijdens

de nachtelijke uren. Daarbij wordt de koudere buitenlucht

via roosters op de begane grond binnen gelaten, waarbij

de opgewarmde lucht uiteindelijk boven in het gebouw

via een opening ergens kan ontsnappen (nachtventilatie).

Lichttoetreding

De lichttoetredingsfactor (LTA), ook wel de LT-factor

genoemd, is de verhouding tussen de binnenkomende en

de opvallende zichtbare zoninstraling. Hoe hoger

deze factor, hoe meer licht er via het raam binnenkomt.

Solar Radiation

External glass

Direct Energy

Reflection R e

External radiated

Energy a

Lichtdoorlaat per glastype (verschillende lichttransmissies):

Enkelglas (blank floatglas) ............................................... 90%

Dubbelglas (blank floatglas met spouw) ...................... 82%

Drievoudig glas (blank floatglas met spouw) ................ 74%

Zonwerend dubbelglas ....................................................... 61%

Bij de lichtkenmerken wordt uitsluitend rekening gehouden

met het zichtbare deel van het zonnespectrum (van 380 tot

780 nm). De lichttransmissiefactor tv (of LTA) en de lichtweerkaatsingsfactor

rv (of LR) zijn respectievelijk de fracties

van het doorgelaten zichtbare licht en het door de beglazing

weerspiegelde licht. Aangezien de straling die door de

beglazing wordt geabsorbeerd geen enkele visuele waarde

heeft, wordt ze doorgaans buiten beschouwing gelaten.

Spectrum zonnestraling

Energy properties of glass

Absoption

Internal glass

Solar Factor

g = T e

+ q i

Direct Energy

Transmission T e

Internal radiated

Energy q i

Bron: www.glazingguru.org

De lichtdoorlatendheid van een raam of een gevel

wordt beïnvloed door de glasmassa, het toepassen van

een isolerende of zonwerende coating, het aanbrengen

van een zeefdruk op het glas, het aanbrengen van

een kleurenfolie in gelaagd glas, het toepassen

van dynamisch glas (elektrochromatisch glas) of

(dynamische) zonwering.

Radiation intensity (amount)

Ultraviolet

7%

Visible

light

Red

44% 37%

Near

infrared

Far

infrared

11%

Microwaves

Less than 1%

TV Waves

0.4 0.7 1.0 1.5 0.001

Wavelength (μm)

Wavelength (m)

Bron: Iowa State University/Department of Agronomy

93


94


De zonne-energie die een ruimte binnenkomt is

afkomstig van het gehele zonnespectrum. Dat wil

zeggen dat er sprake is van ultraviolette straling,

zichtbaar licht en de korte infraroodstraling. Deze

energie kan worden beperkt zonder het licht te

beperken, door isolerend gecoat glas te gebruiken

dat wél de uv- en ir-straling tegenhoudt, maar niet

het zichtbare licht. Deze gecoate glasproducten

hebben een functie die we "selectiviteit" noemen.

De selectiviteit van een beglazing is de verhouding

tussen lichttransmissie LTA en zontoetredingsfactor

ZTA (selectiviteit = LTA / ZTA). De selectiviteit ligt

altijd tussen de 0,00 en 2,33 waarbij de 0 staat voor

ondoorschijnend glas met een lichttransmissie van

0 en 2,33 staat voor de best mogelijke selectiviteit.

Het zichtbare deel van het licht maakt namelijk 43%

van het zonnespectrum uit. Hoe meer men in de buurt

komt van 2,33, des te selectiever is de beglazing.

Natuurlijke lichtinval draagt sterk bij aan een

gezond binnenklimaat en een duurzaam woon- en/

of werkcomfort. Met name glasdaken en grote

raampartijen zorgen voor veel binnenvallend daglicht

en warmte van de zon. Ook het soort glas heeft invloed

op de hoeveelheid licht die binnenkomt. Er zijn ook

nadelen verbonden aan het gebruik van normale

beglazing; warmte en hinderlijke schitteringen worden

vrijwel volledig doorgelaten. Om oververhitting en

hinder van de zon tegen te gaan, kan het glas echter

worden voorzien van dynamische zonwering binnen

of buiten, vaste luifels of zonwerend glas.

Thermische eigenschappen van beglazing

De lineaire uitzettingscoëfficiënt van glas(α) bedraagt

8-9∙10-6/K en de warmtegeleidingscoëfficiënt van glas

(λ) bedraagt 0,8 W/m2K.

Isolerend of dubbelglas heeft door de ingesloten

spouw hogere isolatiewaarden. De warmtedoorgangscoëfficiënt

van glas (= Ugl-waarde) wordt hoofdzakelijk

bepaald door de dikte van de luchtspouw die zich

tussen beide samenstellende glasplaten bevindt.

Maatgevend voor de werking van het isolerend

dubbelglas is dat de lucht in de spouw zo droog is

dat normaal geen condensatie tussen de ruiten kan

optreden. Een relatief lage Ugl-waarde kan worden

bereikt door de spouw te vullen met een speciaal

gasmengsel (argon of krypton).

De norm NEN 7120 Energieprestatie van gebouwen

(EPG) schrijft voor alle transparante delen gezamenlijk

een gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt van

1,65 W/m2K voor, die moet worden berekend volgens

NTA 8800, met een maximum van 2,2 W/m2K per

afzonderlijk transparant deel. Bij actieve gevels

moet worden gestreefd naar nog lagere waardes

van 1,2-0,5 W/m2K.

De U-waarde van een kozijn of pui met beglazing

wordt niet alleen bepaald door de Ugl (voor het glas),

maar ook door de U-fr (voor het frame). De U-fr varieert

globaal tussen de 7,6 en de 0,81 W/m2K, afhankelijk

van het gebruikte materiaal voor het kozijn. Om op

een zo laag mogelijke U-waarde uit te komen, wordt

aangeraden zoveel mogelijk glas te verwerken met zo

min mogelijk profielen.

95


Straling en absorptie door beglazing

De zonwerende werking van glas wordt gekenmerkt

door de verhouding tussen de hoeveelheid doorgelaten

zonnestraling (zowel direct als indirect) en de totale

hoeveelheid zonnestraling op het raam.

Het quotiënt van deze twee grootheden is de absolute

zontoetredingsfactor (ZTA), die in veel publicaties ook wel

gelijkgesteld wordt aan de g-waarde. Maar de g-waarde

is altijd hoger dan de ZTA omdat zontoetreding loodrecht

op het glas minder reflectie geeft. De g-waarde voor glas

wordt volgens NEN-EN 410 vastgesteld.

Lichttoetredingsfactor

Het verminderen van de hoeveelheid door een glasopening

doorgelaten zonnewarmte gaat gepaard met het

verminderen van de hoeveelheid doorgelaten daglicht

(de zichtbare zonnestraling). In veel gevallen is dit een

gewenst nevendoel, maar soms wordt dit ook ervaren

als een ongewenst bijverschijnsel. De waarneembare

hoeveelheid doorgelaten daglicht is afhankelijk van de

intensiteit van de opvallende lichtstraling, de spectrale

doorlaatbaarheid van beglazing (en eventueel zonweringsysteem),

de spectrale gevoeligheid van het menselijk

oog en de spectrale samenstelling van het zonlicht.

Toetreding van licht en warmte

Licht en warmte die van de zon door de dampkring op de

aarde komen, kennen een stralingsgolflengte uitgedrukt

in nanometers. Afhankelijk van de golflengte van het licht

wordt gewoonlijk onderscheid gemaakt tussen uv-licht,

zichtbaar licht, (kort) infraroodlicht en de warmtestraling

(lang infraroodlicht).

Het zichtbare licht tussen de golflengte van 380 en 780

nm bestaat uit verschillende kleuren die we bijvoorbeeld

terugzien in een regenboog, als het licht zich splitst.

Normaal gesproken nemen we dit licht waar als “wit”. De

warmtestraling of infraroodstraling van de zon is een

kortegolfstraling die loopt van het zichtbaar licht tot ca.

2500 nm. Infrarood in het langegolfgebied is warmte die

wordt opgewekt door mensen dan wel vrijkomt uit de

afgifte van warmte uit objecten. Lange infraroodstraling

kent vele verschillende bronnen, zoals het menselijk

lichaam, radiatoren, kunstlicht en andere warmtebronnen.

Diffuse straling, bijvoorbeeld het opvallende licht op de

noordzijde van een gebouw, is midden op de dag toch al

snel 100 W/m². De op een verticaal gevelvlak vallende

energie in de zomer is bijna de helft van de energie die op

een koude zonnige dag op de gevel schijnt.

De laatstgenoemde drie factoren bepalen de waarneembare

hoeveelheid daglicht. De absolute lichttoetredingsfactor,

de Tv-waarde (= oude LTV), bestaat uit het

quotiënt van de hoeveelheid doorgelaten daglicht en de

totale hoeveelheid opvallend daglicht en is kenmerkend

voor de lichtwerende werking van het zonweringsysteem.

In de zomer staat de zon immers hoger aan de hemel

dan in de winter. De zon in de zomerochtend komt

rond 5.00 uur in het noordoosten al heel laag op. Deze

ochtendzon zorgt ervoor dat de warmte intern niet

opbouwt en oververhitting veroorzaakt.

96


ENERGIE

Zon

Korte golven

Verwarming

Lange golven

Licht

UV

Korte infrarood

Lange infrarood

280 380 780 1000 2000 2480 3000 50.000

Golflengte in nm

Bron: staka-dakluiken.nl

Directe straling in zomer

1000

Directe straling in winter

Intensiteit zonnestraling (W/m2)

800

600

400

200

Oostgevel

in zomer

Oostgevel

in winter

Plat dak

in zomer

Zuidgevel

in winter

Zuidgevel

in zomer

Diffuse straling

in zomer

Westgevel

in winter

Diffuse straling

Westgevel

in zomer

0

4

Diffuse straling

in winter

6 8 10 12 14 16 18 20

Uur van de dag (h)

Bron: agcnederland.nl

97


Isolatie door glas

Tot ongeveer de jaren 80 van de vorige eeuw was er

in glas weinig mogelijk. In die tijd hadden we al wel

zonwerend glas door het glas door en door te kleuren

waardoor de warmte geabsorbeerd werd. Daarna is men

flinterdunne coatings gaan gebruiken. Daarbij wordt

nadat het glas uit de oven komt op het warme glas een

metaaloxide laag aangebracht die zowel het licht als

de warmtestraling reflecteert. Dergelijke oplossingen

reduceren de zonnewarmte, maar tegelijkertijd gaat er

ook (veel) lichtinval verloren.

In de utiliteitsbouw wordt ook gekeken naar de

zomerse omstandigheden vanwege het verminderen

van het gebruik van koeling in de zomer met het doel

het energieverbruik te optimaliseren en verlies aan

productiviteit te voorkomen. Dergelijke overwegingen zijn

met name van belang omdat in de utiliteitsbouw vaak

volledige gevels van glas worden toegepast en het glas

dus in hoge mate de optimalisatie van het binnenklimaat

bepaalt. De capaciteit van de koeling wordt dan bepaald

aan de hand van de zonwerende eigenschappen van

glas. In ideale gevallen wordt een gebouw in de zomer

zodanig geoptimaliseerd dat de temperatuur binnen de

23 °C niet overschrijdt.

Er bestaat daarbij een verhoogde foutkans omdat men

rekent met een te lage buitentemperatuur omdat de

gemiddelde temperatuur sterk stijgt als gevolg van

klimaatveranderingen. Zo zijn er steden waar de laatste

jaren de buitentemperatuur gemiddeld 5°C hoger is

geworden dan waarmee gerekend wordt. Ook kan het

gebeuren dat de beglazing niet het uitgangsniveau voor

de zonwerende eigenschappen behaalt.

Een ruit heeft eigenlijk heel slechte isolerende

eigenschappen, want glas heeft een hoge emissiewaarde

alsmede een hoge warmtetransmissie. Enkelglas heeft

nog een beetje isolatiewaarde omdat aan weerszijden

van de ruit een luchtlaagje heerst dat isoleert (de

zogenoemde overgangsweerstanden).

Als gevolg van de EPC-norm uit het Bouwbesluit worden

in de woningbouw veelal HR++-ruiten toegepast.

De toegepaste beglazing heeft warmtewerende

eigenschappen maar geen zonwerende eigenschappen.

Bij de moderne Europese zonwerende glastypen

wordt zowel rekening gehouden met de winter- als

de zomersituatie. Daarom heeft een ruit zonwerende

eigenschappen met een goede isolatiewaarde van

rond de U=1,0 W/m²K. Voor de beoordeling van de

werkelijke isolatiewaarde van beglazing is het niet alleen

noodzakelijk te kijken naar het verlies in warmte door

de ruit (U-waarde) maar ook naar de energie die de ruit

oplevert, de zogenaamde g-waarde. De energie die door

de ruit komt wordt uitgedrukt in de equivalente U-waarde:

Ueq = U-waarde – (g-waarde*f).

98


De gewenste temperatuur

Uit onderzoek van prof. dr. Hauser uit Kassel blijkt dat

de gewenste temperatuur binnen in de zomer veelal

niet gehaald wordt en er een aanmerkelijk aantal uren

per jaar sprake is van te hoge binnentemperaturen,

ondanks het gebruik van zonwerende beglazing. De

grafische weergave hieronder geven de resultaten van

zijn onderzoek. Het onderzoek werd uitgevoerd met:

- warmtewerend glas met een g-waarde van 60%

en regelbare jaloezieën;

- zonwerend glas met een g-waarde van 40%

en schakelbaar glas.

Sommersituation

Übertemperaturgradstunden Ghx (Kh/a)

2000h

1500h

1000h

500h

0h

323 Kh 575 Kh 1167 Kh 2062 Kh

Wärmeschutzglas,

g-Wert 60% + regelbare Jalousie

Sonnenschutzglas,

g-Wert 40% statisch

Bron: staka-dakluiken.nl

Fassadenorientierung: Ost

De metingen wijzen uit dat zonwerend glas eigenlijk

onvol doende is om met de overschrijding van de acceptabele

temperatuur onder de maximale 500 uur per jaar te blijven.

Warmteclassificatie volgens NEN-EN 14501

Naast de warmtelast spelen de lichttoetreding (visueel

comfort), doorzicht, privacy en schittering een rol bij het

creëren van een goede werkplekomgeving.

Nachtlüftung: n = 2/h, ohne Kühlung

86 Kh

144 Kh

70% Fensterflächenanteil 90% Fensterflächenanteil

Zulässig, künfiger Anforderungswert

nach DIN 4108 T.2

Schaltbares Glas

Temperaturregelung im Raum

ab 21 ºC wird gedimmt

of neergelaten zonwering goed contact met buiten te

garanderen. Het doorzicht wordt bepaald aan de hand

van twee parameters: de normale transmissie van licht

en het diffuse deel van de lichttransmissie.

Privacy

Privacy is het tegenovergestelde van doorzicht; het gaat

hier juist om het zicht van buiten naar binnen. Privacy

is een classificatie om bij een gesloten c.q. neergelaten

zonwering de mate van inkijk in de ruimte te bepalen c.q.

te garanderen.

Schittering (glare)

Schittering is de weerkaatsing van zonlicht, anders

gezegd schittering is een classificatie om bij een

gesloten c.q. neergelaten zonwering de mate van

reflectie op werkplekken aan te geven. Een lichte kleur

van het doek van de zonwering zal bijvoorbeeld meer

licht in de ruimte “strooien” dan een donkere kleur.

Er zal dus moeten worden afgewogen wat als behaaglijk/

comfortabel wordt ervaren, een licht oppervlak met

gering(er) contact met buiten of een donker oppervlak

met diverse lichtpuntjes (directe schittering tot gevolg)

en beter contact met buiten.

Deze aspecten zijn vastgelegd in klassen volgens

de norm NEN-EN 14501. Klasse 2 is voor optimale

beeldschermwerkplekken toereikend. Bij klasse 3 en

4 wordt de ruimte steeds meer verduisterd en wordt

kunstlicht veelal noodzakelijk.

Doorzicht

Onder doorzicht wordt verstaan het zicht van binnen naar

buiten. Doorzicht is een classificatie om bij een gesloten

Meer algemeen zijn in deze norm de thermische en

visuele eigenschappen van warmte- en lichtregeling

geclassificeerd en wel als volgt.

99


100


Energiestromen

Schematische voorstelling belangrijkste energiestromen

in een raamopening met buitenzonwering

Convection

Absorption

Secondary

long wave

radiation

Directly

transmitted

short wave

radiation

Shade

Bron: REHVA Handbook solar shading

Als invallend licht een oppervlak raakt, is er steeds sprake van absorptie, transmissie en

reflectie. Absorptie verhoogt de oppervlaktetemperatuur van het doek (in de zonwering) en

het glas (in het raam) en wordt deels ook omgezet in straling met een lange golf; anders

gezegd een deel van de energie wordt ook weer afgegeven aan de omgeving. Iedere

massa van stilstaand gas of stilstaande lucht heeft een isolerende werking, dus ook de

luchtmassa tussen het weefsel van de dynamische zonwering en het glasoppervlak.

Schematische voorstelling belangrijkste energiestromen

in een raamopening met binnenzonwering

Convection

Convection

Secondary

long wave

radiation

Absorption

Directly

transmitted

short wave

radiation

Reflection

Bron: REHVA Handbook solar shading

101


Bij de toepassing van dynamische zonwering binnen

valt de volledige hoeveelheid zonne-energie eerst op het

raam, waardoor een groot deel van de energie in feite al

binnen is, behoudens het deel dat reflecteert op de naar

buiten gerichte zijde van het weefsel dat wordt toegepast

in de binnenzonwering. In veel gevallen is dat stof, net

als bij zonwering buiten. De energie die de ruimte is

binnengedrongen wordt afgegeven aan de omgeving en

verdwijnt voor een klein deel weer via het raam naar buiten.

Dat komt doordat de stilstaande lucht tussen het weefsel

en het raam opwarmt, daardoor warmte afgeeft aan het

glas en vervolgens zal het glas door temperatuurverschillen

tussen binnen en buiten de warmte deels afgeven naar

buiten, afhankelijk van de U-waarde van het glas. In het

totale systeem is deze uitgaande warmte relatief klein. In

feite spelen er ook hier twee factoren naast de transmissie:

de reflectie op de achterzijde van het doek en de absorptie

van energie door het weefsel zelf.

De oppervlaktetemperatuur van het glas, met name

van de laag aan de binnenzijde van het dubbele glas,

onder maximale belasting zonder zonwering aan de

buitenzijde, varieert in Amsterdam van 35 tot 40 °C. In

alle gevallen worden de maximale waarden bereikt met

low-e-beglazing in vergelijking tot gewoon dubbelglas en

speciaal zonwerend glas.

Het toepassen van zonwering buiten resulteert in een

verlaging van deze oppervlaktetemperatuur van tussen

de 5 en 10 °C, waardoor de waarden onder de 32 °C

blijven, ook weer gemeten onder piekbelasting. In de

zomer werkt dat gunstig uit op de temperatuur binnen;

in de winter is het belang in bepaalde omstandigheden

juist tegenovergesteld.

In het algemeen zal gelden dat de hogere oppervlaktetemperatuur

van het glas de operatieve temperatuur binnen

doet oplopen, met gevolgen voor het thermisch comfort.

De energiebehoefte ten gevolge van het gebruik

van kunstverlichting kan in een kantoorgebouw met

traditionele verlichting snel oplopen tot 40% van het

totale energieverbruik van het gebouw met traditionele

verlichting. Met moderne ledverlichting is dat overigens

significant minder. Zonwering reduceert de invallende

straling en daarmee het invallende licht. De vraag

zou zich kunnen stellen of de reductie van de kosten

van koeling door gebruik van zonwering zou opwegen

tegen de extra kosten van verlichting door toegenomen

vraag. De universiteit van Lund deed in 2007 onderzoek

naar dit vraagstuk en kwam tot de conclusie dat in

dit geval zonwering binnen in combinatie met low-ebeglazing

geen noodzaak gaf gedurende het gebruik

van de zonwering om kunstlicht bij te schakelen, omdat

de gemeten lichtwaarden niet onder de minimaal

noodzakelijke hoeveelheid zakte.

Energie-effecten van zonwering

Aangezien de resultaten mede bepaald worden door

de geografische locatie beperken we de conclusies

tot de situatie in Nederland. Voor een modelkantoor in

Amsterdam zijn de behoeften aan koeling en verwarming

ongeveer in balans:

- Door zonnewarmte in de winter is de behoefte

aan verwarming op zuidgevels aanzienlijk minder

dan die op het noorden georiënteerde gevels.

Anderzijds is er in de zomer een aanzienlijke

behoefte aan koeling, met het daaraan

gekoppelde energieverbruik.

102


- In algemene zin is de energievraag van een kantoor

uit gerust met dynamische zonwering op de gevel in de

zomer lager dan een kantoor zonder dynamische

zonwering. Het effect van de dynamische zonwering is

echter in hoge mate afhankelijk van de oriëntatie van de

gevel op de zon. Gemeten aan de zuidgevel bespaart

de toepassing van dynamische zonwering ongeveer 40

tot 50% energie voor verwarming, koeling en verlichting.

- Dergelijke besparingen kunnen onder dezelfde

omstandigheden ook gerealiseerd worden aan

oost- en westgevels.

Koellast als functie van de geveloriëntatie

op het thermisch comfort. Deze invloed is het grootst

vlak bij het raam; zo kan de temperatuur in een ruimte

gemakkelijk een aantal graden verschillen, afhankelijk van

de plaats waar deze wordt gemeten.

Visueel comfort

Binnen in een gebouw is er gedurende de dag veelal

sprake van een mix van daglicht en kunstlicht. De

hoeveelheid daglicht is afhankelijk van tijdstip, seizoen,

weersomstandigheden, omvang van vensters en even tuele

maatregelen om invallend licht te reguleren. Een ander

punt betreft de weerkaatsing van licht op opper vlakken;

zij kunnen het visueel comfort behoorlijk verstoren.

W/m2

200

150

100

50

0

north

east south west

Een goede praktische richtlijn voor visueel comfort is de

regel 1:3:10, ofwel voor goed visueel comfort overdag zou

de hoeveel heid licht in het centrum van het gezichtsveld

(computer scherm) ongeveer 1/3 van de hoeveelheid

licht op de werkplek moeten zijn en zou de omgeving

maximaal 3 keer lichter mogen zijn.

Bron: REHVA Handbook solar shading

De niet-onderbroken lijnen in de grafiek representeren

de koellast zonder zonwering toe te passen en de

onderbroken lijnen geven de koellast bij toepassing van

dynamische zonwering.

Thermisch comfort

De door het menselijk lichaam ervaren thermische sensatie

is afhankelijk van de luchttemperatuur en de temperatuur

van de omliggende objecten; het gecombineerde effect

wordt wel de operatieve temperatuur genoemd. Vanzelfsprekend

is de hoeveelheid invallend zonlicht van invloed

Simulaties in de ontwerpfase van een gebouw kunnen

helpen om voorspellingen te doen ten aanzien van

lichtinval en temperatuur. Daarbij spelen allerlei

variabelen een rol. Een indirect gevolg van lichtinval

is ook de luchtkwaliteit in het gebouw.

Door thermische effecten wordt de luchtkwaliteit in een

ge bouw beïnvloed. Invallende zonnestraling doet de

tempera tuur in het gebouw immers verhogen, maar verhoogt

ook de temperatuur van het glasoppervlak en de

massa van het gebouw. De toepassing van dynamische

zonwering heeft in die zin invloed op zowel temperatuur als

lichtinval als luchtkwaliteit.

103


Zon- en lichttoetreding bij verschillende

typen zonwering

Uitvalschermen

De g-waarde is berekend door TNO–Bouw en vastgelegd in het

rapport B-92-0268 van 16 maart 1992. Als uitgangspunten

voor de berekening werden de volgende aannames gedaan:

- Voor de zonhoogte is uitgegaan van een hoek van

45° en recht voor het scherm.

- De windsnelheid is gesteld op 1 m/sec.

- De buitentemperatuur is 5 °C en de

binnentemperatuur 20 °C.

- De afstand van het scherm tot de gevel bedraagt

50 mm met vrije ventilatie.

De g-waarde hangt vooral af van de kleur van het doek.

De kleuren groen en blauw hebben een lage transmissiewaarde,

terwijl de kleuren wit en geel een veel hogere

transmissiewaarde hebben. Het omgekeerde geldt voor

absorptie, terwijl de reflectiewaarde nauwelijks varieert.

Bij een hogere windsnelheid zal de g-waarde verder afnemen

en de g-waarde zal bij schuin op de gevel staande

zon en kleinere zonhoogte (laagstaande zon) toenemen.

Screens

De g-waarde is eveneens berekend door TNO-Bouw,

met dezelfde uitgangspunten als die bij uitvalschermen.

In de berekening is rekening gehouden met dubbelglas

4/12/4-EN 14501.

en het Bartenbach Lichtlabor Prüfinstitut te Innsbruck.

De daarbij gehanteerde uitgangspunten zijn:

- Complete zonwering.

- Afstand zonwering tot gevel 50 mm met

vrije ventilatie.

- Windsnelheid 1 m/sec.

- Lamelstand optimaal ten opzichte van

de zonnestand.

De g-waarde hangt af van de lamelvorm en in beperkte

mate van de kleur van de lamel, maar beweegt zich

tussen de 0,04 en 0,19. Bij dit type zonwering is de

lichtinval naar behoefte te regelen.

Donkergekleurde lamellen reduceren de lichtreflectie.

Er zijn systemen ontwikkeld waarbij het mogelijk is de

lamelstand van de bovenste lamellen te laten afwijken

van die van de rest, waardoor extra daglicht in de ruimte

wordt toegelaten (ook wel genoemd daglichttransport).

Op die manier kan op de kosten van het gebruik van

verlichting worden bespaard.

Zonneroosters en schoepenzonwering

Voor zover bekend zijn er voor deze systemen geen algemene

berekeningen gedaan. De systemen zijn zo specifiek

dat per project een berekening zou moeten worden gemaakt.

Bij vaste, uitkragende roostersystemen zijn de mate van

uitkraging en de lamelafstand bepalend voor de g- waarde.

Immers wanneer de zon lager staat zal er meer

ongehinderde zoninstraling op het glas plaatsvinden.

Buitenjaloezieën

De g-waarde is onder andere berekend door het

Fraunhofer-Institut für Solare Energiesysteme te Freiburg

Vooral de beweegbare systemen zullen een gunstige

g-waarde kunnen bereiken omdat de lichtinval naar

behoefte regelbaar is.

104


Geluid

Hoewel misschien niet zo voor de hand liggend is ook

geluid een aspect dat speelt bij het toepassen van

dynamische zonwering.

Geluid door wind

Resonantie of ander geluid onder invloed van wind

zou zich in de praktijk voor kunnen doen. Dit is

sterk afhankelijk van de specifieke bouwkundige

omstandigheden, montageondergrond, afmetingen en

windkrachten op de gevel.

Bewegingsgeluiden

Bij het bewegen van de zonwering zijn er geluiden

hoorbaar die te maken hebben met de aandrijving,

wrijving tussen bewegende delen of geluiden van veren

die in de armen worden gebruikt van uitvalschermen.

Veelal is de zonwering voorzien van een cassette ter

bescherming van het doek die geluiden kan versterken.

Versterking van het geluid kan ook gebeuren in

uitsparingen waarin de zonwering is geplaatst of in

de vorm van contactgeluiden door de wijze waarop de

zonwering is opgehangen.

105


106


107


108


6MENSEN IN GEBOUWEN

109


MENSEN EN GEBOUWEN

Daglicht

Daglicht, of natuurlijk licht, bestaat uit zowel het directe

licht van de zon als het indirecte licht dat door de

atmosfeer en de wolken wordt verspreid voordat het de

aarde bereikt.

Ogen hebben daglicht nodig om te kunnen waarnemen

en het menselijk lichaam heeft daglicht nodig om goed

te kunnen functioneren. Daglicht heeft grote invloed op

de gezondheid van mensen, zo blijkt uit wetenschappelijk

onderzoek. Ons lichaam gebruikt natuurlijk licht op

dezelfde manier als water en voedsel; het is een

grondstof voor metabolische processen.

- Daglicht bevat veel verschillende soorten straling,

die belangrijk zijn voor de vitamineproductie in het

menselijk lichaam.

- Het hebben van voldoende licht stelt ons in staat

om het circadiaans ritme te reguleren. Dit bioritme

bepaalt onder andere slaap- en eetpatronen,

lichaamstemperatuur, prestaties en stemming.

- Natuurlijk licht bevordert de goede werking van

het menselijk lichaam. Studies over natuurlijk

licht tonen consequent aan dat goed daglicht een

belangrijke factor is bij het stimuleren van ons

bioritme. Blootstelling aan voldoende licht zorgt

ervoor dat we ons overdag beter voelen en

's nachts beter slapen.

- Het omgekeerde is ook waar; te weinig licht

kan fysieke processen nadelig beïnvloeden,

hetgeen resulteert in gezondheidsproblemen,

slaapstoornissen, stress, concentratiestoornissen,

malaise of zelfs depressie.

De positieve effecten van licht zijn vooral van toepassing

op natuurlijk licht. Standaardkunstlicht is minder intens

dan natuurlijk daglicht. Het is daarom aan te raden mensen

in gebouwen zoveel mogelijk bloot te stellen aan daglicht.

Belang van binnenmilieu in gebouwen

Het is niet iets waar we vaak bij stilstaan, maar het

binnenmilieu in gebouwen beïnvloedt mensen enorm,

aangezien mensen in de westerse maatschappij

ongeveer 90% van hun tijd binnen gebouwen doorbrengen.

Bij "comfort" gaat het om je op je gemak voelen in relatie

tot de faciliteiten, de voorzieningen of het ontwerp van

een gebouw.

"Welzijn" verwijst naar de mate waarin een persoon zich

fysiek, mentaal en sociaal goed voelt. Het gaat er dus om

dat je je goed voelt over jezelf, maar het gaat ook over

fysieke gezondheid en gelukkig zijn met je leven.

Onderzoeken tonen een directe correlatie aan tussen

wel zijn en de aanwezigheid van natuurlijk licht in gebouwen.

Gebouwschil

Om een comfortabele omgeving in het gebouw te

garanderen, moet bij het ontwerp van de gebouwschil

rekening worden gehouden met belangrijke aspecten

zoals ventilatie, vochtigheid, lichtinval en temperatuur.

Ramen bieden contact met de buitenwereld, helpen bij de

oriëntatie, stellen de bewoners van een gebouw in staat om

te weten wanneer het weer verandert en stellen hen in staat

om het verstrijken van de tijd gedurende de dag te volgen.

110


111


Wanneer daglicht aanwezig is, zijn mensen productiever

in hun werk, behalen studenten betere studieresultaten,

leren ze sneller en daglicht bevordert het herstel bij ziekte.

Energiegebruik en CO2-uitstoot

Over het algemeen is de gebouwschil dynamisch

en daarom in staat te reageren op veranderende

omgevingsomstandigheden. Dit betekent dat de schil

van een gebouw niet alleen een belangrijke bijdrage

levert aan de gezondheid en het welzijn van degenen die

het gebouw gebruiken, maar ook kansen biedt om de

energie-efficiëntie van het gebouw te verhogen.

Dynamische zonwering kan helpen de instroom van

warmte in een gebouw te beheren en kan bijdragen aan

de vermindering van energieverbruik voor koeling en

verlichting terwijl onderzoek heeft aangetoond dat er ook

een gunstig effect is op het energieverbruik in de winter.

Het verminderen van het energieverbruik verlaagt de

kosten en vermindert de uitstoot van CO2. In het geval dat

we de behoefte aan kunstmatige koeling, verwarming

en verlichting in een gebouw kunnen verminderen,

verbetert de duurzaamheid van het gebouw doordat de

koolstofemissies worden verlaagd.

Zo ontstaat een gebouw dat efficiënt en duurzaam is,

maar ook een gebouw dat zich richt op de behoeften van

gebruikers ten aanzien van comfort, gezondheid, welzijn

en productiviteit.

Invloed van klimaatverandering

Klimaatverandering vormt een bedreiging voor

onze planeet. Er is sprake van een wereldwijde

acute noodsituatie. Internationale samenwerking

is noodzakelijk om dit probleem het hoofd te bieden,

met als belangrijkste doel om in 2050 volledig

CO2-neutraal te zijn.

De gebouwde omgeving is naar schatting wereldwijd

verantwoordelijk voor 38% van alle energiegerelateerde

uitstoot van broeikasgassen per jaar.

We kunnen gebouwen voorzien van systemen

die inspelen op de steeds veranderende

weersomstandigheden buiten. Het toepassen van

intelligente en "connected" dynamische zon- en

lichtwering kan een significante bijdrage leveren aan

het verminderen van het energieverbruik voor het

verwarmen en koelen van een gebouw en daardoor

helpen de CO2-uitstoot te verlagen.

Gelijktijdig ontstaat de mogelijkheid het voortouw

te nemen in het verduurzamen van onze gebouwen:

geoptimaliseerd energieverbruik, minimale uitstoot

van broeikasgassen dan wel bijdragen aan een

CO2-neutrale samenleving.

In de utiliteitsbouw heeft het creëren van energiezuinige

gebouwen een positieve invloed op het aantrekken van

investeerders en huurders.

Klimaatverandering is de hoogste prioriteit voor

de vastgoedsector en veroorzaakt niet voor niets

een constante stroom van nieuwe regelgeving.

112


Het ontwikkelen van een gebouw met intelligente

functionaliteiten is de beste manier om de toekomstige

marktwaarde van het gebouw en het rendement op de

investering erin veilig te stellen.

Dynamische zon- en lichtwering

Dynamische zon- en lichtwering is een intelligente

oplossing die 365 dagen per jaar voordelen biedt.

Dynamische zonwering helpt om warmte zoveel

mogelijk uit het gebouw te houden door het invallende

zonlicht te reflecteren. Het gebouw gebruikt dan minder

energie, op basis van een verminderde behoefte aan

koeling. In de zomer kunnen ‘s avonds de ramen

worden geopend om frisse lucht het gebouw binnen te

laten stromen. Die instromende lucht zal dan gelijk de

binnentemperatuur verlagen.

Met dynamische zonwering wordt een gebouw aangepast

aan de actuele omstandigheden of de behoeften van

de bewoners, waarbij natuurlijke energie wordt benut

of geblokkeerd om een comfortabele omgeving te

behouden, dan wel de behoefte aan kunstmatige koeling

en verwarming wordt verminderd.

Dynamische zonwering bestaat uit beweegbare

systemen voor technische weefsels die de inval van

natuurlijk licht en warmte door glas in gevels van

gebouwen helpen te beheersen en zowel binnen als

buiten kunnen worden toegepast. Optimalisering komt

tot stand door de keuze van de juiste textielsoorten in

combinatie met intelligente automatische besturingen

die ervoor zorgen dat afhankelijk van de situatie buiten

het gebouw de technische weefsels steeds hun werk

kunnen doen.

De functionaliteit van dynamische zon- en lichtwering

komt zowel in de zomer als in de winter tot uitdrukking.

In de zomer is de uitdaging in gebouwen het voorkomen

van oververhitting. De belangrijkste bijdrage van

dynamische zon- en lichtwering is het bewerkstelligen

van comfortabele temperaturen binnen het gebouw en zo

het gebruik van aanvullende koeling te minimaliseren.

In de winter gaat het er juist om hinderlijke lichtinval te

verminderen en de zonnewinst te benutten om de vraag

naar verwarming te verminderen. Als de dynamische

zonwering overdag openblijft, kan zonlicht in de winter

vrij het gebouw binnenkomen, waardoor het gebouw

zijn temperatuur kan handhaven of de behoefte aan

verwarming wordt verminderd. Wanneer de zon laag staat

en verblinding veroorzaakt, kan dynamische lichtwering

worden neergelaten om haar werk te kunnen doen.

Dynamische zon- en lichtwering binnen heeft dus

in de winter een dubbele functie; het tegengaan

van schitteringen door de laagstaande zon en het

binnenhouden van warmte in het gebouw ’s nachts.

Dynamische zonwering resulteert in een gemiddelde

energiebesparing voor koeling van meer dan 36% op

basis van het gemiddelde van alle beglazingstypen

en klimatologische omstandigheden in Europa. Het

verlagen van de u-waarden tijdens de nachten ’s winters

door het sluiten van dynamische zonwering heeft een

positief effect op de behoefte aan verwarming en dat is

van toepassing in alle Europese klimaattypen. Betere

energie-efficiëntie van het gebouw draagt bij aan het

reduceren van koolstofemissies.

113


114


115


THERMOREGULATIE BIJ MENSEN

Temperatuur van het menselijk lichaam

De gemiddelde lichaamstemperatuur van een mens in

rust is ongeveer 37 °C en deze kan tijdens inspanning

stijgen tot 38 of 39 °C, in sommige gevallen zelfs nog

meer. Komt de temperatuur boven de 40 °C, dan kunnen

functies en uiteindelijk vitale functies uitvallen.

Bij oververhitting - de medische term is hyperthermie - is

er sprake van een verhoogde lichaamstemperatuur, dat

is vanaf 38 °C. Oververhitting van het menselijk lichaam

is te herkennen aan vermoeidheid, concentratieverlies

overdag, hoofdpijn, duizeligheid, spierpijn, opgezwollen

enkels (oedeem) of jeukende blaasjes. Het beste wat je

bij oververhitting kan doen, is voldoende water drinken en

het tempo aanpassen.

betekent, gebruikt men de warmte-index. Deze index

combineert de temperatuur en relatieve luchtvochtigheid

om de zogenaamde gevoelstemperatuur te bepalen.

De inwendige thermostaat van een mens probeert de

lichaamstemperatuur rond een bepaalde waarde te

houden (ongeveer 37 °C) door de warmte die het lichaam

produceert af te geven. Deze warmteafgifte vindt onder

andere plaats door middel van zweten. De warmte

die nodig is om het zweet te laten verdampen wordt

onttrokken aan het lichaam waardoor het afkoelt. Echter,

als het vocht in de lucht toeneemt, wordt de verdamping

minder en dus ook het verkoelende effect daarvan. Met

behulp van de warmte-index kan bepaald worden of

er sprake is van een problematische combinatie van

temperatuur en luchtvochtigheid.

Bij hitte-uitputting kan je flauwvallen, is er sprake van

een verhoogde hartslag, hevig zweten en een bleke huid.

Het is noodzakelijk te stoppen waar je mee bezig bent

en een koele plek te zoeken. Direct reduceren van de

lichaamstemperatuur is gewenst. Koel desnoods het

lichaam door een koude douche te nemen of met natte

doeken het lichaam te koelen.

Zodra de lichaamstemperatuur stijgt tot meer dan 39 °C

kan er een hitteberoerte optreden; symptomen daarvan

zijn een verhoogde hartslag, misselijkheid, een rode huid,

stuiptrekkingen en uiteindelijk verlies van bewustzijn.

Laat er geen misverstand over bestaan; een hitteberoerte

is levensbedreigend en vraagt medische interventie.

Primaire hyperthermie is het gevolg van langdurige

blootstelling aan te hoge temperaturen. Om te bepalen

wat langdurige blootstelling aan te hoge temperaturen

Warmte-uitwisseling van het menselijk lichaam

Om comfortparameters goed te begrijpen, moet duidelijk

zijn hoe de warmte-uitwisseling tussen het menselijk

lichaam en de omgeving verloopt. Deze uitwisseling

verloopt via:

- Convectie: de warmte-uitwisseling tussen de

omgevings lucht en het menselijk lichaam verloopt

sneller naarmate de lucht sneller beweegt en

naarmate het temperatuurverschil tussen de

twee groter is.

- Straling: ook zonder contact wisselen twee

lichamen energie uit.

- Transpiratie, doordat het water dat zich op het

huidoppervlak van het lichaam bevindt verdampt.

- Het drinken en het innemen van voedsel.

- Geleiding bij direct contact met koude of

warme objecten.

116


Warmte-uitwisseling tussen het menselijk lichaam en de omgeving

Criterium

Temperatuur van de wanden

Luchttemperatuur

Luchtsnelheid

Vochtigheid

Metabolisme

Kledij

Thermische wisseling

24% Verdamping zweet

35% Convectie

35% Straling

6% Voedselinname

1% Geleiding

Bron: Leefmilieu Brussel

Thermische uitwisseling door verdamping

Mensen zweten, hun zweet verdampt, de warmte die daarvoor nodig is wordt onttrokken

aan het lichaam en daardoor koelt het lichaam af. Zo kunnen mensen langere tijd bij

temperaturen van 40 of zelfs 45 °C overleven. Naarmate er meer vocht in de lucht

aanwezig is, wordt de verdamping en dus ook het koelend effect ervan minder.

De hoeveelheid waterdamp in de lucht wordt gemeten in gram waterdamp per kilogram

lucht. Er bestaat een bovengrens voor de hoeveelheid waterdamp in de lucht. Boven

een bepaalde waarde, die van de temperatuur afhangt, condenseert de waterdamp en

ontstaan wolken en mist. Bij 10 °C ligt deze grens bij 7,7 g/kg, bij 30 °C loopt dit op tot

27 g/kg. Als dit maximum bereikt is, kan water, en dus ook zweet, niet meer verdampen.

Hoever de actuele hoeveelheid waterdamp in de lucht verwijderd is van het maximum

wordt aangeduid met de relatieve vochtigheid. Deze varieert van 0% (kurkdroge lucht,

geen waterdamp) tot 100% (verzadigde lucht, maximale waarde).

Hoe warm de lucht aanvoelt is uit te drukken in een formule gebaseerd op temperatuur

en relatieve vochtigheid. De uitkomst wordt gevoelstemperatuur genoemd, in het Engels

wordt "apparent temperature" of "heat index" gebruikt. De tabel hieronder geeft de

gevoelstemperatuur weer voor verschillende combinaties van temperatuur en relatieve

luchtvochtigheid. Ook is aangegeven wat het effect daarvan is op het welzijn van mensen.

Een temperatuur van 30 °C voelt bij 50% luchtvochtigheid aan als 31 °C, bij 80% als 38 °C

en bij 100% zelfs als 44 °C. Gevoelstemperaturen boven de 55 °C zijn levensgevaarlijk

omdat het lichaam zijn warmte dan maar moeilijk meer kwijt kan.

117


KNMI - Gevoelstemperatuur bij warm weer

Relative humidity

NOAA national weather service: heat index

Temperature

80°F

27°C 28°C 82°F

29°C 84°F

30°C 86°F 88°F

31°C 32°C 90°F

33°C 92°F

34°C 94°F

36°C 96°F 98°F

37°C 100°F

38°C 102°F

39°C 104°F

40°C 106°F

41°C 108°F

42°C 110°F

43°C

40% 80°F

27°C 27°C 81°F

28°C 83°F

29°C 85°F 88°F 91°F

31°C 33°C 34°C 94°F

36°C 97°F 101°F

38°C 105°F

41°C 109°F

43°C 114°F

46°C 119°F

48°C 124°F

51°C 130°F

54°C 136°F

58°C

45% 80°F

27°C 28°C 82°F

29°C 84°F 87°F

31°C 32°C 89°F

34°C 93°F

36°C 96°F 100°F

38°C 104°F

40°C 109°F

43°C 114°F

46°C 119°F

48°C 124°F

51°C 130°F

54°C 137°F

58°C

50%

27°C 81°F

28°C 83°F

29°C 85°F 88°F

31°C

91°F

33°C 35°C 95°F 99°F

37°C 103°F

39°C 108°F

42°C 113°F

45°C 118°F

48°C 124°F

51°C 131°F

55°C 137°F

58°C

55%

27°C 81°F

29°C 84°F

30°C 86°F

32°C 89°F

34°C 93°F

36°C 97°F 101°F

38°C 106°F

41°C 112°F

44°C 117°F

47°C 124°F

51°C 130°F

54°C 137°F

58°C

60%

28°C 82°F

29°C 84°F 88°F

31°C

91°F

33°C 35°C 95°F 100°F

38°C 105°F

41°C 110°F

43°C 116°F

47°C 123°F

51°C 129°F

54°C 137°F

58°C

65%

28°C 82°F

29°C 85°F

32°C 89°F

34°C 93°F 98°F

37°C 103°F

39°C 108°F

42°C 114°F

46°C 121°F

49°C 128°F

53°C 136°F

58°C

70%

28°C 83°F

30°C 86°F

32°C 90°F

35°C 95°F 38°C 105°F

41°C 112°F

44°C 119°F

48°C 126°F

52°C 134°F

57°C

75%

29°C 84°F 88°F

31°C 33°C 92°F

36°C 97°F 103°F

39°C 109°F

43°C 116°F

47°C 124°F

51°C 132°F

56°C

80%

29°C 84°F

32°C 89°F

34°C 94°F 38°C 106°F

41°C 113°F

45°C 121°F

49°C 129°F

54°C

85%

29°C 85°F

32°C 90°F

36°C 96°F 102°F

39°C 110°F

43°C 117°F

47°C 126°F

52°C 135°F

57°C

90%

30°C 86°F

33°C 91°F 98°F

37°C 105°F

41°C 113°F

45°C 122°F

50°C 131°F

55°C

95%

30°C 86°F

34°C 93°F 38°C 108°F

42°C 117°F

47°C 127°F

53°C

100% 87°F

31°C 35°C 95°F 103°F

39°C 112°F

44°C 121°F

49°C 132°F

56°C

Key to colors

Caution

Extreme caution

Danger

Extreme danger

Sterfte door hitte

Van de sterfgevallen door hitte in Nederland kan al 31% worden toegeschreven aan

klimaatverandering. Dat komt neer op bijna 250 sterfgevallen door klimaatverandering per

jaar. Dat blijkt uit internationaal onderzoek over de periode 1991-2018 waar het RIVM aan

deelnam en waarover het tijdschrift Nature Climate Change ook heeft gepubliceerd. Het

onderzoek werd uitgevoerd door het Multi-Country Multi-City Collaborative Research Network

(MCC). Het MCC is een internationaal samenwerkingsverband van milieu-epidemiologen die

onderzoek doen naar relaties tussen milieustressoren, klimaat en gezondheid.

Klimaatverandering leidt tot meer warme en hete dagen. In 43 landen, waaronder Nederland,

bleek dat de sterfte door hitte in de periode 1991-2018 voor 37% werd veroorzaakt door

klimaatverandering. Nog niet eerder werd dit effect op zo grote schaal onderzocht. In het

onderzoek zijn gegevens gebruikt van 732 steden in 43 landen wereldwijd.

In Zuid-Europese landen is de bijdrage van temperatuur aan sterfte het grootst (> 4,5%).

De grootste veranderingen van het aantal sterftegevallen door toename van warme

en hete dagen werden gevonden in Zuid-Europa, Zuid- en West-Azië en enkele landen

in Zuidoost-Azië en Zuid-Amerika. De berekeningen gaan uit van een wereldwijde

temperatuurstijging van ongeveer 1 °C over de periode 1991-2018. Dat is lager dan de in

het akkoord van Parijs afgesproken stijging (1,5-2 °C).

118


119


Uit cijfers van de zomer van 2022 – een van de heetste

zomers in Europa tot nu toe – blijkt dat er door een

reeks hittegolven meer dan 61.000 mensen stierven, zo

becijferden Spaanse wetenschappers in een studie, die

is verschenen in Nature Medicine. In Italië vielen in dat

jaar de meeste doden door de hitte, gevolgd door Spanje,

Duitsland en Frankrijk. Vooral voor ouderen is extreme

hitte sneller fataal.

Klimaatverandering: toenemende sterfte

Door de stijgende temperatuur op aarde verwachten

wetenschappers meer hittegolven, die ook vaker

extremer zullen uitpakken. Het is hoog tijd om daar

iets aan te doen, zo vinden ook onderzoekers van het

Barcelona Institute for Global Health (ISGlobal). De

onderzoekers gebruikten sterftegegevens van Eurostat

van 35 landen en hebben die afgezet tegen de wekelijkse

temperatuur in alle Europese landen, die fijnmazig werd

gemeten. Ze schatten dat 61.672 doden tussen 30 mei

en 4 september 2022 zijn toe te schrijven aan de hitte.

In Italië stierven ruim 18.000 mensen ten gevolge van

de hitte, in Spanje ruim 11.000, in Duitsland dik 8.000

en in Frankrijk 4.800. In aantallen staan dus ook Noord-

Europese landen in de top, maar omgerekend naar het

aantal hittedoden per miljoen inwoners werden vooral de

landen rond de Middellandse Zee zwaar getroffen.

In vrijwel alle landen vielen veruit de meeste doden onder

tachtigplussers. De hitte trof gemiddeld genomen 63%

meer vrouwen dan mannen, maar in de leeftijd tussen

0 en 64 jaar juist meer mannen.

Het berekende aantal hittedoden in 2022 is lager

dan het recordaantal dat in Europa in de uitzonderlijk

hete zomer van 2003 viel, met een oversterfte van

70.000. In die tijd waren er nog nauwelijks hittewaarschuwingssystemen

en hittepreventieplannen,

laat staan duurzame aanpassingen.

120


Doordat de afgelopen tien jaar de opwarming versnelde,

hebben veel landen die nu wel. Maar uit het grote aantal

hittedoden blijkt dat die plannen snel herzien en

verbeterd moeten worden. Zonder aanpassingen voorzien

de onder zoekers rond 2030 elke zomer meer dan

68.000 doden, en rond 2040 meer dan 94.000. Van alle

continenten warmt Europa het meest op, ruim 1 °C meer

dan het wereldwijde gemiddelde.

Bij een hoge omgevingstemperatuur wordt het voor een

mens lastiger om zijn warmte kwijt te raken en het lijf

op temperatuur te houden, te weten op 37 °C. Een hoge

luchtvochtigheid maakt dat nog moeilijker. Er treedt dan

hittestress op. Als het verergert volgt hitte-uitputting.

Met name voor ouderen kan extreme hitte sneller fataal

zijn. Hun lichaam kan zich minder goed aanpassen

aan de tem pe ratuur, en zij hebben een minder sterke

dorstprikkel. Daarbij hebben ouderen vaker al hart- of

vaataandoeningen en gebruiken ze vaker medicijnen die

vocht afdrijven, zoals plaspillen.

De hitte hoeft niet eens extreem te zijn om al hittestress

te veroorzaken. Als de luchtvochtigheid hoog is, 80%,

wordt al bij een temperatuur van 34 °C het hart zwaar

belast. De hartslag gaat dan ineens steeds sneller

omhoog tijdens lichte inspanning, wijst een recente

studie met 51 jonge gezonde vrijwilligers uit in het

Journal of Applied Physiology. Dat gebeurt zelfs al 20

minuten voordat door hittestress het lijf de temperatuur

niet meer op peil kan houden. Bij een drogere lucht

was die ontsporende hartslag meetbaar bij 41 °C. Een

plotseling steeds toenemende hartslag is dus een

waarschuwingssignaal voor een mogelijk stijgende

lichaamstemperatuur.

Europese landen, en vooral die rond de Middellandse

Zee, moeten zich dus nog beter voorbereiden op

hittegolven. Te denken valt aan betere voorlichting,

aangepaste werktijden, goede isolatie en aircosystemen

in huizen, verpleeghuizen en in publieke gebouwen,

meer beschutting en meer groene plekken in steden.

121


122


BINNENKLIMAAT IN VOGELVLUCHT

Waarom is het onderwerp belangrijk?

Volgens een onderzoek door TNO (Venema et al., 2007)

had 8,2% van de Europeanen tussen de 15 en

64 jaar door het werk veroorzaakte of verergerde

gezondheidsproblemen. Van hen bleef 25,9% langer

dan een maand thuis vanwege problemen met de

luchtwegen. Tevens werd geconcludeerd dat een

goede luchtkwaliteit het ziekteverzuim met een kwart

kan doen afnemen en daarmee de productiviteit van

de werknemers bovendien tot 20% verbeterd wordt.

Omdat arbeidsproductiviteit als een kostbaar goed wordt

beschouwd, zouden gebouwgebruikers centraal moeten

staan bij het ontwerpen van een gebouw.

Arbeidsproductiviteit wordt bepaald door het

complete milieu van de werknemer, waardoor het

aantal meespelende factoren zeer omvangrijk is. Veel

hiervan zijn door de werkgever niet of nauwelijks te

beïnvloeden, zoals de persoonlijke en sociale factoren.

De organisatorische factoren zijn wel te beïnvloeden en

worden door ieder bedrijf afzonderlijk bepaald.

Factoren van invloed op productiviteit

Persoonlijke

factoren

- Persoonlijkheid

- Werkinstelling

- Thuissituatie

- ...

Sociale

factoren

Productiviteit

Organisatorische

factoren

- Organisatiestructuur

- Bedrijfscultuur

- Wijze leidinggeven

- Relatie met collega’s

- Beloning(sstructuur)

- ...

Werkmiddelen,

werkomgeving

Binnenklimaat

Het binnenklimaat van gebouwen valt onder de

bouwfysica en kan onderverdeeld worden in de

categorieën licht, akoestiek en lucht.

De totale luchtkwaliteit wordt gevormd door zowel

de luchtverontreiniging als de temperatuur en het

vochtgehalte van de binnenlucht en is afhankelijk van

externe condities, het ontwerp van het gebouw en de

installaties en de gebruikers. Volgens Leaman & Bordass

(1997) zijn er positieve associaties gevonden tussen

arbeidsproductiviteit en het gevoel van controle over

geluid, verwarming, koeling, ventilatie en verlichting in

volgorde van sterkte van het verband.

Thermisch behagen

Of iemand zich comfortabel voelt met betrekking

tot de temperatuur in een ruimte wordt bepaald door

het vochtgehalte, de snelheid en de temperatuur

van de omgevingslucht. Ook de gemiddelde

stralingstemperatuur, kleding en de mate van inspanning

zijn belangrijke factoren. Naast deze algemene factoren

zijn ook de lokale verschillen van belang, zoals koude

ramen, de verticale temperatuurgradiënt en te veel

warmte van instralend zonlicht. Hierin vervullen

verwarming en ventilatie de grootste rollen. Andere

aanwezige warmtebronnen in een utiliteitsgebouw

naast de verwarmingsinstallatie zijn de werknemers,

zonnestraling en elektrische apparatuur.

- Welvaartsniveau

- Nationale werkinstelling

- Lokale werkinstelling

- ...

Bron: Boersma & Leijten, 2003

- Productiemiddelen (pc)

- Ergonomie meubilair

- Ruimtegebrek

- Thermisch binnenklimaat

- Luchtkwaliteit

- Geluid/akoestiek

- Kunstlicht/daglicht

- ...

Een te hoge temperatuur (> 25 °C) heeft voornamelijk

op de korte termijn een nadelige uitwerking en uit zich

bijvoorbeeld in hoofdpijn, vermoeidheid, duizeligheid en

verslechtering van de motoriek.

123


Een te lage temperatuur (< 11 °C) leidt eveneens tot

verslechtering van de motoriek en eventueel problemen

met de luchtwegen.

Verontreiniging

De term "binnenluchtverontreiniging" impliceert een

relativiteit. In dit geval is verontreinigde binnenlucht een

bepaalde hoeveelheid lucht die hogere concentraties van

bepaalde stoffen bevat dan buitenlucht. De binnenlucht

kent de volgende drie soorten verontreiniging:

- Fysische verontreiniging zoals fijnstof, asbest,

minerale wol.

- Biologische verontreiniging zoals bijvoorbeeld

mijten, schimmels, pollen, bacteriën en

afscheidingen van biologische bronnen.

- Chemische verontreiniging zoals bijvoorbeeld NO2,

O3, CO, CO2, VOS, formaldehyde, radon en PAK’s.

Verder wordt onderscheid gemaakt tussen primaire

en secundaire verontreiniging, waarbij secundaire

luchtverontreiniging het ontstaan van chemische

verbindingen tussen primaire verontreinigingen is. De

bepalende factor in vervuilde lucht is in kantoorsituaties

veelal CO2, omdat de gebouwgebruikers dit in grote

hoeveelheden uitademen en het bovendien een goede

en bovendien absolute, gedefinieerde indicatie geeft van

de hoeveelheid reukstoffen in de lucht. CO2 is zodoende

in dezen de belangrijkste indicator om te bepalen of

lucht vervuild is. Dit wordt dan ook wel de "hygiënische

grenswaarde" genoemd. De achtergrondconcentratie

van CO2 in buitenlucht op zeeniveau is ongeveer 360

ppm tot 450 ppm in een stedelijke omgeving. De

gemiddelde, licht actieve persoon ademt 0,5 m3/h uit,

wat voor ongeveer 0,02 m3 uit CO2 bestaat.

De schadelijkheidsgrens van CO2 ligt bij 30.000 ppm

en vanaf concentraties hoger dan 80.000 ppm kunnen

krampen, bewusteloosheid en zelfs de dood intreden.

Boven de 1.000 ppm CO2 wordt de lucht reeds als

slecht ruikend ervaren. Omdat CO2 een geurloos gas

is, betekent dit dat de ventilatie dusdanig slecht is

dat de geproduceerde afvalstoffen, zoals geur door

biologische afscheiding, slecht afgevoerd worden.

Naast CO2 zijn in een kantoorsituatie fijnstof en ozon

(O3) de belangrijkste luchtvervuiling.

De primaire oorsprong van fijnstof zijn de processen

verbranding (fossiele brandstoffen), wrijving (vermalen) en

verdamping (zeewater). Secundair fijnstof wordt gevormd

wanneer de smogvormende stoffen NOx, SO2, NH3, VOS

en ozon samenkomen. Ozon komt van nature sporadisch

voor in de biosfeer, maar wordt wel bewerkstelligd

door antropogene aantasting van de ozonlaag. In

de binnenlucht geldt dat de printapparatuur in een

utiliteitsgebouw de grootste oorzaak is van ozon en fijnstof.

Een bijdrage aan hart- en luchtwegaandoeningen,

functiestoornissen en vroegtijdige sterfte wordt door

Brunekreef & Holgate (2002) toegerekend aan fijnstof.

Voor dit type vervuiling is geen veilige, maximale

waarde toegekend, omdat ieder deeltje potentieel

schadelijk is. Des te hoger echter de concentratie

fijnstof en individuele gevoeligheid, des te groter het

gezondheidsrisico. Ook ozon tast voornamelijk de

luchtwegen aan en kan astma versterken.

Voor de andere stoffen zijn veel verschillende gevolgen

van verontreinigde lucht aan te wijzen, zowel op de korte

als op de lange termijn.

124


Vocht

Vocht kan voortkomen uit het gebruik van keuken- en

douchefaciliteiten, bouwmaterialen (alleen in het eerste

jaar na oplevering) en de aanwezige personen.

Een persoon die lichte arbeid verricht produceert

ongeveer 70 gram vocht per uur door per- en respiratie.

Door middel van ventilatie kan de luchtvochtigheid

worden geregeld.

Een veel gebruikte grootheid voor het vochtgehalte in

de lucht is de relatieve luchtvochtigheid (RH; relative

humidity). Deze geeft het percentage vocht dat de lucht

bevat in relatie tot de hoeveelheid vocht die de lucht

maximaal kan bevatten bij de gegeven luchttemperatuur.

De absolute luchtvochtigheid wordt uitgedrukt in massa

per volume en is dus afhankelijk van de druk.

De absolute luchtvochtigheid in Nederland is in de winter

het laagst en piekt in de zomer. De onderdrempel van

relatieve luchtvochtigheid in Nederland ligt rond de

30%, wat net op de grens van behaaglijkheid ligt. Bij kou

buiten wordt er binnen echter verwarmd, waardoor de

lucht gedroogd wordt. Hierdoor kan het van belang zijn de

lucht ’s winters te bevochtigen. Het belangrijkste gevolg

van te vochtige lucht is schimmel- en bacteriegroei.

Bij onvoldoende ventilatie kan condensatie optreden,

gedreven door verzadiging van de lucht met waterdamp.

Met name op koude oppervlakken ontstaat hierdoor

schimmel. Verder kunnen gebouwgebruikers hun

lichaamswarmte nauwelijks kwijt door verminderde

transpiratie. Bovendien wordt een te hoge of te lage

temperatuur beter waargenomen. Wanneer de lucht te

weinig vocht bevat, is er bij de gebouwbezetters kans op

slijmvliesirritatie en "droge" ogen.

125


BINNENKLIMAAT NADER BEKEKEN

Thermische perceptie

Zetten we werknemers centraal, dan is de absolute CO2-

bepaling slechts een hulpmiddel om te bepalen of men

zich behaaglijk voelt op de werkplek. Uiteindelijk is de

waargenomen luchtkwaliteit de belangrijkste waarde.

Tot de jaren 70 van de vorige eeuw werden echter slechts

statische getallen aangehouden voor luchtkwaliteit.

Daarna begon de Rijksgebouwendienst normen op te

stellen voor uitgangspunten voor binnenklimaatcondities

in nieuwbouw met een kantoorfunctie, gebaseerd op de

methode-Fanger.

Tevredenheid volgens Fanger

De Fanger-methode is ontworpen om de tevredenheid

van de gebouwgebruikers over het klimaat in een gebouw

te voorspellen. Het model simuleert het stemmen van

de gebouwgebruikers op de zevenpuntsschaal (van

koud naar heet) van thermische sensatie of voorkeur

op basis van de warmtebalans over het menselijk

lichaam, waarvan het gemiddelde wordt genomen (PMV;

Predicted Mean Vote). Uit dezelfde simulatie kan tevens

het percentage ontevredenen worden berekend (PPD;

Predicted Percentage of Dissatisfied). De index PMV/PDD

vormt vervolgens een tevredenheidspercentage.

Aangetoond is dat het best haalbare resultaat 95%

tevredenheid oplevert, hoewel dit in praktijk extreme

maatregelen vergt. Veelal wordt naar een uitkomst van

–0,5 < PMV < 0,5 op de zevenpuntsschaal gestreefd.

Over het algemeen wordt aangehouden dat gedurende

10% van de gebruiksduur van een gebouw het klimaat

ontoereikend mag zijn (-1 < PMV < 1), echter alleen

onder extreme omstandigheden (hittegolven of defecte

klimaatsystemen). Deze methode staat beschreven in

de NEN-EN-ISO 7730, hoewel deze -2 < PMV < 2 zelfs als

acceptabel beschouwt.

In het model wordt de warmtebalans opgesteld aan

de hand van zes parameters. Voor een kantoorfunctie

gelden als gemiddelden:

- Activiteitenniveau (metabolisme) 1,2 met

(= 69,6 W/m2).

- Kleding (isolatie) winter 1,0 clo (R = 0,155 m2K/W),

zomer 0,4 clo.

- Stralingstemperatuur winter binnenluchttemperatuur

-2 °C, zomer binnenluchttemperatuur

+2 °C.

- Luchtsnelheid winter 0,15 m/s, zomer 0,25 m/s.

- Luchtvochtigheid 50%.

- Temperatuur winter 20 – 24 °C, zomer 23 – 26 °C.

Op basis hiervan publiceerde de Rijksgebouwendienst

in 1991 een ontwikkelde methode waarmee het

binnenklimaat accurater kon worden geschat door

middel van "temperatuuroverschrijdingstijd". Hierbij

mocht de binnentemperatuur niet langer dan 100 uur

per jaar boven de 25 °C uitkomen en maximaal 10 tot

20 uur boven de 28 °C. Tot op heden is dit de meest

gebruikte bepalingsmethode voor het binnenklimaat.

Gebrekkig aan deze methode is echter dat de bepaling

berust op een gemiddelde, dat "slechts" maximaal

95% tevreden stelt. Bovendien werden de resultaten

in een statisch milieu gemeten, terwijl het milieu in

werkelijkheid veel dynamiek vertoont. De daadwerkelijke

gevoelstemperatuur bleek sterk af te wijken van de

persoonlijke voorkeuren.

126


Belangrijk is het gedrag van de gebouwgebruikers.

Opvallend is dat personen in een hoofdzakelijk natuurlijk

geventileerd gebouw waarbij ze bovendien zelf de mate

van ventilatie grotendeels kunnen bepalen (alfatype

gebouw), zich volgens De Dear & Brager (1998) actiever

bezighouden met het regelen van de persoonlijke

temperatuur middels kleding en metabolisme

in verhouding tot personen in een kunstmatig

geklimatiseerde omgeving (bètatype gebouw).

Er dient rekening gehouden te worden met twee

comfortzones. Met name wanneer de externe

temperatuur hoog is, worden binnen alfagebouwen

aanzienlijk hogere temperaturen geaccepteerd dan

Fanger’s model berekent.

Uit een onderzoek van Araujo & Araujo (1999) is gebleken

dat personen in een alfagebouw een afwijking van 4,9 °C

acceptabel vinden, waar deze in bètagebouwen slechts

2,4 °C beslaat. Bovendien voelt men zich algeheel

comfortabeler in een alfagebouw. Hieruit volgt dat er voor

beide type gebouwen een verschillende behaaglijkheidbepalingsmethode

gebruikt behoort te worden.

De dynamiek in thermische perceptie vanwege

verwachtings patronen, gebaseerd op de buitentemperatuur

en op de temperatuur van voorgaande

dagen, blijkt een belangrijke factor te zijn. Nieuwe

methoden, waarmee de zogenoemde adaptieve

thermische behaaglijkheid bepaald kan worden,

werden ontwikkeld door onder andere De Dear & Brager.

Deze worden beschreven door Arets et al. (2004).

Metabolisme

Het metabolisme is in hoofdzaak een fysiologisch

verschijnsel, maar kan tevens uitgelegd worden als

een (onbewuste) gedragsadaptatie. Uit onderzoek

van De Dear & Brager (1997) is echter gebleken dat

het metabolisme bij variërende binnentemperaturen

onder normale omstandigheden gelijk blijft aan M = 1,2

met (lichte activiteit), waarbij de eenheid "met" wordt

gedefinieerd als de warmteproductie van de mens in

rust, per m2 huidoppervlak (1 met = 58,2 watt). Een

gemiddeld persoon heeft een huidoppervlak van A = 1,7 m2

hetgeen onder lichte activiteit neerkomt op 1,2 met

* 58,2 W/m2 * 1,7 m2 = 120 W.

Fanger’s model met de PMV-methode leent zich vrij

goed voor centraal geventileerde gebouwen, maar gaat

minder op voor natuurlijk geventileerde gebouwen.

Veel Nederlandse gebouwen hebben een combinatie

van beide: zij hebben natuurlijke en mechanische

ventilatiemogelijkheden. Hierin blijkt Fanger onvoldoende

inzicht te bieden. Fanger baseert zich op gesloten,

statische klimaten, terwijl het klimaat in werkelijke

gebouwen continu varieert en bovendien wordt de

perceptie van het binnenklimaat beïnvloed door additionele

factoren, waarmee het Fanger-model geen rekening houdt.

Het daadwerkelijke stralingsoppervlak is echter kleiner

wanneer men zit. Door de houding te veranderen kan de

warmteafgifte worden gereguleerd. Wanneer de warmteproductie

en –ontvangst gelijk zijn aan de warmteafgifte

van het lichaam, bevindt de persoon zich in homeostase.

Kleding

Kleding speelt zoals gezegd een rol bij de gedragsadaptatie.

Er is een eenheid gedefinieerd om de mate van kledingisolatie

uit te drukken. Hierbij komt 1 clo neer op een

warmte weerstand R van 0,155 m2K/W. Dit is de mate van

127


isolatie waarmee een persoon in een driedelig pak in rust het

thermisch evenwicht bereikt bij een omgevingstemperatuur

van 21 °C en een luchtsnelheid van 10 cm/s.

Luchtsnelheid

Evenals bij de Fanger-methode wordt bij de nieuwere

modellen de behaaglijkheid van de ventilatievoorziening

gekwantificeerd naar geschatte tevredenheid. De

draught rate (DR; of draft rate) geeft het aantal

ontevredenen procentueel aan. In de NEN-EN-ISO 7730

wordt een DR < 15% acceptabel genoemd.

Energieprestatie

Zeker in het kader van de sterk gestegen kosten

van energie is de samenhang tussen het verhogen

van de binnenluchtkwaliteit ten behoeve van de

arbeidsproductiviteit en het energieverbruik van belang.

Het minimale niveau op het gebied van energieverbruik

waaraan een gebouw moet voldoen werd in eerste instantie

vastgelegd in de "energieprestatiecoëfficiënt" (EPC). De

"energieprestatie gebouwen" (EPG) beschrijft de methode

waarmee de EPC van een gebouw bepaald kan worden.

De energieprestatiecoëfficiënt (EPC) werd in

Nederland geïntroduceerd in 1995. Het doel was de

CO2-uitstoot in de gebruiksfase van gebouwen te

beperken. Bovendien was de bedoeling de markt van

gebouwen transparanter te maken door middel van

een energieprestatiecertificaat dat moest worden

overhandigd bij een transactie. De coëfficiënt is een

index die de efficiëntie van een gebouw weergeeft

met betrekking tot het energieverbruik in de

gebruiksfase, waarbij EPC = 0 staat voor een gebouw

dat geen energie verbruikt en een negatief getal

geldt voor energieleverende gebouwen. Voor nieuwe

utiliteitsgebouwen gold een maximale EPC van 1,1.

De energieprestatie in de woning- en utiliteitsbouw

wordt op verschillende manieren behandeld. Hiervoor

zijn dan ook twee protocollen, respectievelijk ISSO 82

en ISSO 75, voor bestaande bouw. Ook nieuwbouw wordt

op een separate wijze beoordeeld, waardoor nog eens

twee protocollen nodig zijn, voor woningen en utiliteit

respectievelijk NEN 5182 en NEN 2916.

In het Bouwbesluit van 1 april 2012 zijn ook nieuwe

Europese normen opgenomen. Een hiervan is de

energieprestatiebepaling, opgenomen in het Bouwbesluit

conform NEN 7120, waarin de vier bovengenoemde

protocollen geïntegreerd zijn tot de "energieprestatie

gebouwen" (EPG). Samenhangend met de EPG zijn ook

de NVN 7125 (energieprestatienorm voor maatregelen

op gebiedsniveau; EMG) en de NEN 8088-1

(ventilatienorm) gepubliceerd.

Comfort en arbeidsproductiviteit

Bij het optimaliseren van het binnenklimaat in kantoren

gaan we uit van optimalisering van de arbeidsprestatie

door het optimaliseren van het binnenklimaat. Daarbij

is het van belang de gebruikers van het gebouw te

beschouwen zoals ze zijn: individuen met een eigen,

persoonsgebonden comfortniveau, in plaats van een

statische groep die een bepaald bereik van een set

parameters als behaaglijk beschouwt.

De werkwijze om tot een ontwerp te komen dat een

optimaal comfort biedt, dient zich dan ook te richten

op de thermische behaaglijkheid. De comfortbuffer

128


per parameter wordt daarom zo groot mogelijk gemaakt

en vervolgens is het van belang het binnenklimaat

te optimaliseren door het klimaat binnen deze buffers

te reguleren.

Thermische behaaglijkheid

Met de Fanger-methode is een maximale tevredenheid

van 95% (PMV = 0) te bereiken, zij het met tussenkomst

van extreme klimaatsystemen. Bovendien wordt met

Fanger meestal een acceptatiegrens berekend (-0,5 <

PMV < 0,5) waarbij slechts 80% aangeeft tevreden te zijn.

Een alfagebouw met minder energie-intensieve ventilatie

kan maximaal scoren.

Gedragsadaptatie

Bewuste gedragsadaptatie is daarentegen het gemakke lijkst

te beïnvloeden. Door actief bezig te zijn met het klimaat kan

een gebouwgebruiker in grote mate de eigen behaaglijk heid

bepalen, bijvoorbeeld door het aanpassen van de kleding

en het openen van ramen. Hierdoor kan een individu een

groter bereik van de variabelen verdragen. De belangrijkste

vorm hiervan bleek de persoonlijke isolatie. Afhankelijk van

de temperatuur werd de hoeveelheid kleding (inclusief de

stoel) gevarieerd door de gebouwgebruikers.

Vergelijking van gedragsadaptatie middels kleding in alfaen

bètagebouwen, afhankelijk van binnentemperatuur

(De Dear & Brager, 1998)

Adaptatie

De Dear & Brager (1998) onderzochten de parameters die

van invloed zijn op de persoonlijke thermische perceptie

en vergeleken daarvoor de verschillen in thermische

beleving tussen 44 alfa- en 109 bètagebouwen. De

verschillen in de klimaatperceptie worden volgens

De Dear et al. (1997) veroorzaakt door een aantal

variabelen die onder drie noemers te vatten zijn, te weten

fysiologische, gedrags- en psychologische adaptatie.

Kledingisolatie (clo)

1.50

1.25

1.00

0.75

0.50

0.25

0

13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28

Temperatuur (ºC)

Bron: "Binnenklimaat en energie als parameters van

arbeidsproductiviteit" door Reimer van der Woude

Alfa

Bèta

Fysiologische adaptatie

Erfelijkheid bepaalt in grote mate welk bereik een

individu als behaaglijk ervaart, door bijvoorbeeld

lichaamsbouw en metabolisme en transpiratie. Ook

beschikt het menselijk lichaam over de capaciteit zich

in bepaalde mate te acclimatiseren aan een klimaat

waaraan het gedurende een langere periode wordt

blootgesteld. Deze vorm van adaptatie is onbewust en

kan dan ook niet of nauwelijks beïnvloed worden.

Een bètagebouw heeft een kleiner waargenomen

temperatuurdomein, omdat temperaturen van minder

dan 18 °C normaliter niet voorkomen in dergelijke strikt

gereguleerde gebouwen. De variantie in het geval van

alfagebouwen is groter, waaruit geconcludeerd kan

worden dat gebruikers van een alfagebouw zich actiever

bezighouden met het binnenklimaat. Gemiddeld past

de gebruiker van een natuurlijk geventileerd gebouw de

kleding aan met 0,05 clo per graad temperatuurverschil,

waar dit 0,04 clo per graad is in een bètagebouw.

129


130


131


Een andere vorm van gedragsadaptatie is middels

het gebruik van ventilatie. In bètagebouwen is de

ventilatie meestal centraal gereguleerd en geeft

zodoende geen psychologisch gevoel van behagen.

Wel is in dit type gebouwen de luchtsnelheid in hoge

mate regelbaar. Wanneer alleen de temperatuur als

parameter wordt gezien, wordt pas geventileerd boven

de behaaglijkheidsgrens van 21 °C en de luchtsnelheden

komen meestal niet boven 0,2 m/s.

Vergelijking van gedragsadaptatie middels

luchtsnelheid in alfa- en bètagebouwen, afhankelijk van

binnentemperatuur (De Dear & Brager, 1998)

Luchtsnelheid (m/s)

Bron: "Binnenklimaat en energie als parameters van

arbeidsproductiviteit" door Reimer van der Woude

Vanwege de goede regelbaarheid van een gesloten

klimaat 27 is het domein van waargenomen temperaturen

Neutrale temperatuur (ºC)

0.40

0.35

0.30

0.25

0.20

0.15

0.10

0.05

0

13 15 17 19 21 23 25 27 29 31

28

26

Temperatuur (ºC)

klein. In 25 een alfagebouw daarentegen is de regelbaarheid

24

aanzienlijk 23 minder, maar het comfortbereik hoger.

22

Bij hogere 21 temperaturen zijn ook hogere luchtsnelheden

20

19 21 23 25 27 29 31 32

Binnentemperatuur (ºC)

gewenst. Bij 20

een binnentemperatuur 22 24 26 28

van 30

meer

dan 26 °C (drempelwaarde comforttemperatuur)

zijn luchtsnelheden boven de drempelwaarde van

behaaglijke luchtsnelheid (0,2 m/s) waargenomen.

Alfa

Bèta

Alfa

Bèta

Psychologische adaptatie

De moderne mens creëert onbewust een verwachting

van het weer. Uiteraard op basis van het weerbericht,

maar vooral het weer in de drie voorgaande dagen

blijkt daarbij ook een rol te spelen. Belangrijkste

conclusie is dat men binnen een lagere temperatuur

accepteert als het buiten relatief koud is en vice versa.

De psychologische adaptatie is, zo blijkt uit recente

studies (De Dear & Brager 1998), een zeer belangrijk

aspect bij het optimaliseren van de klimaatperceptie.

Door gebouwgebruikers zelf de mogelijkheid te geven

tot het regelen van het klimaat, zijn deze actiever

met het klimaat bezig en passen ze in de praktijk

vaker hun gedrag aan het klimaat aan. De thermische

perceptie verandert positief, hetgeen vooral kan worden

toegeschreven aan het psychologisch effect.

Omdat in de Fanger-methode wel rekening werd

gehouden met klimaatregulatie en gedragsadaptatie

maar niet met psychologische adaptatie, kan uit het

dynamisch deel van de behaaglijkheidsbepaling worden

geconcludeerd dat de overige 5% van de PMV-bepaling

wordt vertegenwoordigd door de psychologische

invloed. Deze psychologische factor kan worden

gemaximaliseerd door de gebruikers het gevoel te geven

dat ze het klimaat zelf kunnen beïnvloeden.

Specifieke behaaglijkheidstemperaturen

De Dear & Brager (1998) hebben zich ook gebogen

over het vraagstuk van de optimale waarden voor de

thermische behaaglijkheid.

Neutrale temperatuur (ºC)

28

27

26

25

24

23

22

21

20

-4 0 4 8 12 16 20 24 28 32

Buitentemperatuur (ºC)

Alfa

Bèta

132


Luchtsnelheid (m/

0.25

0.20

0.15

0.10

Alfa

Bèta

0.05

0

13 15 17 19 21 23 25 27 29 31

Temperatuur (ºC)

Neutrale temperatuur

In het onderzoek van De Dear & Brager (1998) werd per

halve graad kelvin temperatuurstijging, de verandering

in thermische beleving geanalyseerd. Hieruit werd direct

geconcludeerd dat gebruikers van een bètagebouw

tweemaal zo gevoelig voor temperatuurschommelingen

0.40

waren als die van een alfagebouw. Vervolgens werd

een lineaire regressie gemaakt van de relatie tussen

Luchtsnelheid (m/s)

0.25

binnentemperatuur (x-waarde) en de beleving

hiervan 0.15(y-waarde). Door deze op te lossen voor y

= 0 (homeostase; neutrale sensatie), waarbij de

warmteafgifte gelijk is aan de warmteproductie en

-opname van het lichaam, is de neutrale temperatuur

afhankelijk van de binnentemperatuur bepaald.

Verband tussen neutrale temperatuur en binnentemperatuur

Neutrale temperatuur (ºC)

Bron: "Binnenklimaat en energie als parameters van

arbeidsproductiviteit" door Reimer van der Woude

Hieruit volgt dat de neutrale temperatuur boven de

binnen temperatuur ligt bij lagere temperaturen en

Neutrale temperatuur (ºC)

0.35

0.30

0.20

0.10

0.05

0

13 15 17 19 21 23 25 27 29 31

28

27

26

25

24

23

22

21

Temperatuur (ºC)

20

19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32

Binnentemperatuur (ºC)

28

27

andersom. Wanneer in een alfagebouw de temperatuur

26

25

bijvoorbeeld 24 19 °C is, ligt de neutraliteit rond de

23

Alfa

Bèta

Alfa

Bèta

22 °C,

22

maar als deze temperatuur eenmaal gehaald

21

20

is, ligt de -4 neutraliteit 0 4 8 weer 12 ruim 16 20 een 24 graad 28 32 hoger.

Buitentemperatuur (ºC)

Alfa

Bèta

De neutrale temperatuur is ongeveer gelijk aan de

binnentemperatuur, rond de 24 °C in beide gebouwtypen.

Neutrale temperatuur (ºC)

Het idee achter adaptieve behaaglijkheid is dat de

huidige en voorafgaande buitentemperatuur de sensatie

21

van het binnenklimaat (neutrale temperatuur) beïnvloedt.

De Dear & Brager (1998) Binnentemperatuur hebben (ºC) de neutrale temperatuur

dan ook uitgezet tegen de buitentemperatuur.

Vergelijking tussen alfa- en bètagebouwen van

neutrale sensatietemperatuur, afhankelijk van de

buitentemperatuur (De Dear & Brager, 1998)

Neutrale temperatuur (ºC)

Bron: "Binnenklimaat en energie als parameters van

arbeidsproductiviteit" door Reimer van der Woude

Er blijkt inderdaad een correlatie te bestaan tussen de

buitentemperatuur en de neutrale sensatietemperatuur.

Ook hierin komt terug dat het temperatuurdomein van

Comfort temperatuur (ºC)

28

27

26

25

24

23

22

20

19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32

28

27

26

25

24

23

22

21

20

-4 0 4 8 12 16 20 24 28 32

Buitentemperatuur (ºC)

27

26

25

behaaglijkheid 24 in het geval van alfagebouwen (20-27 Neutraal °C)

23

groter is dan bij bètagebouwen (21-25 °C).

22

21

Voorkeurstemperatuur

20 -4 -1 2 5 8 11 14 17 20 23 26 29 32 35

Het feit dat de gebruikers zich in homeostase bevinden

Buitentemperatuur (ºC)

is echter geen garantie dat men een maximale

behaaglijkheid beleeft, laat staan een optimale

productiviteit. De data van de 153 onderzochte

gebouwen bevatten in een aantal gevallen ook gegevens

van voorkeurstemperaturen. Deze werden vergeleken

met de neutraliteitstemperatuur in beide gebouwtypen,

waarbij de verwachting was dat gebruikers een iets

hogere temperatuur dan neutraal prefereren bij een

kouder buitenklimaat en andersom.

Alfa

Bèta

Alfa

Bèta

Voorkeur

27

peratuur (ºC)

26

25

24

Neutraal

133


19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32

Binnentemperatuur (ºC)

Neutrale temperatuur (ºC)

28

27

26

25

24

23

22

21

20

-4 0 4 8 12 16 20 24 28 32

Buitentemperatuur (ºC)

Alfa

Bèta

Vergelijking tussen neutrale en voorkeurstemperaturen

in bètagebouwen, afhankelijk van buitentemperatuur

(De Dear & Brager, 1998)

Comfort temperatuur (ºC)

27

26

25

24

23

22

21

20 -4 -1 2 5 8 11 14 17 20 23 26 29 32 35

Bron: "Binnenklimaat en energie als parameters van

arbeidsproductiviteit" door Reimer van der Woude

Alleen in bètagebouwen kon verband worden aangetoond

tussen neutrale en voorkeurstemperaturen. Wanneer de

buitentemperatuur 0 °C is, blijkt de voorkeurstemperatuur

bijna een graad boven de neutrale temperatuur te

liggen. Bij 28 °C ligt de voorkeur juist een graad onder

de neutrale temperatuur. De voorkeurstemperatuur

geeft een betere definitie van optimale condities dan de

neutrale temperatuur en ligt bij benadering over de hele

linie van buitentemperaturen rond de 23 °C.

Microklimaat

Buitentemperatuur (ºC)

De persoonlijke invloed die gebruikers van gebouwen

kunnen uitoefenen op het klimaat speelt een grote rol

in hun welbevinden. Daaruit zou voortvloeien dat het

optimale ontwerpscenario een alfagebouw is met ramen

die individueel gebruikt kunnen worden.

Neutraal

Voorkeur

Dit type gebouw is echter niet eenvoudig te gebruiken. De

werkplekken dienen dusdanig ontworpen te zijn dat het

openen van gevelopeningen uitwerking heeft op individueel

niveau en anderen niet hindert. Bovendien is het door

bijvoorbeeld lage buitentemperaturen, hoge windsnelheden

of geluidsoverlast niet altijd wenselijk om ramen te openen.

Dit probleem kan omzeild worden door een bètagebouw

met een macroklimaatsysteem (collectief) te ontwerpen in

combinatie met een microklimaatsysteem (individueel). Dit

sluit het gebruik van openslaande ramen niet per definitie

uit, wanneer de relevante parameters van de buitenlucht

dicht bij het comfortniveau liggen, gezien de vergroting van

het comfortbereik door natuurlijker omstandigheden. Zo

kan er gekozen worden voor:

Macro- en microklimaatsystemen ingeschakeld

Op deze manier wordt op gecontroleerde wijze

een alfa klimaat nagebootst en dat is nodig

als de buitentemperatuur en de optimale

productiviteitstemperatuur ver uit elkaar liggen.

Alleen microklimaatsysteem ingeschakeld in

combinatie met geopende ramen

Op deze manier wordt (geconditioneerde) lucht

ingeblazen middels het PV-systeem. Het drukverschil

dat hierdoor ontstaat veroorzaakt exfiltratie via de

ramen. Op deze manier wordt het energie-intensieve,

centrale klimaatsysteem ontlast, maar dit is eigenlijk

alleen mogelijk wanneer de optimale temperatuur en

buitentemperatuur dicht bij elkaar liggen.

Er bestaan inmiddels microklimaatsystemen waarbij

de gebruiker zijn persoonlijke microklimaat kan

instellen. Daarmee slinkt het percentage ontevreden

gebouwgebruikers aanzienlijk. In iedere ruimte dient

de temperatuur centraal geregeld te worden tot de

gemiddeld optimale temperatuur afhankelijk van

de buitentemperatuur. Daarnaast kan de optimaal

134


aan te voeren verse lucht op werkplekniveau worden

bepaald en kan men bovendien de persoonsgebonden

temperatuurvoorkeur regelen door middel van óf koeling

óf verhoogde inblaassnelheden. De warmte en koude

worden geleverd middels een water-warmtewisselaar.

Voor optimale productiviteit wordt de warmte op de romp

en op de handen afgegeven, die iets warmer dienen te

zijn dan de rest van het lichaam, volgens Wyon (2000).

Volgens Branderhorst (2012) is een individuele

temperatuurregeling van ± 3 °C te realiseren. Meer is in

de praktijk ook niet gewenst, omdat hierdoor storende

temperatuurgradiënten op het lichaam kunnen ontstaan,

volgens Olesen et al. (1979).

135


COMFORT IN GEBOUWEN

Van de theorie naar de praktijk

Het thermisch comfort is de tevredenheid van

een individu met betrekking tot de thermische

omstandigheden van de omgeving. Men spreekt van

thermisch comfort wanneer de persoon het niet warmer

of kouder hoeft te hebben.

Dat is subjectief en hangt dus af van de individuele

percepties. Het thermisch comfort wordt beïnvloed door

de fysieke activiteit, kleding alsmede de niveaus en

schommelingen van de kenmerken van de thermische

omgevingsfactor (luchttemperatuur, straling, contacten,

vochtigheid en luchtstroomsnelheid).

de luchtcirculatie op de huid die rechtstreeks aan de

omgevingslucht is blootgesteld.

Iemand de mogelijkheid bieden om in de meest

comfortabele omstandigheden te werken, beperkt de

gezondheidsrisico’s (pathologische effecten). Wanneer

men afwijkt van de referentiewaarde, namelijk de

thermische neutraliteit, stelt men prestatieverlies vast,

alsook een daling van het reactievermogen, waardoor het

risico op een ongeval stijgt.

De PMV- en PPD-index worden beschreven in de norm

ISO 7730 "Ergonomie van de thermische omgeving -

Analytische bepaling en interpretatie van thermische

behaaglijkheid door berekening van de PMV- en PPDwaarden

en door criteria voor de plaatselijke thermische

behaaglijkheid".

Bron: https://www.simscale.com/blog/what-is-pmv-ppd/

In comfortabele situaties transpireert de persoon

haast niet, is de fysieke werkbelasting laag, is de

kledij licht, is er haast geen warmtestraling en ligt de

luchttemperatuur ergens tussen de 18 en 25 °C.

De gevoelstemperatuur stemt niet overeen met de

gemeten temperatuur, maar hangt af van de impact van

De PMV-index (Predicted Mean Vote-index) voorspelt

de gemiddelde waarde van de stemmen van een grote

groep personen op een thermische gevoeligheidsschaal

met de volgende 7 punten:

+3 heel warm

+2 warm

+1 lichtjes warm

0 noch warm, noch koud

-1 lichtjes koud

-2 koud

-3 heel koud

De PMV is gebaseerd op de vergelijking van de

warmtebalans en wordt bepaald in verhouding tot

het metabolisme, de isolatie door de kledij en de vier

klimaatparameters.

136


De PPD-index (Predicted Percentage of Dissatisfiedindex)

voorspelt kwantitatief het percentage van

ontevreden personen, omdat zij de thermische

omgeving te warm of te koud vinden (zouden op de

gevoeligheidsschaal -3, -2, +2 of +3 stemmen).

Onderstaande grafiek toont de overeenstemming tussen

de PMV- en PPD-index:

100

90

80

biedt de ontwerpers praktische richtlijnen op basis van

wetenschappelijke fundamenten.

De richtlijn betreffende de energieprestatie van

gebouwen (EPBD) is in 2002 ontstaan met de bedoeling

de energie-efficiëntie van gebouwen te verbeteren.

De EPBD is geïnspireerd op het Kyoto-protocol, dat

de EU-landen ertoe verplicht de koolstofemissies te

verminderen en de gevolgen van de klimaatverandering

te verzachten.

PPD (%)

70

60

50

40

30

20

10

0

-3 -2,5 -2 -1,5 -1 -0,5 0 0,5 1 1,5 2 2,5 3

https://www.beswic.be/nl/themas/fysische-agentia/thermischeomgeving/indexen-van-thermisch-comfort-en-belasting/pmv-enppd-indexen-van-thermisch-comfort

Het ontevredenheidspercentage stijgt op dezelfde wijze

als de PMV afwijkt van 0 naar koud en warm.

PMV

Als onderdeel van de EPBD-implementatie heeft het

Europees Comité voor Normalisatie (CEN) de EN 15251

opgesteld als norm die thermisch comfort binnenshuis

specificeert. Deze norm definieert vier categorieën

gebouwen op basis van het verwachtingsniveau van de

gebruikers, met bijbehorende ontwerpcriteria.

Category

I

II

III

IV

Description

High level of expectation, recommended for spaces occupied

by very sensitive and fragile persons with special requirements,

like the disabled, the sick, very young children, and the elderly.

Normal level of expectation should be used for new buildings

and renovations.

An acceptable, moderate level of expectation may be used

for existing buildings.

Values outside the criteria for the above categories. This category

should only be accepted for a limited part of the year.

Bron: www.simscale.com

Om een toestand van thermisch welbehagen te bereiken,

is het aanbevolen dat de PPD lager is dan 10%, hetgeen

overeenstemt met een PMV tussen de -0,5 en +0,5.

De theorieën van adaptief comfort maken het mogelijk

om naast de traditionele criteria rekening te houden met

het thermisch aanpassingsvermogen van het individu en

de interactie met de omgeving. De benadering definieert

de marges van de comforttemperatuur op basis van

statistische studies op grote schaal. Deze benadering

De twee maatstaven die belangrijk zijn voor deze norm zijn de

PMV (Predicted Mean Vote) en de PPD (Predicted Percentage

of Dissatisfied). Zo wordt de comfortzone voor categorie II

("Normaal niveau van thermische comfortverwachting")

gedefinieerd door de PMV te beperken tussen de –0,5 en

0,5, waarbij minder dan 10% van de bewoners ontevreden

is over het binnenmilieu. De onderstaande tabel bevat de

aanbevolen criteria volgens de gebouwcategorie, zoals

gespecificeerd in de norm EN 15251.

137


138


Category

Predicted Percentage

of Dissatisfied

Predicted Mean Vote

I <6% -0.2<PMV<0.2

II <10% -0.5<PMV<0.5

III <15% -0.7<PMV<0.7

IV >15% PMV<-0.7 or PMV>0.7

Bron: www.simscale.com

https://resources.sw.siemens.com/pt-BR/video-cfd-simulation

Met behulp van CFD-simulaties kunnen de PMV en PPD

als een veld worden berekend en in de nabewerking

worden gevisualiseerd, waardoor de ontwerper potentiële

ontwerpfouten en verbeteringen kan identificeren die

nodig zijn om te voldoen aan EN 15251 en andere normen

voor thermisch comfort. Dit soort informatie geeft

een goed beeld van de prestaties van het ontwerp als

geheel, waardoor het gemakkelijk wordt om meerdere

ontwerpconfiguraties te vergelijken en de impact van

verschillende wijzigingen nauwkeurig te evalueren.

De snelle bevolkingsgroei, de dichte stedelijke

ontwikkeling en de stijgende temperaturen wereldwijd

dragen allemaal bij aan de verslechterende luchtkwaliteit

en thermisch ongemak in de openbare ruimte.

Computational Fluid Dynamics (CFD) of numerieke

stromingsleer is een methode om stromingen en warmteoverdracht

binnen een gebouw te simuleren met behulp

van de computer voor (nog) niet bestaande situaties.

Dankzij CFD kunnen de ontwerper en gebruiker in een

voorstadium nauwkeurig de werking van het ontworpen

ventilatiesysteem bepalen en kan het ontwerp al in

een vroeg stadium geoptimaliseerd worden. Daarnaast

kunnen CFD-simulaties gebruikt worden voor verder

overleg met instanties.

Indicatoren voor het binnenklimaat

Het thermisch binnenklimaat bestaat in grote lijnen

uit een viertal onderdelen: luchttemperatuur, stralingstemperatuur,

luchtvochtigheid en luchtsnelheid. Deze

worden gecombineerd met persoonlijke parameters,

waaronder kleding en het niveau van de activiteiten.

De meetbare indicatoren voor thermisch comfort zijn

parameters die de warmteproductie van het lichaam

en de warmte-uitwisseling tussen het lichaam en de

omgeving beïnvloeden:

- Temperatuur van de omgevingslucht (Ta).

- Gemiddelde temperatuur van de wanden (Tp).

- De bedrijfstemperatuur: het gemiddelde van de

temperatuur van de lucht en die van de wanden

(Ta+Tp)/2. Hiermee wordt de comforttemperatuur

gedefinieerd die door de gebruikers van de ruimte

wordt ervaren.

139


- De relatieve luchtvochtigheid: de verhouding (in %)

tussen de hoeveelheid vocht in de lucht bij de Tatemperatuur

en de maximale hoeveelheid vocht

die de lucht bij die temperatuur kan bevatten.

Ze geeft aan hoeveel vocht de lucht nog kan

opnemen en toont dus het ‘uitdrogend‘ vermogen

van de lucht.

- Het kledingsniveau, uitgedrukt in [clo], met

een waarde van 0 (naakt) tot 1,5 (traditionele

stadskledij).

Er bestaat ook een oververhittingsindicator. Die is

opgenomen in de regionale EPB-wetgeving. Deze factor

wordt uitgedrukt in kelvin/uur [Kh] en geeft de overtollige

warmteproductie weer.

Comfort van bewoners en gebruikers

van gebouwen

In een zakelijke omgeving heeft een gezond

binnenklimaat een sterke positieve invloed op de

kostenstructuur. De zakelijke operationele kosten van

organisaties in Nederland bestaan voor verreweg het

grootste deel (80-90%) uit personeelskosten. Door

het optimaliseren van het binnenklimaat wordt het

productiviteitsverlies van de medewerkers alsmede het

ziekteverzuim gereduceerd.

Het binnenklimaat bestaat in grote lijnen uit de

luchtkwaliteit en het thermisch comfort op de werkplek.

Een slechte luchtkwaliteit, met een relatief hoge

concentratie verontreinigde lucht, is visueel nauwelijks

waar te nemen. De luchtkwaliteit heeft grote invloed op

de productiviteit en het welzijn van de medewerkers.

Een slecht klimaat, veelal veroorzaakt door onvoldoende

ventilatie (o.a. hoge concentraties CO2 en fijnstof)

en de verdamping van vluchtige organische stoffen

(VOC-emissies, verzamelnaam voor een groep van

koolwaterstoffen die makkelijk verdampen), geeft een

productiviteitsverlies tot wel 10%. Daarnaast heeft een

slechte luchtkwaliteit in grote mate invloed op het

ziekteverzuim en het welbehagen van de medewerkers.

Veelgehoorde klachten bij een slecht binnenmilieu zijn

concentratieverlies, hoofdpijn, irritaties aan de ogen en

luchtwegen en verkoudheidsverschijnselen. Het aanbieden

van een goede en veilige werkplek valt voor de werkgever

onder de zorgplicht.

De perceptie van het binnenklimaat heeft een directe

invloed op de productiviteit van de medewerkers.

Koeling van een gebouw

Onder koeling van een gebouw wordt verstaan elk passief

of actief systeem dat bedoeld is om het thermisch

comfort in de zomer te verzekeren.

Dat gaat dus van intensieve ventilatie door simpelweg de

ramen te openen tot een volledig airconditioningsysteem.

Bij een goed presterend gebouw is een dergelijk systeem

in de meeste gevallen noodzakelijk om 's zomers het

comfort te verzekeren voor de gebruikers, want zeker

met de tegenwoordige goede thermische isolatie en een

luchtdichtheid van het gebouw kan de warmte veelal

niet meer op natuurlijke wijze het gebouw verlaten, zoals

vaak in oudere gebouwen wel het geval is.

140


141


PRAKTISCHE LEIDRAAD

Startpunt: EPB-regelgeving

Voor kantoren wordt door de EPB geen grenswaarde voor

oververhitting opgelegd. Wel wordt een fictief koelingsverbruik

toegekend aan het verbruik van het gebouw

(ook indien geen airconditioningsinstallatie aanwezig is).

Dit heeft dus een indirecte invloed op het E-niveau.

Het ARAB (Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming)

heeft betrekking op de gezondheid en de

veiligheid van de werknemers en de gezondheid van het

werk en de werkplek en is dus alleen van toepassing op

werkgevers en werknemers tijdens kantooruren. Het legt

onder meer de volgende aspecten vast:

- Een minimale omgevingstemperatuur van 20 °C

en een maximumtemperatuur van 30 °C voor zeer

lichte werkzaamheden (kantoorwerk).

- Een relatieve vochtigheid van 40 tot 70% met

enige flexibiliteit indien gebruik wordt gemaakt

van natuurlijke hygiënische ventilatie.

- Een luchtcirculatiesnelheid van maximaal 0,5 m/s

voor zover deze beperking niet conflicteert met de

installatie van specifieke systemen ter bestrijding

van bepaalde vormen van overlast op het werk.

De norm EN 15251 (2007) heeft betrekking op het binnenmilieu

en de daaraan gerelateerde parameters voor ontwerp

en beoordeling van de energieprestatie van de gebouwen

samenhangend met de kwaliteit van de binnenlucht, het

thermisch comfort, de verlichting en akoestiek. De norm

is van toepassing op gebouwen waarvoor de criteria voor

de binnenomgeving worden bepaald door het gebruik door

personen (huis, appartement, kantoor, school, ziekenhuis,

dienstverlening). De norm geldt niet voor ruimten waar

specifieke industriële processen plaatsvinden.

De norm bepaalt vier comfortcategorieën waarvoor de

voorspelde gemiddelde stem (PMV) binnen een bepaald

interval varieert; bijvoorbeeld voor een verwacht normaal

niveau binnen nieuwe gebouwen (categorie II) zal de PMV

tussen de -0,5 en +0,5 liggen.

De keuze van de categorie is afhankelijk van het

gebouw en het type gebruikers. Volgens de gekozen

comfortcategorie beveelt de norm waarden aan voor

de volgende indicatoren:

- Luchttemperatuurinterval.

- Kwaliteit van de binnenlucht en ventilatiedebiet.

- Vochtigheid.

Actieve koeling kan worden vermeden door passieve

oplossingen toe te passen, zoals de beperking van

de interne zonnebelasting, installatie van intensieve

ventilatie of andere technische oplossingen voor

passieve koeling (geothermie, adiabatische luchtkoeling).

Als voorbeeld van een uitwerking in de praktijk volgen

we de richtlijnen van het Leefmilieu Brussel. Zij staan

als milieu- en energieadministratie van het Brussels

Hoofdstedelijk Gewest in voor het uitstippelen en

uitvoeren van het gewestelijk beleid op alle gebieden

die met het milieu te maken hebben.

Op de website van het Gewest Brussel is een duidelijk

stappenplan te vinden waarin staat op welke wijze men

kan voorzien in een verantwoord binnenklimaat bij het

ontwerpen van een gebouw. De website voert de lezer

langs alle belangrijke stappen en verschaft daarnaast

alle relevante informatie.

142


Voorzieningen

Om het thermisch comfort in een gebouw te kunnen

verzekeren, moet reeds in de plannings- en schetsfase

aandacht worden besteed aan dit onderwerp. Er

Afhankelijk van de ligging zal een gevel meer of minder

zon ontvangen (noorden/zuiden) en zal het meer of

minder gemakkelijk zijn de gevel te beschermen (zuiden/

oosten of westen).

moeten bij elke fase in de ontwikkeling van het project

architecturale en technische keuzes worden gemaakt.

Elementen om het thermisch comfort in een

gebouw duurzaam te verzekeren

Locatie en nabije omgeving

Impact op het

wintercomfort

Buitenomgeving X ∞

Het gebouw en de vormgeving ervan

Het aandeel van het glasoppervlak ∞ ∞∞

Glastype

(eenvoudige beglazing, dubbele of driedubbele

beglazing, heldere beglazing, zonnig of selectief)

Zonwering X ∞∞

Architectuurspecifieke oplossingen ∞ ∞∞

Interieurmaterialen ∞ ∞∞

De techniek

Passieve koeltechnieken X ∞∞

Eindunits ∞∞ ∞∞

Ventilatieroosters en -openingen ∞∞ ∞

Regeling ∞∞ ∞∞

Het gebruik van het gebouw

Opvolging van het comfort ∞∞ ∞∞

Impact op het

zomercomfort

∞∞ Grote impact ∞ Gemiddelde impact X Zeer geringe of geen impact

∞∞

∞∞

Afhankelijk van het gebruik van het gebouw (woning,

kantoren) en meer specifiek het gebruik van bepaalde

vertrekken (woonkamer/slaapkamer, individueel kantoor/

vergaderzaal) is zon welkom of juist iets om te vermijden:

zon kan 's winters bijdragen aan het comfort of dat

comfort 's zomers in gevaar brengen.

De ligging van het gebouw in het algemeen en

de vertrekken in het bijzonder kan dus worden

geoptimaliseerd om het comfort te bevorderen, rekening

houdend met de schaduw van andere gebouwen maar

ook met andere beperkingen op de site: toegang en

functie, uitzicht, lawaai.

Bij nieuwbouw kan via de thermische isolatie en

luchtdichtheid die door de wet worden opgelegd het

comfort in de winter worden verzekerd.

Om duurzaam thermisch comfort te verzekeren, moeten

de technieken op drie niveaus worden gekozen:

1. De locatie van het gebouw in functie van de

directe omgeving.

Door verbetering van deze aspecten tot voorbij de

vereiste minima kan het comfort worden verbeterd,

maar vooral ook het energieverbruik worden verlaagd.

2. Het ontwerp van het gebouw: de architectuur.

Deze twee eerste niveaus maken de realisatie van

passieve oplossingen mogelijk. Ze worden aangevuld

met onmisbare actieve maatregelen:

3. De keuze van ventilatie-, verwarmings- en

eventueel actieve koelingstechnieken en de

regeling ervan.

Bij renovatie daarentegen, afhankelijk van hoe

ingrijpend de aanpassingen zijn, kan de bestaande

bouwmantel een bron van koude wanden of

tocht blijven, ook als de regelgeving inzake de

energieprestaties van de gebouwen wordt nageleefd.

De keuzes inzake thermische isolatie (de materialen, de

dikte ervan, het type ruiten en kozijnen en dergelijke)

143


en de luchtdichtheid van het gebouw hebben dus een

aanzienlijke invloed op het comfort in de winter.

Maar ook andere architecturale maatregelen, zoals

hieronder vermeld, zullen een invloed hebben op het

comfort in de zomer en in de winter en op de benodigde

energie om dat comfort te bieden. Ze kunnen het met

name mogelijk maken om de behoefte aan koeling te

beperken of het zonder actieve koeling (airconditioning)

te stellen. Deze maatregelen genieten dus de voorkeur.

Naast de architecturale oplossingen die het mogelijk

maken de behoefte aan koeling te beperken, bestaan er

passieve technische oplossingen waarmee de koeling

gedeeltelijk of met een zeer laag energieverbruik kan

worden gerealiseerd: water- of luchtcirculatie (luchtbodemwarmtewisselaar)

of adiabatische luchtkoeling.

Indien het niet mogelijk is het comfort in het gebouw

uitsluitend via free cooling te realiseren, zullen deze

oplossingen moeten worden onderzocht om de passieve

architecturale maatregelen aan te vullen alvorens voor

airconditioning wordt gekozen.

Passieve maatregelen zoals de ligging, de

thermische isolatie en de luchtdichtheid volstaan

in landen zoals Nederland en België niet om het

comfort 's winters te verzekeren. Het comfort 's

zomers daarentegen kan in veel situaties zonder

actieve koeling worden gerealiseerd, uitsluitend (of

grotendeels) met passieve maatregelen.

Er moet een afweging worden gemaakt tussen

de potentiële energiebesparing en het haalbare

comfort. Passieve koeling vraagt geen energie

en veroorzaakt geen CO2-uitstoot (behalve het

minieme elektriciteitsverbruik van de gemotoriseerde

openingen). In dat geval is het geleverde

koelingsvermogen variabel. Het is afhankelijk van de

weersomstandigheden. De omgevingstemperatuur zal

daardoor in de loop van de dag fluctueren. Via actieve

koeling kan een maximale binnentemperatuur worden

verzekerd, onafhankelijk van de omstandigheden

buiten. Het zomercomfort is volledig onder controle,

maar daar staat een hoger verbruik tegenover.

Als middenweg tussen beide oplossingen zijn er

bijvoorbeeld ventilatoren die op bepaalde tijden van het

jaar worden ingeschakeld of geothermie, waarvoor een

pomp nodig is die energie verbruikt.

In het kader van een renovatie, als de temperatuur van

de wanden sterk varieert (lichte renovatie, als monument

bestempelde gedeelten van het gebouw), zal de keuze

van de eindunits voor verwarming en/of eventuele

actieve koeling een aanzienlijke impact hebben op het

comfort. De voorkeur gaat in zo'n geval uit naar straling

als middel voor warmte- of koelteoverdracht.

Dat is het meest comfortabel voor het menselijk

lichaam. Vloerverwarming of verwarming via de

wanden is aanbevolen, evenals grote radiatoren

met lage temperatuur.

Indien de stralingsverwarming of -koeling plaatsvindt via

een wand met een goede thermische inertie, kan deze

keuze juist een grote mate van ongemak veroorzaken als

de bezetting en de interne warmteproductie niet goed

144


worden beheerst (bijvoorbeeld een klas met een groot

aantal leerlingen, zonbestraling van een grote glazen

wand zonder zonwering).

Vloerverwarming met een deklaag die zodanig inert is

dat deze nog lang warm blijft nadat de verwarming is

uitgeschakeld, kan daardoor oververhitting en/of een

aanzienlijk extra energieverbruik veroorzaken.

Bij goed presterende gebouwen (nieuwbouw, grondige

renovatie) zorgt de grondige thermische isolatie voor

wanden met een globaal homogene temperatuur.

Er is dan dus geen koude-wandeffect dat door een

radiatiesysteem moet worden gecompenseerd en het

verschil in comfort tussen de verschillende systemen is

daardoor veel beperkter.

Voor het garanderen van thermisch comfort zijn

architectonische en passieve oplossingen nodig die

het energieverbruik drastisch verminderen, zowel voor

warmte als voor koeling.

Het gewenste comfortniveau heeft een zeer grote

impact op het energieverbruik en de CO2-uitstoot van

het gebouw: een hogere streeftemperatuur in de winter

en een lagere streeftemperatuur in de zomer zullen

een grotere behoefte aan verwarming of juist koeling

genereren. Een afwijking van de omgevingstemperatuur

met 1 °C in vergelijking met de streeftemperatuur van 20

°C tijdens het stookseizoen levert een verbruiksverschil

van minstens 7% op.

145


Architecturale en passieve oplossingen maken het

mogelijk om de vastgelegde doelstellingen te behalen

met een minimaal energieverbruik en met een minimale

CO2-uitstoot, bij voorkeur zonder de installatie van

technische systemen (zoals bijvoorbeeld airconditioning)

om daarmee het energieverbruik maximaal te reduceren.

Het vermijden van technische systemen heeft meerdere

voordelen op milieugebied, zoals minder energieverbruik,

lagere (onderhouds)kosten, vermijden van de productie

van lawaai binnen of buiten het gebouw, een beperking

van het gebruikte materiaal en dus van het gebruik

van grijze energie en grondstoffen, mogelijk eventuele

beperking van de benodigde ruimte in de technische

vertrekken (vooral bij luchtkoeling) en dus van het

gebruikte bouwmateriaal.

De verhouding tussen de investering in passieve en

die in actieve maatregelen is sterk afhankelijk van

de gebruiksomstandigheden van het gebouw, maar

ook van de architectuur van het pand en de nabije

omgeving; zo kan het zijn dat aanpalende gebouwen

en de architectuur vanzelf voor schaduw zorgen,

waardoor wellicht weinig of minder aanvullende passieve

maatregelen nodig zijn om airconditioning overbodig

te maken. Die maatregelen kunnen daardoor ook

kostenbesparend zijn.

Andersom zal bij een gebouw met een aanzienlijke

interne warmteproductie en grote blootstelling aan de

zon een investering in meer dynamic solar shading

en geautomatiseerde vensteropeningen nodig zijn om

's nachts een efficiënte natuurlijke ventilatie mogelijk

te maken en zo zonder airconditioning het nodige

comfort te bieden. Dit kan duurder zijn dan de installatie

van een airconditioningsysteem.

Passieve maatregelen maken per definitie een verlaging

van het energieverbruik en dus van de exploitatiekosten

mogelijk. Ter illustratie: de energie-impact van koeling in

kantoorgebouwen varieert van 15 tot 25 kWh/m².jaar en

kan tot meer dan 50 kWh/m².jaar stijgen als er sprake

is van energievernietiging (slechte regeling van de

installaties, waardoor tegelijk warmte en koude in het

gebouw of in een vertrek zoals een landschapskantoor

worden geproduceerd).

De comfortbehoeften van personen verschillen naar gelang

hun leeftijd. Oudere of zwakke personen en kleine kinderen

zijn gevoeliger voor kou en hitte. Na de hittegolven van de

voorbije jaren is men zich hier bewuster van geworden. In

het kader van duurzame bouw is het belangrijk om rekening

te houden met de specifieke behoeften. In woningen kan

men er bijvoorbeeld voor zorgen dat er zich een vertrek

bevindt – een slaapkamer bijvoorbeeld – die dankzij de

ligging op het noorden, een beperkte vensteroppervlakte

en een aanzienlijke thermische massa tijdens een hittegolf

koeler zal blijven dan de rest van de woning. Idealiter bevindt

zich in deze ruimte ook een aansluiting op de waterleiding.

146


147


148


Een redelijke definitie van het gewenste comfortniveau

is dus gewenst om het energieverbruik van een gebouw

te beperken. Andersom moet er bij de toepassing van

maatregelen om het verbruik van energie te beperken

op worden gelet dat het thermisch comfort niet wordt

aangetast. Het comfort van de gebruikers heeft prioriteit

binnen een duurzaam gebouw. Het is de kunst in een

goed gebouw beide aspecten op de juiste manier met

elkaar te verenigen door in installaties te voorzien die

nodig zijn om het comfort te garanderen, ook in extreme

gebruiksomstandigheden (hoge/lage buitentemperatuur,

hoge/lage bezettingsgraad), aangevuld met een

efficiënte regeling die het mogelijk maakt het

binnenklimaat in het gebouw aan te passen aan de

omstandigheden buiten en de gebruiksomstandigheden.

De gebruiker van een gebouw is het best in staat

zijn eigen comfort te beoordelen. Daarom is het

wenselijk dat gebruikers participeren in het beheer

van het klimaat binnen het gebouw. Het gebouw en de

installaties daarin moeten daarom worden ontworpen

(beheer mogelijk per zone in plaats van per gevel of

per volledige verdieping) indachtig participatie van

gebruikers en de participatie moet gebruiks vriendelijk

zijn. Gebruikers moeten bewust gemaakt worden van de

milieu-impact. De controle moet niet in alle vertrekken

"uit handen worden gegeven". Op bijvoorbeeld plekken

met veel verkeer of waarvan onduidelijk is wie de

"eigenaar" is (gangen in kantoorgebouwen, ontvangstruimtes

bij ingangen, wachtkamers, vergaderzalen)

kan lokale controle aanzienlijke ongewenste effecten

hebben. Wel verdient een mogelijkheid tot lokale

controle de voorkeur in woningen en kantoren.

Aan het comfort moet niet alleen tijdens de ontwerp-

of renovatiefase van het gebouw worden gedacht. Een

follow-up van verschillende comfortparameters al dan

niet in combinatie met tevredenheidsenquêtes onder de

gebruikers van gebouwen maken het mogelijk de werking

van de installaties aan het begin van de gebruiksperiode

te optimaliseren en nadien, wanneer het gebouw in

gebruik is, eventuele afwijkingen op te sporen.

Warmtelasten gebouwen

Een gebouw wordt steeds blootgesteld aan de zon en

heeft bijgevolg in hoofdzaak via de ramen zonnewinsten.

Afhankelijk van het type gebouw en het seizoen zullen

deze zonnewinsten bijdragen tot de vermindering

van de warmtebehoefte (nuttige zonnewinsten) of de

verhoging van de energie nodig voor koeling (niet-nuttige

zonnewinsten). In woongebouwen zijn zonnewinsten

vaker nuttig, wegens de beperkte interne warmtewinsten

(bezetting, (computer)apparatuur. In kantoorgebouwen

zijn zonnewinsten vaak niet nuttig (ook niet in het

tussenseizoen), wegens de hoge interne warmtewinsten

(bezetting, (computer)apparatuur).

Bij het ontwerp van een gebouw is het de verantwoordelijkheid

van de ontwerper om ervoor te zorgen dat de zon op

nuttige tijden en plaatsen kan binnenkomen en anders

blootstelling aan de zon wordt vermeden. De parameters

die de ontwerpers ter beschikking hebben om hieraan

tegemoet te komen zijn de oriëntatie van het gebouw

en de openingen in de gevel, de grootte en vorm van de

openingen in de gevel en de keuze van de beglazing en

zonwering van de openingen in de gevel.

149


Optimaliseren van de oriëntatie van het gebouw

en de openingen

De blootstelling aan zonlicht is afhankelijk van de datum,

het tijdstip en oriëntatie, zoals wordt weergegeven in

onderstaande grafiek.

Zonnehoogte per oriëntatie en per maand in Ukkel

Hoogte

70º

60º

50º

40º

30º

20º

10º

-135º

N-O

6u00

juli

augustus

-135º

N-O

8u00

september

10u00

october

november

december

-135º

N-O

-135º

N-O

12u00

Bron: Gids Duurzame Gebouwen/Leefmilieu Brussel©

De effecten van blootstelling aan de zon zijn afhankelijk

van de oriëntatie van de gevel. Op de zuidgevel is het

hoogteverschil van de zon tussen zomer (hoog) en

winter (laag) het grootst. Een zuidgericht venster krijgt

meestal meer zonnestralen dan vensters met andere

oriëntaties, met een maximum in de herfst. In de zomer

beperkt de hoogte van de zon de stralingsdichtheid op

een verticaal oppervlak.

Op de oost- of westgevels ontvangt het venster

heel weinig zonnestralen in de winter, iets meer in

het tussenseizoen en maximaal in de zomer. Deze

windrichtingen zijn gekenmerkt door de lage positie van

de zon het hele jaar door. Daarom zijn ze niet geschikt

voor horizontale raampartijen en bevatten ze een groot

verblindingsrisico omdat de zon veel licht geeft.

-135º

N-O

14u00

januari

februari

maart

-135º

N-O

16u00

18u00

april

mei

juni

-135º

N-O

Zichtbare zonnebaan

Zichtbare zonnebaan

voor elke maand,

per uur

Azimuth

Op de noordgevel is er geen enkel direct zonlicht (een

indirecte zonnestraling is wel aanwezig).

De afmetingen en vorm van de openingen in de gevel

hangen nauw samen met de keuze van de beglazing

en de dynamische zonwering. In het algemeen

zijn horizontale openingen lastiger met het oog

op warmtetoetreding in het gebouw dan verticale

openingen. Met name de zonnewinsten van dakramen

zijn zeer hoog en moeilijk te beheersen. Deze openingen

zijn daarom problematisch in termen van oververhitting.

Het aandeel glas ten opzichte van de totale oppervlakte

van de gevel kan afhankelijk van de noodzaak aan

zonnewinsten en door de noodzaak aan daglicht worden

gevarieerd. Elke gevel zal voor alle ruimtes daarachter,

al dan niet in combinatie met dynamische zonwering en

afhankelijk van het seizoen, de noodzakelijke correcties

moeten kunnen waarborgen, zodanig dat een goed

binnenklimaat steeds gewaarborgd is.

Per raam kan afhankelijk van de gebruiksruimte het

aandeel beglazing ten opzichte van het vloeroppervlak

worden vastgesteld, zodanig dat er sprake is van

voldoende daglichttoetreding. Vuistregel is een minimale

glasoppervlakte, die voor verticale ramen overeenkomt

met 20% van de vloeroppervlakte van de ruimte en voor

daklichten met minimaal 1/12 van de vloeroppervlakte.

In de context van de beperking van de warmtewinsten

hebben twee parameters van de beglazing een

bijzonder belang: de zontoetredingsfactor (g) en de

lichttoetredingsfactor (LTA).

150


Zon- en lichttoetreding bij beglazing

1.0

Lichttransmissie

0.8

0.6

0.4

0.2

Fysisch onmogelijke

kenmerken

Kenmerken zonder

praktisch nut

Optimale kenmerken

’s zomers

Optimale kenmerken

’s winters

0

0 0.2 0.4 0.6 0.8 1.0

Zonnefactor

Bron: Gids Duurzame Gebouwen/Leefmilieu Brussel©

Bovenstaande illustratie is van toepassing op gebouwen

met een reële warmtebehoefte (dat wil zeggen de meeste

gebouwen) en laat zien dat in de winter een hoge en in

de zomer een lage zontoetredingsfactor optimaal is. Een

hoge lichttransmissie is in het algemeen steeds zinvol. Als

men kiest voor beglazing, zonder dynamische zonwering,

is men het hele jaar door gebonden aan eenzelfde

zonnefactor (g-waarde). Men zal deze dan selecteren

op basis van de warmtebalans. Een bepaalde g-waarde

zal een optimum geven tussen de g-waarde en de

energievraag in de winter en het discomfort in de zomer.

Door middel van dynamische zonwering kan men evenwel

de g-waarde aanpassen in functie van het seizoen of de

omstandigheden die dag, dat uur of die minuut. In dergelijke

gevallen spreekt men van een gecombineerde g-waarde van

de beglazing in combinatie met de dynamische zonwering.

Men kiest dan voor heldere beglazing met een hoge

g-waarde om in de winter zonnewinsten te maximaliseren

terwijl in de zomer dynamische zonwering wordt gebruikt

die de g-waarde doet dalen. Dit zal een gunstiger optimum

geven voor de energievraag en het zomercomfort dan het

toepassen van beglazing zonder dynamische zonwering.

151


Energetische waarden van verschillende types beglazing

Soort beglazing U-coëfficiënt [W/m²K] Lichttransmissie LTA [%] Zonnefactor [%] Weerkaatsing

Enkel

Helder

(8 mm)

Bron: Gids Duurzame Gebouwen/Leefmilieu Brussel©

5,8 90 86 Neutraal

Dubbel Helder 2,8 81 76 Neutraal

Helder, weinig

doorlaatbaar

Helder,

absorberend

Helder,

weerkaatsbaar

Helder, weinig

doorlaatbaar en

weerkaatsend

Helder, weinig

doorlaatbaar +

isolerend gas

Helder, weinig

doorlaatbaar,

weerspiegelend +

isolerend gas

1,6 70 55 Neutraal

2,8 36 tot 65 46 tot 67 Groen, brons, blauw, roze

2,8 7 tot 66 10 tot 66 Zilverkleurig, metaal,

goudkleurig, grijs, groen,

blauw

1,6 71 40 Neutraal

1,0 tot 1,3 70 55 Neutraal

1,0 tot 1,3 71 40 Neutraal

Driedubbel Helder, isolerend 0,7 tot 0,6 0,71 0,5 Neutraal

Helder,

zondoorlatend

Helder, bijzonder

isolerend

0,8 tot 0,6 0,73 0,6 Neutraal

0,5 0,67 tot 0,70 0,47 tot 0,49 Neutraal

Helder, zonwerend 0,5 0,53 tot 0,55 0,25 tot 0,38 Neutraal tot lichte

verkleuring (blauw, grijs,

groen)

152


De zontoetredingsfactor (factor g) kan worden verbeterd door een combinatie van

beglazing en dynamische zonwering. Optimalisatie in het kader van de warmtebalans

maakt het mogelijk om de mate van bescherming te bepalen die de dynamische

zonwering moet bieden om het gebruik van actieve koeling te vermijden.

Dynamische zonwering (in combinatie met interne en externe sensoren) biedt altijd het

beste compromis tussen natuurlijk licht, warmtebehoefte in de winter en bescherming

tegen de warmte in de zomer.

Om de energieaanvoer in de winter en de hoeveelheid licht te optimaliseren, zijn

bufferruimten met zonneverwarming (veranda, wintertuin enz.) en atriums grotendeels

van glas voorzien. Hoewel deze situatie gunstig is bij verwarmen, kan ze in de zomer

leiden tot aanzienlijke oververhitting, die ook alle aangrenzende ruimten kan treffen.

In dit opzicht is het een goede strategie om in het ontwerp een reeks voorzieningen te

treffen om het risico van oververhitting te beperken.

De bufferruimte kan onderhevig zijn aan grote temperatuurschommelingen. Daarom

is het van belang dat het gebruik van deze ruimte in overeenstemming is met het

geplande scenario. Bijvoorbeeld, in een atrium dat gebruikt wordt voor verplaatsing

tussen verdiepingen, moeten de toegangsdeuren tot de verdiepingen gesloten

blijven. In de zomer, wanneer het atrium wordt gebruikt als inrichting voor intensieve

ventilatie, wordt de gebruikers echter aangeraden de deuren open te laten. Een slecht

gebruikte bufferruimte kan de thermische prestaties van het gebouw snel verkleinen,

wat contraproductief werkt. De gebruiker is een essentieel element. Hij moet worden

geïnformeerd over wat hij wel en niet moet doen.

Een voldoende grote thermische massa kan in de muren en vloeren van de bufferruimte

worden toegevoegd om de overdag opgevangen zonne-energie op te slaan en in de loop

van de tijd uitgesteld af te geven.

153


154


7

TECHNISCHE WEEFSELS IN DYNAMISCHE ZONWERING

155


FUNCTIES VAN ZONWERINGSDOEKEN

Zonweringsdoeken creëren schaduw, houden warmte tegen, reguleren het licht, beschermen tegen

uv-straling en dragen bij aan privacy.

Schaduw creëren

- Zonweringsdoek blokkeert direct zonlicht en

creëert schaduw. Daarmee kan de temperatuur

binnen en buiten worden gereguleerd.

- Ideaal voor terrassen, balkons of ruimtes binnen

het gebouw die worden blootgesteld aan veel zon.

Warmtewering

- Door de straling van de zon te reflecteren of

te absorberen, voorkomt zonweringsdoek dat

warmte een gebouw binnendringt.

- Het doek verlaagt de temperatuur in een ruimte

en vermindert de behoefte aan airconditioning.

Lichtregulatie

- Zonweringsdoek kan de hoeveelheid licht die

binnenkomt verminderen, waardoor verblinding

wordt voorkomen.

- Afhankelijk van de dichtheid en transparantie van

het doek kan natuurlijk licht worden doorgelaten

of volledig worden geblokkeerd.

Bescherming tegen uv-straling

- Hoogwaardige zonweringsdoeken blokkeren een

groot deel van de schadelijke uv-stralen, wat

huidbescherming biedt en voorkomt dat meubels

en vloerbedekking verkleuren.

Privacy

- Doeken met een lagere lichtdoorlaatbaarheid

zorgen ervoor dat je van binnen naar buiten

kunt kijken, terwijl je privacy van buitenaf

behouden blijft.

156


157


WETENSWAARDIGHEDEN IN RELATIE TOT WEEFSELS

Alvorens dieper in te gaan op de toegepaste materialen

voor zonweringsdoeken eerst aandacht voor een aantal

specifieke termen die van belang zijn in verband met in

zonwering toegepaste technische weefsels.

Vezel

Een vezel is een lang, dun, draadvormig materiaal dat

zowel natuurlijk als synthetisch kan zijn. Vezels zijn de

bouwstenen van textiel en worden gebruikt om stoffen,

touwen en andere materialen te maken. Ze kunnen

afkomstig zijn van planten, dieren, mineralen of door

mensen geproduceerd worden.

Een vezel heeft een hoge lengte-diameterverhouding,

is veelal flexibel, hetgeen wil zeggen dat zij kan buigen

zonder te breken, is sterk en kan dus belastingen

weerstaan afhankelijk van het type, is absorberend

en kan dus vocht opnemen en krijgt vaak door een

aanvullende behandeling unieke eigenschappen zoals met

betrekking tot brandwerendheid, elasticiteit of isolatie.

Vezels worden gebruikt in textiel (kleding, tapijten,

gordijnen), constructie (touwen, netten, versterking van

bouwmaterialen), technische materialen (glasvezels,

koolstofvezels voor sterke, lichte constructies) en kennen

ook medische toepassingen (verbanden, hechtingen).

Er bestaan een groot aantal verschillende soorten vezels:

Natuurlijke vezels

Plantaardig: gemaakt van cellulose (een belangrijk

bestanddeel van plantencellen).

- Katoen: zacht en ademend.

- Linnen (vlas): sterk en goed vochtabsorberend.

- Jute: grof en duurzaam, vaak gebruikt in zakken

of tapijten.

Dierlijk: gemaakt van keratine of andere proteïnen.

- Wol (van schapen): warm, isolerend en elastisch.

- Zijde (van zijderupsen): glanzend en glad.

- Alpaca of kasjmier: fijnere en luxueuze wolsoorten.

Mineraal: ontstaan uit natuurlijke mineralen.

- Asbest (vroeger gebruikt): bestand tegen hitte,

maar schadelijk voor de gezondheid.

Synthetische vezels

- Polyester: sterk, kreukvrij en

onderhoudsvriendelijk.

- Nylon: elastisch, slijtvast en waterafstotend.

- Acryl: lichtgewicht en warm, lijkt op wol.

- Spandex/elastaan: zeer elastisch, wordt gebruikt

in sportkleding.

Halfsynthetische vezels

- Viscose (rayon): gemaakt van natuurlijke

houtpulp, maar chemisch verwerkt.

- Lyocell: duurzamere variant van viscose, vaak

bekend als Tencel.

158


Garen

Een garen is een continu draadvormig materiaal dat

wordt gemaakt door vezels of filamenten te spinnen

of te twisten. Garens worden gebruikt om stoffen te

weven, breien, naaien of vlechten en vormen daarmee

de basis voor textielproducten. Een garen kan bestaan

uit stapelvezels of filamenten:

Stapelvezels

Korte vezels die aan elkaar worden gesponnen, zoals

katoen en wol, of synthetische vezels zoals polyester.

(Korte of lange) vezels zijn dus de grondstof waarvan

garens worden gemaakt terwijl garens de bewerkte

vorm van vezels zijn door vezels te spinnen of

filamenten samen te voegen.

Weven

Weven is een methode van textielproductie waarbij twee

verschillende sets garens of draden haaks op elkaar

worden verweven om een stof of doek te vormen. De

longitudinale draden worden de schering genoemd en

de laterale draden zijn de inslag.

Filamenten

Lange, ononderbroken vezels, zoals zijde of

synthetische vezels (bijv. nylon en polyester).

Op basis van de samenstelling van garens kan

men onderscheid maken tussen enkelvoudig garen

(bestaat uit één enkele draad, gesponnen uit vezels

of filamenten), samengesteld garen (twee of meer

enkelvoudige garens die samen worden getwijnd) of

gemengde garens (garens gemaakt van verschillende

soorten vezels (bijv. katoen en polyester) om de

eigenschappen ervan te combineren.

Garens worden gebruikt voor de productie van textiel

(weven en breien van stoffen voor kleding, gordijnen

en tapijten), als naaigaren (speciaal ontwikkeld voor

het naaien van textiel), voor industriële toepassingen

(sterke garens voor touwen, netten en technische

stoffen) en voor decoratieve doeleinden (borduurwerk,

macramé, en ander handwerk).

159


MATERIALEN VOOR ZONWERINGSDOEKEN

Polyester

Omschrijving

Polyester is een synthetische stof die gemaakt

wordt uit aardolie. Deze stof is een van 's werelds

meest populaire textielsoorten en wordt gebruikt in

duizenden verschillende consumenten- en industriële

toepassingen. Chemisch gezien is polyester een

polymeer die voornamelijk bestaat uit verbindingen

binnen een functionele groep van esters.

Historie

Het was W.H. Carothers (DuPont) die ontdekte dat

alcoholen en carboxylzuren met succes konden

worden gemengd om vezels te maken. Het waren

uiteindelijk twee Britse wetenschappers – Whinfield

en Dickson - die de ontdekking patenteerden in

1941. Polyethyleentereftalaat vormt de basis voor

synthetische vezels zoals dacron, teryleen en polyester.

Later in 1941 werd de eerste polyestervezel - teryleen

- gemaakt door Whinfield en Dickson, samen met

Birtwhistle en Ritchiethey. Teryleen werd voor het eerst

geproduceerd door Imperial Chemical. In 1946 kocht

DuPont alle rechten van ICI. In 1950 produceerde DuPont

een polyestervezel, die ze dacron noemden. Mylar werd

geïntroduceerd in 1952. Polyester werd voor het eerst

geïntroduceerd bij het Amerikaanse publiek in 1951 als

de magische stof die niet gestreken hoefde te worden.

PET (Polyethylene Terephthalate) en PEN (Polyethylene

Naphthalate) zijn varianten die bepaalde prestaties

verbeteren. Beide zijn handelsmerken van DuPont als

variaties op polyethyleen. De polyestermarkt onderging

na de Tweede Wereldoorlog een snelle expansie en

overal in Amerika ontstonden textielfabrieken. De

goedkope en duurzame vezel werd erg populair en

de industrie breidde zich snel uit, tot de jaren 1970.

Tegenwoordig wordt polyester beschouwd als een

goedkope stof voor kleding die nogal ongemakkelijk is

voor de gevoelige menselijke huid om te dragen.

De opkomst van luxe vezels zoals polyester microvezel

en verschillende andere polyestermengsels heeft

later toch weer voor een opleving gezorgd. Het idee

was toen meer om te focussen op de “wash and go”-

eigenschappen van polyester in plaats van het als een

goedkope stof te verkopen. Hoechst Fibers Industries

voerde verschillende studies uit van 1981 tot 1983 en

ontdekte dat 89% van de mensen geen onderscheid kon

maken tussen polyester en andere, natuurlijke vezels

zoals katoen, wol en zijde. Ook bleek dat mensen meer

geïnteresseerd waren in het uiterlijk van de kleding dan

in de stof waarvan deze was gemaakt.

De ontdekking van microvezels vormde een grote

bijdrage aan de aantrekkingskracht van polyester.

Microvezels geven polyester het gevoel van zijde.

Polyester is een term die vaak wordt gedefinieerd als

"polymeren met een lange keten die chemisch zijn

samengesteld uit ten minste 85 gewichtsprocent van

een ester, een dihydrische alcohol en een tereftaalzuur".

Het is het koppelen van verschillende esters in vezels.

De reactie van alcohol met carbonzuur resulteert in de

vorming van esters.

Polyester kan ook worden geclassificeerd als

verzadigde en onverzadigde polyesters. Verzadigde

polyesters verwijzen naar die familie van polyesters

waarin de polyester ruggengraat verzadigd is.

160


Ze bestaan uit vloeistoffen met een laag

molecuulgewicht die worden gebruikt als weekmakers.

Onverzadigde polyesters verwijzen naar die familie

van polyesters waarin de ruggengraat bestaat uit alkyl

thermohardende harsen gekenmerkt door vinyl. Ze

worden meestal gebruikt in versterkte kunststoffen.

Vanwege de sterkte ervan wordt polyester ook gebruikt

om touwen te maken.

PET-flessen zijn tegenwoordig een van de meest

populaire toepassingen van polyester. In 2000 bedroeg

de wereldwijde productie van PET 30 miljoen ton. De

productie van PET-textiel stijgt met 5 procent per

jaar, van PET-flessen met 10 procent per jaar. China

produceert de meeste polyesters.

Polyester stoffen en vezels zijn extreem sterk,

duurzaam, bestand tegen de meeste chemicaliën,

uitrekkend en krimpend, kreukbestendig, meeldauw- en

slijtvast. Polyester is sneldrogend en het kan worden

gebruikt voor isolatie door holle vezels te produceren.

Polyester behoudt zijn vorm en is daarom goed voor het

maken van outdoor kleding voor gebruik in zeer koude

of natte klimaten. Polyester kleding is gemakkelijk te

wassen en te drogen.

Polyester is van nature een heldere vezel. Bij de

productie wordt polyestervezel over het algemeen

uitgetrokken tot ongeveer vijf keer de oorspronkelijke

lengte. Door het nog verder uit te trekken, wordt het

dunner (microvezels). Een normale polyestervezel is

lang en glad. Door deze te krimpen, kan de vezel meer

volume en textuur krijgen en daarmee kunnen de

isolatiemogelijkheden ervan worden verbeterd.

Zodra de polyestervezel klaar is, wordt deze gebruikt

om gesponnen garens te maken. De garens kunnen

worden gemengd met andere vezels om gemengde

stoffen te maken. Polyester en katoen is een

populaire combinatie.

Trevira CS

Trevira CS is een vlamvertragende polyester en wordt

geproduceerd door Trevira GmbH. Zij verwerken

het materiaal tot textiele polyesterproducten, met

name vezel-, filament- en getextureerde garens voor

huishoudtextiel, functionele kleding, evenals voor

technisch textiel en hygiëneproducten. Specialiteiten

van de onderneming zijn vezels en garens voor

vlamvertragende technische textiele weefsels

(merk Trevira CS) en voor textiel met een permanent

antimicrobiële werking (merk Trevira Bioactive).

Sinds 2019 zijn alle gerecyclede Trevira-producten

gecertificeerd door Control Union volgens de GRS-norm.

Samenvatting polyester

- Eigenschappen: Sterk, vormvast en licht

van gewicht.

- Toepassing: Vaak gebruikt als basis voor coatings

(bijvoorbeeld pvc-gecoate polyester) in rolluiken,

screens en zonneschermen.

- Voordelen: uv-bestendig, onderhoudsvriendelijk

en beschikbaar in verschillende transparanties.

161


162


163


PVC (polyvinylchloride)

Omschrijving

Vinylchloride of chloretyleen (IUPAC-naam) is een

gechloreerde organische verbinding met brutoformule

C2H3 Cl. De stof komt voor als een kleurloos gas, dat

moeilijk is op te lossen is in water.

Historie

De historie begint eigenaardig genoeg in twee

afzonderlijke jaren - 1838 en 1872 - toen de Franse

natuurkundige Henri Victor Regnault en de Duitse

chemicus Eugen Baumann respectievelijk pvc voor

de eerste (en tweede) keer ontdekten. Beide keren

materialiseerde het polymeer zich als een "witte vaste

stof" (poedervorm) in kolven gevuld met vinylchloridegas.

als isolator voor bedrading, onder andere op militaire

schepen. Tegen de jaren 1950 steeg de pvc-productie over

de hele wereld. Vijf bedrijven in het bijzonder begonnen

met het testen van revolutionaire toepassingen voor pvc

en vonden nieuwe toepassingen voor het materiaal in

opblaasbare structuren en weefselcoatings. De bouwsector

verwelkomde al snel het duurzame plastic, grotendeels

vanwege de weerstand tegen licht, chemicaliën en corrosie,

waardoor het een belangrijk product werd in de bouw.

Verdere verbeteringen werden aangebracht aan de temperatuurbestendigheid

van pvc in de jaren 1980. Het is rond

dezelfde tijd dat men het materiaal in duizenden Amerikaanse

huizen ging toepassen in sanitaire systemen. Vandaag de

dag zien we het materiaal terug in vele sectoren, zoals in de

gezondheidszorg, IT, transport, textiel en de bouw.

Na deze onafhankelijke ontdekkingen beheerste niemand

het gebruik van pvc in commerciële toepassingen, tot 1913,

toen een Duitse uitvinder met de naam Friedrich Heinrich

August Klatte besloot het eerste patent op het materiaal

af te sluiten. Zijn polymerisatiemethode van vinylchloride

maakte gebruik van zonlicht en in de daaropvolgende

decennia begonnen bedrijven over de hele wereld ermee te

experimenteren. Rond het begin van de 20e eeuw huurde

B.F. Goodrich de industrieel wetenschapper Waldo Semon

in om een nieuw, synthetisch alternatief te ontwikkelen

voor het steeds duurder wordende natuurlijke rubber.

Er werden experimenten gestart met polyvinylchloride,

maar het project werd al snel bedreigd door de recessie

van 1920. Nadat het idee ontstond pvc te gebruiken als

waterbestendige coating voor stoffen, nam de verkoop van

het materiaal een vlucht, met een piek in de vraag aan het

begin van de Tweede Wereldoorlog, toen pvc werd gebruikt

Polymerisatie is een proces waarbij relatief kleine

moleculen, monomeren genaamd, chemisch

gecombineerd worden om een zeer groot ketenachtig

of netwerkmolecuul te produceren, een polymeer

genaamd. Ongeveer 80% van de productie verloopt via

suspensiepolymerisatie. Eerst wordt de grondstof VCM

onder druk gezet en vloeibaar gemaakt en vervolgens wordt

deze in de polymerisatiereactor gevoerd, die vooraf water en

suspensiemiddelen bevat. Pvc vormt zich als kleine deeltjes

die groeien en wanneer ze een gewenste grootte bereiken,

wordt de reactie gestopt en wordt elk nietgereageerd

vinylchloride gedestilleerd en opnieuw gebruikt. Het pvc

wordt afgescheiden en gedroogd tot een wit poeder.

In een ander proces worden vezels uit een massa watten

getrokken en gedraaid tot draden; hierdoor komen vezels

samen tot een garen. Spinnen kan met de hand, maar

164


wordt op grote schaal gedaan met behulp van machines.

Het spinnen van pvc is het proces waarbij een materiaal

wordt gevormd tot een vezel.

Om een polymeer tot een vezel te vormen, moet het

polymeer in een verwerkbare vloeibare toestand worden

gebracht, hetgeen kan geschieden door droog of nat

te spinnen. In het droge spinproces wordt het polymeer

opgelost met behulp van aceton, gefilterd en bij 70

tot 100 °C door spinmolens in een kamer gepompt,

voorzien van verwarmde wanden en waarin lucht wordt

ingebracht. Op de bodem van de kamer worden de

vezels door een fijne opening verwijderd en op een klos

gewikkeld. De vezels worden vervolgens uitgerekt om

ervoor te zorgen dat de moleculaire ketens georiënteerd

raken en de vezels sterker worden. In het natte

spinproces wordt pvc opgelost in THF (tetrahydrofuran)

om een sterk geconcentreerde oplossing te geven, die

door een draaiende trechter in water wordt gesponnen.

Pvc-gecoate stoffen zijn populair voor architecturale

toepassingen. Architecturale pvc-gecoate stoffen

worden meestal gemaakt met een vloeibare pvccoating.

Vinyl en pvc kunnen gemakkelijk met elkaar

worden verward, maar deze twee materialen zijn niet

hetzelfde. Vinyl is een aardolieproduct van verschillende

ethyleenverbindingen en pvc is polyvinylchloride en

een polymeer van vinylchloride. Polyvinylchloride heeft

van nature een zeer slechte warmtestabiliteit. Om deze

reden worden additieven die het materiaal stabiliseren

bij hogere temperaturen meestal tijdens de productie

aan het materiaal toegevoegd. Polyvinylchloride stoot

giftige dampen uit wanneer het wordt gesmolten of

wordt blootgesteld aan een brand. De meeste geweven

vinylstoffen beginnen met een polyestergaren als kern,

dat vervolgens wordt geëxtrudeerd met pvc. De pvccoating

betekent dat er geen vocht de polyestervezel kan

bereiken, waardoor deze extreem duurzaam is.

Samenvatting PVC

- Eigenschappen: Synthetische weefsels, vaak

versterkt met een ander materiaal (bijv. polyester

of glasvezel). Trekt samen bij temperaturen

boven de 78 °C en krimpt tot de helft van zijn

oorspronkelijke lengte bij 100 °C.

- Toepassing: Beschermende pakken voor astronauten,

brandweerlieden en militair personeel.

Industriële zeilen, hydraulische slangen, transportbanden,

geomembranen, zakken en containers.

Automotive toepassingen zoals airbags, stoelhoezen,

hemelbekleding, cabriodaken. Lucht- en

ruimtevaarttoepassingen zoals heteluchtballonnen,

luchtschepen, ruimtelandingsairbags en parachutes.

Marine toepassingen zoals afdekkappen voor

boten, zeilen, reddingsvesten, hovercraftrokken.

Architecturale en structurele toepassingen zoals

dakbedekking, luifels en opblaasbare structuren.

Stoffen voor de gezondheidszorg, waaronder

brandwerende matrassen en antimicrobiële

privacygordijnen. Outdoor zonwering zoals screens

en schaduwdoeken.

- Voordelen: Waterbestendig, onderhoudsvriendelijk

en goedkoop. Excellente weerstand tegen

zonlicht. Zeer resistent tegen insecten en

micro-organismen. Niet ontvlambaar. Zeer goed

bestand tegen natronloog, salpeterzuur en

zwavelzuur en verder tegen vele chemicaliën

waaronder bleekmiddelen.

165


Glasvezel

Omschrijving

Geweven glasvezeldoekweefsel is een anorganische

composietstof die bestaat uit glasstrengen van

verschillende groottes. Alle fiberglasweefsels zijn

geweven voor vezeloriëntatie en elke stof heeft zijn

eigen unieke gewicht, sterkte en stofeigenschappen.

Historie

Het vroegste patent werd in 1880 in de VS toegekend

aan de Pruisische uitvinder Hermann Hammesfahr

(1845-1914). Massaproductie van glasstrengen werd

per ongeluk ontdekt in 1932 toen Games Slayter, een

onderzoeker bij Owens in Illinois, een straal perslucht op

een stroom gesmolten glas richtte en daarmee vezels

produceerde. Oorspronkelijk was fiberglas een glaswol

met vezels die veel gas bevatten, waardoor het nuttig

was als isolator, vooral bij hoge temperaturen. Een

geschikte hars voor het combineren van de glasvezel met

een kunststof om een composietmateriaal te produceren

werd in 1936 ontwikkeld door DuPont. Na de oorlog

werd het materiaal meer bekend als bouwmateriaal.

Veel glasvezelcomposieten bleven "glasvezel" worden

genoemd (als generieke naam) en de naam werd ook

gebruikt voor het glaswolproduct met lage dichtheid

dat gas bevat in plaats van plastic. Het proces van de

productie van glasvezel wordt pultrusie genoemd. Het

productieproces voor glasvezels die geschikt zijn voor

wapening maakt gebruik van grote ovens om zand en

andere mineralen geleidelijk te smelten totdat zich een

vloeistof vormt. Deze wordt vervolgens geëxtrudeerd door

bussen, dat zijn bundels van zeer kleine openingen. De

geextrudeerde vezels worden vervolgens gecoat met een

chemische oplossing en vervolgens in grote aantallen

gebundeld. Deze bundels worden vervolgens direct

gebruikt in een composiettoepassing.

De term glasvezel verwijst naar een groep producten

gemaakt van individuele glasvezels gecombineerd

in verschillende vormen. Glasvezels kunnen worden

onderverdeeld in twee grote groepen op basis van hun

geometrie: de continue vezels, die worden gebruikt in

garens en textiel, en de discontinue (korte) vezels, die

worden gebruikt voor dekens of platen voor isolatie

en filtratie. Glasvezel kan worden gevormd tot garen,

net als wol of katoen, en geweven worden tot een stof.

Een lange, continue draad kan worden geproduceerd

door nadat het glas door de gaten in de bus stroomt,

meerdere strengen worden gerold op een snelle winder.

De winder draait op ongeveer 2 mijl (3 km) per minuut,

veel sneller dan de stroomsnelheid van de bussen. De

spanning trekt de draad terwijl deze nog steeds gesmolten

is. Hierdoor worden strengen gevormd die een fractie zijn

van de diameter van de openingen in de bus. Er wordt een

chemisch bindmiddel aangebracht, dat helpt voorkomen

dat de vezel breekt tijdens latere verwerking. De gloeiende

draad wordt vervolgens op buizen gewikkeld. Glasvezelgarens

worden veelal bedekt met een pvc-coating.

Glasvezeldoeken hebben een uitstekende mechanische

weerstand (breken en scheuren), kunnen onder

spanning worden geplaatst zonder uit vorm te raken

om contouren en volumes te creëren. Het materiaal

raakt niet uit vorm bij blootstelling aan hitte, vertoont

nauwelijks krimp en blijft kleurvast als het wordt

blootgesteld aan zonlicht (hoge uv-bestendigheid).

166


Samenvatting glasvezel

- Eigenschappen: Gemaakt van gesponnen glasvezels, vaak gecoat met pvc.

- Toepassing: Veel gebruikt in zonwering zoals rolgordijnen en screens.

- Voordelen: Bestand tegen hitte, uv-straling,

en brandvertragend (klasse M1 of B1-certificering mogelijk).

167


Acrylweefsels

Omschrijving

Acryl is een synthetisch materiaal dat wordt gemaakt

van acrylpolymeren, zoals polymethylmethacrylaat

(PMMA) of polyacrylonitril (PAN). Het wordt veel gebruikt

in textiel, kunststoffen en verf vanwege zijn veelzijdigheid,

duurzaamheid en esthetische kwaliteiten.

Historie

DuPont creëerde de eerste acrylvezels in 1941 en

registreerde ze als handelsmerk onder de naam Orlon.

Orlon werd voor het eerst ontwikkeld in het midden van

de jaren 40 van de vorige eeuw, maar werd pas in de

jaren 50 in grote hoeveelheden geproduceerd. Acryl is

een sterke, zachte vezel die veel op wol lijkt en wordt

verkregen uit polymerisatie van acrylonitril. Acrylvezel,

ook wel polyacryl, polyacrylonitril, dralon of kortweg

acryl genoemd, is een synthetische vezel gemaakt

van de polymeer polyacrylonitril ((C3H3N)n) met een

gemiddelde moleculaire massa van ca. 100.000 u, dus

ongeveer 1900 eenheden monomeer. Polyacryl vormt

lange lineaire moleculen, die zeer geschikt zijn voor

gebruik als (textiel)vezel.

Productie van acryldoek

Acryldoek is een textielmateriaal dat wordt gemaakt

van synthetische acrylvezels en wordt vaak gebruikt

in toepassingen zoals zonwering, tuinmeubelen en

parasols. Het is geliefd vanwege zijn duurzaamheid,

waterafstotendheid en kleurvastheid. Het productieproces

van acryldoek omvat de volgende stappen:

Polymerisatie

Acrylonitril, het belangrijkste basismateriaal, wordt

chemisch behandeld om een polymeer te vormen.

Vaak worden kleine hoeveelheden andere chemicaliën

toegevoegd om de eigenschappen van de vezels te

verbeteren, zoals elasticiteit en kleurhechting.

Door extrusie wordt het gesmolten polymeer door een

spinkop (een plaat met kleine gaatjes) geperst om fijne,

lange vezels te vormen. De vezels worden vervolgens afgekoeld

en gestold, waarna ze worden gerekt en versterkt.

Spinnen van de vezels tot garen

Bij het stapelen worden de losse vezels op een bepaalde

lengte gesneden om te worden verwerkt tot stapelvezels.

Daarna wordt overgegaan tot kammen en twisten,

waarbij de stapelvezels worden gekamd en vervolgens

tot een sterk, uniform garen worden gesponnen.

Kleuren van het garen (massakleuring):

Acryldoek wordt meestal gemaakt van in de massa

gekleurde vezels, wat betekent dat het kleurpigment al

tijdens de vezelproductie wordt toegevoegd. Dit zorgt

voor een uitstekende kleurvastheid en weerstand tegen

vervaging door zonlicht.

Weven van het garen tot doek

In deze stap van het productieproces wordt het

acrylgaren geweven tot een stevige en dichte stof.

De weeftechniek kan variëren, afhankelijk van de

gewenste eigenschappen, zoals structuur, sterkte

en flexibiliteit. Door het gebruik van verschillende

weefpatronen kunnen diverse texturen en patronen

in het doek worden gecreëerd.

168


Behandeling en afwerking

Door het aanbrengen van coatings of het impregneren

van het doek wordt het waterafstotend, schimmelbestendig

en vuilwerend gemaakt. Veelal worden

uv-beschermende lagen aangebracht om de stof te

beschermen tegen schadelijke effecten van zonlicht.

Met behulp van een hittebehandeling wordt het geweven

doek thermisch gestabiliseerd om de vormvastheid

ervan te verbeteren. Voor verdere verwerking van

het doek in andere sectoren wordt de stof op maat

gesneden en worden de randen afgewerkt om rafelen te

voorkomen. De stof wordt vervolgens veelal op kokers

gerold voor transport, opslag en verdere verwerking.

169


170


Samenvatting

- Eigenschappen: Hoogwaardig synthetisch textiel,

vaak waterafstotend behandeld. Zacht en warm,

met een textuur die lijkt op wol. Licht van gewicht

en kleurvast.

- Toepassing: Zonneschermen, markiezen en

buiten jaloezieën, kleden, meubelhoezen en tenten.

- Voordelen: Bestand tegen vocht en schimmel en

motten en vocht. Kleurvast en weerbestendig.

Acryldoek combineert functionaliteit met esthetiek,

waardoor het een ideaal materiaal is voor

buitentoepassingen die blootstaan aan diverse

weersomstandigheden.

We completeren de opsomming van materialen met

een aantal andere weefsels die als terminologie kunnen

voorkomen, hoewel de gebruikte materialen veelal

behoren tot de hiervoor omschreven materiaalsoorten.

Metallisch gecoate weefsels

- Eigenschappen: Weefsels met een dunne laag

aluminium of andere metalen.

- Toepassing: Reflecterende zonwering zoals

lamellen en high-performance screens.

- Voordelen: Hoge reflectiewaarde voor warmte en

licht, ideaal voor energie-efficiëntie.

Blackout- en semitransparante weefsels

- Eigenschappen: Blackout-weefsels blokkeren

100% van het licht, terwijl semitransparante

weefsels gedeeltelijk licht doorlaten.

- Toepassing: Binnenzonwering zoals rolgordijnen,

plisségordijnen en verticale lamellen.

- Voordelen: Lichtregulatie en privacy, geschikt

voor kantoren en slaapkamers.

Technische stoffen met nanoof

smart-coatings

- Eigenschappen: Geavanceerde materialen

met functies zoals zelfreiniging, antistatische

eigenschappen of warmteabsorptie.

- Toepassing: Hightech zonweringsystemen voor

moderne gebouwen.

- Voordelen: Verbeterde duurzaamheid

en functionaliteit.

Honingraatstructuurstoffen

- Eigenschappen: Gelaagd textiel met luchtkamers

voor isolatie.

- Toepassing: Plisségordijnen en dubbele

rolgordijnen.

- Voordelen: Goede thermische isolatie en

geluiddemping.

171


172


WETENSWAARDIGHEDEN LICHT

G-waarde en U-waarde

De g-waarde is een maat voor de hoeveel zonnewarmte

(infraroodstraling) door een bepaald deel van een

gebouw wordt binnengelaten. Een lage g-waarde geeft

aan dat een raam/doek een laag percentage van de

zonnewarmte doorlaat.

De U-waarde is een maat voor de hoeveelheid warmte die

er ontsnapt via bijvoorbeeld de ramen, muren en het dak.

De U-waarde wordt vaak gemeten voor de gehele raamstruc

tuur met de combinatie van glas en kozijn. Hoe lager de

U-waarde, hoe beter het isolerend vermogen van het raam.

Europese norm EN 14501

Thermische en optische waarden, zoals gedefinieerd

in de Europese norm EN 14501 (jaloezieën en rolluiken,

thermisch en visueel comfort, prestatiekenmerken

en classificatie), worden gebruikt om de zonwerende

eigenschappen van een stof/weefsel te meten. De norm

is gebaseerd op een aantal criteria en stelt verschillende

classificaties vast voor comfort.

De zonfactor wordt gebruikt voor thermisch comfort en

visueel comfort refereert aan opaciteit. Er zijn vijf niveaus

van prestatieclassificaties:

In een gewoon woonhuis treffen we naar schatting

gemiddeld 25 tot 30 m² vensterglas aan. De woning

bevat normaal gezien isolatieglas met een U-waarde

van tussen de 1,2 en de 1,6. In theorie komt een

verschil in U-waarde van 0,1 eenheden overeen met

een energieverbruik van ca. 9 kWh/m2 glasoppervlak

per jaar. Het verschil tussen 1,6 en 1,2 is 0,4 eenheden,

hetgeen een besparing geeft van (verschil in U-waarde) x

(meerverbruik) x (oppervlakte glas) = 4 x 9 kWh/m² x 30

m² = 1.080 kWh/jaar.

0 zeer weinig effect

1 klein effect

2 matig effect

3 goed effect

4 zeer goed effect

De EN 14501 definieert de totale zonfactor gtot (stof

gebruikt voor de zonwering + vlakglas in het kozijn) als

de belangrijkste eigenschap voor thermisch comfort

en de Tv-waarde als de belangrijkste eigenschap voor

visueel comfort.

173


Om de totale zonfactor te berekenen, worden twee

standaarden gebruikt:

NEN-EN 13363-1

Deze standaard is een vereenvoudigde methode

en berekent de geschatte waarden voor de totale

energiedoorlatendheid (gtot) van beglazing en

zonwering gecombineerd. Inputs voor deze berekening

zijn optische en thermische parameters van beglazing

en zonwering. De berekeningsprocedure kan eenvoudig

worden uitgevoerd in een spreadsheet. De resultaten van

deze berekening zijn over het algemeen hoger (tot 0,1)

dan de preciezere waarden verkregen uit EN 13363-2.

Thermisch comfort

De zonfactor bepaalt het percentage zonne-energie

dat een ruimte binnenkomt via de zonwering en de

beglazing en wordt uitgedrukt door een index van 0 tot 1.

Hoe dichter de index van de stof bij 0 ligt, hoe efficiënter

deze is in termen van bescherming tegen de hitte.

NEN-EN 13363-2

De gedetailleerde berekeningsmethode berekent

nauwkeuriger waarden voor de totale zonfactor (gtot)

van beglazing en zonwering gecombineerd. Deze

berekening is gebaseerd op de spectrale transmissieen

reflectiegegevens van de zonwering en de beglazing.

De berekening vereist gespecialiseerde software om het

niet-lineaire systeem van vergelijkingen op te lossen.

De uitkomsten van berekeningen volgens EN 13363-2

zijn geschikt als input voor koellastberekeningen.

Straling van de zon wordt altijd gedeeltelijk door het

weefsel doorgegeven, geabsorbeerd of gereflecteerd.

De som van alle drie is gelijk aan 100% van de op het

oppervlak vallende energie van de zon.

Over het algemeen biedt externe (dynamische) zonwering

een betere thermische bescherming dan zonwering

binnen, omdat de zonnestraling, die gedeeltelijk (As)

door de stof wordt geabsorbeerd voordat de beglazing

wordt bereikt, naar buiten wordt gereflecteerd.

Donkere kleuren beschermen beter tegen de hitte dan

lichte kleuren omdat ze meer zonne-energie absorberen

(lagere Ts-waarde).

Ts + Rs + As = 100% zonne-energie.

Omgekeerd zijn lichte kleuren binnenshuis efficiënter.

Ze absorberen minder warmte (lagere As) en reflecteren

het licht meer (Rs) dan donkere kleuren.

174


Factoren die bepalend zijn voor thermisch comfort

Lichtdoorlatendheid

Aandeel energie dat door het weefsel wordt getransporteerd.

Een laag percentage betekent dat de stof goed

presteert bij het verminderen van de temperatuur.

Reflectie

Rs

Rs

Rs

Aandeel van de zonnestraling gereflecteerd door het

weefsel. Een hoog percentage betekent dat de stof

goed presteert bij het reflecteren van zonne-energie.

Absorptie van warmte

As

As

As

Ts

Ts

Ts

Aandeel van de zonnestraling geabsorbeerd door het

weefsel. Een laag percentage betekent dat de stof

weinig energie absorbeert.

Totale zonfactor (gtot)

De totale zonfactor geeft de energie die daadwerkelijk

door de zonwering en de beglazing OF een achterliggende

ruimte binnendringt. Een lage waarde betekent goede

thermische prestaties. De zonfactor wordt bepaald voor

vier gestandaardiseerde beglazingen zoals gedefinieerd

in bijlage A van EN 14501. De basisbeglazing is type C

(thermische transmissiefactor van de beglazing alleen U =

1,2 W/m²K – zonfactor van de beglazing alleen gv = 0,59).

De impact van de verwarmings- en airconditioningsystemen

van gebouwen op zowel het milieu als het

klimaat is aanzienlijk: de systemen vertegenwoordigen

30 tot 40% van de uitstoot van koolstofdioxide en

andere broeikasgassen. Het verbeteren van de

thermische prestaties van gebouwen is van vitaal

belang om de doelstellingen van het Kyoto-protocol

te bereiken en te voldoen aan zowel internationale als

Tv

lokale regelgeving.

Tv

Technische weefsels die gebruikt worden voor

Tv

zonweringsdoeken hebben een tweeledig effect: op het

energieverbruik door het verminderen van het gebruik

van verwarming en airconditioning en op comfort en het

welzijn en welbevinden van mensen in gebouwen door

licht- en temperatuurregeling in winter/zomer.

Er is een brede keus aan weefsels met verschillende

openheidsfactoren en kleuren waarmee bepaald kan

worden hoeveel daglicht er wordt binnengelaten. De

hoeveelheid beschikbaar daglicht bepaalt tevens de

hoeveelheid benodigd kunstlicht.

OF

OF

Rv

Rv

Rv

T&F

T&F

T&F

175


Afhankelijk van de richting van de gevels van een

gebouw en het ruimtegebruik moet het licht in meer

of mindere mate worden gefilterd om verblinding te

voorkomen. Hoe dichter en donkerder de stof, hoe

effectiever verblinding wordt gecontroleerd. Omgekeerd,

om de inval van natuurlijk licht te bevorderen, moet

een lichte stof met een grote openheidsfactor worden

geselecteerd.

Het gebruik van natuurlijk licht verbetert de energieprestaties

van een gebouw, verbetert het welzijn van de

gebruikers en verhoogt de productiviteit.

Emissiviteit

De emissiviteit van een materiaal is het vermogen om

de energie die wordt ontvangen door geleiding (warmte/

koude) opnieuw uit te zenden. Een stof met een lage

emissiviteit, binnen toegepast, zal het effect van

inwendige straling beperken. De energie die door deze

reflectie wordt uitgestraald, blijft binnen, waardoor het

verbruik van energie voor verwarming wordt verminderd.

Visueel comfort

Donkere kleuren bieden betere transparantie en geven

betere mogelijkheden om verblinding tegen te gaan.

Daarentegen verspreiden vooral lichtere kleuren meer

natuurlijk licht.

Rs

Rs

Ts

Ts

Rs

As

Ts

Openheid van het weefsel (Tvnn)

Het gaat hier om de openingen in de stof. De factor is

onafhankelijk van de kleur. Voor stoffen van hetzelfde

weefsel moet worden gemeten met de donkerste kleur

in het bereik.

Lichtdoorlatendheid (Tvnh)

Tv

De factor refereert aan het totale percentage licht dat

door het weefsel wordt uitgestraald over een golflengte

van 380 tot 780 nm (nanometer), ook wel het zichtbare

spectrum genoemd.

Lichtreflectie (Rvnh)

OF

OF

OF

Rv

Rv

Rv

Tv

Tv

T&F

T&F

T&F

As

As

Het betreft hier het deel van het licht dat gereflecteerd

wordt door de stof.

176


Natuurlijk licht vormt een belangrijke factor voor het

welzijn. Natuurlijk licht regelt een aantal endocriene

functies en reguleert de slaap en de waterbalans van

het lichaam. Het verbetert de arbeidsomstandigheden

die werknemers ervaren. Afhankelijk van de

omstandigheden is het echter noodzakelijk om een

meer of mindere mate van natuurlijk licht te hebben of

om te voorkomen dat het in een ruimte terechtkomt.

Het niveau van het invallende licht varieert afhankelijk

van de openheid van het weefsel. Hoe hoger de

openheid van het doek is, hoe meer het licht erdoorheen

komt. De lichtdoorlatendheid is mede afhankelijk van

de kleur en bepaalt de helderheid of schittering.

Verblinding

Natuurlijk licht moet goed worden beheerd om

verblinding te voorkomen. Schittering is een bron van

oogvermoeidheid, vooral schittering op computerschermen.

Net als bij warmte garandeert visueel comfort

de efficiëntie van werknemers tijdens het werk. Factoren

die het mogelijk maken de verblinding te beheersen zijn

openheid van het weefsel en de lichtdoorlatendheid ervan.

De keuze van stoffen hangt mede samen met de geolocatie

en de lay-out van gebouwen. Zonwerend weefsel maakt het

mogelijk om het luminantieniveau van het raam te regelen

(natuurlijk licht verspreid in de kamer) en zorgt ook voor een

ver mindering van storende licht- en donkercontrasten binnen

het gezichtsveld. Afhankelijk van de kleur kan een zonwerend

weefsel een lichtbron worden als zonlicht er direct op valt.

Het luminantieniveau van oppervlakken wordt volgens

de norm NF X 35-103 gemeten. Acceptabele waarden

liggen binnen een bereik van 16 tot 150 Cd/m². Een vel

papier is ongeveer 100 Cd/m² en een computerscherm

is ongeveer 50 Cd/m².

Transparantie van zonwerende stoffen

Zicht naar buiten stelt je in staat een begrip van tijd en

ruimte te behouden, en is essentieel voor de mentale

balans. Het vermindert stress en draagt bij aan het

verbeteren van de productiviteit.

Bepalend is de openheid van het weefsel dat wordt

gebruikt. Donkere kleuren vergemakkelijken de

transparantie. Voor een maximale transparantie is

het noodzakelijk een openheidsfactor te hebben van

groter dan 5%.

Omgekeerd, als het om privacy gaat, met name wanneer

een pand 's nachts wordt verlicht, heeft het de voorkeur

om te kiezen voor een verduisterend zonwerend weefsel.

Warmtehuishouding

Zonweringsdoeken spelen een belangrijke rol in gevels

door de invloed op het energieverbruik verband houdend

met het gebruik van airconditioning en verwarming in

het gebouwen.

Zomercomfort

Stoffen voor buitenzonwering bieden een betere

thermische bescherming omdat de zonnestraling,

die gedeeltelijk door de stof wordt geabsorbeerd (As)

voordat deze de beglazing bereikt, naar buiten wordt

gereflecteerd. Donkere kleuren beschermen beter tegen

de hitte dan lichte kleuren omdat ze meer zonneenergie

absorberen (lagere Ts).

177


Omgekeerd zijn lichte kleuren binnenshuis efficiënter.

Ze absorberen minder warmte (lagere As) en reflecteren

het meer (Rs) dan donkere kleuren. Bovendien

verminderen stoffen met een lage emissie het gevoel

van warmte dat door de ramen wordt afgegeven.

In de zomer bevorderen zonweringsdoeken energiebesparing,

door het gebruik van koelinstallaties en

airconditioning te beperken.

Wintercomfort

Zonwerende stoffen hebben een isolerende werking op

glas en helpen om 's nachts warmteverlies te verminderen

en tegelijkertijd het verkoelende effect van glas overdag

te bestrijden. Door gebruik te maken van binnenzonwering

om de helderheid te regelen, wordt het energieverbruik

geprikkeld omdat het nulkosteneffect van de zon

gedeeltelijk behouden blijft. In de winter bevorderen

zonwerende stoffen energiebesparing door verwarming.

Impact van kleuren van zonwerende stoffen

Er zijn vier belangrijke aspecten om te overwegen bij het

kiezen van een stof.

Lichtdoorlatendheid (Tv%)

Met lichtdoorlatendheid wordt gerefereerd aan het

aandeel zichtbaar licht dat het weefsel doorlaat.

Over het algemeen hebben donkere kleuren een

lagere waarde dan lichte kleuren. Stoffen met een

openheidsfactor van meer dan 3% laten grotere

hoeveelheden zichtbaar licht door de stof. Een Tvwaarde

van 7% wordt gezien als het maximale niveau

van zichtbare lichttransmissie in bijvoorbeeld scholen

en kantoren.

De volgende drie factoren worden samen bekeken en

gaan over wat er met alle energie gebeurt; het gaat

hier dus om de combinatie van licht en warmte. De

gecombineerde percentages lopen altijd op naar 100%.

Lichtabsorptie (As%)

Onder lichtabsorptie wordt verstaan de hoeveelheid

zonne-energie die door de stof wordt geabsorbeerd. Het

is een algemeen bekend feit dat donkere kleuren meer

zonne-energie absorberen dan lichte stoffen en dus een

hoge As%-waarde zullen hebben. Als warmteopbouw

een probleem is, kiest men voor een lichtgekleurde stof

of een donkere stof met een reflecterende achterkant

voor toepassingen binnen.

Reflectiewaarde (Rs%)

De reflectiewaarde geeft aan hoeveel zonne-energie

door de stof wordt gereflecteerd. Een hoge waarde

betekent dat de stof goed presteert in het terugkaatsen

van zonne-energie naar buiten. Stoffen met een

reflecterende gemetalliseerde achterkant hebben in

het algemeen de beste reflectiewaarden.

Lichttransmissie (Ts%)

De lichttransmissie geeft het percentage zonne-energie

dat door de stof wordt doorgegeven aan de omgeving.

Een lage Ts%-waarde betekent dat de stof goed

presteert in het verminderen van de hoeveelheid zonneenergie

die door het glas het gebouw binnenkomt.

Donkere kleuren bieden een lager Ts% dan lichte kleuren

omdat ze meer licht blokkeren.

Veelal ontstaat er een conflict tussen het verminderen

van warmte (lichte kleuren hebben de voorkeur) en het

178


verminderen van licht (donkere kleuren hebben de voorkeur).

Daarom worden grijze kleuren veel gebruikt voor

zonwerend weefsel in de utiliteitsbouw.

Het ultieme compromis is veelal een stof te kiezen

voor binnen met een sterk reflecterende achterzijde.

De gemetalliseerde laag is naar het glas gericht en

geeft een hoge Rs%-waarde. Tegelijkertijd creëert deze

achterkant een solide coating op de garens van de stof,

waardoor het licht dat door het garen wordt verspreid

aanzienlijk wordt verminderd waardoor er ook een lage

lichtdoorlatendheid (Tv%) wordt gerealiseerd, ongeacht

de kleur van de stof. Zo zijn er stoffen beschikbaar die

82% van het licht reflecteren, 15% absorberen en dus

slechts 3% van de zonne-energie door het weefsel in

het gebouw doorlaten.

Kiezen van het juiste type weefsel

voor toepassing in zonwering

In het algemeen geldt dat bij het kiezen van de beste

stof voor de zonwering het belangrijk is om inzicht te

hebben in wat de invloed is van een specifieke kleur.

Dus naast de technische eigenschappen van het

weefsel (primair) is ook de kleur van de stof van

invloed, hoewel de invloed daarvan zich beperkt tot

enkele procentpunten.

Vaak wordt de zonweringsstof geselecteerd op basis

van de kleur en stijl die het beste bij het interieur

passen. Helaas houdt deze op esthetiek gebaseerde

benadering geen rekening met het vermogen van

de stof om verblinding te beheersen, het zicht te

behouden, diffuus daglicht in de ruimte toe te laten of

de zonnewarmtewinst te verminderen. Wanneer kleur de

belangrijkste overweging is bij het selecteren van een

stof grijpt men waarschijnlijk snel naar een weefsel dat

er goed uitziet aan de muur of in de gevelpartij, maar

mogelijk geen bevredigende daglichtprestaties biedt.

De openheidsfactor (OF) van een weefsel verwijst naar

de hoeveelheid licht die dwars door de stof kan gaan.

Een openheidsfactor van 5% betekent dat 5% van het

zonlicht wordt doorgelaten onder een hoek die loodrecht

op de ruit staat. De resterende 95% van het licht wordt

diffuus, gereflecteerd of geabsorbeerd.

Zichtbare lichtdoorlatendheid (Tv) verwijst naar de

totale hoeveelheid licht en omvat zowel het directe

als het diffuse licht. De Tv-waarde van een kleur wordt

voornamelijk beïnvloed door de fysieke openheid in het

weefsel en de kleur van de draden van de stof, maar

wordt ook beïnvloed door de vorm en het specifieke

patroon van het weefsel.

Donkere stoffen absorberen meer van het beschikbare

daglicht dan lichtgekleurde stoffen. Bij gelijke openheidsfactoren

zal een donkergekleurde stof vaak een lagere

Tv-waarde hebben dan een lichtgekleurde schaduwstof.

Er kunnen echter aanzienlijke prestatie verschillen zijn

tussen stoffen van dezelfde kleur. Bij de keuze van het

weefsel is het dus belangrijk de Tv-waarde te bekijken

om beter te begrijpen hoe het product presteert.

De reflectiewaarde (Rs) verwijst naar het percentage

van de totale zonnestraling dat wordt gereflecteerd

door de buitenkant van de stof. De reflectiewaarden

worden voor een groot deel bepaald door de kleur of de

eventuele coatings op de buitenkant van de stof.

179


Donkere kleuren absorberen meer van de beschik bare

lichtenergie en bieden daarom lagere reflectiewaarden.

Lichter gekleurde stoffen reflecteren meer van de lichtenergie

en zorgen voor hogere zonnereflectiewaarden.

Een standaard zwart weefsel biedt bijvoorbeeld

meestal een Rs-waarde van minder dan 10%, waar

een witte stof een Rs-waarde van 50% kan leveren.

Als algemene regel geldt dat Rs-waarden van

meer dan 30% enige bescherming bieden tegen

zonnewarmte, terwijl een Rs-waarde van 50% of meer

een goede thermische bescherming biedt.

Daarbij moet worden aangetekend dat er manieren zijn

om de reflectiewaarde van een stof met een gegeven

kleur te beïnvloeden. In dergelijke gevallen wordt een

coating aangebracht op de naar buiten gerichte zijde

van het weefsel.

sluiten bij de behoefte aan het reguleren van direct

zonlicht afhankelijk van de geveloriëntatie en hoogte.

Op oost- en westgevels, met name in gevallen waarbij

de gevel is uitgerust met helder glas, die directe

blootstelling aan de zon ervaren tijdens zonsopgang

en zonsondergang, wordt vaak voor weefsels

gekozen met een openheidsfactor van 3% of minder

(aanbevolen: 1%). De kleinere openheidsfactor creëert

een fijner filter over de ruit.

Stoffen met openheidsfactoren van 4% of minder

(aanbevolen: 2%) worden meestal toegepast op

ramen/gevels op het zuiden. Ramen met noordelijke

belichtingen zijn vaak uitgerust met stoffen met grotere

openheidsfactoren, waardoor meer van het direct

beschikbare omgevingslicht in de ruimte komt.

OPENNESS

FACTOR

(OF)

VISIBLE

TRANSMITTANCE

(TV)

GLARE Use low OF Use low Tv

DAYLIGHTING

Use high Tv

VIEWS Use high OF Use low Tv

SOLAR HEAT

SOLAR

REFLECTANCE

(RS)

Use high Rs

Een weefsel met een lage Tv-waarde zorgt ook voor

een goede diffuse daglichtregeling en beperkt de kans

dat de stof te helder wordt bij het omgaan met intense

daglichtomstandigheden. Vergeet niet dat witte

stoffen, zelfs met lage openheidsfactoren, een zeer

heldere verblindingsbron kunnen worden in combinatie

met direct zonlicht.

Verschillende eigenschappen houden verband met elkaar.

Het verband laat zich eenvoudig uitdrukken in de formule

die al eerder aan de orde kwam:

As (in %) + Rs (in %) + Ls (in %) = 100%

In projecten worden vaak weefsels met verschillende

openheidsfactoren overwogen om het beste aan te

Als het ontwerpdoel is om de hoeveelheid

verblindingsvrij daglicht die in een ruimte wordt

toegelaten te maximali seren teneinde de grootst

mogelijke mate van energie besparing te bereiken,

is het beter weefsels met de hoge Tv-waardes te

kiezen. Met een hogere Tv-waarde verhoogt men de

hoeveelheid licht, zowel direct als diffuus, die door

het weefsel in de ruimte wordt toegelaten.

180


De scherpte en helderheid van het zicht door

een weefsel kunnen worden voorspeld als een

functie van de Tv-waarde en openheidsfactor.

Donkere stoffen met hogere openheidsfactoren

bereiken over het algemeen een hogere mate van

helderheid, gevolgd door donkergekleurde stoffen

met lage openheidsfactoren. Lichtgekleurde

stoffen bieden meestal de meeste interferentie

met het uitzicht naar buiten en bieden

enigszins verwarde of gedempte versies van de

omringende kleuren.

Tot voor kort bestond er geen statistiek die de

helderheid van de weergave definieerde om een

ontwerpteam te helpen bij het specificeren van

een weefsel in een specifiek project. De View

Clarity Index (VCI) rangschikt de helderheid van

de weergave van 0 tot 100%. Een waarde van

100% betekent dat de stof geen waarneembare

interferentie veroorzaakt met het uiterlijk. Bij

50% zijn de meeste objecten aan de buitenkant

herkenbaar, hoewel de randen wazig zijn en

kleuren zichtbaar, maar uitgewassen. Een waarde

van nul geeft aan dat er geen zicht is door de stof.

Fabrikanten hebben kleuren ontwikkeld die

het thermisch beheer verbeteren zonder het

behoud van het zicht negatief te beïnvloeden.

Dubbelzijdige stoffen werden geïntroduceerd

om een aanzienlijk verbeterde Rs-waarde te

bieden, vaak van boven de 50%, hetgeen de

warmteafstoting van de stof drastisch verbetert,

zonder de helderheid van de objecten of kleuren

aan de andere kant op te offeren.

Samenvattend:

Lichte kleuren

- Lichte kleuren hebben een hogere Rs-waarde,

hetgeen betekent dat er meer warmte wordt

gereflecteerd. In een warme omgeving kan dit

leiden tot lagere kosten voor koeling.

- Lichte kleuren hebben ook een hogere Tv,

ofwel geven meer verblinding dan een

donkerdere kleur. Voor een ruimte waar de

focus ligt op een computerscherm, kan dit

een probleem veroorzaken.

- Lichte kleuren behouden echter natuurlijk licht

en kunnen daarom de behoefte aan lampen of

bovenlichten verminderen.

Donkere kleuren

- Lagere Tv-waarden zorgen voor een uitstekende

verblindingscontrole. Een donkerdere

kleur zou een betere keuze zijn voor een

entertainmentruimte.

- Een hogere As betekent dat er meer licht en

warmte door de stof wordt opgenomen, waardoor

de kosten van koeling minder zullen worden

verlaagd dan bij een lichtere kleur. In een zeer

warm gebied en een raam met uitzicht op de

zon gedurende de dag, is een donkere kleur

misschien niet de beste keuze.

- Donkere kleuren hebben overdag een beter

zicht naar buiten, waardoor de omgeving

beter zichtbaar is.

- Donkere kleuren vertonen minder vuil dan lichte

kleuren, iets dat kan worden meegewogen op

basis van de locatie.

181


182


8

WETGEVING VAN TOEPASSING OP BOUWEN EN GEBOUWEN

183


EUROPA

Invloed van Europese klimaatwetgeving

Veel wetgeving die van toepassing is op bouwen en gebouwen in Nederland vloeit voort uit Europese

klimaatwetgeving die gericht is op het reduceren van de CO2-uitstoot in algemene zin. In december 2019

besloten de EU-leiders in de Europese Raad dat de EU in 2050 klimaatneutraal moet zijn. De EU-leiders

besloten in december 2020 als tussenstap richting de doelstelling voor 2050 tot halvering van de

EU-uitstoot tussen nu en 2030 (ten opzichte van 1990) tot ten minste 55% minder uitstoot in 2030.

Gebouwen zijn verantwoordelijk voor meer dan een

derde van alle broeikasgasemissies in de EU. Deze

emissies terugdringen – door meer energie-efficiëntie

of een lager energieverbruik – is cruciaal om in 2050

klimaatneutraliteit te bereiken.

Binnen de aangegeven kaders voor Europa worden de

lidstaten geacht hun beleid vorm te geven en wetgeving te

maken en aan te passen. De Nederlandse klimaatdoelen

zijn vastgelegd in de nationale Klimaatwet. Behalve de

klimaatdoelstellingen beschrijft de Klimaatwet ook het

beleidskader rond de klimaat doelstellingen. Er zijn drie

beleidsinstrumenten opgenomen:

1. Vijfjaarlijks Klimaatplan (plan voor 10 jaar met

bijstelling iedere 5 jaar), waarin zijn opgenomen

de hoofdlijnen van het beleid, de laatste

wetenschappelijke inzichten en de economische

gevolgen van het beleid. Het Klimaatplan is voor de

eerste maal vastgesteld in 2019 en heeft betrekking

op de periode van 2021 tot en met 2030.

2. Een tweejaarlijkse Voortgangsrapportage; iedere

twee jaar na de vaststelling van het Klimaatplan

wordt over de voortgang van de uitvoering daarvan

gerapporteerd en, als de rapportage daartoe

aanleiding geeft in het licht van de doelstellingen

van de Klimaatwet, worden maatregelen genomen.

3. In de jaarlijkse Klimaatnota legt het kabinet

verantwoording af over het klimaatbeleid en wordt

de voortgang in het afgelopen jaar beschreven.

Daarbij wordt gebruikgemaakt van voorlopige

ramingen van het Planbureau voor de Leefomgeving

over de voortgang van het klimaatbeleid. Zo gaat

bijvoorbeeld de Klimaatnota 2022, onderdeel

gebouwen, in essentie over twee zaken: het

reduceren van het energieverbruik (isoleren) en het

gebruik van hernieuwbare energie (anders gezegd:

gebouwen afsluiten van het gas). Met name het

eerste onderwerp vormt een belangrijke kapstok

voor de zonweringsbranche.

De Klimaatwet biedt een kader voor de ontwikkeling

van beleid gericht op het onomkeerbaar en stapsgewijs

terugdringen van de emissies van broeikasgassen in

Nederland teneinde wereldwijde opwarming van de

aarde en de verandering van het klimaat te beperken,

waarbij Nederland overeenkomstig artikel 2, eerste

lid, van de Europese klimaatwet de netto-uitstoot

van broeikasgassen uiterlijk in 2050 tot nul reduceert

en streeft naar negatieve emissies van broeikasgassen

na 2050.

184


185


Europese richtlijn energieprestatie

Met de nieuwe BENG-eisen wordt in Nederland een belangrijke

stap gezet om het energiegebruik van woningen en

gebouwen te beperken. Daarmee voldoen nieuwe gebouwen

aan de Europese richtlijn betreffende de energieprestaties

van gebouwen. Hierin is afgesproken dat alle nieuwe

gebouwen bijna-energieneutraal moeten zijn. Dat betekent

dat een bewoner met weinig energieverbruik zijn woning

kan verwarmen, kan koken en warm water kan gebruiken.

In de EU komt 40% van het totale energieverbruik voor

rekening van gebouwen. Het aantal gebouwen breidt

zich uit, waardoor het energieverbruik vanzelfsprekend

toeneemt. Daarom zijn een vermindering van het

energieverbruik en het gebruik van energie uit

hernieuwbare bronnen in de bouwsector belangrijke

maatregelen die nodig zijn om de energieafhankelijkheid

en de broeikasgasemissies van de EU te doen dalen.

Bij maatregelen voor de verdere verbetering van de

energieprestatie van gebouwen moet rekening worden

gehouden met de klimatologische en plaatselijke

omstandigheden, alsmede met de binnenklimaateisen

en de kostenefficiëntie. De maatregelen mogen

andere eisen die aan gebouwen worden gesteld, zoals

toegankelijkheid, veiligheid en de gebruiksbestemming

van het gebouw, niet in het gedrang brengen.

Gebouwen zijn van invloed op het energieverbruik op lange

termijn. Gezien de lange renovatiecyclus van bestaande

gebouwen zouden nieuwe gebouwen en bestaande

gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, daarom

moeten voldoen aan minimumeisen inzake energieprestatie

die zijn aangepast aan het plaatselijke klimaat.

Ingrijpende renovaties van bestaande gebouwen,

ongeacht hun omvang, vormen een gelegenheid om

kostenefficiënte maatregelen te nemen ter verbetering

van de energieprestatie. Er zijn maatregelen nodig om

ervoor te zorgen dat een groter aantal gebouwen niet

alleen voldoet aan de huidige minimumeisen inzake

energieprestatie, maar ook energie-efficiënter is en

zodoende zowel het energieverbruik als de kooldioxideuitstoot

omlaag brengt.

De toekomstige koper of huurder van een gebouw of

gebouwunit dient via het energieprestatiecertificaat

correcte informatie te krijgen over de energieprestatie

van het gebouw, alsmede praktisch advies over hoe die

kan worden verbeterd.

De overheid dient het goede voorbeeld te geven

en zich in te spannen om de aanbevelingen in het

energieprestatiecertificaat uit te voeren. Gebouwen

die door de overheid worden gebruikt en gebouwen die

veelvuldig door het publiek worden bezocht, dienen

een voorbeeldfunctie te vervullen door te tonen dat er

met zorg voor het milieu en energiegebruik rekening

wordt gehouden en daarom dient voor die gebouwen

regelmatig energiecertificering plaats te vinden.

De verspreiding van informatie over die energieprestatie

onder het publiek kan worden verbeterd door die

energieprestatiecertificaten op een opvallende plaats

aan te brengen, met name in gebouwen van een zekere

omvang waarin overheidsinstanties zijn gehuisvest of die

veelvuldig door het publiek worden bezocht.

186


Citaat uit: Publicatieblad van de Europese Unie 18.6.2010

“De laatste jaren is het aantal airconditioningsystemen in de Europese landen toegenomen. Dit veroorzaakt aanzienlijke

problemen op het gebied van piekbelasting, waardoor de kostprijs van elektriciteit stijgt en de energiebalans wordt

verstoord. Er moet prioriteit worden verleend aan strategieën die bijdragen tot betere thermisch prestaties van

gebouwen tijdens de zomer. Daartoe moet de nadruk komen te liggen op maatregelen om oververhitting te voorkomen,

bijvoorbeeld zonwering en voldoende thermisch vermogen in de gebouwconstructie, en verder ontwikkeling en

toepassing van technieken voor passieve koeling en in het bijzonder van technieken die bijdragen tot het verbeteren

van de kwaliteit van het binnenklimaat en van het microklimaat rond gebouwen Installateurs en aannemers zijn van

cruciaal belang voor de succesvolle uitvoering van deze richtlijn. Daarom dient een adequaat aantal installateurs en

aannemers door middel van opleiding en andere maatregelen een passend competentieniveau te hebben voor het

installeren en integreren van de vereiste technologie inzake energie-efficiëntie en hernieuwbare energie”.

De Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD) bevat een aantal specifieke eisen om de energieefficiëntie

van gebouwen te verbeteren. Deze zijn samengevat in het onderstaande overzicht.

EIS/VERPLICHTING VAN TOEPASSING OP TOELICHTING HULPMIDDELEN

Klik op de regeling of checklist!

1 Energieprestatie-eisen en

documentatie

• Installatie van nieuwe

systemen1

• Vervanging van de centrale

opwekker2

• Vervanging van 1/3 of meer

van de afgiftelichamen3

2 Systeemeisen • Installatie van nieuwe

systemen1

• Vervanging van de centrale

opwekker2

• Vervanging van 1/3 of meer

van de afgiftelichamen3

3 Verplichte installatie van

thermostatische bediening

in alle ruimtes4

4 Verplichte keuring

van verwarmings- en

airconditioningsystemen

5 Vanaf 2026 verplichte

installatie van

Gebouwautomatiseringsen

controlesystemen

(GACS)

• Installatie van systemen voor

verwarming en/of koeling in

nieuwe gebouwen

• Vervanging van de centrale

opwekker2

• Vervanging van 1/3 of meer

van de afgiftelichamen3

• Systemen met een vermogen

van meer dan 70 kW

• Utiliteitsgebouwen

met verwarmings- en

airconditioningssystemen met

een vermogen van meer dan

290 kW6

De eisen en bijbehorende rekenregels staan in de Regeling Bouwbesluit en op de

EPBD pagina van RVO. Controle gebeurt aan de hand van de documentatie van de

installateur. Zonder documentatie kan vaak met een speciale checklist worden

nagegaan of het systeem voldoet aan de eisen. In andere gevallen is een nieuwe

berekening nodig. Voor complexe situaties is een NTA-berekening in een NTA-rekentool

nodig. De installateur moet de documentatie aan de gebouweigenaar afgeven.

Voor elk type installatie zijn in de Regeling Bouwbesluit eisen vastgelegd voor het op de

juiste manier installeren, dimensioneren, instellen en bedienen van de systemen.

De eisen voor het inregelen van verwarmingssystemen zijn samengevat in de checklist

‘EPBD: eisen voor de plaatsing van thermostatische regelingen en waterzijdig

inregelen’.

Nieuwe gebouwen moeten altijd voorzien zijn van thermostatische regelingen, voor

zowel verwarming als airconditioning. In de checklist ‘EPBD: eisen voor de plaatsing

van thermostatische regelingen en waterzijdig inregelen’ staat wanneer voor

bestaande gebouwen installatie vanuit het Bouwbesluit verplicht is. De verplichting

geldt niet voor gebouwen, verblijfsruimtes of verblijfsgebieden die niet verwarmd

en/of gekoeld worden. Of als de meerkosten meer dan 20 procent van de totale

installatiekosten bedragen. Als aan elkaar grenzende ruimten onderdeel zijn van

dezelfde thermische zone mag de zelfregelende apparatuur de temperatuur ook per

zone (verblijfsgebied) reguleren.

Verwarmingssystemen moeten eens in de vier jaar worden gekeurd en

airconditioningsystemen eens in de vijf jaar. De verplichting vervalt voor

gebouwen met gebouwautomatisering en -controlesystemen (GACS) en/of een

energieprestatiecontract. Van elke keuring wordt voor eigenaar of huurder een

keuringsrapport opgesteld. Keuringen moeten binnen 4 weken af worden gemeld in

de betreffende meldingsregisters. De keuringsplicht staat samengevat in de checklist

‘EPBD: keuringsplicht energieprestatie’.

De GACS moeten onder andere in staat zijn het energieverbruik permanent te

controleren en bij te sturen, de energie-efficiëntie van het gebouw te toetsen en de

communicatie met verbonden systemen en andere apparaten mogelijk te maken. De

precieze eisen waaraan GACS moeten voldoen staan op de EPBD pagina van RVO.

• Meer gedetailleerde informatie

en de rekentool staan op de

EPBD pagina van RVO

• Bepalingsmethode NTA 8800

• Meer gedetailleerde informatie

staat op de EPBD pagina

van RVO

• EPBD: eisen voor de plaatsing

van thermostatische regelingen

en waterzijdig inregelen

• Meer gedetailleerde informatie

staat op de EPBD pagina

van RVO

• EPBD: eisen voor de plaatsing

van thermostatische

regelingen en waterzijdig

inregelen

• Meer gedetailleerde informatie

staat op de EPBD pagina

van RVO

• EPBD: keuringsplicht

energieprestatie

• Meer gedetailleerde informatie

staat op de EPBD pagina

van RVO

6 Verplichte installatie van

laadinfrastructuur voor

elektrisch vervoer (meer

dan 10 parkeerplaatsen)

7 Verplichte installatie van

laadinfrastructuur voor

elektrisch vervoer (meer

dan 20 parkeerplaatsen)

• Nieuwe utiliteitsgebouwen

of woningen of bestaande

utiliteitsgebouwen of

woningen die ingrijpend

worden gerenoveerd met meer

dan 10 parkeerplaatsen7

• Bestaande utiliteitsgebouwen

met meer dan 20

parkeerplaatsen

De verplichting geldt wanneer de parkeergelegenheid op hetzelfde terrein

(bouwperceel) ligt. Bij woningen is het verplicht elke parkeerplaats te voorzien van

leidingdoorvoeren (loze leidingen). Bij utiliteitsgebouwen is het verplicht minimaal

een laadpunt te installeren en minimaal 1 op de 5 parkeerplaatsen te voorzien van

leidingdoorvoeren (loze leidingen). De precieze eisen waaraan laadpunten moeten

voldoen staan op de EPBD pagina van RVO.

De verplichting geldt wanneer de parkeergelegenheid op hetzelfde terrein

(bouwperceel) ligt. Bij bestaande utiliteitsgebouwen met meer dan 20 parkeerplaatsen

is met ingang van 1 januari 2025 minimaal één oplaadpunt verplicht. De precieze eisen

waaraan laadpunten moeten voldoen staan op de EPBD pagina van RVO.

• Meer gedetailleerde informatie

staat op de EPBD pagina

van RVO

• Meer gedetailleerde informatie

staat op de EPBD pagina

van RVO

https://www.rvo.nl/sites/default/files/2021/04/epbd-eisen-aan-gebouwen.pdf

187


NEDERLAND

Overzicht Nederlandse regelgeving van toepassing op bouwen en gebouwen

Talloze voorschriften en wetgevingen vormen samen een complex kader voor bouw- en verbouwprojecten

in Nederland. Specifieke projecten vereisen vaak aanvullende vergunningen en toetsingen.

Bouwbesluit 2012

Het Bouwbesluit 2012 is de belangrijkste

regelgeving voor het bouwen en verbouwen

van woningen in Nederland. Het Bouwbesluit

2012 is de kern van de Nederlandse bouwregelgeving

en stelt minimumeisen aan:

- Veiligheid (constructieve veiligheid,

brandveiligheid, vluchtroutes).

- Gezondheid (ventilatie, daglichttoetreding,

thermisch comfort).

- Bruikbaarheid (toegankelijkheid, grootte

van ruimtes).

- Energiezuinigheid (minimale eisen voor

isolatie (Rc-waarden), energiezuinigheid

en de EPC (energieprestatiecoëfficiënt).

- Milieu (materialen, afvalbeheer).

- Het Bouwbesluit 2012 is vervangen door

de Omgevingswet.

Installaties

Regels over verwarmings-, koel- en

ventilatiesystemen.

Omgevingswet (2024)

De Omgevingswet vervangt en bundelt

26 bestaande wetten, waaronder de Wet

algemene bepalingen omgevingsrecht

(Wabo). Het doel is de regelgeving rondom

ruimtelijke ordening (fysieke leefomgeving)

eenvoudiger en overzichtelijker te maken.

De belangrijke pijlers zijn:

- Vergunningverlening: Vereenvoudigde

procedures voor bouwactiviteiten via de

omgevingsvergunning.

- Bestemmingsplan: Lokale plannen bepalen

wat en hoe er gebouwd mag worden.

- Milieubelasting: Beoordeling van effecten

op luchtkwaliteit, geluid en waterbeheer.

Wet kwaliteitsborging

voor het bouwen (2023)

Deze wet (ingegaan op 1 juli 2023)

intro duceert een nieuw stelsel voor

kwaliteitsborging:

- Verantwoordelijkheid voor bouwkwaliteit

ligt bij de aannemer.

- Bouwers moeten aantonen dat het

bouwwerk aan de wettelijke eisen voldoet

via onafhankelijke kwaliteitsborging.

- Consumentenbescherming: versterkte

positie van opdrachtgevers bij geschillen.

Woningwet

De Woningwet stelt eisen aan het beheer en

onderhoud van woningen:

- Gemeenten kunnen handhaven op

ondeugdelijk onderhoud.

- Verplichtingen voor eigenaren met

betrekking tot het veilig en gezond houden

van woningen.

Energieprestatie-eisen en

duurzaamheidsvoorschriften

Energieprestatie van gebouwen (EPG)

- Eisen aan de energieprestaties van

nieuwe en bestaande woningen.

Vanaf 1 januari 2021 is de EPC

(= energieprestatie coëfficiënt) van

gebouwen vervangen door BENG-eisen.

- BENG: bij nieuwbouw moeten woningen

voldoen aan de eisen voor Bijna

Energie neutrale Gebouwen.

Wet Voortgang Energietransitie (VET)

- Onderdeel van de energietransitie.

Deze wet verbiedt gasaansluitingen

bij nieuwbouw.

- Verplicht gebruik van alternatieven zoals

warmtepompen, elektrische verwarming

of stadsverwarming.

Energielabel

- Verplicht beschikbaar zijn bij verkoop, verhuur

en oplevering van woningen: energielabel.

- De regelgeving beoogt verduurzaming

bij verbouwingen.

- Label C-verplichting: vanaf 2023 moeten

kantoren minstens energielabel C hebben

(relevant voor gemengde woon/werkpanden).

De Europese Richtlijn Energieprestatie

Gebouwen (EPBD)

De EPBD stelt eisen aan de energieefficiëntie

van gebouwen:

- Energie-labels verplicht bij oplevering,

verkoop of verhuur.

- NTA 8800-methodiek bepaalt de

energieprestatie van woningen.

- BENG-eisen bepalen de energieprestatie

van gebouwen.

188


Regeling Bouwbesluit

Deze regeling specificeert technische

normen en verwijst naar normen zoals:

- NEN 7120 (energieprestatie).

- NEN 2699 (maatvoering).

- NEN-EN-ISO-normen voor thermische

isolatie, ventilatie en akoestiek.

Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet)

Voor bouwwerkzaamheden gelden

strenge regels voor veiligheid en

arbeidsomstandigheden:

- Veiligheidsmaatregelen op de bouwplaats.

- Verplicht gebruik van beschermingsmiddelen.

Wet milieubeheer

- Vereist dat woningeigenaren maatregelen

nemen om energie te besparen als deze

binnen vijf jaar terugverdiend kunnen worden.

- Toe te passen bij verbouwingen en

projecten gericht op verduurzaming

van woningen.

In de opsomming is uitsluitend NEN 7120

relevant in verband met de energieprestatie

van een gebouw. NEN 7120 is de

bepalingsmethode voor de vaststelling van

de energieprestatie en de energiezuinigheid

van een woon- of utiliteitsgebouw. De

methode is geschikt voor nieuwbouw en

bestaande bouw.

Per 1 januari 2021 is de NTA 8800 van

kracht. Deze vervangt de NEN 7120 bij

de bepaling van de energieprestatie

van een woning.

Lokale regelgeving en

gemeentelijke verordeningen

Elke gemeente hanteert aanvullende

regels, zoals:

- Bestemmingsplannen: wat mag worden

gebouwd en hoe.

- Welstandsnota’s: esthetische eisen

aan bouwwerken.

- Verordening funderingsherstel: eisen voor

funderingsvernieuwing in risicogebieden.

Wet geluidhinder

Bij nieuwbouw en renovatie moeten

geluidsnormen worden nageleefd:

- Maximale geluidsbelasting van woningen

door verkeer en industrie.

- Eisen aan geluidsisolatie van gevels.

Circulaire en duurzame bouwvoorschriften

In het kader van duurzaamheid worden

steeds meer circulaire bouwprincipes

gestimuleerd:

- Materialenpaspoort: Registratie van

herbruikbare materialen.

- MKI (milieukostenindicator): Rekentool

voor milieubelasting van materialen.

Europees recht en internationale

richtlijnen

Bouwen in Nederland wordt mede beïnvloed

door Europese wetgeving, zoals:

- REACH-verordening: Beperking van

gevaarlijke stoffen in bouwmaterialen.

- CE-markering: Verplichte certificering

van bouwproducten.

Asbestwetgeving

- Het gaat hier om strenge regels voor het

verwijderen van asbest bij verbouwingen.

- Met name woningen gebouwd vóór 1994

kunnen asbest bevatten.

Circulariteitsbeleid

- Het gaat hier om verplicht gebruik van

circulaire bouwmaterialen bij bepaalde

projecten (lokale en pilotregels in

sommige gemeenten).

- Relevantie: stimulans voor duurzaam

bouwen en hergebruik van materialen.

189


Wetgeving bouw relevant voor de

zonweringsbranche

Refererend aan het voorgaande globale overzicht van

wetgeving die verband houdt met bouwactiviteiten

en gebouwen kunnen we twee blokken

onderscheiden die mogelijke aanknopingspunten

voor de zonweringsbranche bevatten dan wel de

bouwactiviteiten zodanig beïnvloeden dat er mogelijk

gevolgen zijn voor de omvang van de markt. Tot het

eerste blok behoren klimaatwetgeving en wetgeving

die van doen heeft met gezondheid voor zover er

invloeden van gebouwen zijn op de gebruikers. Het

tweede blok is milieuwetgeving en dan met name dat

stuk van de milieuwetgeving dat van invloed is op

het verkrijgen van vergunningen voor nieuwbouw en

verbouw.

190


Omgevingswet

Met de Omgevingswet beoogt de overheid de regels

voor ruimtelijke ontwikkeling te vereenvoudigen en

samen te voegen, zodat het straks makkelijker wordt

bouwprojecten te starten.

Er zijn veel regels in Nederland die zorgen voor een

veilige en prettige omgeving om in te wonen en te

werken. Die gaan onder andere over hoe we omgaan

met natuur, milieu, bouwen en wonen. De vele regels

maken het soms ingewikkeld om projecten voor

bijvoorbeeld de bouw van woningen of wegen te starten.

De Omgevingswet bundelt de regels en maakt deze

eenvoudiger zodat projecten sneller kunnen starten en

eerder klaar zijn.

De Omgevingswet bundelt 26 wetten en tal van regels

en voorschriften over de fysieke leefomgeving in één

wet. Procedures zijn gestroomlijnd, regelgeving is

geharmoniseerd en in veel gevallen zijn beslistermijnen

versneld. De wet regelt verder een digitaal stelsel met

een digitaal loket (het Omgevingsloket). Het digitaal

stelsel helpt bij het inzichtelijk maken welke regels er

in een bepaald gebied gelden en biedt een loket waar

vergunningen kunnen worden aangevraagd.

Deze wet moet ondernemen voorspelbaarder maken

en procedures sneller en goedkoper laten verlopen.

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet

ruimtelijke ordening, de Wet natuurbescherming en

de Waterwet zijn verdwenen; bepalingen daaruit zijn

opgenomen in de Omgevingswet.

Ook het Activiteitenbesluit en het Bouwbesluit zijn

vervangen. De 50.000 bestaande bestemmingsplannen

worden gebundeld in één omgevingsplan per gemeente.

De Omgevingswet is geen doel op zich, maar biedt een

instrumentarium om de (transitie)opgaven in Nederland de

komende decennia handen en voeten te geven. Hiermee

krijgen gemeenten meer eigen regie op het bereiken en in

stand houden van een gezonde en veilige leefomgeving.

Deze transitieopgaven (energietransitie, landbouwtransitie

en de woningbouwopgave) vragen om een juiste

inzet en uitwerking van de Omgevingswet-instrumenten:

- Beleidsmatig in de omgevingsvisie, waar de

opgaven in samenhang beleidsmatig worden

beschreven (waar wil mijn gemeente over tien

jaar staan?).

- De (operationele) uitwerkingen in programma’s,

waarin de opgaven vertaald worden in concrete

maatregelen (hoe, wie, tegen welke kosten en

in welke tijd) en de wijze waarop deze worden

uitgevoerd (monitoring).

- De juridische doorwerking naar het

omgevingsplan, om zodoende te zorgen voor een

heldere en duidelijke borging van de maatregelen

(wat mag ik waar en onder welke voorwaarden?).

191


Toezicht en handhaving

Van

Naar

26 wetten 1 wet

60 Algemene Maatregelen van Bestuur 4 Algemene Maatregelen van Bestuur

75 ministeriële regelingen 1 Omgevingsregeling

Vernieuwing stelsel omgevingsrecht

Invoeringsspoor

Het invoeringsspoor regelt de overgang van de

bestaande naar de nieuwe wet- en regelgeving.

Bovendien vult dit spoor het hoofdspoor met

enkele essentiële onderdelen aan.

Hoofdspoor

Het nieuwe stelsel bestaat uit de Omgevingswet,

vier AMvB's en de Omgevingsregeling.

Bij inwerkingtreding gaan het invoerings- en

aanvullingsspoor op in het hoofdspoor.

Aanvullingsspoor

De ontwikkeling van wet- en regelgeving

in het aanvullingsspoor maakt deel uit van

lopende beleidsontwikkelingen op het gebied

van natuur, bodem, geluid en grondeigendom.

Invoeringsregeling

Omgevingsregeling

Aanvullingsregelingen

Invoeringsbesluit

Besluit

activiteiten

leefomgeving

Besluit

bouwwerken

leefomgeving

Besluit

kwaliteit

leefomgeving

Omgevingsbesluit

Aanvullingsbesluiten

Invoeringswet

Omgevingswet

Aanvullingswetten

Natuur Bodem Geluid Grondeigendom

Digitaal Stelsel Omgevingswet

Een vinkje betekent dat het wetgevingsproduct is gepubliceerd in het Staatsblad.

Omgevingswetportaal.nl | november 2019

Bron: Nieuwe wet regelt alles voor de omgeving | Omgevingswet | Rijksoverheid.nl

De Omgevingswet is in de illustratie verbeeld als een gebouw in aanbouw. In het

midden zien we het zogenoemde hoofdspoor. De onderdelen van dit hoofdspoor zijn

de Omgevingswet, de vier Algemene Maatregelen van Bestuur (het Omgevingsbesluit,

Besluit kwaliteit leefomgeving, Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit

bouwwerken leefomgeving) en de Omgevingsregeling. Deze zijn inmiddels allemaal

aangenomen en gepubliceerd.

Links zijn de onderdelen van het invoeringsspoor te zien. Hieronder vallen de

Invoeringsregeling, het Invoeringsbesluit en de Invoeringswet. Dat zijn bestaande wetten

en regels. Deze worden onderdeel van het nieuwe gebouw: de Omgevingswet.

192


Ook rechts zien we onderdelen die op zullen gaan

in het nieuwe gebouw in het midden. De onderdelen

zijn: Aanvullingsregelingen, Aanvullings besluiten en

Aanvullingswetten. Deze rechterkolom wordt het

aanvullingsspoor genoemd en maakt deel uit van vier

lopende beleidsontwikkelingen op het gebied van natuur,

bodem, geluid en grondeigendom.

De fundering van de nieuwe Omgevingswet is het Digitaal

Stelsel Omgevingswet. Dat is één digitaal loket waarin alle

wet- en regelgeving over de leefomgeving samenkomt.

Voor de aanvraag van een omgevingsvergunning gelden

landelijke regels. Deze staan in de Omgevingsregeling

en zijn te vinden op het (nieuwe) Omgevingsloket. Het

Omgevingsloket is een verzamelplaats van regelgeving

en beleid van alle overheden bij elkaar.

Zo staat regelgeving van de gemeente vaak in

verschillende documenten, zoals het omgevingsplan en

bestemmingsplannen. Ook het waterschap, de provincie

en het Rijk vaardigen regels en beleid uit. Daarnaast is er

nog Europees beleid dat van toepassing is.

Per 1 januari 2024 zijn de bepalingen van het

Bouwbesluit 2012 vervangen door het nieuwe Besluit

bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Het Bbl bevat voorschriften voor de (ver)bouw van

bouwwerken, voor de staat en het gebruik van

bouwwerken, open erven en terreinen, voor sloop en voor

veiligheid tijdens bouwen en slopen. Het Bbl bevat ook

de regels voor vergunningvrij bouwen en het brandveilig

gebruiken van gebouwen.

Om te voldoen aan de regels van het Bbl zal in het

algemeen gebruikgemaakt worden van rekenmethoden,

checklijsten en richtlijnen, zoals:

- NEN-normen waarin (reken)methoden staan

die be palen of er aan de regels van het Bbl

wordt voldaan.

- Kwaliteitsverklaringen die informatie bevatten

op basis waarvan bepaald kan worden of

bouwmaterialen of bouwdelen voldoen aan de

eisen van het Bbl.

- Bepalingen die te maken hebben met de

zogenaamde gelijkwaardige oplossingen. Er kan

in bepaalde gevallen worden afgeweken van de

prestatie-eis uit het Bbl mits dan in ieder geval

wordt voldaan aan de functionele eisen.

- Nederlandse praktijkrichtlijnen (NPR’s), die

aanwijzingen bevatten om te controleren of

voldaan wordt aan de minimumeisen van het Bbl.

- Nederlandse technische afspraken (NTA’s), die een

praktische uitwerking zijn van normen uit het Bbl.

Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)

Een bouwwerk mag geen gevaar opleveren voor

gebruikers en omgeving. Daarom heeft de overheid

in het Besluit bouwwerken leefomgeving (voorheen

het Bouwbesluit) regels vastgelegd voor veiligheid,

gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu.

Nieuwe gebouwen moeten sinds 1 januari 2021 voldoen

aan strengere eisen voor energiegebruik: de eisen

voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG-eisen).

De nieuwe eisen zijn opgenomen in het Bbl. De BENGeisen

zorgen ervoor dat een nieuw gebouw straks

energiezuiniger is.

193


Omgevingsregeling

Bij het Bbl hoort de Omgevingsregeling. Hierin staan

onder meer voorschriften over de indieningsvereisten

voor een vergunningaanvraag, voorschriften voor de

CE-markering alsmede de aansluiting van gas,

elektriciteit, noodstroom en water.

Veel consumentenproducten die binnen de Europese

Unie (EU) op de markt verschijnen, moeten een

CE-markering hebben. De CE-markering geeft aan

dat het product voldoet aan wettelijke eisen, zoals

bijvoorbeeld eisen op het gebied van brandveiligheid.

Fabrikanten moeten vaststellen of een product aan

de wettelijke eisen voldoet en of het product een

CE-markering moet hebben. In die gevallen waarin een

fabrikant een product binnen de EU produceert is de

fabrikant verplicht een CE-markering te plaatsen.

In het geval het product buiten de EU is gemaakt, dan

moet de importeur van het product controleren of het

product voldoet aan de wettelijke eisen en zorgen dat

er een CE-markering wordt aangebracht.

De CE-markering geldt voor meer dan twintig productgroepen,

waaronder bouwproducten. Een product mag

alleen een CE-markering hebben als het aan de wettelijke

eisen voldoet. Voldoet het product niet aan de wettelijke

eisen, dan mag het product niet op de markt verschijnen.

Ondernemers mogen bij sommige productgroepen de

onderzoeken voor CE-markering zelf uitvoeren, terwijl zij voor

andere productgroepen een instelling moeten inschakelen

die de overheid heeft goedgekeurd. Deze goedgekeurde

instellingen zijn aangemeld bij de Europese Commissie.

Naast de CE-markering hebben veel bouwproducten een

prestatieverklaring (ook wel DoP genoemd) nodig, waarin

onder andere productgegevens zijn opgenomen. Producenten,

importeurs van bouwproducten en distributeurs

moeten de prestatieverklaring bij hun bouwproduct

leveren. De prestatieverklaring beschrijft de belangrijkste

eigenschappen van een bouwproduct.

(Lokale) regels van onder andere het omgevingsplan en

het waterschap

Een omgevingsplan bevat algemene regels van een

gemeente voor de fysieke leefomgeving en is gerelateerd

aan de Omgevingswet.

Vanuit een omgevingsvisie geeft een gemeente in het

omgevingsplan aan op welke wijze zij het leefgebied

wil ontwikkelen en beschermen. Zo kan een gemeente

voor ieder gebied zeggen welke activiteiten zij wel of niet

toestaat, bijvoorbeeld wonen, recreatie of bedrijvigheid.

In haar omgevingsplan hoeft de betreffende gemeente

niet specifiek te bepalen wat er in welk gebied komt.

Ze kan voor een ontwikkelingsgebied kiezen voor

een algemenere beschrijving met randvoorwaarden.

Ook geeft de gemeente aan welke regels zij aan de

activiteiten stelt. Het omgevingsplan vervangt het

geldende bestemmings plan en de beheersverordening

uit de Wet ruimtelijke ordening.

Een omgevingsverordening bevat alle provinciale regels

voor de fysieke leefomgeving. Per provincie is er een

omgevingsverordening die oudere verordeningen, zoals

de milieuverordening, de planologische verordening, de

ontgrondingenverordening, de landschapsverordening en

de grondwaterverordening vervangt.

194


195


Het omgevingsplan moet ook aansluiten bij de waterschapsverordening

van het betreffende waterschap. De

waterschapsverordening bevat namelijk de lokale regels

van het waterschap voor de fysieke leefomgeving.

Waterschappen zijn decentrale overheden met een

functioneel karakter. Een waterschapsverordening

bevat regels specifiek gericht op het watersysteem

en waterstaatswerken binnen het beheergebied van

een waterschap. De verordening bevat regels voor

verschillende soorten activiteiten:

- Lozen van water op het oppervlaktewater

Het waterschap kan voor directe lozingen

regels stellen in de waterschapsverordening.

Ook kan het waterschap een vergunningplicht

of meldingsplicht instellen en met maatwerkvoorschriften

en maatwerkregels werken.

- Onttrekken van oppervlaktewater of grondwater

Het waterschap kan voor bepaalde wateronttrekkings

activiteiten regels opnemen in

de waterschapsverordening. Dat kunnen ook

vergunningplichten zijn.

- Beperkingengebied

Een beperkingengebied is een gebied rondom

een werk of object waarin regels gelden vanwege

de aanwezigheid van dat werk of object. Het

beperkingengebied omvat zowel het werk zelf

(voorheen "kernzone") als een zone rond het werk

(voorheen "beschermingszone").

beoordelen van de staat en de werking van de

openbare wegen. Ze zijn gericht op activiteiten

die nadelige gevolgen hebben voor die wegen.

Een waterschap is bevoegd tot toezicht en handhaving

van de regels in de waterschapsverordening (artikel

8.2 Omgevingswet).

Waterschappen hebben een overgangstermijn voor het

vaststellen van hun waterschapsverordening, die zij op

1 januari 2026 moeten hebben vastgesteld.

Europese regels in Nederlandse bouwregelgeving

In de Nederlandse regelgeving heeft men ook te maken

met Europese regels. Dit is bijvoorbeeld het geval bij

bouwproducten. Bouwproducten moeten in heel Europa

op dezelfde manier worden getest en beoordeeld.

Daarnaast is er een richtlijn die gaat over de energieprestatie

van gebouwen. Deze zorgt ervoor dat de energieprestatie

van gebouwen in de Europese Unie verbetert.

De gemeente handhaaft de bouwregelgeving door toe

te zien op de naleving van de voorschriften, vanaf de

vergunningaanvraag tot de oplevering van het bouwwerk.

Het beleid hiervoor legt de gemeente vast in een

handhavingsplan. De provincies houden sinds 1 oktober

2012 toezicht op de gemeenten.

Klimaatwetgeving

- Regels voor het beheer van wegen

Sommige waterschappen zijn ook belast

met het beheer van wegen. De regels in de

waterschapsverordening gaan dan over het

Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is de

opvolger van het Bouwbesluit 2012. Bouwplannen die na

de invoeringsdatum van het besluit worden ingediend

196


voor een omgevingsvergunning, moeten voldoen aan de

regels volgens het Bbl. De regelgeving is gevat in een

Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) die onderdeel is

van de Omgevingswet.

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat,

samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de

algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich

moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren

in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over

veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid

bij het (ver) bouwen van een bouwwerk, de staat van

het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het

uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.

Het Bbl omvat alle nieuwe en bestaande gebouwen, verbouw

en tijdelijke bouw, ongeacht de gebruiksfunctie ervan.

BENG-eisen

Sinds 2021 moet alle nieuwbouw voldoen aan de eisen

voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG).

Bron: Innovatieve opties BENG (rvo.nl)

197


Vanaf 1 januari 2021 gelden er nieuwe energieprestatieeisen

voor nieuwbouw, als opvolger van de

energieprestatiecoëfficiënt (EPC) die ongeveer twintig

jaar van toepassing is geweest. Daarvoor in de plaats

komen drie nieuwe eisen voor Bijna Energieneutrale

Gebouwen (BENG).

Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor

duurzame groei en uit de Europese Energy Performance

of Buildings Directive (EPBD). De energieprestatie bij

BENG wordt bepaald aan de hand van drie individueel

te behalen eisen:

- De maximale energiebehoefte in kWh per m2

gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr.)

- Het maximale primaire fossiele energiegebruik,

eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per

jaar (kWh/m2.jr.)

- Het minimale aandeel hernieuwbare energie in

procenten (%).

In BENG wordt de energieprestatie van een (nieuw)

gebouw derhalve omschreven met drie indicatoren:

BENG 1.

Energiebehoefte: de hoeveelheid energie die een gebouw

nodig heeft voor verwarming en koeling uitgedrukt in

kWh per m2 gebruiksoppervlakte per jaar. Deze indicator

gaat over het beperken van de energievraag van het

gebouw zelf. Aandachtspunten: stedenbouwkundig

ontwerp, oriëntatie, compact ontwerp, schilisolatie,

luchtdichtheid, zomernachtventilatie, ventilatiesysteem

en zonwering.

BENG 2.

Primair energiegebruik: de hoeveelheid fossiele

brandstof in kWh per m2 gebruiksoppervlakte per jaar

die nodig is voor verwarming, koeling, warm water en

installaties. Voor netstroom wordt het rendement van

elektriciteitsproductie verrekend. Aandachtspunten:

efficiënte installaties, warmteafgifte op lage temperatuur,

warm water met korte leidingen, warmteterugwinning en

toepassing van hernieuwbare energie.

BENG 3.

Dit deel van BENG omvat het aandeel hernieuwbare

energie: het percentage hernieuwbare energie van het

totale energiegebruik. Aandachtspunten: toepassing

van PV, zonneboiler, bodemenergie, omgevingswarmte,

biomassa en externe warmtelevering (mits

hernieuwbaar).

De EPC gaf één waarde voor de energieprestatie van een

woning. Binnen die waarde kon een matige score op het

ene aspect worden goedgemaakt door een extra hoge

score op een ander aspect. Dat is in BENG niet meer

mogelijk. Een gebouw moet namelijk gelijktijdig aan de

drie BENG-indicatoren voldoen. Het is niet mogelijk een

onvoldoende op de ene indicator te compenseren met

een ruime voldoende op een andere. Maar er zijn wel

relaties tussen de drie indicatoren. BENG 1 hangt samen

met BENG 2. Als een woning minder energie nodig heeft

voor verwarming en koeling, dan wordt er meestal ook

minder primaire fossiele energie gebruikt. Deze relatie

is niet een-op-een, want energie voor verwarming en

koeling kan ook worden geleverd door hernieuwbare

bronnen. Bovendien valt tapwaterverwarming wel onder

BENG 2, maar niet onder BENG 1.

198


Er is ook een relatie tussen BENG 2 en BENG 3. Als een

woning meer hernieuwbare energie opwekt, wordt er

minder aanspraak gedaan op fossiele brandstoffen.

Gebouwfunctie

Bron: Van EPC naar BENG-indicatoren - Stichting Passief Bouwen

Het belangrijkste verschil van BENG ten opzichte van

EPC is de aparte eis ten aanzien van de maximale

energiebehoefte van het gebouw zelf. Daardoor krijgt

energiebesparing voorrang op energieopwekking, terwijl

dit binnen de EPC uitwisselbaar was. Energie die je niet

gebruikt, hoef je immers ook niet op te wekken.

Recente analyses van plannen voor nieuwbouwwoningen

laten dan ook zien dat BENG 1 (terugdringen van

de energiebehoefte) het meest kritisch is. Zeer

energiezuinige woningen, zelfs die met een EPC van nul

of negatief, voldoen soms niet aan de eis van maximaal

25 kWh per m2.jr.

Een ander belangrijk verschil is de minimumeis aan het

aandeel hernieuwbare energie, waar binnen de EPC ook

geen sprake van was. De hernieuwbare bron is wel vrij

in te vullen; met zonnecollectoren en zonnepanelen,

wind, waterkracht of biomassa. Ook de opbrengst van

een warmtepomp voor verwarming en warm tapwater –

minus eventueel gebruik van fossiele energie – telt als

hernieuwbare energie.

Energiebehoefte

kWh/m2.jr.

Primair fossiel

energiegebruik

kWh/m2.jr.

Aandeel

hernieuwbare

energie %

Woningen en woongebouwen 25 25 50

Utiliteitsgebouwen 50 25 50

Onderwijsgebouwen 50 60 50

Gezondheidszorggebouwen 65 120 50

In de Regeling Bouwbesluit 2012 staat in artikel

3.6 dat per 1 januari 2021 een berekening van de

energiebehoefte, het primaire fossiele energiegebruik

en het aandeel hernieuwbare energie plaatsvindt door

een gecertificeerd bedrijf met BRL 9501-geattesteerde

software. Een energieprestatieberekening ten behoeve

van een omgevingsvergunning mag dus alleen door een

BRL 9500-gecertificeerd bedrijf plaatsvinden.

In de BRL 9500 staan onder andere de volgende onderdelen:

- Artikel 3.1 verplicht dat bij zowel

vergunningaanvraag als oplevering een

detailmethodeberekening gemaakt wordt. Bij

appartementengebouwen moet er een berekening

per gebouw en een berekening per appartement

gemaakt worden.

- Artikel 4.1 geeft aan dat een berekening alleen

opgesteld mag worden door een vakbekwaam

adviseur. Bijlage 2b specificeert dat de

vakbekwaamheid aangetoond wordt door een

bewijs van vakbekwaamheid.

- Artikel 4.3 geeft aan dat een van de

verplichte werkzaamheden registratie bij

vergunningaanvraag en oplevering is.

In een van de paragrafen wordt toegelicht dat onder

registratie wordt bedoeld het registreren in de landelijke

energielabeldatabase (EP-online.nl, in beheer bij RVO).

Gemeentelijke ambtenaren moeten controleren of

aan bovenstaande voorwaarden is voldaan wanneer

een energieprestatieberekening wordt ingediend voor

een omgevingsvergunning via het Omgevingsloket.

De eenvoudigste manier waarop zij bovenstaande

voorwaarden kunnen controleren is aan de hand van

199


de registratie bij RVO (EP-online.nl), want voor een

succesvolle registratie in EP-online moet in ieder geval:

- de berekening aangeleverd worden door een

gecertificeerd bedrijf;

- de berekening gemaakt zijn door een

gediplomeerd adviseur (dit wordt gecheckt

via erkenning);

- de berekening gemaakt zijn in BRL

9501-geattesteerde software.

Als er een registratie gedaan is, weet het bevoegd gezag

dus dat er aan alle voorwaarden wordt voldaan. Verder

weet de ambtenaar dat de berekening valt onder de

kwaliteitsborging van de BRL 9500 met interne audits en

externe audits door de certificerende instelling. Hiermee

weet de controlerend ambtenaar dat de berekening

door een vakbekwame adviseur is opgesteld en

steekproefsgewijs door experts wordt gecontroleerd.

Vereisten bij aanvang en oplevering van een woning en woongebouw

Grondgebonden woning Gebouwniveau (pand) Appartementniveau (verblijfsobject) Keuze opname energielabel

Aanvraag

omgevingsvergunning

Energieprestatieberekening

Toets aan BENG-eisen

TOjuli

Energieprestatieberekening

Toets aan BENG-eisen

Energieprestatieberekening

TOjuli

Voorlopig energielabel

Detailmethode

Voorlopig energielabel

Oplevering

Energieprestatieberekening

Toets aan BENG-eisen

TOjuli

Definitief energielabel

Energieprestatieberekening

Toets aan BENG-eisen

Energieprestatieberekening

TOjuli

Definitief energielabel

Detailmethode

Bestaande bouw

Energieprestatieberekening

Definitief energielabel

Energieprestatieberekening

Definitief energielabel

Basis- of detailmethode

Bron: Energieprestatie - BENG (rvo.nl)

200


201


Verplichte energieprestatiecertificaten voor gebouwen (energielabels)

Woningbouw

Iedere eigenaar van een woning dient in geval van verkoop of verhuur een geregistreerd

en definitief energielabel voor woningen aan de koper of huurder beschikbaar te

stellen. Het energielabel geeft aan wat de mogelijke verbeteringen zijn voor isolatie en

installaties. Eigenaren riskeren een boete als het huis wordt opgeleverd voor verkoop of

verhuur zonder geldig energielabel.

Het energielabel moet met ingang van 1 januari 2021 worden bepaald volgens de

berekeningsmethode NTA 8800 en moet kunnen worden overlegd bij nieuwbouw en

transactiemomenten. Deze methode geldt voor bestaande en nieuwe gebouwen. Tot en

met 31 december 2020 gold nog de NEN 7120. Energielabels voor gebouwen blijven 10

jaar geldig. Dit geldt voor zowel de labels die werden bepaald volgens de NEN 7120 als die

volgens de NTA 8800.

Energielabels

Bij aanvraag van een

energielabel komt

een vakbekwame

energieadviseur langs

om een nauwkeurige

opname te doen.

Bron: Energielabel woningen (rvo.nl)

Het energielabel

geeft adviezen om de

energieprestatie te

verbeteren.

Het energielabel geeft

een lettercategorie

(A t/m G). De letter

is gekoppeld aan

het primair fossiel

energiegebruik.

A is laag gebruik,

G is hoog gebruik.

Voor woningbouw is de

categorie A uitgebreid

met A+, A++, A+++ en

A++++. Bij utiliteitsbouw

is het aantal plusjes bij

A uitgebreid tot vijf.

202


De energieprestatie van een gebouw

wordt vastgesteld met de nieuwe

bepalingsmethode NTA 8800.

De methode is gebaseerd op de

Europese CEN-normen.

Deze methode is geschikt voor alle typen

gebouwen: bestaande bouw, nieuwbouw,

woningbouw en utiliteitsbouw.

Een gebouw scoort op drie samenhangende indicatoren:

Energiebehoefte in kWh

per m2 per jaar; hoeveel

energie is er nodig voor

een comfortabel

binnenklimaat?

Primair fossiel energiegebruik

in kWh per m2 per jaar;

hoe goed presteren de

installaties in het gebouw,

zoals de verwarming?

Aandeel hernieuwbare

energie; hoeveel procent

van de energie komt van

natuurlijke bronnen zoals

wind en zon?

Bij woningen wordt ook het risico op te hoge binnentemperaturen

in de zomermaanden bepaald.

Bron: Energielabel woningen (rvo.nl)

Er is geen energielabel nodig voor:

- Beschermde monumenten volgens de Erfgoedwet of volgens een provinciale of

gemeentelijke monumentenverordening.

- Vrijstaande gebouwen en woningen met een gebruiksoppervlakte tot 50 m2.

Bijvoorbeeld een tiny house, kleine stacaravan of woonwagen.

- Gebouwen die niet langer dan 2 jaar in gebruik zijn.

- Gebouwen die geen energie gebruiken om het klimaat binnen te regelen, zoals

voor koelen, verwarmen of ventilatie.

- Woningen die in totaal minder dan 4 maanden per jaar in gebruik zijn en met

een verwacht energieverbruik van minder dan 25% van het energiegebruik bij

permanent gebruik. Voorbeelden hiervan zijn recreatiewoningen die alleen in het

hoogseizoen worden gebruikt en de rest van het jaar niet. Het gaat om de verhuurperiode

(of periode van bewoning), niet om het aantal huurders/bewoners per jaar.

203


Een energieprestatie-adviseur (EP-adviseur) bepaalt het

energielabel op basis van hoeveel fossiele energie de

woning gebruikt. Hoe minder fossiele energie een woning

gebruikt, hoe beter het energielabel. Fossiele energie komt

van kolen, olie en aardgas. Een EP-adviseur kijkt hiervoor

naar het aantal kilowattuur per vierkante meter per jaar

(kWh/m².jr.)

De EP-adviseur gebruikt hiervoor de bepalingsmethode

NTA 8800 en werkt ook volgens de normen en

documenten vastgelegd in de Beoordelingsrichtlijn

(BRL) 9500 en de ISSO-publicatie 82.1.

In geval van nieuwbouw wordt bij registratie van de

energieprestatie op verblijfsobjectniveau voor een

vergunningaanvraag een energielabel afgegeven met

de status "voorlopig". Bij oplevering moet elk individueel

verblijfsobject een geregistreerd energieprestatierapport

(energielabel) hebben. Hiervoor wordt de energieprestatie

ter plaatse opgenomen. Voor de geregistreerde

energieprestatie wordt een energielabel afgegeven met

de status "definitief".

Utiliteitsbouw

Bij oplevering, verkoop en verhuur van een

utiliteitsgebouw dient er een energielabel overhandigd

te kunnen worden. Utiliteitsgebouwen zijn bijvoorbeeld

kantoren, scholen, winkels en ziekenhuizen. Het is

belangrijk om te benadrukken dat een energielabel inzicht

kan geven in de duurzaamheidsprestaties van het gebouw.

Aan de hand van het resultaat kan worden gezien hoe het

gebouw presteert en hoe het gebouw zich verhoudt tot

andere gebouwen in Nederland. Het energielabel biedt ook

een beknopt overzicht van de verduur zamingsmaatregelen

die kunnen worden genomen met als doel verbetering

van de energie-efficiëntie, hetgeen zal leiden tot minder

impact op het milieu en lagere energiekosten.

Om een gebouw te verduurzamen kan het opstellen

van een energielabel een hulpmiddel zijn om de juiste

maatregelen te treffen. Bovendien kan aan de hand

van maatregelen worden bepaald welke CO2-reductie

wordt bereikt, waardoor kan worden getoetst of er wordt

voldaan aan de wet- en regelgeving met betrekking tot

CO2-reductie.

Het energielabel biedt een groot voordeel, omdat

het zich richt op de lange termijn en daardoor

kostenbesparingen, waardeverhoging en

milieubescherming van het gebouw mogelijk maakt.

204


NTA 8800

Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie

Instituut (NEN) zorgt ervoor dat afspraken tussen

belanghebbenden worden vastgelegd in normen en

richtlijnen. Dit werk komt tot stand in nationale en/of

internationale normcommissies. Daarnaast ondersteunt

NEN ook de toepassing van normen in de praktijk door

middel van trainingen en bijvoorbeeld praktijkgidsen.

In totaal bestaan er in Nederland ruim 34.000

normen, zijnde het totaal van in Nederland aanvaarde

internationale (ISO, IEC), Europese (EN) en nationale

normen (NEN).

NEN heeft ruim 300 medewerkers en meer dan

550 normcommissies waarin circa 5.500 actieve

commissieleden participeren.

De BRL 9500-certificering is een wettelijke verplichting

voor bedrijven die energieprestatierapporten wensen op

te stellen en te registreren bij RVO.

Bij aanvragen voor een omgevingsvergunning, bij

oplevering en bij verkoop of verhuur van onroerend goed

moet een energieprestatie worden vastgesteld.

Energieprestatierapporten kunnen alleen worden

afgegeven door bedrijven die BRL 9500-W- en/of BRL

9500-U-gecertificeerd zijn. BRL 9500 biedt bedrijven en

organisaties de mogelijkheid zich te laten certificeren

voor twee sub-deelgebieden:

- Woningbouw BRL 9500–W met sub-deelgebied

basisopname en sub-deelgebied detailopname.

- Utiliteitsbouw BRL 9500–U met sub-deelgebied

basisopname en sub-deelgebied detailopname.

De NTA 8800 is de nieuwe bepalingsmethode die per 1

januari 2021 van toepassing is om de energieprestatie

van alle gebouwen te bepalen. De NTA 8800 moet

voldoen aan de Europese richtlijn betreffende de

energieprestaties van gebouwen (EPBD).

De NTA 8800 is bedoeld om de energieprestatie van

nieuwbouw uit te rekenen, zodat kan worden getoetst of

aan de BENG-eisen wordt voldaan. Indien aanwezig maken

ook gebiedsmaatregelen voor energie- en warmtelevering

deel uit van de energieprestatie van een gebouw.

Maatwerkadvies is mogelijk door middel van BRL

9500 deel 02 (woningbouw) en BRL 9500 deel 04

(utiliteitsbouw).

Niet alleen het bedrijf heeft een certificaat volgens BRL

9500 nodig, ook de adviseur moet (opnieuw) diploma’s

behalen om vakbekwaam te worden of te blijven. Er

zijn vier vakbekwaamheden: Energieprestatie Adviseur

Woningbouw basisopname, Energieprestatie Adviseur

Woningbouw detailopname, Energieprestatie Adviseur

Utiliteitsbouw basisopname en Energieprestatie Adviseur

Utiliteitsbouw detailopname.

205


Om gecertificeerd te worden dienen een aantal stappen te

worden doorlopen, namelijk:

- Kennisnemen van BRL 9500-W en/of BRL 9500-U

(basis en/of detail).

- Het opstellen van een kwaliteitshandboek

op basis van BRL 9500-W en/of BRL 9500-U

Energieprestatieadvisering.

- Het afleggen van het landelijke examen voor de woningen/of

utiliteitsbouw (evt. volgen van een EP-cursus).

Certificering gebeurt door een onafhankelijk instituut

(bijvoorbeeld Kiwa) op basis van een audit.

Certificering op basis van de BRL 9500 is van belang bij het

aantonen van de geschiktheid van de software die wordt

toegepast in het kader van energieprestatieadvisering. Om

het attest aan te vragen dienen een aantal stappen te worden

doorlopen, namelijk:

- Ontwikkelen van een softwareprogramma conform

NTA 8800.

- Kennisnemen van BRL 9501 en ISSO-publicatie 54.

- Het opstellen van een kwaliteitshandboek op basis

van BRL 9501.

- Het intern uitvoeren van alle testen zoals omschreven in

ISSO-publicatie 54. De interne testresultaten dienen te

voldoen aan de vastgestelde waardes.

Voor het verkrijgen van een attest moet een kwaliteitshand boek

worden overlegd alsmede de software. Een auditor beoordeelt

het (schriftelijke) kwaliteitssysteem en de software.

Na de verlening van het attest vindt elke 24 maanden (of bij

aanpassing van de software) een verificatie door Kiwa plaats om

vast te stellen of de certificaathouder en de software voldoen

aan de eisen van de BRL 9501.

206


207


Wet milieubeheer: energiebesparingsplicht

De energiebesparingsplicht verplicht bedrijven en

instellingen om alle energiebesparende maatregelen

met een terugverdientijd van vijf jaar of minder uit

te voeren. Als er een energiebesparingsplicht van

toepassing is dan moeten bedrijven daar eens in de

vier jaar over rapporteren.

De energiebesparingsplicht geldt voor locaties met

een relevante milieubelastende activiteit én met een

jaarlijks energiegebruik vanaf 50.000 kWh elektriciteit

of 25.000 m3 aardgas(equivalent).

De energiebesparingsplicht staat in de Omgevingswet

beschreven in twee besluiten:

- Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) - dit gaat over

de milieubelastende activiteiten op een locatie.

- Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) - dit

gaat over de gebouwen op een locatie, de

zogenoemde gebruiksfuncties. Bijvoorbeeld een

winkel- of kantoorfunctie.

De organisatie die de activiteiten uitvoert, bijvoorbeeld

een winkel uitbaten, is verantwoordelijk voor de

energiebesparingsplicht voor die activiteiten in de

winkel. De eigenaar van het gebouw is verantwoordelijk

voor de energiebesparingsplicht voor het gebouw. Dit

kan dezelfde organisatie zijn, maar dat hoeft niet.

Voor één locatie kunnen dus twee organisaties een

energiebesparingsplicht hebben.

De energiebesparingsplicht geldt voor alle maatregelen

met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. Deze

terugverdientijd wordt bepaald met een wettelijk

vastgelegde methode en met wettelijk vastgelegde

energieprijzen.

In dit verband kan gebruikgemaakt worden van de Erkende

maatregelenlijsten (EML). De Rijksoverheid heeft al een

doorrekening gemaakt van de meest gangbare maatregelen

voor bedrijven en maatschappelijke instellingen,

met meestal een terugverdientijd van vijf jaar of minder.

208


Maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar

of minder die geen energie besparen maar wel

de CO2-uitstoot verminderen, vallen ook onder de

energiebesparingsplicht. Denk hierbij aan hernieuwbare

energie opwekken en overstappen naar een

energiedrager met een lagere CO2-uitstoot.

Qua maatregelen geldt een uitzondering voor de

verbranding van (houtige) biomassa voor de productie

van elektriciteit en laagwaardige warmte met een

temperatuur tot 100 °C.

Op de EML komen maatregelen ter voorkoming van

energieverbruik voor koeling vreemd genoeg niet voor.

Wel komen energieregistratie- en bewakingssysteem

(EBS) op de lijst voor. Het gaat hier om systemen die

energiebesparing opleveren door het gebruik daarvan

voor het klimatiseren van het gebouw. Voor de branche

zou het goed zijn uit te zoeken of dynamische zonwering

binnen die categorie zou kunnen vallen.

Dit met als doel om biogrondstoffen zo hoogwaardig

mogelijk te gebruiken en laagwaardige toepassingen,

zoals voor lage temperatuurwarmte, af te bouwen.

Deze uitzondering is geen verbod op laagwaardige

toepassingen, maar hiermee wordt voorkomen dat

bedrijven en instellingen verplicht worden om deze

toepassingen uit te voeren.

209


Regelgeving van invloed op gezondheid: TOjuli

Directe zoninstraling heeft een grote invloed op oververhitting

bij (nieuwbouw)woningen. Het risico hierop

neemt toe door de steeds warmere zomers. Hogere

binnentemperaturen leiden tot gezondheidsrisico’s en

overlast. Daarom is het belangrijk dat er maatregelen

genomen worden bij nieuwbouwwoningen om het risico

op oververhitting te beperken. In 2021 introduceerde

de overheid de TOjuli-eis. Het doel daarvan is om in

nieuwbouwwoningen het groeiende probleem van

oververhitting in de zomer te beperken.

Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning en

de oplevering van een nieuw woongebouw moeten

de BENG-eisen worden getoetst op gebouwniveau.

Daarnaast moet ook per individueel verblijfsobject

(bijvoorbeeld de individuele appartementen in een

woongebouw) de energieprestatie berekend en

geregistreerd worden. Dit is van belang in verband

met het risico op oververhitting per verblijfsobject.

Een nieuwbouwwoning moet voldoen aan de BENG 1-,

BENG 2- en BENG 3-eisen. Zelfs als aan deze eisen wordt

voldaan kan er in de zomer sprake zijn van oververhitting.

Dat is de reden dat nieuwbouw niet alleen aan de

BENG-eisen moet voldoen, maar ook aan de TOjuli-eis.

TOjuli staat voor: temperatuuroverschrijding juli.

Formule voor de berekening van de TOjuli:

TOjulli (in K) = koudebehoefte (Qc in kWh) x 1.000/

warmteoverdrachtcoëfficiënt transmissie en ventilatie

(Hc in W / K) * 744 uur.

Het risico van te hoge temperaturen wordt voor een

verblijfsobject per rekenzone en per oriëntatie bepaald.

De toetsing aan de TOjuli voor nieuwe woningen is alleen

nodig voor rekenzones waarin geen actief koelsysteem

aanwezig is. De grenswaarden voor de TOjuli-indicator

voor deze rekenzones staan in het Bouwbesluit 2012.

De TOjuli is een indicatiegetal dat per oriëntatie (en per

rekenzone) inzicht geeft in het risico op temperatuuroverschrijding.

De TOjuli volgt automatisch uit de

software van de energieprestatieberekening volgens de

NTA 8800-methode. Als de woning voldoet aan de eis,

is het risico op oververhitting voldoende beperkt.

Het dynamisch simulatieprogramma Gewogen

Temperatuuroverschrijding (GTO) geeft een specifiekere

voorspelling van het risico op temperatuuroverschrijding.

In die gevallen waarbij de TOjuli de grenswaarde

overschrijdt, kan op basis van de GTO alsnog worden

aangetoond dat het risico op oververhitting acceptabel

blijft. De vastgestelde grenswaarde voor de GTO is

volgens de uitgangpunten van de Omgevingsregeling

kleiner of gelijk aan 450 uur. De GTO-berekening is een

onderdeel van het projectdossier van een EP-adviseur.

De adviseur moet dit dossier samenstellen volgens de

BRL 9500. De berekening maakt een adviseur normaal

gesproken niet zelf, maar hij ontvangt deze van of

namens de opdrachtgever tot de bouw.

De TOjuli-eis wordt uitgedrukt in een getal dat het risico

op temperatuuroverschrijding aangeeft. De grenswaarde

is vastgesteld op 1,20. Hoe hoger het getal, des te hoger

het risico op temperatuuroverschrijding. De TOjuliwaarde

wordt berekend per gevelvlak. Zo heeft een

210


tussenwoning twee TOjuli-uitkomsten, een hoekwoning

heeft drie TOjuli-uitkomsten en een vrijstaande woning

heeft vier TOjuli-uitkomsten. Een waarde tussen de

0 en 1 betekent dat de woning in de zomer niet te veel

zal opwarmen. Bij een waarde boven de 1 moet het

nieuwbouwplan mogelijk worden aangepast.

Bij het ontwerpen van nieuwbouwwoningen is het

belangrijk om het comfort in de zomermaanden in het

achterhoofd te houden. Zowel passief als actief koelen

bevordert een lage TOjuli, naast het wegventileren of

tegenhouden van warmte. De actieve maatregelen om

temperatuuroverschrijding te beperken kunnen hinder

opleveren bij de BENG-eisen en kunnen ten koste van de

energieprestatie van een woning gaan.

Er zijn verschillende manieren om een nieuwbouwwoning

te laten voldoen aan de TOjuli-eis (of grenswaarde

GTO). Directe zoninstraling voorkomen door toepassing

van passieve maatregelen is de energetisch beste

methode om oververhitting in een woning te beperken.

Voorbeelden hiervan zijn het toepassen van dynamische

buitenzonwering, overstekken of zonwerende beglazing.

Een andere methode is actieve koeling toepassen. Het

(extra) energiegebruik daarvan is een nadeel. Ook is de

geïnstalleerde koelcapaciteit niet altijd voldoende om

een aangenaam binnenklimaat te verkrijgen.

In die gevallen waarbij actieve koeling wordt toegepast

om het risico op oververhitting te beperken en

de woning niet voldoet aan de TOjuli-eis of GTOgrenswaarde

dan bestaat er vanaf 1 juli 2024 de

verplichting om aan te tonen dat aan ten minste een

van deze methoden is voldaan:

- Methode 1: Toets dat de zoninstraling voldoende

wordt beperkt.

- Methode 2: Een (al dan niet dynamische)

koellastberekening.

- Methode 3: Een vereenvoudigde berekening voor

de bepaling van de koelcapaciteit volgens de

bijlage AA uit NTA 8800: 2024.

Als bij ten minste 95% van het oppervlak van de transparante

gevel- en dakgedeelten de zoninstraling voldoende wordt

tegengehouden, dan gaat de bouwregelgeving ervan

uit dat het risico op oververhitting voldoende beperkt

is bij toepassing van actieve koeling. In dat geval hoeft

de koelcapaciteit niet nader onderbouwd te worden. Als

mogelijkheden om zoninstraling tegen te houden worden

expliciet genoemd: buitenzonwering, zonwerend glas of

gebouwgebonden beschaduwing. Denk daarbij aan een

overstek of balkon. Beglazing op noordgevels (tussen NW- en

NO-oriëntatie) en dichte buitendeuren en panelen worden

niet meegenomen. Van buitendeuren met glas wordt alleen

de beglazing meegeteld.

Heeft de woning relatief weinig ramen en buitendeuren

met glas vergeleken met de gebruikersoppervlakte,

met een verhouding kleiner of gelijk aan 0,20, dan

gaat de bouwregelgeving ervan uit dat het risico op

oververhitting voldoende beperkt is bij toepassing van

actieve koeling. De koelcapaciteit hoeft dan niet verder

te worden onderbouwd.

Beide uitkomsten zijn opgenomen in de

NTA 8800-software. Als aan de voorwaarden

is voldaan, geeft de software aan dat het risico

op oververhitting voldoende is beperkt.

211


MILIEUPROBLEMATIEK

Stikstof

Stikstof (N2) is een kleur- en reukloos gas dat overal

om ons heen is. Ongeveer 78% van alle lucht bestaat

uit stikstof. Stikstof is van zichzelf niet schadelijk voor

mens en milieu. Maar er zijn chemische verbindingen

van stikstof in de lucht die wel schadelijk kunnen zijn

voor mens en milieu. Dit zijn stikstofoxiden (NOx, een

verbinding van stikstof en zuurstof) en ammoniak

(NH3, een verbinding van stikstof en waterstof). De

hoeveelheid stikstofoxiden en ammoniak in de lucht heet

de concentratie. Stikstofoxiden (NOx) komen vooral in de

lucht terecht door uitlaatgassen van het verkeer en de

uitstoot van industrie. Ammoniak (NH3) komt met name

van dieren in de veeteelt. Een klein deel komt uit overige

bronnen, zoals de industrie, de bouw en het verkeer.

Boeren gebruiken mest van dieren en kunstmest om hun

land te bemesten. Een deel van die mest verdampt als

ammoniak en de ammoniak komt zo in de lucht.

Een teveel aan stikstofoxiden in de lucht is schadelijk

voor de gezondheid. Te veel ammoniak in de lucht is

ook schadelijk voor de mens. Maar in de buitenlucht

is de ammoniakconcentratie bijna nooit zo hoog.

De stikstofoxiden en ammoniak in de lucht komen

uiteindelijk weer op de grond terecht. Dit heet

stikstofdepositie. De stoffen kunnen met neerslag

meekomen op de bodem, dit heet natte depositie. Maar

ook kunnen planten of de bodem direct stikstof uit de

lucht opnemen, dit heet droge depositie.

De depositie van stikstofoxiden en ammoniak zorgt

ervoor dat de bodem rijk wordt aan voedingsstoffen.

Dat is vooral in natuurgebieden een probleem. Zeldzame

planten die het juist goed doen op voedselarme grond,

verdwijnen daardoor. Zo verdringen de brandnetels

bijvoorbeeld de orchideeën. Daarmee verdwijnen ook

dieren die van die zeldzame planten leven. We zeggen

dan dat de biodiversiteit (het aantal verschillende

soorten planten en dieren) afneemt.

Berekeningen geven inzicht in de bijdrages van

verschillende sectoren aan de depositie. De bovenste staaf

in onderstaande figuur laat de herkomst van de depositie

zien voor alle landoppervlak in Nederland. De tweede staaf

toont de herkomst voor alle stikstofgevoelige natuur in

Natura 2000-gebieden. Hierin valt op dat vooral de bijdrage

uit het buitenland groot is. Dit komt doordat veel Natura

2000-gebieden aan de rand van Nederland liggen.

Herkomst stikstofdepositie in Nederland

Heel Nederland

45% 12% 9% 3% 32%

Stikstofgevoelige

40% 11% 9% 5% 35%

Natura 2000

0% 20% 40% 60% 80% 100%

Landbouw Verkeer Industrie en gebouwde omgeving Ammoniak aan zee Buitenland

Bron: RIVM

Er komt steeds minder stikstof terecht in daarvoor

gevoelige natuurgebieden. De daling is echter niet

voldoende om de doelen te halen die de overheid zich heeft

gesteld. Dat blijkt uit het rapport Monitor stikstofdepositie

in Natura 2000-gebieden 2023 van het RIVM.

Alle EU-lidstaten zijn verplicht om beschermde soorten

en habitattypen in stand te houden en achteruitgang

te voorkomen. Sinds 1 juli 2021 geldt daarom de Wet

stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Minder

stikstof in Natura 2000-gebieden om de natuur te

verbeteren is een belangrijke doelstelling van deze wet.

212


Het vorige kabinet heeft in het coalitieakkoord

afgesproken dat in 2030 74% van de stikstofgevoelige

natuur in Natura 2000-gebieden de zogeheten kritische

depositiewaarden (kdw's) niet meer overschrijdt. Boven

deze grens is er namelijk een risico dat de kwaliteit van

leefgebieden van dieren en planten wordt beschadigd.

Met als gevolg dat er dier- en plantensoorten verdwijnen

en ecosystemen ontregeld raken. Daarnaast werken het

Rijk, de provincies en andere betrokkenen samen aan

een gebiedsgerichte aanpak om de natuur te herstellen.

De overheid neemt verschillende maatregelen per sector

om de stikstofuitstoot omlaag te brengen. Sommige

maatregelen helpen de bron van de stikstofuitstoot aan

te pakken, zoals verduurzaming, vrijwillige aankoopregelingen

en elektrische werktuigen in de bouw. Ook

sluiten in steeds meer havens schepen aan op walstroom,

zodat ze hun aggregaten niet hoeven te gebruiken.

Uit de wet komt een zeer zware opgave voor de

landbouwsector. Er moet veel gebeuren om de sector

klaar te maken voor de toekomst en om snel (veel)

minder stikstof uit te stoten. De bouwsector heeft het

kleinste aandeel in het veroorzaken van stikstofdepositie

(landelijk minder dan 0,6%), maar moet nu wel voor

elk van de tienduizenden projecten die de sector

jaarlijks uitvoert aantonen dat de activiteiten geen

verslechterend effect hebben op de natuur. Dit in

tegenstelling tot landbouwbedrijven en de industrie,

die een vergunning eenmalig aanvragen. Het wegvallen

van de bouwvrijstelling in november 2022 zorgde ook

voor extra vertraging bij vergunningverlening. Recente

EIB-rapporten tonen duidelijk aan dat dit direct gevolgen

heeft voor alle sectoren van de bouwproductie.

Door uitstel en krimp in de bouwproductie kan niet worden

voorzien in de maatschappelijke behoefte aan voldoende

betaalbare woningen en een veilig en bereikbaar Nederland.

Stikstof zal in de komende jaren voor een wezenlijk deel van

de woningbouwopgave een belemmering blijven vormen.

PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen)

PFAS is een verzamelnaam voor een groep van

ongeveer 6000 chemische verbindingen. Pas jaren na

de ontdekking van teflon (voorganger PFAS) konden

consumenten producten met teflon voor het eerst

kopen. In 1954 brengt de Franse ingenieur Marc Grégoire

voor het eerst pannen met een antiaanbaklaag op de

markt, op aanraden van zijn vrouw. Hij noemt zijn bedrijf

Tefal, een samentrekking van teflon en aluminium.

Daarna verschijnt overal kookgerei met een water- en

vuilafstotend wonderlaagje. Na teflon ontwikkelt de

industrie veel meer soortgelijke stoffen, die allemaal

dezelfde eigenschappen hebben.

Vanwege de waterafstotende eigenschappen zijn PFAS

uitermate geschikt voor laarzen en regenkleding, zoals

jassen, hoedjes of poncho’s. De risico’s van blootstelling

zijn volgens de overheid gering, omdat mensen de

kleding maar af en toe dragen en meestal over gewone

kleding heen. Wel is sinds 2020 het gebruik van

PFOA in regenkleding verboden binnen de EU. Tenten

krijgen veelal een laagje PFAS-houdende spray om ze

waterdicht te houden, maar de stoffen beschermen

kampeerartikelen ook tegen vuil en stof. Veel outdoormerken

zoeken de laatste jaren naar alternatieven

voor PFAS, voor het gebruik in slaapzakken, schoenen,

rugzakken of kleding.

213


Tegenover al die zichtbare voordelen staan nadelen die

lang onzichtbaar blijven: PFAS zijn giftig voor mens en

milieu en breken amper af. De verbinding tussen koolstof

en fluor wordt ook wel de ‘sterkste verbinding’ in de

organische chemie genoemd. Daarom heten PFAS ook

wel "forever chemicals".

Uit oude documenten die in rechtszaken naar voren

komen, blijkt dat Amerikaanse PFAS-producenten zoals

DuPont en concurrent 3M al sinds de jaren zestig de

gevaren ervan kennen, maar zij laten de buitenwereld

decennialang in het ongewisse over de risico’s.

In Nederland staat vooral de chemiefabriek van

Chemours in Dordrecht in de schijnwerpers. In de

zomer van 2023 onthult televisieprogramma Zembla

dat het hoofdkantoor van DuPont, het voormalige

moederbedrijf van Chemours, veel informatie bewust

heeft achtergehouden. Het weet bijvoorbeeld in 1981

al dat veel Dordtse medewerkers gevaarlijk veel PFAS

in hun bloed hebben. Deze waardes worden in verband

gebracht met verschillende ziektes, waaronder nier- en

leverkanker. Toch treft het bedrijf geen maatregelen.

Chemours heeft ook illegaal stoffen geloosd in de

Merwede en de grond en het grondwater rondom de

fabriek ernstig vervuild. PFAS zijn diep doorgedrongen

in ons dagelijks leven en komen onder andere voor

in pizzadozen, bakpapier, pannen, regenjassen,

blusschuim, gitaarsnaren, cosmetica, kunstgras

en klimtouwen. Normale gebruiksvoorwerpen die

onschuldig ogen.

Er is geen alomvattend overzicht van alle soorten PFAS

en toepassingen van PFAS, al worden pogingen gedaan

de omvang ervan inzichtelijk te maken. In 2020 hebben

wetenschappers voor meer dan 1.400 individuele PFASstoffen

ruim 200 vormen van gebruik geïdentificeerd. Zo

worden de stoffen toegepast in de lucht- en ruimtevaart,

de chemische industrie, de olie- en gasindustrie en bij

de productie van zonnepanelen. Ze zitten ook in coatings

tegen roest, in smeermiddelen en remvloeistoffen en

ze worden gebruikt in de voedselsector, textielproductie

en houtindustrie. Ook cosmeticaproducten bevatten

PFAS. Uit onderzoek van circa 200 cosmeticaproducten

blijkt dat 56% van de geteste foundations, 48% van de

geteste lippenstiften en 47% van de geteste mascara’s

een hoog gehalte aan fluor bevatten, een indicator

voor de aanwezigheid van PFAS. Het gevaar is dat de

stoffen bij dit type producten door de huid en traanbuis

kunnen worden opgenomen, en de PFAS kunnen worden

ingeademd of ingeslikt.

Volgens sommige producenten zijn PFAS ook belangrijk

voor de energietransitie. Het merendeel van de

zonnepanelen bevat PFAS. Die zitten dan vooral in de

zogenoemde backsheets, flinterdunne folies die de

zonnecellen beschermen tegen uv-straling, vocht,

wind en stof. Ook in huizen, kantoren en klaslokalen

komen we PFAS tegen én ademen we de giftige

stoffen in, blijkt uit recente onderzoeken. Zo zijn PFAS

jarenlang op grote schaal gebruikt om tapijten vlek- en

vuilafstotend te maken of om tapijten mee te reinigen.

Vaak wordt vloerbedekking behandeld met PFAS om

die te beschermen tegen water, olie en vuil, maar

bijvoorbeeld ook tegen motten, schimmels en bacteriën.

Ook in de medische sector worden de stoffen veel

toegepast, bijvoorbeeld in implantaten zoals stents en

in kunstgewrichten, hartpleisters en katheterbuizen.

214


Volgens de sector worden de onverwoestbare

chemicaliën niet door het lichaam afgestoten.

Vijf landen, waaronder Nederland, hebben in Brussel

een voorstel ingediend om het gebruik van alle PFAS

in een keer aan banden te leggen. Het voorstel gaat

ver: alle PFAS moeten op korte termijn van de markt

worden gehaald, ook die in drijfgassen, auto’s, kleding,

cosmetica, geneesmiddelen en kook- en bakgerei.

215


216


9

OVERVERHITTING VAN WONINGEN

217


OVERVERHITTING WONINGEN IN NEDERLAND

Oververhitting in woningen is een groeiend probleem, vooral door klimaatverandering en de nadruk

op energie-efficiëntie bij nieuwbouw en renovaties. Verschillende onderzoeken hebben de omvang

en impact van dit probleem in kaart gebracht.

Uit een onderzoek gepubliceerd door Klimaatadaptatie

Nederland blijkt dat bestaande woningen vaak te

warm worden. De huidige hittenorm, die nu alleen voor

nieuwbouw geldt, wordt in veel bestaande woningen

overschreden. Het onderzoek benadrukt dat een

combinatie van maatregelen, zoals zonwering en

nachtventilatie, effectief kan zijn om oververhitting

tegen te gaan. Echter, het succes van deze maatregelen

hangt sterk af van het gedrag van bewoners en de

aanwezigheid van omgevingsfactoren zoals bomen.

Een analyse van Investico toont aan dat meer

dan de helft van de Nederlanders in huizen woont

die in de zomer te warm kunnen worden. Opvallend

is dat veel van deze woningen niet voldoen aan de

huidige bouwrichtlijnen.

De Woonbond meldt dat ongeveer 3,6 miljoen huurders

in woningen wonen die risico lopen op oververhitting

tijdens warme dagen.

Om bewoners en bouwers bewust te maken van het

risico op oververhitting, is er een hittelabel ontwikkeld

voor woningen. Het verstrekken van labels is een

methode om te beoordelen of een woning gevoelig is

voor oververhitting en is vooral gericht op factoren

zoals zoninstraling en ventilatiemogelijkheden.

Omvang van het probleem

Meer dan de helft van alle Nederlanders woont in een

huis dat te veel dreigt op te warmen in de zomer, en dat

niet voldoet aan de huidige bouweisen. Dat geldt ook

voor de meerderheid van alle senioren, die vanwege hun

leeftijd een extra risico op gezondheidsschade lopen als

zij te lang in de hitte zitten.

Investico deed een onderzoek naar de hittescores

van huizen aan de hand van TOjuli-berekeningen, die

tegenwoordig verplicht zijn voor nieuwbouwwoningen,

en gegevens die worden verzameld voor het verkrijgen

van een energielabel voor bestaande woningen omdat

daarop de TOjuli niet van toepassing is. Op die manier

kon men de gegevens van zo’n 1,3 miljoen huizen

gebruiken als steekproef om iets te kunnen zeggen

over alle huizen in Nederland.

De data werden bewerkt door Explica op onder

meer inkomen, leeftijd en de hoeveelheid koop- en

huurwoningen. Vervolgens konden de resultaten

daarvan gekoppeld worden aan microdata van het

Centraal Bureau voor de Statistiek.

De belangrijkste conclusies:

1. Bijna tien miljoen Nederlanders wonen in een

huis waarvan de hittescore te hoog is volgens de

huidige bouwrichtlijnen. De score hangt onder

meer af van de hoeveelheid glas in een huis,

welke gevel op het zuiden staat, of het huis goed

218


doorlucht en of er airco aanwezig is. Hoe hoger

de score, hoe sneller de binnentemperatuur

oploopt als het buiten ook warmer wordt. Scoort

een nieuwbouwhuis boven een bepaalde waarde,

dan moeten er maatregelen worden genomen

om de score omlaag te krijgen.

2. Meer dan de helft van alle Nederlanders

woont in een huis dat te veel dreigt op te

warmen in de zomer en dat niet voldoet

aan de huidige bouweisen.

3. Binnen de groep van 10 miljoen zijn er 2 miljoen

senioren die in een dergelijk huis wonen,

waarvan 200.000 boven de 85 jaar. Zij lopen het

grootste risico op gezondheidsklachten.

4. Vooral in het westen van het land en in de

grote steden komt dit vaak voor. In Rotterdam

overschrijdt bijvoorbeeld ruim 70% van de huizen

de nieuwbouwnorm, terwijl het in Limburg

slechts om 35% gaat.

5. Er zijn geen grote verschillen tussen inkomensgroepen;

van de mensen met de laagste

inkomens woont bijna 57 procent in een huis met

een te hoge hittescore, terwijl dat voor mensen

die bovenmodaal verdienen ongeveer 54% is.

Verduurzamen van woningen

versterkt oververhitting

Het verduurzamen van woningen, waaronder isoleren,

wordt nagestreefd en in veel gevallen gesubsidieerd. Er

wordt in het algemeen echter geen rekening gehouden

met de bijwerkingen van isoleren; door het aanbrengen

van isolatie houden woningen de warmte tijdens een

hittegolf juist langer vast. We zijn druk met isoleren,

maar er is te weinig focus op ventilatie en zonwering.

Simulatie GTO-uren met en zonder zonwering

Gedrag

Rijwoning

Bloemkoolwijk

(slaapkamer op zuidoost,

met zonwering)

UHI van

0 ºC

UHI van

3 ºC

UHI van

5 ºC

Portiekappartement

Tuinstad hoogbouw

(slaapkamer op zuidoost,

met zonwering)

UHI van

0 ºC

UHI van

3 ºC

Bron: Onderzoek "Hitte in de woning"/HvA

UHI van

5 ºC

In de zogenoemde isolatie-afspraken tussen het Rijk,

gemeenten, corporaties en woningeigenaren wordt

het woord "hitte" slechts in het voorbijgaan genoemd.

Hittestress is nog een relatief jong fenomeen waarvoor

nauwelijks richtlijnen en voorschriften bestaan.

Door klimaatverandering worden woningen, zeker tijdens

hittegolven, steeds vaker onaanvaardbaar warm. Om

warmte binnenshuis tegen te gaan, zijn actieve koelsystemen,

zoals airconditioning, zeer effectief. Deze

brengen echter ook negatieve effecten met zich mee,

zoals een toenemende energievraag, het gebruik van

koelvloeistof en het afgeven van warmte aan de omringende

buitenomgeving (verplaatsen van hittestress).

Invloed van klimaatverandering

Portiekappartement

Tuinstad hoogbouw

(slaapkamer op zuidoost,

met zonwering) verduurzaamd

UHI van

0 ºC

UHI van

3 ºC

UHI van

5 ºC

611 1283 1980 2051 3585 4855 3900 6234 8150

157 497 916 681 1562 2523 630 1715 2897

10 92 249 87 329 660 10 138 390

88 227 401 174 408 699 97 255 478

> 450 GTO-uren, oververhitting.

Grenswaarde 450 GTO-uren,

< 450 GTO-uren, acceptabele mate

van temperatuuroverschrijding

Simulatie hitte-eilandeffect. GTO-uren in een slaapkamer met een raam op

zuid-oost, met zonwering, in een portiekwoning met slechte isolatie. Rechts een

weergave van de portiekwoning die verduurzaamd is (goede isolatie). Deze indicatie

kan gebruikt worden om inzicht te krijgen in de hittegevoeligheid bij het verhogen of

verlagen van de buitenluchttemperatuur.

De algemene verwachting in het kader van klimaatverandering

is dat hittegolven in de toekomst vaker voor

zullen komen en een hogere temperatuur zullen kennen.

Op de korte termijn is hitte het dodelijkste klimaatrisico in

Nederland. Nederlandse huizen zijn niet gebouwd op hitte.

219


De typisch Nederlandse doorzonwoning - het woord

bestaat niet eens in een andere taal - is juist ontworpen

om de zon zoveel mogelijk binnen te laten. In ons land

zijn de muren dun en de ramen groot, in tegenstelling

tot in Zuid-Europa.

Gevolgen van oververhitting van woningen

In juni 2023 werden de resultaten van een onderzoek

dat werd verricht in opdracht van de AWGL

(Academische Werkplaats Gezonde Leefomgeving)

onder meer dan 130.000 respondenten gepubliceerd.

Hitte beïnvloedt mensen op drie niveaus: gebied,

gebouw en gezondheid. Een versteende stad met

hitte-eilanden warmt sneller op dan een gebied met

veel groen. Een gebouw met enorme ramen op het

zuiden zal sneller opwarmen dan een pand met

luiken en zonneschermen. En ouderen en chronisch

zieken kunnen veel meer last hebben van hitte dan

gezonde mensen.

Factoren van invloed op hitte in de woning

Het onderzoek was gericht op het onderzoeken van

de mate waarin mensen voldoende verkoeling kunnen

vinden in en om de woning. Doel van het onderzoek

was om na te gaan wat kan worden gedaan om de

toekomstige gevolgen van hitteproblematiek te

voorkomen. Voor provincies, gemeenten, GGD’en

en andere organisaties uit onder andere de zorg-,

welzijns- en woonsector is het belangrijk om actief

aan de slag te gaan met een preventieve aanpak. In

het onderzoek is gekeken naar de beleving van hitte

in en om de woning en welke persoonlijke factoren en

omgevingsfactoren daarmee samenhangen.

Bron: Onderzoek "Hitte in de woning"/HvA

Woningen moeten ook goed leefbaar zijn tijdens hitte.

Het is veel te makkelijk om alles op het gedrag van de

bewoner te gooien. Daarnaast kan ook nachtventilatie

enorm helpen. Effectieve zijn belangrijk, waaronder het

installeren van dynamische zonwering en ervoor zorgen

dat je twee ramen tegenover elkaar kunt openzetten.

Een kwart van de respondenten tussen de 18 en 34 jaar

gaf aan slecht verkoeling te kunnen vinden in zowel de

woning als in de tuin of buurt. Bij ouderen is dat

7 tot 9%. 1 op de 3 mensen die grote moeite hebben

met rondkomen geeft aan dat zij slecht verkoeling

kunnen vinden in de woning en in tuin of buurt

tegenover 1 op de 9 bij de groep die geen enkele

moeite heeft met rondkomen.

220


221


Mensen die de eigen gezondheid als slecht of zeer

slecht ervaren, geven vaker aan slecht verkoeling te

kunnen vinden in de woning en in de tuin of buurt. Ook

mensen boven de 65 jaar met een broze gezondheid

geven vaker aan slecht verkoeling te kunnen vinden in

de woning en in de tuin of buurt. In sterk of zeer sterk

stedelijk gebied gaf 57 tot 61% van de mensen aan

matig of slecht verkoeling te kunnen vinden, in matig

tot niet-stedelijk gebied is dat 43 tot 48%.

Een kwart van de respondenten die aangaven dat zij

onvoldoende groen in hun buurt hebben, heeft aangegeven

slecht verkoeling te kunnen vinden, tegenover

10% van de mensen die vinden dat er voldoende groen

is hun buurt. Daarnaast gaven mensen die woning die

geschikt is om oud in te worden even vaak aan dat zij

in hun woning matig of slecht verkoeling kunnen vinden

als mensen in gewonen woningen.

mensen met een slecht ervaren gezondheid en

mensen in stedelijk gebied en met onvoldoende

groen in de buurt. Het is belangrijk om specifiek voor

deze doelgroepen (extra) maatregelen te treffen om

gezondheidsproblemen door hitte te voorkomen.

Jongvolwassenen gaven het vaakst aan slecht

verkoeling te kunnen vinden bij hitte. Jongvolwassenen

zijn over het algemeen niet de meest kwetsbare

doelgroep voor ernstige gezondheidseffecten van hitte,

hoewel ook bij jongvolwassenen hitte tot klachten kan

leiden. Jongvolwassenen wonen vaak in huurwoningen.

Deze huurwoningen zijn overwegend oud, hebben geen

zonwering en zijn niet hittebestendig.

Uit onderzoek blijkt duidelijk dat er drie groepen

bewoners zijn die meer dan anderen nadeel hebben

van oververhitting in hun woningen:

In totaal 35% van de mensen die in een levensloopbestendige

woning wonen, kan in de woning matig of

slecht verkoeling vinden en 45% kan matig of slecht

verkoeling vinden buiten in de tuin of buurt.

De belangrijkste aanbevelingen naar aanleiding van het

onderzoek zijn eerst en vooral de woning verkoelen met

zonwering en het gebruiken van ventilatiemogelijkheden.

Daarnaast is het nodig het gedrag van de bewoner zo

mogelijk aan te passen en pas als dat niet voldoende

blijkt, te kijken naar koelsystemen.

Uit het onderzoek komt een aantal groepen naar voren

met veel last van hitte, waaronder ouderen met een broze

gezondheid, mensen die moeite hebben met rondkomen,

Bewoners van levensloopbestendige woningen

Uit het onderzoek blijkt dat bewoners van

levensloopbestendige woningen even vaak last

hebben van hitte in huis als anderen. Juist ouderen

hebben een grotere kans op gezondheidseffecten

door hitte. Verschillende provincies en gemeenten

hebben een subsidieregeling voor woningeigenaren

voor levensloopbestendig wonen. In deze regelingen

is aandacht voor energiebesparing, verduurzaming

en levensloopbestendige maatregelen zoals

bouwkundige aanpassingen. Hier staan geen

maatregelen tussen die een bijdrage leveren aan

het hittebestendig maken van de woning. Terwijl een

levensloopbestendige woning ook een hittebestendige

woning zou moeten zijn, gezien de kwetsbaarheid

222


van ouderen voor hitte. Er is een aanbeveling vanuit

het onderzoek voor provincies en gemeenten om

te verkennen welke opties er zijn om maatregelen

toe te voegen die een bijdrage leveren aan het koel

houden van een woning. Hierbij kan gedacht worden

aan makkelijk te bedienen en inbraakbestendige

ventilatiemogelijkheden, buitenzonwering, zonwerend

glas en warmtepompsystemen met koelmogelijkheden.

Deze huurwoningen zijn overwegend oud, hebben

geen zonwering en zijn niet hittebestendig. Vooral

bij particuliere huur zien wij nog weinig beweging om

hittemaatregelen te nemen bij woningen. Hier ligt

ruimte voor verbetering, waar lokale overheden invloed

op uit kunnen oefenen, bijvoorbeeld door subsidies of

leningen voor verduurzaming te koppelen aan eisen

voor goede ventilatie en buitenzonwering.

Bewoners van huurwoningen

Mensen die in huurwoningen wonen gaven vaker

aan last te hebben van hitte. Er is op dit moment

veel aandacht voor verduurzaming van woningen,

met name ook van huurwoningen van onder meer

wooncorporaties. Bij verduurzaming van woningen kan

ook hitte-adaptatie meegenomen worden, door middel

van het aanbrengen van goede buitenzonwering en

goede mogelijkheden voor ventilatie. Als renovatie

van een wooncomplex pas over een aantal jaren

plaatsvindt, dan kunnen alvast tijdelijke maatregelen

genomen worden zoals inbraakbestendige

ventilatiemogelijkheden en buitenzonwering.

Woonsituatie jongvolwassenen

Jongvolwassenen springen eruit in het onderzoek als

groep die het minst goed verkoeling kan vinden bij

hitte, zowel in de woning als in de buurt. Aangezien

deze doelgroep over het algemeen niet kwetsbaar is

voor hitte en minder snel gezondheidsschade oploopt,

hebben jongvolwassenen niet de primaire focus. Maar

ook bij jongvolwassenen kan hitte tot klachten leiden.

Jongvolwassenen wonen vaak in huurwoningen, denk

aan studenten of jonge professionals met een eerste

baan die particulier of sociaal huren.

"Ouderen raken eerder vermoeid en uitgeput door hitte,

en kunnen in het ergste geval overlijden", zegt Marcel

Olde Rikkert, hoogleraar geriatrie in het Radboudumc.

Hittegolven zijn terug te zien in de statistieken van

oversterfte van het CBS. Doordat oudere mensen

steeds langer thuis blijven wonen, wordt het probleem

steeds groter.

Andere onderzoeken

Voor onderzoek uitgevoerd door de Hogeschool van

Amsterdam (HvA) zijn temperatuurmetingen gedaan

in 130 woningen. Daarbij hebben de onderzoekers

de effecten van 4 maatregelen onderzocht: de

woning doorluchten, zonwering gebruiken, de woning

isoleren en het vergroenen van de wijk. Ook hebben

ze simulaties uitgevoerd op de computer voor 3

woningtypen: een rijtjeswoning, portiekwoning en flat.

Verder hebben de onderzoekers 2 belevingsonderzoeken

gedaan bij meer dan 1.000 bewoners en 4 workshops

georganiseerd met professionals op het gebied van

wonen, warmte en energie.

Het onderzoek van de HvA omvatte onder andere het

bij bewoners installeren van temperatuursensors om te

meten hoe warm het in hun huizen wordt.

223


224


Een van de conclusies naar aanleiding van het onderzoek

van de HvA: buiten is de temperatuur voor ieder een

in de buurt even hoog, maar je sociaal economische

status bepaalt mede hoeveel last je hebt van warmte.

In opdracht van het Rijk werd onderzocht welke kenmerken

op drie verschillende niveaus (het stedelijk gebied,

het gebouw en de bewoner) woningen extra kwetsbaar

maken voor warmte en welke maatregelen die warmte

kunnen beperken. Er is een handreiking opgesteld die

direct bruikbaar is voor zowel gemeentelijke beleidsambtenaars

als medewerkers van een woningcorporatie.

Er zijn verschillende bureaustudies (literatuuronderzoek,

simulatieonderzoek en een paneldiscussie) uitgevoerd

waarin verschillende situaties en de effectiviteit van

warmtereducerende maatregelen zijn vergeleken en

gerangschikt. Hiervoor is voortgebouwd op kennis van

voorgaande onderzoeken binnen het NKWK-project "Hitte

in bestaande woningen". Voor twee veelvoorkomende

woningtypen in het bezit van woningcorporaties is de

uurtemperatuur gesimuleerd voor een representatieve

zomer en een toekomstige zomer (2050). Dit werd gedaan

voor vele combinaties van factoren zoals: groene

omgeving of stedelijke hitte-eilandeffecten, zonnewarmte

winst (ramen, zonneschermen), isolatie, groene

daken, ventilatie en gebruik van gordijnen. In het

onderzoek is het hittelabel uit het NKWK-project "Hitte in

bestaande woningen 2.0" uitgebreid met meer simulaties,

waardoor voor meer gebouwtypes een label kan worden

bepaald. Gebruikers kunnen in het hittelabel de woningeigenschappen,

zoals type woning, glasoppervlak en type

zonwering, opgeven. Het hittelabel geeft een kwantitatieve

inschatting van het risico op oververhitting in de woning.

In maart 2021 verscheen een onderzoek over de

beleving van hittestress uitgevoerd door bureau

TAUW onder een doelgroep van 19.000 huurders van

woningbouwcorporaties Talis en Kleurrijk Wonen.

Uiteindelijk kwamen er ruim 4.600 reacties binnen:

- 73% van de respondenten geeft aan dat zij tijdens de

zomer van 2020 last hadden van hitte in hun woning.

• Dit werd door 52% van de respondenten in de

ochtend of middag als hinderlijk ondervonden.

• 48% gaf aan dat dit in de avond of de nacht een

probleem was.

- 87% van de respondenten gaf aan de temperatuur

thuis te meten.

- De gemiddeld hoogste temperatuur gemeten in

woningen was 31 °C.

- Huizen zijn te goed geïsoleerd waardoor de warmte

zich opbouwt.

- Ook uit landelijke cijfers blijkt dat 20% gebruikmaakt

van een airco.

Omdat ook Amsterdamse bewoners meewerkten en de

uitkomsten waren te separeren zijn ook inzichten ontstaan

die specifiek zijn voor mensen die in de stad leven.

De belangrijkste conclusies in dat kader waren:

- Huizen zijn te goed geïsoleerd waardoor de warmte

zich opbouwt.

- De omgeving biedt in steden geen schaduw.

- Met name in steden zijn tuinen grotendeels verhard,

waardoor de omgevingstemperatuur verder oploopt

- Bewoners voorkomen zoveel mogelijk invallend

zonlicht door het sluiten van luiken, gordijnen en

zonwering. Daarnaast past men slim ventileren toe.

- Dakverdiepingen zijn veelal warmer dan tussen verdiepingen,

woonlagen op de begane grond of kelders.

- Water in de omgeving wordt als verkoelend ervaren.

225


Maatregelen die oververhitting van

woningen helpen te voorkomen

Illustratie zon weren

Ventileren tijdens de nacht, waardoor warmte het

huis kan verlaten, is de op een na belangrijkste

maatregel tegen oververhitting, omdat dit helpt om

het huis te koelen. Om deze reden zijn nachtelijke

buitenluchttemperaturen belangrijk. Er is bekend

dat de nachttemperatuur in steden onder gelijke

omstandigheden hoger is dan die op het platteland.

Groen in de buurt van de woning helpt ook. De hitte

in de stad is een toenemend probleem door verstening

Weer de zon met

omgevingsschaduw

door bomen of gebouwen.

Let op de oriëntatie.

Weer de zon met

bouwkundige schaduw,

zoals met een uitkraging

of overstek (+ 60 cm) op

een zuidgevel.

Let op de oriëntatie.

Bron: Onderzoek "Hitte in de woning"/HvA

De oriëntatie van het huis, de locatie en grootte van

ramen en zonneschermen zijn belangrijke factoren bij

het voorkomen van warmtetoename. Daarnaast is ook

menselijk gedrag een belangrijke factor.

Uit het onderzoek van de HvA blijkt dat vooral de intrede

van de zon de oververhitting van huizen bepaalt en dat

maatregelen die de zoninstraling verminderen daarom

het grootste positieve effect hebben.

Weer de zon met zonwering

aan de buitenkant van het

glas. Met een voorkeur voor

screens, luiken of schermen

die door de bewoner te

bedienen zijn.

van tuinen en buurten. Geveltuinen, groene tuinen

en groene daken helpen om dit effect te verminderen.

Maximaliseer het percentage groen per wijk om

de omgevingstemperatuur overdag en in de nacht

te verlagen.

Zorg voor voldoende koelteplekken op loopafstand

van iedere woning zodat mensen overdag buitenshuis

de koelte kunnen opzoeken. Plaats aan de zuid- en

westzijde van de straat bomen om zoninstraling in de

woning te beperken.

Temperaturen binnen met en zonder zonwering

Woonkamer, met raam op zuidoostoriëntatie, portiekwoning, tussenverdieping, metingen augustus 2022

Bron: Onderzoek "Hitte in de woning"/HvA

226


Oververhitting in woningen in de praktijk

In de Nederlandse wet is alleen het recht op warmte

vastgelegd, niet het recht op koelte. Een verhuurder

is dus niet bij wet verplicht om iets te doen aan hitte,

tenzij er sprake is van een gebrek aan de woning.

Voor nieuwbouw vanaf 2021 staan er eisen over het

voorkomen van hoge temperaturen binnen woningen

in het Bouwbesluit. Voor woningen waarvoor de

bouwvergunning eerder werd afgegeven zijn er geen

regels. Ondanks dat zijn er ook voor die woningen

richtlijnen om te beoordelen of een hoge woningtemperatuur

een wettelijk gebrek aan de woning is.

De richtlijnen zijn ontwikkeld vanuit procedures

bij de Huurcommissie en kantonrechters. Als de

binnentemperatuur meer dan 300 uur op of boven de

26,5 °C ligt, kan sprake zijn van een C-gebrek volgens

de huurprijzenwetgeving. Het aantal van 300 uur is op

jaarbasis en hoeft niet aaneengesloten te zijn. Deze

norm komt uit bepalingen in de GIW-ISSO 2008.

Wanneer de norm overschreden wordt, is er een gebrek

aan de woning. Dan kan de Huurcommissie uitspreken

dat de huur wordt verlaagd zolang de verhuurder

niet voor een oplossing zorgt. De Huurcommissie

hanteert hierbij tot nu toe een tijdelijke huurverlaging

naar 80% van de betaalde huurprijs. Dit percentage

is relatief hoog omdat het gebrek niet het hele jaar

het woongenot schaadt. Tot enige tijd geleden was

een logboek van de huurder met een overzicht van

gemeten temperaturen voldoende voor een succesvol

verzoek aan de Huurcommissie. Inmiddels vindt de

Huurcommissie dat de huurder bij het verzoek een

onafhankelijk deskundigenrapport over de hitte in de

woning(en) moet verstrekken. Helaas zijn de kosten

van een dergelijk rapport erg hoog en wegen deze vaak

niet op tegen de eventueel haalbare huurverlaging.

De kantonrechter heeft in hoger beroep bepaald

dat wanneer het probleem aantoonbaar speelt in

meerdere woningen in een complex, de verhuurder

zich niet zomaar kan onttrekken aan zijn zorgplicht.

De verhuurder moet in elk geval onderzoek doen naar

oorzaken en oplossingen van het hitteprobleem.

De Huurcommissie of de rechter bepaalt dus of de hitte in

een huis een gebrek is. Er zijn verschillende manieren om

dit na te gaan. De eenvoudigste methode is die gebaseerd

op de temperatuuroverschrijding (TO). Deze gaat ervan uit

dat hitte in een huis een gebrek is als de binnentemperatuur

meer dan 300 uur per jaar boven de 26,5 °C

komt terwijl de buitentemperatuur minstens 6 °C lager is.

Nieuwbouw kent sinds 2021 de TOjuli-normering. Deze

geeft een indicatie van het risico op temperatuuroverschrijding

en wordt bepaald aan de hand van de

berekende koelbehoefte over de maand juli in de BENGberekening

volgens NTA 8800. Deze norm gebruiken

verschillende woningcorporaties om een indicatie te

geven van het hitterisico van een woning of gebied.

De TOjuli gaat uit van een grenswaarde van 27 °C.

Temperaturen boven deze grenswaarde worden als

temperatuuroverschrijding meegenomen en worden

gewogen naarmate de overschrijding hoger wordt. In

de praktijk gebruikt men een vereenvoudigde methode

waarbij de TOjuli waarde kleiner moet zijn dan 1,2.

Dit correspondeert met ongeveer 450 GTO-uren.

227


228


10

COMFORT IN WONINGEN DOOR TOEPASSEN VAN DSS

229


ACHTERGRONDEN

Een belangrijk deel van alle verontreinigende stoffen die we inademen is te vinden in binnenruimtes.

Dit is zorgelijk, aangezien mensen gemiddeld 90% van hun tijd binnen doorbrengen. Een ongezond

binnenklimaat heeft impact op de gezondheid en productiviteit van mensen en kan onder meer

leiden tot luchtwegklachten, astma, slaapproblemen, concentratieverlies en hart- en vaatziekten.

Door een gezond binnenklimaat in gebouwen te realiseren, zijn veel van deze gezondheidsklachten

te voorkomen. Tegen deze achtergrond zijn er inmiddels voor een aantal typen gebouwen

programma’s van eisen tot stand gekomen.

Het platform Gezond Binnen is een samenwerking met

onder andere Binnenklimaat Nederland, TU Eindhoven,

bba binnenmilieu en TNO. Volgens het manifest van het

platform Gezond Binnen heeft ieder mens recht op een

gezond binnenklimaat.

Het Programma van Eisen (PvE) Gezonde Woningen

geeft de bouwsector een richtlijn om een gezond

binnenklimaat in woningen te realiseren. Op basis

van de meest actuele wetenschappelijke inzichten en

best practices zijn onder meer prestatie-eisen op de

gebieden lucht, klimaat, licht en geluid geformuleerd.

In de huidige situatie doet Nederland zichzelf tekort.

Niet omdat we het grootste deel van de dag binnen

doorbrengen, maar omdat we daar (te) vaak lucht van

matige kwaliteit inademen. Feit is dat slechte ventilatie,

hoge concentraties CO2 en fijnstof in binnenruimtes

veelal een negatieve invloed hebben op onze gezondheid.

Volgens TNO leidt een ongezond binnenklimaat onder

andere tot een vermindering van werk- en leerprestaties

en verhoogde risico’s op luchtwegklachten en hart- en

vaatziekten. Uit de TNO-literatuurstudie (2019 R10969)

volgt bijvoorbeeld ook dat onvoldoende ventilatie in

slaapkamers zou kunnen leiden tot slaapverstoring en

een lagere productiviteit de volgende dag.

De blootstelling aan (ultra)fijnstof in het binnenmilieu

kan volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)

leiden tot een verhoogd risico op luchtwegklachten en

hart- en vaat ziekten. Nog te veel Nederlanders zitten

onbewust in ruimtes met een ongezond binnenklimaat.

Dat moet veranderen!

Samenwerkingsverbanden in het kader van

een gezond binnenmilieu (in woningen)

Platform Gezond Binnen

De initiatiefnemers van gezondbinnen.nl beogen

een verandering in gang te zetten door:

• Het verhogen van het inzicht in en het zich

bewust zijn van binnenklimaat, op een

toegankelijke en onafhankelijke manier.

• Het bieden van praktische handvatten,

voor iedereen die zijn/haar binnenklimaat

wil verbeteren.

• Het tonen van voorbeelden uit de eigen

bedrijfsvoering hoe kleine veranderingen leiden

tot een gezonder binnenklimaat.

• Het ondersteunen en verrichten van onderzoek,

om onontdekte kansen ter verbetering van ons

binnenklimaat te ontsluiten.

230


Algemeen wordt inmiddels aangenomen dat het

noodzakelijk is in Nederland in de komende tien

jaar een miljoen nieuwe, zeer energiezuinige

woningen te bouwen. In diezelfde periode moeten

ook bestaande woningen en gebouwen

energieneutraal gemaakt worden. In bouwregelgeving

is de laatste jaren vooral de focus gelegd

op energiebesparing. Daarbij is er weinig aandacht

gegeven aan een gezond binnenmilieu. Die spagaat

tussen energie en gezondheid kunnen we het

komende decennium verkleinen.

De doelstelling van het platform Gezond Binnen

(gezondbinnen.nl) is de verduurzamingsopgave die nu

voor ons ligt aan te grijpen om ook het binnenklimaat

in Nederlandse woningen en gebouwen drastisch te

verbeteren. De oproep is dus te investeren in gezonde

woningen, zodat een nieuwe generatie kan opgroeien

in energiezuinige én gezonde woningen, met

voldoende ventilatie, daglicht en comfort.

2. Isoleren kan niet zonder ventileren. Daarom

is het belangrijk onderzoek te faciliteren naar

de methoden waarmee je de balans tussen

energiezuinigheid en gezonde binnenlucht

kunt bevorderen. Eventueel kan daartoe de

wetgeving waar nodig worden aangepast en

kunnen er stimulerende fiscale regelingen

beschikbaar gesteld worden.

3. Regisseer de Gezonde Scholen centraal. Het

is noodzakelijk de centrale regie te voeren

op een daadwerkelijk gezond binnenklimaat

op scholen. Hanteer strenge praktijknormen

bij subsidies, introduceer een keurmerk voor

kwaliteitspartijen en gebruik bestekken zoals

het Rijksvastgoedbedrijf die ook gebruikt.

4. Onderzoek de relatie tussen ventilatie en

virussen. Het gaat in dit verband specifiek om

de relatie tussen de verspreiding van virussen

en ventilatie. Het moment lijkt juist om een

gezond binnenklimaat voor iedereen te creëren.

Het is tijd geworden om uit te gaan van een nieuwe

langetermijnvisie met gezondheidswinst. Er is veel

gezondheidswinst te behalen op plaatsen waar

we wonen, leren en werken. In dat kader zijn vier

onderwerpen extreem belangrijk:

1. Maak mensen bewust. Volg het voorbeeld

van gezondbinnen.nl en introduceer

publiekscampagnes om de urgentie van

een gezond binnenklimaat bij iedereen

bekend te maken. Centraal staat het

handelingsperspectief om een gezond

binnenklimaat te creëren.

Kenniscentrum Binnenklimaattechniek

Kenniscentrum Binnenklimaattechniek biedt

professionals handvatten om prestaties van klimaatinstallaties

te waarborgen. Op dit digitale platform zijn

publicaties, instrumenten, tools, kwaliteitstandaarden

en richtlijnen te vinden. Daarnaast geeft het platform

inzicht in hedendaagse systemen en technieken.

Het kenniscentrum staat ten dienste van

professionals in de bouw- en installatiesector, zoals

ontwerpers, vastgoedbeheerders, woningcorporaties,

adviseurs, onderhoudstechnici, facilitair managers,

toezichthouders en overheidsinstanties.

231


Het kenniscentrum biedt professionals hulpmiddelen

voor het duurzaam realiseren van gezonde gebouwen.

Het kenniscentrum is een initiatief van drie partijen

(funding partners):

Binnenklimaat Nederland

Binnenklimaat Nederland zet zich als branchevereniging

samen met haar leden in om een gezond binnenklimaat

te realiseren. Dat doet zij door verschillende activiteiten

vanuit sectoren en focusgroepen op te zetten en de

samenwerking te zoeken met andere partijen in de

keten. De branchevereniging denkt mee over de invulling

van bijvoorbeeld bestekdocumenten en wetgeving,

maar is ook initiatiefnemer van online platforms

waar leden informatie met elkaar kunnen delen. De

branchevereniging bundelt de belangen van Nederlandse

fabrikanten, leveranciers en/of dienstverlenende

organisaties van luchttechnische producten.

TVVL

TVVL is een branchevereniging van professionals in de

installatietechniek en beoogt een kennisplatform te zijn

voor alle leden. Dat bereikt de vereniging onder andere

door trainingen te organiseren.

Smart WorkPlace

Smart WorkPlace zet als kennisplatform de stap naar de

duurzame en gezonde werkomgeving. Een werkomgeving

die voor het welzijn en het werkgeluk van de gebruikers

van belang is. Veel professionals zijn vanuit verschillende

invalshoeken bij dat proces betrokken, waaronder human

capital managers, vitaliteitsmanagers, human resource

managers, vastgoedmanagers, facility managers

alsmede mobiliteits- en duurzaamheidsmanagers.

232


233


PROGRAMMA VAN EISEN GEZONDE WONINGEN (2022)

Algemeen

Woningen dragen op verschillende vlakken bij aan de

gezondheid van bewoners. De UK Green Building Council

(UKGBC) geeft aan dat in dit verband onderscheid

gemaakt kan worden tussen mentale gezondheid,

sociaal welzijn en fysieke gezondheid.

Waar mogelijk draagt het Programma van Eisen (PvE)

Gezonde Woningen bij aan alle drie deze aspecten.

In het PvE zijn bijvoorbeeld maatregelen opgenomen

die binnen de woning een positief effect hebben op

de mentale gezondheid, zoals uitzicht op groen en

de beschikbaarheid van een stille slaapkamer. Veel

maatregelen buiten de PvE die gericht zijn op de

mentale en sociale gezondheid hebben echter ook

betrekking op een wijk of stadsdeel (denk aan de

mix van woningen, de beschikbaarheid van natuur,

voorzieningen en dergelijke zaken.) en vallen daarmee

buiten de scope van dit PvE.

In het PvE wordt een woning als "gezond" beschouwd

wanneer deze de gezondheid van zijn bewoners niet

negatief beïnvloedt. Aspecten zoals brandveiligheid

en constructieveiligheid worden gezien als veiligheidsaspecten

en vallen daarmee buiten de scope van dit

PvE. Het PvE is gericht op het fysische binnenmilieu

van woningen en de bijbehorende prestatie-eisen.

Binnenmilieu

Wanneer er wordt gesproken over een gezonde woning,

dan gaat het al snel vooral over het binnenmilieu. Het

binnenmilieu wordt in het algemeen gedefinieerd als

de combinatie van thermisch comfort, luchtkwaliteit,

visueel comfort en akoestisch comfort. Dit is in principe

een redelijk beperkte benadering, met een focus op de

fysieke leefomgeving. Naast de fysische factoren lijkt

het juist ook in woningen belangrijk om extra aandacht te

geven aan andere aspecten die de waarde van de woning

ondersteunen wanneer het gaat om de gezondheid van

de bewoner. Een voorbeeld van een dergelijke benadering

zijn de Key Indoor Performance Indicators (KIPI's) zoals

gedefinieerd binnen het project Perfection.

KIPI-Framework

perfection

KIPI FRAMEWORK

Health

and Comfort

Safety

and Security

Usability

and Positive

Stimulation

Adapability

and

Serviceability

Health

Comfort

Safety

Security

Usability

Positive Stimulation

Adapability

Serviceability

1. Mould growth risk

2. Ventilation / CO2

3. Combustion sources / infiltration

4. Particulate matter

5. Drinking water quality

6. Operative temperature / PPD

7. Illuminance

8. Daylight factor

9. Background noise level

10. Reverberation time

11. Safety in use

12. Feeling of safety

13. Meeting current regulation

14. Building type specific

15. Personal and material security

16. Security of information

17. Reliability in exceptional cases

18. Acces to and in the building

19. Wayfinding

20. Adjustability

21. View to outside

22. Privacy

23. Feelings and sensations

24. Availability and quality of recreational spaces

25. Versitally and protection

26. Technical service life

27. Adaptability to climate change

28. Branding and cultural heritage

29. Availability of service in the building

30. Cleanliness

31. Maintainability

Bron: Binnenklimaattechniek - PvE Gezonde Woningen

Klasse-indeling binnen PvE Gezonde Woningen

In het PvE Gezonde Woningen wordt gewerkt met

drie klassen: klasse A, klasse B en klasse C. De

klasse C-eisen komen min of meer overeen met het

kwaliteitsniveau dat door het Bouwbesluit vereist wordt

bij nieuwbouwwoningen. De klasse B-eisen streven

een hogere kwaliteit na met betrekking tot gezondheid

en comfort. Dit ambitieniveau lijkt een goed streven

234


voor nieuwe woningen of bij grootschalige renovatie.

De klasse A-eisen zijn een verdere verbetering ten

opzichte van klasse B en zijn met name bedoeld voor

woningen met een gevoelige doelgroep (zoals bewoners

met luchtwegaandoeningen of een verminderde

weerstand) en/of voor woningen waarbij het hoogste

kwaliteitsniveau wordt nagestreefd.

In deze versie van het PvE is er nog niet voor gekozen

om een weging door te voeren van het belang van de

individuele indicatoren ten aanzien van de mate van

invloed ervan op de gezondheid.

Een woning telt een aantal verschillende kamers

(ruimtes) met duidelijk (afgebakende) functie(s);

bijvoorbeeld de slaapkamer versus de woonkamer.

Voor sommige indicatoren kunnen, als gevolg van

dit verschil in functie, specifieke eisen gedefinieerd

worden. Daar waar dit wenselijk wordt geacht is zo

een onderscheid in de eisen opgenomen. Het is

mogelijk per ruimtefunctie apart een kwaliteitsniveau

te kiezen: bijvoorbeeld luchtkwaliteit klasse A in de

slaapkamer en klasse C in de woonkamer.

Overzicht indicatoren zoals opgenomen in het

PvE Gezonde Woningen

Indicator

LUCHT

CO2-concentratie &

luchtverversing

Woonkamer/keuken

X

Ruimte

Slaapkamer/

werkkamer

Badkamer/

verkeersruimte

Luchtafvoer X Y

Spuiventilatie X Y

Luchtvochtigheid

Schimmels &

bacteriën

X

X X Y

VOS X X X

Verbrandingsgassen X X X

Fijnstof X X X

Hygiëne

ventilatiesysteem

N.v.t. N.v.t. N.v.t.

Asbest X X X

Legionella N.v.t. N.v.t. N.v.t.

KLIMAAT

Woonkamer/keuken

Slaapkamer/

werkkamer

X

Badkamer/

verkeersruimte

Comfort winter X Y Z

Comfort zomer &

tussenseizoen

X Y Z

Tocht X X X

Lokale behaaglijkheid

(overig)

LICHT

X X X

Woonkamer/keuken

Slaapkamer/

werkkamer

Badkamer/

verkeersruimte

Daglichttoetreding X X Y

Beglazing X X X

Uitzicht X X

Bezonning X X

Wering van en

verblinding door

dag-/zonlicht

X X X

Kunstlicht X Y Y

GELUID

Woonkamer/keuken

Slaapkamer/

werkkamer

Badkamer/

verkeersruimte

Geluidwering gevel X X X

Geluidisolatie tussen

woningen

Geluidisolatie binnen

woning

X X X

X X X

Installatiegeluid X Y

Ruimte-akoestiek X X

In de tabel hiernaast is een overzicht gegeven van

de indicatoren die in het PvE Gezonde Woningen

zijn opgenomen. Er is tevens aangegeven of er een

onderscheid is gemaakt voor de indicator voor wat

betreft de verschillende ruimtes in een woning. Per

indicator, voor zover van toepassing, is aangegeven

of vergelijkbare eisen zijn gesteld voor verschillende

ruimtes, hetgeen zichtbaar is gemaakt door het

gebruik van dezelfde of juist verschillende letters.

Bron: Binnenklimaattechniek - PvE Gezonde Woningen

Aangezien dynamische zonwering als oplossing slechts

relevant is voor een selectie van de indicatoren die

relevant zijn binnen het kader van het PvE Gezonde

Woningen is er een selectie gemaakt van indicatoren

die worden behandeld. De focus ligt derhalve specifiek

op twee groepen indicatoren: klimaat en licht. Binnen

de categorie klimaat betreft het voornamelijk comfort

235


in zomer en winter en binnen de categorie licht ligt de

focus op de indicatoren daglichttoetreding, bezonning

alsmede wering van en verblinding door dag-/zonlicht.

Afhankelijk van de keuze voor een bepaald type

dynamische zonwering kan ook uitzicht een indicator

zijn die een rol speelt. Zo is er bij geheel gesloten rolluiken

bijvoorbeeld geen sprake van uitzicht naar buiten.

Klimaat

De eisen met betrekking tot klimaat zijn per type

vertrek opgenomen in een tabel. Daarbij kan direct

vanuit de praktijk worden opgemerkt dat het toepassen

van dynamische zonwering met name gebeurt bij

woon- en slaapvertrekken en werkkamers.

Thermisch comfort wordt vaak genoemd als de

belangrijkste fysische parameter van het binnenmilieu.

Tegelijkertijd is het ook de parameter waarover vaak

de meeste klachten zijn. Dat komt omdat thermisch

comfort wordt bepaald door allerlei aspecten en er

grote verschillen zijn in individuele voorkeur.

In een gezonde woning moet een conditie gecreëerd

kunnen worden die leidt tot een thermisch comfortabele

(gewenste) situatie. We kunnen zeggen dat er sprake

is van thermisch comfort (een thermisch behaaglijk

binnenklimaat) wanneer men geen behoefte heeft om

de temperatuur aan te passen.

In de praktijk zijn er meerdere factoren die het thermisch

comfort beïnvloeden. Vier fysische basisparameters

(luchttemperatuur, stralingstemperatuur [straling van

de zon, vloerverwarming of vloerkoeling, etc.], luchtvochtigheid

en luchtsnelheid) zijn hierbij van belang.

Persoonlijke parameters zoals kleding en activiteitenniveau

bepalen de gewenste condities in belangrijke

mate. Als het warmteverlies van het lichaam naar

de omgeving in balans is met de warmteproductie

in het lichaam (metabolisme), is er een grote kans

dat men zich thermisch comfortabel zal voelen. De

woning verschilt ten opzichte van een kantoor of een

school in die zin dat men normaal gesproken een veel

grotere mate van vrijheid heeft om de temperatuur

te controleren en naar wens in te stellen. Ook kennen

kleding- en activiteitenniveau een ruimere variatie.

Om deze redenen wordt in het PvE Gezonde Woningen

gestreefd naar een brede beschikbare temperatuurrange

in de woning zodat de bewoner zelf de gewenste

temperatuur kan kiezen. Het ontwerp moet dus gericht

zijn op het mogelijk maken van een bandbreedte van

de instelbare temperatuur zodat de door de gebruiker

ingestelde temperatuur ook binnen redelijke tijd en

binnen een bepaalde marge wordt bereikt.

De eisen voor het thermisch binnenklimaat zijn verdeeld

in twee seizoensgebonden categorieën - eisen voor de

winter en eisen voor het zomer- en tussenseizoen. Door

klimaatverandering krijgen wij naar verwachting ook in

Nederland vaker te maken met warme zomers en hittegolven.

In combinatie met toenemende thermische isolatie

van woningen worden de thermische condities binnen in

het tussenseizoen en de zomer steeds ongunstiger

De aanbevolen temperatuurgrenzen voor de woonkamer

zijn voor het zomer- en tussenseizoen gebaseerd op

de temperatuureisen voor ß-gebouwen uit ISSOpublicatie

74 (ß – bovengrens bij actieve koeling).

236


Deze temperatuurgrenzen worden geëist bij een

daggemiddelde buitentemperatuur lager dan 23 °C.

Met "daggemiddelde buitentemperatuur" wordt hier

bedoeld: (dagmaximum + dagminimum)/2.

Om oververhitting van woningen tegen te gaan is

het belangrijk om (bij nieuwbouw en renovatie) de

woning zo te ontwerpen dat er een intrinsiek laag

risico is op overmatige opwarming. Denk hierbij aan

de toepassing van dynamische buitenzonwering, de

oriëntatie en afmetingen van de ramen en voldoende

spuivoorzieningen. Hiermee zijn randvoorwaarden

gegeven aan de bewoner om oververhitting te

voorkomen of te beperken. Het daadwerkelijke en goede

gebruik van voorzieningen is een aandachtspunt.

Naast het ontwerpen van een woning met een laag

risico op oververhitting kan men ook gebruikmaken van

actieve koeling om het zomercomfort te waarborgen.

Een onderscheid in de klassen wordt gemaakt door

voor klasse A uit te gaan van een actief systeem

waarmee een maximumtemperatuur ingesteld kan

worden. Voor klasse B en C moet worden aangetoond

dat het woningontwerp, bij goed gebruik, de maximumtemperatuur

niet overschrijdt. Hier wordt dus een deel

van de verantwoordelijkheid gelegd bij de gebruiker om

de beschikbare gebouwgebonden elementen goed te

bedienen om oververhitting te beperken.

Daar waar oververhitting onvoldoende voorkomen kan

worden met bouwkundige maatregelen, zal alsnog

koeling geïnstalleerd moeten worden. Voor bestaande

woningen en nieuwe woningen zonder een actief

koelsysteem, derhalve vallend onder klasse B of C,

zouden eventueel voorzieningen gebruikt kunnen

worden die de luchtsnelheid verhogen (ventilatoren).

Wanneer de bewoners de luchtsnelheid naar wens

kunnen verhogen met 0,5 of 1,0 m/s dan levert

dit een koeleffect op dat te vergelijken is met een

temperatuurverlaging van 1-2 K.

Een dergelijke voorziening is echter niet gebouwgebonden

en wordt derhalve niet als een geaccepteerde oplossing

in de eis opgenomen. Om toch enigszins aan deze

oplossing tegemoet te komen is bij de verificatie echter

de mogelijkheid geïntroduceerd om bij aanwezigheid

van een (effectieve) ventilator, gedefinieerd als een

ventilator die in de leefzone een luchtsnelheid van

> 0,5 m/s kan genereren, een ΔT van +1 K op de

temperatuureis toe te staan. Het is duidelijk dat we hier

te maken hebben met een compromis ten aanzien van

gebouwgebonden versus gebruikersgedrag.

Beide seizoensgebonden categorieën zijn verder

verdeeld in typische verblijfsruimtes in de woning,

zoals woonkamer; slaapkamer/werkkamer en

badkamer. Onder woonkamer wordt ook de keuken

geschaard. Specifiek voor de woning worden strengere

eisen voor de temperatuur in slaapkamers gesteld.

Er is steeds meer bekend over de relatie tussen

slaapkwaliteit en het thermisch binnenklimaat. Als

men in de zomer nog enige nachtkleding draagt, dan

is de temperatuur waarbij gemiddeld genomen 80%

van de mensen de temperatuur nog net acceptabel

vindt 27,5 ⁰C. Door het gebruik van een dekbed en/of

nachtkleding vormen mensen een eigen microklimaat

en heeft men het bij een lagere ruimtetemperatuur

al voldoende warm.

237


238


Veel Nederlanders geven daarom de voorkeur aan

een wat koelere slaapkamer. Door eisen te stellen

aan de slaapkamertemperatuur wordt meer ruimte

geboden aan de gebruiker om te bepalen hoe hij bij

voorkeur slaapt. Klasse A geeft derhalve de grootste

mogelijkheid aan de bewoner om de gewenste

temperatuur in te stellen (het hele jaar).

Wanneer een actief systeem wordt ingezet om de

gewenste temperatuur te bereiken, dan zijn daar nog

aanvullende eisen aan gesteld. Omdat verondersteld

is dat een slaapkamer ook steeds vaker als werk-/

studeerkamer wordt gebruikt, worden dergelijke

aanvullende eisen als belangrijk gezien. Het aanwezige

systeem moet kunnen voorzien in aanvullende eisen,

zonder dat er sprake is van de noodzaak om een raam

te openen. Wil de gebruiker slapen met een open raam,

dan zijn dergelijke eisen in principe niet van toepassing.

De badkamer is een aparte specifieke ruimte omdat

hier sprake zal zijn van een situatie met een naakte,

natte huid. In principe zouden hier hogere temperaturen

wenselijk zijn om tegemoet te kunnen komen aan de

eisen van thermisch comfort.

239


Tabellen voor klimaateisen per vertrek

KLIMAAT

Klasse C - VOLDOENDE

Klasse B - GOED

extra t.o.v. klasse C

Klasse A - ZEER GOED

extra t.o.v. klasse B

Comfort winter

Woonkamer,

keuken

Toelichting: Toelichting: Toelichting:

De operatieve temperatuur kan handmatig

ingesteld worden tussen 16 en 23 °C.

De operatieve temperatuur kan handmatig

ingesteld worden tussen 16 en 24 °C.

De operatieve temperatuur kan handmatig

ingesteld worden tussen 16 en 24 °C.

De gewenste eindtemperatuur kan binnen een

bandbreedte van +/- 1 K worden geregeld.

De gewenste temperatuur kan binnen een

bandbreedte van +/- 0,5 K worden geregeld

<

Bovengenoemde eis betreffende

handmatige naregeling van de temperatuur

is met voldoende "snelheid" te beïnvloeden:

temperatuureffect minimaal 1 °C per uur na

verstelling.

< <<

In alle verblijfsruimtes wordt de temperatuur

gemeten en zichtbaar teruggekoppeld aan

de gebruikers.

<

Slaapkamer,

werkkamer

De operatieve temperatuur kan handmatig

ingesteld worden tot

16 en 22 °C.

De operatieve temperatuur kan handmatig

ingesteld worden tot

16 en 22 °C.

De operatieve temperatuur kan handmatig

ingesteld worden tot

16 en 24 °C.

De gewenste eindtemperatuur kan binnen een

bandbreedte van +/- 1 K worden geregeld.

De gewenste temperatuur kan binnen een

bandbreedte van +/- 0,5 K worden ggeregeld.

<

Bovengenoemde eis betreffende

handmatige naregeling van de temperatuur

is met voldoende "snelheid" te beïnvloeden:

temperatuureffect minimaal 2 °C per uur na

verstelling.

< <<

In alle verblijfsruimtes wordt de temperatuur

gemeten en zichtbaar teruggekoppeld aan

de gebruikers.

<

Badkamer

De operatieve temperatuur kan handmatig

ingesteld worden tussen 16 en 24 °C.

De operatieve temperatuur kan handmatig

ingesteld worden tussen 16 en 26 °C.

De operatieve temperatuur kan handmatig

ingesteld worden tussen 16 en 28 °C.

De gewenste eindtemperatuur kan binnen een

bandbreedte van +/- 1 K worden geregeld.

De gewenste temperatuur kan binnen een

bandbreedte van +/- 0,5 K worden geregeld.

<

Bovengenoemde eis betreffende

handmatige naregeling van de temperatuur

is met voldoende "snelheid" te beïnvloeden:

temperatuureffect minimaal 2 °C per uur na

verstelling.

< <<

In alle verblijfsruimtes wordt de temperatuur

gemeten en zichtbaar teruggekoppeld aan

de gebruikers.

<

Comfort winter

Woonkamer,

keuken,

slaapkamer,

werkkamer,

badkamer

De eisen voor het wintercomfort zijn erop

gebaseerd dat bewoners de temperatuur in de

winter naar wens kunnen verhogen tot de door

hen gewenste temperatuur. Het systeem dient

zo ontworpen te zijn dat de bovengenoemde

eisen worden behaald. Hierdoor kan de

gebruiker te allen tijde zijn/haar eigen

instelling kiezen binnen de range.

< <<

De operatieve temperatuur betreft het

gemiddelde van de luchttemperatuur en

de gemiddelde stralingstemperatuur. In de

praktijk kan de luchttemperatuur gebruikt

worden, tenzij een oplossing is gekozen die

specifiek ook straling meeneemt.

De operatieve temperatuur wordt vastgesteld

conform de bepalingen in NEN-EN-ISO 7726

en NEN-EN-ISO 7730.

< <<

< <<

Bovengenoemde eisen voor de

binnentemperatuur zijn van toepassing

tenzij de daggemiddelde buitentemperatuur

lager is dan -5 °C. Met "daggemiddelde

buitentemperatuur" wordt hier bedoeld:

(dagmaximum + dagminimum) / 2.

< <<

240


KLIMAAT

Klasse C - VOLDOENDE

Klasse B - GOED

extra t.o.v. klasse C

Klasse A - ZEER GOED

extra t.o.v. klasse B

Comfort

winter

Woonkamer,

keuken,

slaapkamer,

werkkamer,

badkamer

Toelichting: Toelichting: Toelichting:

Voor verlaging van de temperatuur in de winter

mag men ervan uitgaan dat bewonersgebruik

maken van te openen ramen.

Deze eisen veronderstellen een afzonderlijke

thermostrering van de ruimtes.

Bovengenoemde temperaturen kunnen

gehaald worden onafhankelijk van het type

ruimte en of de temperatuur naar boven of

beneden wordt bijgesteld. Voor de verlaging

van de temperatuur wordt niet uitgegaan

van de mogelijkheid van het openen van

een raam.

<

<

Comfort

zomer en

tussenseizoen

Woonkamer,

keuken,

werkkamer

Buiten het stookseizoen is een operatieve

temperatuur binnen realiseerbaar van

maximaal 28 °C.

Indien geen actief systeem wordt gebruikt dan

wordt gesteld dat de maximumtemperatuur

niet mag worden overschreden bij effectief

gebruik van de beschikbare woninggebonden

middelen.

Buiten het stookseizoen is een operatieve

temperatuur binnen realiseerbaar van

maximaal 27 °C.

<

Buiten het stookseizoen is de operatieve

temperatuur binnen door de gebruikers

handmatig instelbaar tussen 23 en 26 °C.

Indien met een actief systeem wordt gewerkt,

dan is de operatieve temperatuur binnen

door de gebruiker instelbaar tussen 25 en

28 °C, met een bandbreedte van +/- 1 K. De

temperatuur is in dat geval met voldoende

"snelheid" te beïnvloeden: temperatuureffect

minimaal 1 °C per uur na verstelling.

Indien met een actief systeem wordt gewerkt,

dan is de operatieve temperatuur binnen

door de gebruiker instelbaar tussen 24 en

27 °C, met een bandbreedte van +/- 1 K. De

temperatuur is in dat geval met voldoende

"snelheid" te beïnvloeden: temperatuureffect

minimaal 1 °C per uur na verstelling.

De gewenste temperatuur kan binnen een

bandbreedte van +/- 0,5 K worden geregeld

Bovengenoemde eis betreffende

handmatige naregeling van de temperatuur

is met voldoende "snelheid" te beïnvloeden:

temperatuureffect minimaal 1 °C per uur na

verstelling.

In alle verblijfsruimtes wordt de temperatuur

gemeten en zichtbaar teruggekoppeld aan

de gebruikers.

<

Slaapkamer

Buiten het stookseizoen is een operatieve

temperatuur binnen realiseerbaar van

maximaal 25 °C.

Buiten het stookseizoen is een operatieve

temperatuur binnen realiseerbaar van

maximaal 24 °C.

Buiten het stookseizoen is de operatieve

temperatuur binnen door de gebruikers

handmatig instelbaar tussen 23 en 26 °C.

Indien geen actief systeem wordt gebruikt dan

wordt gesteld dat de maximumtemperatuur

niet mag worden overschreden bij effectief

gebruik van de beschikbare woninggebonden

middelen.

<

Indien met een actief systeem wordt gewerkt,

dan is de operatieve temperatuur binnen

door de gebruiker instelbaar tussen 23 en

26 °C, met een bandbreedte van +/- 1 K. De

temperatuur is in dat geval met voldoende

"snelheid" te beïnvloeden: temperatuureffect

minimaal 1 °C per uur na verstelling.

<

De gewenste temperatuur kan binnen een

bandbreedte van +/- 0,5 K worden geregeld

Bovengenoemde eis betreffende

handmatige naregeling van de temperatuur

is met voldoende "snelheid" te beïnvloeden:

temperatuureffect minimaal 2 °C per uur na

verstelling.

In de ruimte wordt de temperatuur gemeten

en zichtbaar teruggekoppeld aan de

gebruikers.

<

Badkamer Zie wintercomfort badkamer. Zie wintercomfort badkamer. Zie wintercomfort badkamer.

241


KLIMAAT

Klasse C - VOLDOENDE

Klasse B - GOED

extra t.o.v. klasse C

Klasse A - ZEER GOED

extra t.o.v. klasse B

Comfort

zomer en

tussenseizoen

Woonkamer,

keuken,

werkkamer,

slaapkamer,

badkamer

Toelichting: Toelichting: Toelichting:

Bovengenoemde eisen voor de

binnentemperatuur zijn van toepassing

als de daggemiddelde buitentemperatuur

hoger is dan 12 °C en lager dan 23 °C. Met

"daggemiddelde buitentemperatuur" wordt hier

bedoeld: (dagmaximum + dagminimum) / 2.

< <<

Er is voorzien in mogelijkheden voor indirecte

handmatige naregeling van de temperatuur

in de zomer (los van via het gebruik van de te

openen ramen); denk aan buitenzonwering

die handmatig ingesteld kan worden.

<

In alle ruimtes waar direct zonlicht kan toe

treden is het gebruik van zonwering zeer

waarschijnlijk noodzakelijk. Als alternatief kan

een vaste oplossing (overstek, balkon) worden

geaccepteerd.

In alle ruimtes waar direct zonlicht kan toe

treden is buitenzonwering aanwezig die vanuit

de woning bediend kan worden.

In alle ruimtes waar direct zonlicht kan toe

treden is buitenzonwering aanwezig die

elektronisch en eventueel automatisch

bediend kan worden op basis van het weer en

de condities in de woning,

In de kamers dient ventilatie ('s nachts)

mogelijk te zijn (dwarsventilatie of thermisch

gedreven), via inbraak- en regenwerende

openingen die met elkaar in verbinding staan.

< <<

Het te openen deel is voorzien van een

uitzetmechanisme waarmee deze in elk geval

in één stand is te fixeren.

< Het te openen deel is voorzien van een

uitzetmechanisme waarmee het te openen

deel in meerdere standen of traploos

gefixeerd kan worden (incl. kierstand).

Bij de verificatie mag een DT van +1 K worden

toegestaan op de gestelde eis, indien geen

actief systeem wordt gebruikt en er een

effectieve ventilator aanwezig is die een

luchtsnelheid v > 0.5 m/s genereert in de

leefzone.

< <

Tocht

De combinatie van luchtsnelheid,

luchttemperatuur en turbulentie-intensiteit is

dusdanig dat een DR-index (Draught Rate) van

max. 30% gegarandeerd is.

De combinatie van luchtsnelheid,

luchttemperatuur en turbulentie-intensiteit is

dusdanig dat een DR-index (Draught Rate) van

max. 20% gegarandeerd is.

<

Toelichting: Toelichting: Toelichting:

De DR-index (Draught Rate) staat voor het

verwachte percentage ontevredenen ten

gevolge van tocht (NEN-EN-ISO 7730).

<

De genoemde tochthinderparameters worden

vastgesteld conform de bepalingen in NEN-

EN-ISO 7726. De metingen worden alleen

uitgevoerd als er klachten over tocht zijn.

<

Het tochtrisico wordt bepaald op nekhoogte bij

zitten (1,1 m) en enkelhoogte (0,1 m)

<

De genoemde DR 30%-eis komt bij normale

wintertemperaturen binnen overeen met een

maximale luchtsnelheid van 0,20 m/s; in het

tussenseizoen is dit max. 0,25 m/s en in de

zomer max. 0,30 m/s. E.e.a. uitgaande van een

luchttemperatuur van resp. 20, 23 en 26 °C

en een turbulentie-intensiteit van 40 à 60%.

De genoemde DR 20%-eis komt bij normale

wintertemperaturen binnen overeen met een

maximale luchtsnelheid van 0,15 m/s; in het

tussenseizoen is dit max. 0,20 m/s en in de

zomer max. 0,25 m/s. E.e.a. uitgaande van een

luchttemperatuur van resp. 20, 23 en 26 °C

en een turbulentie-intensiteit van 40 à 60%.

Indien sprake is van verhoogde

luchtsnelheden die veroorzaakt zijn door

acties van gebouwgebruikers (denk aan de

inzet van ventilatoren, te openen ramen e.d.)

dan spreekt men van een "bries-effect" en

gelden de genoemde tochteisen niet.

<

242


KLIMAAT

Klasse C - VOLDOENDE

Klasse B - GOED

extra t.o.v. klasse C

Klasse A - ZEER GOED

extra t.o.v. klasse B

Lokale

behaaglijkheid

(geldt voor de

verblijfsruimten

en

badkamer)

Toelichting: Toelichting: Toelichting:

Vloeren zijn dusdanig geïsoleerd,, afgewerkt

en/of verwarmd dat de vloertemperatuur

minimaal 17 °C is.

Vloeren zijn dusdanig geïsoleerd, afgewerkt

en/of verwarmd dat de vloertemperatuur

minimaal 17 °C is.

Vloeren zijn dusdanig geïsoleerd, afgewerkt

en/of verwarmd dat de vloertemperatuur

minimaal 19 °C is.

Vloeren zijn dusdanig geïsoleerd, afgewerkt

en/of verwarmd dat de vloertemperatuur

minimaal 19 °C is.

<

<

De verticale temperatuurgradiënt (verschil

tussen lucht-temperatuur op nek- en

enkelhoogte) is < 4 K/m.

De stralingstemperatuurasymmetrie (verschil

in stralingstemperatuur tegenoverliggende

vlakken) is:

- bij een verwarmd plafond < 7 K;

- bij een koude wand / raam < 13 K;

- bij een gekoeld plafond < 18 K;

- bij een verwarmde wand/aangestraald

geveldeel < 35 K.

De verticale temperatuurgradiënt (verschil

tussen lucht-temperatuur op nek- en

enkelhoogte) is < 3 K/m.

De stralingstemperatuurasymmetrie (verschil

in stralingstemperatuur tegenoverliggende

vlakken) is:

- bij een verwarmd plafond < 5 K;

- bij een koude wand / raam < 10 K;

- bij een gekoeld plafond < 14 K;

- bij een verwarmde wand/aangestraald

geveldeel < 23 K.

<

<

Toelichting: Toelichting: Toelichting:

Lokaal thermisch (dis)comfort wordt

vastgesteld conform de bepalingen in NENEN-

ISO 7726 en NEN-EN-ISO 7730. De metingen

worden alleen uitgevoerd als er warmte- of

koudeklachten zijn die niet kunnen worden

verklaard door de luchttemperatuur (het is

met andere woorden niet in algemene zin te

warm of te koud).

Bron: Binnenklimaattechniek - PvE Gezonde Woningen

< <<

De verticale temperatuurgradiënt wordt

bepaald op respectievelijk nekhoogte bij zitten

(1,1 m) en enkelhoogte (0,1 m), e.e.a. met

gesloten ramen en deuren in de leefzone en

bij buitencondities zoals gedefinieerd in de

toelichting bij wintercomfort).

< <<

243


Licht

Er zijn ook eisen met betrekking tot licht opgenomen

in de PvE.

Licht heeft invloed op de gezondheid van de mens.

We kunnen niet zonder licht; het zorgt voor onze

biologische klok. We kunnen ook niet zonder voldoende

licht om activiteiten uit te voeren. Hoewel de mens ook

bij heel lage lichtniveaus taken kan uitvoeren, kost dat

meer energie en is de kans op fouten groter.

Het beschikbare licht in een ruimte is normaal

gesproken de som van het aanwezige daglicht in

combinatie met kunstlicht. In een woning is de

daglichttoetreding typisch een ontwerpparameter,

terwijl kunstlicht volledig aan de gebruiker moet

worden overgelaten. Dit is een groot verschil met

bijvoorbeeld een situatie in een kantoor of een school.

Indicatoren ten aanzien van licht

PvE Gezond Kantoren [3] Daglicht Kunstlicht

Daglichtfactor

Lichttoetredingsfactor (LTA)

Uitzicht

Helderheidswering

(luminantieverhouding)

Verlichtingssterkte

Verblinding armaturen

Kleurweergave

Flikkerfrequentie/-percentage

Dimbaarheid

Bouwbesluit 2012 [37] Daglicht Kunstlicht

Equivalente

daglichtoppervlakte

BREEAM [38] Daglicht Kunstlicht

Daglichttoetreding (%

glasoppervlak t.o.v.

vloeroppervlak)

Verlichtingssterkte

Flikkering

LEED v4 Homes [39] Daglicht Kunstlicht

Well Building [40] Daglicht Kunstlicht

Daglichtautonomie [lux, %]

Afstand tot raam

Daglichtoppervlakte

Efficiëntie verlichting

(lighting power density)

Verlichtingssterkte

(incl. leeftijd gebruikers)

Verlichting gebaseerd op

daglicht (biologische klok).

(circadian lighting design)

Luminantieverhoudingen

Helderheidswering (verblinding)

Zicht (bodem, hemelkoepel)

Kleurweergave

Controle (niveau,

kleurtemperatuur, kleur)

244


In een programma van eisen kan het daadwerkelijke

gebruikersgedrag niet worden aangenomen. Dit deels

DHV/HOPE/Rapport Indicatoren

Binnenmilieu [8,10]

Daglicht

Onvoldoende daglicht/

daglichttoetreding

Bezonning

Belemmering uitzicht

Lichttoetredingsfactor,

kleur glas

Helderheidswering

(verblinding)

Kunstlicht

NTA 8778:2012 [41] Daglicht Kunstlicht

NEN-EN 12464-1 (2021)

Licht en verlichting - Werkplekverlichting

- Deel 1:

Werkplekken binnen [42]

NEN-EN 17037 (2018)

Daglicht in gebouwen [43]

% vloeroppervlak

Kleur lichtinval

Individuele regelbaarheid

(zoninval verblinding;

gebouwgebonden)

Uitzicht [afstand zitplek tot

gevel, hoogte borstwering,

vrij uitzicht op landschap of

objecten (> 10 m)

Daglicht

Verlichtingssterkte

Uniformiteit

Lichtrichting

Daglicht

Daglichttoetreding

Uitzicht (hemelkoepel,

landschap, grond)

Zonlichtblootstelling

Verblinding

Kunstlicht

Verlichtingssterkte

Uniformiteit

Luminantieverdeling

Verblinding

Lichtrichting en schaduwen

Gecorreleerde

kleurtemperatuur

Kleur rendering index

Kunstlicht

Bron: Binnenklimaattechniek - PvE Gezonde Woningen

vanwege de grote verschillen die verwacht mogen

worden tussen gebruikers en de voorkeuren die zij

hebben in een bepaalde situatie. Daarnaast kan

het gedrag niet optimaal gestuurd worden vanuit

het oogpunt van gezondheid en/of comfort. Wat

echter wel benoemd kan en moet worden is of er

mogelijkheden zijn voor de gebruiker om daadwerkelijk

invloed uit te oefenen op het binnenmilieu; het betreft

de randvoorwaarden die controle daadwerkelijk

mogelijk maken. Of die controle uiteindelijk wel of niet

positief uitwerkt is niet onderdeel van een programma

van eisen. In alle gevallen gaat het om (ontwerp-)

oplossingen die gebouwgebonden zijn. Voor licht is

in de verschillende documenten (labelingsystemen

en overzichten met indicatoren voor een gezond

binnenmilieu) nagenoeg geen onderscheid

aangetroffen tussen indicatoren en criteria die een

onderscheid maken naar het type ruimte dat in een

woning is terug te vinden.

Het PvE bevat een uitwerking op basis van de

Het overzicht geeft een indruk van de indicatoren afkomstig

vanuit een grote variatie van bronnen, met een

zekere overlap. In het PvE Gezonde Woningen ligt de

focus in principe op indicatoren gerelateerd aan het

daglicht, omdat deze op het ontwerp gericht zijn en daarmee

gebouwgebonden. Wanneer het gaat om visueel

comfort in woningen is de invloed van de gebruiker een

belangrijke component. Dit betreft onder andere de aanwezigheid

en het gebruik van kunstlicht. Daarnaast is

het gebruik van zon- en helde rheids wering, voor zover niet

geautomatiseerd, ook afhankelijk van het gebruikersgedrag.

ingeschatte activiteiten in de verschillende ruimtes.

De tabel hierna bevat de (veronderstelde) belangrijkste

activiteiten. De opsomming is niet uitputtend en er

is geen prioriteit aangegeven omdat in principe alle

activiteiten uitgevoerd zouden moeten kunnen worden.

In vet zijn activiteiten aangegeven waar licht direct een

effect op kan hebben en in italic is een indirect effect

van licht verondersteld.

245


Activiteiten als functie van het type ruimte

Ruimte

Woonkamer

Werkkamer

Keuken

Slaapkamer

Badkamer

Activiteit

Maar muziek luisteren, naar televisie/beeldscherm kijken,

lezen, conversatie, eten

Lezen, beeldschermwerk, telefoneren

Koken, lezen, eten

Slapen, lezen, beeldschermwerk

Verzorging, bad/douche

Bron: Binnenklimaattechniek - PvE Gezonde Woningen

Voor de activiteiten is onder andere een voldoende

verlichtingsniveau van belang en daarnaast kunnen eisen

worden gesteld aan de kwaliteit van de verlichting. Voor

het verlichtingsniveau kan een combinatie van dag- en

kunstlicht worden verondersteld. Echter, het kunstlichtdeel

is zeer afhankelijk van de gebruiker, die kunstlicht

waarschijnlijk ook zal inzetten voor sfeeraspecten. Hierdoor

is het niet mogelijk om directe eisen te stellen aan de

kunstverlichting, hoewel adviezen wellicht mogelijk zijn.

In praktische zin zou het mogelijk maken van voldoende

plekken in een ruimte om kunstverlichting te realiseren

een positieve bijdrage kunnen leveren aan het realiseren

van een voldoende verlichtingsniveau. Praktische adviezen

in plaats van directe eisen is ook van toepassing op

specifiek aan kunstlicht gerelateerde indicatoren zoals

verblinding door armaturen (RUG), de kleurweergaveindex

(Ra), de flikkerfrequentie en het flikkerpercentage.

Eenzelfde discussie, voor wat betreft kunstlicht, is ook

mogelijk daar waar het gaat om luminantieverhoudingen.

Luminantieverhoudingen zijn echter ook van belang bij

gebruik van daglicht.

In het PvE Gezonde Woningen wordt voor de ruimtes

aangegeven of er een verschil in eisen aan de

betreffende indicator verondersteld mag worden (1:

hoogste eis, 2: minder hoog, etc.).

Indicatoren voor daglicht

Indicator Eenheid Ruimte Omschrijving

Daglichtfactor [%] 1) Woonkamer, werkkamer, keuken, slaapkamer

2) Badkamer, verkeersruimte

Een minimale hoeveelheid aan daglicht dient in de ruimte te kunnen

intreden. Niet enkel vanuit het oogpunt van verlichtingsniveau,

maar ook vanuit bijvoorbeeld het oogpunt van het ervaren van

weersveranderingen (dynamiek), kleurbeleving en de biologische

klok.

Lichttoetreding [-] LTA 1) Woonkamer, werkkamer, keuken, slaapkamer, badkamer Deze indicator relateert aan de daglichtfactor. Het gaat erom dat de

omgeving op een natuurlijke wijze beleefd kan worden.

Bezonning [-] 1) Woonkamer, werkkamer, slaapkamer

2) Keuken, badkamer

Uitzicht [-] 1) Woonkamer, werkkamer, slaapkamer

2) Keuken, badkamer

Het toelaten van zon in de woning heeft niet alleen een visuele

(en veronderstelde psychologische) component, maar ook een

thermische component (denk bijvoorbeeld aan oververhitting).

Daarbij is er ook een duidelijk verschil in het seizoen waarover over

bezonning wordt gesproken. Hier moet een balans in gevonden

worden.

De mogelijkheid tot uitzicht draagt bij aan de ervaring van het

daglicht en maakt een connectie met de omgeving mogelijk. Het type

omgeving dat wordt gewaardeerd zal per persoon verschillen. In het

PvE worden daar geen eisen aan gesteld, maar wel aan het zichtbaar

zijn van bijvoorbeeld het aardoppervlak en de hemel.

Wering van en verblinding

door dag- en zonlicht

[-] 1) Woonkamer, werkkamer, keuken, slaapkamer

2) Badkamer

Deze indicator is afhankelijk van de indeling van de ruimte (i.e. de

positie van de gebruiker van de ruimte). Ook hier zit een behoorlijke

gebruikerscomponent. De aanwezigheid van helderheidswering en de

kwaliteit bepalen de mogelijkheden. Vertrekpunt is echter de gradiënt

in de daglichtfactor die bij een situatie aanwezig is.

Bron: Binnenklimaattechniek - PvE Gezonde Woningen

246


Hieronder een toelichting op de verschillende

indicatoren voor daglicht:

Daglichtfactor

Daglicht wordt als een belangrijke indicator gezien voor

gezondheid in de context van een woning. De eisen

die voor een woning aan de daglichtfactor (D) moeten

worden gesteld worden daarom strenger ingeschaald

dan die voor bijvoorbeeld een kantoor- of schoolsituatie.

Te hoge waardes voor de daglichtfactor zullen sneller

leiden tot verblinding en er mogelijk in resulteren

dat helderheidswering vaker gebruikt moet worden

om deze te voorkomen, los van het feit dat in de

zomer bezonning minder wenselijk is. In het

Bouwbesluit/Omgevingswet wordt gesproken van

een equivalent daglichtoppervlakte uitgedrukt in %

van het vloeroppervlak (met een minimum in m2;

voor woonfunctie 10%/0.5 m2).

Naast de daglichtfactor wordt ook de indicator

daglicht- autonomie (daylight autonomy) gebruikt.

Hierbij wordt het percentage van de tijd aangeduid

waarbij een bepaald minimum horizontaal

verlichtingsniveau gerealiseerd kan worden met

daglicht. Bijvoorbeeld 300 lux in 50% van de tijd. In

principe hoort daar ook een oppervlak van de ruimte

bij waarover dit gerealiseerd kan worden.

schuine daglichtopeningen, een waarde van 14.400 lux

gegeven. Afhankelijk van de gestelde eis aan de interne

horizontale verlichtingssterkte levert dat een minimale

daglichtfactor op. Bijvoorbeeld bij minimaal 300 lux is

dit 2,1%, bij 500 lux is dit 3,5%.

De keuze voor de daglichtfactor krijgt hiermee een

betere onderbouwing en vormt een basis waarmee

in een woning een minimumverlichtingssterkte

gedurende 50% van de tijd (gemiddeld over een jaar)

gewaarborgd kan worden. Voor de verschillende klassen

wordt teruggevallen op de aanbevelingen uit NEN-

EN 17037-2018, waarbij een verschil in horizontale

verlichtingssterkte wordt gesteld. De 500 lux-eis voor

klasse B geeft ook direct een invulling aan het niveau

voor de werkplekverplichting.

Ten aanzien van verblinding spelen in dat geval echter

nog wel aanvullende aandachtspunten die door de

gebruiker zullen moeten worden gecontroleerd. De hoge

eis van 750 lux voor klasse A probeert ook invulling

te geven aan de mogelijkheid voor mensen die niet

naar buiten kunnen om hun mentale (biologische)

gezondheid op peil te houden door ze ook in hun

woonomgeving verticaal op oogniveau aan voldoende

licht te kunnen blootstellen. De eisen gelden voor een

referentievlak op een hoogte van 0,85 m.

In NEN-EN 17037-2018 wordt echter de benodigde

daglichtfactor ook gerelateerd aan het beschikbare

daglicht op de geografische locatie. Voor Amsterdam

wordt voor de zogenaamde mediaan externe diffuse

verlichtingssterkte (Ev,d,med), voor verticale en

247


248


De daglichtfactor laat zich met beschikbare

softwaretools vooraf berekenen. Voor slaapkamers

geldt in principe de speciale toevoeging dat de kamer

ook goed donker gemaakt moet kunnen worden. Dat is

zeker van belang voor mensen die in een nachtdienst

werken en overdag slapen. Maar ook door lichtvervuiling

buiten kan het verlichtingsniveau in de slaapkamer

hoger worden dan gewenst voor een goede nachtrust.

Dit is echter een persoonlijke invulling van de gebruiker

en derhalve niet meegenomen in het PvE.

Lichttoetreding

De lichttoetreding kan worden geobjectiveerd via de

lichttransmissiefactor van het gebruikte glas

(LTA-waarde). Een hoge LTA-waarde betekent dat

een groter deel van het daglicht kan binnenvallen.

Een hoge LTA-waarde betekent vaak ook dat de

zontoetredingsfactor (ZTA-waarde) hoger zal zijn. Dit

is minder wenselijk, aangezien daardoor de warmte

van de zon makkelijker in de woning kan komen, een

belangrijke overweging in verband met oververhitting.

Er moet dus een balans gevonden worden tussen beide

indicatoren volgens de huidige gangbare oplossingen.

Voor enkel glas geldt een LTA-waarde van 0,9; voor

dubbel glas een waarde van 0,8; voor drievoudig blank

glas of dubbel blank glas met warmtewerende coating

een waarde van 0,7 - 0,8. Zonwerend glas heeft een

LTA-waarde gelijk aan 0,1 (Lichtdoorlatendheid per

glastype verschillende lichttransmissies).

in eerste instantie de keuze gemaakt om niet hoger

te gaan dan een LTA > 0,6 voor klasse A. De lagere

waardes voor klasse B (LTA > 0,55) en C (LTA > 0,5)

maken het keuzepallet om tot oplossingen te komen

die ook een lage ZTA kunnen realiseren groter.

Het is ook belangrijk dat transparante delen van

de woning ook voldoende uitzicht bieden. Een te

lage LTA reduceert de bijdrage van het daglicht. De

lichttoetreding zal ook deels tot uitdrukking komen

in de daglichtfactor. De ondergrens, klasse C, wordt

gelijkgesteld aan die van het PvE Gezonde Kantoren.

Uitzicht (zicht op de omgeving)

De omgeving is een belangrijke parameter in het

woongenot. Tegelijkertijd bestaat er in de praktijk een

grote variatie als het gaat om de vraag welke omgeving

door wie meer gewaardeerd wordt. De locatie van een

woning kan geen onderdeel zijn van een programma

van eisen. Echter, de mogelijkheid om zicht op de

omgeving te hebben kan wel worden meegenomen.

Hierbij moet gedacht worden aan de mogelijkheid

om bijvoorbeeld het straatleven te kunnen zien of

een weiland, maar ook de hemelkoepel. Wanneer

een bewoner de optie heeft om meerdere zaken te

zien vanuit de woning, draagt dat bij aan een beter

woongenot en is de kans groter dat een gemiddelde

bewoner het uitzicht waardeert.

Een LTA-eis van meer dan 0,7 maakt het moeilijk om

een voldoende lage ZTA te realiseren. Daarom wordt

249


In NEN-EN 17037-2018 wordt een onderscheid in drie

lagen van uitzicht gemaakt: hemelkoepel, landschap

(gebouwen, natuur, horizon) en bodem (activiteiten). In

deze norm worden vervolgens verschillende aspecten

benoemd die de kwaliteit van het uitzicht bepalen,

zoals de afmetingen van de daglichtopening(en), de

horizontale zichthoek, de afstand tot hoever men buiten

kan kijken en het aantal lagen dat men kan zien. In

het PvE is de toetsing van het uitzicht iets afwijkend

opgenomen ten opzichte van NEN-EN 17037-2018.

Ten aanzien van het zicht naar buiten wordt de

eis in woorden omschreven: vanuit de woonkamer

(slaapkamer, werkkamer) zijn vanuit een zittende positie

(hoogte 1,1 m) het landschap en de bodem direct rondom

de woning en/of de hemelkoepel zichtbaar. De afstand

in de ruimte tot de gevel is daarbij een bepalende factor

voor wat betreft hetgeen zichtbaar is.

De horizontale vrije zichthoek moet voor klasse C

(gesommeerd) ten minste 28 graden bedragen en voor

klasse A en B ten minste 45 graden. De afstand in de

ruimte tot de gevel is daarbij 2 meter voor klasse C en

B en 4 meter voor klasse A. Er moet daarnaast sprake

zijn van een natuurlijk zicht (i.e. niet via spiegels).

Aangenomen wordt dat de perceelgrens in alle gevallen

ten minste 10 meter van de gevel ligt en dat het

wenselijk is om op ten minste 10 meter afstand de

bodem te kunnen zien. Dit betekent dus dat in een strook

van 10 meter rond de woning/ appartement de grond niet

zichtbaar hoeft te zijn.

Merk op dat hier feitelijk geen objectieve gegevens voor

beschikbaar zijn en dit meer een expertoordeel is. Vanuit

het Bouwbesluit /Omgevingswet (artikel 2.18) wordt een

minimale eis gesteld voor de hoogte van de borstwering

onder ramen in verband met de veiligheid. Deze is 0,85

m voor ruimtes die niet op de begane grond liggen. Bij

een aanliggend balkon kan dus het uitgangspunt voor

de begane grond worden aangehouden. Uitgaande van

een zithoogte van 1,1 m betekent dit dat op maximaal 2

meter afstand van de gevel van de woning op 10 meter

afstand buiten de bodem te zien is.

In appartementen en bij woontorens zal het steeds

lastiger worden om het straatleven direct rondom de

woning te volgen. Het is ook niet mogelijk om te voldoen

aan de gestelde eis. Als aanvulling wordt derhalve

gesteld dat voor woningen/kamers die niet op de begane

grond gesitueerd zijn, en niet grenzen aan een balkon, de

eis wordt verondersteld te gelden alsof zij op de begane

grond staan. Voor de begane grond wordt de afstandseis

voor zicht op de bodem verkort naar 5 meter, hetgeen

resulteert in een lagere borstwering.

Bezonning

Bezonning hangt sterk af van het seizoen. In de winter

is die positief; in de zomer zou de zon geweerd moeten

worden om de kans op oververhitting te beperken. Er

wordt echter ook verondersteld dat het toelaten van zon

in een woning een psychologische component heeft.

Het feit dat een woning zodanig is ontworpen dat de

zon in de woning kan komen is dan ook een belangrijk

uitgangspunt. De mogelijkheid om de zon naar behoefte

(vanuit thermisch of visueel oogpunt) te weren wordt dan

als een belangrijke aanvullende parameter gezien. Voor

de bezonning van een woning zijn geen eisen opgenomen

in het Bouwbesluit/Omgevingswet.

250


Het is dus theoretisch mogelijk om een woning/

appartement te ontwerpen met alleen uitzicht

op het noorden. Zelfs voor klasse C lijkt dit een

niet wenselijke situatie. Er bestaat een richtlijn

die door TNO is opgesteld waarin een eis aan het

minimumaantal bezonningsuren wordt gegeven

gedurende een bepaalde periode van het jaar. In NEN-

EN 17037-2018 is een dergelijke eis ook opgenomen.

Voor het PvE wordt deze eis overgenomen. Hierbij wordt

voor een hogere klasse vereist dat het dagelijks aantal

uur bezonning groter is. De periode waarin dit moet

worden getoetst is tussen 1 februari en 21 maart. De

toetsing vindt dan plaats volgens NEN-EN 17037-2018.

Hiermee wordt ervoor gezorgd dat de oriëntatie van

de woning zodanig is dat vanuit de woning de zon het

grootste deel van het jaar zichtbaar is.

In NEN-EN 17037-2018 wordt gesteld dat dit moet

gelden voor ten minste één ruimte in de woning.

Echter, aangezien het gebruik van ruimtes in een

woning variabel is en bezonning in elke ruimte tot

op zekere hoogte wenselijk, is voor het PvE een

aanpassing gemaakt door te stellen dat de bezonning

de gesommeerde waarde is voor de woonkamer,

slaapkamer en werkkamer. Omdat het belang van

daglicht niet in iedere kamer even groot is wordt

een wegingsfactor voorgesteld (in eerste instantie

wordt hiervoor gebruikt: woonkamer 0,4; keuken 0,3;

werkkamer (slaapkamer) 0,3. Hierbij wordt, in geval van

meerdere slaap-/werkkamers, het gemiddelde aantal

bezonningsuren bepaald alvorens de weging toe te

passen. Dit betekent dat in principe nog steeds ruimtes

zonder directe bezonning aanwezig kunnen zijn, maar

dat dit dan gecompenseerd moet worden in een andere

ruimte. Deze aanvullende eis geldt voor klasse A.

Bezonning wordt natuurlijk niet alleen bepaald door

het ontwerp van de woning zelf. Ook de omgeving kan

hier een (negatief) effect op hebben. De beoordeling

hiervan zal in principe alleen kunnen plaatsvinden op het

moment van het ontwerp. Toekomstige ontwikkelingen

kunnen in principe niet worden voorzien. Echter, door in

het ontwerp marges op te nemen ten aanzien van het

aantal bezonningsuren kan wel geanticipeerd worden

op dergelijke situaties. De woning wordt in dat geval

robuuster voor externe invloeden.

Wering van en verblinding door dag- en zonlicht

Het toestaan van daglicht en direct zonlicht in een

woning draagt bij aan een betere woning, echter

daarmee neemt de kans op verblinding door te veel

dag- en zonlicht toe. Bovendien neemt de kans op

oververhitting door de zon ook toe. Er moet dus een

balans gevonden worden. Die balans wordt deels vanuit

perceptie ingegeven en is dus bewonersafhankelijk, met

name wat betreft het visuele comfort. Ten aanzien van

oververhitting zouden objectieve criteria gebruikt kunnen

worden om zonlicht buiten te houden.

In woningen vormt de helderheids-/zonwering een

component die in een belangrijke mate de invloed van

de gebruiker veronderstelt. Vaste oplossingen zoals een

overstek of een balkon worden hierbij niet uitgesloten.

Vanzelfsprekend heeft de gebruiker in dat geval geen

mogelijkheid om iets te regelen. Een vaste oplossing

heeft een continu effect op de daglichtfactor. Daarnaast

beperkt het ook het uitzicht naar de hemelkoepel.

251


Daar waar de invloed van de gebruiker verondersteld

wordt kan in principe alleen een eis gesteld worden dat

de voorzieningen aanwezig zijn (gebouwgebonden), het

gebruik ervan kan niet worden afgedwongen. In dat geval

zou dan ook een onderscheid gemaakt moeten worden

ten aanzien van voorzieningen in de woning en buiten

(aan de gevel). Ondanks deze overweging gaan we uit

van voorzieningen die zowel binnen of buiten aan de

gevel kunnen zijn geplaatst, in de veronderstelling dat dit

een intrinsiek onderdeel van de woning vormt.

De kleur van zonwering kan in overleg met de gebruiker

worden afgestemd, echter niet het wel of niet plaatsen

ervan. Overigens heeft de kleur van het weefsel ook weer

een invloed op de effectiviteit ervan. Er zou ook nog

een onderscheid gemaakt kunnen worden in zon- en

helderheidswering. Ook zijn er oplossingen toepasbaar

die beide doelen dienen.

In de klassen is onderscheid gemaakt. Voor klasse A

bijvoorbeeld is er (externe) zon- en helderheidswering

voorgeschreven, terwijl het voor klasse C alleen gaat om

zonwering. Daarnaast kan een onderscheid gemaakt

worden in het gemak waarmee de voorzieningen

bediend kunnen worden. Hier zou dan ook weer een

onderscheid in klassen gemaakt kunnen worden. In

het type helderheids-/zonwering zou ook nog een

onderscheid gemaakt kunnen worden voor wat betreft

de mate waarin verblinding mogelijk is. Dit gaat dan in

op de luminantieverhoudingen. Voor een onderverdeling

in klassen voor deze verhoudingen kan teruggevallen

worden op de eisen hiervoor zoals gesteld in het PvE

Gezonde Kantoren 2021.

Evenals in de PvE Gezonde Kantoren 2021 is het in alle

gevallen (klassen) wenselijk dat enig uitzicht mogelijk

blijft, ofwel doordat de helderheids-/zonwering in enige

mate transparant is, ofwel doordat door de gekozen

oplossing het uitzicht niet wezenlijk wordt belemmerd

(hoogstens dat naar de hemelkoepel).

Het gebruik van luminantieverhoudingen in de context

van de woning wordt echter te complex ingeschat,

naast het feit dat ook hier de invloed van de gebruiker

moeilijk uitgesloten kan worden. Een objectieve maat

voor de kans op verblinding ten gevolge van daglicht kan

worden bepaald met de DGP (Daylight Glare Probability

Index). In de context van de woning en het gerelateerde

PvE lijkt echter ook deze indicator te complex en niet

realistisch gezien het feit dat verondersteld mag worden

dat het gebruikersgedrag, denk ook aan de inrichting, in

een woning te zeer zal variëren. Derhalve is er dus voor

gekozen deze indicator niet te gebruiken.

Om toch een indicatie van de kans op verblinding

mee te nemen in het PvE wordt teruggevallen op de

daglichtfactor en meer specifiek de verdeling daarvan

in de ruimte. Indirect mag verondersteld worden dat een

grote gradiënt in de ruimte ook de kans op verblinding

vergroot. Door een beperking aan de gradiënt te stellen

moet er in het ontwerp voor gezorgd worden dat het

daglicht voor zover mogelijk gelijkmatig in de ruimte

gebracht wordt. Een onderscheid in klassen is dan

eenvoudig mogelijk door de gradiënt te beperken bij de

klassen B en A.

252


Samenvattend betekent dit dat voor wering van

en verblinding door daglicht/zonlicht een aantal

indicatoren worden geïntroduceerd. Aanwezigheid

van zon-/helderheidswering, met een onderscheid in

de Klassen. Voor Klasse A dienen beide typen wering

aanwezig te zijn. Ten aanzien van de bediening geldt

dat hoe laagdrempeliger de bediening (binnen,

elektrisch) hoe beter.

Aan de verhouding tussen de maximumdaglichtfactor

(op 0,5 m uit de gevel) en de minimumdaglichtfactor

voor klasse C wordt een eis gesteld van 0,1; voor klasse

B een van 0,2 en voor klasse A een van 0,25. Voor alle

indicatoren geldt dat er in principe geen onderscheid

is voor de verschillende type kamers, met uitzondering

van de badkamer en de verkeersruimte waaraan geen

eis voor daglicht wordt verondersteld.

253


MARKTONDERZOEK

In 2024 werd door bba binnenmilieu in opdracht

van het ministerie van Binnenlandse Zaken en

Koninkrijksrelaties een belangrijk onderzoek uitgevoerd.

Het doel van het onderzoek was om inzicht krijgen in

comfort, gezondheidsaspecten en gedrag gerelateerd

aan hitte in Nederlandse koopwoningen. Hiervoor is van

27 mei tot 6 juni 2024 een digitale vragenlijst uitgezet

onder een representatieve groep Nederlanders. In totaal

hebben 1006 respondenten de vragenlijst ingevuld.

Thermisch comfort

Tijdens de zomer is 70% van de respondenten tevreden over

de binnentemperatuur, maar tijdens een hittegolf daalt dit

naar 40%. De ontevredenheid stijgt in dat geval naar 36%.

In geval van een hittegolf is de tevredenheid

significant hoger bij huishoudens met koelsystemen

(46%) dan bij huishoudens zonder (37%). Tijdens

gewone zomerse om standigheden zijn deze

verschillen echter niet aanwezig.

Aanpak

Voor de uitvoering van dit onderzoek is gebruikgemaakt

van een online vragenlijst. De geselecteerde respondenten

zijn via e-mail benaderd om mee te doen aan het

onderzoek. De doelgroep van het onderzoek bestond uit

woningeigenaren in Nederland van 18 jaar of ouder die

(mede)beslisser zijn over het doen van aanpassingen aan

de woning of bij aanschaf van voorzieningen en minimaal

een zomer hebben meegemaakt in de woning.

Alle woningeigenaren uit het ISO-gecertificeerde

Flycatcher-panel zijn geselecteerd voor het

onderzoek. Het Flycatcher-panel bestaat uit ongeveer

10.000 mensen van 18 jaar en ouder die zich via

"doubleactive-opt-in" vrijwillig en actief bereid hebben

verklaard om deel te nemen aan online onderzoeken.

Flycatcher is ISO 27000-gecertifieerd ten behoeve

van informatiebeveiliging.

Resultaten

Hieronder is een samenvatting opgenomen van de

belangrijkste resultaten van het onderzoek voor alle

hoofdpunten uit het onderzoek.

Navraag naar acceptabele temperaturen binnenshuis

geeft de volgende uitkomsten: voor de woonkamer 23,5

°C; voor de slaapkamer 20,7 °C; voor de werkkamer 22,1

°C. Temperaturen boven de 25 °C worden door bijna de

helft van de respondenten als te warm beoordeeld.

Gezondheidsklachten

Veelvoorkomende klachten als gevolg van te hoge

binnentemperaturen zijn vermoeidheid (42%), slaapproblemen

(38%), opgezwollen lichaamsdelen zoals enkels

en handen (24%) en verminderde concentratie (23%).

De klachten worden het meest ervaren in de slaapkamer

(61%) en woonkamer (25%). Activiteiten waarbij

warmte als hinderlijk wordt ervaren zijn slapen (73%),

huishoudelijke activiteiten (51%), en werken (24%).

Voorzieningen

Tijdens het onderzoek werd ook nagevraagd

welke voorzieningen in huizen aanwezig waren.

Veelvoorkomende voorzieningen waren:

- Zonwering: 76%, waarvan 65% buitenzonwering.

- Ventilator: 71%, voornamelijk verplaatsbare types.

254


- Koelsystemen: 32%, waarbij 72% vaste airco’s en

32% mobiele airco’s.

Deze uitkomsten werden vergeleken met de uitkomsten

van een ouder onderzoek dat werd uitgevoerd door TNO

in 2021. De belangrijkste conclusies naar aanleiding

van de vergelijking:

- Het aandeel koelsystemen steeg van 18% in 2021

naar 32% in 2024.

- Er is sprake van een stijging in vaste airco’s

(van 46% naar 72%).

Gebruik

Voor het gebruik van koelsystemen en het ventilatiegedrag

gaf het onderzoek de volgende uitkomsten:

- Koelsystemen

• Koelsystemen worden gebruikt bij

binnentemperaturen van gemiddeld 24 °C.

• Met als setpoint gemiddeld 20,7 °C, met een

relatief grote spreiding tussen de 16 °C en 25 °C.

- Ventilatiegedrag

• 84% van de ondervraagden opent 's nachts

ramen, terwijl slechts 25% dit overdag doet.

• Ramen worden minder vaak geopend door

huishoudens met koelsystemen.

Aanschaf

De belangrijkste overwegingen voor de aanschaf

van apparatuur en installaties die helpen de woning

te koelen waren dat de woning vaak te warm wordt,

het aantal warme dagen toeneemt en de verwachte

effectiviteit van de te nemen maatregelen.

Als belangrijkste barrière bij de aanschaf geldt de

aanschafprijs, waarbij als gemiddeld acceptabel bedrag

voor zonwering werd aangegeven een indicatie van

€ 1355 (spreiding € 200 - € 5000) en voor koelsystemen

€ 1251 (spreiding € 100 - € 5000). Andere factoren die

als belangrijk worden gezien bij de aanschaf zijn de

energiekosten (voor koelsystemen) en het feit dat het

niet eenvoudig is om de juiste keuze te maken.

Er werden ook vragen gesteld om een indruk te krijgen

van de prijselasticiteit met als uitkomst dat in geval

van 25% lagere prijzen 41% van de respondenten die

zonwering te duur vinden tot aanschaf zou overgaan

en 26% van de respondenten die koelsystemen te

duur vinden tot aanschaf zou overgaan. In geval van

een gratis optie zou 49% kiezen voor een vaste airco,

gevolgd door buitenzonwering (20%).

Bewoners geven gemiddeld evenveel uit aan

koelsystemen als aan zonwering. Koelsystemen worden

ook gewaardeerd omdat ze als verwarming gebruikt

kunnen worden (voor 42% van de respondenten een

belangrijke overweging).

Belangrijkste conclusies

- Comfort en gezondheid verbeteren significant

door de aanwezigheid van koelsystemen, vooral

tijdens hittegolven.

- De aanschafkosten vormen de grootste barrière,

maar subsidies kunnen interesse vergroten.

- Er is behoefte aan betere informatievoorziening

om bewoners te helpen bij het maken van keuzes.

255


MODEL

In samenwerking met bba Binnenmilieu en DGMR heeft

Somfy Nederland een model ontwikkeld dat gericht is

op het inzichtelijk maken van de functionele waarde

van het toepassen van dynamische zonwering voor

woningen. Het model beoogt inzicht te geven in de

invloed van dynamische zonwering op het binnenmilieu

in woningen (kwalitatieve deel) en op aspecten die

samenhangen met energieverbruik en duurzaamheid.

Voor dat deel van het model is gekozen voor een meer

kwantitatieve insteek.

Beide invalshoeken worden ontsloten in een digitale

tool met de naam PRISM voor woningen. De tool heeft

twee varianten.

De eerste variant is een interactieve versie die vrij

beschikbaar is voor consumenten en beoogt een eerste

indruk te geven van het nut van het toepassen van

dynamische zonwering in woningen. Onder woningen

wordt zowel horizontale als verticale woningbouw

begrepen. De tweede variant is veel meer gericht op

het kwantitatieve deel. Deze variant is ook digitaal

beschikbaar, maar alleen voor specialisten aan wie

daarvoor specifiek toegang wordt verleend nadat zij een

training hebben gevolgd die hen helpt om het model

op de juiste manier toe te passen en de uitkomsten

daarvan te interpreteren en om te zetten in een advies.

Onderscheidend in het model is de benadering van

de problematiek. In feite zijn er drie mogelijkheden

om de resultaten van het toepassen van dynamische

zonwering concreter te maken. De eerste mogelijkheid

is gebruik te maken van een algemeen model dat op

basis van het toepassen van algemeen aanvaarde

principes iets zegt over de uitkomsten, in dit geval

het nut van toepassen van dynamische zonwering in

woningen. Daar is overigens helemaal niets mis mee

en de grondbeginselen vormen de basis voor de

andere twee mogelijkheden.

Het andere uiterste van het spectrum is de effecten voor

een specifieke woning in kaart te brengen en vervolgens

een specifieke woning te modelleren in alle aspecten.

Dat kan, maar het is een tijdrovende en kostbare

aangelegenheid en dus in de praktijk niet haalbaar.

Voor de methodiek is er hier voor gekozen om een

middenweg te bewandelen. Om dat te kunnen doen is in

samenwerking met DGMR een model tot stand gekomen

dat voor een aantal gestandaardiseerde varianten in

de woningbouw op voorhand kijkt welke indicatoren

(variabelen) een significante uitwerking hebben op de

uitkomsten die te maken hebben met het nut van het

toepassen van dynamische zonwering in woningen.

Daarvoor zijn voor alle gemodelleerde varianten van

woningen de indicatoren doorgerekend in al hun

individuele en samenhangende belangen. Op basis van de

uitkomsten van deze berekeningen is het mogelijk voor

de gemodelleerde woningen en de gevonden varianten

die uiteindelijk significante invloed hebben op de

uitkomsten een voorspelling te doen over de invloed van

het toepassen van dynamische zonwering in woningen.

Omdat er tienduizenden varianten moesten worden

doorgerekend is ervoor gekozen de modellering

van het kwantitatieve deel in twee fases te

doen en de berekeningen te laten uitvoeren op

256


grote mainframecomputers omdat processoren

in computers die gebruikt worden in een

kantooromgeving gewoonweg onvoldoende capaciteit

hebben om de berekeningen binnen een redelijk

tijdsbestek te kunnen doen.

Doel van PRISM voor woningen

Het primaire doel van PRISM is het inzichtelijk maken

van de meerwaarde van het toepassen van (buiten)

zonwering in woningen. Hierbij dient ingespeeld te

worden op drempels en belemmeringen die ervaren

worden bij de toepassing van buitenzonwering

(vergroten van de markt).

De primaire doelgroep zijn bewoners van woningen.

Daarnaast is het natuurlijk belangrijk dat we de

functionele eigenschappen, anders gezegd het nut

van dynamische zonwering, in algemene zin onder de

aandacht brengen van alle stakeholders die relevant

zijn voor het bouwen van woningen. Deze doelgroep

omvat de nationale overheid, lokale overheden,

ontwikkelaars, aannemers, installatiebedrijven

en architecten. Als we vervolgens een scheiding

aanbrengen tussen gebruikers en eigenaren kunnen

we ook particuliere en professionele verhuurders en

woningcorporaties rekenen tot de doelgroep.

Uiteindelijk gaat het erom het nut van dynamische

zonwering te bepalen en daarover met de markt te

communiceren. Normaal gezien zou dat uiteindelijk

moeten kunnen bijdragen aan een grotere bekendheid

van de oplossing en een vergroting van de markt.

Meer gebouwen zouden moeten worden voorzien van

dynamische zonwering.

We richten ons in dit hoofdstuk meer op de kwalitatieve

elementen van de PRISM-tool. Het volgende hoofdstuk

is gericht op de kwantitatieve uitkomsten.

PRISM-variant voor consumenten

Belangrijk is met de variant PRISM die vrij toegankelijk

is, gebruikers in algemene zin bekend te maken

met dynamische zonwering en hen in grote lijnen te

laten ontdekken wat het toepassen van dynamische

zonwering beoogt.

Het gaat om bewustmaken, overtuigen en interesse

wekken. De redenering is als volgt: het is van belang

bewoners die ervan overtuigd raken dat zonwering een

bijdrage kan leveren om bijvoorbeeld oververhitting

te voorkomen direct globaal inzicht te geven in de

verschillende mogelijkheden (systemen; binnen

en buiten met hun voor- en nadelen) die daarvoor

bestaan. Met deze informatie worden consumenten

verondersteld in de markt op zoek te gaan naar

specialisten die hen kunnen helpen aan een oplossing.

Een extra dimensie die we daarbij gepoogd hebben

aan te brengen is de verandering van omstandigheden.

We richten ons daarbij op redelijk voor de hand liggende

actuele variabelen:

- Referentiejaar voor het klimaat en de

klimaatverandering

- Kosten van energie (in verband met koeling in

de zomer en verwarming in de winter).

257


Input parameters voor de consumentenversie

De belangrijkste inputvariabelen zijn te vinden

in de onderstaande tabel.

Aspect

Gebouwkenmerken

Type woning

Ruimte

Verdieping/ligging

Oriëntatie van de gevels

Glasoppervlak

Bouwmassa

Koeling aanwezig

Gebruik te openen ramen in de nacht

Isolatie/bouwjaar

Interventie

Varianten

Appartement/grondgebonden woning

Woonkamer/slaapkamer

Begane grond/bovenste verdieping

N/O/Z/W

Veel/gemiddeld/weinig

Zwaar/licht

Ja/Nee

Dicht/kiepstand/volledig open

Uitkomsten PRISM-consumentenversie

We hebben met de consumentenversie voor ogen

om consumenten in grote lijnen het volgende uit te

leggen:

- Het verschil tussen dynamische zonwering voor

binnen en buiten.

- Binnen deze hoofdindeling is er binnen ieder

van de twee categorieën een indeling te

maken naar type producten, met elk hun

specifieke eigenschappen.

- Het verschil tussen warmtetoetreding

en lichtschitteringen alsmede het

voorkomen daarvan.

- Functionele aspecten ten aanzien van

dynamische zonwering binnen: functie in

de winter en functie in de zomer.

Zoninstraling

Gebruik

Buitenzonwering, gemetaliseerde

binnenzonwering, lichtwering, folie/

zonwerend glas

Handmatig/automatisch

258


259


260


11

PARAMETRISCH MODEL VOOR TOEPASSEN DSS IN WONINGEN

261


OPKOMST PARAMETRISME

Parametrisme is een architecturale en ontwerp beweging die opkwam vanaf het einde van de 20ste eeuw

en zich richt op de toepassing van computer- en parametrische technieken in architectuur en design.

Het begin van de opkomst van de digitale tools gaat

terug naar de jaren 1980. De opkomst van computeraided

design (CAD) in die tijd legde de basis voor

para metrisch ontwerpen. CAD-tools maakten het

mogelijk om complexere geometrieën te ontwerpen

dan met traditionele methoden. Architecten zoals

Greg Lynn begonnen te experimenteren met digitale

technologieën om vloeiende vormen en organische

structuren te creëren.

In de jaren 1990 volgde de doorbraak in parametrisch

denken. Het gebruik van algoritmes in architectuur

leidde tot een nieuwe benadering waarbij ontwerpen

werden gebaseerd op variabelen en parameters

in plaats van op statische vormen. Software zoals

Autodesk Maya, Rhinoceros 3D, en later plug-ins zoals

Grasshopper, maakten het mogelijk om complexe

geometrieën en flexibele ontwerpen te genereren door

parameters aan te passen.

Kenmerken zoals vloeiende overgangen, complexiteit en

adaptieve vormen werden daarna snel onderscheidend

voor parametrisch ontwerpen.

Kenmerken van parametrisme zijn:

- Geometrische complexiteit: gebruik van

vloeiende, organische vormen geïnspireerd

door natuurlijke structuren.

- Adaptief ontwerp: ontwerpen die niet statisch

zijn maar zich aanpassen aan verschillende

parameters zoals lichtinval, luchtstromen,

en stedelijke context.

- Integratie van systemen: parametrische ontwerpen

streven naar een holistische integratie van

esthetische, structurele en functionele aspecten.

- Digitalisering: parametrisme is sterk afhankelijk

van digitale tools en algoritmisch denken.

- Continuïteit: structuren en ruimtes worden

ontworpen met continue oppervlakken en vormen.

Zaha Hadid Architects en andere pioniers begonnen deze

technologieën te omarmen om iconische ontwerpen

te maken met vloeiende, niet-lineaire vormen. In de

jaren 2000 brak het parametrisme echt door. Patrik

Schumacher, een architect en partner bij Zaha Hadid

Architects, introduceerde in 2008 de term "parametrisme"

als een nieuwe stijl in de architectuur. Hij positioneerde

het als de opvolger van modernisme en postmodernisme.

Schumacher benadrukte dat parametrisme gebaseerd is

op het gebruik van computertechnieken om ontwerpen

aan te passen aan specifieke contexten en variabelen.

Architecten die een grote invloed hadden op de opkomst

van het parametrisme waren onder andere Zaha Hadid

(Heydar Aliyev Center in Azerbeidzjan en het MAXXI Museum

in Rome), Greg Lynn met innovatief gebruik van animatiesoftware

om architectonische structuren te ontwerpen,

Frank Gehry, hoewel zijn meest bekende werken zoals

het Guggenheim Museum in Bilbao misschien niet

strikt parametrisch waren, maar dan toch in ieder

geval mogelijk gemaakt door computertechnieken, en

BIG (Bjarke Ingels Group), die parametrisch ontwerpen

combineert met pragmatische duurzaamheid.

262


Kijkend naar de toekomst blijft nieuwe software

zoals Blender en Grasshopper de grenzen van

het parametrisme verleggen. Daarnaast wordt AI

geïntegreerd om ontwerpen verder te optimaliseren.

Parametrisme wordt steeds meer ingezet om

energie-efficiënte en milieuvriendelijke ontwerpen te

creëren, zoals gevels die reageren op zonlicht. Dankzij

parametrische technieken kunnen gepersonaliseerde

ontwerpen op grotere schaal worden geproduceerd.

263


PARAMETRISME

Parametrisme is een stijl die rond het eind van de 20ste eeuw, begin 21ste eeuw binnen de architectuur

en productontwerp opkwam. De architecte Zaha Hadid wordt wel gezien als de grondlegger ervan.

Bij het ontwerpproces wordt veel gebruikgemaakt van parametervergelijkingen en het leunt sterk op

het gebruik van software, algoritmes en computers. Vanaf circa 2020 worden zo niet alleen delen

van de buitenschil van gebouwen ontworpen, maar ook plattegronden en zichtlijnen.

Kenmerkend aan gebouwen met een parametrische

vormgeving zijn patronen die vaak driedimensionaal zijn

uitgevoerd. De patronen bij het parametrisme hangen

niet geheel los of vast in een raster, maar hebben wel

een zekere samenhang die door berekeningen (de

parametervergelijkingen) worden samengesteld. Deze

patronen veranderen veelal over een bepaalde afstand.

Bij parametrische ontwerpen van gebouwen wordt er

vaak voor gekozen functies niet in de vormgeving terug te

laten komen, zoals bij het rationalisme en het futurisme

gebruikelijk was. Ontwerpen hebben vaak een duidelijke

hoofdvorm waarin de functionele ruimtes veelal in elkaar

overlopen zonder dat ze goed te scheiden zijn.

Zaha Hadid

Zaha werd geboren op 31 oktober 1950 in Bagdad, Irak,

studeerde eerst wiskunde aan de Amerikaanse universiteit

in Beiroet, Libanon, en studeerde daarna architectuur

bij de Architectural Association in Londen, waar zij ook

voor het eerst architect Rem Koolhaas heeft ontmoet.

Na haar afstuderen in 1977 werkte ze bij het Office for

Metropolitan Architecture (OMA) van architect Rem

Koolhaas. In 1979 begon ze haar eigen bureau. Haar

ontwerpen van die tijd zijn in de deconstructivistische

stijl: hoekige meetkundige vlakken geïnspireerd door het

suprematisme van Malevitsj en El Lissitzky. Langzamerhand

werd haar werk minder bruut en confronterend.

Naderhand kregen de ontwerpen van haar hand een veel

meer sensueel lijnenspel; de gebouwen kregen ook ronde

welvingen. Ze behaalde vervolgens de beste score bij

verschillende internationale prijsvragen. Deze ontwerpen

bleven allemaal ongebouwd. Haar eerste belangrijke

uitgevoerde ontwerp in Europa was in 1993 de brandweerkazerne

op het fabrieksterrein van Vitra in Weil

am Rhein. Daarna volgde een lange rij van ontwerpen,

verwierf zij internationale bekendheid en kon zij over de

hele wereld indrukwekkende gebouwen realiseren.

1992: Vitra Fire Station (1989–1993) in

Weil am Rhein, Duitsland

1993: IBA Housing (1989–1993) in Berlijn, Duitsland

1999: Millennium Dome in Greenwich, UK

2002: Skischans in Innsbruck, Oostenrijk

2003: Contemporary Arts Center in Cincinnati, USA

2005: Centrale gebouw van de BMW-fabriek

in Leipzig, Duitsland

2008: Pabellón Puente (brug) voor de Wereldtentoonstelling,

Zaragoza, Spanje

2012: Aquatics Centre voor de Olympische

Zomerspelen 2012 te Londen, UK

Als industrieel vormgever ontwierp zij ook loungezetels,

ergonomische kookeilanden, bouwbeslag, een conceptauto

en damesschoenen. Voor de Amerikaanse kunsthandelaar

Kenny Schachter bedacht zij een acht meter

264


Zaha Hadids laatste project:

het One Thousand Museum in Miami, VS

265


lange aerodynamische speedboot met asymmetrische

vormen. Hadids bureau bedacht ook het decor voor een

tournee van de Pet Shop Boys.

Aan het einde van haar leven was haar eigen bureau

(Zaha Hadid Architects in Londen) uitgegroeid tot een

organisatie met bijna 400 werknemers en had zij meer

dan 950 projecten gerealiseerd in 44 landen.

De architecte overleed op 31 maart 2016 aan een

hartaanval. Ze verbleef op dat moment in een ziekenhuis

n Miami voor een behandeling in verband met bronchitis.

Parametrisch ontwerpen

Bij parametrisch ontwerpen wordt op basis van data en

relaties tussen onderdelen een ontwerp gegenereerd.

Essentieel daarbij is het leggen van relaties. Het is een

digitaal proces, waarbij in een model de gevolgen van

veranderingen of alternatieven worden doorgerekend.

Kennis is verwerkt in een datamodel dat werkt als een

dynamisch systeem.

Menselijke hersenen kunnen maar een paar variabelen

tegelijk aan. Met parametrisch ontwerpen is het

mogelijk geworden heel veel alternatieven tegen

elkaar af te wegen; eigenlijk realiseer je het ontwerp

door variaties door te rekenen met gespecialiseerde

software en daarmee de gevolgen duidelijk te krijgen.

Bovendien kun je (met artificial intelligence) het

systeem ook proactief vragen suggesties te doen.

Bij parametrisch ontwerpen (geïnformeerd ontwerpen

of associatief ontwerpen) kunnen dankzij de inzet van

algo ritmes ontwerpen worden gegenereerd in plaats

van dat deze zelf worden gemaakt; men noemt het

daarom ook wel generatief ontwerpen.

Naast het ontwerpen van complexe geometrie en

con structies biedt parametrisch ontwerpen ook

mogelijkheden om tot in een laat stadium van het

ontwerpproces wijzigingen in een responsief model

door te voeren. De aanpassingen en scenario’s kunnen

worden getest en gevolgen worden inzichtelijk gemaakt.

Omdat bij het ontwerpen ook parameters kunnen worden

toegevoegd (geometrische beperkingen, constructieve

eisen, materiaaleigenschappen) ontstaat ook een beter

inzicht in de gevolgen voor de realisatie of productie in

het geval van een industrieel productieproces.

Een parametrisch proces reduceert de foutkans en maakt het

mogelijk de verschillende ontwerpen inzichtelijk te maken,

onder meer door simulatie. Er bestaat een grotere ontwerpvrijheid,

zonder dat de efficiency direct in gevaar komt.

In het proces moeten er relaties (bewerkingslogica)

tussen de parameters bestaan. De ontwerper definieert

niet alleen de parameters maar ook de bewerkingslogica

(modelleren). De software werkt dus volgens de definities

van de ontwerper, waarbij de ontwerper steeds in staat

is het model bij te sturen. Vaak wordt zo’n model door

architecten in samenwerking met programmeurs

gemaakt. Modelleren is complex, maar niet ieder project

begint bij nul. De modellen kunnen namelijk prima

worden hergebruikt in andere projecten.

Parametrisch ontwerpen leidt dus wel tot een

verschuiving van werkzaamheden. Van herhaaldelijk

266


repetitief werk naar projectoverstijgend investeren in

goede modellen en tijdens de projecten is er dan meer

tijd voor integrale afstemming en het creëren van echte

meerwaarde (planverbetering, kostenverlaging etc.).

De rol van de architect bij parametrisch ontwerpen

Door de inzet van algoritmes – die door de architect in

samenwerking met programmeurs worden gemaakt –

kunnen er ontwerpen worden gegenereerd (generatief

ontwerpen). De rol van de architect verandert hierdoor;

uit al de mogelijke alternatieven dient immers een

optimale oplossing gekozen te worden. De architect is

zo beter in staat om zijn tijd efficiënt te besteden aan

andere aspecten van het gebouw.

Visueel programmeren

Tegenwoordig wordt steeds meer de visuele wijze

van parametrisch ontwerpen gebruikt, omdat deze

laagdrempeliger en toegankelijker is. Door visueel

programmeren ontstaat de mogelijkheid om een

logisch model op te zetten zonder tekstuele code.

In het geval van tekstueel programmeren wordt ook wel

gesproken over een "codebenadering", bij scripting van een

"low codebenadering" (scripting biedt een tekstuele programmeerwijze

om voorgeprogrammeerde bouwblokken

te combineren) en bij parametrisch modelleren van een "no

codebenadering", omdat er visueel geprogrammeerd wordt.

Parametrisch modelleren biedt belangrijke nieuwe

mogelijkheden om logica en redenaties vast te leggen

in de computer en geautomatiseerd "af te spelen". Bij

verandering van een parameter (input) wordt het logisch

model opnieuw berekend langs de gedefinieerde relaties.

Voorbeelden van veelgebruikte visuele softwarepakketten

zijn Grasshopper, Dynamo en Generative-

Components. Het is tegenwoordig ook mogelijk om

parametrische modellen in een online of gedeelde

omgeving te gebruiken, zodat alleen een webbrowser

nodig is om toegang te verkrijgen tot het model.

Spreadsheets zijn strikt genomen geen parametrische software,

maar gedragen zich hetzelfde. Er kunnen parameters

(getallen in een cel) worden gedefinieerd en relaties

worden gelegd (formules toevoegen). Bij veranderingen

in de invoer worden wijzigingen door de gedefinieerde

logica automatisch verwerkt in de spreadsheet.

Het gebruik van parametrische software is sterk in opkomst

in aanvulling op BIM, maar biedt ook steeds meer

koppelingen naar andere simulatie- en analyse software,

die vaak gebruikt kunnen worden als plug-in. Om

optimaal gebruik te maken van Grasshopper heb je plugins

nodig. Zo helpt de Kangaroo-plug-in de constructie

van je ontwerp te optimaliseren (form-finding) en helpt

de Ivy-plug-in bij het maken van tweedimensionale

oppervlakken van een driedimensionaal ontwerp,

hetgeen vaak nodig is om een ontwerp te produceren.

Parametrisch ontwerpen kan ook gemakkelijk worden

ingezet om stakeholders te overtuigen en daardoor

betere keuzes te maken. Je kunt ze live laten zien wat

de consequenties zijn van bepaalde keuzes. Als we

weten dat het meeste licht uit het zuiden en het oosten

komt, is dat een goede reden om bepaalde ruimtes

daarop te oriënteren. Grasshopper helpt om inzicht

krijgen in hoelang de zon gedurende de dag naar binnen

schijnt en hoeveel daglicht daadwerkelijk binnenkomt.

267


268


Uitgangspunten kiezen

Zo kunnen met parametrisch ontwerpen bijvoorbeeld de

gezond heid en het welzijn van de gebruikers van gebouwen

centraal gesteld worden. Het gaat dan niet primair om een

bijzonder ontwerp van een gebouw als doel, maar door een

parametrisch model als optimalisatieproces in te zetten kan een

gebouw ook meetbaar gezonder en duurzamer worden gemaakt.

Om een parametrisch model te creëren, worden data en

relaties tussen delen van een bouwwerk geanalyseerd op

basis van algoritmes. De algoritmes kunnen bijvoorbeeld

worden ingezet om een optimale hoeveelheid daglicht in

een pand te krijgen. Voor BREEAM en WELL zou je graag de

eisen voor lichtinval maximaliseren, terwijl je tegelijkertijd

ook de opwarming wilt minimaliseren, zodat je geen grote

klimaatinstallatie nodig hebt. Veel architecten neigen dan

naar een glazen gebouw, maar dat past helemaal niet meer

in deze tijd.

Link tussen welzijn, welbevinden en de gevel

De link tussen gezondheid, welzijn en welbevinden en de gevel

is via licht en ventilatie snel gelegd. Omdat de gevel onderdeel

uitmaakt van de gebouwschil, expliciet een belangrijke focus

van de architect, ligt hier een belangrijk kruispunt. Kijkend

naar de gebouwschil vormt de gevel immers ook meestal een

belangrijk onderdeel van de signatuur van het ontwerp.

Met parametrisch ontwerpen ontwikkel je meer continu,

in plaats van op basis van trial-and-error totdat er een

ontwerpoptimum is bereikt. Het optimum ligt normaal

gezien vooraf vast. Wijzigingen in een ontwerp zijn haast

onontkoombaar, maar veel efficiënter door te voeren op

basis van parametrisch ontwerpen.

269


Als een gevel geprogrammeerd is aan de hand van

diverse elementen en eisen in een dataset, kun

je die altijd opnieuw laten genereren op basis van

aanpassingen in het ontwerp. Dat levert ook nog eens

tijd- en geldwinst op. Parametrisch ontwerpen is in

het voortraject tijdsintensief, maar achteraf levert die

digitaliseringsslag alleen maar winst op.

Waarom associatief ontwerpen?

Parametrisch ontwerpen kan ook worden aangeduid als

"parametrisch en associatief ontwerpen". Associatief

betekent dat er relaties (bewerkingslogica) tussen de

parameters bestaan. Bij parametrisch ontwerpen moet

de ontwerper niet alleen de parameters maar ook de

bewerkingslogica expliciet definiëren (modelleren).

Dit betekent feitelijk dat parametrisch ontwerpen

precies gaat doen wat de ontwerper wil bereiken. De

software is geen "black box" die zijn interne werking

verbergt; de ontwerper definieert de regels, kent de

waardes toe, kan precies zien wat er gebeurt en initieert

de aanpassingen.

Het parametrisch model versterkt het creatieve proces

door te laten zien hoeveel er binnen de gestelde

randvoorwaarden mogelijk is. Vaak is dat veel meer dan

de ontwerper op voorhand zou bedenken. Gedurende

het proces is het mogelijk waardes toe te voegen en

aan te passen. Zo wordt het model steeds verfijnder,

totdat het gewenste resultaat is bereikt.

Belangrijkste motieven voor parametrisch ontwerpen:

Vormgeving

Bij complexe vormen, zoals dubbel gekromde vlakken

of andere sferische constructies, kan een parametrisch

model helpen om snel een 3D-model te genereren.

Productie

Bij een hoge mate van herhaling van dezelfde soort

berekeningen kunnen parametrische modellen

het productieproces versnellen, bijvoorbeeld door

het genereren van hoeveelheden, rapporten en

ontwerptekeningen.

Optimalisatie

Constructies waarvoor een volledig parametrisch model

is gemaakt, zijn vaak geschikt voor optimalisatie studies.

Evolutionaire algoritmes worden ingezet om efficiëntere

optimalisaties uit te voeren. Galapagos van Grasshopper

is een voorbeeld van een dergelijk algoritme.

Flexibiliteit

Flexibiliteit is waardevol tijdens het ontwerpproces.

Aan het begin van een ontwerpproces is nog veel

onduidelijk. Een parametrisch model stelt de ontwerper

in staat snel veranderingen door te voeren en de

gevolgen daarvan in kaart te brengen. Als er wijzigingen

optreden, hoeven dezelfde handelingen niet opnieuw te

worden uitgevoerd.

In de markt is er wellicht sprake van een zekere

terughoudendheid ten aanzien van het gebruik van een

nieuwe technologie. Daarnaast vraagt parametrisch

ontwerpen ook een andere werkwijze.

270


Parametrisch ontwerpen kan leiden tot een verschuiving

van werkzaamheden en herhaaldelijk repetitief werk

naar meer tijd voor integrale afstemming.

Mogelijk zou het ook kunnen leiden tot andere

business- en verdienmodellen. Betaalt de markt voor

het leveren van een ontwerp, voor elke variant, voor

het inzicht in ontwerpkeuzen of voor een advies?

Zeer waarschijnlijk zal er een verschuiving zijn naar

meer hoogwaardig advies waarbij de kwaliteit van de

oplossing, bijdrage of besparing aan het ontwerp telt

in plaats van een vergoeding voor het leveren van de

eerste oplossing.

De voorzichtige conclusies voor parametrisch ontwerpen:

- Het proces is accuraat, er wordt exact voldaan

aan vooraf gegeven regels.

- Meer constante kwaliteit en minder

menselijke fouten.

- Modellen kunnen worden hergebruikt

in andere projecten.

- Simulatie maakt het mogelijk verschillende

ontwerp oplossingen te verkennen en

inzichtelijk te maken.

- De relatieve prestatie ten opzichte van

alternatieven kan worden gekwantificeerd.

- Oplossingen kunnen worden geoptimaliseerd.

- Het geeft flexibiliteit voor het ontwerpproces,

er kan worden geanticipeerd op wijzigingen.

- Ontwerpvrijheid wordt behouden.

- Het proces wordt efficiënter: minder inzet en

verkorting van doorlooptijd.

271


MODEL VOOR HET TOEPASSEN VAN DSS IN WONINGEN

Dynamische zonwering heeft het potentieel om

oververhitting te voorkomen en zo het thermisch comfort

positief te beïnvloeden. Door de invloed van dynamische

zonweringsystemen op de kamertemperatuur en de

visuele omgeving heeft de toepassing ook invloed op het

energieverbruik en de daglichtkwaliteit van een woning.

Om het effect in woningen in Nederland in te schatten, is

een parametrisch model ontwikkeld waarmee de invloed

van zonlicht op het binnenklimaat in woningen inzichtelijk

gemaakt kan worden. Het model richt zich met name op

de effecten in woon-, slaap- en werkkamers.

De tool begint met het maken van een (parametrisch)

ruimtemodel op zes verschillende niveaus. Daaraan zijn

eigenschappen toegekend:

- Aangrenzende constructie per ondergrond

(grond, openlucht, adiabatisch).

- Constructie-eigenschappen (materiaallagen,

isolerende en reflecterende eigenschappen).

- Locatie en afmetingen van het raam, en de

eigenschappen van het glas.

Vervolgens worden aanvullende eigenschappen op de

ruimte toegepast, zoals:

- Bescherming tegen de zon, met bijbehorende

eigenschappen.

- Uitgangspunten voor ruimteverwarming/-koeling.

- Aannames in de ruimte: mensen, verlichting,

apparaten, ventilatie, infiltratie, enz.

- Schema's en gebruikstijden van de

bovenstaande aannames.

- Een installatieconcept met verwarmingsen

koelcapaciteiten.

De eigenschappen voor een energetische en een

daglichtberekening zijn gekoppeld aan het model.

Alle informatie wordt daarna gekoppeld aan

een rekenkern die een cyclus van 1 jaar van uur

tot uur simuleert. Dit is nodig omdat de weersomstandigheden

natuurlijk dynamisch zijn. Voor de

weersomstandigheden wordt gebruikgemaakt van

een klimaatmodel dat vrij verkrijgbaar is.

Voor de energiecomponent wordt dan in de

nabewerking op basis van de uurgemiddelde

waarden het volgende onderzocht:

- Vraag naar verwarming en koeling.

- Luchttemperaturen en aantal

overschrijdingsuren van 25 °C, 26 °C en 27 °C.

- Aantal overschrijdingsdagen van 25 °C, 26 °C

en 27 °C.

De gegevens worden nabewerkt om de koel- en

warmtevraag te berekenen.

De daglichtcomponent is berekend voor een variant

zonder toepassing van dynamische zonwering en

eenzelfde variant met toepassing van dynamische

zonwering. De tool is gebaseerd op toepassing van een

automatische regeling van de zonwering. De toevoeging

automatisch is van belang omdat menselijke interventies

doorgaans de efficiency van de oplossing verzwakken.

272


Als resultante geeft het model inzicht in de

volgende parameters:

- Hoeveelheid zonnestraling op de gevel.

- Aantal uren dat de jaloezieën naar beneden zijn.

- Kwaliteit van daglicht (sDA).

- Risico op verblinding (UDI).

De onderstaande tabellen geven een idee van het

verband tussen het aantal inputvariabelen en het

aantal mogelijke uitkomsten.

Fase 1:

Vaste parameters

Constructie (massa) en isolatiewaarden (dichte en open geveldelen)

De verkregen resultaten bepalen ook de input

parameters voor de productiviteitsberekeningen die

in het model zijn opgenomen voor een eventuele

werkkamer in huis die gebruikt wordt voor thuiswerken.

Luchtdichtheid

Ventilatie (mechanische ventilatie)

Type glas (standaard HR++)

Variabele parameters (fase 1)

Type woning

Inclusief thermische massa en locatie ruimtefunctie

Ruimten (woonkamer, werkkamer, slaapkamer)

Inclusief gebruikersprofielen (interne warmtelast) en oppervlakte/volume

Aantal

variabelen

1

3

De optimale benadering zou een individuele berekening

per woning zijn. Dat zou kunnen, vooropgesteld dat alle

data per individuele woonsituatie bekend zijn. Die data

zouden dan moeten worden doorgerekend met behulp

van een daartoe ontworpen model. Technisch gezien

is dat natuurlijk mogelijk, maar praktisch gezien in de

meeste gevallen niet werkbaar dan wel haalbaar. Het zou

heel veel tijd kosten, erg duur zijn en bovendien ontbreken

de kennis en de mankracht daarvoor in de branche.

We hebben daarom gekozen voor een parametrisch

model waarin we de individuele situaties zo dicht

mogelijk benaderen op basis van een aantal basisvarianten.

Individuele gevallen worden dus herleid

naar basisvarianten die vooraf zijn gemodelleerd en

doorgerekend. Het aantal basisvarianten hangt nauw

samen met het aantal inputvariabelen dat wordt gekozen.

Het totale aantal variabelen dat het model vraagt is

zo groot dat daardoor enorme hoeveelheden varianten

ontstaan. Bij toevoegen van meer variabelen neemt het

aantal varianten in het model exponentieel toe.

Ligging ruimte (tussenverdieping en bovenste verdieping) 2

Ligging ruimte (tussenruimte) 1

Oriëntatie (noord, oost, zuid, west) 4

Glas-gevelverhouding glas (30% - 60%) 2

Type zonwering

(geen, buiten donker, buiten licht, binnen gemetalliseerd, lichtwering, rolluiken)

Regeling (gemotoriseerd automatisch) 1

Spuiventilatie (dicht, kiepstand, volledig open) 3

Koeling (geen, split-unit) 2

Referentieklimaatjaar (huidig) 1

Fase 2:

Vaste parameters

Constructie (massa) en isolatiewaarden (dichte en open geveldelen)

Luchtdichtheid

Ventilatie (mechanische ventilatie)

Type glas (standaard HR++)

Variabele parameters (fase 1)

Type woning (grondgebonden woning, appartement)

Inclusief thermische massa en locatie ruimtefunctie

Ruimten (woonkamer, werkkamer, slaapkamer)

Inclusief gebruikersprofielen (interne warmtelast) en oppervlakte/volume

Ligging ruimte (begane grond, tussenverdieping en bovenste verdieping)

Ligging ruimte (tussenruimten)

Oriëntatie (noord, oost, zuid, west, woonkamer (N/Z; O/W)

Aantal varianten 1728

6

Aantal

variabelen

Glas-gevel verhouding glas (30% - 60%) 2

Type zonwering (geen, buiten donker, buiten licht, binnen gemetalliseerd, lichtwering,

rolluiken)

Regeling (gemotoriseerd automatisch) 1

Spuiventilatie (dicht, kiepstand, volledig open) 2

Koeling (geen, split-unit) 2

Referentieklimaatjaar (huidig) 1

50

Aantal varianten 2400

6

273


Ieder van die basisvarianten moet worden doorgerekend.

Dat vraagt computertijd en –capaciteit. De computercapaciteit

die wordt gevraagd om de varianten door te

rekenen is zo hoog dat er noodzakelijkerwijs in twee

fases is gewerkt. Op gewone laptops zijn de simulaties

niet uitvoerbaar omdat de capaciteit van de

microprocessors daarvan gewoon tekortschiet.

De modellering in fase 1 laat toe om allerlei mogelijke

combinaties van inputvariabelen afhankelijk van de

gekozen uitgangssituatie door te rekenen en een

selectie te maken van de variabelen die echt relevant

zijn voor de uitkomsten. Daarna is in fase 2 het model

verder verrijkt met aanvullende variabelen.

Om te bepalen welke varianten het meest relevant zijn

wordt een gevoeligheidsanalyse gedaan met als doel

het relatieve effect van de andere inputparameters te

onderzoeken en op basis daarvan te beslissen of de

andere onderdelen bijdragen aan het verder verbeteren

van de nauwkeurigheid van de resultaten.

Het model is vervolgens op een website geplaatst en

voorzien van een gebruikersinterface die het gebruiksgemak

ervan vergroot. Om praktische redenen vinden

een aantal nabewerkingen plaats buiten het model

maar in de webomgeving (zie onder Nabewerking output).

274


275


Vaste uitgangspunten parametrisch model

Te onderscheiden kamers op basis

van specifieke gebruiksdoelen

- Woonkamer 28 m²

- Slaapkamer 12 m²

- Werkkamer 8 m²

In de woonkamer 2 ramen, in de slaap- en

werkkamer 1 raam.

Gebruikersprofielen

- Voor gebruikersprofielen sluiten wij voor de

woonfuncties aan bij de Kenniskaart 233

Thermisch comfort in woningen.

- Voor de werkkamer maken wij een

inschatting/afgeleide op basis van normen

voor kantoorfuncties.

Bouwfysische eigenschappen

- Isolatiegraad (BB 2015)

- Gebouwmassa/constructie

- Tussenwoning (fase 1) - luchtdichtheid

- Ventilatiedebiet (MV of WTW)

Input parameters parametrisch model/fase 1

Type huis

- Tussenwoning

Ligging vertrekken

- Tussenverdieping

- Onder het dak

Oriëntaties

- Noord, oost, west, zuid

Glas-gevelverhouding

- 30% of 60%

Type glas

- HR++-glas

- Folie/zonwerend glas

Type zonwering

- Geen

- Buitenzonwering licht

- Buitenzonwering donker

- Functionele zonwering voor binnen

(gemetalliseerd)

- Lichtwering

Input parameters parametrisch model/fase 2

Bouwkundige kenmerken

- Bouwmassa: licht/zwaar

- Indicatie isolatie

Type vertrek

- Hoekvertrek

Ligging vertrek

- Begane grond

Beglazing

- Aantal ramen woonkamer

Koeling

- Vloerkoeling

Referentieklimaatjaar

- Toekomstbestendig

Output parameters parametrisch model

Temperatuur

- Maximumtemperatuur in de ruimte

- Aantal overschrijdingsuren en dagen boven

de 25 °C, 26 °C en 27 °C

Regeling

- Geautomatiseerd

- Scenario’s

Daglicht

- Daglichttoetreding (SDA)

- Verblinding

Spuiventilatie

- Dicht

- Kiepstand

- Volledig open

Energie

- Energieverbruik verwarmen [kWh/m²]

- Energieverbruik koelen [kWh/m²]

- Totaal energieverbruik [kWh/m²]

Koeling

- Geen

- Split-unit

Overig

- Oppervlakte zonwering (ten behoeve van

de ROI-berekening)

Referentieklimaatjaar

- Huidig

Glas oppervlak

- …. M²

276


Nabewerking input

Nabewerking output

Kengetallen

- Energiekosten [€/kWh]

- CO2-emissie [kg/kWh]

- Kosten zonwering [€/m²]

Milieu-impact materialen

- Zonwering [kg/m² of stuk]

- Split-unit [kg/m² of stuk]

- PV-panelen [kg/m² of stuk]

Productiviteit

- Productiviteitseffect als gevolg van de

temperatuur in de werkkamer.

Binnenmilieu

- Klasse temperatuur

- Klasse daglicht

- Klasse verblinding

Volgens PvE Gezonde Woningen.

Energie

- Energiebesparing ruimte [kWh]

- Bijbehorende CO₂-emissie [kg]

Milieu-impact interventie

- Zonwering

- Split-unit

- PV-panelen

ROI

- Kosten zonwering

- Terugverdientijd op basis van

energiebesparing

- Terugverdientijd op basis van

productiviteitseffecten (studeerkamer)

277


TOELICHTING OP DE WERKING VAN HET MODEL

Algemeen

Dynamische zonwering heeft het potentieel om

oververhitting te voorkomen en zo het thermisch

comfort positief te beïnvloeden. Door de invloed

van dynamische zonweringsystemen op de

kamertemperatuur en de visuele omgeving heeft de

toepassing ook invloed op het energieverbruik en de

daglichtkwaliteit in een kamer of een woning.

Het model werd in opdracht van Somfy ontwikkeld

in nauwe samenwerking met specialisten van bba

binnenmilieu en DGMR en beoogt inzicht te geven in de

effecten van de toepassing van dynamische zonwering

in woningen met als doel de energieprestatie en

daglichtkwaliteit voor een set van scenario's in kaart te

brengen. De resultaten van het model zijn beschikbaar

gemaakt onder de naam PRISM in een speciaal daartoe

ontwikkelde website. Op de website zijn vergelijkbare

tools beschikbaar gemaakt voor andere gebouwen,

meer specifiek gedaan voor kantoren en gebouwen

voor langdurige zorg en onderwijs.

De gebruiker van de PRISM-tool voor woningen kan

kiezen uit drie soorten kamers (doorzonkamer,

woonkamer, slaapkamer of thuiskantoor) en

verschillende gebouwkenmerken die het beste

aansluiten bij de situatie van de gebruiker en het

gebouw. Vervolgens wordt de impact van dynamische

zonwering op het binnenmilieu en het energieverbruik

voor verwarming en koeling als output van de tool

weergegeven. Voor het thuiskantoor wordt ook

rekening gehouden met de productiviteitseffecten

van de binnentemperatuur.

De tool is specifiek bedoeld voor woningbouw in

Nederland en kan worden gebruikt om de effecten in

te schatten op basis van het Nederlandse klimaat,

Nederlandse bouwregelgeving en Nederlandse

gewoonten. Voor gebruik in andere landen is het

noodzakelijk de tool specifiek aan te passen.

Bouwsimulatie per uur

Om de invloed van dynamische zonwering in te

schatten, is een rekenmodel ontwikkeld voor drie

standaardvertrekken in een woning. Allereerst gaan

we in op hoe de gebouwsimulatie is opgezet en

vervolgens worden de verschillende aannames en

parameters beschreven die zijn gebruikt voor de

berekeningen en iteraties.

Om de effecten van dynamische zonwering

te simuleren zijn een aantal verschillende

softwarepakketten en plug-ins gebruikt.

Het ruimtemodel wordt weergegeven in een

3D-modelleringsomgeving genaamd Rhino 3D. De

parametrische iteraties worden gemaakt met behulp

van de visuele programmeeromgeving Grasshopper.

De Ladybug Tools-plug-in is gebruikt om de energieen

daglichtberekeningen uit te voeren. Hierdoor wordt

het mogelijk om zowel energieberekeningen uit te

voeren als het binnenmilieu te analyseren op het gebied

van temperatuur, zonlicht en daglicht in één model.

278


Scripting-omgeving Rhino 3D-visualiser en Grasshopper

De simulatie-engines die worden gebruikt voor de energie- en daglichtsimulaties zijn

respectievelijk EnergyPlus en Radiance. Beide hulpmiddelen zijn een product van

het Amerikaanse ministerie van energie. Deze simulatie-engines worden wereldwijd

gebruikt in zowel opensource- als commerciële softwareprogramma's.

Vaste parameters en aannames voor het model

Het model maakt gebruik van een aantal vaste ingangsparameters van de ruimte

en de omgeving:

- Afmetingen van de ruimte (voor elk type kamer).

- Type gebouw.

- Constructietype en isolatie van het gebouw

- Luchtdichtheid.

- Interne belastingen voor personen, apparatuur en verlichting (voor elk type ruimte).

- Ventilatiesysteem (debiet en warmteterugwinning).

- HVAC-schema's en setpoint.

- Klimaatmodel

Standaardkamers

Het model begint met het maken van een (parametrisch) ruimtemodel. In dit geval

bestaan de gemodelleerde kamers uit een woonkamer van 27,54 m², een slaapkamer

van 10,8 m² en een kantoor van 6,2 m².

279


Typische woningindelingen voor rijtjeswoningen en appartementen, bron: Wahi et al, 20241

1 Wahi, P., Konstantinou, T., Visscher, H., & Tenpierik, M. J. (2024). Evaluatie van parameters op

gebouwniveau voor verwarmingsgereedheid bij lagere temperaturen: een op steekproeven gebaseerde

benadering om de heterogeniteit van de Nederlandse woningvoorraad aan te pakken. Energie en

gebouwen, 322, 114703.

Eigenschappen constructie

De tabel toont de verschillende constructies die in de simulaties zijn gebruikt.

Veronderstellingen constructie-eigenschappen gebruikt in het model

Bouwelement Type constructie R-waarde

Dak Dakpannen, houten omhulsel, isolatie tussen dakbalken, bekleding/gipsplaat 3,5 m²×K/W

Buitenmuur Gemetselde muur met een geïsoleerde spouw 3,5 m²×K/W

Binnenmuur

Interne vloer

Adiabatische metalen stud muur gips, houten stijl met MW, gips

Adiabatische betonvloer

Vloer Betonnen vloer met isolatie onder de vloer. 3,5 m²×K/W

In de simulatie is uitgegaan van een standaardglassoort, namelijk HR+-glas.

Aangenomen wordt dat dit de meest voorkomende glassoort is in woongebouwen.

Glas heeft een verwachte levensduur van 25 tot 30 jaar en HR++-glas is in ongeveer

2000 geïntroduceerd. Het glas (HR+) heeft een U-waarde van 1,6 W/m²×K en een VT

van 0,7 en een SHGC van 0,6.

280


1. Luchtdichtheid

In Nederland wordt de infiltratiesnelheid gemeten met

behulp van de eenheid "Qv10", die de infiltratie weergeeft

die optreedt bij een drukverschil van 10 pascal. Om

compatibel te zijn met de software, moet de Qv10-waarde

worden omgezet in een infiltratiesnelheid uitgedrukt in

liters per seconde per vierkante meter gebied.

Op de linker Y-as is het aantal personen zichtbaar,

en staat de fractionele belasting van de verlichting

aan (op basis van 5W/m²). Op de rechter Y-as zijn de

uitrustingswinsten zichtbaar.

Planning: Bewoning en interne voordelen open wonen

Er wordt verondersteld dat de gebouwen een

gemiddelde luchtdichtheid hebben (Qv10 = 50 dm³/s),

dit resulteert in een infiltratiesnelheid van 0,3 dm³/s×m²

schiloppervlak bij 4 Pa. Infiltratie vindt 24/7 plaats.

2. Bezettingsgraad en interne winst

Om het energieverbruik van het gebouw goed te

simuleren, zijn planningen en interne winsten in het

model nodig. De gehanteerde schema's zijn volgens

(of aangepast en samengesteld uit) de volgende

normen en richtlijnen:

- ISSO Kenniskaart 233 Thermisch comfort

in woningen

- ISSO 32: Uitgangspunten

temperatuursimulatieberekeningen

- ISSO Koellast (pocketbook koellastberekeningen)

Schema bezettingsgraad en interne winsten slaapkamer

Planning Bezettingsgraad en interne winst thuiskantoor

ISSO is een Nederlandse organisatie die technische

kennis, richtlijnen en tools ontwikkelt en levert om

de kwaliteit, duurzaamheid en efficiëntie in de HVACsector

van gebouwen te verbeteren.

De opeenvolgende figuren tonen de

bezettingsschema's en interne winsten die in de

verschillende kamers worden verondersteld.

3. Ventilatie

De ventilatiesnelheid volgens het Bouwbesluit is

gebiedsgebonden. Een minimaal ventilatiedebiet van

0,9 dm³/s per m² is vereist. Dit is de aanname die voor

alle kamers wordt gehanteerd.

281


Er wordt verondersteld dat het gebouw beschikt over een luchtbehandelingskast

met een warmteterugwinningssysteem. Warmteterugwinningssystemen voor

wooneenheden in Nederland hebben een rendement van 90%, hiermee is rekening

gehouden in het model.

Het HVAC-systeem is 24 uur per dag beschikbaar om de gewenste setpoint- en

setback- temperaturen te bereiken.

De gebruikte cijfers zijn samengesteld en aangepast aan de hand van de volgende

normen en richtlijnen:

- ISSO Kenniskaart 233: Thermisch comfort in woningen.

- ISSO/GIW-publicatie 2008: Ontwerp en montageadviezen nieuwbouw

eengezinswoningen en appartementen.

- Ontwerp- en installatierichtijnen bij nieuwbouw en renovatie van

een- en meergezinswoningen.

- ISSO 32: Uitgangspunten temperatuursimulatieberekeningen.

- NTA 8800: Energieprestatie van gebouwen – bepalingsmethode.

Setpoints en ventilatieschema per kamer

Setpoint verwarming

Dag

Nachtelijke

Setpoint koeling

De hele dag

Openingstijden

ventilatie

Woonkamer 20 °C 7.00-23.00 uur 18 °C 23.00-7.00 24 °C 24 uur / dag

Slaapkamer 18 °C De hele dag 24 °C 24 uur / dag

Kantoorruimte 20 °C 7.00-17.00 uur 18 °C 17.00-7.00 24 °C 24 uur / dag

4. Weerbestand

Voor de simulaties wordt gebruikgemaakt van het weerbestand volgens de

Nederlandse norm NEN 5060:2018, meer specifiek het referentieklimaatjaar

ontworpen voor energieberekeningen (A5-bestand).

282


Variabele parameters

In het model worden variabele parameters opgenomen, zodat de resultaten toepasbaar

zijn op een specifiek gebouw. In totaal worden er 2400 iteraties gemaakt.

Invoerparameters Antwoordopties

Type gebouw Appartement Huis

Soort kamer Woonkamer Slaapkamer Kantoorruimte

Vloer

Benedenverdieping Middelste

verdieping

Bovenste verdieping

Oriëntatie Noorden Oosten Zuiden Westen Noorden/zuiden Oosten/westen

Glas/gevel % 30% 60% 2

Type glas HR++ 1

Type zonwering Geen Schermverlichting

voor buiten

Buitenscherm

donker

Gemetalliseerd

binnenscherm Bescherming

tegen verblinding Rolgordijnen 6

Beheersen Gemotoriseerde automaat 1

Gebruik van

bedienbare

vensters

Gesloten

Volledig open

Verkoeling Geen Split-eenheid 2

Totaal 2400

N

50

2

Type gebouw

De kamers worden gemodelleerd als eenpersoonskamers en worden geacht zich in het

midden van het gebouw of aan het einde van het gebouw te bevinden.

Als de kamer zich in het midden van een gebouw bevindt heeft de kamer slechts een

gevel die aan buitenlicht is blootgesteld. De andere drie wanden grenzen aan andere

(identieke) ruimtes. Als de kamer ligt aan het uiteinde van het gebouw heeft de kamer

twee gevels die aan buitenlicht zijn blootgesteld.

Deze kamers kunnen zich in een eengezinswoning bevinden of in een

meergezinsappartement.

1. Aanpalende kamers

De gesimuleerde kamers bevinden zich op:

- De begane grond.

- De middelste verdieping (grenzend aan twee verwarmde kamers).

- De bovenste verdieping (grenzend aan één verwarmde ruimte beneden en aan

de buitenlucht erboven).

Er wordt aangenomen dat de kamers zich tussen vergelijkbare kamers bevinden.

283


2. Vensters

Het model heeft twee variaties van de gevel. Zo kunnen we de impact van zonwering meten

op basis van een referentiegebouw dat aansluit bij de werkelijke kenmerken van het gebouw.

Variabele raam-tot-wandverhoudingen

Verhouding tussen

glas en muur Hoogte van het raam Hoogte vensterbank Aantal vensters

Lage WWR 30% 2,0 m boven NN 0,9 1

Gemiddelde WWR 60% 2,0 m boven NN 0,9 1

Hoge WWR

(alleen appartement)

90% (fase 2b) 2,0 m boven NN 0,9 1

Bedienbare vensters

Ramen zijn bedienbaar en kunnen worden gebruikt voor nachtventilatie om

overtollige warmte kwijt te raken die zich overdag heeft opgehoopt. Er zijn drie

variabelen voor het gebruik van bedienbare ramen in de zomer die in het model

in aanmerking worden genomen:

- Gesloten: bedienbare ramen worden niet gebruikt.

- Bedienbaar en volledig open.

- Bedienbaar maar niet volledig open.

Bij de berekening wordt rekening gehouden met door drijfvermogen en wind

aangedreven ventilatie. De veronderstelling is dat 50% van het raamoppervlak

bedienbaar is. Verder gaan de ramen open wanneer de binnentemperatuur hoger is dan

24 °C en de buitentemperatuur hoger is dan 12 °C. De ramen worden gesloten wanneer

het verschil tussen de buitentemperatuur en de binnentemperatuur kleiner is dan 2 °C.

Oriëntatie van de kamer

De oriëntatie van het gebouw is in het model ingesteld op vier verschillende

windrichtingen: noord, oost, zuid en west plus twee specifieke oriëntaties voor de

woonkamer (noord/zuid) en oost/west.

Dynamische zonwering

Per geveloriëntatie zijn er diverse mogelijkheden voor varianten van dynamische

zon- en lichtweringssystemen. Het model houdt rekening met vier verschillende

soorten zonweringssystemen en -doeken.

284


Daarbij worden de volgende definities gehanteerd:

- Lichtwering: systemen voorzien van stoffen voor het beperken van verblinding

door daglicht.

- Functionele binnenzonwering: systemen met stoffen voorzien van een

gemetalliseerde laag die primair worden gebruikt voor beperking van

zonnewarmte en verblinding door zonlicht.

- Buitenzonwering voorzien van technische weefsels in een lichte kleur: screens

die aan de buitenzijde worden aangebracht.

- Buitenzonwering voorzien van technische weefsels in een donkere kleur:

screens die aan de buitenzijde worden aangebracht.

- Rolluiken: rolluiken die aan de buitenzijde worden aangebracht.

Kenmerken van zonwering

Interventie Type Dikte in mm

Binnenzonwering

gemetalliseerd

Buitenzonwering –

lichte kleur (buiten)

Buitenzonwering –

donkere kleur (buiten)

Verosol OmniaScreen

293 FD-01

Verosol Originelen

816 - 000

Zuiver zwarte doek

(Sergé 3% Zwart)

Transmissie van

zonnestraling

Reflectie

zonnestraling buiten

0,58 0,06 0,74 0,03

0,20 0,29 0,44 0,23

0,44 0,03 0,050 0,03

Bescherming tegen licht Coulisse Parijs 0,47 0,40 0,56 0,03

Rolluiken Generiek 8,7 0,00 0,60 0,0

Factor openheid

Voor automatisch gestuurde zonwering in woongebouwen wordt een (vast) instelpunt

van 150 W/m² toegepast voor de toetreding van licht. Onder automatische regeling

wordt in dit geval verstaan een elektronisch geregelde zonwering, die autonoom werkt.

In het model wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheid van handmatige

overbrugging van de besturing van de zonwering.

De impact van het sluiten van de dynamische zonwering 's nachts wordt eveneens

binnen het model berekend (fase 2).

285


HVAC-systeem

Het energiemodel maakt gebruik van een all-air-systeem om de kamer te verwarmen

en te koelen. In de simulatie heeft de ruimte drie koelniveaus:

- Geen koeling.

- Vloerverwarming en -koeling (fase 2b).

- Volledige koeling 100 W/m² (koeling met een split-systeem per ruimte).

Energiesimulaties van gebouwen

Het model en de maatregelen zijn voor elk mogelijk scenario over een heel

jaar gesimuleerd. Per uur is gekeken naar de benodigde energievraag voor het

verwarmen en koelen van de betreffende ruimtes. Bij deze berekening wordt rekening

gehouden met zowel interne als externe factoren die van invloed zijn op de koel- en

verwarmingsbehoeften. Deze gemiddelde waarden per uur zijn vervolgens omgezet in

uitkomsten. Met deze berekeningen kan de impact van de verschillende interventies,

het wel of niet gebruiken van dynamische zonwering, worden vergeleken.

De volgende uitkomsten worden gegenereerd door het rekenmodel:

- Energievraag voor koeling per jaar in kWh/m² en kWh op kamerniveau.

- Energievraag voor verwarming per jaar in kWh/m² en kWh op kamerniveau.

- Totale energievraag voor verwarming en koeling per jaar in kWh/m²

en kWh op kamerniveau.

Er is voor gekozen om de hoeveelheid verwarmings- en koelingsenergie per

oppervlakte-eenheid (m²) te gebruiken omdat dit gemakkelijk kan worden vertaald

naar een heel gebouw met gevels met verschillende oriëntaties. Bovendien kan op

basis daarvan gemakkelijk een vergelijking worden gemaakt tussen twee verschillende

gebouwen van ongelijke grootte.

Het parametrische model houdt nog geen rekening met het rendement van de

warmte- of koude-installatie. De energiebehoefte wordt hiervoor gecorrigeerd met de

"(Seizoensgebonden) Prestatiecoëfficiënt" ((S)COP-waarde) of "(Seizoensgebonden)

Energie-efficiëntieverhouding" ((S)EER) zoals gespecificeerd door de gebruiker (in

de tool) om het bijbehorende energieverbruik in kaart te brengen. Er wordt voor het

gebouw een type installatie geselecteerd met het bijbehorende rendement.

286


Deze keuze bepaalt het uiteindelijke energieverbruik van de ruimte. De aanpassingen

gebeuren overigens in een nabewerking buiten het model.

Overzicht van de richtwaarden efficiëntie

Hitte

Verkoeling

Installatie (S)POLITIEAGENT (efficiëntie) Installatie (S)EER (efficiëntie)

Cv-ketel 1 Koelmachine (LT) 3

Lucht/water warmtepomp 3 Lucht/water warmtepomp (HT) 4

Water/water warmtepomp 4 Vrije koeling (gesloten bron) 10

Vrije koeling (open source) 16

Om een inschatting te maken van de kosten die nodig zijn voor koelen en verwarmen

in verschillende scenario's, wordt het berekende energieverbruik (kWh/m²)

vermenigvuldigd met het aantal vierkante meters van de ruimte (in het model).

Naast het energieverbruik is er ook gekeken naar de bijbehorende CO2-uitstoot en de

kosten van energie. Hierbij worden de volgende aannames gehanteerd:

- CO2-uitstoot: 340 g/kWh (volgens NTA 8800 – Energieprestatie van gebouwen).

- Voor de energiekosten wordt de actuele energieprijs genomen die periodiek

worden bijgesteld.

De berekende kosten worden gebruikt om de terugverdientijd en de Return of

investment (ROI) te berekenen. Daarvoor wordt de verwachte investering voor

dynamische licht- en zonwering gedeeld door het jaarlijkse verschil in energiekosten.

287


Parameters voor het binnenmilieu

1. Temperatuur

Om te vergelijken in hoeverre de gekozen interventies

bijdragen aan het voorkomen van temperatuuroverschrijdingen,

worden een aantal resultaten gepresenteerd.

- De maximale temperatuur.

- Aantal dagen en uren per jaar dat de temperatuur

een bepaald instelpunt overschrijdt:

• Woonkamer en kantoor aan huis

> 25 °C, 26 °C en 27 °C;

• Slaapkamer > 25 °C, 26 °C en 27 °C.

2. Daglicht

Voor daglicht wordt het percentage van de tijd

weergegeven dat de lichtintensiteit als gevolg van

daglicht minimaal 300 lux is. Er wordt ook rekening

gehouden met het effect van het binnendringen van

de zon en bescherming tegen de zon, waarmee geen

rekening wordt gehouden bij de daglichtfactor.

3. Schittering

De mate van verblinding wordt weergegeven door een

indicatie te geven van de kans op verblinding. In de

praktijk is het risico op verblinding (DGP) afhankelijk van

de positie en de richting van het zicht. In het model is

een andere methode en metriek gebruikt omdat de DGPberekening

een te hoge rekencapaciteit vereist om die

voor alle mogelijke varianten te berekenen.

De UDI (Useful Daylight Illuminance) wordt gebruikt om

een idee te krijgen van het risico op verblinding in de

ruimte. De UDI hanteert de volgende categorieën:

- < 100 lux, te weinig daglich.t

- 100 – 300 lux, extra verlichting vereist.

- 300 – 3000 lux, voldoende daglicht aanwezig,

geen extra verlichting nodig.

- > 3000 lux, te veel daglicht, kans op

overlast/verblinding.

De Spatial Daylight Autonomy (sDA) wordt in dit model

gebruikt om te testen in hoeverre een ruimte voldoende

wordt verlicht door daglicht. Dit is een gestandaardiseerde

methode ontwikkeld door de Illuminating Engineering

Society (IES) die aangeeft of de daglichtniveaus binnenshuis

voldoende zijn. De sDA geeft het percentage van een

gebied aan dat is geanalyseerd op verlichtingssterkte door

daglicht (bijv. 300 lux) gedurende (50% van) de bedrijfstijd.

Omdat er een gestandaardiseerde berekening wordt

gebruikt om wereldwijd inzicht te geven in de kwaliteit

van daglicht, is de bedrijfstijd vastgesteld op een periode

van 08.00 tot 18.00 uur, ook in het weekend.

De lichtintensiteit in de kantoorruimte als gevolg

van daglicht wordt gemodelleerd op basis van de

ingevoerde gebouwkenmerken. Voor alle varianten is

het percentage van de tijd (tijdens gebruikstijd) van de

UDI-waarde > 3000 lux (voor minimaal 50% van het

vloeroppervlak) berekend en dit vormt een risico op

verblinding door daglicht.

Risico op verblinding = % tijd UDI > 3000 lux

(minimaal 50% van het vloeroppervlak).

288


Productiviteitseffect thuiskantoor

In 2020 heeft bba binnenmilieu in opdracht van

Somfy Nederland een literatuurstudie uitgevoerd

om het mogelijke effect van de toepassing van

dynamische zonwering op de kantoorproductiviteit

in te schatten. Voor het thuiskantoor ligt de focus

uitsluitend op het productiviteitseffect als gevolg

van de bedrijfstemperatuur.

Uit het literatuuronderzoek blijkt dat het

productiviteitspotentieel afneemt bij een stijgende

temperatuur (van ± 23 °C). Het theoretische

productiviteitseffect als gevolg van de temperatuur

wordt bepaald door het temperatuurinterval.

De bedrijfstemperatuur in de ruimte wordt gemodelleerd

op basis van de ingevoerde gebouwkenmerken.

Het productiviteitseffect per jaar per iteratie werd

vervolgens berekend door het percentage van de tijd

te vermenigvuldigen met het productiviteitseffect

voor het betreffende temperatuurinterval. Het

productiviteitseffect als gevolg van de luchttemperatuur

is een direct gevolg van het parametrische model.

Milieuprestaties van gebouwen

Om inzicht te geven in en bewust te zijn van de energieimpact

van de ingrepen, worden gegevens verstrekt over

de CO₂-uitstoot die samenhangen met de productie van

dynamische zonwering, split-units en PV-panelen.

- Zonweringstof GWPa 7.210 kg CO2 eq.

per vierkante meter stof.

- Split-eenheid GWPa 127.000 kg CO2 eq.

per split-unit op kamerniveau.

- PV-paneel GWPa 61.500 kg CO2 eq.

per PV-paneel.

Voor alle mogelijke combinaties van de

referentiemodellen en metingen wordt het percentage

van de tijd (tijdens gebruik/bedrijfsuren) gemodelleerd

dat een bepaald temperatuurinterval optreedt.

289


290


12

WONINGMARKT IN NEDERLAND

291


292


BEVOLKING NEDERLAND

Verwachte groei op nationaal niveau

De omvang van de bevolking van Nederland is de afgelopen jaren snel

toegenomen. Het aantal inwoners steeg in 15 jaar tijd met 1.457.000

(+8,8%) tot 17.943.000 per begin 2024. Een belangrijk deel van de sterke

groei in 2022 en 2023 is het gevolg van de oorlog in Oekraïne. Daarnaast

trekt Nederland veel arbeidsmigranten en buitenlandse studenten aan en

vragen vluchtelingen uit diverse andere landen asiel aan in Nederland.

Voor de komende jaren wordt een minder sterke bevolkingsgroei

verwacht. De Primos-prognose 2024 is gebaseerd op de meest recente

nationale bevolkingsprognose van het CBS (december 2023).

Bevolkingsmutatie naar component (realisaties 1950-2023,

bevolkingsprognose 2024-2070 CBS)

250.000

200.000

150.000

100.000

50.000

0

-50.000

-100.000

1950 1960 1970 1980 1990 2000 2010 2020 2030 2040 2050 2060 2070

Natuurlijke aanwas

Prognose Natuurlijke aanwas

Bevolkingsgroei totaal

Buitenlands migratiesaldo

Prognose Buitenlands migratiesaldo

Prognose Bevolkingsgroei totaal

Bron: Primos-prognose 2024

Voor de eerste 5 jaar, 2024 tot en met 2028, verwacht het CBS een toename van het aantal

inwoners met gemiddeld 90.000 inwoners per jaar. In de 10 jaren daarna neemt volgens

de nationale prognose de omvang van de bevolkingsgroei af tot gemiddeld 72.000 per

jaar. In totaal wordt er een groei in 15 jaar tijd voorzien met 1.172.000 personen (+6,5%),

waarvan 5% door natuurlijke aanwas en 95% als gevolg van buitenlandse migratie.

Regionale groei

Nederland kent een regionaal sterk gedifferentieerde demografische ontwikkeling.

Om dat inzichtelijk te maken wordt in de Primos-prognose 2024 een indeling van

Nederland in 31 functionele woningmarktgebieden en 5 landsdelen gehanteerd.

293


De bevolkingsgroei heeft de afgelopen jaren vooral in de

Randstad plaatsgevonden. Sinds 2009 is het aandeel

van de Randstad in de totale bevolking van Nederland

met 1,6 procentpunt toegenomen tot 42,6%. Het aandeel

van Overig Nederland is in deze periode van 15 jaar met

1,5 procentpunt afgenomen tot 24,6%.

Indeling van Nederland in 31 functionele

woningmarktgebieden en 5 landsdelen

voor natuurlijke aanwas zorgt. Vrijwel de gehele natuurlijke

aanwas van Nederland komt in de Randstad tot stand.

Wel is er vertrek naar andere landsdelen. Het migratiesaldo

van de Randstad met de andere landsdelen was enkele

jaren (2018 t/m 2022) negatief. Volgens de voorlopige

cijfers verhuisden er in 2023 per saldo (+1.625) weer meer

mensen naar de Randstad dan eruit.

Samenstelling bevolking

294

Randstad

Noordflank

Oostflank

Zuidflank

Overig Nederland

Bron: Primos-prognose 2024

Het aandeel van de Noord-, Oost- en Zuidflank tezamen

bleef stabiel op 32,9%. Over 15 jaar, in 2039, is volgens

de Primos-prognose het aandeel van de Randstad in de

bevolking verder toegenomen tot 44,2%, terwijl het aandeel

van Overig Nederland afneemt tot 22,7%. Het aandeel van

de flanken in de bevolking neemt licht toe tot 33,1%.

De sterke groei van de bevolking in de Randstad is het

gevolg van de grote aantrekkingskracht van dit landsdeel

op buitenlandse migranten en de jonge bevolking die

Vergrijzing

Het aantal inwoners dat de leeftijd van 75 jaar en ouder

heeft bereikt neemt snel toe. In de komende 15 jaar

neemt deze leeftijdsgroep met 47% toe. Het gaat om een

toename met 799.000 75-plussers. In deze leeftijdsklasse

is de zorgvraag groot en heeft een groot deel te maken

met mobiliteitsbeperkingen. De vraag naar zorg en wonen

met zorg zal sterk toenemen. De sterk verschillende

ontwikkelingen per leeftijdsklasse zijn voor een belangrijk

deel terug te voeren op ontwikkelingen in het aantal

geboorten in het verleden. De sterke toename van het

aantal 65-plussers hangt samen met de naoorlogse

babyboom, de afname in de leeftijdsklasse 50 tot 65 jaar

met de dalende geboortecijfers in de jaren 60 en 70 van

de vorige eeuw. Bij de kinderen van deze leeftijdsgroepen

zien we deze effecten in iets mindere mate terugkomen.

Bevolkingstoename 2024 t/m 2038 naar leeftijdsklasse

250.000

200.000

150.000

100.000

50.000

-

-50.000

-100.000

-150.000

-20.000

-250.000

Bron: Primos-prognose 2024

0-4 jr

5-9 jr

10-14 jr

15-19 jr

20-24 jr

25-29 jr

30-34 jr

35-39 jr

40-44 jr

45-49 jr

50-54 jr

55-59 jr

60-64 jr

65-69 jr

70-74 jr

75-79 jr

80-84 jr

85-89 jr

90-94 jr

95+


295


Huishoudens

Het verminderde aantal geboorten leidt pas op de lange termijn tot een vermindering

van het aantal huishoudens en de woningbehoefte. De verwachte hogere immigratie

leidt daarentegen per direct tot meer huishoudens en een grotere woningbehoefte.

Het aantal huishoudens is de afgelopen 15 jaar (tot begin 2024) met 1.062.000 (14,5%)

toegenomen. Relatief gezien is het aantal huishoudens daarmee veel sneller toegenomen

dan het aantal inwoners, dat met 8,8% toenam. De gemiddelde huishoudensgrootte is

dan ook sterk afgenomen, van 2,23 in 2009 naar 2,11 in 2024. Voor de komende jaren

wordt een verdere, maar meer beperkte afname verwacht, tot 2,03 in 2039.

Aantal huishoudens naar type (linkeras) en gemiddelde huishoudensgrootte (rechteras),

realisaties 2009-2024, prognose 2024-2038

10.000.000

2,25

9.000.000

2,20

8.000.000

7.000.000

2,15

6.000.000

2,10

5.000.000

2,05

4.000.000

3.000.000

2,00

2.000.000

1,95

1.000.000

- 1,90

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

2032

2033

2034

2035

2036

2037

2038

2039

Paar met kinderen

Alleenstaand

Prognose Paar met kinderen

Prognose Alleenstaand

Gemiddelde huishoudensgrootte

Paar zonder kinderen

Eenouderhuishouden

Prognose Paar zonder kinderen

Prognose Eenouderhuishouden

Prognose Gemiddelde huishoudensgrootte

Bron: Primos-prognose 2024

Het aantal huishoudens neemt in totaal in de periode 2024 tot en met 2038 toe, van

8,4 miljoen naar 9,3 miljoen. Dat komt neer op een groei met 10,6%. De toename bestaat

vooral uit alleenstaanden (623.000), maar ook het aantal paren met kinderen (28.000),

eenouderhuishoudens (67.000) en paren zonder kinderen (168.000) neemt toe.

De toename van het aantal huishoudens bestaat daarmee uit 70% alleenstaanden,

19% paren zonder kinderen, 3% paren met kinderen en 8% eenouderhuishoudens.

296


Prognose woningbehoefte

In de woningvoorraadstatistiek van het CBS wordt

sinds de invoering van de Basisregistratie Adressen

en Gebouwen (BAG) onderscheid gemaakt tussen

nieuwbouw, overige toevoegingen, sloop, overige

onttrekkingen en correcties. Het zicht op langjarige

trends in de woningproductie wordt vertroebeld door de

vele overige toevoegingen, overige onttrekkingen en

correcties in de CBS-woningvoorraadstatistiek in

de jaren na de invoering van de BAG in 2012.

De cijfers geven vanwege de problemen bij de

invoering van de BAG voor de jaren 2012 tot en

met 2017 geen goed beeld van de daadwerkelijke

ontwikkeling van de woningvoorraad. Onder de noemers

overige onttrekkingen en overige toevoegingen,

zoals die in de CBS-woning voorraad statistiek zijn

opgenomen, vallen transformaties, woningsplitsingen,

samenvoegingen van woningen, verbouw van woningen

en "administratieve toevoegingen en onttrekkingen".

Er is in belangrijke mate samenhang tussen

onttrekkingen en toevoegingen. Een woningsplitsing

levert in de CBS-/BAG-systematiek bijvoorbeeld

enerzijds één onttrekking op en anderzijds twee of

meer toevoegingen.

In de Primos-prognose wordt daarom met een

versimpeling gewerkt. In de Primos-prognose is

"nieuwbouw" gedefinieerd als de nieuwbouw volgens de

CBS-definitie plus het saldo van overige toevoegingen

en onttrekkingen zoals het CBS die uit de BAG afleidt.

Daarnaast wordt in de Primos-prognose sloop

onderscheiden (conform de CBS-definitie van sloop).

Nieuwbouw (Primos-definitie), sloop en toename

woningvoorraad per saldo, 2012 t/m 2023

100.000

80.000

60.000

40.000

20.000

0

-20.000

2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023

Bron: Primos-prognose 2024

Sloop Nieuwbouw Voorraad-toename

De nieuwbouw (Primos-definitie) is na de woningmarktcrisis

opgelopen van 55.200 woningen in 2014 naar

90.200 woningen in 2022. De nieuwbouw is in 2023 licht

afgenomen. Er werden 88.200 nieuwbouwwoningen

gereedgemeld in 2023. De sloop fluctueert jaarlijks

enigszins maar vertoont een dalende trend. In 2012

werden 13.700 woningen gesloopt, in 2023 maar 9.300.

Per saldo is de voorraad de afgelopen 3 jaar met circa

79.000 woningen per jaar toegenomen. Een duidelijke

stijging ten opzichte van de 44.200 woningen in 2014.

Vanwege de wisselwerking tussen woningbouw en

demografische processen worden er voor de Primosprognose

woningbouwverwachtingen opgesteld. Deze zijn

tot stand gekomen in april/mei 2024. De verwachtingen

zijn tot en met 2030 gebaseerd op trends in de

woningproductie, aantal woningen in aanbouw, aantal

afgegeven bouwvergunningen, omvang van de harde

en zachte plancapaciteit, veranderingen in het beleid

van overheden, juridische ontwikkelingen, economische

vooruitzichten en demografische verwachtingen.

297


Er liggen geen modelberekeningen ten grondslag aan

de Primos-verwachtingen voor de woningbouw op

nationaal niveau, het gaat om beredeneerde aantallen.

Voor de langere termijn, na 2030, is de geraamde woningbouw

in de Primos-prognose gebaseerd op de aanname

dat er opgavegericht wordt gebouwd zodat de regionale

woningtekorten verder worden ingelopen en het tekort rond

2040 op nationaal niveau circa 2% bedraagt. Na 2030

bepaalt dus de opgave, in de vorm van de verwachte

huishoudens groei en het geleidelijk inlopen van regionale

woning tekorten, de omvang van de verwachte woningbouw.

Uit de Woningmarktverkenning van ABF Research die in

oktober 2024 werd afgerond zijn een aantal belangrijke

conclusies te trekken:

• Nederland kampt in 2024 met een woningtekort van

401.000 woningen, en de vraag blijft groeien door

een sterke toename van het aantal huishoudens.

• Om de groei van 885.000 huishoudens tussen 2024

en 2038 op te vangen, zijn grootschalige nieuwbouwprojecten

nodig, met de focus op betaalbare woningen.

• Drie scenario’s schetsen verschillende

toekomstbeelden, waarbij de grootste vraag

ligt in het betaalbare segment, met nadruk op

sociale huur en middenhuur.

• Het tekort zal de komende jaren eerst toenemen

voordat er verbetering komt. Naar verwachting

zal het tekort pas na 2027 beginnen te dalen.

De ABF-scenario’s laten zien dat er tot 2038 in totaal

1,3 miljoen woningen moeten worden bijgebouwd

om zowel de groeiende vraag als het huidige tekort

op te vangen. Van deze nieuwe woningen moet een

aanzienlijk deel in het betaalbare segment vallen, zoals

sociale huur, middenhuur en betaalbare koopwoningen.

Om dit te bereiken, is een breed scala aan

maatregelen nodig, waaronder versnelde bouwproductie,

betere samenwerking tussen overheden

en ontwikkelaars en een focus op betaalbaarheid.

Vooral sociale huur en midden huur moeten in de

bouwopgave centraal staan om te voorkomen dat

kwetsbare groepen buiten de boot vallen.

Verleende bouwvergunningen voor woningen (voortschrijdende 12-maandscumulatie)

90.000

80.000

70.000

60.000

Veel projecten

die op de plank

lagen worden

(her)ontwikkeld

Stabilisatie: capaciteitsproblemen

bij ontwikkelaars

en gemeenten

Herstel

50.000

40.000

30.000

20.000

10.000

Dieptepunt als

gevolg van

Kredietcrisis en

Woonakkoord

Gebrek aan

uitvoeringsgerede

projecten

Hausse (nieuw

ontwikkelde

projecten)

Stikstof- en

PFASonzekerheid

Hausse +

inhaaleffect

Sterke stijging rente

fiscale maatregelen,

onzekerheid rond

voorstel regulering

middenhuur

0

2012

2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024

Aantal woningen in afgegeven bouwvergunningen (voortschrijdende 12 maands-cumulatie)

Bron: Primos-prognose 2024

298 298


299


WONINGBOUW

Bouwvergunningen

Een belangrijke indicator voor de te verwachten

woningproductie is het aantal woningen waarvoor

een bouwvergunning is afgegeven. Het CBS

publiceert maandelijks het aantal nieuw te bouwen

woningen en de door de gemeenten verleende

omgevingsvergunningen met een minimale bouwsom

van € 50.000. Er blijkt een behoorlijke fluctuatie te

zitten in het aantal verleende bouwvergunningen als

we de aantallen bekijken over een langere periode.

Het aantal verleende vergunningen is teruggelopen

tot 54.485 op jaarbasis in januari 2024. In de

vergunningverlening tekent zich inmiddels een herstel

af van het aantal afgegeven vergunningen op jaarbasis.

In de woningbouwverwachtingen die vorig jaar werden

opgesteld ten behoeve van de Primos-prognose 2023 is

aangenomen dat in de eerste maanden van 2024 een

stabilisering optreedt rond de 49.000 à 50.000 vergunde

woningen en er daarna een stijging plaatsvindt. De

stabilisering vindt nu dus op een hoger niveau plaats en

het herstel heeft naar verwachting al ingezet.

vergunde nieuwbouwwoningen zijn opgenomen. Ook

woningen die via splitsing of verbouw tot stand komen

worden in de vergunningenstatistiek niet meegenomen.

Naast de maandcijfers die het CBS publiceert over het

aantal verleende vergunningen voor nieuwe woningen,

zijn de vergunningen voor woningen ook te volgen in

de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). Het

betreft dan alle woningen, officieel "verblijfsobjecten

met woonfunctie", die op het meetmoment vergund

zijn of al in aanbouw zijn genomen. Deze woningen in

voorbereiding zijn in de BAG bekend als verblijfsobjecten

met de status "gevormd". Als het pand waarin een

"gevormd" verblijfsobject gelegen is de status "bouw

gestart" heeft, tellen we deze woning als "in aanbouw".

Een belangrijk deel van de gevormde verblijfsobjecten

krijgt overigens nooit de status "in aanbouw", maar gaat

direct over naar de status "in gebruik". Het aantal in

aanbouw zijnde woningen wordt hierdoor onderschat.

Als eerste valt op dat het aantal toevoegingen aan

de woningvoorraad, gedefinieerd als nieuwbouw plus

productie anderszins (nieuwbouw volgens Primosdefinitie),

op een aanzienlijk hoger peil ligt dan het

aantal "nieuwe woningen" waarvoor een vergunning is

afgegeven. Gemiddeld bedraagt het verschil, bij de hier

gehanteerde verschuiving van afgegeven vergunningen

2 jaar vooruit, de afgelopen 4 jaar 20.100 woningen per

jaar. Volgens het CBS komt dat doordat vergunningen voor

woningtransformaties (het omzetten van niet-woningen,

zoals kantoren, in woningen) niet in de cijfers over de

300


Vooruitblik woningbouw

Om de woningnood effectief terug te dringen is het

zaak om niet alleen voldoende aantallen woningen

te bouwen, maar vooral ook het type woningen en

woonomgevingen te kunnen ontwikkelen die aansluiten

bij de situaties en voorkeuren van de Nederlandse

huishoudens op de woningmarkt.

In-, door- en uitstroom huishoudens 2020-2030

Appartementen

Grondgebonden

Toetreding 17-35 jaar (excl. migratie)

487.000 495.000

naar appartementen minder groot dan die naar

eengezinswoningen. De vraag zal in het komend

decennium gelijkmatiger verdeeld zijn en ongeveer de

helft van de vraag zal binnenstedelijk zijn en de andere

helft zal gericht zijn op groene woonomgevingen. De

kwalitatieve woningvraag verschilt sterk tussen groepen

huishoudens. Algemene beelden over voorkeuren

van "de huishoudens" sporen daardoor niet met de

werkelijkheid. Er is een grote diversiteit aan voorkeuren

voor type woningen en type woonomgevingen.

Extra woningvraag tot en met 2030 naar type woning

Doorstroom naar 35-65 jaar

-290.000 471.000

Doorstroom naar 55-75 jaar

54.000 -114.000

Doorstroom van oudere huishoudens naar 75+

400.000

350.000

300.000

250.000

200.000

150.000

150.000 -150.000

Uitstroom oudere huishoudens

-365.000 -450.000

100.000

50.000

0

Alleenstaanden

Appartement

Paar zonder kind

Paar met kind

Grondgebonden

Eenoudergezin

36.000 252.000

234.000 Migratie (+)

124.000

270.000 376.000

Bron: EIM/Kwalitatieve woningvraag 2030

Er is meer vraag naar eengezinswoningen dan

naar appartementen. Op dit moment woont 66%

van de huishoudens in een eengezinswoning en

34% in een appartement. Door de toenemende

individualisering en doorzettende migratie neemt de

vraag naar appartementen in de uitbreidingsbehoefte

weliswaar relatief toe, maar met een aandeel van

ruim 40% blijft ook in de periode tot 2030 de vraag

160.000

Bron: EIM/Kwalitatieve woningvraag 2030

Alleenstaanden zullen meer appartementen dan

grondgebonden woningen vragen, hoewel het daar om

een klein verschil gaat. Bij paren met of zonder kinderen

is 180.000 er volgens de prognose een grotere vraag naar grondgebonden

woningen. Eenoudergezinnen vragen grofweg

140.000

evenveel appartementen als grondgebonden woningen.

120.000

100.000

80.000

60.000

40.000

20.00

-

Zeeland

Limburg

Drenthe

Friesland

Groningen

Overijsel

Gelderlend

Noord-Brabant

Utrecht

Zuid-Holland

Noord-Holland

Binnenstedelijk

Groene woonomgeving

301


302


300.000

250.000

200.000

150.000

100.000

50.000

0

Alleenstaanden

Appartement

Paar zonder kind

Paar met kind

Grondgebonden

Eenoudergezin

Woningvraag tot 2030 naar provincie en woonmilieu

180.000

160.000

140.000

120.000

100.000

80.000

60.000

40.000

20.00

-

Zeeland

Limburg

Drenthe

Friesland

Groningen

Overijsel

Gelderlend

Noord-Brabant

Utrecht

Zuid-Holland

Noord-Holland

Binnenstedelijk

Groene woonomgeving

Bron: EIM/Kwalitatieve woningvraag 2030

De Randstedelijke provincies vangen tot en met 2030

meer dan de helft van de extra woningvraag op.

Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht kennen een

gezamenlijke vraag van circa 360.000 woningen tot

en met 2030. Samen met de provincies Overijssel,

Flevoland, Gelderland en Noord-Brabant beslaan ze

90% van de vraag in Nederland. Het onderscheid tussen

de Randstad en de andere vier provincies is relevant

voor de vraag naar type woningen. Immers bestaat

in de Randstad ongeveer de helft van de bestaande

woningvoorraad uit appartementen, tegenover iets

minder dan 30% in de overige gebieden. Dit verschil

kan deels worden verklaard door de hoge mate van

verstedelijking in de Randstedelijke provincies. Tot slot is

naar verwachting de helft van de woningbouwopgave tot

en met 2030 in binnenstedelijke gebieden gecentreerd.

Vooral de Randstedelijke provincies laten naar verwachting

een hoge vraag naar woningen in dit soort gebieden zien.

Dit sluit aan bij de verhouding binnenstedelijk en groen

gebied in deze provincies. Zo zijn Noord-Holland, Utrecht

en Zuid-Holland al sterk verstedelijkt.

303


WONINGMARKT

Woningvoorraad

Van de ruim 8,1 miljoen woningen wordt 57% bewoond

door de eigenaar zelf en wordt 42,8% verhuurd. Van

de resterende woningen (0,1%) is niet bekend of het

een huur- dan wel koopwoning betreft. Het aandeel

eigen woningen is toegenomen van 56,6% in 2012 naar

57,0% in 2023. In 2019 was 57,4% van de woningen

een koopwoning. Tussen 2019 en 2023 is het aandeel

koopwoningen gedaald.

Eigen woningen per gemeente

Aandeel in %

Minder dan 45

45 - 55

55 - 65

65 - 75

75 of meer

Woningvoorraad naar eigendom en bouwjaar (2023)

100

80

60

40

20

Onbekend

Overig verhuur

Corporatiewoning

Eigen woning

Bron: Compendium voor

de Leefomgeving

0

1944 1945-1970 1971-1990 1991-2010 2011-2020 2021

en eerder

en later

Bron: Compendium voor de Leefomgeving

Totaal

Woningvooraad

stand aan het eind van de maand

8.260.671*

Nederland

www.datawonen.nl

Totale plancapaciteit 2024-230

aantal

971.350

CBS | Nov 2024 | *Voorlopig Nederland

VRO-PlanCap. | voorjaar 2024

Om woningen nader te typeren is het bouwjaar een veel

gehanteerde maatstaf. Onder de woningen die gebouwd

zijn tussen 2011 en 2020 is het aandeel huurwoningen

met 49,8% aanmerkelijk hoger dan in de periode

daarvoor. In de periode 1991-2010 was dat nog 34,5%.

Op 1 januari 2023 waren er ruim 8,1 miljoen

woningen in Nederland. Van deze woningen is 14,6%

in 2005 of later gebouwd. Bijna twee derde van alle

woningen bestaat uit eengezinswoningen, de rest uit

meergezinswoningen. Van de eigen woningen is bijna

84% een eengezinswoning. Bij huurwoningen ligt dit

aandeel aanzienlijk lager.

304


Woningtype per provincie, 2023

Groningen

Fryslân

Drenthe

Groningen

Overijssel

Fryslân

Gelderland

Drenthe

Flevoland

Overijssel

Utrecht

Gelderland

Noord-Holland

Flevoland

Zuid-Holland

Utrecht

Zeeland

Noord-Holland

Noord-Brabant

Zuid-Holland

Limburg

Zeeland

Noord-Brabant

Nederland

Limburg

0 20 40 60 80 100

% van woningvoorraad

Eengezinswoningen

Nederland

Meergezinswoningen

0 20 40 60 80 100

Eengezinswoningen

Bron: Compendium voor de Leefomgeving

Ruim 64% van de woningvoorraad bestaat uit

eengezinswoningen, bijna 36% uit meergezinswoningen

(waaronder appartementen, galerijwoningen, maar ook

woningen met bedrijfsruimten).

Woningen naar eigendom, woningtype en bouwjaar

Eigen woning

Eigen woning

Huurwoning

Huurwoning

Meergezinswoningen

% van woningvoorraad

Onder eigen woningen komen eengezinswoningen

relatief vaak voor met bijna 84% in Nederland.

De Randstedelijke provincies Zuid-Holland, Noord-

Holland en Utrecht hebben relatief meer eigen

meergezinswoningen dan de andere provincies.

Van de huurwoningen is iets minder dan 36,8% een

eengezinswoning. In Zuid-Holland is 76% van de

huurwoningen een meergezinswoning.

Van alle woningen is 18,3% gebouwd vóór 1945.

Onder eigen woningen is de vertegenwoordiging van

vooroorlogse woningen met 19,8% groter dan die onder

huurwoningen (16,3%). Van de eigen woningen is het

grootste deel (28,6%) gebouwd in de periode 1965-1984.

Dit geldt in sterkere mate ook voor huurwoningen. Bijna

een derde van dit woningtype dateert uit de periode 1965-

1984 (32,2%). Op 1 januari 2023 had 13,7% van de eigen

woningen als bouwjaar 2005 of later. Voor huurwoningen

geldt dat 15,8% een bouwjaar van 2005 of later had.

Opvallend is dat onder alle meergezinswoningen het

aandeel woningen in deze bouwjaarklasse (19,0%) hoger

ligt dan bij de eengezinswoningen (12,1%).

Eengezinswoningen

Eengezinswoningen

Meergezinswoningen

Meergezinswoningen

Woningvoorraad

In de eerste 11 maanden van 2024 zijn in totaal 182.634

woningen verkocht. Dit is een stijging van ruim 12%

ten opzichte van dezelfde periode in 2023 en ligt zelfs

boven het totale verkoopvolume van heel 2023.

Woningvoorraad

Voor 1945

1945 - 1964

Voor 1945

1945 - 1964

0 10 20 30 40

% van woningvoorraad

01965 - 1984 10 2005 en later 20 30 40

1985 - 2004

% van woningvoorraad

1965 - 1984 2005 en later

1985 - 2004

Bron: Compendium voor de Leefomgeving

305


-20%

1 2 3 4

2019

1 2 3 4

2020

1 2 3 4

2021

1 2 3 4

2022

1 2 3 4

2023

1 2 3 4

2024

Ontwikkeling aantal transacties ten opzichte van

12 maanden daarvoor

Trend aantal transacties

40%

Procentuele verandering

60.000

Aantallen

20%

Regio

G4

G40

Overig Nederland

40.000

0%

Aantal transacties

Trend

20.000

-20%

1 2 3 4

2019

1 2 3 4

2020

1 2 3 4

2021

1 2 3 4

2022

1 2 3 4

2023

1 2 3 4

2024

0

1 2 3 4

2014

1 2 3 4

2015

1 2 3 4

2016

1 2 3 4

2017

1 2 3 4

2018

1 2 3 4

2019

1 2 3 4

2020

1 2 3 4

2021

1 2 3 4

2022

1 2 3 4

2023

1 2 3

2024

Bron: Kadaster

Bron: Kadaster

In het derde kwartaal van 2024 registreerde het

Kadaster ruim 54.000 woningtransacties. Dit is 15,3%

meer dan in hetzelfde kwartaal in 2023. In de eerste 3

kwartalen van 2024 waren er meer transacties dan in

dezelfde periode in 2023. In totaal werden ruim 146.500

woningen verkocht. Dit is 11,1% meer dan in dezelfde

periode in 2023. Vergeleken met het tweede kwartaal

van 2024 steeg het aantal transacties in het derde

60.000

Aantallen

kwartaal met 12,9%.

De grafiek laat de ontwikkeling zien van het aantal

transacties en de trend van het aantal transacties op de

woningmarkt. De trend laat steeds het gemiddelde zien

van de laatste 4 kwartalen.

40.000

Aantal transacties

Trend

20.000

0

1 2 3 4

2014

1 2 3 4

2015

1 2 3 4

2016

1 2 3 4

2017

1 2 3 4

2018

1 2 3 4

2019

1 2 3 4

2020

1 2 3 4

2021

1 2 3 4

2022

1 2 3 4

2023

1 2 3

2024

306


307


REGELGEVING

Politieke ontwikkelingen in de laatste 5 jaar

In 2019 vond onder druk van het oplopende

woningtekort en de steeds hogere bevolkings prognoses

een omslag in het rijksbeleid plaats. Erkend werd dat

het woningtekort een probleem is dat op nationaal

niveau niet alleen om aandacht vraagt, maar ook

inzet van rijksmiddelen vergt. In de afgelopen jaren

is er in aanvulling op de initiële Woningbouwimpuls

meer aandacht voor de problemen op de woningmarkt

gekomen, onder andere in de vorm van een minister van

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.

De verhuurderheffing is afgeschaft en er zijn

aanzienlijke financiële middelen voor woningbouw en

de ontsluiting van woningbouwlocaties beschikbaar

gekomen. In het programma Woningbouw (maart

2022) zijn vier "actielijnen" geformuleerd om de

woningproductie op te stuwen. In de eerste actielijn

wordt er onder de noemer "versterken van de regie"

ingezet op het sluiten van regionale woondeals

en het monitoren van de voortgang daarvan. De

tweede actielijn "sneller van initiatief tot realisatie"

zet in op kennisuitwisseling, stroomlijnen van

regelgeving, wegnemen van knelpunten (personeel,

nutsaansluitingen, stikstof, etc.) en het bevorderen

van industrieel en circulair bouwen. De derde actielijn

"versnellen woningbouw" richt zich op het oplossen van

financiële knelpunten bij publieke investeringen die het

bouwen van (betaalbare) woningen in de weg staan.

Het gaat dan onder andere om de Woningbouwimpuls,

middelen voor de huisvesting van aandachtsgroepen,

middelen voor de ontsluiting van locaties en het

stimuleren van flexwonen.

De vierde actielijn richt zich op grootschalige

woningbouwgebieden waar de betrokkenheid van het

Rijk intensief is, de zogenaamde NOVEX-locaties. In het

afgelopen jaar zijn er onder andere bijdragen toegekend

aan projecten in het kader van de Woningbouwimpuls,

de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen

308


en de Startbouwimpuls. De Startbouwimpuls is

toegekend aan projecten met veel betaalbare woningen

die als gevolg van de economische tegenwind niet tot

uitvoering dreigden te komen. Het merendeel van deze

projecten is in 2024 in aanbouw genomen. Verwacht

wordt de introductie van een Doorbouwfaciliteit. Vanuit

de markt wordt er daarnaast aangedrongen op nog een

extra Startbouwimpuls.

Uit het hoofdlijnenakkoord valt af te leiden dat ook

het nieuwe kabinet de woningbouw met financiële

middelen wil stimuleren. De grote nadruk die sinds kort

door overheden gelegd wordt op de betaalbaarheid van

twee derde van de toe te voegen woningen heeft ook

invloed op de woningproductie. De winstgevendheid

van projecten vermindert door dit streven, hetgeen

op termijn tot lagere grondprijzen leidt. Bij reeds

aangekochte gronden leidt het mogelijk tot financiële

knelpunten en vertraging. Een deel van de verhuurders

loopt te hoop tegen de maatregelen die er in de

huursector zijn doorgevoerd of op de rol staan. Naast

een aantal fiscale maatregelen die verhuur minder

aantrekkelijk maken gaat het om de systematiek van

toegestane huurverhogingen in de vrije sector, op basis

van de loonontwikkeling als die lager is dan de inflatie,

en de voorgenomen regulering van de middenhuur (Wet

betaalbare huur).

Wat betreft nieuwbouwprojecten voorziet de Wet

betaalbare huur, die inmiddels van kracht is, voor

nieuwbouwwoningen waarvan de start bouw voor 1

januari 2028 plaatsvindt in een nieuwbouwopslag

van 10% gedurende 20 jaar. Een andere maatregel, de

verhoging van de overdrachtsbelasting tot 10,4%, wordt

momenteel geëvalueerd. Verwacht wordt dat komend

jaar een verlaging wordt aangekondigd.

Over de impact van de (voorgestelde) maatregelen in

de huursector op de woningbouwproductie verschillen

de meningen. Projecten zouden volgens sommigen

geen doorgang vinden vanwege de opeenhoping van

maatregelen. Anderen houden de sterk gestegen rente

daar vooral verantwoordelijk voor.

De voorgenomen verhoging van de productie van

woningen op tijdelijke locaties, "flexwoningen",

wordt dichterbij gebracht door meer financiële

steun van het Rijk voor deze projecten en door de

financiële herplaatsingsgarantie. Met de Nationale

Prestatieafspraken en de regionale woondeals hebben

corporaties en gemeenten op zich genomen om op grote

schaal flexwoningen te realiseren. De verwachting dat

het aantal gerealiseerde flexwoningen snel zal oplopen

lijkt hiermee gerechtvaardigd. Gezien de weerstand die

projecten met flexwoningen oproepen blijft het echter de

vraag of de 15.000 flexwoningen per jaar waar het Rijk

naar streeft werkelijkheid worden. In 2023 zijn er volgens

het ministerie van BZK 5.100 flexwoningen gerealiseerd.

Omgevingswet

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet ingevoerd

en loopt het juridisch verkeer via het digitale

Omgevingsloket. In de woningbouwverwachtingen

is aangenomen dat stikstof en de invoering van de

Omgevingswet geen remmende factoren gaan vormen.

Datzelfde geldt voor het "Didam-arrest", dat het

exclusief aanbieden van grond aan één private partij

aan banden legt.

309


KLIMAATRISICO’S WONINGEN

Komt er een klimaatlabel voor woningen? Het label zou

indicatief zijn voor klimaatrisico’s zoals overstromingen

of droogte. De eerste initiatieven tot dit label komen van

de banken en raken zowel huizenbezitters als kopers.

Het klimaat verandert, en daarmee ook de risico’s voor

woningen. Overstromingen, droogte en hittegolven komen

steeds vaker voor. Dit heeft grote gevolgen voor huizen

en hun bewoners. Om huizenbezitters en kopers beter

te informeren over deze risico’s, wordt er gepleit voor

een verplicht klimaatlabel voor woningen. Dit label moet

inzicht geven in de klimaatbestendigheid van een woning.

Het label zou bijvoorbeeld kunnen aangeven of een

woning in een overstromingsgevoelig gebied ligt,

de woning het risico loopt op funderingsschade

door droogte of dat een dak wel of niet geschikt is

voor zonnepanelen.

Met een klimaatlabel kunnen kopers en huizenbezitters

beter inschatten welke klimaatrisico’s een woning

loopt, zodat ze eventuele maatregelen kunnen

nemen om deze risico’s te verkleinen en om de

woning klimaatbestendiger te maken. Zo kunnen

zij bijvoorbeeld besluiten om extra isolatie aan

te brengen, een groen dak aan te leggen of een

waterbergingssysteem te installeren.

Daarnaast kan het klimaatlabel kopers helpen

bij het maken van een weloverwogen beslissing

bij de aankoop van een woning. Is het risico op

overstromingen of droogte acceptabel of zou het

verstandiger zijn om verder te zoeken naar een

woning met een lager klimaatrisico?

Het idee van het klimaatlabel komt van de drie grote

Nederlandse banken: ING, Rabobank en ABN AMRO.

De banken pleiten voor het label omdat veel eigenaren

te weinig weten over de financiële risico’s die door

klimaatverandering ontstaan, en deze vaak ook niet

kunnen dragen. Bewoners in "klimaatkwetsbare wijken"

lopen mogelijk grote financiële risico’s.

Maar ook de banken lopen risico door het klimaat,

namelijk een stabiliteitsrisico. Het label geeft inzicht

in de risico’s die banken lopen bij het verstrekken van

hypotheken. Een woning met een hoog klimaatrisico

kan namelijk een groter risico vormen voor de bank.

Bijvoorbeeld als het huis door een overstroming

onbewoonbaar wordt en de hypotheek niet meer kan

worden terugbetaald.

Het gevolg is dat het klimaatlabel invloed heeft op

de financieringen van woningen, zoals hypotheken.

Banken kunnen besluiten om strengere eisen te

stellen aan woningen met een hoog klimaatrisico. Zij

kunnen daarvoor bijvoorbeeld een lagere hypotheek

verstrekken of een hogere rente vragen. Hierdoor kan

het lastiger worden om een hypotheek te krijgen voor

een woning met een hoog klimaatrisico of kan de

hypotheek hoger uitvallen.

Het label kan ook een nadelig gevolg voor individuele

huiseigenaren hebben. Een woning met een slecht

klimaatlabel zal minder waard zijn. Het klimaatlabel

kan dus de prijzen op de woningmarkt drukken. Met het

klimaatlabel zal de vraag naar woningen zonder of met

weinig risico’s stijgen, net als de prijs ervan.

310


De banken benoemen drie grote kostenposten die

ontstaan door klimaatbeleid en klimaatverandering:

- Verduurzaming van alle huizen en gebouwen.

- Aanpassen van de openbare ruimte aan

wateroverlast, droogte en hitte.

- Repareren van funderingen die verzakken of

rotten door droogte, lage grondwaterstanden

en bodemdaling.

De banken stellen dat Nederland deze kosten wel aankan

als rijk land. Met de overwaarde op de woningmarkt

kunnen veel eigenaren verduurzaming en beperkte

klimaatschade wel betalen. Daarnaast zien de banken

ook een rol voor zichzelf als hypotheekverstrekker.

De Vereniging Eigen Huis (VEH) is het niet eens met het

doorschuiven van de rekening van klimaatrisico’s naar

huiseigenaren. Zij hebben namelijk nauwelijks tot geen

invloed op de oorzaak van de schade door extreem laag

of hoog water. De lasten moeten daarom op een eerlijke

manier verdeeld worden. Overstromingsrisico’s uit primaire

waterkeringen moeten volgens de VEH verzekerbaar worden.

311


DE ACTUALITEIT

Nieuwbouw

Na vele jaren van groei is de bouwproductie in 2024 met 3% gedaald (het equivalent van € 3 miljard).

Vooral de nieuwbouw van woningen en utiliteitsgebouwen liep fors terug. Ook de investeringen in

duurzaamheid daalden, na een spectaculaire groei in eerdere jaren. In de periode 2025-2029 kan

de bouwproductie weer toenemen van € 97 miljard in 2024 naar € 107 miljard in 2029. Op korte

termijn is de nieuwbouw van woningen de belangrijkste groeisector, op middellange termijn neemt

de bouwproductie over een breed spectrum gematigd toe.

Het doel van de overheid om 100.000 nieuwe woningen

per jaar op te leveren, wordt de komende jaren niet

gehaald, zo blijkt begin 2025 uit een analyse van het

Economisch Instituut voor de Bouw (EIB). In 2024 bleef

het aantal opgeleverde nieuwe woningen op 82.000

steken. De vrees bestaat dat ook de komende 5 jaar

het jaarstreefcijfer niet zal worden behaald; de laatste

schatting van EIB voorziet voor 2029 in 96.000 nieuw

opgeleverde woningen.

Volgens gegevens van het ministerie van

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening werden er

in 2024 82.000 nieuwe woningen gerealiseerd. Het

gaat daarbij om nieuwbouw en woningtransformaties.

Tegelijkertijd werden er in 2024 ook 12.000 woningen

gesloopt, waardoor de netto-uitbreiding op 70.000

woningen komt. Voor 2029 voorziet EIB een nettotoename

van 83.000.

De huidige verwachting voor 2025 is dat er niet meer

dan circa 80.000 woningen bij zullen komen.

Woningtekort

Op basis van een jaarlijks onderzoek in de zomer van

2024 door ABF Research in opdracht van het ministerie

van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) komt

Nederland 400.000 woningen tekort. Er is sprake van

een toename van het tekort, mede door de instroom van

Oekraïense vluchtelingen die het aantal huishoudens

sneller deed toenemen dan de woningvoorraad. In 2022

was het woningtekort nog 315.000.

Op basis van het aantal verleende bouwvergunningen,

berekende ABF Research een pijplijn van 836.000

huizen tot en met 2030. Daarin zit ten opzichte van de

noodzakelijke 1 miljoen te realiseren woningen dus nog

bijna 20% krapte.

Huishoudens, woningen en woningtekort 2024-2039

100.000

90.000

80.000

70.000

60.000

50.000

40.000

30.000

20.000

10.000

0

nu

Geschat tekort van

401 duizend (4,9%)

2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035 2036 2037 2038 2039

Bron: Ministerie van Volkshuisvesting en ruimtelijke ordening

2039

Geschat tekort van

218 duizend (2,3%)

500.000

450.000

400.000

350.000

300.000

250.000

200.000

150.000

100.000

50.000

0

312


Toename woningbouw noodzakelijk

Volgens het ministerie van Volkshuisvesting en

Ruimtelijke Ordening zou de komende jaren een

verdere toename kunnen plaatsvinden van de

woningbouw. Daarbij is niet duidelijk in welke mate

rekening is gehouden met de gevolgen van de nieuwe

stikstofuitspraken van de Raad van State en de

rechtbank in Den Haag.

De Wet versterking regie volkshuisvesting moet de

overheid meer armslag geven om de woningbouw vlot

te trekken. Met deze wet zou het kabinet meer macht

en invloed moeten krijgen met betrekking tot de vraag

waar, hoeveel en voor wie er wordt gebouwd. Zo kan

het kabinet bouwlocaties aanwijzen als provincies en

gemeenten daar niet uitkomen.

Belangrijk onderdeel van de (regie)wet is dat wordt

vastgelegd dat twee derde van de nieuwbouw

"betaalbaar" moet zijn. Naar het huidige prijspeil

betekent dat voldoende koopwoningen met een prijs tot

€ 405.000 of een maandhuur tot ruim € 1300 (inclusief

10% opslag voor nieuwbouw). Ook moet de wet regelen

dat per gemeente 30% van de nieuwbouw bestaat uit

sociale huurwoningen, waarvoor mensen met lagere

inkomens in aanmerking komen.

Juist dat laatste onderdeel staat nog altijd ter discussie.

Zo werd in het regeerprogramma van het kabinet-

Schoof afgesproken dat gemeenten "lokale ruimte"

krijgen om af te wijken van de 30%-norm. Volgens

cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek ligt

in acht op de tien gemeenten het percentage sociale

huurwoningen onder de 30.

In het segment sociale woningbouw spelen woningcorporaties

een belangrijke rol. Corporaties spraken eind

2024 met het Rijk en gemeenten af dat zij in 2029 minstens

30.000 huizen per jaar zullen bouwen. Volgens voorlopige

cijfers waren dat er in 2024 iets meer dan 20.000.

Met miljarden aan subsidies hoopt de overheid al

jarenlang de woningbouw aan te jagen. Volgens

onderzoekers van het Centraal Planbureau is het

maar zeer de vraag hoe effectief dat is. Vooral bij

stijgende huizenprijzen kan dat geld vooral tot hogere

grondprijzen leiden en zo komen de miljarden subsidie

van de overheid niet bij woningzoekenden terecht.

Subsidies waren de afgelopen jaren juist het belangrijkste

middel voor de overheid om sneller en meer woningen te

bouwen. Achtereenvolgende kabinetten gaven miljarden

euro’s uit om het woningtekort terug te dringen. Een

voorbeeld van zo’n subsidie is de Woningbouwimpuls.

Het kabinet-Rutte III stelde in 2019 € 1 mld. beschikbaar

om tekorten bij gemeenten aan te vullen. Een ander

voorbeeld is de Startbouwimpuls, waarvoor Rutte IV

€ 300 mln. uittrok. Dit geld was bestemd voor projecten

die niet konden beginnen door de in 2022 en 2023 snel

gestegen rente en bouwkosten.

Ook het zittende kabinet is van plan miljarden euro’s

te steken in de woningbouw. Zo wil woonminister Mona

Keijzer (BBB) tot en met 2029 € 1,6 mld. uittrekken voor

een nog te ontwikkelen "realisatie-impuls". Met deze

subsidiepot moeten gemeenten straks een vast bedrag

per opgeleverde woning kunnen krijgen. Daarnaast

geeft het kabinet miljarden euro’s uit voor meer en een

betere infrastructuur rond woonwijken.

313


Of subsidies een effect hebben op de woningbouw,

hangt af van in hoeverre hogere prijzen ook een prikkel

zijn voor het verhogen van het woningaanbod; gaan

ontwikkelaars en gemeenten ook meer bouwen als

de huizenprijzen stijgen? Uit eerdere onderzoeken

bleek dat in Nederland nauwelijks het geval te zijn.

Voor ontwikkelaars is het in een markt waarin de

prijzen stijgen aantrekkelijk te wachten met bouwen,

omdat ze dan mogelijk nog een hoger rendement

kunnen behalen. Ook het ruimtelijke- ordeningsbeleid

speelt een rol: het duurt in de regel jaren voordat een

woningbouwproject van de grond komt door gesteggel

tussen overheden en door bezwaren.

De kans is groot dat subsidies voor het vergroten van

de woningbouwproductie verdwijnen in de grondprijs,

stellen wetenschappers. Woningzoekenden hebben zo

weinig aan die subsidie.

Rem op woningbouw

Door een recente uitspraak van de Raad van State

en een uitspraak van de rechtbank in Den Haag zijn

er twee belangrijke nieuwe hobbels ontstaan om de

woningbouw op te voeren.

wegstrepen als de uitstoot elders binnen het

bedrijf daalde of ongebruikt was. Daar was geen

nieuwe vergunning voor nodig. Het arrest maakt het

compenseren van stikstofuitstoot binnen een bedrijf

vergunningplichtig.. Nu dit niet meer mag, moet er

mogelijk alsnog een vergunning worden aangevraagd.

Het alsnog moeten aanvragen van een vergunning kan

tot forse vertragingen van projecten leiden, en mogelijk

de financiering ervan in gevaar brengen.

Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State

kunnen al gebouwde woonwijken "illegaal" zijn, of

nieuwbouwprojecten die in de startblokken staan

alsnog een natuurvergunning nodig hebben.

Bij intern salderen wordt de nieuwe activiteit beoordeeld

ten opzichte van de reeds toegestane activiteit op die

locatie. Dit betekent dat als de nieuwe activiteit zorgt

voor een emissietoename, de emissie van de bestaande

toegestane activiteit dusdanig verlaagd moet worden

dat de nieuw veroorzaakte depositie daar in haar geheel

binnen past. Dit geldt voor de depositie op alle locaties

in alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden waar

een wijziging in neerslag plaatsvindt.

Uitspraak Raad van State

Met de uitspraak van de Raad van State eind 2024

maakt de hoogste rechter ook het compenseren van

stikstofuitstoot binnen een bedrijf vergunningplichtig,

in jargon "intern salderen". De uitspraak geldt bovendien

met terugwerkende kracht voor de afgelopen vijf jaar.

Voorheen kon een ondernemer die beschikte over een

vergunning en wilde uitbreiden, nieuwe stikstofuitstoot

Indien het met intern salderen niet mogelijk is om de

nieuwe situatie volledig te salderen, dan kan mogelijk

gebruikgemaakt worden van extern salderen. Bij extern

salderen neemt een initiatiefnemer de ruimte die

ontstaat door beëindiging van een stikstofemissieveroorzakende

activiteit op een andere locatie

permanent over. De activiteit die (deels) stopt noemen

we de saldogever. De initiatiefnemer die de ruimte

benut is de saldonemer. Omdat het doel een daling van

314


stikstofdepositie is, mag de saldonemer maximaal 60%

van de ruimte benutten; de resterende 40% draagt bij

aan een depositiedaling voor de natuur.

Intern salderen en extern salderen zijn twee

instrumenten die het voor de korte termijn mogelijk

maken om stikstofruimte te bieden aan nieuwe

ontwikkelingen. Dit kan de aanleg van een nieuwe

woonwijk, fabriek of weg zijn.

Uitspraak rechtbank Den Haag

Een tweede barrière die is ontstaan volgt uit een

uitspraak in een bodemprocedure tussen Greenpeace

en de staat, waarin de rechtbank in Den Haag oordeelde

dat de Nederlandse staat onrechtmatig handelt door

de verslechtering van de stikstofgevoelige natuur in

Natura 2000-gebieden niet tijdig te stoppen en de

wettelijke stikstofdoelen voor 2025 niet en voor 2030

zeer waarschijnlijk niet te halen.

De rechtbank beveelt de staat zich aan zijn stikstofdoel

voor 2030 te houden, hetgeen betekent dat de staat

50% van de oppervlakte van de stikstofgevoelige natuur

uiterlijk op 31 december 2030 onder de grenswaarde

moet brengen. Daarbij moet de staat, anders dan hij

tot nu gedaan heeft, voorrang geven aan de meest

kwetsbare natuur. De rechtbank oordeelde dat de staat

dit vonnis direct moet uitvoeren, ook in aanloop naar de

beslissing in een eventueel hoger beroep, op straffe van

een boete van € 10 miljoen.

Bij de stikstofproblematiek die in deze zaak centraal

staat, gaat het met name om stikstofoxiden en

ammoniak. Stikstofoxiden komen onder meer vrij bij

verbrandingsprocessen, zoals bij autoverkeer en de

industrie. De landbouw is de belangrijkste bron van de

uitstoot van ammoniak. Stikstofoxiden en ammoniak

komen via de lucht op de bodem en gewassen terecht.

Dit proces wordt depositie (stikstofneerslag) genoemd.

Deze neerslag zorgt voor verzuring en vermesting van

de bodem waardoor de balans van voedingstoffen

wordt ontwricht. Daardoor verdwijnen plantensoorten

of nemen die in kwaliteit af, hetgeen gevolgen heeft

voor dieren die van deze plantensoorten afhankelijk

zijn. De natuur wordt minder divers, terwijl biodiversiteit

belangrijk is voor de veerkracht van de natuur en het

in stand houden van belangrijke ecosysteemdiensten,

zoals bestuiving van gewassen. De uitstoot van stikstof

heeft ook een schadelijk effect op de volksgezondheid

doordat water- en luchtkwaliteit erdoor achteruitgaan.

De KDW (kritische depositiewaarde) drukt uit hoeveel

stikstofdepositie de natuur per jaar zonder schade kan

verdragen. Overschrijding van de KDW betekent dat

niet langer kan worden uitgesloten dat de kwaliteit van

een leefgebied wordt aangetast door de verzurende of

vermestende invloed van stikstofdepositie.

Nederland telt 162 Natura 2000-gebieden die zijn

aangewezen op basis van twee Europese richtlijnen:

de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Deze

richtlijnen leggen aan de EU-lidstaten de verplichting

op om de natuur in de Natura 2000-gebieden in stand

te houden en om te voorkomen dat er verslechtering

optreedt. Voor elk type leefgebied in die Natura

2000-gebieden is wetenschappelijk bepaald wat

de KDW is. De waarden zijn gebaseerd op Europees

vastgestelde uitgangspunten.

315


Bij wet is vastgelegd dat in 2025, 2030 en 2035

respectievelijk 40, 50 en 74% van de stikstofgevoelige

natuur in de Natura 2000-gebieden onder de KDW

moet zijn gebracht.

Op basis van wetenschappelijke onderzoeken is

een "Urgente Lijst" tot stand gekomen van typen

leefgebieden die als urgent en zeer urgent beoordeeld

worden. In deze typen leefgebieden is een snelle

vermindering van de stikstofneerslag nodig om

duurzaam herstel te realiseren.

In 2022 was twee derde van de stikstof die op

Natura 2000-gebieden terechtkwam afkomstig van

Nederlandse bronnen. Van die Nederlandse depositie

kwam 76% van de landbouw (inclusief veeteelt), 16%

van de mobiliteit (wegverkeer, zeescheepvaart en overig

verkeer), 5% van de huishoudens, diensten en de bouw

en 3% van de Nederlandse industrie.

vorige kabinet zijn vastgesteld ruim onvoldoende zijn

om de wettelijke doelen voor 2025 en 2030 te behalen.

Verder constateert de rechtbank dat het kabinet-Schoof

tot op heden geen beleid heeft aangekondigd op grond

waarvan met enige wetenschappelijke zekerheid kan

worden aangenomen dat bij uitvoering daarvan het

wettelijk stikstofdoel voor 2030 zal worden behaald.

Daar komt bij dat het kabinet-Schoof al wel heeft

besloten onder meer het Transitiefonds, waarin € 24,3

miljard beschikbaar zou komen, niet voort te zetten,

waarmee de financiële ruimte om beleid te voeren dat

is gericht op stikstofvermindering sterk is afgenomen.

Het onrechtmatig handelen van de staat zal volgens

Greenpeace leiden tot een onomkeerbare verandering

van de beschermde natuur in Nederland.

De rechtbank wijst in verband met de uitspraak naar

de rapporten van Bobbink (2021), Tomassen (2022), elf

wetenschappers van de Wageningen Universiteit (2021)

en een analyse van de Ecologische Autoriteit (2024).

Uit deze rapporten blijkt dat stikstofdepositie in (vrijwel)

alle Natura 2000-gebieden een belangrijke oorzaak is

van de verslechtering. Dit valt de staat aan te rekenen,

oordeelt de rechtbank. Zo voerde de regering in 2015

de PAS-aanpak in, die in strijd is met Europees recht,

terwijl van meet af aan bij de staat bekend was dat de

uitvoerbaarheid van deze aanpak onzekerheid met zich

meebracht. De staat draagt de verantwoordelijkheid

om ervoor te zorgen dat nationale wet- en regelgeving

met Europees recht in overeenstemming is. Uit cijfers

van het RIVM blijkt dat de maatregelen die onder het

De rechtbank oordeelt dat de staat zich moet houden

aan het in de Omgevingswet opgenomen stikstofdoel

van 2030, wat betekent dat 50% van de oppervlakte aan

stikstofgevoelige natuur in de Natura 2000-gebieden

onder de KDW moet worden gebracht. Daarbij moet,

anders dan tot nu is gebeurd, voorrang worden gegeven

aan de gebieden die de grootste zorg behoeven en op

de Urgente Lijst staan. Dat deze gebieden voorrang

moeten krijgen vloeit voort uit de Omgevingswet.

316


Leefgebieden Urgente Lijst

De voornaamste oorzaak voor de klimaatverandering

wordt gezocht in CO₂-uitstoot, als gevolg van het

verbranden van fossiele brandstoffen als olie, gas en

steenkool. Nooit ging er meer CO₂ de lucht in dan vorig

jaar. Daarbovenop kwam weersverschijnsel El Niño,

waarbij warme waterstromen zich door de Stille Oceaan

verplaatsten en daardoor verdere opwarming van het

zeewater veroorzaakten.

De gevolgen van de opwarming zijn inmiddels op

ieder continent zichtbaar, met als meest recente

voorbeeld de verwoestende bosbranden die momenteel

woeden rondom de Amerikaanse stad Los Angeles. In

2024 kregen ook Bolivia en Venezuela te maken met

Ligging Rode/Oranje lijst Bobbink/Tomassen 2024

met overschrijding KDW (2021)

Rode leefgebieden

Oranje leefgebieden

Stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden

Samengesteld door Gispoint, op basis van:

- Kritische depositiewaarden (KDW’s) 2023

- AERIUS Calculator 2023

- Rode/Oranje lijst Bobbink/Tomassen 2024 met overschrijding KDW (2021)

Bron: www.rechtspraak.nl

Belang van kwalitatieve aspecten

in de woningbouw

Wereldwijd is de temperatuur in 2023 gemiddeld 1,2 °C

hoger dan in de periode 1850-1900. In 2024 schoot de

opwarming van de aarde voor het eerst door de 1,5 °C,

vergeleken met het pre-industriële tijdperk (bron:

Europese klimaatcentrum Copernicus). Daarmee is 2024

officieel het warmste jaar sinds het begin van de metingen.

Elke maand in 2024 was ofwel de warmste, ofwel de op

een na warmste ooit gemeten. Ook in voorgaande jaren

was al een stijging te zien: elk van de afgelopen tien

jaar behoorde tot de tien warmste jaren ooit.

rampzalige branden, terwijl Nepal, Soedan en Spanje

getroffen werden door hevige overstromingen. In

Mexico en Saoedi-Arabië kostten hittegolven duizenden

mensen het leven.

Over de afgelopen 20 jaar is de aarde nog met

"slechts" 1,36 °C opgewarmd. Naar schatting zal, in

het huidige tempo, de wereld in 2030 definitief door

de grens van 1,5 °C schieten.

Voor Nederland is de opwarming overigens nog

hoger: het Klimaatdashboard van het KNMI laat zien

dat de gemiddelde temperatuur in De Bilt tussen

1901 en 2023 met ongeveer 2,4 °C gestegen is. De

gemiddelde temperatuur tussen 2014 en nu lijkt nog

sterker te zijn toegenomen.

317


De zomers krijgen meer tropische nachten, met een

minimumtemperatuur van 20 °C of hoger. In het

extreme scenario neemt in De Bilt het aantal tropische

nachten per zomer toe van 0,3 in het huidige klimaat

tot 3 rond 2050 en tot 19 in 2100. Ook komen er meer

zomerse dagen, met een maximumtemperatuur van

25 °C of hoger. In het extreme scenario neemt in De

Bilt het aantal zomerse dagen per jaar toe van 28 in

het huidige klimaat tot 49 rond 2050 en 89 rond 2100.

De Klimaateffectatlas toont het effect van de opwarming

van de aarde op een bepaalde locatie.

Uit de KNMI’23-scenario’s blijkt dat niet alleen de

gemiddelde temperatuur stijgt, maar dat ook de

hitte-extremen toenemen. Vooral in sterk versteende

gebieden is extreme hitte een probleem. In sterk

versteende gebieden wordt het vaak warmer dan in

het omliggende buitengebied doordat ze meer warmte

vasthouden. Dit heet ook wel het hitte-eilandeffect.

Dit effect neemt verder toe als steden en dorpen

steeds meer verstenen. Het hitte-eilandeffect wordt

veroorzaakt door de volgende factoren:

- Stenige materialen absorberen zonnestraling,

waardoor het materiaal opwarmt.

- Er is een gebrek aan verdamping door weinig

groen en water. Daardoor wordt een groot deel van

de zonnestraling omgezet in voelbare warmte.

- Verschillende menselijke activiteiten stoten warmte

uit, bijvoorbeeld in industrie en huishoudens.

‘s Nachts is het verschil in temperatuur tussen stad en

platteland het grootst. Dat komt doordat de stad na

zonsondergang langzamer afkoelt dan het buitengebied.

Het temperatuurverschil kan oplopen tot meer dan 7 °C.

De sterkte van het hitte-eilandeffect in stedelijk

gebied hangt vooral af van de hoeveelheid bebouwing,

verharding en groen van het oppervlak. Verder speelt

mee wat de verhouding is tussen gebouwhoogte

en straatbreedte, en hoeveel warmte gebouwen en

andere oppervlakken uitstralen naar de atmosfeer.

Wat ook invloed heeft is in hoeverre een gebied open

is zodat er wind doorheen kan waaien. De inrichting

van een straat of wijk heeft dus invloed op de lokale

temperatuur: de ene wijk veroorzaakt een sterker

hitte-eilandeffect dan de andere. Meer informatie is te

vinden in de Atlas Leefomgeving.

Het Nederlandse kabinet werkt aan een nationale

aanpak klimaatadaptatie, die moet voorkomen dat

de klimaatschade oploopt tot bijna € 175 miljard

in 2050. Daarvan is ongeveer 10% gerelateerd aan

hitte, waarvan de gevolgen voor de volksgezondheid

en vermindering van de arbeidsproductiviteit de

belangrijkste invloeden zijn. Gevolgen voor de

volksgezondheid hebben te maken met verhoogde

uitval/ziekte en een hogere sterfte onder de bevolking.

318


319


320


SAMENVATTING

321


ACHTERGRONDEN, BEGRIPPEN EN WETGEVING RELEVANT VOOR

HET TOEPASSEN VAN DYNAMISCHE ZONWERING IN GEBOUWEN

Klimaatverandering

Klimaatverandering is de langdurige verandering van de temperatuur en weersomstandigheden

op aarde. Wetenschappers verklaren de klimaatverandering door de toenemende uitstoot van

broeikasgassen, zoals CO₂, methaan (CH₄) en lachgas (N₂O). De dampkring van de aarde bevat

van nature een bepaalde hoeveelheid van elk van die gassen en zorgt voor een noodzakelijk

broeikaseffect; de dampkring is nodig om de aarde leefbaar te maken. Het versterkte broeikaseffect

leidt echter tot een stijging van de gemiddelde temperatuur.

Precies 1 jaar was 2023 het warmste jaar ooit, 0,6 °C

warmer dan het gemiddelde van 1991-2020. De

temperatuur lag 1,48 °C hoger dan in de pre-industriële

periode (1850-1900). September 2023 had de grootste

temperatuurafwijking ooit (+0,93 °C boven het

gemiddelde). Juli en augustus 2023 waren de warmste

maanden ooit gemeten. Gemeten over het hele jaar was

50% van de dagen in 2023 meer dan 1,5 °C warmer dan

het pre-industriële gemiddelde. Inmiddels is bekend dat

2024 gemiddeld nog warmer is geweest dan 2023.

Europa warmt twee keer zo snel op als het mondiale

gemiddelde. De drie warmste jaren in Europa waren

allemaal na 2020. Zuid-Europa heeft te maken met langdurige

droogte, terwijl Noord- en Centraal-Europa meer te

maken krijgen met extreme neerslag en overstromingen.

Gevolgen van klimaatverandering zijn extremer weer,

stijging van de zeespiegel en verlies van biodiversiteit.

Klimaatverandering heeft ook ingrijpende wijzigingen in

de voedselketen tot gevolg.

- Hittegolven, en meer in het algemeen

verhoging van de temperatuur, veroorzaken

gezondheidsproblemen.

- De Groenlandse ijskap kan de zeespiegel met

7,4 meter laten stijgen als deze volledig smelt.

Het smelten van de Antarctische ijskap kan

leiden tot een stijging van 57,9 meter. Met elke

centimeter zeespiegelstijging worden 6 miljoen

mensen wereldwijd extra blootgesteld aan

overstromingen.

Gletsjers smelten, wat leidt tot verhoogde waterstanden

en natuurrampen. Het aantal hittegerelateerde sterfgevallen

is met 30% gestegen in de afgelopen 20 jaar.

In Zuid-Europa waren er in 2023 tot wel 80 dagen met

extreme hittestress (gevoelstemperatuur boven de 46 °C).

Hittegolven leiden tot meer luchtvervuiling, hittestress

en ademhalingsproblemen. Psychische klachten zoals

322


angst en depressie nemen toe door klimaatverandering.

Sinds 1970 is extreme hitte de belangrijkste oorzaak van

klimaatgerelateerde sterfgevallen in Europa.

Zo wordt 31% van de hittegerelateerde sterfgevallen in

Nederland toegeschreven aan klimaatverandering. In

Zuid-Europa is het percentage opgelopen tot 4,5% van

alle sterfgevallen. Hittegolven zorgen voor duizenden

extra doden per jaar. Het zijn met name ouderen, zieken

en jonge kinderen die de grootste risico’s lopen. Extreme

hitte verhoogt de hartslag en kan leiden tot hitteberoertes.

Wetenschappers schatten in dat de zeespiegelstijging

in Nederland tussen de 25 cm en 125 cm is tegen 2085.

Nederland ervaart al meer hittegolven en we weten

inmiddels dat de temperaturen in de zomer op kunnen

lopen tot 45 °C in 2050. Het aantal vorstdagen daalt van

48 dagen nu naar 17 in 2085, terwijl het aantal zomerse

dagen stijgt van 20 naar 40. Het stedelijke hitte-eilandeffect

zorgt ervoor dat steden zoals Amsterdam tot 5 °C

warmer zijn dan het omliggende platteland. Neerslagpatronen

veranderen: meer regenval in korte tijd, wat

leidt tot wateroverlast.

Internationale klimaatafspraken

In het akkoord van Parijs (2015) werd tussen landen

afgesproken een beperking van de opwarming van de

aarde na te streven van maximaal 2 °C, met een streven

naar 1,5 °C, in vergelijking tot de gemiddelde temperatuur

op aarde voor de industriële revolutie. De Europese

klimaatwet geeft aan dat de CO₂-uitstoot met 55% te

verminderen in 2030 en gereduceerd moet zijn naar nul

in 2050. De Nederlandse klimaatwet heeft ten doel 49%

CO₂-reductie na te streven in 2030 en 95% in 2050.

Maatregelen

Het wordt noodzakelijk geacht maatregelen te

nemen die de klimaatverandering beperken dan wel

maatregelen die adaptie ondersteunen. Zonder extra

klimaatmaatregelen kan Nederland de wettelijke

CO₂-reductiedoelen voor 2030 niet halen. Hitteadaptatie

in steden wordt steeds belangrijker: er zijn meer

groenvoorzieningen en schaduwplekken nodig. Ook is

de versterking van waterkeringen en dijken essentieel,

om Nederland te beschermen tegen stijgend water.

Daglicht

Daglicht is de combinatie van direct zonlicht en diffuus

licht uit de atmosfeer. Daglicht heeft invloed op het

klimaat, de temperatuur en biologische processen.

Globale straling is de totale hoeveelheid zonnestraling

die het aardoppervlak bereikt. Daglicht valt uiteen in

verschillende soorten:

- Uv-straling (100-400 nm): beïnvloedt planten

en kan materialen beschadigen.

- Zichtbaar licht (380-780 nm): belangrijk voor

menselijke waarneming en fotosynthese.

- Nabij-infrarood (700-3000 nm): wordt vooral

omgezet in warmte.

- Ver-infrarood (3000-100.000 nm): belangrijk

voor het broeikaseffect.

De stand van de aardas bepaalt de lengte van de

dag in verschillende seizoenen. In Nederland varieert

de daglengte van 8 uur in de winter tot 16,5 uur in

de zomer. De daglengte beïnvloedt de temperatuur,

fotosynthese en biologische ritmes.

323


Gebouwen

Gebouwen zijn verantwoordelijk voor 36% van de

totale CO₂-uitstoot. Daarin zijn begrepen de verbruikte

bouwmaterialen, de activiteiten in de bouwfase en de

uitstoot van gebouwen tijdens gebruik. Maatregelen

die bijdragen aan de vermindering van de uistoot van

CO₂ zijn: betere isolatie en energiezuinige ramen en het

gebruik van zonnepanelen en warmtepompen.

De gebouwschil bepaalt de kwaliteit van het

binnenmilieu door de invloed op ventilatie, vochtigheid,

temperatuur en lichtinval ervan. Intelligente gebouwontwerpen

zorgen voor een prettige omgeving, bieden

dynamische aanpassingen aan veranderende klimaatomstandigheden

en verhogen de vastgoedwaarde.

Daglichtsystemen helpen om natuurlijk licht efficiënt

te gebruiken in gebouwen. Het aantal ramen, de grootte

en de oriëntatie alsmede het gebruik van dynamische

zonwering beinvloeden de hoeveelheid daglicht binnen

in het gebouw. Goed gebruik van daglicht vermindert

energieverbruik en verbetert welzijn.

Mensen in gebouwen

Daglicht bestaat uit direct zonlicht en indirect licht dat via

de atmosfeer verspreid wordt en is essentieel voor het:

- Menselijk functioneren:

• Ogen hebben daglicht nodig om te

kunnen waarnemen.

• Het lichaam gebruikt daglicht voor

metabolische processen.

• Daglicht helpt bij de vitamineproductie en

hormonale regulatie (melatonine en serotonine).

- Circadiaans ritme:

• Reguleert slaap- en eetpatronen,

lichaamstemperatuur en stemming.

• Onvoldoende daglicht leidt tot

gezondheidsproblemen, slaapstoornissen,

stress en zelfs depressie.

Daglicht verbetert productiviteit en welzijn en heeft een

positieve invloed op leerprestaties en gezondheid.

324


Mensen brengen 90% van hun tijd binnen door. Het

is dus niet verwonderlijk dat het binnenmilieu grote

invloed heeft op het welzijn. Onder comfort wordt

verstaan het zich prettig voelen in relatie tot een

gebouw en welzijn refereert meer aan de fysieke,

mentale en sociale gezondheid.

Natuurlijk licht is een cruciale factor; het beïnvloedt

de oriëntatie, het tijdsbesef en het contact met de

buitenwereld. Slechte lichtomstandigheden verhogen

gezondheidsklachten en ziekteverzuim.

isolatie, ventilatie, vochtregulatie, lichtinval en

temperatuurcontrole. Dynamische gevels kunnen

reageren op veranderende omgevingsfactoren.

De gevel heeft meerdere functies, waaronder isolatie,

zonwering en toegang. Openingen in de gevel (ramen,

deuren) beïnvloeden de daglichttoetreding en het

energiegebruik. Glasoppervlakken spelen een cruciale

rol in energie-efficiëntie en lichttransmissie. Zonwering

zou het beste vroeg in het ontwerp worden geïntegreerd

om energieprestaties te optimaliseren.

Thermoregulatie bij mensen is een mechanisme van

warmte-uitwisseling dat werkt als een samenspel van

convectie (warmte-uitwisseling via luchtbeweging),

straling (warmteverlies zonder fysiek contact),

transpiratie (zweet verdampt en koelt het lichaam)

en geleiding (direct contact met koude of warme

oppervlakken). Het mechanisme zorgt voor een

optimale lichaamstemperatuur.

Een hoge luchtvochtigheid vermindert zweetverdamping,

waardoor het lichaam minder goed kan

afkoelen. Hitte stress treedt op bij een hoge temperatuur

en lucht vochtigheid en kan dodelijk zijn. De gevoelstemperatuur

verschilt van de werkelijke de werkelijke

temperatuur; door vochtigheid en wind kan de

temperatuur anders aanvoelen dan die werkelijk is.

Daglichttoetreding in gebouwen

De buitenschil van een gebouw bepaalt de toetreding

en afgifte van lucht en licht. De schil van een gebouw

bestaat uit het dak, wanden, verdiepingen, deuren

en ramen. De schil heeft belangrijke functies zoals

Invallend daglicht verlaagt het ziekteverzuim met

6,5%, bevordert een betere nachtrust en verhoogt

de productiviteit met 18%. Onderzoek wijst uit dat

studenten 5 tot 14% beter presteren op examens

en 20 tot 26% sneller leren bij goed daglicht. Direct

zonlicht zonder bescherming kan echter de prestaties

verminderen met 20 tot 25%.

Een slechte luchtkwaliteit verhoogt het ziekteverzuim en

verlaagt de productiviteit met 20%. CO₂-concentraties

boven de 1000 ppm zorgen voor vermoeidheid en concentratieproblemen.

Onderzoek wijst uit dat de arbeidsproductiviteit

wordt beïnvloed door een aantal factoren

die te maken hebben met de situatie in gebouwen:

- Thermisch binnenklimaat: te warm (> 25 °C) of

te koud (< 11 °C) verlaagt prestaties.

- Luchtkwaliteit: fijnstof, CO₂ en ozon verminderen

werkprestaties.

- Geluid en akoestiek: lawaai verlaagt concentratie

en productiviteit.

- Lichtkwaliteit: combinatie van daglicht en

kunstlicht verbetert werkprestaties.

325


Zonnestraling en geveloriëntatie

De invalshoek van zonlicht bepaalt de hoeveelheid

energie die een gebouw binnenkomt. Zuidgevels

ontvangen het meeste licht rond het middaguur,

westgevels later op de dag. In de winter kan de

zuidgevelstraling hoger zijn dan in de zomer vanwege

de lagere zonnestand.

Vlakglas in gevels

Glas wordt gekenmerkt door drie waarden: de U-waarde

(warmte-isolatie - hoe lager, hoe beter); de Tv-waarde

(lichttransmissie; hoeveel licht wordt doorgelaten) en

de g-waarde (zontoetreding; hoeveel zonnewarmte

binnenkomt). De meest voorkomende soorten vlakglas

zijn enkelglas (met een slechte isolatie; U-waarde 5,8

W/m²K); dubbelglas (met een betere isolatiewaarde;

U-waarde 2,6-1,2 W/m²K) en HR++- en HR+++-glas met

de hoogste isolatiewaarden; U-waarde < 1,0 W/m²K).

aangetoond dat er prestatieverliezen optreden van 10%

of meer als de temperaturen in een gebouw boven de

30 °C of onder de 15 °C liggen.

Thermisch comfort wordt daarnaast beïnvloed door

de omgevingstemperatuur (luchttemperatuur, straling,

luchtvochtigheid), het metabolisme, fysieke activiteit

en kledingkeuze (isolatie via kleding kan helpen

bij comfortaanpassing).

Mensen in natuurlijk geventileerde gebouwen

accepteren grotere temperatuurschommelingen.

Gebruikers van gebouwen met kunstmatige

klimaatbeheersing zijn minder flexibel.

Mensen in gebouwen voelen zich comfortabeler als ze zelf

de temperatuur en ventilatie kunnen regelen. Persoonlijke

klimaatinstellingen verhogen productiviteit en welzijn.

De lichttransmissie (LTA) geeft aan hoeveel zichtbaar

licht binnenkomt door een raam. De lichtdoorlaat per

glastype is voor enkelglas 90%; voor dubbelglas 82%;

driedubbelglas 74% en voor zonwerend dubbelglas 61%.

Glascoatings kunnen UV- en infraroodstraling blokkeren

zonder daglichtverlies.

Thermisch comfort

Thermisch comfort wordt beïnvloed door buitentemperatuur,

isolatie, glasoppervlakken en HVACsystemen.

De comforttemperatuur varieert tussen de

17 °C en 30 °C, afhankelijk van sociale en culturele

factoren. Mensen reageren op de omstandigheden door

ramen te openen, zonwering te gebruiken of de kleding

aan te passen. Volgens verschillende onderzoeken is

Visueel comfort

Visueel comfort en contact met de buitenwereld

verminderen gezondheidsklachten met 20 tot 25% en

verlagen het ziekteverzuim met 15%. Het geheugen

en mentale functies nemen hierdoor met 10 tot 25%

toe. Daglicht bevordert de genezing in ziekenhuizen,

waardoor de opnameduur met 8,5% wordt verkort.

Reflectie en schittering beïnvloeden werkplekken

en computerschermen. Ramen bieden visueel

contact met de buitenwereld, hetgeen de

mentale prestaties verbetert.

326


Dynamische zonwering

Dynamische zonwering optimaliseert de licht- en

warmte-inval door te reageren op de zon. Zij voorkomt

oververhitting en verlaagt het aircogebruik. De

energiebesparing op koeling varieert van 36% tot 60%,

afhankelijk van de geveloriëntatie, en dynamische

zonwering kan 40 tot 50% besparing opleveren op

verwarming, koeling en verlichting bij zuidgevels.

Dynamische zonwering voorkomt oververhitting in goed

geïsoleerde gebouwen en is zowel in de zomer als in de

winter nuttig. In de zomer reflecteert zij de warmte en

verlaagt zij het aircogebruik. In de winter laat het zonlicht

toe voor verwarming en voorkomt zij warmteverlies.

Afhankelijk van de geveloriëntatie en het beglazingstype

kan met het gebruik van dynamische zonwering 36

tot 60% bespaard worden op elektriciteit. Automatisch

dimbare verlichting en dynamische systemen verhogen

de energiebesparing en het gebruikerscomfort.

Bij dynamische zonwering draait het eigenlijk om

twee hoofdzaken.

Dynamisch staat voor aanpassen aan de omstandigheden.

Daarvoor is automatisering essentieel.

Automatisering gaat om drie elementen: motoren

voor de aandrijving, sensoren die aanpassingen aan

omstandigheden initiëren en "brains" die ervoor zorgen

dat de zonwering altijd in de juiste positie staat.

Daarnaast hangt de effectiviteit van de oplossing nauw

samen met de technische weefsels die worden toegepast.

Afhankelijk van de technische specificaties van een

weefsel wordt straling gereflecteerd of doorgelaten.

Hoe meer zonnestraling kan binnentreden, hoe meer er

sprake is van opwarming binnen het gebouw.

Dynamische zonwering kan zowel buiten als binnen

worden toegepast. In het algemeen kan men stellen dat

toepassingen buiten, als het gaat om thermisch comfort

binnen, effectiever zijn. Neemt niet weg dat met toepassing

van de juiste weefsels ook een heel hoge efficiency

behaald kan worden met toepassingen binnen. Grofweg

kan men stellen dat met binnenzonwering 70 tot 80% van

het effect van buitenzonwering kan worden bereikt.

327


De keuze tussen binnen- en buitenzonwering

is afhankelijk van vele factoren,

zoals persoonlijke voorkeur, technische

mogelijkheden, esthetische aspecten

en kosten.

Zonweringsdoek heeft een aantal

verschillende functies:

- Schaduw creëren

• Blokkeert direct zonlicht en reguleert

de temperatuur.

• Te gebruiken voor terrassen, balkons

en zonovergoten ruimtes.

- Warmtewering

• Reflecteert of absorbeert zonnestraling

en voorkomt oververhitting.

• Vermindert de behoefte aan

airconditioning en verlaagt

energiekosten.

- Lichtregulatie

• Voorkomt verblinding door lichtdoorlating

te beperken.

• Transparantie varieert op basis van de

dichtheid en samenstelling van het doek.

- Bescherming tegen uv-straling

• Voorkomt verkleuring van meubels en

beschermt de huid.

- Privacy

• Doeken met lage lichtdoorlaatbaarheid

bieden zicht naar buiten, maar niet van

buiten naar binnen.

De meest voorkomende materialen die

gebruikt worden voor zonweringsdoeken zijn:

Polyester

- Eigenschappen:

• Sterk, vormvast en lichtgewicht.

• Uv-bestendig en onderhoudsvriendelijk.

• Beschikbaar in verschillende

transparanties.

- Toepassing:

• Basis voor coatings (PVC-gecoate

polyester) in rolluiken, screens en

zonneschermen.

PVC (polyvinylchloride)

- Eigenschappen:

• Waterbestendig, onderhoudsvriendelijk

en goedkoop.

• Hoge weerstand tegen zonlicht

en chemicaliën.

- Toepassing:

• Industrieel gebruik, architecturale

toepassingen, marinetoepassingen en

outdoor zonwering.

Glasvezel

- Eigenschappen:

• Mechanisch sterk, bestand tegen hitte

en uv-straling.

• Krimpt niet bij blootstelling aan hitte en

blijft kleurvast.

- Toepassing:

• Veel gebruikt in rolgordijnen en screens.

Acrylweefsels

- Eigenschappen:

• Waterafstotend, schimmelbestendig

en kleurvast.

• Lichtgewicht en textuur vergelijkbaar

met die van wol.

- Toepassing:

• Zonneschermen, markiezen,

meubelhoezen en tenten.

328


De belangrijkste technische eigenschappen van

weefsels hebben betrekking op de thermische

en optische waarden, de G-waarde (percentage

zonnewarmte dat een gebouw binnendringt - lager

is beter) en de U-waarde (warmteverlies door ramen

of muren - lager is beter). De EN 14501-norm bepaalt

de zonwerende eigenschappen van een weefsel.

De classificaties voor thermisch en visueel comfort

lopen van 0 - geen effect, tot 4 - zeer goed effect.

Ook de berekeningsmethoden zijn genormeerd. Zo is de

EN 13363-1 een eenvoudige methode voor het bepalen

van de energiedoorlatendheid van glas en zonwering.

De EN 13363-2 is een nauwkeuriger berekening met

spectrale transmissie- en reflectiegegevens.

Externe zonwering is in het algemeen effectiever dan

zonwering binnen, omdat de zonnestraling vóór het glas

stopt. Donkere stoffen absorberen meer warmte, lichte

stoffen reflecteren meer. De lichtdoorlatendheid (Ts)

is bepalend voor de toegelaten hoeveelheid daglicht;

hoe minder licht erdoorheen komt, hoe beter het doek

isoleert. De reflectie (Rs) geeft aan hoeveel licht er

wordt gereflecteerd; hoe hoger de reflectie, hoe minder

warmte het gebouw binnendringt. De absorptiewaarde

(As) geeft aan hoeveel warmte het doek absorbeert;

een laag percentage absorptie betekent minder

opwarming van het doek.

De kleur van het toegepaste doek heeft invloed op de

prestaties van het weefsel. Lichte kleuren reflecteren

meer warmte en zijn dus goed voor energie-efficiëntie.

Er is echter een hoger risico op verblinding bij direct

zonlicht en ze zijn minder geschikt voor ruimtes met

computerschermen of werkruimtes. Donkere kleuren

hebben een lagere lichtdoorlatendheid en absorberen

meer zonnewarmte (weren dus minder warmte) en

bieden een beter zicht naar buiten overdag. Technische

weefsels kunnen voorzien worden van reflecterende

en gemetalliseerde coatings. Voor de prestatie van

het weefsel is dat beter; het is het combineren van

het beste van beide werelden: een hoge reflectie

en lage lichtdoorlatendheid. Dergelijke doeken zijn

geschikt voor het realiseren van energiebesparing en

thermisch comfort. Een lage openheidsfactor geeft

een betere bescherming tegen verblinding en een hoge

openheidsfactor betekent dat er meer daglicht kan

binnenkomen en er meer zicht is naar buiten.

Er zijn een aantal vuistregels voor het te gebruiken

doek, afhankelijk van de geveloriëntatie:

- Oost- en westgevels: lage openheidsfactor

(< 3%) om directe zon te filteren.

- Zuidgevels: openheidsfactor van rond de 2%

om zonnewinst te benutten.

- Noordgevels: hogere openheidsfactor om meer

daglicht toe te laten.

329


Wetgeving van toepassing op

bouwen en gebouwen

Vertrekpunt voor de lokale wetgeving op het gebied

van klimaatdoelstellingen zijn de Europese wetgeving

en klimaatdoelstellingen: de EU streeft naar

klimaatneutraliteit in 2050 met als tussenstap 55%

minder CO₂-uitstoot in 2030 (ten opzichte van 1990).

De vertaling naar de lokale wetgeving in Nederland

komt tot uitdrukking in drie beleidsinstrumenten. Een

vijfjarenplan voor het klimaat dat de hoofdlijnen bevat

van het beleid, samen met de economische impact

ervan. Een tweejaarlijkse voortgangsrapportage met

een evaluatie en aanpassingen indien nodig. En een

jaarlijkse klimaatnota waarin de rapportage wordt

gedaan over de voortgang van het klimaatbeleid.

Belangrijke focus in de lokale wetgeving is het

terugdringen van het energieverbruik in gebouwen.

Daarin speelt dynamische zonwering een cruciale rol.

De EPBD-richtlijnen (Europees niveau) hebben geleid tot

de BENG-wetgeving, die in 2021 in Nederland verplicht

werd gesteld voor nieuwbouw. Op dat moment is ook de

NTA 8800 ingevoerd als nieuwe berekeningsmethode.

De EPBD-wetgeving maakt energielabels verplicht

bij verkoop/verhuur van onroerend goed en verplicht

overheden tot een voorbeeldfunctie (energiezuinige

gebouwen). Vanaf 2023 moeten kantoren minimaal

energielabel C hebben.

Sinds 2024 is in Nederland de Omgevingswet van

toepassing. Deze wet bundelt 26 wetten en versnelt

vergunningstrajecten en regelt bestemmingsplannen,

milieubeleid en bouwregelgeving.

De TOjuli-indicator meet het risico op oververhitting bij

nieuwbouw. Volgens de nieuwe norm die van kracht

geworden is in 2021 mogen woningen niet te veel

opwarmen in de zomer. Dynamische zonwering speelt

een cruciale rol in het beperken van het energieverbruik

en oververhitting.

330


331


WONINGEN

Het probleem: oververhitting

Oververhitting van woningen is een groeiend probleem door klimaatverandering en betere isolatie

van bouwwerken. Bestaande woningen worden te warm en hittenormen voor nieuwbouw worden

vaak overschreden. Effectieve maatregelen zoals zonwering en nachtventilatie hangen af van

bewonersgedrag en omgevingsfactoren (zoals bomen), waardoor het effect van de maatregelen niet

wordt gemaximaliseerd.

Meer dan 50% van de Nederlanders woont in een woning

die in de zomer te warm wordt. Veel woningen zouden

volgens de huidige bouwrichtlijnen niet meer zo gebouwd

mogen worden. Volgens de Woonbond lopen 3,6 miljoen

huurders het risico op oververhitting in warme periodes.

Naar schatting wonen 10 miljoen Nederlanders in een

woning met een te hoge hittescore volgens huidige

normen. 2 miljoen senioren wonen in risicovolle woningen,

waarvan 200.000 ouder dan 85 jaar. Het westen van

Nederland heeft meer dan 70% van de woningen boven de

norm, in Limburg is slechts 35% boven de norm.

Factoren die de score beïnvloeden zijn onder andere de

hoeveelheid glas en de oriëntatie op de zon. Uiteraard zijn

ventilatie en de aanwezigheid van airco medebepalend.

Verduurzaming van woningen

versterkt oververhitting

Isolatie voorkomt warmteverlies in de winter, maar houdt in

de zomer ook warmte vast. Tot op heden is er relatief weinig

aandacht voor ventilatie en zonwering bij renovaties en

verduurzaming. Het voorkomen van opwarming door gebruik

van dynamische zonwering is te prefereren. Actieve koeling

(zoals airco’s) is effectief, maar heeft nadelen, zoals een

toename van de energievraag en CO₂-uitstoot. Bovendien

wordt hitte wordt verplaatst naar de buitenomgeving en

dat versterkt het ontstaan van hitte-eilanden in steden.

Invloed van klimaatverandering

Hittegolven komen vaker voor en worden extremer.

Nederlandse huizen zijn niet ontworpen voor hitte.

Doorzonwoningen hebben grote ramen en dunne

muren, wat bijdraagt aan warmteopbouw.

Hitte beïnvloedt mensen op drie niveaus. Op

gebiedsniveau (versteende steden warmen sneller

op dan gebieden met veel groen), op gebouwniveau

(woningen met veel glas en slechte zonwering warmen

sneller op) en door de invloed op de gezondheid

(ouderen en chronisch zieken zijn extra kwetsbaar).

In gebouwen, waaronder woningen, speelt de orientatie

van gevels en de oppervlakte van het glas ook een rol;

op het zuiden en westen gerichte gevels warmen sneller

op. Woningen met weinig ventilatiemogelijkheden

verliezen moeilijk warmte. Het gedrag van bewoners

kan het hitteprobleem versterken.

Uit onderzoek blijkt dat dakverdiepingen het warmst

zijn en kelderwoningen het koelst. Mensen in stedelijke

gebieden hebben vaker last van hitte en groene wijken

blijven koeler dan versteende wijken. Water in de

omgeving werkt verkoelend.

332


meest effectief. Het binnen toepassen van dynamische

zonwering heeft zin, maar vraagt om gemetalliseerd

doek. Ventilatie en nachtkoeling helpen de temperatuur

in de woning met name ’s nachts te laten dalen.

Groene gevels en daken verlagen de omgevingstemperatuur.

De aanwezigheid van meer bomen in

straten helpt oververhitting van gebouwen te verminderen.

Oververhitting in wetgeving en beleid

In de ogen van de Huurcommissie en de rechter wordt

hitte pas als gebrek erkend als de binnentemperatuur

meer dan 300 uur per jaar boven de 26,5 °C is. Huurders

kunnen een tijdelijke huurverlaging krijgen als het

hitteprobleem structureel is.

Recente nieuwbouwregelgeving (2021) kent de TOjulinorm,

die bepaalt of een woning een risico heeft op

oververhitting. TOjuli < 1,2 betekent dat de woning

voldoet aan hittebestendigheidsnormen.

Woningen gebouwd voor 2021 hebben geen verplichte

hittebestendigheidseisen.

Maatregelen tegen oververhitting

Dynamische zonwering is de meest effectieve

maatregel om oververhitting te voorkomen. Externe

zonwering blokkeert warmte vóór het glas en is het

Programma van Eisen (PvE)

Gezonde Woningen

De richtlijnen hierin beogen een gezond binnenklimaat

in woningen en zijn gericht op luchtkwaliteit (ventilatie,

CO₂-niveaus en fijnstof), thermisch comfort in zomer en

winter, licht (daglichttoetreding en verblindingscontrole)

en geluid (akoestisch comfort in woningen).

In woningen moet een goede balans gevonden worden

tussen energiezuinigheid en gezondheid. Nieuwbouw

richt zich sterk op isolatie en energiebesparing, maar

vaak ten koste van ventilatie en daglicht. Het gaat

erom een optimale combinatie te vinden van isolatie,

ventilatie en dynamische zonwering.

Binnen het PvE bestaan er een indeling in drie kwaliteitsklassen

voor gezonde woningen. Klasse A vertegenwoordigt

de hoogste kwaliteit en is met name geschikt

voor kwetsbare groepen (ouderen, mensen met luchtwegaandoeningen).

Klasse B geeft het streefniveau voor

nieuwe woningen en grootschalige renovaties en klasse

C voldoet aan minimale eisen van de Omgevingswet.

Een woning is thermisch comfortabel als bewoners

geen behoefte voelen om de temperatuur aan te passen.

333


PARAMETRISCH MODEL VOOR TOEPASSING

VAN DYNAMISCHE ZONWERING IN WONINGEN

Parametrisch ontwerpen is een digitale ontwerpmethode waarbij relaties tussen variabelen en

algoritmes worden gebruikt. Op initiatief van Somfy Nederland hebben bba binnenmilieu en DGMR

een model ontwikkeld waarmee inzicht wordt verkregen in hoe met het toepassen van dynamische

zonwering oververhitting in woningen kan worden verminderd. Het model is ontwikkeld om de

invloed van zonnewarmte op het binnenklimaat te berekenen, het energieverbruik van verwarming

en koeling te optimaliseren en visueel comfort en daglichttoetreding te analyseren.

Het model voorspelt de invloed van zonwering op het

binnenklimaat, energieverbruik en de daglichtkwaliteit.

Het model simuleert de warmteoverdracht en lichtinval

per uur, gedurende een heel jaar, gebruikt input zoals

locatie, raamoriëntatie en zonweringstype en rekent

scenario’s door voor woon-, slaap- en werkkamers.

De voornaamste outputparameters zijn het energieverbruik

voor verwarming en koeling (kWh/m²),

het aantal uren boven kritieke binnentemperaturen

(25 °C, 26 °C, 27 °C) alsmede de daglichttoetreding

en het verblindingsrisico.

Het model verschaft inzicht in energieprestaties en

de invloed op het milieu:

- Energiebehoefte per jaar

• Verwarming: hoeveel kWh/m² er nodig is

voor wintercomfort.

• Koeling: energieverbruik voor airco’s in de zomer.

- CO₂-uitstoot

• Berekend op basis van energieverbruik

en installatietype.

- Terugverdientijd en kosten

• Investering in dynamische zonwering versus

besparing op energie en aircogebruik.

Daarnaast verschaft het model inzicht in

thermisch en visueel comfort:

- Oververhitting

• Het aantal uren boven de 25 °C, 26 °C en 27 °C

wordt gemeten.

- Effect van dynamische zonwering

• Minder oververhittingsuren bij toepassing

van externe zonwering.

334


Om het model toe te kunnen passen op individuele

woonsituaties is er op basis van het model een digitale

tool ontwikkeld. In beginsel is de tool een hulpmiddel

voor de professionele installateur om het effect van

het toepassen van dynamische zonwering voor

woningen inzichtelijk te maken voor particulieren.

Deze tool (PRISM voor woningen) kent twee versies:

een consumentenversie (vereenvoudigd overzicht

van verschillende opties) en een versie voor de

vakhandel (kwantitatieve berekeningen voor

energieverbruik en comfort).

De PRISM-tool focust op de kosten-batenanalyse

van dynamische zonwering in relatie tot airco’s

en de langetermijneffecten van klimaatverandering

op woningen.

335



337




Somfy Nederland BV

Jacobus Ahrendlaan 1

Postbus 163

2130 AD Hoofddorp

Tel. +31 (0)23 55 44 900

info.nl@somfy.com

www.somfy.nl

340

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!