22.08.2025 Views

Wetenschap@OLVG 2025 #2 september

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

wetenschapsblad OLVG jaargang 18 | no. 2 | september 2025

WETENSCHAP

@OLVG

Verpleegkunde

Van eigenaardig

naar gemeengoed

Dertig jaar Intensive Care wetenschap in OLVG

Interview

Rudolf Poolman

Stap voor stap én

continu verbeteren

door te doen

Kwaliteit en

wetenschap

Slimme Zorg: AI aan het

werk in het OLVG

Epidemiologica

Appels met appels

vergelijken: matching

in klinisch onderzoek


In deze editie

4

Dertig

jaar Intensive

Care wetenschap in

OLVG: van

eigenaardig naar Stap voor stap én continu

6

gemeengoed verbeteren door te doen

Onlangs vierden we de 30e verjaardag van de opleiding

Intensive Care (IC) in OLVG. Dit is de enige zelfstandige perifere

Intensive Care opleiding. OLVG opgeleide intensivisten

onderscheiden zich door een aantal ‘eigenaardigheden’:

visies, inzichten en behandelstrategieën, die in OLVG, of door

OLVG’ers, ontwikkeld zijn.

Per december 2024 is orthopeed Rudolf Poolman decaan

van het Leerhuis. Wij zijn benieuwd naar zijn visie op onderwijs

en wetenschap. En hoe ziet hij de toekomst van

OLVG voor zich?

Fotovraag

Wat is dit?

De afbeelding toont een onderdeel van Aletta, een apparaat

dat zelfstandig bloed kan afnemen bij een patiënt.

Het apparaat staat in OLVG in het kader van de ADOPTstudie,

een samenwerking tussen OLVG Lab en de firma

Vitestro. Op de foto is de stuwband te zien, die na een

druk op de knop om de arm van de patiënt sluit om stuwing

in de ader te creëren. Met behulp van ultrasound

scanning detecteert Aletta een geschikte ader, waarna

het apparaat de bloedafname volledig zelfstandig uitvoert.

De apparatuur is in eerdere fases al ingezet op de

polikliniek bloedafname van OLVG Oost, waar verschillende

onderdelen van het afnameproces bij patiënten zijn

onderzocht. In de huidige fase van de studie onderzoekt

Martine Deckers (klinisch chemicus), in samenwerking

met Vitestro, hoe deze technologie het beste geïmplementeerd

kan worden in het reguliere bloedafnameproces.

Het doel is veilige, efficiënte en patiëntvriendelijke

integratie in de dagelijkse praktijk.

WETENSCHAP@OLVG • 2


Redactioneel

Herijken

Abstract Mathilde Tol

8

Mathilde Tol won de dr. Keemanpublicatieprijs op de

Wetenschapsdag. Ze vergeleek de uitkomsten van de

posterolaterale benadering en de directe laterale

benadering voor kophalsprothese bij patiënten met

een acute collumfractuur na zes maanden.

En verder

9 Kwartet onderzoekers

14 Abstract Dorien Salentijn: efficiëntie van een

Virtual Fracture Review-protocol

15 In de schijnwerpers

16 Onderzoek op de urologie: het nut van simpele

onderwerpen

17 Column Reinier van Zijdeveld: paradigmashit

18 Epidemiologica: matching

20 Wetenschapscommissie: terugblik op

de wetenschapsdag

21 In het kort: innovaties en automatisering bij

OLVG lab

22 Kwaliteit en wetenschap: Slimme zorg: AI

23 Korte berichten: Nienke Willigenburg over haar

fellowship

Aangenaam, ik ben Thomas Zoon en recent aangesloten

bij de redactie. Sinds 2021 werk ik als

psychiater bij OLVG en afgelopen oktober ben ik

gepromoveerd op het fenomeen apathie bij de

ziekte van Parkinson, en de behandeling middels

diepe hersenstimulatie. Het leuke van dit

onderzoek was de samenwerking tussen meerdere

specialismen, de neurochirurgie, neurologie

en psychiatrie, en de geïntegreerde visie op de

patiënt. Tijdens mijn promotieonderzoek vond

een belangrijke ontwikkeling plaats: psychiatrische

klachten bij de ziekte van Parkinson werden

niet langer voornamelijk gezien als een contraindicatie

voor diepe hersenstimulatie. Sterker nog,

somberheid, angst en - in mindere mate - psychotische

klachten, kunnen juist verbeteren bij

een optimale behandeling van de onderliggende

ziekte. Niet-motorische klachten kunnen soms

laten zien dat iemand veel lijdt en minder aankan,

en kunnen daarom een teken zijn dat intensievere

hulp nodig is

Tijdens het lezen van de artikelen van deze editie

herken ik vergelijkbare gewaarwordingen dat

traditionele denkwijzen toe zijn aan een herijking.

Gijs Willinge toont bijvoorbeeld met zijn onderzoek

aan dat patiënten tevredener zijn met de

integratie van digitale zorgpaden dan met de traditionele

zorg, omdat ze onder andere meer regie

over hun afspraken hebben. Rudolf Poolman benadrukt

het gebruik van de indicator van het proces

– vergeleken met de uitkomstindicator - omdat

je op die manier nog invloed kan uitoefenen

en zo continu kunt verbeteren. De paradigmashi(f)t

van Rogier van Zijderveld roept op om de ziekte

samen met de context te beoordelen, en Amy Hofman

laat in de epidemiologica zien dat wanneer de

gouden standaard van wetenschappelijk onderzoek

naar interventies, de RCT, niet mogelijk is,

matching voor bepaalde populaties wel mogelijkheden

biedt.

De moderne patiënt is niet meer in één hokje te

vangen. Laten we vooral in elkaars

keuken kijken naar mogelijkheden

voor vernieuwende zorg.

Dr. Thomas Zoon, psychiater

WETENSCHAP@OLVG • 3


Historie

Dertig jaar Intensive Care

wetenschap in OLVG:

van eigenaardig naar

gemeengoed

Onlangs vierden we de 30 e verjaardag van de opleiding Intensive

Care (IC) in OLVG. Dit is de enige zelfstandige perifere Intensive

Care opleiding voor artsen in Nederland en wordt gewaardeerd

en gerespecteerd. OLVG opgeleide intensivisten zijn conceptueel

denkende bedside (aan het bed) werkende generalisten. Dit noemen

we ‘bedside titrated therapy on a physician level’ (getitreerde

therapie aan het bed op artsenniveau).

Dr. Rik Endeman, intensivist en vice-voorzitter commissie wetenschap

Deze intensivisten onderscheiden zich

ook door een aantal ‘eigenaardigheden’,

althans zo werden ze in het verleden

geclassificeerd. Het gaat om visies,

inzichten en behandelstrategieën, die

in OLVG, of door OLVG’ers, ontwikkeld

zijn, tegen de stroom in, maar waarvan

een aantal nu gemeengoed zijn en zelfs

zijn opgenomen in richtlijnen. Hoe we

daar zijn gekomen? Door 30 jaar wetenschappelijk

onderzoek op de IC van

OLVG.

Eigenaardigheden

Deze classificatie komt van buiten, voor

OLVG intensivisten zijn het concepten.

Het zijn concepten gebaseerd op de

pathofysiologische processen die uniek

zijn voor de kritisch zieke patiënten. De

allerbelangrijkste: multi-orgaan falen

(MOF). Dit MOF maakt de kritisch zieke

patiënt extreem kwetsbaar en vraag

om getitreerde bedside behandeling,

en het voorkomen van complicaties. En

zo landen we direct op de twee belangrijkste

domeinen waaraan de Intensive

Care van OLVG heeft bijgedragen: het

voorkomen van ventilator geassocieerde

pneumonie (VAP) en focus op de

microcirculatie.

VAP bestaat niet (in OLVG)

VAP voorkomen kan, maar betekent

meteen gedoe, vanwege inzet van

profylactische antibiotica. We noemen

dit selectieve decontaminatie van de

tractus digestivus (SDD). Heel lang

was daar, vooral van buiten de IC,

veel weerstand tegen. Zowel over de

effectiviteit als de mogelijke bijwerking;

het ontwikkelen van antibiotische

resistentie. SDD is echt een OLVGconcept

en is in het begin van de jaren

80 van de vorige eeuw ontwikkeld door

Chris Stoutenbeek en Durk Zandstra,

tevens de grondleggers van de IC

van OLVG. Zij publiceerden de eerste

trial over SDD in 1984 en dat was het

startpunt van jarenlang debat over

deze interventie. Tegen de stroom

in bewezen zij, later gesteund door

Peter van der Voort en Annemarie de

Smet, dat SDD effectief was, en niet

resulteerde tot resistentie. Echter

ze gingen verder, want het gaat niet

alleen om SDD, maar SDD maakt deel

uit van een bundel. Daarbij gaat het

ook om steriele luchtwegzorg, het

goed vervolgen van je kweken en

zorgen voor adequaat functioneren

van de tractus digestivus. Die laatste

ligt bij MOF altijd op zijn ‘gat’. Durk

Zandstra en Peter van der Voort

WETENSCHAP@OLVG • 4


toonden bijvoorbeeld aan dat de

maag geen zuur meer produceert,

dat standaard voorgeschreven

maagzuurremmers (PPIs) daarmee

niet zinvol zijn, en mogelijk de kans

op een VAP juist verhoogt. Hiermee

werd door hen, samen met Heleen

Oudemans-van Straaten en Hans van

der Spoel, meteen het belang van de

tractus digestivus als driver of critical

illness (aandrijver van kritieke ziekte)

bevestigd. Dit laatste concept is nu

common knowledge binnen de IC

geneeskunde, het voorkomen van het

gebruik van PPIs heeft het niet gehaald,

maar SDD is opgenomen in richtlijnen

en wordt ook in internationale metaanalyses

gezien als de meest effectieve

manier om VAP te voorkomen.

Bloed moet stromen en niet

botsen

In 2002 publiceerde Durk Zandstra in de

Lancet een artikel waarin hij samen met

Heleen Oudemans-van Straaten voorstelde

om nitroglycerine te gebruiken

bij patiënten in shock. Dat was revolutionair.

Echter het echte onderwerp ging

niet over de nitroglycerine, maar over

het doel, namelijk behoud van de microcirculatie,

want ‘bloed moet stromen,

en niet botsen’. Dat geldt voor de huid,

de darm, de nier. En voor alle organen

waar door alle eerdere genoemde

intensivist-onderzoekers, maar ook Rob

Bosman over gepubliceerd is. Dit behoud

van de microcirculatie is in detail

door Peter Spronk, Christiaan Boerma,

maar in het bijzonder prof. dr. Can Ince,

een van de medeauteurs van het Lancet

artikel, uitgewerkt. Internationaal is

aandacht voor de microcirculatie opgenomen

in de Surviving Sepsis Campaign

en tot op de dag van vandaag gebeurt

hier op de IC van OLVG onderzoek naar.

Grote namen en stille krachten

Wetenschappelijke successen blijven

niet lang onopgemerkt. Heleen

Oudemans-van Straaten deed ook pioniers

werk in het veld van nierfunctie

vervangende therapie, in het bijzonder

regionale antistolling, en werd hoogleraar

aan het VUMC. En dit gold ook

voor Chris Stoutenbeek en Durk Zandstra,

beiden aan het AMC, en Peter van

der Voort en Annemarie de Smet aan

het UMCG. OLVG’ers zijn überhaupt

graag gezien in de academie; Hans van

der Spoel vertrok, en kwam weer terug,

en dat gold ook voor ondergetekende.

Daarnaast zijn er stille krachten,

Jos Wester ontrafelde het fenomeen

‘heparin-induced thrombocytopenia’

(heparine-geïnduceerde trombocytopenie)

en Rob Bosman is stilletjes van

de huidige intensivisten diegene met

de meeste wetenschappelijke impact.

Toen en nu

In de traditie van ‘beside titrated therapy

on a physician level’ richt het

onderzoek zich nu meer op het personaliseren

van IC zorg, gebruikmakend

van fysiologische metingen. Rogier Determan

doet dit voor beademing samen

met Rik Endeman, die zich samen met

Evelien de Jong daarnaast focust op

individualisering van antibiotica en immuunmodulatoire

behandeling. Ook het

onderzoek naar automatisering gaat

door, met Reinier Crane en Patrick Thoral.

We hebben veel gadgets, tools en

data, willen dus veel gaan samenwerken

met andere vakgroepen, en hebben

echt wat te bieden! Maar onze grootste

kracht? We hebben een team van intensivisten,

IC artsen, IC verpleegkundigen

en ondersteuners die onderzoek, in onze

traditie, een warm hart toedragen.

WETENSCHAP@OLVG • 5


Interview

Stap voor stap én continu

verbeteren door te doen

Per december 2024 is orthopeed Rudolf Poolman decaan

van het Leerhuis. Wij zijn benieuwd naar zijn visie op

onderwijs en wetenschap. Hoe ziet hij de toekomst van

OLVG voor zich?

Manja Herrebrugh, eindredacteur

: stap voor stap én

continu verbeteren

dus, niet door te

sturen op eindpunten

waar we weinig

controle over hebben,

maar door ons te

richten op processen

die we wél kunnen

beïnvloeden

Hoe kijk jij naar onderwijs en

wetenschap?

‘Als decaan van OLVG streef ik naar de

verdere integratie van waardegedreven

zorg en zorgevaluatie-experimenten.

Opleiding en onderzoek vormen het

fundament van OLVG, en daar zijn we

trots op. Ik zoek altijd naar causale verbanden

en vind dat we meer met experimenten

moeten doen. Dat komt omdat

ik geleerd heb evidence based te werken.

In de geneeskunde is dat gebruikelijk,

maar ik zou dit door willen voeren

naar management en onderwijs. In

plaats van ‘doen wat je altijd doet’ naar

een mindset ‘testen wat beter werkt’.

Een voorbeeld van een bedrijf dat dit

veel doet is Booking.com. Zij gebruiken

AB-testen voor hun management

vragen. Dit betekent dat je alle vragen

die je hebt, omzet in een hypothese die

je test met bijvoorbeeld twee groepen.

Deze manier van werken is in bedrijfsprocessen

makkelijker dan in de medische

wetenschap, omdat je niet overal

een medisch ethische toetsing hoeft te

doen. Ik zie dit ook als de manier om te

kijken naar het geven van ons onderwijs.

Doen we dat nog wel op de juiste

manier?’

Evalueren lijkt voor jou heel

belangrijk

‘Zeker. Ik wil bouwen aan een cultuur

waarin continu verbeteren centraal

staat. Ik zie hierin mogelijkheden bij de

zogenaamde KPI’s: Key Performance

Indicators. Deze worden gebruikt om

prestaties te meten. Je kunt deze opsplitsen

in procesindicatoren en uitkomstindicatoren.

Stel je wil laten zien

Over Rudolf Poolman

Prof. Dr. Rudolf W. Poolman is hoogleraar

orthopedie in het bijzonder zorgevaluatie

in het LUMC en orthopedisch

chirurg in OLVG te Amsterdam.

Hij is lid van de Wetenschappelijke

Adviesraad van het Zorginstituut

Nederland en leidt diverse nationale

en internationale consortia op het

gebied van zorgevaluatie. Poolman

combineert principes uit value based

healthcare en evidence based medicine

om passende zorg te bevorderen.

hoe ver een auto kan rijden. Dan is de

kilometerteller de uitkomstindicator

(die laat zien hoe ver de auto heeft

gereden) en de benzine (of batterij)

de performance indicator. De uitkomstindicator

wordt nu vaak ingezet en

gecommuniceerd. Maar aan de stand

van de benzinemeter kun je veel beter

inschatten hoe ver je nog kunt rijden:

het is een voorspeller.’

Heb je hier een voorbeeld van?

‘Vertaald naar de zorg kun je, om te kijken

hoe het gaat met de hygiëne in een

ziekenhuis, bijvoorbeeld de infectiepercentages

meten als uitkomstindicator.

Maar daarnaast kun je per maand een

onderzoekje doen of de infectiepreventiemaatregelen

eigenlijk wel goed

gevolgd worden. Dit laatste is een procesindicator.

Daar heb je direct invloed

Binnen de Nederlandse Orthopaedische

Vereniging stuurt hij de taskforce

aan die prioriteiten stelt voor

zorgevaluatieonderzoek. Zijn onderzoek

richt zich op het verbeteren

van patiëntwaarde door middel van

PROMs, complicatieregistraties en

slimme studiedesigns zoals platform

trials. Hij zet zich in voor psychologische

veiligheid, iteratief leren en het

doorvertalen van onderzoeksresultaten

naar de klinische praktijk.

WETENSCHAP@OLVG • 6


Prof. dr. Rudolf Poolman

op. Dit vergroot de psychologische

veiligheid: je praat over het proces, niet

alleen het eindcijfer. Bovendien kun je

pro-actief bijsturen en dit is vaak financieel

ook nog gunstiger. Stap voor stap

én continu verbeteren dus, niet door te

sturen op eindpunten waar we weinig

controle over hebben, maar door ons te

richten op processen die we wél kunnen

beïnvloeden.’

Zorgt dit niet voor veel extra

werk?

‘Nee, integendeel. Ondanks de druk op

de zorg zie ik in opleiding en onderzoek

juist de mogelijkheden voor groei. Je

moet daarin wel voorop blijven lopen en

je blijven ontwikkelen. En meegaan met

de tijd. Neem nou AI. De vraag is niet of

dit komt, maar hoe je hiermee omgaat.

We zitten immers in een nieuwe industriële

revolutie, die misschien nog impactvoller

is dan de komst van het internet.

Dat roept vragen op, maar biedt

ook mooie kansen.’

Interessant! Noem eens zo’n

kans?

‘De administratieve werklast voor al het

zorgpersoneel is groot. Hoe mooi zou

het zijn als we die banen aantrekkelijker

kunnen maken door AI het vervelende

werk, het corvee eigenlijk, te laten doen,

zodat mensen zich kunnen richten op

de inhoud van hun baan en meer tijd

voor de patiënt? Zo wordt werken in de

zorg weer een stuk leuker.’

Hoe speelt OLVG hierop in?

‘Achter de schermen helpt het Leerhuis

bij de ontwikkeling van onderwijsmodules

die studenten leren omgaan met AI.

Maar ik denk dat eigenlijk iedere werknemer

een soort basiscursus AI moet

krijgen. Dat je snapt wat het kan, hoe je

het kunt gebruiken. Niet als vervanging

van menselijk contact, maar als hulpmiddel.

Hier zijn we mee bezig.’

Wat vind je als decaan het leukst

om te doen?

‘Een steentje bij te dragen aan een plezierige,

lerende organisatie waar ik met

collega’s van verschillende disciplines

verder kan bouwen aan oplossingen voor

de complexe uitdagingen in de zorg.

Waar de mensen van hun eilandjes af

komen en samenwerken. Waar ruimte is

voor eigenaarschap, experimenteren en

leren van fouten. Een omgeving waarin

een cultuur van nieuwsgierigheid is: leren

door te doen. En waarin mensen zich

kunnen ontwikkelen.’

WETENSCHAP@OLVG • 7


Abstract

Vergelijken van de uitkomsten van

de posterolaterale benadering en

de directe laterale benadering voor

kophalsprothese

Mathilde Tol, onderzoeker en AIOS orthopedie

Achtergrond

Heupfracturen bij oudere volwassenen

zijn ernstige letsels die leiden tot

blijvende beperkingen, hogere morbiditeits-

en mortaliteitscijfers en een

aanzienlijke belasting van de gezondheidszorg.

Hoogwaardig bewijs ter verbetering

van de chirurgische benadering

bij kophalsprothese ontbreekt nog.

Doelstelling

Vergelijken van de uitkomsten van de

posterolaterale benadering (PLA) en

de directe laterale benadering (DLA)

voor kophalsprothese bij patiënten

met een acute collumfractuur na 6

maanden.

Methode

Multicenter gerandomiseerd klinisch

onderzoek (RCT) gecombineerd met

een natuurlijke experiment (NE) in 14

Nederlandse centra. Inclusie: patiënten

≥ 18 jaar met een acute collumfractuur,

al dan niet met dementie. Exclusie: secundaire

heupchirurgie, pathologische

fracturen of multitrauma. Inclusieperiode:

februari 2018 – januari 2022. Behandeltoewijzing

was gerandomiseerd

of pseudo-gerandomiseerd op basis

van geografische locatie en voorkeur

van de chirurg. De interventie was

plaatsing van een gecementeerde

kophalsprothese via PLA of DLA. De

primaire uitkomstmaat was gezondheidsgerelateerde

kwaliteit van leven 6

maanden postoperatief, gemeten met

de EQ-5D-5L.

Secundaire uitkomst maten waren

luxaties, valangst en vallen, activiteiten

van het dagelijks leven, pijn en reoperaties.

Ter vergroting van de generaliseerbaarheid

werd een innovatieve

Mathilde Tol

data-fusietechniek toegepast op de

RCT- en NE-gegevens.

Resultaten

In totaal namen 843 patiënten deel (542

[64,3 %] vrouw; gemiddelde leeftijd (SD)

82,2 (7,5) jaar): 555 in de RCT (283 DLA;

272 PLA) en 288 in de NE (172 DLA; 116

PLA). In de RCT bedroeg

de gemiddelde EQ-5D-

5L-waarde na 6 maanden

0,50 (95 %-CI 0,45–0,55)

voor DLA en 0,49 (95 %-CI

0,44–0,54) voor PLA (respons

77 %). Het tussengroepsverschil

was –0,04

(95 %-CI –0,11 tot 0,04) en

was noch statistisch significant

noch klinisch relevant.

De meeste secundaire

uitkomsten verschilden

niet tussen de groepen,

maar luxaties kwamen

vaker voor na PLA dan na

DLA (RCT: 15/272 [5,5 %]

bij PLA vs. 1/283 [0,4 %]

bij DLA; NE: 6/113 [5,3 %]

bij PLA vs. 2/175 [1,1 %] bij

DLA). Data-fusie leverde

een effectgrootte van 0,00

(95 %-CI –0,04 tot 0,05)

op voor EQ-5D-5L en een

odds ratio van 12,31 (95

%-CI 2,77–54,70) voor luxatie

na PLA.

Conclusie en

relevantie

Bij patiënten met een

gecementeerde kophalsprothese

na een acute

collumfractuur biedt

PLA geen betere kwaliteit

van leven dan DLA. De luxatie- en

re-operatiepercentages zijn hoger na

PLA. De overeenkomstige uitkomsten

uit gerandomiseerde en pseudogerandomiseerde

gegevens versterken deze

bevindingen.

Zie: https://jamanetwork.com/journals/jamanetworkopen/fullarticle/2813843

WETENSCHAP@OLVG • 8


Kwartet onderzoekers

Hoe is het om onderzoek te doen in OLVG? Vier onderzoekers

vertellen erover.

WETENSCHAP@OLVG • 9


Kwartet onderzoekers

Kwaliteit van leven bij gewichtstoename

na bariatrische chirurgie

Jij won de onderzoeksprijs op de

wetenschapsdag. Gefeliciteerd!

‘Ja, bedankt! Ik vond het vooral leuk om te kunnen

laten zien met wat voor onderzoek we ons bezig houden

binnen de bariatrische chirurgie. Het Obesitas

Centrum Amsterdam zit wat meer verstopt in het

ziekenhuis. Zo’n prijs zorgt voor visibility van de

afdeling en het onderzoek wat we doen.’

: ik vind het fijn bij te kunnen

dragen aan het weghalen van

het stigma van obesitas

Samenvatting onderzoek

Gewichtstoename na bariatrische chirurgie,

ook wel recurrent weight gain (RWG)

genoemd, komt frequent voor en wordt

vaak als negatieve uitkomst beschouwd.

Stans haar onderzoek vergeleek vijfjaars

kwaliteit van leven tussen patiënten met

<10% en ≥10% RWG. Voor de domeinen lichaamsbeeld,

psychologisch, sociaal en

seksueel welzijn werden na vijf jaar geen

significante verschillen gevonden tussen

groepen. Voor het domein fysiek functioneren

werd wel een significant verschil gevonden.

Deze bevindingen suggereren dat

gewichtstoename niet automatisch leidt

tot een slechtere kwaliteit van leven. Het is

daarom van belang om bij de beoordeling

van uitkomsten na bariatrische chirurgie

verder te kijken dan alleen naar gewichtsverloop.

Stans van Gelder,

arts-onderzoeker bij

Obesitas Centrum

Amsterdam

Take-home

message

Door te focussen

op het brede

concept ‘kwaliteit

van leven’, kunnen

we zorgen

dat bariatrische

patiënten betere

zorg op maat

krijgen.

Hoe ben je dit onderzoek in gerold?

‘Hiervoor werkte ik als ANIOS bij de chirurgie in OLVG

en ik wilde graag promoveren. Eén van de chirurgen

vertelde dat ze nog een opvolger zochten bij

bariatrie. Daar heb ik welgeteld vijf seconden over

na hoeven denken. Inmiddels hebben we bijna twee

artikelen gepubliceerd. En weten we waar we verder

onderzoek naar willen doen. Namelijk hoe het nieuwe

Digitale Zorgpad de nazorg van bariatrische patienten

nog persoonlijker kan maken, en daardoor positief

invloed kan hebben op de kwaliteit van leven.’

Wat heb je afgelopen tijd geleerd?

‘Dat het idee wat je vooraf hebt, vaak gaandeweg

helemaal verandert. En dat dat ook nodig is: je moet

inspelen op wat je ziet terwijl je je onderzoek uitvoert.

Ik zou ook zeker adviseren om je oogkleppen

af te doen en je ogen wijd open te houden.’

Wat vind je het leukst aan onderzoek

doen?

‘Dat we met ons onderzoek echt kunnen zorgen dat

patiënten betere zorg op maat krijgen. Dat we de

shift maken naar focussen op het bredere concept

‘kwaliteit van leven’, in plaats van puur metingen

doen, zoals het wegen van patiënten of het uitvoeren

van labcontroles, omdat die data voor ons makkelijker

te krijgen zijn. Ik denk dat we mensen uiteindelijk

zo beter en langer kunnen monitoren, waardoor ze

minder snel in oude gewoontes terugvallen. Ook vind

ik het fijn bij te kunnen dragen aan het weghalen van

het stigma van obesitas.‘

WETENSCHAP@OLVG • 10


Kwartet onderzoekers

Resultaten van de Virtual Fracture

Clinic bespreking en digitale zorgpaden

We spraken Gijs vlak voor zijn promotie op

25 april

Je promoveert op 25 april.

Spannend?

‘Valt wel mee. Uiteindelijk weet ik als het

goed is van iedereen in de zaal het meeste

van het onderwerp af. Maar... je familie en

vrienden zitten bij deze ceremonie. Voor hen

wil ik dit uiteindelijk leuk presenteren. Dat is

voor mij het belangrijkste.’

: als je mij drie jaar

geleden had gezegd

dat ik bij patiënten

interviews zou afnemen

of focusgroepen zou

gebruiken, had ik je voor

gek verklaard

Samenvatting onderzoek

Na eerdere zeer positieve resultaten van de

Virtual Fracture Care (VFC) app en het Direct

Ontslag protocol, heeft Gijs Willinge met zijn

promotieonderzoek resultaten in kaart gebracht

van de vervolgstappen binnen het VFC

project: de VFC-bespreking en de digitale VFCtraumazorgpaden.

De resultaten van de VFCbespreking

laten zien dat deze werkwijze niet

alleen zorgt voor minder ziekenhuisbezoeken en

röntgenonderzoeken, maar ook de zorg efficiënter

en patiëntgerichter maakt. Gerichte patiënttevredenheidsonderzoeken

laten daarnaast zien

dat de werkwijze beter aansluit op de behoeften

van de patiënt dan de traditionele werkwijze.

Dankzij de aanvullende digitale zorgpaden kunnen

patiënten hun afspraken daarbij nog beter

afstemmen op hun behoeften, wat de zorgdruk

verlaagt zonder kwaliteitsverlies. Het onderzoek

van Gijs bevestigt dat de VFC-aanpak een waardevolle

bijdrage levert aan toekomstbestendige

traumazorg.

Gijs Willinge, ANIOS

chirurgie en ANIOS

bedrijfsgeneeskunde

Take-home

message

Je kunt aanvullend

aan onderzoek

dat al

staat en dat je

uitvoert, soms

nog iets extra’s

toevoegen. Op

het nieuwe digitale

zorgpad

dat we hebben

ontwikkeld en

geïmplementeerd

in OLVG,

ben ik het

meest trots.

Hoe vind je het om de eindfase in te

gaan?

‘Het is een mooi proces om samen met

een vormgever het design te maken voor

het proefschrift. En als je hem dan echt in

handen hebt, is dat toch wel een bijzonder

moment. Mijn artikelen hebben lang bij reviewers

gelegen en ik heb wel zin om er een

streep onder te gaan trekken.‘

Waar ben je het meest trots op?

‘Op het feit dat we aanvullend aan het onderzoek

dat al stond en dat we uitvoerden,

een nieuw digitaal zorgpad hebben ontwikkeld

en geïmplementeerd in OLVG, locatie

West, om mensen betere informatievoorziening

en meer begeleiding op afstand te geven.

Hiervoor hebben we zowel kwantitatief

als kwalitatief onderzoek gedaan. Als je mij

drie jaar geleden had gezegd dat ik bij patiënten

interviews zou afnemen of focusgroepen

zou gebruiken, had ik je voor gek verklaard,

maar het heeft zeker mooie inzichten

opgeleverd.

WETENSCHAP@OLVG • 11


Kwartet onderzoekers

Slimmer medicijnen inzetten bij uitgezaaide

niet-kleincellige longkanker

In 2022 stond je ook in dit blad. Hoe

gaat het nu?

‘Het gaat goed! In oktober wil ik ongeveer

alle inhoudelijke hoofdstukken af hebben.

Dan moet ik nog wel de inleiding en discussie

en alles wat nog bij het schrijven van het

proefschrift hoort. Ik heb nu twee papers ingediend

één daarvan is geaccepteerd en de

ander is onder revisie. Van het laatste onderzoek

is het manuscript bijna af. Dus ik lig

goed op schema. Wel fijn als ik op tijd klaar

kan zijn, dan kan ik het einde van het jaar

gewoon gebruiken voor de stages die ik moet

gaan lopen voor mijn opleiding tot klinisch

farmacoloog.’

: het is soms meer werk om

voor twee verschillende

centra te werken, maar het

levert ook zeker wat op.

Samenvatting onderzoek

Fenna’s promotieonderzoek richt zich op het

slimmer en gerichter inzetten van medicijnen

bij uitgezaaide niet-kleincellige longkanker.

Denk daarbij aan het stoppen met overbodige

medicatie (deprescribing), het personaliseren

van doseringen en het gebruik van biomarkers

om beter te voorspellen wat wel of niet werkt. Zo

kan de behandeling voor patiënten verbeteren,

verspilling van medicijnen tegengegaan worden

en tegelijkertijd de impact op het milieu en de

alsmaar stijgende zorgkosten beperkt worden.

Door te kijken naar wat écht nodig is – zowel

vanuit de patiënt als de zorgverlener – wil dit

onderzoek bijdragen aan het opstellen praktische

en wetenschappelijk onderbouwde behandeladviezen

voor passende en toekomstbestendige

oncologische zorg.

Fenna de Vries, AIOS

apotheek

Take-home

message

Op een gegeven

moment moet je

ook ‘nee’ kunnen

zeggen en focussen

op je eigen

onderzoek.

Hoe combineer je dat allemaal?

‘Van tevoren denk je: ik ga dat allemaal goed

plannen en super gestructureerd doen. Maar,

en dat hoor ik van veel collega-promovendi

ook, er komen van links en rechts vragen op

je af: ‘Kan je nog even dit? Wil je nog even

dat?’ Daar moet je op een gegeven moment

echt nee tegen zeggen en focussen op je eigen

onderzoek. Niet meteen in het eerste jaar

– het is ook goed om je gezicht te laten zien

en te presenteren op congressen bijvoorbeeld

- maar later in je studie is het belangrijk om

het proefschrift af te krijgen. Daar moet je

andere dingen soms voor laten schieten.’

Je werkt ook vanuit het Radboudumc

in Nijmegen. Hoe gaat dat?

‘Ik deed mijn afstudeeronderzoek bij de apotheek

in OLVG en volgde hier mijn coschappen.

Ze wilden graag met mij en dit onderzoek

doorgaan. In het Radboudumc bleken ze

al onderzoek te doen wat aansloot bij waar

wij mee bezig waren. Het is soms meer werk

om voor twee verschillende centra te werken,

maar het levert ook zeker wat op.’

WETENSCHAP@OLVG • 12


Kwartet onderzoekers

Effecten van vroegkinderlijk trauma

op de reproductieve gezondheid

Hoe ben jij in dit onderzoek gerold?

‘Ik deed in Groningen onderzoek naar zwangere

vrouwen in het asielzoekerscentrum in

Ter Apel. Daar deed ik twee studies. Eén om

een geschikte methode te vinden om deze

vrouwen te screenen op depressie, angst en

PTSD. Bij de andere studie wilden we een

groepssessie vorm te geven om te onderwijzen

over het gezondheidssysteem in Nederland.

Hierna verhuisde ik naar Amsterdam

en kon ik aansluiten bij de UPSET studie,

waardoor ik samen met Noralie Schonewille

en professor Birit Broekman onderzoek kon

doen. Heel fijn dat ik de onderzoeken uit

Groningen en Amsterdam nu kan bundelen

in mijn proefschrift.’

: zet je onderzoeksvraagstuk

altijd in de bredere

maatschappelijke context

Samenvatting onderzoek

Elena’s onderzoek bekijkt de effecten van vroegkinderlijk

trauma op de reproductieve gezondheid.

Het kwantitatieve onderzoek vindt deels plaats

op de POP-poli en afdeling obstetrie van OLVG, en

deels in het asielzoekerscentrum in Ter Apel. Elena

ziet dat zwangere deelnemers in OLVG ondanks

hun vroegkinderlijke trauma’s geen verhoogde

associatie met een onbedoelde zwangerschap of

somatische complicaties hebben. Er wordt wel een

verhoogde associatie tussen vroeg-kinderlijk trauma

en psychische complicaties en comorbiditeit

van psychische en somatische klachten gezien.

Het kwalitatieve onderzoek laat zien dat zwangeren

met vroegkinderlijke trauma’s onbedoelde

zwangerschap als een uitdaging ervaren, omdat

hun traumaklachten kunnen toenemen, maar tegelijk

juist zien als een kans om de juiste (psychische)

zorg te krijgen. Extra screening, groepszorg

en beleidsverandering zijn dringend noodzakelijk.

Elena Soldati, artsonderzoeker

psychiatrie

Take-home

message

Onderzoek moet

hand in hand

gaan met de strijd

voor beleidsverandering

voor

achtergestelde

patiënten.

Wat is jouw belangrijkste resultaat

tot nu toe?

‘De screeningstest die ik in Groningen heb ontwikkeld,

is een beetje mijn baby. Deze heb ik

zelf bedacht en ontwikkeld, met hulp van collega’s.

In het onderzoek dat ik doe voor OLVG zie

ik dat een zwangerschap soms ook een mooie

kans is: vrouwen moeten langs de verloskundige

en dus de zorg in. Ze willen het beste voor

hun kindje. Het kan hét moment zijn om hulp

te vragen en te krijgen voor klachten waar ze

soms al jaren mee rondlopen. ‘

Heb je tips voor collega

onderzoekers?

‘Zeker! Vraag hulp vanaf het begin van je onderzoek

bij wat je moeilijk vindt. Ook zou ik

willen adviseren om je vraagstuk altijd in de

bredere maatschappelijke context te zetten.

Waarom zitten er in onze inclusies bijvoorbeeld

vooral hoogopgeleide vrouwen, terwijl

dat geen goede afspiegeling is van de maatschappij?

Zou het kunnen dat andere vrouwen

de weg naar de zorg niet kunnen vinden?

En hoe komt dat? Zo maak je je onderzoek

minder abstract.’

WETENSCHAP@OLVG • 13


Abstract

Efficiëntie van een Virtual Fracture

Review-protocol bij volwassen

patiënten met distale radiusfracturen

die semi-acute chirurgische

behandeling vereisen

Dorien Salentijn, MD; Gijs Willinge, MD, PhD; Ruben van Veen, MD, PhD; Marcel Dijkgraaf, Prof HTA

Inleiding

Het doel van deze studie was het evalueren

van het effect van de implementatie

van een Virtual Fracture Clinic

(VFC)- reviewprotocol op de tijd tussen

letsel en operatie, en op het secundair

zorggebruik bij patiënten met distale

radiusfracturen (DRFs) die een operatie

in semi-acute setting nodig hadden.

Methoden

Data voor deze retrospectieve studie

werd verzameld tussen april 2017 en

maart 2019 (Pre-VFC, n=269), en april

2021 en maart 2023 (VFC, n=440) in een

groot stedelijk level-2 traumacentrum.

De primaire uitkomst was het aantal

dagen tussen het oplopen van letsel en

de operatie. Daarnaast werd het secundair

zorggebruik geëvalueerd.

Resultaten

De gemiddelde tijd tussen letsel en operatie

was 11,0 dagen (95% BI: 10,6-11,5)

vóór en 9,2 dagen (95% BI: 8,9-9,6) ná

VFC-implementatie (p<0,001). Na implementatie

van de VFC onderging 33%

(was 17%) van de patiënten een operatie

binnen 7 dagen, 92% (was 84%) binnen 2

weken en 99% (was 96%) binnen 3 weken

(p<0,001). Dit betrof ook patiënten

met een vertraging tot 15 dagen tussen

letsel en eerste ziekenhuisbezoek. Het

aantal ziekenhuiscontacten daalde van

5 (IQR: 4-6) naar 4 (IQR: 3-5), waarbij

fysieke consulten afnamen van 4 (IQR:

3-5) naar 1 en telefonische contacten

toenamen van verwaarloosbaar tot 1

(IQR: 1-2). Het aantal röntgenfoto’s daalde

van 6 (IQR: 5-7) naar 4 (IQR: 3-5).

Dorien Salentijn

Discussie

De implementatie van een VFC-reviewprotocol

is geassocieerd met een

kortere tijd tussen oplopen van letsel

en semi-acute chirurgie voor patiënten

met een DRF, en weerspiegelt een verbetering

in de tijdige planning van zorg.

Het secundair zorggebruik neemt af en

er is een verschuiving zichtbaar naar

meer digitale zorgverlening.

Referentie

1. Eur J Trauma Emerg Surg, 2025 Feb 7;51(1):96. doi:

10.1007/s00068-025-02764-3. https://pubmed.

ncbi.nlm.nih.gov/39918613/

WETENSCHAP@OLVG • 14


In de schijnwerpers

Onderzoeksgroep

Birit Broekman

ontvangt VIMP

subsidie

Birit Broekman heeft een

Verspreidings- en Implementatie

Impuls (VIMP)

subsidie van €25.000​

ontvangen voor Use the

MoMenTum: implementatie

project Psychiatrische

kwetsbaarheid en​onbedoelde

zwangerschappen.

Dit is een vervolg op

de eerder verkregen

ZonMw subsidie waarop

Noralie Schonewille is

gepromoveerd.

Wetenschappelijk

jaarverslag 2024:

Onderzoek met

impact

De Commissie Wetenschap,

Team Wetenschap

en de ACWO hebben opnieuw

de krachten gebundeld

en één OLVG-breed

jaarverslag geschreven.

Met trots blikken we in

het jaarverslag terug op

enkele hoogtepunten uit

2024. Het jaarverslag is te

zien op de website, zodat

deze zowel voor medewerkers

als voor patiënten en

bezoekers in te zien is.

www.olvg.nl/wetenschappelijk-jaarverslag-2024/

De Capture onderzoeksgroep dubbel in de prijzen

Tijdens het EMDR congres ontving Yvette

Hendrix de publieksprijs (De glitterkip) voor

haar presentatie over haar promotieonderzoek

naar EMDR behandeling bij traumatische

bevalervaringen.

Tevens ontving de onderzoeksgroep van

uitgever Wiley een oorkonde voor hun artikel

How safe is the treatment of pregnant

Landelijk huisartsgeneeskundig

onderzoek

Een mijlpaal in huisartsgeneeskundig

onderzoek: 110 huisartsen en 19 gezondheidscentra

aangesloten bij het Onderzoekspraktijken

Netwerk Huisartsgeneeskunde.

Samen vertegenwoordigen

zij 136.100 patiënten. Huisartsenpraktijk

Buitenhof doet hier aan mee.

Zeven vakgroepen en het UNH-Consortium

Onderzoek Huisartsgeneeskunde

women with fear of childbirth using eye

movement desensitization and reprocessing

therapy? Obstetric outcomes of a

multi-center randomized controlled trial.

Dit is een van de best gelezen artikelen van

het tijdschrift ‘Acta Obstreticia et Gynecologia

Scandinavia’.

verenigen zich om praktijkgericht onderzoek

op grote schaal mogelijk te maken.

De eerste proeftuinstudies zijn:

• Een diagnostisch onderzoek naar

urineweginfecties

• Een leefstijltrial bij depressie

• Een observationele studie naar

luchtweginfecties

WETENSCHAP@OLVG • 15


Interview

Het nut van simpele

onderwerpen

Liselotte Boevé en

Ernst van Haarst, beide

uroloog, vertellen hoe ze

in het onderzoek terecht

zijn gekomen en welk

onderzoek op de afdeling

urologie gedaan wordt.

Liselotte promoveerde op

5 juni.

Simone Priester-Vink, eindredacteur

Promotie

Liselotte: ‘In juni promoveerde ik. Mijn

promotie ging voornamelijk over een

mooie nationale studie, vanuit OLVG opgezet.

Er hebben 28 centra uit het hele

land aan meegedaan. Deze heeft gelopen

van 2004 tot 2014. We hebben gerandomiseerd

tussen wel of niet bestralen bij

patiënten die bij de diagnose al uitzaaiingen

van prostaatkanker hadden. Landelijk

zijn er inclusies gedaan, maar het is

altijd vanuit ons gecoördineerd geweest.

Ik heb daar alle analyses van gedaan en

artikelen over geschreven.

Ik ben hier in opleiding gekomen. Dit

onderzoek is geïnitieerd door George

van Andel. Die heeft het opgezet met

een aantal andere collega’s. Ze waren

op zoek naar iemand om die data te

analyseren. Ik heb altijd gezegd dat ik

niet wilde promoveren om gepromoveerd

te zijn. Maar dit was een heel

klinisch, relevant onderzoek waar ik zelf

ook patiënten voor geïncludeerd had.

Toen ik dat in mijn schoot geworpen

kreeg, heb ik daar niet heel lang over

nagedacht. Ik heb het altijd naast mijn

werk gedaan. Voor mij is het echt het

belangrijkste dat het nuttig is voor de

patiënten die je ziet op dagelijkse basis.

Liselotte Boevé en Ernst van Haarst

Een ander onderzoek uit mijn proefschrift

gaat over een nieuwe benadering

van prostaatbiopten. Als je besluit

om iets anders te gaan doen, is het

ook heel belangrijk om te kijken wat

het effect daarvan is. We hebben die

nieuwe techniek geïntroduceerd en bij

de eerste 1200 patiënten waarbij we

die nieuwe techniek hebben toegepast

gekeken wat dan het effect was op de

diagnostiek en bijwerkingen.’

Nuttige onderwerpen

Ernst: ‘Ik heb in mijn opleiding in elk ziekenhuis

waar ik zat wel een onderzoekje

gedaan. En elk jaar meegeschreven

WETENSCHAP@OLVG • 16


Column

aan een publicatie. Dus ik vond het altijd wel leuk

om dingen uit te zoeken.

Toen ik hier kwam in mijn eerste week kreeg ik

twee opties voor onderzoek. Scrotale pijn en een

ander onderwerp waar ik me niet op tijd voor opgaf.

Je denkt meteen dat pijnlijke ballen nou niet

echt een leuk onderwerp is. Het is een probleem

dat we in het ziekenhuis wekelijks zien. In een razend

tempo hadden we meer dan 100 patiënten.

Ik stond samen met de arts-assistent van radiologie

op internationale podia, we hebben het in een

groot internationaal tijdschrift gepubliceerd en ik

won de prijs voor de beste arts-assistent urologie.

Dat is niet iets wat je verwacht als je zo’n ‘onzinnig’

onderwerp uitzoekt. Maar veel collega’s bleken

hier ook meer over te willen weten.

Het jaar daarna moest ik het onderwerp urineweginfecties

meer uitwerken. Dat heb ik gedaan

en ook dat heeft geleid tot publicaties en voordrachten.

Soms kan het balletje zo gaan rollen.

Dat je over ogenschijnlijk simpele onderwerpen

toch veel nuttigs ontdekt.’

AI en samenwerking

Ernst: ‘Verder proberen we natuurlijk ook de artsassistenten

en coassistenten te faciliteren. De

afgelopen jaren gedaan hebben we samen met

collega’s van Artificial Intelligence opgetrokken

om geautomatiseerde steen metingen te doen.

Dat is bijna afgerond, daar komt binnenkort een

publicatie van. Veel collega’s in het land zijn hier

geïnteresseerd in.

Het is eigenlijk bij ons altijd al jaren wel een goede

gewoonte om af en toe wat dingetjes uit de kritische

praktijk te vissen en daar een studie mee te

doen. We zijn een kleine vakgroep en participeren

vaak in landelijke studies. Het is voor ons lastiger

qua tijd en geld om het zelf te initiëren.’

ChatGPT

Liselotte: ‘We hebben een onderzoekje gedaan

om te kijken wat de kwaliteit is van de antwoorden

van huisartsenvragen met ChatGPT. Zo hebben

we met drie collega’s 50 vragen van huisartsen

beantwoord, en deze zelfde vragen laten

beantwoorden door ChatGPT. Toen hebben we

gekeken wat daar de discrepantie tussen was en

in hoeverre het er makkelijk uit te halen was wat

ChatGPT had gedaan. Daar hebben we een abstract

over geschreven voor een groot Europees

congres. We onderzoeken vooral dingen die klinisch

relevant zijn. In ons ziekenhuis onderzoeken

we vaak juist de dingen die veel klinische impact

hebben. We zijn een opleidingsziekenhuis met

heel veel exposure. Daar kan je veel leuke dingen

uit halen.’

Paradigmashit

Paradigma’s zijn de onzichtbare kaders waarbinnen

we denken, diagnosticeren en behandelen. Ze zijn diep

verankerd in onze praktijk, onze richtlijnen, onze opleiding

– en vaak ook in onze identiteit. Maar zoals Thomas

Kuhn al in 1962 opmerkte in The Structure of Scientific

Revolutions: paradigma’s zijn niet statisch. Ze schuiven,

kantelen en worden uiteindelijk vervangen.

De gezondheidszorg anno 2025 bevindt zich in een

fase van paradigmatische dissonantie. De traditionele

opvattingen over ziekte, gezondheid, zorg verlenen

en opleiden schuren steeds harder met de actuele

zorgvraag, maatschappelijke ontwikkelingen en wetenschappelijke

inzichten. Deze ‘paradigmashit’ – om

de nodige frictie expliciet te benoemen – vraagt om

reflectie, adaptatie en leiderschap. Decennialang gold

het biomedisch model als de dominante bril waardoor

ziekte werd begrepen: reductie van klachten tot

meetbare, biologische defecten. De opkomst van het

biopsychosociale model vormde een noodzakelijke uitbreiding,

waarbij ziekte niet langer slechts een ‘defect’

is, maar ook context en betekenis krijgt. Anno nu wordt

dit paradigma verder verrijkt met benaderingen die de

mens centraal zetten, niet de aandoening.

Passende zorg als nieuw paradigma

‘Passende zorg’, zoals geformuleerd door de Nederlandse

Zorgautoriteit en Zorginstituut Nederland,

is meer dan een beleidsbegrip – het markeert een

omslag in denken. Passende zorg impliceert samenwerking

in netwerken, gezamenlijke besluitvorming,

gepersonaliseerde behandeling en aandacht voor

maatschappelijke waarde. De oproep is niet om elk

nieuw paradigma kritiekloos te omarmen, maar om

kritisch én constructief te reflecteren. OLVG als opleidingsziekenhuis

vormt in dit krachtenveld een cruciale

schakel. Wij OLVG’ers kunnen het verschil maken tussen

een generatie artsen die de paradigmashift ondergaat,

of een generatie die deze mede vormgeeft.

Veranderen vraagt om flexibiliteit. Aandacht en lef.

Kritisch denken. En vooral: durven loslaten.

De urgentie is hoog. De patiënt van morgen vraagt iets

anders dan de dokter van gisteren.

Rogier van Zijderveld, oogarts en

voorzitter bestuur medische staf

WETENSCHAP@OLVG • 17


Epidemiologica

Appels met appels

vergelijken: matching in

klinisch onderzoek

In medisch en verpleegkundig wetenschappelijk onderzoek

willen we vaak twee groepen met elkaar vergelijken

op een bepaalde uitkomst: de interventiegroep en de

controlegroep. Het liefst delen we die groepen willekeurig

in (randomiseren), maar dat kan niet altijd zoals bij

observationeel onderzoek. Bij observationeel onderzoek

wil je ook een eerlijke vergelijking kunnen maken tussen

de groepen die je onderzoekt. Hier komt het concept

‘matching’ om de hoek kijken. In deze Epidemiologica

leggen we uit wat matching is, wanneer je het gebruikt en

hoe je het toepast.

Amy Hofman, Adviseur wetenschap – Epidemioloog

Voorbeeld uit OLVG

Suzanne Kleipool en haar collega’s onderzochten

of patiënten na een gastric

bypass operatie net zo veilig dezelfde

dag naar huis kunnen als wanneer zij

een nacht in het ziekenhuis blijven 1 .

Belangrijk, want dagbehandeling kan

voordelen bieden voor patiënten én

het ziekenhuis. Omdat dagbehandeling

in veel ziekenhuizen al de standaardzorg

is, is het lastig om een

gerandomiseerde studie uit

te voeren. Hoe kun je dan,

met observationele

gegevens, toch een

eerlijke vergelijking

maken tussen patiënten

in dagbehandeling

en patiënten

die in het

ziekenhuis hebben

overnacht?

Wat is matching?

Matching is een methode om groepen

in een studie zo vergelijkbaar mogelijk

te maken: je selecteert patiënten uit

een onderliggende populatie met vergelijkbare

kenmerken, zoals leeftijd en

geslacht. Dit kan gaan om patiënten

met en zonder een bepaalde behandeling

of blootstelling (bij een cohortstudie)

of patiënten met en zonder een

bepaalde uitkomst (bij een case-control

studie).

In het voorbeeld hierboven vergelijk je

het aantal complicaties van patiënten

die na een gastric bypass operatie

dezelfde dag naar huis gaan (interventiegroep)

met patiënten die in het ziekenhuis

overnachten (controlegroep).

Maar stel dat de patiënten in dagbehandeling

gemiddeld jonger zijn? Dan

kun je geen eerlijke vergelijking maken

op de uitkomst: een eventueel verschil

in complicaties zou ook kunnen liggen

aan het verschil in leeftijd of bijkomende

ziektes.

Door matching toe te passen, zorg je

ervoor dat deze verstorende factoren

(confounders) zoveel mogelijk gelijk

verdeeld zijn over de groepen.

Wanneer gebruik je matching?

De belangrijkste redenen om matching

te gebruiken zijn:

• Efficiëntie: matching is nuttig als de

uitkomst zeldzaam is, zoals vaak het

geval is bij een case-control studie.

Een cohortstudie zou te veel tijd vragen

om voldoende patiënten te includeren

waarbij de uitkomst is opgetreden.

Bij een cohortstudie kun je voor

matching kiezen als verzamelen van

gegevens van een heel cohort niet

haalbaar is: je selecteert dan alleen

de relevante, vergelijkbare patiënten..

WETENSCHAP@OLVG • 18


• Voorkomen of verminderen van vertekening

(confounding bias): in observationele

studies kunnen de groepen

die je wilt vergelijken op allerlei

kenmerken van elkaar verschillen.

Deze verschillen kunnen de uitkomst

beïnvloeden. Door te matchen op belangrijke

kenmerken, zorg je ervoor

dat deze verstorende factoren gelijk

verdeeld zijn over de groepen en je

resultaten niet vertekenen.

In het voorbeeld van de gastric bypassstudie

zie je waarom matching nodig

kan zijn. In het originele cohort verschillen

de demografische gegevens van de

interventie- en controlegroep sterk van

elkaar. Na matching zijn deze groepen

qua achtergrond veel beter vergelijkbaar,

waardoor je een eerlijkere vergelijking

kunt maken. (zie tabel)

Hoe kun je matching toepassen?

Er zijn verschillende manieren om te

matchen:

• Individuele matching: Voor elke patiënt

in de ene groep zoek je een

‘match’ in de andere groep met dezelfde

(of vergelijkbare) kenmerken.

Zo krijg je tweetallen die goed vergelijkbaar

zijn.

• Frequentiematching: Je zorgt ervoor

dat de verdeling van bepaalde kenmerken

in beide groepen ongeveer

gelijk is. Bijvoorbeeld: in beide groepen

is 60% vrouw en 40% man, en de

gemiddelde leeftijd is vergelijkbaar.

Je kijkt naar de groep als geheel.

• Propensity score matching: Dit is een

meer geavanceerde methode, die

ook is toegepast in het voorbeeldonderzoek.

Hierbij bereken je voor elke

patiënt de kans dat hij of zij in de interventiegroep

terechtkomt (de ‘propensity

score’), op basis van kenmerken..

Vervolgens koppel je patiënten

uit beide groepen met een vergelijkbare

propensity score aan elkaar.

Matching en andere manieren

om voor confounding te

corrigeren

Matching is één van de manieren om rekening

te houden met verschillen tussen

groepen in observationele data. Andere

methoden zijn: toevoegen van confounders

als variabelen in een regressiemodel

of stratificeren van de analyse .

Het voordeel van matching is dat je

de groepen al vóór de analyse vergelijkbaar

maakt. Een nadeel is dat je na

matching de mate van confounding

bias niet kunt vaststellen. Bij regressiemodellen

en stratificatie corrigeer je

tijdens de analyse. Welke methode het

beste is, hangt af van het type onderzoek,

de beschikbare data en de onderzoeksvraag.

Soms worden methoden

gecombineerd.

Tot slot

Net als bij andere methoden om voor

confounding bias te corrigeren, geldt:

je kunt alleen corrigeren voor kenmerken

die je kent en hebt gemeten. Het

risico op ‘unmeasured confounding’

blijft bestaan. Daarnaast kan matching

de generaliseerbaarheid van je

studie beperken. Als we kijken naar het

voorbeeldonderzoek: de patiënten die

in dagbehandeling

werden behandeld

waren

vooral laag-risico patiënten. Door de

controlegroep hierop te matchen, zijn

de kenmerken van de hele steekproef

vergelijkbaar met die van de interventiegroep.

Dit betekent dat de conclusies

van de studie alleen van toepassing

zijn op laag-risico patiënten.

Meer weten?

Veel epidemiologie boeken geven

uitleg over matching, bijvoorbeeld

Bouter – Leerboek epidemiologie (beschikbaar

in OLVG). Heb je vragen?

Mail ons dan op wetenschap@olvg.nl.

Referenties

Kleipool, S. C., Jonkman, N. H., van Rutte, P.

W. J., de Castro, S. M. M., van Veen, R. N., &

Dutch Audit for Treatment of Obesity (DATO)

Research Group. (2024). Safety of gastric bypass

with same-day discharge: A propensity

score-matched analysis of the Dutch Audit for

Treatment of Obesity. Surgery for Obesity and

Related Diseases, 20(12), 1226–1232. https://doi.

org/10.1016/j.soard.2024.06.007

Origineel cohort

Dagbehandeling

N = 7 75

Overnachting

N = 8367

Matched cohort

Dagbehandeling

N = 775

Overnachting

N = 1550

Leeftijd (gemiddelde + SD) 39.7 ± 11.5 44.5 ± 11.9 39.7 ± 11.5 39.9 ± 11.6

Geslacht: vrouw (N, %) 653 (84.3%) 6750 (80.7%) 653 (84.3%) 1318 (85.0%)

BMI, kg/m2 (mean + SD) 42.1 ± 4.2 42.5 ± 5.0 42.1 ± 4.2 42.1 ± 4.7

Kleur geeft aan of de interventie- en controlegroep op deze variabele statistisch significant van elkaar verschillen (rood = ja, blauw = nee).

WETENSCHAP@OLVG • 19


Wetenschapscommissie

Wetenschapsweek 2025:

onderzoek is zorg

De week van 14 tot en met

17 april stond in het teken

van wetenschap! Er waren

workshops over Scientific

Storytelling en AI in de

zorg. Op donderdag 17

april werden meerdere

prijzen uitgereikt tijdens

de inspirerende wetenschapsdag

met presentaties

van hoog niveau.

Simone Priester-Vink, eindredacteur

Onderzoeksprijs

Stans van Gelder, onderzoeker bariatrische

chirurgie, Obesitas Centrum

Amsterdam, won de onderzoeksprijs. Zij

onderzocht de impact van terugkerende

gewichtstoename op de kwaliteit van

leven na bariatrische chirurgie. Hieruit

blijkt dat er weinig verschil is in kwaliteit

van leven tussen meer of minder dan

10% gewichtstoename vanaf het laagste

gewicht van de patiënt.

De andere twee genomineerden:

• Famke Smook, onderzoeker Psychiatrie,

The Effects of Peripartum Synthetic

Oxytocin on Post-Traumatic Stress

Disorder Following Childbirth: Clinical

Factors Take the Lead.

• Willemijn van Maarschalkerwaart, ANI-

OS Cardiologie, Outpatient Intravenous

Diuretic Treatment: Predictors of 30-

Day Heart Failure (re)Hospitalization.

Dr. Keeman publicatieprijs

De dr. Keeman publicatieprijs (beste artikel

2024) ging naar Mathilde Tol, onderzoeker

Orthopedie, met het artikel Posterolateral

or Direct Lateral Surgical

Approach for Hemiarthroplasty After

a Hip Fracture: A Randomized Clinical

Trial Alongside a Natural Experiment. Zij

onderzocht of de plek waar een kophalsprothese

geplaatst wordt invloed heeft

op de kwaliteit van leven en het aantal

luxaties (uit de kom gaan). Er is geen

verschil in kwaliteit van leven gevonden

en bij de posterolaterale benaderingen

kwamen er meer luxaties voor.

Dorien Salentijn, onderzoeker Chirurgie,

presenteerde haar artikel: The impact

on time between injury and semi-acute

surgery for hand fractures after virtual

fracture clinic implementation.

Descartesprijs

De Descartesprijs (beste artikel 2024

die soma en psyche verbindt) was voor

Noralie Schonewille, wetenschappelijk

onderzoeker Psychiatrie en Medische

Psychologie. Voor haar artikel: The

conversation about family planning in

mental healthcare: Patients’ perspective

versus professionals’ perspective in

a mixed methods study.

Posterprijs

De posterprijs ging dit jaar naar Esther

Scheijbeler, onderzoeker orthopedie. Zij

onderzocht welk verschil in kans van

uit de kom gaan tussen twee soorten

heupprothese cups als klinisch relevant

wordt gezien, door zowel zorgprofessionals

als patiënten.

Keynote

Prof. Dr. Sjoerd Repping, hoogleraar Zinnige

Zorg van het Amsterdam UMC en

voorzitter van ZE&GG gaf een keynote

met als titel ‘Hoe onderzoek écht onderdeel

van de zorg wordt’. De missie van

ZE&GG is dat ‘onderzoek’ en ‘zorg’ één

geïntegreerd geheel worden, door met

verschillende partijen te bepalen welk

onderzoek nodig is, te zorgen dat er in

ziekenhuizen infrastructuur is om onderzoek

te doen en snelle implementatie

van de beste zorg. Zoals Sjoerd zegt:

Onderzoek is zorg.

Workshops

Gedurende de wetenschapsweek werden

twee workshops aangeboden. Op

maandag een leerzame workshop over

storytelling binnen wetenschap. De

workshop op dinsdag ging het gebruik

van AI binnen OLVG.

Kraam

Op maandag en dinsdag stond er op

locaties West en Oost een kraam voor

patiënten. Hier werd laten zien dat we

veel onderzoek doen in OLVG. Patiënten

werden voorgelicht over het feit dat ze

gevraagd kunnen worden om mee te

doen aan wetenschappelijk onderzoek

en wat dit inhoudt.

WETENSCHAP@OLVG • 20


Artikel

Toekomstbestendig met een

robotstraat voor bacteriologie

De nieuwbouw van OLVG lab biedt veel kansen voor

innovatie en automatisering. Bianca van de Velden

(Afdelingsleider Medische Microbiologie), Harold

Thiesbrummel (Arts-microbioloog) en Pascal Bleeker

(Bestuurder OLVG Lab B.V.) vertellen over dit project.

Simone Priester-Vink, eindredacteur

Zelfstandig OLVG lab

‘In 2018 zijn de drie medische disciplines

klinisch chemie, medische microbiologie

en pathologie zelfstandig geworden.

Dit was nodig om beter te kunnen

opereren in een sterk veranderend

laboratoriumdiagnostiek landschap in

Nederland. In 2024 hebben OLVG Lab,

Zaans Medisch Centrum en Dijklander

Ziekenhuis de overname van Diagnost-

IQ BV (Klinische Chemie) en Comicro

BV (Medische Microbiologie) door OLVG

Lab BV afgerond. Hierdoor hebben we

als laboratorium nog meer slagkracht.’

Nieuwbouw

‘De plannen voor nieuwbouw bestonden

al heel lang, vanwege de krapte binnen

de bestaande gebouwen. In de periode

waarin we zelfstandig werden zijn die

plannen steeds concreter geworden. De

keuze voor locatie West hangt samen

met de plannen om alle acute specialismen

uiteindelijk op locatie West onder

te brengen. Daarnaast speelt mee dat

er op locatie Oost minder mogelijkheden

zijn om uit te breiden.

Wat goed is in het nieuwe laboratoriumgebouw

is dat de drie laboratoriumdisciplines

op één plek bij elkaar zitten.

Daardoor krijg je een goede kruisbestuiving

en meer samenwerking. Je kunt

makkelijker bij elkaar langslopen, maar

ook samen gebruik maken van faciliteiten,

zoals moleculaire diagnostiek.’

Robotisering en automatisering

‘In de tijd dat de plannen voor nieuwbouw

concreter werden hebben we

plannen gesmeed om meer te gaan

doen met robotisering en automatisering.

De bacteriologie is de afgelopen

decennia een erg handmatig beroep geweest.

Kweken werden uitgestreken en

stuk voor stuk handmatig beoordeeld.

We willen als samenwerkend lab toekomstbestendig

zijn, meer standaardiseren

en de kwaliteit borgen. Dat heeft

geleid tot een project waarbij we op

locatie Oost zijn gestart met deze robotisering

en automatisering. Vanaf 2026

zal in de nieuwbouw een volledig geautomatiseerde

robotstraat staan voor

bacteriologie.’

Analisten andere taken

‘We hebben nu al robots die de meeste

kweken voor ons inzetten. Als de robotstraat

er is, dan gaat de robot de

platen zelf in een stoof zetten waarin

een camera zit. Die gaat de platen dan

fotograferen op de tijdstippen die wij

vooraf aangeven. De analisten houden

meer tijd over voor de ingewikkeldere

kweken. Zo is er ook meer tijd te besteden

aan resistentie bij veel antibioticagebruik.

Dat is één van de leuke, mooie

nieuwe innovaties die in het nieuwe

gebouw kan plaatsvinden. Daarnaast

zorgt minder handmatig werk voor minder

blessures bij ons personeel.’

Valideren

‘Dit zijn processen die je uitvoerig moet

valideren en een validatie rapport

schrijven. Om te laten zien dat het systeem

ook werkelijk doet wat je zegt dat

het doet. Daar zullen we wel een jaar tot

twee jaar mee bezig zijn. Validaties voor

bijvoorbeeld verschillende kweekmedia,

verschillende soorten kweken. Daarnaast

moeten we het systeem nog alles

leren. Als het systeem er staat moeten

we de AI nog voorzien van informatie.

Door middel van WASPlab kunnen resistenties

van bacteriën die uit bloed zijn

gekweekt sneller beoordeeld worden en

kan therapie sneller versmald worden.

Er zijn nog niet zo heel veel plekken in

Nederland waar ze dit op deze manier

doen. Dat is een hele mooie ontwikkeling

en maakt ons een van de voorlopers

op dit gebied.’

WETENSCHAP@OLVG • 21


Kwaliteit en Verbetering

voorspellingen kunnen we gerichter

patiënten herinneren – dit levert zowel

tijdwinst als betere zorgplanning op.

Slimme Zorg: AI aan

het werk in het OLVG

Kunstmatige intelligentie (AI) ontwikkelt zich razendsnel en

vindt ook steeds vaker zijn weg naar de zorgpraktijk. Ook

binnen OLVG spelen AI-toepassingen een groeiende rol in het

verbeteren van de zorg. Daarvoor zijn twee gespecialiseerde

teams actief, elk met een eigen focus.

Koen Welvaars, Britt Boorsma, Joyce Rijs & Bjarty Garcia

Team AI – Capaciteit, Analytics & Data Dienst

AI in OLVG

Ons team – Team AI – bestaat uit vier

data scientists en is onderdeel van de

Capaciteit, Analytics & Data Dienst.

Wij richten ons op het ontwikkelen en

implementeren van op maat gemaakte

AI-modellen die zorgverleners ondersteunen

in hun dagelijkse praktijk.

Daarnaast is er het EPD AI-team, ondergebracht

bij de afdeling EPD, dat

zich richt op het toepassen van generatieve

AI binnen het elektronisch patiëntendossier.

Denk hierbij aan het automatisch

genereren van ontslagbrieven

of patiëntsamenvattingen.

Beide teams werken probleem- en

praktijkgericht: elk project begint met

een zorginhoudelijke uitdaging en de

zoektocht naar hoe slimme technologie

daarbij kan helpen.

Van idee tot implementatie

De projecten waar we aan werken komen

op verschillende manieren bij ons

binnen. Soms meldt een zorgverlener

een knelpunt in de praktijk, soms komt

het initiatief vanuit onderzoek of management.

We organiseren brainstormsessies

om samen met zorgverleners

kansen voor AI te ontdekken. Wat alle

projecten gemeen hebben, is dat ze beginnen

met een concrete zorgvraag en

eindigen met een werkende oplossing in

de praktijk.

Vooruitdenken op de polikliniek

Een goed voorbeeld van een succesvol

AI-project is het no-show model. Dit

model voorspelt of een patiënt zijn of

haar afspraak op de polikliniek niet

zal nakomen. Op dit moment draait dit

model al binnen de specialismen Neurologie,

Cardiologie, Kindergeneeskunde

en Interne Geneeskunde. Door deze

Nieuwsgierig naar onze projecten of

heb je zelf een idee? Mail ons gerust

via ai@olvg.nl.

MRI-protocollen en slimme

triage

Een ander voorbeeld is het model OMA:

Ordenen Met AI, dat helpt bij het kiezen

van het juiste scanprotocol voor MRI’s

van de hersenen zonder contrast. Dit

model kijkt naar de klinische notities

en voorspelt het meest waarschijnlijke

protocol, waardoor de administratieve

last voor aanvragers en beoordelaars

flink afneemt. Begin 2025 zagen we de

foutmarge al dalen van 33% naar ongeveer

20%.

Daarnaast hebben we een AI-oplossing

voor de triage van cataractpatiënten

ontwikkeld. Patiënten vullen vooraf een

vragenlijst in en het model voorspelt op

basis hiervan de kans dat een staaroperatie

nodig is. Zo worden patiënten

efficiënter ingepland bij de juiste zorgverlener

– oogarts of optometrist – wat

bijdraagt aan kortere wachttijden en

betere zorg op maat.

Evaluatie

Vóór implementatie worden de modellen

geëvalueerd op de testpopulatie en

door middel van een periode van “schaduwdraaien”.

Dit is een implementatie

zonder aanpassing van het werkproces

om de resultaten te monitoren in de

productieomgeving. Een deel daarvan

wordt voorgezet als wetenschappelijke

onderzoek. Deze vind je in Research

Gate. Voorbeelden in de toekomst zijn

de projecten ‘Cataract’ en ‘Nazorg’.

Voor Cataract is het wetenschappelijk

onderzoek net goedgekeurd door de

ACWO en voor Nazorg zal dit eind dit

jaar voorgelegd worden.

Wat komt eraan?

Op dit moment werken we onder meer

aan modellen die de kans op nazorg

inschatten, de verwachte ontslagdatum

voorspellen en het risico op ziekenhuisinfecties

zoals longontsteking in kaart

brengen. Met elk project proberen we

een stukje van de zorg slimmer en efficiënter

te maken – altijd met het doel

om zorgverleners te ondersteunen en

patiënten beter van dienst te zijn.

WETENSCHAP@OLVG • 22


In het kort

Implementatie fellowship

Nienke Willigenburg

Om wetenschappelijke kennis terug

te brengen naar de klinische praktijk,

startte ZonMw het landelijke ‘fellowship

voor Implementatie Science Practitioners’.

In november 2023 begonnen

37 fellows uit 29 organisaties

aan dit intensieve

traject – waaronder

Nienke Willigenburg

vanuit OLVG. Op 16

april 2025 werd het

programma feestelijk

afgesloten in

Amersfoort, na 18

maanden vol opleidingsdagen,

intervisies

en praktijkgerichte

casuïstiek.

Nienke richtte zich op de

implementatie van de DART-studie

(opereren versus gips bij oudere patiënten

met een gebroken pols) en heeft

inmiddels ook een vervolgsubsidie aangevraagd

bij ZonMw (Implementatie

Ronde 3).

De aandacht voor implementatie groeit

snel – steeds vaker staat de vraag centraal:

welke impact heeft je onderzoek

in de praktijk? Daarom zijn we trots dat

Nienke deze implementatiekennis heeft

opgedaan én OLVG-breed wil inzetten.

Binnenkort zal zij ook als geregistreerd

implementatiespecialist

te vinden zijn

op de website van het

Nederlands Implementatie

Collectief.

Heb jij een implementatievraag

of

werk je aan een

subsidieaanvraag?

Neem contact op

met team Wetenschap

van het Leerhuis,

of rechtstreeks met Nienke

(n.w.willigenburg@olvg.nl). Let

op: zorg voor voldoende uren in je begroting,

want dit werk wordt momenteel

nog niet structureel gefinancierd.

Meer lezen? Kijk in het magazine

‘Implementation Science Practitioner

– Fellows 2023 - 2025, Wetenschap en

praktijk samen over de brug voor gezondheid’.

Colofon

Wetenschap@OLVG is een

onafhankelijke, wetenschappelijke

uitgave van het OLVG-Leerhuis.

Met deze uitgave wil OLVG

wetenschappelijk onderzoek

stimuleren en praktisch ondersteunen.

De uitgave verschijnt twee keer per

jaar en wordt verspreid in de eigen

organisatie en onder Santeon- en STZziekenhuizen

in Nederland.

Redactie

C. den Haan, medisch informatiespecialist

bibliotheek; dr. R.R. Jansen,

arts-microbioloog, dr. D.H.R. Kempen,

orthopedisch chirurg, vicevoorzitter

wetenschapscommissie; A.D. Klaassen

MSc, staffunctionaris Kwaliteit &

Innovatie; dr. M.G. van Pampus,

gynaecoloog; L.M. Pronk, adviseur

wetenschap en ambtelijk secretaris

ACWO, dr. D.E. van Rooijen, hoofd

wetenschap; M.E. Steenweg, neuroloog;

dr. B.C. Vrouenraets, chirurg; dr. N.W.

Willigenburg, researchcoördinator

Orthopedie, T.J.C Zoon MSc, psychiater.

Redactie- en administratieadres

OLVG Wetenschapsblad

Postbus 95500

1090 HM Amsterdam

Telefoon: (020) 599 40 17

E-mail: wetenschap@olvg.nl

Hoofdredactie: Diana van Rooijen

Eindredactie: Manja Herrebrugh,

Simone Priester-Vink

Bladcoördinatie: Manja Herrebrugh,

Simone Priester-Vink

Foto’s en illustraties: Catalina Feres

Favi, Manja Herrebrugh, Jelmer ten

Hoeve – Marketing en Communicatie

OLVG, Ivo Sikkema – Ruparo

Cartoon: Jaap Stiemer,

www.jaapstiemer.nl

Vormgeving: Ruparo, www.ruparo.nl

Druk: Drukkerij De Bij

Oplage: 850 stuks

Oproep

Wil je ook onderzoeksresultaten

publiceren? Heb je een interessant

artikel dat je wilt delen? Wil je

reageren op het magazine? Of wil je

je aanmelden voor de Onderzoekers

van OLVG (OvO), een club van

wetenschappers die langdurig

onderzoek doen in OLVG? Neem dan

contact op via wetenschap@olvg.nl

Jaargang 18 nummer 2,

september 2025

WETENSCHAP@OLVG • 23


Hoge Statistieken score OLVG publicaties STZ-ziekenhuizen

Wetenschappelijke publicaties

Het Centrum voor Wetenschap en Technologie Studies (CWTS) in Leiden heeft in 2024 voor de derde keer onderzoek

gedaan naar de publicaties van de STZ-ziekenhuizen en naar die van elk STZ-ziekenhuis individueel, met onder meer

Het aantal Pubmed-publicaties van één of meer OLVG-medewerkers in 2014 en 2015, opgesplitst naar afdeling. De publicaties

van Maag- Darm- Leverziekten staan voor OLVG, locatie Oost apart vermeld en zijn voor OLVG, locatie West

aandacht voor aantallen, impact, onderzoeksgebieden, open access en samenwerkingsverbanden. OLVG-medewerkers

zijn bijzonder actief in het publiceren van wetenschappelijke artikelen.

geteld bij de publicaties van Interne Geneeskunde. De categorie ‘overig’ omvat de publicaties van Teaching Hospital,

Medisch Onderwijs, Verpleegkunde, Diëtetiek en Fysiotherapie.

Afdeling Aantallen publicaties van

STZ (gemiddeld) en OLVG

Chirurgie

Anesthesiologie & Operatiekamers

STZ

595

Apotheek

Cardio-thoracale Chirurgie

Cardiologie

Dermatologie

Gynaecologie/Verloskunde

Hematologisch Klinisch Chemisch Laboratorium

1.213

Huisartsengeneeskunde

Intensieve Geneeskunde

Interne Geneeskunde

Periode 2004-2014

Keel- Neus- en Oorheelkunde

Kindergeneeskunde

Pathologie

Plastische Chirurgie

5. Gastroenterologie en hepatologie (4,9%)

Psychiatrie en Medische Psychologie

6. Obstetrie en gynecologie (4,9%)

Radiologie

7. Klinische neurologie (4,6%)

Reumatologie

8. Sportgeneeskunde (3,0%)

Spoedeisende Hulp

2014 (totaal uniek 457)

2015 (totaal uniek 543)

Sportgeneeskunde

Urologie

Overig

Aantal publicaties

5

4

9

4Periode 2009-2018

12

28

25

17

Longgeneeskunde

12

10

Maag- Darm- Leverziekten

15

17

Top 10 meest voorkomende onderwerpen

Medische Microbiologie

9

OLVG publicaties volgens de CWTS

9

Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie 0

1

1. Chirurgie (10,9%)

Neurologie / Klinische Neurofysiologie

17

2. Cardiologie en cardiovasculair systeem (9,5%)

Oogheelkunde 5

2

3. Algemene geneeskunde en interne Orthopedie geneeskunde (6,9%)

4. Orthopedie (5,8%)

9. Oncologie (2,9%)

10. Perifere vasculaire

ziekten (2,6%)

OLVG

0

2

0

2

0

2

4

5

6

4

4

OLVG

7 1.961

9

8

10

10

13

13

14

11

12

11

13

21

21

22

23

STZ

1.050

31

32

36

40

45

STZ

1.421 45

48

54

Periode 2013-2022

60

64

73

OLVG

2.709

85

een santeon

ziekenhuis

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!