Bijlage De Groene Amsterdammer 2025
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
20 jaar
Muziekgebouw
Premières van
het nieuwe seizoen
Waar denk jij
deze herfst?
Dit najaar organiseren we drie verdiepende
filosofieweken over actuele thema’s: energie,
kunstmatige intelligentie en post-truth. Kom
langs op ons bosrijke landgoed, verblijf in ons
comfortabele hotel en laat je hersens kraken.
13 t/m 17 oktober
De waarheid
is dood. Leve
de waarheid!
20 t/m 24 oktober
Filosofie
en AI
13 t/m 17 oktober
Energie
Energie in alle betekenissen
We spreken over energie in termen
van brandstof én inspiratie.
In deze cursus verbindt filosoof
Hein van Dongen de wereld van
fysische kracht met die van menselijke
geestkracht. Met denkers
als Aristoteles, Marx, Arendt en
Rosa onderzoeken we hoe we de
motoren en de motieven met
elkaar verbinden.
Leven we in een post-truthtijdperk?
Technologie en wetenschap beloofden
ons dichter bij de waarheid te
brengen, maar nepnieuws, alternatieve
feiten en algoritmen maken
het steeds lastiger om consensus te
vinden. In deze filosofieweek onderzoek
je onder leiding van moderator
Lianne Tijhaar thema’s als fact-free
politics, post-truth, waarheidsverval
en complottheorieën. Met bijdragen
van Wytske Versteeg, Ton Derksen,
Lisa Herzog en vele anderen.
filosofieweken
Algoritmes en filosofische
vragen
Kunstmatige intelligentie beïnvloedt
steeds meer ons dagelijks leven. Zijn
we nog verantwoordelijk voor onze
eigen keuzes? En wie draagt verantwoordelijkheid
voor algoritmes die
zichzelf ontwikkelen? Wat is de prijs
voor het gemak dat AI ons biedt? In
deze cursus onderzoek je samen met
een keur aan gastsprekers - onder
wie Lotte van Elteren, Ajuna Soerjadi
en Jeroen Hopster - de filosofische
vragen achter AI.
Bekijk ons volledige aanbod
WWW.ISVW.NL/FILOSOFIEWEKEN
De Groene Amsterdammer
groene.nl
Deze bijlage kwam tot stand
in samenwerking met
Muziekgebouw aan ’t IJ
muziekgebouw.nl
Hoofdredactie
Xandra Schutte
Jaap Tielbeke (adjunct)
Redactie
Jan Postman
Evert de Vos
Vormgeving
Christine Rothuizen
(ontwerp)
Koen Slothouber
Beeldredactie
Floor Koomen
Rolf Rosing
Eindredactie
Nienke Gaastra
Roos Menkhorst
Lennard Steinhoff
Foppe Schut
Medewerkers
Munganyende
Jacqueline Oskamp
Bas van Putten
Mirjam Rasch
Daan Stoop
Acquisitie
Hans Boot
Ivo Jansen op de Haar
Antoinette Vrisekoop
Afbeelding omslag
Eduardus Lee
20 jaar Muziekgebouw
Op 15 juni 2005 werd de ingebruikname van
Muziekgebouw aan ’t IJ gevierd met een werk van
Louis Andriessen, die voor drie samengevoegde
ensembles een feestelijk stuk had gecomponeerd:
De opening. Jacqueline Oskamp schrijft in deze
bijlage, een samenwerking tussen De Groene
Amsterdammer en het podium dat zijn twintigjarige
jubileum viert, over de wordingsgeschiedenis
van het Muziekgebouw – en over de drijvende
kracht in dat verhaal: Jan Wolff, oud-hoornist,
oprichter van De IJsbreker. ‘Alles klinkt beter in
het Concertgebouw’, zo wil het in het bekende
radiospotje, maar zoals de jonge Nederlands-
Israëlische componist Karmit Fadael tegen Oskamp
zegt, geldt dat niet altijd: ‘Het Concertgebouw is een
galmzaal. Als je snelle virtuoze noten schrijft, komen
die mooier tot hun recht in het Muziekgebouw. Die
zaal heeft een bepaalde helderheid waardoor je elk
nootje kunt horen.’
Verder in deze bijlage onder meer een gesprek met
Enno Poppe. De Duitse dirigent en componist zegt
dat muziek niet altijd begrepen hoeft te worden:
‘Ze moet iets teweegbrengen: verbazing, verwarring,
vervoering.’ Een essay over Zeno van den Broek,
die AI-technologie niet alleen gebruikt bij het
componeren, maar die ook menselijke en machinale
percussionisten samen laat optreden. En interviews
met Kate Moore en Djuwa Mroivili, van wie er
komend seizoen nieuw werk te horen zal zijn.
4 Twintigjarig jubileum
De concertzaal ontstond
niet zonder slag of stoot
Jacqueline Oskamp
8 Klanken zonder naam
Muziek hoeft voor
Enno Poppe niet begrepen
te worden
Daan Stoop
10 Gentrificatie in de zaal
Djuwa Mroivili bevraagt
de stilte in concertzalen
Munganyende
12 Luisteren als machine
Zeno van den Broek
laat AI zijn eigen klank
ontdekken
Mirjam Rasch
15 Discrete intensiteit
De melancholie van
Ryuichi Sakamoto
Bas van Putten
16 Muziek als weersysteem
Kate Moore componeert
met de natuur
Jacqueline Oskamp
18 Een-op-een
Versla je prikkeldwang
met Bach
Bas van Putten
DE GROENE AMSTERDAMMER 4.9.2025
3
Pianist Ralph van Raat bedient al spelend
een vliegtuigsimulator, 13 september 2015
4.9.2025
DE GROENE AMSTERDAMMER
Twintig jaar Muziekgebouw
Toonaangevend van
binnen en buiten
Het Muziekgebouw bewees zijn relevantie vanaf de
eerste virtuoze noot in 2005. Maar deze architectonische,
akoestische prestatie ontstond niet zonder slag of stoot.
Jacqueline Oskamp
En dan is er opeens een raam uit het Muziekgebouw
‘wegvergaderd’. We schrijven 2003, de
bouw van de nieuwe muziekzaal aan het Amsterdamse
IJ is in volle gang als Jan Wolff, oud -
-hoornist, oprichter van De IJsbreker en motor
achter het Muziekgebouw, ontdekt dat de bouwtekeningen
zijn veranderd. Bovendien gaat het
niet om een willekeurig raam, maar het raam in
de directiekamer, van waaruit hij hoogstpersoonlijk
de nieuwe ontwikkelingen in de muziek én
het aankomend scheepvaartverkeer vanuit het
Noordzeekanaal in de gaten moet houden.
Wolff ontploft en fulmineert net zo lang tot zijn
venster op de buitenwereld weer is ingetekend.
Het voorval is representatief voor de strijd die
Wolff (1941-2012) twintig jaar lang voert – met
ontelbare beleidsambtenaren, zeven wethouders,
adviescommissies, architecten en aannemers,
haveninspecteurs en bouwvakkers. In 1980
begint hij aan de Amsterdamse Weesperzijde
4
een centrum voor nieuwe muziek, De IJsbreker,
dat al snel uit zijn voegen barst. Niet alleen
is het onder musici uit binnen- en buitenland een
geliefd podium, ook het publiek komt er in groten
getale op af. Gezien het beperkte aantal zitplaatsen
is het zaaltje vaak uitverkocht en verandert
het ogenblikkelijk in een broeikas. Als rond
1985 de eerste bezoekers flauwvallen, weet Wolff
het zeker: hij moet daar weg.
Dit inzicht valt samen met twee andere ontwikkelingen:
de opkomst van de ensemble cultuur
met Nederland als internationale koploper
(‘Hedendaagse muziek heeft ruimte nodig’, kopt
Het Parool in 1991), en het ingenieuze akoestische
plan dat bureau Peutz ontwerpt voor Steim, de
studio voor elektronische muziek in Amsterdam
– een hoogst inspirerend moment voor Wolff.
Deze drie gegevens tellen op tot een visioen:
een moderne zaal voor de ensembles met een
perfecte akoestiek. Vanaf het moment dat een
Francoise Bolechowski
architect zal gaan tekenen, wil hij ook ingenieur
Victor Peutz bij de plannen betrekken: de
akoestiek van de zaal geïntegreerd in het bouwkundig
ontwerp.
Voor het zover is moet er een geschikte locatie
worden gevonden. Wolff begint een jarenlange
queeste door de hoofdstad, die leidt langs Felix
Meritis, het Heiligewegbad, de Valeriuskliniek,
het Gerechtsgebouw aan de Prinsengracht, een
universiteitsgebouw aan de Plantage Muidergracht,
de adm-graansilo, het ptt-gebouw aan
de Pieter de Hoochstraat en het Entrepotdok. Op
elke locatie gaat Wolff er met volle energie tegenaan,
maar overal stuit hij op weer andere bezwaren
en onmogelijkheden.
Weet Wolff in 1991 nog zeker ‘dat er maar één
plek in aanmerking komt, dat is de omgeving
van het Museumplein’, twee jaar later is hij ‘verliefd
op het Westergasterrein’. Weer twee jaar
later constateert hij dat ‘het stadsdeel net een
vrachtwagen vol glibberige kikkers is, die voortdurend
alle kanten opspringen’, maar gaat hij er
nog steeds van uit dat zijn concertzaal in 1997 in
het monumentale Zuiveringsgebouw zal openen.
Op 2 september 2002 treden op de kale, winderige
IJ-oevers tachtig hoornisten aan. Zij spelen
het drie minuten durende Fanfare, om te
beginnen van componist Louis Andriessen om
te markeren dat die dag de eerste paal de grond
ingaat. Het is een ode aan Wolff, de oud-hoornist
die ooit deel uitmaakte van de kopersectie
van het Koninklijk Concertgebouworkest, maar
in een existentiële crisis belandde toen hij tijdens
een concert koningin Juliana op het eerste balkon
in slaap zag sukkelen.
Dat de bouw nu daadwerkelijk is begonnen
komt op het conto van de nieuwe wethouder
van stedelijke ontwikkeling Duco Stadig, die een
bedrag van 1,3 miljoen heeft gereserveerd om de
realisering van de concertzaal (die uiteindelijk
zestig miljoen euro zal kosten) veilig te stellen.
Het Muziekgebouw is nu onderdeel van een grotere
gebiedsvisie: de ontwikkeling van de Oostelijke
Handelskade met een passagiersterminal
voor cruiseschepen en een groot hotel, het huidige
Mövenpick.
Het Deense architectenbureau Nielsen, Nielsen
en Nielsen – in de wandelgangen 3xN – heeft
een spectaculair ontwerp getekend voor een multifunctioneel
gebouw: een grote (725 plaatsen)
en kleine concertzaal (100 plaatsen), kantooren
repetitieruimte voor diverse ensembles, een
onderkomen voor de muziekorganisatie Gaudeamus
(dat ook in de oude IJsbreker was gevestigd)
en een klankspeeltuin om de kleintjes op
een creatief spoor te zetten. Dat jazzpodium het
Bimhuis als een grote kastlade in het ontwerp is
geschoven, is niet het initiatief van Wolff en de
synergie blijft jarenlang niet vanzelfsprekend.
Wolff is zo trots als een pauw dat zijn droom uitkomt,
maar in diezelfde periode wordt nierkanker
bij hem geconstateerd. Uiteindelijk worden
beide nieren verwijderd en verandert de
dialyseafdeling in Buitenveldert in een dependance
van zijn kantoor. De man die twintig jaar
lang zelf als een ijsbreker door de bestuurlijke
bureaucratie is geploegd, geeft ook nu niet op.
De ingebruikname van Muziekgebouw aan ’t
IJ op 15 juni 2005 is opnieuw gelardeerd met
noten van zijn oude makker Louis Andriessen,
die voor drie samengevoegde ensembles feestmuziek
heeft gecomponeerd: De opening.
De euforie is groot. Het gebouw heeft een
grootstedelijke allure met zijn immense glazen
wanden die een spectaculair uitzicht bieden op
het water en het scheepvaartverkeer. Het gebouw
zelf heeft ook iets van een schip met drie foyerdecks
die de grote, hoge hal in golven. Dan is er het
inpandige restaurant Star Ferry, vernoemd naar
de legendarische veerdienst tussen Hongkong en
het schiereiland Kowloon. Wolff, zelf eigenaar van
een antiek sleepbootje, is minstens even trots op
de finesses die voor de musici van belang zijn: een
flexibel stoelenplan, waardoor een opstelling van
verschillende omvang mogelijk is, en een variabele
akoestiek. Het geheim daarvan is het beweegbare
plafond, met daarboven een extra volume de
hoogte in, dat de nagalm bepaalt.
Het Muziekgebouw maakt een vliegende start.
Niet alleen trekt het veel nieuwsgierige bezoekers,
het bouwwerk wint in korte tijd maar liefst drie
architectuurprijzen. Ondertussen neemt Wolff
persoonlijk de programmering ter hand en legt
zoals altijd de lat hoog: nieuwe muziek, oude
muziek, multiculturele muziekvormen, alternatieve
pop, kleinschalig muziektheater, een zomerfestival,
een kindercomponeerwerkplaats, andere
educatieve en themaprojecten, zo omschrijft
hij zijn muzikale vergezicht. Zover komt het niet,
want in 2008 moet Wolff wegens een verslechterende
gezondheid zijn functie neerleggen.
Opvolger Tino Haenen, afkomstig van het Belgische
festival Ars Musica, huldigt eenzelfde
opvatting als Wolff: kwaliteit bewijst zichzelf.
Als de programmering maar goed genoeg is,
komt het publiek vanzelf. Haenen zet in op een
reeks internationale topensembles voor nieuwe
muziek – Ensemble intercontemporain, Musikfabrik,
Klangforum Wien – en heeft een duidelijke
voorkeur voor modernisten. Liever Salvatore
Sciarrino (‘fantastisch, met humor en pakkende
momenten’) en Brian Ferneyhough (‘mijn intelligentie
wordt in extreme mate aangesproken’) dan
Arvo Pärt (‘simplisme’) en Erkki-Sven Tüür (‘of
hoe ze ook allemaal mogen heten’), zo vertrouwt
hij Erik Voermans van Het Parool in 2009 toe.
Hoewel Haenen aankondigt juist meer samenwerking
met andere zalen in Nederland te willen
bewerkstelligen, voelen Nederlandse musici
en componisten zich niet gehoord. ‘Hij had
een andere smaak’, concluderen pianist Gerard
Bouwhuis en violist Heleen Hulst, die in 2005
met een knipoog naar het net geopende Muziekgebouw
aan ’t IJ het ensemble Nieuw Amsterdams
Peil zijn gestart.
Bouwhuis en Hulst hebben eerder in samenspraak
met Wolff een eigen serie in het leven
DE GROENE AMSTERDAMMER 4.9.2025
5
geroepen, met klein bezette hedendaagse kamermuziek
van onder anderen Claude Vivier, György
Ligeti en György Kurtág. Dat sluit niet aan op de
plannen van Tino Haenen, die bovendien geïrriteerd
is over hun rol bij de oprichting van Splendor,
een kleinschalig podium voor hedendaagse
kamermuziek in hartje Amsterdam – van a tot
z gedreven door de musici zelf. ‘Dan gaan jullie
daar gratis zitten spelen’, is zijn reactie op het
idee om donateurs vrij toegang te geven tot een
groot aantal concerten.
De oprichting van Splendor maakt duidelijk
dat met de overgang van de intieme IJsbreker
naar een moderne middenzaal ook iets verloren
is gegaan. ‘Voor hedendaagse kamermuziek is het
moeilijk om zevenhonderd man publiek te vinden’,
zegt Heleen Hulst. ‘Splendor was bedoeld
om dat gat te dichten en bood de mogelijkheid
om snel kleinschalige projecten te organiseren –
eigenlijk zoals in de oude IJsbreker kon.’ Na die
rivaliteit van het allereerste begin onstaat juist
een goede relatie met Splendor en werken de
twee podia geregeld samen.
Terwijl Tino Haenen de allerbeste musici met
een uitgelezen repertoire engageert, blijft het
publiek vaak weg – soms zit er tachtig man in
de zaal.
In 2011 verkeert het Muziekgebouw in crisis.
Boudewijn Berentsen, die in 2008 als zakelijk
directeur is aangetreden, over die tijd: ‘De balans
was niet goed. De programmering was knetterhedendaags.
Heel goed, maar ook hermetisch.
in vain van Georg Friedrich Haas door Klangforum
Wien – beter kan het niet, maar we waren
niet in staat het grotere verhaal over de kwaliteit
van die muziek over te brengen. We hadden
geen grote financiële verliezen, maar in diezelfde
tijd ontwikkelden zich bij de gemeente ideeën
over cultureel ondernemerschap. Het was
onzeker of we onze subsidie konden houden als
de eigen inkomsten niet omhoog zouden gaan.’
Terwijl dan wethouder Carolien Gehrels oppert
het Muziekgebouw een bestemming als congrescentrum
te geven, treedt in Den Haag het door de
pvv gedoogde kabinet aan met Halbe Zijlstra als
staatssecretaris op ocw, die ongekende bezuinigingen
op de kunsten doorvoert.
strijkkwartetten en pianorecitals. ‘Natuurlijk
programmeren we ook klassieke muziek’, zegt
Berentsen. ‘Met alleen hedendaagse muziek kun
je een zaal van deze omvang niet exploiteren.
Bovendien zijn wij ervan overtuigd dat je moderne
muziek het beste kunt presenteren in de historische
context waaruit zij is voortgekomen. Ook
hedendaagse componisten en makers verwijzen
vaak naar die bronnen.’
De functie van programmeur is wat vloeiender
geworden. In plaats van één artistiek leider
die zijn persoonlijke visie op het programma
drukt, werken meerdere programmeurs met
verschillende achtergronden in een programmacollectief.
Dat blijkt een vruchtbare werkwijze.
Zo stelt het hoofd marketing, afgestudeerd als
klassiek pianist, samen met Boudewijn Berentsen
de serie Piano samen. Zij bouwen goede banden
op met grootheden als Marc-André Hamelin,
die zich ooit liet ontglippen dat hij ’s nachts
wakker gemaakt mag worden voor een concert in
het Muziekgebouw, en met meesterpianist Pierre-Laurent
Aimard, die keer op keer het publiek
betovert met zijn vertolkingen van Ligeti, Messiaen,
Kurtág en Lachenmann en die zelf met
suggesties komt voor bijzondere perspectieven.
Zo wierp hij eens nieuw licht op het pianowerk
van Schönberg door dit niet zoals gebruikelijk te
combineren met Brahms of Mahler, maar door
de connectie met Schubert te laten horen.
De Nederlandse pianist Ralph van Raat is ook
een van de vaste bespelers van het Muziekgebouw.
Hij bestrijkt een breed repertoire variërend
van het seriële werk Pierre Boulez, de spectrale
muziek van Tristan Murail, de spirituele wereld
van Arvo Pärt, het levendige piano-oeuvre van
Louis Andriessen tot aan de ‘nieuwe noten’ van
jonge Nederlandse componisten. Bij het tienjarig
jubileum van het Muziekgebouw in 2015 verrast
Van Raat zijn publiek met een opvallende installatie
waarbij het pianoklavier dient als interface
om een vliegsimulator aan te sturen. Ralph van
Raat, in zijn vrije tijd fanatiek sportvlieger, speelt
een nieuwe compositie van Florian Maier terwijl
hij tegelijkertijd reageert op de realtime data
die de vluchtsimulator uit de omgeving van het
Muziekgebouw aanlevert. Het publiek is er via
een groot projectiescherm getuige van hoe Van
Raat al concerterend zijn kist in de lucht houdt.
Het ontstaan van het Muziekgebouw legt de
basis voor een cluster van culturele nieuwbouw
rond het IJ: de Openbare Bibliotheek, het Conservatorium
van Amsterdam en Eye Filmmuseum.
Zo onstaat er naast het Museumplein een
tweede cultureel zwaartepunt in de stad. Intern
fungeert het Muziekgebouw ook als ‘culturele
hub’: de ensembles die in het Muziekgebouw
huizen (Asko|Schönberg, Calefax, Amsterdam
Sinfonietta, Cappella Amsterdam) komen met
hun eigen programma’s én publiek. Doordat zij
samen in één gebouw gevestigd zijn, inclusief de
kantoren van het Holland Festival en de Cello
Biënnale, vindt er een organische uitwisseling
van ideeën en plannen plaats.
In de loop van de jaren leidt deze synergie tot
een kleurrijke programmering waarbij hedendaagse
muziek wordt afgewisseld met klassiek
repertoire (Orkest van de Achttiende Eeuw),
elektronische grensgebieden (de serie The Rest
is Noise), muziektheater én oude muziek. Voor
veel ensembles uit die hoek, zoals de Nederlandse
Bachvereniging, het Belgische Vox Luminis of
het Franse ensemble Pygmalion, is de omvang
van de Grote Zaal met 725 stoelen precies goed.
Groot genoeg om rendabel te zijn, intiem genoeg
om contact te maken met de luisteraars, vindt
Marten Root, decennialang als fluitist verbonden
aan de Nederlandse Bachvereniging.
Even enthousiast zijn de musici over de
akoestiek. ‘Alles klinkt beter in het Concertgebouw’,
citeert de jonge Nederlands-Israëlische
Muziekgebouw-oprichter Jan Wolff
4.9.2025
DE GROENE AMSTERDAMMER
Exit Tino Haenen. Het bestuur zet in op een artistiek
directeur van een compleet andere signatuur:
Maarten van Boven, adjunct-directeur van
poppodium Paradiso. Omdat Van Boven niet
direct thuis is in de hedendaagse muziek springt
Berentsen – altijd al meer geïnteresseerd in de
noten dan in de cijfers – bij. Achter de schermen
voltrekt zich een ingrijpende maar succesvolle
omslag, die ook nog eens wordt gemarkeerd door
het overlijden van Wolff op 22 augustus 2012.
De nieuwe directie doet een scheutje water
bij de wijn. Waar Wolff (en in zijn kielzog Tino
Haenen) inzette op de allernieuwste muziek –
de voorhoede – zoeken Van Boven en Berentsen
het meer in de breedte en ‘de mix’: naast nieuwe
muziek en actuele ontwikkelingen komt er
meer ruimte voor koormuziek, vocale muziek,
Serge Ligtenberg
6
De Grote Zaal, groot genoeg om rendabel te zijn, intiem genoeg om contact te maken met de luisteraars
componist Karmit Fadael het bekende radiospotje,
‘maar dat geldt niet altijd voor nieuwe muziek.
Het Concertgebouw is een galmzaal. Dus als je
snelle virtuoze noten schrijft, komen die mooier
tot hun recht in het Muziekgebouw. Die zaal
heeft een bepaalde helderheid waardoor je elk
nootje kunt horen.’ Ook violiste Heleen Hulst
maakt de vergelijking met het Concertgebouw:
‘Moderne stukken klinken daar best moeilijk,
vooral ruige versterkte muziek of muziek die snel
en gedetailleerd is. Hetzelfde geldt voor muziek
op historische instrumenten. Een pianoforte in
het Muziekgebouw klinkt geweldig, terwijl die
in het Concertgebouw verdwijnt.’ Volgens Marten
Root kan barokmuziek in het Muziekgebouw
beter ‘spreken’: ‘Het Concertgebouw is geschikt
voor Mahler en Bruckner omdat de klank mooi
mengt, alles is rond en romig. Bij barokmuziek
gaat het niet om die consonanten maar om de
articulatie, de klank moet een beetje bijten.’
Deze collectieve liefdesverklaring aan de
akoestiek is een paar jaar geleden ook verwoord
door journalist Auke Kok die zich in een column
in Het Parool afvraagt of je ‘verliefd [kunt] zijn
op een gebouw, op iets dat monsterlijk groot is, te
hard en rechthoekig om lief te zijn? (…) De openingsklanken
van de Matthäus Passion, hoorde
ik ze ooit zo mooi? Niets leidt af van de violen en
stemmen die mijn gehoorgangen binnenvloeien.’
Terwijl tijdens de zomermaanden de concerten
op het terras plaatsvinden, is binnen de Grieks -
-Nederlandse componist Thanasis Deligiannis
druk bezig het gebouw binnenstebuiten te keren.
Hij doet een project in het kader van het Muziekgebouw
Productiehuis, de nieuwste loot aan de
organisatie, waarin jonge componisten de kans
krijgen langere tijd te werken aan vernieuwende
(muziektheatrale) producties. Deligiannis borduurt
voort op een installatie die hij vorige zomer
presenteerde op de Biënnale van Venetië: een
ouderwetse irrigatiemachine die hij inbedt in
filmbeelden, geluidsopnamen en interviews
gemaakt op het Griekse platteland. Net als in
Nederland speelt in zijn geboorteland een gepolariseerde
discussie tussen stad en platteland.
Met ditzelfde materiaal werkt hij aan de driedaagse
voorstelling Nightwater waarin hij het
Muziekgebouw als het ware openbreekt en van
een geïsoleerde black box omvormt tot het decor
van een traditioneel Grieks volksfeest. De irrigatiemachine
staat in het Loading Dock, waar
deze keer ook de bezoekers het pand betreden, en
besproeit vandaaruit het gebouw met vruchtbare
ideeën. Deligiannis ziet Nightwater als een metafoor
voor de toekomst van het Muziek gebouw.
Blijft het een zaal met de perfecte omstandigheden
voor de uitvoering van nieuwe muziek, een
geluidsdichte studio waar de buitenwereld niet
doordringt – vergelijkbaar met het museum als
een white cube? Of opent het zich voor het leven
op straat en laat het ook spontaniteit toe?
‘De muziek moet wel in
ons profiel passen. Ze
mag niet te gemakkelijk
zijn. Geen easy listening’
Sabine van Nistelrooij
Min of meer dezelfde vraag houdt ook Boudewijn
Berentsen bezig, die sinds het vertrek van Maarten
van Boven twee jaar geleden de functie van
algemeen directeur bekleedt. De demografische
samenstelling van Amsterdam verandert snel en
wil het Muziekgebouw over tien jaar nog relevant
zijn, dan moet het zich tot deze demografische
ontwikkeling verhouden, stelt hij. Zo is
er recent een serie Turkse, Indiase en Arabo -
-Andalusische serie in het leven geroepen.
‘Amsterdam is nu een heel andere stad dan toen
De IJsbreker werd opgericht. Daar willen wij in
meegaan’, zegt Berentsen. ‘Maar de muziek moet
wel in ons profiel passen. Ze moet kwaliteit en
zeggingskracht hebben, en ze mag niet te gemakkelijk
zijn. Geen easy listening.’
Het collectief van programmeurs voert sowieso
een doorgaande discussie over de nieuwe
ontwikkelingen in de muziek. Welke muziek is
goed, belangrijk, toonaangevend? Wat wil het
Muziekgebouw laten horen? ‘Neem Enaudi’, geeft
Berentsen als voorbeeld. ‘Er zijn mensen die dat
fantastisch vinden. Andere vragen zich af wat dat
nog met componeren te maken heeft. Hoe moet
je dat beoordelen? Indertijd werd Arvo Pärt ook
verguisd om zijn tintinnabuli-stijl, nu wordt hij
enorm gewaardeerd.’ De programmering laat
een breed spectrum zien: van twintigste- eeuwse
modernistische klassiekers (zo speelde Nieuw
Amsterdams Peil hun concertserie Unpolished
met de jaren tachtig avant-garde van de Haagse
School) tot de jongste generatie.
Berentsen ziet twee tendenzen: enerzijds de
multimediale benadering, waarvan Nightwater
van Thanasis Deligiannis een voorbeeld is, anderzijds
muziek met een verhaal. Die laatste stroming
vertegenwoordigt Karmit Fadael die dit
najaar een nieuw muziektheatraal werk bij Het
Muziek presenteert. In The Usual knoopt zij aan
bij de actuele discussie over grensoverschrijdend
gedrag. In een goeddeels geïmproviseerde partituur
spelen de musici zogeheten micro-agressies
na: subtiele, vaak goedbedoelde opmerkingen die
toch een kwetsende subtekst bevatten.
Zo treedt er een nieuwe generatie componisten
en musici aan die thema’s uit het huidige
tijdsgewricht als onderwerp kiezen. De pioniers
raken geleidelijk uit beeld, ook al wordt
Wolff elke 22ste van de maand om 20.00 uur
herdacht wanneer de geluidsinstallatie Huil van
de Wolff van componist Martijn Padding, over
het water klinkt, en herinneren twee stoelen in
de zaal aan de twee boegbeelden van de Nederlandse
muziek: Louis Andriessen (1939-2021) en
Reinbert de Leeuw (1938-2020). En sinds kort
is dankzij een guerrilla van vrienden de loopbrug
naar het Muziekgebouw en Bimhuis vernoemd
naar de in 2010 overleden componist,
band leider en saxofonist Willem Breuker – een
muzikale bruggenbouwer bij uitstek.
Het raam in de directiekamer heeft niets van
zijn oorspronkelijke noodzaak verloren. Dat
biedt nog altijd een spectaculair zicht op de buitenwereld
– want de nieuwe ontwikkelingen
komen van binnen én buiten.
DE GROENE AMSTERDAMMER 4.9.2025
7
4.9.2025
DE GROENE AMSTERDAMMER
Enno Poppe en de ‘punch’
Klanken zonder
gebruiksaanwijzing
Muziek hóéft niet begrepen te worden, zegt de Duiste
dirigent en componist Enno Poppe. Het publiek moet zich
durven verliezen. ‘Dat creëert echte aandacht.’ Daan Stoop
Toen de muziek zweeg en podia door corona donker
bleven, begon Enno Poppe onverstoorbaar
te componeren – alsof hij zich niets aantrok van
de verstilling om hem heen. In plaats van introspectie
koos hij voor overdaad. In de beslotenheid
van zijn werkkamer schreef hij Körper:
een massief en meeslepend werk, aangedreven
door drie drumstellen, twaalf blazers, elektrische
strijkinstrumenten en synthesizers. ‘De lockdown
was stil, dus ik schreef het luidste stuk uit
mijn leven’, zegt Poppe nu, via een videoverbinding
vanuit Berlijn. Het resultaat: een explosieve
ode aan de bigband, barstend van klank, energie
en onstuimige vrijheid.
Enno Poppe was twaalf toen hij Kontra-
Punkte van de Duitse componist Karlheinz
Stockhausen hoorde, en in één klap wist hij het:
dít is hoe muziek zou moeten zijn. Geen melodie
om te neuriën, geen troostend akkoordenschema,
maar iets dat zich aan elke verwachting onttrok.
Sindsdien jaagt Poppe, net als Stockhausen voor
hem, op klanken zonder naam, zonder voorgeschiedenis.
Niet omdat het verleden hem zo erg
verveelt, maar omdat het echte wonder pas ontstaat
op onbekend terrein, waar het gehoor nog
geen geheugen heeft. Dáár, in het duister, gebeurt
het: een flits, een schok, iets ongehoords dat je
– als je geluk hebt – voor even volledig uitwist.
Dit najaar maakt de Duitse dirigent en componist
Enno Poppe tweemaal zijn opwachting
aan de lessenaar van het Muziekgebouw in
Amsterdam. Poppe (Hemer, 1969) is een vooraanstaand
componist en dirigent, een sleutelfiguur
in de hedendaagse muziek. Tijdens twee
avonden leidt hij topensembles door een programma
vol eigenzinnige klankwerelden, met
werk van onder anderen Farzia Fallah, Sarah
Nemtsov, Rebecca Saunders en Alex Paxton.
In het eerste concert (2 oktober) staat kleur
centraal, gebracht door het avontuurlijke Ensemble
Musikfabrik uit Keulen. Vier componisten die
na de twintigste-eeuwse klankexperimenten een
geheel eigen pad zijn ingeslagen, tonen hun visie
op hedendaagse muziek. Van de Duits Iraanse
Farzia Fallah horen we een wereldpremière (I did
not paint the war. I lived the war. – une Aubade –);
Poppe zelf is vertegenwoordigd met Zug, een
hallucinerend werk voor zeven koperblazers dat
klinkt als een dronkenmansfanfare. Verder worden
TIPHERET van Sarah Nemtsov en Skull van
Rebecca Saunders uitgevoerd.
Later in het seizoen (op 13 november) dirigeert
Poppe het Ensemble Modern, waarmee hij ook
al decennialang samenwerkt, in de Nederlandse
première van een nieuw stuk, Don’t Leave Me
Behind, van Alex Paxton, winnaar van de Ernst
von Siemens Muziekprijs. ‘De vrolijkste klanken
die ik in tijden heb gehoord’, schreef The New York
Times over diens werk. Ook voert Poppe deze
avond zijn eigen Körper uit – de over the top ode
aan de bigbandtraditie, zijn coronacreatie.
Hoe laten de persoon Poppe en zijn werk zich
het best omschrijven? Op oude persfoto’s zou je
hem zo verwarren met een vergeten lid van de
Harry Potter-familie Wemel: een woeste vurig
rode haardos, een blik die ergens tussen verstrooid
en doordringend in hangt. Hij oogt als
een avant-garde popmuzikant uit de jaren zeventig
– eigenzinnig, onaangepast.
Zijn muziek ‘beiert als een kakofonische klokkentoren’,
schreef Bas van Putten eerder in De
Groene over Hirn (2021). Over Speicher I, uit zijn
gelijknamige cyclus (2008-2013): ‘Het hele stuk
zweeft labiel monumentaal boven de breuklijn
tussen systeem en wanorde.’ En over Speicher
VI: ‘Een fuga kan zomaar in het niets oplossen
en even plotseling weer opduiken, scherzo-delen
lopen vast in hun mechanische gestiek. (...) Poppes
orde/wanorde-polariteit in een notendop.’
Wat Poppe drijft, is niet
de beheersing van een
stijl, maar de continue
bevraging ervan
Toegegeven, erg veel houvast bieden die omschrijvingen
niet. Wie lukraak door het werk van Enno
Poppe luisterzapt – te beginnen met Zug en
Körper, en zich daarna door het algoritme verder
laat meevoeren – merkt al snel: dit is muziek
die weerstand biedt, niet makkelijk behaagt. Ze is
onverbiddelijk en ongrijpbaar, als een landschap
in het donker. Je oor zoekt houvast, maar pas na
verloop van tijd beginnen vormen op te lichten.
In die desoriëntatie schuilt misschien wel
de grootste charme. Waar andere postmoderne
componisten je met herkenbare stijlcitaten
en retroklanken meteen thuis doen voelen, laat
Poppe je liever verdwalen. Er gebeurt iets – maar
wat precies laat zich niet vangen. Bevinden we
ons binnen een systeem of juist daarbuiten? Is
dit schoonheid of ontregeling, opbouw of een
onderhuids drama dat zich langzaam ontvouwt?
‘Koptelefoon op, volume op 100%, en je krijgt
waarschijnlijk zo’n 20 à 30 procent van het concertgevoel…’
reageert iemand online op Körper.
‘De hoeveelheid energie die Ensemble Modern
in de zaal pompt bij dit stuk is krankzinnig, bijna
niet te verdragen!’
Poppe studeerde compositie, dirigeren en
geluidssynthese in Berlijn, en combineert in zijn
werk een theoretisch bewustzijn met een intuïtieve,
vaak fysieke benadering van klank. Zijn composities
zijn rijk aan microtonale verschuivingen,
grillige ritmes en vervreemdende timbres.
Hij schrijft vaak voor ongewone bezettingen en
experimenteert met softwarematige klankmanipulatie.
Als dirigent is Poppe verbonden aan
ensembles als Musikfabrik en Ensemble Modern,
en staat hij regelmatig op de belangrijkste podia
voor nieuwe muziek in Europa. Zijn werk wordt
geprezen om zijn spanningsvolle structuren en
eigenzinnige humor.
Voor Poppe begint alles bij het lichaam, legt hij
uit. Niet alleen zijn eigen lichaam, maar ook dat
van de musici met wie hij werkt. ‘Het instrument
is een deel van het lichaam van de speler. Het is
geen object, maar een verlengstuk van de mens.’
Muziek maken is voor hem dan ook een fysieke
bezigheid, en componeren betekent: afstemmen
op de handen, ademhaling, weerstand en
nieuwsgierigheid van anderen. ‘De beste muzikanten
willen niet steeds hetzelfde spelen. Ze
willen nieuwe dingen vinden.’
Daarom zoekt Poppe niet naar abstracte
denkschema’s, maar naar directe, zintuiglijke
ervaring. Componeren is voor hem een praktijk
van vallen, opstaan, luisteren en bijstellen – een
voortdurende zoektocht naar het onbekende, het
niet-gefixeerde. ‘Een ensemble is een soort laboratorium.
Niet alleen een plek om concerten te
geven, maar om muziek opnieuw uit te vinden.’
Het is dan ook niet vreemd dat hij het liefst
samenwerkt met musici die niet bang zijn om
buiten de lijntjes te kleuren – en met ensembles
die een stap verder durven gaan. ‘Ik heb het
gevoel dat Ensemble Modern dingen kan doen
die niemand anders kan – ze hebben punch, ze
hebben klank.’
8
Enno Poppe
dirigeert op 2 oktober (Farzia
Fallah, Ensemble Musikfabrik)
en 13 november (Alex Paxton,
Ensemble Modern). Op beide
dagen vinden ’s middags
openbare repetities plaats,
muziekgebouw.nl
Enno Poppe – ‘Ik wil
dat muzikanten me iets
nieuws laten horen’
Die instelling verklaart ook zijn voorkeur voor
premières boven het uitvoeren van klassiek
repertoire dat al talloze keren is gespeeld. ‘Ik
wil geen muziek dirigeren die al honderd keer
is uitgevoerd. Ik wil componisten ontmoeten
die hun ideeën nog aan het uitvinden zijn.’ Juist
in de rafelranden van een eerste uitvoering ontstaat
ruimte voor toeval, mislukking en ontdekking.
‘Het geweldige aan nieuwe muziek is dat je
het niet precies kunt voorspellen. Ook de componist
niet.’ Soms weet die zelf niet eens precies
waar het stuk over gaat – ‘dat ontdek je pas
tijdens de repetities’.
Neem Skull van Rebecca Saunders, zegt Poppe,
een stuk waarin vintage orgel, elektrische gitaar
en een ensemble vol lage blazers samenkomen
in een spookachtige stiltemuziek. ‘Bij haar hoor
je niet één melodie, maar een collectieve melodie
– opgebouwd uit flarden van meerdere instrumenten.’
De klank is grillig en lichamelijk, zoals
bij veel componisten die Poppe bewondert. ‘Ik
hou van componisten die nieuwe speeltechnieken
ontwikkelen. Niet omdat het technisch moeilijk
is, maar omdat het expressief noodzakelijk is.’
Het gaat hem niet om virtuositeit, maar om
expressiviteit, om het aanboren van onverwachte
klankgebieden. Zoals ook in het werk van Sarah
Nemtsov, of van de jonge Britse componist Alex
Paxton. ‘Zijn muziek is als een explosie: jazz,
elektronica, filmmuziek, allemaal tegelijk. Soms
begrijp je het niet, en dat is fantastisch. Ik hou
van de snelheid van Alex Paxton. Soms is zijn
muziek zó dense dat je het niet kunt begrijpen –
en dat maakt het spannend.’
Onbegrijpelijkheid is geen bezwaar. Integendeel.
‘Muziek hoeft niet altijd begrepen te
worden’, zegt Poppe. ‘Ze moet iets teweegbrengen:
verbazing, verwarring, vervoering.’ Ook het
publiek moet zich durven verliezen, zich openstellen
voor klanken die geen gebruiksaanwijzing
hebben. ‘Het mooie aan contemporaine muziek
is dat het publiek niet weet wat er komt. Dat creëert
echte aandacht.’
Harald Hoffmann
Poppe is geen dirigent die zijn wil oplegt, geen
componist die alles tot in detail bepaalt. ‘Ik doe
dit niet omdat ik een dwingende dirigent wil
zijn. Het gaat om de muziek, om de ideeën van
de componist.’ Zelfs als hij zijn eigen werk dirigeert,
wil hij verrast worden: ‘Ik wil dat muzikanten
me iets nieuws laten horen.’ Want muziek
leeft alleen bij gratie van interpretatie – en van
verschil. ‘Muzikanten in Frankrijk spelen anders
dan in Duitsland. Veel sneller. Ze hebben geen
“Brahmsje” nodig. Dat verschil fascineert me.’
Met ‘Brahmsje’ bedoelt hij een bepaalde traditionele,
romantische manier van spelen – zwaar,
breed aangezet, met veel expressieve fraseringen
en een zekere Duitse plechtigheid, zoals je die
vaak hoort in uitvoeringen van Brahms.
Wat Poppe drijft, is niet de beheersing van een
stijl, maar de voortdurende bevraging ervan. Dat
was ook wat hem in eerste instantie zo aansprak
in het werk van Paxton, toen die meedeed aan een
compositieworkshop. ‘Alex speelde altijd tegen
het stuk in. Bij een druk stuk haalde hij elementen
weg, en was het een rustige partituur, dan
ging hij juist helemaal los met zijn improvisatie.’
Poppe haalt zijn inspiratie ook van buiten. Zijn
blik is vaak gericht op wat zich buiten Europa
afspeelt: ‘In Korea of Oost-Azië wordt muziek
fundamenteel anders benaderd. Dat perspectief
heb ik echt nodig.’ Niet om zijn wortels te verloochenen,
maar om ze open te breken. In een
wereld waar alles reproduceerbaar lijkt, wil hij
maar zeggen, is het zoeken naar het ongehoorde
een daad van verzet. ‘Zelfs als je niets begrijpt, kun
je geraakt worden. En dat is precies wat ik wil.’
DE GROENE AMSTERDAMMER 4.9.2025
9
Djuwa Mroivili – ‘Je wordt
niet geboren als alien, je
wordt tot alien gemaakt’
4.9.2025
DE GROENE AMSTERDAMMER
Djuwa Mroivili en de openbare ruimte
Wil je ergens
anders gaan zitten?
Pianist Djuwa Mroivili onderzoekt in haar werk of de
stilte in de concertzaal ook het product van gentrificatie
kan zijn. Waarom is ieder hard geluid ‘overlast’? In haar
voorstelling Hou zelf je bek zijn de hoofdpersonages
aliens geworden, op een andere planeet vervreemden
ze nog verder. Munganyende
In een concertzaal draait het allemaal om een
stille afspraak tussen het publiek en de muzikanten:
de enigen in de ruimte die geluid maken zijn
de artiesten en hun instrumenten. Als je hoest
doe je dat zachtjes. Een jeukende nies probeer je
te onderdrukken. Openlijk in vervoering raken
vermijd je. In die zin zijn klassieke concertzalen
als kleine, besloten wijken die niet de jouwe zijn,
waar je stapvoets doorheen moet rijden om bij je
bestemming aan te komen. Precies zo schuifelt je
lichaam de rij in, met je billen naar het podium
zodat je gezicht bijna dat van de vreemde waar je
naast gaat zitten raakt. Je maakt je lichaam klein,
zo goed als doorzichtig. Maar lichamen zijn nu
eenmaal ondoorzichtig. Dat van Djuwa Mroivili
is ondoorzichtig op een manier die maakt dat
regelmatig gevraagd wordt of ze ergens anders
wil gaan zitten, terwijl zij de pianist is.
Mroivili’s Hou zelf je bek, dat op 28 december
in première zal gaan in Muziekgebouw aan ’t IJ,
gaat over deze stille afspraken. Het gaat over hoe
het publiek zich buiten de klassieke concertzaal
gedraagt en hoe het die gedragingen meebrengt
10
Kiriko Mechanicus
naar binnen. Ze doet onderzoek naar de politiek
achter stilte en neutraliteit in concertzalen, en
vergelijkt die met de verwachtingen die er zijn
in openbare ruimtes.
Het geluid van de stedelijke ruimte is tegenwoordig
vaak geluid dat aan banden is gelegd
zegt Mroivili. ‘Wanneer wijken gentrificeren is
geluid vaak een van de eerste dingen die men
wil uitwissen. Het geluid van de mensen, het
geluid op straat, al het geluid dat wordt gezien
als ‘overlast’. De nieuwe bewoners denken: ‘Ik
heb een miljoen betaald voor dit huis, dus ik wil
geen dakloze op mijn stoep, want hij herinnert
mij eraan dat er verschillende ervaringen zijn in
de wereld.’ Het creëren van zo’n valse of suburbiaanse
stilte is geen simpele taak voor steden die
gebouwd zijn zoals Parijs en Amsterdam, waar
de mensen die het zich kunnen veroorloven in
de binnenstad wonen, en waar ze de hele dag in
aanraking komen met mensen die zich dat niet
kunnen veroorloven.
Waarom zouden stilte of neutraliteit wenselijk
zijn wanneer de wereld in brand staat? Mroivili
loopt regelmatig met deze vraag in haar achterhoofd
en een recorder in haar hand over straat.
Om de geluiden in Amsterdam-Oost, waar ze
woont, op te nemen voordat ze verdwijnen. Ze
schetst daarmee een onzichtbare plattegrond
van Amsterdam, één waarmee je de ruimtelijkheid
van Black Sonic Geography kunt vertalen.
De Canadese hoogleraar Katherine McKittrick
schreef over ‘a black sense of space’: ‘Zwarte diaspora-geschiedenissen
en -geografieën zijn
moeilijk te traceren en in kaart te brengen. De
trans-Atlantische slavernij, vanaf het slavenschip
en daarna, berustte op verschillende vormen van
ruimtelijk geweld die zwarte lichamen als doelwit
hadden en die ook profiteerden van het uitwissen
van een zwart gevoel van plaats.’ Een richtingaanduiding
die klinkt als: rechtsaf bij het
veilingblok, achterin de bus, aan je linkerhand
het ouderlijk huis waar nu settlers in wonen. Een
stuk grond kun je koloniseren, een lichaam kleineren,
geluid is moeilijker te bedwingen.
Als je, waar je ook bent, regelmatig gevraagd
wordt ergens anders te zitten, is het lastig te
bepalen waar die andere plek dan is. Het enige
wat je uit die vraag op kunt maken is dat je moet
vertrekken. ‘Een alien noemt zichzelf geen alien’,
zegt Djuwa Mroivili. ‘Ik moet dan denken aan
Simone de Beauvoirs uitspraak ‘On ne naît pas
femme, on le devient’ (Je bent niet als vrouw geboren,
je wordt tot vrouw gemaakt – red.) uit Le
deuxième sexe.’ Djuwa Mroivili voegt daar als
componist en klassieke pianist een derde sekse
aan toe. ‘Je wordt niet geboren als alien, je wordt
tot alien gemaakt. In mijn nieuwe voorstelling wil
ik uitgaan van dit idee, dat aliens ooit mensen zijn
geweest die vervreemd zijn geraakt en daarbij
zelfs fysieke transformaties ondergingen. Door
wel te mogen bestaan, maar niet “hier”, of wel,
maar niet “te luid”.’ Op zoek naar een plek waar
ze wel mogen bestaan raken Mroivili’s hoofdpersonages
in Hou zelf je bek zo erg vervreemd
dat ze terechtkomen op een andere
planeet. ‘Op die andere planeet,
komen ze allemaal andere aliens
tegen. Juist door omringd te zijn
met andere aliens die allemaal op
een andere manier alien zijn geworden,
vervreemden ze nog verder,
een bewilderment waardoor er niets anders op
zit dan thuiskomen in jezelf.’
In maart vorig jaar trakteerde Mroivili ons
samen met zanger Arturo den Hartog op haar
persoonlijke repertoire van A History of Female
Black Composers. Onder meer werden er werken
gebracht van Florence Price, zoals Judgement
Day, Monologue for the Working Class, Two Traditional
Negro Spirituals en Bewilderment. Dit laatste
stuk maakte Price toen ze woonde in het door
lynchpartijen geteisterde Little Rock. De tekst is
een gedicht van Langston Hughes:
I ask you this: Which way to go?
I ask you this: Which sin to bear?
Which crown to put upon my hair?
I do not know, Lord God, I do not know.
Mroivili groeide op met een Nederlandse moeder
en een Comorese vader, die elkaar ontmoetten
op de Rijksakademie toen vader Ali ‘Napalo’
Mroivili daar vanaf 1995, na de afronding van zijn
studies aan de École nationale supérieure d’arts
in Cergy-Pontoise, een opleiding volgde. Vader
is ook artiest en werkt met schilderijen, sculpturen,
schetsen en installaties in de publieke ruimte.
Napalo woont al jaren niet meer in Nederland. De
gelijkenissen met zijn kind verklaren zich door de
gekke dans die genen maar zelden ontspringen.
Breng je Mroivili’s praktijk in relatie tot die van
haar vader, dan ben je dus op de goede weg. Breng
je haar praktijk in verband met die van componist
Julius Eastman, dan heb je net zo goed de juiste
afslag genomen op de zwarte kaart. Maar dat is
een langere omweg: Mroivili komt pas in aanraking
met het werk van Eastman tijdens haar studie
aan het conservatorium, als ze op ongelukkige
wijze geconfronteerd wordt met het nummer
Evil N***, als enige student in haar klas die zich
persoonlijk tot dat woord kan en moet verhouden.
‘We gingen Evil N*** spelen op een klassieke
opleiding, waar twee zwarte mensen op zaten,
inclusief mezelf. In die projectweek heb ik de hele
Waarom zouden stilte
of neutraliteit wenselijk
zijn wanneer de wereld
in brand staat?
Djuwa Mroivili’s
voorstelling Hou
zelf je bek beleeft
haar wereldpremière
op 28 december,
muziekgebouw.nl
tijd het n-woord gehoord omdat
mensen dat stuk bij naam noemden.’
Eastman had een voorliefde
voor provocerende titels. Naast
Evil N***, maakte hij ook Crazy
N***, Gay Guerilla, en If You’re So
Smart, Why Aren’t You Rich? Dit
laatste schreef hij nadat hij dagenlang de voeten
waste van dakloze New Yorkers bij een lokale
opvang. Toen Eastman in de jaren tachtig werd
geboekt om zijn stukken Evil N*** en Crazy N***
op te voeren aan een universiteit, werden de titels
na grote ophef uit het programmaboekje gewist.
Hij mocht wel het publiek komen toespreken om
context te geven: ‘N*** betekent simpelweg het
ding dat de basis is voor alle dingen. Een field
n*** is bijvoorbeeld de basis van de Amerikaanse
economie.’
Mroivili: ‘Er werd verder totaal niet over
gecommuniceerd wat dat betekende. En dat precies
dat stuk werd gekozen om het onderwerp van
de zwarte componist te illustreren, en niet bijvoorbeeld
Emahoy Tsegué zegt voor mij heel veel.
Wat het mij vertelt is dat het alleen kan bestaan
als kritiek op witte mensen maar niet los daarvan.
Ook Florence Price heb ik zelf in de bibliotheek
van de opleiding moeten zetten.’ Florence
Beatrice Price was de eerste zwarte Amerikaanse
componist wiens werk door een groot Amerikaans
symfonieorkest werd uitgevoerd. Haar
afwezigheid in de bibliotheek van een conservatorium
is opvallend te noemen.
Wat is eigenlijk nodig om stilte en neutraliteit
in openbare ruimtes, en dus ook in concertzalen,
af te dwingen? Daarvoor is bezetting nodig,
zo schrijft Achille Mbembe in Necro politics.
Mbembe: ‘Bezetting gaat over het uitoefenen van
controle over een gebied. Nieuwe regels invoeren
over omgangsvormen in een ruimte.’ Je schrijft
volgens Mbembe met die nieuwe regels als het
ware een nieuw verhaal voor de ruimte, je creëert
nieuwe ruimtelijke verhoudingen met zones,
enclaves en een bepaalde hiërarchie. Ook moet
je een grote schatkamer aan verbeeldingskracht
opbouwen, waarmee je kunt verwijzen naar die
nieuwe regels als waarheid om ze voor waarheid
door te laten gaan. Beelden geven betekenis aan
de verschillende rechten die je geeft, aan de verschillende
categorieën mensen die je creëert in
het gebied dat je bezet.
Door deze optelsom lijkt het of het bezette
gebied van nature aan de bezetter toebehoort.
Mbembe schrijft: ‘Soevereiniteit draait om bezetting
en bezetting draait om het terugbrengen van
de gekoloniseerde tot iets in een derde zone, iets
tussen een persoon en een ding.’ De township, de
ghetto, de inner city, de banlieue, de niet-klassieke
concertzaal. Ruimtes, zoals concertzalen en
wijken, zijn de basis van een bezet gebied. Hou
zelf je bek gaat over die ruimte terug-bezetten
met geluid. Julius Eastman zei over zijn compositie
Gay Guerilla: ‘Waarom ik “Guerrilla” naast
“Gay” gebruik is om iets te vinden waarmee ik het
voorlaatste kan verheerlijken. Ik gebruik “Guerrilla”
in de hoop dat het “Gay” kracht bijzet.’
DE GROENE AMSTERDAMMER 4.9.2025
11
De algoritmes van Zeno van den Broek
Geraakt door een
drumcomputer
Componist Zeno van den Broek experimenteert met de creatieve
kracht van technologie. Want waarom zou je de machine niet als
een gelijkwaardige performer zien? Mirjam Rasch
Gaat AI de kunstenaar overbodig maken? Of kan
ze ook een spannende samenwerkingspartner
zijn? Dat laatste, volgens componist Zeno van
den Broek. Hij gebruikt niet alleen AI-technologie
bij het componeren, maar laat menselijke en
machinale percussionisten samen optreden. Zijn
grote nieuwe compositie Ways of [ ], voor musici
van Percussions de Strasbourg, HIIIT en een
vijftal machineperformers, is in januari te beleven
bij het Muziekgebouw.
Ways of [ ] is het resultaat van jarenlang onderzoek.
Al in 2020 ontstond in samenwerking met
HIIIT (voorheen Slagwerk Den Haag) het stuk
MA(N/CHINE). Bij een uitvoering in de Nieuwe
Kerk in Den Haag in december 2024 zie ik hoe
drie onopvallende, langwerpige stukken steen
waarboven drumelementen hangen, tussen verschillende
slagwerkinstrumenten op het podium
staan opgesteld. Ervoor een laptop, zwart en zwijgend.
Na een klik op de knop stuurt die de drie
percussiemachines aan, van een rustig tikken tot
furieus striemen. Kort nadat de drumcomputers
zijn gestart voegen vier menselijke slagwerkers
van HIIIT zich bij de machines. Samen met de
machines creëren ze een live-interpretatie van
de compositie. Op de hand-out bij het concert
staat Van den Broek vermeld als een van de performers.
Hij is het brein achter ‘het brein’, oftewel
de laptop waarop de software loopt die de machines
aanstuurt. Als componist stuurt hij natuurlijk
ook de menselijke muzikanten aan; ook een partituur
is in zekere zin een algoritme.
Met Ways of [ ] brengt Van den Broek het samenspel
van mens en technologie een stap verder.
Improvisatie speelt daarin een nog grotere
rol, ook voor de computer. De afgelopen twee
jaar verdiepte de componist met een Fast Forward-traject
van Fonds Podiumkunsten zijn
onderzoek naar het werken met AI, percussiemachines
en menselijke musici. Welke artistieke
mogelijkheden biedt de nieuwste technologie?
Hoe kunnen mens en machine samenwerken aan
nieuwe, ongekende ervaringen? En hoe kun je als
kunstenaar autonomie vinden in het werken met
technologie die ontwikkeld wordt door miljoenenbedrijven?
Van den Broek gaat voorbij aan
het gebruikelijke doemdenken dan wel jubelen
door hands on te experimenteren. Hij bewandelt
een meer autonome, derde weg. Autonoom voor
mens én techniek.
Bij autonome technologie denken we aan zelfrijdende
auto’s of zelfbeslissende algoritmes, die
de mens na een druk op de knop niet meer nodig
zouden hebben. Alle grootspraak van de techindustrie
ten spijt, zijn AI en algoritmes echter
vooral gereedschappen die worden ingezet om
een doel te behalen of iets te produceren. Liefst
zo efficiënt en weinig arbeidsintensief mogelijk.
Dat klinkt meteen al tegengesteld aan het proces
van kunst maken. Muziekinstrument, verf of taal
zijn geen tools om zo snel mogelijk een product
mee te maken, tenminste niet als je er artistieke
waarde van verwacht. Een kunstenaar brengt tijd
door met z’n werk, probeert zichzelf erin te leggen,
wil er iets mee zeggen al weet hij zelf ook niet
DE GROENE AMSTERDAMMER
Foto’s Tanja Busking
4.9.2025
12
In de compositie
Ways of [] van Zeno
van den Broek spelen
machineperformers
samen met menselijke
slagwerkers
precies wat, kan het maar met moeite opgeven als
het niks wordt, of, als het klaar is, het weggeven
aan het publiek en het oordeel.
Stel je voor dat de machine niet alleen iets is
om te gebruiken, maar iets met een eigen perspectief,
iemand om tijd mee door te brengen. Niet
later, in een futuristische toekomst, maar nu. Wat
wil ze, wat verlangt ze? De kunst is bij uitstek de
plaats om dat te onderzoeken. Dat doet Van den
Broek in zijn werk, niet door een speculatieve
wereld op te tuigen maar door de machines het
podium op hijsen. Autonomie van de techniek
betekent voor hem de machine serieus nemen,
zo serieus dat ze een gelijkwaardige partner en
performer wordt.
In de ouderwetse opvatting van autonomie is
die zuiver en rationeel, opgesloten in zichzelf. Dit
gaat uit van een meer relationele vorm van autonomie.
Mens en machine zijn met elkaar verbonden
en hebben elkaar nodig. Eenmaal bevrijd
uit de taal van efficiëntie en skillsets kan er een
gelijkwaardige en wederkerige relatie ontstaan.
De techniek is niet meer alleen navelstaarderig
met zichzelf en haar eigen databases bezig, maar
mag meespelen met de mens. Op het podium worden
beiden op de proef gesteld en daarmee krijgt
het onverwachte de ruimte. Nu doet de machine
mee in de echte wereld.
Zoals ik tegenwoordig vooral bored out raak van de
eeuwige wederkeer van sociale-mediacontent, zo
geldt dat meestal ook voor AI-gegenereerde kunst.
Eerder dan verrassend of ontroerend is ze saai en
voorspelbaar. AI-esthetiek is glad, glimmend en
frictieloos, met bolle lijnen en natuurlijke accenten.
Kitsch. Het maken ervan is al even frictieloos
als het resultaat: scheppen verwordt tot een cyclus
van prompt-en-antwoord – alsmaar verfijndere
prompts en steeds verder geïtereerde antwoorden.
Productie boven proces. Ondertussen traint
de computer de mens om ook een machine te worden,
een promptmachine die zo leert praten dat
het algoritme hem verstaat. Kampioen is hij die zo
snel of ingenieus mogelijk het meest gedetailleerde
of megalomane of niet van echt te onderscheiden
(dat wil zeggen, door mensenhand gemaakte)
resultaat weet te genereren.
De rimpelloze teflon-look blijft niet beperkt
tot met Midjourney of Dall-E gegenereerde
plaatjes. Bas van Putten beschreef in een artikel
in De Groene Amsterdammer de overeenkomst
tussen de nieuwste auto’s en de nieuwste klassieke
muziek als ‘een nieuw onclassificeerbaar schemergebied
tussen ironie en behaagzieke dwingelandij’,
waar ‘alle menselijke aandrang uit is geweken.
Zelfs het ritme is verslagen, polsslag van het
leven.’ Een auto, en bij uitbreiding alle autonome
technologie, moet zo voorspelbaar mogelijk
zijn. Het laatste wat we willen is verrast worden
door onverhoedse beslissingen als we van A naar
B worden vervoerd. Niet alleen is het hondsmoeilijk
om het onverwachte te programmeren, we zitten
daar helemaal niet op te wachten. De zachte
deken van het bekende is aangenaam en veilig.
Autonomie is automatisme geworden. Oftewel,
kitsch. Prima voor een auto, voor de kunst is het
een ander verhaal.
Enter de drummachines van Van den Broek. Ze
klinken aarzelend, speels, gefrustreerd en maniakaal.
Hoewel dat te menselijk is geformuleerd.
Hij wil juist hun machinale eigenheid onderzoeken.
Gedurende de compositie komt steeds meer
improvisatie in het spel. Weliswaar onder voorwaarden
en vanuit een bepaald idee, maar zonder
dat de uitkomst vastligt. De machines krijgen een
algoritme gevoerd dat ze tegelijk uitnodigt om een
eigen weg te zoeken. Pas in de uitvoering zal het
stuk zijn definitieve vorm krijgen. In plaats van te
‘prompten’ – in feite een transactionele handeling
waarbij de één een opdracht geeft aan de ander
en een duidelijk resultaat verwacht (daarom zijn
gebruikers ook zo teleurgesteld als ChatGPT verkeerde
antwoorden geeft) – vindt er een geïmproviseerd
samenspel plaats, een live-ervaring.
Wat is de live-ervaring van een machine? Het is
een vraag die Van den Broek in zijn werk opwerpt.
Een manier om over ‘live’ te spreken is met behulp
van het begrip resonantie. Resonantie is de ervaring
van geraakt worden, door een ander mens,
muziek, de natuur. Het is de ontmoeting met het
‘onbeschikbare’, aldus cultuursocioloog Hartmut
Rosa, dat wat we niet kunnen vangen, opslaan of
nuttig maken. Het onbeschikbare is bij uitstek
dat wat we ervaren bij kunst. Het concert in de
Nieuwe Kerk gaf mij een gevoel van resonantie: ik
voelde me aangesproken en uitgedaagd, begreep
niet direct wat er gebeurde, bewoog mee, sloot de
ogen, glimlachte. Kortom, ik raakte even aan het
onaanraakbare. Al kwam het dan uit een laptop.
Resonantie is iets wat de mens op de machine
voorheeft. Het staat volgens Rosa haaks op de
moderne technologie, die alles juist wél beschikbaar
wil maken. De belofte van AI is immers dat
we allemaal kunnen schilderen als Van Gogh of
klinken als The Beatles. Maar de ervaring van
resonantie zal het niet geven. Technologie biedt
geen ruimte aan het ongrijpbare. Laat staan dat
een machine zelf iets van resonantie zou kunnen
ervaren, die ervaart immers niets. We noemen
haar wel ‘intelligent’, maar het is een dode intelligentie
die niets met aanraking te maken heeft.
Het heeft iets koppigs, die afwijzing van de
techniek, die vooral lijkt te gaan over de voor de
DE GROENE AMSTERDAMMER 4.9.2025
13
4.9.2025
DE GROENE AMSTERDAMMER
Zeno van den Broek
speelt Ways of [] met
Percussions de Strasbourg
en HIIIT tijdens FIBER x The
Rest is Noise op 10 januari,
muziekgebouw.nl
hand liggende big tech, zonder
de hele reikwijdte en praktische
implicaties van technologie
mee te nemen. Waarom zou
ik niet kunnen resoneren met
een drumcomputer? En nog
een stap verder: de drumcomputer
met mij? De machines die meespelen op het
podium doen iets. Ze reageren op hun medeperformers,
hier en nu. Een kenmerk van resonantie
is ‘zelfeffectiviteit’, schrijft Rosa: het vermogen om
te reageren op de aanraking van buiten. Niet door
het te registreren, labelen en opslaan, maar door
er iets eigens mee te doen. Dat doen de improviserende
drumcomputers ook. In elk geval vanuit
hun eigen perspectief gezien.
Daarvoor helpt het inderdaad niet om ze ‘slim’
of (nog erger) ‘smart’ te noemen. Dat leidt vooral
tot begripsverwarring. De zogenoemde ‘slimheid’
van technologie verbergt meestal de achterliggende
wens dat die nuttig moet zijn. Een deurbel
die op een schermpje vertoont wie er zojuist op
het knopje heeft gedrukt is niet slim maar handig.
Een thermostaat die consequent de gewenste
temperatuur te hoog zet omdat data dat voorschrijven,
noemen we niet slim maar onhandig.
Wat intelligent betekent in de benaming AI, kan
niemand precies zeggen, al kom je ook daar niet
onder een vorm van nut vandaan.
Wat betekent dat voor de inzet van technologie
in de kunsten, het reservoir van resonantie?
Aan de ene kant dat AI kan worden ingezet om
nuttige en dus saaie klusjes uit te voeren, zoals
kleurcorrectie, het wegpoetsen van ruis of het corrigeren
van een document, om maar wat te noemen.
Je kunt er eindeloos veel rechtenvrije afbeeldingen
mee genereren, persberichten schrijven,
jingles componeren. Dat is nuttig, maar: is het
ook boeiend?
Neem de klassieke prompt van de kunstdocent
aan de leerling om zo veel mogelijk toepassingen
van een punaise te bedenken. Zonder veel
inspanning geeft AI je honderd resultaten. Dat is
niet eens nuttig, want het doel is natuurlijk niet
om daadwerkelijk iets met die punaise te doen,
maar om je automatismen af te breken en het
terrein van de creatieve vreemdheid te betreden.
Mijn vreemdheid en niet die van niemand anders.
Ook de mens is doorlopend getraind op een gigantisch
model genaamd cultuur, maar het gaat erom
dat te overstijgen of juist te ondermijnen.
De saaiheid of nuttigheid van veel technologische
toepassingen hoeft niet te betekenen dat we
ermee moeten stoppen, uitloggen, de computer
uit het raam gooien en terugkeren naar het atelier.
Er zijn ook andere vragen te stellen. Wat ligt er
eigenlijk achter of onder de automatismen van de
technologie? Wat is de vreemdheid van het algoritme?
Wat is het eigene van zijn cultuur? Dan
wordt het boeiend.
Zoals conservatoriumstudenten worden opgeleid
in het repertoire van hun voorgangers om
daardoorheen een eigen toon en expressie te vinden,
zo kan dat met het algoritme misschien ook,
aldus Van den Broek. In plaats van te proberen
een algoritme menselijk te laten
klinken, door hem eigenschappen
mee te geven zoals agressief,
onzeker of volgzaam, is
het interessanter om de technologie
radicaal te benaderen
als technologie. Ook die heeft
voorgangers waarvan hij de kneepjes van het vak
kan leren. En dat gaat niet om het hele internet,
zoals nu gebeurt. Ook niet om beroemde muzikanten.
Niemand zit echt te wachten op AI-liedjes
van The Beatles of fake-Drake-songs. Net zomin
als de kitsch van de filters waarmee je van elk zelfportret
een dik in de verf gezette Van Gogh maakt,
een hoekige Picasso.
Bij het trainen van zijn algoritmes wil Van den
Broek een stap voorbij die antropomorfisering van
de techniek gaan, waarbij het ‘eigene’ ervan toch
weer gedefinieerd wordt in menselijke termen.
Het écht eigen geluid van moderne technologie
zijn de meesters der machines. Het luidruchtige
ritme van het weefgetouw dat de industriële
revolutie inluidde, het stompen en fluiten van
de stoomtrein die het land doorkruist, het rakketak
van de automotor, het knerpende getik van de
telegraaf en het knisperende vonken van elektriciteit.
Laat de machine zijn eigen resonantie maar
ontdekken. En het publiek daar vervolgens deelgenoot
van maken.
Een terugkerende vraag bij technologie is: wie
is in control? Hebben wij controle over de technologie
of andersom? Een vergelijkbare vraag is
te stellen aan de kunst (die andere menselijke
schepping): heeft de kunstenaar controle over
het kunstwerk, of het kunstwerk ook over zijn
schepper? En het publiek heeft ook nog wat in de
melk te brokkelen – talloos zijn de voorbeelden
van technologie die anders werd gebruikt dan de
bedoeling was, kunstwerken die een andere betekenis
kregen dan de schepper erin dacht te hebben
gelegd.
Een compositie is een complex systeem, vindt
Van den Broek. Delen werken op elkaar in, frases
transformeren, een enkele noot geeft kleur aan
het geheel. Dat betekent ook dat de vraag naar
controle niet eenvoudig te beantwoorden is. Van
de maker en van de technologie die hij gebruikt.
Op elk niveau werkt de creatieve kracht van technologie
anders. Toon en expressie zijn één ding,
Noch de gedachteloze
omarming van AI, noch
het opzijschuiven ervan
helpt de kunst verder
de langere bogen in een stuk zijn een ander verhaal.
AI doet het beter op de korte dan op de lange
baan. Het geheugen van het algoritme strekt niet
ver, wat het moeilijk maakt om er melodieën mee
te ontwikkelen.
Wat gebeurt er als je bewust de teugels laat vieren?
In Ways of [ ] wisselen gecomponeerde delen
en improvisatie elkaar af. Waarom noemen we het
eigenlijk een hallucinatie als het gaat om machines?
Misschien omdat hallucinaties een gesloten
systeem vormen. Improvisatie vindt daarentegen
plaats in het open nu. De aandacht moet voortdurend
bij de ander blijven, bij het geluid dat ontstaat,
uit je handen of onder het drumelement dat
op een steen tikt. Mens en machine moeten goed
op elkaar letten, zoals performers altijd moeten
doen als ze samen spelen. Wie er dan ‘in control’
is? Misschien in laatste instantie het stuk zelf.
De meeste AI is niet in handen van de gebruiker,
maar in die van miljoenenbedrijven. Het is
waarschijnlijk daarom dat het zo weinig boeiends
oplevert, geen echte resonantie mogelijk maakt.
De technologie zit opgesloten in een black box
en is tegelijk gericht op de massa. Het is moeilijk,
zo niet onmogelijk, de voorwaarden ervan te
veranderen. Je kunt wel je eigen neurale netwerk
draaien, maar dan heb je kostbare apparatuur en
modellen nodig. Vaak levert ‘dommere’ technologie,
zoals statistische markovketens en eenvoudige
algoritmes, even of meer interessante resultaten
op, vindt Van den Broek. Domme technologie
heb je zelf in de hand. En dat geeft meer mogelijkheden
om frictie, toeval en het onverwachte het
werk binnen te halen. En dus een ervaring van
resonantie te creëren.
Noch de gedachteloze omarming van AI, noch
het vol afkeer opzijschuiven ervan helpt de kunst
verder. Stap één is om los te komen van een relatie
die alleen maar draait om nut en productie.
Maar ook van een discours waarin mensen los
van technologie gedacht kunnen worden. Muziek
is ondenkbaar zonder technologie. Beter breng je
tijd met elkaar door, om elkaar te leren kennen,
te experimenteren, te falen en zoiets onverwachts
creëren. Dat gebeurt bij uitstek in de kunst.
Waarom luisteren we naar muziek? Om meegenomen
te worden op een reis, aangeraakt te
worden, iets te ervaren. De reis is geconstrueerd
door iemand met een intentie en een idee, maar
geeft ook een unieke en eenmalige ervaring, zeker
bij een live-optreden. Gesloten systemen met
een voorgekauwde esthetiek zullen dat niet snel
schenken. Technologie met meer autonomie voor
de kunstenaar, met een eigenheid die niet stopt
bij het automatische maar daardoorheen breekt
naar het vreemde en vervreemdende daarachter
kan dat wel. Er is een eeuwenlange geschiedenis
van kunst en technologie die daarvan getuigt.
Als we ons laten reduceren tot een promptrobot
zal de miljardenkitsch het enige zijn wat overblijft.
We hebben kunstenaars als Van den Broek
nodig om ons te laten zien wat het echt kan betekenen
om te luisteren als een machine, te resoneren
met een algoritme, ons brein te delen met
een ander brein.
14
Ryuichi Sakamoto’s
open wereld
Discrete
intensiteit
De Japanse componist,
pianist, popmuzikant
Ryuichi Sakamoto
hield niet van grenzen.
Hij kon elke vorm
aannemen die hij wilde.
Bas van Putten
Melancholie
was er altijd
al bij Ryuichi
Sakamoto
1996 van Ryuichi
Sakamoto door
Bang on a Can
All-Stars, 7 mei,
muziekgebouw.nl
Met ‘wereldmuziek’ werd toen woorden minder
onder het vergrootglas lagen etnische muziek
bedoeld. In de jaren tachtig stond het grofweg
voor ‘muziek uit andere werelden dan de onze’.
Uit Japan, uit India, uit Oost-Europa of uit Afrika.
Het was dus geen wereldmuziek, maar lokale
cultuur buiten het etnocentrisch tot ons beknotte
gezichtsbereik achter de onbeholpen definitie.
De echte wereld, de hele, vond je bij de Japanse
pianist, popmuzikant, componist, beetje zanger en
beetje acteur Ryuichi Sakamoto (1952-2023). Die
klassiek getrainde omnivoor kon elke vorm aannemen
die hij wilde. Met het driemansbandje Yellow
Magic Orchestra – nog steeds leuk – was hij in de
jaren zeventig een van de pioniers van de elektropop.
Zijn soloalbum B-2 Unit (1980) – nog altijd
fris – wees de weg naar dance en techno. Sakamoto
maakte ambient en muziektheater, was betrokken
bij installatie- achtige voorstellingen in musea,
vond in alle genres en in alle hoeken van de wereld
partners als David Sylvian, Youssou N’Dour, Alva
Noto, David Byrne, Iggy Pop en Nam June Paik.
Hij hield ook veel van jazz en kon aan de piano
de gelikte crooner uithangen. Zo zie je hem, geschaduwd
door een reuzenmier, in smoking aan de vleugel
op de hoes van Ongaku Zukan (1984) muziek
spelen die zich gesmeerd en strak gearrangeerd van
easy listening naar raar en omgekeerd beweegt.
Pas als je zijn hele oeuvre kent hoor je ook
hem, de sturende persoonlijkheid die achter het
camouflagescherm van zijn rollenspel zijn silhouet
blootgeeft met specifieke akkoorden, oosterse
melodie-accenten, een soort akoestisch schemerlicht,
een bepaald type fluïde synthesizerklanken,
een discrete intensiteit, een ontroerend verlangen
naar vrede.
KAB America
Sakamoto was een kei in elektronica, maar
een plaat met onschuldig weemoedige pianowerken
heet BTTB, van back to the basics. Zijn
kompas wijst naar Bach, Mozart en Debussy,
Chanson is een lief salonstukje. De atmosfeer
anticipeert al op zijn laatste scheppingsfase,
toen de kanker Sakamoto langzaam opvrat.
Parallel met het fysieke uiteenvallen, muziek is de
geest van het lichaam, voltrekt zich op het album
async (2017) in een tedere dubbelslag de
atomisering en breekbare wedergeboorte van het
materiaal, herrijst het leven in het voorland van de
dood als wonderbaarlijke herinnering aan stilte
en schoonheid. Je hoort natuurgeluiden, weer die
zachte piano, een meesterlijke elektronische pastiche
op een Bach-koraal. Op een natuurwandeling
met deze muziek op je oortjes zul je merken hoe
natuurlijk de muziek vergroeit met de akoestische
buitenwereld. De muziek van Sakamoto is hier zelf
natuur geworden. Alles wat binnendringt kan er
groeien. Dat is ware openheid, dat is de hele wereld.
De melancholie was er altijd al, ook in de
film muziek – meteen al in Merry Christmas Mr
Lawrence van 1983. Die zou zich verhevigen. Over
Travel uit de film Proxima (2019) schrijnt achter
een dikke mist met uitdijende gaten opnieuw een
soort koraalvoorspel van Bach, een wonder dat net
niet komt maar zich magisch aankondigt. Dat levert
71 adembenemend geniale seconden op. De geest
van Bachs koralen sluipt toenemend spiritueel in de
akkoordprogressies. Tegelijkertijd wordt Sakamoto
soberder en langzamer, en stiller. Maar stigmatiseer
hem niet tot new age, daar is hij veel te goed voor.
Andere episoden als Rescue in the Water, of Escape
1 uit de muziek bij The Fortress (2017) kunnen zo in
een avant-gardistische orkestpartituur.
Hij hield niet van grenzen. Zijn filmmuziek is
zo goed omdat hij net zo scherp en ruim zag als
hij luisterde. Sakamoto moet een zacht mens zijn
geweest, het soort dat anderen op straat ziet lijden.
Proxima gaat over het afscheid van een vrouwelijke
astronaut van haar dochter. Die pijn hoor
je de muziek meevoelen. Zijn nooit opdringerige
empathie is ontwapenend. Zo breekt hij je weerstand.
Voor zoetelijkheid behoedt hem het gewicht
van de spanningen. Hij is zelf vader, dat hoor je.
Hij weet wat op het spel staat. En hop, daar wordt
hij weer een ander. Iceskating, ook uit Proxima, is
een soort symfonische elektro-Satie. Componisten
waren kleptomanen, wist Louis Andriessen. Het
kwam erop aan een goeie dief te zijn. Sakamoto
was een van de besten.
Maar je hoort altijd Sakamoto, als een vaag
accent, een geur van innigheid en nostalgie, van
kalm verlangen naar de volgende afslag naar het
volgende toverrijk. Alles wat hij heeft gemaakt is
door het filter van zijn omnivore droom gegaan. Op
het akoestische 1996 projecteert hij de wereldtaal
van zijn filmmuziek met alle denkbare pop-, jazzen
bioscoopaccenten op een van de meest traditionele
kamermuziekbezettingen; het pianotrio. Daar
ontmoet je het thema van Merry Christmas Mr
Lawrence in een Brahms-gewaad voor viool, cello
en piano. Bij Sakamoto is het niet eens bizar, het is
gewoon de cirkel rond maken. BTTB.
DE GROENE AMSTERDAMMER 4.9.2025
15
‘Stormmaker’ Kate Moore
‘Muziek is net
een weersysteem’
Componist Kate Moore vindt
volop inspiratie in de natuur,
zoals tijdens een wandeltocht
in een storm: ‘Ook als je
muziek maakt verandert de
lucht op een intense manier.’
Jacqueline Oskamp
Van jongs af aan is de Nederlands-Australische
componiste Kate Moore (Oxfordshire, 1979) zich
bewust van de magie van de natuur. Geen wonder
als je weet dat haar vader onderzoeker is, gespecialiseerd
in aardwetenschappen. Haar vroegste
herinneringen gaan terug naar toen ze vier jaar
oud was en het gezin een tijdlang in het Amazonegebied
verbleef, waar haar vader onderzoek
deed naar de invloed van de kap van het regenwoud
op de waterkwaliteit.
Ze schreef onder andere Stories for Ocean
Shells (2000), Ridgeway (2009) over een historische
route door Zuid-Engeland, The Dam
(2015) dat een drinkplaats voor dieren verbeeldt,
Coral Speak (2016) over de koralen in het Great
Barrier Reef, Space Junk (2018) dat een directe
samenwerking vormde met haar vader die zich
bezighoudt met het in kaart brengen van ruimteafval
en de data leverde die ze omzette in muziek,
en Bay of Bisons (2025) dat tijdens het laatste
Holland Festival in première ging en waarvoor
ze inspiratie vond in de Ooijpolder bij Nijmegen.
Het zijn stuk voor stuk composities geschreven
in een gelaagd minimal music-idioom, waarin
Moore het cyclische karakter van deze muziek
combineert met een opzwepende harmonische
spanning – iets wat haar ook aansprak in
de stukken van Louis Andriessen bij wie ze in
2002 (na haar bachelor cello en bachelor honours
(elektro-akoestische) compositie aan de
ANU School of Music in Canberra) haar master
behaalde. Haar muziek raakt een snaar bij een
groot publiek, wat weer resulteert in opdrachten
van toonaangevende festivals en ensembles, en
prestigieuze prijzen.
Sinds een paar jaar speelt haar werk zich af in
een heel nieuwe dimensie: al wandelend door het
landschap. Ze noemt het: plein air composing.
Gewapend met een opnameapparaat, een notitieblok
en een middeleeuwse vedel liep ze vlak
voor de coronacrisis van Oss in Brabant naar het
Ierse eiland Skellig Michael. In 2024 maakte
Kate Moore op haar
‘Piercefield walk’ in de
Wye Valley, Wales, 2024
DE GROENE AMSTERDAMMER
4.9.2025
16
Isabelle Vigier voor A Beautiful Path
ze de tocht nogmaals, maar dan in stukjes. De
allerlaatste etappe – een ruig Iers rotslandschap
– wacht nog steeds op voltooiing. The Ox Way
noemt ze deze zelf uitgestippelde route, die resulteerde
in diverse nieuwe composities, zoals het
recente Bay of Bisons voor de charismatische
Zuid-Afrikaanse cellist en vocalist Abel Selaocoe
(‘een rockster’, volgens Moore).
Ook het idee voor het openingsstuk voor het
Minimal Music Festival 2026, een opdracht van
het Muziekgebouw, ontstond tijdens de wandeltocht
naar Ierland, vertelt Moore. Op haar verzoek
ontmoeten we elkaar in de Amsterdamse
Hortus, een groene oase in het drukke centrum.
‘Elk stuk begint bij nul’, zegt ze. ‘Om te kunnen
componeren moet ik een aanknopingspunt vinden
in mezelf, op de cello, piano of een ander
instrument.’
De beslissing om te gaan wandelen is volgens
Moore een extreme, heel fysieke versie
van dat creatieve proces. ‘Het is jouw lichaam
in wisselwerking met de omgeving. Tijdens een
lange afstandswandeling is alles voortdurend in
beweging: jijzelf, de omgeving, het weer – net als
muziek, die verandert ook constant. Als ik een
paar uur loop, raak ik in trance en dan wacht ik
op het moment dat er iets komt. Dat is spannend,
want niet elk moment is een inspirerend
moment. Soms is dat eng. Dan denk ik: ik heb
niks, ik voel niks, misschien komt het nooit meer.’
Tot nu toe komt ‘het’ in overvloed. De manier
waarop Moore over die ongrijpbare interactie
met de natuur praat, doet denken aan een medium.
‘Jij zegt het. Ik denk het ook’, zegt ze. ‘Ik praat
niet zo vaak over deze dingen, maar er gebeurt
iets: een chemische reactie die heel tastbaar is.
Melodieën improviseren gaat mij makkelijk af,
geef me een instrument en ik maak een melodie.
Maar zo’n melodie betekent niets totdat ik mijn
hele lichaam voel resoneren: dít is de juiste melodie.
Alsof ik een boodschap ontvang.’
Van wie komt die boodschap? Moore vertelt over
de ochtend dat ze de melodie voor Bay of Bisons
‘ontving’. Het eerste deel van haar wandeling –
een rechte lijn van oost naar west – begon met
een proeve van landschapskunst: vanaf het startpunt
Vorstengraf Oss wandelde ze een tiendaagse
route in de vorm van een vioolsleutel. In de vroege
ochtend in de heuvelachtige bossen van Berg
en Dal gebeurde het. ‘Het was winter, koud, vier
uur in de ochtend. Het regende, maar ik had de
ramen open, want ik hoorde allerlei vogels zingen.
Plotseling kwam die melodie en ik kon hem
niet meer uit mijn hoofd krijgen.’
Dat zou te maken kunnen hebben met het feit
dat haar grootvader van moederskant is geboren
in Ooij, zegt ze. ‘Ik kwam door een soort
niemandsland van waaruit voor de oorlog veel
Nederlandse seizoenarbeiders de grens overgingen
om in Duitsland te werken. Dat gold ook voor
mijn familie. Over die geschiedenis stond een
informatiebord met de foto van een document
dat arbeiders nodig hadden om de grens over te
‘Als ik een paar uur loop,
raak ik in trance en dan
wacht ik op het moment
dat er iets komt’
steken. Als voorbeeld stond een pas afgedrukt met
de naam van mijn familie: Teunissen. Ik ben niet
in Nederland geboren of opgegroeid, maar realiseerde
me dat een deel van mijn verleden hier ligt.’
The Ox Way (‘Het pad is de partituur, het pad
lopen is de performance’) is zowel een nieuwe
manier van componeren als een queeste naar
haar eigen afkomst, die via Wallingford, een klein
dorpje in het Engelse Oxfordshire waar zij tot
haar zevende jaar woonde, naar de zuidwestkust
van Ierland leidt waar haar vaders familie
vandaan komt. Ze volgt daarbij de stroom van
de rivieren: de Maas, Stort, Bulbourne, Theems,
Frome, Severn, Lee en River Bride. Het is niet
een overgeleverde route, maar gezien de vele sporen
van de Romeinse, Keltische en middeleeuwse
cultuur heeft Moore de indruk dat er wel degelijk
sprake is van oude handelsroutes.
Onderweg noteert ze haar gedachten, ze
maakt opnamen van omgevingsgeluiden en ze
improviseert op haar vedel, een middeleeuwse
voorloper van de viool. Al musicerend maakt
ze contact met de plaatselijke bewoners én probeert
één te worden met het landschap. Ze wil
letterlijk intunen op de omgeving. Ook verdiept
ze zich in de lokale geschiedenis. Ze heeft ondertussen
een hele bibliotheek over het gebied aangelegd,
ook al is het een kwestie van ‘jongleren’
tussen onbevangen een landschap ondergaan
en met de nodige kennis door een gebied reizen.
Moore noemt het ‘een droomproces’: een historische
plek betreden en absorberen wat daar tot
haar komt. ‘Dat heb ik in Australië geleerd.’ Ze
legt uit dat haar familie van vaderskant in 1841
Ierland ontvluchtte vanwege de voedselcrisis die
in 1845 uitliep op een catastrofale hongersnood:
de Great Famine. ‘Ierland was een wingewest van
Engeland, maar in Australië behoorden de Ieren
zelf tot het koloniale systeem. Mijn familie begon
een zuivelboerderij die nog steeds familiebezit is.’
In 2017 ging ze terug naar het land waar ze
opgroeide en wat daar voorviel heeft ze niet eerder
verteld. ‘Ik had een grote opdracht van het
Holland Festival, een carte blanche voor een
oratorium van veertig minuten, getiteld Sacred
Environment. Ik gebruik de nationale
parken Dharug, Yengo and
Wollemi als decor voor een eco-oratorium
over het sacrale karakter
van de natuur en ik stel dat duurzaamheid
en gerechtigheid in de
wereld daarvan afhankelijk zijn.
Kate Moore’s
nieuwe werken zijn
te horen op 16 oktober,
16 april en 8 mei,
muziekgebouw.nl
Het is de natuur van mijn jeugd, een streek in de
buurt van Sydney die ook belangrijk was voor de
oorspronkelijke bewoners van Australië. In hun
cultuur zijn natuur, cultuur en ritueel nauw met
elkaar verbonden. Het was een orale traditie. Ze
hadden bijvoorbeeld geen plattegronden maar
memoriseerden een route aan de hand van verhalen
en liederen, zogeheten Songlines.’
Ze wilde zich verbinden met die omgeving en
had daarover een gesprek met een Aborigine -
collega die ze goed kende. ‘Ik heb haar gevraagd:
is het mogelijk dat ik een connectie maak met de
Songlines en de Aborigine-cultuur? Het was een
lastig gesprek want dat onderwerp is nogal gepolariseerd
in Australië. Sommige mensen willen
die cultuur graag omarmen, maar er is ook veel
racisme. De geschiedenis van de oorspronkelijke
bewoners is verschrikkelijk: er is veel cultuur
verloren gegaan, onder de Engelse kolonisatie
is de bevolking gedecimeerd door ziekte en
moord, er is een groot intergenerationeel trauma
en dan is er nog ‘the stolen generation’: kinderen
uit gemengde relaties die bij de moeder
werden weggehaald en in een wit gezin geplaatst
waardoor de zo belangrijke familieband werd
doorgesneden.’
Kon ze zich verbinden met hun cultuur? ‘Nee, dat
kan niet’, antwoordt Moore. ‘De tegenwerping
van mijn collega luidde: “Wat zijn jouw wortels?
Wie zijn jouw voorvaderen?” Dát was de aanleiding
voor The Ox Way.’ Ze raakt nog altijd geëmotioneerd
als ze aan dit gesprek terugdenkt. ‘Ik
vond het erg pijnlijk. Ik heb dit gebied in Australië
altijd als “mijn” landschap beschouwd. En
dat werd me opeens ontnomen. Plotseling had
ik geen identiteit meer. Wie ben ik? In Australië
was ik altijd het Engelse meisje, in Nederland
was ik de Australische componiste. En nu
mocht ik me ook in de natuur van vroeger niet
meer “thuis” voelen.’
De zoektocht naar haar Europese wortels
heeft niettemin haar artistieke horizon verbreed.
Moore schrijft voor de opening van het Minimal
Music Festival op 16 april 2026 een percussieconcert
– een wereldpremière – voor de Australische
slagwerkster Claire Edwardes (en Het Muziek,
voorheen Asko|Schönberg). Een ervaring tijdens
het lopen vormt het onderwerp. ‘Er waren onderweg
vaak hevige stormen. Vlak voor een echte
storm, verandert alles. Plotseling zijn de bomen
boos. Het zijn niet langer mooie bomen, maar
dreigende gevaartes. Je hele lichaam raakt in
staat van paraatheid voor wat er komen gaat. Die
bomen staan ook op scherp, de kleuren veranderen,
het gebladerte wordt oranje, de lucht groen,
er is paars in de schaduwen, alles is vreemd.’
Die storm vormt de inspiratie voor haar stuk.
‘Want eigenlijk ben ik als componist
ook een stormmaker. Als je
muziek maakt verandert de lucht
op een intense manier. Je maakt
een sfeer, een atmosfeer, de luchtdruk
verandert. Muziek is net
een weersysteem.’
DE GROENE AMSTERDAMMER 4.9.2025
17
4.9.2025
DE GROENE AMSTERDAMMER
Een-op-een muziek
Kom, ik
zal er voor
je zijn
Hoe we kunnen
genezen van de online
prikkelcultuur die ons
versplintert? Bach
luisteren, het laatste woord
van liefde waarderen.
Bas van Putten
Bachs instrumentale
solowerken voor
viool en cello spreken
en zingen met
verloren aandacht
Sonates en partita’s
van Johann Sebastian
Bach door Isabelle
Faust, 22 oktober,
muziekgebouw.nl
De enkelvoudige ervaring bestaat niet meer.
Zomaar zonder doel eens nergens heen fietsen
of lopen, langdurig denken aan iets specifieks,
tevreden blanco naar een landschap kijken – het
moet versierd met muziek, deelbaar bewezen met
reflecties op Facebook of foto’s op Insta. Alles moet
totaalbeleving worden, alles openbaar, sinds reality-tv
zelfs de liefde, en handelen is in het smartphone-tijdperk
iets tussen domino-effect en simultaanschaak.
Het voert je in het virtuele labyrint waar
elke stap dwingt tot een volgende, een verlokkende
gijzeling. Van bellen komt mailen en het mailen
wordt googlen in het sleepnet waar de rattenvangers
je in hun vicieuze bubbels en reclamevallen
laten lopen. De opbrengst: meer blijvende onrust.
Ontworteld is een oud begrip maar pas nu is de
mens het echt, en niet alleen de migrerende. Elke
ervaring is transitioneel, overgangstoestand tussen
staten die het ook al niet meer zijn. De prikkelcultuur
verdooft de zintuigen. Google, Meta,
X zijn dementors. Ze vervangen de echte, levende
werkelijkheid door een parallel universum waarin
alles gedijt, behalve het wezenlijke dat woord en
beelden overstijgt. Daarom heeft de ernstige cultuur
het moeilijk. Die levert niet op afroep, het is
de taal die je moet leren lezen.
Voor de in multimediaal verkeer gevangen mens
van nu is het een ontwrichtende ervaring zich te
moeten schikken naar een schoonheid die alleen
zichzelf verbeeldt. Daarvoor zal hij zijn verwoeste
concentratie moeten resetten. Hij zal weer microkosmisch
moeten leren horen en zijn prikkeldwang
moeten verslaan. Pas dan treedt waarachtige
muziek nabij en zegt: kom, ik zal er voor je zijn.
Daarna vieren de tranen om Bach de hereniging
Elias Gottlob Haussmann / Stadtgeschichtlichen Museums Leipzig
met verdwenen gevoelens. Bachs instrumentale
solowerken voor viool en cello spreken en zingen
met verloren aandacht en vergeten tederheid.
Daarom is het solostuk in de muziek op de intimiteitsschaal
het equivalent van de kus. Daarom
moet, als meesterschap zoals bij Bach de inzet is,
een stuk met één melodiestem en gebroken harmonieën
dus met bijna niets symbolisch alles zeggen.
Het solostuk openbaart zich naakt met een kwetsbaarheid
die je niet kunt afwijzen zonder jezelf te
verraden. Het is de ouder die vanuit de tenen voor
een kind zingt, het enige en laatste woord van liefde.
Zo zingen en spelen Bachs cello suites en de sonates
en partita’s voor viool. Dat mediteert en zingt
en danst een-op-een naar de luisteraar, de prooi en
wederhelft van de speler, het oor voor de stem. Die
saamhorigheid is het geheim van alle grote muziek
voor één instrument. Het is versieren op het slappe
koord. De speler kan zich niet verbergen achter
veertig medestrijkers. Hij moet al zijn zeggingskracht
mobiliseren om de maker recht te doen en
jouw versplinterde sensorium te genezen.
Ik kreeg een nieuwe telefoon. De ingebruikneming
kostte een halve dag. De datatransfer van
mijn oude naar mijn nieuwe smartphone duurde
een uur. Ik moest een fokking installatievideo
bekijken, tig nieuwe pincodes en wachtwoorden
verzinnen en tien oude kwijtraken. Toen ik weer
als vanouds muurvast zat in het online spinnenweb
werd ik opstandig. Kwaad op het ding dat mijn
tijd opvrat en mijn vrijheid aan het netwerk ketende,
op mijn noodlottige afhankelijkheid van nerds
die nooit van Bach hadden gehoord en hem niet
nodig hadden omdat ze wonderbaarlijke machines
uitdachten waarop ik iemand gratis en onbestraft
voor Totale Lul kon uitmaken, soms terecht.
Maar in die prikkelcultuur worden we wel allemaal
steeds oninteressanter, steeds agressiever, steeds
exhibitionistischer, steeds linkser en steeds rechtser,
steeds eenzamer, steeds hulpelozer horig aan
een zuigsysteem dat radicalisering provoceert door
haat-arena’s te creëren en de uitgang te blokkeren.
Daar zien de Musks en Zuckerbergs de roedels
elkaar tot genoegen want winstgevend afslachten.
Het onberekenbare individu is verslagen. Er zijn
geen een-op-een-verhoudingen meer. De online
mens is een slachtrijp collectief.
Daarom doet iedereen nu zo moeilijk over de
liefde, is de relatie voor de jonge generatie een soort
ingewikkeld stappenplan geworden van aftasten
en grenzen aangeven. De onvoorspelbaarheid van
het intieme werd een bron van vrees, vermoed je
namens Bach. Liefde is particulier, in stilte samen
stik-alleen zijn, zoiets als wat tussen muziek en jou
kan zijn, mits je de moeite neemt. Hoe moet dat
nog, waar niemand hoort? Nooit heb ik dat indringender
ervaren dan in een restaurant in Boekarest,
waar voor een eetzaal vol ongeïnteresseerde luisteraars
een hybride zigeunercombo ongeïnteresseerd
zat te spelen. Alleen de violist was geweldig. Hij zag
mij getroffen naar hem kijken, verliet het podium
en liep spelend naar mijn tafel, waar hij me grijnzend
aankeek na de woorden: ‘Je weet dat ik goed
ben, hè?’ Leer daarvan. Want goed betekende hier
zuiver, goed was echt. Ik knikte.
18
Zen &
Emoties
Themadag
Zondag 21 september 2025 in ’t Hert,
Thijmstraat 40, Nijmegen (15 min. van CS)
09.45 Ontvangst met koffie en thee
10.00 Welkom
10.10 Yvonne Visser
De anatomie van emoties / bubbels
11.00 Pauze
11.20 Arthur Nieuwendijk
Emoties in de filosofie en zentraditie
12.10 Warme lunch door chef-kok Theo Sigmond
13.10 Remko de Beer
Bijzondere emoties in een goede dialoog
14.00 Pauze
14.20 Floor Rikken
Emoties in zenvolle relaties
15.10 Inventarisatie leerpunten
15.20 Thee en netwerken
Deelname
Deze dag is een onderdeel van de opleiding tot
zenleraar/zencoach. Voor andere belangstellenden
zijn er enkele plaatsen beschikbaar.
Deelname € 125,- incl. koffie/ thee en warme
lunch.
© Zen.nl
Over zen en onze emoties
Emoties kunnen ons belemmeren of juist in
beweging brengen. Tijdens deze themadag
verkennen we de rol van emoties in
zelfkennis, relaties, meditatie en dialoog.
Wat zegt de zentraditie erover en hoe
kunnen we emoties herkennen, doorleven
en transformeren? Laat je inspireren door
vier ervaren zenmeesters en leer hoe - zen &
emoties - elkaar kunnen verdiepen.
Over de inleiders:
Yvonne Visser is voormalig psychiater,
zenmeester Zen.nl Amersfoort en hoofd van
de opleiding tot zencoach.
Arthur Nieuwendijk is gepromoveerd
filosoof, zenmeester Zen.nl Amsterdam en
auteur van Verwacht geen applaus
Remko de Beer is zenmeester Zen.nl Breda,
Tilburg en Oosterhout en medeauteur van De
21 geheimen van een strategische dialoog
Floor Rikken is gepromoveerd aan de
universiteit van Groningen, fulltime
zenmeester Zen.nl Utrecht en opleider van
meer dan 20 zenleraren.
Voor inschrijving scan de QR-code hieronder,
of ga naar: www.zen.nl/themadag
Vier 20 jaar Muziekgebouw met ons!
Op zaterdag 20 september pakken we uit
met een muzikale ontdekkingstocht door
het hele gebouw met verschillende miniconcerten.
Daarna volgt een feestelijke
finaleconcert in de Grote Zaal.
Met Cappella Amsterdam, leden van
Amsterdam Sinfonietta, Quatuor Danel,
Quirine Viersen, Ralph van Raat e.v.a.
Bestel je tickets op
muziekgebouw.nl/20