01.10.2025 Views

Succulenta 2025-5

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

5Oktober 2025

Jaargang 104

ISSN 0039-4467


Doyenné du Comice

Ben Wijffelaars

Al 34 jaar lid van Succulenta zijnde, zij

het in meerdere etappes, zou ik me toch

moeten schamen om in het openbaar

te bekennen dat ik op Wikipedia terecht

kwam bij Opuntia ficus-indica. Misschien wel

de meest bekende schijfcactus die wij als

Nederlander nog wel eens tegenkomen op

buitenlandse tripjes. Meestal op vuilstorten,

verwaarloosde wegbermen of verscholen

locaties voor wildplassers. Ik kwam

niet op Wikipedia terecht omdat ik die

tweedehandse locaties in mijn reisplanning

wilde opnemen, maar omdat ik op de

Engelstalige Wikipediapagina verzeild

raakte bij de Engelse naam van deze

vijgcactus: de ‘Prickly Pear’. Een prikkende

peer dus, en die peer moest ik juist hebben,

want het kostbaar perenboompje, een

Doyenné du Comice voor de kenners, op

mijn achterterras vertoonde rare kuren. Ik

weet een klein beetje iets van succulenten,

maar van perenbomen helemaal niets. De

ellende begon ongeveer vorig voorjaar,

2024. Mooi in bloei gestaan, mooi in het

blad gekomen, ik had de weckpotten voor

de perenconfiture bij wijze van spreken

al klaar staan, toen in 3 weken tijd al het

frisse perenblad van de boom viel en

het gedaan was met mijn Doyenné du

Comice. Een cactus, en ook een boom, is

pas dood als hij echt dood is, heb ik ooit

eens geleerd van de enige gecombineerde

cactus/fruitbomenkweker in het midden

van ons land (bij Lexmond linksaf als je

uit het zuiden komt) en zo iemand geloof

je op zijn woord. Ik dus ook en ik liet de

jong gestorvene staan, tegen beter weten

in. En zie: drie maanden later, nieuwe

knopvorming, nieuwe bladzetting, of hoe

dat heet, en hij ging de herfst in om zijn

winterslaap te beginnen om er in mei

van dit jaar 2025 weer fris en monter uit

te komen. Mijn Doyenné du Comice was

weer helemaal terug! En hoe! Roze van de

bloesem en een mooiere kleur groen kun je

niet bedenken. Tot aan de eerste hittegolf

dit jaar. In maar 6 weken tijd verkleurde al

het blad van groen naar bruin en vormde

een zacht tapijtje onderaan het stammetje.

Te droog kan hij niet hebben gestaan, hij

kreeg van mij naar ratio evenveel water als

een brandend Spaans bos na overkomst

van een Nederlandse Chinook. Onze enige

gecombineerde cactus/fruitbomenkweker

in het midden van ons land (bij Lexmond

linksaf) wist nu geen raad en nu zit ik

dus echt met de gebakken peren. Maar

vorige week kwam de openbaring. Het

was op mijn terras 38 graden, volop zon

en werkelijk windstil. Zo windstil dat 150

km noordelijker de Sneekweek niet uit de

startboeien kon komen en op de terrassen

in Den Bosch geen sprake kon zijn van

opwaaiende zomerjurken. Zo niet bij mijn

perenboompje. Ik had mij al eerder erover

verbaasd dat alles in mijn tuin werkelijk

al een paar dagen bladstil, zeg maar

doodstil, stond te zijn. Behalve dus mijn

perenboompje. Toen ik me omdraaide

voelde en zag ik de dader: onze een jaar

eerder geplaatste airco blies voor het

eerst dat jaar op 3 meter afstand op volle

kracht een constante hete wind richting

mijn perenoogst. De oogst dit jaar, en ook

dus in 2024, was dus geen perencompote

maar een op sterven na dode boom en een

veel te heet terras. Binnen in huis was het

heerlijk aangenaam.

bwijffelaars@planet.nl

190 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


Cephalocereus senilis

De grijsaardcactus

Theo Heijnsdijk

“Het verlangen van iederen Cactussenvriend is een Grijsaardcactus (Cephalocereus senilis) te

bezitten. En geen wonder; want deze cactus met de lange, witte haren (eigenlijk lange, slappe

doorns), maakt een eerwaardigen indruk in het drukke gezelschap van bedoornde kogels,

kegels, zuilen, snoeren met of zonder doorns. Behalve de lange, witte haren heeft de plant daar

tusschen, als verborgen, ook nog lange, uiterst scherpe, witte naalddoorns, die venijnig kunnen

prikken. De planten dezer soort, die men in verzamelingen ziet, zijn meestal niet veel hooger

dan 25 cm. Maar, in haar geboorteland, Mexico, kunnen de stammen van 6 tot 15 meter hoog

worden. Ze zijn zelden bovenaan vertakt; soms aan den voet. Ze dragen talrijke ribben met

dichtopeenstaande areolen, waaraan de soms meer dan 20 cm lange witte haren ontspringen,

terwijl de hoogere areolen daarenboven met taankleurige wol dicht bekleed zijn. De bloem

is rose van kleur. Vooral; jonge planten zijn

in hare witte omhulling zeer mooi! Maar, die

bloeien niet zo gauw!”

Tot zover de tekst van A.J. van Laren in het

Verkade-album ‘Cactussen’ uit 1931. Zie afb. 1.

Bovenstaande openingszin van Van Laren is

op mij volkomen toepasbaar. Toen ik begin

1973 lid geworden was van Succulenta,

ging ik onmiddellijk over tot het bestellen

van zaden bij het Clichéfonds. Ik koos 14

soorten, waaronder de grijsaardcactus. Ik

hield er vijf zaailingen aan over, maar die

zijn al jaren geleden verloren gegaan.

De grijsaardcactus is al ruim 200 jaar

in cultuur, maar de kennis over deze

indrukwekkende en zeer gewilde soort

is nogal versnipperd tot stand gekomen.

Omdat jonge planten omgeven zijn door

dichte witte wol (afb. 2) dacht men dat dat

bij grote planten ook zo is. Maar grotere

planten hebben vrijwel wolloze stammen

en pas als de plant bloeirijp is, bij een

hoogte van circa zes meter, wordt het

bijzonder wollige cephalium gevormd dat

eerst zijdelings is, maar op de duur de hele

kop als een soort wollige muts bedekt (afb.

3). Die wollige koppen werden afgesneden

1: De afbeelding in het Verkade-album.

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

191


2: Een grijsaardcactus (Cephalocereus senilis)

van circa 60 cm hoog in de Barranca de

Metztitlán (Mexico). Foto Andre van Zuijlen.

3: Bloeiende grijsaardcactussen dragen een

soort wollige muts. Foto Andre van Zuijlen.

en naar Europa geëxporteerd waar ze voor

een aparte cactussoort gehouden werden.

Het heeft wel enkele decennia geduurd

voordat men een volledig inzicht had in de

afmetingen en de groeistadia van de soort.

De nieuwbeschrijving

Het zou zo maar kunnen dat de soort

al als Cereus senilis benoemd is door

wereldreiziger Alexander von Humboldt

die in 1803 dwars door Mexico reisde.

Daarover meer verderop in dit artikel.

De nieuwbeschrijving was in ieder geval

door de Engelse entomoloog, botanicus

en carcinoloog Adrian Hardy Haworth. Dat

was in 1824 in het januarinummer van

het Engelse maandblad ‘The Philosophical

magazine and journal’. Daarin beschreef

Haworth, volledig in het Latijn, vijf nieuwe

Mexicaanse cactussen. De titel luidde

“Descriptions of some new Cacti and

Mammillariae, recently brought from

Mexico by Mr. Bullock of the Egyptian Hall,

Piccadilly; and now preserved, with many

other very rare Plants, in the Nursery of

Mr. Tate, in Sloanestreet.” Die vijf kregen

de namen Cactus senilis, Cactus latispinus,

Mammillaria magnimamma, M. lanifera en

M. geminispina. De planten kwamen dus

uit Mexico, maar dat was dan ook het

enige dat hij over de herkomst vermeldde.

Bloemen had hij niet gezien.

Omdat de namen Bullock en Tate de

liefhebbers in Nederland niet bekend

voor zullen komen, volgt hier een korte

toelichting. Mr. (William) Bullock (1773-

1849) was een goudsmid en juwelier

uit Birmingham en een verzamelaar

van curiositeiten. Hij bezat onder meer

een hele collectie voorwerpen die door

192 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


deelnemers aan de expedities van kapitein

Cook meegebracht waren. Om ze onder te

brengen, liet hij de Egyptian Hall bouwen,

een in Egyptische stijl gebouwd museum.

De collectie van meer dan 32.000 items

werd in 1819 geveild. In 1822 vertrok

Bullock naar Mexico waar hij zich onder

meer bezighield met speculatie betreffende

zilvermijnen. Ook hier verzamelde hij

weer talloze voorwerpen, onder meer met

betrekking tot de Azteekse cultuur, die

werden tentoongesteld in de Egyptian Hall.

Kennelijk bracht hij ook cactussen mee.

De ‘Nursery of Mr. Tate’ was een

voortzetting van de London Botanic Garden

die in 1777 in Londen begonnen was door

William Curtis (de grondlegger van Curtis’s

Botanical Magazine). De opvolger van

Curtis, William Salisbury, verplaatste de tuin

in 1807 naar Sloanestreet. In 1822 werd

de tuin overgenomen door James Charles

Tate, die de naam veranderde in Nursery

and Botanic Garden. Hij importeerde

planten uit Mexico, Zuid-Amerika en

China. Hij verkocht de kwekerij in 1842.

Tegenwoordig maakt deze tuin deel uit van

de Cadogan Place South Garden.

De eerste grijsaardcactussen in

Engeland

Dankzij een ingezonden brief van deze

James Tate in het Engelse maandblad

‘The gardener’s magazine’ van januari

1840 krijgen we nog wat meer informatie

over de exemplaren van Cactus senilis die

Haworth beschreef. De brief was gericht

aan Donald Beaton (de hovenier van een

zekere Thomas Harris uit Kingsbury) die in

oktober 1839 in hetzelfde tijdschrift een

artikel over Cereus senilis geschreven had.

(De Candolle had de geslachtsnaam in 1828

van Cactus naar Cereus omgezet.) In zijn

artikel concludeerde deze heer Beaton na

een voor mij niet te volgen redenering (zie

verderop in dit artikel) dat de soort volgens

de definitie van botanici helemaal geen

cereus is, maar een echinocactus. Vandaar

dat we de naam Echinocactus senilis nu nog

tegenkomen als een van de synoniemen

van C. senilis.

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

Tate schreef (vertaald): Ik wil u graag

informeren dat de eerste Cereus senilis

die ik ooit zag, in september 1823 naar

dit land kwam, evenals Mammillaria

latispina (Echinocactus cornigera Dec.) en

verschillende andere nieuwe soorten, die

werden geïntroduceerd en aan mij werden

gepresenteerd door R. P. Staples, Esq., die

werd benoemd tot consul-generaal van

Mexico, na zijn eerste commerciële reis

daarheen. Ik kocht ook in de daaropvolgende

maand van hetzelfde jaar dezelfde soort van

Mr. Bullock, en de soort werd aan de hand

van de exemplaren die door Mr. Bullock

waren meegebracht, beschreven door Mr.

Haworth in het Philosophical Magazine van

1823.

Robert Ponsonby Staples (1784/5–1852)

was een Engelse koopman die eerst in

Brazilië en Argentinië werkzaam was. In

oktober 1823 werd hij benoemd tot consul

in Acapulco (Mexico). Omdat hij tegen de

regels in commerciële transacties met

de Mexicaanse regering sloot, werd hij

in 1824 alweer ontslagen. Speculaties

met de aandelen van het Mexicaanse

mijnbouwbedrijf Real del Monte Mining

Company liepen verkeerd af en uiteindelijk

werd hij failliet verklaard.

James Tate had nogal een hoge dunk

van deze Robert Staples want hij schrijft

vervolgens (vertaald): Ik wilde heel graag dat

de Cereus senilis naar Mr. Staples zou worden

vernoemd, maar Mr. Haworth zei dat het niet

consequent zou zijn, omdat hij geloofde dat

het een echte Cereus was; en omdat Humboldt

die eerder had beschreven als Cereus senilis,

kon hij het niet veranderen; maar aangezien

u hebt ontdekt dat het een echte Echinocactus

is, kunt u, in overeenstemming met de

botanische regels, de naam Echinocactus

Staplesiae overnemen en Cereus senilis als

synoniem gebruiken.

Een nogal merkwaardig voorstel, want

bij mijn weten waren de botanische

regels toen ook al dat bij een verandering

van de geslachtsnaam de soortnaam

behouden blijft. Als we deze James Tate

mogen geloven komt de soortnaam dus

193


van Von Humboldt. Dat is zeer goed

mogelijk want Von Humboldt reisde

in 1803 - 1804 samen met de Franse

botanicus Aimé Bonpland dwars door

Mexico. Ze begonnen in maart 1803 in

Acapulco in het westen en via Mexico

Stad kwamen ze uiteindelijk in maart

1804 in de oostelijke staat Veracruz. Von

Humboldt was bijzonder geïnteresseerd

in de mijnbouw in Mexico en ze deden in

ieder geval ook Real del Monte (Hidalgo)

aan en andere plaatsen in de omgeving

zoals Omitlán, Atotonilco el Grande en

Actopan. In de omgeving van die plaatsen

zijn groeiplaatsen van C. senilis. Maar ik

heb verder nergens een koppeling van

Von Humboldt aan deze cactus gevonden

en aan Tate kan wel getwijfeld worden. Hij

schrijft bijvoorbeeld in dezelfde brief dat

Staples in de stad Xalapa in Veracruz de

plant die naar hem vernoemd is, Petrea

Staplesiae, ontdekte. Maar deze naam is

verder helemaal nergens terug te vinden.

Er is in 1838 wel een Petrea stapelsiae

(de l en e dus in omgekeerde volgorde)

beschreven, maar die heet volgens deze

beschrijving zo omdat de bloem op een

stapeliabloem lijkt en de herkomst was

onbekend. Waarschijnlijk wordt de naam

als een drukfout beschouwd want in latere

literatuur wordt de naam steeds als Petrea

stapeliae geschreven. Helemaal nergens

blijkt dat er enig verband is met de heer

Staples. Deze soort is overigens al snel tot

synoniem van P. volubilis bestempeld.

Damesmof

De eerste persoon in Engeland die de

bloemen met eigen ogen aanschouwde was

waarschijnlijk de hierboven al genoemde

hovenier Donald Beaton. Hij beschreef het

allemaal in zijn artikel in 1839.

Het begon ermee dat rond 1837 zijn baas,

de al eerdergenoemde Thomas Harris

uit Kingsbury, die botanische rariteiten

verzamelde, van een Franse handelaar een

uit Mexico geïmporteerde en inmiddels

afgestorven bijzonder wollige kop van een

cactus had gekocht. De handelaar gaf aan

dat het de kop van een C. senilis was, maar

in Engeland geloofde men dat niet. De kop

werd tentoongesteld en men beschreef het

geval als ‘damesmof’, ‘plantaardig schaap’

of ‘Mexicaans lam’.

Thomas Harris wilde per se weten wat het

was en hij benaderde de Engelse consul in

Mexico, John Parkinson (consul van 1838

tot 1840, Mammillaria parkinsonii is naar

hem vernoemd), om de bijbehorende

plant te pakken te krijgen, dood of levend.

Dat lukte kennelijk want in maart 1839

(Anoniem, 1839) werd in The Gardener’s

Magazine gemeld dat er een zending

cactussen en orchideeën aangekomen

was bij Thomas Harris van Kingsbury. Een

aantal daarvan stelde hij tentoon op de

bijeenkomst van de Horticultural Society

van februari 1839 en daaronder waren een

C. senilis van 1,6 m hoog, een andere van

1,1 m en nog een aantal, variërend van 5

cm tot 1,5 m hoog.

Beaton, die als cactusdeskundige

beschouwd werd, kreeg een aantal van

die koppen ter beoordeling. Hij schreef

(Beaton, 1839, vertaald): Ik kan nu stellen dat

de mof, het schaap of het lam, zo genoemd,

in werkelijkheid de bloeiende top is van wat

tot nu toe is beschreven als Cereus senilis.

Ik kan ook stellen, met drie exemplaren van

deze puzzel voor me, dat volgens de definitie

van botanici de Cereus senilis helemaal geen

Cereus is, maar een regelrechte, of liever een

rechtopstaande, Echinocactus senilis (in het

Engels: “a downright, or rather an upright,

Echinocactus senilis”). Het blijkt nu dat de

Cereus senilis op een bepaalde leeftijd een

pluk wol uit elk knobbeltje op zijn hoeken

gooit, in een zone onder de top van de plant;

deze plukjes wol zijn over het algemeen een

inch in diameter en van 2½ inch tot 3 inch

lang. Vanwege de nabijheid van de hoeken

en knobbeltjes vormen deze plukjes een

dichte en zeer compacte massa van wollige

materie, afgewisseld met de ruwe haren die

kenmerkend zijn voor de soort. Wanneer

18 inch of 2 voet van de top van een plant

in deze bloeiende staat wordt afgesneden

en het vlezige deel uit het midden wordt

geschept, geven ze een goede weergave van

een damesmof. De wolpluimen staan haaks

194 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


op de as van de plant en in het midden van

elke pluim wordt een bloem geproduceerd,

zodat deze soort bloeit in zones onder de

top van de plant, op de manier waarop het

grootste deel van de mammillaria’s bloeit. De

bloemen zijn die van een echte Echinocactus

en waarschijnlijk niet zo groot als die van E.

cornigera (nu Ferocactus cornigerus,

T. Heijnsdijk).

Al te deskundig op het gebied van

bestuiving was deze Donald Beaton

waarschijnlijk niet, want hierna meldt hij

dat er zelden bevruchting optreedt en hij

wijt dat aan een defect in het stuifmeel of

de stempel, of het feit dat de stijl langer is

dan de meeldraden, gecombineerd met

de horizontale stand van de bloemen.

Dat verklaart volgens hem de schaarste

van de soort. Uit de “several hundreds”

bloemen die de betreffende exemplaren

geproduceerd hadden, waren er maar twee

zaadbessen ontstaan.

In Frankrijk

De Franse handelaar die rond 1837 de

‘damesmof’ verkocht had aan de heer

Harris van Kingsbury, had er waarschijnlijk

ook een of meerdere aan de Jardin des

Plantes in Parijs overgedaan. Joseph

Neumann van deze tuin gaf er in 1837 een

aan Charles Lemaire en die besefte dat het

de kop van een C. senilis was. Hij wist er ook

nog wat bloemresten uit te peuteren en

daarmee moet hij de eerste Europeaan zijn

geweest die iets van de bloem gezien heeft.

Hij gaf in 1838 een beschrijving en stelde

voor om de soort onder te brengen in een

apart geslacht. Cephalophorus afgeleid van

het Griekse kephale (hoofd) en phoros

(dragend). In dezelfde publicatie noemde

hij de plant toch nog gewoon Cereus senilis.

Nauwelijks later, in 1839, beschreef hij de

soort in het door hem nieuw opgestelde

geslacht Pilocereus, naar zijn woorden van

pilos of pileus (een soort wollen muts)

en cereus. Maar de Duitse botanicus

Ludwig Pfeiffer was hem net voor geweest

want deze had in 1838 het geslacht

Cephalocereus opgesteld en daarin de

grijsaardcactus ondergebracht. Volgens de

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

nomenclatuurregels is dat dan de geldige

geslachtsnaam.

Populaire namen

Haworth beschreef de soort dus als Cactus

senilis. De soortnaam senilis komt uit

het Latijn en betekent ‘van de grijsaards’.

Haworth schrijft (vertaald) ‘als wit haar op

het hoofd van een oude man’. In bijna alle

talen verwijst de naam voor deze cactus

naar een oude man: Old Man Cactus,

Old Man’s Head Cactus (Engels), Tête de

vieillard (Frans), Greisenhaupt (Duits),

Testa di vecchio (Italiaans), Cabeza de Viejo

(Spaans). In het Spaans wordt ook Barba

de Viejo (Oudemansbaard) gebruikt. De

mooiste naam vind ik Gubbhuvud (Zweeds).

Het bijzonder wollige cephalium dat de

Engelsen aan een damesmof, of de vacht

van een schaap of een lam deden denken

is ook de reden dat in het Engels ook wel

de namen Bunny Cactus (konijncactus) en

White Persian Cat Cactus (witte Perzische

kat cactus) gebruikt worden.

De rug van een oudere drievingerige

luiaard

In 1826 beschreef de Duits botanicus

Johann Lehmann in een voetnoot in

de zaadlijst van de door hem gestichte

botanische tuin van Hamburg in twee

regeltjes een nieuwe cactussoort, Cactus

bradypus. In 1833 kwam er een uitgebreidere

beschrijving met een afbeelding. In die

beschrijving stond ook een verklaring van

de soortnaam: de hele door haren omhulde

plant leek op de rug van een oudere

drietenige luiaard (Bradypus tridactylus).

Cactus bradypus werd in 1846 door Förster

tot synoniem van C. senilis bestempeld.

Dat komt in eerste instantie nogal vreemd

over, want Lehmann vermeldde bij zijn

beschrijving in 1833 dat hij twee planten

had en dat die uit Brazilië afkomstig

waren. Maar volgens Schumann (1899)

had Lehmann de groeiplaats per ongeluk

verwisseld met die van de Braziliaanse

Cactus ottonis (nu Parodia ottonis) die

Lehmann een paar bladzijden verderop

in Mexico lokaliseerde. De afbeelding van

195


4: De eerste afbeelding van C. senilis als

Cactus bradypus Lehm in 1833.

C. bradypus uit 1833 (afb. 4) is de oudste

afbeelding van C. senilis die ik heb kunnen

vinden.

Van klein naar groot

Lehmann beschreef zijn C. bradypus aan

de hand van twee exemplaren van 15 cm

hoog. Haworth gaf in zijn beschrijving

van C. senilis geen afmetingen, maar ook

hier betrof het waarschijnlijk vrij kleine

planten. Die zijn zeer wollig en men had

waarschijnlijk geen idee hoe volwassen

planten eruitzagen. De grootste C. senilis

die in 1839 naar Engeland kwam was 1,6

m hoog zoals we hiervoor zagen. William

Jackson Hooker die van 1841 tot zijn

overlijden in 1865 directeur was van Kew

Gardens wilde graag grotere exemplaren

en hij wendde zijn contacten bij de British

Real del Monte Mining Company, die

van 1824 tot 1849 de mijnen bij Real del

Monte exploiteerde, aan om dit doel

te bereiken. In het archief van Kew zijn

meerdere brieven aanwezig waarin

5: Afbeelding met bijbehorende tekst in The

Illustrated London News van 17 juli 1847.

196 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


hierover gecommuniceerd wordt. Die

contacten liepen via de commissaris van

die firma in Londen, John Taylor of diens

plaatsvervanger.

In een brief van 28 juli 1845 meldde

werknemer van de mijn Benjamin Repper

dat hij hoopt een exemplaar van 10 tot 12

voet (3,0 tot 3,7 m) uit “the great Barranca”

te kunnen sturen. In een brief die op 29

december van hetzelfde jaar aankwam

waarschuwt Repper dat de Cereus senilis

die hij gestuurd heeft niet drooggehouden

moet worden. Hij meldt dat deze planten

in hun natuurlijke omgeving vijf tot zes

maanden per jaar aanhoudende regen

verdragen en daarom regelmatig water

moeten krijgen. Hij waarschuwt echter dat

het water ‘weg moet glijden’ door stenen

in de bodem van de potten en niet mag

stagneren. Ook lijkt het erop dat Hooker in

1845 het bestaan van het cephalium nog

niet doorgrondde, want Repper schreef dat

de ‘muff cactus’ die Hooker noemt, in feite

de pluk haar is die groeit op de kroon van

de oude C. senilis-exemplaren.

Alle inspanningen hadden tot resultaat

dat in The Illustrated London News (het

eerste geïllustreerde weekblad ter wereld)

van 17 juli 1847 een afbeelding van een

forse C. senilis in de tuinen van Kew kon

verschijnen (afb. 5). In het bijschrift werd

vermeld dat er drie exemplaren waren van

respectievelijk 3,8 m, 4,9 m en 5,6 m. Er

werd wel bij vermeld dat twee van de drie

exemplaren duidelijke rottingverschijnselen

vertoonden.

Het vervoer van een dergelijk grote plant

vanuit het binnenland van Mexico naar

Engeland is uiteraard geen sinecure. En

onderweg kunnen zich veel problemen

voordoen. Op 12 januari 1848 bijvoorbeeld

meldt Repper dat een wagen met onder

andere twee kisten met C. senilis van 1,8

m en de kroon van een exemplaar dat

ongeveer 6 m hoog was, overvallen was

door rovers en dat de planten vernietigd

waren. Die kroon was volgens Repper van

buitengewone grootte en schoonheid.

Hij kon wel een vervangend exemplaar

bemachtigen en die met de ‘Amerikaanse

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

trein’ via Mexico (waarschijnlijk wordt

Mexico-stad bedoeld, T. Heijnsdijk) en Vera

Cruz versturen, maar dat zou erg duur

worden.

Na 1848

De afbeelding in The Illustrated London

News van 1847 is de oudste onder de

soortnaam senilis die ik kon vinden. Het valt

op dat er weinig afbeeldingen uit de eerste

decennia na de beschrijving van 1824 te

vinden zijn. Het is lastig een jonge plant te

tekenen. Het is net zoiets als het tekenen

van een pluk watten. De fotografie is pas

in 1839 begonnen en ik denk dat het er

ook mee te maken heeft dat er geen grote

exemplaren beschikbaar waren.

Na 1847 blijft het een tijd vrij stil rond de

soort. De firma Haage in Erfurt (Duitsland)

heeft wel in de ‘Verzeichniss für das Jahr

1871’ een iets groter exemplaar afgebeeld

op een plaat met een groep van een stuk

of veertig cactussen. Maar in die catalogus

wordt de soort zelf niet aangeboden.

Pas rond 1886 komt er meer aanbod. Dat

is vermoedelijk te danken aan de firma

Blanc & Co. in Philadelphia (Verenigde

Staten). In 1886 schreef Albert Blanc in zijn

Hints on Cacti (vertaald): Tot nu toe was het

onmogelijk om de Old Man’s Head Cactus

tegen een redelijke prijs te verkrijgen. Nadat

we een verzamelaar naar Mexico hadden

gestuurd met het speciale doel om ze te

bemachtigen, zijn we in staat om ze tegen de

volgende lage tarieven aan te bieden.

Die prijzen waren in drie categorieën: 3-6

inch, 8-15 inch en 26-30 inch (66-76 cm).

Die laatste kostten $ 5-10. Hij sloot af

met (vertaald): Onze faciliteiten om deze te

verkrijgen, hebben ons in staat gesteld om de

groothandels in Europa te bevoorraden tegen

lagere prijzen dan waarvoor ze in Mexico

kunnen worden gekocht. Prijzen per 100 op

aanvraag.

Vanaf 1886 verscheen de soort ook in de

catalogi van de firma Haage & Schmidt,

naar ik aanneem afkomstig van de firma

Blanc & Co. In de jaren 1889-1891 lag de

prijs voor een plant van 40 cm bij Haage op

50 Mark.

197


6: Uit de prijslijst 1892 van de firma Blanc. Aan de linkerkant van de pot is de signatuur van

Albert Blanc te zien.

Uiteraard is de soort in die jaren ook te

vinden in de geïllustreerde prijslijsten van

Blanc zelf. Blanc merkt op dat illustraties

geen recht doen aan de charmes van de

soort. “They must be seen” schrijft hij met

vette letters in 1892 (afb. 6). Planten van

30 tot 60 cm kostten toen bij hem $ 25,-.

Opvallend is dat hij in 1889 nog een andere,

naar mijn idee iets minder verfijnde,

afbeelding gebruikte (afb. 7). Zo te zien

betreft het hier een geënte plant. Deze

vinden we ook in de catalogi van Haage &

Schmidt.

Parijs 1889

In deze jaren werden er ook grote

exemplaren naar Europa geëxporteerd. Op

de Wereldtentoonstelling van 1889 in Parijs

werden buiten bij het Mexicopaviljoen op

het Champ-de-Mars ook veel cactussen

en andere succulenten tentoongesteld.

De volledige lijst van geëxposeerde

planten stond oktober van dat jaar in het

Franse tweewekelijkse tijdschrift Revue

horticole (Carrière, 1889). Daaronder dertig

stuks Agave salmiana, ook dertig Agave

7: In de prijslijst van 1889 gebruikte Blanc een

andere afbeelding.

mexicana, vijftien Echinocactus cornigerus

en nog eens vijftig andere soorten

Echinocactus, vijfentwintig opuntia’s,

honderd mammillaria’s, twee stuks Cereus

peruvianus en vijftig stuks Pilocereus senilis

198 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


9: Een exemplaar met vier stammen op de

wereldtentoonstelling van 1889 in Parijs.

8: Een cristaat, circa 3 m hoog en 152 kg zwaar,

op de wereldtentoonstelling van 1889 in

Parijs.

van verschillende grootte. De grootste

echinocactus was bijna bolvormig met

een diameter van circa 1 m. De agaves

waren erbij gehaald om het maken van de

sterke drank pulque te demonstreren. Bij

de exemplaren van Pilocereus senilis was

er een met vier stammen. De absolute

blikvanger was een andere grijsaardcactus

die op een hoogte van 2 m een cristaat

ontwikkeld had. De hoogte was circa 3

meter. Dat haalt het natuurlijk niet bij de

310 meter van de Eiffeltoren die speciaal

voor deze wereldtentoonstelling gebouwd

werd.

In maart 1890 verscheen in het genoemde

tijdschrift nog een artikel dat geheel

gewijd was aan de grote zuilcactussen op

deze tentoonstelling (Carrière, 1890). De

afbeeldingen erbij waren tekeningen op

basis van foto’s (afb. 8 en 9). Afb. 8 en ook

afb. 9 doen wel heel erg sterk denken aan

een tekening van dezelfde tekenaar, een

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

199


zekere J. Hügard (afb. 10), die in december

1889 al in hetzelfde tijdschrift stond (Maury,

1889) en die volgens het bijschrift ook

gebaseerd was op een foto. Het lijkt erop

dat de planten na het maken van de foto

uitgegraven zijn. Dat kon toen nog gewoon.

Wie de planten verzameld had en hoe ze

in Parijs kwamen wordt nergens vermeld.

Wel dat ze uit het district Tehuacán komen.

Dat roept wel wat vragen op. Er is wel een

stad Tehuacán, maar die ligt in de deelstaat

Puebla en er is geen enkele bron die daar C.

senilis lokaliseert.

Duitsland

Ruim een jaar later (Anoniem, 1891) kwam

er iets meer duidelijkheid. In de eerste

jaargang van het Duitse Monatsschrift

für Kakteenkunde verscheen onder de

kop “Ein Riesencactus” een bericht dat er

op de wereldtentoonstelling van 1889 in

Parijs een cristaat van Pilocereus senilis

ingestuurd was door cactusexporteur

Gustav Scheibe. Volgens dit bericht was

de plant 3,6 m hoog, was de diameter 3 m

en woog hij 1000 kg (heel wat meer dan

de 152 kg die de Fransen gerapporteerd

hadden). De leeftijd werd geschat op 800

jaar en de rekening was 4000 Fr. Een zeer

matige prijs, vindt de schrijver, als je het

dure transport in aanmerking nam en

daarbij bedacht dat voor het uitgraven

en verpakken van de plant twintig

arbeiders nodig waren geweest die zeer

voorzichtig te werk hadden moeten gaan.

Het bericht eindigde met de opmerking

dat bijna alle ingezonden cactussen te

gronde gegaan waren. Ze hadden van 6

mei tot 6 november buiten gestaan en de

Mexicaanse commissaris had gemeend

goed te doen door ze flink water te geven.

Het bericht eindigde ermee dat de planten

na de tentoonstelling op de composthoop

waren beland.

In het volgende nummer werd er nog een

artikel gewijd aan de soort. Daarbij de foto

(afb. 11, gesigneerd door Ph. Gaillard) die

als voorbeeld moet hebben gediend voor

de tekening van afb. 10. De schrijver van

het artikel, Albert Mathsson, meldt hier

10: Een afbeelding van een landschap in Mexico

in Revue horticole van 1889.

11: Deel van de foto die als voorbeeld moet

hebben gediend voor de tekening van afb. 10.

dat de plant groeit tussen de 20e en 21e

breedtegraad van de staat Guanajuato

oostwaarts tot in Puebla. Maar de cristaat

is volgens hem gevonden ‘in de afgelegen

200 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


valleien tussen Atotonilco en Metztitlán, waar

de kleine rivier Rio Grande (niet te verwarren

met de grensrivier Rio Grande in Texas)

doorheen kronkelt.’ (vertaalde tekst)

De groeiplaatsen

Als groeiplaats wordt meestal de Barranca

de Metztitlán (ook wel Barranca Venados

of Cañón del Venado genoemd) in de

Mexicaanse staat Hidalgo aangegeven.

Dat is een ongeveer 37 km lange kloof die

door de Río Metztitlán uitgeslepen is. Op

de kalkstenen heuvels langs de barranca

komt C. senilis vaak massaal voor (afb.

voorpagina). Deze belangrijke groeiplaats

wordt daarom ook wel ‘Valley of the Old

Men’ genoemd. Een andere plek is de

Barranca de Tolantongo ten noordwesten

van Metztitlán. Het totale groeigebied

wordt ruwweg begrensd door de nationale

wegen Mex 85 en 105 (Breckwoldt, 1999).

De hoogte waarop deze cactussen groeien,

ligt tussen 1130 en 1850 meter. Op zich

zijn het enkelvoudige stammen, die tot 15

meter hoog worden, maar door de wind

kunnen die afbreken en daarna ontstaan

meerstammige planten zoals in afb. 3.

De stammen verhouten nauwelijks en

zelfs de grootste exemplaren schijnen

gemakkelijk met een mes afgesneden te

kunnen worden (Britton & Rose, 1923). Het

cephalium ontwikkelt zich vanaf een hoogte

van circa 6 meter. Het kan tot 80 cm hoog

worden. De bloemen, met wat schubben op

de bloembuis, zijn in verhouding vrij klein,

ongeveer 6-7,5 cm breed (afb. 12 en 13). Ze

openen zich ’s avonds en zijn de volgende

ochtend rond 11 uur alweer verwelkt. De

bestuiving gebeurt door vleermuizen. De

eivormige, roze zaadbessen zijn 2,5 tot 3

cm lang. Ze hebben ook schubben met

gele wol in de oksels. Ze worden in juni, juli

en november gegeten door onder andere

de Mexicaanse roodmus (Haemorhous

mexicanus). De zaden zijn 2 mm lang en

glanzend zwart.

Sybille en Klaus Breckwoldt rapporteerden

in 1999 dat bij hun bezoek in de lente

de bodem met sneeuwvlokken bedekt

leek. Het bleken jonge zaailingen van

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

12: Mexico, februari 2006 omstreeks negen

uur in de ochtend: een bloem boven in een

metershoog exemplaar. Foto Andre van Zuijlen

de grijsaardcactus te zijn. Overigens

valt de meeste regen in de zomer. De

jaarlijkse regenval is gemiddeld 400-

600 mm per jaar. Een greep uit de

tientallen andere succulenten die op

de groeiplaatsen kunnen voorkomen:

Pachycereus marginatus, Agave xylonacantha,

Echinocactus platyacanthus (afb. 14),

Ferocactus glaucescens, Astrophytum

ornatum, Mammillaria schiedeana en

M. geminispina.

Bedreigde soort

In de IUCN Red List of Threatened Species

heeft C. senilis de status ‘Endangered’

(bedreigd). In het verspreidingsgebied

van circa 2170 km 2 komt de soort lokaal

overvloedig voor, maar het aantal

volwassen exemplaren is voortdurend

aan het afnemen. Jonge planten worden

201


13: Close-up van de bloeiende plant van afb. 12. Foto Andre van Zuijlen

illegaal verzameld voor de handel. Er zijn

cijfers bekend over door de Mexicaanse

en Nederlandse autoriteiten tussen 1996

en 2000 in beslag genomen planten

(Bárcenas, 2003). Daaruit blijkt dat er in

die jaren 579 exemplaren van C. senilis in

beslag genomen zijn. Hoeveel daarvan in

Nederland in beslag genomen zijn staat

er niet bij. Verder worden de koppen van

volwassen planten afgesneden om de

vruchten en zaden te bemachtigen. Dat

heeft uiteraard zeer negatieve gevolgen

voor het reproductievermogen van de

soort. Sommige populaties lopen ook

gevaar ten gevolge van het beweiden van

vee. De soort staat ook als ‘Amenazadas’

(bedreigd) op de lijst van inheemse

bedreigde soorten van Mexico (NOM-059-

SEMARNAT-2010).

De Barranca de Metztitlán is sinds

november 2000 deel van een groot

beschermd natuurreservaat, Reserva de

la biósfera de la Barranca de Metztitlán,

met een totale oppervlakte van ongeveer

960 km 2 . Intussen zijn er wel kwekerijen in

Mexico waar de soort legaal voor de handel

gekweekt wordt.

In cultuur

In de tijd van het Verkade-album werd

C. senilis nog volop geïmporteerd. Zelfs

tot diep in de twintigste eeuw werden

exemplaren uit de natuur nog gewoon

verhandeld. De firma L. Stassen uit

Hillegom bijvoorbeeld bood in 1959

nog importplanten aan voor ƒ 10,- per

stuk. Ik vermoed dat de meeste in de

natuur verzamelde exemplaren in de

verzamelingen snel te gronde zijn gegaan.

De liefhebber van nu is aangewezen op

legaal uit zaden opgekweekte planten. Die

worden wel aangeboden, maar mede door

de trage groei van de soort loopt dat wel

in de papieren. Uhlig Kakteen in Duitsland

bijvoorbeeld biedt plantjes van 8-10 cm

hoog aan voor € 8,-. Maar planten van 16-

18 cm kosten al € 50,-

Zelf zaaien is goed te doen, maar er

zijn niet zoveel leveranciers meer. Het

Clichéfonds van Succulenta had de soort

in 1998-1999 voor het laatst in de zaadlijst

staan. Ik ga ervan uit dat zaden die door

de algemeen bekende firma’s aangeboden

worden op legale wijze verkregen zijn.

Over de verzorging lopen de meningen

202 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


14: Cephalocereus senilis en Echinocactus platyacanthus. Foto Andre van Zuijlen

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

203


uiteen. Voor een goede ontwikkeling

van de haren is een plek in de volle zon

nodig. Daarbij is in de groeitijd een zeer

regelmatige watergift aan te raden. Het is

zeer belangrijk om een goed doorlatend

substraat te gebruiken en dat in de winter

volkomen droog te houden. Vaak wordt

aangeraden om de planten in de winter

op 15 °C te houden, maar dat lijkt me

zwaar overdreven. Op de groeiplaatsen

in de Barranca de Metztitlán kunnen de

temperaturen wel eens tot onder het

vriespunt dalen. Ik vermoed dat het eerder

de hoge luchtvochtigheid in de winter is die

de planten de das omdoet.

De groei kan wel versneld worden door

de planten te enten. Als entstam worden

Trichocereus spachianus, T. pachanoi en

Eriocereus jusbertii geadviseerd.

Terecht wordt er in de boeken op

gewezen dat je de plant in cultuur

waarschijnlijk nooit in bloei zult zien. Maar

er zijn uitzonderingen. In 2010 beschreef

Przemyslaw Hadasz in KuaS dat in zijn

tuin op Tenerife enkele exemplaren in

bloei kwamen. Hij had in het jaar 2000

een twintigtal planten van 80-100 cm hoog

geplant. In 2008 begonnen enkele planten

van 3,5 tot 5 m met cephaliumvorming

en toen in 2009 de eerste bloemen

verschenen, slaagde hij erin om midden

in de nacht, balancerend op een 5 m

hoge ladder, met kunstmatige belichting

prachtige foto’s van een cephalium met

de bloemen te maken. Nu is Tenerife

natuurlijk een fantastische plek om

cactussen te kweken. Hier in Europa ligt het

toch wat moeilijker. Maar er gebeuren wel

eens wonderlijke dingen. In 2019 beschreef

Manfred Geiß, ook in KuaS, dat zijn C.

senilis van slechts 1,43 m hoog in 2018

ging bloeien. Hij had de plant in 2014 bij

Kakteen Haage gekocht. Die was toen 1,35

m hoog, dus in vier jaar was hij slechts 8 cm

gegroeid.

In vroegere tijden, toen de kassen nog

met oliekachels en dergelijke verwarmd

werden, konden de planten behoorlijk lelijk

worden door de rookgassen, of door de

15: Cephalocereus senilis in Barranca de Metztitlán.

Foto Andre van Zuijlen

luchtvervuiling in industriegebieden. Een

zekere Pfarrer Bertram schreef in 1933 in

Succulenta: “Vrije stand in droge kamerlucht,

inwerking van stof, blootgesteld aan rook, of

geplaatst op de centrale verwarming maakt

dat de planten spoedig achteruitgaan en

sterven. Ze worden dan even lelijk, als ze

bij een goede verzorging mooi zijn. Ik kreeg

van een vriend, die in een drukke straat van

een grote stad woont, een grote import van

de Grijsaard, zo zwart bijna als een Moor.

Hij werd tweemaal in een warm bad met

persilvlokken grondig afgeborsteld, hield toch

nog een geelachtige kleur, maar kreeg toen

zijn zilverglanzende schoonheid terug, nadat

hij in de koude bak van zomer en frisse lucht

genoten had.”

Helaas zijn persilvlokken niet meer in de

handel. Ik zou zeggen: probeer het eens

met een middel voor de fijne was.

204 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


Literatuur

Anoniem (1839). Domestic notices –

England. The gardener’s magazine and

register of rural & domestic improvement

15: 148.

Anoniem (1894). Ein Riesenkaktus.

Monatsschrift für Kakteenkunde 1: 19.

Bárcenas, R. T. (2003). In Robbins, C. S. (ed.)

Prickly Trade: Trade and Conservation of

Chihuahuan Desert Cacti. TRAFFIC North

America World Wildlife Fund: II 22-24.

Beaton, D. (1839). On Cèreus senìlis,

the Old-Man Cactus. The gardener’s

magazine and register of rural & domestic

improvement 15: 549-552.

Bertram, P. (1933). Pilo- en

Cephalocereussen gekweekt in de kamer.

Succulenta 15 (2): 36.

Blanc, A. & Co. (1886). Catalogue and hints

on Cacti: 44.

Blanc, A. & Co. (1889). Illustrated Price List

of Rare Cacti: 17.

Blanc, A. & Co. (1892). Illustrated Catalogue

of Rare Cacti: 17.

Breckwoldt, S & Breckwoldt, B. (1999).

Cephalocereus senilis. Kakteen und andere

Sukkulenten 50(7): Karteikarte 1999/12.

Britton, N. L. & Rose, J. N. (1920). The

Cactaceae 2: 27.

Candolle, A. P. de (1828). Prodromus

systematis naturalis regni vegetabilis 3:

464.

Carrière, E. A. (1889). Le Mexique horticole

à l’exposition universelle. Revue Horticole

61: 462-463.

Carrière, E. A. (1890). Deux Pilocereus

gigantesques. Revue Horticole 62: 127-130.

Förster, C. F. (1846). Handbuch der

Cacteenkunde: 351-354.

Geiß, M. (2019). Cephalocereus senilis

blüht. Kakteen und andere Sukkulenten 70

(12): 363-364.

Hadasz, P. (2010). Eine Sensation - ein

Cephalocereus senilis blüht in Kultur.

Kakteen und andere Sukkulenten 61 (12):

309-313.

Haworth, A. (1824). Descriptions of

some new Cacti and Mammillariae. The

Philosophical magazine and journal 63: 41.

Laren, A. J. van. (1931). Cactussen: 42, afb.

43.

Lehmann, J. G. C. (1826). Semina in Horto

Botanico Hamburgensi: 17.

Lehmann, J. G. C. (1833). Cactorum species

novas exhibens. Nova acta physicomedica

Academiae Caesareae Leopoldino-

Carolinae Naturae Curiosum 16: 315, tab

12; 317, tab 15.

Lemaire, C. (1838). Cactearum Aliquot

novarum: XII, 31-34.

Lemaire, C. (1839). Cactearum Genera

Nova Speciesque Novae et omnium in

Horto monvilliano cultarum ex affinitatibus

naturalibus ordinatio nova indexque

methodicus. Lutetiis-Parisiorum : 7.

Llorca-Jaña, M. (2009). Staples, Robert

Ponsonby (1784/5–1852). Oxford Dictionary

of National Biography, online edn, Oxford

University Press.

Mathsson, A. (1891). Pilocereus senilis

cristatus. Monatsschrift für Kakteenkunde

1(2): 32.

Maury, P. (1889). Les Cactées Mexicaines a

l’Exposition universelle. Revue horticole 6:

567-570.

Paxton, J. (1838). Petrea stapelsiae. Paxton’s

magazine of botany, and register of

flowering plants 4: 199.

Pfeiffer, L. (1838). Ueber Lemaire’s

Beschreibung einiger neuen Cacteen.

Allgemeine Gartenzeitung 6: 141-143.

Schumann, K. (1899). Die Verbreitung

der Cactaceae im Verhältnis zu ihrer

systematischen Gliederung. Abhandlungen

der Königlichen Akademie der

Wissenschaften zu Berlin aus den Jahren

1899-1900: 49, 91.

Tate, J. C. (1840). Notes on Cèreus senìlis

and some other Mexican Plants. The

gardener’s magazine and register of rural &

domestic improvement 40: 26.

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

205


Voor het voetlicht (141)

Bertus Spee

Dorstenia barnimiana

Deze aparte plant heeft een groot

verspreidingsgebied in midden en oostelijk

Afrika. Hij behoort tot de Moerbeifamilie

(Moraceae) en vormt een ondergrondse

caudex van 5 cm diameter met een lange

penwortel. Hij groeit tot op 2500 meter

hoogte. Als de regentijd begint, verschijnen

de 20 cm lange bloeistengels uit de kop van

de knol, later gevolgd door lange dunne

bladeren. Na de bloei vormen zich vanuit

de bijzondere bloeiwijze talrijke zaden die,

als ze rijp zijn, wegschieten en zo verspreid

worden. In cultuur zijn ze niet al te moeilijk.

We planten ze in een wat diepere pot, in

een mineraalrijk doorlatend grondmengsel

en beginnen met matig water geven als

de plant tekenen van leven geeft. Na de

groeiperiode verdrogen de bladeren en

vallen af. Dan houden we ze droog bij

een minimumtemperatuur van 10 °C.

Vermeerderen kan door zaaien.

Gymnocalycium anisitsii

De oorsprong van deze soort ligt in Bolivia,

Brazilië en Paraguay, waar deze planten

groeien tot op een hoogte van 800 meter.

Door de invloed van het Amazonegebied

kan het daar flink regenen. Ze groeien

bolvormig tot 10 cm in diameter en kunnen

later ook groepen vormen. Ze kunnen

rijk bloeien met 4 cm grote, wit tot roze

bloemen. Na de bloei vormen zich de

grote langwerpige, rode zaadbessen met

vrij grote zaden. Deze planten zijn niet

moeilijk in cultuur. We planten ze in een

mineraalrijk substraat met ook wat humus

en geven tijdens de groei met tussenpozen

flink water. Tijdens de winterrust

houden we ze zo goed als droog bij een

minimumtemperatuur van 10 °C. Op

zonnige dagen kunnen we wat licht nevelen

met lauw water. Vermeerderen kan door

zaaien en stekken.

206 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


Lobivia (Echinopsis) famatinensis

De provincies San Juan en La Rioja in

Argentinië vormen het groeigebied van

deze klein blijvende planten, die tot 7 cm

in diameter kunnen worden. Ze komen

voor tussen de 1000 en 2000 meter op

de oostelijke hellingen van de Andes, met

name in de Sierra Famatina, ze vallen daar

vooral op door de tot 4 cm grote, geel

tot oranjekleurige bloemen. De spelfout

in de soortnaam (famatimensis) is door

Hunt gecorrigeerd naar famatinensis. In

cultuur zijn het probleemloze planten

die in de zomer prima buiten gekweekt

kunnen worden. We planten ze in een grof

mineraalrijk grondmengsel. Ze kunnen

tijdens de groei flink wat water verdragen.

Gedurende de winterrust houden we ze

droog bij een minimumtemperatuur van

5 graden. Vermeerderen gaat goed door

zaaien.

Obregonia denegrii

In de deelstaat Tamaulipas in Mexico

ligt de Jaumave-vallei, het groeigebied

van het geslacht Obregonia. Dit geslacht

is vernoemd naar een oud-president

van Mexico, Álvaro Obregón. De planten

groeien hier op vrij vlak en kalkrijk terrein

dat maar op 700 meter boven zeeniveau

ligt. Het kan hier flink regenen, gezien de

enorme erosie van dit gebied. De planten

groeien meestal onder laag struikgewas.

Ze gedijen hier prima, soms staan ze met

twintig stuks per vierkante meter bij elkaar.

Ze kunnen wel 30 cm in doorsnee worden.

Ook in cultuur weten ze van wanten.

We planten ze in een goed doorlatend

kalkrijk substraat en geven tijdens de groei

regelmatig een flinke gietbeurt. Ze bloeien

meerdere malen per jaar. De kleine witte

bloemen verschijnen vanuit de schedel.

Tijdens de winterrust houden we ze droog

bij een minimumtemperatuur van 10 °C. In

een te koude kas komen ze in het voorjaar

moeilijk aan de groei. Vermeerderen kan

goed door zaaien.

speedybert@zeelandnet.nl

Succulenta jaargang 104 (5) 2025 207


Ontwikkelingen bij

Schlumbergera-cultivars

Ruud Tropper

Het is alweer meer dan twee jaar

geleden dat er een artikel in Succulenta

is verschenen over dubbelbloemige

Schlumbergera-cultivars (Tropper, 2022). In

de laatste jaren heeft zich een versnelling

voorgedaan en worden steeds meer

nieuwe dubbelbloemige schlumbergera’s

door liefhebbers ontwikkeld. Ze zijn nu in

allerlei kleurencombinaties aanwezig.

Voor mijzelf was een ander doel het

kweken van Schlumbergera-cultivars met

albinobloemen. Tot voor enige jaren

waren met deze puur witte bloemen alleen

enkele Schlumbergera truncata-selecties

bekend. De herkomst van deze cultivars

is op een enkeling na niet duidelijk. Voor

alle bekende cultivars met albinobloemen

worden Brazilië en Japan als land van

herkomst genoemd. De meest bijzondere

is ‘White Flamenco’, een albinobloem met

gerafelde randen (afb. 1). Deze cultivars

met albinobloemen zijn geliefd, omdat ze

onder alle temperatuuromstandigheden

puur wit blijven. Dit in tegenstelling tot

witte niet-albinobloemen bij Schlumbergera,

die bij lage temperaturen altijd deels roze

kleuren (Tropper, 2023).

Of de nu benoemde cultivars uit één

kloon afkomstig zijn, blijft voorlopig

onduidelijk. Feit is dat uit honderden

onderlinge bestuivingen bij mij geen enkel

kiemkrachtig zaadje voortgekomen is.

Na zoveel jaren van kruisen zonder

resultaat besloot ik om een tussenstap

in te lassen. Dus eerst kruisen met een

andere soort, in dit geval de normaal paars

bloeiende Schlumbergera orssichiana. Zoals

een beetje verwacht, gaf dit geen enkele

zaailing met albinobloemen. Vervolgens is

een terugkruising (backcross) uitgevoerd

met een van de bekende cultivars met

albinobloemen.

Het is wellicht hier op zijn plaats om even

uw geheugen van de geneticalessen van

de middelbare school op te frissen. Een

witbloeiende plant is het resultaat van

een geblokkeerde synthese van rode

pigmenten in de bloemblaadjes. Zo’n

witte mutant is, zoals we dat noemen,

recessief voor de factor ‘rode bloemkleur’.

Volgens de wetten van Mendel geeft een

kruising van een roodbloeiende en een

witbloeiende vorm van één plantensoort

doorgaans een geheel roodbloeiende F1.

Dat komt omdat rood meestal dominant

is over wit. In genetica-jargon is de factor

A (bloemkleur) in dit voorbeeld dus bij de

1: Schlumbergera ‘White Flamenco’

208 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


roodbloeiende plant aanwezig als AA (op

beide chromosomen dezelfde situatie)

of als Aa (ook roodbloeiend maar slechts

op een van de twee chromosomen als A

dominant aanwezig). De witbloeiende vorm

heeft dus in dit voorbeeld altijd aa.

F1: AA gekruist met aa geeft Aa

(roodbloeiend)

F2 (terugkruising): Aa gekruist met aa geeft

Aa (roodbloeiend) en aa (witbloeiend)

Het goede nieuws is dat er wel degelijk

enkele nieuwe cultivars met albinobloemen

uit zijn ontstaan. Door deze nieuwe lichting

is het aanbod aan Schlumbergera-cultivars

met albinobloemen een stuk uitgebreid.

De invloed van de S. orssichiana-genen

geeft fraaie grotere bloemen en wat

steviger leden (afb. 2 en 3). Daarmee komt

een einde aan een periode van tien jaar

pogingen tot veredelen op dit gebied.

Restte mij nog een poging om de nieuwe

cultivars met albinobloemen onderling te

kruisen. Ditmaal kon ik er zeker van zijn dat

2: Schlumbergera ‘Snow King’

3: Schlumbergera ‘Snow Angel’

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

209


het verschillende klonen waren. Hoewel in

eerste instantie enige vruchten ontstonden

als gevolg van de uitgevoerde bestuivingen,

bleek later dat er slechts een paar zaden

aanwezig waren, die niet kiemkrachtig

bleken te zijn. Dit leidt voorzichtig tot de

conclusie dat deze schlumbergera’s met

albinobloemen niet onderling te kruisen

zijn.

Het laatste succes op dit gebied is het

ontstaan van een S. × buckleyi met

albinobloemen (afb. 4). Dit is al lange tijd

een wens van veel liefhebbers. Voorlopig

is het nog een kleine plant, maar als deze

4: Schlumbergera ‘Perfect Date’

210 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


goed doorgroeit, zal deze nieuwe cultivar

met de naam ‘Perfect Date’ de wereld snel

veroveren.

Een cultivar uit het verleden met een nogal

afwijkende bloem is ‘Chiba Spot’ (afb. 5).

Ook met deze cultivar is de laatste tijd

doorgekruist, hetgeen geleid heeft tot meer

aanbod in vorm en kleur van de bloem. Op

Schlumbergera.net wordt deze bloemvorm

aangeduid met ‘comet’ (‘komeet’). Een

voorbeeld van zo’n nieuwe cultivar is te zien

in afb. 6.

Literatuur

Tropper, R. (2022). Dubbelbloemige

Schlumbergera’s. Succulenta 101 (6): 273.

Tropper, R. (2023). „Albiflora”-Sorten bei

Schlumbergera. EPIG 86 (2023): 40.

ruud.kenenvrien@outlook.com

Meer informatie over Schlumbergera- en

Rhipsalidopsis-cultivars, alsook botanische

soorten, is te vinden op Schlumbergera.net.

5: Schlumbergera ‘Chiba Spot’

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

211


6: Schlumbergera-cultivar PG2459

212 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


Jatropha podagrica

Petra Romijn

Mogelijk is deze plant de basis geweest

voor mijn interesse in caudexplanten, want

dit is de eerste plant die ik ooit, heel lang

geleden, kocht omdat het uiterlijk mij direct

aansprak.

Toen was er nog geen internet, Succulenta

kende ik niet en dus iets zinnigs vinden

over deze plant was erg lastig. De plant

van toen bleef achter bij mijn ouders toen

ik het huis uitging. De planteninteresse

was even in de ijskast. Mijn moeder

vond er niets aan. Ze vond het ook niet

helemaal oké dat ik hem achterliet, maar

bleef er wel voor zorgen. En ach… het

was ook niet echt een beauty meer met

zijn inmiddels lange stelen. Deze plant is

er niet meer, maar de interesse is weer

teruggekomen en inmiddels zijn er ook wel

wat caudexplanten bijgekomen.

Jatropha podagrica (afb. 1) is een

caudexvormende plant die in de zomer wel

eens wordt aangeboden als kamerplant in

tuincentra of bij bloemisten en op de ELK

in Blankenberge. We zien dan een plant

met een flesvormige basis (caudex), met

aan de top gelobde bladeren en kleine,

maar opvallende bloemen. De bladeren

en stengels lijken met een soort waslaagje

bedekt en voelen wat stroef aan (afb. 2).

Zo’n waslaagje helpt om verdamping van

vocht enigszins te beperken. De bloemen

vallen op. Ze zijn niet groot, maar staan

in een scherm en zijn intens van kleur,

oranjerood, wat een mooi contrast geeft

met het gele stuifmeel.

De bloemen in een scherm zijn

verschillend. In het midden van het

scherm staan een of meer vrouwelijke

bloemen met een stamper (afb.3) en

aan de buitenkant staan de mannelijke

bloemen met meeldraden (afb. 4). Dit

wordt eenhuizig genoemd (zie voetnoot

1). De vrouwelijke bloemen gaan het eerst

open. Deze kunnen dan al bevrucht worden

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

1: Jatropha podagrica.

2: Close-up met nieuwe groei van stekels en

bloemen en de waslaag op de stengels.

213


3: Bloeiwijze met voornamelijk vrouwelijke

bloemen. Foto Martin Heigan

door andere planten, voordat het stuifmeel

van de eigen plant rijp is. Het zijn vooral

vlinders die erop afkomen. Toch kan de

plant zichzelf wel bevruchten en met een

penseeltje lukt het ons ook natuurlijk.

Als de bloem is bevrucht, ontstaat er een

ronde zaadbol met twee tot zes zaden (afb.

5). Deze vrucht zal uiteindelijk openbarsten

en de zaden doen wegspringen. Voordat

het zover is, is het handig om bijtijds een

netje of een leeg theezakje om de zaaddoos

te doen, want ook al zijn de zaden niet

klein, het wordt dan toch zoeken geblazen.

Als we de stengel en het groeipunt van

dichtbij bekijken, zien we ook een soort

stekels (afb. 6). Als deze ouder worden,

4: Mannelijke bloemen met bij de pijl een

uitgebloeide vrouwelijke bloem.

verdrogen ze en worden ze hard, maar

van gemeen prikken zou ik toch niet willen

spreken. Het zijn eigenlijk steunblaadjes

die eruit zijn gaan zien als stekeltjes (zie

voetnoot 2). Als een blad bij Jatropha

podagrica afvalt, blijft er een litteken

achter en dat geeft dan samen met de

‘stekeltjes’ een typerend uiterlijk, zoals

op de verschillende foto’s te zien is. Op

afb. 6 is nog net te zien dat er druppeltjes

aan hangen. Dit is een zoete afscheiding

van de plant zelf en het kan verschillende

oorzaken hebben.

Het geslacht Jatropha bevat rond de 180

soorten (onduidelijk hoeveel precies) die

Voetnoot 1

Eenslachtig: de bloem is of vrouwelijk

(wel een stamper, maar geen

meeldraden) of mannelijk (wel

meeldraden, maar geen stamper).

Tweeslachtig: de bloem heeft een

stamper en meeldraden.

Eenhuizig: de plant heeft aparte

mannelijke en vrouwelijke bloemen die

wel op dezelfde plant voorkomen.

Tweehuizig: iedere plant heeft of

alleen mannelijke of alleen vrouwelijke

bloemen.

Voetnoot 2

Veel planten hebben steunblaadjes. Dit

zijn kleine blaadjes die aan de voet van

een bladsteel groeien. In het algemeen

dienen ze als extra bescherming tegen

vraat of felle zon van het nog jonge

echte blad. Bij Jatropha podagrica zijn

ze gedurende de evolutie verworden

tot ‘stekeltjes’, iets wat bij meer

succulenten is gebeurd. Een stekel

is een uitgroeisel van de stengel en

een doorn wordt beschouwd als een

omgevormd blad.

214 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


we wereldwijd in warme landen vinden,

onder andere in India, Jemen, Madagaskar,

Oman, Somalië, veel landen in Midden- en

Zuid-Afrika, Arabië en ook Midden- en Zuid-

Amerika. Er zijn ongeveer veertig jatropha’s

die een caudex vormen. De overige kunnen

struiken, bomen of anderszins zijn. Jatropha

behoort tot de familie Euphorbiaceae

(wolfsmelkfamilie).

Jatropha podagrica hoort thuis in tropisch

Midden-Amerika, onder andere in

Honduras, Nicaragua en Guatemala.

Ondanks het tropische klimaat vormt

hij toch een caudex om vocht in op te

slaan. Dit komt doordat het leefgebied

wel degelijk seizoenen kent, met ook een

drogere periode. De plant heeft geen fiks

wortelstelsel en laat bij droogte zijn blad

afsterven en gaat in rust. In Nederland is

dat niet speciaal in de zomer of winter.

Opmerkelijk is dat als deze plant zijn blad

verliest, de groei van nieuwe bloemstengels

vaak wel gewoon doorgaat. In Zuid-Afrika

is een gemuteerde vorm van J. podagrica

ontwikkeld met gele bloemen. Ook leuk,

maar niet in het wild voorkomend.

In onze Nederlandse situatie kan de plant

op de vensterbank of in een kas staan.

Veel licht en zon zijn belangrijk, maar wel

schermen tegen al te felle en brandende

zon. De plant staat liever niet te heet, wat

achter glas wel kan gebeuren. Dus opletten.

Bij veel groei regelmatig water geven en in

de rustperiode droog laten staan. De plant

houdt niet van water in de schotel of aarde

die te lang veel vocht vasthoudt. Daarom

nemen we een kleine pot en vullen deze

met voedzame, maar ook luchtige aarde.

Als de plant al wat langer in dezelfde aarde

staat, is verpotten niet direct nodig, maar

tijdens de groei voldoet regelmatig de helft

van de normaal aanbevolen concentratie

kunstmest met een laag stikstofgehalte. De

plant groeit goed op stikstof, maar maakt

dan lange dunne stengels. Als de stengels

erg lang worden, kunnen deze goed

gesnoeid worden en dan komen er weer

zijtakken. Dat moet niet direct boven de

5: Zaaddoos. Foto Theo Heijnsdijk 6: Groeipunt en littekens van afgevallen

bladeren.

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

215


caudex gebeuren, maar bijvoorbeeld 10 cm

erboven. Let op! Het sap dat er uitkomt, is

giftig en kan de huid irriteren. Je moet ook

absoluut niet in de ogen wrijven als je met

het sap in aanraking geweest bent. Eerst

de handen zeer goed wassen. Ook met

huisdieren oppassen. De stengels kunnen

gestekt worden, maar zullen geen caudex

vormen.

In de winter houden we de plant niet

kouder dan 15 °C en liever warmer, hoewel

kortdurend een daling tot 5 °C ook geen

kwaad kan. De plant hoeft niet in een

koude kamer gezet te worden. Ook niet als

hij in rust gaat. Een centraal verwarmde

woonkamer is prima. Ik heb zelf geen

ervaring met zaaien, maar de zaden 24

uur laten weken, dan in voedzame grond

zaaien en de kweek warm houden, schijnt

goede resultaten te geven. Zaailingen laten

al snel zien dat ze een caudex gaan maken.

De plant groeit vlot en blijft voortdurend

bladeren en bloemstengels vormen, maar

kan toch ineens in rust gaan. Het blad

vergeelt snel en valt af. De eerste uitloop

daarna is meestal eerst een bloemstengel,

later gevolgd door nieuwe bladeren. De

caudex kan nog wel iets forser worden,

tot maximaal 20 cm in doorsnee, maar

uiteindelijk vormen zich lange, houtige

stengels met alleen aan de top bladeren en

bloemen, zoals op diverse foto’s te zien is.

Zijtakken komen ook en als de top op een of

andere manier wordt beschadigd, ontstaat

er zeker nieuwe uitloop. Op afb. 7 zien we

een gekweekte plant, maar deze geeft wel

een indruk hoe de plant eruitziet als hij

ouder is of in zijn natuurlijke habitat staat.

Tot slot nog wat kleine weetjes. De

geslachtsnaam is afgeleid van de Griekse

woorden ἰατρός (iatros), wat ‘arts’ betekent,

en τροφή (trophe), wat ‘voeding’ betekent.

Dat betreft dus medicinale toepassingen.

De plant is giftig en dus niet zo geschikt

voor voeding overigens. De soortnaam

betekent ‘lijdend aan podagra (jicht)’, omdat

de stengel gezwollen is.

In 1848 was het ene William Jackson die

deze plant voor het eerst beschreef.

Bloemisten verwerken wel eens de

bloemen van Jatropha podagrica in een

boeket. Een bedrijf in Tanzania kweekt

ze en biedt ze aan per bos als snijbloem.

Deze wordt Jatropha podagrica ‘Firecracker’

genoemd. Voor de verkoop worden

de mannelijke bloemen eraf gehaald.

‘Firecracker’ is een cultivarnaam en geen

aparte soort.

7: Oudere plant.

Literatuur

Vosjoli, P. de (2009). Pachyforms A Guide to

Growing Pachycaul and Caudiciform Plants:

186, 187, 281.

Rowley, G. (1980). Moussault’s groot

Succulenten boek: 238, 239.

216 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


Expeditie Atacama

Nicolas Samyn

Als je de Atacama doorkruist, vind je de

meest uiteenlopende landschappen.

De Grote Oceaan met zijn prachtige

kleurschakeringen, ruige rotsen, nu en dan

een leuk zandstrand (afb. 1), eindigend in

de hoge Andes-toppen.

Samen met Luc Vandecaveye en onze

plaatselijke gids Stefan (afb. 2) ontdekten

wij tijdens onze reis zo’n zeventig

cactussoorten en variëteiten, heel wat

andere unieke endemische planten,

prachtige geologische plaatsen, een

rijke geschiedenis en niet te vergeten de

prachtige fauna (afb. 3). Wij hadden als

voordeel dat onze gids goed voorbereid

was, wat heel wat tijd bespaart om veel

zaken te ontdekken.

Ten noorden van de stad Caldera rijd

je zo de woestijnwildernis in, maar om

sommige planten echt te vinden, heb je

gps-gegevens nodig en vooral kennis van

het terrein. Kom je er zomaar naartoe, dan

ga je er langs de kustlijn heel wat planten

zien, maar voor de echte pareltjes is er heel

wat meer inspanning nodig. Neem Eriosyce

krausii (ook wel Eriosyce odieri subsp. krausii

genoemd), minuscule plantjes. Ten eerste

zijn er weinig van te vinden en ten tweede

1: Zandstrand in Atacama.

3: Roodkopgieren.

2: Luc Vandecaveye (links) en onze gids

Stefan Burger.

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

217


4: Ondergestoven Eriosyce krausii.

5: Eriosyce krausii. 6: Granito Orbicular.

was er geen regen gevallen, dus zaten

ze letterlijk onder het stof. Deze planten

worden aangetroffen op lage hoogte op

een zeer smalle kuststrook. Ze zijn vaak

bedekt met aarde of grind en trekken

zich terug in de grond tijdens periodes

van droogte, waardoor ze erg moeilijk te

spotten zijn (afb. 4).

De planten zijn solitair of vertakkend van

onder de grond, 2 tot 4 cm in diameter,

bolvormig en enigszins afgeplat aan de

top, roodbruin tot grijsgroen (afb. 5). Bij

ons in cultuur heeft de plant een diepe pot

nodig met een zeer goede drainage om

zijn penwortel te huisvesten. Soms wordt

hij geënt om problemen met wortelrot

te voorkomen. Al bij al is het een mooie

dwergsoort, maar zoek die maar eens.

Zelfs met gps-gegevens is hij aartsmoeilijk

te vinden. Het makkelijkste gaat dat in het

groeiseizoen als ze bloeien; dan vallen ze

duidelijk op.

Op zo’n 12 km ten noorden van Caldera ligt

een mooi reservaatje, niet speciaal voor

de cactussen, maar geologisch gezien een

waardevol gebied, de Granito Orbicular.

Deze mooie locatie is beschermd gebied

sedert 1981 en toont ons de wondermooie

grillen van moeder natuur. Het is een

gesteente met een buitengewone

samenstelling in termen van chemie en

mineralogie: bestaand uit onder meer de

mineralen cordieriet en biotiet (afb. 6).

Enkele honderden meters landinwaarts

zien we grillige gatenrotsen (afb. 7), een

uitstekende habitat voor onze volgende

ontdekking, Eulychnia breviflora (afb.8).

Deze plant werd reeds in 1860 beschreven.

Hij vormt struiken met korte witachtige

bloemen.

Op een boogscheut van de statige

eulychnia’s groeit de wondermooie

Copiapoa calderana (afb. 9). Het ruige,

granietachtige landschap toont meteen

aan in welk substraat deze planten

groeien. Hard gesteente, verweerd door de

jarenlange wind en zon, is de ideale basis

om deze parels te aanschouwen (afb. 10).

218 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


7: Gatenrotsen.

9: Copiapoa calderana.

8: Eulychnia breviflora.

10: Copiapoa calderana.

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

219


Deze planten leven voornamelijk in de over

het algemeen rotsachtige kustgebieden.

De lange knolvormige wortel van deze

copiapoa is diep begraven in deze bodems,

die zeer arm zijn aan organisch materiaal.

De oppervlakkige laag bestaat volledig

uit maicillo (granieten steentjes) en in de

diepste niveaus bevinden zich zeer dichte

kleisoorten die in staat zijn om wat water

vast te houden gedurende de zomer. In

het gebied waar deze plant groeit, valt

zeer weinig regen, maar treedt frequent

kustmist op, die in een aanzienlijk deel

van hun waterbehoefte voorziet. Deze

soort kent veel variatie; elke uithoek heeft

wel iets anders te bieden. Er zijn heel

wat verschillen waar te nemen, zowel

in bedoorning als in kleur en vorm. Er is

dus nog werk voor botanici en we zijn er

zeker van dat er binnenkort een nieuwe

beschrijving komt van een afwijkende vorm.

Een opvallende caudiciforme plant in het

droge landschap is Euphorbia lactiflua (afb.

11). Deze struik werd beschreven door

Rodolfo Amando Philippi in 1860. Door de

droogte en om verdamping te beperken,

verliest de plant zijn bladeren, maar siert

hij zijn takken met lichtgele tere bloempjes

(afb. 12).

Indien er weinig of geen planten staan,

geven de rotsen het beste van zichzelf.

Jarenlange erosie levert tot op de huidige

dag een waar spektakel op. Met een ideale

gids zijn onze dagen overvol. Saai is het

niet, integendeel, je ziet er kilometers ver,

komt er niemand tegen, alleen het geluid

van de wind die suist tussen de planten

door.

De grillige vorm van Copiapoa cinerascens

trekt meteen onze aandacht (afb. 13).

Het zijn bolvormige planten met een

grijsgroene kleur, die groeien in groepen

en hun vocht halen uit de mist die ’s

morgens vanuit zee ontstaat. De bloemen

van Copiapoa cinerascens zijn diurnaal, wat

betekent dat ze overdag opengaan en ‘s

nachts sluiten. De bloemen zijn meestal

geel of roze en groeien vanaf de bovenkant

van de plant. Ze zijn zelfbestuivend,

maar bestuiving kan ook plaatsvinden via

insecten, zoals bijen en vliegen.

11: Euphorbia lactiflua.

12: Bloeiwijze van Euphorbia lactiflua. 13: Copiapoa cinerascens.

220 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


In de omgeving van Copiapoa cinerascens

groeit de mooi bedoornde Copiapoa

serpentisulcata (afb. 14). Het is een zeer

droogtetolerante soort. Ondanks het

gebrek aan regen in zijn leefgebied wordt

de extreme droogte verlicht door de

frequente, vaak dichte kustmist. Deze mist

heeft de neiging zich te concentreren in

de vorm van een wolkenband. Hij vertoont

een terugkerend patroon; meestal is het

bewolkt in de vroege ochtend, de wolken

lossen op in de late ochtend en keren terug

in de late middag. De extreme droogte kan

de planten een paarsachtige schijn geven,

wat mooi met de doorns contrasteert.

Tussen de rotsen door beweegt als de

bliksem een hagedis, een klein teer reptiel

(afb. 15), dat de schrik van zijn leven kreeg.

’s Nachts kan de temperatuur zakken

tot een paar graden boven het nulpunt,

terwijl die tijdens de dag kan oplopen tot

boven de 30 °C. Goede bescherming tegen

zonnebrand is aan te raden. De grillige

landschappen bieden een unieke kans om

foto’s te maken door te spelen met licht en

schaduw (afb. 16). Onze dag was nog niet

ten einde, maar dat is voor een volgende

reportage.

nicolas.cactus@outlook.com

14: Copiapoa serpentisulcata.

15: Een hagedis.

16: Het grillige landschap.

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

221


Winteractieve succulenten

Aiko Talens

Winteractieve succulenten beschouw ik als

een echte toevoeging aan onze liefhebberij.

Niet iedere succulentenliefhebber is

bekend met winteractieve succulenten. Zelf

werd ik me ook pas bewust van het bestaan

van deze toch buitengewoon interessante

groep planten na vele jaren alleen

zomergroeiers in mijn collectie gehad te

hebben. Nu weer een jaar of vijftien later is

mijn collectie van winteractieve succulenten

qua omvang in soorten flink gegroeid en

weet ik hoeveel plezier deze groep planten

kan toevoegen.

Winteractieve succulenten komen van het

zuidelijk halfrond. De meeste soorten die ik

heb komen uit de zuidelijke helft van Afrika,

voornamelijk Namibië en Zuid-Afrika.

Wanneer het bij ons zomer is, is het daar

winter. En andersom. Waar cactussen en

veel andere succulenten vanaf september/

oktober niet veel zorg behoeven en

ze het beste droog gehouden kunnen

worden (om pas in het voorjaar weer

actief te worden), is dit bij de succulenten

die als winteractieve succulenten te

kenmerken zijn juist afwijkend. Die hebben

1: Conophytum burgeri in zomerrust.

222 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


geen winterrust nodig maar juist een

zomerrust! Heb je een collectie met alleen

zomeractieve succulenten, dan is het

vanaf oktober (Ariocarpus bij cactussen)

en november (Pleiospilos en Lithops bij de

andere succulenten) meestal wel gedaan

met bloeiende planten, enkele soorten

uitgezonderd. Je zou dan tot maart moeten

wachten voor de eerste nieuwe bloemen.

Met winteractieve succulenten voeg je daar

de maanden december tot en met februari

gewoon bij en kun je, als je collectie divers

genoeg is, zelfs letterlijk iedere dag van het

jaar een plant in bloei zien!

Wat zijn winteractieve succulenten?

Winteractieve succulenten zijn succulenten

die hun actieve groei en bloei vooral

beleven in de periode vanaf het begin

van de herfst, door de winter heen, tot

diep in het voorjaar. In de daadwerkelijke

hitte en droogte van de zomer zijn ze in

rust. Veel soorten zijn niet direct volledig

winteractief, maar in de praktijk vooral

erg actief in de herfst en lente, waarin ze

vooral van het late najaarszonnetje en

het vroege voorjaarszonnetje profiteren.

Dus gedurende de donkere dagen in het

hartje van de winter is het gelukkig geen

groot probleem dat we dan weinig zonlicht

hebben.

Zodra het warm wordt gaan winteractieve

succulenten in rust. In de lage landen is

dat meestal tussen maart en mei. Planten

met niet-succulente bladeren verliezen

het blad; een othonna wordt gewoon een

kaal struikje. En Massonia en andere bollen

veranderen visueel in een potje met alleen

grond en verder is er niets zichtbaar; het

bolletje dat onder de grond verstopt zit is

het enige dat er dan nog van rest. Bij veel

mesems verschrompelen de succulente

bladparen tot een dun vliesje. Onder deze

uitgedroogde bladparen verschijnt een

nieuw bladpaar, dat op dat punt dan nog

voor de zomer veilig verscholen onder

het vliesje van het voorgaande bladpaar

verblijft. In het najaar na een eerste

watergift breekt het nieuwe bladpaar door

het vlies heen en begint de groeicyclus

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

2: Massonia amoena in bloei, met sterk

ruikende bloem.

weer. Persoonlijk vind ik sommige planten

in zomerrust mooier dan planten in

actieve groei, met name geldt dat voor

Mitrophyllum en Conophytum (afb. 1).

Waarom winteractieve succulenten?

Er zijn verschillende redenen die pleiten

voor meer winteractieve succulenten in

je collectie. De mogelijk interessantste

reden heb ik al genoemd: elke dag van

het jaar een plant in bloei. Een ander

pluspunt is de grootte van de planten.

Het zijn over het algemeen vaak redelijk

kleine plantjes die toe kunnen met een

kleine pot, uitzonderingen daargelaten.

Je kunt dus veel verschillende soorten

makkelijk in een collectie kwijt, ook als je

plaatsgebrek hebt. Ik heb mijn planten

in kleine vierkante potjes staan. Zo staan

ze netjes en efficiënt bij elkaar, vaak met

meerdere kleine plantjes knus in dezelfde

pot. Ook kunnen winteractieve succulenten

prima tegen overmatig vocht, mits in

actieve groei! Hierover later iets meer.

Vaak hebben winteractieve succulenten

ook sterk ruikende bloemen, met name bij

Massonia is dit waar te nemen. Massonia

amoena (afb. 2) heeft een sterke, wat naar

chloor ruikende bloem; je waant je in

een zwembad. Dit is qua soort geur een

223


3: Minikasjes in de broeikas. De planten boven de klep zorgen door hun gewicht dat de klep

goed gesloten blijft zonder kieren te hebben.

uitzondering, de meeste massoniabloemen

ruiken vrij zoet. Bloemen blijven ook

vaak lang actief, zelfs meerdere weken

achtereen bij Massonia en Lachenalia,

soms wel vier weken. Verpotten kan vaak

in het voorjaar en het najaar. Persoonlijk

doe ik dit het liefst ruim in het najaar

wanneer ze al duidelijk in actieve groei

zijn. Dat is bij mij ook de tijd van het jaar

dat ik hier de meeste tijd voor heb. In

de donkere wintermaanden heb je dan

altijd wel wat te doen en is er altijd wat te

genieten. In de zomer kunnen winteractieve

succulenten gewoon even weggezet

worden in het donker, zodat je de ruimte

kunt geven aan andere planten. Je zet de

planten dan gewoon onder de tafels; licht

hebben ze dan niet echt nodig. Handig bij

plaatsgebrek in de broeikas. Meer planten

bij minder ruimte.

Een klein nadeel is er ook. Sommige

soorten kunnen we in de lage landen

(zonder kunstmatige lichtbron) niet of erg

lastig in bloei krijgen. Monilaria bijvoorbeeld

groeit prima hier, maar een bloem hoef

je meestal niet te verwachten. Dat zal in

zonnige winters in andere landen een stuk

beter lukken. En als je 15-25 jaar geduld

hebt wil je wellicht wel wachten op een

bloem bij een mitrophyllum, want dat is de

leeftijd die dit geslacht nodig heeft om in

bloei te komen. Maar altijd nog ruim sneller

dan een carnegiea!

Hoe bescherm ik de planten tegen

vorst?

Al mijn planten staan in mijn onverwarmde

broeikas. Veel planten die in winterrust

zijn haal ik in de winter naar binnen om ze

te beschermen tegen strenge vorst. Maar

mijn winteractieve succulenten willen juist

in die periode zoveel licht als mogelijk. Dus

deze laat ik in de broeikas. Een beetje vorst

kunnen de meeste soorten prima hebben,

maar om ze toch te kunnen beschermen

tegen iets te strenge vorst, heb ik binnen

224 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


4: Minikasjes in de broeikas met open klep, voor extra frisse lucht wanneer verwarming even niet

nodig is.

in mijn broeikas een veilige zone voor

ze gemaakt die ik vorstvrij houd. Deze

veilige vorstvrije zone bouw ik op zodra

ik verwacht dat de eerste serieuze vorst

kan optreden, meestal begin december.

Rond half of eind maart, wanneer ik geen

serieuze vorst meer verwacht (maar

lichte nachtvorst kan dan nog steeds

voorkomen), breek ik de vorstvrije zone

weer af. Ik heb aluminium minikasjes

met beglazing van polycarbonaatplaten,

waar de planten in staan, om te dienen

als vorstvrije zone binnen in mijn grote

glazen broeikas (afb. 3 en 4). Deze

minikasjes zijn licht in gewicht en daardoor

makkelijk in het najaar op te bouwen en

in het voorjaar weer te verwijderen. Elk

minikasje zet ik op een eigen tafel (waar

in de zomer de cactussen op stonden

maar die staan in de winter binnen)

zodat het licht goed bij de planten kan. In

deze kasjes heb ik al mijn wintergroeiers

ondergebracht. In elk minikasje heb ik

daarnaast ook nog een thermostaat en een

verwarmingsventilator geplaatst (afb. 5). De

Inkbird-thermostaat meet de temperatuur

in het minikasje nauwkeurig en stuurt

de verwarmingsventilator aan. Zodra de

temperatuur 0 ºC is geworden, schakelt

de thermostaat de verwarmingsventilator

in, zodat deze de ruimte in de minikasjes

kan opwarmen tot 5 ºC. Wordt eenmaal

deze temperatuur bereikt, dan schakelt

de thermostaat de verwarmingsventilator

weer uit. De temperatuur in de minikasjes

zakt dan, afhankelijk van de hoeveelheid

kou, in de loop van de uren weer langzaam

naar 0 ºC. De hele nacht is er een lichte

schommeling in temperatuur en zijn

er, afhankelijk van de kou en hoe snel

de warmte wegsijpelt uit de minikasjes,

meerdere zich herhalende cycli. Elk

minikasje is iets minder dan 1 m 3 , dus dat

warmt vrij gemakkelijk op zonder dat het

veel energie kost.

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

225


5: Thermostaat en verwarmingsventilator bij een krat met Massonia.

Verzorging gedurende de winter

Het begin van de groeicyclus is meestal

rond september. Ik geef dan de planten

een eerste plons water om ze te stimuleren

wakker te worden. Sommige soorten zijn

al zonder dat ze water hebben gekregen

wakker geworden en bollen hebben vaak

al wortels gevormd. Zodra een bol als een

massonia wakker wordt, zie je een klein

puntje van het bladpaar verschijnen boven

de grond. Meestal al snel gevolgd door een

ontluikende bloem. Indien planten eenmaal

actief zijn, geef ik ze tot het begin van de

winter vrij geregeld veel en vaak water.

Winteractieve succulenten zijn weliswaar

actief van de late zomer tot in het late

voorjaar, maar wensen vooral in het begin

van het groeiseizoen en aan het einde van

het groeiseizoen water omdat ze dan het

meest actief in groei zijn. Dus in de meest

bewolkte weken met de kortste dagen geef

ik mijn planten nauwelijks water. December

en januari zijn rustige maanden wat betreft

water geven. Alleen planten met blad geef

ik nog wel eens een plons water, als ik zie

dat het blad wat slap begint te hangen.

Vanaf februari geef ik de planten wat

vaker weer wat water. De lichtintensiteit

neemt merkbaar toe en het aantal uren

met daglicht neemt toe. Het kan dan op

sommige dagen al snel warm worden

in de broeikas en dat zie je dan wel een

beetje terug in de waterbehoefte van de

planten. Op zich zie ik het bij winteractieve

succulenten niet als een probleem als ze

wat te veel water hebben gekregen en

lang vochtig blijven. Dat is het mooie van

winteractieve succulenten; die kunnen wel

wat hebben qua vocht. Mits ze in actieve

groei zijn, dat wel! Dat mijn planten vaak

226 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


in vochtige grond staan is terug te zien bij

veel planten. Er groeit bij een hoop planten

wat mos tussen de planten. Helemaal geen

probleem! Dat is iets dat je bij zomeractieve

planten zeker niet wil, die zullen zeker

sneller tot rot overgaan.

Zodra de lente een beetje in aantocht

komt, breekt een wat lastige periode aan.

Voor mij althans, want ik kan niet dagelijks

mijn planten in de gaten houden omdat ik

niet in de buurt van mijn broeikas woon.

Het probleem zit ‘m in de combinatie van

toenemende intensiteit van de zon overdag

en de aanwezigheid van mogelijk vorst in

de nacht. Dus koude nachten en behoorlijk

warme dagen, met name in maart. Vorst tot

-5 ºC zal de meeste planten niet schaden,

maar liever neem ik het risico niet. Om de

planten vorstvrij te houden, moet ik de

minikasjes gesloten houden. Maar overdag

zou ik dan juist graag veel frisse lucht bij de

planten willen laten. Maar omdat ik er niet

altijd ben, moet ik kiezen tussen overdag

te veel warmte of in de nacht te veel kou.

Ik kies dan maar voor het eerste door

de minikasjes dicht te houden overdag.

Ter compensatie heb ik wel in de glazen

broeikas de dakramen altijd open staan,

zodat de grootste warmte overdag nog weg

kan. Doordat de minikasjes dan soms vele

dagen dicht zitten, is de luchtvochtigheid

redelijk hoog. Geregeld heb ik condens aan

de binnenzijde van de minikasjes zitten.

Maar dat vocht is dus geen probleem!

Wel kan het zijn dat de planten in de

minikasjes in een soort sauna zitten, dus

naast de luchtvochtigheid is er ook nog de

hitte. Daar kunnen ze op zich wel tegen

(op een kleine kans op brandschade na),

maar met name in maart loop je het risico

dat een aantal planten zoals Massonia,

Lachenalia, Gethyllis, winteractieve

Haemanthus en Othonna dan ineens

vrij snel in zomerrrust gaan. Bollen, en

eigenlijk alle planten met niet-succulente

bladeren, hebben dan de neiging het

blad te verliezen. Normaal zouden ze dat

pas doen in april of mei. Dus ze verliezen

wel wat kansen op fotosynthese in het

groeiseizoen. Wel wat zonde, zeker gezien

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

het sombere winterlicht dat ze eerder

gehad hebben om hun ding mee te moeten

doen. Maar toch nog altijd beter dan te

veel vorst en de plant voor altijd kwijt te

zijn. Soms ben ik wel bij de kas. Dan zet ik

overdag de klep van de minikasjes open

en haal de stekker van de thermostaat en

verwarmingsventilator los. In de avond zet

ik deze weer aan en doe ik de klep weer

dicht. Uiteraard moet je niet vergeten de

klep dicht te doen als je de stekker er wel

in hebt gedaan, om te voorkomen dat de

verwarmingsventilator de hele nacht voor

niets aan staat. Dat is natuurlijk zonde van

de energie. En bij te verwachten vorst in

de nacht niet vergeten om de minikasjes

in z’n geheel te sluiten. Ik leg daarom

altijd een briefje op het bed dat mij moet

herinneren de minikasjes te sluiten voor

als ik het eens vergeten ben. Dan doe ik

dat bij vergeetachtigheid alsnog soms net

voor het slapen! Dat is helaas af en toe een

noodzakelijkheid geweest. Meer zorgen

dan dit heb ik bij winteractieve succulenten

eigenlijk niet!

Bij sommige soorten is zelfs die zorg

om kou er niet. Titanopsis bijvoorbeeld

is zeer winterhard. Een volledige winter

in de lage landen onbeschermd tegen

vorst zullen misschien alleen een aantal

conophytumsoorten overleven. Maar

eigenlijk is alleen het geslacht Titanopsis

zeer winterhard (-10 ºC of zelfs kouder)

en kun je deze planten zonder problemen

onbeschermd achterlaten in de vorst,

mits in de broeikas beschermd tegen

winterregen. Dat gaat bij mijn planten al

meer dan tien jaar goed.

Wat voor geslachten zijn dan

winteractief?

Mijn collectie (afb. 6) bevat vooral mesems

(onder andere Conophytum, Argyroderma,

Monilaria, Mitrophyllum, Dinteranthus),

verder ook Tylecodon, Othonna, maar ook

bollen uit zuidelijk Afrika, zoals Massonia,

Daubenya, Lachenalia, Gethyllis, Eriospermum

en Bulbine (afb. 7). Ik reken bolgewassen

uit zuidelijk Afrika gemakshalve gewoon

227


tot de succulenten, ook al is dat botanisch

gezien incorrect. Ik noem ze zelf altijd

bolsucculenten. Zie de voetnoot van de

redactie bij mijn artikel: ‘Bolsucculenten op

het balkon’ in Succulenta 3, juni 2023.

Mesems vormen een vrij uitgebreide

groep planten van veel geslachten, maar

over het algemeen zijn het vrij kleine

compacte ronde en soms harige bolletjes,

hoewel enkele soorten struikvormig

kunnen worden en redelijk groot.

Het merendeel blijft dus klein. Ik zou

inschatten dat ongeveer de helft van de

mesems zomergroeiers zijn en de andere

helft wintergroeiers. Bij beide types

seizoengroeiers zal de hoofdmoot van de

groei en bloei in het najaar en het voorjaar

liggen, maar bij de zomergroeiers loopt

deze van het voorjaar via de zomer naar

het najaar, en bij de wintergroeiers van

het najaar via de winter naar het voorjaar.

Er is dus wat betreft de hoofdmoot

van de groeiperiode wel degelijk een

overlap, in de maanden maart tot en

met mei en vervolgens september tot

en met november (ik geef de meeste

zomergroeiende succulenten uit Afrika nog

tot in november water).

Van sommige geslachten heb je zowel

zomeractieve als winteractieve soorten,

zoals bij Massonia en Haemanthus en bij

de mesems. Er zijn ook geslachten die

niet direct zomeractief of winteractief

hoeven te worden genoemd. Dat zijn meer

opportunistische groeiers, en ze zijn actief

wanneer ze maar water krijgen. Ik denk

dan vooral aan Titanopsis, Argyroderma en

Dinteranthus. Zelf behandel ik ze wel als

wintergroeiers, maar strikt noodzakelijk is

dat naar mijn ervaring ook niet. Wel vind

6: Een overzicht van winteractieve planten in een minikasje.

228 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


ik het wat veiliger om ze als wintergroeiers

te behandelen, omdat ik vermoed dat

wanneer ik ze als zomergroeiers zou

behandelen ze te veel water krijgen en

minder mooi compact groeien en minder

bloeien. Zeker Argyroderma kan door

excessief opnemen van water makkelijk

scheuren in de epidermis oplopen. Niet

ernstig; intrinsiek geen gevaar voor een

plant en de visuele schade is een enkel

groeiseizoen later weer weg als het nieuwe

bladpaar tevoorschijn is gekomen.

Waar zijn winteractieve succulenten te

verkrijgen?

De meeste winteractieve succulenten

zijn makkelijk te verkrijgen op

succulentenmarkten. De bijzondere soorten

zijn meestal alleen als zaad te verkrijgen.

Je kan het beste zaad kopen. Desnoods

plantjes, bij voorkeur indien deze in het

noordelijk halfrond zijn opgekweekt. Wil

je toch een plantje opgekweekt vanuit het

zuidelijk halfrond kopen (er zijn diverse

specialistenkwekerijen in Zuid-Afrika), dan

kun je, door het verschil in zomer en winter

tussen het noordelijke halfrond en het

zuidelijke halfrond, tegen kweekproblemen

aanlopen. Dan adviseer ik om ze in onze

winter te bestellen. Dan komen ze in het

zuidelijke halfrond uit de zomer zodat

ze in zomerrust zijn, en dan pot je ze bij

ons in het noorden op. Daarna laat je ze

gewoon zelf bepalen wanneer ze weer

wakker willen worden. Heel af en toe

een plons water zodra ze bij ons zouden

moeten groeien, en rustig kijken of dat

ze wakker schudt. Het kan zijn dat je een

volledig jaar moet wachten op een teken

van leven. Eenmaal wakker, dan behandel

je ze gelijk met de andere winteractieve

succulenten. Planten vanuit het zuidelijk

halfrond die nog actief zijn, komen dan bij

ons aan in de zomerhitte. En dan ben je

een beetje overgeleverd aan de grillen van

het plantje en het weer (met name flinke

hitte en intense zonneschijn). De plant kan

meteen in zomerrust schieten zonder in

een fatsoenlijk groei- en bloeiritme geweest

te zijn. Maar misschien blijft de plant wel

7: Bulbine wiesei.

actief en wil ze juist wat water. Het is een

beetje een gok en het is niet altijd goed te

zien, afhankelijk van de soort, wat de plant

wil. Het is het beste op veilig te spelen

en voor een overgang naar rust te gaan,

want een plant water geven wanneer deze

absoluut in rust wil, zorgt voor rot, en een

plant geen water geven buiten de cyclus

van het groeiritme beschouw ik ook als

riskant.

Maar het makkelijkste, veiligste, leukste

en goedkoopste is toch zelf zaaien!

Winteractieve planten zijn over het

algemeen makkelijk te zaaien. Over

specifiek zaaien van onder andere

winteractieve succulenten (in voorjaar

én najaar) en bronnen om aan zaden te

komen, heb ik geschreven in het artikel:

‘Zaaien van succulenten, hoe doe ik dat?’ in

Succulenta 6, december 2023.

Conclusie

Winteractieve succulenten voegen zeer

veel toe aan een gemengde verzameling

succulenten. Verzorging is niet moeilijk, je

moet je alleen even bewust zijn van hun

groeiritme dat loopt van het late najaar tot

het vroege voorjaar. Maar dat heb je zó

onder de knie. Probeer het eens!

aiko@talens.nl

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

229


Een Fries in Zuid-Limburg

Nadet Somers

In de kas van René en Gertie Schengenga

staan nu dertig soorten tomaten, maar

zo’n tien jaar geleden stond de kas propvol

met verschillende soorten cactussen. Het

is inmiddels vijftig jaar geleden dat René lid

werd van Succulenta. Jarenlang was hij een

bevlogen kweker en met veel plezier kijkt

hij terug op die periode in zijn leven.

Onverwachte visite

Tijdens onze vakantie met de camper

komen mijn partner en ik toevallig het Zuid-

Limburgse landschap binnenrijden. Hé,

was er niet een jubilaris woonachtig in dit

gebied? Uit een eerdere correspondentie

met Theo Heijnsdijk komt een adres naar

boven in het Zuid-Limburgse Mechelen

(niet te verwarren met de gelijknamige

plaats in België of met Maasmechelen,

ook in België). We zijn aan het fietsen en

besluiten op de bonnefooi langs te gaan.

We treffen René en Gertie in de tuin aan

en krijgen direct koffie aangeboden. Dit

is Limburgse gastvrijheid, maar de naam

Schengenga doet Fries aan. “Dat klopt”,

verklaart René, “mijn vader kwam uit Heeg,

Friesland, om hier werk te zoeken en bleef

hangen”. Gertie komt wel uit een Limburgse

familie. We raken aan de praat in hun tuin

met een panoramisch uitzicht over het

heuvelland.

Hoe het begon

Als kind was René altijd buiten te vinden

en met plantjes in de weer. Niet zo

vreemd dus dat hij leraar biologie werd

aan de mavo/havo in Heerlen. Gertie

gaf het vak verzorging aan het vmbo. De

school stond in een wijk die momenteel

als achterstandswijk te boek staat en ze

hebben heel wat meegemaakt met de

leerlingen. Ze hopen dat ze hun vroegere

leerlingen toch nog iets mee hebben

kunnen geven in het leven. In dit kader

vertelt René de volgende anekdote: om

zijn leerlingen meer te interesseren voor

de natuurgedachte (al wat leeft en groeit,

en ons steeds weer boeit) had hij eens een

bloeiende stapelia meegenomen. Na de

schooldag, onderweg naar huis, heeft hij

René en Gertie in de tuin.

230 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


toch maar de auto stilgezet en de bloem uit

het raampje gegooid. De naam aasbloem is

zeer terecht.

Als hobby hield René vissen in verschillende

aquaria. Maar op school kreeg hij drie

collega’s die actief waren in de Succulentaafdeling

Zuid-Limburg. Op deze manier

maakte hij kennis met de vereniging en

verdiepte zich steeds meer in het zaaien en

opkweken van cactussen.

Op zich was René altijd al geïnteresseerd

in cactussen. Een speciale gebeurtenis

wakkerde deze liefde verder aan. Op

een keer, het moet rond 1970 geweest

zijn, las hij een artikel in Succulenta over

een jongeman uit Eindhoven die op een

cactuskwekerij in Zuid-Frankrijk werkte

(Succulenta jaargang 1974, pp.178-180). De

kwekerij was eigendom van twee Duitse

dames. De jongeman entte zaailingen op

opuntia’s, een methode die toentertijd nog

in de kinderschoenen stond. René was zo

nieuwsgierig naar deze onderneming dat hij

met Gertie in de Renault stapte en zonder

de huidige navigatiemiddelen en airco op

zoek ging naar het plaatsje Gonfaron waar

deze kwekerij zich zou moeten bevinden.

Na een lange en warme tocht kwamen

ze eindelijk in Gonfaron aan, het bleek

praktisch aan de Côte d’Azur te liggen, in de

buurt van Hyères. Het was een bijzondere

belevenis om hier rond te kijken en kennis

te nemen van de entmethodes.

Naar aanleiding van deze reis wilde René

graag opuntia’s in zijn verzameling hebben.

In een botanische tuin in Duitsland vonden

ze vruchten op de grond, die René in het

borstzakje van zijn overhemd probeerde

te stoppen. Paste niet, dan maar in de

broekzak. Eenmaal terug in de tent

gekomen bleek hij allemaal rode vlekken

in zijn overhemd te hebben. Gertie is een

hele tijd bezig geweest om met een pincet

de doorntjes uit zijn huid te trekken. Toen

was het wel zo’n beetje gedaan met zijn

voorkeur voor deze plant.

In het begin van de cactushobby moest

René het doen met bakken in de

vensterbank. De hele keuken en huiskamer

stonden vol met bakken, zegt Gertie.

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

René in de tomatenkas.

Op de verdieping kwam er een kamer

met een dakkapel waar de planten naar

toe verhuisden. Het vervolg was een

koude kas, waar de cactussen tussen de

slaplanten stonden. Meer ruimte maar

natuurlijk niet ideaal. Er kwam een kleine

kas en daarna een grote kas. De stap naar

231


In de kas van de biologische school.

Grote drukte in de hoogtijdagen van de cactusmanie.

232 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


Een bak met bloeiende cactussen voor de tentoonstelling.

de grote kas werd bemoeilijkt door het

vergunningenbeleid van de gemeente. Hij

moest uiteindelijk bij de provincie zijn om

de vergunning te verkrijgen.

De bloeitijd van de afdeling

Zuid-Limburg

Zuid-Limburg was een afdeling van

Succulenta en veel activiteiten vonden

plaats in verenigingsverband. Er werden

zaden van Succulenta gebruikt en

onderling bestond er een levendige

ruilhandel in zaden. De leden bezochten

tentoonstellingen, zelfs als deze wat verder

weg waren, zoals in Antwerpen, en jaarlijks

was er een excursie. De hoogtijdagen

van het succulentengebeuren lagen

tussen 1984 en 1995, herinnert René zich.

Toen waren er tegen de zeventig leden,

waarvan er zo’n dertig tot veertig actief

waren, de meeste woonachtig in midden-

Limburg en België. Maandelijks hielden

ze een bijeenkomst. Op een gegeven

moment ging René een twee jaar durende

cursus volgen en toevallig viel de lesdag

precies op de avond waarop altijd de

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

bijeenkomsten werden gehouden. Toen

kwam voor René een beetje de klad in het

succulentengebeuren. Het was een van de

redenen om uiteindelijk te stoppen met de

cactussen. Langzaamaan heeft René zijn

verzameling uitgedund.

De tentoonstellingen werden gehouden

in de biologische scholen, de land- en

tuinbouwscholen in Maastricht, Schimmert

en Terwinselen (Kerkrade). Je werkte samen

aan de opbouw van de tentoonstelling.

Soms bleef je er zelfs slapen om ongenode

gasten te weren. Het was ook belangrijk

om alles goed uit te kienen voor de

tentoonstelling. Je cactussen mochten

niet te vroeg bloeien, dus je moest het zo

plannen dat ze op het moment suprême tot

bloei kwamen. Om dit te regelen moesten

ze soms enkele dagen in de koude kelder

worden ondergebracht om de bloei te

vertragen.

Een van de activiteiten als groep was de

gezamenlijke inkoop van grond. Bij een

firma in Noord-Limburg werden dan

enkele kuub cactusmengsel besteld. De

retourvracht zou gaan bestaan uit een

233


lading mergel. Toen René vroeg of ze

wisten waar de grond naartoe moest, werd

verontwaardigd gereageerd: ze hadden

immers ervaren chauffeurs. Om 17.00 u.

nog geen grond, maar wel een telefoontje

van het kantoor. De chauffeur kon het niet

vinden. Hij stond dan ook met zijn vracht

in Maasmechelen (België). Wel kregen ze

uiteindelijk nog hun grond. Of de chauffeur

nog een retourvracht mergel gekregen

heeft weet René niet.

Het opkweken van de planten

Cactussen zijn fascinerende planten,

vindt René. Het zijn zulke bijzondere

planten die in extreme omstandigheden

kunnen overleven en dan ook nog eens

zo mooi bloeien. Een van zijn favorieten

is Setiechinopsis mirabilis. Van elke tien

opgekweekte plantjes hield René er drie

zelf. Ze bloeiden het tweede jaar al, in

dezelfde nacht en slechts gedurende

die ene nacht. Ook is hij dol op het

geslacht Gymnocalycium. En op rebutia’s

en aanverwante soorten. Dit zijn kleine

cactussen, die mooi bloeien. Als derde

favoriet noemt hij lobivia’s; deze zijn

vernoemd naar hun land van herkomst,

Bolivia, en hebben prachtige bloemen.

Voorheen stond er in de kas ook een

enorme agave waarvan de bloemstengel

tegen het dak aan dreigde te groeien. René

heeft die stengel toen maar omgebogen.

Het meeste plezier verkreeg René uit het

zelf zaaien en opkweken van de planten. Hij

besteedde veel aandacht aan de selectie

van zijn zaden. Als zadenleveranciers

herinnert hij zich Karel Kníže uit Chili,

Jörg Piltz uit Düren en de gebroeders De

Herdt uit Rijkevorsel. En niet te vergeten

ons eigen Clichéfonds. René was attent

op de kiemkracht van de zaden van

de diverse leveranciers. Hij hield een

kaartenbaksysteem bij met daarin kaarten

waarop hij de gegevens noteerde. In het

begin streefde hij ernaar zoveel mogelijk

soorten te verzamelen. Later ging hij zich

meer specialiseren, met name op het

geslacht Gymnocalycium.

Een trichocereus in de tomatenkas.

234 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


In de kas stonden de grote soorten in de

volle grond. Tussen de cactussen zaaide

hij pinda’s. De kas puilde uit van de

planten. Het lukte hem, met behulp van

noppenfolie zowel aan de buitenkant als

aan de binnenkant, om de temperatuur

’s winters net boven het vriespunt te

houden. Verwarmen gebeurde middels een

elektrische ventilatorkachel.

In de periode dat René nog volop cactussen

aan het kweken was, kwam de Amstel Gold

Race drie keer langs. Er kwam natuurlijk

veel publiek op af. Voor de kinderen van

René en Gertie was dit aanleiding om een

tafeltje aan de weg te zetten en cactusjes

te verkopen. Het waren topdagen voor de

kinderen!

Jammer genoeg is de algehele

belangstelling voor cactussen verflauwd,

vindt René. Vroeger boden zelfs de

supermarkten dozen met cactussen aan.

In Lottum zat een kweker (Jan Hovens)

die massaal inkocht vanuit de Canarische

Eilanden. Cactussen waren in de mode en

gingen massaal over de toonbank. Er waren

grote kwekerijen in Zuid-Frankrijk, je wist

niet wat je zag!

Alhoewel ook René het kweken van

cactussen achter zich heeft gelaten, spot

ik toch nog een verdwaalde cactus in zijn

tomatenkas: een trichocereus en ook nog

een epiphyllum!

nadet.somers@gmail.com

Een epiphyllum in de tomatenkas.

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

235


Correctie ‘Een speciaal plekje (19)’

Andre van Zuijlen

Naar aanleiding van mijn artikel ‘Een

speciaal plekje (19)’ in de vorige Succulenta

(augustus 2025) is een aantal opmerkingen

binnengekomen over de namen van

planten die bij bepaalde foto’s zijn vermeld.

Zowel Herman Vertongen als Paul Neut

merkten op dat de gymnocalycium

op foto 7 midden op pagina 175 niet

Gymnocalycium pflanzii is, maar dat de

juiste naam Gymnocalycium delaetii is.

Herman Vertongen geeft als informatie dat

G. pflanzii niet voorkomt in de Quebrada

de Cafayate, maar wel naar het oosten

richting Lumbreras. Ter vergelijking hier

de foto van Gymnocalycium delaetii met de

foutieve naam (afb. 1) en een door Herman

genomen foto van Gymnocalycium pflanzii

(afb. 2).

In zijn eerste reactie zegt Herman ook

dat de door mij in de tekst genoemde

Cleistocactus hyalacanthus niet voorkomt

in de Quebrada en dat dit Cleistocactus

smaragdiflorus moet zijn

Nu heb ik zelf weinig tot geen kennis van

Zuid-Amerikaanse cactussen. Veel namen

bij de foto’s zijn achteraf verkregen via een

bevriende cactusexpert. Andere namen

komen van medereizigers of door zoeken

op internet of in de vakliteratuur.

Het werd echter nog erger. Herman heeft

zich de moeite genomen om nog eens

zeer kritisch te kijken naar de door mij

getoonde planten in het artikel. In een

zeer uitgebreide mailwisseling werden nog

een tweetal fouten genoemd en dit werd

ondersteund met een aantal foto’s van de

juiste planten.

Op pagina 180 staat bij foto 15 de naam

Echinopsis terscheckii en in de tekst beschrijf

ik hoe ik op basis van het uiterlijk en het

aantal ribben en doorns tot deze naam

ben gekomen. Toch is Herman van mening

dat deze foto niet Echinopsis terscheckii is,

maar Echinopsis pasacana. In tegenstelling

tot wat in The New Cactus Lexicon staat,

zegt Herman dat Echinopsis terscheckii niet

in Salta voorkomt. Ter vergelijking hierbij

foto’s van Echinopsis terscheckii (afb. 3) en

Echinopsis pasacana (afb. 4) van Herman.

De laatste onjuiste naam die Herman heeft

gevonden is die van Echinopsis albispinosa

(foto 6 op pag. 175), die ik in eerste

instantie Echinopsis silvestrii had genoemd

(afb. 5). De echte Echinopsis silvestrii ziet er

1: Gymnocalycium delaetii. Foutief G. pflanzii

genoemd in mijn artikel.

2: Gymnocalycium pflanzii.

Foto Herman Vertongen

236 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


heel anders uit (afb. 6). Volgens Herman

is de juiste naam van die plant op blz. 175

waarschijnlijk Echinopsis callochrysea.

Met veel dank aan Herman voor de tijd die

hij hieraan heeft besteed en de duidelijk

geïllustreerde argumenten voor de juiste

namen. Ik heb hier veel van geleerd en

een goede les gekregen over namen van

onze planten. Neem nooit klakkeloos

namen over en vertrouw nooit alleen op

de namen die je vindt op internet of in

de vakliteratuur. Controleer altijd alles

zorgvuldig en laat zo mogelijk enkele

experts de namen bij de foto’s nog een keer

controleren.

3: Echinopsis terscheckii.

Foto Herman Vertongen

4: Echinopsis pasacana.

Foto Herman Vertongen

5: Echinopsis callochrysea. Foutief E. albispinosa

en E. silvestrii genoemd in mijn artikel.

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

6: Echinopsis silvestrii.

Foto Herman Vertongen

237


Succulentennieuwtjes

Wolter ten Hoeve

Het mag geen verbazing wekken dat in

het decembernummer van Kakteen

und andere Sukkulenten (75-12)

de kerstcactus een plaatsje krijgt

toebedeeld. Danilo Rauprich schrijft over

de hybride kerstcactus ‘Holly Double’

met bijna witte dubbele bloemen. Hoe

Pseudolithos te kweken? Op die vraag

probeert Gerd Hufnagel een antwoord

te geven, gebaseerd op zijn ervaringen

met aangeschafte planten. Bij het Zuid-

Afrikaanse Sobatsfontein bevindt zich

een biodiversiteitsobservatorium, een

vastomlijnd gebied waar de aanwezige

vegetatie al meer dan 20 jaar gemonitord

wordt. In het kader van haar studie

heeft Janina Wolansky de beschikbare

gegevens naast elkaar gelegd. De

conclusie is dat er weinig verschil is in

aantal plantensoorten tussen beweide

en niet beweide percelen. Langdurige

perioden van droogte hebben de grootste

negatieve impact op de populaties. De

verwachting is dat zulke droogteperioden

in de nabije toekomt helaas in aantal

zullen toenemen. Dieter Schäferle werd

verrast door zijn kurkentrekkercactus.

Jarenlang groeide deze cereus met een

rechtse spiraal, maar in 2022 besloot deze

cactus dat het tijd werd om linksom te

draaien. De Karteikarten bieden plaats aan

de uit het zuiden van Mexico afkomstige

Sedum alexanderi en aan Gymnocalycium

cabreraense, die in Paraguay in de natuur

voorkomt. Cactofiel Uwe Scheffel schafte

in 2009 zijn eerste niet-cactus aan, een

Euphorbia ambovombensis (bij nader inzien

waarschijnlijk een hybride). Deze euforbia

blijft klein en groeit zeer langzaam. Een

nieuwe weingartia wordt door Hansjörg

Jucker gepresenteerd, Weingartia diersiana.

Tijdens uitgebreide trektochten vond

hij deze soort in het gebied van de Río

Poco Poco in Bolivia. Een afwijkende

vorm uit dezelfde omgeving wordt als

variëteit gepubliceerd, W. diersiana var.

tirquibucoensis.

Het eerste nummer van 2025 van Kakteen

und andere Sukkulenten (76-1) vangt

aan met de cactus van het jaar. Dat is

Stenocereus eruca, de ‘kruipende duivel’.

Hardy Hübener geeft een toelichting op

deze soort. Sami Mohammad bespreekt

in het kort Notocactus gutierrezii. Florian

Jung is de geschiedenis ingedoken. Hij

schrijft over Lazarus Straus die rond 1900

in Duitsland een van de toppers was op

cactusgebied. Naar Straus zijn enkele

soorten vernoemd waaronder Cleistocactus

strausii en Eriosyce strausii. Vassili Diavitis

bezit een Luckhoffia beukmannii die

in bloei kwam. Deze soort wordt als

een natuurhybride beschouwd. In de

Karteikarten worden twee sansevieria’s

besproken, te weten Sansevieria hallii en

S. kirkii. Rebutia albiflora wordt uitgebreid

besproken door Rolf Weber. In het

specialistische artikel komen ook andere

rebutia’s aan bod, zoals R. pulvinosa, R.

albopilosa, R. narvaecensis en R. perplexa.

De mogelijke onderlinge verwantschappen

worden bediscussieerd. Martin en Petra

Spörk hebben op vier plekken in hun kas

thermo-hygrometers geplaatst, die continu

de temperatuur en luchtvochtigheid

doorgeven aan een sensor in huis. Via een

app kan de situatie met de smartphone

continu gemonitord worden, waarna de

resultaten op een pc gezet worden.

Alfred en Boris Studer zijn in de USA op

bezoek geweest bij Homalocephala texensis.

Hun reisverslag in Kakteen und andere

Sukkulenten (76-2) voert langs enkele

locaties in New Mexico en Texas. Sami

Mohammad vestigt de aandacht op Frailea

piltzii, een in 2017 beschreven soort. Een

als stek gekregen aeonium in de collectie

van Stefan Kratsch deed het bijzonder

goed. Deze Aeonium arboreum bloeide

en aan de uitgebloeide bloemstengel

238 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


ontstonden zijtakjes, waar nieuwe plantjes

geproduceerd werden. Op Tenerife bevindt

zich de Malpaís de Güímar, een lavagebied

waar door succulentenliefhebber Thomas

Brand o.a. Euphorbia balsamifera, E.

canariensis, Aizoon canariense en Ceropegia

fusca gevonden werden. Aan Stapelia

kwebensis en Frithia humilis zijn de pagina’s

van de Karteikarten toebedeeld. Wolfgang

Papsch wijdt enkele pagina’s aan de

vindplaats van Gymnocalycium ritterianum

in de Sierra Famatina in Argentinië. Het

uit Zuid-Amerika afkomstige succulente

brandnetelgewas Pilea serpyllacea

wordt uitgebreid belicht door Axel

Fläschendräger. Oldřich Chloupek focust op

Sulcorebutia arenacea, haar variëteiten en

de verwante Sulcorebutia glomerisata.

Nieuwe bevindingen betreffende het

voorkomen van Tacinga saxatilis in de

Braziliaanse staten Bahia, Goiás, Minas

Gerais en Tocatins worden door Pierre

Braun naar voren gebracht in Kakteen

und andere Sukkulenten (76-3). Manfred

Hartl zoomt in op de caudexplant Matelea

cyclophylla. Matthias Paff nam waar dat

zijn geënte Astrophytum asterias een barst

vertoonde. De onderstam Harrisia jusbertii

bleek dwars door de ent te groeien. Dat

gebeurde zonder verdere schade want

beide cactussen, zowel de ent als de

doorgebroken entstam, kwamen tot bloei.

In het vroege voorjaar van 2023 bezochten

Gerhard Dickneite en zijn vrouw het Big

Bendgebied in Texas. Ze kwamen daar

op de ene dag door sneeuw bedekte

opuntia’s tegen, terwijl op de volgende dag

de opuntia’s in de zon baadden. Manfred

Geiβ portretteert zijn bijna 40 jaar oude

en ruim vier meter hoge Neoraimondia

herzogiana, waarvoor een opbouw op

de kas gerealiseerd werd teneinde deze

zuilcactus onderdak te kunnen blijven

bieden. De Karteikarten bieden plaats aan

Huernia pendula en Pilosocereus mollispinus.

Aan de Algarve in Portugal komen tien

soorten sedum voor. Thomas Brand laat

de lezer zien welke sedums hij op deze

vakantiebestemming aangetroffen heeft.

Martin en Petra Spörk hebben in het

januarinummer van KuaS bericht over

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

hun systeem om continu temperatuur en

luchtvochtigheid te meten. In een aantal

grafiekjes laten zij nu wat resultaten zien.

Cactus and Succulent Journal (96-4) opent

met een bijdrage van Irwin Lightstone over

het fotograferen van succulenten. Op 16

pagina’s worden allerlei tips gegeven, zowel

voor het maken van foto’s met een

smartphone als met een traditionele

digitale camera. Het geheel wordt

gelardeerd met illustraties. De kwekerij

Ethical Desert in Pueblo (Colorado), wordt

door Donnie Barnett, de eigenaar, in de

schijnwerpers geplaatst. De kwekerij richt

zich vooral op cactussen en vetplanten die

niet bang zijn voor een beetje vorst. Het

kortste artikel in dit nummer gaat over de

pijnlijke gebeurtenis die Gary Duke ervoer

toen hij met de mouw van zijn shirt zijn

wenkbrauw afveegde: enorme pijn en

zichtverlies. Zijn mouw was in contact

gekomen met de buitenkant van een

Euphorbia tirucallii. Sindsdien heeft hij

Aeonium lindleyi in zijn collectie want het

sap van deze aeonium is bijzonder effectief

in het neutraliseren van het door een

euforbia aangerichte kwaad (Aloe vera

schijnt in zo’n geval ook nuttig te zijn). Fred

Dortort is toe aan deel 3 van zijn

artikelserie over de succulente flora van

Zuid-Afrika. Ook deze aflevering telt flink

wat pagina’s, namelijk 26, en behandelt de

flora ten noorden van de Kaap en dan met

name van de Knersvlakte en het

Richtersveld. Hier zijn veel argyroderma’s te

vinden, waaronder Argyroderma fissum. Ook

conofytums, zoals Conophytum

subfenestratum, komen hier voor, evenals

bv. Oophytuma nanum. Soorten uit de

geslachten Dactylopsis, Monilaria,

Diplosoma, Lithops, Tylecodon, Adromischus,

Conophytum, Crassula en meerdere andere

komen voorbij. De vele foto’s zorgen voor

een mooie illustratie van het artikel. Een

studie over Agave utahensis komt uit de

koker van Don Zarrella. Deze meest

noordelijke agave vormt vaak een ring van

planten in de natuur via ondergrondse

239


uitlopers. Een aantal van deze ringen werd

bestudeerd. De auteur gaat in op de

traditie van de oorspronkelijke bevolking

om deze agave als voedselbron te

gebruiken. Dat gebeurt wanneer de agave

een bloeistengel gaat vormen, want dan

wordt de plant eetbaar.

Het is 300 jaar geleden dat Philip Miller

zijn eerste editie van The gardiners and

florists dictionary het licht liet zien. In

Cactus World (42-4) gaat Colin Walker in

op de door deze botanicus beschreven

Crassula arborescens en C. ovata (beide

destijds als cotyledon beschreven). De

focus ligt vooral op C. ovata, waarvan

ook vijf cultivars getoond en besproken

worden. David Ilett is in zijn artikelenserie

toe aan de X. Het aanbod is beperkt, want

slechts twee geslachten worden genoemd,

namelijk Xiquexique en Xerosicyos. Peter

Berresford vervolgt zijn bespreking van

de reis die Wislizenus in 1846 en 1847

maakte. Na enkele exploraties in de staat

Chihuahua, en na de door de Amerikanen

gewonnen slag bij de Sacramento rivier,

trok Wislizenus met het Amerikaanse

leger naar Parras. Meerdere van de in

deze contreien voorkomende cactussen

worden door Berresford van een foto met

toelichting voorzien. Cerochlamys gemina,

een mesemb uit zuidelijk Afrika, wordt

door David Lambie in de schijnwerpers

geplaatst. Nigel Taylor doet hetzelfde

met Melocactus violaceus subsp. ritteri,

een klein blijvende, maar snelgroeiende

melo. Federico Centenari verhaalt over

zijn oude Echinocereus laui die er op een

gegeven moment zo beroerd uitzag dat

hij op het cactuskerkhof belandde. Daar

zag de eigenaar na bijna 2 jaar opeens een

bloem: de dood gewaande echinocereus

bleek toch nog leven te bevatten en

kreeg weer een plaatsje in de kas. Terry

Goodfellow zocht een eenvoudige en

niet te dure methode om close-ups te

maken van 10 mm of minder. Hij laat

zien hoe hij daarin slaagde: op de camera

wordt een adapter gemonteerd waarop

zich een microscoopobjectief bevindt.

Met een geleiderail en met behulp van

focus stacking worden kleine objecten

volledig scherp weergegeven. De rubriek

‘In my greenhouse’ wordt deze keer door

de in Ierland woonachtige John Salmon

ingevuld. Hij beschikt over een grote kas

met epifyten waar planten uit geslachten

als Epiphyllum, Lepismium en Aporocactus

te vinden zijn. In zijn twee andere kassen

kweekt hij vooral de andere cactussen en

vetplanten. Tina Wardhaugh laat zien hoe

je het bovengrondse deel van een caudex

een frisse tint kunt geven: insmeren met

olijfolie. Nigel Taylor en Daniela Zappi

focussen op Pilosocereus leucocephalus,

een zuilcactus die het in hun tuin in Brazilië

uitstekend doet. John Pilbeam † schrijft

over planten uit de geslachten Tridentea

en Tromotriche. Beide stapelia-achtige

geslachten herbergen een beperkt aantal

soorten. De favoriet van Zlatko Janeba

is ditmaal Lobivia haemathantha var.

densispina, een plant die niet moeilijk

te kweken is en gemakkelijk bloeit. Het

zaaien van haworthia’s wordt door de in

Zuid-Afrika wonende Tinus Potgieter uit

de doeken gedaan. Diverse tips worden

gegeven. Nigel Taylor belicht opnieuw

een cactus uit Zuid-Amerika. Deze keer

is dat Arthrocereus rondonianus, een

warmte minnende cactus uit Brazilië.

Colin Walker schildert een portret van zijn

Euphorbia neorubella. John Pilbeam † komt

in dit nummer nogmaals ‘aan het woord’.

Nu wordt het geslacht Rhytidocaulon

besproken, een stapelia-achtig geslacht met

13 soorten, die ietwat veeleisend zijn qua

verzorging.

Cactus World (43-1) begint met een artikel

over Ariocarpus retusus, geschreven door

Juan Miguel Artigas Azas. Daarbij komen

talrijke aspecten aan bod, o.a. geschiedenis

en natuurlijke voorkomens. Een nieuwe

bulbine wordt gepresenteerd door

Jacobsen en Muller. Deze Bulbine echinella

produceert licht witgroene bloemen en

komt voor in de omgeving van Mosselbaai

in Zuid-Afrika. Sami Mohammad heeft de

vindplaats van de in 1973 door Dirk van

Vliet beschreven Notocactus roseoluteus

240 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


(met fraaie rozegele bloemen) in Uruguay

bezocht en hij brengt verslag uit van dit

bezoek. Colin Walker geeft nieuwe namen

aan twee kleinia’s: Kleinia hebdingii voor de

plant die beschreven is als Notonia hebdingii

en Kleinia ‘David Cumming’ voor de cultivar

die bekendstond als Kleinia longiflora × K.

stapeliiformis. Magda Kolowska-Allgood

gunt de lezers een inkijkje in haar rhipsalisverzameling,

waarbij het voor haar soms

een flinke puzzel is om de correcte naam te

achterhalen. Zo’n twintig foto’s illustreren

haar verhaal. Tricia Milson, woonachtig

in Cornwall, had jaren geleden een jonge

Agave atrovirens buiten aangeplant. In

mei 2024 begon een bloeistengel zich te

vormen. De eerste bloemen verschenen

in januari 2025 aan de 7,5 meter hoge

bloeistengel. Handmatige bestuiving van

bloemen op zo’n enorme hoogte was geen

sinecure. De tijd zal leren of dat gelukt is.

De voorzittersplant van Graham Charles

in deze aflevering is de nachtbloeiende

Pygmaeocereus bieblii en de ondersoort

kuehhasii. Tijdens zijn reizen door Peru

vond hij deze planten op meerdere locaties.

Zlatko Janeba presenteert wederom een

van zijn favorieten, namelijk een fraaie

vorm van Parodia subterranea. Deze vorm is

vanwege zijn gelige bedoorning beschreven

als var. aurea. Hij trof deze mooie parodia

aan in de omgeving van Culpina, Bolivia.

Colin Walker schrijft iets over Bursera

fagaroides. In de rubriek ‘In my Greenhouse’

verhaalt Alan Butler over zijn leven als

vetplantenliefhebber. Hij is ooit begonnen

in Engeland, later verhuisd naar Italië en

intussen al weer heel wat jaren woonachtig

in Zuid-Spanje. Elke woonplaats had zijn

voor- en nadelen wat het kweken van

planten betreft. Peter Berresford is toe aan

het laatste deel van zijn reis door noordelijk

Mexico, waarbij hij zo goed mogelijk de

route volgt die Wislizenus rond 1850

aflegde en waarbij hij de cactussoorten in

deze contreien vermeldt. David Lambie

richt zich op het geslacht Faucaria. Allerlei

tips voor het kweken worden gegeven en

de auteur belicht een aantal soorten. Een

vorm van Arrojadoa bahiensis wordt door

Nigel Taylor voorgesteld. Deze vorm heeft

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

relatief kleine bloemen en kleine, witte

vruchten. Het is een soort die vrij hoog in

de bergen in oostelijk Brazilië voorkomt

en daarom waarschijnlijk ook in Europa

in verzamelingen te kweken is zonder

enorm hoge stookkosten. Het schuurtje in

de tuin van Jos Huizer heeft een plat dak,

en daarop kun je succulenten kweken.

Het gaat daarbij niet alleen om sedums,

maar ook Opuntia cespitosa en O. humifusa

blijken daar het Nederlandse klimaat

aan te kunnen en te groeien en bloeien.

Voor een echinocereus-liefhebber is de

omgeving van Orogrande, New Mexico,

een paradijs, aldus Thomas Engel. En dat is

zeker zo wanneer de planten in bloei staan.

De soorten Echinocereus dasyacanthus en

E. coccineus subsp. rosei groeiden hier,

evenals de hybride tussen beide soorten,

E. ×roetteri, waardoor er een flink palet aan

kleuren te zien was.

Libor Kunte geeft in Kaktusy (2024-3)

zijn overwegingen weer om Discocactus

diersianus en D. cephaliaciculosus als

aparte soorten te beschouwen en de

ondersoorten goianus en nudicephalus als

synoniemen van diersianus. Jan Hadrava

geeft commentaar op de status van

Echinocereus perplexus. Lubomír Berka

schrijft over populaties van Notocactus

schlosseri in de natuur. Het artikel van

Jaroslav Bohata richt zich op natuurlijke

voorkomens van Copiapoa griseoviolacea en

C. corralensis. Bij Eduard Chvosta draait het

om Borzicactus fieldianus en de vergelijking

met twee loxanthocereus-soorten. De enige

bijdrage over vetplanten is van de hand

van Radmila Matulová. Zij bespreekt drie

pelargoniumsoorten die zij in Zuid-Afrika in

de natuur aantrof.

Kaktusy (special2-2024) is geschreven door

Martin Lowry en gaat over het geslacht

Cleistocactus met een bespreking van alle

door de auteur erkende soorten. Hoewel

er ook een Engelstalige versie is, heeft

Succulenta helaas de Tsjechische versie

ontvangen.

241


Colofon

De nieuwe soort Mammillaria julianae wordt

door Rodrigo González en Thomas Linzen

beschreven in Mammillaria (48-4). Deze soort

is te vinden in de Cañon de Huasteca, zuidelijk

van Monterrey. Klaus Rebmann heeft op vele

standplaatsen de variabiliteit van M. elongata

onderzocht. Hij concludeert dat er sprake is van

één soort. De ondersoort echinaria dient als een

van de synoniemen beschouwd te worden. Holger

Rudzinski heeft de oorspronkelijke beschrijving

van M. nivea kunnen lokaliseren en geeft de

inhoud weer. Wolfgang John was verrast toen

hij M. stampferi in april 2020 zaaide en er al in

maart 2022 bloei te bewonderen was. Erhard

Tiefenbacher schrijft in deze aflevering van zijn

Mexico-reis over de cactussen in de omgeving van

Parras de la Fuente, en dan vooral over de tocht

om de locatie van Turbinicarpus mandragora te

bereiken. Die soort werd in bloei aangetroffen.

Wolter ten Hoeve bespreekt uitgebreid

M. winterae, M. crassimammillis en

M. freudenbergeri, zowel in de natuur als in cultuur.

Holger Dopp, met als bijnaam de cactuspaus,

bezit een enorm grote verzameling cactussen en

vetplanten van 200 m 2 . Daarnaast is de grootte

van zijn collectie boeken en tijdschriften ook

imposant te noemen. In zijn bijdrage beschrijft hij

hoe hij de hobby beleeft.

Tijdschrift Succulenta

https://www.succulenta.nl

E-mail: info@succulenta.nl

Auteursrecht

Gehele of gedeeltelijke overname

van artikelen is alleen toegestaan

na verkregen toestemming van

de auteur/illustrator en met een

duidelijke bronvermelding.

Tenzij anders vermeld, zijn de foto’s

bij alle artikelen van de schrijver.

Redactiesecretariaat

Aat van Uijen

E-mail: redactie@succulenta.nl

Hoofdredacteur

Theo Heijnsdijk

E-mail: hoofdredacteur@succulenta.nl

Redactie

Rob Bregman

E-mail: r.bregman@contact.uva.nl

Wolter ten Hoeve

E-mail: tenho11@hetnet.nl

Henk Ruinaard

E-mail: redacteur3@succulenta.nl

Vormgeving

Aiko Talens

Ter herinnering aan het geboortejaar van

Antonio Raimondi in 1824 heeft Domenico

Carotenuto enkele pagina’s aan deze botanicus

gewijd in Piante Grasse (44-4). Mellie Lewis

presenteert een nieuwe, in Jemen voorkomende

aeonium, waar zij de naam Aeonium lavranosiinewtonii

aan geeft. Deze soort werd bijna 50 jaar

geleden ontdekt en werd veelal getypeerd als A.

leucoblepharum. Franco Rosso bespreekt Pereskia

grandifolia en geeft aanwijzingen voor het kweken.

Emilio Capacci doet hetzelfde voor Hoya australis

en haar ondersoorten. Ada Quirico beschrijft haar

reis door Oman.

Druk

Senefelder Misset, Doetinchem

242 Succulenta jaargang 104 (5) 2025


Summary

Rob Bregman

The popular name ‘prickly pear’ for

opuntias made Ben Wijffelaars think of the

pear tree in his backyard. It was not doing

well, but the constant hot air blown by his

airco proved to be the cause.

Theo Heijnsdijk presents another

part of his ongoing series about the

‘Verkade’ handbooks from the 1930s. This

time he deals with ‘the old man cactus’

Cephalocereus senilis. This well-known

plant was first described in 1824 by British

botanist Adrian Haworth as Cactus senilis,

followed by Cereus senilis (De Candolle,

1828) and Cephalocereus senilis (Pfeiffer,

1838). From the second half of the 19th

century on, plants were transported to

Europe; a large specimen was shown at

the 1889 World Exhibition in Paris. The

natural habitat is central Mexico (Hidalgo,

Veracruz), at 1130-1850 m altitude. The

pale pink-colored small flowers open at

night and are pollinated by bats. The 3

cm long red fruits are eaten by birds, who

disperse the shiny black seeds. On the

IUCN Red List C. senilis is placed in the

category ‘endangered’, predominantly

caused by illegal collection. In European

collections the plants seldom flower.

Bertus Spee brings part 141 of his

series ‘In the spotlight’, with another four

nice succulents: Dorstenia barnimiana,

Gymnocalycium anisitsii, Lobivia (Echinopsis)

famatinensis and Obregonia denegrii.

Ruud Tropper reports about cultivars

in the genus Schlumbergera. Here, he

deals with purely white-flowered (‘albino’)

S. truncata forms, with the most popular

form called ‘White Flamenco’, created in

Japan and Brazil. Ruud’s many attempts

to mutually pollinate these albino forms

failed, so he first crossed an albino form

with the magenta-flowering S. orssichiana,

and then backcrossed the F1 with an albino

form. This work yielded some new albino

hybrids. Up till now, Ruud’s efforts to cross

two of these new albino forms were not

successful. Some other recently grown

Succulenta jaargang 104 (5) 2025

cultivars are ‘Perfect Date’ (albino), ‘Chiba

Spot’ (red) and ‘Comet’ (pink).

Petra Romijn began her caudex plant

hobby with Jatropha podagrica, a tropical

species from the Euphorbiaceae family.

J. podagrica is native to many tropical

countries, and is commercially propagated

and widely available. The umbrella-like

inflorescence consists of one or more

female flowers in the middle, surrounded

by a number of male flowers.

Nicolas Samyn continues his reports on

his trip to the Atacama desert, in northern

Chile. Accompanied by Luc Vandecaveye,

he tells us about the plants he came across,

such as Eriosyce krausii, Eulychnia breviflora,

Copiapoa calderana, C. cinerascens,

C. serpentisulcata and Euphorbia lactiflua.

Aiko Talens finds his hobby in cultivating

so-called ‘winteractive succulents’, plants

from the southern hemisphere that grow

and flower during the north-European

wintertime. Most of these species

are native to South Africa. Inside his

greenhouse, Aiko built ‘mini greenhouses’

for plants with special requirements as

to temperature and light. Most plants are

watered in the beginning (September) and

end (February till April) of their growing

season. His collection consists for the

greater part of mesembs and bulb species.

Nadet Somers visited René and Gertie

Schengenga, a couple in southern Limburg,

both plant and garden lovers.

Andre van Zuijlen reports about

reactions from readers to his article ‘A

special place’, published in the latest

Succulenta issue. Some plant names could

be wrong; Herman Vertongen and Paul

Neut suggested correct names.

Wolter ten Hoeve gives a survey of the

contents of foreign journals on succulent

plants.

Tom Twijnstra likes to improve his

knowledge on the plants he cultivates by

reading books. His caudex plants loving

friend, on the other hand, does not care

about finding additional information, but

he loves his plants just as much as Tom

does.

r.bregman@contact.uva.nl

243


Ben Wijffelaars

Doyenné du Comice . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 190

Theo Heijnsdijk

Cephalocereus senilis. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 191

Bertus Spee

Voor het voetlicht (141) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 206

Ruud Tropper

Ontwikkelingen bij Schlumbergera-cultivars . . . 208

Petra Romijn

Jatropha podagrica . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 213

Nicolas Samyn

Expeditie Atacama . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 217

Aiko Talens

Winteractieve succulenten. . . . . . . . . . . . . . . . . . 222

Nadet Somers

Een Fries in Zuid-Limburg. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 230

Andre van Zuijlen

Correctie ‘Een speciaal plekje (19)’. . .. . . . . . . . . 236

Wolter ten Hoeve

Succulentennieuwtjes. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 238

Rob Bregman

Summary . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 243

Tom Twijnstra

Boeken (1) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 244

Op de voorpagina: landschap in de Barranca de

Metztitlán gedomineerd door Cephalocereus senilis.

Foto: Andre van Zuijlen

Inlichtingen over het lidmaatschap en ontvangst

van nummers en adreswijzigingen aan:

Inquiries about membership and receipt of issues

and address changes to:

Boeken (1)

Tom Twijnstra

Als bolleboos kom ik graag meer te

weten over de planten die ik al bezit,

of over de planten die ik zo in de loop

der tijd bij elkaar sprokkel. Voor mij

is dat een grote meerwaarde van

onze hobby, niet alleen lol hebben in

planten, maar ook in bijbehorende

lectuur. De succulentenvriend van

mij die ik hier op deze pagina wel

meer een rol laat spelen (ja, die niet

van cactussen houdt, maar wel van

caudexen) heeft dat bijvoorbeeld

helemaal niet. Namen van planten

doen hem weinig, dus wat moet je

dan nog in een boek opzoeken?

Een exemplaar van The Cactus Family

(Edward Anderson), dat ik hem

een kwart eeuw geleden cadeau

deed, staat nog steeds maagdelijk

onberoerd in de kast. “Word ook

lid van Succulenta, echt iets voor

jou!”. “Nee, waarom zou ik?”. Voor

mij moeilijk te begrijpen, maar

uiteindelijk is hij net zo in z’n sas met

zijn planten als ik dat ben met de

mijne.

tomtwijnstra@hotmail.com

Janet Maessen

Sevenumseweg 7

5993 NZ Maasbree

E-mail: ledenadministratie@succulenta.nl

244 Succulenta jaargang 104 (5) 2025

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!