LR_Thema_5_2025
- No tags were found...
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
20255
(Student)ondernemerschap
Toeval of grand design?
Floris van Berckel Smit & Jeroen Huisman
Broedplaatsen van innovatie
Nele Lintermans, Johan Poisquet & Reineke Vandevenne
Van intentie naar duurzame bedrijvigheid
Hein Roelfsema & André Roos
Katalysator voor ondernemend hoger onderwijs
Bart Derre, Koen Goethals & Marc D’havé
Kruisbestuiving als grootste kracht
Nikita Vindevogel
Transitieteams en het multi-level perspective in het hoger onderwijs
Dirk Franco & Jean Pierre Segers
Maar vóór het
zover is moet de opleiding zelf
geslaagd zijn
Vóór u investeert in een dure vervolgopleiding voor uzelf of voor getalenteerde
medewerkers wilt u natuurlijk weten wat daarvan de waarde is.
Voor uzelf, uw bedrijf, op de arbeidsmarkt en maatschappelijk. Waar moet
u op letten? Simpel. Kies een opleiding die is opgenomen in het Register
van het Centrum voor Post-Initieel Onderwijs in Nederland (CPION).
CPION toetst het cursusaanbod voor mensen met een wetenschappelijke, hogere
of middelbare (beroeps) opleiding op inhoud en maatschappelijke relevantie.
Alleen post-initiële opleidingen die aan strenge kwaliteitscriteria voldoen krijgen
het predikaat Registeropleiding. Dit kunt u beschouwen als een keurmerk, dat de
waarde van het diploma of certificaat garandeert. Meer weten over CPION en
Registeropleidingen? Kijk op www.cpion.nl.
CPION Keurmerk Registeropleidingen
Alleen voor post-initiële opleidingen die er écht toe doen.
CPION Postbus 701 3000 AS Rotterdam tel: +31 (0)10 899 74 30 www.cpion.nl
(Student)ondernemerschap
52025
5-25
Colofon
Tijdschrift voor Hoger onderwijs & Management verschijnt
5 x per jaar en is een uitgave van Instondo B.V. Dordrecht.
Jaargang 32, nummer 5
Uitgave van: Instondo B.V.
Binnen Kalkhaven 231
3311 JC Dordrecht
T +31 (0)78 645 50 85
I www.instondo.nl
I www.themahogeronderwijs.org
Uitgever: Janneke van Loon
Eindredactie
Eveline van Amstel, Rogier Goetze
E-mail: e.vanamstel@instondo.nl
Voor het aanbieden van artikelen kunt u zich richten tot
de hoofdredactie, Bert Hoogewijs en Huib de Jong
E-mail: m.kok@instondo.nl
Advertentieacquisitie
Voor informatie over de advertentiemogelijkheden
kunt u een e-mail sturen aan: sales@instondo.nl
Basisontwerp
Hans Lodewijkx, Visuele Communicatie, Tilburg
Vormgeving
XS Media, www.xsmedia.nl
Druk
Veldhuis Media BV, www.veldhuismedia.nl
Redactie
BERT HOOGEWIJS, hoofdredacteur
HUIB DE JONG, hoofdredacteur
EVELINE VAN AMSTEL, eindredacteur
ROGIER GOETZE, eindredacteur
BABS VAN DEN BERGH, Universiteiten van Nederland
TOM DEKEYZER, UGent
JAN DRIES, Universiteit Antwerpen
DIDI GRIFFIOEN, Hogeschool van Amsterdam
RON MINNÉE, Vereniging Hogescholen
ALEXANDRA VENNEKENS, Rathenau Instituut
KOEN VERLAECKT, Vlaamse Interuniversitaire Raad
ERIC VERMEYLEN, Vlaamse Hogescholenraad
HANS VOSSENSTEYN, Saxion Hogeschool
MARIJK VAN DER WENDE, Universiteit Utrecht
Recensieredactie
BRUNO BROUCKER, KU Leuven
MYRTE LEGEMAATE, UGent
ALBERT PILOT, Universiteit Utrecht
KOEN RYMENANTS, Erasmushogeschool Brussel
LYDIA SCHAAP, Hogeschool Utrecht
KURT DE WIT, KU Leuven
Abonnementen
Abonnementsprijs voor Nederland € 435,00 excl. 6% btw,
inclusief verzendkosten, per jaar. Voor België € 455,00
(indien van toepassing btw-nummer opgeven).
Abonnementen lopen automatisch door, tenzij deze uiterlijk
2 maanden voor de vervaldatum schriftelijk worden opgezegd bij
onze abonnementenadministratie.
Contactgegevens voor Nederland en België:
Instondo Uitgevers B.V.
Binnen Kalkhaven 231
3311 JC Dordrecht, Nederland
E-mail: administratie@instondo.nl
I www.themahogeronderwijs.org
© Instondo B.V. Auteursrechten voorbehouden.
Het is niet toegestaan zonder schriftelijke toestemming
van de uitgever artikelen, illustraties of schema’s geheel of
gedeeltelijk over te nemen.
Aan de totstandkoming van deze uitgave is de uiterste zorg
besteed. Voor informatie die nochtans onvolledig of onjuist
is opgenomen, aanvaarden auteur(s), redactie en uitgever
geen aansprakelijkheid. Voor eventuele verbeteringen van de
opgenomen gegevens houden zij zich gaarne aanbevolen.
Medewerkers aan dit nummer
Catelijne Akkermans
JuanFra Alvarado Valenzuela
Floris van Berckel Smit
Peter Coenen
Jolien Coenraets
Dirk Van Damme
Bart Derre
Marc D’havé
Sandra Doeze Jager
Dirk Franco
Koen Goethals
Bert Hoogewijs
Jeroen Huisman
Els Huysman
Evi Knuts
Thomas Lans
Emilie Laurent
Nele Lintermans
Mathias Mallentjer
Johan Poisquet
Isabelle De Ridder
Hein Roelfsema
André Roos
Maurice Schols
Jean-Pierre Segers
Klaas Taeymans
Reineke Vandevenne
Julie Vanstraelen
Pieter Vermeulen
Nikita Vindevogel
Sabine Wanmaker
Kurt De Wit
ISSN 1380-7110
(Student)ondernemerschap
4 Bert Hoogewijs
Hoofdredactioneel
6 Floris van Berckel Smit &
Jeroen Huisman
Toeval of grand design?
De ondernemende universiteit in
de Lage Landen
12 Nele Lintermans, Johan Poisquet &
Reineke Vandevenne
Broedplaatsen van innovatie
Hoe Vlaamse studentensteden
ondernemerschap tot leven brengen
18 Thomas Lans
Voedingsbodem voor wendbaar
hoger onderwijs
Geen luxe, maar strategische noodzaak
22 Jolien Coenraets
Succesvol samenwerken binnen
Gentrepreneur
Eén aanspreekpunt voor jonge
ondernemers
27 Hein Roelfsema & André Roos
Van intentie naar duurzame
bedrijvigheid
Wat bestuurders kunnen doen om
ondernemend gedrag te laten ontstaan
32 Bart Derre, Koen Goethals &
Marc D’havé
Katalysator voor ondernemend
hoger onderwijs
De case van het Gentse E-Lab
37 Jean-Pierre Segers, Dirk Franco,
Evi Knuts, Pieter Vermeulen &
Els Huysman
Laat studenten ondernemender
worden
Ruimte voor initiatief, creativiteit
en innovatie
42 Peter Coenen, Emilie Laurent &
Julie Vanstraelen
Met Vlajo wordt ondernemend
leren een avontuur
De drijvende kracht in Vlaanderen
46 JuanFra Alvarado Valenzuela
De reis naar de entrepreneurial
university
Verankering van ondernemend leren
51 Nikita Vindevogel
Kruisbestuiving als grootste kracht
Een ecosysteem in volle bloei
56 Isabelle De Ridder, Mathias Mallentjer
& Klaas Taeymans
TAKEOFFANTWERP_ staat sterker
dan ooit
Antwerpen als levende proeftuin
Verder in deze uitgave:
62 Dirk Van Damme
Is er te veel onderzoek in de humane
en sociale wetenschappen?
64 Dirk Franco & Jean Pierre Segers
Transitieteams en het multi-level
perspective in het hoger onderwijs
Een succesvolle casus in Vlaanderen
70 Sandra Doeze Jager, Sabine
Wanmaker & Maurice Schols
Bruggenbouwer tussen onderwijs en
onderzoek
De strategische nieuwe rol van de
docent-onderzoeker
Boeken & bladen
78 Kurt De Wit
De tirannie van het urgente
3
5-25
(Student)ondernemerschap
Een hele onderneming
G
a je dit wel kunnen? Hoelang ga je dit volhouden?
Zijn er geen anderen die beter geplaatst zijn?
Wat gaat er door je hoofd wanneer je de vraag krijgt
om co-hoofdredacteur te worden? In mijn geval:
precies dat soort vragen. Wat volgde, waren zeven volle
jaren waarin ik, samen met een fantastisch team, Th&ma
verder vorm heb kunnen geven – jaren waarin het vakblad
evolueerde, nieuwe thema’s verkende en de brug tussen
theorie en praktijk versterkte. Een boeiende periode, waar
ik met veel genoegen op terugblik. Maar het moment lijkt
me gekomen om plaats te maken voor verandering. Dit
wordt dus mijn laatste hoofdredactioneel.
Het voorliggende nummer sluit jaargang 32 van Th&ma af.
We gingen op zoek naar bijdragen die belichten hoe universiteiten
en hogescholen het ondernemend handelen bij studenten
stimuleren – en dat leverde een bijzonder rijke oogst op.
Het concept van de entrepreneurial university werd eind
vorige eeuw geïntroduceerd door Burton Clark 1 , die benadrukte
hoe hogeronderwijsinstellingen een ondernemende
rol kunnen opnemen door innovatie, samenwerking en
flexibiliteit te omarmen. Die visie zien we vandaag concreet
terug in de manier waarop universiteiten en hogescholen
zelf ondernemend opereren én hun studenten aanmoedigen
hun ondernemingszin te ontwikkelen.
De ‘ondernemende universiteit’ en New Public Management
(NPM) zijn verschillende concepten, maar vertonen interessante
parallellen. Het is dan ook verrijkend dat dit nummer
een bijdrage bevat over de mate waarin universiteitsbestuurders
in Nederland en Vlaanderen NPM-principes en het
model van de ondernemende universiteit al dan niet bewust
hebben geïntegreerd.
Volgens de GUESSS-rapporten 2,3 (Global University
Entrepreneurial Spirit Students’ Survey) die eind 2024
in Vlaanderen verschenen, scoren instellingen behoorlijk
goed in het creëren van een leeromgeving die ondernemerschapscompetenties
bevordert. Toch blijft er ruimte voor
groei. Niet verwonderlijk dus dat in zowel Vlaanderen als
Nederland talloze initiatieven lopen om student-ondernemerschap
verder te versterken. Met dit themanummer willen
we die dynamiek zichtbaar maken. Het gaat er niet om dat
elke student ondernemer wordt, maar, zoals diverse auteurs
in deze editie opmerken, dat studenten ondernemender
worden.
We mochten heel wat auteurs verwelkomen. Zo levert VLAIO,
het Vlaams Agentschap voor Innoveren en Ondernemen,
een bijdrage over zijn rol als partner in het stimuleren van
(student)ondernemerschap via ondersteunende maatregelen,
subsidies en ecosysteemontwikkeling. Ook Vlajo (Vlaamse
Jonge Ondernemingen) komt aan bod, met haar diverse
programma’s die rechtstreeks inspelen op de ondernemende
ambities van studenten. Daarnaast delen verschillende
hogeronderwijsinstellingen hun ervaringen en goede praktijken.
Sommige auteurs werken binnen gespecialiseerde
diensten of ecosystemen die studenten begeleiden bij het
Er lopen talloze
initiatieven om
student-ondernemerschap
verder te versterken
4
(Student)ondernemerschap
Het was een
voorrecht om deel
Ik ben dankbaar dat ik een bijdrage heb mogen leveren aan
dit platform voor reflectie binnen het hoger onderwijs – een
plek die uitnodigt tot kritisch denken, delen en vernieuwen.
Het was een voorrecht om deel uit te maken van dit verhaal.
Het moge verder goed gaan met Th&ma, prikkelend, betrokken
en richtinggevend.
uit te maken
van dit verhaal
Bert Hoogewijs
is hoofdredacteur van Th&ma
ontwikkelen van een ondernemende mindset, anderen vertrekken
vanuit onderzoek en lectoraten rond ondernemerschap.
Ze behandelen uiteenlopende invalshoeken: van
vakken over ondernemerschap tot de bredere verankering
ervan in curricula, en van coachingstrajecten tot regionale
samenwerkingen die ondernemerschap versterken.
Voor mijn laatste hoofdredactioneel houd ik het bewust
beknopt: de bijdragen spreken voor zich, en het is bovendien
een stevig nummer geworden. Zó stevig dat we enkele
manuscripten buiten het thema naar een volgend nummer
moesten doorschuiven – waarvoor mijn excuses aan de
betrokken auteurs.
Tot slot wil ik graag mijn oprechte dank uitspreken: aan
Sijbolt Noorda die me vroeg zijn co-hoofdredacteur te
worden, en aan Huib de Jong die hem later opvolgde. Dank
aan het volledige Th&ma-team, met wie samenwerken een
waar genoegen was. En natuurlijk aan alle auteurs die onze
oproepen door de jaren heen met enthousiasme hebben
beantwoord. Mijn bijzondere dank gaat ook uit naar Dirk
Franco, die de fakkel overneemt – ik wens hem alle succes
en bezieling toe.
Noten
1 Clark, B.R. (1998). Creating Entrepreneurial Universities: Organisational Pathways
of Transformation. Oxford: Pergamon Press/IAU Press.
2 Vanderstraeten, J. e.a. (2024). GUESSS 2023: Een studie over de ondernemende mindset
en ondernemend gedrag bij Vlaamse universiteitsstudenten. publicaties.vlaanderen.be/
view-file/69784
3 Vanderstraeten, J. e.a. (2024). GUESSS 2023: Een studie over de ondernemende mindset en
ondernemend gedrag bij Vlaamse hogeschoolstudenten.
publicaties.vlaanderen.be/view-file/69787
5
5-25
(Student)ondernemerschap
Hoe zijn de ‘ondernemende universiteit’ en het New Public Management vertaald in organisatieveranderingen in het
hoger onderwijs? En zou het ook kunnen dat die veranderingen zijn teweeggebracht door andere factoren dan grand ideas
out there? Aan de hand van twee casussen gaan Floris van Berckel Smit en Jeroen Huisman op zoek naar een antwoord
op deze vragen.
Toeval of grand design?
De ondernemende universiteit in de Lage Landen
Floris van Berckel Smit & Jeroen Huisman
Radboud Universiteit, Nijmegen; Universiteit Gent
O
ntegenzeggelijk ziet de hedendaagse universiteit er
anders uit dan die van pakweg vijftig jaar geleden.
Ondanks continuïteiten op de werkvloer – docenten
staan nog steeds voor een groep studenten, weliswaar
nu vaker met een draadloze presenter dan met een
stuk krijt, en sociale wetenschappers verzamelen nog steeds
data door middel van interviews en vragenlijsten – vinden
er verschuivingen plaats in het denken over de rol en functie
van hogeronderwijsinstellingen. In de literatuur weerspiegelt
zich dit in de gehanteerde terminologie om de hedendaagse
universiteit te typeren, bijvoorbeeld de ondernemende universiteit
of de service university. 1
Er klinken veel en verschillende argumenten waarom er een
omslag is geweest in het denken over wat de universiteit is
(of zou moeten zijn), maar de rode draad in de literatuur is
Een nadruk op competitie,
het verwerven van
private middelen en
een slagvaardig bestuur
dat een neoliberale ideologie en/of New Public Managementprincipes
(NPM) daarbij een grote rol speelden. De algemene
redenering is dat het economisch perspectief, mede onder
invloed van globalisering en technologische ontwikkelingen
maar ook de stijgende kosten van de bestaande publieke
voorzieningen, verschoof van een voorkeur voor een publiek
welvaartsmodel naar een klassiek liberaal-economisch model
dat uitgaat van individualistisch eigenbelang en vrijemarktprincipes.
2 In het hoger onderwijs manifesteert die ideologie
zich in bepaalde beleids- en managementvoorkeuren, bijvoorbeeld
in een nadruk op competitie, performancemanagement
en hoge(re) private bijdragen van studenten.
Grand ideas
Een andere ontwikkeling is die rond het fenomeen van
de ondernemende universiteit. In de discussie rond en in
pogingen om dit fenomeen te duiden, verwijst de literatuur
ook naar een nadruk op competitie, het verwerven van (private)
middelen buiten de publieke bekostiging, een slagvaardig
bestuur en een nadruk op de third mission. 3 Die literatuur
wijst ook op vergelijkbare drijfveren, zoals financiële noodzaak
en competitie. 4 De twee kanten van het verhaal – de
verandering in het ideologisch denken in samenhang met
andere externe ontwikkelingen én de verschijningsvormen
(NPM en de ondernemende universiteit) – zijn genoegzaam
bekend, maar de literatuur is verre van eenduidig hoe nu
precies die ideologie ‘vertaald’ is (en door wie!) in concrete
strategieën en beleidsinstrumenten. En, in het verlengde
daarvan, zou het zo kunnen zijn dat de daadwerkelijke
6
(Student)ondernemerschap
veranderingsprocessen binnen hogeronderwijsinstellingen
ook zijn teweeggebracht door andere factoren dan grand
ideas out there?
Om die vragen te beantwoorden kijken we naar die twee
specifieke verschijningsvormen: NPM en de ondernemende
universiteit. Deze concepten passen we toe op de concrete
universiteitsgeschiedenis aan de hand van twee casussen:
de invoering van een nieuwe strategie aan de Leidse universiteit
in de jaren negentig en een hervorming van de bestuurlijke
organisatie van de KU Leuven aan het begin van deze
eeuw. Wat NPM betreft, hanteren we het schema van Broucker
& De Wit (2015) 5 ; voor ondernemende universiteiten grijpen
we terug op het werk Van Delden en collega’s (1987). 6 Het
zou wellicht voor de hand hebben gelegen om ons te baseren
om het waarschijnlijk bekendere werk van bijvoorbeeld Clark
(1998) of Etzkowitz (2013), maar Van Delden en collega’s
beschrijven in zeer concrete bewoordingen hoe de ondernemende
universiteit eruit zou moeten zien. 7 Een belangrijk
voordeel is ook dat zij de ondernemende universiteit positioneren
in de Nederlandse context, waardoor ook een uitstap
naar een Vlaamse context snel gemaakt is.
Overzichtelijk kader
Broucker & De Wit (2015) hebben een geslaagde poging
gedaan om de vele kenmerken van NPM in het hoger
onder wijs te identificeren en – belangrijk – in een overzichtelijk
kader te presenteren. Zij analyseren de bestaande literatuur
en komen tot vier gebieden (zie de eerste kolom in
Tabel 1) en kenmerken (zie de tweede kolom). Van Berckel
Smit (2025) heeft de elementen van NPM later gebundeld
en enkele aanvullingen gedaan op basis van de literatuur. 8
In de derde kolom vermelden we de kenmerken van de
ondernemende universiteit die passen bij de vier gebieden. 9
We zien dat veel kenmerken van die ondernemende universiteit
duidelijk overlappen. Het is wel belangrijk om te melden
dat niet alles wat Van Delden en collega’s opperen precies in
het NPM-schema past. Zo besteden de auteurs veel aandacht
aan de selectie van studenten en dit kun je niet onverkort in
het NPM-schema onderbrengen. Ook passen de concepten
niet naadloos bij elkaar. Van Delden en collega’s (1987) spreken,
ten eerste, weliswaar over grotere slagkracht, maar blijven
vrij vaag over de bestuurlijke structuren. Met andere
woorden, we herkennen in beperkte mate het NPM-adagium
the right to manage. Ten tweede is het relevant om te melden
dat volgens de NPM-principes sterke centralisatie nodig zou
zijn, terwijl de ondernemende universiteit – volgens Van
Delden et al. – vraagt om decentralisatie. Uiteindelijk verschillen
de auteurs niet zozeer over de nood aan slagkracht,
maar liggen de accenten anders met betrekking tot de meeste
geschikte eenheid die slagkracht zou moeten tonen: de universiteit
als geheel versus de faculteit.
NPM-gebied Kenmerken NPM Kenmerken ondernemende universiteit
Op de markt gebaseerde
hervormingen
(het creëren van) vormen van competitie; (het
aanmoedigen van) commerciële activiteiten
Levendige concurrentie tussen instellingen en positie
kiezen (profilering) op de verschillende markten;
risico nemen (inclusief failure acceptance)
Hervormingen
met betrekking tot
bekostiging
(het introduceren van) financiële prikkels gericht
op prestaties en output; verharding van budgettaire
grenzen en nadruk op kostenefficiency; verhogen van
collegegelden; diversificatie van de bekostiging en het
realiseren van nieuwe (private) inkomstenbronnen
Middelen inzetten waar de verwachte opbrengst
het grootst is (efficiëntie); kwaliteitsmeting en
-bewaking op output; prikkels in de financiering;
gedifferentieerde collegegelden; variabele
salarisstructuren; financieringssysteem dat
doelmatige besteding van gelden bevordert
Veranderingen op het
gebied van autonomie,
verantwoording en
prestaties
Institutionele autonomie in plaats van planning
en controle vooraf; (de introductie van) ex postverantwoordingsmechanismen,
controlesystemen
en audits; de nadruk leggen op (het meten van)
prestaties
Autonoom keuzes maken en risico’s nemen; minder
regelgeving, bestuurlijke afstand tussen de overheid
en de instellingen dient groter te wordenz
De introductie van een
nieuwe managementstijl
en -technieken
(Het introduceren van) nieuwe
managementtechnieken en -concepten; sterke
executive- en managementrollen; een belangrijke
rol voor externe actoren uit het bedrijfsleven;
hiërarchisering en een verticale bestuursstructuur
Grotere slagkracht; evenwichtige
zeggenschapsverhoudingen (ondernemingsraad);
raadpleging van buitenstaanders
Tabel 1 Kenmerken van NPM in het hoger onderwijs en de ondernemende universiteit
7
5-25
(Student)ondernemerschap
Twee casussen
Twee organisatieveranderingen, respectievelijk aan de
Universiteit Leiden en de KU Leuven, bieden inzicht in de
manier waarop het concept van de ondernemende universiteit
en NPM zich in de praktijk hebben gemanifesteerd 10 .
Privatisering aan de Universiteit Leiden in de jaren negentig?
Tegen de achtergrond van een bestuurlijke crisis die aan de
Leidse universiteit was ontstaan naar aanleiding van een
bouwfraude, werd in 1994 de toenmalige voorzitter van de
Universiteit Maastricht, Loek Vredevoogd, als Leidse voorzitter
benoemd. Onder zijn leiding kwam een nieuwe batenstrategie
tot stand, genaamd Koersen op kwaliteit. Vredevoogd
was een pleitbezorger van meer institutionele autonomie,
een onafhankelijkere positie van de universiteiten. Hij was
ervan overtuigd dat universiteit en overheid zo ver mogelijk
bij elkaar vandaan moesten blijven. Het ministerie zou te
ver van de praktijk afstaan. Opmerkelijk aan de visie van
Vredevoogd was dat hij voorstander was van een vorm van
privatisering van de Nederlandse universiteiten, en in het
bijzonder de Leidse. Naar zijn idee diende de overheid zich
zelfs terug te trekken als grootste financier van de universiteiten.
De instellingen moesten worden gefinancierd door
bedrijven en studenten; het ministerie zou minder moeten
reguleren en zich primair moeten focussen op kwaliteitscontrole
op afstand. Vredevoogd was geïnspireerd door private
topuniversiteiten in de VS met excellent onderwijs en
onderzoek dat mede werd gefinancierd door het bedrijfsleven
en hoge collegegelden. Hoewel dit achteraf bekeken
wellicht enigszins naïef klinkt in de Nederlandse context,
was privatisering voor Vredevoogd een serieus streven. 11
Het werven van meer financiële middelen was een doel van
Koersen op kwaliteit. Dat was nodig omdat er zorgen waren
over de financiële positie van de universiteit. In 1994 boekte
de Leidse universiteit voor het eerst in de geschiedenis een
negatief financieel resultaat. En ook het toekomstperspectief
was somber: de overheidsfinanciering zou krimpen. In eerste
instantie dreigde een krimp van de rijksbijdrage per student.
De verwachting was dat dit zou doorzetten. 12 Met Koersen
Het bedrijfsleven droeg
al genoeg bij door
middel van belastingen,
vonden de bestuurders
op kwaliteit en de daaruit voorvloeiende maatregelen kon de
universiteit de financiële teruggang tegengaan. 13
Koersen op kwaliteit betekende dat de Leidse universiteit
ging inzetten op ‘excellentie’ in het onderwijs en dus hogere
eisen ging stellen aan de studenten door middel van bijvoorbeeld
een bindend studieadvies. Dit studieadvies werd succesvol
ingevoerd, maar Vredevoogd wist niet al zijn plannen
inzake het onderwijs te realiseren. Zo streefde hij vergeefs
naar verhoging van het collegegeld. ‘Het collegegeld mag
van mij twee tot drie keer zo hoog worden, maar dat moet
wel heel langzaam gaan.’ 14 Later repte Vredevoogd zelfs over
collegegeldtarieven variërend van 5000 tot 50.000 gulden.
Als tegenprestatie zou de Leidse universiteit kwalitatief
hoogwaardiger onderwijs aanbieden: ‘Voorop dient te staan
dat de prijs moet zijn afgeleid van de waarde van het product
[onderwijs]. Universiteiten profileren zich en hun opleidingen
gaan hoe langer hoe meer van elkaar verschillen. Bij
verschillende producten hoort een verschillende prijs. Een
landelijk uniform collegegeld past daarbij niet meer.’ 15 Maar
de hoogte van de collegegelden was wettelijk bepaald, zodat
Vredevoogd voor dit plan afhankelijk was van de overheid
en het lukte hem uiteindelijk niet afspraken te maken met
de minister en de Kamer om een uitzonderingpositie voor
de Leidse universiteit te realiseren. 16 Het leek het er nog
even op dat er steun was in de Tweede Kamer, maar uiteindelijk
mislukte het. 17
Een ander mislukt initiatief was een rondgang bij het bedrijfsleven
om daar financiering te werven voor honoursprogramma’s.
Vredevoogds gedachte was dat het bedrijfsleven kon
profiteren van de Leidse talenten. Hij ging onder andere
langs bij Shell, Unilever, ABN-AMRO en VNO-NCW, maar
zonder veel succes. De bestuurders van de bedrijven en
organisaties hadden afgesproken dat zij geen hoger onderwijs
zouden financieren, omdat zij hoger onderwijs als
een publieke zaak beschouwden. Het bedrijfsleven droeg al
genoeg bij door middel van belastingen, vonden de bestuurders.
Alleen ABN-AMRO was bereid te investeren.
Dan was er nog een poging van Vredevoogd om te fuseren
met de private Universiteit Nyenrode. Daarmee zou de Universiteit
Leiden een economische faculteit kunnen krijgen.
Het bestuur van Nyenrode was overwegend positief, maar
het zou wel tot iets prestigieus moeten leiden. De bestuurders
kwamen uit bij het idee van een opleiding voor topmensen
uit het bedrijfsleven. Maar dat zou veel geld kosten
en dat hadden zowel de Leidse universiteit als Nyenrode
niet. Ze organiseerden daarom een overleg met, opnieuw,
de top van het Nederlandse bedrijfsleven. In de eerste plaats
met de president-directeur van Shell, gezien de goede relatie
tussen hem en Vredevoogd. Maar Vredevoogd sprak ook
met de bestuurders van onder meer Unilever, Philips en
AkzoNobel. Het leidde opnieuw tot niets, want de bedrijven
wilden niet toezeggen dat zij hun mensen naar de opleiding
zouden sturen. 18
8
(Student)ondernemerschap
Al met al bracht Koersen op kwaliteit grote veranderingen
aan de Leidse universiteit. Over de hele linie ontplooide de
instelling initiatieven om nieuwe inkomstenbronnen aan te
boren. Maar uiteindelijk liep de strategie in 2002 vast rond
de invoering van de bachelor-masterstructuur. Toen werd
duidelijk dat instellingen de door de overheid vastgestelde
collegegelden niet zouden loslaten. Het was dus niet mogelijk
om als Leidse universiteit eigen collegegeldtarieven in
te voeren. Daarmee kwam een einde aan een kernidee van
Koersen op kwaliteit.
Verzakelijking van de Leuvense Universiteit, begin van de eeuw
In 1995 werd Roger Dillemans opgevolgd door André
Oosterlinck als rector van de KU Leuven. Het markeerde
het begin van een nieuwe periode. Oosterlinck kwam uit
een ondernemersgezin en had een ingenieursachtergrond.
In 1982 richtte Oosterlinck samen met durfkapitalist Paul
Devree van Advent Belgium zijn eerste spin-off op: ICOS
Vision Systems, een techbedrijf dat opereerde in de chipindustrie.
ICOS ging in 1997, toen het een omzet van 1 miljard
frank had, naar de Amerikaanse beurs (Nasdaq). 19 Oosterlinck
zou nog betrokken zijn bij de oprichting van een aantal
andere spin-offs en raakte stevig geïntegreerd in netwerken
van het Vlaamse bedrijfsleven.
In de begintijd van zijn rectoraat deed zich een gebeurtenis
voor die in dat verband veel indruk op hem maakte. In 1997
sloot het Leuvense ziekenhuis, waar Oosterlinck ook verantwoordelijk
voor was, af met een dramatisch resultaat: een
tekort van 1 miljard frank en een totaal verlies van 2 miljard
frank. Het leidde tot een financiële crisis. Het ziekenhuis
dreigde bovendien de universiteit mee de financiële afgrond
in te slepen, omdat de universiteit en het ziekenhuis één
rechtspersoon waren. Oosterlinck greep in en reorganiseerde
het ziekenhuis succesvol, en de opbrengsten van het ziekenhuis
namen vanaf 2000 weer toe. De financiële problemen
in het ziekenhuis waren een trauma voor Oosterlinck. Hij
had de misstanden net op tijd kunnen rechtzetten. Het was
een van de redenen om grondig naar het bestuur en de
bedrijfsvoering van de universiteit te kijken.
Hierna initieerde Oosterlinck een groot aantal veranderingen,
waaronder een hervorming van de bestuurlijke organisatie
van de universiteit. Deze hervorming was nodig vanwege
externe ontwikkelingen en interne knelpunten. Zo stelde
Oosterlinck dat door de Bologna-afspraken niet alleen de
kwaliteit van het onderwijs zou toenemen, maar ook de concurrentie
en competitie tussen de Europese instellingen. 20
Daarom moest de universiteit de bestuurlijke organisatie
versterken: ‘Universiteiten en hogescholen die zich niet
laten besturen als een onderneming [dreigen] uit de boot
te vallen. Ik moet dus meer en meer manager spelen.’ 21
Naast deze externe ontwikkelingen zag hij ook interne knelpunten
in de bestuurlijke organisatie als reden om te veranderen.
Vooral de bestuurlijke top van de universiteit ervoer
de bestuurlijke organisatie bijvoorbeeld als onduidelijk en
log. In het algemeen was Oosterlinck van mening dat het
De financiële problemen
in het ziekenhuis
waren een trauma
voor Oosterlinck
democratisch kiezen van personen op bestuursposten een
gevaar voor de continuïteit van de instelling was en het zou
bovendien niet leiden tot bestuurders met de juiste kwaliteiten.
In september 2002 stelde hij tijdens de opening van
het academisch jaar: ‘Recent heeft onze Inrichtende Overheid
zich uitgebreid met een groep ervaren topvertegenwoordigers
uit het maatschappelijk middenveld, een werkwijze die me
meer aanspreekt dan een bestuur door figuren die als enige
verdienste hebben dat ze een verkiezing kunnen winnen.’ 22
Oosterlinck vond verder dat studenten-bestuurders weinig
toevoegden. 23
Tijdens de opening van het academisch jaar in september
2003 presenteerde Oosterlinck de plannen voor het hervormen
van de universitaire democratie, dat wil zeggen de kiesen
benoemingsprocedures. Hij noemde enkele zijns inziens
succesvolle (internationale) voorbeelden van bestuurders die
niet verkozen maar benoemd waren, waaronder de universiteiten
van Oxford, Cambridge en de Nederlandse universiteiten,
maar ook Belgische overheidsbedrijven zoals De Post
en de NMBS (Belgische spoorwegen) die waren overgestapt
op een systeem van selectie van kandidaten op basis van een
profiel. Oosterlinck betoogde dat het de bestuurskracht van
de universiteit ten goede zou komen als ze de posities van
de decanen en de rector niet langer via verkiezingen zou
invullen. Zo kenden de Nederlandse universiteiten na de
invoering van de Wet modernisering universitaire bestuursorganisatie
in 1998 een systeem met een college van bestuur
dat werd benoemd door een raad van toezicht. Een voorbeeld
voor Vlaanderen, vond Oosterlinck. 24
Het zou beter zijn om de rector en de decanen te benoemen
via een selectiecommissie en kiescollege, een idee dat was
gegroeid in de context van de Commissie structuur (een
ad-hoccommissie die bestond uit Oosterlinck, directeur
van Leuven Research & Development en latere algemeen
beheerder Koen Debackere, de vicerectoren, oud-rector
Dillemans en externen uit de private sector zoals voorzitter
van de raad van bestuur van Janssen Pharmaceutica, Bob
Stouthuysen). 25 Een dergelijke selectiecommissie kon op zoek
gaan naar iemand met, in Oosterlincks woorden, ‘gedrevenheid,
politieke inzichten en ervaring, met managerial skills.’ 26
9
5-25
(Student)ondernemerschap
In de visie van Oosterlinck zouden zowel interne als externe
kandidaten in aanmerking kunnen komen. Volgens de rector
was het voordeel van benoeming door een selectiecommissie
op basis van een profielschets dat de Leuvense universiteit
dan niet meer noodgedwongen hoefde te vertrekken van
de beschikbare kandidaten binnen de instelling. 27 Dit alles
wil niet zeggen dat Oosterlinck de democratie volledig wilde
afschaffen. Want hij zei dat een democratisch samengesteld
kiescollege zou kunnen stemmen op de door de selectiecommissie
geselecteerde kandidaten. 28
Het voorstel van Oosterlinck leidde tot veel weerstand binnen
de universitaire gemeenschap. Het initiële plan bleek niet
haalbaar, vooral omdat er bij de decanen geen breed draagvlak
voor was. Uiteindelijk koos de universiteit voor een
compromis. Het principe van de verkiezing zou niet worden
gewijzigd. Van externe kandidaten was geen sprake meer
in het nieuwe voorstel. Wel stelde Oosterlinck voor om de
benoemingstermijn van de rector terug te brengen van de
huidige tien jaar (twee keer een termijn van vijf jaar) naar
zeven à acht jaar. Ook stelde hij voor om tussentijds geen
herverkiezing te houden. Een tussentijdse verkiezing werkte
volgens hem verlammend, omdat de rector of decaan in zijn
of haar eerste termijn uit electorale overwegingen minder
daadkrachtig optrad en minder populaire (maar wel noodzakelijke)
beleidsveranderingen uitstelde uit angst niet herkozen
te worden. Oosterlinck had dit knelpunt gesignaleerd
bij de decanen, die volgens hem uit electorale overwegingen
moeilijke problemen verschoven naar hun tweede termijn.
In plaats van een herverkiezing stelde hij voor een evaluatie
te doen. Als een rector niet goed functioneerde, zou de
inrichtende overheid kunnen beslissen om de benoeming
in te trekken, wat dan zou resulteren in nieuwe verkiezingen.
29 De universiteit voerde dit model in 2005 in.
Pick-and-mix
De casussen laten zien dat beide instellingen veranderingen
hebben doorgevoerd die resoneren met de kenmerken van
NPM en de ondernemende universiteit (zie Tabel 1 op p. 7),
zoals het verkennen van nieuwe ‘markten’ (samenwerking
bedrijfs leven), het streven naar hogere collegegelden en het
aanpassen van bestuursstructuren, met minder democratische
elementen, teneinde de bestuurskracht te vergroten.
Wat de drijfveren voor de organisatieveranderingen betreft
– al dan niet daadwerkelijk geïmplementeerd – zijn er twee
belangrijke observaties. De aanleiding is ten eerste vooral
intern, omdat bestuurders ontevreden zijn met de bestaande
situatie. Ten tweede spelen de financiële problemen een
zeer belangrijke rol. De bestuurders die zich geconfronteerd
zagen met deze twee uitdagingen waren vooral op zoek naar
– in belangrijke mate technische – oplossingen voor de zeer
concrete, maar complexe problemen.
In samenhang met de andere bestudeerde casussen 30 kunnen
we spreken van een pick-and-mix-benadering: de hoofdrolspelers
overwogen daadwerkelijk kenmerken van NPM en
de ondernemende universiteit en voerden deze ook in, maar
nergens gebeurde dit als een totaalpakket aan veranderingen.
In hun zoektocht naar oplossingen lieten de bestuurders
zich weliswaar inspireren door managementconcepten uit
het bedrijfsleven, en dit ging op bijna natuurlijke wijze omdat
ze nauwe contacten hadden met het bedrijfsleven; maar ook
keken ze expliciet naar voorbeelden van buitenlandse universiteiten,
vooral Amerikaanse. Het idee van situationeel
bepaalde problemen én oplossingsrichtingen wordt nog
sterker door de bevinding dat gedurende het onderzoek naar
de organisatieveranderingen geen van de geïnterviewden
expliciet sprak over NPM- of neoliberaal-geïnspireerde
veranderingen.
Dit versterkt de conclusie dat de invloed van grand ideas out
there in de praktijk beperkt was. Zij vormden zelden de directe
aanleiding tot hervorming, al boden ze soms wel inspiratie
bij de verdere uitwerking ervan. Ook zou je – voorzichtig –
kunnen poneren dat de pick-and-mix-benadering (bij
verschillende universiteiten) op de langere termijn heeft
bijgedragen aan de geleidelijke acceptatie (zij het niet door
iedereen) en normalisatie van NPM-elementen en de ondernemende
universiteit.
Dit alles wil niet
zeggen dat Oosterlinck
Floris van Berckel Smit
is postdoctoraal onderzoeker Toegepaste Geschiedenis aan de
Radboud Universiteit
Jeroen Huisman
is hoogleraar Hoger Onderwijs aan de Universiteit Gent
de democratie volledig
wilde afschaffen
10
(Student)ondernemerschap
Noten
1 B.R. Clark (1998). Creating Entrepreneurial Universities: Organizational Pathways of
Transformation (Oxford); Cummings, W.K. (1998). The service university movement in
the US: Searching for momentum. Higher Education, 35, 69-90.
2 Olssen, M. & Peters, M.A. (2005). Neoliberalism, higher education and the knowledge
economy: From the free market to knowledge capitalism. Journal of Education Policy,
20(3), 313-345.
3 Zie bijvoorbeeld: Etzkowitz, H. (2013). Anatomy of the entrepreneurial university. Social
Science Information, 52(3), 486-511; Sam, C. & Van der Sijde, P. (2014). Understanding
the concept of the entrepreneurial university from the perspective of higher education
models. Higher Education, 68(6), 891-908.
4 Zie bijvoorbeeld voor een recent literatuuroverzicht: Garomssa, H. (2024). The
entrepreneurial university concept as a narrative of change in HEIs. Studies in Higher
Education, 50(2), 365-386.
5 Broucker, B. & De Wit, K. (2015). ‘New Public Management in Higher Education’. In:
J. Huisman, H. de Boer, D.D. Dill & M. Souto-Otero (red.), The Palgrave International
Handbook of Higher Education Policy and Governance. Londen.
6 Van Delden, A.Th. et al. (1987). Naar een ondernemende universiteit. Utrecht.
7 Clark (zie 1); Etzkowitz (zie 3); Van Delden (zie 6).
8 F.J.N. van Berckel Smit (2025). New Public Management aan de universiteit? Veelvormige
organisatieveranderingen aan Nederlandse en Vlaamse universiteiten, 1970-2010.
Dissertatie, Vrije Universiteit Amsterdam.
9 Zie 6.
10 De twee casussen zijn deels bewerkte fragmenten van Van Berckel Smit (zie 8).
11 W. Luyendijk, ‘Leidse universiteit kiest eigen aanpak. ‘Uit eenvormige onderwijsbestel’’,
NRC Handelsblad (19 september 1998); ‘Leidse universiteit roept hulp bedrijfsleven in’,
Algemeen Dagblad (21 september 1998); Interview respondent 14, door Floris van
Berckel Smit, 31 augustus 2023; Interview respondent 28, door Floris van Berckel Smit,
18 oktober 2023.
12 Koersen is kiezen. Rede uitgesproken door Loek Vredevoogd, 2 september 1996, 14.
13 Universiteit Leiden (1994). Koersen op kwaliteit. Aanzet tot een strategie voor de Leidse
universiteit, 3.
14 J. ’t Hart, ‘Universiteiten moeten zich volgens collegevoorzitter Vredevoogd meer
kunnen onderscheiden. ‘We gaan hogere eisen aan studenten stellen’’, de Volkskrant
(23 maart 1995).
15 L. Vredevoogd, ‘Vrijheid universiteiten moet groter’, de Volkskrant (21 januari 2000).
16 W. Luyendijk, ‘Universiteit Leiden wil Yale van Europa worden’, NRC Handelsblad
(19 september 1998); Interview respondent 28, door Floris van Berckel Smit, 18 oktober
2023.
17 ‘Tweede Kamer steunt Leids plan voor meer privatisering’, NRC Handelsblad
(21 september 1998); Interview Loek Vredevoogd, door Pieter Slaman, 4 december 2019;
Interview respondent 14, door Floris van Berckel Smit, 31 augustus 2023.
18 Interview Loek Vredevoogd, door Pieter Slaman, 4 december 2019.
19 ‘ICOS gaat in november naar Nasdaq. Plaatsing moet 30 miljoen dollar opleveren’,
De Tijd (19 augustus 1997); Vangelder, ‘Rector met zakenneus’; Pauli, ‘André Oosterlinck’;
Bouckaert, Merkstenen, 333; Respondent X.
20 ‘Europees en Amerikaans hoger onderwijs’, toespraak uitgesproken door André
Oosterlinck tijdens de opening van het academisch jaar 2002-2003 (Leuven 2002), 9.
21 A. Mouton, ‘De rector-elektricien. André Oosterlinck’, Trends (24 mei 2001).
22 Zie 20.
23 T. Leys, ‘Geen verkozen rector meer?’, VETO (23 september 2003).
24 ‘Tussen academische vrijheid en behoorlijk bestuur. De universiteit in een complexe
omgeving’, toespraak uitgesproken door André Oosterlinck tijdens de opening van het
academisch jaar 2003-2004 (Leuven 2003),12; Oosterlinck (zie 20); Respondent X.
25 Ibidem.
26 Oosterlinck, Tussen academische vrijheid en behoorlijk bestuur, 12.
27 Ibidem.
28 T. Leys, ‘Adviserende commissie moet kandidaten evalueren. Studenten tegen algemene
rectorsverkiezingen’, VETO (27 oktober 2003).
29 L. Meyvis, ‘De hervormingsplannen, een stand van zaken. Verandering in de
veranderingen’, Campuskrant (27 november 2003); ‘Beslissingen beter niet uitstellen’,
De Standaard (13 april 2004).
30 In Van Berckel Smit (2025) worden ook andere casussen besproken, zowel binnen de
Universiteit Leiden en KU Leuven, als binnen de Universiteit Gent en de Vrije
Universiteit Amsterdam.
11
5-25
(Student)ondernemerschap
In de afgelopen tien jaar hebben de ecosystemen voor student-ondernemerschap in Vlaanderen hun kracht bewezen.
Terugblikkend beschrijven Johan Poisquet, Reineke Vandevenne en Nele Lintermans welke waardevolle inzichten dit heeft
opgeleverd.
Broedplaatsen van innovatie
Hoe Vlaamse studentensteden ondernemerschap tot leven brengen
Nele Lintermans, Johan Poisquet & Reineke Vandevenne
VLAIO, Brussel
D
e ontwikkeling van initiatief en ondernemerschap is
een van de acht sleutelcompetenties voor levenslang
leren. Het agentschap VLAIO (zie kader) versterkt
dit in Vlaanderen door ondernemend denken en
handelen te stimuleren bij een zo breed mogelijke groep
jongeren binnen en buiten het onderwijs. We creëren leeromgevingen
waar jongeren hun eerste positieve ondernemerservaring
kunnen opdoen. Zo bouwen ze niet alleen de
benodigde competenties op, maar ontwikkelen ze ook een
positieve blik op ondernemerschap. Daarnaast tonen we dat
ondernemen ook een realistische loopbaankeuze kan zijn.
Wie die ambitie heeft, kan rekenen op ondersteuning door
het professionele aanbod van het VLAIO-netwerk.
Onze maatschappelijke drijfveer is duidelijk: Vlaanderen
heeft meer dan ooit nood aan jongeren die creatief, veerkrachtig
en ondernemend in het leven staan. Door ondernemerschap
actief te verkennen, ontwikkelen studenten tal
van competenties, waaronder vier cruciale: zelfeffectiviteit,
creativiteit, risicobereidheid en innovativiteit (Branca et al.,
2025; Ismail et al., 2024). Onderzoek toont bovendien dat
ondernemend gedrag het eudaimonisch welbevinden versterkt,
omdat het bijdraagt aan gevoelens van autonomie, persoonlijke
groei en zingeving (Shir et al., 2018). Onder nemend
leren maakt jongeren zo niet enkel tot betere toekomstige
ondernemers, maar ook tot bewuste burgers en wendbare
professionals.
Ook de arbeidsmarkt onderstreept dit belang. Structurele
krapte, technologische veranderingen en duurzaamheidstransities
maken ondernemendheid tot een onmisbare vaardigheid.
Ondernemerschapsonderwijs daagt jongeren uit
om levenslang te leren, kritisch te denken en creativiteit om
te zetten in actie. Zo ontwikkelen ze toekomstgerichte en
duurzaam inzetbare competenties. Daarnaast is ondernemerschapsonderwijs
ook een maatschappelijk instrument.
Het spoort studenten aan om als changemakers te denken
en te handelen, en maatschappelijke waarde te creëren in
domeinen als mobiliteit, gezondheid en sociale cohesie.
Vruchtbare voedingsbodem
Hoewel ondernemerschapsonderwijs zich traditioneel op
leerlingen en studenten richt, verdienen ook jonge onderzoekers
aandacht. Voor hen is ondernemerschap geen
vanzelfsprekende loopbaankeuze, maar een proces van
identiteitsuitbreiding dat tijd, begeleiding en rolmodellen
vraagt. Door onderzoekers hierin te ondersteunen en
ondernemerschap als legitiem onderdeel van hun wetenschappelijke
rol te erkennen, verkleinen we de kloof tussen
kennis en maatschappelijke toepassing (Mortier et al., 2022).
VLAIO
VLAIO, het Vlaamse Agentschap Innoveren &
Ondernemen, is het aanspreekpunt van de Vlaamse
overheid voor alle ondernemers in Vlaanderen.
VLAIO stimuleert en ondersteunt innovatie en ondernemerschap
en draagt bij aan een gunstig
ondernemersklimaat.
12
(Student)ondernemerschap
Het innovatiemandaat van VLAIO biedt postdoctorale onderzoekers
bovendien de kans om hun academisch onderzoek
verder te ontwikkelen tot een economische toepassing, vaak
in samenwerking met een bedrijf of met de bedoeling een
spin-off op te richten.
Door ondernemend leren bij diverse doelgroepen te stimuleren,
draagt VLAIO actief bij aan een sterke ondernemerschapscultuur
in Vlaanderen. We doen dit in nauwe
samen werking met onze structurele partners. Zo zorgen
de ecosysteemprojecten voor student-ondernemerschap in
de Vlaamse studentensteden voor een vruchtbare voedingsbodem
waarin ondernemerschap bij studenten en jonge
onderzoekers kan groeien, complementair aan het curriculaire
aanbod van de hogeronderwijsinstellingen. Via praktijken
ervaringsgerichte programma’s, van in de kleuterklas tot
aan de universiteit, wakkert de organisatie Vlajo (Vlaamse
Jonge Ondernemingen) de ondernemingszin aan bij jongeren
en krijgen zij de kans om belangrijke competenties in
kaart te brengen en te ontwikkelen. Ondernemersnetwerk
Unizo Onderwijs & Ondernemen focust op laatstejaars in het
secundair onderwijs en studenten in het hoger onderwijs.
MyMachine ten slotte brengt kinderen uit het lager onderwijs,
leerlingen in het technisch secundair onderwijs en studenten
in het hoger onderwijs samen in een creatief leertraject
waarin ze droommachines bedenken, ontwerpen en bouwen.
Daarnaast richtte VLAIO in 2013 het Forum Ondernemend
Hoger Onderwijs op. Dit bestaat, naast vertegenwoordigers
van de vermelde structureel gesubsidieerde VLAIO-partners,
voornamelijk uit hogeronderwijsprofessionals die vanuit hun
praktijk mee willen bijdragen aan de realisatie van ondernemend
hoger onderwijs in Vlaanderen. Het Forum biedt een
plek voor netwerking, intervisie, kennis- en ervaringsuitwisseling
en gezamenlijke actie.
VLAIO brengt deze partners en professionals regelmatig
samen, onderling en in een breder lerend netwerk van dienstverleners
en onderzoekers. Zo ontstaan duurzame bruggen
tussen onderzoek en praktijk, en zorgen we voor structurele
versterking van de samenwerking. 1
Negen ecosystemen
Leren ondernemen stopt best niet bij het leslokaal. Studenten
ontwikkelen hun ondernemend vermogen vooral via authentieke
ondernemerservaringen buiten de muren van de hogeschool
of universiteit. Op die manier leren ze waarde creëren
in een complexe, veranderlijke wereld en in diverse contexten.
Ondernemerschapsonderwijs wordt zo een levend proces
waarin leren en doen samenvloeien. Het ecosysteem fungeert
hierbij niet enkel als lanceerplatform voor nieuwe ondernemingen
of ondernemende projecten, maar ook als pedagogische
infrastructuur die het ondernemend leren ondersteunt
en laat groeien.
Sinds 2016 2 investeert VLAIO in de werking van negen
ecosysteemprojecten voor student-ondernemerschap: Pitch
Ondernemerschapsonderwijs
wordt zo een levend
proces waarin leren en
doen samenvloeien
Please (Hasselt-Genk), Manestarters (Mechelen), Le(J)on
(Leuven), StartUp 2440 (Geel), TakeOffAntwerp (Antwerpen),
Broeikas (Aalst), Gentrepreneur (Gent), Start@K (Kortrijk)
en Turbo (Brugge). In deze ecosystemen werken hogeronderwijsinstellingen,
bedrijven, ondernemersorganisaties en
lokale overheden nauw samen om ondernemerschap concreet
en laagdrempelig te maken. De ambitie is tweeledig: studenten
de kans bieden om ondernemerschap te ontdekken
en te ontwikkelen, en ondernemend leren duurzaam verankeren
binnen hogescholen en universiteiten.
Via diverse initiatieven kunnen studenten, onder wie ook
doctoraatsstudenten, op een toegankelijke manier ervaren
wat ondernemerschap voor hen kan betekenen. Ze krijgen
ondersteuning bij het ontwikkelen van hun ondernemerschapscompetenties
en bij het realiseren van hun project.
Elk ecosysteem creëert een stimulerende ‘vibe’ die studenten
motiveert om hun ideeën, dromen of ambities om te zetten
in concrete acties. Kansen om te leren, creëren en ondernemen
komen hierbij binnen handbereik. Ieder ecosysteem
legt daarbij eigen accenten, afgestemd op de stedelijke context
en de aanwezige onderwijsinstellingen; sommige focussen
sterk op creatieve sectoren, andere op technologie of sociale
innovatie. Wat hen bindt, is de overtuiging dat studenten
ondernemerschap pas echt leren kennen door het zelf te
ervaren.
De ecosystemen werken volgens een vergelijkbare structuur.
Een projectconsortium gevormd door de stad en minstens
twee hogeronderwijsinstellingen stuurt het geheel aan. De
stuurgroep bewaakt de grote lijnen en zorgt ervoor dat alle
partners inspraak hebben. Een kernteam, samengesteld uit
medewerkers van stad en onderwijsinstellingen, vertaalt die
strategie naar concrete acties en communicatie. De projectcoördinator
vormt de schakel tussen stuurgroep en kernteam,
en onderhoudt het contact met VLAIO. Daarnaast is
er vaak een bredere klankbordgroep met studentenorganisaties,
jongerenwerkingen, publieke en private dienstverleners,
ondernemers en andere actoren die ondernemerschap bij
studenten en de ruimere groep van jongeren stimuleren en
ondersteunen.
13
5-25
(Student)ondernemerschap
Studenten zelf spelen hierbij een steeds grotere rol. Ze evalueren
activiteiten, geven hun noden aan en werken mee als
student-ondernemer of via studentenorganisaties. Zo groeit
het ecosysteem met hen mee en blijft het aanbod relevant.
Vaste plaats
Het voorbije decennium hebben ondernemende praktijken,
ondernemingszin en ondernemerschap een vaste plaats
gekregen binnen steeds meer opleidingen in het hoger onderwijs.
De dynamiek die uitgaat van de ecosystemen en de
inspanningen van het Forum Ondernemend Hoger Onderwijs
droegen hieraan bij. Sinds 2019 zijn ondernemend
handelen en de keuze voor een ondernemerscarrière bovendien
expliciet opgenomen in de Codex Hoger Onderwijs 3 . Dat
betekent dat afgestudeerden, ongeacht hun studierichting,
op dit vlak aantoonbare competenties moeten ontwikkelen.
Vrijwel elke onderwijsinstelling beschikt vandaag over een
ondernemerscentrum, waar studenten terechtkunnen voor
informatie, begeleiding en coaching. Een belangrijke mijlpaal
in deze evolutie was de invoering van het sociaalfiscale statuut
van student-zelfstandige 4 in 2017. Dit statuut maakt het
mogelijk voor studenten van 18 tot 25 jaar om al tijdens hun
studie een onderneming op te starten, zonder meteen zware
sociale bijdragen te moeten betalen of hun groeipakket 5 te
verliezen. De maatregel verlaagde de drempel aanzienlijk.
Sinds de invoering is het aantal student-zelfstandigen zo
goed als verdubbeld (zie Figuur 1). Bijna de helft van deze
jonge ondernemers heeft vijf jaar later nog steeds het statuut
van zelfstandige.
Steeds meer studentbedrijven stromen door naar het bredere
ondernemersecosysteem van incubatoren, acceleratoren,
subsidies en investeerders. Een treffend voorbeeld is het
bedrijf Tekst.ai. Dit ontstond aan de Universiteit Gent als
studenteninitiatief, werd opgenomen in het Imec.istart-programma
6 en ontving innovatieve starterssteun van VLAIO.
Daarna volgden een substantiële innovatiesubsidie en een
eerste investeringsronde met het fonds Entourage 7 . Vandaag
telt Tekst.ai meer dan twintig medewerkers en mag het zich
met recht een scale-up noemen. Het traject illustreert hoe
een geïntegreerde dienstverlening en een sterk ecosysteem
ondernemerschap vooruit kunnen stuwen.
Onderzoekers zoals Rasmussen wijzen erop dat studentondernemingen
een eigen dynamiek hebben, anders dan
klassieke spin-offs. Ze vragen een aangepast ondersteuningskader,
waarin experiment en leren centraal staan
(Rasmussen et al.,2025). Vlaanderen heeft met zijn ecosystemen
en beleidskeuzes die vertaalslag gemaakt.
Zoals we reeds stelden mag ondernemerschap in het hoger
onderwijs zich niet beperken tot studenten. Ook jonge onderzoekers
beschikken over het potentieel om hun kennis te
valoriseren en te commercialiseren. De uitdaging bestaat erin
om hen niet louter te benaderen als producenten van publicaties
of patenten, maar hun de ruimte en incentives te bieden
om hun ondernemende competenties te ontwikkelen. Om
die reden kreeg ondernemerschap sinds 2020 ook een structurele
plaats binnen de doctoral schools.
Brede waaier
In de voorbije tien jaar hebben de ecosysteemprojecten een
brede waaier aan activiteiten en diensten ontwikkeld die
studenten begeleiden in elke fase van hun ondernemersreis:
van eerste inspiratie en informatie tot netwerkuitbouw, vorming
en begeleiding bij concrete uitvoering. 8 Een overzicht.
Informeren en wegwijs maken
Studenten krijgen toegang tot ondernemerschapsinformatie
en ondersteuningsmogelijkheden via campustours, roadshows,
‘Ask us anything’-sessies, websites en sociale media.
Startersevents en thematische sessies, bijvoorbeeld rond zorg,
cultuur of circulair ondernemen, helpen studenten om het
lokale ondernemerslandschap te leren kennen. Fysieke
contactpunten (‘hugging points’) en infosessies zoals Start -
up Essentials bieden persoonlijke assistentie, eerstelijnsadvisering
en praktische tips voor studenten die reeds tijdens
hun studies wensen te ondernemen.
Inspireren
Inspiratie vormt de kern van talrijke initiatieven zoals
podcasts, kick-offevents en ondernemerscafés. Tijdens deze
momenten gaan studenten in gesprek met jonge ondernemers
en experts. Events zoals TechNight Antwerpen dompelen
studenten onder in de wereld van technologie en innovatie.
Stadsroutes en bedrijfsbezoeken zoals Rondje van de zaak
of Broeikassafari tonen ondernemerschap in de praktijk en
brengen studenten rechtstreeks in contact met ondernemersverhalen
uit hun omgeving.
Figuur 1 Aantal student-zelfstandigen in Vlaanderen
(volgens domicilie) (Bron: RSVZ)
Idee- en conceptontwikkeling
Via hackathons, Creators Nights, Innovation Days en andere
challenge-based leerformules formuleren studenten, doorgaans
in multidisciplinaire teams, innovatieve oplossingen
14
(Student)ondernemerschap
voor een maatschappelijk vraagstuk of een businesscase.
Ze leren concepten vormgeven, oplossingen testen en prototypes
ontwikkelen, ondersteund door coaching en feedback.
Studenten die willen experimenteren met ondernemerschap
maar geen ondernemersidee hebben, vinden inspiratie in
initiatieven zoals Brainstorm Bash van Pitch Please.
Netwerken en community building
Een breed aanbod van netwerkevents, zoals Café Connect,
Lunch Please, Club LeJon, meet-and-greetsessies en
alumni- ontmoetingen, brengt studenten, ondernemers en
afgestudeerde student-ondernemers samen. Dit bevordert
kennisdeling, samenwerking en de opbouw van sociaal
kapitaal.
Vorming, training en opleiding
Tijdens themasessies met namen als Pitch&Learn en Workshoproulette
oefenen studenten cruciale ondernemerschapsvaardigheden
zoals brainstorming, pitchen, storytelling, design
thinking en persoonlijke branding. Intensieve leerprogramma’s
zoals het Push Leertraject van Start@K of het TURBO
Leertraject versterken specifiek en meer in de diepte de
ondernemerschapscompetenties van student-ondernemers
en leggen de brug naar het professionele ondernemersveld.
Lancering en showcase
Student-ondernemers krijgen kansen om hun ondernemend
project zichtbaar te maken en directe feedback van potentiële
klanten te ontvangen tijdens demodays, awardshows, makersmarkten
en pop-upevents zoals Startup Your Xmas en
Maanzaad on Tour.
Naast dit aanbod aan activiteiten kunnen studenten met
ondernemersambities en studentondernemers een beroep
doen op begeleiding door coaches in onderwijsinstellingen,
peter- en meterschapsformules en vormen van peerlearning
en peercoaching. Binnen de werking van Gentrepreneur
(zie ook het artikel van Jolien Coenraets op p. 22) kunnen
studenten in de studentencoöperatie The Company hun
project in een veilige context en onder begeleiding testen.
Co-workingruimtes zoals Start@K co-workzone, Cocoon
en &Station Stad Leuven bieden ruimte om ideeën te ontwikkelen,
te testen en samen te werken.
Docenten, coaches en projectmedewerkers krijgen informatie
en introductiesessies die hen helpen ondernemend gedrag
bij studenten te herkennen en te stimuleren. Daarnaast organiseren
we netwerkmomenten en kennisuitwisselingen
met stedelijke actoren en andere partners, zodat ze expertise
en ervaringen breed kunnen delen. Lectoren en docenten
kunnen tevens ondersteuning vinden in het professionaliseringsaanbod
van Vlajo en Unizo. Het VLAIO EntreDesign
Canvas 9 helpt onderwijsprofessionals bij het ontwerpen,
realiseren en evalueren van ondernemerschapsonderwijs.
Optimistischer
Jaarlijks nemen tienduizenden studenten deel aan deze initiatieven.
In 2023-2024 bedroeg dit aantal 18.622. Tellen we
Figuur 2 Voorbeelden van activiteiten en events
15
5-25
(Student)ondernemerschap
de studenten hoger onderwijs die deelnamen aan een leeractiviteit
van de Vlaanderenbrede partners Vlajo, Unizo en
MyMachine hierbij op, dan komen we in dat academiejaar
aan ruim dertigduizend studenten.
Onderzoek bevestigt het positieve effect: studenten die tijdens
hun studie ondernemen, blijven vaker actief ondernemer,
vertonen meer innovatief gedrag en kijken optimistischer
naar hun loopbaan dan hun leeftijdsgenoten. Ze hebben
bovendien meer zelfvertrouwen, een ruimer netwerk en een
grotere motivatie. Docenten ervaren dat ecosystemen theorie
en praktijk dichter bij elkaar brengen. Ook steden en
bedrijven profiteren, omdat ze toegang krijgen tot jong
talent en nieuwe ideeën. Student-ondernemingen blijven
bovendien sterk lokaal geworteld (Lecluyse et al., 2020).
En de impact reikt verder dan de direct betrokkenen. Ecosystemen
versterken de legitimiteit van ondernemerschap
als loopbaankeuze, slaan bruggen tussen onderwijs, bedrijven
en lokale besturen, maken jong ondernemerschap bij het
brede publiek zichtbaar en dragen nationaal bij aan een ondernemende
cultuur die cruciaal is voor innovatie en competitiviteit.
Internationaal positioneren ze Vlaanderen als pionier
in het verankeren van student-ondernemerschap.
Ook de maatschappelijke meerwaarde is groot. Veel studentprojecten
spelen in op actuele uitdagingen zoals klimaatverandering,
digitalisering en inclusie; denk aan circulaire
mode-initiatieven, of apps die sociale cohesie bevorderen.
Dit bewijst dat ondernemerschap niet alleen economisch
maar ook sociaal en cultureel kapitaal genereert.
Tien aanbevelingen
De ecosystemen rond student-ondernemerschap in Vlaanderen
hebben de afgelopen tien jaar een brede ervaring
opgebouwd. Dit heeft niet alleen concrete resultaten opgeleverd,
maar ook waardevolle inzichten. We sommen de
belangrijkste op in de vorm van tien aanbevelingen.
1. Vorm stevige allianties
• Gebruik de quadruple helix (onderwijs, overheid,
bedrijfsleven, samenleving) als leidraad.
• Zorg voor structurele inbedding: minimaal per onderwijsinstelling
één vast aanspreekpunt, zodat continuïteit en
coördinatie gewaarborgd zijn.
• Betrek de stad en lokale actoren (start-ups, bedrijven,
hubs, jeugdhuis, cultuur- en zorgpartners) vanaf het
begin bij de ecosysteemwerking.
• Breng drijfveren en barrières van alle betrokken actoren
(inclusief studenten en docenten) in kaart om ondernemerschap
gericht te versterken.
2. Werk efficiënt samen en vermijd overlap
• Stem communicatie, programmering en events tussen
partners goed af, zodat het aanbod overzichtelijk en
zichtbaar blijft.
• Streef naar multiplicator-effecten: gezamenlijke formats,
herbruikbare instrumenten, gedeelde infrastructuur.
• Houd ruimte voor eigen accenten per partner, maar
veranker afspraken in een gezamenlijke strategie.
3. Zet in op zichtbaarheid en communicatie als motor
• Zet in op strategische communicatie die top of mind
blijft (kickoff-day, campustours, campagnes, podcasts,
magazines) en stem de communicatie af op de belevingswereld
van de studenten.
• Voorzie tijdige communicatie naar docenten, zodat zij
studenten actief kunnen doorverwijzen.
• Gebruik storytelling en rolmodellen die ook falen en
herstarten tonen, om een realistisch beeld te scheppen
van ondernemerschap.
4. Waarborg inclusiviteit en diversiteit
• Bereik ook studenten in niet-businessgerelateerde opleidingen:
zorg, techniek, ambacht, creatieve en sociale
opleidingen.
• Organiseer thematische trajecten en sectorgerichte leerevents
(techclubs, health hubs, circulair ondernemen).
• Laat rolmodellen diversiteit weerspiegelen en bied formats
die zowel kleinschalige als schaalbare ondernemingen
ondersteunen.
5. Ontwikkel een gefaseerd en geïntegreerd aanbod
• Denk in een leerlijn: inspireren informeren netwerken
vorming coaching doorgroei.
• Stem ondernemerschapsonderwijs af op de achtergrond,
waarden en verwachtingen van de doelgroep om
betere resultaten te bereiken. Benut instrumenten zoals
het VLAIO EntreDesign Canvas.
• Voorzie intensieve begeleidingstrajecten voor wie de stap
naar ondernemerschap echt wil zetten.
• Zorg voor opvolging bij de kritische overgang van student
naar ondernemer (mentoren, alumni, link met professionele
dienstverleners).
6. Creëer inspirerende hubs en werkplekken
• Zorg dat studenten ook fysiek terecht kunnen in co-workingruimtes
of ondernemershubs, plekken waar kruisbestuiving
ontstaat.
• Combineer dit met laagdrempelige netwerkmomenten
waar actieve matchmaking studenten helpt om écht
connecties te leggen.
7. Professionaliseer coaches en docenten
• Investeer in basiskennis en sectorspecifieke expertise
bij coaches. Zet in op train-the-trainer voor docenten,
zodat je ondernemerschap ook via curricula borgt.
• Gebruik de tandemfunctie (student + docent/mentor)
om leernoden concreet te vertalen.
16
(Student)ondernemerschap
8. Monitor en bewaak de kwaliteit
• Werk met datagedreven opvolging via digitale tools.
• Meet zowel kwantitatief (kritieke prestatie-indicatoren)
als kwalitatief (verhalen, impact bij alumni).
• Gebruik evaluaties cyclisch: herhaal succesvolle formats
(kick-offs, awards, campustours), maar innoveer en
experimenteer waar mogelijk.
9. Werk duurzaam en toekomstgericht
• Veranker ondernemerschap in alle curricula en onderwijsbeleid.
• Stimuleer interdisciplinariteit en verbinding met maatschappelijke
thema’s (zoals duurzaamheid, inclusie en
digitalisering).
• Bouw internationale samenwerking uit om studenten
breder perspectief en ambitie te geven.
10. Bouw bruggen tussen onderzoek en praktijk
• Maak van ecosystemen levende laboratoria waar studentondernemers
academische inzichten toepassen en valideren.
• Stimuleer onderzoek naar ondernemende competenties,
ecosystemen en impactmeting, en gebruik deze kennis
om onderwijs en werking te versterken.
• Creëer gezamenlijke trajecten waar onderzoekers, studenten
en ondernemers samenwerken aan maatschappelijke
en economische uitdagingen.
• Veranker kennisdeling structureel: laat onderzoeksresultaten
doorstromen naar opleidingen en praktijk, en
laat praktijkervaring terugvloeien naar onderzoekers.
Blijvende investering
Om Vlaanderen als innovatieve topregio te versterken, is een
blijvende investering nodig in een ondernemende mindset,
ondernemend handelen en bijhorende competenties in het
(hoger) onderwijs. De maatschappelijke, economische en
technologische uitdagingen van vandaag vragen om burgers
die niet alleen problemen analyseren, maar ook kansen creëren
en benutten. Het betreft essentiële vaardigheden die
innovatie en duurzaamheid stimuleren. Het ontwikkelen
van ondernemend vermogen bij studenten mag geen optionele
aanvulling zijn, maar moet structureel deel uitmaken
van alle curricula. Dit is een strategische noodzaak om economische
groei, maatschappelijke vooruitgang en innovatiekracht
te waarborgen in een snel veranderende wereld.
De voorbije tien jaar hebben ecosystemen voor student-ondernemerschap
hun impact bewezen. Ondernemerschapsonderwijs
is intussen een vaste pijler van het hogeronderwijsbeleid:
studenten versterken hun innovatievermogen, samenwerkingsvaardigheden
en doorzettingskracht. Doctoral schools
stimuleren mee het ondernemende denken en handelen bij
onderzoekers. Voor steden en regio’s creëren ecosystemen
een dynamiek waarin jongeren, organisaties en bedrijven
elkaar wederzijds versterken.
De volgende fase vraagt om verbreding en verdieping,
met focus op kwaliteit, inclusiviteit, coaching, nazorg en
datagedreven sturing. Besturen en directies van hogeronderwijsinstellingen
spelen hierin een sleutelrol door
ondernemerschapsonderwijs strategisch te verankeren,
interdisciplinariteit te bevorderen, samenwerking met ecosystemen
te bestendigen en impact structureel te meten.
Sterke ecosystemen die samenwerking en experiment duurzaam
ondersteunen, versterken de ondernemende cultuur
in Vlaanderen en maken van studentensteden echte broedplaatsen
van ondernemerschap en innovatie, met tastbare
economische, maatschappelijke en culturele meerwaarde.
Nele Lintermans, Johan Poisquet & Reineke Vandevenne
zijn projectadviseurs Ondernemende Jongeren bij VLAIO
Literatuur
Branca E., Vanderstraeten J., Slabbinck H. e.a. (2025). The impact of entrepreneurial
education on key entrepreneurial competencies: A systematic review of learning
strategies and tools. The International Journal of Management Education, Volume 23,
Issue 2, 101144, ISSN 1472-8117. doi.org/10.1016/j.ijme.2025.101144.
Guesss (2023). Een studie over de ondernemende mindset en ondernemend gedrag
bij Vlaamse hogeschoolstudenten. publicaties.vlaanderen.be/view-file/69787 /
publicaties.vlaanderen.be/view-file/69784
Ismail R., Vanderstraeten J. & Slabbinck H. (2024). The student entrepreneurial intention
cloud: a review of reviews. Cogent Business & Management, 11:1, 2344046.
doi.org/10.1080/23311975.2024.2344046µ
Lecluyse L., Andries P. & Knockaert M. (2020). De impact van student-ondernemerschap:
Pilootproject Universiteit Gent. Steunpunt Economie en Ondernemen. UGent
Beleidsrapport STORE-20-017.
Mortier A., Matthys J., Levecque K. e.a. (2022). Een doctoraat en ondernemerschap. Wat is
de waarde van een doctoraat voor ondernemerschap? www.ewi-vlaanderen.be/nieuws/
wat-de-waarde-van-een-doctoraat-voor-ondernemerschap
Rasmussen, E., Andries, P. & Knockaert, M. (2024). Student ventures: a new organizational
form in the university entrepreneurial ecosystem. Academy of Management Perspectives,
38(4), 473-491. doi.org/10.5465/amp.2023.0052
Shir, N. (2018). Entrepreneurship and well-being: The role of psychological autonomy,
competence, and relatedness. Journal of Business Venturing. doi.org/10.1016/j.
jbusvent.2018.05.002
Noten
1 Zie voor meer informatie over onze werking en die van onze partners www.vlaio.be/
ondernemendonderwijs en zie www/vlaio.be/student-zelfstandige
2 Na de EFRO-VLAIO-financieringsperiode 2016-2020 (Europees Fonds voor Regionale
Ontwikkeling) besloot VLAIO verder te investeren in de ontwikkeling van ecosystemen
voor student-ondernemerschap.
3 De Codex Hoger Onderwijs is een wettekst die de decretale bepalingen voor het hoger
onderwijs in Vlaanderen beschrijft.
4 Zie www.vlaio.be/student-zelfstandige
5 Het Groeipakket is een financiële tegemoetkoming van de Vlaamse overheid voor de
opvoeding en verzorging van kinderen.
6 www.imecistart.com/en/belgium
7 Het investeringsfonds Entourage bouwt en financiert de volgende generatie
softwarebedrijven via een start-upstudio (Entourage Studio) en een early stage
investeringsfonds (Entourage Capital).
8 Voor meer informatie over onze werking en vermelde waaier aan activiteiten en
diensten: ondernemendonderwijs@vlaio.be
9 www.vlaio.be/nl/vlaio-netwerk/ondernemend-onderwijs/vlaio-entredesign-canvas/
aan-de-slag-met-het-vlaio-entredesign-canvas
17
5-25
(Student)ondernemerschap
In de afgelopen twee decennia heeft het ondernemerschapsonderwijs in Nederland een ontwikkeling doorgemaakt
naar een breed pedagogisch en maatschappelijk georiënteerd domein. Een belangrijke vraag is nu: hoe zet je deze
ondernemende aanpak door?
Voedingsbodem voor wendbaar
hoger onderwijs
Geen luxe, maar strategische noodzaak
Thomas Lans
Hogeschool van Arnhem en Nijmegen
A
l jaren stijgt het percentage van de werkende bevolking
dat actief nadenkt over of al betrokken is bij het
starten of leiden van een jong bedrijf (GEM, 2025).
Waar dat percentage begin deze eeuw op zo’n 5 procent
lag, was dat anno 2023 bijna verdrievoudigd. Ook zien
we in internationale cijfers van de Global Entrepreneurship
Monitor (GEM), HEInnovate en de OESO (Organisatie
voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) dat het
Nederlandse onderwijs in deze periode een relatief sterke
infrastructuur heeft ontwikkeld om ondernemerschap te
onderwijzen en te ondersteunen. Zo zijn er in het hoger
onderwijs minoren, tracks, leerlijnen en een topondernemersregeling,
evenals extracurriculaire ondersteuning in de vorm
van starterscoaching, mentoren en programma’s die zich
specifiek richten op kennisintensief ondernemerschap.
Veel van deze ontwikkelingen zijn schatplichtig aan de verschillende
landelijke stimuleringsmaatregelen, onderwijsinnovatieprogramma’s
en het opkomende onderzoek naar
ondernemerschapsonderwijs sinds de jaren negentig. Zo
kreeg Nederland in 2007 de Subsidieregeling Ondernemerschap
& Onderwijs (O&O), en rond 2010 volgde de regeling
Onderwijs Netwerk Ondernemen. De laatste jaren beoogt het
O2LAB-programma van de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland – samen met zeven regionale hubs (beroeps- en
wetenschappelijk onderwijs), kennisnetwerken, praktijkgericht
onderzoek en docentenondersteuning – het ondernemerschapsonderwijs
toegankelijker en beter verankerd
te maken en de focus verder te verbreden.
Deze cijfers en ontwikkelingen laten twee dingen zien. Ten
eerste: Nederland kent een substantieel niveau van ondernemende
intentie en activiteit – een gunstige context voor het
ontwikkelen van ondernemend potentieel. Ten tweede: het
hoger onderwijs heeft de afgelopen jaren een relatief sterke
infrastructuur opgebouwd om ondernemerschap te onderwijzen
en te ondersteunen. Samen vormen deze elementen
een potentieel rijke voedingsbodem voor ondernemend
leren en handelen in het onderwijs.
Tegelijkertijd zien we op dit moment een andere beweging.
Diverse Centres for Entrepreneurship zien hun middelen
teruglopen, en succesvolle landelijke initiatieven zoals
O2LAB krijgen in 2026 geen vervolg. Dat is zorgwekkend,
omdat doorontwikkeling van deze infrastructuren – de netwerken,
hubs en programma’s waarin ondernemend onderwijs,
bedrijfsleven en overheid elkaar ontmoeten – cruciaal
is voor de grote uitdagingen waarvoor het onderwijs en de
samenleving staan. Ondernemerschap en ondernemerschapsonderwijs
gaan namelijk veel verder dan ‘geld verdienen’
of het ‘stimuleren van nieuwe starters’: ze vormen ook een
belangrijk ingrediënt voor wendbaarheid, innovatiekracht
en toekomstbestendigheid van het hoger onderwijs. In een
tijd van demografische krimp, afnemende instroom van
studenten, teruglopende middelen en de noodzaak om een
leven lang ontwikkelen structureel te verankeren, is deze
ondernemende infrastructuur geen luxe, maar een strategische
noodzaak. Het is daarom van belang dat bestuurders,
managers en leidinggevenden de ingrediënten en het
18
(Student)ondernemerschap
potentieel van deze voedingsbodem goed begrijpen wanneer
ze maatregelen nemen.
Smalle definitie
Als je onderwijsprofessionals in de praktijk vraagt naar hun
definitie van ondernemerschap, krijg je vaak de omschrijving
die het dichtst aansluit bij het klassieke, bedrijfskundige
perspectief: het starten en runnen van een bedrijf. In de
wetenschappelijke literatuur hebben we het dan meestal
over de ‘smalle definitie’ van ondernemerschap. Onderwijsen
ondersteuningsprogramma’s vanuit dit perspectief zijn
doelgericht opgezet om het aantal nieuwe ondernemingen
te vergroten. Dit sloot destijds, bij de eerste stimuleringsprogramma’s,
goed aan bij beleidsdoelen die economische
groei en arbeidsmarktparticipatie wilden verhogen. De nadruk
lag op het ontwikkelen van praktische vaardigheden en ‘howto’-kennis:
studenten leerden hoe zij een ondernemingsplan
konden schrijven, een businessmodel konden valideren,
financiering konden regelen en hun eerste stappen als
ondernemer konden zetten.
Hoewel deze initiatieven waardevolle praktijkervaring boden,
waren ze zelden structureel ingebed in het curriculum. Deze
instrumentele benadering droeg wel bij aan een verdere
professionalisering van het ondernemerschapsonderwijs.
Een belangrijke ontwikkeling daarin was het ‘leren door te
doen’ (Motta & Galina, 2023). Learning about ondernemerschap
werd meer en meer learning for ondernemerschap.
Voorbeelden zijn de ‘mini-companies’ waarin studenten
gedurende een bepaalde periode van idee naar concrete
verkoop werken. De samenwerking met het midden- en
kleinbedrijf (mkb) speelde in deze periode vooral een ondersteunende
rol. Contacten tussen onderwijs en bedrijfsleven
verliepen veelal projectmatig en tijdelijk, bijvoorbeeld via
stages of gastcolleges.
Kritiek was er ook. Onderzoek liet zien dat dergelijke minicompanyprogramma’s
weinig effect hadden op de ontwikkeling
van ondernemende vaardigheden en zelfs een negatief
effect op de keuze om te gaan ondernemen (Oosterbeek
et al., 2010). Daarmee kwam de vraag op of ondernemerschapsonderwijs
meer competentie- dan carrièregericht
zou moeten zijn.
Van smal naar breed
Naarmate de jaren vorderden, werd duidelijk dat ondernemerschapsonderwijs
niet alleen draait om het oprichten en
runnen van bedrijven, maar ook om het ontwikkelen van een
ondernemende houding en vaardigheden die in diverse contexten
van waarde kunnen zijn. Veelal hanteerde het onderwijs
hiervoor de begrippen ‘ondernemendheid’ en (met name
in Vlaanderen) ‘ondernemerszin’, als tegenhangers van
het starten of runnen van een bedrijf. De introductie van
het Europese Entrepreneurship Competence Framework
(EntreComp) gaf deze beweging in Europees verband verder
richting (Bacigalupo et al., 2016). Het raamwerk beschouwt
ondernemerschap als een sleutelcompetentie die voor iedereen
relevant is, ongeacht of iemand een bedrijf start, en
benoemt vijftien onderliggende competenties, clusters van
kennis, vaardigheden en houding – waaronder kansen zien,
creativiteit, doorzettingsvermogen en samenwerken. Het
voordeel van deze bredere benadering was dat ze ook de
deur opende naar nieuwe, niet-economische onderwijscontexten
voor ondernemerschapsonderwijs. Daarnaast rekent
ze ook af met een van de hardnekkigste mythes: dat je als
ondernemer geboren moet worden.
Ondernemerschapsonderwijs kreeg daarmee de mogelijkheid
een plek te verwerven in bijvoorbeeld de technische
domeinen, de agrifoodsector, de kunsten en het sociale
domein, waar ook de behoefte bestond aan het ontwikkelen
van nieuwe producten, diensten of businessmodellen. Waar
traditioneel ondernemerschap het exclusieve domein was van
businessschools of Centres for Entrepreneurship, zorgde de
beweging van ‘breed ondernemerschapsonderwijs’ ervoor
dat er ook andere governancemodellen konden ontstaan.
In het ‘magnet model’ is er sprake van één centraal punt
(of enkele centrale punten) binnen de instelling dat verantwoordelijk
is voor het organiseren van ondernemerschapsonderwijs
en -activiteiten (Streeter et al., 2002).
Daarentegen is in het ‘radiant model’ het ondernemerschapsonderwijs
verspreid over de verschillende faculteiten,
departementen of scholen. Ondernemerschap wordt hier
geïntegreerd in de curricula van diverse disciplines – niet
alleen binnen business, management of engineering.
Naast de omarming van het competentiedenken in ondernemerschapsonderwijs
was er ook kritiek. De kritiek was dat
een lijst met competenties docenten, facilitators of begeleiders
nog steeds weinig informatie geeft over het hoe. Alleen
‘leren door te doen’ leek wat mager. Hoe stimuleer of ontwikkel
je effectief deze grote variëteit aan competenties?
Idealiter krijgen dergelijke (leer)activiteiten ook een prominente
plek in het ontwerp van ondernemerschapsonderwijs
(Baggen et al., 2022). Systematische reviews wijzen er evenwel
op dat veel studies die het ‘hoe’ bekijken, methodologisch
nog zwak zijn onderbouwd en dat de effectiviteit sterk varieert
per context (Farrokhnia et al., 2025). Ook het meten van de
effectiviteit van (leer)activiteiten blijft problematisch – veel
studies zijn kleinschalig, cross-sectioneel of rapporteren selfreported
ontwikkeling in plaats van daadwerkelijk gedrag.
Betrokken bij anderen
Een tweede punt van kritiek was dat in de competentielijstjes
nog weinig aandacht was voor waarden en dieperliggende
overtuigingen die een rol spelen in het zien, evalueren en
creëren van kansen. De maatschappelijke, sociale en normatieve
dimensie van ondernemerschap bleef grotendeels buiten
beeld. Deze spelen echter wel een rol: er is bijvoorbeeld
19
5-25
(Student)ondernemerschap
aanzienlijke variatie in onderliggende drijfveren en wereldbeelden
van ondernemers (Fauchart & Gruber, 2011). Ondernemend
gedrag komt niet alleen voort uit eigen belang,
maar ook uit betrokkenheid bij anderen: de directe omgeving
of zelfs mensen buiten de eigen kring. Denk aan waarden
en doelen gericht op het realiseren van positieve veranderingen
binnen een gemeenschap, of aan ondernemerschap dat
zich richt op bredere maatschappelijke uitdagingen zoals
het aanpakken van klimaatverandering of het verkleinen van
sociale ongelijkheid. Deze diversiteit in waarden weerspiegelt
zich in de praktijk in de toenemende aandacht voor sociaal
en impactgericht ondernemerschap. Daarin zien we een
grote vertegenwoordiging van vrouwelijke ondernemers,
jongvolwassenen en starters met een migratieachtergrond
(Bosma, 2022).
Niet verrassend is dan ook dat in het ondernemerschapsonderwijs
de notie van ‘waardecreatie’ centraler is komen
te staan. En die waarde hoeft niet alleen financieel of economisch
te zijn, maar kan ook sociaal, cultureel of ecologisch
van aard zijn. Deze opvatting is niet beperkt tot nicheprogramma’s
die zich focussen op sociaal ondernemerschap,
maar wordt inmiddels ook mainstream in grotere ondernemerschapsonderwijsprogramma’s.
Zo staat sinds 2025 in
alle opleidingen Ondernemerschap en Retailmanagement
aan hogescholen in Nederland meervoudige waardecreatie
centraal in alle curricula.
Vanuit een onderwijsleeromgeving- en governanceperspectief
is deze beweging interessant, want het meervoudig
waardeperspectief doet opnieuw een beroep op de invulling
van de ‘hoe’-vraag. In de ondernemerschapsonderwijsliteratuur
op microniveau komt dit terug in het begrip value-creation
pedagogy (Lackéus, 2020) en op mesoniveau in het
belang van communitydenken (Doorneweert et al., 2025).
Value-creation pedagogy benadrukt leren door daadwerkelijke
waarde te creëren voor externe stakeholders; ondernemend
leren plaats je daarmee midden in de praktijk van waardeschepping.
Waarde ontstaat immers in interactie met anderen.
Studenten verwerven vaardigheden door het realiseren
van concrete, relevante leeropbrengsten – niet uitsluitend
financiële, maar ook maatschappelijke en ecologische. Daarmee
verschuift de exemplarische leeromgeving van ‘leren
in het bedrijf’ naar een veel grotere diversiteit van mogelijke
samenwerkingen tussen onderwijs en werkveld: van korte
uitdagingen zoals hackathons tot stages, cocreatieprojecten
en langdurige businesscases.
Op mesoniveau laat recent praktijkgericht onderzoek (Bouten
et al., 2025; Doorneweert et al., 2025) zien dat deze beweging
de mogelijkheid biedt om frisse ideeën binnen te halen,
jong ondernemend talent te werven en door middel van
ondernemerschap invulling te geven aan maatschappelijke
opgaven. Opdrachten met open eindes, met aandacht voor
duurzaamheid en ethiek, waarbij studenten leren omgaan
met onzekerheid en complexe vraagstukken zoals circulariteit,
verduurzaming of vergrijzing, lenen zich hier goed voor. Het
gaat er dan om een concreet antwoord te vinden op vragen
zoals: welke kansen biedt een wijk of regio rondom energieverbruik,
waterbesparing, digitalisering of gezond oud
worden? Of, andersom: creëert mijn huidige initiatief of
bedrijf in de toekomst juist kansen of problemen voor
anderen of elders?
Dat lijkt overigens makkelijker dan het is. Denk aan uitdagingen
als het goed aansluiten bij de ‘ondernemerstaal’ van
mkb-ondernemers of initiatiefnemers, en voldoende zicht
hebben op aanwezige (latente) ondernemende intenties
en mindsets bij studenten. Daarnaast is het belangrijk om
gebruik te maken van bestaande samenwerkingsverbanden,
netwerken en regionale hubs. Die zijn evenwel op hun beurt
lang niet altijd ingericht vanuit een ondernemerschapslens
(Van Zalk & Lans, 2025).
Urgente vraag
Terug naar de realiteit van 2025: het hoger onderwijs in
Nederland heeft te maken met teruglopende studentenaantallen,
druk op financiële middelen en tegelijkertijd grote
ambities op het gebied van maatschappelijke impact en
regionale ontwikkeling. Deze realiteit brengt een urgente
vraag met zich mee: hoe kunnen we doorwerking verder
vergroten, in tijden van beperkte middelen?
Een deel van het antwoord ligt in het structureel blijven
ondersteunen en het beter benutten van het potentieel van
ondernemerschapsonderwijs. De afgelopen jaren heeft zich
in het ondernemerschapsonderwijs een duidelijke verschuiving
voltrokken: van een afstemmingsstrategie, waarin de
nadruk lag op losse initiatieven zoals startersbegeleiding,
incubators, stages en gastlessen, naar een toegevoegdewaardestrategie
die inzet op ondernemend gedrag en ondernemende
processen binnen onderwijs, onderzoek en praktijk.
Ondernemerschap vatten we daarin op als een waardecreatieproces:
het vermogen om kansen te zien, te evalueren,
te creëren en te benutten. Waarde kan daarin financieel,
economisch, sociaal, cultureel, ecologisch of een combinatie
daarvan zijn.
Deze benadering doet expliciet een beroep op het leren
handelen in onzekerheid en in samenwerking met anderen
waarde tot stand te brengen. Het hoger onderwijs kent echter
van oudsher een sterke institutionele en disciplinaire logica,
die goed te verklaren is vanuit onderwijs- en onderzoeksperspectieven,
maar die de ruimte voor ondernemend handelen
soms beperkt. Onderzoek laat zien dat naarmate de onzekerheid
toeneemt en de beschikbare middelen afnemen, het
vermogen om te schakelen naar een ondernemende mindset
en aanpak steeds belangrijker wordt. Het beschikken over
deze ‘tweebenigheid’ is niet alleen van belang voor groei of
financieel succes, maar ook voor wendbaarheid in tijden van
onzekerheid. De wetenschappelijke literatuur over ambidextrie
(March, 1991) en effectuation (Sarasvathy, 2001) – als
specifieke ondernemende benadering – onderstreept het
20
(Student)ondernemerschap
belang van het kunnen hanteren van verschillende logica’s
binnen organisaties, juist wanneer de omgeving snel
verandert.
Het hoger onderwijs heeft met zijn ondernemerschapsonderwijs
een belangrijke voedingsbodem in handen voor het
verder aanzetten van deze ondernemende aanpak. De vervolgvraag
is: hoe dan? Het benutten van die voedingsbodem
kan op korte termijn door het beter verbinden van ondernemerschapsonderwijs
met het regionale mkb en, breder, met
de vele bestaande publiek-private samenwerkingen waarin
het hoger onderwijs participeert. Dat kan van buiten naar
binnen, en van binnen naar buiten. Van binnen naar buiten
door bestaande ondernemerschapsprogramma’s toegankelijk
te maken voor mkb-ondernemers. Daardoor kun je actief
werken aan het versterken van de ondernemende mindset
en vaardigheden van een grotere groep ondernemers en
managementteams. Dit draagt niet alleen bij aan de wendbaarheid
van bedrijven zelf, maar creëert ook nieuwe regionale
waardeproposities voor het hoger onderwijs, bijvoorbeeld
op het terrein van een leven lang ontwikkelen en praktijkgericht
onderzoek.
Van buiten naar binnen kun je ondernemerschapsonderwijs
beter integreren in bestaande publiek-private samenwerkingsverbanden
op de transitiethema’s zoals digitalisering,
energie-, zorg- of eiwittransitie (Van Zalk & Lans, 2025).
Theoretische oplossingen of prototypes blijven immers
slechts ideeën totdat je ze succesvol implementeert. Door
binnen deze samenwerkingsverbanden vanuit ondernemend
gedrag en processen te redeneren, kun je de maatschappelijke
impact vergroten. Dat kan door het versterken van het
vermogen van studenten en docenten om kansen te signaleren
en te evalueren, het zichtbaar waarderen en belonen
van ondernemend gedrag, het stimuleren van rolmodellen
binnen opleidingen en onderzoeksgroepen, en de koppeling
met het ecosysteem voor ondernemerschap (Van Zalk &
Lans, 2025).
Verbindend proces
Het mes snijdt overigens aan meerdere kanten. Intensievere
verbindingen tussen onderwijs en werkveld (via stages, projecten
en challenge-based learning) helpen studenten op hun
beurt weer in de ontwikkeling van professionele expertise,
meer geïntegreerde kennis-toepassing, kritisch denken,
probleemoplossend vermogen en betere aansluiting op de
beroepspraktijk – mits de samenwerking voldoende intens
en kwalitatief goed is (Rens & Lans, 2022). Een neveneffect
is dat naarmate vraagstukken complexer en ‘opener’ worden,
je een nog groter beroep doet op een ondernemende mindset
van alle betrokkenen: het zien van kansen, omgaan met
ambiguïteit, onzekerheid en het nemen van risico (Rens &
Lans, 2022).
Kortom, het versterken van ondernemerschapsonderwijs
vanuit deze toegevoegdewaardestrategie betekent dus niet
een kostenpost door het optuigen van nieuwe structuren,
maar het beter benutten en verbinden met wat er al is: de
mkb-netwerken, publiek-private samenwerkingen en regionale
ecosystemen die de afgelopen jaren zijn opgebouwd.
Door, in jargon, te ‘ontschotten’. Door ondernemerschap te
zien als verbindend proces tussen onderwijs, onderzoek en
praktijk – en niet als losse eenheid – kan het hoger onderwijs
zijn maatschappelijke opdracht versterken en bijdragen
aan een veerkrachtige, innovatieve en toekomstbestendige
kennissamenleving.
Thomas Lans
is lector Kansrijk Ondernemen aan de Hogeschool van Arnhem
en Nijmegen en voorzitter van het Nederlands Lectorenplatform
Ondernemerschap
Literatuur
Bacigalupo, M., Kampylis, P., Punie, Y. e.a. (2016). EntreComp: The Entrepreneurship
Competence Framework. Publications Office of the European Union.
doi.org/10.2791/593884
Baggen, Y., Lans, T. & Gulikers, J. (2022). Making entrepreneurship education available to
all: Design principles for educational programs stimulating an entrepreneurial mindset.
Entrepreneurship Education and Pedagogy, 5(3), 347-374.
Bosma, N. (2022). Global Entrepreneurship Monitor: The Netherlands 2022 report. Utrecht
University School of Economics.
Bouten, L. (2025). Beyond One-Size-Fits-All: Segmenting SME Motivations for
Entrepreneurship Education Partnerships. RENT XXXIX conference, Enschede.
Doorneweert, B., Onderstal, H., Delisse, J. e.a. (nog niet verschenen). Community:
A Catalyst for Modern Entrepreneurship Education. In Erich J. Schwarz, David B.
Audretsch & Milica Marković (red.), Handbook of Teaching and Learning in Social
Innovation. Edgar Elger.
Farrokhnia, M., Noroozi, O., Baggen, Y. e.a. (2025). Fostering university students’
entrepreneurial opportunity identification capability: A systematic literature review.
Entrepreneurship Education and Pedagogy. doi.org/10.1177/25151274241309938
Fauchart, E. & Gruber, M. (2011). Darwinians, communitarians, and missionaries: The role
of founder identity in entrepreneurship. Academy of Management Journal, 54(5), 935-957.
Lackéus, M. (2020). Comparing the impact of three different experiential approaches to
entrepreneurship in education. International Journal of Entrepreneurial Behavior &
Research, 26(5), 937-971.
March, J.G. (1991). Exploration and exploitation in organizational learning. Organization
Science, 2(1), 71-87.
Motta, V.F. & Ribeiro Galina, S.V. (2023). Experiential learning in entrepreneurship
education: A systematic literature review. Teaching and Teacher Education 121: 103919.
Oosterbeek, H., Van Praag, M. & IJsselstein, A. (2010). The impact of entrepreneurship
education on entrepreneurship skills and motivation. European Economic Review, 54(3),
442-454.
Rens, M. & Lans, T. (2022). Leren en ontwikkelen op de grens van onderwijs en werkveld: een
overzichtsstudie naar specifieke verschijningsvormen, leeropbrengsten en condities.
’s-Hertogenbosch: ECBO.
Sarasvathy, S.D. (2001). Causation and effectuation: Toward a theoretical shift from
economic inevitability to entrepreneurial contingency. Academy of Management Review,
26(2), 243-263.
Streeter, D.H., Jaquette, J.P. & Hovis, K. (2002). University-wide entrepreneurship
education: Alternative models and current trends. Kauffman Center for Entrepreneurial
Leadership.
Van Zalk, F.M. & Lans, T. (2025). Ondernemen als versneller van maatschappelijke opgaven: De
Idea Trail als kijkkader. Arnhem: HAN University of Applied Sciences.
21
5-25
(Student)ondernemerschap
Gent zet sterk in op het stimuleren van ondernemerschap bij studenten, onderzoekers en jongeren. Expertisecentrum
Gentrepreneur is al ruim tien jaar de drijvende kracht achter het extracurriculair aanbod in de stad.
Succesvol samenwerken binnen
Gentrepreneur
Eén aanspreekpunt voor jonge ondernemers
Jolien Coenraets
Gentrepreneur, Gent
G
entrepreneur is het Gents expertisecentrum voor
ondernemende studenten, onderzoekers en jongeren
van 18 tot en met 25 jaar. Het organiseert een extracurriculair
aanbod van evenementen, trajecten en
coaching voor jongeren met interesse in ondernemerschap,
een concreet ondernemersidee of een bestaande onderneming.
De meer dan 85.000 studenten van de zes hogeronderwijsinstellingen
in Gent (Arteveldehogeschool, Hogeschool Gent,
LUCA, Odisee, KU Leuven en Universiteit Gent) 1 kunnen
terecht bij een en dezelfde organisatie, wat de drempel naar
ondernemerschap verlaagt en de zichtbaarheid vergroot.
Het lijkt een logisch verhaal: één centrum waar alle studenten,
onderzoekers en jongeren uit de stad terechtkunnen met
hun vragen en plannen rond ondernemerschap. Toch is dit
pas sinds september 2024 realiteit in Gent. En als we naar
het Vlaamse landschap kijken, zien we dat dit allesbehalve
een evidentie is. In de meeste studentensteden heeft elke
hogeronderwijsinstelling een eigen aanbod, al dan niet
aangevuld met een aanbod op stedelijk niveau. Om goed te
laten zien hoe het in Gent is gelukt om de krachten te bundelen
nemen we u mee in de historiek van Gentrepreneur.
De beginjaren
De ondersteuning van student-ondernemers in Gent start
begin deze eeuw als een instellingseigen werking. De Hogeschool
Gent, Arteveldehogeschool en de Universiteit Gent
lanceren elk een apart centrum (respectievelijk het Centrum
voor Ondernemen in 2007, ACCIO in 2008 en Durf Ondernemen
in 2011), waarbij ze hun eigen focus kunnen bepalen,
om die optimaal te laten aansluiten bij het beleid van de
organisatie. Vanuit deze werkingen bouwen de instellingen
expertise op rond de begeleiding van studenten die (willen)
ondernemen en brengen ze pijnpunten in kaart.
De betrokkenen van de drie onderwijsinstellingen kennen
elkaar en besluiten een aantal van deze pijnpunten gezamenlijk
aan te pakken. De combinatie van studeren en ondernemen
is niet evident en vereist studieflexibiliteit, die enkel
mogelijk is met een bijzonder statuut. In het academiejaar
2011-2012 voeren de drie instellingen in primeur het bijzonder
statuut voor student-ondernemers in (naar analogie met
het topsportstatuut). De criteria, administratie en voordelen
verschillen licht tussen de instellingen, maar de essentie is
dezelfde: een vlottere combinatie van studeren en ondernemen
mogelijk maken. Bijkomend voordeel: je kunt bijhouden
De zalen zitten
vol en het lukt om
inspirerende sprekers
aan te trekken
22
(Student)ondernemerschap
om hoeveel personen het gaat, welke opleiding ze volgen en
welk soort onderneming ze starten.
In de ondernemerswereld zijn studenten (of zeer jonge ondernemers)
op dat moment zeldzaam en ook op de schoolbanken
zijn ze buitenbeentjes. Er is nood aan bewustwording,
informatiedeling en zichtbaarheid om student-ondernemerschap
op de kaart te zetten. Op een eerste gezamenlijke
activiteit (genaamd Student Ghentrepreneur) verstrekken
ondernemersorganisaties en experten informatie en kunnen
student-ondernemers met elkaar netwerken.
Voelbare winst
De samenwerking smaakt naar meer. De drie instellingen
vragen een projectsubsidie aan bij het Agentschap Ondernemen
(het huidige VLAIO, Vlaams Agentschap voor
Innoveren en Ondernemen) om in de daaropvolgende
twee academiejaren een aantal gezamenlijke activiteiten te
kunnen organiseren die focussen op het inspireren, informeren,
enthousiasmeren en netwerken. De subsidie laat
bovendien toe dat er tijd vrijkomt voor het gemeenschappelijke
luik. Door vaak samen te werken ontstaan er goede
connecties, die ook leiden tot dialoog en afstemming op
andere fronten. Het is de start van een succesvolle samenwerking
en de efficiëntiewinst is voelbaar: de zalen zitten
vol en het lukt om inspirerende sprekers aan te trekken.
Wie geïnspireerd raakt en verdere begeleiding wil bij het
ondernemen kan voorlopig terecht bij de verschillende
centra binnen de onderwijsinstellingen.
Met de steun van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling
(EFRO) en VLAIO ontvangen de drie instellingen een
bijkomende subsidie voor ondernemende studentenecosystemen.
Ze werven drie extra medewerkers (2 fte) aan om
gedurende vier jaar te bouwen aan de opstart van een gezamenlijk
expertisecentrum met de naam Gentrepreneur. Een
projectteam dat de projectmiddelen centraal beheert, organiseert
activiteiten die focussen op inspireren, informeren en
wegwijs maken, terwijl de medewerkers van de centra binnen
de onderwijsinstellingen zich richten op de een-op-eenbegeleiding
van ondernemende studenten. Door deze aanpak is
er zowel ruimte voor gezamenlijk experiment als oog voor
de ontwikkeling van de eigen ondernemerscentra.
Met gebundelde krachten lobbyen de drie instellingen om
de situatie voor student-ondernemers gunstiger te maken.
Als student is het in 2016 nog steeds veel voordeliger om te
werken voor een werkgever dan om je eigen zaak te starten.
Mede dankzij de sterke samenwerking en het pionierswerk
in Gent voert de federale overheid in 2017 het fiscale statuut
student-zelfstandige in. Dit statuut maakt ondernemen toegankelijker
voor studenten en neemt een aantal belangrijke
drempels weg. Cijfers tonen aan dat ongeveer de helft van
de studenten met dit statuut ook verder onderneemt na het
afstuderen. 2
In 2019 stappen de Universiteit Gent en de Hogeschool
Gent mee in ARTEpreneur, een coöperatieve vennootschap
die Arteveldehogeschool in 2015 heeft opgericht. Die stelt
studenten in staat om gedurende hun studie gebruik te
maken van het ondernemingsnummer van de vennootschap,
wat de drempel verlaagt om direct een eigen onderneming
op te starten tijdens de marktverkenningsfase. Vanaf 2019
valt deze werking onder het Gentrepreneur-project, met als
nieuwe naam Gentrepreneur Company. Deze samenwerking
versterkt opnieuw de banden tussen de drie onderwijsinstellingen
en zorgt ervoor dat er naast een projectmatige
samenwerking nu ook een bestuurlijke samenwerking is.
Het kantelpunt
In 2020 beslist VLAIO om de succesvolle ecosystemen in
studentensteden te bestendigen onder eigen beheer, telkens
met een engagement voor vijf jaar. In de strategieoefening
die aan de indiening van het dossier voorafgaat, krijgt Gentrepreneur
de rol van centrale speler in het ecosysteem die
een verbindende rol opneemt tussen de centra van de hogeronderwijsinstellingen,
de stad, de provincie en de verschillende
(boven)lokale spelers zoals ondernemersorganisaties.
Tegelijk start de zoektocht naar een gezamenlijke neutrale
locatie waar alle partners kunnen samenwerken en hun
diensten aanbieden. Centrale kernwaarden in het consortium
zijn: ‘drempelverlagend, verbindend en samenwerking’.
Vanuit die kernwaarden werken de onderwijsinstellingen in
de daaropvolgende jaren aan de verdere uitbouw van zowel
de Gentrepreneur-werking als de aparte werkingen. Er is
sprake van groei, maar bepaalde pijnpunten blijven hardnekkig
de kop opsteken. Er zijn vijf ‘merken’ – Gentrepreneur,
Gentrepreneur Company, IdeaFactory (Artevelde), DO!
(Universiteit Gent) en E-Lab (Hogeschool Gent) – die zich
positioneren ten opzichte van elkaar, waardoor het voor de
doelgroep niet altijd helder is waar ze terechtkunnen. Wie
verandert van onderwijsinstelling moet plots verder met een
andere coach of een andere dienstverlening. Wie pech heeft,
kan niet terecht in het meest geschikte programma omdat
hij of zij niet tot de juiste onderwijsinstelling behoort (al
springt Gentrepreneur hier pragmatisch mee om). Voor
de andere organisaties is het moeilijk om met de onderwijsinstellingen
relaties uit te bouwen rond ondernemerschap,
aangezien dat bij voorkeur met de vijf entiteiten moet
gebeuren. Voor sponsoring contacteren merken soms
dezelfde partijen, waardoor er ongewild competitie ontstaat.
Net op dat moment worden de plannen voor de herbestemming
van het Gentse Wintercircus gelanceerd: het gebouw
in het centrum van de stad wordt een bruisende hub waar
de crème de la crème van de techstart-ups zich zal vestigen.
Het is een opportuniteit om Gentrepreneur hier onder te
brengen, maar de organisatie van het pand ziet de versnippering
en roept op om de krachten te bundelen. Terzelfdertijd
zijn er verschillende denkoefeningen bezig: wil men
23
5-25
(Student)ondernemerschap
Het iconische
Wintercircus in het
centrum wordt
de nieuwe thuis
ook samenwerken als er geen subsidie tegenover staat? Het
antwoord is duidelijk positief, en vanaf dat moment is de
deur geopend om te verkennen hoe een gezamenlijke werking
vorm kan krijgen.
Gezamenlijke afspraak
Na de gesprekken met de betrokken actoren stellen de initiatiefnemers
van Gentrepreneur in maart 2023 een gezamenlijke
nota op, die ze voorleggen aan het bestuur van de drie
onderwijsinstellingen. De doelstelling voor de nieuwe manier
van samenwerken luidt als volgt: ‘de competentie-ontwikkeling
van studenten versterken en zo studenten nog beter
begeleiden naar en in ondernemerschap. Op die manier
dragen we als partnerschap en als hogeronderwijsinstellingen
substantieel bij tot het maatschappelijk en economisch
weefsel.’ De ondersteuning van extracurriculair ondernemerschap
gebeurt samen, maar de intracurriculaire ontwikkeling
van ondernemerschapsvaardigheden, de competentieontwikkeling
van lesgevend personeel op het gebied van ondernemend
lesgeven en het onderzoek naar ondernemerschap blijft
een verantwoordelijkheid van de individuele onderwijs -
instellingen.
Na het akkoord van de verschillende besturen op de nota
stellen de drie instellingen zich tot doel om vanaf september
2024 verder te werken onder de naam Gentrepreneur en de
instellingsspecifieke extracurriculaire ondernemerschapswerking
op te nemen binnen deze samenwerking. Tijdens
de verdere uitwerking besluiten ze de doelgroep te verbreden
en ook onderzoekers van de instellingen te begeleiden.
Onderzoekers die willen ondernemen op basis van het
intellectueel eigendom van de onderwijsinstelling, krijgen
begeleiding in samenwerking met de betrokken TechTransfer-dienst
3 , maar ook onderzoekers met andere ondernemersplannen
kunnen bij Gentrepreneur terecht, net als jongeren
tot en met 25 jaar die niet (meer) studeren. Zo krijgen ook
jongeren die niet in het hoger onderwijs stappen maximaal
de kans om een succesvolle carrière als ondernemer uit te
bouwen. Tegelijkertijd krijgen de Gentse campussen van de
KU Leuven, LUCA en Odisee de uitnodiging om zich bij de
samenwerking aan te sluiten, zodat ook hun studenten en
onderzoekers bij Gentrepreneur terechtkunnen.
Nauwe banden
De samenwerkende partijen kiezen ervoor om geen nieuwe
rechtspersoon op te richten, maar te werken met een samenwerkingsovereenkomst
met Universiteit Gent als penvoerder.
Dit beperkt de administratieve overlast en bevordert de nauwe
banden met de onderwijsinstellingen. De coöperatieve
vennootschap Gentrepreneur Company blijft bestaan (maar
wordt hernoemd naar ‘The Company’), aangezien dit de
enige manier is om studenten een ondernemingsnummer
te kunnen aanbieden.
Er komen twee bestuurslagen: een bestuurscomité en een
stuurgroep. Het comité bevat vertegenwoordigers van de
stichtende onderwijsinstellingen en drie onafhankelijke
ondernemers, en denkt strategisch na over Gentrepreneur.
Het is tevens het bestuursorgaan van The Company dat
ervoor zorgt dat de werkingen goed op elkaar afgestemd
worden. De stuurgroep bestaat uit vertegenwoordigers van
alle betrokken onderwijsinstellingen (hoofdzakelijk personen
die betrokken zijn bij ondernemend onderwijs), de jeugddienst
en de dienst Economie van Stad Gent, de Provincie
Oost-Vlaanderen en VLAIO. Dit orgaan stemt het aanbod
van Gentrepreneur af op de noden van de doelgroep, vanuit
de input van de verschillende stakeholders. Tevens dient het
om verantwoording af te leggen aan subsidiegever VLAIO.
Het personeel (13 personen, 10 fte) dat tewerkgesteld was in
de instellingsspecifieke werking gaat aan de slag voor Gentrepreneur,
maar blijft op de payroll van de eigen instelling
staan, zodat er geen gevolgen zijn voor de personeelsstatuten.
Er komt een manager die de dagelijkse werking coördineert
en het team aanstuurt. Het team bestaat voor een groot
deel uit businesscoaches, aangevuld met profielen die instaan
voor groepsfacilitatie, communicatie, stakeholdermanagement,
eventorganisatie en administratie. Een deel van het
team en het bestuur is er reeds sinds de start van de samenwerking
bij betrokken, wat de continuïteit van de werking
bevordert en de kennis over de doelgroepen en hun noden
versterkt.
Het iconische Wintercircus wordt de nieuwe thuis. Niet enkel
het kantoor van Gentrepreneur is hier gevestigd, de organisatie
legt ook actief linken met het Wintercircus-netwerk.
Zo deelt ze regelmatig wildcards uit aan de doelgroep voor
de netwerkclub ‘The Collective’ (met meer dan 1400 leden)
en gaat de jaarlijkse verkiezing van de Gentrepreneur-rolmodellen
door op het prachtige middenplein.
De kosten voor de werking van Gentrepreneur komen
voor 70 procent op rekening van de onderwijsinstellingen;
de projectsubsidie van VLAIO draagt voor 23 procent bij.
Het restbedrag komt voort uit de steun van de Stad Gent,
Provincie Oost-Vlaanderen en commerciële partners.
Dit toont aan dat de steun en de bereidheid van de
24
(Student)ondernemerschap
De individuele coaching, op tempo en op maat van de ondernemer,
zowel online als offline, is al jaren het handelsmerk
van het Gentse ecosysteem. Iedereen uit de doelgroep is
welkom en er is ultieme flexibiliteit. De coaches kijken niet
enkel naar het zakelijke aspect, maar bieden een luisterend
oor en advies voor jongeren in een soms woelige fase in
hun leven. We bieden thematische sessies in kleine groepjes
aan rond het opstellen van een financieel plan, een
ondernemingsplan, een marketingaanpak, de fiscale statuten
et cetera, en de doelgroep kan er ook terecht voor de aanvraag
van het bijzonder statuut binnen de onderwijsinstelling. Tot
slot zijn de coaches ook het doorgeefluik naar ons bredere
netwerk van partners, experts en mentoren, die soms extra
voordelen voorzien.
Vaste waardes
Figuur 1 Situering van het aanbod van Gentrepreneur ten
opzichte van ander aanbod
onderwijs instellingen om zelf een groot deel van de kosten
te dragen cruciaal is om een werking zoals deze uit te
bouwen. Aangezien zo goed als het volledige aanbod
gratis is, zijn de eigen inkomsten verwaarloosbaar.
Huidig aanbod
Waarvoor kunnen de studenten, onderzoekers en jongeren
bij het vernieuwde Gentrepreneur aankloppen? Het aanbod
bestaat uit drie pijlers: events, trajecten en coaching (zie
Figuur 1).
Bij de evenementen zetten we volop in op inspireren en
netwerken. Er zijn verschillende formats, zoals een avond
waarop een of meerdere sprekers het podium krijgen, gevolgd
door een netwerkreceptie (The Night & The Spin-Off Café),
ondernemende speeddates (The Soirée), een feestmarkt
(The Pop-Up) en een rolmodellenverkiezing (The Awards)
voor zowel ‘Student-ondernemer van het jaar’ als ‘Ondernemende
onderzoeker van het jaar’.
De trajecten ontwikkelen de ondernemende vaardigheden
van een groep deelnemers, en dat in verschillende fases van
het ondernemerschap. Een traject heeft soms een selectieprocedure
en deelnemers dienen aan het volledige traject
deel te nemen. Wie nog geen idee heeft, kan deelnemen aan
The Innovation Day of The Research Track (specifiek voor
onderzoekers). Wie een schaalbaar idee heeft, kan deelnemen
aan het pre-incubatietraject The Expedition, en wie liever
eerst experimenteert vooraleer de sprong te wagen kan terecht
in The Company, om te ondernemen onder een bestaand
ondernemingsnummer. Wie al gestart is, vindt gelijkgestemde
zielen op de sessies van The Start-Up Club, de eigen netwerkclub
van Gentrepreneur.
In het aanbod zetten we sterk in op continuïteit en herkenbaarheid:
veel van de activiteiten of trajecten zijn overgenomen
uit de vroegere aparte werkingen en zijn intussen vaste
waardes in het ecosysteem. Hierdoor sluiten ze mooi aan
op andere trajecten in het ecosysteem. Het maakt ook de
promotie en doorverwijzing gemakkelijker, aangezien iedereen
de werking ondertussen kent. Daarnaast zetten we sterk
in op communicatie en marketing, aangezien de doelgroep
zich elke vijf jaar volledig vernieuwt.
Er zijn ook zaken die Gentrepreneur niet aanbiedt. Op dit
moment is er geen coworkingspace waar de doelgroep kan
komen werken en bieden we geen financiering aan. Er is
geen eigen incubator, aangezien de doelgroep zich hoofdzakelijk
situeert in een vroegere fase. Op deze drie vlakken
bouwen we sterke netwerken uit en verwijzen we de doelgroep
vooralsnog door naar bevriende organisaties.
Om de mensen die gebruikmaken van het aanbod vlot te
kunnen opvolgen, maken we gebruik van een Customer
Relationship Management-pakket dat specifiek is ontwikkeld
ter ondersteuning van Centra voor Ondernemen en
ecosystemen rond ondernemerschap. De tool laat de gebruikers
toe om zelf veel informatie op te zoeken en
De coaches bieden
advies voor jongeren
in een soms woelige
fase in hun leven
25
5-25
(Student)ondernemerschap
opportuniteiten te ontdekken, en ontlast de coaches (deels)
om dit actief op hun radar te plaatsen. Per gebruiker is er
een overzicht van de gesprekken of deelnames aan trajecten
en er zijn duidelijke rapporten waarmee we kritieke prestatie-indicatoren
(KPI’s) kunnen monitoren.
Chaos en enthousiasme
Het is nu één jaar na de start van de vernieuwde werking.
Het afgelopen jaar was chaotisch, met vijf miniteams die
één groot team werden op een nieuwe locatie en met een
aanbod dat bij de start slechts vaag gedefinieerd was. Het
was het klassieke voorbeeld van ‘hit the ground running’,
gecombineerd met in het water gegooid worden en maar
zien of je kunt zwemmen. Maar tegelijkertijd was het ook
een jaar van enorm veel enthousiasme, ondernemingszin
en de bevestiging dat het gezamenlijke verhaal voor alle
stakeholders veel meer steekhoudt.
In dit eerste jaar schreven 1465 mensen zich in totaal 2358
keer in voor een evenement van Gentrepreneur. In de trajecten
en coaching hebben we 807 mensen begeleid en bijna
1300 coachinggesprekken gevoerd. Verschillende personen
namen hierbij deel aan meerdere trajecten. In de onlinecommunity
zitten zo’n 900 mensen, van wie 40 procent
geen of een zeer pril idee heeft, 25 procent een concreet
idee, 13 procent aan het opstarten is en 22 procent reeds
gestart is. De komende jaren plant Gentrepreneur de impact
te vergroten en de werking te verstevigen, en dit mede dankzij
een vernieuwde projectsubsidie van VLAIO.
Er zijn natuurlijk ook uitdagingen. De samenwerking is
snel van start gegaan, maar hierdoor hebben we de langetermijnstrategie
nog onvoldoende uitgewerkt. Dit zullen we in
de loop van dit academiejaar aanpakken. Een helder kader,
bekrachtigd door de besturen van de verschillende onderwijsinstellingen
en in doelstellingen omgezet door het team, zal
een vlotte samenwerking voor de toekomst garanderen. Het
is essentieel dat alle partijen weten wat er verwacht wordt,
welke KPI’s en kernwaarden er richtinggevend zijn en welke
financiële steun we van de onderwijsinstelling verwachten.
Nu de ondernemerschapswerkingen in de onderwijsinstellingen
zelf verdwenen zijn, valt op dat nabijheid een werkpunt
is voor de komende jaren. We zoeken manieren om
de band met de lesgevers, de campussen, de onderzoeksgroepen
et cetera te behouden en er regelmatig aanwezig
te zijn. We experimenteren met een ambassadeursnetwerk
van mensen die regelmatig in contact komen met de doelgroep
(Talent Scouts), met aanwezigheden in lessen en op
jurymomenten, en met zitdagen op de campussen zelf.
Een boost
In de totstandkoming van Gentrepreneur zijn er een aantal
essentiële factoren geweest die deze samenwerking een boost
gaven. Ten eerste was er vanuit de basis de wil om samen te
werken en konden alle betrokken actoren het gezamenlijke
belang – de volgende generaties ondernemender maken –
voor het eigen belang plaatsen. Ten tweede ondersteunden
de besturen van de onderwijsinstellingen die missie en
voorzagen ze in financiële middelen en personeel om dit
verhaal met vertrouwen verder uit te bouwen. Dit leidde
tot een derde element: een mix van personeelsleden die
er sinds de start bij waren en profielen die een frisse blik
binnenbrachten. De gezamenlijke locatie, tot slot, is eveneens
een element dat deze samenwerking tot een succes
heeft gemaakt.
Jolien Coenraets
is manager van Gentrepreneur
Noten
1 Bron: Stad Gent, op basis van informatie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement
Hoger Onderwijs.
2 www.vlaio.be/nl/begeleiding-advies/start/ondernemen-als-student-zelfstandige/
jonge-ondernemers-cijfers
3 De Technology Transfer-dienst (soms ook Technology Transfer Office genoemd) van een
universiteit begeleidt onderzoekers van wie het intellectuele eigendom het eigendom is
van de onderwijsinstelling.
Het was het
klassieke voorbeeld
van ‘hit the
ground running’
26
(Student)ondernemerschap
De ervaring van Hogeschool Saxion leert dat ondernemerschapsonderwijs werkt wanneer je drie principes borgt,
schrijven Hein Roelfsema en André Roos: meet wat ertoe doet, organiseer ecosystemen per domein en veranker dit
alles structureel in de curricula.
Van intentie naar duurzame
bedrijvigheid
Wat bestuurders kunnen doen om ondernemend gedrag te laten ontstaan
Hein Roelfsema & André Roos
Hogeschool Saxion, Enschede
H
et Nederlandse ondernemerschapsonderwijs is niet
spontaan ontstaan. Het is gegroeid dankzij het landelijke
valorisatieprogramma dat sinds 2010 een
groot aantal initiatieven financierde en Centres for
Entrepreneurship hielp opzetten. Dit programma, gedragen
door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en gefinancierd
door de ministeries van Economische Zaken en
Onderwijs, positioneerde valorisatie als derde pijler naast
onderwijs en onderzoek. Het stimuleerde niet alleen studentondernemerschap,
maar ook incubatievoorzieningen,
kennistransfer via holdings en duurzame relaties met het
regionale bedrijfsleven. In deze infrastructuur kunnen studenten
hun intenties vormen, beproeven en vertalen naar
actie. Juist de combinatie van vakonderwijs, incubatie en
netwerk leerde ons een simpele les: wie tijdens de studie
al oefent met het ondernemersvak, maakt na afstuderen
een soepelere overstap naar de praktijk.
Intentie vormt geen eindpunt, maar het begin van een leerroute.
Saxion organiseert die route bewust: het meet ondernemende
intenties over meerdere jaren, biedt programma’s
en faciliteiten om veilig te experimenteren en verbindt startende
studenten vroegtijdig met investeerders, mentoren en
praktijkpartners. Centres for Entrepreneurship en incubators
fungeren als vindplaats voor de vonk en als landingsplaats
voor de eerste klanten. Zo worden de laatste meters van studie
naar markt geen sprong in het diepe, maar een begeleide
doorstroom met zicht op vervolgfinanciering en netwerk.
Twee spanningen kleuren de doorstroom. De eerste is schaal
en realisme: internationale en Nederlandse cijfers laten zien
dat ongeveer 4 procent van de afgestudeerden binnen drie
jaar een onderneming start. Dat is geen tegenvaller, maar
een realistische maatstaf die verwachtingen tempert en het
belang van goede begeleiding vergroot. Voor Saxion geldt
hetzelfde beeld: in de afgelopen jaren begonnen ongeveer
1900 studenten aan een vorm van ondernemerschap, variërend
van zzp‐routes tot schaalbare start-ups. Zulke aantallen
vragen om consequente dienstverlening, roosterruimte en
een portfolio aan routes, zodat potentieel niet verdampt in
de laatste studiefase of kort na afstuderen. De opdracht is
niet méér losse activiteiten, maar beter ontworpen leerlijnen
die intentie duurzaam omzetten in gedrag, met ruimte
voor experiment én reflectie. Samenhang telt.
De tweede spanning is conjunctureel: bezuinigingen in het
hoger onderwijs zetten juist die activiteiten onder druk die
nog niet overal tot de harde kern worden gerekend. Terwijl
innovatie en ondernemerschap essentieel zijn voor nieuwe
economische activiteit en succes in de maatschappelijke
27
5-25
(Student)ondernemerschap
transities, is structurele verankering in primaire processen
onvolledig. De vraag verschuift daarom van stimuleren naar
borgen: hoe leg je ondernemerschap vast in curricula, toetsing,
onderwijslogistiek en onderzoekslijnen? Een sterker
samenspel met lectoraten en een betere aansluiting tussen
onderwijs, incubatie en arbeidsmarkt brengt die borging
binnen bereik.
Ondernemende intenties
Hogeschool Saxion volgt sinds 2016 systematisch de ondernemende
intenties van studenten. Jaarlijks, voorafgaand aan
het studiejaar, melden studenten of zij geen intentie hebben,
‘misschien’ overwegen te ondernemen, na afstuderen willen
starten, tijdens de studie willen starten of al gestart zijn. Het
gaat om 17.536 studenten, verdeeld over Business, Health &
Education en STEM (science, technology, engineering & mathematics),
met een lichte meerderheid aan vrouwen. Door elk
jaar dezelfde vraag te stellen ontstaat er geen losse momentopname,
maar een tijdpad van ambities, bijstellingen en
door zetten. Precies die dynamiek biedt bestuurders handelingsperspectief,
omdat zichtbaar wordt waar intentie
doorvloeit in gedrag, waar energie weglekt en welke studentgroepen
iets anders nodig hebben dan het gemiddelde programma.
De meting hebben we bewust eenvoudig gehouden,
zodat de resultaten per cohort en domein vergelijkbaar
blijven en teams door de jaren heen kunnen leren zonder
methodische breuken.
De eerste les uit meerdere cohorten is nuchter: ondernemen
de intentie volgt geen rechte lijn. De middengroep van
twijfelaars neemt af, het aandeel zonder intentie groeit iets
en tegelijkertijd stijgt het aandeel studenten dat al tijdens de
studie start. De opleiding werkt dus als versneller én filter:
studenten scherpen ambities, ontdekken sterke kanten en
kiezen soms bewust voor andere routes. Voor bestuurders
betekent dit dat dynamiek normaal is en dat sturen op
beweging verstandiger is dan sturen op enkelvoudige eindcijfers.
De vraag wordt concreet: op welke momenten in het
programma voeg je ruimte, voorbeelden en begeleiding toe
om de gewenste schuif te realiseren? Goed ontwerp richt
De eerste les is
nuchter: ondernemende
intentie volgt
geen rechte lijn
zich dus niet op één silver bullet, maar op een reeks kleine
muisklikken die merkbaar optellen.
Om gericht te kunnen handelen onderscheidt Saxion zes
cruciale overgangen: van positieve intentie naar starten, van
gestart naar stoppen, van positieve intentie naar geen intentie,
van ‘misschien’ naar positief, van geen intentie naar
positief en van ‘misschien’ naar geen intentie. Deze conversies
vertalen abstracte ambities naar concrete beslismomenten
in de studentreis. Ze lijken op de logica van doorstroom
en uitval in kwaliteitszorg: niet de eindstand maar de transities
bepalen het rendement. Door deze overgangen per domein
en geslacht te volgen, wordt zichtbaar waar een kleine interventie
onevenredig veel oplevert. Het geeft ‘stuurinformatie’
die teams in onderwijs en incubatie in dezelfde taal kunnen
bespreken en testen. Denk aan het koppelen van ventureopdrachten
aan vakken waar veel twijfelaars zitten, of het
versterken van mentoring in groepen waar intentie zichtbaar
erodeert. Zulke microkeuzes verlagen drempels precies
op het juiste moment.
De stap van intentie naar gedrag is de vuurproef. Gemiddeld
zet 14,8 procent van de studenten met een positieve intentie
die ambitie om in daadwerkelijk starten tijdens de studie.
Achter dit gemiddelde schuilen scherpe verschillen: mannen
zetten de stap vaker dan vrouwen (17,6 tegenover 8,1 procent),
en vooral STEM valt op met 23 procent doorstroom, tegenover
13,2 procent in Business en 6,6 procent in Health &
Education. Dit wijst minder op talentverschillen dan op context
en voorbeelden: waar ondernemerschap vanzelfsprekender
is, vertaalt intentie sneller in actie. Het bestuurlijke
antwoord is dus domeinsensitief ontwerpen in plaats van
generieke interventies. In STEM betekent dat bescherming
van prototyping‐tijd en vroege IP-advisering (intellectueel
eigendom); in Health & Education vraagt het om herkenbare
taal, rolmodellen en opdrachten die praktijkvernieuwing en
professioneel eigenaarschap belonen als volwaardig ondernemend
handelen.
Erosie van intentie
Tegelijkertijd is er erosie van intentie. Meer dan de helft
van de studenten die aanvankelijk positief zijn, verliest die
ambitie gaandeweg; in totaal 55,3 procent. Bij vrouwen is dat
67,5 procent en binnen Health & Education zelfs 68,9 procent.
Erosie is niet per se mislukking; het kan ook een reëlere
zelfinschatting of een aantrekkelijke baanoptie weerspiegelen.
Maar als erosie voortkomt uit beïnvloedbare drempels
– gebrek aan rolmodellen, taal die niet resoneert met het
beroep, onderwijslogistiek die experimenteren ontmoedigt –
dan is het een ecosysteemvraagstuk. Teams kunnen hierbij
gerichte steun organiseren: mentoring door herkenbare
alumni, microkansen en toetsing die ruimte laat voor pilots.
Juist in groepen waar de intentie sneller erodeert, werkt een
zichtbaar en betrouwbaar steunsysteem als tegenwicht en
blijkt de stap naar gedrag minder hobbelig.
28
(Student)ondernemerschap
Met deze drie knoppen
kunnen bestuurders
de route van intentie
naar gedrag versterken
De middengroep bepaalt de marge. Slechts 9,2 procent van
de ‘misschien’-groep groeit door naar positieve intentie, terwijl
34,4 procent juist bijstelt naar ‘geen intentie’. Vrouwen
bewegen vaker weg dan mannen (40,5 tegenover 28,8 procent),
met opnieuw de grootste afslag in Health & Education.
Tegelijk laten de data zien dat late instroom reëel is: van
studenten die aanvankelijk geen intentie hebben, ontwikkelt
30,1 procent tegen het einde van de studie toch een positieve
ambitie, vooral in Business en STEM. Dat wijst op de kracht
van passende ervaringen, mentoren en context. Wie twijfelaars
en ‘geen intentie’-studenten tijdig echte praktijkopdrachten
biedt, kan de balans verschuiven. Een pilot in EdTech (educatieve
technologie) op een stageschool, een wijkgerichte
zorginnovatie of een korte sprint in een maaklab kan precies
de kantelervaring zijn waardoor ondernemerschap legitiem
en haalbaar wordt in de ogen van studenten.
Een onderschat signaal is stoppen onder starters. Van de
studenten die in de eerste studiejaren al een bedrijf hebben,
stopt ongeveer een derde later; bij vrouwen is dat zelfs ruim
43 procent. Dat zijn geen mislukkingen, maar indicaties dat
continuïteit afhangt van onderwijslogistiek die meebeweegt:
beoordelingsmomenten die niet botsen met pilots, ruimte
voor klanttesten in plaats van extra verslagen en één loket
dat coaching, IP‐advies en netwerk verbindt. Waar zulke
condities ontbreken, betaalt ondernemerschap de rekening
van starre roosters. Instellingen die ondernemerschap standaard
koppelen aan onderwijs en mentoring koppelen aan
microkansen, zien dat afhaken afneemt en kwaliteit van
starts toeneemt. Het gaat dus niet alleen om inspiratie, maar
om ontwerp: wanneer vindt de pilot plaats, wie beoordeelt,
welke ruimte is er voor iteratie en hoe sluit dit aan op stage
of afstuderen? Die granulariteit maakt het verschil.
Uit deze bevindingen volgt een compact handelingsperspectief.
Eén: timing. Een inspirerend gastcollege kan de vonk
zijn, maar een venture‐opdracht met echte klanten maakt
er een vlam van. Twee: mentoring. Herkenbare mentoren
en toegang tot relevante netwerken, zeker voor vrouwen en
in domeinen waar ondernemen minder vanzelfsprekend is,
werken als stille motor. Drie: meten. Volg de zes conversies
per domein en geslacht, bespreek elk kwartaal transities en
koppel concrete acties aan de plekken waar momentum
ontstaat of weglekt. Met deze drie knoppen kunnen bestuurders
de route van intentie naar gedrag zichtbaar en voorspelbaar
versterken, zonder te vervallen in generieke projecten.
Het effect is cumulatief: kleine, goed getimede ingrepen
verlagen drempels, vergroten herkenning en maken ruimte
voor experiment, waardoor de totale doorstroom meetbaar
groeit.
Leren, proberen, groeien
De organisatie bij Saxion is gebouwd om intentie zichtbaar,
uitprobeerbaar en begeleid te maken. Het Saxion Centrum
voor Ondernemerschap (SCvO) vormt de spil met een modulair
aanbod dat curriculair en extracurriculair samenbrengt.
Binnen de curricula fungeren de minoren Startup Ondernemer
(Nederlands- en Engelstalig) en Scale Up Ondernemer
(Nederlandstalig) als schakel om ondernemend handelen als
volwaardige leerroute te positioneren. Extracurriculair zorgen
trajecten als Ondernemen als Bijbaan, Your Online Side
Hustle International (YOSHI), Level Up en Startup Factory
voor routes op verschillende startniveaus, terwijl Women
Entrepreneurs drempels verlaagt en herkenning vergroot.
Faciliteiten – het Startup Fonds, de Topondernemersregeling,
incubators op Saxion‐locaties en zelfs een ondernemersbar –
bieden middelen en een community. Netwerken als de
Circle of Experts en de Circle of Investors openen toegang
tot vervolgfinanciering en regionale fondsen. Zo ontstaat
één doorlopend geheel van leren, proberen en groeien met
een aanzienlijke omvang van ruim vierhonderd studenten
die jaarlijks worden begeleid.
De kracht zit in de koppeling tussen deze bouwstenen en
de zes conversies. Startup Factory en Level Up richten zich
op de stap van positieve intentie naar daadwerkelijk starten,
met ritme, coaching en marktdialoog tot de eerste klant.
Women Entrepreneurs en YOSHI focussen op erosie en
lage herkenning, zeker bij vrouwen en internationale
studenten. Ondernemen als Bijbaan biedt twijfelaars een
laagdrempelige route om gedrag in kleine stappen te oefenen
zonder dat studievoortgang in het gedrang komt.
De minoren verankeren beoordelingskaders en leggen de lat
voor kwaliteit, terwijl het Startup Fonds groei van start-ups
ondersteunt en zo microkansen creëert die als gedragssignaal
werken. Elk instrument heeft zo een eigen plek in de
transities, wat de kans op doorstroom vergroot en uitval onder
starters helpt temperen. Teams spreken hierdoor dezelfde
taal over waar winst te halen is en kunnen interventies
gericht toetsen op effect per domein en per cohort.
Frictie voorkomen
Curriculumontwerp en onderwijslogistiek zijn kritieke
succesfactoren. Opdrachten met echte klanten, rubrics die
ondernemend handelen beoordelen en vaste venture‐vensters
29
5-25
(Student)ondernemerschap
in de jaarplanning voorkomen frictie tussen leren en ondernemen.
In STEM betekent dit bescherming van prototypingtijd,
tijdige toegang tot labs en vroeg IP‐advies; in Health &
Education helpt een vertaling naar praktijkvernieuwing,
professioneel eigenaarschap en maatschappelijke waardecreatie.
Business-opleidingen kunnen als brug fungeren door
interdisciplinaire teams te bouwen rond maatschappelijke
cases uit zorg of onderwijs, waarmee realistische businesscases
ontstaan voor de een en zinvolle marktroutes voor de
ander. Waar de ritmes van minoren, accelerators en afstuderen
goed in elkaar grijpen, verschuift het gesprek van ‘mag
dit wel?’ naar ‘hoe maken we dit zo dat het werkt voor student
en studievoortgang?’. Dat ontwerpdenken is geen luxe, maar
een randvoorwaarde voor continuïteit en kwaliteit.
Bestuurlijk vraagt dit om een andere logica: werk met portefeuilles
van ecosystemen per domein in plaats van één generieke
aanpak. Benoem een portefeuillehouder met mandaat
om onderwijs, incubator, roostering en partners te verbinden
en leg verantwoordelijkheid voor de zes conversies vast in de
reguliere kwaliteitscyclus. Regionale partners – zorginstellingen,
scholen, maakbedrijven en overheden – worden coontwerpers
van opdrachten en timing, zodat doorstroom na
afstuderen geen toeval is. Data sluiten de lus: de SCvO‐jaarrapportage
bundelt aantallen en waarderingen van studentondernemers
en fungeert als feedbackmechanisme voor
keuzes rond mentoren, microfinanciering en roostermaatregelen.
Zo wordt ‘leren’ ook bestuurlijk consequent. In diezelfde
lijn kan het onderzoekslint rond lectoraten als scharnier
fungeren: toegepast onderzoek voedt venture‐opdrachten,
terwijl living labs studenten veilige ruimte bieden om met
partners te experimenteren richting de markt.
Cijfers volgen
Wat levert dit op tijdens de studie? Gemiddeld zet bij Saxion
14,8 procent van de studenten met positieve intentie de
stap naar daadwerkelijk starten. STEM‐studenten doen
dit bovengemiddeld (23 procent), Business‐studenten in
13,2 procent van de gevallen en studenten Health & Education
6,6 procent. Mannen zetten de stap vaker dan vrouwen
(17,6 tegenover 8,1 procent). Voor de continuïteit is onderwijslogistiek
bepalend: ongeveer een derde van de starters
stopt later; bij vrouwen zelfs ruim 43 procent. Dat onderstreept
de noodzaak van venture‐vensters, flexibele toetsing
en geïntegreerde begeleiding om momentum niet te laten
vastlopen op roosters. Opleidingen die kritieke momenten
– pilot, eerste klantgesprek, aanvraagronde – in de jaarplanning
markeren, reduceren afhaken en vergroten de kwaliteit
van starts zichtbaar. Het punt is precies: condities maken
gedrag mogelijk, cijfers volgen.
Na afstuderen zien we een kleiner, maar consistent aandeel.
Ongeveer 4 procent van de afgestudeerden start binnen drie
jaar een onderneming. Saxion past in dit beeld, met in de
afgelopen jaren circa 1900 studenten die een vorm van
ondernemerschap begonnen, van zelfstandige professional
tot start-up met groeiplannen. Deze cijfers houden verwachtingen
realistisch en legitimeren investeringen in begeleiding
ná de studie: toegang tot netwerken, vervolgfinanciering en
coaching bij de eerste groei. Ze laten ook zien dat de waarde
van het ecosysteem verder reikt dan de campus; alumni blijven
onderdeel van de community en brengen praktijkvragen
terug de opleiding in. Zo wordt doorstroom een open route
in plaats van een eenmalige sprong. Voor beleid betekent
dit: versterk alumnilijnen, koppel vervolgprogramma’s aan
lectoraten en organiseer ‘terugkommomenten’ voor wie wil
opschalen.
Nieuwe analyse
Een nieuwe LinkedIn‐analyse van 12.000 alumni koppelde
intenties in het laatste studiejaar aan activiteiten in de jaren
erna. De uitkomst is een correlatie van circa 20 procent: een
op de vijf studenten met een expliciete intentie in jaar vier is
vijf jaar later nog actief als ondernemer. Dat resultaat maakt
het lonend om juist in de eindfase te maximaliseren: intensieve
coaching, zicht op vervolgfinanciering, toegang tot
relevante netwerken en ruimte in roosters leveren hier de
grootste meerwaarde, ook in termen van doorstroom in de
studie en vooral studentsucces. Het bevestigt bovendien dat
meten geen doel op zich is, maar een manier om timing
en taal van programma’s aan te scherpen. Waar de intentie
in het laatste jaar hoog is, kun je de ‘laatste meters’ extra
bemensen; waar die laag is, weeg je reframing en microkansen
zwaarder.
De impact van het ecosysteem blijkt ook uit ontwikkelroutes
zoals het traineeship Fast Forward. Dit programma verbindt
ondernemende jongprofessionals met innovaties voor het
midden- en kleinbedrijf aan regionale organisaties, waardoor
leren en waardecreatie parallel lopen. Werkgevers gaven in
2024 een tevredenheidsscore van 8, terwijl de voorlopige
waardering van trainees in 2025 op 8,3 ligt. Deze ‘leren- inpraktijkcontext’‐trajecten
zorgen ervoor dat ondernemerscompetenties
beklijven, dat ondernemers netwerken
De les uit tien jaar
bouwen is dat
ondernemerschap
geen losse module is
30
(Student)ondernemerschap
opbouwen en dat doorstroom na afstuderen minder toevallig
wordt. Ze functioneren feitelijk als verlengstuk van
incubatie, dicht op echte vraagstukken en met concrete
groeipaden. Voor instellingen is dit een logisch anker om
alumni actief te blijven begeleiden en om regionale bedrijven
te betrekken als co‐ontwerpers van opdrachten, selectie
en beoordeling.
Doorlopende kennisketen
In een tijd van schaarste is het verleidelijk om ondernemerschap
als ‘eerste bijzaak’ te schrappen. Dat zou een vergissing
zijn. De les uit tien jaar bouwen is dat ondernemerschap
geen losse module is, maar een ontwerpvraag die dwars
door onderwijs, onderzoek, roostering en kwaliteitszorg
loopt. De prioriteit verschuift daarom van aanjagen naar
borgen: ontwerp curricula met echte klantopdrachten,
leg venture‐vensters vast in roosters, definieer rubrics die
ondernemend handelen beoordelen en koppel incubatie
aan onderwijs én onderzoek.
Bestuurlijk eigenaarschap per domein maakt gerichte keuzes
mogelijk, met expliciete aandacht voor doelgroepen en
contexten waar de drempels hoger liggen. De kern: maak
het primair proces ondernemender, niet het bijprogramma.
Alleen zo rendeert elke geïnvesteerde euro dubbel: in
student ontwikkeling en studentsucces én in regionale
waardecreatie.
Lectoraten kunnen het scharnier vormen tussen toegepast
onderzoek, innovatie en ondernemerschap. Door onderzoeksprojecten
te koppelen aan venture‐opdrachten, IP‐advies
vroeg in onderwijsopdrachten te integreren en living
labs open te stellen voor studententeams, ontstaat een doorlopende
kennisketen. Deze koppeling past bij de stevige
positie die onderzoek in het hoger beroepsonderwijs krijgt
en maakt de stap naar de markt minder toevallig en beter
toetsbaar. Het is bovendien een manier om partners in zorg,
onderwijs en techniek langdurig te verbinden aan het curriculum.
Studenten werken daarbij aan echte vraagstukken,
terwijl docenten en onderzoekers leeropbrengsten terugvertalen
naar onderwijsontwerp en regionaal beleid. Zo verschuift
de vraag van ‘of’ naar ‘hoe’ ondernemerschap vanuit
onderzoek de samenleving bereikt. Dat geeft ook houvast in
discussies over bezuinigingen: wat werkt, blijft zichtbaar via
resultaten in labs en ventures.
Meten is leren
Meten is sturen, maar vooral leren. Start met een nulmeting
op de zes conversies, uitgesplitst naar domein en geslacht.
Gebruik die als dashboard in de reguliere kwaliteitscyclus,
bespreek elk kwartaal de transities en koppel acties aan de
plekken waar momentum ontstaat of weglekt. De SCvOjaarrapportage
– met aantallen en waardering van studentondernemers
– dient hierbij als feedbacklus naar opleidingen
en management. Kies per domein twee scherp ontworpen
pilots: in Health & Education bijvoorbeeld reframing van
taal, zichtbare rolmodellen en stages met ondernemende
opdrachtgevers; in STEM bescherming van prototyping‐tijd
en vroege marktdialoog; in Business structurele kruisbestuiving
met maatschappelijke cases. Zo verschuift sturen van
vage ambities naar meetbaar, herhaalbaar verbeteren. Deel
de voortgang publiek, zodat teams van elkaar leren en succesdefinities
gemeenschappelijk worden.
De Saxion‐ervaring leert Nederland dat ondernemerschapsonderwijs
werkt wanneer je drie principes borgt: meten wat
ertoe doet, domeinspecifiek organiseren en structureel verankeren.
Meet niet het aantal start‐ups, maar de zes transities
van intentie naar gedrag; daarmee stuur je op de momenten
waar de meeste winst te halen is. Organiseer ecosystemen
per domein met venture‐vensters, mentoring en toegang tot
labs, fondsen, zodat twijfelaars doorzetten en starters blijven.
Veranker dit in curricula, toetsing en onderzoekslijnen,
en maak de laatste meters naar de markt zichtbaar met
incubatie en alumnilijnen. Juist bij bezuinigingen is dit
geen luxe: zo verschuift valorisatie van project naar onderwijscompetentie
en wordt intentie duurzame bedrijvigheid.
Dat is de les: geen losse projecten, maar een systeem dat
timing, taal en toegang regelt.
Bestuursvoorzitter Inge Grimm over het belang van het
vergroten van ondernemerschap aan Hogeschool Saxion:
‘Na jaren van ondernemerschap aanjagen door middel van
een apart gepositioneerd centrum, zetten we nu de logische
vervolgstap naar verdere integratie in het onderwijs. Dit is
mogelijk dankzij de bereikte resultaten. Het is, kortom, nu
de juiste stap om nog meer ondernemende professionals
op te leiden en het ondernemerschap te vergroten.’
Hein Roelfsema
is lector Regionale Ontwikkeling en Ondernemerschap aan
Hogeschool Saxion. Daarnaast is hij managing director van
het Global Entrepreneurship Network Nederland, voorzitter
van de gezamenlijke Centres for Entrepreneurship en lid van
het managementteam van de Dutch Academy for Research in
Entrepreneurship
André Roos
is directeur van het Saxion Centrum voor Ondernemerschap,
lid van de raad van toezicht van het Ondernemershuis Stedendriehoek,
bestuursvoorzitter van het vroegefase-investeringsfonds
RedMedTech Discovery Fund en bestuurslid van de gezamenlijke
Centres for Entrepreneurship en het recent opgerichte Knowledge
Exchange & Entrepreneurship Network – Netherlands
31
5-25
(Student)ondernemerschap
Sinds de oprichting in 2007 heeft het Centrum voor Ondernemen van de Hogeschool Gent zijn werking geleidelijk
verbreed. De lessen die de instelling hierbij in de afgelopen achttien jaar heeft geleerd, kunnen dienen als richtlijnen
voor eenieder die een soortgelijk centrum wil opzetten.
Katalysator voor ondernemend
hoger onderwijs
De case van het Gentse E-Lab
Bart Derre, Koen Goethals & Marc D’havé
Hogeschool Gent
I
n het kielzog van de introductie van het concept van
de entrepreneurial university in de wetenschappelijke
literatuur kwam ondernemerschap in de loop van
de laatste vijftig jaar, onder invloed van beleidsmaatregelen
van de Vlaamse overheid, met wisselende snelheden
op de strategische agenda van de Vlaamse universiteiten, en
later ook van de hogescholen. De oprichting van het Industrieel
Onderzoeksfonds in 2004 en de introductie van innovatiemandaten
(2006) en Baekeland-mandaten (2008) 1 waren
sterke beleidsmatige katalysatoren om ondernemerschap
structureel in te bedden binnen het hogeronderwijslandschap
en het imago van ondernemerschap verder te versterken.
Het Industrieel Onderzoeksfonds heeft voor beide types
hogeronderwijsinstellingen een duidelijke impuls gegeven.
Ondernemen werd niet langer slechts achtenswaardig, maar
werd ook actief gestimuleerd en begon in de loopbaan van
academici een respectabele en erkende plaats in te nemen.
Daarmee maakten we komaf met de vroegere stereotypering
van ondernemen als een eng utilitaristische of academisch
verdachte activiteit. De onzinnige en zelfs schadelijke
vooroordelen die ondernemerschap diametraal tegenover
academisch handelen plaatsten, maakten plaats voor een
groeiende waardering van ondernemerschap als een volwaardige
en noodzakelijke opdracht. Deze opdracht maakt de
vertaling van academisch onderzoek naar maatschappelijke
impact mogelijk en ondersteunt tegelijk welvaart en welzijn.
Ook de hogescholen stapten in dit verhaal, onder meer via
het Industrieel Onderzoeksfonds, dat op associatieniveau
universiteiten en hogescholen als partners samenbrengt.
Aanvankelijk gebeurde dit misschien wat aarzelend, maar
gaandeweg vanuit overtuiging en met het besef dat ook
hogescholen hierin een kerntaak te vervullen hebben.
Net zoals het concept van een entrepreneurial university of
ondernemende hogeronderwijsinstelling zich verbreedde
van een sterke focus op de valorisatie van wetenschappelijke
kennis en ondernemerschap naar het stimuleren van een
ondernemende mindset bij alle studenten, volgde ook
Vlaanderen deze internationale evolutie. Deze ontwikkeling
kreeg een nieuwe stimulans door beleidsmatige maatregelen
zoals de invoering van bijzondere statuten voor ondernemende
studenten, de uitbouw van de VLAIO-ecosystemen
(Vlaams Agentschap Innoveren & Ondernemen) voor student-ondernemerschap
en de aanpassing van de Codex
Hoger Onderwijs. Ondernemen bereikt nu een breed scala
aan studenten en docenten, en dat is goed zo. Het versterkt
de weerbaarheid en autonomie van individuen en samenwerkingsverbanden,
en het maakt de realisatie van ambities
en valorisatie mogelijk.
Potentieel ontketenen
De wetenschappelijke literatuur biedt geen eenduidige of
algemeen aanvaarde definitie, maar er groeit steeds meer
consensus dat we een Centrum voor Ondernemen kunnen
beschouwen als een organisatorische eenheid binnen
een hogeschool of universiteit die, als katalysator voor
onder nemerschap, een breed scala aan activiteiten en
32
(Student)ondernemerschap
diensten aanbiedt op het gebied van ondersteuning, onderwijs
en onderzoek (Finkle et al., 2006; Syed & Spicer, 2025).
De wetenschappelijke literatuur benadrukt bovendien in
toenemende mate dat we de inrichting en operationalisering
van een Centrum voor Ondernemen moeten beschouwen
als een middel om te streven naar een bredere doelstelling,
namelijk de transformatie naar een ondernemende hogeronderwijsinstelling
(Cunningham et al., 2022). Hoe we
dit in de praktijk realiseren, hangt in sterke mate af van
de invulling die het bestuur van de instelling geeft aan het
concept van de ondernemende hogeronderwijsinstelling.
In de afgelopen 45 jaar heeft de entrepreneurial university
een belangrijke evolutie doorgemaakt (Cerver Romero et al.,
2021). De verbreding van een aanvankelijk enge interpretatie
van het concept, dat vooral gericht was op kennisvalorisatie
door onder andere spin-offs en patenten voortkomend uit
wetenschappelijk onderzoek, naar een bredere visie van
ondernemendheid waarin ook maatschappelijke betrokkenheid
centraal staat (Ndou et al., 2018), kreeg zeker in Europa
een stimulans door de herdefiniëring van ondernemerschap
door de Europese Commissie in 2006. De EU-definitie van
ondernemerschap behoudt het centrale concept van het grijpen
van kansen, maar verwijst expliciet naar het omzetten van
ideeën in actie dankzij creativiteit, innovatie en het nemen van
risico’s, zowel in het dagelijks leven als op het werk.
In 2021 publiceerde de Europese Commissie het rapport
A Guide to Fostering Entrepreneurship Education (Lilischkis et
al.). Dat stelt expliciet dat het versterken van ondernemende
competenties via ondernemend onderwijs moet bijdragen aan
het ontketenen van het potentieel van Europeanen om bij te
dragen aan de opbouw van een veerkrachtigere samenleving.
Dat betekende een nog bredere positionering van ondernemerschap
als een strategisch middel om complexe grand societal
challenges aan te pakken (Voegtlin et al., 2022). Voor
hogeronderwijsinstellingen is het doel om studenten op
te leiden tot change agents binnen elke discipline, zodat zij
kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van innovatieve oplossingen
voor die grand societal challenges (Tassone et al.,
Het is interessant dat
de Vlaamse overheid
impliciet gekozen heeft
voor een brede visie
2018). De integratie van breed ondernemend onderwijs in het
curriculum levert een belangrijke bijdrage aan deze ambitie.
‘Funnel’-strategie
Een grootschalig onderzoek in de Verenigde Staten (Finkle
et al., 2006) toonde aan dat Centra voor Ondernemen duidelijk
betrokken waren bij zowel intra- als extracurriculair
onderwijs. Die betrokkenheid bleef evenwel beperkt tot een
exclusieve focus op ondernemerschapsonderwijs, en dan
vooral op het valoriseren van kennis door het stimuleren van
start-ups en scale-ups. Een recentere Delphi-studie van Ndou
en collega’s (2018) bij tien Centra voor Ondernemen verbonden
aan Europese universiteiten toont een evolutie van de
focus van deze centra met betrekking tot intra- en extracurriculair
onderwijs. In plaats van enkel te focussen op start-ups,
ligt de nadruk nu op het stimuleren van een ondernemende
mindset bij alle studenten. Daarbij kiezen de centra expliciet
voor een ‘funnel’-strategie, vanuit het besef dat niet elke student
een onderneming hoeft op te richten: ‘(…) it allows the
arrangement of a wide range of curricular and extra-curricular
activities to encourage the entrepreneurial mindset diffusion
in the whole university’ (p. 15).
De afgelopen vijftien jaar groeide ook het inzicht dat een
ondernemende hogeronderwijsinstelling een van de kernpartners
moet zijn binnen bredere regionale ondernemende
ecosystemen om daadwerkelijk bij te dragen aan de economische
ontwikkeling van een regio (Marchant-Pérez & Ferreira,
2024). Pittz & Hertz (2018) stellen dat Centra voor
Ondernemen een faciliterende rol moeten opnemen binnen
het ecosysteem, onder meer door barrières tussen partners
te verminderen en het ecosysteem in kaart te brengen.
De operationalisering en uitbouw van een Centrum voor
Ondernemen kan bijgevolg ingebed zijn in een brede of
eerder enge visie op een ondernemende hogeronderwijsinstelling.
Het is interessant dat de Vlaamse overheid impliciet
gekozen heeft voor een brede visie. In 2019 leidde het
‘Decreet tot wijziging van de regelgeving betreffende het
toezicht op en bepaalde organisatorische aspecten van het
hoger onderwijs’ tot het aansporen van de instellingen om
sterker in te zetten op breed ondernemend onderwijs.
Daarbij geldt het begrip ‘ondernemend handelen’ expliciet
als een leerresultaat dat instellingen in alle professionele
bacheloropleidingen van het hoger onderwijs moeten
integreren en realiseren. Daarnaast stelt de regelgeving dat
afgestudeerden de beroepsspecifieke competenties moeten
beheersen op het niveau van beginnend beroepsbeoefenaar,
al dan niet als ondernemer.
Het E-Lab
Het in 2007 opgerichte Centrum voor Ondernemen van de
Hogeschool Gent opereerde aanvankelijk vooral binnen één
departement, en legde daarbij de link tussen het werkveld
33
5-25
(Student)ondernemerschap
en het onderwijs. Vanaf 2013 verbreedde het de werking naar
alle opleidingen en studenten, met een sterkere structurele
focus op het stimuleren van ondernemingszin binnen de hele
hogeschool. Een reorganisatie in 2015 bracht een scherpere
strategische focus met zich mee, die ondanks beperkte
middelen leidde tot een aanzienlijke toename van het aantal
student-ondernemers. De introductie van de VLAIO-ecosystemen
en de wijziging van de Codex Hoger Onderwijs katalyseerden
de aandacht voor ondernemende competenties bij
alle studenten aan de Hogeschool Gent. Dit leidde in 2019 tot
de transformatie van het Centrum voor Ondernemen tot het
E-Lab, met breed ondernemend onderwijs als kernopdracht.
Bij het opstellen van een nieuw businessplan voor het
Centrum voor Ondernemen maakte de Hogeschool Gent
gebruik van de Design Science-cyclus zoals voorgesteld door
Romme & Reymen (2018). Deze ontwerpcyclus omvat vier
complementaire ontwerpfasen die je niet in een vaste volgorde
hoeft te doorlopen. Er is geen vooraf bepaald startpunt,
en het proces verloopt doorgaans iteratief, met voortdurende
interactie tussen de verschillende fasen. De fasen ‘ontwerp
ontwerpprincipes en eisen’ en ‘creëer nieuwe oplossingen’
behoren tot het ontwerpgedeelte, terwijl ‘theoretiseren’ en
‘testen’ verankerd zijn in het wetenschappelijke segment
van de ontwerpcyclus.
In 2019 zijn we gestart met het formuleren van ontwerpprincipes
en ontwerpeisen, gebaseerd op zowel wetenschappelijke
literatuur als praktijkervaring. Voor het praktijkgedeelte
hebben we verschillende focusgroepen georganiseerd met
diverse stakeholders. Op basis van deze input hebben we
een artefact ontwikkeld in de vorm van een businessplan
gealigneerd met het strategische plan van de Hogeschool
Gent. Het businessplan 2020-2024, dat in 2020 werd goedgekeurd
door het bestuur en vervolgens geïmplementeerd,
omvatte vier strategische en zes operationele doelstellingen,
met bijhorende acties en kritieke prestatie-indicatoren, evenals
een structuur en een financieel kader voor het E-Lab.
De periode 2020-2024 kunnen we beschouwen als een
longitudinale testfase waarin we voortdurend formatieve
feedback van stakeholders hebben verzameld, wat leidde
Als ondernemend leider
gaat u zelf aan de
slag met de vertaling
ervan naar uw context
tot bijsturing van het plan. Dit maakte het proces cyclisch
en lerend van aard, met voldoende flexibiliteit om in te
spelen op veranderende context en gebruikersbehoeften van
betrokkenen. Eind 2024 vond een meer summatieve evaluatie
plaats, waarin we onderzochten wat succesvol was, welke
doelstellingen we niet realiseerden en waarom niet, en in
welke mate de actuele context gunstiger is om bepaalde
ambities alsnog te verwezenlijken. De resultaten van de kritieke
prestatie-indicatoren boden input om te beoordelen
in hoeverre het businessplan voldeed aan de oorspronkelijke
ontwerpeisen. Parallel aan deze evaluatie hebben we
een theoretiserende stap gezet, gericht op reflectie over de
onderliggende theoretische mechanismen, uitkomsten en
randvoorwaarden (Romme, 2023).
Zes ontwerpprincipes
Op basis van deze analyse hebben we de ontwerpprincipes
en ontwerpeisen bijgesteld, wat heeft geleid tot het nieuwe
businessplan voor de periode 2025-2030. Dit plan fungeert
als richtinggevend kader voor de komende vijf jaar en
omschrijft de strategische prioriteiten en acties die nodig
zijn om ondernemend leren, ondernemerschap en innovatie
verder te versterken. Tegelijkertijd hebben we het plan
bewust niet vastgelegd in rigide structuren of een uitputtende
lijst van acties voor de volledige looptijd.
We presenteren de onderliggende set ontwerpprincipes die
richting kunnen geven aan de ontwikkeling van een eigen
Centrum voor Ondernemen. Als ondernemend leider gaat
u zelf aan de slag met de vertaling ervan naar uw specifieke
context. In die rol van architect houdt u rekening met de
unieke kenmerken van uw instelling.
1. Een iteratief en adaptief ontwerpproces, ingebed in een
regionaal ondernemend ecosysteem en verankerd in de
collectieve ambitie van de instelling
Een Centrum voor Ondernemen vereist een dynamisch,
adaptief en iteratief ontwerpproces, waarin je rekening
houdt met een ondernemend ecosysteem van onderling
beïnvloedende interne en externe stakeholders. Om deze
complexiteit effectief te kunnen hanteren, biedt een ontwerpgerichte
methodologie een duidelijke meerwaarde.
Hoewel de ecosysteemgedachte centraal staat, schuilt de
unieke meerwaarde van een Centrum voor Ondernemen in
de nauwe verankering met de collectieve ambitie en strategische
richting van de hogeronderwijsinstelling. Een loyaal
tegendraadse en tegelijk katalyserende rol binnen het bredere
ondernemende ecosysteem creëert daarbij maximale
waarde, zowel voor de instelling als voor het ecosysteem
waarvan zij deel uitmaakt. Bovendien gaat het hier niet om
een eenrichtingsverkeer: via het Centrum voor Ondernemen
kan ook de strategische richting van het ecosysteem
invloed uitoefenen op de strategische koers van de instelling.
Deze wederkerigheid versterkt het samenspel tussen interne
ambitie en externe dynamiek.
34
(Student)ondernemerschap
2. Een veilige ruimte voor experiment en productief falen als
motor voor vernieuwing
Omgaan met onzekerheid en het creëren of detecteren van
nieuwe opportuniteiten om brede toegevoegde waarde te
realiseren, zijn bepalende kenmerken van een ondernemende
mindset en bijhorend gedrag. Dit impliceert dat experimenteren
en productief falen tot het DNA van ondernemend
handelen behoren. Wanneer we dit expliciet opnemen in
een strategie, geldt ook het principe ‘practice what we preach’.
Een Centrum voor Ondernemen moet dan bij uitstek de plek
zijn waar innovatie en experimenteren niet alleen worden
aangemoedigd, maar ook daadwerkelijk plaatsvinden, zowel
op het vlak van ondernemend onderwijs als in het stimuleren
van innovatief ondernemerschap.
Bij het ontwerp van een Centrum voor Ondernemen is het
daarom essentieel om aandacht te besteden aan psychologische
veiligheid. Die vormt de basis om volwaardig te kunnen
experimenteren, fouten te durven maken en tegelijk een
loyaal tegendraadse houding aan te nemen. Deze houding is
vaak noodzakelijk om bestaande denkpatronen en structuren
binnen de instelling op constructieve wijze uit te dagen.
3. Een centrale plaats voor ondernemend leren, gericht op
brede maatschappelijke meerwaarde
Ondernemend leren kun je opvatten als een sociaal, emotioneel
en cognitief proces waarbij iemand nieuwe kennis en
besluitvormingsvaardigheden verwerft of bestaande aanpast
(Derre et al., 2025). Dit proces leidt tot een ontwikkeling van
een beginnende naar een ervarener ondernemende mindset
en resulteert uiteindelijk in een manier van denken en handelen
die studenten weerbaarder maakt in een onzekere
wereld. Deze houding kan uitmonden in het opstarten van
een eigen onderneming, maar dat is geen vereiste. Ook studenten
die later in loondienst aan de slag gaan, hebben er
baat bij: zij leren kansen zien en creëren, initiatief nemen,
creatief samenwerken en constructief omgaan met falen en
onzekerheid. Dit versterkt niet alleen hun carrièreperspectieven,
maar ook hun algemeen welbevinden en persoonlijke
veerkracht.
Via zowel evidence-informed curriculair als extracurriculair
ondernemend onderwijs bereik je ook studenten met persoonlijkheidskenmerken
die minder spontaan aansluiting
vinden bij student-ondernemerschap. Op die manier veranker
je ondernemerschap diep in de ‘loopgraven’ van het reguliere
onderwijs en ontstaat een bredere instroom (‘funnel’)
richting innovatief ondernemerschap.
4. Structurele en faciliterende afstemming is essentieel voor
duurzame inbedding
De wijze waarop je een Centrum voor Ondernemen inbedt
binnen een hogeronderwijsinstelling vormt een cruciale
randvoorwaarde om de ontwerpprincipes in de praktijk te
kunnen realiseren. Bij het ontwerpen van een centrum dat
een brede benadering van de ondernemende hogeronderwijsinstelling
nastreeft, is het van bijzondere meerwaarde
dat je dit centrum hoog in de organisatie positioneert en dat
het rechtstreeks rapporteert aan het hoofd van de instelling.
Dit omdat ondernemend leren in deze brede benadering
relevant is voor alle opleidingen en departementen, en omdat
de werking van een Centrum voor Ondernemen doorgaans
domeinoverschrijdend is en activiteiten omvat op het vlak
van onderwijs, ondernemerschap en onderzoek. Een onafhankelijk
gepositioneerd centrum dat rechtstreeks rapporteert
aan het hoofd van de instelling biedt ten slotte een
unieke meerwaarde in het opnemen van een loyaal tegendraadse
en explorerende rol binnen de organisatie.
5. Ondernemend leiderschap dat richting geeft en
voorbeeldgedrag toont
Aangezien een Centrum voor Ondernemen onderwijs,
onderzoek en de begeleiding van ondernemerschap omvat,
is de invulling van het leiderschap ervan al jarenlang onderwerp
van wetenschappelijke discussie. In plaats van te kiezen
voor ofwel een academisch profiel of een profiel met ervaring
in ondernemerschap, blijkt een gecombineerde benadering
steeds waardevoller. Maar wat je daarbij absoluut wilt vermijden,
is dat de leiding van een Centrum voor Ondernemen
eenzijdig wordt ingevuld vanuit een klassieke managementbenadering.
Los van de achtergrond van de leidinggevende is vooral de
wijze waarop je dit leiderschap invult van cruciaal belang.
In dat opzicht is ondernemend leiderschap geen luxe, maar
een noodzakelijke voorwaarde. Vanuit dit perspectief is een
ondernemend leider geen ‘nieuwe stijl’, maar een strategische
capaciteit. Zo’n leider verdiept niet alleen zijn of haar
eigen strategisch inzicht, ondernemend handelen en
besluitvorming, maar versterkt vooral het vermogen van
de organisatie om middelen, teams en netwerken flexibel te
herconfigureren. Dat is essentieel om kansen te identificeren
én te creëren. Een ondernemend leider stimuleert
ondernemend gedrag binnen teams, faciliteert een open
dialoog over afdelings- en projectgrenzen heen, creëert
ruimte voor loyale tegenspraak en neemt beslissingen in
lijn met een duidelijke collectieve ambitie.
6. Een evidence-informed aanpak als basis voor ontwerp,
besluitvorming en bijsturing
Het is geen toeval dat we bij ontwerpprincipe 2 het concept
van productief falen expliciet naast experimenteren hebben
geplaatst. Een Centrum voor Ondernemen is ingebed in een
academische omgeving, wat betekent dat wetenschappelijke
onderbouwing ook binnen ondernemend leren en het stimuleren
van ondernemerschap een cruciaal leidend principe
vormt, en geen louter ondersteunend element. Productief
falen betekent niet enkel leren uit fouten, maar ook wetenschappelijke
voorspelbare fouten niet in een experiment
inbouwen. Concreet houdt dit in dat we binnen specifieke
contexten geen interventies toepassen waarvan wetenschappelijk
onderzoek, onder meer uit aanverwante vakgebieden
die leren ondersteunen, duidelijk heeft aangetoond dat ze
35
5-25
(Student)ondernemerschap
niet effectief zijn. Wanneer we experimenteren, doen we dat
volgens een wetenschappelijke benadering, waarbij data en
analyse centraal staan. Ook hier past een datagedreven,
ontwerpgerichte benadering van ondernemend onderwijs,
waarin docenten en coaches optreden als ontwerpers van
effectief ondernemend onderwijs. Het structureel verbinden
van praktijk en onderzoek versterkt de legitimiteit en effectiviteit
van het Centrum.
Bart Derre
is directeur van het E-Lab van de Hogeschool Gent en houder van
de leerstoel Ondernemend Leren aan de faculteit Psychologie en
Educatiewetenschappen van de Vrije Universiteit Brussel
Koen Goethals
is algemeen directeur van de Hogeschool Gent
Marc D’havé
is beheerder van de Hogeschool Gent
Ambidexter zijn
Net als succesvolle bedrijven moeten hogeronderwijsinstellingen
en dus Centra voor Ondernemen in onzekere tijden
ambidexter zijn (Centobelli et al., 2019). Ambidextrie verwijst
hier naar het vermogen van een organisatie om enerzijds in
te zetten op exploitatie, standaardisering en kwaliteitszorg,
en anderzijds ruimte te creëren voor exploratie en innovatie.
Dat betekent dat de kwaliteitsborging binnen een hogeronderwijsinstelling
geen tegenpool vormt van ondernemerschap,
maar juist een natuurlijke partner is in het versterken
ervan, al roept dat bij sommigen wellicht enige verbazing op.
Als Vlaamse hogeschool borgt de Hogeschool Gent de
onderwijskwaliteit van haar opleidingen via een eigen kwaliteitszorgsysteem,
de ‘regie’ genoemd. Het uitgangspunt van
de Gentse regie is de missie, die is vertaald in een visie op
onderwijs en een visie op kwaliteit. Het fundament van de
regie wordt gevormd door de PDCA-cyclus (Plan-Do-Check-
Act) op opleidingsniveau.
In het E-lab businessplan 2025-2030 is voorzien dat we
binnen de Hogeschool Gent de beoogde leerresultaten kritisch
zullen evalueren om na te gaan in welke mate het nastreven
van ondernemend handelen is verankerd in de opleidingsprofielen.
Een opleidingsprofiel beschrijft de identiteit van
de opleiding en omvat de opleidingsspecifieke invulling van
de onderwijsvisie van de hogeschool, de eigen accenten en
klemtonen van de opleiding.
De vraag hoe deze meer omvattende beoordeling van ondernemend
handelen tijdens de periodieke kwaliteitsbeoordelingen
vorm kan krijgen, is het onderwerp van een recent
opgestart samenwerkingsproject tussen de dienst Kwaliteitsborging
en het E-Lab. Wij zijn ervan overtuigd dat deze volgende
stap de cirkel rondmaakt wat betreft de opdracht in
de Codex Hoger Onderwijs. Bovendien zal ze een sterke
bijdrage leveren aan het waarmaken van de merkbelofte
van de Hogeschool Gent in een onzekere wereld, namelijk:
‘HOGENT inspireert en stimuleert mensen om, op eigen
wijze, het verschil te maken in en voor de samenleving.’
Literatuur
Centobelli, P., Cerchione, R. & Esposito, E. (2019). Exploration and exploitation in the
development of more entrepreneurial universities: A twisting learning path model of
ambidexterity. Technological Forecasting and Social Change, 141, 172-194.
Cerver Romero, E., Ferreira, J.J. & Fernandes, C.I. (2021). The multiple faces of the
entrepreneurial university: A review of the prevailing theoretical approaches. The Journal
of Technology Transfer, 46(4), 1173-1195.
Cunningham, J.A., Lehmann, E.E. & Menter, M. (2022). The organizational architecture of
entrepreneurial universities across the stages of entrepreneurship: A conceptual
framework. Small Business Economics 59, 11-27 doi.org/10.1007/s11187-021-00513-5
Derre, B., Baggen, Y. & De Bruyckere, P. (2025). Advancing the Field of Entrepreneurial
Education: Leveraging a Design Science Approach for Educating the Change Agents of
the Future. In: Derre, B., Baggen, Y. (red.), Empowering the Next Generation of
Entrepreneurial Change Agents. Contributions to Management Science. Cham: Springer.
doi.org/10.1007/978-3-031-82251-3_1
Europese Commissie (2006). Implementing the Community Lisbon Programme: Fostering
entrepreneurial mindsets through education and learning (COM(2006) 33 final).
eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2006:0033:FIN:EN:PDF
Finkle, T.A., Kuratko, D.F. & Goldsby, M.G. (2006). An examination of entrepreneurship
centers in the United States: A national survey. Journal of Small Business Management,
44(2), 184-206.
Lilischkis, S., Tømmerbakke, J., Melleri, M. e.a. (2021). A Guide to Fostering Entrepreneurship
Education. Five Key Actions towards a Digital, Green and Resilient Europe. Luxembourg:
Publication Office of the European Union.
Marchant-Pérez, P. & Ferreira, J.J. (2024). Integrating historical approaches of university
ecosystems: Reviewing the literature streams and future directions. Management Review
Quarterly. doi.org/10.1007/s11301-024-00467-4
Ndou, V., Secundo, G., Schiuma, G. e.a. (2018). Insights for shaping entrepreneurship
education: Evidence from the European entrepreneurship centers. Sustainability, 10(11),
4323.
Pittz, T.G. & Hertz, G. (2018). A relational perspective on entrepreneurial ecosystems: The
role and sustenance of the entrepreneurship center. Journal of Enterprising Communities:
People and Places in the Global Economy, 12(2), 220-231.
Romme, A.G.L. & Reymen, I.M. (2018). Entrepreneurship at the interface of design and
science: Toward an inclusive framework. Journal of Business Venturing Insights, 10,
e00094.
Romme, A.G.L. (2023). Design science as experimental methodology in innovation and
entrepreneurship research: A primer. CERN IdeaSquare Journal of Experimental
Innovation, 7(2), 4-7.
Syed, R.T. & Spicer, D. (2025). Entrepreneurial university development through the lens
of stakeholders. Why? What? and How? Journal of Innovation and Entrepreneurship,
14(1), 36.
Tassone, V.C., O’Mahony, C., McKenna, E. e.a. (2018). (Re-)designing higher education
curricula in times of systemic dysfunction: A responsible research and innovation
perspective. Higher Education, 76(2), 337-352.
Voegtlin, C., Scherer, A.G., Stahl, G.K. e.a. (2022). Grand societal challenges and
responsible innovation. Journal of Management Studies, 59(1), 1-28.
Noot
1 Beide mandaten zijn gericht op een samenwerking tussen de academische en de
bedrijfswereld. Baekeland-mandaten (www.vlaanderen.be/baekeland-mandaat) zijn
doctoraatsmandaten waarbij een onderzoeker intensief samenwerkt met een bedrijf.
Innovatiemandaten (www.vlaanderen.be/innovatiemandaat) worden toegekend aan
postdocs die verder onderzoek willen doen, in nauwe samenwerking met de
bedrijfswereld.
36
(Student)ondernemerschap
Onderwijs dat jongeren niet alleen kennis laat opdoen, maar ze ook actief betrekt bij het opzetten van een bedrijf, speelt
een sleutelrol in het stimuleren van ondernemingszin. In Belgisch-Limburg sloegen Hogeschool PXL en de Universiteit
Hasselt op dit gebied de handen ineen.
Laat studenten ondernemender worden
Ruimte voor initiatief, creativiteit en innovatie
Jean-Pierre Segers, Dirk Franco, Evi Knuts, Pieter Vermeulen & Els Huysman
Hogeschool PXL, Hasselt; Universiteit Hasselt
O
ndernemende hogeronderwijsinstellingen kunnen
fungeren als ankerinstellingen in hun regio en bijdragen
aan de regionale economische ontwikkeling.
Ze ontwikkelen alternatieve vormen van ondernemerschapsonderwijs
via pedagogische innovaties en praktijkgericht
leren buiten de klas of het auditorium. In een wereld
die steeds sneller verandert is ondernemerschap inmiddels
stevig verankerd in alle opleidingen. Het is niet langer het
exclusieve domein van businessschools of ingenieursopleidingen,
maar een transversale vaardigheid die studenten
voorbereidt op een complexe arbeidsmarkt en een dynamische
samenleving.
Van ideeën naar kansen
In een tijdperk van meerdere wereldcrises, snelle technologische
veranderingen, economische onzekerheid en maatschappelijke
transitie kent de aandacht voor ondernemerschap
een steeds snellere groei. Ondernemerschap is gebaseerd
op activiteiten die ideeën omzetten in economische kansen.
Als bron van verandering en innovatie stimuleert ondernemerschap
het economisch concurrentievermogen en verhoogt
het de productiviteit.
Doorgaans associëren mensen ondernemerschap uitsluitend
met het starten en het runnen van een eigen zaak of onderneming,
maar het is veel meer dan dat. De Europese Unie 1
definieert ‘ontwikkeling van initiatief en ondernemerschap’
als een van de acht sleutelcompetenties voor een leven lang
leren. Deze competenties zijn bedoeld om burgers in staat te
stellen zich aan te passen aan een snel veranderende wereld,
zowel op professioneel als persoonlijk vlak. Daarnaast zijn
de volgende vijf vaardigheden van groot belang:
• ideeën omzetten in actie;
• creatief en innovatief denken;
• risico’s nemen en verantwoordelijkheid dragen;
• projecten plannen en uitvoeren;
• kansen herkennen en benutten, bijvoorbeeld op de
arbeidsmarkt of in het dagelijks leven.
Vooral bij generatie Z, jongeren die geboren zijn tussen 1997
en 2012, is de interesse in ondernemerschap sterk toegenomen.
De gen Z’ers zijn digital natives; ze hebben een sterke
drang naar zelfontwikkeling, autonomie en flexibiliteit. Deze
generatie kenmerkt zich door een mix van ambitie, maatschappelijke
betrokkenheid en een ondernemende geest.
Vooral bij generatie Z
is de interesse in
ondernemerschap
sterk toegenomen
37
5-25
(Student)ondernemerschap
PXL Center for
Entrepreneurship
(2013)
StudentStartUP
(2015-2025)
BusinessHUB
(2026)
Figuur 1 Ondernemerschap in het Vlaamse
hogeronderwijslandschap
Network of
regional
incubators
Gen Z’ers zien ondernemerschap als een manier om hun
eigen pad te bepalen. Bovendien biedt het ondernemerschap
hun de mogelijkheid een goede werk-privébalans te realiseren.
De coronapandemie heeft laten zien hoe kwetsbaar traditionele
loopbanen kunnen zijn, waardoor deze generatie ondernemen
ziet als een veiliger strategie voor werkzekerheid. Ze geloven
in het najagen van hun eigen ideeën en het behalen van
succes. In deze context speelt het hoger onderwijs een cruciale
rol in het stimuleren van ondernemende vaardigheden en
het faciliteren van student-ondernemerschap.
Ondernemende mindset
Onderwijs is het fundament voor een veerkrachtige, creatieve
en toekomstgerichte samenleving. Ondernemerschapsonderwijs
versterkt dit fundament door jongeren te leren kansen
te zien, initiatief te nemen en innovatieve oplossingen te
ontwikkelen. Steeds meer niveaus – secundair, hoger en/of
volwassenenonderwijs – besteden aandacht aan onderwijs
en ondernemerschap 2 . Ze willen leerlingen, studenten en
cursisten ondernemend leren denken en handelen.
Ondernemerschapsonderwijs en onderwijs voor ondernemerschap
zijn om vele redenen populair geworden. Onder nemer-
Ze willen leerlingen,
studenten en cursisten
ondernemend leren
denken en handelen
schap is een strategisch speerpunt geworden binnen de
hogeronderwijsinstellingen. Het is geëvolueerd van een niche
naar een breed gedragen pedagogisch principe. Zo formuleert
Hogeschool PXL in zijn strategisch beleidsplan 3 als een van
de operationele doelstellingen: ‘Elke student wordt gestimuleerd
om ondernemend te handelen.’ Iedere opleiding heeft
een leerlijn ondernemend handelen om de ondernemingszin
bij studenten te stimuleren. Een instellingsbrede competentieset
zet in op soft skills, waaronder leiderschap en
sociale vaardigheden, taalvaardigheid en duurzaamheid. De
leerlijn is in elke opleiding geïmplementeerd en gevisualiseerd
in het curriculum.
De ondernemende mindset benadrukt het belang van praktijkervaring
boven louter theoretische studie. Het accent ligt
steeds meer op actiegericht leren: studenten moeten niet
enkel leren over ondernemingen, maar ook zelf initiatief
nemen, zelf ondernemen en nieuwe bedrijven oprichten.
Volgens Gulikers en collega’s (2019) 4 gaat het om breed
ondernemerschap: het ontwikkelen van motivatie, ervaringen
en competenties om ondernemend te kunnen handelen en
te participeren in waardecreatieprocessen. Dit impliceert een
verschuiving van kennisoverdracht naar ervaringsgericht
leren 5 . Centraal in deze trend staat de ontwikkeling van een
ondernemend ecosysteem binnen een regionale context.
Hogescholen en universiteiten leveren een actieve bijdrage
aan de ontwikkeling van nieuwe bedrijven in hun lokale
gemeenschappen, door hun nauwe en intensieve interactie
met particuliere bedrijven en overheidsinstellingen.
Het model van Grecu & Denes (2017) 6 vormt een solide
basis voor het uitbouwen van een ondernemend ecosysteem
binnen het hoger onderwijs. Het benadrukt een drievoudige
benadering van de ondernemende hogeschool of universiteit:
• intern: curriculum en infrastructuur; het creëren van
ruimten waar studenten elkaar kunnen ontmoeten, met
elkaar kunnen communiceren en creativiteit en innovatie
kunnen stimuleren;
38
(Student)ondernemerschap
• extern: de symbiotische relatie die de hogeschool of
universiteit moet hebben met het bedrijfsleven en de
lokale/regionale gemeenschap bij het opbouwen van
een ondernemend ecosysteem;
• institutioneel: beleid en ondersteuning.
Krachten gebundeld
In het academiejaar 2010-2011 begon ondernemerschap in
het hoger onderwijs opgang te maken in het Vlaamse hogeronderwijslandschap.
Het eerste initiatief situeerde zich bij
de Universiteit Gent en Hogeschool Gent (Centrum Ondernemen)
in het ecosysteem voor jong ondernemerschap
Gentrepreneur (zie ook het artikel van Jolien Coenraets
op p. 22). In Wallonië lanceerde de Université de Liège
(HEC Liège) in 2014 het VentureLab. En in mei 2013 werd
in Hasselt het Centrum Ondernemen van Hogeschool PXL
boven het doopvont gehouden. Daarbij keken deze instellingen
veelvuldig naar gelijkaardige initiatieven elders in Europa
(Avans Hogeschool, Breda University of Applied Sciences,
Universiteit van Stavanger en het wereldwijde Businet-netwerk
voor hoger onderwijs) en in de Verenigde Staten (Silicon
Valley).
Een studie in het hoger onderwijs combineren met een eigen
bedrijf of je bedrijf opstarten tijdens je studie is niet gemakkelijk.
Het is van groot belang om een context te creëren voor
studenten waarin ondernemingszin kan gedijen in een omgeving
die ruimte biedt voor initiatief, creativiteit en innovatie;
waar die omgeving flexibiliteit en risicobereidheid aanmoedigt,
en waar coaching beschikbaar is.
Om die reden bundelen Hogeschool PXL en Universiteit
Hasselt sinds 1 september 2015 de krachten om ondernemerschap
bij studenten te stimuleren. Het samenwerkingsverband
StudentStartUP 7 is bij beide associatiepartners het centraal
aanspreekpunt van (toekomstige) student-ondernemers. Van
bij de start hebben de instellingen een breed partnernetwerk
opgezet van bedrijven, werkgeversorganisaties, incubatoren,
regionale en lokale overheden, sociale secretariaten, accountants,
advocatenkantoren, banken, lokale rolmodellen en
andere stakeholders.
StudentStartUP richt zich op het creëren van een ondersteunend
ecosysteem voor student-ondernemerschap met nadruk
op ondernemingszin, cocreatie en co-innovatie. De belangrijkste
pijlers zijn:
• het versterken van persoonlijke en ondernemende vaardigheden
zoals passie, creativiteit, doorzettingsvermogen,
probleemoplossend en kritisch denken, flexibiliteit, commercieel
inzicht, verantwoordelijkheid, leiderschap, risicobereidheid,
onderhandelen en financiële geletterdheid;
• het faciliteren van multidisciplinaire opleidingsonderdelen
gelinkt aan ondernemen;
• het begeleiden van idee tot opstart van een eigen zaak, in
samenwerking met het partnernetwerk.
Je eigen bedrijf
opstarten tijdens
je studie is
niet gemakkelijk
Dit gebeurt door middel van:
• curriculaire integratie van ondernemerschap via leerlijnen
ondernemend handelen;
• mentoring en coaching door experten en docenten;
• culturele stimulansen zoals rolmodellen;
• dienstverlening en consultancy door het partnernetwerk;
• netwerkvorming en financiering;
• fysieke hubs, incubatoren en acceleratoren, co-working
spaces en flexibele werkplekken. Voorbeelden hiervan
zijn de Corda Incubator en de accelerator Start it@KBC;
• de toekomstige Business Hub, waar ondernemers,
start-ups en gevestigde bedrijven samenkomen in een
dynamische omgeving die toegespitst is op creativiteit,
innovatie en samenwerking;
• extracurriculaire activiteiten om de ondernemende skills
van de studenten te versterken, zoals Pitch Please (ecosystemen
in studentensteden) en het netwerk Young
& Strong. Het gaat hier concreet om brainstormsessies,
pitch-events, infosessies, workshops, bootcamps en
wedstrijden. Daarnaast is er Coopiloot, een begeleidingstraject
voor studenten die hun onderneming willen
testen;
• faciliteiten zoals het statuut student-ondernemer.
Beter broeden
Het statuut van student-ondernemer is een belangrijke
hefboom. Het houdt in dat hogeronderwijsinstellingen de
studenten zelf faciliteiten kunnen geven om hun studieverplichtingen
beter af te stemmen op het broeden op de eigen
onderneming 8 . Zo kun je als student je examens verplaatsen,
je lessenrooster aanpassen, verplichte lessen verschuiven
wanneer die zouden samenvallen met een belangrijke
ontmoeting met een klant of leverancier, meer tijd krijgen
voor opdrachten, gebruikmaken van infrastructuur en een
beroep doen op coaching vanuit de universiteit of hogeschool.
Dit alles onderscheidt zich van het statuut van student-zelfstandige
9 ; dat is er voor echte ondernemers met een eigen
zaak. Het is een officieel sociaal-fiscaal statuut, dat als een
krachtige springplank fungeert naar het ondernemerschap.
39
5-25
(Student)ondernemerschap
Figuur 2 Tijdslijn student-ondernemerschap aan Hogeschool PXL-Universiteit Hasselt (Eigen ontwerp Segers)
Figuur 2 toont de tijdslijn van het project student-ondernemerschap
aan Hogeschool PXL en de Universiteit Hasselt 10 .
Vertrouwd aanspreekpunt
Tussen academiejaar 2015-2016 en 2025-2026 ontpopte
StudentStartUP zich aan Hogeschool PXL en Universiteit
Hasselt tot een vertrouwd aanspreekpunt voor studenten
met ondernemingszin. De instellingen hebben sterk ingezet
op het uitbouwen van een ondernemend ecosysteem. De
volgende cijfers illustreren hoe StudentStartUP een stimulerende
en ondersteunende rol blijft spelen voor studenten
die hun ideeën willen verkennen, verdiepen en realiseren.
Hogeschool PXL
Tabel 1 toont het aantal unieke studenten – 1354 in totaal –
met wie de hogeschool coachingsgesprekken heeft gevoerd.
Meer dan 450 studenten startten hun eigen onderneming.
Universiteit Hasselt
Tussen academiejaar 2015-2016 en 2025-2026:
• hebben meer dan 300 studenten effectief de stap gezet
naar een eigen onderneming;
• namen meer dan 4800 studenten deel aan inspirerende
events, workshops en sessies rond ondernemerschap;
• kregen 820 studenten persoonlijke begeleiding bij het
ontwikkelen van hun startersidee, vaak via meerdere
gesprekken.
In de afgelopen tien jaar hebben we heel wat drempels om
te ondernemen verlaagd, mede dankzij gerichte inspanningen
van zowel de overheid als het hoger onderwijs, met
inhoudelijke steun van het bedrijfsleven en de vele partners
in het ecosysteem. Hierdoor kiezen steeds meer jongeren
ervoor om studeren en ondernemen te combineren. Honderden
jonge ondernemers zetten dus hun eerste stappen
in Limburg dankzij StudentStartUP.
Geen randverschijnsel
Student-ondernemerschap is geen randverschijnsel meer,
integendeel, het is een strategische pijler van toekomstgericht
hoger onderwijs. Het Limburgse model van Hogeschool PXL
en Universiteit Hasselt, met het samenwerkingsverband
StudentStartUP als motor, toont aan dat een geïntegreerde
aanpak leidt tot duurzame impact. Door beleidsmatig te
investeren in curriculum, infrastructuur, coaching en ecosystemen
kunnen hogeronderwijsinstellingen bijdragen
aan een ondernemende generatie die klaar is voor de uitdagingen
van morgen.
2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024
88 71 107 114 169 182 156 145 141 181
Tabel 1 Aantal PXL-studenten die een coachingsgesprek hebben gevoerd
40
(Student)ondernemerschap
Op basis van deze casus en internationale benchmarks
kunnen we een aantal beleidsvoorstellen weerhouden,
met name:
• structurele verankering: integratie van ondernemerschap
in alle curricula met interdisciplinaire modules
rond businessplanning, duurzaamheid en innovatie;
• flexibilisering: uniformisering van het statuut
student-ondernemer;
• ecosysteemontwikkeling: versterking van triple 11 en quadruple
helix-samenwerkingen (overheid – bedrijfsleven/
incubatoren – hoger onderwijs – maatschappij);
• uitbouw van fysieke hubs en co-working spaces op
campussen;
• monitoring en impactmeting: alumni-tracking en economisch-maatschappelijke
impact van
student-ondernemerschap;
• samenwerking: deelname aan internationale netwerken
en uitwisseling van best practices;
• inclusie en diversiteit: specifieke ondersteuning voor
diverse studentengroepen.
Studenten moeten niet alleen leren over ondernemen, ze
moeten ook ondernemender worden. Een onderneming
starten is de beste leerschool.
Jean-Pierre Segers
is beleidsadviseur aan Hogeschool PXL en professor innovatie
aan de faculteit Bedrijfseconomische Wetenschappen van de
Universiteit Hasselt, en is verbonden aan de Université de Liège
(HEC). Hij is medeoprichter en -eigenaar van Brains & Trees,
een Europees trainingsbedrijf voor facilitair management
Dirk Franco
was beleidsadviseur aan Hogeschool PXL en professor aan het
Centrum voor Milieukunde van de Universiteit Hasselt
Evi Knuts
is hoofd Innovatie & Kennisdiffusie aan Hogeschool PXL
Pieter Vermeulen
is coördinator StudentStartUP en Young & Strong bij
Hogeschool PXL
Els Huysman
is coördinator StudentStartUP aan de Universiteit Hasselt
In de afgelopen tien
jaar hebben we heel
wat drempels om te
ondernemen verlaagd
5 VLAIO, Ondernemend Onderwijs: Wat? Waarom? Waartoe?
www.vlaio.be/nl/vlaio-netwerk/ondernemend-onderwijs/wat-waarom-waartoe/
ondernemend-onderwijs-wat-waarom-waartoe
6 Grecu, V. & Denes, C. (2017). Benefits of entrepreneurship education and training for
engineering students. MATEC Web of Conferences, Vol. 121. www.matec-conferences.org/
articles/matecconf/abs/2017/35/matecconf_mse2017_12007/matecconf_mse2017_12007.
html
7 Segers, J.P. (2018). StudentStartUP - Building Entrepreneurship Programs and Centers
in the Limburg Region (Belgium). Londen: Proceedings UIIN Conference.
hdl.handle.net/2268/240066
8 www.uhasselt.be/nl/info-voor/studenten/begeleiding-en-ondersteuning-tijdens-jestudie/bijzondere-omstandigheden
9 www.tijd.be/netto/analyse/werk/zo-combineert-u-studeren-en-ondernemen/10617067.html
10 Franco, D., Segers, J.P. e.a. (2019). Sustainable Education, Essential Contributions to a
Quadruple Helix’ Interaction and Sustainable Paradigm Shift. Koninklijke Brill.
brill.com/display/book/9789004396685/BP000030.xml
11 Etzkowitz, H. & Leydesdorff, L. (1995). The Triple Helix - University-Industry-Government
Relations: A Laboratory for Knowledge Based Economic Development. papers.ssrn.com/
sol3/papers.cfm?abstract_id=2480085
Noten
1 education.ec.europa.eu/nl/focus-topics/improving-quality/key-competences
2 Donckels, R., Segers, J.P., Courtmans, A. e.a. (1991). Onderwijs en ondernemerschap.
Mist Vlaanderen een kans ? Brussel: UFSAL - KMO-Studiecentrum.
www.researchgate.net/publication/317684664_Onderwijs_Ondernemerschap_mist_
Vlaanderen_een_kans_1989Education_Entrepreneurship_in_BELGIUM_1991
3 www.pxl.be/media/uxqfu01r/domeinbeleidsplan_onderwijs_2021-2026.pdf
4 Gulikers, J., Baggen, Y. Lans, T. e.a. (2019). Leren voor breed ondernemerschap: Analyse
van leeruitkomsten en leeractiviteiten. Eindrapportage NWO-PPO overzichtsstudie 405-17-
715. www.nro.nl/nieuws/hoe-ziet-effectief-onderwijs-voor-breed-ondernemerschap-eruit
41
5-25
(Student)ondernemerschap
Hogeronderwijsinstellingen willen hun studenten voorbereiden op de toekomst, bedrijven zoeken innovatieve
oplossingen en talent, en studenten willen betekenisvol leren. Vlajo brengt die belangen samen in één krachtig verhaal.
Met Vlajo wordt ondernemend leren
een avontuur
De drijvende kracht in Vlaanderen
Peter Coenen, Emilie Laurent & Julie Vanstraelen
Vlajo, Leuven
‘W
aarom hebben we dit nooit eerder gedaan?’ Die vraag
horen we vaak wanneer studenten en docenten voor
het eerst kennismaken met een programma van Vlajo.
Het enthousiasme is groot, omdat ondernemend leren
zo veel meer is dan een les over businessmodellen. Het
gaat over het ontwikkelen van een mindset: durven initiatief
nemen, kansen zien, creatief denken, samenwerken, doorzetten.
Precies die competenties waar onze samenleving en
arbeidsmarkt om vragen.
Dat ook het hoger onderwijs dit belang erkent, blijkt onder
meer uit de recente Guesss-survey (2023). Vlaamse universiteiten
en hogescholen scoren internationaal bovengemiddeld
als het gaat om het stimuleren van ondernemerschapscompetenties.
Studenten zeggen dat hun instelling hen ondersteunt
in het ontwikkelen van ondernemende vaardigheden.
Toch toont hetzelfde rapport dat er nog veel potentieel onbenut
blijft, vooral buiten de economische opleidingen.
En daar komt Vlajo – Vlaamse Jonge Ondernemingen – in
beeld. Het netwerk is de drijvende kracht achter ondernemend
leren in Vlaanderen: een organisatie die jongeren stimuleert
om ondernemerschap en ondernemende competenties te
ontwikkelen via praktijkgerichte onderwijsprogramma’s. Deze
programma’s ontwikkelen we in nauwe samenwerking met
hogescholen, universiteiten en het bedrijfsleven. Het resultaat:
studenten die niet alleen hun diploma behalen, maar
ook leren om als ondernemende professionals het verschil
te maken.
Razendsnelle verandering
Organisaties hebben
professionals nodig die
meer kunnen en doen
dan hun vak beheersen
Waarom is ondernemend leren zo belangrijk? Omdat het studenten
voorbereidt op een onzekere toekomst. Wie vandaag
afstudeert, stapt in een wereld die razendsnel verandert. Technologie,
duurzaamheid, internationalisering, nieuwe vormen
van werk: de enige constante is verandering. Daarom hebben
organisaties professionals nodig die meer kunnen en doen
dan hun vak beheersen. Ze hebben mensen nodig die kansen
zien waar anderen problemen zien, innovatief en creatief
oplossingen bedenken, durven experimenteren en leren uit
fouten, samenwerken over disciplines heen, projecten van
idee tot uitvoering brengen. Kortom: onze maatschappij heeft
nood aan ondernemende professionals.
42
(Student)ondernemerschap
Docenten creëren een
bruisende leeromgeving
waarin studenten
zelf experimenteren
En precies daar ligt de kracht van Vlajo. Samen met universiteiten,
hogescholen en het bedrijfsleven bouwen we aan een
ondernemend ecosysteem met als resultaat: jonge, ondernemende
professionals die klaarstaan om de wereld van morgen
vorm te geven. Een nieuwe ondernemende generatie. Twee
van de projecten die Vlajo voor deze generatie heeft opgezet,
zijn het Small Business Project en het Challenge Project.
Small Business Project: leren door te doen
Het Small Business Project is al jarenlang een vaste waarde
in Vlaamse hogescholen en universiteiten. Studenten werken
in teams een ondernemingsidee uit, onder begeleiding van
docenten, Vlajo-coördinatoren en professionals uit het bedrijfsleven.
Ze doorlopen alle stappen van het ondernemersproces:
van marktonderzoek en businessmodel tot financieel plan
en pitch.
Wat dit project zo krachtig maakt: ervaring in de praktijk.
Studenten leren niet over ondernemen, ze zijn effectief
ondernemer voor een semester of academiejaar. Ze botsen
op obstakels, zoeken creatieve oplossingen en ervaren hoe
het voelt om verantwoordelijkheid te dragen. Dankzij het
Small Business Project krijgen studenten de kans om niet
alleen hun ondernemersdroom te verkennen, maar ook hun
eigen grenzen te verleggen. Het is een veilige maar tegelijk
realistische proeftuin waar falen mag, leren moet en groeien
vanzelf gebeurt.
‘Het Small Business Project van Vlajo heeft me doen nadenken
over mijn toekomst. Wat wil ik? Welk carrièrepad wil ik bewandelen?
Waar ben ik goed in? En ook: waarin niet? Het programma
leerde me om creatief te zijn en door te zetten, uit mijn comfortzone
te stappen. Alles is mogelijk, elk idee is realiseerbaar, maar
je moet wel voldoende tijd en energie investeren en doorzetten
wanneer het even moeilijker gaat.’
(Matthias Browaeys, oud-deelnemer Small Business Project)
De impact van het Small Business Project is niet alleen groot
voor studenten. Ook voor docenten opent het een wereld
van mogelijkheden: ze krijgen een beproefde methodiek in
handen, worden ondersteund door enthousiaste Vlajo-coördinatoren,
krijgen toegang tot leerrijke events en webinars,
en maken rechtstreeks contact met professionals uit het
bedrijfsleven. Dankzij het project wordt het voor docenten
haalbaar om studenten een volledig ondernemingsproject
te laten uitvoeren.
Docenten evolueren als het ware tot echte teacherpreneurs.
Ze staan niet langer simpelweg voor de klas om kennis over
te dragen, ze creëren een bruisende leeromgeving waarin
studenten zelf experimenteren, keuzes maken en hun talenten
maximaal ontwikkelen. Het resultaat? Een energieke,
ondernemende leerervaring die zowel studenten als docenten
versterkt en inspireert.
‘Ik merk dat veel studenten die door een Small Business Projecttraject
zijn gegaan een ervaring hebben opgedaan voor het leven.
Voor sommigen is dit zelfs de start van hun eigen onderneming
en zetten ze hun Small Business Project gewoon verder na hun
studie.’
(Robrecht Van Goolen, docent aan hogeschool UCLL)
Maar ook bedrijven winnen: ze stappen in als expert of coach,
krijgen rechtstreeks voeling met jong talent en ontdekken
hoe de nieuwe generatie hun sector bekijkt en benadert. Het
enthousiasme, de creativiteit en de frisse ideeën van studenten
brengen vaak onverwachte inzichten en nieuwe perspectieven,
die bedrijven inspireren en uitdagen om zelf anders
te kijken naar hun werk. Bovendien biedt de samenwerking
een unieke kans om jonge talenten vroeg te ontmoeten,
relaties op te bouwen en hun eigen expertise te delen op een
betekenisvolle manier. Zo ontstaat een win-winsituatie: studenten
leren van de praktijk en bedrijven halen verfrissende
ideeën en waardevolle connecties binnen.
‘Deloitte onderhoudt al geruime tijd een waardevolle samenwerking
met Vlajo, waarbij ondernemerschap centraal staat. Samen
streven we ernaar om ondernemingszin bij jongeren te bevorderen.
We begeleiden en adviseren een nieuwe generatie ondernemers
waarvan we het resultaat jaarlijks zien door inspirerende en innovatieve
projecten die worden ingediend voor Small Business Projects
en de Deloitte Innovation Awards.’
(Inge Diels, Managing partner People & Purpose bij Deloitte)
Dankzij het Small Business Project wordt ondernemen geen
abstract vak, maar een levensechte ervaring die alle betrokkenen
iets oplevert: studenten groeien, docenten worden
ondersteund en bedrijven ontmoeten de ondernemers van
morgen.
Challenge Project: echte uitdagingen, echte oplossingen
Om ondernemend leren toegankelijk te maken voor alle
opleidingen, ontwikkelde Vlajo het Challenge Project. In
dit programma werken studenten in teams aan een reële
opdracht van een organisatie, bedrijf of publieke instelling.
Die opdracht sluit nauw aan bij hun studiegebied. Zo
werken studenten verpleegkunde een innovatie uit om
patiëntparticipatie te versterken, onderzoeken studenten
43
5-25
(Student)ondernemerschap
ingenieurswetenschappen circulaire oplossingen in de bouw,
ontwerpen studenten marketing een hippe lanceringscampagne
voor een nieuw voedingsproduct en analyseren studenten
rechten juridische obstakels voor start-ups.
Zo ervaren studenten ondernemend gedrag in een context
die relevant is voor hun toekomstig beroep. Ze leren dat
ondernemend zijn geen synoniem is voor een bedrijf starten,
maar dat het gaat om initiatiefrijk, oplossingsgericht en
innovatief handelen.
‘Door het Challenge Project kreeg ik de kans om echt iets te betekenen
voor een organisatie. Het was geen schooloefening meer,
maar een échte opdracht met impact. Daardoor leerde ik veel
meer over samenwerken, initiatief nemen en creatief denken
dan in een gewoon vak.’
(Lisa Declercq, student marketing)
Ook bij het Challenge Project is er een grote winst voor
docenten. Zij kunnen hun onderwijs koppelen aan authentieke
uitdagingen, krijgen toegang tot een gestructureerde
methodiek en worden ondersteund door enthousiaste
Vlajo-coördinatoren. Ook bij dit project treden ze op als
teacherpreneur.
‘Dankzij het Challenge Project kan ik mijn lessen verbinden met
authentieke praktijksituaties. Studenten werken aan concrete
vraagstukken die relevant zijn voor hun toekomstige beroep,
terwijl Vlajo hen begeleidt in het ontwikkelen van ondernemend
en innovatief denken. Het versterkt de brug tussen onderwijs en
werkveld.’
(Tom De Smet, docent)
Voor organisaties en bedrijven is het een unieke kans om
concrete vraagstukken voor te leggen aan de nieuwe generatie.
Ze krijgen directe, innovatieve antwoorden en inzichten
die anders moeilijk te ontdekken zijn. Het enthousiasme en
de frisse blik van studenten leveren vaak verrassende perspectieven
op en helpen organisaties vooruit in hun sector.
‘Je ruikt de passie,
voelt de energie
en ziet hoe ze
zich ontwikkelen’
‘Dankzij Vlajo ontmoeten we jonge ondernemers met een scherp
zintuig om problemen te herkennen en om te zetten in oplossingen.
Er is een grote variëteit aan ideeën en innovaties, maar wat
hen bindt is hun vermogen om slimme oplossingen te bedenken.
Je ruikt de passie, je voelt de energie en ziet hoe ze zich ontwikkelen
als ondernemende professionals.’
(Bart Ballon, Head of Branch Network bij BNP Paribas Fortis)
Zo zorgt het Challenge Project voor een krachtige win-winsituatie:
studenten leren van echte uitdagingen, docenten
versterken hun onderwijs en bedrijven krijgen waardevolle
input voor hun organisatie.
Samenwerking als sleutel
Wat deze projecten succesvol maakt, is de driehoek universiteit/hogeschool,
werkveld en Vlajo. Universiteiten en
hogescholen bieden de structuur en verankering in het
curriculum; ze creëren de ruimte waarin ondernemend
leren een volwaardige plaats krijgt. Organisaties en bedrijven
dragen reële uitdagingen aan en/of stellen hun expertise open
via coaches en experten, waardoor authentiek leren ontstaat
dat verder gaat dan simulatie. Vlajo fungeert als brug en
facilitator: wij bieden beproefde methodieken aan, organiseren
ondersteunende events, coachen studenten, leggen
kwaliteitsvolle verbindingen met het werkveld en creëren
een veilige omgeving waarin studenten hun eerste ondernemerschapservaring
kunnen opdoen. Die samenwerking
is cruciaal om ondernemend leren duurzaam te verankeren.
Hogeronderwijsinstellingen willen hun studenten voorbereiden
op de toekomst, bedrijven zoeken innovatieve
oplossingen en talent, en studenten willen betekenisvol leren.
Vlajo brengt die belangen samen in één krachtig verhaal.
Het effect van ondernemend onderwijs reikt verder dan de
duur van een project. Studenten nemen de ervaring mee
in hun verdere carrière. Uit onderzoek blijkt dat alumni
die tijdens hun studie ondernemende projecten hebben
doorlopen, zich sterker voelen als het gaat om zelfvertrouwen,
initiatief en leiderschap. Ze beginnen vaker een onderneming,
maar zijn ook als werknemer of onderzoeker
ondernemender.
‘Vlajo gaf ons meer dan we hadden durven hopen. Hun workshops
hielpen ons niet alleen om ons concept te verfijnen, maar
gaven ons ook nieuwe inzichten in zaken zoals marketing en
financiële planning. Bovendien kregen we ook toegang tot een
persoonlijke coach, wat écht het verschil maakte.’
(Gilles Vandegehuchte, Vlajo-alumnus en medeoprichter
van Pureto)
Hiermee sluiten de Vlajo-programma’s perfect aan bij de
beleidsambities in Vlaanderen en Nederland om ondernemend
leren breed te integreren. Niet met losse workshops
of vrijblijvende activiteiten, maar via diepgaande praktijkgerichte
onderwijsprogramma’s die studenten transformeren.
44
(Student)ondernemerschap
Het resultaat is een
generatie die niet
alleen droomt, maar
durft te ondernemen
Bruisende leerervaring
Met Vlajo wordt ondernemend leren een avontuur dat
studenten, docenten en bedrijven samenbrengt in een
bruisende leerervaring. Studenten ontdekken hun talenten,
durven initiatief te nemen, experimenteren en groeien uit
tot ondernemende professionals die klaarstaan om uitdagingen
van de toekomst aan te gaan. Docenten worden coach
en inspirator, terwijl bedrijven een frisse, innovatieve blik
krijgen op hun sector en concrete antwoorden op hun
vraagstukken. Samen vormen ze een krachtige driehoek
van onderwijs, werkveld en begeleiding, waarin kennis,
creativiteit en ondernemerschap elkaar versterken.
Het resultaat is een generatie die niet alleen droomt, maar
durft te ondernemen en er echt toe doet: voor zichzelf, voor
hun organisatie en voor de maatschappij. Met Vlajo begint
ondernemerschap in het klaslokaal, en leidt het tot een toekomst
vol kansen en impact.
Peter Coenen
is directeur van Vlajo
Emilie Laurent
is communicatieverantwoordelijke bij Vlajo
Julie Vanstraelen
is hoofdcoördinator hoger onderwijs bij Vlajo
45
5-25
(Student)ondernemerschap
Door innoverend ondernemerschapsonderwijs in te voeren binnen alle faculteiten, geeft de Hogeschool van Amsterdam
haar studenten de middelen om hun eigen toekomst vorm te geven en bij te dragen aan de samenleving.
De reis naar de
entrepreneurial university
Verankering van ondernemend leren
JuanFra Alvarado Valenzuela
Hogeschool van Amsterdam
V
olgens een intern panelonderzoek uit 2025 heeft
ongeveer de helft van de studenten van de Hogeschool
van Amsterdam interesse in ondernemerschap
(Institutional Research, 2025). Gezien de omvang van
deze hogeronderwijsinstelling, de grootste van Nederland,
gaat het om ruim twintigduizend jongeren. Binnen deze
groep zijn er studenten die een eigen bedrijf willen starten
en anderen die willen deelnemen aan innovatieve projecten.
Beide interpretaties vallen onder de betekenis van het woord
‘ondernemerschap’.
‘Ondernemend leren’ (entrepreneurial learning) in het hoger
onderwijs staat voor een combinatie van actie gericht op
waardecreatie, innovatieve kennis en ervaringen over wat
wel en niet werkt (Politis, 2004; Alvarado Valenzuela &
Wakkee, 2024). Kortom: het betreft gedrag dat je kunt aanleren.
In het onderwijs is het bekend dat je nieuw gedrag
kunt ontwikkelen en versterken door constante oefening,
positieve incentives en een sturende context (Huber et al.,
2014). De sleutel ligt in de manier waarop een instelling op
alle niveaus ondernemend leren integreert. De Hogeschool
van Amsterdam doet dit door middel van een aanpak die
gericht is op ondernemerschapsonderwijs, met de focus
op studenten.
Breed en smal
De Hogeschool van Amsterdam werkt met twee benaderingen
van ondernemerschap: ‘breed’ en ‘smal’ (Lackéus, 2015).
Het brede ondernemerschapsonderwijs versterkt ondernemende
competenties, zoals initiatief nemen, kansen ontdekken,
creatief denken en het vergaren van middelen. Deze
competenties leiden vaak tot de opstart van innovatieve
projecten. Het smalle ondernemerschapsonderwijs daarentegen
richt zich volledig op het opstarten en managen van
een bedrijf, waarbij bedrijfsregistratie, financiële winst en
opschaling centraal staan.
De hogeschool heeft gekozen voor een centrale ondersteuning
van ondernemende studenten via het Venture Centre 1 ,
dat samenwerkt met verschillende intracurriculaire
programma’s. Er zijn micro-interventies in de vorm van
workshops over ideation, kansen zien, prototypen of ideeën
bedenken. Opleidingen zoals social work, verpleegkunde of
lerarenopleidingen kiezen workshops, meestal op gebieden
waar hun eigen expertise op ondernemerschap versterking
De sleutel ligt in de
manier waarop je
ondernemend leren op
alle niveaus integreert
46
(Student)ondernemerschap
nodig heeft. Er zijn ook interventies in de vorm van evenementen,
zoals Beyond Zero voor regeneratieve impact 2 .
En er is het 10K Incubator- programma voor innovatieve
en duurzame studentstart-ups, met intensieve begeleiding
gedurende twintig weken in de vorm van masterclasses,
feedback nights, mentorschap en coaching. Alle interventies
richten zich op competentieontwikkeling, geïnspireerd door
modellen zoals de Competenties voor de economische transitie
(Alvarado Valenzuela & Wakkee, 2024), het Entrepreneurship
Competence Framework (Bacigalupo et al., 2016)
en Disciplined Entrepreneurship (Aulet, 2024).
Ondernemerschap voor studenten is het zichtbaarst in de
onderwijsprogramma’s, zoals minoren, honours en losse
vakken, die in elke faculteit worden aangeboden. De grootste
drie minoren in aantallen studenten zijn Ondernemerschap
3 , gericht op klantenwerving en oprichting, Startup
Your Business in Technology 4 , met een focus op technologische
oplossingen voor maatschappelijke behoeften, en het
interfacultaire Entrepreneurship for Society 5 , gericht op het
creëren van maatschappelijke waarde. In alle drie de minoren
trainen studenten hun ondernemende competenties,
zoals ideeontwikkeling, creatief denken en netwerken.
In sommige gevallen hebben minors erin geresulteerd
dat studenten een nieuwe onderneming zijn gestart.
Ook zijn er leerroutes binnen opleidingen die zich richten
op het creëren van een eigen bedrijf. Hierbij staat de ervaring
van ondernemers uit het werkveld centraal. De docenten,
die vaak zelf ondernemer zijn, brengen die ervaring
dicht bij de studenten. Een goed voorbeeld hiervan is de
leerroute Sport, Management en Ondernemen binnen de
opleiding sportkunde 6 , waar studenten al tijdens stages
ondernemend gedrag ontwikkelen. Een ander voorbeeld
was het honoursprogramma Maatschappelijk Ondernemen
voor gezondheid en zorg, dat helaas is stopgezet. Hierin
begeleidden we studenten uit verschillende zorgopleidingen
Figuur 1 Innovatie in onderwijs (Illustratie: Harriet Robijn)
De rol van docenten
verschuift naar
kennis- en
competentieontwikkeling
om nieuwe behandelingen, producten of diensten voor
patiënten te introduceren.
Door ondernemerschapsonderwijs als innovatie in het
onderwijs op alle niveaus te verankeren, krijgen studenten
de middelen om hun eigen toekomst vorm te geven en
positief bij te dragen aan de samenleving. Een volgende stap
is dat de Hogeschool van Amsterdam strategische en faculteitoverstijgende
studententrajecten ontwikkelt en versterkt.
Een interessant, hoewel nog niet uitgewerkt idee is het
‘ondernemerschapspaspoort’, waarmee studenten hun
ondernemende reis vastleggen. De implementatie hiervan
vereist samenwerking tussen docenten, managers en stafleden
van verschillende faculteiten; dit zal de studentenervaring
versterken en de Hogeschool van Amsterdam als
ondernemende instelling verder laten groeien.
Dankzij docenten
Om het ondernemend leren op het niveau van de hele
instelling te versterken, is het van belang om dit structureel
in het curriculum van alle zes de faculteiten te verankeren.
De Hogeschool van Amsterdam mag zich sinds 2023 een
EntreComp Champion noemen, dankzij de versterking van
ondernemende competenties in bestaande programma’s
en ondersteuning. Deze erkenning is vooral te danken aan
docenten die als sleutelfiguren activiteiten en interventies
integreren in hun vakken.
Om dit verder te stimuleren, hebben docenten training nodig
in ondernemerschapsonderwijs. Momenteel is er binnen het
DEGREE-project 7 (samen met Europese partners, waaronder
de Hogeschool Gent) een training voor docenten in ontwikkeling,
die in 2026 zal worden gelanceerd. De focus ligt
op design science en het EntreDesign Canvas (Baggen et al.,
2025), waarbij je vakspecifieke interventies ontwerpt en test
op effectiviteit. Het doel is dat docenten hun rol verschuiven
van enkel kennisoverdracht naar kennis- en competentieontwikkeling,
met aandacht voor concepten als design thinking,
sociale en ecologische impact, regeneratieve financiering en
adaptive expertise.
47
5-25
(Student)ondernemerschap
zo het ondernemend leren te verrijken. Hoewel hier in veel
kleinere projecten al sprake van is, is er nog geen overkoepelende
aanpak op alle niveaus.
Hetzelfde doel
Figuur 2 De Hogeschool van Amsterdam mag zich sinds 2023 een
EntreComp Champion noemen (The EntreComp Community)
De training voor onderwijsprofessionals is kleinschalig
begonnen, met een vak voor toekomstige leraren binnen
de lerarenopleiding economie. De leerlijn bestaat uit twee
vakken waarin de toekomstige leraren kleine interventies
voor scholen ontwikkelen om ondernemende competenties
te versterken. Er vindt lopend onderzoek plaats naar de vraag
hoe je ondernemerschap op scholen kunt versterken (Göksen-Olgun
et al., 2022). De eindresultaten van dit onderzoek,
die we in 2026 verwachten, zullen we in de twee vakken
integreren.
De volgende stap is het opschalen van de training voor docenten
naar alle andere opleidingen, met als doel de hogeschool
te positioneren als een ondernemende hub die studenten,
onderzoekers en lokale bedrijven met elkaar verbindt. Er
bestaan methodes om beter met externe stakeholders samen
te werken (Gallagher & Savage, 2020; Nabi et al., 2019) en
De hogeschool wordt
een hub die studenten,
onderzoekers en bedrijven
met elkaar verbindt
Om als hogeschool succesvol te zijn met ondernemend
onderwijs dienen alle afdelingen en diensten hetzelfde doel
na te streven. Vanwege de omvang van de Hogeschool van
Amsterdam richten we ons hier op enkele elementen die
direct verbonden zijn met ondernemend leren.
Onderzoek staat centraal in de taken van Nederlandse hogescholen.
Het Amsterdamse lectoraat Entrepreneurship 8 is
een sterke katalysator geweest voor de samenwerking tussen
praktijkgericht onderzoek en onderwijsinnovatie. Het koppelde
het curriculum van ondernemerschapsonderwijs
aan onderzoeksprojecten, bijvoorbeeld over falen, sociaal
ondernemerschap of de digitalisering van ondernemingen.
Medewerkers van het lectoraat waren ook landelijk actief,
onder meer in het O2Lab van de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland, bij het organiseren van internationale
conferenties zoals 3E 2024 (Entrepreneurship Education)
en als onderdeel van het Nederlandse Lectorenplatform
Ondernemerschap. Hoewel het lectoraat Entrepreneurship
per januari 2026 stopt, zijn er andere lectoraten binnen de
Hogeschool van Amsterdam die als partners van opleidingen
ondernemend gedrag en ondernemingen ondersteunen.
Net als bij het onderwijs is ook bij het onderzoek de
samenwerking binnen de faculteiten vooralsnog beter dan
die op het niveau van de hele instelling.
Een ander belangrijk element is het regelgevingskader, zoals
de ondernemingsregeling voor student-ondernemers. Die
biedt studenten met een eigen onderneming een speciale
status, vergelijkbaar met die van topsporters, zodat ze hun
onderneming beter kunnen combineren met hun studie.
De onderneming moet hiervoor wel aan bepaalde criteria
voldoen op het gebied van innovativiteit, duurzame impact
en omzet. De afdeling Studentenzaken beheert deze regeling,
die we in de zomer van 2025 hebben geactualiseerd.
Ook financiële ondersteuning is een belangrijk element.
Studentenstart-ups hebben in de beginfase vaak geen toegang
tot reguliere subsidies of leningen. Investeringen aan
de start zijn daardoor vooral afhankelijk van eigen middelen
en het netwerk dat iemand via de onderwijsprogramma’s
heeft opgebouwd, bijvoorbeeld sprekers, coaches en beleggers
die eerder waren uitgenodigd bij presentaties, pitchcompetities
en evenementen. Wat ontbreekt is een interne
financiering, in combinatie met begeleiding, voor ideeën
van onderzoekers, docenten of staf om ondernemend
gedrag ook buiten de studentenpopulatie te stimuleren.
Een laatste element is de inclusiviteit van het Amsterdamse
ondernemende ecosysteem. Volgens een rapport van de
OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking
48
(Student)ondernemerschap
Investeringen aan
de start zijn vaak
vooral afhankelijk van
eigen middelen
en Ontwikkeling) zouden er in Nederland 285.000 extra
startende ondernemers zijn, als ondervertegenwoordigde
groepen zoals vrouwen, jongeren en biculturele individuen
even actief zouden ondernemen (OESO/EC, 2023). Meer
betrokkenheid van deze groepen heeft niet alleen een effect
op de aantallen, maar ook op de sociale en economische
impact. Initiatieven zoals de Buurtcampus 9 , een leeromgeving
van de Hogeschool van Amsterdam waarbij netwerkvorming
tussen bewoners, studenten en ondernemers
centraal staat, zijn cruciaal. Meer van dit soort interventies
zijn essentieel voor het delen van kennis en het toegankelijker
maken van ondernemerschap voor ondervertegenwoordigde
groepen.
Stem van ondernemers
Ondernemend leren is essentieel om de studenten – en in
de toekomst hopelijk ook de staf – van de Hogeschool van
Amsterdam de competenties, de veerkracht en het aanpassingsvermogen
te bieden die nodig zijn om te navigeren in
een economie die evolueert naar ecologische en maatschap-
pelijke impact. Er zijn de afgelopen jaren al sterke innoverende
onderwijsprogramma’s ontwikkeld. Hierbij creëren
studenten waarde door ondernemingen op te zetten, te innoveren
binnen organisaties of maatschappelijke uitdagingen
aan te pakken. En in nieuwe projecten zoals U!Innovate 10
zetten we stappen richting Europese businessincubators,
waarbij de ondersteuning van start-ups is versterkt door
middel van effectief ondernemerschaps onderwijs. Door
de stem van ondernemers en student- ondernemers zichtbaar
te maken op alle niveaus van de Hogeschool van
Amsterdam – en dus niet alleen in de genoemde onderwijsprogramma’s
– zet de hogeschool stappen richting een
entrepreneurial university.
Voor een overkoepelende aanpak zijn hogeschoolbrede acties
nodig die onderwijs, onderzoek en ondernemen bij elkaar
brengen (Cunningham et al., 2022). Drie kortetermijnacties
die in de Amsterdamse context van toepassing zijn, brengen
beleid en incentives samen. Ten eerste moeten we de effecten
van sterke ondernemerschapsonderwijsprogramma’s
verder verankeren binnen de instelling. Dit kan door docenten
en onderzoekers op grotere schaal te trainen en ondersteunen,
en door nieuwe middelen te ontwikkelen om de
ondersteunende staf te helpen ondernemende studenten
naar de juiste plek te begeleiden. Ten tweede kunnen we
bestaande regelingen, zoals de ondernemersregeling, en
(financiële) beloningen meer promoten, en/of nieuwe regelingen
en beloningen creëren. Door innovaties en projecten
in onderwijs en onderzoek dichter bij ondernemerschap te
brengen, kunnen we de impact van ondernemend leren in
de stad vergroten; de eerste stappen in de samenwerking
met bedrijven en de stad hebben we immers al gezet. En ten
slotte biedt een betere integratie van het alumninetwerk een
grote kans voor de Hogeschool van Amsterdam: zo kunnen
we studenten in contact brengen met ervaren ondernemers
die actief zijn in Amsterdam en omgeving.
De eerste stappen in
de samenwerking met
bedrijven en de stad
hebben we al gezet
Figuur 3 Illustratie: Harriet Robijn
49
5-25
(Student)ondernemerschap
JuanFra Alvarado Valenzuela
is wetenschappelijk directeur van het Venture Centre van de
Hogeschool van Amsterdam
Met dank aan alle collega’s, docenten en onderzoekers die hun
kennis over en ervaringen met ondernemerschapsonderwijs met
mij hebben gedeeld. Jullie input heeft dit artikel mede mogelijk
gemaakt.
Noten
1 www.hva.nl/venture-centre
2 www.amsterdamuas.com/events/2025/11/beyond-zero
3 minorondernemerschap.nl
4 www.minorsybit.nl
5 emes.net/publications/conference-papers/8th-emes-selected-conference-papers/
building-a-transdisciplinary-learning-community-around-a-se-minor-program
6 www.hva.nl/opleidingen/sportkunde
7 www.degreeproject.org/
8 www.hva.nl/onderzoek/lectoraten/entrepreneurship
9 www.buurtcampus.amsterdam
10 eit-hei.eu/projects/uinnovate
Voor het redigeren en corrigeren van de grammaticale structuur
van dit artikel heeft de auteur gebruikgemaakt van generatieve
AI als hulpmiddel. De oorspronkelijke ideeën, de inhoudelijke
argumentatie en het schrijfwerk zijn afkomstig van de auteur en
hij is eindverantwoordelijk voor de gehele tekst.
Literatuur
Alvarado Valenzuela, J.F. & Wakkee, I. (2024). Katern Ondernemerschapsonderwijs:
Competenties voor de Economische Transitie. www.expertisecentrumeconomie.nl
Aulet, B. (2024). Disciplined Entrepreneurship: 24 Steps to a Successful Startup (Expanded &
Updated). Hoboken (New Jersey): Wiley.
Bacigalupo, M., Kampylis, P., Punie, Y. e.a. (2016). EntreComp: The Entrepreneurship
Competence Framework. Luxemburg: Publication Office of the EU.
Baggen, Y., Gulikers, J., Hogendoorn, T. e.a. (2025). The Entrepreneurial Education Canvas.
In: Derre, B. & Baggen, Y. (red.), Empowering the Next Generation of Entrepreneurial
Change Agents. Contributions to Management Science. Cham: Springer.
doi.org/10.1007/978-3-031-82251-3_4
Cunningham, J.A., Lehmann, E.E. & Menter, M. (2022). The organizational architecture
of entrepreneurial universities across the stages of entrepreneurship: a conceptual
framework. Small Business Economics 59, 11-27. doi.org/10.1007/s11187-021-00513-5
Gallagher, S.E. & Savage, T. (2020). Challenge-based learning in higher education:
An exploratory literature review. Teaching in Higher Education 28(6), 1135-1157.
doi.org/10.1080/13562517.2020.1863354
Göksen-Olgun, S., Groot, W. & Wakkee, I. (2022). Entrepreneurship programs and their
underlying pedagogy in secondary education in the Netherlands. Entrepreneurship
Education, 5(3), 261-287.
Huber, L.R., Sloof, R. & Van Praag, M. (2014). The effect of early entrepreneurship
education: Evidence from a field experiment. European Economic Review. Volume 72.
doi.org/10.1016/j.euroecorev.2014.09.002
Institutional Research (2025). Intern rapport ondernemerschap binnen de Hogeschool
van Amsterdam. In samenwerking met het Venture Centre.
Lackéus, M. (2015). Entrepreneurship in Education: What, Why, When, How. Background
Paper. OECD-LEED. www.oecd.org/cfe/leed/BGP_Entrepreneurship-in-Education.pdf
Nabi, G., Walmsley, A. & Akhtar, I. (2019). Mentoring functions and entrepreneur
development in the early years of university. Studies in Higher Education, 46(6), 1159-1174.
doi.org/10.1080/03075079.2019.1665009
OESO/Europese Commissie (2023). The Missing Entrepreneurs 2023: Policies for Inclusive
Entrepreneurship and Self-Employment. OECD Publishing, Paris.
doi.org/10.1787/230efc78-en
Politis, D. (2005). The Process of Entrepreneurial Learning: A Conceptual Framework.
Entrepreneurship Theory and Practice, 29(4), 399-424.
doi.org/10.1111/j.1540-6520.2005.00091
50
(Student)ondernemerschap
Op Campus Kortrijk Weide komen onderwijs, onderzoek en ondernemerschap tastbaar samen. Wat tien jaar geleden
begon als een visionair idee, groeide uit tot een plaats waar studenten, onderzoekers, start-ups en creatieve hubs werken
aan innovatie met maatschappelijke relevantie.
Kruisbestuiving als grootste kracht
Een ecosysteem in volle bloei
Nikita Vindevogel
Hogeschool West-Vlaanderen, Kortrijk
W
at in 2025 voor veel Kortrijkzanen vanzelfsprekend
lijkt, begon een decennium geleden als een visionair
stadsontwikkelingsproject. De stad Kortrijk wilde de
ruime stationsomgeving heruitvinden als een bruisende,
toekomstgerichte zone die jonge mensen niet alleen
zou aantrekken, maar ook hier zou houden. Het doel was
nooit om zomaar een nieuw stadsdeel te bouwen, maar om
een levendig ecosysteem te creëren waarin kennis, creativiteit
en ondernemerschap elkaar versterken. Vandaag is dat
werkelijkheid.
Het ecosysteem bestaat uit een unieke mix van spelers:
onderwijsinstellingen zoals de Hogeschool West-Vlaanderen
(Howest), Universiteit Gent, Provinciaal Technisch Instituut
en Centrum voor Volwassenenonderwijs Miras, onderzoeksen
innovatiepartners Flanders Make, Agoria, Sirris en House
of Manufacturing, de creatieve broedplaatsen Hangar K en
Designregio Kortrijk, en de Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij
West-Vlaanderen. Allemaal huizen ze samen op
één compacte site. Ze vormen geen concurrenten, maar
zijn medespelers met een gemeenschappelijk doel: jonge
mensen inspireren om te creëren, te ondernemen en te
innoveren.
Wat het ecosysteem op Campus Kortrijk Weide onderscheidt,
is net de nabijheid van de vele partners. ‘Onderzoek, ondernemerschap
en onderwijs liggen hier op wandelafstand van
elkaar. De fysieke afstand tussen de verschillende spelers is
letterlijk klein, en dat maakt de mentale afstand nog kleiner.
Het zorgt voor een wisselwerking van ideeën en energie’, zegt
Frederik D’hulster, algemeen directeur van Howest. ‘Hier
heerst bovendien het gevoel van ons-kent-ons. Je hoeft geen
zes vergaderingen te plannen om iets nieuws uit te proberen.
We weten dat vernieuwing ontstaat uit samenwerking. Een
plus een is hier zelden twee, dat merken we elke dag in het
ecosysteem.’
Historische wortels
Kortrijk is historisch gezien een ondernemende stad. Het
was ooit het kloppende hart van de Vlaamse textielindustrie,
met het wereldwijd geroemde Kortrijkse vlas als exportproduct.
Uit die eeuwenoude traditie van vakmanschap groeide
een cultuur van innovatie, samenwerking en veerkracht. Doorheen
oorlogen, crisissen en industriële omwentelingen bleef
Kortrijk zichzelf telkens opnieuw uitvinden. De vlasindustrie
Uit die eeuwenoude
traditie van vakmanschap
groeide een cultuur van
innovatie en samenwerking
51
5-25
(Student)ondernemerschap
werd het symbool van wendbaarheid: ze evolueerde van
ambacht naar hightech. De textielhandelaars van toen
maakten plaats voor machinebouwers als Van de Wiele,
textielproducenten als Verilin, beeldtechnologieleiders als
Barco en staalpioniers als Bekaert. Allen opgestart in de
regio, allen internationaal bekend.
Ondernemen zit ook in het DNA van Howest. De hogeschool
profileert zich als atypisch, creatief, innovatief en ondernemend.
De onderzoeksafdeling Howest Research vormt het
kloppend hart van innovatie binnen de hogeschool. ‘Vanuit
onze onderzoeksclusters, state-of-the-art infrastructuur en
open labs bouwen we bruggen tussen onderwijs, onderzoek
en ondernemerschap’, zegt Geoffrey Hamon, directeur Onderzoek,
Dienstverlening en Ondernemerschap aan de hogeschool.
‘We werken nauw samen met bedrijven, organisaties
en creatieve geesten om concrete oplossingen te ontwikkelen
voor maatschappelijke en technologische uitdagingen.’
Om nog zichtbaarder te worden opent Howest in 2026 in
het ecosysteem een infopunt, waar onderzoek tastbaar wordt
vertaald in cases, technieken, technologieën en tools. ‘We
stellen opgebouwde kennis, resultaten uit onderzoek en
onze infrastructuur ter beschikking om nieuwe ideeën alle
kansen te geven’, aldus Hamon.
Ondernemerschap beleven
Die ondernemende houding is niet alleen te vinden bij
de onderzoekers. Al meer dan tien jaar speelt Howest
‘Bij Howest is
ondernemen geen vak,
maar een manier van
denken en handelen’
Onderneemt een pioniersrol in het begeleiden van start-ups
van studenten naar de markt. ‘Bij Howest is ondernemen
geen vak, maar een manier van denken en handelen’, zegt
Ronald Bastiaens, directeur Opleidingen Howest Kortrijk.
‘Ons Kortrijks ecosysteem is een best practice en een echte
driver om ondernemingszin bij onze studenten om te zetten
in waar ondernemerschap. Door hen actief te betrekken bij
onderzoeksprojecten stimuleren we kritisch denken, experiment
en innovatiekracht. In onze opleidingen zelf stimuleren
we ondernemend gedrag, zelfs bij studenten die niet per se
ondernemer willen worden. Via start-upmodules, projectmatig
onderwijs en praktijkgerichte initiatieven krijgen studenten
de kans om ondernemerschap niet enkel te bestuderen,
maar ook echt te beleven.’
Figuur 1 Campus Kortrijk Weide
52
(Student)ondernemerschap
Twee ondernemerscoaches ondersteunen studenten in het
vormgeven van die ondernemersdroom. ‘Goesting om te
ondernemen kun je niet opleggen, maar je kunt ze wél aanwakkeren,
en dat is precies wat hier gebeurt. Student-ondernemers
krijgen bij ons coaching op maat, fiscaal, juridisch,
sociaal of marketinggericht,’ vertelt Joost Vansteenkiste,
ondernemerscoach bij Howest. ‘Of het nu gaat om de keuze
van de juiste vennootschapsvorm, een marktonderzoek of
het opstellen van een marketingplan, we helpen hen om de
stap effectief te zetten.’
Studenten die nog dieper willen duiken, kunnen kiezen voor
het traject Start-Up School. Daar krijgen ze de kans om hun
idee om te zetten in een echte onderneming, nog voor ze
afstuderen. ‘Deelnemers volgen een jaar lang deeltijds lessen
op maat van hun project’, vertelt Bastiaens. ‘Dankzij de nauwe
samenwerking met Hangar K beschikken ze over werkruimte,
begeleiding en een netwerk van ondernemers. Studenten
leren dat ondernemen niet iets is wat je ná je studies doet,
maar iets dat parallel groeit met je opleiding.’
Howest streeft ernaar om een voorkeurspartner te zijn binnen
het sociaal en economisch weefsel van de regio, en zo de
braindrain in West-Vlaanderen om te buigen naar een braingain.
Bastiaens: ‘We kijken hiervoor ook over het muurtje:
binnen onze Europese alliantie RUN-EU vinden we negen
sparringpartners in perifere regio’s die met dezelfde uitdagingen
kampen als Howest. Door samen te werken en best
practices te delen, verhogen we de slagkracht van elk van
die regio’s.’
Bruisende incubator
Laat het versterken van de regio nu net ook de missie zijn
van Hangar K. Opgericht door grote spelers als Barco, technologiegroep
Cronos en bouwmaterialenproducent Unilin om
de braindrain in West-Vlaanderen te keren, groeide Hangar K
uit tot een bruisende incubator voor digitale en creatieve
bedrijven. Sinds de oprichting vonden er meer dan tweehonderd
ondernemingen hun eerste onderkomen, goed
voor een toegevoegde waarde van 55 miljoen euro en 550
nieuwe jobs in de regio. Vandaag huisvest Hangar K 50
start-ups, samen goed voor een bezetting van 170 ondernemers.
‘Onze bezettingsgraad ligt stabiel op zo’n 80 procent’,
zegt Valerie Hellebuck, CEO van Hangar K. ‘We houden
bewust wat ruimte vrij voor nieuwe of groeiende bedrijven.’
Wat Hangar K uniek maakt, is de open en horizontale community.
Hellebuck: ‘Hier kom je elkaar letterlijk tegen. Van
student-ondernemer tot ervaren bedrijfsleider: iedereen deelt
kennis en ervaring. Die kruisbestuiving is onze grootste
kracht. En de energie van onze krowdies, zo noemen we de
bewoners van Hangar K, is aanstekelijk. Ze hebben allemaal
een drive om te slagen.’
Howest en Hangar K vinden elkaar onder meer in het programma
voor student-ondernemers Start@K. ‘Daarin geven
we student-ondernemerschap een stevige boost’, vertelt Hellebuck.
‘We wakkeren ondernemingszin aan en moedigen
studenten aan om hun ideeën concreet te maken. Tijdens
onze Pitch Nights stellen ze hun plannen voor aan een professioneel
publiek. Voor de kick-off van dit academiejaar
schreven maar liefst honderdtachtig student-ondernemers
zich in.’
Heel wat start-ups zetten dan ook hun eerste stappen in
Hangar K: van jonge gameontwikkelaars tot innovatieve
designers. En wie doorgroeit, blijft vaak nauw verbonden
met het ecosysteem. Zo is Flanders Game Hub, het Vlaamse
lanceerplatform voor gamebedrijven, vandaag gevestigd in
Hangar K. De hub ondersteunt gamestart-ups en -scale-ups
met coaching, kennisdeling en toegang tot een krachtig netwerk.
Met de nabijheid van Digital Arts & Entertainment – de
gameopleiding van Howest – versterken ze elkaar. Flanders
Game Hub bouwt aan een hechte community die professionele
groei stimuleert en studio’s helpt hun plek te veroveren
in de internationale game-industrie.
En ook buiten de muren van Hangar K is de dynamiek van
innovatie en ondernemerschap voelbaar. In 2024 organiseerde
het team van Hangar K het Flanders Technology &
Innovation Festival in West-Vlaanderen. Dit technologiefestival
bracht meer dan twintigduizend bezoekers naar Kortrijk.
In 2026 wordt het festival herhaald, en ook nu is Kortrijk
opnieuw gaststad.
‘De energie van onze
krowdies is aanstekelijk,
ze hebben allemaal
een drive om te slagen’
Inspirerend succesverhaal
Een inspirerend succesverhaal dat de kracht van het ecosysteem
Kortrijk Weide tastbaar maakt, is dat van de jonge
ondernemers Lowie Vanhoutte en Guillaume Melis. Wat
begon als een opdracht voor hun opleiding industrieel
productontwerpen aan Howest, groeide in 2021 uit tot een
volwaardig bedrijf: KNUSS. Vanuit Hangar K lanceerde het
duo een eerste productlijn van verwarmde zetels, een milieuvriendelijk
alternatief voor de klassieke terrasverwarmers,
met als doel de CO₂-uitstoot van gasverwarming drastisch
te verlagen.
53
5-25
(Student)ondernemerschap
Na hun studie besloten Vanhoutte en Melis hun innovatieve
warmtetechnologie verder te ontwikkelen en toe te passen
in kussens, stoelen en zitmeubilair voor zowel binnen als
buiten. Hun inspanningen bleven niet onopgemerkt, want in
2023 werd KNUSS door de Unie van Zelfstandige Ondernemers
(Unizo) uitgeroepen tot nationale start-up van het jaar.
Een jaar later stapte ondernemer Renaat Desiere mee in het
verhaal. Samen met de oprichters hertekende hij de strategie
en gaf het bedrijf een versnelling richting marktintroductie.
Er volgde een rebranding: KNUSS werd Opoggi. Tegelijk
lanceerde het team de tweede generatie van hun slimme
verwarmingstechnologie én een nieuwe productcollectie.
Naast zijn business-to-consumer-aanpak stelt Opoggi zijn
technologie ook ter beschikking van bedrijven die duurzame
verwarming willen integreren in hun eigen producten.
Een sterk verhaal van jong ondernemerschap, innovatie en
duurzame ambitie, geboren en gegroeid in Hangar K. ‘Het
is een machtige plek’, vindt Vanhoutte. ‘De vibe die er hangt,
werkt aanstekelijk. Je krijgt er energie van. Bovendien huis
je er met heel wat (startende) ondernemers samen, waardoor
je de kans krijgt om een netwerk op te bouwen.’
Niet alleen jonge ondernemers vinden hun weg naar de
Kortrijkse incubator. Ook de internationaal vermaarde
ontwerper Lowie Vermeersch, oprichter van designbureau
Granstudio, heeft zijn stek in Hangar K. Niet alleen als
ondernemer, maar ook als partner, waardoor hij mee aan de
bestuurstafel zit. Vermeersch bouwde in Turijn een indrukwekkende
carrière uit. Hij begon als stagiair bij Pininfarina,
ontwerper van onder meer Ferrari, en groeide door tot hoofd
van de designafdeling. In 2011 startte hij Granstudio op, een
bureau dat zich richt op duurzame innovatie binnen mobiliteit
en design. Hoewel zijn hoofdzetel in Turijn gevestigd
blijft, koos Vermeersch voor een tweede uitvalsbasis in
Hangar K, waar hij de start-up Magicor overnam. Het team
van Magicor gebruikt gametechnologie om zijn auto’s en
mobiliteitssystemen te ontwerpen. De keuze van Vermeersch
ligt in het verlengde van zijn visie: hij gelooft sterk in de versmelting
van digitale en fysieke beleving. Daarmee brengt
Die holistische aanpak
leverde de stad de
erkenning op als
Unesco City of Design
hij een waardevolle kruisbestuiving tussen high-end design,
technologie en ondernemerschap naar het ecosysteem van
Hangar K.
Creativiteit als motor
Geen ecosysteem in Kortrijk zonder partner die design
ademt. Een onmisbare schakel in het Kortrijkse innovatienetwerk
is daarom Designregio Kortrijk, een samenwerkingsverband
tussen Howest, Voka – Kamer van Koophandel
West-Vlaanderen, de interlokale vereniging voor streekontwikkeling
Leiedal en evenementencomplex Kortrijk Xpo.
‘Twintig jaar geleden besloten enkele Kortrijkse organisaties
de krachten te bundelen om design, innovatie en creativiteit
in de maakindustrie te stimuleren. Dat leidde tot de oprichting
van Designregio Kortrijk’, vertelt managing director Stijn
Debaillie. Vandaag vervult de organisatie nog altijd haar oorspronkelijke
rol als matchmaker tussen creatief talent enerzijds
en bedrijven of publieke instellingen anderzijds die
hun innovatief potentieel willen versterken. ‘Alleen reikt ons
werkveld intussen veel verder dan Kortrijk. We zijn actief in
heel Vlaanderen en zelfs wereldwijd.’
De missie van Designregio Kortrijk is helder: creativiteit
en innovatie stimuleren via design. Dat gebeurt volgens
het vijfvoudige helixmodel, een unicum in Europa. Waar
de meeste regio’s spreken over een triple helix van overheid,
onderwijs en bedrijfsleven, betrekt Designregio Kortrijk ook
burgers en de natuurlijke omgeving actief in het innovatieproces.
‘Duurzaamheid en circulariteit zijn geen bijzaak
meer’, benadrukt Debaillie. ‘We zien ze als volwaardige
innovatiebronnen. Daarom werken we nauw samen met
partners zoals afvalintercommunale Imog en geven we de
ecologische dimensie een prominente plaats in elk project.’
Designregio Kortrijk brengt zo overheden, bedrijven, kennisinstellingen,
burgers en milieu samen in één toekomstgericht
netwerk. Die holistische aanpak leverde de stad niet
alleen talloze succesvolle projecten op, maar ook de internationale
erkenning als Unesco City of Design, een prestigieuze
titel die slechts een handvol steden wereldwijd mag dragen.
Designregio Kortrijk vertegenwoordigt de stad Kortrijk
binnen het wereldwijde netwerk van designsteden. ‘Die uitwisseling
van kennis en ervaring met andere designsteden
is verrijkend. En tegelijk zien we dat onze eigen knowhow
almaar vaker internationaal wordt opgepikt,’ zegt Debaillie.
Een van de zichtbaarste verwezenlijkingen is Wonder, het
jaarlijkse creativiteitsfestival dat inmiddels is uitgegroeid tot
een vaste afspraak voor ontwerpers, ondernemers en studenten
uit heel België en de rest van de wereld. ‘Het festival
toont niet alleen innovaties van bedrijven, maar creëert ook
kansen voor jong talent om zich te tonen’, zegt Debaillie. ‘We
koppelen studenten en ontwerpers aan concrete opdrachten
van bedrijven en overheden, van productontwikkeling tot stedelijke
vernieuwing. Ons model, waarin creatievelingen, overheden,
bedrijven, onderwijs, milieu en burgers samenwerken
54
(Student)ondernemerschap
De grootste uitdaging
blijft het omkeren
van de braindrain
in een braingain
aan duurzame innovatie, wekt steeds meer internationale
belangstelling. Wat hier twintig jaar geleden begon als een
lokaal experiment, is vandaag een exportproduct geworden.’
Evenementen als Wonder Creativity Festival en Flanders
Technology & Innovation Festival ‘zetten Kortrijk internationaal
op de kaart als stad van creativiteit en technologie’, benadrukt
Ronald Bastiaens van Howest. ‘Het feit dat Flanders
Technology & Innovation in West-Vlaanderen in Kortrijk
neerstrijkt, is geen toeval. Het feit dat Wonder de vaste
afspraak is van internationale artiesten, ook niet. Het is het
resultaat van jarenlange samenwerking tussen onderwijs,
overheid en bedrijfsleven. Vlaanderen kiest Kortrijk omdat
wij als partners goed samenwerken.’
D’hulster. Daarom ontwikkelt Howest een postgraduaat
dat creatievelingen ondersteunt met zakelijke competenties.
Tegelijk werkt de instelling aan de verdere uitbouw van de
Start-Up School, zodat studenten in elk domein, en niet
enkel in design of gaming, hun ondernemersvaardigheden
kunnen versterken.
Wat de toekomst brengt? ‘We willen blijven verbinden en
nog meer samenwerken met de partners op Kortrijk Weide’,
zegt Valerie Hellebuck. ‘Het zou fijn zijn mochten we in
de toekomst nog een grote naam kunnen aantrekken of
een structureel partnerschap kunnen aangaan. We blijven
in beweging. West-Vlaanderen werd lang gezien als een
periferie, maar Kortrijk toont dat er kracht schuilt in
compactheid. We zijn wendbaar, en dat is een troef.’
Nikita Vindevogel
is communicatiemedewerker bij de Dienst Onderzoek,
Dienstverlening en Ondernemerschap van de Hogeschool
West-Vlaanderen
Noot
1 www.jasperpillen.be/post/goed-nieuws-west-vlaanderen-houdt-haar-talent-vast-
is-de-braindrain-gekeerd
Blijven verbinden
De grootste uitdaging voor de toekomst blijft het omkeren
van de braindrain in een braingain. Recente cijfers uit de
Enquête naar de arbeidskrachten (EAK) van Statbel 1 tonen
aan dat West-Vlaanderen alvast stappen vooruitzet. Volgens
de enquête steeg het aantal werkende hooggeschoolden dat
in West-Vlaanderen woont tussen 2013 en 2023 van 185.000
naar 236.000 personen. In verhouding tot de totale bevolking
betekent dit een stijging van het aandeel hooggeschoolden
van 15,8 procent naar 19,3 procent. Die evolutie wijst erop
dat de provincie erin slaagt om talent aan te trekken of vast
te houden. Toch is de strijd nog niet gestreden. De concurrentie
om talent is en blijft groot. Er is veel te lang veel te
weinig geïnvesteerd in het hoger onderwijs in West-Vlaanderen,
zo blijkt. ‘Make West-Vlaanderen great again’, opperde
VOKA-voorzitter Bert Mons begin 2025 luidop in de pers.
Dat moet voortaan anders als we onze bedrijven zuurstof
willen blijven geven, klonk het.
Studenten blijven nog steeds zwichten voor de aantrekkingskracht
van de grootstad, terwijl nog te veel afgestudeerde
designers wegtrekken uit West-Vlaanderen. Er wordt vanuit
diverse hoeken getracht dit tij te keren. ‘We moeten blijven
investeren in aantrekkelijk ondernemerschap. Dat betekent:
goede infrastructuur, goede coaching, maar ook voldoende
businessinzichten voor creatieve profielen’, zegt Frederik
55
5-25
(Student)ondernemerschap
De grootstedelijke dynamiek van Antwerpen biedt een uitzonderlijke context waarin studenten ondernemerschap kunnen
ontwikkelen. Een lokaal ecosysteem voor ondernemend hoger onderwijs heeft de afgelopen tien jaar laten zien hoe de
stad als katalysator kan werken.
TAKEOFFANTWERP_ staat sterker
dan ooit
Antwerpen als levende proeftuin
Isabelle De Ridder, Mathias Mallentjer & Klaas Taeymans
TAKEOFFANTWERP_, Antwerpen
S
inds de oprichting in 2014 heeft het platform TAKE-
OFFANTWERP_ (TOA) zich ontwikkeld tot een
uniek stedelijk ecosysteem voor ondernemend hoger
onderwijs. Vanuit onze positionering op het snijvlak
van onderwijs, innovatie, ondernemerschap en grootstedelijke
ontwikkeling proberen wij al onze studenten te stimuleren
ondernemender te denken en handelen. Daarbij beperken
wij ondernemerschap niet tot het opstarten van bedrijven,
maar stimuleren we ook intrapreneurship (zelfstandig ondernemen
binnen een organisatie), actief burgerschap en maatschappelijke
betrokkenheid.
TOA is verankerd binnen de Associatie Universiteit & Hogescholen
Antwerpen (AUHA) ¹ , met actieve participatie van
de stad Antwerpen, de Kamer van Koophandel Antwerpen-
Waasland (VOKA), studentenorganisatie SINC 2 en VLAIO
(het Vlaams Agentschap Innoveren & Ondernemen). Het
platform functioneert als een quadruple helix-initiatief, waarin
kennisinstellingen, overheid, bedrijfsleven en studenten
gezamenlijk beleids- en onderwijsdoelstellingen realiseren.
In de afgelopen tien jaar bood dit ecosysteem de mogelijkheid
om de invloed van ondernemend onderwijs in een
grootstedelijke context systematisch te ontwikkelen, monitoren
en evalueren. Vandaag telt Antwerpen ongeveer 1300
student-ondernemers; daarmee heeft het de hoogste concentratie
van de Vlaamse steden.
Natuurlijk laboratorium
Antwerpen vormt het natuurlijke laboratorium voor TOA.
De stad combineert een hoge concentratie hogeronderwijsinstellingen
met een dynamisch economisch weefsel en een
rijke sociaal-maatschappelijke diversiteit. Deze grootstedelijke
context functioneert als hefboom voor innovatie en als
aanleiding voor interdisciplinair samenwerken. Studenten
leven, studeren en werken in dezelfde stedelijke omgeving
waarin ondernemers, maatschappelijke organisaties en
beleidsmakers actief zijn, wat dit ecosysteem een bijzondere
dynamiek geeft.
Het Antwerpse ecosysteem positioneert zich op de vier
pijlers van het quadruple helix-model:
1. Onderwijs: de onderwijsinstellingen integreren ondernemingszin
en ondernemerschapscompetenties zowel in
curricula als in extracurriculaire trajecten. Daarnaast
ondersteunen ze studenten in het ontwikkelen van
kern competenties zoals probleemoplossend vermogen,
teamwork, projectmanagement en creatief denken.
2. Overheid: het stedelijk beleid van Antwerpen stimuleert
student-ondernemerschap expliciet, onder meer door
infrastructuur, netwerken en zichtbaarheid van TOA te
faciliteren en financieel te ondersteunen. Ook Vlaamse
en Europese beleidskaders 3 benadrukken het belang van
ondernemingszin bij jongeren en ondersteunen (student-)
ondernemerschap. Vlaanderen voorziet via het VLAIOprogramma
‘Ecosysteem voor jong ondernemerschap
in studentensteden’ middelen ter versterking van ecosystemen
zoals TOA.
3. Bedrijfsleven: VOKA en andere ondernemerschapsnetwerken
leggen bruggen tussen studenten en de lokale
economie. Via gerichte trajecten begeleidt VOKA jonge
56
(Student)ondernemerschap
ondernemers en student-ondernemers tijdens hun studies
en biedt het hun ondersteuning om hun ondernemingen
succesvol voort te zetten na hun studie.
4. Studenten en alumni: via studentenorganisatie SINC en
andere studentgerelateerde initiatieven worden studenten
actief betrokken bij het ontwerp en de uitvoering van
ondernemerschapsprogramma’s. Studenten en alumni
dragen bij aan workshops, coaching en peer-to-peeractiviteiten,
waardoor zij niet enkel deelnemers zijn, maar
mede-eigenaars van het ecosysteem.
Deze integrale aanpak onderscheidt TOA in Vlaanderen.
Daarnaast geldt het platform ook internationaal als een
goed praktijkvoorbeeld in het ontwikkelen van stedelijke
ecosystemen voor ondernemend hoger onderwijs 4 .
Sleutelcompetentie
De strategische keuzes van TOA zijn zowel gebaseerd op
beleidsintenties als op recente onderzoeksresultaten. Op
Europees niveau stelt het Entrepreneurship Competence
Framework (EntreComp) dat ondernemerschap een van de
acht sleutelcompetenties voor levenslang leren is. Recente
onderzoeken van het Expertisecentrum Onderzoek en
Ontwikkelingsmonitoring van de Vlaamse Gemeenschap
(ECOOM) bevestigen dat inzicht en onderstrepen de positieve
effecten van ondernemerschapseducatie en praktijkervaring
op het ondernemersvertrouwen en de slaagkansen
van studenten. Ook het Vlaams regeerakkoord en de beleidsnota’s
erkennen ondernemingszin als een sleutelcompetentie
voor de 21ste eeuw. Daaruit voortvloeiend ondersteunt
het Vlaamse beleid de ontwikkeling van lokale ecosystemen
om student-ondernemerschap te versterken. Het Antwerpse
bestuursakkoord benoemt de verdere ontwikkeling van
student-ondernemerschap bovendien expliciet als stedelijke
prioriteit.
Binnen het hoger onderwijs stimuleert de Codex Hoger
Onderwijs ondernemend handelen als niveaudescriptor,
wat de structurele integratie van ondernemerschapscompetenties
in curricula en opleidingsdoelen bevordert. Dankzij
Het regeerakkoord
erkent ondernemingszin
als sleutelcompetentie
voor de 21ste eeuw
deze beleidsmatige en onderzoeksgebaseerde context kan
TOA rekenen op een breed gedragen fundament om haar
missie verder te versterken.
Vijf kerntaken
Vertrekkend vanuit de beschreven context vervult TOA vijf
kerntaken die samen de operationele en strategische impact
van het ecosysteem waarborgen:
1. Wegwijzer in het ecosysteem: we garanderen laagdrempelige
toegang voor studenten, alumni en onderwijsprofessionals
tot inspiratie, coaching en netwerken.
2. Community builder: we bouwden aan en vormen vandaag
een duurzame community van onderwijs, overheid,
bedrijfsleven en studenten. Op die manier
bevorderen we kennisdeling en samenwerking.
3. Motor voor ondernemende leerervaringen: onze hogeronderwijspartners
integreren ondernemerschapscompetenties
in curricula. Daarnaast ontwikkelen we
extracurriculaire trajecten, met aandacht voor coaching,
competentieontwikkeling en interdisciplinariteit.
4. Hefboom voor inclusieve ondersteuning: we ondersteunen
diverse studentprofielen en verschillende soorten
ondernemingen (inclusief kleinschalige, artistieke
of sociale ondernemingen).
5. Kenniscentrum en innovatieplatform: we verzamelen
systematisch kennis, delen die en ontwikkelen nieuwe
kennis. Tegelijkertijd experimenteren we met nieuwe
formats zoals hackathons en design sprints.
Concreet betekent dit dat TOA een aantal grote en kleinere
events organiseert om student-ondernemers samen te brengen.
Daarnaast zijn er workshops, begeleidings- en coachingstrajecten
die ondernemerschapscompetenties zichtbaar
maken en versterken.
Drie principes
Om de kerntaken en operationele invulling van TOA vorm
te geven, gaan we uit van enkele basisprincipes. Een eerste
principe is dat we permanente inspanningen leveren om een
open dialoog tussen de verschillende partners te voeren. Dat
is essentieel omdat het succes van het platform afhangt van
succesvolle samenwerking. Door verwachtingen, doelen
en uitdagingen expliciet te bespreken ontstaan een gedeelde
taal en transparante gemeenschappelijke doelstellingen.
Een open dialoog zorgt ervoor dat de partners elk initiatief
breed dragen, terwijl er ook ruimte blijft voor experimenten
en een lokale invulling van projecten. Dit vertrouwen maakt
het ook mogelijk om flexibel in te spelen op nieuwe kansen
en knelpunten.
Een tweede basisprincipe is evidencebased reflectie. Beslissingen
en initiatieven toetsen we voortdurend aan data,
onderzoeksresultaten en operationele ervaringen die we in
de voorbije tien jaar hebben opgebouwd. Hierbij combineren
57
5-25
(Student)ondernemerschap
we interne evaluaties met eerder genoemde beleidsdocumenten
en onderzoeksresultaten. Deze systematische reflectie
maakt het mogelijk om succesvolle praktijken te identificeren,
minder effectieve trajecten bij te sturen en innovatie te
stimuleren. Door evidencebased te werken versterkt TOA
niet alleen de effectiviteit van zijn beleid, maar verhoogt het
ook de transparantie voor financiers en stakeholders. Op die
manier blijven de interventies zowel reproduceerbaar als
schaalbaar, wat bijdraagt aan duurzame impact.
Een derde basisprincipe is de focus op structurele versterking.
De aandacht gaat daarbij verder dan louter operationele
verbeteringen, zoals een efficiëntere organisatie van
events of coachingstrajecten. We zetten in op de integratie
van ondernemerschapscompetenties in curricula, de in stitutionele
inbedding binnen onderwijsinstellingen en de
afstemming met stedelijk en Vlaams beleid. Deze structurele
benadering zorgt ervoor dat projecten duurzaam zijn,
dat kennis en ervaringen worden geborgd, en dat het ecosysteem
veerkrachtig blijft bij veranderingen in personeel,
partners of financiering.
Geleerde lessen
De huidige kerntaken, de operationele invulling en de achterliggende
werkwijze zijn gebaseerd op inzichten van tien jaar
TOA. We hebben in die periode de volgende negen lessen
geleerd:
1. Respect voor de autonomie van partners is cruciaal
Binnen het ecosysteem is het essentieel dat partners hun
eigenheid kunnen behouden en autonomie ervaren. Alleen
wanneer instellingen, organisaties en studenten hun identiteit
en specifieke expertise kunnen inbrengen, ontstaan
duurzaam engagement en gedragen samenwerking. Daarnaast
is het opbouwen van vertrouwen tussen partners een
fundamentele voorwaarde voor succes. Dit houdt in dat alle
betrokkenen integer handelen, consequent afspraken nakomen
en transparant communiceren. Vertrouwen groeit
wanneer partners eigenaarschap tonen over hun beslissingen
en de gevolgen daarvan, en verantwoordelijkheid nemen
voor zowel successen als uitdagingen. Autonomie en vertrouwen
versterken elkaar: partners die zich vrij voelen om
initiatieven te ontwikkelen, experimenten uit te voeren en
eigen keuzes te maken, durven meer risico’s te nemen en
innovatiever te zijn. In een dergelijk ecosysteem kun je
ideeën sneller delen, kennis efficiënter opbouwen en gezamenlijke
ambities effectiever realiseren.
2. Studenten als volwaardige partners
De actieve betrokkenheid van studenten vergroot de legitimiteit,
het bereik en de relevantie van het eco systeem. Door
studenten niet enkel als deelnemers maar als mede-eigenaars
van projecten en initiatieven te beschouwen, creëren
we een gevoel van eigenaarschap en betrokkenheid. Studenten
brengen frisse perspectieven, innovatieve ideeën en
actuele kennis van de leeromgeving in, waardoor de inhoud
en vorm van ondernemerschapsactiviteiten beter aansluiten
bij hun behoeften en verwachtingen. Bovendien fungeren
zij als ambassadeurs binnen hun netwerk, wat het bereik
van activiteiten vergroot en nieuwe deelnemers aantrekt.
Hun participatie stimuleert bovendien een cultuur van
cocreatie en samenwerking, waarin leren en ondernemen
hand in hand gaan, en draagt bij aan een ecosysteem dat
inclusief en toekomstgericht is.
3. Inclusiviteit is strategisch
Diversiteit in sectoren, profielen en ondernemingsvormen
versterkt de impact van een ecosysteem. Door studenten
met verschillende achtergronden, opleidingen, interesses
en ervaringen actief erbij te betrekken, ontstaan rijkere perspectieven
en innovatievere oplossingen. Inclusiviteit betekent
niet alleen het ondersteunen van de meest zichtbare
of traditionele ondernemingen, maar ook aandacht hebben
voor kleinschalige, artistieke of sociale initiatieven die anders
mogelijk over het hoofd worden gezien. Strategische inclusiviteit
bevordert bovendien gelijkwaardige kansen voor alle
studenten, stimuleert interdisciplinaire samenwerking en
draagt bij aan een cultuur waarin ondernemerschap breed
wordt gewaardeerd en gedragen.
4. Ecosystemen groeien organisch
Ecosystemen ontwikkelen zich niet lineair, maar volgen
vaak een organisch groeipad waarin onverwachte initiatieven,
samenwerkingen of netwerken een sleutelrol kunnen
spelen. Nieuwe ideeën of projecten van studenten, docenten
of externe partners kunnen onverwacht veel impact hebben
en bestaande structuren versterken of uitdagen. Deze spontane
ontwikkelingen stimuleren innovatie, omdat ze nieuwe
perspectieven introduceren die niet altijd vanuit het centrale
beleid te voorzien zijn. Organische groei vraagt flexibiliteit
van het ecosysteem: ruimte bieden voor experimenten,
fouten toestaan en leren van ervaringen zijn essentieel om
kansen te benutten en het ecosysteem dynamisch te houden.
Onverwachte initiatieven,
samenwerkingen of
netwerken kunnen
een sleutelrol spelen
58
(Student)ondernemerschap
5. Kennisborging en continuïteit vragen structurele aandacht
Een duurzaam ecosysteem mag niet afhankelijk zijn van
enkele sleutelfiguren. Continuïteit en kennisborging zijn
cruciaal om het succes op lange termijn te waarborgen. Dit
betekent dat we processen, goede praktijkvoorbeelden en
leerervaringen systematisch vastleggen en delen, zodat
eventuele nieuwe partners snel kunnen aansluiten en effectief
kunnen bijdragen. Bovendien versterkt een georganiseerde
aanpak van kennisborging de mogelijkheid om impact te
meten, lessen te trekken uit experimenten en beleidskeuzes
evidencebased te onderbouwen. Zo wordt het ecosysteem
niet alleen stabieler, maar ook beter voorbereid op toekomstige
uitdagingen en kansen.
6. Multiplicatordenken loont
Het toepassen van multiplicatordenken betekent dat gezamenlijke
formats, gedeelde infrastructuur en samenwerking
tussen partners de invloed van het ecosysteem vergroten.
Door initiatieven, evenementen en tools op een gecoördineerde
manier te organiseren, kun je middelen efficiënter
inzetten, kosten delen en administratieve lasten verminderen.
Dit vormt een belangrijke incentive voor de partners
om verder in te zetten op het gezamenlijke project. Tegelijkertijd
versterkt dit de zichtbaarheid van het ecosysteem
en zorgt het voor een coherent aanbod dat studenten aanspreekt.
Multiplicatordenken stimuleert ook kennisdeling:
best practices, succesvolle trajecten en leerervaringen
worden herbruikbaar en bestaande projecten kun je
opschalen.
7. De stad als proeftuin
De grootstedelijke dynamiek van Antwerpen biedt een uitzonderlijke
context waarin studenten ondernemerschap
kunnen ervaren en ontwikkelen. De combinatie van deze
stedelijke omgeving met de regionale inbedding van de
studentenpopulatie van de universiteit en hogescholen van
de AUHA creëert een unieke situatie in Vlaanderen: ruim
70 procent van de studenten komt uit de eigen provincie.
Studeren in een stad waarmee je affiniteit hebt en tegelijkertijd
in contact komen met ondernemers vergroot de kans
aanzienlijk dat studenten zelf de stap naar ondernemerschap
zetten. Daarbij vormt de consequente ondersteuning die TOA
al tien jaar biedt aan ondernemende studenten een stevig
fundament waarop dit ecosysteem kan groeien. Antwerpen
fungeert als een levende proeftuin: de aanwezigheid van een
rijke mix van bedrijven, maatschappelijke initiatieven en
hogeronderwijsinstellingen creëert een ecosysteem waarin
we ideeën snel kunnen testen en valideren. De stad werkt
zo als een katalysator voor ondernemerschap. Het dagelijkse
stedelijke leven, de diversiteit aan uitdagingen en de nabijheid
van partners maken het mogelijk om theorie en praktijk,
onderwijs en impact uit de echte wereld naadloos met
elkaar te verbinden.
8. Evidencebased werken is essentieel
Systematisch evalueren, leren van experimenten en beleidskeuzes
baseren op data zijn cruciaal voor de effectiviteit en
duurzaamheid van het ecosysteem. Evidencebased werken
maakt het mogelijk om activiteiten en initiatieven continu
te verbeteren, beslissingen te onderbouwen met objectieve
informatie en resultaten meetbaar te maken voor alle
betrokkenen. Door experimenten, pilots en innovatieve
projecten te monitoren en te analyseren kunnen we niet
alleen successen opschalen, maar ook lessen trekken uit wat
niet werkt. Dit proces bevordert een cultuur van reflectie en
leren: het stimuleert studenten, docenten en partners om
kritisch te kijken naar hun aanpak, nieuwe methoden uit
te proberen en hun activiteiten aan te passen op basis van
concrete bevindingen. Bovendien versterkt het gebruik van
data en evaluaties de samenwerking tussen partners, omdat
iedereen toegang heeft tot dezelfde inzichten.
9. Steun van de stedelijke en Vlaamse overheid als
katalysator
De financiële, beleidsmatige en organisatorische ondersteuning
van zowel de stad Antwerpen als de Vlaamse overheid
heeft het ecosysteem aanzienlijk versterkt. Deze steun
fungeerde als hefboom door bestaande initiatieven te versterken,
nieuwe projecten mogelijk te maken en de samenwerking
tussen partners te verdiepen. De gecombineerde
steun van stad en overheid verhoogt niet alleen de operationele
slagkracht, maar versterkt ook de legitimiteit en het
draagvlak van het ecosysteem bij andere stakeholders,
zoals het bedrijfsleven, kennisinstellingen en studenten
zelf. Kortom, deze ondersteuning werkt als katalysator:
ze vergroot de impact van lokale en regionale initiatieven,
creëert synergie tussen partners en stimuleert een cultuur
van samenwerking, experimenteren en duurzame ontwikkeling
van ondernemerschapscompetenties.
Verder groeien
Uit onze analyse van tien jaar TOA blijkt dat het ecosysteem
een sterke uitgangspositie heeft om ondernemerschap in
hoger onderwijs duurzaam te verankeren. Antwerpen telt de
grootste concentratie student-ondernemers in Vlaanderen,
en TOA beschikt over een herkenbare identiteit, een robuust
netwerk van partners en een aantoonbaar trackrecord van
succesvolle projecten en initiatieven. Deze stevige basis
maakt het mogelijk om verder te groeien en strategische
innovatie te realiseren.
Tegelijkertijd nemen zowel de populatie van student-ondernemers
als de verwachtingen rond begeleiding en aanbod
structureel toe. Om kwaliteit, inclusiviteit en impact te verzekeren
zijn efficiëntere samenwerking, een scherpere rolverdeling
en toekomstgerichte afstemming van programma’s
en ondersteuning noodzakelijk. Om deze uitdagingen aan
te pakken hanteren wij een strategie die inzet op synergie,
gedeelde programmatie en schaalvoordelen.
59
5-25
(Student)ondernemerschap
Statuut van student-zelfstandige uitbreiden en moderniseren
Het aantal student-ondernemers neemt structureel toe, ook
dankzij het statuut van student-zelfstandige. Sinds januari
2017 kunnen studenten die tijdens hun studie al willen
ondernemen, gebruikmaken van het (para)fiscale statuut
student-zelfstandige. Dankzij dat statuut krijgen zij een
reeks voordelen, zoals sociale bescherming en lagere sociale
en fiscale drempels.
Dit statuut valt bij studenten bijzonder in de smaak. Van 2017
tot 2021 verdubbelde het aantal student-zelfstandigen in
België bijna. Vooral in Vlaanderen is het statuut erg populair:
ongeveer een op de vijf jonge zelfstandigen (18 tot 25 jaar)
is student. In 2024 telden we in Vlaanderen maar liefst 6741
student-zelfstandigen, waar dat er in 2017 nog 3541 waren.
Bijna de helft (49,6 procent) van de jongeren die hun statuut
van student-zelfstandige verlaten, zet nadien de stap naar
een volwaardige zelfstandige activiteit in hoofd- of bijberoep.
Dit is een duidelijke aanwijzing dat het statuut een stevige
springplank vormt naar duurzaam ondernemerschap 9 .
Het statuut werd recent nog aangepast om administratieve
verplichtingen aanzienlijk te verminderen. Dit maakt het
voor studenten eenvoudiger om hun ondernemende projecten
te combineren met hun studie en stimuleert ondernemerschapsinitiatieven
in het hoger onderwijs. Toch blijft
de leeftijdsgrens van 25 jaar ongewijzigd. Dit sluit oudere
studenten uit, zoals studenten die een tweede bachelor of
master volgen, of diegenen die zich heroriënteren tijdens
hun loopbaan. Tegelijkertijd zet de Vlaamse overheid in op
levenslang leren, dat leren en ondernemen gedurende het
hele leven wil ondersteunen. Hiermee staat de leeftijdsgrens
van 25 jaar op gespannen voet. Wij bevelen daarom
aan om de leeftijdsgrens te verruimen, zodat student-ondernemerschap
in het hoger onderwijs nog inclusiever wordt
en we het bredere beleid rond levenslang leren nog verder
versterken.
Continuering en versterking van overheidssteun
TOA kon de afgelopen jaren rekenen op steun van de stad
Antwerpen en Vlaanderen, via het VLAIO-programma ‘Ecosysteem
voor jong ondernemerschap in studentensteden’.
Deze steun heeft een hefboomeffect gehad. Want hoewel de
partners van de alliantie de basis leggen voor samenwerking,
heeft de extra financiële en organisatorische ondersteuning
het mogelijk gemaakt om:
• de activiteiten op te schalen en een grotere schaal bij
events, workshops en coachingstrajecten te realiseren;
• innovatie te stimuleren en experimentele formats zoals
hackathons, design sprints en internationale projecten
op te starten;
• effecten te monitoren en systematische evaluatie en
kennisdeling mogelijk te maken, om zo de effectiviteit
van ondernemend onderwijs aantoonbaar te maken.
We bevelen aan om het huidige niveau van ondersteuning
te behouden en – waar mogelijk – uit te breiden. Zowel
lokale als Vlaamse beleidsmakers spelen een cruciale rol
in het verder versterken van het ecosysteem door financiële
middelen, infrastructuur, netwerken en zichtbaarheid ter
beschikking te stellen.
Onbenut potentieel activeren
Ondanks de successen van TOA bereiken we nog niet alle
student-ondernemers effectief. Richtingen waarin ondernemerschap
minder prominent aanwezig is, zoals sommige
kunst-, sociale of technologisch-georiënteerde opleidingen,
bieden kansen voor gerichte activering. We weten dat de
faciliteiten die we bieden helpen, zowel om de studies te
laten vorderen als om de ondernemingen te laten bloeien.
Daarom is het belangrijk om deze studenten te bereiken.
Onze aanbevelingen zijn in deze context de volgende:
• Werken aan gerichte ondersteuning: trajecten ontwikkelen
die laagdrempelig ondernemerschap stimuleren en
tegelijkertijd studenten met ambitie voor technologisch
en internationaal georiënteerde ondernemingen
ondersteunen.
• Erkenning en zichtbaarheid versterken: initiatieven
van studenten die buiten de traditionele start-upcontext
vallen zichtbaar maken en valoriseren.
• Zorgen voor een inclusief aanbod, zodat alle studenten,
ongeacht opleiding, leeftijd of achtergrond, toegang
hebben tot coaching, netwerkactiviteiten en financiële
ondersteuning.
Door het onbenutte potentieel te activeren kan het ecosysteem
niet alleen het bereik vergroten, maar ook de maatschappelijke
relevantie van ondernemerschapsinitiatieven
versterken.
Voortbouwen
Tien jaar na de opstart staat TOA sterker dan ooit. Het ecosysteem
heeft bewezen dat samenwerking tussen onderwijs,
overheid, socio-economisch weefsel en studenten niet alleen
rendeert, maar ook blijvende impact genereert op de stad,
de regio en Vlaanderen. De komende jaren willen we voortbouwen
op dat stevige fundament met een duidelijke focus
op duurzame groei, inclusiviteit en regionale verankering.
Het statuut vormt
een stevige springplank
naar duurzaam
ondernemerschap
60
(Student)ondernemerschap
We blijven inzetten op onze unieke provincie: 73 procent van
onze studenten komt uit de eigen regio. Zij wonen, werken
en ondernemen hier en vormen zo de ruggengraat van een
sterk lokaal ecosysteem. Tegelijkertijd zorgen de vele internationale
studenten voor een ideale mix van lokale betrokkenheid
en mondiale blik. Die sterke basis wordt bovendien
gevoed door het wederzijds vertrouwen en de common
ground tussen de partnerinstellingen binnen onze associatie,
een samenwerking die door de jaren heen haar veerkracht,
complementariteit en gemeenschappelijke ambitie
heeft bewezen.
De toekomst van TOA steunt op hernieuwde, maar intussen
ook reeds bevestigde engagementen van alle partners. De rol
van de Kamer van Koophandel Antwerpen-Waasland blijft
daarin bijzonder prominent: als brug tussen onderwijs en
bedrijfsleven is deze een sleutelfiguur in het verbinden en
versterken van ondernemerschap. Met een ondernemend
bestuursakkoord en een breed gedragen engagement om
verder te groeien, bouwen we aan een ecosysteem dat niet
alleen studenten ondersteunt, maar ook bijdraagt aan bredere
regio-ontwikkeling. Dat doen we met een inclusieve
aanpak: elk type ondernemerschap telt.
Een belangrijke prioriteit voor de komende jaren is het
detecteren en ondersteunen van student-ondernemers die
nog niet officieel erkend zijn binnen hun onderwijsinstelling.
Want we weten dat ondernemerschapsbegeleiding
niet enkel de slaagkansen verhoogt, maar ook nieuwe kruisbestuivingen
en samenwerkingen mogelijk maakt. En dat
doen we bovendien samen met de studenten zelf. Via studentenorganisatie
SINC en andere initiatieven blijven zij
actief betrokken als mede-eigenaars van het ecosysteem, en
geven ze mee richting aan de activiteiten en de cultuur van
ondernemerschap in de stad. Daarnaast blijven we inzetten
op levenslang leren: een afgestudeerde student-ondernemer
moet kunnen blijven groeien, leren en verbinden. Een sterker
alumninetwerk zal daarbij een sleutelrol spelen als bron van
inspiratie, mentoring en innovatie.
een regio die geloven in ondernemerschap als motor voor
duurzame vooruitgang.
Isabelle De Ridder
is sinds 2020 directeur van de Associatie Universiteit & Hogescholen
Antwerpen. Voordien was zij lange tijd verantwoordelijk
voor hoger onderwijs bij de Vlaamse Onderwijsraad. Zij behaalde
haar doctoraat over woordenschatverwerving in 2003 aan de
Universiteit Antwerpen
Mathias Mallentjer
is oprichter van Production Office, een onafhankelijk creatief
bureau dat werkt rond thema’s als innovatiedenken, des infor matie,
studiekeuze en ondernemerschap. Hij is erkend bemiddelaar in
ondernemingszaken en is sinds 2014 betrokken bij TOA, waar
hij de opstart en verdere ontwikkeling van het ecosysteem mee
vormgaf als curator
Klaas Taeymans
behaalde masters in geschiedenis en internationale betrekkingen
en diplomatie. Sinds 2025 werkt hij als content strategist bij
Production Office. Vanuit die rol is hij betrokken bij TOA
Noten
1 De AUHA is een samenwerkingsverband tussen Universiteit Antwerpen, Antwerp
Maritime Academy (HZS), AP Hogeschool en de Karel de Grote Hogeschool.
2 Studentenorganisatie SINC is een Antwerpse studentenorganisatie die
ondernemerschap, innovatie en samenwerking onder studenten stimuleert.
3 Bijvoorbeeld het Vlaams Regeerakkoord 2019-2024 vermeldt het stimuleren van
ondernemen bij jongeren. Het regeerakkoord 2024-2029 bevat geen expliciete verwijzing
naar ‘student-ondernemerschap’, maar ondersteunt wel beleidslijnen die daar indirect
mee samenhangen, zoals de ambitie voor een ondernemersvriendelijke overheid, de
versterking van de koppeling tussen onderwijs en bedrijfsleven, en stimulering van
talentontwikkeling.
4 European Network for Entrepreneurial Universities (2021), Good Practices Report. EUA.
5 Vlaamse Beleidsnota Economie en Innovatie 2020-2024.
6 Antwerps Bestuursakkoord 2025-2030.
7 Europese Commissie (2016), EntreComp Framework.
8 ECOOM (2020 en volgende). Evaluatie ondernemerschapseducatie in Vlaanderen.
9 Hoe evolueert student-ondernemerschap in Vlaanderen? www.vlaio.be/nl/nieuws/
hoe-evolueert-student-ondernemerschap-vlaanderen
Duidelijke voorsprong
De structurele steun van de Vlaamse overheid is een onmisbare
succesfactor gebleken. Die steun was niet alleen van
groot belang voor ons ecosysteem, maar versterkte ook
het volledige Vlaamse landschap van student-ondernemerschap.
In vergelijking met Brussel en Wallonië zien we dat
deze gerichte, beleidsmatige aanpak Vlaanderen een duidelijke
voorsprong heeft gegeven in het ontwikkelen van duurzame
ecosystemen voor jong ondernemerschap.
TOA blijft zo een hefboom voor de ondernemende regio die
Antwerpen is: lokaal verankerd, internationaal georiënteerd,
inclusief in aanpak en structureel gericht op samenwerking.
Richting 2030 zetten we in op verdere verdieping, verbreding
en vernieuwing met vertrouwen in de kracht van een stad en
61
5-25
Is er te veel onderzoek in de humane
en sociale wetenschappen?
Van Damme
e kop boven deze column zal wellicht velen
D
doen opschrikken. Alleen de vraag stellen of
er te veel onderzoek is in de humane en sociale
wetenschappen is immers al vloeken in de
academische kerk, nog voor je een begin van antwoord hebt
gegeven. Immers, zo luidt het dogma, we leven in een kenniseconomie
en we hebben dus zeer veel kennis nodig, niet
alleen om de technologische en economische ontwikkeling
te voeden, maar ook om de samenleving vooruit te helpen.
In Vlaanderen – en meer nog in Nederland – bespaart de
overheid op het wetenschappelijk onderzoek. Dat is overigens
in vele Europese landen het geval. En je hebt geen glazen
bol nodig om te voorspellen dat de aanvallen van de Amerikaanse
regering op het wetenschapsbedrijf ook zullen doorsijpelen
in Europa. Wie met beleidsmakers spreekt, hoort
immers ook hier steeds meer twijfels of alle middelen die
in onderzoek worden geïnvesteerd, wel goed besteed zijn.
Voor de bèta- en gammawetenschappen zou er geen twijfel
mogen zijn; we kunnen daar eigenlijk spreken over een
tekort aan onderzoek. De pijplijn van fundamenteel onderzoek,
over toegepast onderzoek, naar Research & Development
en innovatie vraagt om heel veel onderzoek, ook en
vooral aan het begin van die keten, wanneer de toepasbaarheid
en valorisatie nog heel onzeker zijn.
De twijfel richt zich dus vooral op de humane en sociale
wetenschappen. Universiteitsleiders, die als poortwachters
functioneren in de onderzoeksfinanciering, streven een
billijke verdeling van de middelen na en garanderen
dus een groot deel van de middelen voor de humane en
sociale wetenschappen. Die worden dus eigenlijk artificieel
beschermd door de terechte legitimering van het onderzoek
in de harde wetenschappen.
De academische gemeenschap ziet de twijfels bij de beleidsmakers
als weinig ernstig, maar ze zijn niet op los zand
gebaseerd en verdienen betere antwoorden dan vandaag vaak
het geval is. Zo wierp een Vlaamse universiteitsbestuurder
onlangs op dat het onderzoek in de sociale wetenschappen
nodig is om de samenleving door de transitie van artificiële
intelligentie te loodsen. Nu is AI een zeer belangrijk thema
en de vraag naar de maatschappelijke consequenties ervan
verdient goed onderzoek, maar als argument om gelijk welk
onderzoek in de humane en sociale wetenschappen te verdedigen
schiet het schromelijk tekort.
Ik maak me allang zorgen over de communicatiekloof tussen
de werelden van de wetenschap en de politiek. Beleidsmakers
hebben vaak geen benul van wat er in de wetenschap omgaat.
Maar academici voelen zich vaak boven elke mogelijke
twijfel verheven en zijn vaak niet in staat om met steekhoudende
argumenten te antwoorden op de vragen van
het beleid. Die communicatiekloof leidt gegarandeerd tot
problemen.
Een cruciale aanname in de academische verdediging van
het onderzoek is ‘hoe meer, hoe beter’. Er is geen grens aan
onderzoek, omdat het aantal onderzoeksvragen dat je kunt
stellen in beginsel oneindig is. Er kan nooit genoeg kennis
zijn. In beleid overheerst echter een andere logica, namelijk
die van de begrenzing van de middelen, en stelt zich dus de
vraag naar doelmatigheid en efficiëntie. En het is net vanuit
het perspectief van doelmatigheid dat beleidsmakers vandaag
steeds meer kritische vragen stellen, die in de toekomst
alleen maar luider zullen gaan klinken.
Ik noem er drie. Eerste vraag: is het wetenschappelijk publicatiesysteem
niet aan het exploderen? Het aantal publicaties
in wetenschappelijke tijdschriften neemt jaar na jaar toe,
maar ook het aantal publicaties die niemand leest, die nooit
geciteerd worden. Jaar na jaar neemt ook het aantal tijdschriften
toe. Ondanks schuchtere pogingen aan sommige
universiteiten om de publicatiedruk af te remmen door die
niet meer zo centraal te stellen in de evaluatie van academische
loopbanen, blijft de publicatiewoede toenemen.
Tijdschriften zitten met de handen in het haar om het
peerreviewproces boven water te houden. Reviews, die zelf
steeds vaker door AI-applicaties worden geschreven, zijn
steeds minder effectief in het onderscheiden van uitstekende,
baanbrekende papers enerzijds en echte rommel anderzijds.
Ook het aantal artikels dat moet teruggetrokken worden
(retractions) neemt toe. Wie vele tijdschriften volgt – en het
is zelfs in een eng vakgebied niet meer mogelijk om alle
tijdschriften te volgen – weet hoeveel compleet zinloze
rommel er verschijnt. Dit is een systeem dat met hoge
snelheid tegen de muur aan het lopen is.
Tweede vraag, en opnieuw een die betrekking heeft op
het axioma ‘hoe meer, hoe beter’: moeten we echt zo veel
doctoraten produceren? Het academisch systeem streeft
er momenteel naar beloftevolle studenten zo lang mogelijk
in de academie te houden door hen te verleiden met docto-
62
raatsbeurzen en -trajecten. Deze vaak uitstekende
studenten werken gedurende een aantal jaren zeer hard,
worden door de ondergefinancierde departementen ook
voor allerlei taken in onderwijs en dienstverlening ingezet,
en krijgen de bekroning met een doctoraatstitel. Universiteiten
ontwijken al vele jaren de vraag of dit voor iedereen
wel de zinvolste weg van talentontwikkeling is. Slechts
ongeveer een op tien vindt zijn of haar weg in een academische
loopbaan.
Door de massificatie van het doctoraat is de functie van toegangsticket
tot de academie uitgehold. Uitstekende studenten
komen dus pas vele jaren later op de arbeidsmarkt terecht,
waar de valorisatie van hun specifieke kennis en skills twijfelachtig
is. Enkelen komen terecht in jobs waar gevorderde
onderzoeksvaardigheden goed van pas komen, maar de
meesten landen ergens waar een masterkwalificatie ook
voldoet. Werkgevers klagen vaak over de mismatch in skills
en verwachtingen waar deze jonge mensen zich mee geconfronteerd
zien. Dit model van loopbaanontwikkeling is echt
niet effectief en niet duurzaam.
Derde vraag: wat brengt de groei van onderzoek in de humane
en sociale wetenschappen op voor de samenleving? Een volstrekt
legitieme vraag, maar zo moeilijk te beantwoorden.
Ik ben helemaal niet te vinden voor een eng utilitair denken
over het nut van wetenschappelijk onderzoek. Ik ben zelfs
zeer te vinden voor volstrekt nutteloos onderzoek in de
humanities dat louter gedreven wordt door nieuwsgierigheid,
zoals in de geschiedenis, de archeologie of de filosofie.
Maar het afwijzen van een eng utilitaire benadering is geen
argument voor ‘hoe meer, hoe beter’ of voor een ‘laisserfaire’-denken.
Per slot van rekening is maar een heel klein
gedeelte van het onderzoek in de humane en sociale wetenschappen
als niet-utilitair te catalogeren. Het meeste onderzoek
wordt gelegitimeerd door een veronderstelde positieve
bijdrage aan de samenleving. Dan is het toch legitiem om
de vraag te stellen wat er van die positieve bijdrage reëel te
merken valt. Ik vrees zeer weinig.
Om me tot mijn eigen vakgebied van de onderwijskunde te
beperken: iemand stelde onlangs de vraag hoe het te verklaren
is dat de sterke groei van het onderwijskundig onderzoek
samenvalt met de sterke daling van de onderwijskwaliteit in
de westerse wereld. Uiteraard is daar veel over te zeggen, om
te beginnen dat het zo simpel niet is. Maar de vaststelling
blijft en de academische gemeenschap blijft het antwoord
schuldig. En hetzelfde geldt voor veel andere maatschappelijk
relevante thema’s, zoals armoede en sociale ongelijkheid.
Een belangrijk signaal dat doet twijfelen of het onderzoek
in de sociale wetenschappen wel op het oplossen van maatschappelijke
problemen is gericht, is de replicatiecrisis.
Door het testen en repliceren van onderzoek kun je wetenschappelijke
kennis robuuster maken, waardoor je deze
beter kunt inzetten. Maar slechts een miniem percentage
van het sociaalwetenschappelijk onderzoek is replicatieonderzoek.
Blijkbaar is het academisch bedrijf meer geïnteresseerd
in een nieuw origineel idee dat moet worden
onderzocht, dan in het moeizaam repliceren van bestaand
onderzoek. En veel replicatieonderzoek komt tot de conclusie
dat de resultaten niet standhouden in een andere context
en dus niet veralgemeenbaar zijn. In de wetenschappelijke
wereld is dat geen enkel probleem, en de paper kan gepubliceerd
worden, maar voor de verantwoording van onderzoek
is dat wel degelijk een fundamenteel probleem.
Er zijn geen eenvoudige oplossingen voor deze vragen. Maar
je zou van het universiteitsbestel wel mogen verwachten dat
het deze vragen ernstiger neemt. Weinigen in de politieke
wereld zijn diep onder de indruk van de argumenten die
universiteitsleiders in Vlaanderen en Nederland tot dusver
aanvoeren om de bezuinigingen te bestrijden. Zelden lees
ik een begin van argumentatie voor minder maar meer
kwaliteitsvol onderzoek, voor betere zelfregulering en zelfsturing
in onderzoek, voor meer maatschappelijke relevantie
in onderzoeksvragen. In de Verenigde Staten zie je vandaag
dat de scherpe aanvallen op de universiteiten stilaan tot wat
zelfregulering leiden. Laten we hopen dat we in Europa die
politieke agressie niet nodig hebben om ook de verstandige
weg te vinden.
Dirk Van Damme
is voormalig onderwijsexpert bij de OESO (Organisatie voor
Economische Samenwerking en Ontwikkeling)
63
5-25
Wat zijn voor een hogeronderwijsinstelling de potentiële voordelen van samenwerking met interne en externe
belanghebbenden, als het gaat om duurzaamheid? Voor Hogeschool PXL leidde samenwerking met een externe partner
tot de erkenning als ‘SDG Pioneer’. Aan de basis hiervan stond een intern transitieteam.
Transitieteams en het multi-level
perspective in het hoger onderwijs
Een succesvolle casus in Vlaanderen
Dirk Franco & Jean Pierre Segers
Hogeschool PXL, Hasselt; Universiteit Hasselt
H
ogeronderwijsinstellingen zijn in constante transitie
en hebben veel opportuniteiten. Vanwege de over het
algemeen korte beslissingslijnen kunnen ze veel in
beweging zetten met een grote vermenigvuldigingsfactor.
Zo heeft energie-optimalisatie betrekking op een
enorm volume waarover een beperkt aantal mensen beslist,
in vergelijking met een soortgelijk volume bij particuliere
woningen. Ook kan een hogeronderwijsinstelling door de
grootte van het personeelsbestand, het aantal studenten
en alumni et cetera een enorme invloed uitoefenen op
veranderingsgedrag.
Anderzijds kan de schaalgrootte ook een nadeel zijn. Multi- en
interdisciplinariteit zien we steeds meer als opportuniteiten
en in veel onderzoeksinstituten zijn deze ingeburgerd, maar
Transitie is in feite de
verschuiving van het
ene evenwicht naar
een nieuw evenwicht
het ‘silo’-beeld is in het hoger onderwijs zeker nog aanwezig.
Ook is het vaak een werkpunt om iedereen die betrokken is
bij de corebusiness van een onderwijsinstelling (onderwijs,
onderzoek, dienstverlening en beoefening van de kunsten)
én de ondersteunende diensten als één coherent geheel
te laten samenwerken en erbij te betrekken. Toch heeft de
maatschappij veel verwachtingen van hogeronderwijsinstellingen,
bijvoorbeeld op het gebied van duurzaamheid.
Er zijn in de literatuur veel definities van een duurzame
universiteit of hogeschool te vinden (Anderson, 2017). Volgens
Velazquez en collega’s (2005) is een duurzame universiteit
‘een instelling voor hoger onderwijs, als geheel of als
onderdeel, die zich op regionaal of mondiaal niveau inzet
om de negatieve ecologische, economische, maatschappelijke
en gezondheidseffecten te minimaliseren die worden
gegenereerd bij het gebruik van hun middelen om haar
onderwijsfuncties (onderwijs, onderzoek, dienstverlening
en het beoefenen van de kunsten) te vervullen’. Dit is een
acceptabele definitie, waarbij duurzaamheid geldt als een
zorg voor alle functies van een hogeronderwijsinstelling,
en die een kader van ‘drie pijlers van duurzaamheid’ invoegt
(economie, milieu, samenleving) (Anderson, 2017).
Er zijn tal van theoretische concepten en benaderingen
met betrekking tot de manier waarop instellingen voor
hoger onderwijs zouden moeten of kunnen werken met
het oog op duurzaamheid. Maar er zijn ook struikelblokken,
en er is helaas slechts beperkte literatuur beschikbaar over
de vraag waarom deze concepten en benaderingen in de
praktijk niet werken.
64
Figuur 1 Het multi-level perspective (Geels & Schot, 2007)
Het multi-level perspective
Het multi-level perspective (MLP) conceptualiseert
transities als het resultaat van interacties tussen drie
analytische niveaus:
1. Niche-innovaties: beschermde ruimten waarin
radicaal nieuwe technologieën, praktijken of ideeën
ontstaan. Ze kenmerken zich door experimentatie
en leren, maar hebben eerder weinig invloed op
het dominante systeem.
2. Sociotechnisch regime: dit omvat gevestigde structuren,
routines, technologieën, beleidskaders en
culturele normen die stabiliteit bieden aan het
bestaande systeem. Het regime is inert en resistent
tegen verandering, maar vormt tegelijkertijd de
context waarin niches zich ontwikkelen.
3. Landschap: dit verwijst naar bredere externe factoren
zoals macro-economische trends, politieke
ideologieën, ecologische crises of culturele verschuivingen.
Deze factoren zijn moeilijk te beïnvloeden
door actoren binnen het regime of binnen
niches, maar kunnen druk uitoefenen op het
regime en zo transities faciliteren.
Nieuw evenwicht
Nieuwe oplossingen ontstaan door verandering en transitie.
Verandering betekent een verbetering van de structuur,
cultuur en werkmethoden binnen een systeem en niet in
individuele gemeenschappen (Van Yperen et al., 2017;
Loorbach et al., 2020). Een transitie wordt aangestuurd door
een combinatie van actoren, waaronder bedrijven, overheden,
hogeronderwijsinstellingen, middenveldorganisaties en
burgers (Geels & Schot, 2007; Geels, 2011; Avelino, 2017).
Transitie (zie Figuur 1) is in feite de verschuiving van het
ene evenwicht naar een nieuw evenwicht (een paradigmashift).
Transities ontstaan wanneer niche-innovaties voldoende
robuust worden, het regime onder druk komt te
staan door landschapsveranderingen en er vensters ontstaan
waarin niches kunnen opschalen en het regime kunnen
transformeren.
In het verleden vonden individuele verschuivingen plaats in
hogeronderwijsinstellingen die zich richtten op infrastructuur
(bijvoorbeeld een duurzame campus) (Franco et al.,
2022a; Segers et al., 2024; Leal et al., 2025) of op curricula
en/of op andere zaken (zoals financiën, gedrag, attitudes)
(Van Yperen et al., 2017; Avelino, 2017). Binnen een hogeronderwijsinstelling
kun je de multi-level perspective-aanpak
(Geels & Schot, 2007) voor dit traject implementeren. Dit
perspectief, ontwikkeld door Frank Geels, is een theoretisch
65
5-25
Een samenwerking
met brancheorganisaties
ligt dan ook
voor de hand
kader binnen de transitiestudies dat structurele veranderingen
in socio-technische systemen verklaart.
Bewustwording van bredere ontwikkelingen in de sector is
ook belangrijk, om niet alleen van binnenuit te presenteren,
maar ook aan te sluiten bij bestaande kansen en thema’s
met elkaar te verbinden (Vanlangenaecker et al., 2025). Een
samenwerking met brancheorganisaties ligt dan ook voor
de hand (Loorbach et al., 2020; Avelino, 2017; Durbach &
Stewart, 2012). Om dit toe te passen zette Hogeschool PXL
een samenwerking op met expertisecentrum CIFAL Vlaanderen
1 . Bovendien organiseerde ze na het prioriteren van de
duurzaamheidsdoelen van Hogeschool PXL een (externe)
stakeholdersevent om te toetsen wat de buitenwereld van de
instelling verwacht op het gebied van duurzaamheid. Waar
nodig stuurde ze dit bij of argumenteerde waarom deze suggestie
(voorlopig) niet werd uitgevoerd.
Casestudy
We presenteren een interpretatieve casestudy volgens de
classificatie van Walsham (2006) voor de integratie van
duurzaamheid en de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen
(SDG’s) van de Verenigde Naties in Hogeschool PXL.
Interpretatieve methoden zoals (meerdere) casestudies (Yin,
2009) zijn de voorkeursmethode om holistisch complexe
fenomenen te bestuderen in een reallife context (Geels &
Schot, 2007).
Figuur 2 Evolutie van transitieteams, gebaseerd op Van Yperen
(aangepast)
In het begin van het proces hebben we een beperkt innovatieteam
opgericht (zie Figuur 2); in deze casus waren dat vijf
personen. Dit team zal niet alleen groeien in aantal deelnemers
(zie verder onder SDG@PXL), maar ook in taken of
verantwoordelijkheden en implementatie, en zal uiteindelijk
de facilitator zijn naar de gewenste transitie en de katalysator
om de interne visie (na eventuele bijsturing) te laten
verankeren bij de externe stakeholders.
Er is in deze casestudy speciale aandacht in de bottom-upen
top-downrealisatie van:
1. de nieuwe strategische & beleidsverklaring waarin
Hogeschool PXL duurzaamheid heeft opgenomen in
de missie en visie;
2. het operationele beleid en de zogenaamde leeruitkomsten
van onderwijs, onderzoek, personeel en facilitair
management.
Doordat het primaire initiatief kwam vanuit het transitieteam
(het microniveau in Figuur 1) en het beleid de druk van
de buitenwereld (het macroniveau in Figuur 1) ook ondervond,
leidde deze wisselwerking (bottom-up- en top-down)
tot eerdergenoemde realisaties.
Hieruit komen dan twee onderzoeksvragen naar voren:
1. Kan een samenwerking met brancheorganisaties
(in dit geval CIFAL Vlaanderen) de transitie van een
hogeschool (PXL) versnellen met het oog op duurzame
strategie en visie? Is de transformatie naar een dynamischere
instelling ook aangepast aan de huidige behoeften
(duurzaamheid en digitalisering), gekoppeld aan
ondernemende universiteiten? Dit moet dan ook leiden
tot de integratie en implementatie van duurzame ontwikkeling
door tal van activiteiten op het gebied van
onderzoek, onderwijs en dienstverlening, en natuurlijk
in de eigen bedrijfsvoering.
2. Kunnen we het proces zien als een katalysator voor de
eigen instelling, maar ook voor de regio en de betrokken
stakeholders (Carayannis et al., 2012), evenals voor
het hoger onderwijs in Vlaanderen?
SDG@PXL
In het begin van een transitieproces fungeert het transitieteam
(Figuur 2) als een platform om innovatie te bundelen
en te versterken. Maar daar hoeft het niet bij te blijven. Er
worden onder impuls van het veranderingsnetwerk krachtige
platforms gevormd voor inspiratie en ideeënbeheer, kennisuitwisseling
en netwerken (Van Yperen et al., 2017). Degenen
die betrokken zijn bij de veranderingsprojecten kunnen
regimes (zie Figuur 1) meenemen in het leerproces, zodat
deze de nieuwe manier van werken kunnen oppikken en
ze de barrières waarmee deze projecten te maken hebben,
kunnen aanpakken. Om de druk op dit regime op te voeren
en coherent te worden, evolueert een transitieteam in een
66
volgende fase via veranderingsprojecten naar een veranderingsnetwerk
(zie Figuur 2).
In mei 2019 richtte Hogeschool PXL een klimaatcomité op.
Het transitieteam veranderde de naam in SDG@PXL, om
een ruimere actieradius te hebben. Dit comité evolueerde
naar een transitieteam. Oorspronkelijk bestond het uit vijf
leden (afdelingshoofd departement Green & Tech, directeur
Financiën en Facilitair Management, medewerkers Onderzoek
en Onderwijs en de beleidsadviseur), maar het breidde
zich snel uit tot meer dan dertig interne belanghebbenden
op vrijwillige basis, met verschillende achtergronden en
verantwoordelijkheden, inclusief student-junior collega’s.
Op deze manier werd het transitieteam sterk gedragen en
verankerd binnen de organisatie (zowel op het gebied van
de verschillende disciplines als de verschillende verantwoordelijkheden
in de hiërarchische structuur). Alle leden van
SDG@PXL namen deel aan verschillende digitale (door
de coronapandemie geïnduceerde) lezingen, workshops,
webinars en bijeenkomsten, in een nauwe cocreatie tussen
CIFAL Vlaanderen en Hogeschool PXL. Het belang van het
faciliteren van continu leren op alle niveaus door mensen
mondiger te maken, samenwerking aan te moedigen en een
open dialoog te bevorderen, was een belangrijk kenmerk in
dit proces.
Het oorspronkelijke team werd een coalitie van processen
door de samenwerking met CIFAL Vlaanderen, wat leidde
tot een daadwerkelijk proces: het willen behalen van duurzaamheidslabels
van de VN. De diverse bottom-upinitiatieven
van in het begin (zie Figuur 1) waren dus op elkaar
afgestemd. Door deze samenwerking was uit een oorspronkelijke
wirwar van ideeën en initiatieven een coherenter
geheel ontstaan dat van onderuit druk zette op het systeem
van de onderwijsinstelling. Dit gecombineerd met de druk
die de onderwijsinstelling van de samenleving ervaarde,
leidde ertoe dat het gangbare beleid zowel van boven als
Uit een wirwar van
ideeën en initiatieven
was een coherenter
geheel ontstaan
van onder onder druk kwam te staan en er aanpassing – een
paradigmashift – kwam aan het bestaande regime of beleid.
Inderdaad: een nieuw beleidsplan, waarin de hogeschool
duurzaamheid meenam, belichtte en succesvol implementeerde
in de missie en visie, en in alle beleidslijnen van het
onderwijs.
Aan de hand van de PDCA-cyclus (Plan-Do-Check-Act)
vond er intern en door een externe accreditatieinstelling
(de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, NVAO)
monitoring plaats. Op deze manier wordt het duurzame
beleid van Hogeschool PXL ook naar de buitenwereld overgebracht,
met name naar de werkomgevingen van de drieduizend
afgestudeerden. Maar als je duurzaamheid wilt
onderrichten, moet het ook in al je facetten van je eigen
bedrijfsvoering zitten. Daarom lichtte deze cyclus niet alleen
de beleidsplannen met betrekking tot het onderwijs vanuit
een SDG- of duurzaamheidsbril door, ook de beleidsteksten
rond onderzoek, humanresources- en facilitymanagement
ondergingen een verandering door deze doorlichting. Deze
beleidsteksten en missie en visie kregen goedkeuring van
alle centrale en decentrale beleidsorganen en werden nadien
openbaar gemaakt (zie Figuur 3).
Tot slot hebben we nog een concordantietabel opgemaakt,
waardoor het voor iedereen duidelijk werd hoe de beleidslijnen
gekoppeld zijn aan de SDG-doelstellingen. Door het
uitvoeren van deze beleidsplannen werd dit een coalitie
met (externe) netwerking (Figuur 2). We dienden immers
nu ook externe stakeholders te betrekken in het duurzaamheidsverhaal.
In sommige gevallen dienden ook zij te
verduurzamen of te innoveren; zo niet, dan stopte de
samenwerking.
Multiplicatoreffect
Figuur 3 Duurzaamheid in de beleidsvisie van Hogeschool PXL
(PXL, 2025)
Onze eerste onderzoeksvraag luidde: kan een samenwerking
met brancheorganisaties de transitie van een hogeschool versnellen
met het oog op duurzame strategie en visie? Deze
studie biedt de mogelijkheid om het potentiële MLP-concept
voor hogeronderwijsinstellingen te evalueren. In deze
casus hebben we CIFAL Vlaanderen als externe partner
67
5-25
Het is erg belangrijk
om te experimenteren
en de kleine stapjes
te consolideren
meegenomen. In het nieuwe beleidsplan is duurzaamheid
opgenomen. Dit wordt zowel intern als extern gemonitord.
Studenten ontwikkelen een reeks belangrijke duurzaamheidscompetenties:
strategisch denken, interpersoonlijke
competenties, holistisch en systeemdenken. Daardoor
worden duurzaamheidscompetenties en kennis van de
SDG’s onderdeel van het curriculum van elke student.
In antwoord op de tweede vraag (Kunnen we het proces zien
als een katalysator voor de eigen instelling, maar ook voor de
regio en de betrokken stakeholders, evenals voor het hoger
onderwijs in Vlaanderen?): de casestudy inspireert andere
externe initiatieven door ‘verandering door netwerk’. In een
open innovatiemindset deelt Hogeschool PXL haar ervaring
in paneldebatten om te illustreren hoe een hogeronderwijsinstelling
innovatief kan zijn bij het introduceren van de
SDG’s door middel van de MLP-aanpak in combinatie met
transitieteams. Daarnaast is het een katalysator voor beleidsvorming.
Bovendien heeft deze aanpak een multiplicatoreffect
op partners, leveranciers en andere belanghebbenden.
We beschrijven hier in detail het proces om ‘SDG Pioneer’
te worden. Een SDG Pioneer is een organisatie die het eerste
niveau van een traject heeft voltooid om de Duurzame
Ontwikkelingsdoelstellingen van de VN te integreren in
haar werking. De term is specifiek verbonden aan een
programma van CIFAL Vlaanderen. Maar deze studie heeft
natuurlijk beperkingen; ze beschrijft slechts één instelling.
In toekomstige studies kunnen we vergelijkingen maken
tussen verschillende instellingen en benaderingen, uit verschillende
regio’s. Daarnaast blijkt uit nauwkeurige inspectie
van recente studies (Bosman et al., 2018; De Zeeuw et al.,
2023; Kanger & Sovacool, 2022; Rotmans & Verheyen,
2022) dat de MLP-aanpak, die we in dit experiment gebruiken,
transities praktisch bevordert en op dit gebied bijzonder
waardevol is.
Geleerde lessen
De belangrijkste ‘lessons learned’ van dit project zijn:
1. Maak deelnemers bewust van mogelijke verstoringen en
onzekerheden die onderliggende aannames verklaren.
2. Diversificatie van bestaande netwerken van actoren is
essentieel.
3. Interacties met belanghebbenden kunnen veranderen
door actoren uit andere domeinen uit te nodigen.
4. Ruimte creëren voor open discussie is essentieel.
5. Uitdagende kwesties van interdisciplinariteit en toegankelijkheid
zijn aan te pakken door de vele interacties
tussen directies, diensten, departementen en
studenten binnen de hogeschool, en in samenspraak
met de externe belanghebbenden.
Deze casestudy toont duidelijk aan dat de evolutie naar de
‘verandering via netwerk’ realistisch is als je de transitie
goed beheert. Op deze manier bevestig je het potentieel om
bij te dragen aan de theoretische grondslagen van transities.
Het is erg belangrijk om te experimenteren en de kleine
stapjes te consolideren. Er zijn veel aanknopingspunten
voor een transitieteam om verandering te brengen. Het gaat
over de visie van een organisatie, de taal, de cijfers, het verloningssysteem,
procedures, sociale cultuur van de organisatie
et cetera.
Zoek steeds naar steun van en voor het (idee van een) transitieteam.
Soms is het evenwel belangrijk dat transitieteams
het rustiger aan doen, wat kan leiden tot meer inzicht, daadkracht
en efficiëntie. Een open, zelf organiserend team kan
verschillen makkelijk toelaten en (externe) teamleden inzetten
op basis van (externe) kennis en intuïtie (zoals CIFAL
Vlaanderen). Dit creëert nieuwe inzichten en kansen om
een paradigmashift teweeg te brengen. Kennisdeling is een
sleutelelement van het transitieteam; in het geval van Hogeschool
PXL was er een coachende rol voor CIFAL Vlaanderen.
Tegelijkertijd vermijd je zo financiële en creatieve lock-ins.
Daarnaast dient een organisatie de interne SDG-prioriteiten
ook te toetsen in een stakeholdermeeting en te verfijnen en
verduidelijken door middel van een materialiteitsindex. Deze
oefening zul je jaarlijks moeten doen en bijwerken. Door
dit te doen was Hogeschool PXL in februari 2021 de eerste
hogeronderwijsinstelling in België die de erkenning van
‘SDG Pioneer’ van de VN ontving; recent kwam daar de
erkenning van ‘SDG Champion’ bij. De laatste fase, de weg
De laatste fase, de
weg naar erkenning
als ‘SDG Ambassador’,
is work in progress
68
naar erkenning als ‘SDG Ambassador’, is work in progress,
maar bijkomend heeft Hogeschool PXL de focus gelegd op
de ESG-rapportering (Environmental, Social & Governance).
Deze aanpak kan een onderwerp zijn voor een volgend artikel.
Dirk Franco
was beleidsadviseur aan Hogeschool PXL en professor aan het
Centrum voor Milieukunde van de Universiteit Hasselt
Jean-Pierre Segers
is beleidsadviseur aan Hogeschool PXL en professor innovatie
aan de faculteit Bedrijfseconomische Wetenschappen van de
Universiteit Hasselt, en is verbonden aan de Université de Liège
(HEC). Hij is medeoprichter en -eigenaar van Brains & Trees,
een Europees trainingsbedrijf voor facilitair management
De standpunten in dit artikel vallen uitsluitend onder de verantwoordelijkheid
van de auteurs. We zijn Cas Boyen, Isabelle
Segers, Inge Verheyen en Ann Knaepen (inspiratie) zeer erkentelijk
voor het finaliseren van een eerdere versie van het artikel.
Marques-Quinteiro, P., van Dijk, H., Peterson, D.R. e.a. (2022). A Model of Leadership
Transitions in Teams. Group & Organization Management, 47(2), 342-372.
doi.org/10.1177/10596011221082394
Rotmans, J. & Verheyen, M. (2022). Omarm de chaos. De Geus.
Segers, J.P., Franco, D.V., Van Caillie, D. e.a. (2024). A holistic model for measuring
sustainable performance generated by innovative projects: The ESCO energy transition
case. In: European Perspectives on Innovation Management (pp. 435-455). Cham: Springer
International Publishing.
Vanlangenaeker, R., Macke, J., Franco, D. e.a. (2025). One Creative Class does not fit all!
A case study of a Belgian region. Journal of Innovation Management, 13(2), 22-51.
Van Yperen, M., Roorda, C. & Buchel, S. (2017). Ondernemen voor transitie: ruimte maken
voor fundamentele vernieuwing. Boom.
Velazquez, L., Munguia, N. & Sanchez, M. (2005). Deterring sustainability in higher
education institutions: An appraisal of the factors which influence sustainability in
higher education institutions. International Journal of Sustainability in Higher Education,
6(4), 383-391.
Walsham, G. (2006). Doing interpretive research. European Journal of Information Systems,
15(3), 320-330.
Yin, R.K. (2009). Case study research: Design and methods (Vol. 5). Sage.
Noot
1 CIFAL Vlaanderen is een aan UNITAR (het VN-Instituut voor Opleiding en Onderzoek)
verbonden centrum dat training, projectontwikkeling en coaching aanbiedt, gericht op
duurzame ontwikkeling en de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s).
Literatuur
Anderson, M. (2017). Transformational leadership in education: A review of existing
literature. International Social Science Review, 93(1), 1-13.
Avelino, F., Wittmayer, J.M., Kemp, R. e.a. (2017). Game-changers and transformative social
innovation. Ecology and Society, 22(4).
Bosman, R., Loorbach, D., Rotmans, J. e.a. (2018). Carbon lock-out: Leading the fossil
port of Rotterdam into transition. Sustainability 10(7): 2558.
Brooks, R., Gupta, A., Jayadeva, S. e.a. (2021). Students’ views about the purpose of higher
education: A comparative analysis of six European countries. Higher Education Research
& Development 40(7): 1375-1388.
Carayannis, E.G., Barth, T.D. & Campbell, D.F. (2012). The Quintuple Helix innovation
model: Global warming as a challenge and driver for innovation. Journal of Innovation
and Entrepreneurship, 1(1), 2.
De Zeeuw, C.I., Yu, S.Y., Chen, J. e.a. (2023) The modified elevated gap interaction test: a
novel paradigm to assess social preference. bioRxiv 2023-10.
Durbach, I.N. & Stewart, T.J. (2012). A comparison of simplified value function approaches
for treating uncertainty in multi-criteria decision analysis. Omega 40(4): 456-464.
Franco, D., Segers, J.P., Herlaar, R. e.a. (2022a). Trends in sustainable energy innovation:
Transition teams. Journal of Innovation Management, 10(2), 22-46.
Franco, D., Macke, J., Cotton, D. e.a. (2022b). Student energy-saving in higher education
tackling the challenge of decarbonisation. International Journal of Sustainability in Higher
Education, 23(7), 1648-1666.
Franco, D.V., Segers, J.P., Wollaert, P. e.a. (2025). Transition Teams as an Innovative Tool
in a Higher Education Institution on the Road to Sustainability: A Case Study. In: North
American and European Perspectives on Sustainability in Higher Education (pp. 1037-1056).
Cham: Springer Nature Switzerland.
Geels, F.W. & Schot, J. (2007). Typology of sociotechnical transition pathways. Research
Policy, 36(3), 399-417.
Geels, F.W. (2011). The multi-level perspective on sustainability transitions: Responses
to seven criticisms. Environmental Innovation and Societal Transitions, 1(1), 24-40.
Hogeschool PXL (2025). PXL ontvangt het VN-duurzaamheidscertificaat ‘SDG Champion’,
12 oktober 2025. www.pxl.be/over-pxl/duurzaamheid/sdg-champion
Kanger, L. & Sovacool, B.K. (2022). Towards a multi-scalar and multi-horizon framework
of energy injustice: A whole systems analysis of Estonian energy transition. Political
Geography, 93, 102544.
Leal Filho, W., Sigahi, T.F., Anholon, R. e.a. (2025). Promoting sustainable development
via stakeholder engagement in higher education. Environmental Sciences Europe, 37(1),
1-20.
Loorbach, D., Wittmayer, J., Avelino, F. e.a. (2020). Transformative innovation and translocal
diffusion. Environmental Innovation and Societal Transitions, 35, 251-260.
69
5-25
In de transitie die hogescholen doormaken van kennisconsumerende naar kennisproducerende instellingen, is de
docent-onderzoeker de spil tussen onderwijs en praktijkgericht onderzoek. Wat houdt deze functie precies in, en welke rol
speelt kunstmatige intelligentie daarbij?
Bruggenbouwer tussen onderwijs
en onderzoek
De strategische nieuwe rol van de docent-onderzoeker
Sandra Doeze Jager, Sabine Wanmaker & Maurice Schols
Avans Hogeschool
W
e leven in een tijd met enorme technische en maatschappelijke
ontwikkelingen, met tegelijkertijd
complexe interdisciplinaire vraagstukken: denk aan
klimaatverandering, de vergrijzende samenleving
en (digitale) veiligheidsvraagstukken. Deze dynamiek vraagt
om het opleiden van (toekomstige) arbeidskrachten die
interdisciplinair kunnen denken om bij te dragen aan deze
vraagstukken. Daarnaast is wendbaarheid voor deze arbeidskrachten
essentieel, aangezien de arbeidsmarkt in de loop
van hun carrière volledig zal veranderen.
Door als hogeschool een centrale positie in te nemen in de
zogenoemde quadruple helix kun je grote impact hebben op
innovatie, kennisontwikkeling en maatschappelijke en economische
waarde. De vier pijlers in deze quadruple helix zijn:
1. hoger onderwijs: een hogeschool als Avans heeft een centrale
rol in het opleiden van studenten, het uitvoeren
van toegepast onderzoek en het ontwikkelen van nieuwe
kennis;
2. overheid: die biedt beleidskaders en financiering, en
ondersteunt initiatieven die bijdragen aan maatschappelijke
en economische ontwikkeling;
3. organisaties: die zorgen voor inzicht in behoeften, praktijkkennis,
toepassingen van innovaties en bieden stageen
werkgelegenheidsmogelijkheden, waardoor de
aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt
versterkt;
4. onderzoek: door de uitvoering van praktijkgericht onderzoek
(onder meer naar kunstmatige intelligentie) voor
organisaties in hybride leeromgevingen, veelal mede
gefinancierd door de overheid, produceert het hoger
onderwijs nieuwe kennis.
Deze visie vraagt om een fundamentele verbreding van de
functie van het hbo (hoger beroepsonderwijs). Net als veel
andere instellingen bevindt Avans Hogeschool zich daarom
in een strategische transitiefase: van een kennisconsumerende
onderwijsinstelling die louter onderwijs aanbiedt
transformeren ze naar een kennisproducerende kennisinstelling
waar onderwijs, onderzoek en maatschappelijke
vraagstukken met elkaar verweven zijn.
Nieuwe functiemix
Traditioneel richtte het hbo zich vooral op het toepassen
van bestaande kennis op praktijksituaties. In de afgelopen
decennia is evenwel de verwachting ontstaan dat hogescholen
ook zelf bijdragen aan kennisontwikkeling, met name via
praktijkgericht onderzoek. Daarmee zijn het steeds meer
kennisproducerende instellingen geworden (Mulder et al.,
2020). De docent-onderzoeker vervult hierin een spilfunctie:
enerzijds draagt hij bij aan de uitvoering van onderzoek,
anderzijds verbindt hij de uitkomsten daarvan met de curricula
en het leerproces van studenten (Van der Rijst, 2017).
Kunstmatige intelligentie (AI) verandert fundamenteel de
manier waarop we kennis verzamelen, analyseren en toepassen.
Tools als natural language processing, machinelearning
en predictive analytics maken het mogelijk om sneller patronen
te ontdekken in grote hoeveelheden data, hypotheses te
70
genereren en complexe besluitvormingsprocessen te
ondersteunen (Zawacki-Richter et al., 2019). Instellingen
zetten AI dan ook steeds vaker in binnen het praktijkgericht
onderzoek, bijvoorbeeld bij het analyseren van praktijkdata
in zorg, onderwijs of techniek.
Deze beweging van het hbo vraagt om een herijking van de
bestaande functiemix. Met andere woorden: er zijn nieuwe
functies nodig, en sommige functies moeten veranderen of
zullen minder nodig zijn. Een van de functies die juist als
spil fungeert in deze beweging, is de zogenoemde docentonderzoeker.
In deze functie komt namelijk de quadruple
helix samen: de medewerker voert praktijkgericht onderzoek
uit, draagt bij aan onderwijs en curriculumontwikkeling en
verbindt organisaties en overheid met bepaalde vraagstukken
(Van der Meer & Van der Linden, 2021).
Dragende krachten
Deze transformatie in het hbo en het belang ervan passen
goed binnen het klassieke, maar nog steeds actuele gedachtegoed
van de Duitse filosoof en onderwijsvisionair- en hervormer
Wilhelm von Humboldt (1767-1835). De principes van
Von Humboldt ondersteunen de transitie waarin kennisinstellingen
zoals hogescholen de spil zijn van de kenniseconomie.
Voor Humboldt moest onderwijs niet losstaan van
onderzoek. Het curriculum moest studenten niet alleen in
contact brengen met bestaande kennis, maar hen ook laten
ervaren hoe kennis ontstaat. Zijn pleidooi voor de eenheid
van onderzoek en onderwijs, persoonsvorming (bildung)
en academische vrijheid onderstrepen waarom docentonderzoekers
niet slechts ‘docenten met extra taken’ zijn,
maar dragende krachten van een kenniscultuur. Zij zijn de
verbindende schakel die nodig is om de quadruple helix van
onderwijs, onderzoek, overheid en organisaties (maatschappij)
tot wasdom te laten komen (Wubbels & Bergen, 2015).
De docent-onderzoeker geeft hieraan concreet invulling door:
• onderzoeksvragen vanuit het werkveld te vertalen naar
leeractiviteiten;
• studenten te betrekken bij lopende
onderzoeksprojecten;
• actuele onderzoeksresultaten te gebruiken om lessen
inhoudelijk mee te verrijken.
Hiermee ontstaat wat Boyer (1990) het scholarship of teaching
and learning noemt: een continuüm van leren, doceren en
onderzoeken.
Als hybride professionals (Zitter, Hoeve & De Bruijn, 2016)
dragen docent-onderzoekers bij aan het versterken van de
onderzoekende houding van studenten, verbinden ze actuele
praktijkvraagstukken die ze onderzoeken vanuit het
werkveld aan het curriculum en leveren ze input voor
onderwijsontwikkeling en professionalisering. Dit zorgt
ervoor dat het onderwijs beter aansluit op de dynamiek van
het werkveld, wat essentieel is voor het opleiden van de
De toepassing van
AI vraagt om een
herdefiniëring van
deze brugfunctie
toekomstige wendbare medewerkers. De docent-onderzoeker
draagt bij aan bildung door studenten te betrekken bij onderzoekende
praktijken. Hij stimuleert kritisch denken, ethisch
bewustzijn en maatschappelijke betrokkenheid. Daarmee
wordt onderwijs meer dan beroepsvorming: het wordt
karaktervorming.
Deze relatief nieuwe functie heeft nog lang niet op alle hogescholen
haar intrede gedaan. Gezien de toegevoegde waarde
van deze functie voor de benodigde transitie van het hbo is
het waardevol om kennis te verspreiden over wat deze functie
voor belang heeft, wat de randvoorwaarden zijn voor het
faciliteren van de functie en welke taken deze functie omvat
en hoe AI hier een rol in speelt.
De toepassing van AI vraagt om een herdefiniëring van de
brugfunctie van de docent-onderzoeker. Deze dient zich niet
alleen te ontwikkelen tot gebruiker en kritisch duider van
AI, maar ook tot intermediair die studenten en collega’s
begeleidt in het verantwoord en ethisch gebruik ervan. Dat
vergt onder meer:
• kennis van AI-tools en hun toepassingsmogelijkheden
in het onderzoek;
• inzicht in de ethische en maatschappelijke implicaties
van AI;
• het vermogen om AI-gegenereerde inzichten te vertalen
naar onderwijskundige waarde;
• het vermogen om studenten te begeleiden bij kritisch en
verantwoord gebruik van AI.
Actiegerichte aanpak
In onze benadering bij Avans Hogeschool hebben wij bewust
gekozen voor een actiegerichte en participatieve aanpak
om beleid rondom de docent-onderzoeker te ontwikkelen,
geworteld in actuele literatuur en praktijkervaring. De centrale
vraag was hierbij: hoe kunnen docent-onderzoekers
hun rol vervullen in de transitie van een onderwijsconsumerende
hbo-instelling naar een kennisproducerende instelling,
de opkomst van AI in ogenschouw nemend? Welke organisatorische
en professionele voorwaarden zijn hierbij bevorderend
of belemmerend? En welke competenties hebben
zij nodig?
71
5-25
Om tot gedragen beleid te komen hebben we gekozen voor
een iteratief proces waarin theorie en praktijk elkaar voortdurend
versterken. We zijn begonnen met een literatuurverkenning
rondom docent-onderzoekerschap, kenniscreatie
in het hbo en transformatief leiderschap (zie onder meer
Van der Zwaan, 2021; KNAW, 2023). Vervolgens hebben
we focusgroepen georganiseerd met de belangrijkste stakeholders;
denk hierbij aan (potentiële) docent-onderzoekers,
teamleiders (college van bestuur, academiedirecteuren) en
lectoren. Deze sessies leverden waardevolle inzichten op
over de ervaren barrières en kansen. De gesprekken boden
zicht op de gewenste professionele ruimte, positionering
en ondersteuning van de docent-onderzoeker. Daarnaast
hebben we individuele interviews gevoerd met externe experts
uit lectoraten, kenniskringen en beleidsfuncties binnen en
buiten de hogeschool. Hun perspectieven hielpen ons om
scherp te stellen wat nodig is voor duurzame borging van
deze spilfunctie in beleid, human resources-structuur en
onderwijskwaliteit.
Geleerde lessen
De verkregen inzichten hebben we direct vertaald in beleidsvoorstellen,
pilots en professionele leerlijnen. Daarmee heeft
deze aanpak niet alleen geleid tot visievorming, maar ook
tot concrete acties en verankering; zie bijvoorbeeld het
concept voor een functieprofiel in het kader op pagina 76.
Uit onze ervaringen hebben we op een zestal gebieden een
aantal lessen gedistilleerd:
Visie, strategie en sturing
• De organisatie moet een duidelijke strategische visie
hebben over de transformatie naar een kennisinstelling.
Dit moet niet alleen leiden tot een structuur waarin
onderzoek goed ingebed is, maar ook tot een cultuur
waarin onderzoek vanzelfsprekend een onderdeel is
van het onderwijsproces.
• Het management moet actief bijdragen aan de transitie,
door bijvoorbeeld voldoende middelen vrij te maken,
Een officiële functie,
met een duidelijk
omschreven doel en
taken, is de basis
duidelijke beleidskeuzes te maken en deze te vertalen
naar concrete acties.
• De functie van docent-onderzoeker moet altijd aansluiten
bij de onderwijsbehoeften van de academies en programma’s.
Er moet afstemming zijn tussen de thematische
zwaartepunten van het onderzoek en de inhoud van het
onderwijs, zodat de student daadwerkelijk profijt heeft
van de onderzoeksinzichten.
Duidelijke functie
• Een officiële functie in het functiehuis, met een duidelijk
omschreven doel, taken en bevoegdheden, is de basis.
In de fase voordat de officiële functie van start gaat, is
het vaak persoonsafhankelijk welke taken er worden
uitgevoerd en met welke kwaliteit. Duidelijke kaders
voor de functie helpen zowel medewerkers, collega’s
en leidinggevenden als samenwerkingspartners om de
juiste verwachtingen te hebben en zo resultaten te boeken.
Zie ook de concept-functiebeschrijving op pagina 76;
de projectgroep van de Vereniging Hogescholen die zich
bezighoudt met de beschrijving van deze functie neemt
deze input mee.
• Maak duidelijk onderscheid tussen de functie en de
verschillende aangrenzende functies of rollen. Voorbeelden
van functies die deels overlappen zijn docenten C,
onderzoekers, kenniskringleden en rollen zoals verbindingsofficieren
die zich inzetten voor cocreatie met het
werkveld. Betrek de functiewaarderingdeskundige en
collega’s van human resources (HR) bij het duidelijk
beschrijven van dit onderscheid.
• De functie versterkt de verbinding tussen lectoraten
en curriculumontwikkeling: er is een nauwe koppeling
tussen de expertise van lectoraten en de ontwikkeling
van onderwijsprogramma’s. Dit zorgt ervoor dat onderzoek
daadwerkelijk doorwerkt in het curriculum en
studenten actief worden betrokken bij de laatste
onderzoeksinzichten.
Formatie en inzet
• Het bieden van structurele tijd en ruimte voor onderzoek
is essentieel, zodat de docent-onderzoeker niet
alleen tijdelijk betrokken is bij projecten, maar daadwerkelijk
continu kan bijdragen aan kennisontwikkeling
en onder wijsverbetering. Een voorbeeld is 40 procent
onderzoek, 40 procent onderwijs en 10 procent organisatietaken.
Er moet wel ruimte zijn voor flexibele taakverdeling,
waarbij iemand in de ene fase meer onderwijs
kan geven en in de andere meer onderzoek doet, afhankelijk
van de persoonlijke behoeften en die van de
organisatie.
• Continuïteit in funding: de functie moet niet afhankelijk
zijn van tijdelijke subsidies of projectfinanciering.
Er moeten duurzame financieringsbronnen zijn die
de continuïteit van het onderzoek en de positie van de
docent-onderzoeker waarborgen.
72
Strategische personeelsontwikkeling
• Creëer competenties die de instelling in deze functie
verwacht. Dit helpt bij de werving en selectie van nieuwe
medewerkers, het creëren van ontwikkelbeleid en het
ontwikkelen en coachen van nieuwe medewerkers.
• Gebruik strategische personeelsontwikkeling/-planning
om data te verkrijgen over de stand van zaken op het
gebied van kwantiteit en kwaliteit (aan de hand van onder
meer competenties) van medewerkers die op aangrenzende
functies zitten en zouden kunnen doorstromen
naar deze functie. Haal ook data op die laten zien waar
je naartoe wilt qua kwantiteit en kwaliteit, zodat je de
‘gap’ kunt duiden.
• Op basis van deze gap formuleer je een ontwikkelvisie
en -beleid. en eventuele loopbaanpaden. Vragen om te
beantwoorden zijn onder andere: is er voorkeur voor
intern opleiden of van buiten halen? Hoelang mag
iemands ontwikkeling duren voordat deze op het minimale
niveau moet presteren? Hoe binden en boeien we
onze talenten?
Goede start
• Zorg voor een goed inwerkprogramma met zowel de
juiste faciliteiten (ICT, werkplek, buddy) als een ontwikkelprogramma
en duidelijkheid over wat de instelling
verwacht qua taken, resultaten en samenwerking.
Overige lessen
• Er is een cultuurverandering nodig waarin onderzoek
en onderwijs als vanzelfsprekend met elkaar verbonden
worden. Dit betekent dat zowel docenten als onderzoekers
moeten begrijpen waarom de integratie belangrijk is en
actief betrokken moeten zijn bij de transitie.
• Het is van groot belang om collega’s erbij te betrekken
die deze werkzaamheden al uitvoeren of willen gaan
uitvoeren, die met de docent-onderzoeker gaan samenwerken
of er leiding aan (gaan) geven. Zij geven met
hun input kleur aan de visie, strategie en beleidskeuzes
en oplossingen.
• Maak gebruik van best practices om te achterhalen
waarom het op de ene plek al werkt en op de andere
niet. Op die manier maak je een slag van persoonsafhankelijk
naar structurele borging van randvoorwaarden
voor succes.
• Zet HR in bij beleid en functieontwikkeling: HR speelt
een belangrijke rol bij de structurele verankering van de
functie van docent-onderzoeker, bijvoorbeeld door deze
goed in te passen in het bredere HR-beleid voor mobiliteit
en flexibiliteit binnen de organisatie.
Wendbaarheid
Dit alles vraagt van de docent-onderzoeker een onderzoekende
houding als basis van diens wendbaarheid. Een wendbare
medewerker is in staat zich aan te passen aan veranderende
Bied voldoende
tijd, de juiste
beloning en
ontwikkelmogelijkheden
omstandigheden. De docent-onderzoeker ontwikkelt en
stimuleert dit via:
• het bevorderen van reflectie en leervermogen;
• het integreren van praktijkgericht onderzoek in het
curriculum;
• het aanleren van vaardigheden zoals probleemoplossend
denken, creativiteit en zelfregulatie.
Dit vraagt om bewustzijn van de rolspanning (bijvoorbeeld
tussen onderwijstijd en onderzoekstijd) en het vermogen om
te balanceren tussen professionele domeinen (Van der Rijst,
Visser-Wijnveen & Van Driel, 2013). De professionaliteit van
de docent-onderzoeker wordt sterker door samenwerkend
en reflectief leren, bijvoorbeeld via onderzoeksleerteams of
design-based research (Meijer et al., 2016). Deze benadering
stimuleert niet alleen de individuele ontwikkeling, maar
draagt ook bij aan teamleren en kennisdeling binnen de
instelling. Kortom: competenties als analytisch vermogen,
onderzoeksvaardigheid, praktijkgericht denken en didactisch
talent zijn essentieel. De positionering van de rol van docentonderzoeker
vraagt aandacht: bied voldoende tijd, de juiste
beloning en ontwikkelmogelijkheden.
Hulp van AI
Voor docent-onderzoekers biedt AI nieuwe onderzoeksmethoden.
Denk aan geautomatiseerde tekstanalyse van
reflectieverslagen, sentimentanalyse in klantfeedback of
beeldherkenning in medische toepassingen. AI helpt om
sneller en nauwkeuriger praktijkvragen te beantwoorden
en kan zo de innovatie in beroepspraktijken versnellen.
Docent-onderzoekers moeten leren deze instrumenten
methodologisch verantwoord in te zetten. Dit gaat verder
dan enkel het toepassen van de tool; het vereist inzicht in
de beperkingen. Wordt voor sentimentanalyse bijvoorbeeld
een generiek algoritme gebruikt, of is dit getraind op data
die de specifieke context van de Nederlandse zorgsector of
het technisch beroepsonderwijs representeert? De docentonderzoeker
moet de ‘zwarte doos’ van een AI-systeem
kunnen bevragen en de output niet als objectieve waarheid
73
5-25
accepteren, maar zien als een startpunt voor diepere kwalitatieve
analyse (Theelen et al., 2024).
Integratie in het curriculum
De docent-onderzoeker is medeverantwoordelijk voor het
integreren van AI-inzichten in het onderwijs. Dit betekent
enerzijds het actualiseren van vakinhoud – studenten moeten
bijvoorbeeld leren omgaan met AI-tools in hun beroepspraktijk
– maar ook didactische vernieuwing. Denk aan
adaptieve leeromgevingen die met AI gepersonaliseerde
leerpaden aanbieden. Maar de didactische vernieuwing gaat
verder. We zien een verschuiving naar AI als ‘cocreator’, waarbij
je studenten uitdaagt om samen met AI te ontwerpen,
teksten te genereren of code te schrijven. De leerdoelen
verschuiven dan van het eindproduct naar het vermogen
om het creatieve proces met de AI te sturen en de output
kritisch te evalueren. Een cruciale vaardigheid hierbij is het
leren omgaan met de ondoorzichtigheid van veel AI-modellen:
de ‘zwarte doos’-problematiek. Studenten moeten leren
de door AI voorgestelde oplossingen niet klakkeloos te
vertrouwen, maar deze te bevragen, te verifiëren en te contextualiseren.
Docent-onderzoekers kunnen praktijkdata
genereren om deze innovaties te evalueren en bij te sturen.
Kritische reflectie en ethiek
Het gebruik van AI roept ook fundamentele vragen op:
wie bepaalt de data die AI-systemen trainen? Hoe voorkom
je bias en uitsluiting? Wat betekent het voor menselijke
autonomie in het leerproces? Docent-onderzoekers moeten
hierin het voortouw nemen door studenten, collega’s en
werkveldpartners te betrekken in dialogen over ethiek,
inclusie en de grenzen van technologie (Floridi, 2019).
Denk bijvoorbeeld aan een concrete casus: een communicatiestudent
gebruikt een AI-beeldgenerator voor een campagnebeeld.
Dit roept direct vragen op: wie is de auteur?
Hoe zit het met het auteursrecht op de trainingsdata van
de AI? En nog belangrijker: reproduceert het door AI gegenereerde
beeld onbewust maatschappelijke stereotypen
(bias)? De rol van de docent-onderzoeker is hier om een
Studenten moeten leren
de door AI voorgestelde
oplossingen niet
klakkeloos te vertrouwen
veilige leeromgeving te creëren waarin we deze vragen niet
als juridisch of technisch obstakel zien, maar als een integraal
onderdeel van professionele en ethische ontwikkeling.
Katalysator voor samenwerking
AI overstijgt disciplines. Om haar effectief in te zetten,
moeten lectoraten, academies en werkveldpartners samen
optrekken. Docent-onderzoekers spelen hierin een verbindende
rol: zij kennen de taal van het onderwijs én het
onderzoek, en hebben vaak directe toegang tot het werkveld.
Ze kunnen dus bruggen slaan tussen technische experts,
beleidsmakers en studenten. Daarbij ontstaat ruimte voor
hybride leeromgevingen en living labs waar AI, praktijkonderzoek
en onderwijs samenkomen (Onderwijsraad, 2021).
Cultuurdragers
Om als docent-onderzoekers deze brugfunctie te kunnen
vervullen, is blijvende professionalisering essentieel. Hogescholen
moeten hen hierin faciliteren door nascholing op
het gebied van AI, ethiek en methodologie aan te bieden,
lectoraten actief te betrekken bij curriculumontwikkeling en
duidelijke carrièrepaden voor deze rol te ontwikkelen. De
functiebeschrijving en positionering van de docent-onderzoeker
verdient herijking, waarbij de brugfunctie expliciet
aan bod komt (Bastiaens et al., 2023).
De inzet van AI versnelt de verschuiving naar kennisproductie.
Hogescholen die erin slagen deze kennis weer terug te
geven aan het onderwijs én aan de beroepspraktijk, creëren
een duurzaam ecosysteem van leren, onderzoeken en innoveren.
Docent-onderzoekers staan in het centrum van dat
ecosysteem. Hun taak is niet alleen om met AI te werken,
maar ook om het kritisch te bevragen, pedagogisch te vertalen
en ethisch te bewaken. Daarmee worden zij dragers
van een nieuwe academische cultuur waarin technologie
ten dienste staat van betekenisvolle kennisontwikkeling.
Nieuwe leerdoelen
De opkomst van artificiële intelligentie heeft directe consequenties
voor de formulering van leerdoelen binnen het
hbo-curriculum. AI beïnvloedt immers niet alleen hoe studenten
leren, maar ook wat zij moeten leren om relevant
en toekomstbestendig te blijven in hun beroepspraktijk. Dit
vraagt om een herziening van leerdoelen op drie niveaus:
cognitief, professioneel en ethisch.
• Cognitieve leerdoelen verschuiven van het enkel verwerven
van kennis naar het kritisch selecteren, analyseren
en duiden van informatie – vaak gegenereerd of verwerkt
door AI-systemen. Studenten moeten leren werken met
AI-tools (zoals tekstgenerators, voorspellende algoritmes,
leeranalyses), maar vooral ook inzicht krijgen in
de werking en beperkingen daarvan (Zawacki-Richter
et al., 2019).
74
• Professionele leerdoelen vereisen dat studenten AI kunnen
toepassen in hun toekomstige werkcontext. Dit betekent
dat curricula praktijkopdrachten en casuïstiek moeten
bevatten waarin AI een rol speelt in realistische beroepssituaties.
Bijvoorbeeld een zorgstudent die leert werken
met een AI-ondersteunde triagetool, of een HRM-student
die personeelsdata leert analyseren met AI.
• Ethische en maatschappelijke leerdoelen krijgen een prominentere
plek. Studenten moeten leren nadenken over
vragen als: welke gevolgen heeft AI voor privacy, gelijkheid
en autonomie? Hoe ga ik als toekomstig professional
om met bias in algoritmes of afhankelijkheid van technologie?
Hier ligt een belangrijke taak voor docent- onderzoekers
als gidsen in morele reflectie
(Floridi, 2019).
Aanpassing van leeruitkomsten betekent dat je competentieprofielen
– zoals die in nationale opleidingsprofielen en
beroepsstandaarden – moet herijken. Dit vraagt om nauwe
samenwerking tussen onderwijsontwikkelaars, het werkveld,
lectoraten en docent-onderzoekers, die met hun praktijkgerichte
onderzoek input leveren voor deze curriculumvernieuwing
(Bastiaens et al., 2023).
Sleutelrol
De docent-onderzoeker speelt, kortom, een sleutelrol in de
integratie van AI in curricula, en in het begeleiden van de
transformatie naar een kennisproducerende onderwijsinstelling.
Hij werkt daarbij zowel verbindend als inhoudelijk
verdiepend. De zes belangrijkste rollen van de docent-onderzoeker
zijn de volgende:
1. Curriculumvernieuwer
De docent-onderzoeker vertaalt actuele AI-ontwikkelingen
en praktijkgericht onderzoek naar vernieuwde leerdoelen,
leerlijnen en toetsvormen in curricula (Ng et al., 2023;
Southworth et al., 2023). Hij richt zich daarbij specifiek
op het verankeren van ‘AI-geletterdheid’ als een kerncompetentie.
Dit gaat verder dan studenten enkel leren AI-tools
te gebruiken; het omvat ook het kritisch begrijpen van de
onderliggende principes en beperkingen, een noodzaak die
onderzoekers als Zawacki-Richter en collega’s (2019) benadrukken.
Door voortdurend kennis uit lectoraten, werkveld
en wetenschap te vertalen naar het onderwijs, draagt hij bij
aan wendbare curricula die inspelen op AI-technologische
veranderingen.
2. Didactisch ontwerper
AI vraagt om nieuwe didactische vormen (zoals blended
learning, adaptieve systemen en datagedreven feedback). De
docent-onderzoeker experimenteert hiermee en onderzoekt
de effectiviteit ervan. Hij vult deze rol in in de geest van
Von Humboldts bildungsideaal: AI zet je niet enkel in voor
efficiëntie (zoals adaptieve leersystemen), maar juist om
leerervaringen te ontwerpen die studenten uitdagen tot
kritische reflectie en karaktervorming. Denk aan het ontwerpen
van opdrachten waarbij studenten een door AI
gegenereerd advies ethisch moeten beoordelen en
verantwoorden.
3. Ethisch gids en reflectiebegeleider
Omdat AI fundamentele vragen oproept over autonomie,
eerlijkheid en privacy, begeleidt de docent-onderzoeker studenten
én docenten bij ethische reflectie. Deze begeleiding
overstijgt het louter filosofische gesprek; de docent-onderzoeker
stimuleert studenten om zelf onderzoek te doen
naar ethische dilemma’s in de eigen beroepspraktijk, waarbij
zij de maatschappelijke impact of potentiële bias van
een AI-tool in hun toekomstige werkveld analyseren (Valor,
2025). Zo wordt ethiek een actieve onderzoeksvaardigheid.
4. Kennisverbinder
De docent-onderzoeker is de ‘makelaar’ die de vier pijlers
van de quadruple helix actief met elkaar verbindt (Aggarwal
& Sindakis, 2022). Hij vertaalt een complex vraagstuk van
een organisatie naar een concreet project voor het lectoraat
en een relevante leeractiviteit voor het onderwijs, steeds
binnen de kaders die de overheid stelt. AI kan in deze rol als
instrument dienen om data uit deze verschillende domeinen
te analyseren, waardoor nieuwe verbanden en inzichten
sneller aan het licht komen. Zo ijk je het onderwijs voortdurend
op actuele, integrale praktijkvraagstukken uit diverse
maatschappelijke domeinen (Starkbaum et al., 2024).
5. Onderzoeker in transformatie
De docent-onderzoeker reflecteert niet alleen op de transformatie,
maar onderzoekt deze ook systematisch. In de rol
van onderzoeker van de eigen praktijk past hij methoden
als design-based research of action research toe om de effecten
van nieuwe AI-toepassingen op het leren van studenten en de
eigen didactiek te meten en te verbeteren (Cockerham, 2023).
Zo draagt de docent-onderzoeker direct bij aan evidenceinformed
onderwijsinnovatie binnen de instelling (Fowler
& Leonard, 2021).
6. Kritische pragmaticus/AI-realist
Ten slotte fungeert de docent-onderzoeker als een realistische
stem in de vaak door hypes gedreven discussie over AI
(Selwyn, 2025). Hij is zich bewust van de praktische obstakels:
de hoge implementatiekosten, de schaarste aan diepgaande
technische expertise, de snelle veroudering van
specifieke toolkennis en de digitale kloof tussen studenten
en docenten. Deze rol is cruciaal om ervoor te zorgen dat de
institutionele strategie niet verzandt in onrealistische ambities,
maar zich richt op haalbare, duurzame en didactisch
verantwoorde innovaties.
75
5-25
Concept-functiebeschrijving voor de docent-onderzoeker bij Avans Hogeschool
Algemene rolomschrijving
De docent-onderzoeker is een hybride professional die een
brug slaat tussen onderwijs, praktijk en onderzoek. Je bent
werkzaam als docent binnen een academie van Avans én als
onderzoeker binnen een lectoraat of kenniskring. In deze rol
draag je bij aan de ontwikkeling van praktijkgericht onderwijs
en onderzoek, en verbind je deze werelden actief met elkaar.
Hoofdtaken en verantwoordelijkheden
1. Onderwijs verzorgen (maximaal 50 procent)
• Je verzorgt actueel, praktijkgericht en inspirerend onderwijs
dat aansluit bij de beroepspraktijk.
• Je integreert onderzoeksresultaten en praktijkervaringen in
het curriculum.
• Je begeleidt studenten bij het ontwikkelen van een onderzoekende
houding en het uitvoeren van praktijkgerichte
opdrachten en (kleinschalige) onderzoeken.
• Je begeleidt studenten bij afstudeeronderzoeken en het
ontwikkelen van onderzoeksvaardigheden.
2. Onderzoek uitvoeren (minimaal 40 procent)
• Je participeert in praktijkgericht onderzoek binnen een
lectoraat of kenniskring.
• Je draagt bij aan de ontwikkeling van nieuwe kennis die
relevant is voor het werkveld en het onderwijs.
• Je betrekt studenten actief bij onderzoeksprojecten en
begeleidt hen in het onderzoeksproces.
• Je draagt bij aan het opstellen van onderzoeksvoorstellen
en het verwerven van externe financiering.
• Je publiceert onderzoeksresultaten of presenteert deze op
(interne of externe) bijeenkomsten en conferenties.
3. Kennisdeling en curriculumontwikkeling (ingebed in andere
taken)
• Je vertaalt onderzoeksresultaten naar het onderwijs en
draagt bij aan curriculumontwikkeling.
• Je neemt deel aan professionele netwerken en leergemeenschappen
binnen en buiten de hogeschool.
• Je draagt bij aan de valorisatie van kennis: het toepassen
van onderzoeksresultaten in de praktijk.
• Je levert een actieve bijdrage aan onderwijsinnovatie op
basis van onderzoeksinzichten.
• Je werkt structureel samen met externe partners uit het
werkveld voor zowel onderwijs als onderzoek.
4. Professionele ontwikkeling en kwaliteitszorg (ongeveer
10 procent)
• Je neemt deel aan scholing en professionalisering op het
gebied van didactiek en onderzoek.
• Je draagt bij aan kwaliteitszorg binnen onderwijs en onderzoek,
bijvoorbeeld via evaluaties of peerreviews.
• Je werkt actief mee aan teamresultaten en stemt af met
collega’s binnen onderwijs en onderzoek.
Resultaatgebieden
• Actueel en relevant onderwijs dat aansluit op de
beroepspraktijk.
• Bijdragen aan praktijkgericht onderzoek met maatschappelijke
meerwaarde.
• Versterking van de verbinding tussen onderwijs, onderzoek
en werkveld.
• Professionalisering van het docententeam en verrijking van
het curriculum.
• Versterking van externe samenwerking en positionering
van de opleiding in het werkveld.
• Bijdrage aan duurzame kennisontwikkeling en kwaliteitsverbetering
binnen de instelling.
Output en evaluatie
• Minstens één beroepsproduct of vakpublicatie per jaar.
• Zichtbare bijdrage aan onderwijsontwikkeling en innovatie.
• Deelname aan onderzoeksbijeenkomsten, kenniskringen
en intervisie.
• Beoordeling op basis van jaargesprekken, waarin zowel
onderwijsprestaties als onderzoeksbijdragen meetellen.
Werkzaamheden
• Je schakelt voortdurend tussen verschillende rollen: docent,
onderzoeker en verbinder.
• Je werkt in een dynamische omgeving waarin onderwijs en
onderzoek steeds meer met elkaar verweven zijn.
• Je houdt rekening met verschillende belangen en tijdslijnen
(onderwijsplanning, onderzoeksprojecten, externe partners).
• Je draagt bij aan innovatie binnen het onderwijs en het
werkveld.
Kennis en vaardigheden
• Je beschikt over een relevante afgeronde masteropleiding.
• Je hebt ervaring met praktijkgericht onderzoek en/of bent
bereid je hierin verder te ontwikkelen.
• Je hebt didactische vaardigheden en bent in staat studenten
te begeleiden in hun leerproces.
• Je bent in staat om onderzoeksresultaten te vertalen naar
onderwijs en praktijk.
• Je beschikt over goede samenwerkingsvaardigheden en bent
in staat om bruggen te slaan tussen verschillende domeinen.
• Je kunt goed overweg met AI.
76
Stevig fundament
De transitie van het hoger beroepsonderwijs van een kennisconsumerende
naar een kennisproducerende instelling
is geen vrijblijvende ambitie meer; het is een strategische
noodzaak in een door AI gedreven samenleving. Juist docentonderzoekers
kunnen in hun rol deze transitie vormgeven.
Hierbij volstaat een ad-hocbenadering niet langer; een duurzame
transformatie vereist een integraal en doelgericht
raamwerk.
Dit raamwerk voor de AI-vaardige docent-onderzoeker
vormt de synthese van het onderzoek. Het toont aan dat een
stevig fundament, gelegd door de instelling, de directe voorwaarde
is voor de professionele invulling van de rol van de
docent-onderzoeker. Dit fundament bestaat uit heldere strategische
randvoorwaarden, zoals een duidelijke visie op AI,
een aangepaste functieomschrijving, duurzame formatiemogelijkheden
en gerichte personeelsontwikkeling. Zonder
deze basis blijven inspanningen persoonsafhankelijk en
gefragmenteerd. Pas wanneer een instelling dit fundament
heeft gelegd, kan de docent-onderzoeker zijn zes cruciale
rollen effectief vervullen.
De toepassing van AI binnen het hbo biedt enorme kansen,
mits je deze als instelling op verantwoorde en doordachte
wijze benut. De docent-onderzoeker vormt hierin de spil,
als bruggenbouwer tussen kennis en praktijk, onderzoek
en onderwijs, technologie en ethiek. Wat Humboldt ooit
formuleerde als ideaal van vrijheid en kennisvorming, krijgt
in het hbo van vandaag een praktijkgerichte, toekomstbestendige
vorm, aangedreven door de synergie tussen mens en
machine.
De urgentie is helder. Hogescholen die erin slagen het
raamwerk te omarmen en te investeren in hun docentonderzoekers,
zullen niet alleen de transitie naar een
kennisinstelling volbrengen, maar ook de wendbare en
kritische professionals opleiden die de complexe vraagstukken
van morgen aankunnen. Het is geen vraag of instellingen
deze weg moeten inslaan, maar hoe snel zij dit met de
juiste visie en middelen kunnen doen.
Sandra Doeze Jager
is associate lector bij het lectoraat Impactvolle Waardeketens
van het Centre of Expertise Brede Welvaart en Nieuw
Onder nemerschap van Avans Hogeschool
Sabine Wanmaker
is strategisch adviseur bij Avans Hogeschool
Maurice Schols
is associate lector bij het lectoraat Digitale Didactiek van
Avans Hogeschool
Literatuur
Aggarwal, S. & Sindakis, S. (2022). Four Pillars of Quadruple Helix Innovation Model:
An Approach for the Future. Entrepreneurial Rise in the Middle East and North Africa:
The Influence of Quadruple Helix on Technological Innovation, 9-28.
doi.org/10.1108/978-1-80071-517-220221002
Bastiaens, E., Kicken, W. & Poell, R. (2023). Docent-onderzoekers in het hbo: Rollen,
competenties en ondersteuning. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 41(2), 65-82.
Boyer, E.L. (1990). Scholarship reconsidered: Priorities of the professoriate. Princeton University
Press.
Cockerham, D. (2023). Participatory action research: Building understanding, dialogue, and
positive actions in a changing digital environment. Educational Technology Research and
Development. doi.org/10.1007/s11423-023-10294-1
Floridi, L. (2019). Establishing the rules for building trustworthy AI. Nature Machine
Intelligence, 1, 261-262. doi.org/10.1038/s42256-019-0055-y –
Fowler, S. & Leonard, S.N. (2021). Using design based research to shift perspectives: A
model for sustainable professional development for the innovative use of digital tools.
Professional Development in Education, 1-13. doi.org/10.1080/19415257.2021.1955732
Humboldt, W. von (2000). Theory of Bildung and Education. In J. H. Newman (red.), The
Idea of the University.
Luckin, R., Holmes, W., Griffiths, M. e.a. (2016). Intelligence unleashed: An argument for AI in
education. Pearson Education.
Meijer, P.C., Geijsel, F., Kuijpers, M. e.a. (2016). Professional development through
collaborative action research. Professional Development in Education, 42(2), 258-273.
doi.org/10.1080/19415257.2014.929799
Mulder, M., Baartman, L. & Gulikers, J. (2020). De opmars van praktijkgericht onderzoek:
Implicaties voor het hbo. Onderwijsinnovatie, 23(3), 15-19.
Ng, K., Lee, M., Hu, X. e.a. (2022). A review of AI teaching and learning from 2000 to 2020.
Education and Information Technologies, 28. doi.org/10.1007/s10639-022-11491-w
Selwyn, N. (2025). Digital Degrowth. John Wiley & Sons.
Southworth, J., Migliaccio, K., Glover, J. e.a. (2023). Developing a model for AI Across the
curriculum: Transforming the higher education landscape via innovation in AI literacy.
Computers and Education: Artificial Intelligence, 4(1), 100127.
doi.org/10.1016/j.caeai.2023.100127
Starkbaum, J., Braun, R., Blok, V. e.a. (2024). Responsible innovation across societal
sectors: A practice perspective on Quadruple Helix collaboration. Journal of Responsible
Innovation, 11(1). doi.org/10.1080/23299460.2024.2414531
Theelen, H., Vreuls, J. & Rutten, J. (2024). Doing research with help from ChatGPT:
Promising examples for coding and inter-rater reliability. International Journal of
Technology in Education, 7(1), 1-18. doi.org/10.46328/ijte.537
Vallor, S. (2024). The AI Mirror: How to Reclaim Our Humanity in an Age of Machine Thinking.
Oxford University Press.
Van der Klink, M., Kools, Q., Avissar, G. e.a. (2010). Professional development of teacher
educators in the EU. Professional Development in Education, 36(1-2), 229-244.
doi.org/10.1080/19415250903457893
Van der Meer, J. & Van der Linden, J. (2021). De hybride professional in het hbo: Rollen,
spanningen en kansen. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 39(2), 125-142. doi.org/10.5117/
TVHO2021.2.004.VAAN
Van der Rijst, R.M., Visser-Wijnveen, G.J. & Van Driel, J.H. (2013). A classroom perspective
on the interplay of teaching and research in higher education. Teaching and Teacher
Education, 31, 90-98. doi.org/10.1016/j.tate.2013.01.006
Van der Rijst, R.M. (2017). The research-teaching nexus in the humanities: Variations among
academics. Studies in Higher Education, 42(4), 654-667. doi.org/10.1080/03075079.2015.1
067603
Wubbels, T. & Bergen, T. (2015). De docent als onderzoeker. In: C. Bakx & A. Janssen (red.),
Leraar zijn en blijven (pp. 153-172). Coutinho.
Zawacki-Richter, O., Marín, V.I., Bond, M. e.a. (2019). Systematic review of research on
artificial intelligence applications in higher education. Where are the educators?
International Journal of Educational Technology in Higher Education, 16(1), 39.
doi.org/10.1186/s41239-019-0171-0
Zitter, I., Hoeve, A. & De Bruijn, E. (2016). A design perspective on the school-work
boundary: A hybrid curriculum model. Vocations and Learning, 9(1), 111-131.
doi.org/10.1007/s12186-015-9145-2
Zomer, A. & Benneworth, P. (2011). The rise of the university’s third mission. In: Enders, J.,
et al. (red.), Reform of Higher Education in Europe (pp. 81-101). Brill.
77
De tirannie
van het
urgente
Mark L. Putnam: Leading
Across the Arc of Time –
Commitment and Change
in Higher Education
Baltimore: Johns Hopkins
University Press. ISBN
9781421450735; 256 blz.
€ 27,99
p basis van zijn
O
eigen ervaring
als hoofd van
een Amerikaanse
hogeronderwijsinstelling
beschrijft Mark Putnam in
Leading Across the Arc of Time
hoe beslissingen al te vaak gebaseerd
zijn op kortetermijndenken,
terwijl het volgens hem net in
het hoger onderwijs belangrijk
is om steeds een lange tijdshorizon
voor ogen te houden. Het
boek is toegespitst op de situatie
in de Verenigde Staten en gaat
net iets te vaak over de figuur
van Putnam zelf. Maar dat neemt
niet weg dat de kernboodschap
die hij vanuit zijn lived experience
brengt, ook in onze context relevant
is.
Het hoger onderwijs in de VS
staat volgens Putnam voor grote
uitdagingen. De demografische
ontwikkeling leidt ertoe dat er
minder studenten instromen dan
waarop het systeem berekend is.
Er is economische onzekerheid.
De verwachtingen van de arbeidsmarkt
veranderen, met meer
vraag naar soft skills zoals een
toegewijde werkethiek, doorzettingsvermogen,
kunnen samenwerken
in teams en kritisch
denkvermogen. Technologische
innovatie stelt uitdagingen. De
maatschappij en het politiek
systeem worden harder, ruwer
en zelfs vijandig. Regels worden
niet gerespecteerd, conventies
doorbroken, normen gecompromitteerd.
De politiek-ideologische
verdeeldheid zet de onafhankelijkheid
en de vrije meningsuiting
in het hoger onderwijs
onder druk.
Je kunt niet anders dan besluiten
dat het hoger onderwijs voor
een crisis staat. Maar Putnam
wil dat tegelijk relativeren:
ten eerste is dat helemaal niet
nieuw, en ten tweede is dat ook
niet per se erg. Op systeemniveau
is het maar normaal dat er
herschikkingen zijn. We neigen
ernaar om opleidingen, campussen
of instellingen per se in
stand te willen houden. Maar
als we de blik ruimer richten en
naar het systeem kijken, is het
niet erg dat die af en toe herschikt
worden of verdwijnen.
Als je na twintig jaar nog eens
terugkeert naar een stad voor
een etentje, zul je misschien
niet dat specifieke restaurant
terugvinden dat je je herinnert,
maar je moet er niet aan twijfelen
dat er restaurants in de stad
zullen zijn. Zo moeten we volgens
Putnam ook naar het hogeronderwijssysteem
kijken. Het
systeem zelf zal overleven.
We moeten daarom af van de
‘tirannie van het urgente’, zo
stelt Putnam. We kijken te veel
angstig achterom en te weinig
ver vooruit. Succesvol veranderen
doe je niet door snel-snel
aanpassingen te doen of nieuwe
acties te starten omwille van een
gevoel van urgentie bij jezelf of
bij je stakeholders. Je doet het
wel door een visie op lange termijn
te ontwikkelen, duidelijke
doelen te stellen, zorgvuldig te
plannen, middelen gefocust in
te zetten en de nodige tijd te
nemen voor implementatie.
De verwachtingen van je stakeholders
moet je managen: als
hoger onderwijsinstelling heb je
78
veel stakeholders en je kunt
die toch niet allemaal tevreden
stellen. De verwachtingen zijn
inherent complex, ambigu,
tegenstrijdig.
Voor Putnam is het hoger
onderwijs als een kathedraal,
denk bijvoorbeeld aan de
Sagrada Familia in Barcelona.
Het is een project waar generaties
lang aan wordt gewerkt. Het
vertrekt van een duidelijk plan,
heeft stevige fundamenten en
wordt gebouwd met de bedoeling
robuust en blijvend te zijn.
Verandering is mogelijk, maar
door assimilatie van nieuwe
inzichten met respect voor het
basisplan. Verandering in een
hogeronderwijsinstelling zal
enkel succesvol zijn als we die
als legitiem ervaren en als die
gradueel geïmplementeerd
wordt in het complexe landschap
waarin ze zich bevindt.
beste optie. Zoals hij het zelf
formuleert: ook als de druk
hoog is, moet de ambitie zijn
om grondig en comprehensief
te blijven denken en incrementeel
te plannen voor een lange
tijdsboog.
Kurt De Wit
is verbonden aan de Dienst
Onderwijs van KU Leuven en is
lid van de recensieredactie van
Th&ma
Het hoger onderwijs
is als een kathedraal,
iets waar generaties
lang aan wordt gewerkt
Putnam pleit in feite voor rust
in de beleidsvoering. Beleid
mag zich niet laten leiden door
de waan van de dag, maar moet
zich richten op een lange tijdsboog
en een visie ontwikkelen
op de lange termijn. Anders
krijg je een hectische activiteit
die veel energie zal vragen en
weinig blijvende resultaten zal
opleveren. In een context van
verminderende studentenaantallen,
toenemende kosten en
beperkte middelen moeten we
een plan voor krimp in plaats
van groei uittekenen. Maar
vanuit behoudend beleid een
duidelijke agenda voor verandering
uittekenen, hoe pijnlijk die
ook kan zijn, is voor Putnam de
79
Heb jij 'm al?
NRO-leidraad ‘Professionele
leergemeenschappen in het hoger onderwijs’
Zes aanbevelingen over de
voorbereiding, het proces en het
duurzaam inbedden van PLGs.
Weten wat werkt en waarom.
Lees de aanbevelingen op
Onderwijskennis.nl/leidraad/plg-ho
Wist u dat...
… u als abonnee toegang hebt tot
de complete digitale database van
TH&MA Hoger Onderwijs?
Zo kunt u eerder verschenen edities van het tijdschrift digitaal lezen. Bent u op
zoek naar informatie over een specifiek onderwerp of thema? Gebruik dan de
zoekfunctie of filters en vind de kennis die u nodig heeft!
Het activeren van uw online abonnement op TH&MA kan heel eenvoudig via
www.instondo.nl/abonnementen-koppelen
Of scan de QR-code!
Hallo, wij zijn
Studiewinkel.nl!
Docenten, leermiddelencoördinatoren of medewerkers in
het hoger onderwijs zijn jaarlijks veel tijd kwijt aan het
maken en beheren van de leermiddelenlijsten. Daarom
heeft Studiewinkel.nl een unieke leermiddelentool (LMLtool)
gemaakt. Daarmee kunnen eenvoudig
leermiddelenlijsten gemaakt en gedeeld worden, zodat
studenten de juiste studieboeken bestellen en goed
voorbereid studeren. En dat alles zonder kosten voor de
onderwijsinstelling.
Als coöperatie zonder winstoogmerk werken we samen
met onderwijsinstellingen aan betrouwbare
dienstverlening en een praktische tool die inmiddels door
100% van de gebruikers wordt aanbevolen.
Voordelen van studiewinkel.nl
Gebruiksvriendelijke LML-tool voor leermiddelenlijsten
Gratis voor onderwijsinstellingen
100% van de gebruikers beveelt de tool aan
Studenten zijn goed voorbereid
Coöperatie zonder winstoogmerk
Scan om een
vrijblijvende
demo aan te
vragen
Contact
klantenservice@studiewinkel.nl
088 – 2044 326 www.studiewinkel.nl