Succulenta februari 2026
- No tags were found...
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
1Februari 2026
Jaargang 105
ISSN 0039-4467
Winterdip
Ben Wijffelaars
Bijgevoegde foto, de ijs- en sneeuwpegels
aan mijn succulentenkasje, illustreren de
absurditeit om van een columnschrijver
te verlangen een artikel te schrijven voor
Succulenta teneinde bij de lezers de moed
erin te houden en hun ervan te overtuigen
dat al hun werk niet vergeefs is geweest.
Ik ben eerder in staat om mijn buurman
te vragen of ik dat bijltje, waarmee hij zijn
tuinvijvertje in de winter vrij van ijs probeert
te houden, mag lenen om naar mijn hobby
te gooien. En dat op een moment dat
januari pas een paar dagen oud is en het
voorjaar nog oneindig ver weg is. Wat kun je
hunkeren naar bloeiende echinocactussen
als jezelf tot bijna aan je knieën in de
sneeuw staat! Dat kasje zelf heeft meer
verstand. Trekt zich niets aan van smekende
oproepen van energieleveranciers om
spaarzaam te zijn met stroomverbruik,
want het heeft de thermostaatknop onder
handbereik. Zolang het ijs op de ruiten aan
de buitenkant zit, en niet aan de binnenkant,
hoeft hij zich geen zorgen te maken. De
cactussen die hij huisvest hoeven niet te
eten, want groeien doen ze toch niet in de
winter. En drinken al helemaal niet want,
in tegenstelling tot zijn baas, is drank
taboe tot half maart. Het ongedierte, dat
doorgaans onuitgenodigd in de kas logeert,
is in winterslaap of vertrokken naar betere
oorden. En de planten in de kas? Die houden
zich helemaal gedeisd, uit angst om uit huis
gezet te worden. Misschien dat deze column
bij u de ogen opent en leert genieten van
uw hobby in de winter in plaats van in de
zomer. Depressief van je cactussen hoef je
pas te worden als het vliegend en kruipend
geteisem terugkeert van vakantie en je kas
terugvindt in blakende gezondheid. Dat is
ook het tijdstip dat de eindafrekening van
je elektriciteitsleverancier net binnenvalt en
die oude Cephalocereus senilis, waar je zo
trots op was, besluit dat hij genoeg heeft van
zijn leven in jouw kasje. Maar de ijspegels
zijn verdwenen en je kunt je kas ontdoen
van zijn bobbeltjes-winterjas. Ik weet niet
of u fan bent van de schitterende tv-soap
‘Woeste grond’ en de heerlijke openingssong
met de tekst “Kom erin, dan kun je naar
buut’n kieken”, maar die tekst geeft voor mij
precies aan wat mij overkomt als bij mij de
isolatie van mijn kasje verdwijnt. Een vrolijk
2026!
bwijffelaars@planet.nl
2 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
Echeveria setosa
Het borstel-rozetblad
Theo Heijnsdijk
“Een zeer kleine soort is weer het Borstel-
Rozetblad, Echeveria setosa, dat door
den keurigen, regelmatigen vorm van het
zachtbehaarde rozetje, welks talrijke, dikke,
groene blaadjes min of meer knotsvormig
zijn, en geheel met zachte, witte borstelharen
bedekt. Ook de helderroode, geel gepunte
bloempjes zijn wit behaard.”
Tot zover de tekst van A.J. van Laren in het
Verkade-album ‘Vetplanten’ uit 1931. Zie afb. 1.
Geschiedenis
Het gebeurt niet zo vaak dat een plant
die in deze serie besproken wordt nog
steeds dezelfde naam draagt als in de
nieuwbeschrijving.
Voor de vondst van deze soort moeten
we terug naar de jaren 1907 en 1908, toen
Karl Albert (Carlos Alberto) Purpus (1851-
1941) in het grensgebied van de Mexicaanse
staten Puebla en Oaxaca planten
verzamelde, waaronder veel succulenten.
Een deel daarvan stuurde hij naar de
botanische tuin van Darmstadt (Duitsland),
waar zijn broer Joseph Anton Purpus
werkzaam was. Een ander deel ging naar het
Smithsonian Institution in Washington waar
Joseph Rose (van Britton en Rose) werkte.
Samen beschreven deze twee heren in 1910
drie nieuwe echeveriasoorten, E. gigantea,
E. setosa en E. subalpina. Deze drie soorten
waren zowel in Darmstadt als in Washington
in cultuur. Afb. 2 toont de foto, gemaakt
door Rose, die bij de nieuwbeschrijving van
E. setosa afgedrukt werd.
De nieuwbeschrijving eindigt als
volgt: “Collected by Dr. C. A. Purpus on
rock, Cerro de la Yerba, near San Luis
Tultitlanapa, Puebla, in 1907, and grown
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
1: Plaatje 112 in het Verkadealbum ´Vetplanten´.
both in Washington, D. C. and at Darmstadt,
Germany, flowering at the latter place in
1909.”
De plaats San Luis Tultitlanapa is op
hedendaagse kaarten niet te vinden.
Volgens Purpus betekent Tultitlanapa
“Zwischen den Binsen, am Wasser” (tussen
de biezen, aan het water). Waarschijnljk is
het de plek die op Google Maps als San Luis
te vinden is op 4 km NNO van het plaatsje
San Luis Atolotitlán. Een plek die als Cerro
3
2: De afbeelding bij de nieuwbeschrijving van
Echeveria setosa in 1910.
de la Yerba (grasheuvel) aangeduid wordt
is daar in de buurt echter niet te vinden. De
dichtstbijzijnde plaats met die aanduiding
die nu te vinden is, is een bergtop op circa
18 km WNW van San Luis Tultitlanapa. Dat
is niet dichtbij te noemen en er zijn grotere
plaatsen die veel dichter bij deze berg
liggen. Wel dicht bij San Luis Tultitlanapa is
een berg die Cerro de Machichi genoemd
wordt. Matzitziis is de lokale naam voor
dasylirion, de graslelie. De exacte vindplaats
van Purpus is vooralsnog onbekend.
Het geslacht Echeveria
Gefinancierd door de Spaanse koning
Karel III startte in 1788 in Mexico een
expeditie om de inheemse flora van dat
land te beschrijven. De expeditie stond
onder leiding van de Spaanse arts/
botanicus Martin Sessé y Lancasta en het
project moest uitmonden in een imposant
boekwerk, ‘Flora Mexicana’. Onder de
deelnemers bevonden zich twee Mexicaanse
botanische tekenaars. In totaal maakten
zij circa 2000 tekeningen en 500 ruwe
schetsen. Toen het gezelschap in 1803
teruggeroepen werd naar Spanje, brachten
ze het manuscript en de tekeningen mee.
Maar Karel IV, de opvolger van de reeds
in december 1788 gestorven Karel III, was
niet geïnteresseerd in de botanie en het
boekwerk kwam er nooit.
Een van de twee tekenaars was Atanasio
Echeverría. Om hem te eren, had Sessé
y Lancasta in het manuscript een nieuw
geslacht van xerofytische planten naar hem
vernoemd. Maar omdat het boek nooit
gepubliceerd is, wist niemand dat en is
het betreffende geslacht in 1823 geldig als
Fouquieria beschreven.
Sessé y Lancasta had ook planten naar
de botanische tuin van Madrid gezonden.
Daarbij was een plant die hij in het
manuscript Sedum spicatum noemde. In
1793 werd deze door de Spaanse botanicus
Antonio José Cavanilles beschreven
als Cotyledon coccinea. Het is de eerste
beschreven soort van het huidige geslacht
Echeveria. Dat werd in 1828 opgesteld door
Augustin Pyramus de Candolle. Zo kreeg
Echeverria dus toch nog de eer dat er een
geslacht naar hem vernoemd werd. Wel
jammer dat daarbij een van de twee letters r
verloren gegaan is.
De Candolle bracht vier soorten onder in
het nieuwe geslacht. Naast E. coccinea (nu
de typeplant van het geslacht) waren dat E.
teretifolia, E. gibbiflora en E. caespitosa (nu
Dudleya caespitosa).
Daar zijn er in de loop der jaren vele
bijgekomen. In Eggli’s Illustrated Handbook
of Succulent Plants (editie 2003) wordt het
geslacht behandeld door Myron Kimnach,
voormalig directeur van Huntington
Botanical Gardens. Hij noemt 138 soorten,
verdeeld over zeventien series. E. setosa
behoort tot serie 3, de Ciliatae (‘de
gewimperden’).
Echeveria’s vormen over het algemeen
compacte rozetten van vlezige bladeren. De
bloemen hebben vijf kelkbladen (sepalen)
4 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
die wel een stuk kleiner zijn.
Circa 80% van de soorten is uit Mexico
afkomstig. De rest komt uit Midden- en Zuid-
Amerika en de Verenigde Staten.
3: Alle delen tot en met de kroonblaadjes van
Echeveria setosa zijn behaard.
en vijf kroonbladen (petalen) die vanaf
de basis voor een groot deel vergroeid
zijn. Aan de voet van de kroonbladen
bevindt zich meestal een nectarkamer. De
kroonbladen zijn min of meer succulent. Er
zijn tien meeldraden waarvan er vijf aan de
kroonbladen, vlak boven de nectarkamer,
ontspringen. De andere vijf ontspringen iets
lager aan de bloembuis. De meeldraden zijn
korter dan de kroonbladen. Ze steken dus
niet uit, zoals dat bij Cotyledon in de regel
wel het geval is.
De kroonbladen kunnen wit zijn en
verder alle mogelijke variaties van geel via
oranje naar rood. Aan de binnenkant zijn ze
meestal geel. Aan de bloemstengel zitten
blaadjes (bracteeën) die dezelfde vorm
hebben als de blaadjes van de rozet, maar
Echeveria setosa
Echeveria setosa valt direct op door de
beharing van de blaadjes. Vandaar ook de
naam ‘setosa’, want dat betekent ‘borstelig
behaard’. Volgens de beschrijving van Rose
en Purpus vormt de soort stamloze rozetten
met een diameter van 10 tot 12 cm en met
honderd of meer dikke, maar afgeplatte,
bladeren die spatel- tot lancetvormig zijn
met een spits uiteinde. Ze zijn 4-5 cm lang,
in het midden licht geribbeld en aan beide
zijden bedekt met borstelige haartjes. De
eveneens behaarde bloeistengels worden
20 tot 30 cm lang en ze dragen acht tot tien
bloemen (afb. 3). Ook de wijd uitstaande
kelkbladen en de buitenkant van de
kroonbladen zijn behaard. De kroonbladen
zijn 10-15 mm lang en ze zijn rood met een
gele punt. Ik vermoed dat de vorm van de
bloem gecombineerd met de felle kleuren
de reden is dat de soort in Engelstalige
landen ook wel ‘Mexican Firecracker’
(Mexicaanse voetzoeker) of ‘Firecracker
Plant’ genoemd wordt. De dichtheid van
de beharing is lang niet altijd zo sterk als
Britton en Purpus in hun nieuwbeschrijving
aangaven. Soms beperkt de beharing zich
voornamelijk tot de nieuwgroei (afb. 4 en 5).
4: Deze Echeveria setosa is vooral in de
nieuwgroei behaard.
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
5: Close-up van een bladtop van de plant van
afbeelding 4.
5
6: Een groeiplaats in Oaxaca (Mexico). E. setosa groeit tegen de steile wand op de voorgrond.
Foto Bertus Spee
Op een groeiplaats
E. setosa is een bijzonder variabele soort.
Dat blijkt onder meer uit de foto’s (afb.
7 en 8) die Wim Alsemgeest en Bertus
Spee in 2011 maakten toen zij de soort
op een groeiplaats iets ten noorden van
San Antonio Abad (Oaxaca) aantroffen. De
planten groeiden tegen een steile bergwand
(afb. 6) en ze kregen nauwelijks direct
zonlicht. Op dezelfde plek groeiden ook
Mammillaria dixanthocentron (afb. 9) en een
pinguiculasoort (afb. 10).
Dat E. setosa bijzonder variabel is, viel
natuurlijk al eerder op. Lees maar eens wat
de Amerikaanse botanicus Reid Moran in
1993 schreef in het Amerikaanse Cactus and
7: E. setosa op de groeiplaats van afb. 6.
Foto Wim Alsemgeest
8: Een andere vorm van E. setosa op dezelfde
groeiplaats. Foto Bertus Spee
6 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
9: E. setosa en Mammillaria dixanthocentron op de
groeiplaats van afb. 6. Foto Wim Alsemgeest
Succulent Journal (vertaald): “De planten
variëren van kaal tot behaard, met rozetten
van 3 tot 15 cm breed, met 20 tot 170
bladeren en bladeren van één tot vier keer
langer dan breed; bloeiwijze en bloemen
variëren vooral in grootte en beharing.”
Genoeg reden dus om een aantal
variëteiten te beschrijven.
Echeveria setosa var. deminuta
Zoals hierboven al geschreven, dateert de
vondst van E. setosa door Purpus van 1907.
Zo’n 65 jaar later begon de Mexicaan Felipe
Otero (naar wie onder andere Mammillaria
oteroi, Agave oteroi en Sedum oteroi
vernoemd zijn) in de Sierra Mixteca met het
verzamelen van planten. Een deel van de
tochten die hij ondernam, was samen met
zijn neef Eulalio Hernández (van Mammillaria
hernandezii). De Sierra Mixteca is gelegen
in het zuiden van de deelstaat Puebla, de
noordoostelijke regio van de deelstaat
Guerrero en het noordwestelijke deel van de
deelstaat Oaxaca.
Begin 1975 vond Otero een tot dan
toe onbekende echeveria in de buurt
van Concepción Buenavista (Oaxaca).
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
10: E. setosa en een pinguicula op de groeiplaats
van afb. 6. Foto Bertus Spee
De plant met blauwige blaadjes met op
de top een toefje haren deed enigszins
denken aan Echeveria ciliata. Hij gaf de
plant veldnummer FO 42 en hij zond in
maart van dat jaar meerdere exemplaren
naar Crassulaceae-kenner Jorge Meyrán. In
april en mei van hetzelfde jaar bloeiden de
planten al. Meyrán beschreef de soort pas
in 1989, veertien jaar later dus, als Echeveria
setosa var. deminuta (deminuta betekent
verkleind). Otero had ook exemplaren
gezonden naar een zekere James A. Rundel
van de kwekerij Lone Pine Gardens in Santa
Rosa in Californië en via deze raakte de plant
wereldwijd verspreid bij de liefhebbers.
Omdat er toen nog geen beschrijving was,
werd de soort van allerlei provisorische
namen voorzien. Ik noem Echeveria sp.
Sierra Mixteca, Echeveria rundelii, Echeveria
tundelii, Echeveria ‘Jim Rundell’, Echeveria
rondelii, Echeveria rondeli n.n. en Echeveria
species F.O.042. Deze laatste twee werden in
Succulenta genoemd in een bespreking door
W. Sterk (1989).
Deze variëteit wijkt in aanzien behoorlijk
af van de oorspronkelijke soort, die nu
te boek staat als E. setosa var. setosa. De
7
rozetten (afb. 11) zijn veel kleiner (2-6 cm),
de blaadjes worden ook maar tot 3 cm lang,
tegenover 4-7 cm bij E. setosa var. setosa. Ze
zijn blauwachtig en, zoals al gezegd, hebben
ze alleen aan de top een toefje haartjes. De
kroonbladen zijn minder behaard dan bij
E. setosa var. setosa en soms helemaal kaal
(afb. 12).
Nog meer variëteiten
Zowel Otero als Meyrán wezen al op de
grote verwantschap tussen E. setosa en
E. ciliata, een soort die in 1957 zo’n 55 km
ten zuidwesten van de groeiplaats van E.
setosa gevonden was en die in 1961 door
de hierboven al genoemde Reid Moran
beschreven is. Otero had ook gemeld dat
hij in de Sierra Mixteca veel tussenvormen
van beide soorten gezien had. Dat leidde
ertoe dat Moran in 1993 in het hierboven
genoemde artikel de plant die hij zelf eerder
als E. ciliata beschreven had, degradeerde
tot variëteit van E. setosa. Deze variëteit
onderscheidt zich vooral doordat de
haartjes bijna alleen aan de bladranden
staan (afb. 13 en 14). De oorspronkelijke
groeiplaats van deze soort is op 13,5 km ten
noordwesten van Tamazulapam op 2100
m hoogte op naar het noorden en oosten
gerichte vulkanische wanden.
In hetzelfde artikel beschreef Moran
ook met enige aarzeling nog twee nieuwe
variëteiten van de soort. Die aarzeling was
ingegeven door het feit dat hij zelf geen
11: Echeveria setosa var. deminuta heeft alleen
een toefje haartjes aan de bladpunten.
13: Echeveria setosa var. ciliata in habitat.
Foto Julia Etter en Martin Kristen
12: Bloemen bij Echeveria setosa var. deminuta
met onbehaarde kroonblaadjes.
14: Een uitsnede van afb. 13. Duidelijk is dat
alleen de bladranden behaard zijn.
Foto Julia Etter en Martin Kristen
8 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
15: Echeveria setosa var. minor in habitat. Foto Julia Etter en Martin Kristen
veldonderzoek gedaan had en slechts
planten ter beschikking had die door Felipe
Otero en door de Poolse priester Hans
Werner Fittkau uit een zeer beperkt aantal
populaties verzameld waren. Fittkau was
van 1960 tot 1993 in Mexico. Moran gaf
ook aan dat de soort zelf op alle bekende
locaties zeer variabel was. De planten
van één populatie kunnen zo sterk van
elkaar verschillen dat iemand die ze naast
elkaar kweekt zou veronderstellen dat het
verschillende soorten zijn. Maar, schrijft hij
ook (vertaald): elke populatie lijkt een ander
variatiepatroon te vertonen, met name in
bladgrootte en -vorm en in beharing, en in
twee populaties zijn de planten opvallend
kleiner dan in de oorspronkelijke twee. Die
twee nieuwe variëteiten zijn E. setosa var.
minor en E. setosa var. oteroi.
De var. minor (afb. 15) lijkt wel op var.
deminuta, maar de bleekblauwe blaadjes
zijn volgens de beschrijving meer behaard.
Deze planten zijn door Otero gevonden in
de omgeving van Tepelmeme de Morelos,
iets ten oosten van Concepción Buenavista.
De rozetten worden volgens de beschrijving
slechts 4,5-7 cm in diameter. Eigenaardig
is dat er planten met deze naam circuleren
onder hetzelfde veldnummer (FO 042) als
de var. deminuta. Het is mij niet duidelijk of
er ergens bij de verspreiding van de planten
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
of zaden een fout gemaakt is of dat Otero
zelf hetzelfde veldnummer voor deze twee
variëteiten gebruikt heeft. Dat laatste zou
erop kunnen wijzen dat het twee uiterste
vormen van dezelfde variëteit betreft.
Echeveria setosa var. oteroi is in 1972
al door Otero gevonden. Dat was ook
in de Sierra Mixteca, ongeveer 5 km ten
noorden van Concepción Buenavista op
met mossen bedekte rotsen in de schaduw
van eikenbomen. Het veldnummer van
Otero is FO 26. Deze variëteit ziet er totaal
anders uit. De rozetten worden 5-15 cm in
diameter en de blaadjes zijn ruitvormig tot
spatelvormig. Vaak ontbreken de haartjes
volkomen (afb. 16). Soms staan er wel
haartjes aan de bladranden. Jonge zaailingen
zijn soms dicht behaard. Van de exemplaren
op afb. 17 zijn sommige flink behaard, zoals
bijvoorbeeld de kleine rozet in het midden. In
de cultuur zijn het langzame groeiers die een
stammetje ontwikkelen en zeer spaarzaam
spruiten. Overigens zijn deze nauwelijks in
cultuur. Ondanks de grote verschillen wordt
deze plant toch als variëteit van E. setosa
beschouwd. Dat heeft te maken met de
vrijwel identieke bloemen, maar nog meer
met het feit dat deze evenveel chromosomen
heeft als E. setosa (beide n=25). Dit zijn de
enige echeveria’s met dat aantal. Wel komt bij
E. coccinea n=23 en ook wel eens n=25 voor.
9
16: Echeveria setosa var. oteroi zonder haartjes in habitat, samen groeiend met Sedum allantoides.
Foto Julia Etter en Martin Kristen
17: Behaarde en haarloze rozetten op de groeiplaats van Echeveria setosa var. oteroi.
Foto Julia Etter en Martin Kristen
10 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
Al met al lijkt het me onmogelijk om van
een exemplaar te bepalen welke variëteit
het betreft als je niet weet waar de plant
vandaan komt. In het artikel waarin Moran
deze variëteiten beschreef, gaf hij aan dat
hij het als een soort tussentijdse rapportage
beschouwde en dat toekomstig onderzoek
meer duidelijkheid zou moeten verschaffen.
Dit lezende, vraag ik me af hoe het kan
dat nu, 32 jaar later, er nog steeds geen
herziening van de soort is verschenen.
Kruisingen
Al in de negentiende eeuw is een groot
aantal kruisingen tussen echeveriasoorten
tot stand gebracht. Meestal zijn die
ongedocumenteerd. In Succulenta vond
ik in jaargang 7 (1925) de eerste melding
van een kruising met E. setosa als een
van de ouders. De heer Victor Bloem uit
Kerkrade had in 1921 en in 1922 E. setosa
en E. purpusorum (toen nog Urbinia purpusii
genoemd) wederzijds bestoven en uit de
zaden die in dat tweede jaar ontstonden,
groeiden uitsluitend planten die wat
uiterlijke kenmerken betreft tussen beide
in stonden. De spikkels van E. purpusorum
en de borstelharen van E. setosa ontbraken.
In het betreffende artikel, geschreven
door de heer J.M. van den Houten (een
van de oprichters van Succulenta), werd
voor de kruisingen de naam Urbinio-
Echeveria’s gebruikt. In het Verkade-album
uit 1932 plaatste Van Laren (de auteur)
een afbeelding van deze plant (plaatje 94)
onder de naam Smal-Basterdpuntblad (afb.
18). De botanische naam die hij in de tekst
vermeldde, was Urbino-Echeveria angustata.
De planten bleken zelfsteriel te zijn, maar
echeveriakenner Joop van Keppel kweekte
de plant verder door middel van stekken
en beschreef hem in 1970 in het Engelse
maandblad The National Cactus & Succulent
Journal naar de createur als Echeveria ×
setorum ‘Victor’. Overigens bood de firma
Haage & Schmidt in 1921 al drie ‘soorten’
Urbinio-Echeveria aan (glauca, parva en
weingartii)
Een andere ‘vroege’ kruising (1932) is
E. set-oliver = E. setosa × E. harmsii. Dezelfde
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
18: Afbeelding in het Verkade-album onder de
naam Smal-Basterdpuntblad. Het betreft
een kruising tussen E. setosa en
E. purpusorum.
twee soorten zijn later door meerdere
kwekers met elkaar gekruist en dat heeft
meerdere, van elkaar verschillende,
kruisingsproducten opgeleverd.
Een veel gekweekte kruising is Echeveria
‘Derosa’ (E. derenbergii × E. setosa). In oudere
literatuur wordt deze meestal als Echeveria
× derosa aangeduid. Het voordeel voor de
kwekers is dat deze rijkbloeiend is en dat de
bloeistengels veel korter zijn, waardoor hij
veel geschikter is voor transport.
Inmiddels zijn er talloze kruisingen,
niet alleen met andere echeveria’s, maar
ook met Graptopetalum (×Graptoveria),
Pachyphytum (×Pachyveria) en Sedum
(×Sedeveria). Op de website van het
11
International Crassulaceae Network telde ik
maar liefst 38 namen van kruisingen waarbij
E. setosa betrokken is.
19: Een vorm, afkomstig van kwekerij Ubink,
die Echeveria setosa var. minor zou kunnen
zijn. De diameter van de rozet is 12 cm.
In de cultuur
Ook in de commerciële succulentenkwekerij
wordt E. setosa al lang gecultiveerd en vast
ook gekruist. Als je nu een plant aanschaft die
eruitziet als E. setosa, weet je niet of het echt
deze soort of een cultuurvariëteit betreft of
dat het een kruising is met een andere soort.
Zo kocht ik op de ELK van 2025 een plant van
kwekerij Ubink (afb. 19 en 20) die veel aan E.
setosa var. minor doet denken, maar de rozet
is 12 cm in diameter, veel groter dus dan de
4,5-7 cm uit de beschrijving. Maar Pilbeam
merkte in zijn boek ‘The genus Echeveria’
al op dat de rozetten in cultuur veel groter,
tot 10 cm of meer, kunnen worden. Ook op
de ELK 2025 zag ik bij een andere stand een
plant die gelabeld was als E. setosa, maar er
toch wel weer afwijkend uitzag (afb. 21). Een
fraai gezicht is het zeker.
20: Close-up van de plant van afb. 19.
12 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
E. setosa is niet moeilijk te kweken.
Hoewel de plant op de natuurlijke
groeiplaatsen soms weinig direct zonlicht
krijgt, is het aan te bevelen om de planten in
de verzameling op een zonnige plaats met
veel frisse lucht te kweken. Om de rozetten
compact en dichtbehaard te houden,
moet spaarzaam water gegeven worden.
In de winter moet de plant koel en droog
gehouden worden. Vermeerderen kan
door zaaien en volgens sommige bronnen
ook door bladstekken. Ik heb dat nooit
geprobeerd, maar ik weet uit ervaring dat bij
echeveria’s daarvoor het beste de blaadjes
van de bloeistengel gebruikt kunnen
worden. Die wortelen het gemakkelijkst.
21: Een vorm van Echeveria setosa?
Literatuur
Candolle, A. P. de (1828). Prodromus
Systematis Naturalis Regni Vegetabilis 3:
401.
Cavanilles, R. J. (1793). Icones et
Descriptiones Plantarum, quae aut
sponte in Hispania crescunt II: 54, t. 170.
Haage & Schmidt (1921). Haupt-Verzeichnis
über Samen und Pflanzen: 173.
Houten, J. M. van den (1925). Urbinio-
Echeveria’s. Succulenta 7: 13.
Keppel, J. C. van (1970). Echeveria × setorum
‘Victor’. The National Cactus and
Succulent Journal 25 (2): 40.
Kimnach, M. (2003). Echeveria. In: Eggli, U.
(ed.). Illustrated Handbook of Succulent
Plants: Crassulaceae: 103-128.
Moran, R. (1993). Variation and varieties
in Echeveria setosa Rose & Purpus
(Crassulaceae). Cactus and Succulent
Journal (US) 65 (1): 27-36.
Meyrán, J. (1989). Una variedad de
Echeveria setosa. Cactáceas y Suculentas
Mexicanas 34 (4): 75-79.
Pilbeam, J. (2008). The genus Echeveria: 256.
Otero, F. & Hernández, E. (1984). Diez años
de exploración de la Sierra Mixteca.
Cactáceas y Suculentas Mexicanas 29 (3):
51-54.
Rose, J. N. & Purpus, J. A. (1910). Three new
species of Echeveria from Southern
Mexico. Contributions from the United
States National Herbarium 13: 45.
Sterk, W. J. M. (1989). Echeveria species F.O.
042 (Echeveria rondeli n.n.). Succulenta
68 (12): 268-270.
Walker, C. (1994). Echeveria setosa var.
deminuta. British Cactus and Succulent
Journal 12 (3): 70-71.
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
13
Voor het voetlicht (143)
Bertus Spee
Aloe cipolinicola
Deze aloë is afkomstig uit Centraal-
Madagaskar, met name de omgeving van
Ivato. Dit is een vrij droog en warm gebied.
Ze groeien hier op een hoogte van ongeveer
1200-1400 meter, op heuvels van cipollinomarmer.
Er zijn drie locaties bekend. Ze
groeien stamvormig en kunnen tot zo’n 3
meter hoog worden. Ze bloeien met flinke
trossen oranjegele bloemen. De bloeistengel
wordt een meter hoog. Na de bloei vertakt
de hoofdstam. De oorspronkelijke naam was
Aloe capitata var. cipolinicola, beschreven in
1926. Na later onderzoek is het in 2010 een
aparte soort geworden. In cultuur zijn ze
nog vrij zeldzaam. We planten ze in een grof,
doorlatend, kalkrijk grondmengsel en geven
tijdens de groei regelmatig water. Zoals
zoveel aloë’s zijn het wintergroeiers. We
houden ze dan ook boven de 15 °C, op een
lichte en zonnige plaats. Vermeerderen kan
door stekken en zaaien.
Crassula hemisphaerica
Deze mini-succulentjes vinden we in
Centraal-Zuid-Afrika in de Grote Karoo,
waar ze een flink verspreidingsgebied
hebben. Ze groeien in een tweejarige
cyclus. Hierbij bloeien ze in het tweede
jaar, waarna ze zichzelf uitzaaien en
afsterven. De bloeistengel wordt zo’n 15 cm
lang en is bezet met wit-roze bloempjes.
Het zaad is stoffijn. Deze plantjes zijn
gemakkelijk als crassula te herkennen door
de tegenover elkaar staande bladeren. In
cultuur zijn ze niet moeilijk. We planten ze
in een doorlatend mineraalrijk en zanderig
substraat. We zetten ze op een flink zonnige
plaats en geven zeer spaarzaam water,
waarbij we de potkluit telkens op laten
drogen. Tijdens de winterrust houden we
ze droog op een minimumtemperatuur van
5-10 °C. Vermeerderen kan door zaaien en
bladstekken.
14 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
Echeveria dactylifera
Een van de grootst wordende echeveria’s
vormt rozetten van wel 50 cm in diameter.
Ze maken een bloeistengel van een meter
lang met roze bloemen. Ze komen voor in
het westen van Mexico, in de Sierra Madre
Occidental, onder andere in de deelstaat
Durango, tot op een hoogte van 2500 meter.
In cultuur zijn ze prima te kweken, zij
het dat ze veel ruimte vragen. In de
zomer kunnen ze ook goed buiten
gekweekt worden. We planten ze in een
mineraalrijk, goed doorlatend substraat,
bij voorkeur in een terracotta schaal.
We geven met tussenpozen flink water.
Tijdens de winterrust houden we ze
droog bij een minimumtemperatuur van
5 °C. Vermeerderen kan door zaaien en
bladstekken.
Ortegocactus macdougallii
In een afgelegen grasachtig berggebied in
het diepe zuiden van Oaxaca (Mexico) ligt
het groeigebied van Ortegocactus. Er zijn
slechts twee kleine locaties bekend, gelegen
op zo’n 2000 m hoogte. Ze vormen kleine
bolletjes van 3-4 cm diameter en groeien
vervolgens clustervormig. Ze bloeien
met botergele bloemen. De zaadbessen
bevinden zich binnen het plantenlichaam
en na elke regenbui zwellen de plantjes op,
waarna ze telkens enkele zaden loslaten.
In cultuur zijn ze niet gemakkelijk, het
zijn vrij langzame groeiers. Jonge planten
worden vaak geënt. We planten ze in een
mineraalrijk substraat met ook wat humus.
We moeten zeer spaarzaam zijn met water.
Deze plantjes vormen aan de basis vaak
roestbruine plekken (wat ze in de natuur
ook doen). De oorzaak hiervan is onbekend.
Tijdens de winterrust houden we ze droog
bij een minimumtemperatuur van 10-12 °C.
Vermeerderen kan door zaaien en stekken.
speedybert@zeelandnet.nl
Succulenta jaargang 105 (1) 2026 15
Galerie epiphyte (2)
Rhipsalis campos-portoana
Aat van Uijen
Deze rhipsalis is een gracieuze verschijning.
Hij behoort, met een groot aantal andere
soorten, tot de groep met cilindrische leden,
die bij deze plant vrij dun zijn. Rhipsalis
campos-portoana vertoont een acrotone
groeiwijze, wat wil zeggen dat nieuwe leden
ontstaan aan het eind van de oude leden
(in tegenstelling tot mesotone vertakking,
waarbij de nieuwe leden op willekeurige
plekken aan de oude stengels verschijnen).
De basale leden zijn hooguit 0,5 cm dik,
maar kunnen zeker 60 cm lang worden.
De nieuwe leden staan in kransen van drie
of meer en de leden van iedere volgende
vertakking zijn steeds weer wat korter, zodat
de laatste meestal een lengte van niet meer
dan ongeveer 5 cm bereiken. Daarmee
ontstaat een groene cascade van stengels,
waardoor vooral grote exemplaren een lust
voor het oog zijn.
1: De klokvormige bloemen zijn kenmerkend voor deze rhipsalisgroep.
16 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
2: Rhipsalis campos-portoana na een sproeibeurt in de Utrechtse Botanische Tuinen.
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
17
Nog mooier wordt de plant als hij in bloei
raakt. Binnen de groep met cilindervormige
stengels behoort R. campos-portoana tot
de groep rhipsalissen waarbij de bloemen
klokvormig zijn en aan het eind van de leden
(of er net boven) verschijnen. Deze bloemen
zijn wit en vrij groot voor een rhipsalis.
Daarna verschijnen de bessen. Deze
vormen binnen de rhipsalissen een
uitzondering, want R. campos-portoana
is een van de twee soorten met oranje
vruchten. Bij de meeste andere soorten zijn
ze wit of soms rood of lila.
Al met al is dit een plant die vanwege zijn
uiterlijk de moeite van het kweken waard
is. Hij is verkrijgbaar bij tuincentra of via
het internet (let er in beide gevallen goed
op dat de naamgeving klopt) en is geschikt
voor de vensterbank (of een daarboven
hangend mandje) mits daar voldoende
frisse lucht komt. Deze rhipsalis groeit in
kust- en nevelwouden en heeft een groot
verspreidingsgebied. Dit loopt in Brazilië
van de relatief koele staat Rio Grande do
Sul tot in de staat Minas Gerais met zijn
ruwe klimaat. Het is dan ook een plant die,
ondanks zijn fragiele uiterlijk, tegen een
stootje kan.
Enkele websites
rhipsalis.eu
rhipsalideae.org
rhipsalis.com
epig.org
aatvanuijen@ziggo.nl
3: De bessen van R. campos-portoana.
18 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
Koudebestendige succulenten (11)
Aiko Talens
In navolging van eerder verschenen
artikelen uit de reeks over koudebestendige
succulenten, zoals geïntroduceerd door Henk
Ruinaard in nummer 4 van 2023 en sindsdien
aangevuld door Ruud Tropper en Wolter ten
Hoeve, wil ik ook graag mijn ervaring met
koudebestendige succulenten delen.
Inleiding
Hoewel de meeste succulenten een enkele
nachtvorst prima kunnen verdragen, zal
een aanhoudende periode van vorst, zeker
strenge vorst, voor sommige succulenten te
veel zijn. Wel zijn naar mijn mening specifiek
cactussen over het algemeen bestendiger
dan de ‘andere’ succulenten als het op vorst
aankomt.
Het is dan verstandig de broeikas
vorstvrij te houden of de planten naar
binnen te brengen. Van het verwarmen van
de broeikas in de winter ben ik nooit een
liefhebber geweest. Ik beschouw het als
onnodige energie- en geldverspilling en vrees
het uitvallen van de verwarming op precies
het verkeerde moment. Al vijfentwintig
jaar voor mij de reden om mijn planten
naar binnen te brengen en ze te laten
overwinteren in een onverwarmde kamer.
Aanleiding
Aangezien de broeikas vijftig meter van
het huis staat, vraagt dat wel wat lopen.
En ik heb veel planten in drie broeikassen
staan. Ik moet ongeveer zestig keer heen
en weer lopen om de planten die ik als niet
winterhard genoeg beschouw veilig binnen
te krijgen. Per keer lopen met een krat met
planten of een losse grote plant kost mij drie
minuten, dus met het sjouwen ben ik drie
uur bezig. En dat is alleen in het najaar, in
het voorjaar moeten ze natuurlijk weer terug
naar de broeikas.
Een deel van de planten blijft in een
kamertje beneden, maar een ander deel
moet naar een kamer op de eerste etage
(afb. 1 en 2), dus de helft van het lopen is
ook nog de trap op en af. En als je weet dat
ik veel van mijn planten in een mengsel
van leem, kiezels en zand heb staan, mag
je erop rekenen dat de potten behoorlijk
zwaar zijn. Een krat met wat grotere planten
kan zomaar tien tot vijftien kilo wegen. In
het voorjaar van 2023 heb ik als test met
een stappenteller gemeten hoeveel meter
ik daadwerkelijk moest lopen. De teller
eindigde bij 10,2 km, waarvan dus de helft
met een zware plant of een krat vol planten
1 en 2: Overwinterende succulenten in een onverwarmde kamer.
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
19
3: Twee betonklinkers per raam zorgen altijd
voor frisse lucht voor de planten, dag en
nacht en nagenoeg het hele jaar door.
in de armen, en daarvan ongeveer de helft
ook nog een trap op of af.
Dat heb ik dus jaren zo gedaan. Maar
met een almaar groter wordende collectie
(ik zaai veel), komt er een moment dat je je
afvraagt of je zo wel wil doorgaan. Dat vindt
mijn rug waarschijnlijk ook, hoewel ik een
fitte, sterke en sportieve kerel ben die zware
fysieke arbeid niet schuwt. Dat zal vast niet
altijd zo blijven. Op een gegeven moment
begon ik een beetje te experimenteren
door ook af en toe wat planten in de kas
achter te laten. Dat scheelde al een paar
loopjes! Soms is het experimenteren vooral
een gok op goed geluk geweest, iets dat
je uiteraard niet met je meest dierbare
planten moet doen. Steeds vaker werd het
beredeneerd gokken en wist ik dat een plant
het theoretisch zou moeten redden. Vaak
wordt dit bevestigd, soms eindigt het in
een teleurstelling. Maar de ene winter is de
andere ook niet, dus pas na een jarenlange
test weet je écht waar je aan toe bent. Een
lelijk geworden thelocactus waarvan het
groeipunt verstoord raakte en ging spruiten,
was een van de eerste kandidaten die getest
mocht worden. Nu, jaren later, heb ik deze
lelijkerd nog steeds, maar heeft deze plant
door zijn bestendigheid tóch zijn recht op
een plek verworven.
Voorbereiding op de winter
Om een plant de winter door te krijgen bij
vorst, is het verstandig het watergeven te
stoppen gedurende de maand september.
Voordat de eerste serieuze koude nachten
komen, zijn we weer twee maanden verder,
dus dan hebben de planten genoeg tijd
om langzaam in te drogen. Een succulent
die ingedroogd is, is beter beschermd
tegen vorst: door het vochtverlies wordt
de verhouding met (an)organische zouten
gunstiger, waardoor het vriespunt van de
plantencellen wordt verlaagd. Zeker oktober
brengt nog veel zonlicht en warmte in de
broeikas, waardoor planten alle tijd krijgen
om goed te kunnen indrogen.
Kweekwijze
Mijn planten worden vrij hard opgekweekt.
De meeste planten staan in een mineraalrijk
substraat, krijgen weinig water, veel frisse
lucht, ‘s zomers overdag veel warmte en
zonlicht, ‘s nachts geregeld frisse tot koude
nachten (met name in het voor- en najaar).
Dat moet helpen robuuste planten te
krijgen!
De grote hoeveelheid frisse lucht krijgen
de planten altijd via een paar dakramen die
bijna het hele jaar open staan. Om deze
grote dakramen zowel overdag als ook in de
nachten open te houden, heb ik onder elk
dakraam twee betonklinkers geplaatst (afb.
3). Hierdoor laten de dakramen de hele dag
door veel frisse lucht binnen, maar blijven ze
ook in een schuine hoek voldoende gesloten
zodat een eventuele sterke wind er niet snel
grip op krijgt. Er is tenslotte het hele jaar
door kans op een zeer winderige dag en ik
kan er niet altijd zijn om dat op te vangen.
De dakramen blijven eigenlijk nagenoeg
het hele jaar open. Alleen in de twee
donkerste en koudste maanden van het jaar
doe ik ze dicht (december en januari). Als
de dakramen dan gesloten worden, leg ik
de twee betonklinkers die de ramen eerst
openhielden, nu half in de dakgoot en half
leunend op de dakramen. Door het extra
gewicht van de betonklinkers op de ruiten
zelf (dusdanig dat ze niet breken) voorkom
ik dat bij een eventuele winterstorm de wind
grip op de ramen kan krijgen.
Van ongeveer april tot en met september
heb ik ook meestal de deur van de kas
gewoon nog open staan. Voor de deur heb
20 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
ik een hor. Die kan ik makkelijk even aan de
kant leggen als ik de kas in wil, en kan ik ook
makkelijk tussen de kas en de schuifdeur
klemmen als ik de deur zo weer wil afsluiten.
Dit afsluiten met het roostertje voorkomt
dat vogels de neiging hebben om de kas in
te komen (volgens mij vliegen vogeltjes als
mussen nooit direct tijdens hun vlucht de
kas in, maar landen ze vlak voor de kas en
hoppen dan uit nieuwsgierigheid daarna
pas verder de kas in). Nu hebben ze dus een
extra drempel om in zaailingen te komen
pikken en labeltjes uit potten te trekken. Ook
eventuele nieuwsgierige katten en honden
die je bij huis hebt lopen, worden door het
rooster tegengehouden om in de kas potjes
om te gooien. En ondertussen laat het
rooster wel gewoon frisse lucht door.
Volwassen planten geef ik in september
voor het laatst water. Tot eind maart staan
ze droog. Alleen eerstejaars zaailingen
of zij die nog kleiner dan een erwt zijn,
geef ik nog wat langer water, tot ergens in
oktober, zolang het nog lekker weer is. Die
eerstejaars zaailingen krijgen nog eenmaal
of tweemaal in hun eerste winter een klein
plonsje water bij zonnig winterweer om het
ergste indrogen in het kleine plantenlichaam
een beetje te voorkomen. Veel massa en
waterreserve heeft zo’n plantje tenslotte
niet. Normaal geef ik water door een hele
krat met potten vol planten in een bak met
4: Escobaria sneedii subsp. leei. 5: Echinocereus adustus.
6: Echinocereus rigidissimus subsp. rubrispinus. 7: Echinocereus triglochidiatus SB300
(Torrance County, New Mexico, VS).
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
21
8: Echinomastus mariposensis. 9: Echinocereus coccineus subsp. rosei SB236
(Otero County, New Mexico, VS).
10: Overzichtsfoto van eerste- en tweedejaars zaailingen.
water te zetten. Maar nu is het beter om wat
voorzichtiger en beheerster water te geven.
In de schroefdop van een grote fles heb ik
met behulp van een dun spijkertje en een
hamer een aantal kleine gaten gemaakt. Als
ik de fles met water vul en ondersteboven bij
een potje met zaailingen houd, sproei ik zo
via die schroefdop wat water op de planten.
Hierdoor kan ik snel en gecontroleerd de
kleinste plantjes gedoseerd nog wat water
geven, eventueel door iets meer of minder
hard in de fles te knijpen.
Zaaien
Bij de aanschaf van nieuwe planten of zaden
ben ik me (dus) op een gegeven moment
specifiek gaan richten op de soorten die
er bekend om staan goed winterhard te
zijn. Of in ieder geval winterhard naar de
maatstaf van een gemiddelde Nederlandse
winter. Soorten die een aanhoudende en
strenge Noord-Amerikaanse of een Noordof
Oost-Europese winter overleven, zijn
minder talrijk. Dan moet je vooral denken
aan soorten binnen het geslacht Pediocactus,
22 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
Escobaria, Echinocereus, Echinomastus (afb.
4-9), Sclerocactus en een aantal Opuntiasoorten
uit de Verenigde Staten (Utah,
Nevada, Colorado), maar ook Opuntiaachtigen
als Puna en Maihuenia. Ruud
Tropper werkt aan een serie artikelen die
de winterhardheid per geslacht behandelt
en per soort in dat geslacht een indicatie
van koudebestendigheid geeft, waarbij
bijvoorbeeld Pediocactus ondertussen al aan
bod gekomen is (Succulenta 6, december
2024). Niet elke soort in een geslacht is
koudebestendig, maar bij een aantal van
deze geslachten geldt dat binnen dat
geslacht wél voor een groot deel van de
soorten.
Zaaien is een goede manier om de
koudebestendigheid van een soort te testen.
Zaden zijn goedkoop (of goedkoper dan een
gekocht plantje) en vaak wel gemakkelijk
te verkrijgen. Je hebt, als het zaaien goed
gaat, vaak meerdere plantjes, en als het
merendeel hiervan de winter overleeft,
heb je gelijk al een hoop informatie over
de koudebestendigheid van deze soort.
Anders was tenslotte alles in het potje wel
doodgevroren in plaats van slechts een
paar. Zeker als je vanuit zaad opkweekt,
zijn de zaailingen meteen al aan de
omstandigheden gewend en blijven de
sterkste planten over. Ik heb de afgelopen
jaren veel soorten gezaaid die theoretisch
koudebestendig zijn. Deze blijven zelfs als
kleine zaailing in hun eerste winter in de kas
achter. Bij veel potten zie ik een paar winters
later dat meer dan genoeg zaailingen het
potje levend blijven vullen (afb. 10).
Welke soorten kunnen vorst goed
overleven?
Hoewel je pas echt wat zinnigs kunt zeggen
over de koudebestendigheid van een plant
als je deze vele jaren in verschillende winters
hebt kunnen testen, is vaak één enkele
winter al een aardige indicatie.
Een soort die ik nu aan dusdanig veel
winters heb onderworpen dat ik zeker
kan zeggen dat deze koudebestendig is,
is Wigginsia sessiliflora var. macracantha.
Deze planten heb ik in 2011 gezaaid (afb.
11) en de twintig planten staan sinds meer
dan vijf jaar in de onverwarmde kas. In de
tussentijd zijn er winters geweest met soms
flinke vorstperiodes van meerdere nachten
11: Wigginsia sessiliflora var. macracantha in mijn collectie.
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
23
12 en 13: Wigginsia sessiliflora var. macracantha in Omaruru, Namibië. Foto Oscar Malaman
achtereen tot -15 °C. Ik ben weliswaar wel
een enkel plantje kwijtgeraakt, maar nooit
in de winter of direct erna, waardoor het
verlies niet direct gerelateerd is aan de
winter. De overige planten hebben geen
vorstschade opgelopen en staan er prachtig
bij. Zaden van dezelfde moederplant heb
ik ook aan een liefhebber in Namibië
gegeven. Daar ontwikkelen ze zich onder
(veel) warmere omstandigheden in de
volle grond tot erg mooie planten, die
naast een paar jaar jonger vooral duidelijk
groter zijn dan de mijne (afb. 12 en 13).
Maar in ieder geval zijn ze net zo compact
en mooi bedoornd. Die planten leiden een
luxeleventje vergeleken met de mijne. Deze
wigginsia is dus een soort die zowel flinke
kou, enorme warmte, donkere winterdagen
met hoge luchtvochtigheid en intense, droge
(Afrikaanse) zonneschijn makkelijk tolereert.
Een kandidaat-winnaar voor de eerste prijs
van de meest algeheel keiharde succulent,
wat mij betreft!
Een jaar of tien geleden heb ik van
Bastiaan Zwiers een aantal schijven van
Opuntia polyacantha en Opuntia phaeacantha
gekregen. Deze waren volgens de schenker
goed winterhard. Ik kon ze zelfs buiten
laten staan in de winter, weliswaar in goed
24 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
14: Opuntia polyacantha en O. phaeacantha in een niet al te beste staat.
drainerende grond. De eerste paar jaar
heb ik ze eerst nog maar droog gehouden
in de winter, maar ze kregen dus wel
gewoon alle kou over zich heen, die de
winter voor ze in petto had. Na enkele jaren
werd ik wat moediger en besloot ik ze niet
alleen in de zomer, maar nu voortaan ook
gedurende de winter buiten te laten. Dat
hebben ze ondertussen ook alweer jaren
overleefd. Maar ik moet dan ook zeggen,
‘slechts overleefd’. Floreren doen ze niet bij
mij. Sterker nog, ze staan er eigenlijk zeer
armetierig bij (afb. 14). Er komt wel eens een
schijf bij, maar er rot er ook geregeld eentje
weer weg (zie de uitgedroogde stukken
Opuntia-schijf). Groter groeien als geheel
doen ze dus ook niet. Laat staan bloeien,
want dat hebben ze bij mij ook nog nooit
gedaan. Misschien moet ik ze maar weer
eens verpotten... En toch maar weer eens
droog laten overwinteren?
De meeste (of alle) soorten
Echinofossulacactus (Stenocactus) en
Glandulicactus kan je met een gerust
hart in de winterse broeikas achterlaten.
Ook in de geslachten Gymnocalycium,
Mammillaria en Echinocactus (E. grusonii in
ieder geval uitgezonderd) zijn er meer dan
genoeg kandidaten die vorst prima vinden.
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
Echinocactus platyacanthus staat bij mij met
meerdere planten ook al jaren onverwarmd.
En ook binnen de geslachten als Rebutia
en Oroya (afb. 17 en 19) kan er gerust
geëxperimenteerd worden.
Met welke soorten wat voorzichtiger?
Soms ben je niet op tijd om de planten
veilig binnen te zetten. De vorst kan je altijd
verrassen en is er nét wat eerder dan je
verwacht. En dan heb je de tijd nog niet
gehad om de meest gevoelige planten, die
zeker niet bekend staan als koudebestendig,
veilig vorstvrij te krijgen. Met name bij
Afrikaanse succulenten ben ik wat huiverig
als het op vorst aankomt. Zeker na een
ervaring van een paar jaar geleden toen de
vorst er iets eerder was dan ik verwachtte.
Zeven graden vorst gedurende de twee
nachten dat ik niet in de buurt was, was
iets te veel voor mijn twaalf zelf gezaaide
Aloe plicatilis en A. ramosissima. Ik ben ze
nagenoeg allemaal kwijtgeraakt.
Maar ook door zo’n ervaring kun je
positief verrast worden. Anacampseros
bijvoorbeeld. Ik ben zeker wat planten van
Anacampseros kwijtgeraakt aan vorst, maar
heb ook een Anacampseros arachnoides al
jaren in de kas onverwarmd staan. Mijn
25
15: Mammillaria winterae WTH331
(nabij San Rafael, Nuevo León, Mexico).
16: Glandulicactus uncinatus var. wrightii JM136
(Marathon, Texas, VS).
17: Rebutia heliosa. 18: Mammillaria heyderi subsp. meiacantha.
19: Oroya peruviana.
20: Mammillaria zeilmanniana.
26 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
21: Echinofossulocactus erectocentrus SB268
(Escondido, Nuevo León, Mexico).
ervaring met conophytum is zelfs nog wat
positiever. Die kunnen wel -7 °C aan, maar
deze ervaring is net als bij de aloë’s vooral
per ongeluk opgedaan. Het verschil hier
is wel dat Conophytum een winteractieve
succulent is en actief in groei is als het bij
ons vriest. En ze zijn niet ingedroogd voor
een rustperiode. De planten zijn dan juist
vol vocht, en de wortels staan geregeld in
vochtige grond. Je zou verwachten dat dat
botst met zeven graden vorst, om in zo’n
sterk bevroren potje ijsgrond te moeten
staan. Maar alle conophytums (tientallen
potten) hebben deze ervaring overleefd.
Niettemin houd ik voor de veiligheid mijn
conophytums altijd vorstvrij (zie mijn artikel
‘Winteractieve succulenten’ in Succulenta 5,
oktober 2025).
Kortom
De reden voor mij om me steeds meer op
succulenten te richten die de winterkou
kunnen doorstaan, is dus vooral praktisch:
minder vorstgevaar voor je collectie planten
en in mijn geval ook minder met planten
22: Vier soorten Echinofossulocactus (Stenocactus).
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
27
23: Overzichtsfoto van koudebestendige cactussen.
sjouwen. Ook staan koudebestendige
succulenten het hele jaar in veel meer licht.
Ik veronderstel dat de meeste succulenten
daarom door een laat winterzonnetje ook
eerder of beter zullen bloeien wanneer het
eenmaal voorjaar of zomer is. Ook zijn er
soorten die vooral door de winterse kou
gedurende de winterrust beter bloeien
dan wanneer ze een warmere winterrust
genoten hebben. Rebutia en andere
succulenten die op grote hoogte groeien,
hebben die reputatie.
Er bestaan dus prachtige
koudebestendige succulenten die het
kweken meer dan waard zijn! Naar mijn
ervaring moet je voor koudebestendige
succulenten vooral kijken naar de
succulenten uit de Amerika’s. Dus vooral
cactussen (afb. 23), maar ook Agave (afb. 24).
En iets minder naar de ‘andere’ succulenten
die vooral voorkomen in Afrika.
Ik kan iedereen aanraden een minder
favoriete plant eens in een onverwarmde
broeikas te laten gedurende de winter.
Experimenteren is een deel van het plezier.
En vooral niet te snel angstig worden voor
het lot van je planten als het eens goed koud
wordt!
aiko@talens.nl
24: Verschillende soorten Agave-zaailingen.
28 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
Trichocereus randallii Cárdenas
Dr. Herman Vertongen
In december 1962, op de tweede om precies
te zijn, was Friedrich Ritter in de provincie
Méndez in het departement Tarija (Bolivia)
op weg van het gehucht Caña Cruz naar
La Capilla – deze nederzetting, want veel
meer was het niet, heet nu El Paicho – op
een hoogte van 2880 m (volgens Ritter).
De Ruta Nacional n° 1 verbindt Potosí via
Camargo en Iscayachi met Tarija. Op 20 km
ten noorden van Iscayachi, ter hoogte van
San Antonio, buigt een smalle weg af, eerst
naar het oosten en daarna naar het noorden
richting Caña Cruz. Die dag vond hij diverse
cactussoorten, alle reeds goed bekend, maar
ook een cleistocactus die hem als nieuw
voorkwam. Later, in 1980 in Band 2 van
Kakteen in Südamerika, beschreef hij deze
als Cleistocactus hildegardiae, ter ere van zijn
zuster Hildegard Winter, die de door hem
verzamelde zaden (en later ook wat planten)
te koop aanbood.
’s Anderendaags, op 3 december,
vervolgde hij zijn zoektocht verder richting
het dal van de Rio Paicho. Na een zestien tot
achttien km (volgens Ritter) vond hij op de
bergflanken van de Rio Paicho een van de
mooiste gymnocalyciums, die hij eveneens in
1980 in Band 2 als Gymnocalycium armatum
beschreef.
Terloops moet hier vermeld worden
dat deze plant, na de vondst van Ritter,
in ongeveer veertig jaar in cultuur
onbekend bleef. Ikzelf heb ze nooit gezien,
niettegenstaande het feit dat ik in de jaren
zestig en zeventig regelmatig de meeste
erkende cactuskwekers en invoerders van
wilde cactussen (Uhlig, De Herdt en anderen)
bezocht heb. Zelfverklaarde kenners hadden
zelfs twijfels geopperd over het bestaan
in de natuur of ten minste aan de door
Ritter opgegeven vindplaats. Halverwege
de jaren negentig van de vorige eeuw is
Helmut Amerhauser (zaliger) dan, bijna
moreel verplicht als promotor en uitgever
van het vakblad Gymnocalycium, op zoek
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
gegaan naar de plant, echter zonder succes.
Wel heeft hij hier een lokale variëteit
van Gymnocalycium pflanzii gevonden
en in het hiervoor genoemde vakblad
als Gymnocalycium pflanzii var. dorisiae
beschreven (naar zijn echtgenote Doris). Aan
de hand van zijn bevindingen blijkt dat hij
veel te ver gereden is langs de Rio Paicho,
zonder onderweg de soms steile hellingen
waar de gymnocalycium groeit, aandacht te
schenken.
In november 2001 en nogmaals eind
2003 waren het Duitse cactuszoekers, onder
leiding van ene Klaus Beckert – zij gingen
vooral op zoek naar parodia’s en hadden
weinig interesse in gymnocalyciums – die
bij toeval op praktisch dezelfde locatie
als door Ritter aangegeven, de ‘vermiste’
Gymnocalycium armatum vonden. Beckert
vermeldt dat de weg in feite door de
rivierbedding van de Rio Paicho loopt. Hij
had af te rekenen met een watervoerende
rivier en vroeg zich af hoe Ritter – en dan nog
40 jaar vroeger – dit met een Ford-truck had
gebolwerkt. Nu moet het wel gezegd worden
dat de bedding van de Rio Paicho meestal
droog is en gemakkelijk, tenminste met een
4x4-voertuig te berijden is (eigen ervaring).
Hoe het was in 1962 bij het bezoek van
Ritter, is moeilijk in te schatten. Het is echter
niet verwonderlijk dat Ritter dezelfde dag
panne had en noodgedwongen een vijftal
dagen moest wachten voordat het kapotte
onderdeel vervangen was. Hij keerde pas
op 8 december terug naar de RN 1. Het was
dan gedurende dit oponthoud dat hij te
voet de bergflanken ging verkennen en de
ontdekking van Gymnocalycium armatum
deed. Een drietal dagen erna, na reparatie
van het voertuig op 6 december, hervatte
hij zijn verdere veldonderzoek. In zijn
dagboeken vermeldt hij talloze planten:
opuntia, parodia, trichocereus en andere, alle
reeds bekend en beschreven. Echter ook een
volgens hem onbekende plant, die hij eerst
29
1: Ontwortelde Soehrensia randallii.
in zijn dagboek als ‘Soehrensia spec. nov.’
vermeldt. Later, bij het opmaken van het
manuscript ter publicatie, hernoemt hij de
plant tot Trichocereus superbus. Ik laat de wat
ingewikkelde redenering van Ritter om een
Soehrensia te wijzigen in Trichocereus terzijde;
het zou een sterke axiale verkorting (‘starken
Achsenverkürzung’) zijn door aanpassing van
de plant aan grote hoogte. Ik bespaar u
deze uitgebreide redenering. Heden is die
discussie nog steeds actueel, zij het op basis
van andere argumenten. Het manuscript was
klaar ter publicatie toen bleek dat de plant
reeds beschreven was door Cárdenas onder
de naam Trichocereus randallii in het Cactus
and Succulent Journal of America van mei
1963. Dr. Martin Cárdenas was hoogleraar
plantkunde aan de Universidad Mayor de
San Simón in Cochabamba, Bolivia, en in feite
een wereldautoriteit in de aardappelteelt!
Hij had de plant bekomen van ene Mr. R.B.
Randall – de datum van collectie aangegeven
als 04/1962 lijkt mij twijfelachtig – en deze
had gebloeid in de kas van de universiteit.
Wanneer hij de plant gekregen heeft en wie
deze Mr. Randall was, is onbekend.
2: Ontwortelde Soehrensia randallii.
3: Soehrensia randallii.
30 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
Eind november 2006 was een gezelschap,
waarvan ik deel uitmaakte, ter hoogte van
San Antonio om de veldweg naar Caña Cruz
in te slaan. De weg was wel smal, maar toch
goed berijdbaar, eerst nog vlak, zelfs lichtjes
stijgend, om dan plotseling zeer bochtig te
worden en steil naar de vallei van de Rio
Paicho af te dalen. Gans de weg rijdt men
door een waar cactusparadijs: Opuntia,
Oreocereus, Trichocereus, Cleistocactus,
Parodia, Weingartia, Lobivia enzovoort.
In 2006 was de weg in zeer behoorlijke
staat, men hoefde niet steeds door de
rivierbedding te rijden, er was duidelijk aan
gewerkt. Beide hellingen zijn bezaaid met
cactussen en nederige struiken. Plotseling,
onmiddellijk na een haarspeldbocht, lag hij
daar: een grote Soehrensia randallii. Door
de eerdergenoemde wegwerkzaamheden,
gepaard met het schrapen van de zijwand
van de rots om de weg te verbreden,
is de plant op de rand komen te staan,
losgekomen en omlaag getuimeld. De
plant heeft een oppervlakkig wortelstelsel
en is hierdoor kwetsbaar wat betreft zijn
stabiliteit. De plant lag daar blijkbaar al
een paar jaar, gezien de aanwezigheid van
oudere bloemknoppen van vorige jaren die
niet tot ontwikkeling waren gekomen (afb. 1).
Dit was trouwens niet het enige exemplaar
(afb. 2). Het duurde dan ook niet lang
voordat we menig gezond exemplaar vonden
(afb. 3). Afb. 4 en 5 geven een idee van de
afmetingen die de plant kan aannemen.
De hoogte van de vindplaats werd door
Cárdenas aangegeven als 2300 m, maar dit
klopt niet. Ritter vermeldt 3300 m, wat door
ons bevestigd werd.
4: Soehrensia randallii.
5: Soehrensia randallii met de schrijver.
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
31
Ik wil de lezer nog enkele beelden van
Soehrensia randallii in cultuur voorstellen.
Ik bezit jammer genoeg nog maar één
exemplaar, dat ondertussen vijftien tot
zestien jaar oud is. De plant heeft voor de
eerste maal gebloeid in juni 2022 en stond
in een 13,5 cm-pot (afb. 6). De opname is
van 16 juni 2022 rond 16 uur. Dit was op een
vrijdagnamiddag en in de zomer vertrek ik
iedere vrijdagavond op weekend. De dinsdag
hierop waren de bloemen reeds verwelkt
zodat verdere opnamen niet meer mogelijk
waren. De plant werd verplant in een 2 literpot
en gelukkig bloeide hij weer in mei 2023
met opnieuw twee prachtige rode bloemen
met een paarse zijdeglans (afb. 7 en 8). Ook
in 2024 en laatst in juni 2025 bloeide de
plant. Nu weet ik wel dat sommige auteurs
hem als subspecies van Soehrensia formosa*
zien. Mogelijk is dit zo, we laten dit over aan
de systematici. Te noteren valt dat Ritter zelf
een verwantschap met Trichocereus tarijensis
zag, steeds volgens zijn theorie van ‘axiale
verkorting’. Deze Soehrensia randallii bloeit in
een veel vroeger stadium van ontwikkeling
6: Soehrensia randallii in 2022.
7: Soehrensia randallii in 2023.
32 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
dan Soehrensia formosa; ik heb medelijden
met verzamelaars die vele (tientallen)
jaren wanhopig wachten op de bloei van
hun ‘formosa’. Ikzelf bezit een uitgebreide
verzameling van reeds grote exemplaren van
Soehrensia formosa en wacht nog steeds op
bloemen, zelfs bij planten van dertig jaar oud.
Soehrensia randallii is dus een echte
aanrader als ‘vroege’ bloeier. Jammer dat
zaden nauwelijks aangeboden worden en als
je ze wel vindt, vertegenwoordigen ze dan
wel de soort en zijn ze nog kiemkrachtig?
Op internet is de informatie over deze plant
ook karig. In 2022 heb ik mijn plant bestoven
met pollen van Lobivia grandiflora var. minuta
(uit El Alto, Catamarca, Argentinië). Hiervan
zijn zaden opgenomen in de zaadlijst van
Succulenta. In 2023 werd ze bestoven met
pollen van Soehrensia bruchii, waarvan de
zaden eveneens te vinden zijn in de zaadlijst.
Misschien kunnen hier mooie planten uit
voortkomen.
Ten slotte: wie eveneens over een
bloeibare plant beschikt, mag mij
contacteren.
Literatuur
Cárdenas, M. (1963). Trichocereus randallii
Cárdenas. Cactus and Succulent Journal
(Los Angeles) 35 (5):158.
Ritter, F. (1980). Kakteen in Südamerika 2:
561.
herman.vertongen1@telenet.be
* Opmerking redactie: In de recente
literatuur is de naam Soehrensia
formosa subsp. randallii gebruikelijk.
8: Soehrensia randallii in 2023.
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
33
Goud voor oud (1)
Coryphantha radians
Rob Bregman
Met dit artikel wil ik een start maken met een nieuwe rubriek, waarin lezers een stukje
kunnen schrijven over hun oudste zelf gezaaide plant die nu nog leeft, bij voorkeur
geïllustreerd met een recente foto van de plant in bloei.
Ik wil het hier nu eens niet hebben over
matucana’s of thelocactussen, maar
over een van de oudste planten in mijn
bescheiden verzameling.
Mijn oudste, tenminste als je het
alleen over leeftijd van de plant hebt, is
waarschijnlijk een Thelocactus phymatothelos,
maar dat was al een oude (import)plant toen
ik die in de jaren zeventig voor 10 gulden
kocht bij kwekerij De Herdt in Rijkevorsel in
België. Importplanten kopen kon toen nog,
en niemand die zich afvroeg of je niet beter
een gekweekt exemplaar kon kopen. Nu
weten we wel beter, gelukkig!
De hier voorgestelde zelf gezaaide plant,
Coryphantha radians, heet tegenwoordig
volgens Reto Dicht en Adrian Lüthy (2003)
Coryphantha cornifera, maar voor het gemak
blijf ik ‘m nog maar even bij zijn oude naam
noemen. Cactussen willen nog wel eens van
naam veranderen, zoals men weet. In ‘The
Cactus Family’ van Ted Anderson (2001)
staat de plant nog als C. radians beschreven.
Ik heb nog twee exemplaren. Dat zijn
nu de oudste planten die ik zelf gekweekt
heb. Lid geworden in 1971, heb ik voor het
eerst zaden besteld uit de zaadlijst van ons
Clichéfonds en die vervolgens uitgezaaid
in het voorjaar van 1972. Die twee planten
zijn nu dus ruim 53 jaar oud. Ze staan in
dit artikeltje beide afgebeeld, niet alleen
omdat ze allebei nog steeds prachtig
zijn, maar ook omdat ze onderling kleine
verschillen vertonen. Dat is overigens heel
normaal in de natuur; alleen zelfbestuivende
planten zien er doorgaans allemaal
hetzelfde uit, behalve als er af en toe
kruisbestuiving plaatsvindt. Dat gebeurt bij
veel zelfbestuivers toch ook af en toe. Het
nut van dat beetje ‘vreemd bloed’ is om
de genetische diversiteit, en daarmee de
weerstand van de populatie bij calamiteiten
(ziektes, wisselende omstandigheden en
dergelijke), te vergroten. Bij wisselende
omstandigheden zijn genetisch identieke
planten (bijvoorbeeld van klonen) extra
kwetsbaar.
Deze twee exemplaren van Coryphantha
radians zijn de enige planten die nog over
zijn van mijn allereerste schreden op het pad
van cactusliefhebber. Daarom ook verdienen
ze een ereplaats in mijn kasje. Alle andere
planten van die lichting 1972 hebben in de
loop der tijd de geest gegeven. Ik heb er
nog documentatie van kunnen terugvinden:
van de veertig bestelde cactussoorten
kwamen er tien niet op, evenals ook de drie
uitgezaaide soorten Lithops.
Ik had graag geweten waar de zaden van
mijn coryphantha’s vandaan kwamen. Die
informatie werd in die tijd nog niet verstrekt.
Er werd alleen een lijst met de namen van
alle gulle gevers gepubliceerd, maar niet
wie wat had ingestuurd. In de lijst van
december 1971 waren dat er 26, waaronder
enkele (althans voor mij) bekende namen
zoals Buining, Rausch, Bravenboer, Van
der Hoeven, Uil en Van Vliet. Het viel
dus ook niet meer te achterhalen of de
moederplanten, waarvan de zaden geoogst
waren, natuur- of cultuurplanten waren.
Coryphantha radians is al lange tijd
in cultuur. De soort werd voor het eerst
beschreven in 1828 door de Zwitserse
botanicus Augustin Pyramus de Candolle
(1778-1841) als Mammillaria radians. In
34 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
1923 werd de soort door de Amerikanen
Nathaniel Britton en Joseph Rose naar
het geslacht Coryphantha overgebracht.
Deze naam was in 1856 geïntroduceerd
door de Amerikaan George Engelmann als
ondergeslacht van Mammillaria.
De natuurlijke standplaatsen van
C. radians zijn te vinden in Centraal-Mexico.
Het zijn aanvankelijk bolvormige planten,
maar na enige jaren worden ze breedcilindrisch.
Mijn planten zijn nu circa 15 cm
hoog en 10 cm dik. Je kunt dus niet zeggen
dat het snelle groeiers zijn. Ik denk dat ze
niet veel groter worden dan ze nu zijn en
tot nu toe hebben ze nog geen zijscheuten
gemaakt.
De bloemen zijn spectaculair, breedtrechtervormig,
citroengeel en 6-10 cm in
doorsnede. Plant 1 (afb. 1) heeft bloemen
van circa 7 cm in diameter en aan de basis
paarsrode helmdraden, plant 2 (afb. 2)
heeft een iets grotere bloem en iets lichter
gekleurde helmdraden. De planten bloeien
bij mij altijd omstreeks half augustus, waarin
ze toch enigszins van mijn andere planten
afwijken, die voor het merendeel in het
1: Coryphantha radians, plant 1, 8 augustus 2025, vóór bestuiving.
Succulenta jaargang 105 (1) 2026 35
voorjaar bloeien.
Een opvallend fenomeen betreft
de zogenoemde tactiele (beweeglijke)
meeldraden. Net als de bladeren van het
kruidje-roer-me-niet buigen de helmdraden
naar de stijl als je de meeldraden aanraakt,
bijvoorbeeld met een wattenstaafje om
stuifmeel te verzamelen (afb. 2). Dit gebeurt
heel snel, binnen een seconde na aanraking.
Ik heb dit zelf bij geen enkele andere
cactus gezien maar heb inmiddels ontdekt
dat het ook bij andere cactussoorten
is waargenomen, onder andere bij
Lophophora williamsii en bij opuntia’s
(Cota-Sánchez et al. 2013). Volgens deze
auteurs schijnt het bedoeld te zijn om
kruisbestuiving te bevorderen en om vraat
aan het vruchtbeginsel te verhinderen. Dit
verschijnsel wordt thigmonastie genoemd
(beweging na aangeraakt te zijn, maar in een
richting die onafhankelijk is van de richting
van de aanraking, zoals bijvoorbeeld bij de
vleesetende venusvliegenvanger).
De vrucht is een groene, ovale, sappige
bes, ongeveer 25 mm lang en 10 mm breed,
deels verscholen tussen de bedoorning. De
zaden zijn naar verhouding tamelijk groot,
niervormig, bruin en meten 1,3 x 0,8 mm.
Het embryo is gekromd; tussen de cotylen
(kiembladen) bevindt zich een behoorlijke
hoeveelheid kiemwit (perisperm), dat als
voedingsstof voor het kiemplantje dient als
het zaad kiemt. Het bezit van perisperm is
bij cactussen een primitief (oorspronkelijk)
zaadkenmerk, een aanwijzing dat dit soort
planten al lange tijd bestaat.
De cultuur - dat mag natuurlijk geen
verrassing heten na meer dan 50 jaar - is
probleemloos. Een standaardverzorging
voldoet prima. Mijn planten hebben al
verscheidene koude winters met vorst in
de kas doorstaan. Sommige coryphantha’s
blijken nogal gevoelig voor aantasting door
rode spint, maar daar heeft deze soort bij
mij weinig of geen last van. Kortom: een
echte liefhebbersplant!
Literatuur
Cota-Sánchez, J.H., Almeida, O.J.G., Falconer,
D.J., Choi, H.J. & Bevan, L. (2013).
Intriguing thigmonastic (sensitive)
stamens in the Plains Prickly Pear
Opuntia polyacantha (Cactaceae). Flora
208 (5-6): 381-389.
Dicht, R.F. & Lüthy, A.D. (2003). Coryphantha,
Kakteen aus Nordamerika. Eugen Ulmer
Verlag, Stuttgart.
Anderson, E.F. (2001). The Cactus Family.
Timber Press, Portland.
r.bregman@contact.uva.nl
2: Coryphantha radians, plant 2 met iets grotere
bloem, 8 augustus 2025, na aanraking van de
meeldraden.
36 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
Lezers schrijven: Tephrocactus
articulatus
Paul Theunis
Graag had ik even gereageerd op het artikel
‘Op cactusreis in Europa’, pagina 282 van
het decembernummer (6) van 2025. Daar
komt Tephrocactus articulatus in beeld met
vermelding dat ze juist op koele hoogte
gedijen in hun natuurlijke habitat. En dat
ze er daar (op Tenerife) ter plaatse goed
uitzagen ondanks de verzengende hitte.
Welnu, op de natuurlijke standplaatsen
kan het lekker warm worden, gemakkelijk
tussen de 30 en 45 °C, dus ze zijn wel wat
gewoon. Op de grond halen ze gemakkelijk
de 50 °C en meer. Wat betreft de hoogte
waarop ze voorkomen moet er even vermeld
worden dat dat meestal niet zo hoog is.
Bij dit schrijven voeg ik een aantal foto’s
1: Tephrocactus articulatus, Villa Mazán, La Rioja op 700 m.
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
37
2: Tephrocactus articulatus, Casa de Piedra,
Catamarca op 220 m.
4: Tephrocactus articulatus en Tephrocactus
alexanderi (achter) bij Villa Mazán.
3: Tephrocactus articulatus, El Encón, San Juan op
520 m.
die genomen zijn op drie verschillende
locaties, in drie verschillende provincies
en tijdens drie verschillende reizen. Afb. 1
werd genomen ten westen van Villa Mazán,
La Rioja, hoogte 700 meter. Afb. 2 iets ten
zuiden van Casa de Piedra, Catamarca,
hoogte 220 meter en afb. 3 werd vastgelegd
ten oosten van El Encón, San Juan, hoogte
520 meter.
Elke dezer reizen werden we verwend
met temperaturen tussen 30 °C en 37 °C.
Algemeen dient vermeld dat deze planten
wel goed tegen deze temperaturen kunnen,
al zijn er zo goed als naakte exemplaren bij.
Bemerk ook de grote diversiteit in
bedoorning (of uitgroeisels, want dat is weer
een andere materie). Het gaat van doornloos
naar lang tot zeer lang en de kleuren lopen
van ecru naar licht- en donkergrijs. Dat alles
valt onder één naam, niet verwonderlijk
dat er heel wat ‘vormen’ een aparte naam
kregen onder andere de meest bekende
forma papyracanthus.
Wat ook wel wat verwonderlijk was,
was het feit dat er vindplaatsen bij waren
waar de felst bedoornde exemplaren
amper een paar meter van de zo goed als
doornloze exemplaren stonden. Op één
plaats kwamen ze ook samen voor met
Tephrocactus alexanderi (op afb. 4 zichtbaar
op de achtergrond) en dan spreken we over
honderden van elk! Zo, meer moest ik er niet
over kwijt.
theunis.paul@telenet.be
38 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
Correctie (2) ‘Een speciaal plekje (19)’
Andre van Zuijlen
Je loopt een risico om fouten te maken als
je een artikel schrijft over planten die je
eigenlijk niet goed genoeg kent. Zoals in
de vorige Succulenta was te lezen, is mij
dat overkomen in mijn artikel ‘Een speciaal
plekje 19’ in Succulenta van augustus 2025.
Gelukkig zijn er kritische lezers, zoals
in dit geval Herman Vertongen en Paul
Theunis. Deze laatste heb ik in de correctie
in het oktobernummer per abuis Paul Neut
genoemd, waarvoor mijn excuses.
Het gevolg van deze fouten en de kritiek
is dat er uitgebreid over is gecommuniceerd,
wat dan weer erg leerzaam is. Mijn dank aan
deze kritische lezers die de moeite nemen te
reageren en dan ook nog informatie willen
verschaffen.
De eerste correctie ging vooral over
de foutieve naam voor Gymnocalycium
delaetii, die ik in mijn artikel Gymnocalycium
pflanzii had genoemd. In diezelfde correctie
werd echter ook gesteld dat de door
mij genoemde Echinopsis terscheckii in
de Quebrada de Cafayate, en zelfs in de
provincie Salta, niet voor zou komen.
Dit leidde weer tot een reactie van
Paul Theunis, die deze planten wel had
waargenomen in Salta. Hij stuurde ook foto’s
van Echinopsis terscheckii die genomen zijn
in de vallei van de Río Escoipe (afb. 1 en 2).
Deze plek ligt zelfs veel noordelijker dan
de plek in mijn artikel in de Quebrada de
Cafayate. Ter vergelijking nog een keer de
foto waar het allemaal om te doen was en die
ik heb genomen in deze quebrada (afb. 3).
Paul attendeerde mij ook op het feit dat
op de website Cactus and Succulent Field
Number (www.fieldnos.bcss.org.uk) een
1: Echinopsis terscheckii in de vallei van de Río Escoipe. Foto Paul Theunis
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
39
2: Echinopsis terscheckii in de vallei van de Río Escoipe. Foto Paul Theunis
40 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
aantal mensen plekken noemen in Salta
waar ze tussen 1993 en 2022 Echinopsis
terscheckii hebben waargenomen (afb. 4).
Helemaal in het zuiden van de provincie,
ten zuidoosten van Cafayate, hebben Brian
Bates en Tomasz Blaczkowski deze soort
gevonden. En vlakbij, in de Quebrada de
Cafayate noemt Zvone Rovsek de plaats Los
Colorados. In datzelfde gebied heb ik de
gewraakte foto genomen uit mijn originele
artikel.
Wat noordelijker, ongeveer halfweg de
provincie langs de Ruta 68, noemen Franz
Berger, Graham Charles, Andrzej Mucha
en Tomasz Blaczkowski locaties bij de Valle
de Lerma en bij Cabra Corral. Op dezelfde
hoogte, maar dan iets westelijker bij
Molinos langs de Ruta 40, zien we locaties
van Andrzej Mucha, Brian Bates en Tomasz
Blaczkowski. Nog noordelijker, al bijna ter
hoogte van Salta, noemen Andrzej Mucha en
Tomasz Blaczkowski de locatie Agua Negra
bij de Río Escoipe. Dat is dus in de buurt
waar ook de planten van Paul Theunis bij dit
artikel zijn gefotografeerd.
Ook in de buurt van de stad Salta zijn er
diverse waarnemingen. Zowel bij Salta als bij
Campo Quijano zijn die gedaan door Mario
Wick, Friedrich Ritter, Tomasz Blaczkowski
en Andrzej Mucha.
En ten slotte, helemaal in het noorden
van de provincie zijn er in de Quebrada del
Toro diverse waarnemingen door Brian
Bates, Andrzej Mucha, Chris Sherra, David J.
Ferguson, Mario Wick, Frank Linke,
Hans-Peter Thomas en Klaus Gilmer.
Er kan dus geen enkele twijfel over
bestaan dat Echinopsis terscheckii in de
provincie Salta voorkomt. Bovenstaande
waarnemingen tonen aan dat deze planten
eigenlijk in de hele provincie van zuid tot
noord kunnen worden gezien.
Tot zover de discussie naar aanleiding
van de fouten in mijn artikel. Hiermee wordt
deze definitief afgesloten. Rest mij alleen
om de conclusie bij de eerste correctie te
herhalen. Dubbelcheck altijd gegevens die je
krijgt van iemand of die je van het internet
haalt. En dubbelcheck betekent dan ook echt
minstens twee keer controleren.
3: Echinopsis terscheckii? In de Quebrada de
Cafayate.
4: Groeiplaatsen van Echinopsis terscheckii in
Salta. Bron: www.fieldnos.bcss.org.uk
a.zuijlen@home.nl
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
41
Succulentennieuwtjes
Wolter ten Hoeve
In Kakteen und andere Sukkulenten (76-6)
schrijft Martin Spörk over zijn bezoek aan de
Jardin Exotique d’Èze, gelegen aan de Rivièra.
Thomas Brand kwam op La Gomera de
parasiet Cuscuta planiflora tegen, profiterend
van een aeonium. Een door Pierre Braun
in 2024 ontdekte discocactus wordt door
Zenilton de Miranda, Thanh Van Nguyen
en Arne Seringer beschreven: Discocactus
braunii. Deze disco is klein blijvend en vormt
al een cefalium vanaf 4 cm doorsnee. In haar
nabijheid groeit ook D. cephaliaciculosus,
maar hybriden werden niet aangetroffen.
Tim Oettel is op Lanzarote op zoek gegaan
naar Apteranthes burchardii. De zoektocht
naar deze stapelia-achtige verliep succesvol
en bovendien kon de fraaie bloem
gefotografeerd worden. Gymnocalycium
meregallii (door Ludwig Bercht beschreven)
en Neowerdermanniana vorwerkii geven
acte de présence in de Karteikarten. De
graslelie, een bekende kamerplant, vertoont
succulentie, aldus Matthias en Raúl Kist.
Deze Chlorophytum comosum heeft verdikte
wortels die als wateropslagplaats dienen.
Daniel Beck laat zien hoe hij uit een op het
oog hopeloos geval, een verrotte ariocarpus,
toch nakomelingen wist te verwekken.
Die tuberkels die nog niet aangetast
leken, werden ontsmet en geënt op jonge
Ferocactus glaucescens. Na een jaar werd er
in zo’n geënte tuberkel een wig gesneden,
waarna de tuberkel vanuit de wig begon te
spruiten. Becks methode is zeer effectief
voor het vermeerderen van ariocarpussen
vanuit tuberkels. Patrick Stempfle geeft
cultuurtips voor het kweken van Beiselia
mexicana, een tot de familie Burseraceae
behorende succulent.
Matthias Kist en Christine Heymann
bespreken in Kakteen und andere
Sukkulenten (76-7) verschillende manieren
waarop de bestuiving bij succulenten
plaatsvindt. Er zijn succulenten met
tweeslachtige bloemen (bijna alle cactussen),
met tweehuizige bloemen (mannelijke
en vrouwelijke planten), met eenhuizige
bloemen (mannelijke en vrouwelijke
bloemen aan één plant), en daarnaast
allerlei tussenvormen. Thomas Brand wijdt
een pagina aan de schaduwminnende
Monanthes pallens. Oldrich Choupek
bespreekt een aantal astrofytums in zijn
collectie. Deze cactussen zijn uit zaad
opgekweekt en inmiddels dertig jaar oud.
In de Karteikarten ontmoeten we Curio
herreanus en Curio rowleyanus. Tijdens
een reis door het westen van de VS kwam
Hans Joachim Schlechter toevallig bij Poot’s
Cactus Nursery in Ripon (California) langs.
Het bezoek aan deze al meer dan 30 jaar
bestaande kwekerij vond Schlechter zeer de
moeite waard. Bihrmann filosofeert over het
water geven bij het kweken van succulenten.
De grote bladsnijder, een bij met de Latijnse
naam Megachile willughbiella, kun je soms
in de kas tegenkomen, aldus Hubert Müller.
Deze vriendelijke bij maakt een gangetje
waarin hij de in een blad gewikkelde eieren
deponeert. De succulenten ondervinden
hiervan geen hinder.
Lother Diers presenteert in Kakteen
und andere Sukkulenten (76-8) de nieuwe
Sulcorebutia scheckii. Deze soort ging tot
nu toe als nomen nudum door het leven,
maar inmiddels is de plant in de natuur
gevonden. De nieuwe soort zou verwant
kunnen zijn aan S. torotorensis. Tevens wordt
de var. duovirorum beschreven die in het
midden van het groeigebied van S. scheckii
te vinden is, maar daar toch van verschilt.
Het echtpaar Spörk maakt een vergelijking
tussen de cultuuromstandigheden in
Midden-Europa en de omstandigheden in
habitat aan de hand van weerstatistieken
van hun woonplaats en van Loreto (Baja
California) en Taltal (Chili). De conclusie is
dat het verschil tussen habitat en cultuur
42 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
zeer groot is en dat het bijna ondoenlijk is
om het klimaat van de habitat te kopiëren.
In de Karteikarten hebben Thelocactus
buekii en Tephrocactus articulatus een
plekje veroverd. Matthias Kist en Christine
Heymann nemen een kijkje achter de
schermen van de rubriek ‘Empfehlenswerte
Kakteen und andere Sukkulenten’. In woord
en beeld wordt duidelijk gemaakt dat er
heel wat meer bij komt kijken dan eventjes
een plaatje schieten. De botanische tuin van
Berlijn is door Philipp Heidel-Weizel bezocht.
Op het terrein van 43 ha is werkelijk van
alles te vinden. Thomas Brand schrijft over
het geslacht Monanthes, dat voornamelijk
op de Canarische Eilanden te vinden is. Hij
focust hierbij op Monanthes laxiflora.
De Mojave Desert Land Trust is een
organisatie die als doel heeft om het
landschap van de Mojave-woestijn in
stand te houden. Ann Hopkinson schrijft in
Cactus and Succulent Journal (97-1) over
de initiatieven die daartoe ondernomen
zijn. Door Stefan Campbell wordt een
nieuwe eriosyce geïntroduceerd, namelijk
Eriosyce tuberculosa. Deze geofyt, i.e. deels
ondergronds levend, heeft duidelijke ribben
en tuberkels. Een vergelijking wordt gemaakt
met E. fankhauseri, E. tenebrica en E. riparia.
Daniel Houston en Joseph Stead hebben
Operculicarya decaryi als onderwerp van
hun bijdrage. Zij bemerkten dat er bij het
zaaien van deze soort regelmatig tweelingen
ontstonden, i.e. uit één zaadje ontstonden
twee zij aan zij groeiende planten. Hetzelfde
gebeurde af en toe bij O. hyphaenoides.
Het verrassende was dat de ene helft van
de tweeling steeds een mannetje was en
de andere helft een vrouwtje. De auteurs
komen met diverse hypotheses voor
dit tweelinggedrag. Echo Pang heeft in
oktober 2024 het gebied van de Big Bend
bezocht met een groep natuurliefhebbers.
Haar bijdrage focust vooral op Ariocarpus
fissuratus die in oktober haar bloemen toont.
Marc Nevsky is een uitstekende illustrator
van cactussen. Hij toont hoe hij handmatig
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
tekeningen van cactussen maakt in een zo
natuurlijk mogelijk ogende omgeving. Het
resultaat is het aanzien meer dan waard.
Marco Cristini heeft op La Gomera, een
van de Canarische eilanden, gespeurd naar
crassula-achtigen. Het resultaat van zijn
twee weken durende verblijf wordt op 30
pagina’s weergegeven. Daarin beschrijft hij
de voettochten die hij ondernam en geeft hij
aan welke planten hij onderweg tegenkwam.
Talrijke aeoniums worden vermeld
(naast bv. monanthessen), waaronder
Aeonium appendiculatum, A. saundersii en
A. gomerense. Het artikel eindigt met een
overzicht van welke planten in welk gebied
te vinden zijn. Ron Parker observeert in het
zuidwesten van de VS al meerdere jaren een
aantal populaties van agaven die een beetje
afwijken van de typevorm van de soort
waartoe ze gerekend worden. Hij speculeert
over de oorsprong van deze afwijkende
populaties. Mogelijk is er sprake geweest
van hybridisatie, die in de hand gewerkt kan
zijn door de oorspronkelijke bevolking.
Cactus and Succulent Journal (97-2)
wijdt een in memoriam aan Chuck Staples,
een bekende naam in de cactuswereld,
zeker in Amerika. Hij was de historicus
van de Amerikaanse vereniging en
schreef o.a. een boek over wie-is-wie in de
succulentenwereld. De Huntington Botanical
Gardens presenteren op ruim 20 pagina’s
hun jaarlijkse International Succulent
Introductions (ISI), een selectie van door
hen vermeerderde cactussen en vooral
vetplanten. Een van de ISI-planten betreft
Adenium socotranum. In een fascinerende
bijdrage laten Daniel Houston en Joseph
Stead de levensloop zien van de in 1997
door John Lavranos en Bruno Mies op
Socotra geoogste zaden. Joseph Stead is erin
geslaagd om uit deze zaden drie volwassen
adeniums op te kweken, waarbij één
exemplaar duidelijk sneller volwassen werd
dan de andere twee en al in 2017 bloeide. In
2023 bloeiden er twee exemplaren en toen
was het tijd voor een bestuivingsparty. Die
nogal tricky bestuiving werd gedaan met
behulp van een visdraad (de snorhaar van
een forse kat zou ook een mogelijkheid zijn)
43
en dat leidde uiteindelijk tot vruchtvorming,
zadenoogst en jonge plantjes die nu
voor het lieve prijsje van $ 50 per stuk te
koop zijn. Een nieuwe pterocactus wordt
voorgesteld door Roberto Kiesling en
Elisabeth en Norbert Sarnes. Er zijn intussen
twee locaties van deze Pterocactus fragilis
bekend, beide in de provincie Neuquén.
Toen deze planten 30 jaar geleden voor
het eerst gevonden waren werden ze
beschouwd als een noordelijke vorm van P.
hickenii. Ron Bockelman is vergeefs op zoek
geweest naar een botanische illustratie van
Pediocactus nigrispinus. Uiteindelijk is die
illustratie, in samenwerking met anderen,
gemaakt. Beiersdorfer, Lepson, Mouton en
Mouton voeren argumenten aan om hun
opvatting te staven dat Lithops summitatum
een valide taxon is en geen cultivar. Zij
beschouwen deze lithops als een ondersoort
van karasmontana, i.e. Lithops karasmontana
subsp. summitatum. Fred Dortort publiceert
deel 4 van een uitgebreid reisverslag door
Zuid-Afrika. Vanuit Springbok ging het
kriskras door Namakwaland. Talrijke foto’s
(meer dan zestig) van succulenten illustreren
het verslag, waarbij echter niet duidelijk is
welke routes gevolgd werden.
Zlatko Janeba neemt de lezers van Cactus
World (43-2) mee naar Baja California, waar
hij enkele locaties van de recent beschreven
Dudleya josedelgadilloi bezocht. Deze soort
werd voorheen als een niet bepoederde
D. brittonii gekwalificeerd. Nigel Taylor
focust in dit nummer op Micranthocereus.
Hij toont een aantal van de soorten die
hij thuis in Brazilië kweekt of die in zijn
woonomgeving voorkomen. Hoe je een
zeldzame agave vermeerdert wordt door
Tina Wardhaugh gedemonstreerd aan de
hand van een variëgate vorm van Agave
oteroi ‘Snaggle Tooth’: het bovengrondse
deel precies doormidden snijden. Na enige
tijd beginnen beide helften te spruiten en
na een jaar worden beide helften, met de
ontstane spruiten, volledig gescheiden en
apart opgepot. Nick Gash heeft een pad
gevolgd dat naar de top van Cerro Ayrampo
voerde (Zudáñez, Bolivia). Onderweg
kwam hij allerlei cactussen tegen en op de
top bereikte hij zijn doel, de aantrekkelijk
ogende Sulcorebutia rauschii. Colin Walker
bespreekt de vijf soorten uit het geslacht
Caputia, voorheen behorend tot het geslacht
Senecio. Het gaat om Caputia medley-woodii,
C. oribiensis, C. pyramidata, C. scaposa en
C. tomentosa. Exemplaren van Lapidaria
margaretae lijken door hun hoekige
vormen een beetje op beeldhouwwerken.
David Lambie kweekt deze soort en hij
schrijft erover. David Martill vraagt zich af
waarom er geen fossiele cactussen zijn.
Het enige hem bekende voorbeeld betreft
afvalhopen van gefossiliseerde bosratten
uit het Pleistoceen, waar opuntiazaden
of –schijven in aangetroffen zijn. De tekst
en foto’s van de rubriek ‘In my greenhouse’
zijn aangeleverd door Ian Robinson.
Hij heeft een zeer grote, gemengde
verzameling. Ian Woolnough focust op de
zuilcactussen die hij tijdens een reis door
Bolivia fotografeerde. Bill Greenaway is zo’n
twintig jaar geleden van Engeland naar de
Haute Provence in Frankrijk verhuisd. Bij
zijn huis werd een terrasvormige rotstuin
aangelegd, waarin allerlei cactussen
geplant werden. De cactussen doen het
goed in de Haute Provence, tenminste als
het soorten zijn die enige vorst kunnen
verdragen. Ziggy Searchfield toont haar
bloeiende Leuchtenbergia principis en geeft
info over het kweken van deze cactus.
Colin Walker schrijft over Crassula rupestris
subsp. marnieriana. Nigel Taylor heeft
twee exemplaren van Coleocephalocereus
purpureus, afkomstig van de enige bekende
locatie. Het ene exemplaar groeide harder
dan het andere exemplaar, maar dat
kleinere exemplaar produceerde wel veel
eerder een cefalium en bloemen. Craig
Nunn hanteert een wat ongebruikelijke
manier van het beoefenen van de hobby:
enkele cactussen worden tezamen in een
ruime schaal met steenachtig substraat
geplaatst. Er wordt dan nog wat verdroogd
gras in het substraat geplaatst, alsmede
44 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
stukjes boomstronk, om de natuurlijke
omgeving van de cactussen na te bootsen.
De favoriet van Zlatko Janeba in deze uitgave
is Matucana haynii. De gefotografeerde plant
is afkomstig van de locatie waar hij deze
wijdverbreide soort voor het eerst aantrof.
Vích bediscussieert Wigginsia corynoides
en W. erinacea. Zijn conclusie is dat W.
erinacea een synoniem is van W. corynoides.
Het onderwerp van Jan Hadrava betreft
populaties van Echinocereus dasyacanthus
in de VS. Libor Kunte bespreekt Kroenleinia
grusonii (voorheen Echinocactus).
Piante Grasse (45-1) opent met het eerste
deel van een uitgebreid tweetalig artikel
over morfologische karakteristieken van
soorten binnen het geslacht Echeveria.
De kenmerken van de afzonderlijke
plantenonderdelen worden door de
auteur, Yeonbin Jeong, toegelicht. De
vaak onderbelichte succulente geslachten
Sinningia en Pterodiscus worden door
Massimo Afferni in de schijnwerpers
geplaatst. Wat is de beste manier om
ariocarpussen te kweken? Op die vraag
tracht Marco Sisti een antwoord te geven.
Piante Grasse (45-2) heeft flink wat
ruimte beschikbaar gesteld voor het tweede
deel van het tweetalige artikel van Yeonbin
Jeong over morfologische kenmerken van
soorten binnen het geslacht Echeveria.
De eigenschappen van de series van dit
geslacht worden besproken. Paul Laney
focust op Albert Buining, die tussen 1966
en 1974 cactusreizen maakte naar Zuid-
Amerika. In het onderhavige eerste deel
komen de levens van Fraile en Buining aan
bod, waarna details van de reis van Buining
in 1966/1967 belicht worden. Daarbij gaat
het vooral over de frailea’s die gevonden
werden. Lucio Russo probeert iets van zijn
passie voor haworthia’s over te brengen.
Petr Antálek is in Kaktusy (2025-2) bezorgd
over de toekomst van cactuspopulaties
in de omgeving van Tula. Door landbouw
en stadsuitbreiding staan populaties van
Ariocarpus agavoides en A. kotschoubeyanus
onder druk. Rudolf Slaba schrijft over zijn
bezoek aan de vindplaats van de in 2023
beschreven Pyrrhocactus lichyi. Mário
Snopka behandelt de op Fuerteventura
voorkomende Caralluma burchardii. Jaroslav
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
Een paar jaar geleden werden twee nieuwe
mammillaria’s beschreven, namelijk
Mammillaria morentiniana en
M. monochrysacantha. Pedro González-
Zamora schrijft in Mammillaria (49-1)
over deze beide soorten, die in de serie
Stylothelae thuishoren. Klaus Rebmann
heeft de welbekende M. elongata als
onderwerp. De classificatiesystemen waar
deze soort in de loop der tijd bij ingedeeld
wordt, komen aan bod. Vervolgens worden
allerlei aspecten van DNA-onderzoek nader
verklaard en wordt de indeling van
M. elongata op grond van dat DNAonderzoek
bij verschillende onderzoekers
toegelicht. Othmar Appenzeller vraagt zich
af of iemand wel eens van M. ruesticina
gehoord heeft. Reppenhagen was van plan
om deze soort te beschrijven, maar zag daar
naderhand van af, en beschreef hem als
M. chiapensis, welke veelal als synoniem van
M. columbiana beschouwd wordt. Wolter ten
Hoeve levert commentaar op een eerdere
bijdrage van Holger Rudzinski over M.
geminispina / M. nivea. Hij beargumenteert
waarom Rudzinski volgens hem ten
onrechte concludeert dat de planten, die
wij onder de naam M. geminispina kennen,
eigenlijk M. nivea zouden moeten heten.
Thomas Linzen voert eveneens argumenten
aan om de theorie van Rudzinski te
ondergraven.
Mammillaria (49-2) bevat de
nieuwbeschrijving van Neolloydia suguriana,
welke in de Huasteca Cañon voorkomt.
Deze soort wordt met N. conoidea en enkele
andere neolloydia’s vergeleken, maar de
auteurs Rodrigo González en Thomas Linzen
achten een aparte status gerechtvaardigd.
45
Uwe Lehmann vond in Mexico een kleine,
haakdoornige mammillaria, die hij in eerste
instantie als M. painteri kwalificeerde.
Hij bezocht daarna de vindplaats van
M. painteri en concludeert dat zijn plant
daarvan verschilt, en ook anders is dan M.
pygmaea, die veelal als synoniem van M.
painteri beschouwd wordt. Holger Rudzinski
probeert op uitgebreide wijze aan te tonen
waarom de naam M. nivea toch de voorkeur
verdient boven de naam M. geminispina voor
de planten uit de Barranca de Metztitlán.
De onlangs beschreven M. julianae wordt
door Wolter ten Hoeve aan een kritische
beschouwing onderworpen. Omdat hij
soortgelijke planten op enkele andere
locaties aantrof, ziet hij M. julianae slechts
als een vorm van M. formosa, Wolfgang John
heeft vele jaren geleden twee planten met
de naam M. trohartii aangeschaft. Of dat
de echte trohartii is, is voor hem de vraag,
want bij iemand anders zag hij een trohartii
die er anders uitzag dan zijn planten. De
oorspronkelijke beschrijving is ook niet
verhelderend. De trohartiis van John zouden
qua uiterlijk als M. pseudoscrippsiana
beschouwd kunnen worden. Vanuit Múzquiz
in Noord-Mexico is Erhard Tiefenbacher
naar het noordwesten gereisd. De onderweg
gevonden cactussen worden door hem
genoemd en getoond.
Colofon
Tijdschrift Succulenta
www.succulenta.nl
E-mail: info@succulenta.nl
Auteursrecht
Gehele of gedeeltelijke overname van
artikelen is alleen toegestaan na verkregen
toestemming van de auteur/illustrator en
met een duidelijke bronvermelding.
Tenzij anders vermeld, zijn de foto’s
bij alle artikelen van de schrijver.
Redactiesecretariaat
Aat van Uijen
E-mail: redactie@succulenta.nl
Hoofdredacteur
Theo Heijnsdijk
E-mail: hoofdredacteur@succulenta.nl
Redactie
Rob Bregman
E-mail: r.bregman@contact.uva.nl
Wolter ten Hoeve
E-mail: tenho11@hetnet.nl
Henk Ruinaard
E-mail: redacteur3@succulenta.nl
Vormgeving
Aiko Talens
Druk
Senefelder Misset, Doetinchem
46 Succulenta jaargang 105 (1) 2026
Summary
Rob Bregman
Columnist Ben Wijffelaars looks back at the
cold and snowy period we experienced in
the first week of January. He is a bit worried
about his plants, as well as the electricity bill.
In his series on the ‘Verkade’ handbooks
from the 1930s, Theo Heijnsdijk deals with
Echeveria setosa. This Crassulacean species
was discovered and first described in 1910
by the German botanist Carl Albert Purpus.
Strangely enough, the exact type location
in Mexico is still unknown. E. setosa is a very
variable species, so many varieties have
been described, with var. deminuta being
most common in collections. The genus
Echeveria was named after the Mexican
botanical designer Atanasio Echeverria
(spelled with double r). At present, this
genus consists of 138 species. For more
than a century hybrids between different
Echeveria species have been created by
many growers and hobbyists.
In part 143 of his ongoing series called
‘In the spotlight’, Bertus Spee discusses Aloe
cipolinicola, Crassula hemisphaerica, Echeveria
dactylifera and Ortegocactus macdougallii.
Aat van Uijen presents part two of his
series on epiphytic cacti. This time Rhipsalis
campos-portoana is the subject, a species
from the coastal woods of Brazil, with
cylindrical stem segments, campanulate
flowers and, quite remarkably, orange fruits.
In our series about the frost tolerance of
succulents, Aiko Talens is the next author
to outline his method of getting his plants
through the winter period. He has a large
collection of cacti and other succulents. In
winter, most of his many African succulents
are stored indoors, whereas he leaves his
cacti in an unheated greenhouse. He takes
into consideration which plants he chooses
to cultivate under these circumstances.
Herman Vertongen tells us about his
2006 search for Trichocereus randallii in
Bolivia. This species was discovered in
the early sixties by Friedrich Ritter, who
provisionally named the plant Soehrensia
spec. nov. However, it turned out later that
Succulenta jaargang 105 (1) 2026
it had already been described by Martin
Cardenas as Trichocereus randallii.
By showing my two 53 years old
Coryphantha radians specimens, I like
to invite and encourage all Succulenta
members to tell something about their very
first self-sown succulent plant which is still
alive. A remarkable phenomenon is the
movement of the filaments toward the style
after touching, thus closing the floral tube
for any animal looking for nectar. This is
called thigmonasty.
Paul Theunis reacts to a previous article
about cacti in Europe (mostly in the Canary
Islands). In its natural habitat (Argentina),
Tephrocactus articulatus occurs in a hotter
climate than that of Tenerife. Paul also
comments on a recent article by Andre van
Zuijlen: Gymnocalycium pflanzii should be
G. delaetii, and Echinopsis terscheckii does
indeed occur in Salta, Argentina.
Wolter ten Hoeve gives abstracts of the
most interesting articles published in foreign
journals on succulent plants.
Finally, Tom Twijnstra advocates
Anacampseros as a genus of attractive and
virtually indestructible little succulent plants,
spreading their seeds all over the place.
r.bregman@contact.uva.nl
47
Anacampseros rufescens ‘Sunrise’
Ben Wijffelaars
Winterdip . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2
Theo Heijnsdijk
Echeveria setosa . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3
Bertus Spee
Voor het voetlicht (143) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
Aat van Uijen
Galerie epiphyte (2): Rhipsalis campos-portoana. . .16
Aiko Talens
Koudebestendige succulenten (11) . . . . . . . . . . . 19
Dr. Herman Vertongen
Trichocereus randallii Cárdenas . . . . . . . . . . . . . . 29
Rob Bregman
Goud voor oud (1): Coryphantha radians . . . . . . 34
Paul Theunis
Lezers schrijven: Tephrocactus articulatus . . . . . 37
Andre van Zuijlen
Correctie (2) ‘Een speciaal plekje (19)’ . . . . . . . . . 39
Wolter ten Hoeve
Succulentennieuwtjes. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
Rob Bregman
Summary . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
Tom Twijnstra
Rouwdouwer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48
Op de voorpagina: E. setosa en een pinguicula in
Oaxaca (Mexico).
Foto: Bertus Spee
Inlichtingen over het lidmaatschap en ontvangst
van nummers en adreswijzigingen aan:
Inquiries about membership and receipt of issues
and address changes to:
Janet Maessen
Sevenumseweg 7
5993 NZ Maasbree
E-mail: ledenadministratie@succulenta.nl
Rouwdouwer
Tom Twijnstra
Ben je op zoek naar een leuk,
onverwoestbaar plantje voor
je verzameling? Dan zeg ik:
anacampseros. Ik heb er
verschillende van staan in mijn kas,
waaronder enkele opgekweekt uit
zaad dat jaren geleden in Zuid-Afrika
verzameld werd door Ludwig Bercht.
Door her en der zaden te lozen,
weten deze plantjes zich bij mij goed
te handhaven. Meerdere potjes en
bakjes worden gekoloniseerd door
zaailingen van deze rouwdouwer.
Op grotere schaal is dat ‘m ook
goed gelukt: behalve in Zuid-Afrika
vinden we dit plantje (ongeveer
vijftig erkende soorten) ook in
Ethiopië, Mexico, Argentinië en zelfs
in Australië. Behalve dat deze
planten bijzonder viriel zijn, zijn ze
ook nog ijzersterk. Ik heb nog nooit
ongedierte of ziektes waargenomen.
Anacampseros rufescens ‘Sunrise’
is een cultivar waarbij de kleuren
van de rozetten bij veel zonlicht
spectaculair veranderen: ze krijgen
tinten van roze, rood, paars,
geelgroen. Nog een bonus!
tomtwijnstra@hotmail.com
48 Succulenta jaargang 105 (1) 2026