22.01.2026 Views

Redeboekje-Practoraat-Passend-Onderwijzen

  • No tags were found...

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

Practorale rede

GROEIEN IN

HET GROEN

Aansluiten bij leer- en onderwijsbehoeften

van mbo-studenten als sterke onderwijsbasis

Ditte Lockhorst


Colofon

Groeien in het groen.

Aansluiten bij leer- en onderwijsbehoeften van mbo-studenten

als sterke onderwijsbasis.

Practorale rede in verkorte vorm uitgesproken op 22 januari 2026.

Dr. Ditte Lockhorst

ROC Midden Nederland

Practoraat Passend Onderwijzen in het mbo

www.rocmn.nl/mbo/practoraat-passend-onderwijzen-in-het-mbo

Afbeeldingen planten: Unsplash, licentievrij

Afbeelding 1: Koen Hermsen Photography

Afbeelding 2: Ditte Lockhorst

Vormgeving: DAVID

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar

gemaakt worden zonder bronvermelding en voorafgaande

toestemming van de auteur.

2 3



Voorwoord

Groen is mijn lievelingskleur. Het staat voor

natuur, leven, ontwikkeling en vernieuwing.

Deze rede gaat over groeien in het groen.

Het gaat over groeien van studenten, docenten

en ander onderwijspersoneel, groeien van het

onderzoekend vermogen binnen ROC Midden

Nederland en het groeien van het practoraat.

En het gaat over leren en handelen van docenten

in aansluiting op de leer- en onderwijsbehoeften

van onze studenten in de zogenaamde groene

laag, waarover later meer. Ik neem jullie mee in

het ontstaan, de focus en doelstelling van het

practoraat en ik ga in op wat het practoraat de

komende jaren gaat doen en hoe we daarin te

werk zullen gaan.

Groeien in onderwijs gaat niet vanzelf. Daar heb je

de omgeving bij nodig. Dat heb ik ook zelf ervaren.

Ik kom uit een echt onderwijsnest. Mijn vader

was natuurkundeleraar en later lerarenopleider,

mijn moeder gaf lichamelijke opvoeding.

We zijn Montessoriaans opgevoed - mijn ouders

werkten op het Haags Montessori Lyceum en

mijn zussen en ik kregen vanaf de kleuterklas

montessorionderwijs. Als kind fietste ik trots rond

met stickers op mijn fiets: ‘Help mij het zelf te

doen.’ Die uitspraak vat het montessorionderwijs

perfect samen. Leraren bieden een omgeving

waarin kinderen zelfstandig en in hun eigen tempo

kunnen leren, passend bij hun onderwijsbehoefte.

Zo ben ik niet vergeten dat ik als kleuter het

deelbord mocht halen in groep 3-4. Ik was

eraan toe, wilde het zelf heel graag en het

vervulde mij met trots daar als kleuter in groep

3 te mogen werken. Binnen kaders en begeleid

door de leerkracht bepaalde ik tijdens mijn

onderwijscarrière zelf met welk lesmateriaal ik

aan het werk ging, op mijn eigen niveau en tempo.

Zo ging het op school - en zo ging het bij ons thuis.

Mijn schooltijd heb ik altijd heerlijk gevonden:

ik mocht er zijn, kreeg de zelfstandigheid die

ik aankon en hierdoor de motivatie om te leren

en ontwikkelen.

Groeien is ook (her)ontdekken wat je wil. Ik ben

begonnen als docent digitale didactiek op de

lerarenopleiding van de Universiteit Utrecht.

Docentschap bleek niet iets wat bij me past;

er zat helemaal geen docent in mij. Maar ik was

wel nieuwsgierig naar hoe je docenten kan helpen

in hun professie. Zo ben ik van onderwijs naar

onderzoek overgestapt. Ik groeide in onderzoek,

totdat ik merkte dat wetenschappelijk onderzoek

mij niet helemaal past en ben ik doorgegroeid

naar praktijkgericht onderzoeker. Groeien stopt

volgens mij nooit. Momenteel groei ik in het

verbinden van praktijk, (wetenschappelijke)

kennis en kunst.

Groeien is ook laten groeien. Ik hou ervan om,

samen met anderen, zaadjes te planten, de

grond daarvoor eerst nog wat te bewerken als

het nodig is, groei te stimuleren en ondersteunen

om uiteindelijk dingen tot bloei te laten komen.

Uitdagingen laten mij zelf leren en ontwikkelen,

nieuwsgierigheid en een beetje bluf zijn daarbij

wel nodig: “Ik heb het nog nooit gedaan, dus

ik denk wel dat ik het kan” (quote onterecht

toegewezen aan Pipi Langkous).

In het practoraat komen mijn opvoeding,

onderwijscarrière, mijn interesse voor nieuwe

uitdagingen en mijn wens om praktijkgericht

onderzoek te doen samen.

4

5



Vruchtbare bodem

Passend onderwijzen is bedoeld om de studenten

zo optimaal mogelijk te ondersteunen in hun

groei als professional en verantwoordelijk

burger. Maar wie is dan die student? Het mbo,

ROC Midden Nederland (ROC MN), is rijk aan

studenten. Wat een diversiteit! In leeftijd,

etniciteit, religie, culturele achtergronden,

opleidingsniveau, in persoonlijkheidskenmerken,

karaktereigenschappen, persoonlijk welzijn,

motivatie en interesses, in taalniveau, eerdere

leerervaringen of beroepspraktijkvorming én dus

in leer- en onderwijsbehoeften. In het practoraat

spelen die leer- en onderwijsbehoeften van onze

studenten een cruciale rol.

Studenten aan het woord

“Ik heb meer structuur nodig,

en vind het fijn als de docent

mij op weg helpt.”

“Geef mij maar opdrachten die

meer moeite kosten of uitdagend

zijn. Die geven mij het gevoel dat

ik echt iets leer.”

In de groei die de studenten hier op het roc

doormaken, hebben docenten een belangrijke

taak. Zij zorgen voor vruchtbare grond, die ze

bewateren en bemesten, van zon voorzien en

van schone lucht. Zij zorgen voor de overdracht

van kennis en vaardigheden in een veilige en

inclusieve leeromgeving, helpen bij het leerproces,

bieden begeleiding, tonen betrokkenheid,

stimuleren en motiveren leerlingen om hun

talenten te ontwikkelen.

Kortom, met hun pedagogische en didactische

opdracht zorgen zij voor de voeding die de groei

van onze studenten mogelijk maakt en stimuleert.

Onderwijzen is geen gemakkelijke taak, zeker niet

in een omgeving waarin de diversiteit zo groot

is. Docenten moeten zelf ook gevoed worden,

zodat zij zich blijvend kunnen ontwikkelen.

Het practoraat Passend Onderwijzen in het

mbo helpt daarbij.

“Mijn tip: kijk niet alleen hoe je

kan helpen als iemand het moeilijk

heeft met leren, maar ook: hoe kan

je iemand juist uitdagen?”

“Het is fijn om met een

medestudent te leren, omdat

die het soms op een andere

manier doet. Dat helpt mij weer.”

“Als ik de lesstof kan uitleggen

aan een ander, dan begrijp ik

het zelf goed.”

6

Practorale rede Groeien in het groen

7



Aanleiding: Strategie van

ROC Midden Nederland

Voor de aanleiding van dit practoraat moet ik u

het een en ander vertellen over de strategie van

ROC MN. Begin 2023 heeft ROC MN haar nieuwe

koers vastgesteld: De makers van de samenleving.

Deze strategie loopt tot 2027 en rust op drie pijlers:

de student centraal, midden in de samenleving

en een wendbare organisatie. Acht ambities

ondersteunen deze pijlers, waaronder ‘iedereen is

welkom’ en ‘iedere student succesvol’ (zie figuur 1).

Passend onderwijzen vormt het hart van onze

strategie. Het draait om pedagogisch-didactisch

vakmanschap en sluit aan bij de drievoudige

mbo-opdracht: kwalificatie, doorstroom en

burgerschap. Vanuit onze visie op passend

onderwijzen willen we dat ROC MN-docenten

zo optimaal mogelijk aansluiten bij de leer- en

onderwijsbehoeften van studenten, zodat

80% van onze studenten succesvol is zonder

extra ondersteuning. We werken met een

preventiepiramide (zie figuur 2). Het betreft

een drie-lagen model met een focus op

preventief handelen:

• Groen: Sterke onderwijsbasis afgestemd

op de leer- en onderwijsbehoeften van alle

studenten.

• Oranje: Doelgerichte extra ondersteuning

in kleine groepen studenten die meer

begeleiding en ondersteuning nodig hebben.

• Rood: Intensieve individuele begeleiding en

ondersteuning bij complexe problematiek.

De omslag van zorg- naar begeleidingsstructuur

die de afgelopen jaren heeft plaatsgevonden,

heeft geleid tot de oprichting van supportteams:

multidisciplinaire teams die docenten en

studenten ondersteunen. De onderwijsteams

zijn verantwoordelijk voor de uitvoer van de

basisaanpak, het groen. U begrijpt nu waarom de

titel van de rede ‘Groeien in het groen’ is. Experts

passend onderwijzen binnen de supportteams

helpen docenten met handelingssuggesties voor

de lespraktijk in het groen.

Passend onderwijzen steunt op zeven

uitgangspunten:

1. Ik ken mijn studenten

2. Ik volg hoe mijn studenten zich ontwikkelen

3. Ik onderzoek wat mijn studenten nodig hebben

4. Ik houd rekening met verschillen tussen mijn

studenten

5. Ik ga uit van de onderwijsbehoeften van mijn

studenten

6. Ik heb de randvoorwaarden op orde

7. Ik zorg ervoor dat mijn studenten kunnen leren

in een positief leerklimaat

De afgelopen jaren is intensief ingezet op het

vormgeven van een sterke ondersteuningsstructuur.

Elk college heeft minimaal één supportteam;

de structuur staat, nu is het zaak om passend

onderwijzen in de lespraktijk verder te ontwikkelen.

Figuur 1. Strategie ROC Midden Nederland

ROC MN biedt elke student een passende leerroute

richting beroep of vervolgopleiding. Daarbij

stimuleren we studenten om zich te ontwikkelen

tot vitale, ondernemende en verantwoordelijke

burgers. We creëren een positief leerklimaat

waarin verschillen gewaardeerd worden en onze

studenten hun talenten kunnen ontwikkelen in

relatie tot de wereld om hen heen.

Figuur 2. De preventiepiramide

Evaluaties door Stichting Kwaliteitsnetwerk

mbo en de werkgroep Passend Onderwijzen -

Passend Ondersteunen tonen aan dat er al

veel is bereikt: studenten zijn sneller in beeld,

groepsinterventies zijn beschikbaar en er is meer

betrokkenheid. Toch blijkt het lastig om de groene

laag volledig te realiseren. Docenten ervaren

handelingsverlegenheid: hoe herken je behoeften

en hoe speel je daarop in?

Het practoraat Passend Onderwijzen in het mbo

heeft een ondersteunende taak in de uitvoer

van de strategie van ROC MN rond passend

onderwijzen in de groene laag.

8

9



studentkenmerken en de lescontext elkaar

stellen meer vragen, tonen meer zelfvertrouwen en

1. Wat is passend onderwijzen

beïnvloeden. Zo kunnen we onderwijspraktijken verantwoordelijkheid. Als de student meer eigenaar

Definiëring

Ik begin even met te zeggen: wat is het niet.

Toen ik begon als practor van het practoraat

Passend Onderwijzen in het mbo, ontstond er al

snel verwarring in gesprekken met collega’s in

het land over het thema. Passend onderwijzen

is geen gangbare term in onderwijskundig

Nederland en werd daardoor al snel verward

met passend onderwijs. Passend onderwijs is de

wettelijke bepaling die regelt dat elke leerling,

ook met extra ondersteuningsbehoeften, een

passende plek krijgt op school door middel

van zorgplicht van scholen en regionale

samenwerkingsverbanden (wet passend

onderwijs, 2014).

Maar wat is het wel? Bij ROC Midden

Nederland betekent passend onderwijzen

dat onderwijsteams hun pedagogische

en didactische aanpak afstemmen op de

onderwijsbehoeften van studenten, zodat

zij succesvol kunnen zijn zonder extra

ondersteuning. Passend onderwijzen gaat

over docenten, het handelen van de docent;

in tegenstelling tot passend onderwijs waar

de student centraal staat.

In het practoraat hanteren we de volgende

definitie van passend onderwijzen:

Passend onderwijzen is het beoogd

en doelbewust pedagogisch-didactisch

handelen van docenten afgestemd

op de leer- en onderwijsbehoeften

van studenten in een pro-sociaal

leerklimaat en in de context van de

beroepsvoorbereiding met het oog

op optimaal studiesucces.

Ik ga met u onze definitie afpellen.

Beoogd en doelbewust

afstemmen

Uit evaluaties komt dat passend onderwijzen

vaak reactief wordt ingevuld. In de klas blijkt dat

het met een of meer studenten niet goed loopt

en dan wordt gekeken wat deze studenten nodig

hebben. Maar passend onderwijzen moet wat

mij betreft gaan om het voorkomen van deze

situaties. We willen ons onderwijs zo vormgeven

dat tenminste 80% van onze studenten geen

extra ondersteuning nodig heeft. Passend

onderwijzen is proactief, met andere woorden

het is het beoogd (verwijzend naar het te bereiken

doel) en doelbewust (gericht) afstemmen in de

klas van het pedagogisch-didactisch handelen

op verschillen tussen studenten. Dit kan door

het op verschillende manieren toepassen van

differentiatie 1,2,3 .

Differentiatie betekent volgens het Van Dale

Groot woordenboek van de Nederlandse taal

letterlijk: opdelen of splitsen van een oorspronkelijk

homogeen geheel in delen met een eigen

karakter of samenstelling. In het onderwijs doet

de docent dit door de instructie aan te passen op

de individuele behoeften van studenten. Reezigt 4

omschrijft differentiatie als het doelgericht

variëren in instructie, leertijd of leerstof binnen een

groep, om zo het leerrendement te maximaliseren.

Maar differentiatie is breder dan alleen het

aanpassen van instructie op niveauverschillen

tussen studenten. Het omvat ook het aanpassen

van groepsindeling, tempo en leerdoelen aan

persoonlijke verschillen, zoals interesse, kenmerken

en context. Binnen het practoraat benadrukken

we het belang van afstemming op de specifieke

klascontext, de kenmerken van studenten en

de interactie tussen docent en studenten.

We sluiten aan bij het pleidooi van Opdenakker 5

voor meer onderzoek naar hoe docentgedrag,

passender ontwikkelen en beter laten aansluiten

bij de behoeften van verschillende studentgroepen.

De kern is steeds: “de match tussen de behoeften

van studenten en de aanpassing is cruciaal voor

de daadwerkelijke kwaliteit van de aanpassing” 6 .

Het vinden van die ‘match’ gebeurt in vier fasen:

voorbereiden van een lesperiode, voorbereiden van

de les, uitvoeren van de les, en het evalueren van

de les na afloop 7 . Deze fasen zijn onlosmakelijk met

elkaar verbonden en in elk van deze fasen gelden

vijf onderliggende principes voor differentiëren:

werk doelgericht, monitor voortdurend, daag uit,

stem instructie(s) en verwerking af, en stimuleer

zelfregulatie.

Zelfregulatie vraagt om extra aandacht.

Differentiatie stimuleert zelfregulatie, en andersom:

studenten hebben zelfregulatie nodig om

effectief te kunnen profiteren van differentiatie.

Zelfregulatie omvat zowel het sturen van het

eigen leerproces als het reguleren van het eigen

leerproces. Studenten moeten deze vaardigheden

ontwikkelen, waarbij de docent geleidelijk de

regie overdraagt 8 . Jolles 9 benadrukt dat deze

vaardigheden bij mbo-studenten vaak nog niet

vanzelf aanwezig zijn. Docenten moeten studenten

zelfregulatie leren.

Met differentiatie in het mbo wordt:

• recht gedaan aan niveauverschillen van

studenten;

• recht gedaan aan opgedane praktijkervaring;

• aangesloten op specifieke vervolgopleidingen

en beroepsopleidingen;

• de interesse en motivatie van studenten

vergroot.

In maart 2021 voerde de Onderwijsinspectie een

verkennend thema-onderzoek uit naar kansen en

aandachtspunten bij differentiëren in het mbo.

In dit onderzoek stellen docenten en studenten

dat door differentiatie studenten meer betrokken

en gemotiveerder zijn: ze komen sneller in actie,

van zijn eigen leerproces wordt, zorgt dat voor

een hogere intrinsieke motivatie om te leren 10 . Er

is over het algemeen nog weinig onderzoek naar

effectieve pedagogisch-didactische aanpakken

in het mbo 11,12,13,14 . De bestaande studies richten zich

vooral op cognitieve verschillen 15,16 . Een uitzondering

daarop is het onderzoek van Conijn en collega’s 17

waarin naast examenresultaten, ook is gekeken

naar zelfregulatie en motivatie.

Studiesucces

Motivatie voor leren is sterk verbonden met

studiesucces. Veel motivatietheorieën vinden

hun basis in de zelfdeterminatietheorie van Ryan

en Deci 18,19 . Volgens hun theorie heeft ieder mens

drie basisbehoeften om goed te functioneren:

de behoefte aan een gevoel van autonomie,

betrokkenheid en competentie (ABC). Onze

onderwijsstrategie is gebaseerd op deze theorie.

Docentgedrag beïnvloedt het motivatiegedrag

van studenten. Opdenakker 20 onderzocht

verschillende modellen van effectief docentgedrag

en constateerde dat de definities daarvan

uiteenlopen. Toch keert een aantal elementen

steeds terug die samen te vatten is in drie cruciale

factoren die bijdragen aan het vervullen van ABC:

• Structuur biedt een duidelijke leeromgeving

met afgestemde instructie, uitdaging en

feedback, en ondersteunt vooral het gevoel

van competentie.

• Autonomie-ondersteuning stimuleert

studenten om eigenaarschap te nemen over

hun leerproces. Ze voelen zich daardoor niet

alleen autonomer, maar ook meer betrokken

en competenter - mits de structuur goed

is ingericht.

• Docentbetrokkenheid is essentieel voor het

gevoel van verbondenheid. Het gaat om

emotionele steun en interpersoonlijke relaties

waarin studenten zich ondersteund, gezien

en gerespecteerd voelen.

10 Practorale rede Groeien in het groen

11



Leer- en onderwijsbehoeften

Er wordt mij vaak gevraagd waarom ik het

onderscheid maak tussen leer- en onderwijsbehoeften

van studenten. In de literatuur worden

beide vaak door elkaar gebruikt met verschillende

betekenissen. Dit leidt tot spraakverwarring. Binnen

het practoraat betreffen leerbehoeften datgene

wat studenten nodig hebben voor hun groei en

ontwikkeling tot beginnend beroepsoefenaar.

Met andere woorden: wat ze willen leren. Onderwijsbehoeften

gaat over de manier waarop studenten

de lesstof of onderwijs aangereikt willen krijgen;

hoe docenten studenten kunnen helpen de

lesstof eigen te maken. Met andere woorden:

hoe studenten willen leren.

Om onderwijs effectief af te stemmen op deze

behoeften, is het nodig om leeractiviteiten van

studenten systematisch te verzamelen, interpreteren

en gebruiken voor vervolgstappen - dit noemen we

formatief handelen. Daarbij is het belangrijk dat

docenten niet alleen zicht krijgen op wat en hoe

studenten willen leren, maar dit doen in relatie met

studentkenmerken. Denk aan prestaties, motivatie,

interesses, taalniveau, eerdere leerervaringen,

opleidingsrichting en persoonlijk welbevinden.

Zo kunnen zij passend lesmateriaal selecteren

of ontwikkelen en hun instructie afstemmen.

We kunnen gegevens over studenten verzamelen

via formatieve toetsen, quizresultaten, observaties

of gesprekken. Op basis van deze informatie

kunnen docenten groepen indelen op basis van

leerbehoeften of juist kiezen voor individuele

benadering 21 . Het ‘kennen’ van de student is

geen eenmalige activiteit maar vraagt om

voortdurende monitoring.

Pro-sociaal leerklimaat

Onderzoekers richten zich vaak op algemene

en cognitieve verschillen wanneer ze onderwijsen

leerbehoeften bestuderen. Daarbij laten

ze aspecten als welbevinden en veiligheid

onderbelicht in onderzoek naar docentgedrag,

motivatie en studiesucces. Toch is welbevinden

een essentiële voorwaarde om te kunnen en

willen leren.

Een veilig en inclusief klasklimaat vergroot

het zelfvertrouwen en de weerbaarheid van

studenten, en verkleint de kans op angst, stress

en depressie 22 . Sinds 2017 is het geestelijk

welzijn van jongeren aanzienlijk verslechterd:

het aantal jongeren met mentale problemen

is bijna verdubbeld, vooral onder meisjes.

Jongeren in het mbo, speciaal onderwijs, met

een lagere sociaaleconomische achtergrond,

migratieachtergrond of uit de LGBTIQA+gemeenschap

rapporteren structureel meer

mentale klachten en minder positieve sociale

relaties 23 . Gebrek aan positieve relaties in de

adolescentie voorspelt latere depressie en angst 24

en hangt samen met lagere schoolprestaties en

loopbaanuitkomsten 25 .

In het practoraat kijken wij naar welbevinden en

veiligheid vanuit de bril van sense of belonging.

Dit betekent dat studenten zich ondersteund,

gerespecteerd, gewaardeerd en onderdeel

van een onderwijsomgeving voelen. Studenten

die dit voelen zijn succesvoller, ervaren minder

stress, hebben meer zelfvertrouwen, hebben een

positieve houding ten aanzien van leren en zijn

gemotiveerder en meer betrokken 26,27 . Studenten

zonder verbondenheid vallen vaker uit. Hoewel

algemeen erkend wordt dat erbij horen een

fundamentele menselijke behoefte is, bestaat er

nog veel discussie over hoe dit gevoel versterkt

kan worden 28 .

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat onze studenten

sense of belonging ervaren binnen onze

muren? Docenten ervaren over het algemeen

handelingsverlegenheid bij het lesgeven

aan multi-diverse klassen. Zij vragen steeds

nadrukkelijker om praktische handvatten en

richten die oproep ook aan kennisinstituten 29,30 .

12

Practorale rede Groeien in het groen

13



Het belang van

beroepscontext

Dit practoraat richt zich op de mbo-context,

wat betekent dit voor passend onderwijzen?

Er is geen onderwijssector waar de diversiteit

onder studenten zo groot is: verschillen in

vooropleiding, leeftijd, sociaaleconomische

achtergrond, basisvaardigheden, welbevinden

en loopbaanambities. Deze diversiteit wordt

versterkt door het brede aanbod aan mboopleidingen.

Dit versterkt het belang van

praktijkkennis over passend onderwijzen

in de beroepsvoorbereidende context van

het mbo des te meer. Te meer omdat er

nog weinig onderzoek is gedaan naar het

afstemmen op studenten en het effect

hiervan op de leerprestaties van de

studenten in het mbo 31 .

In vergelijking met hbo-studenten komen

mbo-studenten met name uit gezinnen met

een lagere sociaaleconomische status (SES)

en is de ouderbetrokkenheid bij het onderwijs

duidelijk beperkter. Ook zijn mbo-studenten

minder in staat tot probleemoplossend denken

en zijn zij praktischer ingesteld 32 . Ze leren

het liefst vanuit de praktijk en maken hun

opleidingskeuze op basis van persoonlijkheid en

arbeidsmarktkansen. Mbo-studenten hebben een

sterke relatie met het beroep, de arbeidsmarkt

en beroepsvoorbereiding. In 2009 gaven mbostudenten

aan waarde te hechten aan zekerheid,

status, sociale contacten en passie voor hun

vak. Ze hadden toen het gevoel dat externe

omstandigheden - meer dan hun persoon -

bepaalde hoe hun carrière zou verlopen 33 . Of dat

nog steeds zo is, zou onderzocht moeten worden.

Maar in brede zin kunnen we wel zeggen dat het

gedane onderzoek wijst op het belang van de

beroepscontext en de voorbereiding hierop in

het vormgeven van passend onderwijzen.

Ondertussen is de arbeidsmarkt altijd in

verandering. De huidige arbeidsmarkt, met

grote personeelstekorten, trekt studenten

vroegtijdig de praktijk in. Dit roept vragen op:

Hoe stemmen we het onderwijs af op hun

talenten en deze omstandigheden? Hoe

behouden we aandacht voor opleiding

en ontwikkeling? Wat betekent dit voor

hun beroepsidentiteit, loopbaanoriëntatie

en leer- en onderwijsbehoeften?

Onderzoek naar het afstemmen van het

onderwijs op leer- en onderwijsbehoeften

van mbo-studenten is zoals we eerder

constateerden schaars. In het onderzoek dat

er is wordt de context van het mbo, de beroepsopleiding,

niet of nauwelijks meegenomen.

14

15



2. Groeien in het groen: Het practoraat

Passend Onderwijzen in het mbo

Nu we laag voor laag de definitie van passend

onderwijzen hebben blootgelegd en ik een beeld

heb gegeven wat we verstaan onder passend

onderwijzen, zijn we bij ons practoraat gekomen.

Groeien in het groen betreft ook het practoraat

zelf. Het practoraat is nog een jong plantje dat

mede door de vijf docentonderzoekers van

het practoraat hard groeit. Over deze groei

en geplande bloei gaat de rest van deze rede.

Doelen van het practoraat

Met het practoraat willen we bijdragen aan

de uitvoer van de strategie van ROC Midden

Nederland rond passend onderwijzen:

Ontwikkeling en ontsluiting van

praktijkkennis over aansluiten bij leeren

onderwijsbehoeften van studenten.

Versterken van onderzoekend

vermogen binnen de organisatie.

We richten ons specifiek op wat ROC MN-docenten

in de klas kunnen doen om optimaal aan te sluiten bij

de leer- en onderwijsbehoeften van studenten, zodat

zij hun opleiding succesvol kunnen afronden zonder

extra hulp. Deze praktijkkennis levert concrete,

onderbouwde handreikingen op voor de lespraktijk.

Daarmee ondersteunen we zowel docenten als

praktijkbegeleiders bij het beter afstemmen op de

onderwijsbehoeften van studenten. Daarnaast is

deze kennis informerend voor beleidsbeslissingen en

organisatie van passend onderwijzen binnen ROC MN.

Versterken van onderzoekend

vermogen

ROC MN zet in op het versterken van onderzoekend

vermogen binnen de organisatie. Dit vermogen

omvat een onderzoekende houding, het kunnen

toepassen van bestaande onderzoeken in de eigen

praktijk en het uitvoeren van (actie)onderzoek dat

bijdraagt aan innovatie van de beroepspraktijk

en deze ondersteunt 34 . Dergelijk onderzoek levert

contextspecifieke kennis op, ontwikkeld voor en in

de eigen praktijk.

Het practoraat als kennishub:

vergroten kennisdeling, kennisconnectie

en kennisoverdracht.

Intern en extern.

Ontwikkeling en ontsluiting

van praktijkkennis

Met praktijkgericht onderzoek ontwikkelen we

kennis over het effectief en efficiënt pedagogischdidactisch

handelen van mbo-docenten in de

groene basis van onze preventiepiramide.

Docenten zien innoveren als een proces van vragen

stellen, experimenteren en onderbouwen met eigen

ervaringen en onderzoek 35,36 . In de praktijk weten

we dat onderzoekend werken niet vanzelfsprekend

is. Het ontbreekt vaak nog aan vaardigheden en

onderzoeksmatige houding, en aan ruimte voor

experimenteren, reflectie en onderbouwing.

Het practoraat draagt bij aan het versterken van

het onderzoekend vermogen in de organisatie

door docentonderzoekers die praktijkgericht

onderzoek uitvoeren, docenten die actieonderzoek

in professionele leergemeenschappen (PLG’s) doen

en via het actief delen en toepassen van opgedane

kennis in de praktijk.

16

Practorale rede Groeien in het groen

17



Kennisdeling, kennisconnectie

en kennisoverdracht

We willen dat het practoraat gaat fungeren als

kennishub: een centrale plek waar evidenceinformed

praktijkkennis wordt ontwikkeld,

gebundeld en gedeeld met het mbo-veld

en de wetenschap. Waarbij de focus ligt op

docenten en studenten van ROC MN: zij moeten

direct profiteren van de opgedane inzichten.

Sleutelfiguren passend onderwijzen - collega’s die

docenten ondersteunen bij passend onderwijzen -

spelen een belangrijke rol in het vertalen van

praktijkkennis naar bruikbare toepassingen.

Het verspreiden en actief delen is hierbij

essentieel. Hoewel er al veel is bereikt in

de ondersteuningsstructuur rond passend

onderwijzen en het versterken van het onderzoekend

vermogen, worden ervaringen en

beschikbare kennis nog onvoldoende benut.

Tegelijkertijd is er een duidelijke behoefte

aan kennisuitwisseling en samen leren.

Het versterken van de onderzoekende houding

van docenten en het stimuleren van een lerende

cultuur binnen ROC MN wordt ondersteund door

actieve kennisdeling en overdracht. Daarom zijn

co-constructie en overdracht vanaf de start

integraal onderdeel van de onderzoeksactiviteiten

van de docentonderzoekers 38 . Ze betrekken

collega’s, ontwikkelen praktijktools en adviseren

bij professionalisering rond passend onderwijzen.

Ook praktijkbegeleiders in partnerbedrijven

zijn belangrijke partners. Zij dragen bij aan de

ontwikkeling van studenten tijdens de beroepspraktijkvorming.

Passend onderwijzen stopt dus

niet bij de schoolmuren. We delen onderzoeksresultaten

met hen en nodigen hen uit voor

kennisdelingsactiviteiten, zodat we samen de

vertaalslag naar de praktijk kunnen maken.

Hoewel de focus van het practoraat in eerste

instantie echt ligt bij de eigen onderwijspraktijk

van ons roc willen we het practoraat ook

positioneren als kennispartner in de regio en

landelijk. Daarom zoekt het practoraat actief

samenwerking met andere onderwijs- en

kennisinstellingen, draagt bij aan conferenties

en publiceert bevindingen in diverse,

creatieve vormen.

Transfereerbaarheid van kennis

Ik maak hier een klein uitstapje naar het transformeren van onderzoekskennis naar de onderwijspraktijk.

In praktijkgericht onderzoek spreken we vaak over twee processen: kennisdeling (het verspreiden

van resultaten) en kennisbenutting (het toepassen van inzichten in de praktijk). Dit laatste betekent

dat we onderzoeksresultaten omzetten (transformeren) in bruikbare kennis en vaardigheden voor

de doelgroep, zodat zij hun gedrag of houding kunnen aanpassen. In een Delphi-studie naar criteria

voor praktijkgericht onderzoek onderzocht ik het begrip transfereerbaarheid 37 . De betekenis daarvan

bleek te variëren. Figuur 3 laat de uitersten binnen dit spectrum zien. Deze studie verbreedde mijn

perspectief: de onderzoeker moet kennis – zowel het proces als het resultaat – zo overdraagbaar

mogelijk maken. De ontvanger vertaalt die kennis vervolgens naar de eigen context en geeft er

betekenis aan. Dat is kennisbenutting: iets doen met de informatie. Tussen onderzoeker en lezer vindt

dus een overdrachtsproces plaats: transfereerbaarheid.

Vanuit het perspectief van de onderzoeker spreek ik daarom liever van kennisoverdraagbaarheid

dan van kennisbenutting. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de onderwijsprofessional

om deze kennis te gebruiken, in te zetten, te transformeren naar eigen inzicht en activiteit, met

andere woorden onderzoekend vermogen te tonen. Dit vraagt om een organisatiecultuur waarin

leren en ontwikkelen vanzelfsprekend is: een lerende cultuur met ruimte voor experimenteren,

reflectie en evaluatie.

Onderzoeker

Als de ontvanger er iets

van kan leren (de ene

context kan iets leren

van de andere context)

Uitersten op het spectrum van

transfereerbaarheid

Ontvanger

Er moet overdraagbare

kennis gegenereerd

worden, en daarvoor moet

gegeneraliseerd worden

Concept transfereerbaarheid

Overdraagbaarheid:

Context, onderzoeksresultaten,

navolgbaar,

aandacht voor beperkingen

Transfer

Bruikbaarheid:

Betekenis verlenen,

vertalen naar de

eigen context

Figuur 3. Uitersten op het spectrum van transfereerbaarheid en concept van transfereerbaarheid

18

19



Het practoraat als prachtige

plantenborder

Ons practoraat bestaat uit een kernteam van vijf

docentonderzoekers afkomstig uit verschillende

colleges binnen ROC MN en een practor. Zij

doen praktijkgericht onderzoek naar actuele

vragen uit de onderwijspraktijk, afkomstig uit

eigen teams, colleges of ROC MN-brede thema’s.

Ik heb ervoor gekozen om in het practoraat te

werken met vragen die voortkomen uit onze eigen

praktijk, hierdoor ontstaat directe meerwaarde

voor ons eigen onderwijs. Onderzoek en praktijk

worden verbonden, waarbij samenwerking met

docententeams, management en ondersteunende

diensten centraal staat. Onderzoek doen we niet

alleen over, maar vooral mét docenten.

De onderzoeker is geen buitenstaander, maar in

interactie en gerelateerd aan de praktijk, waardoor

nieuwe inzichten, praktijken en betekenis ontstaan 39 .

te ondersteunen en adviseren bij hun

probleemoriëntatie. Zo ontstaat een

onderzoeksomgeving waarin deze docenten

actief kunnen bijdragen en functioneren.

Het practoraat is gericht op het evidenceinformed

beantwoorden van lokale praktijkvragen

met behulp van wetenschappelijke

inzichten en praktijkgerichte literatuur en

door het ontwikkelen van nieuwe kennis.

De keuze voor een practoraat dat werkt

met vragen vanuit de eigen praktijk brengt

het risico met zich mee dat het onderzoek

versnipperd raakt. Laat duizend planten

opkomen. Maar dat is niet mijn intentie. Ik wil

groei en bloei stimuleren, maar binnen een

goed onderhouden plantenborder. Een plek

waarin planten samen staan en gaan, waar

ze elkaar aanvullen en versterken.

Aan het practoraat zijn meerdere professionele

leergemeenschappen (PLG’s) gekoppeld. Hierin

leren docenten samen, werken zij aan een

gedeeld vraagstuk en ontwikkelen ze producten

die passend onderwijzen versterken. Door deze

koppeling ontstaat een breed kennisnetwerk

passend onderwijzen binnen de organisatie,

gericht op evidence-informed praktijkkennis.

Ook docenten in masteropleiding en docentenin-opleiding

voeren onderzoek uit. Meermaals

hoor ik dat deze onderzoeken onvoldoende

aansluiten bij ontwikkelingen en vraagstukken

binnen de colleges. Het practoraat kan hierin

een verbindende rol spelen tussen opleidingsvereisten

en organisatiebehoeften door

masteronderzoek te koppelen aan lopend

onderzoek in het practoraat of docenten

Figuur 4. Organisatie van het practoraat

20

21



Drie onderzoekslijnen binnen

het practoraat

Om deze plantenborder te realiseren zijn drie

inhoudelijke onderzoekslijnen geformuleerd

(zie figuur 5):

1. Ken je student

2. Aanpassen van onderwijs op de (leer- en

onderwijs) behoeften van de studenten

3. Veilig leerklimaat

Ze zijn herkenbaar in de hoofdvraag van

het practoraat:

Ze vragen om professionalisering in de vorm

van praktische handvatten voor gebruik in

de klas, en om collegiale visitatie en intervisie

om hun eigen handelingsrepertoire te

versterken. Collectieve versterking van het

handelingsrepertoire vraagt om actieve

steun van het management - in woord

én daad.

Het pedagogisch-didactisch handelen rond

passend onderwijs benaderen we vanuit

een drievoudige opdracht:

• Pedagogisch-onderwijskundige opdracht:

Wat betekent het tegemoetkomen aan

de leer- en onderwijsbehoeften van

onze studenten voor het pedagogischdidactisch

handelen?

• Professionaliseringsopdracht:

Wat vraagt dit van individuele docenten

en onderwijsteams qua ontwikkeling en

ondersteuning?

• Organisatieopdracht:

Wat betekent dit voor het leiderschap

binnen colleges en op ROC MN-niveau?

Wie is mijn student en hoe pas ik mijn onderwijs

aan op de leer- en onderwijsbehoeften van deze

student in een veilig leerklimaat?

Centraal staat het didactisch handelen van

docenten, dat wordt ondersteund door zicht op

de studenten en een veilige leeromgeving. Dit

vraagt naast didactische vaardigheden ook om

pedagogische kwaliteiten zoals relatieopbouw,

overzicht houden over individuele leerbehoeften

en het creëren van een veilige leeromgeving 40 .

De drie lijnen zijn dus nauw met elkaar verbonden,

wat we ook terugzien in onze onderzoeken.

1.

Ken je student

Uitgangspunten:

1, 2, 3

2.

Aanpassen van

onderwijs op de leeren

onderwijsbehoeften

van studenten

Uitgangspunten:

4, 5

3.

Veilig leerklimaat

Uitgangspunten:

6, 7

De docent is het uitgangspunt in de doelstellingen,

hoofdvraag en onderzoekslijnen.

In de instellingsdialoog van voorjaar 2025

(Stichting Kwaliteitsnetwerk mbo) is onderzocht

wat docenten vanuit persoonlijk, professioneel

en organisatorisch perspectief nodig hebben

om hun onderwijs af te stemmen op studenten.

Gesprekken met docenten, experts en

management tonen dat passend onderwijzen

als gezamenlijke opdracht wordt gezien,

maar dat er ook gedeelde uitdagingen en

ondersteuningsbehoeften zijn.

Pedagogischonderwijskundige

opdracht

Professionaliseringsopdracht

Organisatieopdracht

Figuur 5. Onderzoekslijnen practoraat en bijbehorende ROC MN-uitgangspunten voor passend onderwijzen

Docenten geven aan dat zij ondersteuning nodig

hebben bij het maken van onderwijskundige

keuzes en het ontwikkelen van didactische variatie

die haalbaar is binnen de dagelijkse praktijk.

22

Practorale rede Groeien in het groen

23



Groei in onze plantenborder

We hebben praktijkvraagstukken opgehaald om

binnen de onderzoekslijnen wortel te schieten

en te groeien, zodat we later kunnen verdiepen,

verbreden en nieuwe planten kunnen toevoegen.

Welke plantjes groeien er voorlopig in onze border?

Onderzoekslijn 1: Ken je student

Binnen deze onderzoekslijn onderzoeken we

hoe we studenten beter kunnen leren kennen als

basis voor passend onderwijzen. Niet alleen door

verschillen te herkennen, maar juist ook te kijken

wat de mbo-studenten bindt en overeenkomsten

te benutten. We doen dit vanuit het gegeven dat

het mbo een beroepsvoorbereidende opdracht

heeft. Daarom kijken we naar wat onze mbostudenten

nodig hebben om te kunnen leren en

ontwikkelen in de context van de opleiding en

het beroep. Het werken met authentieke taken

is een passende manier voor beroepsgericht

leren. In het practoraat kijken we naar welke

leer- en onderwijsbehoeften onze studenten

hebben en hoe authentieke taken daarop kunnen

worden afgestemd om de ontwikkeling van

beroepscompetenties (kennis, vaardigheden en

houding) te ondersteunen.

Naast wat studenten bindt, besteden we in het

practoraat ook aandacht aan groepen studenten

met specifieke leer- en onderwijsbehoeften.

Zo’n groep is de anderstalige nieuwkomers.

Sinds 2021 groeit de groep nieuwkomers in het

onderwijs landelijk behoorlijk. Er is grote zorg

over zowel het recht, de toegankelijkheid als de

kwaliteit van onderwijs aan nieuwkomers 41 . Deze

studenten verschillen niet alleen taalkundig,

maar ook cultureel, en hebben vaak complexe

problematiek. Binnen ROC MN is bijvoorbeeld 70%

van de niveau 2-studenten anderstalig en 90% van

de entree-studenten. De groep is verspreid over

meerdere opleidingen en colleges. Het practoraat

onderzoekt wat deze studenten, naast het NT2-

beleid, extra nodig hebben om zich welkom en

gerespecteerd te voelen en erbij te horen, met

andere woorden een sense of beloning te ervaren,

en hun studie succesvol af te ronden.

Onderzoekslijn 2: Aanpassen van

onderwijs op de leer- en onderwijsbehoeften

van de studenten

In deze onderzoekslijn richt het practoraat zich op

vraagstukken rond effectieve differentiatie in de

klas en de relatie tussen differentiatie, motivatie

en zelfregulatie als sleutel tot studiesucces. In het

mbo valt nog genoeg onderzoek hiernaar te doen.

Vanuit het practoraat willen we daarom zowel

op de pedagogisch-onderwijskundige, als de

professionaliserings- en organisatieopdracht in

deze lijn bijdragen.

Binnen de pedagogisch-onderwijskundige

opdracht van deze onderzoekslijn richt het

practoraat zich op uitstelgedrag van studenten

bij taken en examinering. Uitstelgedrag kennen

we allemaal. Volgens onderzoekscijfers zou

95% van de mensen toegeven dat ze last

hebben van uitstelgedrag, waarbij ongeveer

een kwart aangeeft dat het een chronisch en

bepalend kenmerk is van hun persoonlijkheid 42 .

Niets menselijks is onze studenten vreemd. In de

context van onze onderwijssetting manifesteert

uitstelgedrag zich bijvoorbeeld in het uitstellen

van toetsen en in het gebruik van examenkansen

als oefening. Dit leidt tot inefficiënte studiepaden

van studenten en meer werk voor docenten.

Een van de onderzoeken in het practoraat

concentreert zich op het achterhalen van

oorzaken voor dit gedrag en wat deze studenten

nodig hebben om uitstelgedrag te voorkomen.

Binnen de professionaliseringsopdracht in deze

lijn besteden we aandacht aan de ondersteuning

bij de ontwikkeling van het passend handelen

van docenten. Differentiatie is geen trucje

of werkvorm, maar een manier van denken

over goed onderwijs. Het vraagt om kennis,

vaardigheden én houding. In de Staat van het

Onderwijs 2024 43 lezen we dat docenten worstelen

met het succesvol toepassen in de praktijk. We

zien ook in onze praktijk dat differentiëren als

onderdeel van passend onderwijzen heel wat

vraagt van docenten. Zij moeten weten hoe

ze kunnen differentiëren, het gaat dan om de

techniek van het lesgeven. Maar zij moeten ook

vanuit pedagogisch-didactische doelen kunnen

redeneren: waarom en hoe wil ik handelen,

met welke doelen en binnen een pro-sociaal

leerklimaat. En docenten moeten uiteindelijk

ook weten te handelen binnen de ruimte die

de onderwijscontext biedt. Het gaat dan om

handelingsruimte zoeken, voelen en nemen.

Hier raken we de organisatieopdracht van de

onderzoekslijn. Uit ons onderzoek tot nu toe zien

we dat alignment in visie daarbij een rol speelt.

Wanneer er geen congruentie is tussen doelen,

verwachtingen en handelen, zijn aansturing,

ondersteuning, facilitering en uitvoering niet in

een lijn. Dit levert rolverwarring, misvattingen

over invulling van handelen en soms frustraties

op. Onnodig te zeggen dat leidinggevenden in

dit alles een belangrijke rol spelen. Het is daarom

dat we in het practoraat kijken naar manieren

van professionalisering van docenten bij het

vormgeven van passend onderwijs en de relatie

tussen strategie, visie en uitvoering.

Zo onderzoeken we de rol van de expert passend

onderwijzen. Ter ondersteuning van docenten,

onderwijsteams en onderwijsontwikkelaars bij

het vormgeven van passend onderwijzen kent

ROC MN de rol van expert passend onderwijzen

binnen supportteams. Volgens beleidsstukken zijn

zij, naast de onderwijsmanagers, verantwoordelijk

voor de ondersteuning van onderwijsteams in het

passend maken van het onderwijs. Deze experts

komen uit het onderwijs en kunnen worden gezien

als teacher leaders 44 . In de praktijk worden zij

vaak pas ingeschakeld bij escalaties, wat hun

rol reactief maakt in plaats van proactief.

De organisatie is nog zoekende naar de positie

van de expert passend onderwijzen, inclusief de

experts passend onderwijzen zelf. De vraag is

dan ook: waar moeten zij eigenlijk expert in zijn?

Hoe dragen zij concreet bij aan passend

onderwijzen in de groene basis, zodat we

tenminste 80% van onze studenten daar kunnen

bedienen? Wat zijn manieren om proactief

de docenten te kunnen ondersteunen bij het

vormgeven van passend onderwijzen in de klas?

Welke positie of rol heeft de expert passend

onderwijzen in de organisatiestructuur?

In een ander onderzoek bestuderen we hoe kortcyclisch

onderzoeksmatig werken docententeams

kan helpen bij de vormgeving van passend

onderwijzen. Dit doen we door te kijken naar de

inzet van de CIMO-logica 45 als methode voor

kort-cyclisch onderzoek in een Professionele

Leergemeenschap (PLG). De PLG gaat over de

ontwikkeling van taal- en digitale geletterdheid

in beroepsgerichte contexten binnen een

doorlopende leerlijn tussen algemeen vormend

onderwijs en vaklessen. De PLG heeft in zichzelf

ook een onderzoekskarakter. En bestudeert hoe

we taalonderwijs ook kunnen laten plaatsvinden

in vaklessen 46 , zodat taalvaardigheid - belangrijk

voor het begrijpen van instructie, studiesucces

en beroepsuitoefening 47,48 - in de beroepscontext

een plek krijgt.

Onderzoekslijn 3: Veilig leerklimaat

Binnen onderzoekslijn 3 zijn we geïnteresseerd

in de vraag hoe de klas of leersituatie een veilig

leerklimaat kan bieden voor studenten, zodat

elke student zich cognitief en sociaal kan

ontwikkelen. Volgens de ROC MN-strategie

is elke student welkom, wat betekent dat

iedereen onderwijs moet kunnen volgen in

een door henzelf als veilig ervaren omgeving.

Ik heb eerder in de rede het belang van

welbevinden voor studiesucces besproken.

Het practoraat richt zich op het versterken

van docentbewustzijn rond welbevinden en

veiligheid als kenmerken van een pro-sociaal

klimaat en specifiek op sense of belonging

van studenten.

24 Practorale rede Groeien in het groen

25



Belangrijke elementen in de docent-studentrelatie

zijn persoonlijk contact en vertrouwen, ondersteuning

bij het leerproces en respect en

gelijkwaardigheid. Het gaat om diversiteitsensitief

lesgeven. Onderzoek toont dat ervaren

docenten vaak intuïtief handelen op dit vlak 49 .

Het onderzoek naar anderstaligen sluit hier ook

op aan; wat hebben zij nodig om zich thuis te

voelen? Door polarisatie en culturele verschillen

ervaren docenten dat zij steeds vaker moeilijke

gesprekken moeten voeren, wat vraagt om

vaardigheden, tijd én zelfreflectie - zeker

wanneer thema’s raken aan de persoonlijke

identiteit. Ook op de leerwerkplek (BPV) komen

studenten in situaties terecht die vragen om

diversiteit-sensitieve begeleiding. In het onderzoek

ontwikkelen we instrumenten om teams te

ondersteunen in de professionele dialoog over

diversiteit-sensitief lesgeven.

Positionering binnen ROC MN

De bouw van het eerste practoraat binnen ROC

Midden Nederland vraagt van mij als practor

na te denken over positionering binnen de eigen

organisatie. Uit landelijke monitoring en evaluaties

van Stichting Practoraten.nl blijkt dat dit voor veel

practoraten een uitdaging is. Binnen ROC MN is

de oprichting echter zorgvuldig afgestemd met

het College van Bestuur, colleges en diensten,

en breed gedragen.

Als practor heb ik de tijd en ruimte gekregen

om beelden, wensen en verwachtingen op te

halen en te verwerken in een practoraatsplan

met heldere visie en doelstellingen. Met de

keuze vraaggestuurd te werken en de gekozen

organisatie van het practoraat verbinden we

dit practoraat nauw aan de onderwijspraktijk.

De financiering uit kwaliteitsgelden (2023-2027)

en de verlengingsgarantie tot 2029 bieden

stabiliteit. Met de keuze voor het practoraat

als kennishub positioneren we ons als interne

verbinder én als partner voor externe netwerken.

Het practoraat sluit aan bij de bredere koers

van ROC MN: het ontwikkelen van passende

onderwijsarrangementen voor diverse doelgroepen.

Er is samenwerking met programma’s

op thema’s als passend onderwijzen, wendbaar

onderwijs, leven lang ontwikkelen (LLO),

diversiteit en inclusie, en met de ROC Academie

voor docentprofessionalisering. Verbinding

wordt daarnaast gezocht met verschillende

organisatieonderdelen, zoals het Centrum voor

Studentontwikkeling, en de afdeling Onderwijs

& Innovatie waar dit practoraat organisatorisch

ook onder valt.

Vanaf de start is ingezet op zichtbaarheid en

kennisdeling. Zeer helpend daarvoor is de

ondersteuning van een communicatiemedewerker

verbonden aan het practoraat.

Daarnaast werkt het practoraat samen

met de ondersteunende diensten, onder

andere met Finance, Planning & Control rond

datamanagement. Waar universiteiten en

hogescholen zijn ingesteld op beveiligde opslag

van onderzoeksdata en een ethische commissie

hebben, ontbreekt dit bij mbo-instellingen.

De vraag is wat mij betreft ook of elke mboinstelling

dit zou moeten hebben. Ik pleit

daarom voor een landelijke aanpak: een

gezamenlijke visie op wat nodig en wenselijk

is voor practoraten op dit vlak.

26

27



Groeien voorbij vandaag

Ik ben blij met de beweging die in de mbo-sector

gaande is. Practoraten zijn uitgegroeid tot

krachtige instrumenten voor innovatie, onderzoek

en kennisontwikkeling. Door praktijkgericht

onderzoek te doen en kennis actief te delen,

dragen ze bij aan de professionalisering van het

mbo en versterken ze de samenwerking tussen

onderwijs, bedrijfsleven en studenten. Het is

tijd dat mbo-instellingen ook worden erkend

als volwaardige kennisinstellingen: instellingen

die zich richten op onderzoek en onderwijs en

essentieel zijn voor het opleiden van professionals

en het genereren van kennis.

Landelijk zien we de opkomst van Centers for

Teaching and Learning (CTL), ook bij ROC Midden

Nederland. Een CTL ondersteunt docenten bij

onderwijskundige innovatie via training, advies

en onderzoek (Npuls). Onderzoek is één van

de vijf pijlers van een CTL. ROC MN wil een

netwerkgerichte CTL opzetten dat bestaande

initiatieven en praktijken verbindt, docenten

helpt bij onderwijsvernieuwing, uitgaat van

leren in de praktijk en het lerend vermogen in

de organisatie versterkt. Het practoraat, en

toekomstige practoraten, horen daar wat mij

betreft vanzelfsprekend bij.

Practoraten kunnen een belangrijke rol spelen

bij de onderbouwing van onderwijsinnovaties

met evidence-informed kennis en bijdragen aan

docentprofessionalisering. In het langlopende en

innovatieve project Expeditie Lerarenagenda 50

heb ik samen met zes andere onderzoekers

gekeken naar toekomstbestendig leraarschap.

Hierin vergeleken we onderwijsverandering

met ‘vernieuwen terwijl de winkel openblijft’.

Dat is een flinke uitdaging, zeker bij complexe

verandervraagstukken 51 . Practoraten kunnen

hierbij helpen. Met name wanneer zij aansluiten

bij de vragen van docenten, bij innovatieprocessen

die in onderwijs en bedrijfsleven gaande zijn.

Practoraten kunnen het innovatieproces

ondersteunen door praktijkgerichte kennis te

verzamelen en te ontwikkelen. En door samen met

docenten te reflecteren op de betekenis van deze

kennis. De door ons gekozen sterke nadruk op het

ontwikkelen en samenbrengen van praktijkkennis

in een kennishub sluit bovendien naadloos aan bij

de doelstellingen van het CTL.

28

Practorale rede Groeien in het groen

29



3. Methodologische noties

(Her)ontwerp / nieuw vraagstuk

Probleemanalyse

Ik sluit de rede af met enkele methodologische

noties. Het onderzoek in het practoraat is gebaseerd

op een aantal uitgangspunten:

• Het start bij nieuwsgierigheid

• Het is praktijkgericht

• Het is creatief

anders om nog beter te worden? Welke werkzame,

voedende ingrediënten zijn er te onderscheiden?

En kunnen we deze ook elders in ons roc toepassen?

Praktijkgericht

Interpretatie / evaluatie

Zoeken naar

onderliggende

mechanismen

Literatuur / verzamelen

bestaande kennis

Doeloriëntatie / ontwerp

Nieuwsgierigheid

Nieuwsgierigheid is de motor voor leren en

ontwikkelen. Zoals Einstein zei: “Ik heb geen

bijzondere talenten, ik ben alleen hartstochtelijk

nieuwsgierig”. Nieuwsgierigheid is een persoonlijke

eigenschap: een fundamentele drang om te leren,

te ontdekken en te begrijpen, en tegelijkertijd

ook een vermogen: een krachtige motor voor

het verwerven van kennis, het ontwikkelen van

creativiteit en het aangaan van nieuwe ervaringen.

Volgens Simons 52 kent nieuwsgierigheid acht

verschijningsvormen, allemaal geworteld in het

verlangen om te willen weten. Einstein had het niet

van een vreemde trouwens. Zijn moeder vroeg hem

na een dag school niet wat hij had geleerd, maar of

hij die dag nog een goede vraag had gesteld.

In het practoraat is nieuwsgierigheid de bron van

waaruit we werken. Steeds willen weten, willen

waarnemen en ervaren, willen weten en verklaren,

en willen aanpakken en impact genereren.

Daarmee zal het praktijkonderzoek in het practoraat

aanvullend zijn op de huidige evaluatie- en kwaliteitsborgingsactiviteiten

bij ROC MN. Het gaat ons niet

alleen om wat er gebeurt, of hoe goed iets werkt,

maar vooral ook om het waarom en waartoe.

ROC MN verandert, innoveert, ontwikkelt… het bruist

zoals ook ons tweejaarlijks festival heet. Onderzoek,

het practoraat, kan helpen dit bruisen nog meer

richting te geven en te onderbouwen. Waarom

willen of doen we wat we doen en doen we het

dan ook goed? En hoe kan of moet het eventueel

Praktijkgericht onderzoek vertrekt vanuit vragen uit

de beroepspraktijk, levert direct toepasbare kennis op

en wordt uitgevoerd volgens de wetenschappelijke

criteria en is daarmee transparant, systematisch,

nauwkeurig, navolgbaar en consistent. Het heeft

praktische relevantie en is tegelijkertijd methodologisch

grondig. Praktijkgericht onderzoek

kan variëren naar oriëntatie van het onderzoek,

kwaliteitseisen die worden gesteld aan het onderzoek

en in werkwijzen in het onderzoek 53 . Binnen het

practoraat start het onderzoek vanuit de (lokale)

praktijk. We zetten in op kort cyclisch onderzoek

waardoor relatief snel (voorlopige) inzichten

beschikbaar komen. Omvangrijkere vraagstukken

delen we op in stukken die elk aan de hand van de

onderzoekscyclus worden bestudeerd. De evidenceinformed

inzichten geven onze - maar ook andere

mbo-onderwijsprofessionals - handvatten voor

het passend handelen in leersituaties. De onderzoekscyclus

omvat na de vraagoriëntatie meestal (figuur 6):

• Een probleemanalyse (wat speelt hier?)

• Literatuurstudie of het verzamelen van bestaande

kennis (wat weten we al?)

• Het formuleren van de doeloriëntatie, formuleren

van hypothesen of ontwerpen van oplossingen

(waar moet het toe leiden?)

• Ontwerpen van een interventie (deze kan

verschillende vormen aannemen van

literatuuronderzoek tot onderwijsontwerp)

(hoe pakken we het aan?)

• Evaluatie of toetsing via dataverzameling en

analyse (heeft het gewerkt?)

• En het zoeken naar werkzame mechanismen

(waarom heeft het gewerkt?)

Figuur 6. De onderzoekscyclus

van praktijkonderzoek

Analyse

Na het doorlopen van de cyclus kunnen inzichten

leiden tot verandering, (her)ontwerpen of tot

nieuwe vraagstukken. De onderzoekscyclus

wordt dan (deels) opnieuw doorlopen.

Groeikracht door creatieve

methoden

Onderwijsvraagstukken zijn vaak complex: ze

zijn slecht gestructureerd, veranderen over tijd

en plaats, en kennen meerdere betrokkenen

met uiteenlopende waarden 54 . In complexe

vraagstukken zijn oorzaak-gevolgrelaties

onduidelijk en kunnen uitkomsten niet worden

voorspeld en worden pas achteraf duidelijk.

Denk bijvoorbeeld aan het invoeren van formatief

evalueren in het hele team. Geen kant-en-klare

aanpak. Docenten moeten experimenteren,

reflecteren en leren van elkaar. Cultuur en

samenwerking spelen een grote rol.

Alhoewel zeker niet alle onderwijsvraagstukken

complex zijn, voel ik sterk mee met Berliner 55 ,

die onderwijskunde beschrijft als een van de

moeilijkste disciplines om te onderzoeken. Dat

komt doordat menselijk gedrag, interacties en

persoonlijke opvattingen, waarden en normen

een rol spelen. Juist die menselijke factoren

Dataverzameling

Interventie

maakt onderwijsonderzoek complex. De meest

gangbare onderzoeksaanpakken streven naar

gedecontextualiseerde metingen, proberen de

realiteit te reduceren in waarneembare hapjes

en verwaarlozen mijns inziens deze menselijke

factor wat te veel. Waardevol bij het vinden van

antwoorden op minder complexe vraagstukken,

maar de vraag is in hoeverre zij recht doen aan

de complexiteit van veel onderwijsvraagstukken.

Daarom onderzoekt het practoraat de inzet van

art-based research: een methode waarbij het

artistieke proces centraal staat om ervaringen

en betekenissen beter te kunnen begrijpen 56 .

In het project Expeditie Lerarenagenda

- waarvan ik de expeditieleider was - zagen

we hoe deze aanpak ratio en verbeelding

verbindt, en helpt een rijkgeschakeerd beeld

van de ervaren realiteit te schetsen door ruimte

te maken voor emoties, waarden en intuïtie 57,58 .

Onderwijs is immers een sociale praktijk waarin

interactie en persoonlijke betekenisgeving

centraal staan. Net als Frank 59 en Ros en

collega’s, 60 pleit ik daarom voor onderzoek met

een zogenaamde dialoog-en feedbackfunctie:

in en door onderzoek raken groepen belanghebbenden

en betrokkenen met elkaar in

gesprek en geven gezamenlijk betekenis aan

vraagstukken en mogelijke oplossingen.

30 Practorale rede Groeien in het groen 31



Ik wil graag een voorbeeld vanuit de Expeditie

Lerarenagenda met u delen. In het deelproject

Doornroosje is onderwijsprofessionals gevraagd

via kunstzinnige opdrachten hun visie op onderwijs

over 100 jaar te verbeelden. Een voorbeeld was

de opdracht te beschrijven welke kleuren passen

bij onderwijs over 100 jaar. Deelnemers konden

zelf bepalen hoe ze dit vormgaven; in woord en/

of beeld, kort of lang. Hun bijdragen inspireerden

kunstenaars tot nieuwe werken, tentoongesteld

tijdens een dialoog-evenement. Zo ontstond een

rijke uitwisseling over toekomst, verleden en heden,

met als centrale vraag: als dit onze toekomst is,

wat vraagt dat van ons vandaag?

Afbeelding 1. Art-based research: het Expeditie Event

De gebruikte creatieve onderzoekinstrumenten

lokten verbeelding uit en creëerden daarmee

dialoog, waarin opvattingen, waarden, normen

en emoties van betrokkenen naar boven

kwamen, werden gezien en gekoesterd.

Verbeelding wordt zo een krachtig instrument

voor verandering. De onderzoeksinstrumenten

zijn nu tools voor de praktijk, wat de verbinding

tussen onderzoek en onderwijs versterkt.

In het project REFRAME werk ik met collega’s

van de VU, HvA, Oberon en HKU hierop verder.

We exploreren de potentie van Social Design

als onderzoeksmethodologie voor het bestuderen

van complexe vraagstukken. Onze mediaopleiding

van het Creative College Amersfoort

is hierbij betrokken als casus.

Afbeelding 2. Van onderzoeksinstrumenten naar tools zoals de Expeditie kleurplaat

32 33



Ter afsluiting

Het is mooi om te zien dat de ontwikkelingen

binnen ROC MN en daarbuiten volop

doorgroeien. In onze kwaliteitsagenda staat

de ambitie om als roc een volwaardige en

gelijkwaardige partner te zijn in onderzoeks- en

kennisnetwerken. Onderzoek en het versterken

van het onderzoekend en lerend vermogen staan

inmiddels op de agenda van meerdere colleges.

De behoefte aan praktijkonderzoek groeit, ook

op thema’s als meertaligheid, gezond stedelijk

leven, digitalisering en AI en energietransitie.

ROC MN is actief binnen het practoraat

Vakmanschap Orde & Veiligheid, samen met

drie andere mbo-instellingen. Hopelijk volgen

er meer practoraten, zodat we een stevige

kennisinfrastructuur kunnen opbouwen en

blijven leren en ontwikkelen voor kwalitatief

goed onderwijs - nu én in de toekomst.

Regionaal wortelt de samenwerking tussen

mbo, hbo en wo steeds dieper, onder andere

via het gezamenlijk CTL-overleg gericht op

samenwerking, het netwerk Beroeps Onderwijs

Utrecht en de katalysator Leven Lang

Ontwikkelen. Landelijk groeit de aandacht

voor de rol van onderzoek in het mbo. Binnen

Practoraten.nl en het Netwerk Innovatie &

Onderzoek van de MBO Raad wordt gewerkt

aan beleid en kwaliteitscriteria die passen bij

praktijkgericht onderzoek.

Inmiddels zijn er al zo’n 150 practoraten actief, in

ontwikkeling of afgerond (www.practoraten.nl).

Kortom: onderzoek heeft vaste wortels gekregen

in het mbo - en binnen ROC MN.

34 35



Dankwoord

Ik ben een gelukkige practor. Toen ik begon, was

het practoraat nog een zaadje - nu zie ik het

uitgroeien tot iets groens en stevigs. En dat is

precies wat ik het liefste doe: iets opbouwen. Ik

ben dankbaar voor de ruimte die ik heb gekregen

om het mbo-onderwijs en ROC MN te leren

kennen. De bezoeken aan de colleges en de

gesprekken met docenten, studenten, managers

en ondersteunende collega’s hebben mij geholpen

om het practoraat vorm te geven.

Ook Johan Spronk en Michel Labij van het College

van Bestuur wil ik bedanken voor hun betrokkenheid

en vertrouwen. De financiële borging tot in 2029

geeft rust en ruimte om te groeien en bloeien.

Mijn collega’s van dienst Onderwijs en Innovatie

(O&I) hebben me warm ontvangen en me snel

thuis laten voelen. Dat doet ook het Sport

College. Dank voor de gastvrije ontvangst

van het practoraat in Stadion Galgenwaard.

Het programmateam Passende Onderwijs

Arrangementen; onze samenwerking is waardevol

en inspirerend - inhoudelijk én strategisch.

Vanaf dag één voelde ik me welkom. Het was

bijzonder om te merken dat het practoraat

voortkwam uit gedeelde strategische keuzes.

Passend onderwijzen is een belangrijke pijler

binnen ROC MN, en dat wordt breed gedragen.

De reacties bij kennismaking - “wat fijn dat je er

bent”, “waarom ben je niet eerder begonnen” -

gaven me het gevoel dat ik op de juiste plek zat

en dat ik van betekenis kan zijn in het opbouwen

van evidence-informed kennis en handvatten

passend onderwijzen in het ‘groen’.

Mijn dank gaat ook uit naar Bart van Kuik, Wouter

Schenke en Stephanie de Blieck die samen met de

practoraatsleden mij met hun feedback hebben

geholpen bij het schrijven van deze rede.

En tot slot wil ik mijn gezin, familie, vrienden,

sportmaatjes, mede-wandelaars en salsavrienden

bedanken. Jullie zijn de zonnestralen, de regenbuien,

de zachte wind en de voedende aarde die

ervoor zorgen dat het plantje dat ik ben gezond

blijft, groeit en bloeit in alle seizoenen van het leven.

Mijn dank gaat allereerst uit naar het

practoraatsteam. In september 2025 zijn vijf

docentonderzoekers gestart: Marjolein Vleugels,

Willeke Schoenaker, Sonja Boven, Detlef de Kriek

en Wout van der Veen. Wat een rijkdom om met

jullie te mogen werken. Jullie zijn verschillend,

maar allemaal waardevol als docent én mens.

Samen vormen we de vruchtbare bodem waarop

dit practoraat groeit. Dank ook aan Stephanie

de Blieck, die ons ondersteunt in communicatie

en kennisdeling.

Dank aan Henk Schotpoort en Marianne

Steenvoorde, die als kwartiermakers het eerste

zaadje hebben geplant voor dit practoraat.

Mich, Emma en Maj, jullie zijn mijn wortels en mijn

stam, mijn vaste grond en mijn richting naar het

licht. Zonder jullie zou ik niet kunnen groeien zoals

ik doe.

Tot besluit spreek ik de hoop uit dat het practoraat

de collega’s in de onderwijsteams helpt bij het

groeien in het groen. Dat we plantjes kunnen

zaaien en kunnen laten groeien, zodat docenten

onze studenten - al die unieke plantjes - kunnen

laten ontwikkelen en floreren. Want zij zijn waar

het om draait: de makers van de samenleving,

de zuurstof van onze maatschappij.

Ik heb gezegd.

36

Practorale rede Groeien in het groen

37



Literatuur

1

Deunk, M. I., Jacobse, A. E., de Boer, H., Doolaard,

S., & Bosker, R. J. (2018). Effective differentiation

practices: A systematic review and metaanalysis

of studies on the cognitive effects of

differentiation practices in primary education.

Educational Research Review, 24, 31–54.

https://doi.org/10.1016/j.edurev.2018.02.002

2

Blok, H. (2004). Adaptief onderwijs: Betekenis en

effectiviteit. Pedagogische Studiën, 81, 5–27.

3

Bosker, R. J. (2005). De grenzen van gedifferentieerd

onderwijs. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen.

4

Reezigt, G. J. (1999). Differentiatie in het onderwijs.

In H. P. J. M. Dekkers (Red.), Omgaan met

verschillen. Onderwijskundig Lexicon, Editie III

(pp. 11–23). Alphen aan den Rijn: Samsom.

5,20

Opdenakker, M-C. (2023). Teacher behaviour

and student motivational outcomes: Critical

reflections on the knowledge base and on future

research. In R. Maulana, M. Helms-Lorenz, & R.

M. Klassen (Eds.), Effective teaching around the

world: Theoretical, empirical, methodological

and practical insights (pp. 29–83). Springer.

https://doi.org/10.1007/978-3-031-31678-4_3

6

Van Geel, M., Keuning, T., Frèrejean, J., Dolmans,

D., van Merriënboer, J., & Visscher, A. J. (2018).

Capturing the complexity of differentiated

instruction. School Effectiveness and School

Improvement, 30(1), 51–67. https://doi.org/10.1080/

09243453.2018.1539013. Citaat p. 3.

7

Keuning, T., Van Geel, M., & Smienk-Otten, C.

(2022). Differentiëren in 5, 4, 3… Stem je onderwijs

af op verschillen tussen leerlingen (2e druk). Pica.

8

Kester, L., Cviko, A., Janssen, C., De Jonge, M.,

Louws, M., Nouwens, S., Paas, T., Van der Ven, F.,

Admiraal, W., Post, L., Lockhorst, D., Buynsters, M.,

& Damstra, G. (2018). Docent en leerling aan het

stuur. Onderzoek naar leren op maat met ict.

Utrecht: Universiteit Utrecht, Oberon; Leiden:

Universiteit Leiden.

9

Jolles, J. (2017). Ook mbo-brein heeft steun

en sturing nodig. Geraadpleegd van https://

didactiefonline.nl/artikel/ook-mbo-brein-heeftsteun-en-sturing-nodig.

10

Inspectie van het Onderwijs. (2021).

Themaonderzoek differentiëren in mbo:

Een inventarisatie naar de kansen en

aandachtspunten bij differentiëren in het mbo.

Onderwijsinspectie.

11

Kennisrotonde. (2019). Welk pedagogischdidactisch

handelen van de begeleidende docent

zorgt ervoor, dat studenten op MBO Niveau 1 en

MBO Niveau 2 succesvol zelfsturend kunnen leren?

(KR.550). Den Haag: Kennisrotonde.

12

Enthoven, M., & De Bruijn, E. (2010). Beyond

locality: The creation of public practice-based

knowledge through practitioner research

in professional learning communities and

communities of practice: A review of three

books on practitioner research and professional

communities. Educational Action Research, 18(2),

289–298.

13

Keppels, E., & Jenniskens, T. (2021). COVID-19

inhaal-en ondersteuningsprogramma’s: Mbo.

Nijmegen: KBA Nijmegen.

14,17,40

Conijn, J., Bokdam, J., Wester, A., Boogaard,

M., & Lourens, J. (2023). Verschil maken: Een

praktijkgericht onderzoek naar differentiatie door

mbo-2 teams. Amsterdam: Kohnstamm Instituut;

Utrecht: Oberon.

15

Hofland, A., & Westerhuis, A. (2017).

De achtergrond van verschillen tussen

studenten op mbo-niveau 3 en 4; vier

casestudies van de opleiding Maatschappelijke

Zorg. ‘s-Hertogenbosch: Expertisecentrum

Beroepsonderwijs.

16

Bolle, T., & van Meelis, I. (z.d.). Differentiëren:

Hoe hou ik alle leerlingen zinvol bezig in de les

Nederlands? Tegemoet komen aan verschillen

in het mbo. Amsterdam: ITTA, Universiteit van

Amsterdam.

18

Ryan, R. M., & Deci, E. L. (2000). Self-determination

theory and the facilitation of intrinsic motivation,

social development, and well-being. American

Psychologist, 55(1), 68–78.

https://doi.org/10.1037/0003-066X.55.1.68

19

Ryan, R. M., & Deci, E. L. (2017). Self-determination

theory: Basic psychological needs in motivation,

development, and wellness. New York: The Guilford

Press. https://doi.org/10.1521/978.14625/28806

21

Berben, M., & van Teeseling, M. (2014).

Differentiëren is te leren: Omgaan met verschillen

in het voortgezet onderwijs. Amersfoort: CPS.

22

Raniti, M., Rakesh, D., Patton, G.C. et al. (2022) The

role of school connectedness in the prevention of

youth depression and anxiety: a systematic review

with youth consultation. BMC Public Health 22,

2152. https://doi.org/10.1186/s12889-022-14364-6

23

Boer, M., van Dorsselaer, S. A. F. M., de Looze,

M., de Roos, S., Brons, H., van den Eijnden, R.,

Monshouwer, K., Huijnk, W., ter Bogt, T., Vollebergh,

W., & Stevens, G. (2022). Gezondheid en welzijn

van jongeren in Nederland: HBSC 2021. Universiteit

Utrecht. https://www.trimbos.nl/aanbod/

webwinkel/af2022-hbsc-2021/

24

Allen J.P., Pettit C, Costello M.A., Hunt G.L., & Stern

J.A., (2024) A social-development model of the

evolution of depressive symptoms from age 13

to 30. Dev Psychopathol. 2024 Feb;36(1):280-290.

https://doi: 10.1017/S0954579422001183

25

Loeb, E. L., Kansky, J., Narr, R. K., Fowler, C., & Allen,

J. P. (2020). Autonomy and relatedness in early

adolescent friendships as predictors of short- end

long-term academic success. Social Development,

29(3), 818–836. https://doi.org/10.1111/sode.12424

26

Allen, K. A., Kern, M. L., Vella-Brodrick, D., Hattie,

J., & Waters, L. (2016). What schools need to know

about fostering school belonging: A meta-analysis.

Educational Psychology Review, 28(4), 1–34. https://

doi.org/10.1007/s10648-016-9389-8

27

Kennisrotonde. (2023). Wat is het effect van

de kwaliteit van docent-studentrelaties op de

sense-of-belonging van studenten, in de context

van flexibilisering in het hoger beroepsonderwijs?

(KR.1724). Den Haag: Kennisrotonde.

28

Allen, K. A., Kern, M. L., Rozek, C. S., McInerney, D.

M., & Slavich, G. M. (2021). Belonging: A review of

conceptual issues, an integrative framework, and

directions for future research. Australian Journal of

Psychology, 73(1), 87–102. https://doi.org/10.1080/00

049530.2021.1883409

29

Gaikhorst, L., Beishuizen, J., Roosenboom, B., &

Volman, M. (2017). The challenges of beginning

teachers in urban primary schools. European

Journal of Teacher Education, 40(1), 46–61. https://

doi.org/10.1080/02619768.2016.1251900

30

Henrichs, L. F., Brummel, E., Boerma, A., &

Moorman, I. (in press). Hoe zelfbekwaam voelen

(aanstaande) Nederlandse VO-docenten zich over

Cultureel Responsief Lesgeven? Hun ervaringen en

aanbevelingen voor lerarenopleidingen. Tijdschrift

Voor Lerarenopleiders.

31,32

Kennisrotonde. (2017). Wat zijn kenmerken van de

mbo-populatie en presteren deze studenten beter

wanneer de onderwijsaanpak wordt afgestemd op

die kenmerken? (KR.255). Den Haag: Kennisrotonde.

33

Groeneveld, M. J., & van Steensel, K. (2009).

Kenmerkend mbo: Een vergelijkend onderzoek

naar de kenmerken van mbo-leerlingen,

vmbo-leerlingen en de generatie Einstein.

Hilversum: Hiteq.

34,53

Andriessen, D. (2014). Praktisch relevant en

methodisch grondig: Dimensies van onderzoek

in het hbo. Utrecht: Hogeschool Utrecht.

38 Practorale rede Groeien in het groen

39



35

Korsmit, C. (2023). Stuiter, bouw & gooi!: De

perceptie van mbo-docenten op innoverend

vermogen en wat bijdraagt aan de ontwikkeling

hiervan. Zwolle: Landstede Groep.

36

Vanlommel, K., & van den Boom-Muilenburg, S.

N. (2024). How can we understand and stimulate

evidence-informed educational change? A

scoping review from a systems perspective.

Journal of Educational Change, 25(3), 605–634.

https://doi.org/10.1007/s10833-024-09506-z

37

Lockhorst, D., & Bekkers, H. (2019).

Overdraagbaarheid Onderzoek Werkplaatsen PO.

Utrecht: Oberon.

38

Van Schaik, P. (2020). Utilizing, co-constructing

and sharing knowledge in collaborative teacher

learning. (Externally prepared thesis). Universiteit

van Amsterdam.

39

Niessen, T. (2025). Impact als respons-abiliteit:

Een binnenkant-perspectief op impact in

praktijkgericht onderzoek (Lectorale rede).

Geraadpleegd van https://www.researchgate.

net/publication/390266517_Impact_als_responsabiliteit_Een_binnenkant-perspectief_op_impact_

in_praktijkgericht_onderzoek_Lectorale_rede

41

Inspectie van het onderwijs (2025). De Staat van

het Onderwijs 2025.

42

Steel, P. (2007) The nature of procrastination:

A meta-analytical and theoretical review of

quintessential self-regulatory failure. Psychological

Bulletin, 133(1), 65-94.

43

Inspectie van het Onderwijs. (2024). De Staat van

het Onderwijs 2024.

44

Schott, C., van Roekel, H., & Tummers, L.

G. (2020). Teacher leadership: A systematic

review, methodological quality assessment

and conceptual framework. Educational

Research Review, 31. https://doi.org/10.1016/j.

edurev.2020.100352

45

Van Aken, & Andriessen (Red.). (2011). Handboek

ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek.

Uitgeverij Boom Lemma.

46

Van Dijk, G. (2018). Het opleiden van taalbewuste

docenten natuurkunde, scheikunde en techniek:

Een ontwerpgericht onderzoek (Proefschrift).

Utrecht: Universiteit Utrecht.

47

Harms, T., & Kalsbeek, M. (2013). Leren begrijpend

lezen en luisteren in mbo 2. Groningen: Gronings

Instituut voor Onderzoek van Onderwijs,

Rijksuniversiteit Groningen.

48

Elbers, E. (2012). Iedere les een taalles?

Taalvaardigheid en vakonderwijs in het (v)mbo.

De stand van zaken in theorie en onderzoek.

Utrecht/Den Haag: Universiteit Utrecht/PROO.

49

Theeuwes, B. C., Saab, N., Denessen, E.,

& Admiraal, W. (2019). Docenten en hun

cultuurdiverse klassen in het voortgezet

onderwijs. Pedagogische Studiën, 96(4), 218–243.

50,57

Lockhorst, D., de Vries, B., Brouwer, P., Louws, M.,

Middelbeek, L., Schenke, W., Walraven, A., Struyf,

A., & Bulder, E. (2023). Aankomst op uitzichtpunt:

Onderzoek naar adaptief vermogen in navigeren

naar toekomstbestendig leraarschap. Utrecht:

Oberon.

51

Van den Berg, N., & Mulder, J. (2024).

Onderzoekend werken aan onderwijskwaliteit

in het mbo. Onderwijskennis.nl (NRO).

https://www.onderwijskennis.nl/node/6031

52

Simons, R. J. (2025, June 26). Acht soorten

nieuwsgierigheid. https://visieopleren.nl/nl/Blogs/

index.php/;focus=STRATP_com_cm4all_wdn_Fl

atpress_8287496&path=&frame=?x=entry:ent

ry250626-100928#C_STRATP_com_cm4all_wdn_

Flatpress_8287496__-anchor

54

Van Duijne, F., & Van der Wel, P. (2019).

Toekomst verkennen: Het ultieme denken in

organisaties. Schiedam: Scriptum.

55

Berliner, D. C. (2002). Educational research: The

hardest science of all. Educational Researcher,

31(8), 18–20.

56

Muijen, H., & Brohm, R. (2021). Art Dialogue

Methods. Management & Ontwikkeling, 4/5, 63–81.

58

De Vries, B., & Lockhorst, D. (2024). Kristallisatie:

De kunst van het belichten van complexe

vraagstukken door onderzoek. Beleidsonderzoek

Online, 3.

59

Frank, A. W. (2005). What is dialogical research

and why should we do it? Qualitative Health

Research, 15(7), 964–974.

60

Ros, A., Amsing, A., Ter Beek, A., Beek, S., Hessing,

R., Timmermans, R., & Vermeulen, M. (2013). Gebruik

van onderwijsonderzoek door scholen: Onderzoek

naar de invloed van praktijkgericht onderzoek op

schoolontwikkeling. ’s-Hertogenbosch: KPC Groep.

40 Practorale rede Groeien in het groen

41



Ditte Lockhorst

Dr. Ditte Lockhorst is practor Passend Onderwijzen

in het mbo aan ROC Midden Nederland, waar zij

per oktober 2024 is gestart met het opzetten van

het practoraat. Zij studeerde Sociale Geografie

aan de Universiteit Utrecht en promoveerde in

2004 aan dezelfde universiteit op onderzoek

naar ontwerpkenmerken voor een elektronische

leeromgeving waarin docenten in opleiding

samenwerkend leren. Na de universiteit heeft zij

gewerkt bij onderzoeks- en adviesbureau Oberon.

Haar onderzoek richt zich op het leren en

handelen van docenten, de ontwikkeling van een

professionele leercultuur in scholen, het werken

met professionele leergemeenschappen en de

samenwerking tussen wetenschap (onderzoekers)

en praktijk (onderwijsprofessionals). Binnen het

practoraat koppelt zij deze thema’s aan passend

onderwijzen in het mbo. Daarnaast begeleidt zij

promotieonderzoek naar de invloed van media

op de sociale ontwikkeling van jongeren.

Kernwaarden in haar werk zijn initiëren,

positioneren, creëren en aansturen. Ze werkt

daarbij samen met verschillende kennisinstellingen

in de regio en landelijk. Ook creativiteit vormt een

belangrijk aspect van haar onderzoekswerk. In het

bijzonder art-based research, waarin verbeelding

als aanjager voor dialoog en gezamenlijke

betekenisgeving aan vraagstukken, een krachtig

instrument voor verandering is.

42 43



“Passend onderwijzen is proactief;

het is het beoogd en doelbewust

afstemmen in de klas van het

pedagogisch-didactisch handelen

op verschillen tussen studenten.”

Passend onderwijzen legt een stevige basis die aansluit op de leer-

en onderwijsbehoeften van alle studenten, zodat zij succesvol zijn

in hun beroepsvoorbereiding zonder extra ondersteuning.

Het practoraat helpt teams om dit in de klas vorm te geven.

Ditte Lockhorst startte eind 2024 als practor bij ROC Midden

Nederland en onderzoekt samen met vijf docentonderzoekers

welke behoeften mbo-studenten hebben en hoe je daar

onderwijs op afstemt in een veilig leerklimaat.

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!