30.01.2026 Views

Programmaboek_A_Tribute_to_Werner_Herbers

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

12 13 14 February 2026

Muziekgebouw

Conservatorium van Amsterdam

a tribute to werner herbers

a tribute to

werner herbers

Ebony Band / Score Collective / Students CvA


Inhoud

Inleiding 3

Leonie Herbers-Polak

Werner Herbers 9

11 augustus 1940 – 5 juni 2023

Bas van Putten

Passie voor het onbekende 11

Werner Herbers

Ebony Band –

Klankbord voor doodgezwegenen 18

Truus de Leur

Verborgen twintigste-eeuwse stukken

De plantjes onder de bomen 24

Bas van Putten

Programma

Donderdag 12 februari 2026

Banned and Forgotten 28

Vrijdag 13 februari 2026

The Cutting Edge 34

Zaterdag 14 februari 2026

Rediscovered 36

Componisten 49

Colofon 63


foto’s: Bert Nienhuis

Inleiding

geschreven door zijn weduwe.

wij werden geboren in 1940-1945

ik ben 40 jaar met Werner samen geweest

31 jaar met hem getrouwd

tot de dood ons scheidde

de oorlog en het Interbellum zitten in ons systeem

hielden ons dagelijks bezig

Werner was hoboïst en oprichter en leider van de Ebony Band

ik was kostuumontwerpster

wij hebben in talloze muziektheaterproducties samengewerkt

wij deelden onze werklevens

In vogelvlucht wil ik u laten weten waarom wij

dit Festival, dat de naam Tribute to Werner

Herbers draagt, willen laten plaatsvinden.

Wij denken dat de inhoud van de concerten en

Werners speurtochten naar de partituren van

deze muziek nog steeds actueel zijn. Veel van

deze componisten hebben niet of ternauwernood

de jaren 30 en/of de Tweede Wereldoorlog

overleefd. Het waren vluchtelingen. Werner heeft

zich ook beziggehouden met hun vluchtroutes,

want al heel snel werden deze mensen nergens

meer binnengelaten. Hij heeft hierover voor de

NPO een prachtige 11-delige podcast gemaakt

met Hans Haffmans, Verboden Verjaagd Vergeten.

Eigenlijk komt alles wat Werner met de

Ebony Band heeft gedaan, al die onbekende

muziek uit de eerste helft van de twintigste

eeuw, uit zijn eigen geschiedenis voort.

Zijn vader was een politieke vluchteling uit

Duitsland, dat hij kort na Hitlers machts overname

in 1934 ontvluchtte. Hij was leraar op een

gymnasium, een begenadigd denker, filosoof en

Goethe-kenner, maar ook een fervent pacifist,

wat hij geworden was na een verwonding in de

Eerste Wereldoorlog. Hij publiceerde en organiseerde

bijeenkomsten als pacifist, kreeg daarom

een Berufsverbot. Hij is anderhalf jaar ondergedoken

tot in Nederland een internationale

conferentie over Pacifisme onder leiding van

Kees Boeke plaatsvond, waar Werners vader ook

was. Toen heeft Kees Boeke hem de gelegenheid

gegeven om, nog net op tijd, leraar Duits op zijn

school De Werkplaats te worden. Werners

moeder, nog een Ausdrucks tanz-leerlinge, is

haar toekomstige man na een half jaar gevolgd.

Zij werd ook lerares op de school van Kees

Boeke. Ze gaf daar ritmische gymnastiek. Haar

oorspronkelijke beroep van danseres heeft ze in

Nederland niet meer kunnen uitoefenen.

Het leven van vluchtelingen is heel moeilijk,

Erich Maria Remarque schreef als motto in zijn

boek Liebe deinen Nächsten in 1939: Man

braucht ein starkes Herz, um ohne Wurzel zu

leben. Dat gold natuurlijk ook voor Werners

ouders.

Werner is heel duidelijk vooral door zijn vader

gevormd maar ook door de Kees Boeke-school.

De intellectuele vakken waren daar net zo

belangrijk als artistieke, kunstzinnige en muzikale

vakken. Muziek werd ook uitgevoerd en

Werner zat als jongetje van vier bij zijn ouders

op schoot voor een schooluitvoering van de

Matthäus-Passion. Die muziek zou hij later

spelen met het Koninklijk Concertgebouworkest.

Kunst en cultuur waren in hun gezin gewoon,

en gericht op de moderne componisten en

beeldende kunstenaars uit die tijd. Zijn vaders

universum was zijn studeerkamer. Daar ontving

hij als mentor van de school zijn leerlingen maar

ook vrienden van Werner. Hij gaf hen levenslessen

en raadgevingen mee die zij hun hele

leven bleven koesteren.

Daarom denk ik dat Werners leven ook een

eerbetoon aan zijn vader is geweest. Zijn zoektocht

naar Entartete Musik en het eindeloze,

onvermoeibare graven over de hele wereld in

2 3


foto: Leonie Polak

foto: Leonie Polak

Repetitie met Lieuwe Visser en anderen

Repetitie met Gerard Bouwhuis, Lieuwe Visser en anderen

foto: Leonie Polak

bibliotheken, bij weduwes en andere nazaten,

contacten leggen die zich ook bezig hielden

met het zoeken naar verloren en vergeten

muziek; hij heeft een uitgewist verleden willen

redden.

Als ik kon ging ik mee en maakte foto’s als hij

iets op het spoor was, meestal als hij op toernee

was met zijn orkest. Naar New York, Washington,

Oost- en West-Berlijn, Praag, Altenburg, soms

ook als we op vakantie waren in Parijs. Soms

was Werner naar iets op zoek wat nooit gelukt

is, daar is bij wijze van spreken nog de meeste

moeite en tijd in gaan zitten.

De grootste vangsten waren natuurlijk

het fijnst, zoals Graettinger en Regamey…

En natuur lijk Eisler met zijn Kammerkantaten,

en alles van Schulhoff .

worden, langer proberen. Als het stuk dan uiteindelijk

op een concert gespeeld werd, trok

Werner als dirigent nooit het applaus naar zich

toe. Hij hief altijd de partituur op of wees ernaar.

Daar ging het om, de componist!

Repetitie met Guus Janssen en anderen

Werner was als leider van de Ebony Band één

met z’n musici. Het repeteren van nooit gehoorde

muziek was een zoektocht voor allen, Daniël

Esser was daarin steun en toeverlaat voor

Werner. Als de meeste musici iets niks vonden,

zei hij vaak dat er juist doorgespeeld moest

Werner leek op zijn vader, dat teruggetrokkene

en toch mentor zijn voor heel veel mensen. Toen

uiteindelijk duidelijk was dat hij nog maar heel

kort zou leven, schreef hij een brief in drie talen

die hij stuurde naar alle mensen die ooit met

4 5


foto: Bert Nienhuis

foto: Leonie Polak

Werner Herbers met Anna De Veij Mestdagh op de violofoon

hem gewerkt hadden, om te bedanken voor

alles waarmee zij hem geholpen hadden in alle

landen waar ze elkaar ontmoet hadden, collega’s,

specialisten, journalisten, uitgevers enz.

Het was onvoorstelbaar hoeveel reacties

daarop kwamen en hoeveel mensen daarna

langskwamen, vrienden uit zijn jeugd die zijn

vader nog hadden gekend. Die vertelden hetzelfde

over z’n vader als over Werner; hoe belangrijk

zijn raadgevingen waren, dat ze er

hun hele leven profijt van hadden gehad. Toen

ik Werner dat voorlegde moest hij huilen en hij

huilde nooit. Dit was het grootste compliment,

dat hij zijn vader waardig was, de vader die voor

hij stierf tegen hem had gezegd: Bleib dir selbst

treu… Dat is Werners geheim, hij is zichzelf altijd

trouw gebleven, nooit gezwicht voor wat dan ook.

Zelfingenomenheid, zelfgenoegzaamheid, commercie,

geld – die mechanismes kende hij niet.

Werners zoektocht naar zijn gigantische werk

heeft te maken met rechtvaardigheidsgevoel,

hij zette zich in voor de kleine pareltjes die hij

kon vinden onder de hoge bomen. In de woorden

van hoogleraar letterkunde Marita Mathijsen

(die ons de violofoon leent voor ons programma)

duidt in de natuur de aanwezigheid van veel

kleine soorten op een gezond milieu, en een

gezond milieu moet worden beschermd. Zo

dacht Werner ook over de muziek! Voor dit werk,

schreef hij in 2017, zal ik me nog in lengte van

jaren met passie blijven inzetten in de hoop

daarmee de lacunes in de muziekgeschiedenis

enigszins te kunnen opvullen.

Zo wordt dit festival niet alleen een Tribute to

Werner Herbers maar ook een Werner Herbers

Tribute.

Laat duidelijk zijn: Werners diepste wens was

dat deze muziek zal worden doorgegeven aan

jonge musici, met name via het conservatorium,

en aan een jonger publiek. Het interessante is

daarom ook dat hier jonge spelers samen spelen

met de musici van de Ebony Band.

Leonie Herbers-Polak

6 7


foto: Bert Nienhuis

Werner Herbers

11 augustus 1940 – 5 juni 2023

Bas van Putten

Werner Herbers speelde meesterlijk hobo en

voerde met zijn Ebony Band honderden werken

uit van door de nazi’s vervolgde en vergeten

componisten.

De vaak verrassende muziek die Werner

Herbers herontdekte profiteerde van een

Sherlock Holmes-achtige vasthoudendheid en

een absoluut rechtvaardigheidsgevoel. Herbers

werd gedreven door nieuwsgierigheid naar

onbetreden muzikale paden, maar droeg ook

een morele opdracht met zich mee: historisch

onrecht ongedaan maken. Door de nazi’s

geliquideerde entartete Musik, gekke eigenheimers

die door pech en soms een beetje

eigen schuld uit beeld waren gebleven in

de schitterende muzikale chaos van het

interbellum, vergeten Russen, in utopisch

niemandsland verdwaalde jazzvogels; op de

concerten en cd’s van Herbers’ Ebony Band

waren ze terug van weggeweest.

Zijn Duitse vader Hein – leraar, pacifist en

medewerker van het tijdschrift Das andere

Deutschland – was in 1934 naar Nederland

gevlucht na een nazi-hetze tegen, onder

meer, zijn schotschrift Willst du alt werden,

werde General. Een tirade over Hindenburg

waarin, hoorde je Werner dan gepantserd trots

uitleggen, zijn vader aangaf ‘hoe erg het was

dat een stelletje ouwe zakken oud zat te worden

achter een bureau en ondertussen andere

mensen de dood in stuurde’. In die geest zou

de zoon muziek die het verdiende met succes

rehabiliteren.

Hein Herbers werd hier met open armen

ontvangen door de pedagoog Kees Boeke,

die hem al in 1923 had ontmoet tijdens een

door Boeke georganiseerde Frans-Duitse

verzoeningsweek. Boeke had in 1926 in

Bilthoven de Werkplaats Kindergemeenschap

gesticht, een school die geen school mocht

heten en waar, schrijft zijn biografe Daniela

Hooghiemstra, ‘een nieuwe mens’ moest

opstaan, die er op zijn voorwaarden kon

‘worden wie hij is’. Gemeenschapszin en

muziek speelden een grote rol in dit ultieme

cultuurmilieu, waar Hein Herbers Duits en

geschiedenis ging geven en uit zijn huwelijk met

Lisa in 1940 Werner werd geboren. Er waren,

schrijft Hooghiemstra, ‘weinig scholen waar

een native speaker (Hein Herbers) met zoveel

passie Duitse literatuurles gaf en waar kinderen

als kleuter al kennismaakten met Bach en

Beethoven’. Het kinderkoor van de Werkplaats

zong in de oorlog onder Boeke een vocale

bewerking van Bachs Kunst der Fuge, deels

op teksten uit Goethe’s Faust, het Evangelie

van Johannes en Min de stilte in uw wezen van

C.S. Adama van Scheltema. Hoe Boeke zijn

gemeenschap naar die toppen trainde is een

raadsel.

Natuurlijk werd Werner musicus. Hij studeerde

hobo, piano en directie in Amsterdam en werd

in 1970 ingelijfd door het Concertgebouworkest,

waar hij tot 2005 solo-hoboïst zou blijven.

Naast de vorstelijke speler die hij was, werd

hij een van de hoekstenen van het orkest,

klankbord voor grootheden van Haitink tot

Bernstein. Tegelijkertijd was hij sinds de eerste

gloriejaren onder Edo de Waart een van de

beeldbepalende spelers en de artistieke motor

van het Nederlands Blazers Ensemble (NBE).

Maar pas in de Ebony Band, ensemblepool met

de harde kern van het NBE en collega’s van het

Koninklijk Concertgebouworkest, vond hij vanaf

1990 zijn bestemming als ontdekkingsreiziger.

Als orkestmusicus van een wereldberoemd orkest

kon Werner het nuttige met het aangename

verenigen. Op tournee kwam je nog eens in de

buurt van een bibliotheek, een weduwe of een

museum. Zijn aanpak was uitputtend grondig.

Op zijn jacht naar vergeten figuren belde Werner

8 9


foto: Bert Nienhuis

Passie voor het onbekende

Werner Herbers

met het telefoonboek naast zich unverfroren

alle naamgenoten in de stad van herkomst. In

zijn werkkamer stapelden de ordners, knipsels

en manuscripten zich op. De sfeer was er

zo eeuwenoud als de cultuur die er woonde.

En hij kon schitterend verslag doen van zijn

speurtochten. Vaak dacht je: had je de tijd gehad

om dit zo gloedvol op te schrijven als je erover

vertelde, dan was elk project een roman geweest.

De website ebonyband.nl geeft een indruk

van wat Werner met stille volharding tot stand

bracht. Tientallen programma’s met veelal

obscure componisten. Diverse cd’s, waarvan hij

de laatste met Wilhelm Grosz’ charmante, door

hem voortreffelijk gedirigeerde opera Achtung,

Aufnahme!nog net in handen heeft gehad. In

de Ebony Band Edition gaf hij in eigen beheer

ongepubliceerde partituren uit. Via zijn excellent

gedocumenteerde toelichtingen vang je

meer dan een glimp op van zijn soms bizarre

omzwervingen. Overal voel je de inzet: Doe Het

Goed. Het missiewerk bleef niet onopgemerkt. Hij

kreeg er in 1997 terecht de Hogenbijl Prijs voor.

Je denkt aan alle namen die zo veel aan

hem te danken hebben. Mátyás Seiber. Erwin

Schulhoff. Stefan Wolpe. Wilhelm Grosz. Egon

Wellesz. Alois Hába. En alle anderen. Op de

site staan ze allemaal, alfabetisch geordend,

met informatieve biografieën van Werners

hand. Wat een eervol monument voor al die

naamloze soldaten.

Wat speet het Werner om doodlopende

sporen niet meer op te kunnen pikken. Tot

kort voor zijn dood liet zijn fascinatie voor

anderen geen ruimte voor zelfbeklag. Tot het

laatst bleef hij ondanks die verschrikkelijke

ziekte scherp, geestig en geïnteresseerd.

De dood werd heroïsch getrotseerd als een

noodlottig ongemak. Achter de façade van

ironische reserve gloeiden als vanouds een

grote menselijke warmte en zeer on-ironische

verbondenheid met het geschonden verleden

van de prachtige cultuur die zo onthutsend

diep was gevallen. Dan las hij Eckermann, zei hij

quasi-achteloos, ‘for sentimental reasons’ – en

begreep je: het goede Duitsland van de grote

schrijvers, de door Hitler opgevreten wereld

van zijn vader. Niemand zal deze bijzondere,

begaafde en ontzettend aardige geroepene

vergeten.

14 juni 2023 – verschenen in De Groene Amsterdammer.

De voedingsbodem waaruit zich mijn

levenslange, hartstochtelijke liefde voor

de muziek ontwikkelde was mijn kunst- en

cul tuur minnende ouderlijk huis en de school

van Kees Boeke, waar creatieve vakken in gelijk

aanzien stonden als intellectuele.

Mijn ouders namen mij op mijn vierde al mee

naar de Matthäus-Passion, terwijl de bommenwerpers

over onze hoofden raasden; ik kreeg

vanaf mijn achtste pianoles van de strenge

mevrouw Abas-Nolthenius en hoorde het

Hoboconcert van Mozart, gespeeld door de

illustere Jaap Stotijn, de vader van mijn latere

leraar, met het plaatselijke amateurorkest in de

plaatselijke bioscoopzaal – dat wilde ik óók! Ik

zag Der grüne Tisch van Kurt Jooss en werd

voorgelezen uit Wilhelm Busch en Christian

Morgenstern, en mijn muziekleraren op school

lieten mij kennismaken met Bartók, Stravinsky,

Schönberg en Webern. Mijn moeder, in haar

jonge jaren Ausdrucks-danseres, steunde mijn

artistieke aspiraties energiek.

Al op vroege leeftijd raakte ik geïnteresseerd in

het nieuwe, het onbekende: moderne muziek,

jazz en improvisatie. In de verdeling van bioloog

en dichter Dick Hillenius, in mensen met

ont dekkingsplezier en mensen met herkenningsplezier,

behoorde ik tot de eerste categorie.

Muziekliefhebbers van nu behoren daarentegen

voor het grootste deel tot de laatste categorie,

met ernstige gevolgen voor de algehele

muziekpraktijk. Een afspiegeling daarvan is het

enorme aantal muziekgezelschappen, vooral

symfonie orkesten, dat zich, gesteund door

overheidssubsidies, voornamelijk bezighoudt

met het herhalen van het ‘ijzeren’ repertoire.

Muziek, om met Harnoncourt te spreken, ‘die

zich zo in je geheugen genesteld heeft, dat de

zeggingskracht ervan, de verrassing en de

overweldigende indruk van het nog nooit

gehoorde, verloren is gegaan’.

Een van de belangrijkste eigenschappen van

kunst, de eeuwige biologische bagage van de

mens, is haar kracht om je geest wakker te

maken, om je te verrassen, je fantasie te

prikkelen, je verbeelding te activeren en om

je vermogen te vergroten om dingen van een

andere kant te bekijken, te relativeren of te

abstraheren. Bij muziekstukken (dat geldt

mutatis mutandis ook voor andere kunstdisciplines)

verminderen die eigenschappen

na veelvuldig horen (dan wel zien of lezen),

het behaagelement wordt groter en van de

kunst werken blijft alleen een genotsmiddel over.

Natuurlijk heb ik zelf ook een dosis herkenningsplezier

in me, waardoor ik mij altijd zeer gelukkig

heb gevoeld in het Concertgebouworkest.

Een ander aspect van het herhalen is dat de

uitvoering, de interpretatie steeds belangrijker

wordt. De vertolkers zijn de sterren geworden,

Werner Herbers’ moeder als ‘Ausdrucks-danseres’

10

11


foto: Leonie Polak

foto: Leonie Polak

Archiefonderzoek in Praag

niet de componisten. Ik wordt geraakt door de

noten zelf, door de waarde ervan, door de keuze

van de componist, door de ‘ziel en zaligheid’ die

hij erin heeft gelegd en na lang wikken en wegen

en na het nemen van moeilijke beslissingen op

papier heeft gezet, niet door de interpretatie.

Veel musici menen aan de muziek een extra

lading te moeten toevoegen; zij gebruiken de

muziek om hun eigen kunstenaarschap en

creativiteit te demonstreren. Ik hoor het Szymon

Goldberg, de Pools-Amerikaans violist en

dirigent, die in de jaren zestig en zeventig chef

van het Nederlands Kamerorkest was, nog

zeggen, in zijn precieuze Nederlands: ‘Speelt

u die noten alstublieft gewoon zoals zij daar

staan, die zijn zó mooi…’

Bij interpreteren zijn rubato en vibrato

de belangrijkste instrumenten en tevens de

grootste boosdoeners: hoeveel musici vibreren

zich niet een weg door een muziekstuk? (Mozart

zei daar eens over tegen zijn vader: ‘Zou die man

ziek zijn? Koorts hebben? Hij vibreert de hele

tijd!) Hoeveel musici verlengen niet elke laatste

noot voor een maatstreep (door Schönberg c.s.

‘betonnieren’ genoemd) omdat dat zogenaamd

expressief werkt? En dat alles niet zelden met

een mimiek, alsof de muziek op het moment

zelf aan hun gekwelde ziel ontspringt. Het is

lang geleden, de achttiende eeuw, dat een

uitvoerend musicus werd beschouwd als een

goed am bachts man, wiens taak het was ‘met

fantasie en goeden smaak’ muziek uit te voeren.

Maar dit terzijde!

Een grote drijfveer in het uitoefenen van mijn

beroep is mijn nieuwsgierigheid naar onbekende

of vergeten muziek. Al in de jaren zestig ervoer

ik voor het eerst de opwinding van het vinden

van iets nieuws. In de Fürstlich Fürstenbergische

Hofbibliothek in Donaueschingen trof ik een

manuscript aan van een blazers arrangement van

aria’s uit Mozarts Entführung aus dem Serail. Het

was een mooie aanvulling op het repertoire van

het Nederlands Blazersensemble. De opwinding

van deze vondst zou echter vele malen groter

zijn geweest als ik had geweten dat dit Mozarts

eigen arrangement was en niet dat van meneer

Rosineck, de naam die op het manuscript stond.

Deze was, bleek later, slechts de bibliothecaris

die rond 1800 een kopie van Mozarts handschrift

had gemaakt! Ook later bezocht ik regelmatig

bibliotheken, in Amerika de Library of Congress in

Washington en de New York Public Library, in

Europa onder meer de Sächsische Landesbibliothek

in Dresden en het Eisler Archief.

In deze laatste bibliotheek, een stoffig, oud

pand in het naar bruinkool stinkende Oost-

Berlijn, vond ik muziek waarvan pas later tot

mij door drong hoe belangrijk die voor mij was:

Eislers Kammerkantaten.

Dat besef kwam pas toen ik in 1988 met een

ad-hoc-ensemble een openings concert had

verzorgd voor de tentoonstelling ‘entartete

Musik’, de reconstructie van een expositie

die in 1938 in Düsseldorf was georganiseerd

als pendant van de grote beeldende kunsttentoonstelling

in 1937 in München over

zoge naamde ‘ontaarde’ kunst, de moderne, in

de ogen van de nazi’s verwerpelijke, smakeloze,

verderfelijke kunst die bestreden diende te

worden. Het onderzoek dat ik voor dit concert

had ondernomen leverde zo veel informatie en

repertoire op, dat de oprichting van de Ebony

Band, met als doel deze mer à boire te ontginnen,

een logische stap was.

Nooit eerder in de muziekgeschiedenis

ontstonden en floreerden in zo’n korte tijdspanne

zoveel nieuwe stromingen, zoals

dadaïsme, kubisme, constructivisme, expressionisme,

surrealisme, en in de muziek ontstond

een breed spectrum aan idiomen met als

uitersten de nieuwe rage jazz en de atonaliteit

van de Tweede Weense School.

Mijn fascinatie voor de muziek van het

interbellum heeft twee hoofdoorzaken: enerzijds

mijn liefde voor de muzikale taal van die tijd,

anderzijds mijn empathie voor die hele componistengeneratie,

die het slachtoffer werd van

totalitaire regimes. In mijn muzikale en emotionele

belevingswereld is de eerder genoemde

cyclus Kammer kantaten een sleutelrol gaan

spelen. Hanns Eisler schreef deze in mei en

juni 1937, tijdens zijn verblijf bij Bertold Brecht

in het Deense Svendborg, een van Eislers

toevluchtsoorden in de jaren 1933–1938,

voor dat hij tien jaar in de VS verbleef. Hoewel

Eisler de serie van acht minicantates (elk niet

langer dan vijf minuten) geen cyclus noemde en

er nooit een rangschikking aan heeft gegeven,

behoren zij ontegenzeggelijk bij elkaar. Voor de

meeste cantates gebruikte Eisler flarden van

teksten uit de romans Fontamara (1930) en

12 13


Brood en wijn (1936) van de Italiaanse schrijver

en politicus Ignazio Silone, romans waarin de

strijd van het individu tegen politieke apparaten

centraal stond.

Door hun eenvoud en directheid sorteren de

woorden een schokkend effect. Mijn favoriete

cantate bijvoorbeeld, getiteld Kantate auf den

Tod eines Genossen, begint met de ongeruste

vraag: ‘Hast Du Nachricht?’, onmiddellijk

be antwoord met: ‘Ja, er ist gestern gestorben […]

Er hatte auf ein Stück Papier geschrieben:

Die Wahrheit und die Brüderlichkeit werden

herrschen an Stelle der Lüge. Die lebendige

Arbeit wird herrschen an Stelle des Geldes. Als

sie ihn verhafteten haben sie dies Stück Papier

bei ihm gefunden.’

De muzikale begeleiding, voor zang en vier

instrumenten, vind ik geniaal: Eisler koos niet

voor de simpele, martiale noten, zoals hij dat in

talloze strijdliederen had gedaan, noch voor de

atonale stijl uit zijn beginperiode, maar past een

idioom toe dat weliswaar gebaseerd is op het

twaalftoonssysteem, maar waarbij hij bij de

samenstelling der tooncomplexen – in tegenstelling

tot de werkwijze van zijn vroegere

leermeester Schönberg – een zo groot mogelijke

consonantie nastreeft, waardoor de muziek een

optimale toegankelijkheid krijgt. Hij bereikt

daarmee een evenwicht in tekst en muziek,

waarbij de woorden zonder bijgevoegd sentiment

volledig tot hun recht komen en hun pure

zeggingskracht zelfs versterkt wordt. Het gevoel

van vertwijfeling, van angst en onzekerheid dat

zich in de jaren na Hitlers machtsovername

manifesteerde wordt in vele boeken subtiel

verwoord, zoals in Irmgard Keuns roman Nach

Mitternacht (1937), of in Léo Lania’s The Darkest

Hours (1941). Dit gevoel wordt in geen enkel

muziekstuk uit die jaren zo zuiver en indringend

weergegeven als in deze cantates van Hanns

Eisler. Zij treffen je recht in het hart. Het zijn

stukken die mij mijn leven lang zullen blijven

raken en die aan actualiteit niets hebben

ingeboet.

Het begin van de lijdensweg van de componisten

die moesten vluchten was vergelijk baar

met de ervaring van mijn Duitse vader. Vanwege

zijn pacifistische politieke activiteiten kreeg hij

reeds in 1932 een ‘Berufsverbot’ als leraar van

een gymnasium (daarover schreef Tucholsky:

‘Krieg gleich Mord, der Fall Herbers’). Na anderhalf

jaar onderduiken vluchtte hij in 1934 naar

Nederland, waar hij met enig geluk de oorlog

doorkwam en op de Werkplaats van Kees Boeke

zijn oorspronkelijke pedagogische werk kon

voortzetten.

Een dergelijk geluk hadden de meeste

componisten niet. Afgezien van het grote aantal

dat de oorlog niet overleefde, was het voor

emigranten onder volledig nieuwe, uiterst

moeilijke omstandigheden vaak onmogelijk om

het vroegere leven weer op te pakken. Hun

wachtten veelal zware tijden: een nieuw leven

moest worden opgebouwd, een nieuwe taal

geleerd, nieuwe contacten gelegd. Niet weinigen

moesten de eerste jaren hun brood verdienen

met totaal ander, niet muzikaal werk, als

fabrieksarbeider (zoals Otto Jokl, een leerling

van Alban Berg, in de VS en Leopold Spinner,

leerling van Webern, in Londen), accordeon

spelend in bars (zoals Berg-leerling Julius

Schloss in Shanghai) of door het geven van

pianoles aan talentloze kinderen. In Rusland

werden de moderne, eigenzinnige componisten

gedwongen socialistisch-realistische muziek

te schrijven en verbannen naar verre oorden

(in het geval van Mosolov en Zjivotov) of, zoals

Roslavets, aan de schandpaal genageld als

‘vijand van het volk’ en totaal uit de boeken

geschrapt.

Erich Maria Remarque omschrijft in het motto

van zijn eerste exilroman, Liebe deinen Nächsten

uit 1939, de zwaarte van het emigrantenleven als

volgt: ‘Men heeft een sterk hart nodig om zonder

wortels te kunnen overleven’. Ook getroffen

componisten brachten hun moeilijke bestaan

onder woorden. Zo schreef Vladimir Vogel, die

het geluk had in Zwitserland te worden toegelaten:

‘Het was een vlucht naar een veilig

oord, het was echter ook een vlucht naar een

buitenspelpositie.’ Of Ernst K!enek, in Duitsland

een gevierd componist na het megasucces van

zijn jazzopera Jonny spielt auf in 1927, die zich,

eenmaal in de VS, beklaagde over de arme

voedingsbodem in zijn nieuwe vaderland, het

land van de onbegrensde mogelijkheden,

tegenover de rijke voedingsbodem in zijn oude

vaderland, waar de mogelijkheden juist zeer

begrensd waren. Alleen de oudere componisten

die al internationale successen hadden geboekt

foto: Leonie Polak

en al een uitgever hadden gevonden, behielden

hun status ook na de oorlog.

Mijn zoektocht naar die vergeten generatie

heeft veel mooie muziek opgeleverd, en veel

mooie verhalen. Bijzonder was bijvoorbeeld een

bezoek aan de weduwe van Erich Itor Kahn, de

fijnzinnige dodecafonist en pianist die in 1942

na bijna twee jaar Franse interneringskampen en

een bootreis van drie maanden, inclusief zes

weken internering in Casablanca, in New York

aankwam. Het echtpaar betrok een klein, donker

apparte ment aan 1 st Street. Bij mijn bezoek in de

jaren negentig was alles nog precies zo als toen

hij in 1956 overleed. Hun emigrantenbestaan

was aan den lijve voelbaar.

Intensief was ook mijn queeste naar

Hansjörg Dammert, eind jaren twintig leerling

van Schönberg, over wie een recensent van

naam in 1927 schreef: ‘Zijn muziek klinkt alsof

hij aan “dementia praecox musicalis” lijdt en

dringend klinische behandeling nodig heeft.’

Hoe interes sant kan een componist zijn?

Sowieso waren voor mij alle leerlingen van

Archiefonderzoek in Berlijn

Schönberg a priori interessant: wie door hem

werd aangenomen had talent, wie bij hem wilde

studeren was avontuurlijk. Maar Dammert zei de

muziek begin jaren dertig vaarwel om zich als

publicist volledig te wijden aan de strijd tegen

het fascisme, eerst in Duitsland, daarna in

Spanje. Een ongeluk als lid van het Internationale

Vreemdelingenlegioen, rond 1940,

heeft hem uiteindelijk het leven gekost. In de

hoop wat meer over zijn leven te weten te komen

spoorde ik zijn nicht Irmgard op en ging bij haar

op bezoek. Toen de deur openging, nadat

meerdere zware sloten ontgrendeld waren, stond

daar een op een travestiet lijkende, bijna blinde

vrouw van in de tachtig met een blonde pruik op

en met lipstick en nagellak ver over lippen en

nagels uitgesmeerd. Met een wantrouwende blik

in de ogen en met een diepe stem klonken haar

eerste woorden: ‘Ich bin ein Zeuge des Jahrhunderts.’

Maar over haar neef wist ze helaas

vrijwel niets. Ze had in de klas gezeten bij

Erika Mann, ze was gefortuneerd geweest en

ge trouwd met een nazi-bons, maar nu woonde

14

15


foto: Leonie Polak

ze op een schamel studentenflatje in München-

Schwabing, totaal berooid, zelfs zonder koelkast,

maar wel met een originele aquarel van

Kandinsky aan de muur!

Belangrijker dan de verhalen echter is de

muziek. Muziek van componisten die mede hun

tijd kleur hebben gegeven en die het meer dan

waard is gespeeld te worden. Hoe meer wij uit

die tijd te horen krijgen, des te meer begrip en

kennis we opdoen van de (muziek)geschiedenis.

Zonder de verholen bijdragen van deze componisten

is de geschiedschrijving incompleet. Wie

zeker niet vergeten mag worden is de Duitse

Tsjech Erwin Schulhoff: hij was een perfecte

spiegel van zijn tijd; hij omarmde alle nieuwe

kunststromingen die zich na de Eerste Wereldoorlog

aandienden en verwerkte ze op creatieve

wijze, speels en altijd geraffineerd geïnstrumenteerd.

In één jaar, 1919, schreef hij in drie

verschillende stijlen: laatexpressionistische

pianostukken, atonaal, zonder maatstrepen,

zodat de muziek in een ‘flow’ lijkt voort te

stromen, als ware het een improvisatie; enkele

dada-stukken: de Sonata Erotica, de Symfonia

Germanica en een pianostuk, waarvan een deel,

Overdracht van de Sonata Erotica en de Symfonia Germanica in Praag.

In Futurum, volledig uit rusten bestaat, een

stiltestuk, 33 jaar voor John Cage’s beroemde

4’33”; en een serie jazzstukken voor de klassieke

pianist, volledig uitgeschreven. Zijn Strijksextet

uit 1924 kan men gerust een meesterwerk

noemen, dat elke vergelijking met beroemde

tijdgenoten met glans doorstaat. Schulhoff

wordt inmiddels mondjesmaat op de grote podia

gespeeld, mede dankzij Gidon Kremer en het

werk van de Ebony Band.

Sensationeel was voor mij een bezoek aan

de New York Public Library begin jaren negentig,

waar men mij de nalatenschap liet zien van

Stefan Wolpe, een Berlijner, die Alban Berg en

jazzmuziek verslond, die het Bauhaus als een

pelgrimsoord beschouwde en al vroeg een

geheel eigen stijl had. Zijn beginnende carrière

werd afgebroken door het nationaalsocialisme,

hij werd actief in agitpropgroepen en vluchtte

op het laatste moment via Oostenrijk naar

Palestina. Begin jaren veertig vestigde hij zich

in de VS en verwierf er grote faam als leraar

– zelfs Charlie Parker wilde bij hem studeren.

Zijn nalatenschap, die inmiddels is aangekocht

door de prestigieuze Sacher Foundation

in Basel (waar elk ezelsoor van zijn muziek

is geregistreerd, waarnaar men alleen met

hand schoenen aan mag kijken, en waar kopiëren

verboden is) werd voor mij in dozen neergezet:

‘Ga uw gang!’ Ik vond er onder andere twee na

een brand beschadigde muziektheaterstukken

uit de jaren 1927–1929, in een bezetting geknipt

voor mijn Ebony Band, op krankzinnige, geestige

teksten in een idioom dat hier en daar op

freejazz avant la lettre leek – en nog nooit

uitgevoerd! Toen ik het wijlen componist en

Holland Festivaldirecteur Jan van Vlijmen liet

zien, was zijn reactie: ‘Onleesbaar, onspeelbaar!’

Inmiddels staat het, door ons gespeeld, op

een cd in de serie ‘entartete Musik’ van het label

Decca.

De lijst van stukken die zeer de moeite waard

bleken is lang; men zou er een schaduwgeschiedenis

van verborgen twintigste-eeuwse

muziek mee kunnen schrijven. Wie kent Hanns

Aldo Schimmerling, leerling van Zemlinsky?

Of Miroslav Ponc, volgens NRC Handelsblad

‘Mondriaan achtige avantgarde’? E.F. Burian,

die in 1928 een rel veroorzaakte op het ISCM

Festival in Siena met zijn jazzy spreekkoren? Of

de jonggestorven Mexicaan Silvestre Revueltas,

vrijheidsstrijder aan de zijde van Diego Rivera?

Hij schreef een fel eerbetoon aan Federico

García Lorca, de Spaanse dichter die door

Francogetrouwen werd vermoord, en een

aan grijpend instrumentaal lied, Caminando,

over de niet eindigende weg naar het geluk,

een voudig, schrijnend en melodieus tegelijk;

wij hebben het op de begrafenis van dirigent

Hans Vonk gespeeld. Of het Septet van Rodolfo

Holzmann, met dat wonderschone middendeel?

Hij was prijswinnaar op het Henri le Boeufcompositieconcours

in Brussel (1936), de

voorloper van de Koningin Elisabethwedstrijd.

Na lang zoeken vond ik Holzmann in Peru.

Hij toonde zich zeer verheugd dat wij zijn

muziek weer wilden uitvoeren, maar het nooit

uitgegeven muziekmateriaal kwam bij ons

niet aan: naar later bleek, omdat de postwagen

van Huanuco naar Lima was overvallen door

bandieten, de chauffeur gedood en de lading

geroofd. Toen wij een jaar later alsnog de muziek

hadden gekregen en ik hem een opname van

onze uitvoering stuurde, was Holzmann

inmiddels overleden.

Tenslotte de Pool Konstanty Regamey: in de

Universiteitsbibliotheek van Warschau werd mij

een oude uitgave van zijn Kwintet voorgelegd,

een stuk dat vergelijkbaar is met het Quatuor

pour la fin du temps van Messiaen. Het was

geschreven in 1942–1943 door een autodidact,

hoogleraar Sanskriet en Indologie, half tonaal,

half dodecafonisch, complex, monumentaal, een

compleet oorlogsstuk waarin een man zich met

de rug tegen de muur volledig uitspreekt in de

gevoelde zekerheid dat het zijn laatste kans kon

zijn. Nooit eerder heb ik mijn musici zo

enthousiast en geëmotioneerd gezien over

muziek die ik hun had voorgelegd. Inmiddels zijn

er twee cd-opnamen van verschenen en werd

het werk ook gespeeld door leden van de

Berliner Philharmoniker.

Het is onvoorstelbaar hoeveel juweeltjes

er in de schaduw van hoge bomen bestaan.

In de natuur (in de woorden van hoogleraar

letterkunde Marita Mathijsen) geldt de

aanwezigheid van veel kleine soorten als een

bewijs voor een gezond milieu, en een gezond

milieu moet worden beschermd. Zo ongeveer is

het, naar mijn mening, ook in de muziek! Voor dit

werk zal ik mij nog in lengte van jaren met

passie blijven inzetten in de hoop daarmee de

lacunes in de muziekgeschiedenis enigszins te

kunnen opvullen. Het gat dat de oorlog heeft

geslagen in de natuurlijke ontwikkeling van het

componeren zelf, is een ander verhaal.

Deze tekst werd geschreven voor Nexus 75, ‘Leerschool der

Muzen’, en wordt hier gepubliceerd met toestemming van het

Nexus Instituut.

16

17


Ebony Band –

Klankbord voor doodgezwegenen

Truus de Leur

foto: Bert Nienhuis

De Ebony Band verkeert in een schijndode staat

sinds het moment dat de rijksoverheid in het

kader van de algemene bezuinigingen op de

podiumkunsten en met onzinnige argumenten de

subsidiekraan dichtdraaide. Een reanimatie van

het ensemble zou grote inspanningen vergen.

foto: Leonie Polak

De KCOurant heeft wel de gelegenheid

aangegrepen om in de rubriek over

ensem bles uit het verleden ook een artikel te

wijden aan de Ebony Band en zijn leider Werner

Herbers, voormalig solo-hoboïst van het KCO. In

de hele wereld trokken zij aandacht met muziek,

die vaak op het nippertje aan totale vergetelheid

was ontrukt, en met componisten die

nauwelijks bekend waren bij het publiek, totdat

de Ebony Band hun een tweede kans gaf. Het

muziekhistorisch belang van hun activiteiten is

onomstreden, hun cd’s, deels live opnamen voor

het label Channel Classics, werden meermalen

bekroond: hun twee Schulhoff-cd’s wonnen

alletwee een Edison en hun cd van Revueltas

werd de Editor’s choice van The Gramophone, de

Guardian had het gekozen tot cd van de week

en in Frankrijk won hij de Diapason d’Or. Betere

geloofsbrieven zijn er nauwelijks, maar toch...

Onstaan van de Ebony Band

‘De Ebony Band is ontstaan met de adrenaline

die ik nog steeds in me had van de ruzie bij

het uiteenvallen van het Nederlands Blazers

Ensemble in 1988,’ zo herinnert Werner Herbers

zich, ‘en naar aanleiding van de vraag van

Martijn Sanders om een concert te openen bij de

opening van de tentoonstelling “Entartete

foto: Leonie Polak

Werner Herbers, Dada programma 1997

De Ebony Band

Het Ebony Kwartet

18

19


foto: Leonie Polak

De Ebony Band in New York, 2001 De Ebony Band in Praag, 2003

Musik”. In 1938 was er een muzikale pendant van

de Entartete Kunst-tentoonstelling in München

georganiseerd onder de naam “Entartete Musik”.

Toendertijd was het een mislukking, maar de

tentoonstelling die in 1988 is gereconstrueerd

in Duitsland ging de hele wereld over en kwam

ondere andere ook hier in de Koorzaal. Martijn

had mij gevraagd om een concertje te organiseren

met voorbeelden van de zogenaamde

“entartete Musik”. Toevalliger wijs was dat

cocertje precies op de datum van de Kristallnacht,

9 november. Het werd enthousiast

ont vangen. Van Waveren van het Nederlands

Impresariaat zei: “Geweldig idee, hoeveel

concerten wil je? Veertig, vijftig?” Peter Smids

van Vredenburg was ook meteen geïnteresseerd.

Toen heb ik gezegd “Okay, ik ga erop door,” want

inmiddels was mij wel gebleken, dat de periode

tussen de twee wereldoorlogen de creatiefste,

veelzijdigste periode uit de hele muziek geschiedenis

was geweest (van jazz tot dodecafonie)

en dat er talloze componisten actief waren

ge weest, die deze tijd kleur en karakter hadden

gegeven, maar nu niet meer gespeeld werden.

Een ‘mer à boire’ dus. Na een jaar research zijn

we in 1990 begonnen met een serie van drie

concerten met deze, door de nazi’s verboden

muziek.’

Inmiddels heeft de Ebony Band meer dan

vijftig programma’s uitgevoerd met titels als

‘Russische revolutionairen in de jaren twintig’,

‘Praag, stad van muziek en verbanning’,

‘In vloe den van de Weense School’, Spaanse

burgeroorlog’, ‘Lichte muziek uit donkere tijden’

en ‘Hommages’ aan Revueltas, Eisler en

Schulhoff.

foto: Leonie Polak

Coma

‘Het lettertype van het logo van de Ebony Band,’

vervolgt Werner Herbers, ‘is overigens hetzelfde

als dat van de eerste uitgave van Stravinski’s

Ebony Concerto.

Ebony Band

Maar de Ebony Band ligt even in coma. Ik heb

het altijd als eenmansbedrijfje gedaan, dat heb

ik ook zo gewild. Maar het kriebelt wel omdat ik

vind dat er nog een aantal stukken opgenomen

moet worden.

TdL – Wat staat er nog op je verlanglijstje?

WH – Het Kwintet van Regamey. Dat moet

absoluut opgenomen worden. Een meesterlijk

stuk. Constantin Regamey is in Rusland geboren,

heeft een Russische moeder en een Zwitserse

vader. Hij is op jonge leeftijd naar Warschau

geëmigreerd en werd hoogleraar in de Indische

filologie en Sanskriet. Hij was autodidact in de

muziek en schreef voor muziekbladen. Toen

Hitler kwam, vreesde hij voor zijn leven en heeft

hij een soort Quintette pour la fin du temps

geschreven, een stuk van ruim een half uur,

waarin hij zijn hele fantasie uitgeleefd heeft.

Een muzikale nalatenschap, waarbij hij zich

niet gestoord heeft aan welke stijl of mode dan

ook. Er zit Prokofjev in, Alban Berg, Ravel. Het is

monumentaal, een geweldig boeiende reis door

een zeer afwisselend landschap, een fantastisch

stuk, dat de allerhoogste eisen stelt aan de

uitvoerenden.

TdL – Hoe kom je daaraan?

WH – Toen we met het orkest in Warschau

waren, bracht ik een bezoek aan de Universiteits

bibliotheek. Daar liet een Poolse muziekhistorica

mij een aantal partituren zien,

waar onder dat kwintet van Regamey. Het werd

geschreven tussen 1942 en ’44 en is indertijd,

toevallig op D-Day, bij een ondergronds concert

uitgevoerd in Warschau. Lutoslawski heeft later

zeer enthousiast over dat concert bericht.

Regamey is in een concentratiekamp terechtgekomen,

maar kwam eruit door zijn Zwitserse

paspoort en zocht zijn toevlucht in Lausanne,

waar hij weer hoogleraar werd. Hij heeft daarnaast

nog veel gecomponeerd, onder andere

twee gigantische opera’s, die nog nooit zijn

uitgevoerd. Ik vond het een ontdekking, die man.’

Kant en klare opnamen

‘Maar er liggen nog opnamen kant en klaar: een

jazz-oratorium van Erwin Schulhoff van bijna

een uur met koor, grote band, solisten. Is prima

geworden, bestaat niet op cd. Verder de

Jazzo lettes van Mátyás Seiber (1905-1960),

de Suite from de Twenties van Stefan Wolpe

(1902-1972), Egon und Emilie van Ernst Toch

(1887-1964), de Kleine Dreigroschenmusik van

Kurt Weill (1900-1950), die niet zo onbekend

is, maar wel te gebruiken als “lokmiddel”. Maar

het probleem is, dat ik na alle kosten voor de

opname zelf, voor de release per cd zo’ viertot

vijfduizend euro aan de muziekuitgever(s)

moet betalen. En als je weet dat bijvoorbeeld

de uitgever Schott zo’n tien jaar geleden de

totale rechten over het oeuvre van Schulhoff

heeft gekocht van de weduwe van Schulhoffs

zoon (een oud wereldvreemd vrouwtje in Praag)

voor zegge en schrijve 700 DM, dan word je

niet vrolijk van zo’n rekening. Er zijn bijna

geen fondsen die cd-opnamen financieren.

De over heid al helemaal niet, die heeft nog

steeds het idee dat een cd een commercieel

product is, wat al lang niet meer zo is en zeker

niet met dit repertoire. We hebben gewoon een

mecenas nodig, iemand die het belang van het

behoud van cultureel erfgoed waardeert.’

Reguliere concerten zal de Ebony Band in de

toekomst nauwelijks nog geven. Het is moeilijk

om aan concerten te komen, de concurrentie is

groot en concertzalen en organisatoren hebben

weinig geld, lef en visie, en zetten liever bekende

namen met publieksvriendelijke muziek op het

programma. ‘Als we programma’s aanboden aan

zalen in de provincie waren ze eigenlijk alleen

geïnteresseerd als de Kleine Dreigroschenmusik

van Kurt Weill erop stond. Een concert met

alleen maar Holzmann, Koffler en dergelijken

durft niemand aan, terwijl dat de componisten

zijn waar de Ebony Band zijn belang aan

ont leent en subsidie voor kreeg. Daarom is het

belangrijk dat onze website (www.ebonyband.nl)

bijgewerkt wordt, zodat al die onbekende

componisten goed gedocumenteerd zijn, dat

men weet wat ze geschreven hebben en waar

die muziek te vinden is. Dat is mijn doel, maar

zelf kan ik helaas geen website maken. En daar

is dus ook weer geld voor nodig...’

Hoogtepunten

‘Aan de meeste muziektheaterstukken heb ik

veel plezier beleefd, zoals Malpopita van Walter

Goehr en Baby in der Bar (met ballet) en

Achtung, Aufnahme! van Wilhelm Grosz, alles

in semi-scenische uitvoeringen. Ook In zehn

Minuten van Walter Gronostay en zijn muzikale

hoorspel Mord. Zeer bijzonder vond ik ook de

operaatjes van Stefan Wolpe, Zeus und Elida

en Schöne Geschichten, die zelfs nog nooit

eerder waren uitgevoerd. Krankzinnige muziek!

Daar deden in totaal zo’n 70 mensen aan mee

(spelers/zangers). Ik had die stukken gevonden

in de New York Public Library, waar Wolpes

na laten schap beheerd werd, voordat de

Zwitserse Sacher Stiftung de heleboel opkocht.

De manuscripten zagen er geweldig uit, goeie

bezettingen, jazz-aanduidingen, meesterlijke

teksten, alleen vrijwel onleesbaar, zowel door

het oorspronkelijke handschrift als ook vanwege

de waterschade die de muziek had opgelopen

na een brand in Wolpes Amerikaanse huis.

Met veel moeite hebben we alles ontcijferd

en in samen werking met de Duits/Amerikaanse

uitgeverij Peer uitgegeven. Het heeft ons zo’n

20.000 gulden gekost!

En City of Glass van Robert F. Graettinger:

dat was een zijsprongetje naar de jazz, met

de Ebony Big Band (mét strijkers). Ook hier

een eindeloze speurtocht naar het verloren

ge waande materiaal. Maar gelukkig bleek

een oude medewerker van Stan Kenton, de

20

21


foto: Leonie Polak

De Ebony Band met Claron McFadden

beroem de big band-leider voor wie het stuk

was geschreven, nog een kopie in bezit te

hebben. City of Glass is een indrukwekkend

stuk; aan het eind zit een tutti-akkoord, bijna

twaalftoons, fortississimo, dat als een bom

explodeert en de zaal in knalt. Ik moet daarbij

altijd denken aan het beroemde akkoord van

de Tiende Mahler. Na dat akkoord brokkelt de

heleboel af, een gigantisch diminuendo; het

eindigt op een lange noot in de hoorns, één

noot, pianissimo. Zo eindigt ook Moses und

Aron van Schönberg (dat pas acht jaar later

in première ging). Een fantastisch effect.

Graettinger is in zijn tijd, in 1952, één keer

gespeeld en gelukkig door Stan Kenton

opgenomen. Anders had niemand het unieke in

Graettinger opgemerkt. Hij zei: “Ik weet niet of

het een bunch of crap is, of absoluut geniaal,

maar we moeten het doen.” De reacties waren

zeer extreem. “He tried to write electronically

with conventional instruments” zei Kentons

drummer, en het blad Metronome vond het meer

science fiction dan kunst. Maar de beschrijving

van ene Paul Lansing in het Nederlandse blad

Glorieuze Klanken van 1955 liegt er niet om:

“Hier wordt een nieuwe wereld geopend, hier

hebben we nog nooit van gehoord,

bovenwerelds, de toekomst.”

Het is moeilijk, eigenlijk onbegonnen werk om

de hoogtepunten uit die zestien jaar te noemen.

Er waren zoveel leuke concerten in Felix Meritis

en in het Utrechtse Vredenburg met kleinere

bezettingen. Misschien moet ik nog de drie

concerten in Praag vermelden, waar we louter

muziek van vergeten Tsjechen speelden. Martinů

is de enige, die men daar nog uitvoert, Schulhoff

sporadisch en van Burian, Schimmerling,

Myroslav Ponc of Karl Reiner hadden ze al

helemaal niets meer gehoord. Het was heel leuk

om daarmee aan te komen.

Was er een officieel laatste concert?

‘We hebben (nog) geen laatste concert gehad.

We zijn nu in coma [het gesprek vond in

december 2006 plaats], maar worden binnenkort

wel weer even wakker. In januari hebben

we een concert in de KAM-serie in Felix Meritis

met Regamey, Popov en Zjivotov, in mei in het

Gebouw het 4-mei-concert, en een paar weken

later een concert in Nijmegen. Daarna....??????

Voorlopig ga ik me concentreren op het

uitbrengen van al gemaakte opnamen en

onderzoeken of we nog meer opnamen kunnen

maken. Ik zou het leuk vinden als het Ebony

Kwartet (Marleen Asberg, Anna de Vey

Mestdagh, Roland Krämer en Daniël Esser) een

keer een cd maakte. Dat wilde ik ze al lang

voorstellen. Ik ben zoveel stukken voor kwartet

tegen gekomen, die niet op cd bestaan.

Bijvoorbeeld een heel mooi onafgemaakt stuk

van Erich Itor Kahn (1905-1956). Eén deel, acht

minuten. Prachtig. Kahn is via Parijs naar New

York gevlucht en daar in 1956 overleden. Ik

heb zijn weduwe een paar keer opgezocht.

Ze woonde nog in het zelfde appartement als

waar ze met haar man had gewoond. Alles was

precies zoals het geweest was tot en met de

muziek op de vleugel, en de hele bibliotheek.

Die nalatenschap is naar de Public Library

gegaan. Zij heeft me nog een soort dagboekje

van hem laten zien, een soort werkenlijst

met kleine notenbalkjes, maar alles zo klein

geschreven, dat ook met iemand met goede

ogen daar een vergrootglas voor nodig heeft,

haarfijn, ongelofelijk, een klein juweeltje. Kahn

was een echte dodecafonist, maar dit kwartet

is nog laat-expressionistisch. Verder denk ik

aan korte stukken van Josef Matthias Nauer

(1883-1959), de man die altijd claimde dat hij

het twaalftoonssyteem heeft bedacht. Heel

subtiele composities. Of Louis Gruenberg

(1884-1964), het Ebony Kwartet heeft zijn

Four Indiscretions al diverse malen geweldig

gespeeld.’

Trait d’Union voor de doodgezwegenen van

toen

‘Ik vind het interessant, muziekhistorisch gezien,

hoe die oorlog een gat geslagen heeft in de

ontwikkeling van het componeren. Die waanzinnig

radicale stroming uit Darmstadt was

er nooit gekomen als de oorlog er niet was

ge weest, denk ik. Als het componeren zich

gewoon verder ontwikkeld had, als al die

Berlijnse leerlingen van Schönberg waren

blijven leven en hadden doorgecomponeerd...

De componisten uit Darmstadt wisten bijna

niets van wat er kort voor de oorlog was

gebeurd. Boulez heeft een keer in een interview

gezegd, dat hij een partituur van Webern heeft

moeten overschrijven om de muziek te kunnen

bestuderen. Het was voor hem een openbaring

toen ze er eenmaal kennis van namen.

Ook van de meesten die de oorlog overleefd

hebben, die geëmigreerd zijn, is weinig overgebleven,

omdat veel mensen niet konden

aarden in hun neuwe vaderland. Zo’n Leopold

Spinner (1906-1980), een leerling van Webern,

heeft een paar heel mooie, fijnzinnige stukken

geschreven. Hij was een langzame schrijver, heel

gedetailleerd. Hij is in Engeland terecht gekomen

en heeft de eerste jaren als machinebankwerker

gewerkt; ’s avonds gaf hij talentloze kinderen

pianoles en dirigeerde een amateurkoor. Onder

die omstandigheden maak je geen geïnspireerde

composities meer.

Men moest een sterk hart hebben, wilde men

een volledige ontworteling kunnen overleven.

Zoals Vladimir Vogel (Russische leerling van

Busoni) het uitdrukte: “De weg naar Zwitserland

was de weg naar een veilige plaats maar het

was ook de weg naar een buitenspel-positie.”

Of Ernst Krenek: “Zoals het land van de

on be grensde mogelijkheden (Amerika) ons

geleerd heeft om aandacht te hebben en

rekening te houden met de realiteit, zo was aan

het oude continent voorbehouden, om in ons

het plezier voor het onmogelijke wakker te

maken.”’

Moge het plezier in het onmogelijke de Ebony

Band in leven houden.

Februari 2007 – verschenen in de KCOurant.

Noot: de door Werner Herbers in dit interview aangekondigde

cd’s zijn later verschenen bij Channel Classics.

22

23


Verborgen twintigste-eeuwse stukken

De plantjes onder de bomen

Bas van Putten

In 2007 viel het doek voor de Ebony Band.

Nu is het ensemble van Werner Herbers

terug voor een eenmalig optreden in het

Zeitgeist-programma van het Koninklijk

Concertgebouworkest. Dan wordt ook de

nieuwe cd gepreenteerd. Het zal niet de

laatste zijn.

Van 1990 tot 2007 was de Ebony Band

van Werner Herbers, inmiddelds oud-solohoboïst

van het Koninklijk Concertgebouworkest

en tot 1988 verbonden aan het ‘oude’ Nederlands

Blazersensemble, voor repertoirejagers

een van de parels van de Nederlandse

ensemble-cultuur. Als kind van Duitse Exilouders

maakte Herbers zijn levenswerk van

vergeten muziek uit het interbellum. Met zijn

ensemble bracht hij Entartete Musik van Duitse

en Centraal-Europese componisten die door

hun joodse afkomst, hun idioom en/of hun

politieke opvattingen het Derde Rijk moesten

ontvluchten en onder barre omstandigheden

in de anonimiteit oplosten, of de dood vonden

in Hitlers concentratiekampen.

Mede dankzij Herbers zijn meesters als Erwin

Schulhoff, Ernst Toch en Stefan Wolpe nu iets

meer dan voetnoten in de muziek ency clopedie.

Maar hij verruimde zijn horizon: met onbekende

Russen uit de jaren twintig, programma’s rond

de Tweede Weense School, muziek van de

Mexicaan Silvestre Revueltas, obscure big

bandmuziek van de jong gestorven componist

Robert Graettinger. In de Holland Festivals van

1995 en 1997 bracht de Ebony Band muziektheaterwerken

van Walter Gronostay, Kurt

Weill en Stefan Wolpe. Werken van Weill, Toch,

Schulhoff, Wolpe en Graettinger verschenen ook

op cd. Opnamen van de Ebony Band oogstten

Edisons en jubelende recensies in toonaangevende

bladen als The Gramophone.

Herbers spoorde zelf zijn materiaal op,

door op toernee met het KCO elke verlofdag

vrij te maken voor bezoeken aan bibliotheken

en nabestaanden over de hele wereld. Met

indrukwekkende resultaten. Tot 2007 speelde

de Ebony Band zo’n driehonderd werken van

125 vaak obscure componisten. In 1997 werd

Herbers voor zijn research onderscheiden met

de Haarlem se Hogenbijl Prijs.

Tot verbazing van velen was het ruim tien jaar

later einde oefening. De Raad voor Cultuur

diagnostiseerde een gebrek aan toegevoegde

waarde. ‘De Raad’, schreef de raad in haar

advies voor de cultuurnota 2005-2008,

‘oordeelt negatief over de subsidieaanvraag van

de Ebony Band omdat het beleidsplan wordt

gedomineerd door het hernemen van eerder

uitgevoerd repertoire en het registreren en

documenteren van het werk van de afgelopen

jaren. De Raad adviseert derhalve de structurele

subsidiëring in het kader van de Cultuurnota

niet te continueren.’

De Raad achtte, met andere woorden,

Herbers’ noviteiten niet voor repertoirevorming

vatbaar, terwijl dat nu net de essentie van zijn

missie was. ‘De argumentatie van de Raad was

belachelijk’, zegt Herbers nu. ‘75 procent van wat

ik gedaan heb was première voor Nederland.

En dat zou je twee jaar later dan niet mogen

uitvoeren. Als je die redenering volgt zou je

net zo goed het Concertgebouworkest kunnen

opheffen.’ Adhesiebetuigingen van onder

anderen Bernard Haitink, Frans Brüggen

en oud-ambassadeur Otto von der Gablenz

haalden niets uit. ‘Allemaal van tafel geveegd’,

zegt Herbers. Met instemming citeert hij wat

Koen Kleijn in 2007 in de Groene Amsterdammer

schreef: ‘De beslissing van de Raad voor Cultuur

om de subsidie voor de Band niet te continueren

foto: Leonie Polak

behoort tot de meest absurde en onverteerbare

ingrepen in het Nederlandse muziekleven.’

Toch moet hij toegeven dat hij ook wel een

beetje klaar was met de logistieke rompslomp

die de soms grootscheepse Ebony-projecten

begeleidde. ‘Het geld bij elkaar krijgen, met al

die voorwaarden en dan vooral overal op moeten

beknibbelen – ik heb geen groot talent voor

cultureel ondernemerschap.’ Verder was het

keer op keer de kunst om de deelnemende

musici, veelal druk bezette KCO-collega’s, op

tijd bij elkaar te krijgen. Repeteren was een

crime: ‘Altijd blijkt dat op geen enkel moment

iedereen kan. Helaas kon ik er moeilijk iemand

voor inhuren; ik was de enige die wist wanneer

ik even een fluit kon missen. Ik had ontzettend

genoeg van dat georganiseer.’ In die zin bleek

de omi n euze beslissing van de Raad een

blessing in disguise: ‘Op een gegeven moment

bedacht ik dat het natuurlijk wel leuk was om

vaak voor één keer een stuk op te diepen voor

twee honderd mensen, maar dat ik het misschien

beter op cd kon opnemen.’

De Ebony Band van nu is een combinatie van

studio-ensemble en virtueel documentatiecentrum.

De website www.ebonyband.nl bevat

naast videofragmenten van oudere producties

een repertoire-overzicht en een in staat van

aanbouw verkerende reeks levensbeschrijvingen

van uitgevoerde componisten, nog deels

van Wikipedia geplukt: ‘Het heeft een tijdje

stilgelegen, maar ik ga er weer aan werken.

Verder is er een aantal stukken waarvan ik

perfecte uitgaven wil voorbereiden. Dat geeft

me het gevoel dat ik iets blijvends neerzet.’

Dankzij een aantal genereuze privé-donateurs

– op de lijst figureren onder anderen de

schtparen Campert en Van Kooten – kan hij

cd- en documentatieprojecten blijven financieren.

Het is geluk met een tragikomisch

randje. Zie je wel dat het kan, zullen de mannen

van Rutte 1 zeggen. ‘Ik doe het nu precies zoals

zij het willen’; constateert Herbers met gevoel

voor ironie.

Hobo speelt hij niet meer. Wel dirigeert hij af

en toe. Met repertoire dat hem ligt, vaak op het

24

25


snijvlak van klassiek en jazz, zijn oude liefde. Zo

leidde hij in augustus het Shanghai Symphony

Orchestra in een concert met werken van

Antheil, Gershwin, Weill en Mark-Anthony

Turnage, de Nederlandse jazzmusici Jesse van

Ruller, Jeroen Vierdag en Martijn Vink aan zijn

zijde. ‘Dat ik een dirigentencarrière ambieer is te

veel gezegd. Ik doe alleen wat in mijn straatje

past. In oktober dirigeer ik het Limburgs

Symfonie Orkest in een programma met Eric

Vloeimans, in januari het Nederlands Kamerorkest

in een concert met Wende Snijders. Maar

Brahms en Mahler zul je me nooit zien dirigeren.’

En nu is dus ook de Ebony Band even terug,

met typisch Ebony-repertoire als Hanns Eislers

Letzte Nacht en Unterhaltungsmusik No 2, de

Suite from the Twenties van Stefan Wolpe en

Kurt Weills Kleine Dreigroschenmusik. ‘Eenmalig’,

zegt Herbers.

Maar de cd’s blijven komen. De nieuwste

– ‘de jazzkoorts van Wolpe, Burian, Martinů,

Seiber en Milhaud’ – wordt deze maand

ge pre senteerd in het Muziekgebouw. Vorig jaar

verscheen bij Channel Classics de laatste met

unieke kamermuziek van de Polen Józef Koffler

(1896-1944) en Konstanty Regamey (1907-

1982), beide namen met een hoog wablief?-

gehalte. Van Koffler, de eerste Poolse componist

die het twaalftoonssysteem toepaste, is niet

eens een precieze sterfdatum bekend; hij werd

vermoedelijk door de Duitsers doodgeschoten

in de buurt van Krosno. Een meesterwerk is het

half dodecafonische, half tonale kwintet van

Regamey, na de oorlog tot zijn dood hoogleraar

indologie in Zwitserland. Een complex, monumentaal,

compleet oorlogsstuk waarin een man

zich met de rug tegen de muur volledig uit spreekt

in de gevoelde zekerheid dat het zijn laatste

kans kan zijn. Voor zulke vondsten doe je het.

Herbers vergeleek het werk in dat opzicht

met het onder vergelijkbare omstandigheden

gecon cipieerde Quator pour la fin du temps van

Olivier Messiaen. ‘Regamey heeft gezegd: wat

ook de modes mogen zijn. ik ga me er niets van

aantrekken. Wat ik in me heb moet er nu uit. Hij

doet wat hij mooi vindt. Je hoort van alles in dat

stuk – Prokofjev, maar ook Berg.’ Hij vond hem

toevallig: ‘Ik was met het Concertgebouworkest

op tournee in Warschau. Ik had ooit contact

gehad met een Poolse professor die zich in

Koffler had gespecialiseerd. Ik had hem per brief

gevraagd waar ik moest snuffelen. Toen vond ik

dit. Er was een beduimeld cassettebandje van

een Poolse live-opname, met een veel te langzaam

gespeeld laatste deel.’

Ja, dat doet hem wel wat: ‘Het fascineert

me ongelooflijk dat zoiets blijkt te bestaan. Ik

weet ook nog hoe ik in shock was toen ik in de

New York Public Library muziek van Wolpe in

handen kreeg, met waterschade omdat er in

zijn appartement brand was geweest.’ Op zulke

momenten gaan er werelden open: ‘Van Koffler is

veel muziek zoekgeraakt, maar van Regamey

liggen er nog twee opera’s die hij na de Tweede

Wereldoorlog schreef. In manuscript. Nooit

uitgevoerd. Beide avondvullend, de ene een

reusachtig geval met groot orkest, solisten, koor

en kinderkoor. En een prachtig stuk voor bariton

en kamerorkest, dat ik al eens met het Nederlands

Kamerorkest heb willen uitvoeren.

Het zoeken is een obsessie: ‘Ik doe het al

bijna mijn hele leven. Soms heb je niet eens door

wat je vindt. Ik kan me herinneren dat ik in een

bibliotheek in Donaueschingen de harmoniemuziek

naar Mozarts Entführung aus dem Serail

vond, bewerkingen voor blazers. Toen kende ik de

brief aan zijn vader niet waarin Mozart schrijft

dat hij die nog moet afmaken, dus ik besefte

niet wat ik in handen had. Gevonden toen mijn

vader nog leefde, en die is in 1968 overleden.

Zo lang ben ik dus al bezig. In de tijd dat we

met het Nederlands Blazersensemble werk van

Wilhelm Grosz deden heb ik in New York zijn

wdeuwe opgezocht.’

Komt grootheid automatisch bovendrijven?

‘Uiteindelijk geloof ik wel dat dat waar is.

Maar het is een moeilijke vraag omdat je over

een complex geheel van factoren praat waarbij

ook publieksappreciatie een rol speelt. Wat ik

vind is vaak muziek voor fijnproevers die bij

het grote publiek niet aankomt. En niet iedere

componist componeert constant op hetzelfde

niveau. Er is een Septet uit 1935 van Rodolfo

Holzmann met een werkelijk betoverend

middendeel dat zich kan meten met het beste

van Sjostakovitsj, terwijl de rest van het stuk

niet meer dan degelijk is. Schulhoff is heel erg

goed, terwijl er bijna niets oorspronkelijks aan

zijn werk is. Bijna alle stromingen die na de

Eerste Wereldoorlog opkwamen heeft hij

opgezogen – jazz, dada, atonaliteit – maar hij

heeft wel buitengewoon vindingrijk gebruik

gemaakt van die idiomen.’

De grote handicap van nieuw repertoire is

dat de verwerking tijd vraagt die het zelden

krijgt als de componist niet tot de canon

behoort. ‘We gingen bij de Ebony Band nooit op

ons eerste oordeel af. Wat verschillende mensen

zeiden, Daniël Esser met name: we moeten het

eerst repeteren en spelen, dan blijkt pas wat het

is. We hebben een stuk gehad van Miroslav Ponc

dat helemaal over polydynamiek gaat, dus over

dynamische verhoudingen tussen instrumenten.

Eerst dacht ik: dit is amateurwerk. Toen we

het hadden uitgevoerd waren we om. De NRC

schreef: ware Mondriaan-achtige avant-garde.

Klopt. Maar je moet het eerst goed uitvoeren.’

Wie zijn voor de eeuwigheid, als je terugkijkt?

Degenen die ik op cd heb gezet – en daar

hoop ik mee door te gaan. Voor de paar cd’s

die ik nog hoop te kunnen uitbrengen zoek ik

stukken die ik echt belangrijk vind. Muziek van

H.W. Süsskind, de Fragmenten van Zhivotov,

muziek van Zemlinsky-leerling Schimmerling,

het septet van Gavriil Popov, een geweldig stuk.

Er komt nu weer een cd met een stuk van nota

bene Martinů dat om een heel absurde reden

een wereldpremière wordt, al is het op cd

verschenen. Vanaf de publicatie is de cellopartij

weggelaten. Er moet bij de drukker iets zijn

misgegaan. Het is nota bene een uitgave van

Schott, toch niet de minste. Schott wist het

niet, de Martinů Foudation wist het niet, ik

kwam er pas achter toen we de opname al

hadden gemaakt. De cellopartij hebben we

er later ingedubd.’

Je zou een schaduwgeschiedenis van

verborgen twintigste-eeuwse muziek kunnen

schrijven.

‘Ik weet niet of ik dat kan. Het is me vaak

gevraagd, maar ik geloof dat ik me dan zou

moeten beperken tot beschrijvende verhalen

van mijn zoektochten. Echt musicologisch

verantwoorde teksten krijg ik niet uit mijn pen.

Ik ben bezig met de specie tussen de grote

stenen. Het zijn de kleine plantjes onder de

grote bomen, waar toevallig juweeltjes bij zijn.’

Gelukkig is het niet onopgemerkt gebleven:

‘Zeus und Elida, een van de opera’s van Wolpe

die ik heb gedaan, komt in januari in Gelsenkirchen.

En ik hoor dat Simon Rattle naar het

stuk heeft geïnformeerd voor een uitvoering

in Berlijn.’ Er is hoop. En hij is nog niet klaar:

‘Ik zou nog wel eens naar Parijs willen. Niet

voor Entartete Musik, maar voor iemand van

wie volgens de leraar van George Antheil

Debussy alles heeft overgeschreven, Fanelli.

En ik zou nog altijd graag naar Rusland willen.

Als ik zie wat daar de laatste decennia aan

interessante schilders op ons is toegekomen,

moet daar ook op muziekgebied wel iets nieuws

te vinden zijn. Maar Rusland is lastig. Ik kan die

letters niet eens ontcijferen. En waar je vroeger

nergens bij kon komen omdat niemand enige

zeggenschap had, kom je dat nu niet omdat

iedereen er iets over te zeggen heeft.’

1 september 2011 – verschenen in De Groene

Amsterdammer.

26

27


Donderdag 12 februari 2026

Muziekgebouw

a tribute to werner herbers

Banned and Forgotten

George Antheil (1900-1959)

A Jazz Symphony (1925)

Emil František Burian (1904-1959)

Malá předehra (Kleine Ouvertüre) op. 42 (1927)

Viktor Ullmann (1898-1944)

Sechs Lieder Op.17 (1937/1994)

(arr. Geert van Keulen)

Stefan Wolpe (1902-1972)

Suite from the twenties (1926/29)

(arr. Geert van Keulen)

pauze

Paul Hindemith (1895-1963)

Kammermusik nr.1 op. 24A (1921)

Erwin Schulhoff (1894-1942)

Suite for Kammerorchester (1921)

Silvestre Revueltas (1899-1940)

Sensemaya (1937) (orig.)

Sam Weller dirigent

Barbara Kozelj zang EBONY BANd

Anna-May van der Feen fluit/piccolo

Thibaut Bouquet fluit/piccolo

Miquel Medina Garcia hobo

Dario Carmona Beltrán (alt)hobo

David Kweksilber klarinet EBONY BANd

Silvia Ferro Fernández (es)klarinet

Matej Hermešćec basklarinet

Bram van Sambeek fagot EBONY BANd

Nur Koç fagot

Leo van Oostrom saxofoon EBONY BANd

Alberto Jiménez Acosta hoorn

David De Oliveira Barros hoorn

André Felício da Ponte trompet/cornet

Tomás Lidório Lopes trompet

Nino Ponce trompet

Harrie de Lange trombone EBONY BANd

Achille De Villèle trombone

Bente van der Brug trombone

Heleen Hulst viool EBONY BANd

Zsombor Könczei viool

Teresa Da Silveira Caleiro altviool

Emanuel Reber cello

Dimitris Simopoulos contrabas

Rens Rutten pauken

Bruce Zhou slagwerk

Jeanne Chebret slagwerk

Tomás Dos Santos Gonçalves Luiz slagwerk

Saya Toyama harp

Marta Matos Da Fonseca banjo

Pieternel Berkers accordeon EBONY BANd

Gerard Bouwhuis piano celesta EBONY BANd

foto: Haitsma & Prins

Sam Weller

Barbara Kozelj

Sam Weller

Sam Weller werd onlangs aangekondigd als

een van de zes ‘aangewezen winnaars’ van de

International Conducting Competition Rotterdam,

waarbij hij in 2025 ensembles dirigeerde

zoals het Rotterdams Philharmonisch Orkest,

Klangforum Wien en het Orkest van de

Acht tiende Eeuw.

Sam geniet van een bloeiende carrière in

Nederland en Australië, met een recent debuut

in het Concertgebouw met het Nederlands

Radio Filharmonisch Orkest en uitvoeringen van

twee geënsceneerde opera’s met het Residentie

Orkest en de Dutch National Opera Academy.

Tot de komende hoogtepunten behoren debuten

bij het Tasmanian Symphony Orchestra,

Queens land Symphony Orchestra en West

Australian Symphony Orchestra, evenals een

terugkeer naar het Adelaide Symphony

Orchestra.

Oorspronkelijk afkomstig uit Australië en nu

woonachtig tussen Sydney en Amsterdam,

richtte Sam in 2016 Ensemble Apex op, dat werd

geprezen als ‘een van de meest opwindende

nieuwe ensembles op de Sydneyse muziekscene’

(Limelight Magazine). In 2024 lanceerden zij het

Apex Festival, ondersteund door de Australische

overheid – een vernieuwend en vooruitstrevend

orkestrale muziekfestival in Australië.

In 2022 studeerde Sam af aan de prestigieuze

National Master Orkestdirectie in

Neder land, waar hij les kreeg van Ed Spanjaard,

Jac van Steen, Kenneth Montgomery OBE en

gastprofessor Antony Hermus

Barbara Kozelj

De Sloveense mezzosopraan Barbara Kozelj

heeft zichzelf gevestigd als een charisma tische

en buitengewoon veelzijdige artiest. Haar stem

en optredens worden geprezen als ‘adembenemend

mooi,’ ‘diep en krachtig,’ ‘verbluffend’

en ‘recht uit het hart.’ Ze is een veelgevraagde

solist op de grote inter natio nale concert- en

operapodia.

Na haar debuut bij het Koninklijk Concertgebouworkest

en haar optredens in Carnegie

Hall en BBC Proms met Iván Fischer raakte haar

28

29


carrière in een stroomversnelling. Ze zong

hoofdrollen bij operahuizen in Leipzig, Essen,

Bonn en Amsterdam. Hoogtepunten zijn haar

vertolkingen van Octavian (Der Rosenkavalier)

en Mélisande (Pelléas et Mélisande) met het

Taiwan National Symphony Orchestra onder

leiding van Jun Märkl in Taipei; Brangäne

(Tristan und Isolde) bij Oper Leipzig en Teatro

dela Maestranza in Sevilla; Judith (Blauw baards

Burcht) met het Nationaal Jeugd Orkest met

Antony Hermus en Penelope (Il ritorno d’Ulisse

in patria) onder leiding van Richard Egarr in de

Barbican Hall in Londen.

Barbara is ook een veelgevraagd concertsolist

en treedt op met werelds beroemdste

diri genten en orkesten. Dit seizoen keert ze

o.a. terug naar Wigmore Hall Londen voor

uitvoeringen van Mahler&Zemlinksy Liederen

en Schönbergs Pierrot Lunaire met Klang forum

Wien en later in het seizoen voor Mahlers

Das Lied von der Erde met Camerata RCO.

Ze heeft een sterke affiniteit met Lieder

en geeft regelmatig recitals met Thomas Beijer,

Julius Drake, Nino Gvetadze en Phyllis Ferwerda.

Haar hele carrière wordt ze begeleid door haar

mentor en zangcoach Sasja Hunnego.

Score Collective

Score Collective is het ensemble voor nieuwe

muziek van het Conservatorium van Amsterdam

(CvA). Het studentenensemble bestaat uit

master-studenten die zich richten op muziek

van nu, geleid door nieuwe muziekspecialisten

zoals Ed Spanjaard, Jurjen Hempel en Cora

Burggraaf.

Het initiatief kwam ruim 10 jaar geleden

van de directie van het conservatorium, in

samenhang met de start van de Master

specialisatie Nieuwe Muziek. De artistieke

coördinatie lag in de eerste 10 jaar in handen

van Arnold Marinissen, en sinds dit studiejaar

in de handen van Rachel Zang. De kern van het

ensemble bestaat uit master studenten, maar

ook bachelor-studenten met een hart voor

nieuwe muziek zijn van de partij. Zo heeft het

CvA een permanent platform voor het werken

aan en uitvoeren van nieuwe muziek. Dit gebeurt

nadrukkelijk ook in samenwerking met de

compositieafdeling; in elk project klinkt er werk

van compositiestudenten.

Victor Ullmann

Sechs Lieder op. 17

Tekst: Albert Steffen

I An Himmelfahrt

An Himmelfahrt im Vogelbau

der Eier zart azurnes Blau.

An Pfingsten schon zum Fluge flügg

O Zwitscherton! O Sommerglück!

Rotkehlchen schwingt sich aus dem Nest.

Sein Seelchen singt pupurnes Fest.

O heiliger Geist in der Natur!

Christos, dich preist die Kreatur!

II Drei Blumen

Uchtblume blüht im Herbst,

zeitlos für Tote.

Frucht bringt im Frühling Leid

Bloßgelegter, schamerfüllter Seele.

Weh, verschwinde,

Schnee, verhülle, verhülle.

Iris ist dem Mond entwichen,

und auf einem Regenbogen

auf die Welt hinab geflogen.

lhre Farben, fast erblichen,

siebenfach im Blaugewand,

weisen auf ihr Heimatland.

lsis Träne, blaue Blume,

im Ägypterland bekannt,

Taubenlieb auf deutscher Krume

nach Maria so genannt,

Augentrost der heiligen Fraue,

Himmelsblick auf irdischer Aue

III Dreierlei Schutzgeister

Pilinko, Tilinko

fröhliche Flötisten

kluge Gnomen immerfroh

Riesen überlisten

Usake, Busake,

bellendes Pudelpaar,

wehre dich, packe

böse Dämonenschar.

Aumru und Kaumru,

helffende Engel,

gebt uns im Traum Ruh,

trotz alter Mängel.

IV Es schleppt mein Schuh….

Es schleppt mein Schuh sich schwer im Schnee.

Jedoch ich geh, geh immer zu.

Die Träne heiß erweichet nicht

die harte Schicht: sie friert zu Eis.

Der Körper fallt. Gerade Bahn

der Geist Titan doch innehält.

Wie wird mir wohl! Ein Gotteskeim

grünt insgeheim am kalten Pol.

V Wie is die Nacht….

Wie ist die Nacht so weich und warm,

wie sind die Seelen nah,

wie du so ruhst in meinem Arm,

bist du schon nicht mehr da,

Ich sehe dich am Himmelsdom

von Stern zu Sternen zieh’n

ein blaulich schimmerndes Phantom.

Willst du die Liebe flieh’n?

Hinwandeln mit geschlossnem Lid,

du Geisterkolonist,

bist du der dunklen Erde müd,

weil du so heilig bist?

Du hast dich weit von mir gewandt.

Jetzt trittst du in den Mond

lch gehe in jenes Land,

wo deine Seele wohnt.

30

31


O wie der wundersame Glanz

gewaltiger erwacht!

Geliebter, ach, ich bin so ganz

in deiner Liebesmacht.

Nun hebst du dich zum hehrsten Raum,

wie bist du still und blaß.

Es trennt mich noch ein schmaler Saum

vom seligsten Gelass.

Du fliegst, du fliegst, du bist so fern.

lch sehe dich nicht mehr.

lch habe dich für ewig gern,

ach viel, ach viel zu sehr.

VI Aus dem Hauschen in den Garten

Aus dem Hauschen in den Garten zu dem Apfelbaum,

denn du kennst die guten Arten, rot mit blauem Flaum,

bis zum Bach verfolgt von Wespen, beisze nicht hinein,

erst im Schatten dieser Espen lassen sie uns sein.

Schau, dort an dem Wipfelneste jene schwarze Kräh,

schenk ihr schnell die Schalenreste, dasz sie uns nicht schmäh,

und die Fischlein in den Wellen locke mit dem Kern,

o die sonnigen Forellen in den Wellen locke mit dem Kern,

o die sonnigen Forellen, o die nemens gern

32


Vrijdag 13 februari 2026

Muziekgebouw

a tribute to werner herbers

The Cutting Edge

Robert Graettinger (1923-1957)

Thermopylae (1947)

Too Marvellous for Words (arrangement, 1948) (vocal feature)

Transparency (1952)

Untitled Original #1755 (1952)

Loverman (arrangement, 1948) (vocal feature)

Untitled Original #1700 (1952)

Everything Happens To Me (arrangement, 1952) (vocal feature)

Berend van Deelen (1994)

Nieuw werk voor big band bezetting

Robert Graettinger (1923-1957)

City of Glass I (1948)

Incident in Jazz (1949)

pauze

Mátyás Seiber (1905-1960)

Jazzolettes 1 & 2 (1929/32)

Johnny Carisi (1922-1992)

Counterpoise 1 (1948)

Counterpoise 2 (1960)

Ante Medić (1995)

Nieuw werk voor kleine bezetting

Robert Graettinger (1923-1957)

City of Glass II (1951)

Big Band

Eugenia Serra voice

Mireu Han alt sax 1

Joshua Souza alt sax 2

Joep Grootendorst tenor sax 1

Egor Tokarev tenor sax 2

Fabian van der Knaap bariton sax

Leonard Koch lead trompet

Timothé Lantoine trompet 2

Jasper Rijken trompet 3

Saúl Andreu trompet 4

Boet Kaaijk trompet 5

Thomas Voss lead trombone

Paul Lüpfert trombone 2

Kamilė Makarevi&iūtė trombone 3

Maximiliano Tato trombone 4

Jan József bass trombone

Youk den Haan electrische gitaar

Pedro Matos Mendes piano

Álvaro Orcajo bass

Éber González drums

John Santucci pauken, conga, bongo

String orchestra

Viool

Bregje Vermeylen concertmeester

Emily van Baaren aanvoerder 2e viool

Anne Bazen

Alexander van den Burg

Tatiani Kotanidou

Michelle Kumara

Aimee McAllister

Chiara Nobile

Mariya Obukhovska

Marie Pedersen

Milo Weelink

Lydia Zweers

Altviool

Jolie Bisoendial aanvoerder

Alix Rodenburg

Cello

Daniele Ferraro aanvoerder

Oscar Casey

Vincent Kalk

Eleonora Mascia

Emma Naegele

Contrabas

Rita Martínez Vinyeta aanvoerder

Inês Damasio Fernandes

Manon Richard

Wind sextet

Jinte van der Heijden fluit

Isabella Torrijo Pardo hobo

Alejandro Lopez klarinet

Antón Sanmartín Pérez-Lafuente hoorn

Francisco Alvez Novo Perreira hoorn

Lou Tardy fagot

Tanine Kian piano in ‘Jazzolettes’

34

35


Zaterdag 14 februari 2026

Conservatorium van Amsterdam

a tribute to werner herbers

Rediscovered

Emil František Burian (1904-1959)

Suite Americaine (1926)

Hans Aldo Schimmerling (1900-1967)

6 Miniaturen für Kammerorchester (1922)

Walter Susskind (1913-1980)

Rechenschaft über uns (1933)

Erwin Schulhoff (1894-1940)

Otto Griebel (1895-1972)

Zehn Themen (1919)

pauze

Hanns Eisler (1898-1962)

Kantate auf den Tod eines Genossen op. 64 (1937)

Kriegskantate op. 65 (1937)

Erwin Schulhoff (1894-1940)

Bassnachtigall (1922)

Konstanty Regamey (1907-1982)

Kwintet (1942-44)

Marco Orazio Vallone dirigent Schimmerling

Anneloes Kriek sopraan

Trevor Brown spreekstem

Nicolai Kjellberg fagot solo

Gerard Bouwhuis piano solo

Sandra Cebrián Hildalgo piano solo

Emily Beynon fluit EBONY BANd

Jonas Niesten hobo

David Kweksilber klarinet EBONY BANd

Samuel Bragança Mendes de Freitas klarinet

Nicolai Kjellberg fagot - solo

Tom Lowe saxofoon

Nuno Jose Miranda hoorn

Carlo Caravaggi trompet

Anna De Veij Mestdagh viool EBONY BANd

Heleen Hulst viool EBONY BANd

Ioana Nedelcu viool

Klara Mikuz viool

Roland Krämer altivool EBONY BANd

Janet Yang altviool

Daniel Brandon cello

Nadav Vaknin contrabas

Gerard Bouwhuis piano celesta - solo EBONY BANd

Sandra Cebrián Hildalgo piano - solo

Herman Rieken slagwerk EBONY BANd

Marco Orazio Vallone

Marco Orazio Vallone

Marco Orazio Vallone, geboren in 2002 in Italië,

is een jonge dirigent die zich momenteel verder

ontwikkelt in zijn vak en zijn weg vindt in de

wereld van de klassieke muziek. Hij studeert

onder begeleiding van Jac van Steen en Ed

Spanjaard aan de Nationale Master Orkestdirectie

in Amsterdam en Den Haag.

Zijn muzikale reis begon met studies hobo

aan de conservatoria van Menton (Frankrijk)

en Monaco-Monte Carlo. Tegelijkertijd bleek

zijn grote passie voor compositie en directie

be pa lend voor zijn artistieke pad. In 2024 studeerde

Marco af in orkestdirectie aan het prestigieuze

Conser vatorio Giuseppe Verdi in Milaan.

Intussen had hij het voorrecht te leren van

en deel te nemen aan masterclasses met

diri genten zoals Lorenzo Viotti, Antony Hermus,

Tianyi Lu, Francesco Lanzillotta, Otto Tausk en

vele anderen. Daarnaast kreeg hij de kans om

belangrijke orkesten te assisteren, waaronder het

Residentie Orkest, het Nationaal Ballet Orkest

Amsterdam, het Belgisch Nationaal Orkest, het

Orkest van de Achttiende Eeuw, Het Orkest

Amsterdam, het KC Symphony Orchestra en

anderen.

Anneloes Kriek

In 2022 werd hij als Young Excellence of

Western Liguria door de Lions Club onderscheiden.

In 2023 werd hij door het Conservatorium

van Milaan geselecteerd om Viktor

Ullmanns Der Kaiser von Atlantis te dirigeren en

hij ontving een eervolle vermelding bij de Alceo

Galliera Conducting Competition. In 2024 werd

hij opnieuw door het conser vatorium gekozen

om Professor Bad Trip van Fausto Romitelli te

diri geren, in het kader van het festival Milano

Musica. In 2025 trad hij op tijdens het Musica

Sacra Festival in Maas tricht.

In de komende maanden zal Marco samenwerken

met verschillende orkesten, waaronder

het Noord Nederlands Orkest, het Residentie

Orkest en het Rotterdams Philharmonisch

Orkest.

Anneloes Kriek

Sopraan Anneloes Kriek (1999) volgt momenteel

haar masteropleiding aan het Conservatorium

van Amsterdam bij Sasja Hunnego. Haar

bachelor genoot ze aan het ArtEZ conservatorium

in Zwolle waar ze studeerde bij Marjan

Kuiper en Elena Vink. Ze was onder andere te

36

37


Trevor Brown

Nicolai Kjellberg

Sandra Cebrián Hidalgo

horen op het Grachtenfestival (2022), bij de

Nederlandse Reisopera in Humperdinck’s

Hänsel und Gretel (2022) en bij Opera Spanga

in Tchai kovsky’s Onegin (2023). Daarnaast

vertolkte ze in 2023 de rollen van Donna Elvira

in Mozart’s Don Giovanni, Amor in Rameau’s Les

Quatres Jeunesses en Una Novizia in Puccini’s

Suor Angelica. In maart 2025 soleerde ze in

Mahler’s Vierde Symfonie onder leiding van

Jun Märkl in o.a. het Muziekgebouw aan ’t IJ

en in augustus 2025 nam ze deel aan een

masterclass van Eva-Maria Westbroek in het

Concert gebouw. Anneloes volgde masterclasses

bij Margreet Honig, Lenneke Ruiten, Lilian

Farahani, Claron McFadden en Karin Strobos.

Trevor Brown

De Amerikaanse tenor Trevor Brown heeft de

afgelopen twee seizoenen opgetreden bij de

Nationale Opera, als solist in het Opera Forward

Festival en in het koor van hun pro ductie van

Dido and Aeneas. Hij trad regel matig op bij de

Connecticut Lyric Opera en was te zien als

concertsolist in het Muziek gebouw aan ’t IJ.

Trevor heeft een bijzondere affiniteit met

hedendaagse muziek en werkt graag nauw

samen met levende componisten aan nieuwe

werken. Komend voorjaar zal hij de rol van

Tommy creëren in Kees Arntzens bewerking

van Tender Is the Night. Momenteel studeert

hij bij Selma Harkink aan het Conservatorium

van Amsterdam.

Nicolai Kjellberg

Nicolai Dahl Kjellberg is 21 jaar oud en komt

uit Denemarken. Hij begon op 9-jarige leeftijd

met fagotspelen. Na 5 jaar op een openbare

muziek school werd hij op 13-jarige leeftijd

toegelaten tot de Tivoli Youth Guard, waar hij

als eerste solofagotist fungeerde en solist was

bij de première van een fagotconcert van de

Deense componist David M.A.P Palmqvist.

Na zijn jaren bij de Tivoli Youth Guard werd hij

geselecteerd voor een muziekcursus voor jonge

getalenteerde musici. In 2023 won hij de eerste

prijs bij de Jakob Gades Woodwind Competition.

Ondertussen richtte hij in 2023 het Deense

Jeugd Kamerorkest op. Hij werd toegelaten tot

het Conservatorium van Amsterdam, waar hij les

kreeg van Simon van Holen en Lola Descours. Hij

studeert daar nu in zijn tweede jaar van

de bacheloropleiding. In 2025 was hij solist

bij het Zezere Arts Festival Orchestra in

Tomar, Portugal, en nam hij deel aan het Fejøs

Chamber Music Festival. Hij heeft opgetreden

met orkesten als Concerto Copenhagen en

Copenhagen Phil.

Sandra Cebrián Hidalgo

Sandra Cebrián Hidalgo (Medina del Campo,

1999) is een Spaanse pianiste. Ze begon al op

jonge leeftijd met pianoles en volgde een

opleiding aan het Conservatorio Profesional de

Valladolid, waarna ze verder studeerde aan het

Conservatorio Superior de Música de Castilla y

León, waar ze cum laude afstudeerde met de

Extraordinary End-of-Degree Award en het

beste academische resultaat van haar klas

(2017-2021). Later voltooide ze een masteropleiding

in solo-uitvoering en vervolgde ze haar

studie aan het Conservatorium van Amsterdam

bij Frank van de Laar.

Ze heeft samengewerkt met gerenommeerde

musici als Nikolai Lugansky, Boris Berman,

Elisabeth Leonskaja, Peter Nagy, Josep Colom

enz. Ze won onder meer de eerste prijs op het

Nouvelles Étoiles-concours in Parijs (2021) en

de derde prijs op het Moscow International

Online Music Competition. Ze trad op met

ensembles als het Nationaal Jeugdorkest

van Spanje en Asko|Schönberg, en speelde in

belangrijke zalen in Spanje en Nederland, zoals

het Auditorio Nacional de Música de Madrid, het

Teatro Real, het Auditorio Nacional de Zaragoza,

het Muziekgebouw en het Bimhuis. Momenteel is

ze actief als soliste en kamermusicus in beide

landen.

38

39


Walter Susskind

Rechenschaft über uns

Tekst: Louis Fürnberg

I Viele verstehen nicht unser Tun…

Viele verstehen nicht unser Tun. Viele begreifen

nicht warum wir so sind.

Dass wir sonderbar sind, daran zweifeln wir nicht.

Aber können wir anders sein? Sind wir nicht in diese Zeit?

II Der Vater ist im Feld gefallen…

Als wir Kinder waren, war der grosze Krieg; unsre Väter

standen im Felde.

Mit eignen Augen wissen wir nicht viel davon.

Ganz fern erinnern wir uns nur an Menschenschlangen,

dumpfe Mittagssäle, Geruch von faulem Kraut,

verwundete Soldaten.

Dann blieb in unsrer Klasse einer aus – es hiesz, sein

Vater sei im Feld gefallen.

Sonst wissen wir nicht viel; nur dasz es leer war und

kalt in unserer Stube, dasz wir manchmal am Abend

hungrig schlafen gingen

und wachten wir in manchen Nächten auf, dann hörten wir,

dass unsere Mütter weinten

Sonst wissen wir nicht viel. Nur heute wissen wir, dasz

das damals unsere Kindheit war……

Dann war der Krieg aus, dann blieb es lange leer, daran

erinnern wir uns heute nicht mehr……

III Das Jazzerlebnis

Und eines Tages hörten wir die ersten Jazzkapellen schrein;

ihr Rhythmus ging durch Mark und Bein; ein Nigger der

das Banjo schwang, der grinste, brüllte, tanzte, sang

Hallo my Baby, my wonderful Baby, my Baby,

my darling are you.

Und jeden Morgen mussten wir um einhalb sieben zur

Arbeit gehen vorbei an einem Tabarin und hinter seinen

Türen klang ein Saxophon

und einer sang: Baby my Baby my wonderful Baby my

Baby, my darling are you –

Und fragten wir: wer sind denn die, für die gehen wir in

die Fabrik am Morgen spielt noch die Musik? Dann sagte

man: Das sind die Herrn für die ihr schuftet, die ihr werkt!

Wir haben damals aufgemerkt, wir haben lange nachgedacht

und langsam sind wir aufgewacht – ein Schleier fiel uns vom Gesicht.

Hallo my Baby, my wonderful Baby! Hallo! Hallo!!

Da stimmt was nicht! Nein! da stimmt was nicht! Halloh!!

40

41


IV Die Einsamen in der jungen Liebe

Samstagabends und Sonntagnachmittags gingen wir auf

einem Mädel aus, Samstag irgendwo im Tanzlokal,

Sonntagnachmittags ins Freie.

Und dann lernten wir die Liebe kennen, und alles war so

licht und alles war so schön……

Aber manche lernten auch die Liebe nicht kennen und

gehen so allein bis heute.

V Der heisse Stahl in unsrer Brust

Einmal kam ein Arbeitskamerad und sagte:

„Komm mit in die Versammlung!“ Es war ein rauchiger

langer Saal.

Wir waren viele; wir waren viele und auf der Tribüne

stand wer und sprach doch was er sprach, ich weiss es

längst nicht mehr.

Nur eines weiss ich noch: er sagte aus, was wir uns

oftmals im Geheimen dachten. Und wie er sprach, so

sagte er Ihr Brüder!

Ihr Brüder, sagte er, das fiel wie heisser Stahl in unsre

Brust und brennt bis heute darin.

VI Alle, die wir die Freiheit erringen wollen

Alle die wir aus freudlosen Gassen kommen,

Alle die wir in lichtlosen Kammern verkümmern,

Alle die wir leiden, damit wenig andre leben,

Alle die wir die Not zum Begleiter haben;

aber auf alle die wir sie zwingen wollen,

alle, die wir die Freiheit erringen wollen

Arbeiter in den Betrieben. Brotlose auf den Strassen

Alle tragen wir das Wort wie Erz in das Herz gegossen

Genossen!

VII Ich geh mit dir durch die Dunkelheit, mein Bruder

So wurden aus uns Knaben Jünglinge;

wir werkten viel und hatten oft nicht satt zu essen.

Von allen Seiten schrie es:

Arbeit! Arbeit! Arbeit macht selig, darum an die Arbeit!

O über jene die uns so gesprochen

Ich geh mit dir durch den dunklen Schacht, mein Bruder,

und seh dich Kohlen schürfen, die dir nicht brennen.

Ich geh mit dir durch den weiten Websaal, Schwester;

du nähst an Kleidern die du nicht tragen darfst –

und dann blieb sie weg, die seligmachende Arbeit;

das karge Stück Brot zum Leben auch das nicht mehr –

und auf den Feldern stehen die schweren Ähren,

und alle Kaimen sind mit Brotfrucht gefüllt und

Webmaschinen warten

und wollen schaffen, und Hunger ist da und schreit

und will gestillt sein und Blösze sind da und

wollen bekleidet werden

O Hasz – grenzenlos in uns!

VIII Unser Hasz ist voll Güte

Wir haben den Hasz in uns nicht künstlich gezogen;

wir päpelten ihn nicht auf, wir nährten ihn nicht

gewaltsam

Aber wir haben gelernt, hinter die Dinge zu sehen

Allen Worten die Frase vom Körper zu reissen:

kalt zu sein, wie die, die uns halt beraubten,

wie die Flamme furchtbar und wie sie gütig zugleich ist:

So ist unser Hasz; furchtbar und gütig zugleich.

IX Wir werden die Zeit zu überwinden wissen

Wir werden die Zeit zu überwinden wissen:

Wir werden das Alte in Trümmer legen

und unser Hasz wird nichts übrig lassen

das nicht das enthält als die blosze Erinnerung

an Not und Elend die uns zweifeln machten.

In unsern Herzen aber und unsern Hirnen

tragen wir schon den ersten Baustein zum neuen Leben;

und wir sind glücklich diese Zeit so zu erleben –

heute da zu sein.

X Unsre Zukunft wird kein Fragment

Schlagt uns in Ketten, stört uns unsre Reihen,

nehmt uns unsre Waffen, nehmt uns die; die uns führen,

unser Wille ist stark und ihr könnt ihn nicht brechen.

Und versteht ihr nicht unser Tun, unser Treiben:

und begreift ihr nicht wie und warum wir so sind –

Einmal aber – und die Zeit ist nicht ferne –

werdet ihr uns begreifen, werdet ihr uns verstehen.

Mag euch das was wir hier tun fragmentarisch erscheinen.

Merkt euch: Unsre Zukunft wird wahrlich kein Fragment!

42

43


Hanns Eisler

Kantate auf den Tod eines Genossen op. 64

Tekst: Ignazio Silone/Hanns Eisler

I Die Nachricht

„Hast du Nachtricht?“

„Ja er ist gestern gestorben.“

„Er sagte mir, dass ihr Freunde waret.“

„Ja, mit ihm war man gerne zusammen.“

Er war ein guter Mensch und machte einem Lust,

gut zu werden. Zusammensein ohne Angst zu haben,

das ist der Anfang. Wir müssen zusammen bleiben

und dürfen uns nicht auseinander bringen lassen,“

sagte er oft zu uns.

2 Die Verhaftung

Er hatte auf ein Stück Papier geschrieben:

Die Wahrheit und die Brüderlichkeit

werden herrschen an Stelle der Lüge.

Die lebendige Arbeit wird herrschen

an Stelle des Geldes. Als sie ihn verhafteten,

haben sie dies Stück Papier bei ihm gefunden.

3 Die Ermordung

Im Hofe der Kaserne haben sie ihm

einen Strohkranz auf den Kopf gesetzt.

„Das ist die Wahrheit,“ haben sie zu ihm gesagt.

In seine rechte Hand haben sie ihm einen Besen gesteckt.

„Das ist die Brüderlichkeit,“ haben sie ihm gesagt.

Dann haben Sie ihm eine Fussmatte um den Leib gelegt,

dann haben sie ihn geschlagen.

„Das ist die lebendige Arbeit,“ haben sie zu ihm gesagt.

Als er zu Boden gefallen war, haben sie ihn getreten.

Danach hat er noch zwei Tage gelebt.

Hanns Eisler

Kriegskantate op. 65

Tekst: Ignazio Silone/Hanns Eisler

Das Land ist nicht mehr das alte Land,

sondern ein fremdes Land, das Land der Propaganda.

Auf den Zügen, auf den Bahnhöfen,

auf den Telegraphenstangen, auf den Mauem,

auf dem Strassenpflaster, auf den Aborten,

auf den Kirchtürmen, längst der Gartenzäune,

an den Schulen, an den Kasernen wiederholen sich

die Parolen der Regierung für den Krieg.

Alles ist noch unterdrückter, verschüchterter,

ergebener als gewöhnlich;

auch die Stadt ist kaum wieder zu erkennen

unter den Fahnen und Inschriften,

die den Krieg und den Sieg verherrlichen.

Armes Volk, dessen Leidensfähigkeit

wahrlich keine Grenzen kennt, gewohnt,

jeder für sich in Unwissenheit, im Misstrau‘n,

im unfruchtbaren Hass aller gegen alle zu leben.

Jeder einzelne gewohnt, betrogen,

jedere einzelne gewohnt, ausgenützt,

jeder einzelne gewohnt, gekränkt, getreten zu werden.

Und jetzt will das Regime am Rande des Bankrotts

es mit der blutigen Ablenkung durch den Krieg versuchen.

Aber um dies zu tun, muss es sie einberufen,

aus ihrer Einsamkeit herausreissen, zusammensperren,

mobilisieren und bewaffnen.

Man weiss, wie eine Mobilisierung

von Ausgehungerten anfängt,

man weiss aber nicht, wie sie aufhört.

Vielleicht nähert sich unsere Stunde.

4 Der Nachruhm

„Was werdet ihr jetzt machen?“

„Zusammen bleiben.“

„Werdet ihr Angst haben?“

„Nein, nur Mörder ängstigt der Tod!“

44 45


Mit Brutalität. Uit: Erwin Schulhoff / Otto Griebel: Zehn Themen

46

47


Componisten

George Antheil

John Carisi

Emil František Burian

Berend van Deelen

George Antheil

(1900-1959)

De Amerikaanse pianist en

componist George Antheil

(Trenton NJ, 1900–New York,

1959) studeerde muziektheorie

bij de Liszt-leerling Constantin

von Sternberg in Chicago

en compositie bij Ernst Bloch

in New York. Als jonge twinti ger

las hij in de krant dat impresario

Martin H. Hanson zocht

naar een pianist in het ‘vurige

ultra-moderne genre’. Hij

stortte zich als een bezetene

op de piano en auditeerde voor

Hanson, die hem terstond richting

Europa dirigeerde. Daar

maakte hij furore met pianorecitals

waarin hij voornamelijk

eigen werken speelde, wilde,

beukende muziek, met titels

als Airplane Sonata, Sonata

Sauvage en Death of the Machines.

Het bezorgde hem de

controversiële reputatie van

een anti-romantisch, antiexpressief

futurist. En niet zelden

mondden concerten uit in

een rel; tijdens een tumultueus

concert in Budapest, kreeg hij

zijn publiek pas stil door te

dreigen met zijn automatisch

pistool, dat hij als rechtgeaarde

‘yank’ in een zijden okselholster

onder zijn rokkostuum

droeg. Hij legde vervolgens het

wapen op de piano, naast zijn

lessenaar en zette zijn recital

voort. De zaal was muisstil.

Bij een concert in Parijs,

midden jaren twintig, tijdens

de openingsmanifestatie van

de Ballet Suédois liep de zaak

zo uit de hand dat er vechtpartijen

uitbraken en de politie

arrestaties moest verrichten.

Spectaculair was ook de

eerste uitvoering van het Ballet

Mécanique, oorspronkelijk

bedoeld als muziek bij een film

van de schilder Fernand Léger

en geschreven voor acht piano’s

en slagwerk. De uitvoering

vond plaats in het atelier van

een jonge Amerikaanse die,

zich omringend met hertoginnen,

prinsessen en ander blauw

bloed, probeerde omhoog te

vallen in het Parijse societyleven.

Helaas zou Antheils succes

beperkt blijven tot Europa. De

eerste Amerikaanse uitvoering

van Ballet Mécanique, (Carnegie

Hall, New York, april 1927),

ditmaal zelfs in een versie met

16 piano’s, aambeelden, zagen,

autotoeters en een heuse

vliegtuigpropellor aangedreven

door een windmachine, werd

een ramp. Ook de speciaal

voor deze gelegenheid geschreven

Jazz Symphony beviel

slecht (minder goed dan

‘echte jazz’, ook al werd het

uitgevoerd door de volledig

zwarte band van W.C.Handy) .

Herontdekt en opnieuw uitgevoerd

en op de plaat gezet

door Reinbert de Leeuw en het

Nederlands Blazersensemble,

kregen deze twee stukken

(plus de wilde vioolsonates)

een warm onthaal tijdens het

Holland Festival van 1976.

Met de flitsende, politiekgetinte

opera Transatlantic,

zijn grootste succces in Duitsland,

en de Satie-achtige, op

Max Ernst geïnspireerde La

Femme 100 Têtes, zette Antheil

een punt achter zijn vitalistische

Europese periode.

Terug in zijn geboorteland

(1933) verloor hij zijn wilde

haren. Nadat hij zich in 1936

in Hollywood had gevestigd,

vloeiden uit zijn pen nog

slechts noten in een zeer

gematigd, belegen idioom.

Antheils autobiografie, Bad

Boy of Music geheten – nadat

hij de titels Not even my dog,

Dogs on the roof, I don’t see

anything yet, Twenty five years

in a leaky canoe, My best overcoat

en Angel Face had verworpen

– kwam in 1945 uit en

bevat prachtige, niet altijd geheel

waarheidsgetrouwe beschrijvingen

van het leven in

de ‘roaring twenties’.

W.H.

(met dank aan Elmer Schönberger)

A Jazz Symphony

Antheil schreef zijn Jazz

Symphony in 1925; de première

vond plaats op 10 april 1927

tijdens een Antheil-concert in

Carnegie Hall. Het stuk werd

bij die gelegenheid uitgevoerd

door het volledig zwarte orkest

van W.C. Handy, de vader van

de Blues. Antheil schrijft over

deze uitvoering het volgende:

“Post-dating ‘Rhapsodie in

Blue’ only slightly, it is one of

the very first symphonic expressions

which attempted to

synthecize American jazz as a

48

49


legitimate artistic expression;

and, if for no other reason, is

historically (per haps) interesting

on that account. It

was played by an all-negro

orchestra assembled by Handy,

and received an ovation at

its premiere a fact usually forgotten

because of the scandal

of the ‘Ballet Mécanique’ which

followed it.”

Volgens andere bronnen

was het succes van de Jazz

Symphony bepaald niet overweldigend

en met de uitvoering

van het Ballet

Mécanique, waarmee hij in

Parijs grote furore had gemaakt,

bereikte Antheil in

de VS niet de gehoopte ‘verovering’

van Amerika.

De Jazz Symphony werd in

Nederland voor het eerst uitgevoerd

in de jaren ’70 door

het versterkte Nederlands Blazers

Ensemble o.l.v. Reinbert de

Leeuw. Een plaatopname verscheen

op Harlekijn Holland

Producties (later Philips).

Emil František Burian

(1904-1959)

Burian was een multi-talent,

wiens interesses tot ver buiten

het gebied van de muziek reikten.

Hij was actief als toneelregisseur,

acteur, theaterdirecteur,

schrijver, uitgever,

cineast en concert organisator.

In 1924, nog tijdens zijn muzikale

studie (bij o.a. Josef Suk

en J.B. Foerster) richtte hij de

vereniging P!ítomnost (‘Tegenwoordige

Tijd’) op en brak

daarin niet alleen een lans

voor de muziek van de Tweede

Weense School en de Franse

avantgarde, maar ook voor de

symfonische jazz van Paul

Whiteman.

In de jaren 1923-29 werkte

hij voor verschillende Praagse

cabarets, kleinkunst theaters

en avantgarde groepen, maar

schreef ook drie opera’s, waarvan

er één, de jazzopera Bubu

de Montparnasse pas in 1999

in première ging. Groot opzien

baarde Burian tijdens het

ISCM-festival in het Italiaanse

Siena (1928) met zijn jazzy

Voiceband voor (spreek)koor

en instrumenten.

In 1933 richtte Burian in

Praag zijn eigen theater op,

D-34, dat uitgesproken politiek

en anti-fascistisch theater

bracht. Het theater bleef

open tot Burian in 1941 door

de nazi’s werd gearresteerd en

naar Theresienstadt, later ook

naar Dachau en Neuengamme

gedeporteerd. Veel van zijn

werken (waaronder Voiceband)

werden in beslag genomen en

vernietigd.

Burian overleefde de oorlog

en heropende prompt zijn theater.

Hij stortte zich vol energie

op zijn werk voor zover de

heer sende dictatuur hem dat

toeliet. In 1947 werd zijn muziek

bij de film Siréna op het filmfestival

van Venetië onderscheiden.

Burian stierf in 1959

in Praag.

De Ebony Band speelde

een groot aantal werken van

Burian. De meesten zijn ‘licht’

in de zin van helder, elegant,

vaak beïnvloed door jazz,

futurisme of dada.

W.H

Malá předehra

(Kleine Ouvertüre) op. 42

Het is niet bekend waar de

Kleine Ouverture (Malá p!edehra)

voor bedoeld was. Op

het manuscript staat geen

titel of andere aanwijzing, behalve

de woorden “Doek voorbereiden!”

aan het eind van de

muziek. Dat het om een theaterstuk

ging is dus evident.

Burian was in het midden

van de jaren twintig actief in

de Praagse theaterwereld. Hij

was betrokken bij het in1925

door Ji!í Frejka opgerichte

Entfesselte Theater (ook

Befreites Theater genoemd),

maar verruilde dit gezelschap

in maart 1927, mét Frejka, de

actrice Lola Skrbková en enkele

anderen, voor het nieuwe

‘Theater Dada’. Dit theater

was echter geen lang leven

beschoren. Het is dus ongewis

voor welk van beide theaters

de Kleine Ouverture is geschreven.

Frejka werd in 1930 regisseur

aan het Praagse Nationaltheater

en Burian richtte in

1933 zijn eigen, politiek geëngageerde

theater ‘D-34’ op.

Het Entfesselte Theater

bleef gedurende de hele periode

aktief; Erwin Schulhoff

speelde er tussen 1933 en eind

1935 regelmatig piano.

De Kleine Ouverture is in

april 2013 op de Ebony Band

cd Around Prague 1922-1937’

verschenen (Channel Classics,

CCS 34813).

Suite Americaine

De Suite Americaine op.15

werd oorspronkelijk geschreven

voor twee piano’s, maar reeds

een maand na de voltooiing

(december 1926) had Burian

een tweede, afwijkende versie

gemaakt voor een gemengd

instrumentaal ensemble met

in de hoofdrol een violophone,

die het dwarse karakter van de

muziek extra accentueerde.

De violophone (ook Stroh-

Geige of Violine à defaut

genaamd) was een Engelse

uitvinding uit het eind van

de 19de eeuw ten behoeve

van de eerste grammofoonopnamen.

Het geluid van de

snaren werd niet door een

resonerende klankkast, maar

d.m.v. een membraan versterkt

en via een trompetachtige

metalen toeter in een bepaalde

richting gestuurd. Vanaf

de jaren twintig was de violophone

veelvuldig in straaten

jazzorkesten te horen.

John Carisi (1922-1992)

Carisi was een Amerikaanse

jazztrompettist, componist en

arrangeur die vooral bekendstaat

om zijn verfijnde, intellectuele

benadering van jazzcompositie.

Hoewel hij zelden

in de schijnwerpers stond als

solist, oefende hij een blijvende

invloed uit op de ontwikkeling

van moderne jazz door zijn

werk als componist en arrangeur.

Carisi werd geboren op 23

februari 1922 in New York City.

Al vroeg raakte hij betrokken

bij de jazzscene en ontwikkelde

hij een grote interesse in

harmonische en structurele

vernieuwing. In de jaren veertig

en vijftig werkte hij samen met

enkele van de meest vooruitstrevende

orkestleiders van

zijn tijd, waaronder Claude

Thornhill, Gil Evans en Miles

Davis. Ook speelde en arrangeerde

hij voor het Glenn Miller

Army Band tijdens de Tweede

Wereldoorlog. Zijn bekendste

compositie, Israel (1949), werd

een jazzstandaard nadat Miles

Davis het opnam met zijn

nonet voor de legendarische

Birth of the Cool-sessies.

Een belangrijke invloed op

Carisi’s muzikale denken was

de studie bij de Duits-Amerikaanse

componist Stefan

Wolpe. Wolpes radicale, atonale

benadering van compositie

stimuleerde Carisi om verder

te kijken dan traditionele jazzvormen

en leidde tot werken

waarin jazz, hedendaagse

klassieke muziek en contrapuntische

technieken samenkomen.

Dit is duidelijk hoorbaar

in zijn reeks Counterpoises,

waarin elk instrument

een zelfstandige en gelijkwaardige

rol krijgt. De titel

Counterpoise kwam uit de

wereld van zijn broer, een

luchtvaartingenieur, waarin

counterpoise de term was voor

het in evenwicht brengen van

een klein gewicht tegen een

groot gewicht door het op een

strategische plaats te positioneren.

In muzikale zin (vrij vertaald):

elk instrument de kans

geven zijn eigen stem te laten

horen.

Counterpoise #1 werd geschreven

in 1948, in de periode

waarin Carisi bij Stefan Wolpe

studeerde. Zijn leraar was zo

onder de indruk van het werk

van zijn leerling dat hij besloot

een stuk voor dezelfde bezetting

te schrijven: het Quartet

(1950/54). De ondertitel van

Counterpoise luidt: Sonata

met de toevoeging 1st movement.

Kennelijk had Carisi dus

verdere plannen met dit werk.

De andere twee Counterpoises

werden later geschreven. Over

het stuk dat hij oorspronkelijk

#2 noemde, was hij echter zeer

ontevreden (ten onrechte!

WH). Het is een feature voor

baritonsaxofonist Gerry Mulligan

en ontstond in de periode

waarin deze zijn legendarische

Gerry Mulligan Concert Jazz

Band (1960) oprichtte. Vermoedelijk

heeft Mulligan het

stuk zelf slechts één keer gespeeld.

In 1990 volgde nog een

Counterpoise, een bijna lyrisch

maar complex duo voor trompet

en elektrische gitaar, dat

Carisi (opnieuw) No. 2 noemde.

Sindsdien wordt het Mulligan-stuk

aangeduid als #1.5.

Dit werk werd uitgevoerd en

opgenomen door Carisi zelf

met gitarist/componist James

Chirillo, die alleen in de laatste

vijf tot zeven jaar van Carisi’s

leven met hem werkte en studeerde.

W.H.

Berend van Deelen (1994)

Berend van Deelen heeft meer

dan honderd arrangementen

gemaakt voor big bands, symfonieorkesten,

Harmonieorkesten

en koren. Tot zijn opdrachtgeversbehoren

het Jazzorkest

van het Concertgebouw, het

Nederlands Studenten Jazz

Orkest (2017-2023), het ArtEZ

Pop Orchestra, de Conservatorium

van Amsterdam Tuesday

Big Band, de Conservatorium

van Amsterdam Thursday

Big Band, de Utrechtse Studenten

Big band, het Dutch

Jazz Choir en de Studenten

Bigband Nijmegen. Hij heeft

samengewerkt met gerenommeerde

artiesten als Bart van

Lier, Jan van Duikeren en

Seamus Blake.

Recente projecten zijn onder

meer het schrijven van arrangementen

voor Douwe Bob met

het Nationaal Jeugd Orkest,

het Jazz Orchestra of the

Concertgebouw met Jeangu

Macrooy, Gabe Kruse en

SMANDEM, de Monday Bigband

met Jasper Blom, het

Vortex Ensemble, het Nederlands

Studenten Jazz Orkest

50

51


2024, het Jeugdsymfonie orkest

Vuurvogel Zwolle, het Orkest

van de Koninklijke Luchtmacht

met Shirma Rouse, Phion met

Shirma Rouse, en Tinase met

Marshall Gilkes.

Van Deelen wordt geprezen

om zijn smaakvolle orkestratie

en innovatieve interpretaties

van bekende nummers.

Hij studeert bij Rob Horsting

en heeft deelgenomen aan

workshops onder leiding van

Grammy Award-winnende en

genomineerde artiesten als

Jim McNeely, Miho Hazama,

Marshall Gilkes en Dick Oatts.

Hanns Eisler (1898-1962)

Hanns Eisler was een Oostenrijkse

componist, al werd hij in

Leipzig geboren. Zijn vader

was de Oostenrijkse filosoof

Rudolf Eisler. Het gezin verhuisde

in 1901 naar Wenen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog

diende Eisler als frontsoldaat

in het leger van Oostenrijk-

Hongarije waarbij hij meerdere

malen gewond raakte. Teruggekeerd

in Wenen na de Oostenrijkse

nederlaag, studeerde

hij van 1919 tot 1923 bij Arnold

Schönberg. Hij was de eerste

leerling van Schönberg die gebruik

maakte van de twaalftoons-

of atonale compositietechniek

In 1925 verhuisde Eisler

naar Berlijn – op dat moment

een broedplaats van experimentele

vormen van muziek,

theater, film, kunst en politiek.

Hij voelde zich er aangetrokken

tot de communistische

partij, waar hij evenwel nooit

lid van werd. Zijn muziek werd

steeds meer doortrokken van

politieke thema’s en, tot ongenoegen

van Schönberg, in een

meer ‘populaire’ stijl met jazz-

en cabaretinvloeden. Tezelfdertijd

raakte hij bevriend met

Bertolt Brecht, die zich omstreeks

dezelfde tijd eveneens

tot het Marxisme had bekeerd.

De samenwerking tussen de

twee kunstenaars zou Brechts

gehele leven voortduren. Eisler

schreef de muziek voor verschillende

van Brechts theaterstukken,

waaronder Maßnahme

(1933), Die Mutter

(1932) en Schweyk im Zweiten

Weltkrieg (1944). Zij werkten

ook samen bij het schrijven

van protestliederen die een rol

speelden tijdens de politieke

onrust in laatste jaren van de

Weimarrepubliek. Hun Solidariteitslied

werd een geliefd

strijdlied bij demonstraties en

protestbijeenkomsten in heel

Europa.

Na 1933 werd het werk van

Eisler en Brecht door het nazibewind

in de ban gedaan. Hij

zocht zijn toevlucht in de Verenigde

Staten waar hij na vele

omzwervingen door Europa terechtkwam.

In Los Angeles

waar hij zich kort voor het begin

van de Tweede Wereldoorlog

vestigde, schreef hij de

muziek voor verschillende

Holly wood-films. In kamermuziek

en koorwerken die hij

in deze tijd componeerde,

bediende hij zich weer van de

twaalftoonstechniek die hij in

Berlijn achter zich had gelaten.

Eislers veelbelovende Amerikaanse

carrière werd onderbroken

door de Koude Oorlog.

Hij werd als een van de eerste

kunstenaars op de Hollywood

Blacklist geplaatst door de

bazen van de filmstudio’s.

Tijdens ondervragingen door

de Commissie voor on-Amerikaanse

Activiteiten van het

Huis van Afgevaardigden werd

hij “the Karl Marx of music”

en de belangrijkste Sovjetagent

in Hollywood genoemd.

Vrienden van Eisler, waaronder

Charlie Chaplin, Igor Stravinsky,

Aaron Copland en

Leonard Bernstein, organiseerden

benefietconcerten om zijn

verdediging te bekostigen.

Desondanks werd hij in 1948

uit de VS gezet.

Eisler keerde terug naar

Duitsland en vestigde zich in

Oost-Berlijn. Hij componeerde

er het Oost-Duitse volkslied

Auferstanden aus Ruinen.

Daarnaast schreef hij een

cyclus van liederen op satirische

gedichten van Kurt

Tucholsky en begeleidende

muziek voor theater, film en

televisie. Zijn meest ambitieuze

project uit die tijd, een moderne

opera naar het thema

van Faust, werd bekritiseerd

door de communistische censuur

en daarom nooit voltooid.

Minder dan vijf jaar na zijn verbanning

moest hij, ironisch genoeg,

opnieuw getuigen op

hoor zittingen naar aanleiding

van de twijfel aan zijn politieke

loyaliteit. Ondanks dat hij

bleef componeren en les gaf

aan het Oost-Berlijnse conservatorium,

groeide de kloof

tussen Eisler en de culturele

autoriteiten van Oost-Duitsland.

Eisler kwam de dood in

1956 van Bertolt Brecht nooit

helemaal te boven. Hij ging in

de laatste jaren gebukt onder

depressies en slechte gezondheid.

Hij overleed in Oost-Berlijn

en is vlakbij Brecht begraven

op het

Dorotheenstadt-kerkhof.

De Ebony Band voerde

meer dan 50 composities van

Eisler uit. Een aantal concerten

was volledig aan zijn werken

Hanns Eisler

Paul Hindemith

Robert Graettinger

Ante Medić

52

53


gewijd, daarmee uitdrukking

gevend aan het belang van

Eisler als componist. Zijn

emotionele en ontroerende

Kantates voor zang, twee

klarinetten, altviool en cello,

geschreven in 1936 in Denemarken

(een van zijn eerste

toevluchtsoorden nadat

hij Duitsland had verlaten),

zijn met zangeres Marjanne

Kweksilber in 1991 op het label

BVHAAST op cd verschenen.

Ook arrangeerde de Ebony

Band een aantal toneelmuziekwerken

tot een concertsuite.

W.H.

Robert Graettinger

(1923-1957)

Robert Graettinger was een

van de meest eigenzinnige en

visionaire componisten uit de

Amerikaanse jazzgeschiedenis.

Geboren in Los Angeles ontwikkelde

hij zich grotendeels

autodidactisch tot componist

en arrangeur. Zijn naam is onlosmakelijk

verbonden met de

bandleider Stan Kenton, voor

wie hij tussen 1947 en 1957 een

reeks radicale werken schreef

die de grenzen van de bigbandmuziek

verlegden.

Graettingers muziek onderscheidt

zich door een extreem

complexe vormgeving, een uitgesproken

dissonant harmonisch

idioom en een obsessieve

aandacht voor klankkleur

en structuur. In plaats van de

gangbare swing-esthetiek benaderde

hij de bigband als een

modernistisch ensemble, verwant

aan de twintigste-eeuwse

klassieke muziek.

Zijn bekendste werken,

waaronder Thermopylae en

vooral City of Glass (1951), riepen

bij verschijnen zowel bewondering

als onbegrip op. De

muziek werd door sommigen

als te complex, te ‘on-jazzachtig’

ervaren, maar groeide later

uit tot mijlpalen in de ontwikkeling

van de zogenaamde

Third Stream en de experimentele

orkestjazz. Kentons orkest

was een van de weinige ensembles

die technisch en

artistiek in staat waren deze

partituren uit te voeren.

Graettingers leven werd

overschaduwd door gezondheidsproblemen,

psychische

kwetsbaarheid en alcoholverslaving.

Door zijn korte leven

en het feit dat veel werken zelden

werden uitgevoerd, bleef

zijn oeuvre lange tijd een voetnoot

in de muziekgeschiedenis.

Otto Griebel (1895-1972)

Griebel was een Duitse schilder,

opgeleid in Dresden. Daar

kwam hij in contact met invloedrijke

kunstenaars zoals

Otto Dix en Oskar Kokoschka.

Al vóór de Eerste Wereldoorlog

maakte hij zijn eerste olieverfschilderijen.

Na zijn militaire dienst

raakte Griebel sterk politiek

geëngageerd. Hij sloot zich

aan bij de communistische

partij (KPD) en was actief in

revolutionaire arbeiders- en

soldatenraden. In deze periode

werkte hij samen met dadaïstische

kunstenaars en bouwde

hij hechte vriendschappen op

met onder anderen George

Grosz en John Heartfield.

Griebel was lid van talrijke

vooruitstrevende kunstenaarsgroepen

in Dresden, Berlijn en

andere steden, en leverde

daarnaast een belangrijke bijdrage

aan het proletarische

wandertheater Rote Truppe,

waarvoor hij onder meer decorontwerpen

maakte.

Tot zijn vrienden behoorde

ook Erwin Schulhoff. Diens

Zehn kleine Klavierstücke op.

30 werd in 1919 uitgegeven en

voorzien van lithografieën van

Griebels hand.

Na de machtsovername

door de nationaalsocialisten

werd Griebel in 1933 gearresteerd

en werd zijn werk als

‘ontaard’ bestempeld. Een

groot deel ervan ging verloren,

onder meer bij het bombardement

op Dresden in 1945.

Na de Tweede Wereldoorlog

nam Griebel actief deel aan

het culturele herstel van Dresden.

Hij exposeerde veelvuldig

en was tot 1960 verbonden

aan de Hochschule für Bildende

Künste Dresden, waar hij

bijdroeg aan de opleiding van

een nieuwe generatie kunstenaars.

De Ebony Band verzorgde

in 1997 een heruitgave van de

Zehn kleine Klavierstücke, met

reproducties van de lithogafieën

van Griebel.

Paul Hindemith

(1895-1963)

Paul Hindemith (alt)violist,

leraar, organist, theoreticus

en dirigent, wordt gerekend

tot Duitslands belangrijkste

componisten.

Hij was avontuurlijk en eigenzinnig,

talentvol en veelzijdig,

was scherp in zijn oordeel

en deinsde niet terug voor een

shockerend effect (het misbruiken

van Wagners Tristancitaat,

jazz of mechanische

muziek). Toch wortelde zijn

muzikale taal volledig in het

verleden, de Europese klassieke

muziek, waardoor hij waardering

ondervond van zowel

progressieve als conservatieve

muziekliefhebbers (zelfs na

Hitlers machtsovername werd

hij nog vrij lang getolereerd).

Hindemith studeerde aan het

Dr. Hoch’s Konservatorium in

Frankfurt en speelde van 1915

tot 1923 in het operaorkest

van Frankfurt. Van 1921 tot

1929 was hij altist van het befaamde

Amar Quartett, een

strijkkwartet dat zich inzette

voor hedendaagse muziek.

In 1927 werd hij benoemd tot

leraar compositie aan de

‘Hochschule der Künste van

Berlijn’.

In 1938 emigreerde Hindemith

naar Zwitserland, maar

vestigde zich uiteindelijk in de

VS (1940). Hij gaf les op de

Yale Universiteit en werd in

1948 Amerikaans staatsburger.

In 1951 keerde hij terug

naar Europa en werd leraar

aan de Universiteit van Zürich.

Hindemiths oeuvre is zeer

uitgebreid en divers. Hoewel hij

een vurig aanhanger van de

eigentijdse muziek was, voelde

hij zich nooit aangetrokken tot

de dodecafonie. Naast uitvoerend

musicus en componist

was Hindemith ook auteur van

verschillende muziektheorieboeken.

Ante Medić (1995)

Ante Medić (finalist SENA

Dutch Jazz Competition) richt

zijn artistieke praktijk op het

verkennen en verleggen van de

grenzen van de hedendaagse

lichte muziek. Als componist,

arrangeur en bandleider onderzoekt

hij voortdurend hoe

uiteenlopende muzikale stijlen

en tradities in nieuwe contexten

met elkaar kunnen worden

verbonden. Zijn werk kenmerkt

zich door een eclectische benadering,

waarin invloeden uit

onder meer jazz, klassiek en

andere genres samenkomen in

een persoonlijke en eigentijdse

muzikale taal.

Creativiteit, nieuwsgierigheid

en vernieuwing vormen

de kern van zijn visie. Innovatie

ziet hij niet als het loslaten van

traditie, maar als hercontextualisering

van bestaande ideeen.

Door zijn muzikale database

voortdurend te verdiepen,

vergroot hij zijn referentiekader

en ontstaan nieuwe

muzikale verbanden. Eclectiek

krijgt volgens Ante pas betekenis,

wanneer artistieke keuzes

voortkomen uit inzicht en

overtuiging.

Konstanty Regamey

(1907-1982)

Konstanty Regamey werd

geboren in Kiev als zoon van

een Russische moeder en een

Zwitserse vader. In 1920 verhuisden

zij naar Polen, waar hij

naast piano en muziektheorie,

orientaalse philologie studeerde.

In 1936 promoveerde hij en

werd hoogleraar Sanskriet en

Indische Philologie aan de

Universiteit van Warschau.

Tevens was hij redacteur van

het voor aanstaande Poolse

muziektijdschrift Muzyka

Polska, totdat de nazi’s hem in

1939 werkloos maakten. Over

de daarop volgende periode

zei Regamey zelf: “Al mijn projecten,

al mijn activiteiten werden

door de oorlog volledig

onderbroken. Het is bekend,

dat met de bezetting van

Polen alle vormen van cultuur

opgeruimd werden. Het hele

culturele leven werd op brute

wijze tot stilstand gebracht

zodat de dragers van dit culturele

leven van de ene op de

andere dag werkloos werden.

Er vormde zich een totaal

surrealistisch leven, waarin

de zwarte markt koning was.

Een uitkomst boden de koffiehuizen,

waar de kunstenaars

en intellectuelen bijeen kwamen

en tango’s en foxtrots

begonnen te spelen. Onnodig

te zeggen dat het merendeel

van deze koffiehuizen verzetshaarden

werden.”

In dit ‘surrealistische’ leven,

geheel gericht op overleven,

ontwikkelde ook Regamey zich

tot koffiehuispianist en man

van het verzet en hij legde zich

meer dan ooit toe op componeren.

Zijn hoofdwerk van die

jaren, het Kwintet, kan men

beschouwen als een compositie

‘pour la fin du temps’.

De overtuiging de oorlog niet

te overleven en het volledige

isolement waarin men zich in

het bezette Warschau voelde,

gaven de componist Regamey

het gevoel van totale ongebondenheid.

Alles was

mogelijk, alles even zinvol als

zinloos, al het denkbare kon

aan het notenpapier worden

toevertrouwd. Elk bewustzijn

van een consequente muziekstijl

of aanpassing aan welke

stroming of traditie dan ook,

leek in deze situatie absurd.

Vandaar dat men in dit werk

veel uiteenlopende muziekstijlen

kan herkennen. Het tweede

deel, het Intermezzo Romantico,

is gebasserd op twee

twaalftoonsreeksen die, à la

Alban Berg, op haast 19de

eeuwse wijze tonaal zijn gerangschikt.

Op andere momenten

herkent men melodische

elementen van Prokofjev

of harmonische van Ravel of

Messiaen. Het is een verbluffende

partituur, ingenieus

geschreven en rijk aan details.

Het beluisteren ervan ervaart

54

55


Konstanty Regamey

Hans Aldo Schimmerling

Silvestre Revueltas

Mátyás Seiber

men als een reis door een

zeer afwisselend landschap.

Het stuk werd op 6 juni 1944

tijdens een ‘ondergronds’

concert in Warschau voor

het eerst uitgevoerd. Onder de

aanwezigen bevond zich ook

Regamey’s vriend, de componist

Witold Lutoslawski, die

het stuk later omschreef als

“hoogst geraffineerd, volledig

onafhankelijk en van een buitengewone

zeggingsskracht”.

Kort na de grote opstand in

het ghetto van Warschau

(aug.-okt. 1944) werd Regamey

door de nazi’s gearresteerd en

naar een concentratiekamp

gebracht. Dankzij het Zwitserse

paspoort van zijn vader

wist hij op het laatste moment,

mét echtgenote en moeder, te

vluchten. In het conservatieve,

betrekkelijk cultuurarme Zwitserland

nam hij zijn oorspronkelijk

metier weer op (hij werd

hoogleraar in Lausanne en

Fribourg) en componeerde

in de schamele tijd die hem

restte. Uitvoeringen van zijn

werken beleefde hij slechts

sporadisch en het wordt de

hoogste tijd dat een groot

operahuis zijn twee nog nooit

uitgevoerde opera’s op het

repertoire neemt.

W.H.

Kwintet

De overtuiging de oorlog niet

te overleven en het volledige

isolement waarin men zich

in het bezette Warschau

voelde, gaven de componist

Regamey het gevoel van totale

onge bondenheid. Alles was

moge lijk, alles even zinvol als

zinloos, al het denkbare kon

aan het notenpapier worden

toevertrouwd. Elk bewustzijn

van een consequente muziekstijl

of aanpassing aan welke

stroming of traditie dan ook,

leek in deze situatie absurd.

Vandaar dat men in Kwintet

veel uiteenlopende muziekstijlen

kan herkennen. Het

tweede deel, het Intermezzo

Romantico, is gebasserd op

twee 12-toonsreeksen die,

à la Alban Berg, op haast

19de eeuwse wijze tonaal zijn

gerangschikt. Op andere momenten

herkent men melodische

elementen van Prokofjev

of harmonische van Ravel of

Messiaen. Het is een verbluffende

partituur, ingenieus

geschreven en rijk aan details.

Het beluisteren ervan ervaart

men als een reis door een zeer

afwisselend landschap.

Silvestre Revueltas

(1899-1940)

Silvestre Revueltas werd

geboren op oudejaarsavond

van het jaar1899 in Santiago

Papasquiaro in de Noord-

Mexicaanse provincie Durango.

Hij begon met viool spelen

op z’n achtste en studeerde

tussen 1918 en 1922 viool en

compositie aan het Chicago

Music College.

In de jaren twintig maakte

hij tournees als vioolsolist en

dirigent door het zuiden van de

VS en Mexico, totdat de componist

Carlos Chávez, op dat

moment Mexico’s belangrijkste

muzikale autoriteit, hem vroeg

om terug te keren naar Mexico

en zijn assistent te worden bij

het Orquesta Sinfónica de

México.

De recente oprichting van

dit orkest had alles te maken

met een beweging die, na de

revolutie van de jaren tien, de

jonge Mexicaanse staat een

eigen identiteit wilde geven.

Revueltas realiseerde zich dat

dit streven niet werd gediend

met herinterpretaties van

Europese klassieken en kwam

tot het besef dat hij zelf een

belangrijke bijdrage kon leveren

door zich op het componeren

te storten.

In tien jaar tijd ontstaat

vervolgens een in koortsachtig

tempo verwekt oeuvre, waarbij

de componist zijn kennis van

de Europese moderne muziek

in dienst stelde van een effectieve,

onopgesmukte stijl,

waarin zijn liefde voor het

Mexicaanse culturele erfgoed

sterk tot uitdrukking kwam.

In 1936 werd hij tot secretarisgeneraal

van de LEAR benoemd,

de Liga van revolutionaire

Schrijvers en kunstenaars,

en bezoekt hij in die

hoedanigheid in 1937/38 een

anti-fascistisch schrijverscongres

in het door burgeroorlog

geteisterde Spanje. Hij betuigt

met de uitvoering van eigen

werken steun aan de republikeinen,

maar keert, na het zien

van de uitzichtloze strijd,

zwaar gedesillusioneerd naar

Mexico terug.

Een jaar voor zijn dood

schrijft hij dat hij van ‘verre’

landen droomt en het liefst op

een simpele wastobbe trommelt,

terwijl hij fantaseert over

prachtige muziek – “als kind al

gaf ik me liever over aan dromen

dan iets nuttigs te doen”.

Hij sterft hij in 1940 aan

de gevolgen van een longontsteking.

Sensemaya

Sensemaya, wellicht Revueltas’

bekendste werk, is gebaseerd

op een gedicht van de Afro-

Cubaanse dichter Nicolás

Guillén (1902-1989) en is een

57


lied op het doden van een giftige

slang. Het hypnotiserende

karakter van het ritueel en de

van begin tot eind oplopende

spanning zijn door Revueltas

op meesterlijke wijze in muziek

omgezet. De ritmische vertaling

van de (betekenisloze)

eerste zin van het gedicht:

Mayombé bombé mayombé

in een 7/8 maatsoort speelt

daarin een belangrijke rol.

Sensemaya (ook de titel is

zonder betekenis) dankt zijn

faam als Latijns-Amerikaanse

Sacre du Printemps (althans

de Danse Sacrale daaruit) aan

de plaatopnamen die Leopold

Stokowski (in 1947) en later

Leonard Bernstein maakten

van de versie voor groot orkest

uit 1938. De eerste opzet van

het stuk dateert van een jaar

eerder en is geschreven voor

‘slechts’ vijftien instrumenten.

In decibels een miniatuur, vergeleken

met de latere versie;

de ritmische spanning is er

echter niet minder om.

Hans Aldo Schimmerling

(1900-1967)

Hans Aldo Schimmerling studeerde

aanvankerlijk medicijnen

in Wenen, en vanaf 1920

compositie en orkestdirectie

bij Zemlinsky in Praag als een

van de eerste leerlingen aan

de nieuw opgerichtte Deutsche

Akademie für Musik und

darstellende Kunst. Als een

van zijn leraren wordt ook

Franz Schreker genoemd. In

1920 wordt melding gemaakt

van een eerste uitvoering van

een van zijn werken. In het seizoen

1924/25 werkt Schimmerling

als dirigent aan het ‘Neue

Deutsche Theater’, het theater

van Zemlinsky, waar hij een

collega van Ullmann werd.

Zijn composities werden

met enige regelmaat uitgevoerd.

In een van Zemlinsky’s

concerten dirigeerde hij zelf

de première van Die Kirschblüte,

een werk voor bariton

en groot orkest. Ook Ullmann

en Schulhoff stonden op het

programma.

Een jaar daarvoor waren

zijn 6 Miniaturen für Kammerorchester

(uit 1922) in première

gegaan tijdens een avond van

de Praagse ‘Verein für musikalische

Privataufführungen’.

Op die avond klonken ook

werken van Ullmann en Krenek.

Schimmerling bezocht in

1926 voor het eerst de Verenigde

Staten, als pianobegeleider

van de zanger

Michael Bohnen. Vanaf 1934

werkte hij met de uit Oostenrijk

geëmigreerde schrijver

Josef Luitpold Stern samen.

Hij schreef op diens geëngageerde

teksten liederen

voor de arbeidersbeweging.

Schimmerling emigreerde kort

voor Hitlers inval in de CSR

naar de VS en werd in 1944

Amerikaans staatsburger.

Slechts enkele van zijn werken

zijn uitgegeven, het merendeel

is verloren gegaan.

6 Miniaturen für Kammerorchester

De 6 Miniaturen für Kammerorchester

uit 1922 werden

geschreven voor een ensemble

zoals dat werd gebruikt bij

de concerten van de Weense

‘Verein für musikalische Privataufführungen’,

de vereniging

die Schönberg in 1918 oprichtte

om voor een besloten

publiek werken van hedendaagse

componisten uit te

voeren. Schimmerlings mentor

en werkgever Alexander von

Zemlinsky had in Praag in 1922

een pendant van de Weense

vereniging opgericht waarbij

ook Viktor Ullmann betrokken

was. Het manuscript van de 6

Miniaturen bevindt zich in de

muziekafdeling van de Oostenrijkse

National Bibliothek.

Mátyás Seiber

(1905-1960)

Hoewel de ‘roots’ van Seiber,

evenals bij zijn leraar Kodály,

in de Hongaarse (volks)-

muziek lagen, had hij een

brede belangstelling voor andere

muziekstromingen. In zijn

studietijd hield hij zich reeds

inten sief bezig met Arnold

Schönberg en de blues, rumba

en tango had hij leren kennen

op zijn reizen langs Noord-

Midden- en Zuid-Amerika,

als cellist van een scheepsorkestje.

In 1927 verhuisde Seiber

naar Frankfurt alwaar zijn liefde

voor de jazz resulteerde

in een benoeming tot hoofd

van de eerste jazzafdeling aan

een Duits conservatorium, zeer

tot ongenoegen van de nationaalsocialisten.

Seiber moest

zich bij herhaling vuilspuiterij

in de nazi-pers laten welgevallen.

Een componist van dodecafonische

jazz was na de

machtsovername door Hitler,

zijn leven niet meer zeker. Hij

emigreerde naar Engeland en

verwierf zich een belangrijke

plaats in het muziekleven. Hij

componeerde niet alleen voor

de concertzaal, maar schreef

ook briljante filmmuziek, o.a.

voor Orwell’s Animal Farm. Ook

zijn pedagogische kwaliteiten

stonden in hoog aanzien.

W.H

Jazzolettes 1 & 2

De Twee Jazzolettes verraden

onmiskenbare invloeden van de

Tweede Weense School: in de

tweede Jazzolette begint de

trompet zelfs met een zuivere

12-toonsreeks. Het systeem

wordt echter niet consequent

doorgevoerd en beide middendelen

bevatten een (quasi-)

blues met alle typerende jazzelementen

als glissandi, bluenotes

en wa-wa dempers.

Erwin Schulhoff

(1894-1942)

Erwin Schulhoff, geboren in

Praag in een Duits-Joodse

familie, is een componist wiens

waardevolle bijdrage aan de

muziek van de vroege twintigste

eeuw geheel ten onrechte

in vergetelheid is geraakt.

Zijn muzikale talent werd

reeds op zijn zevende jaar

door Antonin Dvo!ák herkend.

Vóór de eerste wereldoorlog

componeerde Schulhoff in

de stijl van zijn idolen Reger,

Strauss en Debussy. Maar

na zijn ervaringen in de loopgraven

van de oorlog, als

soldaat van het Oostenrijkse

leger, veranderden zijn esthetische

opvattingen drastisch.

Hij verhuisde naar Duitsland

en stortte zich vol overgave,

als pianist, componist en als

concertorganisator, in alle radicale

kunstrichtingen van zijn

tijd, waaronder het dadaïsme

en vooral in de rage van die

tijd: de jazz. Als pianist vierde

hij successen in geheel Europa.

In 1923 voelde hij zich allengs

minder in het verslechterende

Duitse politieke klimaat

thuis en keerde terug naar zijn

geboortestad Praag.

In de jaren dertig voltrok

zich wederom een muzikale

metamorfose. Vanwege zijn

‘bekering’ tot het communisme

schreef hij voortaan vooral

werken in de stijl van het ‘socialistisch

realisme’.

Hitlers oorlogsverklaring

aan Rusland in 1941, verijdelde

Schulhoffs voornemen om

naar de Sovjetunie te emigreren.

Hij werd in Praag geïnterneerd

en gedeporteerd naar

het Beierse interneringskamp

Wülzburg, waar hij na een jaar

aan de gevolgen van tuberculose

overleed.

De Ebony Band heeft een

belangrijke bijdrage geleverd

aan de rehabilitatie van Erwin

Schulhoff, de componist die zo

een prachtige spiegel van zijn

tijd was doordat hij met grote

fantasie, vakkennis en creativiteit

in zeer uiteenlopende eigentijdse

muziekstijlen heeft

gecomponeerd.

Zijn inmiddels door de uitgeverij

Schott gepubliceerde

dada-werk Wolkenpumpe,

beleefde door de Ebony Band

zijn wereldpremière (1990).

Ook werden de verlorengewaande

dada-werken

Sonata Erotica en Symphonia

Germanica herontdekt. De

twee volledig- en één half aan

Schulhoff gewijdde cd’s, bevatten

talloze plaatpremieres.

Ook werd door de Ebony Band

in eigen beheer het kunstboek

Zehn Themen heruitgegeven,

dat in 1919 was ontstaan en

waarin tien pianostukken

van Schulhoff naast tien bijbehorende

lithografieën van

zijn vriend, de schilder Otto

Griebel stonden afgedrukt.

De Ebony uitgave bevat tevens

een cd met de tien pianostukken,

gespeeld door Gerard

Bouwhuis.

W.H.

Hans Walter Süsskind

(1913-1980)

Hans Walter Susskind (1 mei

1913, Praag–25 maart 1980,

Berkeley, Californië), was een

Tsjechisch-Brits dirigent, pianist

en componist. Hij studeerde

compositie bij Joseph Suk

en Alois Hába, piano bij Hoffmeister

en orkestdirectie bij

Georg Szell (de opvolger van

Zemlinsky aan het Neue Deutsche

Theater in Praag, 1927).

Süsskind werd in 1934 assistent

van Szell. Als pianist

had hij reeds een grote faam

opgebouwd als vertolker

van werken van Schönberg,

Hindemith en Bartók en hij

was de eerste die het volledige

piano-oeuvre van Janácek

uitvoerde. Ook zette hij zich in

voor kwarttoonsmuziek, o.a.

van Hába en Viktor Ullmann.

Naast zijn werk als uitvoerend

kunstenaar, schreef

hij artikelen in het muziekblad

Rytmus (het orgaan van de

kunstenaarsvereniging P!ítomnost).

Tevens speelde hij een

essentiële rol in de bemiddeling

tussen emigranten en de

Praagse kunstwereld.

Süsskind ontvluchtte Praag

op 13 mei 1939, twee dagen

voor de Duitse invasie en kort

na de sluiting van het Neue

Deutsche Theater (1938).

Met behulp van een Engelse

journalist en officials van het

Britse consulaat, kon Süsskind

zich in Engeland vestigen. Hij

verwierf na de oorlog het Britse

staatsburgerschap.

Susskind (als Brits onderdaan

spelde hij zijn naam

voortaan zonder Umlaut) leidde

als chef-dirigent vanaf

1945 (tot 1952) het Scottish

National Orchestra. Later bekleedde

hij, naast talloze gast-

58

59


directies, gelijksoortige posities

bij de symfonieorkesten

van Melbourne en Toronto

(1956-1965).

De composities van Süsskind

ontstonden in zijn jonge

jaren. Zijn later, drukke dirigentenbestaan,

lieten hem geen

tijd meer om te componeren.

De Ebony Band is in het

bezit van een volledige lijst

van zijn (grotendeels onuitgegeven)

werken.

W.H.

Viktor Ullmann

(1898-1944)

Viktor Ullmann werd op 1

januari 1898 geboren in het

Oostenrijkse gedeelte van

Silezië (nu Polen). Zijn vader

was een joods-Oostenrijks officier.

Vanaf zijn tiende levensjaar

woonde Ullmann in Wenen

alwaar hij algemene muziekleer

studeerde bij Dr. Jozef Polnauer

en piano bij Eduard Steuermann.

In 1918 werd hij toegelaten tot

de compositieklas van Arnold

Schönberg en trad hij toe, op

voorspraak van Schönberg, tot

het oprichtingsbestuur van de

Verein für musikalische Privataufführungen,

de besloten

vereniging rond Schönberg,

waar hedendaagse muziek (van

eigen en andermans hand),

meestal in ensemble-bewerkingen,

werd uitgevoerd.

In 1919 trouwde hij met

Martha Koref en vestigde zich

in Praag. Hij werd aangesteld

als koorleider en koorrepetitor

(‘inzeper’ van zangers), later

ook als dirigent, aan het Neue

Deutsche Theater van Alexander

von Zemlinsky. In 1922 was

Ullmann nauw betrokken bij

de oprichting van een Praags

‘filiaal’ van Schönbergs Weense

Verein.

In de loop van de jaren

twintig mocht Ullmann zich

verheugen in een toenemende

belangstelling voor zijn composities,

maar een uitgever

vond hij er niet voor. Mede

daardoor is het merendeel van

zijn werken uit die tijd verloren

gegaan.

Internationaal brak Ullmann

door na de uitvoering van de

pianoversie van zijn Schönberg

Variaties tijdens het ISCM

festival van 1929 in Genève.

Tussen 1929 en 1931 was hij als

dirigent en componist verbonden

aan het Schauspielhaus in

Zürich. Vervolgens raakte hij in

de ban van de antroposofie. Hij

gaf zijn muzikale activiteiten

op en begon, met zijn nieuwe

vrouw Anna Winternitz, een

antroposofische boekhandel

in Stuttgart.

Na de machtsovername

door de nazi’s werd de boekhandel

gesloten en vluchtte hij

uit Duitsland weg en keerde

terug naar Praag. Hij volgde

cursussen bij Alois Hába en

verdiepte zich in diens microtonale

muziek.

In 1934 werd hem de internationaal

hoogaangeschreven

Weense Hertzka prijs toegekend

voor de orkestversie van

zijn Schönberg Variaties en

dezelfde prijs viel hem twee

jaar later andermaal ten deel,

ditmaal voor zijn opera Der

Sturz des Antichrist.

Na de oprichting van het

Reichsprotektorat Böhmen

und Mähren (1939) werd de

uitvoering van zijn werken

verboden en zijn aanvraag

om Tsjechisch staatsburger

te worden, geweigerd.

In 1942 werd Ullmann naar

Theresienstadt gedeporteerd,

alwaar nog vele nieuwe stukken

het licht zagen, waaronder

zijn veelvuldig uitgevoerde Der

Kaiser von Atlantis.

In 1944 kwam in Auschwitz

een einde aan zijn leven.

Sechs Lieder Op.17

Tot de vele composities van

Ullmann die niet bewaard zijn

gebleven, behoort ook zijn

liederencyklus Sieben Serenaden,

für Gesang und 12 Instrumente.

Dit werk was in 1929

in Praag in première gegaan

en korte tijd later nogmaals

uitgevoerd in Frankfurt. Hans

Rosbaud was de dirigent. Ook

enkele jaren daarvoor had

Ullmann reeds een liederencyklus

met begeleiding van

een instrumentaal ensemble

geschreven, waarvan eveneens

de muziek verloren is gegaan.

Dit wetende, heeft de

Ebony Band in 1994 het initiatief

genomen om een wél bewaard

gebleven liederencyklus,

oor spronkelijk geschre ven voor

zang en piano, te laten instrumenteren

voor een gelijksoortig

instrumentaal ensemble als

dat van de Sieben Serenaden.

De keuze viel op de Sechs

Lieder op. 17 naar teksten van

de antroposofische dichter

Albert Steffen, die Ullmann in

1937 schreef.

De opdracht voor de instrumentatie

ging naar ‘meester’-instrumentator

Geert

van Keulen, componist, voorrmalig

basklarinettist van het

Koninklijk Concertgebouworkest

en hoofdleraar compositie

en instrumentatie aan het

Sweelinck Conservatorium in

Amsterdam.

De première vond plaats

in het Amsterdamse Concertgebouw

op 15 oktober 1994

door de Ebony Band o.l.v.

Erwin Schulhoff

Viktor Ullmann

Hans Walter Süsskind

Stefan Wolpe

60

61


Werner Herbers m.m.v.

de mezzo-sopraan Ingrid

Kappelle.

Deze ensembleversie

werd enkele jaren later door

Schott Musikverlag uitgegeven

en op cd gezet door Julia

Banse met het Gürzenich

Orchester o.l.v. James Conlon

(Capriccio)

In april 2013 heeft ook

de Ebony Band, m.m.v. de

Sloweense mezzosopraan

Barbara Kozelj, een opname

uitgebracht.

Stefan Wolpe (1902-1972)

Stefan Wolpe volgde vanaf zijn

veertiende een opleiding aan

het Klindworth-Scharwenka

Konservatorium en later aan

de Berliner Musikhochschule,

waar hij studeerde bij onder

anderen Franz Schreker en

Ferruccio Busoni. Tegelijkertijd

was hij verbonden aan het

Bauhaus, waar hij in contact

kwam met diverse dadaïsten.

Zijn vroege composities

(1929-1933) waren atonaal

en sterk beïnvloed door de

twaalf toons techniek van

Arnold Schönberg. Gaandeweg

raakte hij echter steeds meer

geïn teresseerd in de

Gebrauchsmusik van Paul

Hindemith, die muziek zag

als een middel tot maatschappelijke

verheffing van de

arbeidersklasse. In die geest

componeerde Wolpe verschillende

werken voor vakbonden

en communistische theatergezelschappen.

Deze ideologische

koerswijziging maakte

zijn muziek toegankelijker; zijn

liederen werden even populair

als die van Eisler.

Na de machtsovername

door de nazi’s in Duitsland

vluchtte Wolpe in 1933 via

Oostenrijk, waar hij nog lessen

volgde bij Anton Webern, vervolgens

via Roemenië en Rusland

naar Palestina (toen een

Brits mandaatgebied). Daar

verbleef hij van 1934 tot 1938.

In deze periode schreef hij zowel

eenvoudige composities

voor kibboetsen als complexe,

atonale werken. Daarnaast

was hij enkele jaren als docent

verbonden aan het conservatorium

in Jeruzalem.

In 1938 emigreerde Wolpe

naar de Verenigde Staten,

waar hij zich vestigde in New

York City. In de jaren vijftig

kwam hij in aanraking met de

abstract-expressionistische

kunststroming. Van 1952 tot

1956 was hij directeur muziek

aan het Black Mountain College.

Ook was hij betrokken bij

de zomercursussen in Darmstadt.

Tot zijn leerlingen behoorden

onder anderen Morton

Feldman, Ralph Shapey, David

Tudor en Charles Wuorinen.

In 1952 trouwde hij met de

dichteres Hilda Auerbach.

Op latere leeftijd kreeg Wolpe

de ziekte van Parkinson; hij

overleed in 1972.

Suite from the twenties

In de vroege werken van

Stefan Wolpe (jaren twintig)

zijn atonaliteit naast jazzinvloeden

duidelijk hoorbaar.

Geen enkel componist uit die

jaren heeft deze twee uiteenlopende

muzikale werelden

op zulk een geraffineerde,

vindingrijke wijze weten te

combineren. Geert van Keulen

(componist en voormalig

basklarinettist van het KCO)

instrumenteerde een aantal

pianostukken uit die periode,

in opdracht van de Wolpe

Society (Canada). De stukken

werden onder de titel Suite

from the Twenties in 2002

voor het eerst uitgevoerd in

New York (92Y) onder leiding

van Werner Herbers.

Geert van Keulen: “Met

mijn instrumentatie van de

composities voor piano-solo

van Wolpe, die onder de verzamelnaam

‘Suite from the

Twenties’ zijn verschenen, heb

ik niet alleen geprobeerd de

soms enigszins diffuse, moeilijk

te volgen pianostukken

duidelijker en verstaanbaarder

te maken, maar ook op

de stilistishe omgeving meer

licht te werpen. Is bijvoorbeeld

de nabijheid van Kurt Weil in

Blues en Marsch nr.1 betrekkelijk

duidelijk, naar mijn mening

is Wolpe’s belangstelling voor

het werk van Schönberg, en

met name voor diens Serenade

op.24 (1923) waarneembaar

in o.a. Tango (1926), Tanz

(Charleston/1929) en Rag-

Caprice (1927).

Door middel van motivische

behandeling en keuze van

instrumentarium heb ik geprobeerd

deze relaties duidelijker

te laten horen, zonder echter

de originaliteit van deze verbluffende

composities geweld

aan te doen.”

Teksten ontleend aan de website

www.ebonyband.nl

Colofon

Artistiek team

Gerard Bouwhuis

Daniël Esser

Joachim Junghanss

David Kweksilber

Arnold Marinissen

Productie

Clara Brons

Donna van Dijck

Anna-Maria Nitschke

Dominique Slegers

Oscar Schmidt

Stage manager

Oscar Schmidt

Rhys Oldham

Licht

Tiedo Wildschut

Videomaker

Saskia Beers

Grafische vormgeving

Ad van der Kouwe

Teksten

Werner Herbers

Truus van Leur

Leonie Polak

Bas van Putten

e.a.

Fotografie

Bert Nienhuis

Leonie Polak

e.a.

Bestuur Ebony Band

Tirtsa Sternfeld

Leonie Polak

Pim Polak

Kees van Kooten

Marja Molewijk

Financiën

Hans Ekker

Subsidieaanvragen

Ineke Smits

Mogelijk gemaakt door

Cultuurfonds Noord-Holland

Société Gavigniès

Willem Breuker Stichting

Stichting Reinbert de Leeuw

Hendrik Muller Fonds

P.W. Janssen Friesche Stichting

Van den Berch van Heemstede Stichting

Zadelhoff Cultuur Fonds

Is samenwerking met

Conservatorium van Amsterdam

Muziekgebouw

62

63


foto’s: Bert Nienhuis

64

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!