watermerk_Thema_3_2026 (1)
- No tags were found...
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
20263
De invloed van ICT
Maak mensen digitaal waardig
Nanda Piersma
Niet overvallen, maar uitgedaagd
Frens Vonken
De paradox van het ICT-onderwijs
Anita Bosman & Guido Ongena
Regie houden op grenzeloze mogelijkheden
Ron Augustus
Voltijds ingeschreven, deeltijds beschikbaar
Hanneke Theelen, Patrick Debats & Izaak Dekker
Het innovatievermogen van het hoger beroepsonderwijs
Maarten van Gils
Maar vóór het
zover is moet de opleiding zelf
geslaagd zijn
Vóór u investeert in een dure vervolgopleiding voor uzelf of voor getalenteerde
medewerkers wilt u natuurlijk weten wat daarvan de waarde is.
Voor uzelf, uw bedrijf, op de arbeidsmarkt en maatschappelijk. Waar moet
u op letten? Simpel. Kies een opleiding die is opgenomen in het Register
van het Centrum voor Post-Initieel Onderwijs in Nederland (CPION).
CPION toetst het cursusaanbod voor mensen met een wetenschappelijke, hogere
of middelbare (beroeps) opleiding op inhoud en maatschappelijke relevantie.
Alleen post-initiële opleidingen die aan strenge kwaliteitscriteria voldoen krijgen
het predikaat Registeropleiding. Dit kunt u beschouwen als een keurmerk, dat de
waarde van het diploma of certificaat garandeert. Meer weten over CPION en
Registeropleidingen? Kijk op www.cpion.nl.
CPION Keurmerk Registeropleidingen
Alleen voor post-initiële opleidingen die er écht toe doen.
CPION Postbus 701 3000 AS Rotterdam tel: +31 (0)10 899 74 30 www.cpion.nl
De invloed van ICT
32026
3-26
Colofon
Tijdschrift voor Hoger onderwijs & Management verschijnt
5 x per jaar en is een uitgave van Instondo B.V. Dordrecht.
Jaargang 33, nummer 3
Uitgave van: Instondo B.V.
Binnen Kalkhaven 231
3311 JC Dordrecht
T +31 (0)78 645 50 85
I www.instondo.nl
I www.themahogeronderwijs.org
Uitgever: Janneke van Loon
Eindredactie
Eveline van Amstel, Rogier Goetze
E-mail: e.vanamstel@instondo.nl
Voor het aanbieden van artikelen kunt u zich richten tot
de hoofdredactie, Dirk Franco en Huib de Jong
E-mail: m.kok@instondo.nl
Advertentieacquisitie
Voor informatie over de advertentiemogelijkheden
kunt u een e-mail sturen aan: sales@instondo.nl
Basisontwerp
Hans Lodewijkx, Visuele Communicatie, Tilburg
Vormgeving
XS Media, www.xsmedia.nl
Redactie
DIRK FRANCO, hoofdredacteur
HUIB DE JONG, hoofdredacteur
EVELINE VAN AMSTEL, eindredacteur
ROGIER GOETZE, eindredacteur
BABS VAN DEN BERGH, Universiteiten van Nederland
TOM DEKEYZER, UGent
JAN DRIES, Universiteit Antwerpen
DIDI GRIFFIOEN, Hogeschool van Amsterdam
RON MINNÉE, Vereniging Hogescholen
ALEXANDRA VENNEKENS, Rathenau Instituut
KOEN VERLAECKT, Vlaamse Interuniversitaire Raad
ERIC VERMEYLEN, Vlaamse Hogescholenraad
HANS VOSSENSTEYN, Saxion Hogeschool
Recensieredactie
BRUNO BROUCKER, KU Leuven
MYRTE LEGEMAATE, UGent
ALBERT PILOT, Universiteit Utrecht
KOEN RYMENANTS, Erasmushogeschool Brussel
LYDIA SCHAAP, Hogeschool Utrecht
KURT DE WIT, KU Leuven
Druk
Damen Drukkers BV, www.damendrukkers.nl
Abonnementen
Abonnementsprijs voor Nederland € 450,00 excl. 6% btw,
inclusief verzendkosten, per jaar. Voor België € 465,00
(indien van toepassing btw-nummer opgeven).
Abonnementen lopen automatisch door, tenzij deze uiterlijk
2 maanden voor de vervaldatum schriftelijk worden opgezegd bij
onze abonnementenadministratie.
Contactgegevens voor Nederland en België:
Instondo Uitgevers B.V.
Binnen Kalkhaven 231
3311 JC Dordrecht, Nederland
E-mail: administratie@instondo.nl
I www.themahogeronderwijs.org
© Instondo B.V. Auteursrechten voorbehouden.
Het is niet toegestaan zonder schriftelijke toestemming
van de uitgever artikelen, illustraties of schema’s geheel of
gedeeltelijk over te nemen.
Aan de totstandkoming van deze uitgave is de uiterste zorg
besteed. Voor informatie die nochtans onvolledig of onjuist
is opgenomen, aanvaarden auteur(s), redactie en uitgever
geen aansprakelijkheid. Voor eventuele verbeteringen van de
opgenomen gegevens houden zij zich gaarne aanbevolen.
Medewerkers aan dit nummer
Ron Augustus
Ilse Beerland
Anita Bosman
Dirk Van Damme
Patrick Debats
Izaak Dekker
Frederik D’hulster
Heidi Croes
Maarten van Gils
Marie Haeck
Huib de Jong
Frank Kresin
Anne-Marieke van Loon
Kristiaan Mesens
Guido Ongena
Nanda Piersma
Anje Ros
Lydia Schaap
Cedric Stalpers
Mia Stokmans
Hanneke Theelen
Roel Vandommele
Gert-Jan Veerman
Frens Vonken
Kurt De Wit
ISSN 1380-7110
De invloed van ICT
4 Huib de Jong & Frank Kresin
Hoofdredactioneel
6 Nanda Piersma
Maak mensen digitaal waardig
Nieuwe werkelijkheid vraagt om
weerbaarheid
12 Heidi Croes, Marie Haeck &
Kristiaan Mesens
Van hype naar meesterschap
De pedagogische integratie van
digitalisering
17 Frens Vonken
Niet overvallen, maar uitgedaagd
Wat zestig jaar ICT-onderwijs ons
heeft geleerd
22 Anne-Marieke van Loon & Anje Ros
Een fase van fundamentele herijking
Van technologische innovatie naar een
lerende organisatie
27 Anita Bosman & Guido Ongena
De paradox van het ICT-onderwijs
Opleiden voor een toekomst die al
veranderd is
32 Ron Augustus
Regie houden op grenzeloze
mogelijkheden
Digitale technologie: van hulpmiddel
naar fundament
37 Huib de Jong
Werken aan de wereld die je wilt
Interview met internetpionier
Marleen Stikker
42 Roel Vandommele, Ilse Beerland
& Frederik D’hulster
Eén platform voor inschrijving,
ook in Vlaanderen
Pleidooi voor meer samenwerking
op ICT-gebied
Verder in deze uitgave:
47 Cedric Stalpers & Mia Stokmans
Wat zouden studenten graag
veranderen aan het onderwijsklimaat?
Welbevinden aan hogeschool en
universiteit
54 Hanneke Theelen, Patrick Debats
& Izaak Dekker
Voltijds ingeschreven, deeltijds
beschikbaar
De studeercrisis: wanneer studenten
wegblijven
62 Maarten van Gils
Het innovatievermogen van het hbo
Van gedegen onderwijsinstituut naar
behendige ecosysteempartner
68 Dirk Van Damme
Het Chinese mirakel
Boeken & bladen
71 Huib de Jong
Verplichte kost over studentsucces
74 Lydia Schaap
De fundamenten herstellen
76 Kurt De Wit
Verandering van onderuit
78 Gert-Jan Veerman
Over én vanuit actieonderzoek
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I
3
3-26
De invloed van ICT
Onderwijs onder invloed
C
onstateren dat technologische ontwikkelingen en het
hoger onderwijs onlosmakelijk met elkaar verbonden
zijn, is natuurlijk een open deur. Onze samenleving
is immers doordesemd van technologie en eenieder
in die samenleving moet zich tot die technologie verhouden.
De grote vraag is dus vooral: wat nu?
Sinds een paar decennia is de computer een niet weg te denken
fenomeen in de onderwijsgebouwen, maar nog belangrijker
dan de faciliterende kant ervan zijn de gevolgen van de
informatietechnologie (ICT) voor onderwijs en onderzoek,
en voor studenten en docenten. Voor dit themanummer
hebben wij verschillende auteurs gevraagd te reflecteren
op de (historische) ontwikkeling, en in het bijzonder op de
vraag of en in hoeverre instellingen en opleidingen steeds
maar weer worden overvallen door vervolgstappen in de
‘permanente revolutie’ van de technologie.
De vraag is mede ingegeven door de onrust die de toegankelijkheid
van kunstmatige intelligentie (AI) momenteel in
de onderwijsinstellingen veroorzaakt. Er is geen instelling
en geen opleiding die niet op de een of andere manier
onderwijsinhouden, werkvormen en toetsing tegen het licht
houdt als gevolg van de plotselinge invasie van generatieve
AI. Opleidingen in de ICT-sector en instellingen die ICT
als profielkenmerk gebruiken, worden door dit soort ontwikkelingen
vaak als eerste geraakt. Reden om voor deze
editie onze vraag in het bijzonder voor te leggen aan auteurs
uit deze sector. Hoe kijken zij naar de absorptie van en de
disruptie door de voortdurende veranderingen die op hen
afkomen?
Onze vraag kun je op een praktische manier beantwoorden:
onderwijsvernieuwing is van alle tijden en de vraag in hoeverre
het onderwijs technologische veranderingen absorbeert
is dat dus ook. Al in de negentiende eeuw experimenteerden
makers als Charles Babbage (mechanische rekenmachine),
Ada Lovelace (programmeren) en Herman Hollerith (ponskaarten),
om er maar een paar te noemen, met vindingen
waarop we nu nog steeds voortbouwen (Seymour, 2018;
Reid, 2001; Isaacson, 2011). Hier zijn uiteindelijk ook de
wortels van grote technologische bedrijvigheid, zoals die
van een bedrijf als IBM, terug te vinden. Bedrijvigheid die
door de ontwikkelingen in de twintigste eeuw alleen maar
groter, globaler en pregnanter is geworden. Ook het hoger
onderwijs ging in deze periode een nieuwe fase in.
In de twintigste eeuw was het Alan Turing die in een vroegtijdig
stadium (1936) begreep dat de computer meer kon
dan alleen maar rekenen (Hodges, 1992). Hij verbreedde
het perspectief van de manipulatie van getallen naar de
manipulatie van symbolen. Het resultaat is een periode met
een vrijwel simultane, exponentiële ontwikkeling van hardware,
software, telecommunicatie, dataopslag en -beheer en
het vermogen van mensen en instituties om met het voorgaande
(min of meer) doelgericht om te gaan. Miniaturisering
vormt hierbij, in samenhang met snelheid van dataverwerking,
een belangrijke factor. De computer wordt zo voor een
brede massa toegankelijk gemaakt.
De set van parallelle ontwikkelingen lijkt complex genoeg,
maar in deze periode wordt door het vermogen om ongekende
hoeveelheden data in hoog tempo te verwerken
ook de lerende machine voor de meeste mensen realiteit.
Het onderwijs volgt de ontwikkelingen. Kort na de Tweede
Wereld oorlog vestigt IBM een lab aan de Columbia-uni versiteit
in New York en wordt computing science langzaam
maar zeker een eigenstandige, wereldwijde (inter)discipline.
In 1953 ontwikkelt de Universiteit van Cambridge de eerste,
door de Engelse overheid erkende en gefinancierde, voltijdse
masteropleiding.
Wat als technologische evolutie begon, is een serie van revoluties
geworden. Revoluties met doorwerking in het hoger
onderwijs en een ingrijpende sociaal-culturele en economische
component (McLuhan, 1994). Uiteindelijk staat of valt
technologie immers met de betekenis ervan voor de eindgebruiker.
Via timesharing van mainframes (en de ervaring
van simultaan werken of multitasking) ontstonden rond
1985 grote netwerken van computers, die aan het einde van
dat decennium resulteerden in het wereldwijde netwerk
zoals we dat nu kennen. Met de ervaring van een krimpende
4 I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
en versnellende wereld, met alle commerciële en marketingtechnische
mogelijkheden en manipulaties van de gebruiker
van dien (Stikker, 2019).
Sneller dan ooit verandert zo ook het arbeidsmarktperspectief
van studenten. Bepaalde klassieke opleidingsprofielen en
competenties verliezen, zeker in het beroepsonderwijs, in
relatief korte tijd hun relevantie. Creatieve opleidingen en
instellingen worden door hun ontwerpende houding en experimenterend
werken voor de bulk van het hoger onderwijs
steeds belangrijkere partners. De omloopsnelheid van kennis
is extreem hoog, en dat vraagt ook om fundamenteel en
structureel nadenken over de vraag hoe en of we traditionele
onderwijsconcepten kunnen handhaven.
In hoeverre worden
instellingen overvallen
door nieuwe stappen in
de ‘permanente revolutie’?
Sterker dan ooit voeren we door de rol van big tech en geopolitieke
veranderingen bovendien discussies over fundamentele
uitdagingen van ICT voor onze individuele en collectieve
soevereiniteit. Vooral: of en hoe de effecten van de permanente
technologische revolutie ingekaderd kunnen blijven
binnen de grenzen van een democratisch-rechtstatelijke orde.
Ook dit zijn vragen die we op de campus moeten aangaan, en
die niet alleen maar praktisch zijn te beantwoorden. Ze leiden
ook tot paradigmatisch andere opvattingen over inhoud, aanpak
en de maatschappelijke functie van het onderwijs. En niet
alleen het ICT-onderwijs! Het langzaam aanzwellende verhaal
van technologische vernieuwing is uiteindelijk in hoog tempo
het alledaagse leven van vrijwel iedere professional en iedere
burger gaan ordenen en overheersen.
sneller dan zij zelf begrijpen wat de volgende stap in de
technologische ontwikkeling zal zijn. We zijn benieuwd hoe
de opleidingen en onderzoeksgroepen hebben geleerd van
deze geschiedenis, met het oog op wat nog komen gaat.
Huib de Jong
is hoofdredacteur van Th&ma
Frank Kresin
is voorzitter van het college van bestuur van ArtEZ University of
the Arts en voormalig decaan van de faculteit Digitale Media en
Creatieve Industrie van de Hogeschool van Amsterdam
In dit themanummer gaat het ons om de vraag of en in hoeverre
instellingen en opleidingen steeds maar weer worden
overvallen door nieuwe stappen in de ‘permanente revolutie’
waarin kennisinstellingen uiteindelijk een belangrijke rol
zijn gaan spelen. Het gaat wat ons betreft specifiek om de
technologische revoluties in de laatste decennia, de fase van
35 tot 40 jaar waarin de massificatie van de computer heeft
plaatsgevonden. Een fase waarin cohorten studenten zich al
voor hun afstuderen geconfronteerd zien met ontwikkelingen
die het geleerde min of meer obsoleet laten lijken, en
waarin generaties docenten tegen studenten aanlopen die
Literatuur
Hodges, A. (1992). Alan Turing: The Enigma. Londen: Vintage Publishing.
Isaacson, W. (2011). Steve Jobs. New York: Simon & Schuster.
Kempe, M. (2024). The Best of All Possible Worlds: A Life of Leibniz in Seven Pivotal Days.
New York: Norton & Co.
McLuhan, M. & Powers, B. (1989). The Global Village: Transformations in World Life and
Media in the 21st Century. Oxford University Press.
Reid, T.R. (2001). The Chip: How Two Americans Invented the Microchip and Launched a
Revolution. Londen: Random House.
Seymour, M. (2018). In Byron’s Wake: The Turbulent Lives of Lord Byron’s Wife and Daughter.
New York: Pegasus Books.
Stikker, M. (2019). Het internet is stuk. Maar we kunnen het repareren. Amsterdam: De Geus.
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I
5
3-26
De invloed van ICT
De transitie rond digitalisering in het onderwijs is nauw verweven met urgente maatschappelijke uitdagingen. Als hoger
onderwijs moeten we meebewegen met de kansen die deze transitie biedt, schrijft Nanda Piersma. Daarvoor moeten we
niet het digitale systeem veranderen, maar onze didactische benadering en maatschappelijke opdracht.
Maak mensen digitaal waardig
Nieuwe werkelijkheid vraagt om weerbaarheid
Nanda Piersma
Hogeschool van Amsterdam
D
e opdracht aan het hoger onderwijs is in de begrotingswet
(artikel 6 en 7 van hoofdstuk 3.4) als volgt
geformuleerd: ‘Het stelsel van hoger onderwijs en
onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk)
personeel hun talenten en onderzoekend vermogen
maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een
positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt die
optimaal aansluit bij hun talenten.’
De publieke onderwijsinstellingen zijn traditioneel goed
gepositioneerd voor de certificering van starters op de
arbeidsmarkt. Recent is er bovendien meer aandacht voor
de rol van publieke hogeronderwijsinstellingen bij activiteiten
rondom een leven lang ontwikkelen. Daarnaast
formuleren veel onderwijsinstellingen een publieke taak
rondom maatschappelijk vorming van de studenten.
Er zijn in de samenleving meerdere transities gaande
(rondom energie en schaarse middelen, klimaat, welzijn en
brede welvaart, geopolitieke verhoudingen, digitalisering),
waardoor de instellingen voor hoger onderwijs niet alleen de
starters op de arbeidsmarkt maar eigenlijk iedereen zouden
moeten meenemen met de veranderende omstandigheden,
op de arbeidsmarkt en in de maatschappij. Dat zien we
terug in de visie en de presentatie van de hogescholen zelf.
Twee voorbeelden, ontleend aan hun eigen websites:
• Hogeschool van Amsterdam: ‘Wij zijn de Hogeschool
van Aanpakkers. Wij leiden studenten op om het beste
uit zichzelf te halen. Met onderwijs en onderzoek van
hoge kwaliteit, gelijke kansen voor iedereen en gericht
op maatschappelijke issues in Amsterdam en over de
grens’. 1
• Hogeschool Inholland: ‘Bij Hogeschool Inholland leiden
we zelfstandig denkende professionals op en ontwikkelen
we praktijkgerichte kennis. Zo leveren we een
betekenisvolle bijdrage aan de inclusieve wereld van
morgen, aan de transitie naar een duurzame en veerkrachtige
samenleving.’ 2
Omgaan met schaarste
Maatschappelijk gezien is er een naoorlogse welvaartsstaat
gecreëerd. In de jaren vijftig, zestig en zeventig hebben de
collectieve verantwoordelijkheid en de participatiesamenleving
het land in zuilen verdeeld. In de navolgende jaren
tachtig en negentig werd dit omgebogen tot een neoliberale
omgeving, waarin individuele verantwoordelijkheid en
maakbaarheid de boventoon voeren. In de huidige jaren
geeft de geopolitieke situatie een boost in de richting van een
defensiestaat, waarin het beschermen van infrastructuur (en
mensen) bijna belangrijker lijkt dan het ontwikkelen van
persoonlijke talenten.
We moeten leren omgaan met schaarste: van personeel, middelen
en grondstoffen, van huizen, veiligheid en ook welvaart.
Jongere generaties krijgen het niet bijna automatisch
‘beter’ dan hun ouders, er is een nieuwe werkelijkheid die
vraagt om individuele en collectieve weerbaarheid. Er is geen
arbeidsmarkttekort waarin je moet vechten om een baan,
maar een arbeidspopulatietekort waarbij bedrijven moeten
6
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
vechten om personeel. Reflecties rondom persoonlijke of
collectieve verantwoordelijkheid volstaan hierbij niet, er
zijn nieuwe inzichten nodig rondom het organiseren van
de samenleving.
Welzijn en welvaart staan in een nieuw licht van geopolitiek
en schaarste van middelen. Een zero sum-benadering (als ik
het heb, dan heb jij het niet) is oude, neoliberale politiek die
de jongere generaties hopelijk niet omarmen. De benadering
van het vraagstuk met een ideologie van brede welvaart ontkent
de impact van schaarste. En er is een steeds urgenter
wordende transitie rondom klimaat en energie, eveneens
een schaarsteprobleem, want de leefbaarheid is misschien
wel het ultieme schaarse goed dat we moeten bewaken. Zoals
Timothy Snyder (2024) schreef in zijn boek Over vrijheid:
vrijheid is niet alleen de afwezigheid van het kwade, maar
de aanwezigheid van het goede.
De transitie rondom digitalisering in het onderwijs is nauw
verweven met de tijdgeest en de urgentie van de maatschappelijke
uitdagingen. We moeten meebewegen met deze
transitie, met de kansen die ze biedt en de opdrachten die
ze geeft om te veranderen. Dat moet nu, omdat de samenleving
verandert, de arbeidsmarkt verandert – en vooral –
omdat de mensen veranderen.
‘90 procent oké’
Digitale middelen hebben zich exponentieel snel ontwikkeld
vanaf het moment dat computersystemen en hardware krachtiger
werden en beschikbaar kwamen voor de consument. Dat
ging gepaard met een beweging naar cloudomgevingen (hardware
van wereldwijd opererende bedrijven, nu ‘big tech’
genoemd), individualisering (waarbij mensen overspoeld
worden met op hen afgestemde informatie, waardoor ze in
een eigen bubbel blijven opereren) en algoritmische sturing
(door sociale media en – breder – dataverzamelingen en
getrainde algoritmes die steeds aanweziger zijn in ons leven).
Met de komst van AI is er een ‘90 procent oké’-maatschappij
aan het ontstaan. ‘Ik denk dat het ongeveer zo zit en dus
doen we dit’ – waarom zou je immers de moeite doen om
100 procent zeker te zijn? Meningen worden gebruikt als
feiten, inschattingen van hoe het ongeveer in elkaar zit
vormen een basis voor onomkeerbare beslissingen. Daar
zien we veel excessen van, zoals de toeslagenaffaire, of de
angstaanjagende voorspellingen dat killer machines de mensheid
zullen vernietigen. Er is ook veel aandacht voor de veranderingen
op het werk, waarbij creatiemogelijkheden met
kunstmatige intelligentie (met generatieve AI zoals Chat
GPT) het werk van mensen overnemen. Er is aandacht voor
de urgentie dat de arbeidsproductiviteit omhoog kan en
moet, en dat we de schaarste op de arbeidsmarkt kunnen
aanpakken met voortgaande digitalisering van werktaken.
Mensen wijzen ook op de slechte kwaliteit van deze digitale
systemen: op de vlakke teksten, de hallucinerende algoritmes
Een tweejarige zal
een foto proberen te
swipen in plaats van
de pagina om te slaan
en het gebrek aan creativiteit. Maar ach, wat wil je, in een
‘90 procent oké-samenleving’ kun je niet perfectionistisch
blijven, toch? We zijn allang gewend aan microfoons die
uitvallen, ondertitels met taalfouten en camerabeelden die
net niet scherp zijn of niet de juiste invalshoek gebruiken.
We zijn blij als het wel iets oplevert.
Payal Arora beschrijft in haar boek From Pessimism to Promise
(2024) de vergelijkbare houding op het zuidelijk halfrond
– dus in een heel andere context – tegenover digitale systemen.
De Europese beweging naar autonomie en verantwoorde
systemen is daar veel minder aanwezig. Als het
een verbetering is ten opzichte van de situatie zonder het
systeem, dan is het al goed. De 90 procent krijgt dan een
wezenlijk andere betekenis.
Om deze (grove) schets van maatschappelijke trends te
besluiten: de geopolitieke situatie met schuivende wereldmachten
en aandacht voor handhaving heeft zich ook stevig
verankerd in de digitale systemen. We hebben monitoring
van beweging en acties met data-analyses, camerabeelden en
algoritmes die verdachte situaties continu geautomatiseerd
signaleren. Overheden zetten handhavingssoftware overal
in. Bovendien krijgt de beveiliging (en daarmee de toegankelijkheid)
van systemen een nieuwe lading als gevolg van
het werk van internationaal opererende criminele organisaties,
die via hacks tot afpersing proberen over te gaan.
Laaghangend fruit
Jongere generaties groeien op met de vanzelfsprekendheid
van digitale systemen; een tweejarige zal in een tijdschrift
een foto proberen te swipen in plaats van de pagina om te
slaan. Dat betekent dat zij, eenmaal aangekomen in het hoger
onderwijs, digitaal vaardiger kunnen zijn dan docenten die
een hele carrière hebben vertrouwd op voor hen gangbare
educatieve methoden, en daar ook hun didactisch handelen
op hebben afgestemd. En zelfs als docenten zich inspannen
om hun digitale vaardigheden te ontwikkelen, blijft er
een grote ongelijkheid ten opzichte van studenten in het
bewustzijn en de weerbaarheid bij het gebruik van digitale
middelen.
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I
7
3-26
De invloed van ICT
Digitaal vaardig betekent bovendien niet altijd digitaal
waardig. Het kunnen inschatten van de meerwaarde van
het gebruik van een digitaal systeem moet je leren, en daar
moet een hogeschool aandacht aan besteden. Niet alleen
vanuit de effectiviteit van het onderwijs, maar ook vanuit
de betekenis voor de verbinding tussen student en docent.
Logisch dat een docent soms een digitaal systeem negeert;
dat is niet altijd onbekendheid met dat systeem, het kan een
digitaal waardige beslissing zijn.
Het vak van docent verandert, net als bij alle andere vakgebieden.
Digitale mogelijkheden om beter les te geven
zijn er, en die moeten we gaandeweg en door het opdoen
van ervaring uitwerken. De instroom van jonge generaties
docenten kan daarbij uiteraard helpen. Er is echter ook laaghangend
fruit dat we kunnen pakken.
In de eerste plaats kan digitalisering helpen bij individualisering
en flexibilisering van onderwijspaden. Denk aan
initiatieven zoals LeerLevels 3 , ontwikkeld door gedreven
docenten als Youssef El Bouhassani en Jonas Voorzanger.
Daarbij bespreek je niet klassikaal dezelfde lesstof, maar
verwerft iedere student in zijn eigen tempo alleen relevante
nieuwe kennis om zo een nieuw niveau te bereiken. De
gruwel van de docent die op het whiteboard probeert uit
te leggen hoe je het getal pi in de programmeertaal Java
uitrekent: dat kan echt veel beter.
In de tweede plaats kan digitalisering helpen om tijds- en
plaatsonafhankelijk studeren te ondersteunen. Dit maakt
het voor studenten mogelijk om waar en wanneer ze maar
willen hun studieactiviteiten te ontplooien, in een vorm die
aansluit bij hun individuele behoefte. Dit doet recht aan de
diversiteit aan studenten wat voorkeuren betreft: waar de
ene student een coach wil die dingen uitlegt, geeft de andere
de voorkeur aan zelf uitzoeken en uitproberen. Zie bijvoorbeeld
de uitkomsten van het in opdracht van ISO uitgevoerde
onderzoek (2021) naar ervaringen van studenten in de coronatijd:
een op de drie studenten juicht een meer op de individuele
voorkeuren gebaseerd onderwijs toe.
Ook kunnen we digitalisering inzetten voor het monitoren
van studieprestaties, en zelfs voor het inschatten van studiesucces
of -uitval. Dat laatste wordt overigens niet alleen
gedreven door de wens om de studievoortgang van studenten
te volgen (gekoppeld aan de grotere aandacht voor formatief
toetsen), maar ook door de wens om zicht te krijgen
op de zogenoemde risicostudenten en door het institutionele
belang van studiesucces. Het leidt vooralsnog veelal tot het
‘90 procent oké’-principe, waarbij we niet verder komen dan
inschattingen geven, omdat toch niemand zit te wachten op
die 100 procent.
Klassieke beelden
De wetgeving en het menselijke voorstellingsvermogen lopen
hopeloos achter op de digitale kansen. Daarom zijn er nog
praktische bezwaren en juridische beperkingen voordat we
dit allemaal kunnen uitvoeren. Veel van de regels, protocollen
en impliciete veronderstellingen zijn nog gebaseerd op
de klassieke beelden van het onderwijs. Met z’n allen de
klas in hoort er nu eenmaal bij. We zien nadelen rondom
het gebruik van digitale methoden voor het geestelijk welzijn
van studenten, dus verbieden we mobieltjes in de klas. Tijdens
de coronacrisis, toen al het onderwijscontact digitaal
was, ontwikkelden studenten eenzaamheid en depressieve
klachten (ISO, 2020); wat doe je daaraan met wet- en regelgeving?
Het uitgangspunt zou moeten blijven om voor
elke student ‘een positie op de nationale en internationale
arbeidsmarkt te creëren die optimaal aansluit bij hun talenten’.
Daarvoor moeten we veranderingen aanbrengen, niet
in het digitale systeem, maar in onze didactische benadering
en de maatschappelijke opdracht.
Dat vraagt om een verantwoordelijkheid van het hoger
onderwijs om studenten digitaal weerbaar en digitaal waardig
te maken. Digitale vaardigheden zal iedereen moeten
blijven trainen, een hele carrière lang. Dat studenten soms
een instrumentele voorsprong hebben in vaardigheden om
systemen te gebruiken doet er niet toe. Als ze niet weten
waarom ze een systeem gebruiken en wat de context is van
het gebruik, blijven ze een docent nodig hebben om hen
hierin te begeleiden. Digitale weerbaarheid en digitale waardigheid
zijn competenties die een vorm van inzicht geven
die vanaf de start van een beroepscarrière kunnen helpen
om met de digitale transities mee te komen.
Digitaal vaardig
betekent bovendien
niet altijd
digitaal waardig
Veranderen kan
Beschouwingen zijn er genoeg: er worden boeken volgeschreven
die voorbeelden duiden van misstanden bij het gebruik
van digitale systemen. Boeken die wijzen op privacy, het recht
om ongezien te zijn, op discriminatie, uitsluiting, uitlokking,
algoritmisch management, de kapitalistische macht van big
tech, digitale autonomie. Je kunt helemaal wegzakken in de
ellende en de dreiging die uitgaat van de scenario’s voor de
toekomst.
De stap zetten om wél met digitale systemen te werken vraagt
weerbaarheid en waardigheid. Dat begint ermee dat iedereen
8
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
Larissa Zegveld deed
al een oproep aan de
politiek; ik richt me op
de rol van instellingen
vanuit zijn of haar rol de verantwoordelijkheid oppakt. Larissa
Zegveld, directeur-bestuurder van stichting Kennisnet, deed
in april al een oproep aan de politiek om de regie te nemen 4 ;
ik richt me hier op de rol van instellingen in het hoger onderwijs.
Dus tegen hen zeg ik: besef dat wat nu wordt aangeboden
ook kan worden aangepast. Dat is namelijk het mooie
van software, van digitale systemen: ze kunnen steeds worden
bijgesteld op basis van de gewenste ondersteuning en de door
ons gestelde randvoorwaarden voor digitale waardigheid.
De bottomline is evenwel dat we op digitaal gebied leven
in een permanent hybride omgeving; daar moeten we als
docenten en onderwijsinstellingen mee leren omgaan, als
we het doel nastreven studenten op te leiden voor een positie
op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.
Om aan dat doel te voldoen heb ik de volgende zes stappen,
acties, of denkrichtingen geïdentificeerd:
1. Behoud wat goed is, in het bijzonder de opdracht van
certificering van starters op de arbeidsmarkt.
2. Zorg voor permanente training en coaching van het
onderwijzend personeel om veranderingsbehoefte te
ondersteunen, en zorg voor medezeggenschap.
3. Bescherm de onderwijspopulatie door middel van een
veilige digitale leer- en werkomgeving.
4. Uitgangspunten van het curriculum dienen voortdurend
te worden bijgesteld, al naargelang de digitale ontwikkelingen
en normatieve uitgangspunten.
5. Neem reflectievermogen en weerbaarheid op als
opdrachten van het hoger onderwijs.
6. Verken de kansen van digitale mogelijkheden, waarbij
je samen (als studenten en docenten) experimenteert
en leert.
1. Certificering van starters op de arbeidsmarkt
Bij een innovatie of transitie hebben we het vaak alleen over
de verandering zelf. Daarbij waarderen we soms te weinig
wat er in het verleden is opgebouwd, wat er al goed is. Het
publieke hoger onderwijs in Nederland is heel erg goed in
het opleiden van jonge mensen voor de arbeidsmarkt, met
certificering voor starters. Ondanks – of dankzij – meerdere
aanpassingen aan de wetgeving, de inrichting van het onderwijsstelsel
en de afstemming tussen de onderwijsinstellingen,
en met continue aanpassingen aan het curriculum door de
opleidingsteams, zijn we in staat een hoogopgeleide startende
arbeidspopulatie af te leveren.
Dat moeten we behouden, die taak en die rol mogen we niet
weggooien of uithollen onder invloed van de permanente
digitale revolutie. Erkenning van deze pedagogische en
didactische opdracht, die elke docent en elke opleiding in
het hart voelt, is het begin van een volwaardig en respectvol
gesprek over verandering. Dit creëert een veilige omgeving
met oog voor mensen. In een arbeidsomgeving waarin
personeel een schaars goed is geworden, zijn ook andere
motivatieprikkels dan salaris en status belangrijk.
2. Training en coaching, maar ook medezeggenschap
De veilige omgeving van onderwijsinstellingen vraagt om
een continue en liefdevolle benadering van de ontwikkeling
van individuen. Dat is geen kwestie van een cao of van
wetgeving, het is een benadering van de eigen arbeids- en
studentenpopulatie die de norm zet voor gezien en erkend
worden. Met de nu overal zichtbare en gevoelde digitale
transitie heeft het personeel meer en bijzondere aandacht
nodig. Denk aan het instellen van een leerportfolio voor elke
medewerker, waarin je tijdens het jaargesprek niet alleen
de ontwikkelingsbehoefte bespreekt, maar ook een gevoelde
veranderingsbehoefte, en deze uitwerkt in coaching en
training.
Belangrijk daarbij is de participatie van personeelsleden en
studenten bij de inrichting en doorontwikkeling van de
digitale omgeving. Want medezeggenschap over de ontwikkeling
van de hybride digitale omgeving is net zo belangrijk
als de jaarlijkse enquêtes over werkomstandigheden, studententevredenheid
en de inrichting van het onderwijs. Ook het
rapport van de Sociaal-Economische Raad over AI en arbeid
(2025) wijst op dit belang. Tijd dus om dat ook daadwerkelijk
op te pakken.
3. Een veilige digitale omgeving bouwen en bewaken
De instelling sluit softwarecontracten af om digitale functionaliteit
beschikbaar te stellen aan medewerkers en studenten.
Daar is altijd kritiek op: het is nooit goed, net niet wat een
individu nodig heeft, of tegen de principes van een groep
medewerkers. Dus gebruiken die ook eigen software, particulier
aangeschaft of open source, in de werkomgeving. Er
is een constant aanbod van software en digitale middelen,
verpakt in eenvoudig en vaak gratis te downloaden apps voor
laptop, iPad of telefoon. Met een oververhitte diversiteit in
de instellingsbrede of zelfs publieke opinie wordt het er niet
makkelijker op een afgewogen verantwoorde digitale omgeving
te verkrijgen.
Toch denk ik dat er voor onderwijsinstellingen mogelijkheden
zijn om in te zetten op een veilige en verantwoorde
digitale omgeving. Allereerst door het realiseren van een
infrastructuur waarin je belanghebbenden meeneemt in de
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I
9
3-26
De invloed van ICT
aanschaf en inrichting van een permanent hybride digitale
omgeving. Ten tweede door het instellen van een datakluisstructuur
voor alle medewerkers en studenten. We horen
van de vele datalekken en datahacks, ook in het hoger
onderwijs, en dat bevordert het gevoel van (cyber)onveiligheid
binnen de instellingen. Het is een groots gebaar om
alle data binnen de instelling in handen te geven van de
individuele medewerker of student. Dat creëert bewustzijn,
en daarmee wordt de instelling een voorloper met een
verantwoorde digitale hybride omgeving. Technisch is het
mogelijk, het vraagt alleen om bestuurlijk lef. Het heeft
weliswaar nadelen, er verdwijnt inzicht in datastromen,
maar denk je eens in: al die studenten die later aan het werk
gaan en weten dat het mogelijk is om verantwoordelijkheid
te nemen voor de eigen data, omdat ze een datakluis hebben
ervaren. Een betere training in digitale weerbaarheid en
waardigheid bestaat er niet.
Combineer dit met de infrastructuur voor medezeggenschap
en een programma voor coaching en training van docenten
rondom digitale waardigheid, en het resultaat is een rijke
kwaliteitscultuur en gedeelde verantwoordelijkheid binnen
de instelling.
4. Een hybride curriculum, met didactiek als uitgangspunt
De didactiek bestaat voor mij uit verschillende onderdelen.
Ik gebruik gemakshalve een organische metafoor: het hoofd
voor kennisoverdracht, de handen voor vaardigheden en een
helder individueel handelingsperspectief. Ervaring (met
de – toekomstige – werkzaamheden) kan verder gaan dan
alleen een stageplaats en de mededeling dat een goed netwerk
belangrijk is; denk aan opdrachten in de beroepspraktijk
die je verweeft in het curriculum. Tot slot kunnen we
iedereen aanspreken op passie, het hart: waarom heb je
gekozen voor een bepaald beroep, een bepaalde opleiding?
Stop met een overdreven aandacht voor kennisoverdracht,
maar werk in challenges voor ‘de hele mens’. Laat docenten
en studenten ervaringen opdoen die voor henzelf als persoon
verrijkend zijn. Dat betekent dat je uitdagingen oppakt
met een netwerk van bedrijven, organisaties of werkomgevingen.
Daarmee lossen we ook meteen het probleem van
Technisch is het
mogelijk, het
vraagt alleen om
bestuurlijk lef
de scripties op, die studenten met generatieve taalmodellen
kunnen genereren. Een goede ingenieur heeft liever ervaring
en inzicht, dan een goed begrip van APA-richtlijnen of
taalvaardigheid.
Challenge-based opdrachten voor ICT- of technisch onderwijs
zijn dan bijvoorbeeld:
• Bouw een internetverbinding zonder satellietverbinding.
Laat zien dat het werkt, en waarom het werkt. Wie zouden
deze kunnen gebruiken en waarom zouden ze dat doen?
Hoe zorg je ervoor je dat deze verbinding verantwoord
is en blijft?
• Bedenk een technische manier waardoor mensen niet
fout kunnen parkeren. Waarom zou dat werken? Wat
betekent dit voor de Nederlandse samenleving?
• Bouw een datakluis waarmee je een situatie die je nu
meemaakt verandert. Laat zien dat het werkt, en waarom
het werkt. Wie zouden deze kunnen gebruiken en
waarom zouden ze dat doen? Hoe zorg je ervoor dat deze
verbinding verantwoord blijft? Wat betekent dit voor de
Nederlandse samenleving?
5. Weerbaarheid en waardigheid als talentontwikkeling
Bouw een nieuw toetsingskader, waarbij inzicht, reflectie en
waardigheid meer ruimte krijgen, ten koste van reflexen en
instrumentele vaardigheid, en van kennis. We leven in een
digitaal tijdperk waarin feiten en meningen door elkaar lopen.
Alles is op te zoeken, maar wat waar is blijft onduidelijk. Er
is veel aandacht voor prikkels en reactief vermogen. Daaronder
ligt een weloverwogen reactie, gebaseerd op reflectie
en inzicht. Dat is bij uitstek de rol van het hoger onderwijs:
mensen (studenten) daarop wijzen en daarin trainen. Toets
niet op ‘wat?’, maar op reflectievermogen en op een weloverwogen,
kritische en onderbouwde reactie.
6. Experimenteren met digitale omgevingen
Als je als instelling aan alle voorgaande voorwaarden voldoet,
kun je gaan experimenteren en je vaardigheden inzetten om
de digitale omgeving verder te ontwikkelen en naar je hand
te zetten. Dat is dus niet iets voor een expertgroep (zoals de
ICT-afdeling) alleen, maar voor een brede vertegenwoordiging
van medewerkers en studenten. Bovendien is het geen
theoretische keuze, op basis van ratio alleen, maar iets wat
je ervaart en doorleeft door er samen een tijdje mee te werken.
Door de voordelen en de nadelen te ervaren en gezamenlijk
te bespreken, door alternatieven uit te proberen, en aan een
aantal knoppen te sleutelen. En door – waar dat aan de orde
is – te spreken met softwareleveranciers.
Deze aanpak zal een nieuwe trend zetten. Vergelijk het met
wat er gebeurde met de schoolboeken voor het secundair
onderwijs, die steeds vaker eenmalig werden gebruikt. Er
kwam een beweging vanuit scholen die zeiden: we doen
het zelf wel, met eigen materiaal dat we gaan delen en
duurzaam maken. Meteen sloten de uitgevers aan om
samen het experiment aan te gaan. Iets soortgelijks voorzie
ik met software in de onderwijsomgeving – en eigenlijk in
10
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
De digitale ruggengraat
zal de samenleving
Noten
1 www.hva.nl/over-de-hva/wie-we-zijn
2 www.inholland.nl/over-inholland
3 www.leerlevels.nl
4 www.kennisnet.nl/opinie/ai-in-het-onderwijs-vraagt-om-regie-kabinet-pak-die-rol
en het onderwijs
blijven beïnvloeden
elke werkomgeving. Gewoon beginnen en gezamenlijk
kiezen voor experimenteren en leren!
Digitale ruggengraat
Het hoger onderwijs is nu aan zet om een praktijk en een
infrastructuur voor digitale medezeggenschap en digitale
waardigheid te bouwen. De samenleving is veranderd en zal
ook in de toekomst blijven veranderen. De digitale ruggengraat
die tot ontwikkeling is gekomen, zal de samenleving
en het onderwijs ook in de toekomst blijven beïnvloeden.
Instellingen voor hoger onderwijs kunnen daarbij hun cruciale
rol blijven vervullen door vast te houden aan de missie
om studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten
en onderzoekend vermogen maximaal te laten ontwikkelen
en op te leiden voor de arbeidsmarkt. Door de zes stappen,
acties of denkrichtingen op te pakken kunnen we de digitale
waardigheid in het hoger onderwijs borgen. Daarvoor
moeten we namelijk niet het digitale systeem willen veranderen,
maar onze didactische benadering en maatschappelijke
opdracht.
Nanda Piersma
is wetenschappelijke directeur van het Centre of Expertise
Applied Artificial Intelligence van de Hogeschool van Amsterdam
en kroonlid van de Sociaal-Economische Raad
Literatuur
Arora, P. (2024). From Pessimism to Promise. Lessons from the Global South on Designing
Inclusive Tech. MIT Press.
Brink, M., Van den Broek, A. & Ramakers, C. (2021). Ervaringen van studenten met onderwijs
en toetsen op afstand tijdens corona. ResearchNed Nijmegen in opdracht van het
Interstedelijk Studenten Overleg.
SER (2025). AI en werk. Samen naar een werkende toekomst met AI. Advies Sociaal-
Economische Raad.
Snyder, T. (2024). Over vrijheid. Amsterdam: Uitgeverij Balans.
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 11
3-26
De invloed van ICT
De voorbije jaren hebben we gezien hoe snel technologie haar weg vindt naar het hoger onderwijs. Tegelijk is duidelijk
geworden dat technologie alléén geen garantie biedt voor kwaliteitsvol leren. Juist het vakmanschap van de lesgever
bepaalt het succes van een onderwijsinnovatie.
Van hype naar meesterschap
De pedagogische integratie van digitalisering
Heidi Croes, Marie Haeck & Kristiaan Mesens
Hogeschool PXL, Hasselt
D
e coronapandemie vormde in 2020 een katalysator
voor de integratie van digitale technologieën in het
onderwijs. Onlinevergaderplatformen en interactieve
toepassingen werden in korte tijd op grote schaal
ingezet om de continuïteit van het onderwijs te garanderen
tijdens periodes van fysieke afstand. Onze lesgevers toonden
hierbij een aanzienlijke flexibiliteit en creativiteit, onder
andere door zelf digitale leermaterialen te ontwikkelen
en te experimenten met nieuwe didactische werkvormen.
Deze plotse omschakeling bracht ook de nodige uitdagingen
met zich mee. Door de hoge urgentie ontbrak het vaak aan
een grondige didactische onderbouwing van het onlineonderwijs,
wat in sommige gevallen gevolgen had voor de
ervaren kwaliteit ervan en het welzijn van studenten. De
combinatie van langdurig schermgebruik en beperkte sociale
interactie vereiste bovendien een grote aanpassing van zowel
studenten als lesgevers.
Dankzij jarenlange investeringen in technologie, professionalisering
en initiatieven rond blended learning was Hogeschool
PXL goed voorbereid op de omschakeling naar digitaal
onderwijs. Vanuit haar beleid zet de instelling al ruim
twintig jaar in op ICT als motor voor kwaliteitsvol onderwijs,
wat zich onder meer vertaalt in de integratie van blended
learning in de curricula en de ontwikkeling van krachtige,
digitale en authentieke leeromgevingen. PXL stemt het
didactisch ontwerp daarbij bewust af op de voortschrijdende
digitalisering.
Deze strategische keuzes maakten het in tijden van crisis
mogelijk om snel te schakelen naar een onlineleeromgeving
en zo de continuïteit van het onderwijs te waarborgen. Zo
sloot de hogeschool op 11 maart 2020 als eerste in Vlaanderen
de deuren (VRT NWS, 2025). Die snelle omschakeling werd
mee mogelijk gemaakt door eerdere innovatieprojecten,
zoals het initiatief PXL Breekt Uit 1 , waarmee de hogeschool
al vóór de coronacrisis actief experimenteerde met flexibele,
digitale en grensverleggende vormen van onderwijs.
Hypecyclus
Het omarmen van technologieën in het onderwijs verloopt
doorgaans op een weinig radicale, trage manier en is volgens
onderzoeksbureau Gartner steeds terug te brengen naar
dezelfde vijf fases van de hype cycle (Linden & Fenn, 2003):
Technologie omarmen
verloopt in het onderwijs
doorgaans op een weinig
radicale, trage manier
12
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
• Een nieuwe, nog maar weinig gebruikte technologie,
begint als een trigger: een bepaalde tool wordt gezien als
nieuw en experimenteel en trekt veel publiciteit. Denk aan
AI-tutors, slimme systemen die studenten individueel
begeleiden, uitleg geven en oefeningen aanpassen; of
denk aan physical AI in praktijkopleidingen: robots of
slimme systemen in technische richtingen die realistische
training geven.
• Een volgende fase is de hypefase. Er ontstaat veel buzz,
maar de innovatie is nog niet stabiel of schaalbaar.
Mensen zijn benieuwd, achten het potentieel groot en
verwachten dat het onderwijs hierdoor helemaal gaat
veranderen. ‘Kunstmatige intelligentie zal het grootste
deel van het lesgeven overnemen, we stevenen af op
autonome klaslokalen, er zullen virtuele campussen
en lessen ontstaan met volledig door AI gegenereerde
cursussen’ et cetera. Het klinkt spectaculair en interessant,
maar werkt nog niet goed in de praktijk. De leerwinst
is niet bewezen en de inhouden zijn oppervlakkig of
foutgevoelig.
• Na de hypefase komt de realiteitscheck en het besef dat
de technologie zonder professionalisering, goede begeleiding
of coaching tot frustratie, kwaliteitsverlies en
afhankelijkheid kan leiden. Het onderwijs leert willens
nillens dat het niet om de technologie zelf draait; het
gaat erom hoe je die slim gebruikt en hoe je menselijke
vaardigheden blijft ontwikkelen. Technologie staat dus
niet per definitie onmiddellijk gelijk aan innovatie.
• In de voorlaatste fase begint wat werkt duidelijk te worden.
Hierin zit de grootste praktische waarde van de impact
van technologie. Door de implementatie van applicaties
krijgen we toegang tot heel wat data, waarop we analyses
kunnen uitvoeren. Die learning analytics beginnen
steeds beter ingeburgerd te geraken. Hierdoor kunnen
we studenten beter opvolgen en waar nodig ingrijpen.
Wat de lesgever vroeger vaak zelf moest doen in lijstjes
en Excel, doet nu een tool in de leeromgeving voor
hem. Ook blended learning, waarbij we streven naar
een slimme mix tussen digitaal en fysiek onderwijs, is
zo een voorbeeld van een vernieuwing die ondertussen
bijna mainstream is geworden.
• De laatste fase van de cyclus kenmerkt zich door het
plateau van productiviteit. Technologieën die zich in deze
fase bevinden, leveren al duidelijk resultaat. Denk aan
learning management systems zoals Blackboard Ultra,
online-klasomgevingen zoals Microsoft Teams Classroom
of videoplatformen zoals Panopto, die als centrale plek
fungeren ter ondersteuning van het onderwijs.
Doordachte didactiek
Er is een duidelijk verschil tussen het louter gebruiken van
technologie en het pedagogisch onderbouwd inzetten ervan
(Townsend, 2025). Dit onderstreept het belang van een doordachte
digitale didactiek (Bogaert & Schroeven, 2024; Best,
Technologie biedt pas
meerwaarde wanneer
ze ingebed is in een
doordachte didactiek
2020). Het onderwijs aan Hogeschool PXL speelt hierop in.
Het wordt georganiseerd volgens de principes van ‘MiXed
Learning’, is studentgecentreerd en biedt maximale ontwikkelingskansen.
Met dit concept kunnen we blijvend inzetten
op de voordelen van online, anytime anywhere onderwijs,
zonder daarbij afbreuk te doen aan de authenticiteit ervan.
Het sluit nauw aan bij realistische beroepscontexten en
biedt studenten betekenisvolle leerervaringen die relevant
zijn voor de praktijk.
In elke opleiding streven we naar een evenwicht tussen leren
op de campus, onlineleren en leren op en samen met de
werkplek. Daarnaast blijven de basisprincipes van ons originele
onderwijsconcept behouden: authentiek en contactrijk
onderwijs met ICT als motor. De beleidsdoelen van Hogeschool
PXL stimuleren elke opleiding om de juiste balans
voor haar curriculum te realiseren; daarbinnen blijft ICT
een vast element, steeds in functie van het opzetten van
een krachtige leeromgeving en het creëren van maximale
ontwikkelingskansen voor de studenten.
Het leerplatform Blackboard Ultra geeft altijd en overal toegang
tot de leermaterialen, van op eender welk device. Door
de integraties met onder meer Microsoft 365 en tal van leertools
hebben studenten toegang tot applicaties die het werkveld
ook gebruikt en die de leerkansen verhogen. Binnen
het MiXed Learning-model volgen studenten bijvoorbeeld
onlinelessen via Teams, dat geïntegreerd is met Blackboard
Ultra. Zo ontstaat voor elk opleidingsonderdeel een samenhangende
leeromgeving waarin studenten zich niet alleen
inhoudelijk verdiepen, maar ook hun digitale vaardigheden
ontwikkelen. Ze leren samenwerken, presentaties maken
en werken met tools zoals OneNote en tekstverwerkingsprogramma’s.
Deze integratie verhoogt de authenticiteit van het
leerproces, doordat studenten werken met applicaties die ook
in het werkveld gangbaar zijn. Tegelijk krijgen ze inzicht in
de wisselwerking tussen samenwerkingstools en leertools,
wat een bewuste inzet van ICT stimuleert.
Met het oog op de toekomst is het belangrijk om expliciet te
maken welke digitale competenties de instelling verwacht
en ontwikkelt. Dit is essentieel, aangezien niet elke student
digitaal vaardig is (Statistiek Vlaanderen, z.d.). Duidelijke
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 13
3-26
De invloed van ICT
verwachtingen verhogen de leerkansen en dragen bij aan
een inclusieve leeromgeving.
Technologie biedt dus pas een meerwaarde wanneer ze ingebed
is in een doordachte didactiek, gericht op leerdoelen,
interactie en het ondersteunen van leerprocessen. Dit vraagt
om blijvende aandacht voor werkvormen, evaluatiestrategieën
en studentbetrokkenheid. PXL heeft in deze context consequent
ingezet op het ondersteunen en professionaliseren
van haar lesgevers in het doelgericht inzetten van ICT als
motor van hun onderwijs.
Omarmfactoren
Om de focus op ondersteuning en professionalisering beter
te begrijpen, is het zinvol om stil te staan bij de factoren
die bepalen of lesgevers technologie effectief omarmen. Het
UTAUT2-model (Unified theory of acceptance and use of technology)
(Tamilmani et al., 2021) is een manier om te begrijpen
waarom mensen wel of niet een nieuwe technologie accepteren
en gebruiken. Je kunt het zien als een checklist van
factoren die bepalen: ‘ga ik dit gebruiken of niet?’ Dit is vanzelfsprekend
de eerste vraag die een lesgever zich moet stellen,
nog voor hij of zij nadenkt over het pedagogisch zinvol
inzetten van een bepaalde technologie.
Het UTAUT2-model zegt dat technologiegebruik vooral
afhangt van factoren binnen de technologie, maar ook van
kenmerken van de gebruiker. Een eerste factor is de verwachting
van het nut (performance expectancy). Als iets
duidelijk voordelen heeft, zijn mensen al sneller geneigd
het te gebruiken. Daarnaast speelt het gebruiksgemak (effort
expectancy) natuurlijk een grote rol. Hoe eenvoudiger een
bepaalde technologie is, des te groter de kans dat men het
gaat gebruiken. Een derde factor is de sociale invloed (social
influence). Vinden anderen dat ik dit moet gebruiken? Collega’s,
leidinggevenden of studenten spelen hier een rol. De
ondersteunende omstandigheden (facilitating conditions)
zoals training, ICT-ondersteuning, infrastructuur et cetera
zijn ook belangrijk. Als een bepaalde tool of technologie
voor plezier (hedonic motivation) zorgt, zal deze mensen
ook motiveren om ermee aan de slag te gaan. Dit is vooral
Zonder docentacceptatie
en -bekwaamheid faalt
de implementatie van
een nieuwe technologie
doorslaggevend bij interactieve tools; de ‘goesting’ om bijvoorbeeld
met generatieve AI te leren werken en je als lesgever
eerst zelf te verdiepen in de mogelijkheden, is niet te onderschatten.
Wat lesgevers gewoon zijn om te gebruiken (habit),
blijven ze ook vaak doen. Na verloop van tijd geraakt een
technologie op die manier ingeburgerd en grijpen mensen
er vaker naar terug. Een laatste aspect is de prijs/waarde
(price value) van een technologie. In de onderwijscontext
gaat dit vaak over de tijd en energie in plaats van over geld.
De kenmerken van de gebruiker, zoals leeftijd, geslacht en
ervaring, gelden als moderatoren die invloed hebben op de
relatie tussen de zeven genoemde factoren en het uiteindelijke
gebruik van de technologie. Dit toont aan dat de lesgever
als persoon hierin een bepalende rol speelt. De digitale
geletterdheid, digitale competenties en didactische bekwaamheid
zijn bijgevolg doorslaggevend bij de acceptatie van technologie
door lesgevers. De implementatie van een nieuwe
technologie faalt, met andere woorden, zonder docentacceptatie
en -bekwaamheid.
ICT-integratie is evenwel geen individuele competentie,
maar een ecosysteemvraagstuk. Waar het UTAUT2-model
vooral kijkt naar de individuele beslissing van een lesgever
om een bepaalde technologie te gebruiken, plaatst het
EdTech-ecosysteem (educatieve technologie) die beslissing
in een groter geheel (Vlaams Ministerie, z.d.; Holland, 2014).
De beschikbaarheid en de beslissing om een bepaalde technologie
te gebruiken, wordt gefaciliteerd door het ecosysteem
dat bestaat in de onderwijscontext waarin een lesgever functioneert.
Het EdTech-ecosysteem is het geheel van actoren
en factoren rond technologie in onderwijs, zoals de onderwijsinstelling
(beleid, visie, budget), de ICT-infrastructuur
(platformen, tools, support), collega’s en teams, studenten,
externe technologieaanbieders (bijvoorbeeld leerplatformen)
en overheid en regelgeving. Het is als het ware een netwerk
binnen een schoolcontext waarin alles elkaar beïnvloedt.
Bekwame lesgever
De lesgever vormt de schakel tussen technologie en onderwijspraktijk.
Hij of zij selecteert de technologie en zet die in
in functie van pedagogische en didactische doelen. Technologie
op zichzelf verandert immers weinig; het is de lesgever
die betekenis geeft aan die tools en ze vertaalt naar leerprocessen
die ertoe doen. Het TPACK-model (technological
pedagogical content knowledge) (Mishra & Koehler, 2006;
Townsend, 2025) maakt duidelijk dat effectief gebruik van
technologie ontstaat in de samenhang tussen vakinhoud,
didactiek en technologische kennis.
Meesterschap betekent daarbij meer dan technische vaardigheid.
Het omvat inhoudelijke expertise, pedagogisch inzicht
en het vermogen om studenten te begeleiden in hun leerproces
(Simons, 2008). Een lesgever neemt bijgevolg een
fundamentele verantwoordelijkheid op voor de toekomst.
Niet alleen door kennis over te dragen, maar ook door actief
14
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
vorm te geven aan hoe toekomstige generaties leren denken,
handelen en zich verhouden tot een steeds complexere gedigitaliseerde
wereld. Dat meesterschap begint bij een stevige
inhoudelijke expertise: de lesgever beschikt over diepgaande
kennis van een vakgebied en begrijpt hoe (een deel van) de
wereld in elkaar zit. Vanuit die expertise begeleidt hij of zij
studenten in het verwerven, verwerken en zelf construeren
van kennis (Simons, 2008).
Tegelijkertijd is meesterschap onlosmakelijk verbonden met
de pedagogisch-didactische relatie. Een bekwame lesgever
weet hoe leerprocessen verlopen, kan inspelen op verschillen
tussen studenten en maakt onderbouwde keuzes in werkvormen,
evaluatie en begeleiding. Die keuzes zijn nooit
neutraal, maar vertrekken vanuit inzicht in klasdynamiek,
leerbehoeften en beoogde competenties.
Samengevat helpt het concept van meesterschap om de rol
van de lesgever scherper te begrijpen: technologische innovatie
in het onderwijs is geen puur technische of organisatorische
kwestie, maar in essentie een professionele en
pedagogische praktijk. Zonder het oordeel, de expertise en
de betrokkenheid van de lesgever blijft technologie een onbenut
potentieel. Een goede lesgever denkt niet ‘ik gebruik
technologie’, maar ‘welke technologie helpt mij om deze
leerstof op deze manier beter te onderwijzen?’
Blijvend verdiepen
Het idee van meesterschap benadrukt dat de kwaliteit van
onderwijs in grote mate samenhangt met de expertise en
de pedagogisch-didactische vaardigheden van de lesgever.
Tegelijk is dat meesterschap geen eindpunt, maar een dynamisch
en voortdurend proces van ontwikkeling. In een context
waarin technologie en digitalisering het onderwijslandschap
snel veranderen, volstaat het niet dat leraren beschikken over
een vaste set aan kennis en vaardigheden. Ze moeten hun
praktijk blijvend herdenken, aanpassen en verdiepen.
Daarmee komt het belang van professionalisering en ondersteuning
scherp in beeld. Als we van leraren verwachten dat
zij een sleutelrol opnemen in onderwijsinnovatie en in het
betekenisvol integreren van technologie, dan moeten zij ook
Een goede lesgever
denkt: welke technologie
helpt mij deze leerstof
beter te onderwijzen?
In zo’n omgeving
kan meesterschap
ook doorwerken
op systeemniveau
de ruimte, tijd en middelen krijgen om dat meesterschap
verder te ontwikkelen. Professionalisering is in die zin geen
bijkomstigheid, maar een noodzakelijke voorwaarde om die
rol waar te maken.
Via initiatieven zoals het Centrum Digitaal Leren zet Hogeschool
PXL actief in op de professionalisering van docenten,
met aandacht voor zowel technologische vaardigheden als
didactische expertise. Deze ondersteuning bouwen we verder
uit vanuit de centrale Dienst Onderwijs; ze omvat een breed
aanbod aan professionaliseringsmogelijkheden, gaande van
individuele coaching tot teamgerichte trajecten waarin pedagogisch-didactische
en technologische thema’s geïntegreerd
aan bod komen. Op die manier positioneert PXL zich als een
instelling die digitale transformaties niet alleen omarmt, maar
ook duurzaam verankert in haar onderwijspraktijk. Professionalisering
binnen Hogeschool PXL vertrekt daarom steeds
vanuit een onderwijskundige benadering: welke leerdoelen
staan centraal, welke leeractiviteiten sluiten daarbij aan en op
welke manier kan een leertool hier een meerwaarde bieden?
Vanuit deze didactische insteek verkennen en hanteren we
vervolgens het beschikbare ICT-instrumentarium, steeds
met het oog op krachtige en effectieve leeromgevingen
(Kenniscentrum Digisprong, z.d.).
Ruimte voor experiment
Vanuit het perspectief van het UTAUT2-model kunnen we dit
verder verduidelijken. Professionalisering en ondersteuning
versterken immers verschillende factoren die technologiegebruik
beïnvloeden: ze verhogen het ervaren gebruiksgemak,
versterken het gevoel van competentie en creëren gunstige
voorwaarden om nieuwe tools te verkennen en te implementeren.
Tegelijk draagt een sterke professionele leercultuur
bij aan positieve sociale invloed en het ontstaan van gedeelde
praktijken binnen teams.
Ook binnen het EdTech-ecosysteem is ondersteuning cruciaal.
Niet alleen individuele leraren, maar het volledige systeem
moet afgestemd zijn op leren en innoveren: met een toegankelijke
infrastructuur, didactische begeleiding, ruimte voor
experiment en samenwerking tussen collega’s. In zo’n
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 15
3-26
De invloed van ICT
De toekomst van
onderwijs zal niet
bepaald worden door
de slimste tools
omgeving kan meesterschap zich niet alleen ontwikkelen,
maar ook doorwerken op systeemniveau.
De ruimte voor experiment wordt mogelijk gemaakt door de
voortrekkersrol die de afdeling PXL Research (een verzameling
van tien expertisecentra) hierin speelt. Er lopen continu
verschillende onderzoeksprojecten die onder meer inzetten
op onderwijsvernieuwing en op een experimentele manier
aan de slag gaan met nieuwe (educatieve) technologieën
zoals AI, augmented en virtual reality en robotics. Door leraren
(en studenten) bij dit onderzoek te betrekken en verantwoordelijkheid
hiervoor te geven, zetten we in op een sterke
verwevenheid tussen onderwijs en onderzoek en creëren we
een springplank voor het implementeren van innovatie in
onderwijs.
Literatuur
Best, J. (2020). The SAMR model explained (with 15 practical examples). 3P Learning.
www.3plearning.com/blog/connectingsamrmodel
Bogaert, G. & Schroeven, M. (2024). Digitale didactiek. Hoe? Zo! Lannoo.
Holland, B. (2014). Building your edtech ecosystem. Edutopia. www.edutopia.org/blog/
building-your-tech-ecosystem-beth-holland
Kenniscentrum Digisprong (z.d.). DigCompEdu: Europees referentiekader voor digitale
competenties van leraren. Geraadpleegd van www.vlaanderen.be/kenniscentrum-
digisprong/themas/professionalisering/digcompedu-europees-referentiekader-voor-
digitale-competenties-van-leraren
Linden, A. & Fenn, J. (2003). Understanding Gartner’s Hype Cycles. Strategic Analysis Report
N o R-20-1971. Gartner, Inc., 88, 1423.
Mishra, P. & Koehler, M.J. (2006). Technological pedagogical content knowledge:
A framework for teacher knowledge. Teachers College Record, 108(6), 1017-1054.
doi.org/10.1111/j.1467-9620.2006.00684.x
Simons, M. in: Masschelein, J. (2008). De lichtheid van het opvoeden. Lannoo Campus.
Tamilmani, K., Rana, N.P., Wamba, S.F. e.a. (2021). The extended Unified Theory of
Acceptance and Use of Technology (UTAUT2): A systematic literature review and theory
evaluation. International Journal of Information Management, 57, 102269.
Townsend, J. (2025). TPACK model explained with examples for the classroom. Nearpod.
nearpod.com/blog/tpack
Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming (z.d.). EdTech-ecosysteem: voorwaarde voor
kwaliteit én impact. Kenniscentrum Digisprong. www.vlaanderen.be/kenniscentrumdigisprong/themas/innovatie/edtech-ecosysteem-voorwaarde-voor-kwaliteit-en-impact
VRT NWS (2025). Hogeschool PXL blikt terug op de preventieve sluiting tijdens de pandemie.
Geraadpleegd van www.vrt.be/vrtnws/nl/2025/03/12/hogeschool-pxl-blikt-terug-op-depreventieve-sluiting-tijdens-de
Noot
1 www.hogeschoolpxl.be/Pub/Home/PXL-breekt-uit/PXL-Breekt-uit-overzicht.html
Terrein van de lesgever
Misschien moeten we de vraag ‘wat kan technologie doen
voor het hoger onderwijs?’ omkeren: wat stelt een lesgever
in het hoger onderwijs in staat om technologie betekenisvol
te gebruiken? Want hoe geavanceerd technologische systemen
ook worden, ze nemen geen pedagogische verantwoordelijkheid
op, voelen geen klasdynamiek aan en maken zelden
doordachte didactische keuzes. Dat blijft het terrein van
de lesgever.
De toekomst van onderwijs zal dan ook niet bepaald worden
door de slimste tools, maar door de mate waarin we erin
slagen het meesterschap en de competenties van leraren
te versterken. Technologie evolueert razendsnel, maar het
meesterschap van lesgevers bepaalt de koers.
Heidi Croes
is adjunct algemeen directeur en directeur onderwijs- en
studentenbeleid aan Hogeschool PXL
Marie Haeck
is stafmedewerker Onderwijs aan Hogeschool PXL
Kristiaan Mesens
is coördinator ICT in het onderwijs aan Hogeschool PXL
16
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
In het ICT-onderwijs geldt verandering niet als tijdelijke verstoring, maar als de normale toestand; zoveel is na
zes decennia wel duidelijk. De vraag is daarom hoe we opleidingen ontwerpen die met de toekomst meebewegen,
zonder iedere nieuwe ontwikkeling als een bedreiging te zien.
Niet overvallen, maar uitgedaagd
Wat zestig jaar ICT-onderwijs ons heeft geleerd
Frens Vonken
Fontys Hogeschool
T
oen ik zo’n 45 jaar geleden met ICT-onderwijs in
aanraking kwam, waren computers nog een schaars
en kostbaar object. Ze stonden in speciale ruimtes,
de toegang ertoe was beperkt en het leren vond nog
grotendeels plaats met pen, papier, boeken en een aanzienlijke
dosis verbeeldingskracht. Inmiddels draagt vrijwel
iedere student een apparaat in zijn broekzak dat de systemen
uit die begintijd qua rekenkracht, connectiviteit en toegankelijkheid
ver achter zich laat. Wie lang genoeg in het ICTonderwijs
heeft gewerkt, heeft daardoor een eenvoudige
maar belangrijke les geleerd: verandering is in dit vakgebied
geen tijdelijke verstoring, maar de normale toestand.
Sinds het begin van de jaren tachtig ben ik betrokken geweest
bij het ICT-onderwijs: eerst als student en later als docent,
onderwijsontwikkelaar en manager. Dit is dan ook geen
neutrale geschiedenis van het vakgebied en ook geen volledige
analyse van de impact van technologie op het onderwijs;
het is een persoonlijke reflectie op patronen die ik in
ruim veertig jaar heb gezien, en op de lessen die opleidingen
die wendbaar willen blijven daaruit kunnen trekken.
Daarbij is één onderscheid belangrijk. In het onderwijs in
het algemeen is ICT een middel, een infrastructuur, een
context en steeds vaker ook een medespeler in leerprocessen;
in ICT-opleidingen is het daarnaast bovendien het object van
studie: studenten leren daar digitale systemen ontwerpen,
bouwen, beheren, begrijpen, beoordelen en vernieuwen.
Daardoor komen technologische veranderingen in het ICTonderwijs
dubbel binnen: ze veranderen wat studenten
moeten leren én hoe zij kunnen leren.
De vraag is dus niet of technologische ontwikkelingen het
onderwijs raken, want dat doen ze al decennialang. De vraag
is hoe opleidingen wendbaar blijven zonder iedere nieuwe
ontwikkeling als een bedreiging te zien, en zonder bij elke
golf opnieuw te doen alsof alles voor het eerst gebeurt.
Van ponskaart tot prompt
ICT-opleidingen bestaan inmiddels ongeveer zestig jaar, en
in die periode is het vakgebied ingrijpend veranderd. In de
beginjaren was computing vooral verbonden met rekenen,
automatiseren en het efficiënt uitvoeren van formeel
beschreven procedures. De computer was schaars, duur en
voorbehouden aan specialisten. Wie ermee werkte, moest
relatief ‘dicht bij de machine’ staan: hardware, geheugen,
Daardoor komen
technologische veranderingen
in het ICT-onderwijs
dubbel binnen
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 17
3-26
De invloed van ICT
instructies, programma en uitvoer waren als samenhangend
geheel nog enigszins te overzien.
Daarna volgden verschillende golven van technologische
ontwikkeling. De computer werd een relatief algemeen
beschikbare voorziening en informatica ontwikkelde zich
als zelfstandig onderwijsdomein. De betaalbare personal
computer bracht vervolgens programmeer- en toepassingsmogelijkheden
naar scholen, opleidingen, bedrijven en
huishoudens. De grafische gebruikersinterface maakte computergebruik
toegankelijk voor veel bredere groepen. Vanaf
de jaren negentig verbond internet informatie, mensen en
organisaties op een schaal die daarvoor nauwelijks voorstelbaar
was geweest. De smartphone en mobiel internet maakten
digitale technologie daarna permanent aanwezig in het
dagelijks leven. En nu zorgt generatieve AI ervoor dat waarde
en betekenis van kennis en kennisverwerking, productiviteit
en professionele verantwoordelijkheid gaan verschuiven.
Door die ontwikkelingen is het ICT-onderwijs inhoudelijk
op twee manieren gegroeid: verticaal en horizontaal. Met
verticale groei bedoel ik dat er steeds nieuwe lagen boven
op bestaande lagen zijn gekomen. Wie digitale systemen
wil begrijpen, kan beginnen bij elementaire natuurkundige
processen in een chip, en vervolgens via processorarchitectuur,
instructiesets, besturingssystemen, compilers, programmeertalen,
databases, netwerken, cloudinfrastructuren, API’s
(application programming interfaces), platformen, machinelearningmodellen
en generatieve AI uitkomen bij wereldwijde,
dynamische digitale ecosystemen. Elke nieuwe laag is
gebaseerd op de onderliggende lagen. Elke laag maakt nieuwe
toepassingen mogelijk, maar vergroot ook de afstand tussen
wat de gebruiker ziet en wat er fysiek en technisch gebeurt.
Met horizontale groei bedoel ik dat de ICT zich steeds
breder heeft vertakt. Waar het vakgebied aanvankelijk nog
relatief overzichtelijk leek, zijn er inmiddels talloze specialisaties
ontstaan: software-engineering, business IT, cybersecurity,
infrastructuur, interaction design, data science, AI,
embedded systems, game development, cloud engineering, digitale
ethiek, platformontwikkeling en nog veel meer. Bovendien
is ICT niet langer één sector naast andere sectoren;
vrijwel elk maatschappelijk, economisch en professioneel
domein is digitaal geworden, of in ieder geval digitaal
bemiddeld.
Buiten het frame
Voor ICT-opleidingen levert dat een fundamenteel probleem
op. De opleidingstijd groeit niet mee met het vakgebied; een
bacheloropleiding is niet twee keer zo lang geworden omdat
het vakgebied twee keer zo omvangrijk is geworden. Het
curriculum kunnen we niet onbeperkt uitbreiden. We zullen
dus keuzes moeten maken.
Ik gebruik daarvoor vaak het beeld van een frame. De omvang
van een opleiding is als een frame met een vaste maat dat je
over een steeds hoger wordende stapel legt. Als er bovenaan
Curriculumontwikkeling
is in een uitdijend
vakgebied vooral een
kwestie van loslaten
nieuwe lagen bij komen, vallen er onderaan lagen buiten
het frame. Dat is pijnlijk, omdat we juist die onderkant vaak
ervaren als de basis van het vak. Wie zelf nog geleerd heeft
om dicht bij de machine te programmeren, ervaart kennis
van hardware, geheugenbeheer of compilerwerking al snel
als fundamenteel. Voor een volgende generatie kan een
andere basis ontstaan: bijvoorbeeld softwarearchitectuur,
datamodellering, security, gebruikersinteractie of het verantwoord
inzetten van AI.
Dat betekent niet dat oude basiskennis waardeloos wordt.
Het betekent wel dat niet alles wat ooit basiskennis was,
basiskennis kan blijven voor iedere student. In een uitdijend
vakgebied is curriculumontwikkeling daarom niet alleen
een kwestie van toevoegen; het is vooral een kwestie van
loslaten. En dat loslaten is lastig. Alles wat in een onderwijsprogramma
zit, is er ooit in gekomen omdat we het relevant
vonden. De beslissing dat iets niet meer voor iedereen noodzakelijk
is, voelt al snel als verlies.
Toch is precies dat vermogen tot herordening essentieel voor
ICT-onderwijs. In mijn veertig jaar in dit domein is het steeds
opnieuw vinden van een basis een terugkerend patroon
geweest. Soms ging het om kleine verschuivingen, soms
om grote breuken. De opkomst van AI kondigt opnieuw
zo’n verschuiving aan.
Eerst de toets
Technologische ontwikkelingen veranderen niet alleen de
inhoud van ICT-opleidingen, maar ook de didactiek. Die
twee zijn niet los van elkaar te zien. Vaak wordt de didactische
impact van nieuwe technologie als eerste zichtbaar in de
toetsing.
Dat patroon is herkenbaar. Een programmeeromgeving
markeert syntaxfouten of vult code automatisch aan. Standaardbibliotheken
nemen algoritmen over die studenten
eerder zelf moesten implementeren. Zoekmachines maken
parate feitenkennis minder onderscheidend; internet geeft
studenten onmiddellijke toegang tot handleidingen, voorbeelden,
oplossingen en discussies. Smartphones maken
communicatie en informatie altijd beschikbaar. Generatieve
18
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
AI kan teksten, code, analyses, samenvattingen, ontwerpen
en reflecties produceren.
De eerste reactie vanuit onderwijs en toetsing is vaak defensief:
verbieden, afschermen, blokkeren of terugkeren naar
papier. Dat is begrijpelijk; nieuwe technologie ondermijnt
bestaande afspraken over wat een prestatie is en hoe je
die kunt toeschrijven aan een student. Als die laatste een
opdracht door een hulpmiddel sneller of beter kan uitvoeren,
lijkt de toets zijn waarde te verliezen.
Maar mijn ervaring is dat zo’n defensieve fase meestal tijdelijk
is. Uiteindelijk volgt de interessantere vraag: wat wilden
we eigenlijk toetsen? Als een programmeeromgeving syntaxfouten
corrigeert, is het dan nog zinvol om vooral syntaxkennis
te beoordelen? Als bibliotheken standaardoplossingen
bieden, moeten we dan niet méér de nadruk leggen op probleembegrip,
keuze van datastructuren, ontwerpkwaliteit,
onderhoudbaarheid en verantwoording? Als AI een eerste
versie van code of tekst kan genereren, verschuift de beoordeling
dan niet naar specificeren, controleren, verbeteren,
integreren en professioneel oordelen?
Vrijwel elke technologische vernieuwing heeft in eerste
instantie de toetspraktijk verstoord. Maar achteraf blijkt die
verstoring vaak een aanwijzing dat we iets toetsten wat niet
langer de kern van het professioneel handelen vormde. Dat
maakt toetsing niet minder belangrijk, maar wel minder
vanzelfsprekend. Toetsen moeten meebewegen met wat
professionals in een veranderend vakgebied werkelijk doen.
Docenten die voordoen
Met de didactiek is ook de rol van de docent veranderd. In
de begintijd was informatie schaars; actuele studieboeken
waren beperkt beschikbaar, zeker in het Nederlands. Computers
en software waren duur. De docent was daardoor
een belangrijke bron van informatie en toegang. Wie wilde
leren, had de docent, het lokaal, het rooster en de beschikbare
apparatuur nodig. Met de komst van betaalbare computers,
software, internet en later onlineleeromgevingen
veranderde dat. De docent werd minder exclusief als
De eerste reactie vanuit
onderwijs en toetsing
is vaak defensief:
verbieden, afschermen
Betekent dit dat de
docent minder belangrijk
wordt? Ik denk het
tegenovergestelde
informatiebron en werd meer een gids in een groeiende
hoeveelheid informatie. Maar vervolgens werd ook die gidsfunctie
kleiner; studenten kunnen nu uitlegvideo’s bekijken,
documentatie raadplegen, foutmeldingen opzoeken, voorbeelden
vinden en community’s raadplegen. Ontwikkelomgevingen
geven feedback. AI-systemen kunnen uitleg
geven, alternatieven voorstellen en helpen bij debugging
(het opsporen en corrigeren van fouten).
Betekent dit dat de docent minder belangrijk wordt? Ik
denk het tegenovergestelde. De docent wordt misschien
minder belangrijk als doorgeefluik van informatie, maar
juist belangrijker als voorbeeld van professioneel handelen.
In een snel veranderend vakgebied is het onmogelijk dat
een docent alles weet. Sterker nog: het zou verdacht zijn als
een docent die indruk wekt. Studenten moeten niet de belofte
krijgen dat zij les krijgen van mensen die alle antwoorden
kennen. Ze moeten docenten ontmoeten die laten zien hoe
een deskundige omgaat met vragen waarop het antwoord
nog niet vaststaat. Hoe onderzoek je een nieuwe technologie?
Hoe bepaal je of een oplossing betrouwbaar is? Hoe ga je
om met onzekerheid? Hoe leer je iets nieuws zonder jezelf
te verliezen in een hype of oppervlakkigheid? Hoe herken
je kwaliteit? Hoe neem je verantwoordelijkheid voor een
technisch ontwerp dat maatschappelijke gevolgen heeft?
Hier ligt een belangrijke didactische kern. Studenten leren
niet alleen van wat docenten expliciet uitleggen, maar ook
van wat docenten voordoen. Zij zien hoe docenten redeneren,
twijfelen, keuzes maken, grenzen stellen, enthousiast
worden, terugkomen op een eerdere opvatting en omgaan
met nieuwe ontwikkelingen. De docent is daarmee het model
van de professional die de student wil worden.
Dat vraagt iets anders van opleidingen en van leidinggevenden.
Docenten hebben de ruimte en veiligheid nodig om zelf
te blijven leren. In een dynamisch vakgebied kun je professionalisering
niet organiseren als incidentele bijscholing
waarmee iedereen weer ‘bij’ is. Bijblijven is geen toestand,
maar een permanente activiteit. Dat vraagt om tijd, collegiale
samenwerking, verbinding met de beroepspraktijk en een
cultuur waarin niet-weten geen zwakte is, maar het begin
van professioneel leren.
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 19
3-26
De invloed van ICT
Als het al een overval is,
dan een merkwaardige: we
blijven niet berooid achter,
maar met een nieuwe schat
Ja en nee
Worden we telkens door technologische ontwikkelingen
overvallen? Die vraag beantwoord ik met ja en nee.
Ja, omdat we technologische ontwikkelingen niet precies
kunnen voorspellen. We kunnen patronen zien; we kunnen
weten dat rekenkracht, opslag, netwerkcapaciteit en dataverwerking
zich ontwikkelen; we kunnen vermoeden dat automatisering
steeds verder doordringt in werk en samenleving;
we kunnen zelfs, zoals bij de wet van Moore, gedurende lange
tijd een richting en tempo van technologische ontwikkeling
herkennen. Maar we weten zelden precies welke technologie
wanneer doorbreekt, welke toepassing dominant wordt en
welke maatschappelijke of didactische impact zij zal hebben.
De geschiedenis van AI is daarvan een goed voorbeeld. Die
kent periodes van hoge verwachtingen, teleurstelling, teruglopende
aandacht en hernieuwde doorbraken. Achteraf lijken
ontwikkelingen vaak logisch. Vooraf is het veel moeilijker
te bepalen welke belofte werkelijkheid wordt, wanneer dat
gebeurt en op welke schaal.
Ook onze inschatting van impact is gebrekkig. We overschatten
vaak de korte termijn en onderschatten de lange termijn.
Een nieuwe technologie lijkt eerst alles onmiddellijk te
veranderen. Daarna volgt teleurstelling, omdat de praktijk
weerbarstig blijkt. Pas later wordt duidelijk dat onder de
oppervlakte wel degelijk fundamentele verschuivingen
plaatsvinden. Dat geldt voor internet, voor mobiel, voor cloud
en vermoedelijk ook voor AI. In die zin worden we dus verrast;
niet alleen het onderwijs, maar de hele samenleving.
Technologie ontwikkelt zich niet volgens onderwijsbeleidsplannen,
accreditatiekaders of curriculumcycli.
Maar nee, in de negatieve betekenis van het woord worden
ICT-opleidingen niet overvallen. Een overval suggereert dat
ons iets wordt afgenomen en dat we weerloos achterblijven.
Bij technologische ontwikkelingen is eerder het omgekeerde
aan de hand. Als het al een overval is, dan een merkwaardige:
we blijven niet berooid achter, maar juist met een nieuwe
schat. Die schat vraagt om herordening, ongemak en nieuwe
keuzes, maar vergroot uiteindelijk de mogelijkheden van
het onderwijs.
Mijn overtuiging is dat ICT-onderwijs in de afgelopen decennia
juist dankzij technologische ontwikkelingen actueel en
vitaal is gebleven. De snelheid van het vakgebied heeft opleidingen
gedwongen flexibel te zijn. Studenten hebben nieuwe
technologieën vaak vroeg opgepakt en via stages, afstudeerprojecten
en praktijkopdrachten naar de beroepspraktijk
gebracht. Bedrijven die zelf nog zoekend waren, kregen via
studenten toegang tot nieuwe mogelijkheden. Lectoraten
en praktijkgericht onderzoek hebben die verbinding tussen
opleiding, innovatie en beroepspraktijk verder versterkt.
ICT-onderwijs is daarmee niet alleen een ontvanger van
technologische verandering. Het is ook een plaats waar
nieuwe technologie betekenis krijgt, waar we die onderzoeken,
toepassen en normaliseren.
Vijf lessen
Wat valt daaruit te leren? Ik zie vijf lessen voor wendbare
opleidingen:
• De eerste les is dat we verandering niet moeten zien als
een verstoring van een verder stabiel systeem. Voor het
ICT-onderwijs is verandering een eigenschap van het
domein. De vraag is dus niet hoe we het curriculum
eindelijk stabiel krijgen; de vraag is hoe we stabiliteit
organiseren op een ander niveau: in principes, werkwijzen,
kwaliteitsbesef en een professionele houding,
terwijl de concrete inhoud kan bewegen.
• De tweede les is dat we voorzichtig moeten zijn met het
al te strak vastleggen van een body of knowledge. Natuurlijk
hebben opleidingen kaders nodig. Studenten moeten
ergens op kunnen vertrouwen, werkgevers moeten weten
wat een diploma betekent en docenten hebben een gezamenlijke
taal nodig. Maar in een dynamisch vakgebied
wordt een dichtgetimmerde kennisbasis snel een belemmering.
Productiever is een beschrijving van het domein
als ontwikkelruimte: een kader waarin opleidingen verantwoorde
keuzes kunnen maken en waarin actualisering
vanzelfsprekend is.
• De derde les is dat curriculumvernieuwing vooral de kunst
van het loslaten is. Nieuwe onderwerpen toevoegen is
meestal niet het moeilijkst. Moeilijker is erkennen dat
wat ooit noodzakelijk was, niet meer voor iedere student
centraal hoeft te staan. Dat vraagt professionele moed.
Het vraagt ook om het vertrouwen dat basiskennis niet
verdwijnt, maar van vorm verandert. Iedere generatie
ICT-professionals heeft een basis nodig, maar niet noodzakelijk
dezelfde basis.
• De vierde les is dat docenten niet primair bewakers van
een vaste inhoud moeten zijn, maar voorbeelden van
professioneel leren. Dat is een veeleisende rol, die vraagt
om liefde voor het vak, nieuwsgierigheid, reflectie en
het vermogen om onzekerheid zichtbaar te verdragen.
Studenten mogen zien dat docenten niet alles weten;
ze moeten vooral zien hoe docenten leren, onderzoeken,
beoordelen en verantwoordelijkheid nemen.
20
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
• De vijfde les is dat echte problemen krachtiger zijn dan
gesloten toetsen wanneer technologie standaardantwoorden
beschikbaar maakt. In het onderwijs blijft een
vorm van toetsen nodig, maar als belangrijkste bron van
leerdruk, motivatie om te leren, zijn toetsen kwetsbaar.
Een reëel probleem, een echte probleemeigenaar en een
professioneel verantwoord resultaat creëren betekenis
en urgentie die moeilijker te automatiseren zijn. In zulke
situaties gaat het niet alleen om het produceren van een
antwoord, maar om het begrijpen, afwegen, communiceren,
samenwerken, bijstellen en verantwoorden. Dat
is het soort leerdruk dat past bij zichzelf vernieuwend
onderwijs.
Deze lessen gelden in het bijzonder voor ICT-onderwijs, maar
niet uitsluitend daarvoor. Naarmate ICT in alle opleidingen
middel, context en infrastructuur wordt, krijgen ook andere
domeinen te maken met vergelijkbare vragen. Wat moeten
studenten zelf nog weten als informatie altijd beschikbaar
is? Wat moeten zij nog zelf kunnen als software steeds meer
uitvoert? Wat betekent toetsing als de productie van tekst,
beeld, code en analyse steeds eenvoudiger wordt? En welke
rol heeft de docent als kennis overal is, maar wijs en professioneel
gebruik van die kennis schaars blijft?
Een nieuwe kans
De huidige ontwikkeling rond generatieve AI is ingrijpend.
Ze raakt aan toetsing, didactiek, beroepsbeelden, kennisopvattingen
en de organisatie van het onderwijs. Maar het is niet
de eerste technologische ontwikkeling die dat doet. Wie de
geschiedenis van het ICT-onderwijs kent, herkent het patroon:
eerst verwarring en defensieve reflexen, daarna experiment,
herordening en uiteindelijk integratie.
Dat betekent niet dat AI eenvoudig in te passen is. De
technologie raakt aan cognitieve taken die lang als typisch
menselijk of academisch golden: schrijven, programmeren,
samenvatten, analyseren, ontwerpen, adviseren. Daardoor
komen bestaande toetsvormen en beroepsbeelden stevig
onder druk te staan. Maar juist daarom is AI ook een kans
om opnieuw te doordenken wat wij werkelijk belangrijk
vinden in ons onderwijs.
Voor ICT-opleidingen betekent dit dat we AI niet alleen
als hulpmiddel moeten bespreken, maar ook als object van
studie. Studenten moeten leren hoe AI-systemen werken
en ontwikkeld worden, waar hun grenzen liggen, welke
afhankelijkheden ze creëren, welke data en infrastructuren
erachter schuilgaan en welke ethische, juridische en maatschappelijke
vragen ze oproepen. Tegelijk moeten zij leren
AI professioneel te gebruiken: niet als vervanging van het
denken, maar als aanleiding tot beter specificeren, controleren,
vergelijken, verbeteren en verantwoorden.
Voor het onderwijs in het algemeen betekent AI dat de oude
vraag terugkeert in een nieuwe vorm: wat is de meerwaarde
van onderwijs wanneer technologie steeds meer informatie,
productie en feedback kan leveren? Mijn antwoord daarop is
dat onderwijs de plaats moet zijn waar studenten leren professioneel,
kritisch, creatief en verantwoordelijk met die
mogelijkheden om te gaan. Dat realiseer je niet door technologie
buiten de deur te houden, maar door haar binnen te
halen in een omgeving waar studenten veilig kunnen oefenen,
onderzoeken en hun acties verantwoorden. Daarvoor
is wendbaarheid nodig; niet een van voortdurende haast
of modieuze vernieuwing, maar de wendbaarheid van een
opleiding die weet wat haar opdracht is en daardoor durft te
bewegen in de manier waarop zij die opdracht realiseert.
Meebewegen
Technologische ontwikkelingen zullen ons blijven verrassen,
dat is onvermijdelijk. We kunnen de toekomst niet precies
voorspellen en moeten ook niet doen alsof dat kan. Wat
we wél kunnen doen, is opleidingen ontwerpen die met de
toekomst kunnen meebewegen. Dat vraagt om curricula
die ruimte bieden, om toetsing die professioneel handelen
serieus neemt, om docenten die als lerende experts zichtbaar
zijn en om een cultuur waarin experimenteren veilig
is maar niet vrijblijvend. Studenten hebben geen onderwijs
nodig dat doet alsof de wereld stabiel is; ze hebben onderwijs
nodig dat hen voorbereidt op een wereld waarin verandering
normaal is.
De geschiedenis van het ICT-onderwijs stemt mij daarbij
optimistisch. Niet omdat elke verandering nu zo gemakkelijk
was, maar omdat het domein telkens opnieuw heeft laten
zien dat het kan leren, kan loslaten en opnieuw kan beginnen.
De komst van AI zie ik daarom niet met angst tegemoet,
maar met vertrouwen en enthousiasme. Niet omdat ze geen
problemen zal veroorzaken, maar omdat ze ons opnieuw
dwingt de vraag te stellen waar onderwijs werkelijk over
gaat. Misschien is dat de belangrijkste les van zestig jaar
ICT-onderwijs: we hoeven niet te voorkomen dat nieuwe
ontwikkelingen ons verrassen. We moeten voorkomen dat
die verrassing ons verlamt.
Frens Vonken
is directeur van Fontys ICT
Literatuur
Bandura, A. (1977). Social Learning Theory. Englewood Cliffs: Prentice Hall.
HBO-i. Domeinbeschrijving Bachelor of ICT. Landelijk kader voor eindkwalificaties van
hbo-ICT-opleidingen.
Moore, G.E. (1965). Cramming more components onto integrated circuits. Electronics,
19 april 1965.
Trahan, L.H., Stuebing, K.K., Fletcher, J.M. e.a. (2014). The Flynn effect: A meta-analysis.
Psychological Bulletin, 140(5), 1332-1360.
Vogelezang, S. & Vennekens, A. (2025). Praktijkgericht onderzoek bij lectoraten van
hogescholen. Rathenau Instituut.
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 21
3-26
De invloed van ICT
De opkomst van generatieve AI verandert wat en hoe studenten leren, maar heeft ook gevolgen voor de rol van
docenten en de organisatie van het onderwijs. De grootste uitdaging ligt niet in de technologie zelf, maar in het
vermogen van instellingen om zich hier op een wendbare en duurzame manier toe te verhouden.
Een fase van fundamentele herijking
Van technologische innovatie naar een lerende organisatie
Anne-Marieke van Loon & Anje Ros
Fontys Hogeschool, Eindhoven
D
igitale ontwikkelingen beïnvloeden het onderwijs al
decennialang. Technologische innovaties brengen
telkens opnieuw vragen met zich mee over de inrichting
en de bedoeling ervan. De recente opkomst van
generatieve AI past in die lijn, maar maakt de impact van
technologie op het onderwijs ingrijpender dan voorheen.
Waar instellingen digitale technologieën voorheen vaak
inzetten als ondersteuning van bestaande praktijken (Van
Loon et al., 2020), vraagt AI om een herdefiniëring van het
onderwijs (Alzahrani, 2024; Garzón et al., 2025). Onderzoek
laat zien dat deze technologie niet alleen leerprocessen kan
ondersteunen (of belemmeren), maar ook doorwerkt in de
leeruitkomsten, het curriculum, de didactiek, toetsing en
de organisatie van onderwijs (Holmes et al., 2023; Unesco,
2024; Xiao et al., 2025).
De rol van AI in het onderwijs roept fundamentele vragen op.
Wat betekent het wanneer technologie niet alleen ondersteunend
werkt, maar ook inhoud en vorm van leren mede
bepaalt? Hoe verhouden onderwijsinstellingen zich tot een
technologie die kansen biedt voor gepersonaliseerd leren,
maar ook risico’s met zich meebrengt op het gebied van
afhankelijkheid, betrouwbaarheid en ongelijkheid? En hoe
kun je voorkomen dat opleidingen telkens reactief inspelen
op nieuwe ontwikkelingen, in plaats van deze doelgericht
en onderbouwd te integreren?
Generatieve AI dwingt het hoger onderwijs tot een herijking
op meerdere niveaus: op dat van het leerproces van studenten,
dat van de rol van docenten, dat van samenwerking en
professionalisering van docenten en dat van de organisatie.
Leerproces van studenten
Wat betekent het wanneer
technologie de inhoud
en vorm van leren
mede bepaalt?
Een belangrijke consequentie van de opkomst van generatieve
AI is dat bestaande routines in het leerproces van studenten
en de toetsing ervan onder druk staan. AI-systemen zijn in
staat om in korte tijd teksten, samenvattingen en antwoorden
te genereren (Holmes et al., 2023). Ze kunnen studenten
ondersteunen in hun leerproces, bijvoorbeeld door adaptieve
feedback te geven, uitleg te bieden of oefenmogelijkheden te
creëren (Ng et al., 2024; Yim & Su, 2024; Zhang et al., 2023).
Maar wanneer studenten AI primair gebruiken als antwoordmachine,
ontstaat het risico dat ze gegenereerde output overnemen
zonder deze diepgaand te verwerken of te begrijpen,
wat ten koste kan gaan van kritisch denken en duurzame
kennisopbouw (Alzahrani, 2024; Garzón et al., 2025). In dit
22 I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
verband spreken Lodge & Loble (2026) van cognitive offloading:
als studenten de opbouw van begrip, analyse en redenering
uitbesteden aan AI, kan die technologie het denkproces zelf
overnemen.
Dit betekent dat er een verschuiving nodig is van een productiegerichte
naar authentiekere, contextrijkere en procesgerichtere
vormen van leren en toetsen. Momenteel zijn
leerprocessen van studenten nog sterk gericht op het ontwikkelen
van beroepsproducten. Wanneer AI in staat is een
aanzienlijk deel van deze producten te genereren, wordt het
noodzakelijk om leren en toetsing anders vorm te geven, met
meer nadruk op praktijkgerichte en authentieke taken (met
en zonder AI) en op het beoordelen van keuzes, onderbouwing
en reflectie. In plaats van uitsluitend te beoordelen wat
studenten hebben gemaakt, verschuift de focus naar hoe ze tot
een oplossing zijn gekomen en hoe ze daarbij verantwoord
gebruik hebben gemaakt van AI (Ng et al., 2024; Zhang et
al., 2023).
Rol van docenten
De inzet van AI in het onderwijs heeft niet alleen gevolgen
voor het leerproces van studenten en de toetsing ervan, maar
raakt ook direct aan de rol van de docent. Waar technologie
voorheen vaak een aanvulling bood op bestaande didactiek,
vraagt de inzet van AI om een fundamenteel andere rol van
docenten. Zij moeten niet alleen beschikken over kennis van
AI-toepassingen, maar ook in staat zijn deze pedagogisch
en didactisch te duiden, kritisch te beoordelen en doelgericht
te verbinden aan leerdoelen, toetsing en begeleiding (Unesco,
2024; Garzón et al., 2025). Bovendien moeten ze beschikken
over een moreel kompas om AI-toepassingen te kunnen
beoordelen op waarden als inclusiviteit, veiligheid, autonomie,
transparantie en duurzaamheid (Adams & Groten, 2024).
Dit betekent dat docenten bewuste morele en onderwijskundige
keuzes moeten maken over de vraag wanneer en
hoe AI pedagogisch zinvol is en hoe ze studenten begeleiden
in een kritisch en verantwoord gebruik van technologie.
Zowel het Unesco-raamwerk als het AI-GO!-raamwerk voor
AI-geletterdheid in het onderwijs (Npuls, 2025) benadrukt
dat docenten een centrale rol hebben als ontwerpers van
leerprocessen en als bewakers van een ethisch en verantwoord
gebruik van AI (Holmes et al., 2023; Unesco, 2024).
Dit vermogen om bewuste, onderbouwde keuzes te maken
over de inzet van AI wordt ook wel digital agency genoemd:
het vermogen om technologie kritisch, bewust en doelgericht
in te zetten in relatie tot de eigen doelen en waarden (Saab,
2025). In een onderwijscontext waarin AI eenvoudig toegankelijk
is en steeds autonomer lijkt te functioneren, wordt het
vermogen om keuzes te maken over wanneer, hoe en waarom
we technologie inzetten essentieel. Zonder digital agency
dreigt het risico dat gebruikers de regie verliezen en dat het
handelen steeds meer wordt gestuurd door technologie en
algoritmes.
Door de inzet van
AI wordt de rol van
docenten complexer
en betekenisvoller
Digital agency gaat daarmee verder dan digitale geletterdheid
in traditionele zin. Waar dat laatste zich vaak richt op
instrumentele vaardigheden, omvat digital agency ook kritisch
denken, zelfregulatie, ethisch bewustzijn en bewuste
besluitvorming over technologiegebruik (Saab, 2025). Deze
verbreding sluit aan bij internationaal onderzoek naar AIgeletterdheid,
dat benadrukt dat een effectief en verantwoord
gebruik van AI vraagt om inzicht in de werking, mogelijkheden
en beperkingen van AI-systemen, evenals om het
vermogen om deze kritisch te evalueren en doelgericht toe
te passen (Casal-Otero et al., 2023; Garzón et al., 2025).
Docenten moeten niet alleen zelf over digital agency
beschikken, maar ook studenten begeleiden in de ontwikkeling
ervan, zodat zij begrijpen hoe zij AI kunnen goed gebruiken,
dus ook wat AI is, hoe systemen tot output komen en
welke biases en risico’s daarbij een rol spelen (Casal-Otero
et al., 2023). Dat wil zeggen dat docenten hun studenten
niet alleen moeten voorbereiden op het gebruik van AI, maar
ook op het begrijpen, evalueren en mede vormgeven ervan
(OESO, 2025).
AI heeft ook gevolgen voor de beroepen waarvoor studies
opleiden. Waar eerdere technologische ontwikkelingen
zoals automatisering en robotisering vooral mbo-opgeleide
professionals raakten, is de verwachting dat AI (ook) veel
invloed zal hebben op beroepen waarvoor het hoger onderwijs
opleidt (Goulart et al., 2022). Dit betekent dat docenten
voortdurend, en in nauwe samenhang met het werkveld, het
beroepsprofiel en daarmee de leeruitkomsten voor studenten
moet herijken.
Het is duidelijk dat de rol van docenten door de inzet van AI
niet kleiner wordt, maar juist complexer en betekenisvoller.
Docenten ontwikkelen zich samen met collega’s, studenten
en het werkveld tot ontwerpers van leerprocessen, begeleiders
van kritisch denken en professionals die technologie weten
te verbinden aan pedagogische en maatschappelijke doelen.
In lijn met internationale studies blijft de menselijke docent
hierin essentieel, juist om te waarborgen dat technologie het
leren ondersteunt in plaats van overneemt (Alzahrani, 2024;
Holmes et al., 2023; Unesco, 2024). De veranderende de rol
van docenten en de toegenomen complexiteit van deze rol
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 23
3-26
De invloed van ICT
hebben directe consequenties voor de samenwerking en
professionalisering van docenten.
Samenwerking en professionalisering
Professionalisering kan bijdragen aan de ontwikkeling van
docentcompetenties om AI in te zetten in het onderwijs (Ding
et al., 2024). Kelley & Wenzel (2025) benadrukken evenwel
dat professionalisering alleen duurzaam is als je die opvat als
een doorlopend en gezamenlijk leerproces waarin docenten
haar combineren met herontwerp van het curriculum op
basis van nieuwe technologische ontwikkelingen en veranderingen
in het beroepsprofiel. Studies onderbouwen dat
een succesvolle implementatie van AI afhankelijk is van de
samenhang tussen technologie, pedagogiek en institutionele
ondersteuning (Garzón et al., 2025; Xiao et al., 2025). Docenten
leren daarbij niet alleen om technologie te gebruiken en
pedagogisch-didactisch inzicht en professioneel oordeelsvermogen
in relatie tot die technologie te ontwikkelen, maar
ook om hierin samen te werken met elkaar, en met het werkveld,
studenten en andere kennispartners.
Molenaar en collega’s (2026) benadrukken dat je professionalisering
en curriculumontwikkeling niet los van elkaar kunt
zien, maar dat deze juist samenkomen in vormen van cocreatie,
zoals living labs en hybride leeromgevingen. In dergelijke
omgevingen vertaal je technologische ontwikkelingen
niet pas achteraf naar het onderwijs, maar verken je ze al
gezamenlijk tijdens de opleiding, om ze door te ontwikkelen
in nieuwe onderwijsontwerpen met een sterke praktijkcomponent,
en zo betrouwbare en valide toetsing van leeruitkomsten
mogelijk te maken.
Deze benadering is niet alleen van belang om curricula actueel
te houden, maar ook om te voorkomen dat opleidingen
vervallen in eenzijdige of instrumentele vormen van scholing.
Zo waarschuwt Kennisnet (2026) dat professionalisering
in de praktijk nog vaak neerkomt op het individueel leren
gebruiken van specifieke AI-toepassingen, terwijl er juist
behoefte is aan een gezamenlijke ontwikkeling vanuit pedagogische
uitgangspunten en onderwijskundige waarden.
Als de organisatie niet
meebeweegt, blijft de
impact van individuele
professionalisering beperkt
Juist nu is het vermogen
tot gezamenlijk leren
en aanpassen van
groot belang
De snelheid van nieuwe ontwikkelingen vraagt opleidingen
om wendbaarheid, waarbij curriculumontwikkeling, innovatie
en professionalisering hand in hand gaan. Onderzoek naar
onderwijsvernieuwing laat zien dat duurzame verandering
zelden tot stand komt door individuele en teamgerichte
professionalisering en onderwijsontwikkeling alleen, maar
afhankelijk is van de mate waarin organisaties als geheel in
staat zijn gezamenlijk te leren en zich aan te passen (Kools,
2020; Stoll & Kools, 2017). Wanneer de organisatiecontext
– zoals visie, samenwerking, leiderschap en ondersteunende
structuren – niet meebeweegt, blijft de impact van individuele
professionalisering beperkt (Marsick & Watkins, 1999; Ros
et al., 2025).
Dit betekent dat de vraag verschuift van ‘wat moeten docenten
leren?’ naar ‘hoe organiseren onderwijsinstellingen hun vermogen
om continu collectief te leren en zich aan te passen
aan nieuwe technologische ontwikkelingen en ontwikkelingen
in het werkveld?’, en ‘hoe kunnen we leren, innoveren
en curriculumontwikkeling combineren?’ Juist in de context
van AI, waarin technologie, pedagogiek en organisatie voortdurend
op elkaar inwerken, blijkt dit organisatievermogen
een cruciale voorwaarde voor een effectieve en verantwoorde
implementatie (Garzón et al., 2025; Xiao et al., 2025).
Herijking op organisatieniveau
De grote uitdaging van AI in het onderwijs ligt uiteindelijk
niet in de technologie zelf, maar in het vermogen van
onderwijsinstellingen om zich hier op een wendbare, doordachte
en duurzame manier toe te verhouden. Dit vraagt
van onderwijsinstellingen dat zij niet ad hoc reageren op
nieuwe ontwikkelingen, maar systematisch leren, evalueren
en bijstellen. In die zin wordt de ontwikkeling naar een
lerende organisatie cruciaal: een organisatie die het vermogen
heeft zich routinematig te veranderen en aan te passen
aan nieuwe omstandigheden, doordat medewerkers individueel
en gezamenlijk leren een gedeelde visie te realiseren
(Kools, 2020; Ros et al., 2025). Juist in een context van snelle
technologische en maatschappelijke verandering is dit vermogen
tot gezamenlijk leren en aanpassen van groot belang
(Kools & George, 2020; Schleicher, 2018).
24
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
Opleidingen die werken volgens de principes van de lerende
organisatie zijn niet alleen beter in staat om met complexe
vraagstukken om te gaan, maar boeken ook winst in onderwijskwaliteit,
samenwerking en werktevredenheid (Klassen &
Chiu, 2010; Kools, 2020; Razali et al., 2013; Ros et al., 2025).
Een lerende organisatie kenmerkt zich door meerdere
samenhangende dimensies. Allereerst heeft ze een gedeelde
visie op hoe en wat studenten leren en hoe medewerkers
zich ontwikkelen, die richting geeft aan keuzes en innovatie
en die ze regelmatig evalueert en bijstelt (Kools & Stoll, 2016;
Ros et al., 2025). Daarnaast is er structurele aandacht voor
professionele ontwikkeling, waarbij leren niet incidenteel is
maar een doorlopend onderdeel vormt van het werk (Marsick
& Watkins, 1999; Ros et al., 2025). Ook teamleren en samenwerking
zijn essentieel: kennisontwikkeling vindt niet alleen
individueel plaats, maar juist in interactie, dialoog en gezamenlijke
reflectie (Stoll & Kools, 2017; Welsh et al., 2021).
Verder is samenwerking met externe kennispartners en
werkveldpartners van belang, omdat die helpt om nieuwe
ontwikkelingen en perspectieven, expertise en onderzoek in
de organisatie te brengen (Godfrey & Brown, 2019; Ros et
al., 2025). Daarnaast vraagt een lerende organisatie om een
onderzoeks- en feedbackcultuur, waarin docenten systematisch
werken aan onderwijsverbetering, op basis van literatuur,
evaluatiegegevens en feedback, samen met studenten
en werkveld (Drago-Severson & Blum-DeStefano, 2018;
Eriksson & Lycke, 2025; Ros et al., 2025). In deze onderwijsontwikkeling
worden innovatie en professionalisering
gecombineerd en voortdurend gemonitord en bijgesteld.
Een lerende organisatie vraagt om leiderschap dat professionele
groei van werknemers en innovatie stimuleert en faciliteert
(Rehman & Iqbal, 2020). Onderwijsmanagers spelen
daarin een sleutelrol door richting te geven, samenwerking
te bevorderen en een cultuur van collectief leren en gespreid
leiderschap te ondersteunen (Harris & Jones, 2018; Leithwood
et al., 2020). Zij maken daarbij optimaal gebruik van de
expertise en kwaliteiten van medewerkers, omdat ontwikkelingen
te complex zijn en te snel gaan om top-down aan te
Niet AI, maar het
aanpassingsvermogen
van de organisatie is
de doorslaggevende factor
sturen. Het college van bestuur en het stafbureau spelen
eveneens een rol, door middel van passend beleid en ondersteuning
van onderwijsmanagers en teams. De ontwikkeling
naar een lerende organisatie betreft dus niet alleen de visieen
teamcultuur, maar ook het leiderschap, de governance en
de organisatie-inrichting.
Continu leerproces
Juist deze kenmerken maken het mogelijk om technologische
ontwikkelingen niet als losse innovaties te benaderen, maar
als onderdeel van een continu leerproces binnen de organisatie.
Tegelijkertijd laat onderzoek zien dat veel hogescholen
vaak sterker zijn ingericht op beheersing dan op leren
(Gkrimpizi et al., 2023). Processen rond kwaliteitszorg,
accreditatie, verantwoording en planning zijn noodzakelijk,
maar kunnen ook leiden tot een focus op te sterke (risico)
beheersing. In de context van AI wordt deze spanning zichtbaar:
waar instellingen behoefte hebben aan duidelijke kaders
en controle, vraagt de praktijk om ruimte om te experimenteren,
evalueren en bijstellen (Garzón et al., 2025; Ros et al.,
2025; Xiao et al., 2025). Voor de ontwikkeling naar een
lerende organisatie is het nodig dat er gezamenlijke betekenisverlening
plaatsvindt over vragen als ‘waartoe leiden we
op en hoe doen we dat?’, en ‘welke rol speelt technologie
daarbij en onder welke voorwaarden?’ Pas dan kan een
instelling op alle lagen in de organisatie verantwoordelijkheid
nemen, vanuit de eigen beweegredenen, en onderbouwde
keuzes maken.
De uitdaging ligt daarom niet in het kiezen tussen kwaliteit
en wendbaarheid, maar in het verbinden van beide door te
investeren in de ontwikkeling van een lerende organisatie.
Nieuwe technologietoepassingen relateer je dan aan de visie
op onderwijs, pedagogische en maatschappelijke waarden,
behoeften van studenten en docenten en recente literatuur.
Zo maak je als instelling doordachte keuzes voor innovaties,
waarbij je technologie inbedt in het onderwijsproces als
geheel. Deze dien je voortdurend te monitoren en waar nodig
bij te stellen. Nieuwe technologieën zoals AI integreer je in
het professionele leerproces van de organisatie zelf (Ros et
al., 2023; Ros et al., 2025). Bij een dergelijke benadering is
niet AI, maar het aanpassingsvermogen van de organisatie
de doorslaggevende factor voor een duurzame onderwijsen
organisatieontwikkeling.
De grote uitdaging
De opkomst van AI heeft ertoe geleid dat hogescholen zich
in een fase van fundamentele herijking bevinden. Opvattingen
over leren, toetsing en curriculum verschuiven richting
procesgerichtere, authentiekere en meer contextgebonden
vormen van onderwijs, waarin niet alleen het resultaat, maar
juist ook het leerproces centraal staat. Voor docenten betekent
dit een versterking en verbreding van hun rol als ontwerper
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 25
3-26
De invloed van ICT
De kernuitdaging
ligt dus
niet in de
technologie zelf
van leerprocessen en begeleider van kritisch denken, en dit
vraagt om structurele en samenhangende professionalisering
en samenwerking.
De kernuitdaging ligt dus niet in de technologie zelf, maar
in het vermogen van opleidingen om zich als lerende organisatie
te ontwikkelen. Alleen wanneer instellingen op systeemniveau
in staat zijn gezamenlijk te leren, te reflecteren
en zich aan te passen, kunnen ze AI op een duurzame en
betekenisvolle manier integreren.
Anne-Marieke van Loon
is associate lector Goed leraarschap, Goed leiderschap bij Fontys
Hogeschool
Anje Ros
is lector Goed leraarschap, Goed leiderschap bij Fontys
Hogeschool
Literatuur
Adams, C. & Groten, S. (2024). A technoethical framework for teachers. Learning, Media
and Technology, 49(4), 701-718. doi.org/10.1080/17439884.2023.2280058
Alzahrani, A. (2024). Unveiling the shadows: Beyond the hype of AI in education. Heliyon.
doi.org/10.1016/j.heliyon.2024.e30696
Casal-Otero, L., Catalá, A., Fernández-Morante, C. e.a. (2023). AI literacy in K-12:
A systematic literature review. International Journal of STEM Education, 10, 1-17.
doi.org/10.1186/s40594-023-00418-7
Ding, A., Shi, L., Yang, H. e.a. (2024). Enhancing teacher AI literacy and integration through
different types of cases in teacher professional development. Computers and Education
Open. doi.org/10.1016/j.caeo.2024.100178
Drago-Severson, E. & Blum-DeStefano, J. (2018). Building a developmental culture of
feedback. Journal of Professional Capital and Community, 3(2), 62-78. doi.org/10.1108/
JPCC-06-2017-0016
Eriksson, K.M. & Lycke, L. (2025). May the force of lifelong learning be with you: Sustainable
organizational learning in HEIs meeting competence needs in industry. The Learning
Organization, 32(1), 126-145.
Garzón, J., Patiño, E. & Marulanda, C. (2025). Systematic review of artificial intelligence in
education. Multimodal Technologies and Interaction. doi.org/10.3390/mti9080084
Gkrimpizi, T., Peristeras, V. & Magnisalis, I. (2023). Classification of barriers to digital
transformation in higher education institutions: Systematic literature review. Education
Sciences, 13(7), 746. doi.org/10.3390/educsci13070746
Godfrey, D. & Brown, C. (red.). (2019). An ecosystem for research-engaged schools: Reforming
education through research. Routledge.
Goulart, V.G., Liboni, L.B. & Cezarino, L.O. (2022). Balancing skills in the digital
transformation era: The future of jobs and the role of higher education. Industry and
Higher Education, 36(2), 118-127. doi.org/10.1177/09504222211029796
Harris, A. & Jones, M. (2018). Leading schools as learning organizations. School Leadership
& Management, 38(4), 351-354. doi.org/10.1080/13632434.2018.1483553
Holmes, W., Bialik, M. & Fadel, C. (2023). Artificial intelligence in education. Center for
Curriculum Redesign.
Kelley, M. & Wenzel, T. (2025). Advancing artificial intelligence literacy in teacher education
through professional partnership inquiry. Education Sciences. doi.org/10.3390/
educsci15060659
Kennisnet (2026). Position paper ten behoeve van het rondetafelgesprek AI in het funderend
onderwijs d.d. 1 april 2026.
Klassen, R.M. & Chiu, M.M. (2010). Effects on teachers’ self-efficacy and job satisfaction:
Teacher gender, years of experience, and job stress. Journal of Educational Psychology,
102(3), 741-756. doi.org/10.1037/a0019237
Kools, M. (2020). Schools as learning organisations: The concept, its measurement and HR
outcomes. Proefschrift, Erasmus Universiteit Rotterdam.
Kools, M. & George, B. (2020). Debate: The learning organization – A key construct linking
strategic planning and strategic management. Public Money & Management, 40(4),
262-264. doi.org/10.1080/09540962.2020.1727112
Kools, M. & Stoll, L. (2016). What makes a school a learning organisation? Parijs: OECD
Publishing. doi.org/10.1787/5jlwm62b3bvh-en
Leithwood, K., Harris, A. & Hopkins, D. (2020). Seven strong claims about successful
school leadership revisited. School Leadership & Management, 40(1), 5-22.
doi.org/10.1080/13632434.2019.1596077
Lodge, J.M. & Loble, L. (2026). Artificial intelligence, cognitive offloading and implications for
education. University of Technology Sydney. doi.org/10.71741/4pyxmbnjaq.31302475
Marsick, V.J. & Watkins, K.E. (1999). Facilitating learning organizations: Making learning
count. Gower.
Molenaar, I., Jeuring, J. & Van der Sande, E. (2026). De noodzaak van nationaal beleid voor
generatieve AI in het onderwijs. Positionpaper.
Ng, D., Tan, C. & Leung, J. (2024). Empowering student self-regulated learning and science
education through ChatGPT: A pilot study. British Journal of Educational Technology, 55,
1328-1353. doi.org/10.1111/bjet.13454
Npuls (2025). AI Literacy in Education Framework (AI-GO! Framework). npuls.nl
OESO (2025). Empowering learners for the age of AI: An AI literacy framework for primary and
secondary education. Review draft.
Razali, M.Z.M., Amira, N.A. & Shobri, N.D.M. (2013). Learning organization practices and
job satisfaction among academicians at public university. International Journal of Social
Science and Humanity, 3(6), 518-522. doi.org/10.7763/IJSSH.2013.V3.295
Rehman, U.U. & Iqbal, A. (2020). Nexus of knowledge-oriented leadership, knowledge
management, innovation and organizational performance in higher education. Business
Process Management Journal, 26(6), 17311758.
Ros, A., Amels, J., Stallaert, M. e.a. (2023). Leidraad werken aan onderwijsverbetering:
Evidence-informed naar een lerende organisatie in het primair onderwijs. Nationaal
Regieorgaan Onderwijsonderzoek. www.onderwijskennis.nl/artikelen/
leidraad-werken-aan-onderwijsverbetering
Ros, A., Heldens, H. & Van den Bergh, L. (2025). Ontwikkeling van basisscholen als lerende
organisaties: De rol van schoolleiders en besturen. Tijdschrift OnderwijsPraktijk Studies, 3.
doi.org/10.54657/TOPS.19571
Saab, N. (2025). Digital agency in onderwijs en samenleving: Op naar kritisch en bewust
technologiegebruik. Universiteit Leiden. hdl.handle.net/1887/4270715
Schleicher, A. (2018). World Class: How to Build a 21st-Century School System. Strong
Performers and Successful Reformers in Education. Parijs: OECD Publishing.
doi.org/10.1787/9789264300002-en.
Stoll, L. & Kools, M. (2017). The school as a learning organisation: A review revisiting and
extending a timely concept. Journal of Professional Capital and Community, 2(1), 2-17.
doi.org/10.1108/JPCC-09-2016-0022
Unesco (2024). AI competency framework for teachers.
Van Loon, A.-M., van der Neut, I., Hulsen, M. e.a. (2020). Organiseren van gepersonaliseerd
leren met ict: Werkvorm om de huidige en beoogde onderwijsorganisatie in het mbo in kaart
te brengen door middel van een actantnetwerk. HAN Press.
Welsh, R., Williams, S., Bryant, K. e.a. (2021). Conceptualization and challenges: Examining
district and school leadership and schools as learning organizations. The Learning
Organization, 28(4), 367-382. doi.org/10.1108/TLO-05-2020-0093
Xiao, N. e.a. (2025). Transforming education with AI. International Theory and Practice in
Humanities and Social Sciences. doi.org/10.70693/itphss.v2i1.211
Yim, I. & Su, J. (2024). AI learning tools in K-12 education. Journal of Computers in Education.
doi.org/10.1007/s40692-023-00304-9
Zhang, R., Zou, D. & Cheng, G. (2023). A review of chatbot-assisted learning: Pedagogical
approaches and future directions. Interactive Learning Environments, 32, 4529-4557.
doi.org/10.1080/10494820.2023.2202704
26
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
ICT-opleidingen bereiden studenten voor op een beroepspraktijk die op het moment van afstuderen alweer
nieuwe vormen heeft aangenomen. Dit onderwijs moet daarom niet achter iedere hype aanlopen, maar structureel
meebewegen met de ontwikkeling van het vakgebied, schrijven Anita Bosman en Guido Ongena.
De paradox van het ICT-onderwijs
Opleiden voor een toekomst die al veranderd is
Anita Bosman & Guido Ongena
Hogeschool Utrecht
H
oe voorkom je dat studenten vooral leren werken met
tools, terwijl zij de principes daarachter onvoldoende
begrijpen? Hoe houd je een curriculum relevant in
een wereld waarin technologie sneller verandert dan
het onderwijs zich kan aanpassen? En hoe toets je daadwerkelijk
begrip wanneer generatieve AI in een paar seconden
code, analyses, ontwerpen en documentatie kan produceren?
Deze vragen raken de kern van het ICT-onderwijs. De opleidingen
bereiden studenten voor op een werkveld dat voortdurend
verandert. Dat is niet nieuw, want ICT-opleidingen
hebben altijd moeten meebewegen met technologische
golven, van automatisering en internet tot de cloud, data
science, cybersecurity, DevOps (softwareontwikkeling en
-beheer) en nu generatieve AI. Toch is er iets wezenlijks veranderd.
Waar eerdere ontwikkelingen vooral invloed hadden
op de inhoud van het curriculum, raakt AI ook het leerproces,
de toetsing en de rol van de docent.
Daarin schuilt de paradox van het ICT-onderwijs: opleidingen
bereiden studenten voor op een beroepspraktijk die op het
moment van afstuderen alweer veranderd zal zijn. Juist
daarom moet dit onderwijs niet primair draaien om actuele
tools, programmeertalen of frameworks, maar om het
vermogen om nieuwe technologie te begrijpen, kritisch te
beoordelen en verantwoord toe te passen.
Altijd meebewegen
Wie terugkijkt naar de ontwikkeling van het ICT-onderwijs,
ziet dat curriculumvernieuwing geen tijdelijke opgave is,
maar een structureel onderdeel van het vakgebied. Waar in
sommige opleidingen de kern jarenlang relatief stabiel blijft,
verandert deze binnen ICT voortdurend. Volgens ACM &
IEEE Computer Society (2020) heeft het ICT-onderwijs
zich daardoor in de afgelopen decennia steeds opnieuw
moeten aanpassen aan technologische en maatschappelijke
ontwikkelingen.
In de beginjaren lag de nadruk sterk op programmeren,
informatiesystemen en de automatisering van bedrijfsprocessen.
Daarna verschoof de aandacht naar webontwikkeling,
netwerken, databases en onlinedienstverlening. Vervolgens
kwamen mobiele technologie, cloudcomputing, data science,
cybersecurity, agile werken en DevOps op. Iedere technologische
golf vroeg om aanpassing van het curriculum, nieuwe
expertise bij docenten en andere vormen van samenwerking
met het werkveld.
Het ICT-onderwijs hoeven
we niet bij elke nieuwe
technologische golf
opnieuw uit te vinden
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 27
3-26
De invloed van ICT
Toch hoeven we het ICT-onderwijs niet bij elke nieuwe technologische
golf volledig opnieuw uit te vinden. Vaardigheden
als logisch redeneren, modelleren, ontwerpen, programmeren,
testen, beveiligen, samenwerken en professioneel handelen
blijven relevant. Juist deze onderliggende principes
stellen studenten in staat om nieuwe technologieën te begrijpen,
kritisch te beoordelen en verantwoord toe te passen.
Het onderwijs wordt pas kwetsbaar wanneer we curricula
te sterk opbouwen rond de technologieën, tools of platforms
van dat moment. Dan leidt iedere nieuwe golf automatisch
tot de vraag of het curriculum alweer achterhaald is.
De belangrijkste les is daarom dat technologische verandering
geen tijdelijke verstoring is van een verder stabiel curriculum,
maar een structureel kenmerk van het ICT-domein. Toch
organiseren opleidingen curriculumvernieuwing vaak nog
als een periodieke aanpassing: eens in de paar jaar herijken,
modules aanpassen of nieuwe thema’s toevoegen. Dat ritme
is te traag voor een vakgebied waarin tools, werkwijzen en
beroepsrollen voortdurend verschuiven.
De opgave is dus niet om de actualiteit buiten het curriculum
te houden, maar om de actualisering beter te organiseren.
Daarvoor is een curriculum nodig met een stevige vakinhoudelijke
basis en een beweeglijke schil waarin je nieuwe
technologieën snel kunt vertalen naar projecten, opdrachten,
beroepsproducten en toetsing. Zo ontstaat onderwijs dat niet
achter iedere hype aanloopt, maar structureel meebeweegt
met de ontwikkeling van het vakgebied.
Anders technisch
De opkomst van generatieve AI maakt de spanning in het
ICT-onderwijs urgenter. Tools als ChatGPT, Copilot en Claude
kunnen code schrijven, fouten opsporen, documentatie
genereren, datasets analyseren en architectuuropties verkennen.
Daarmee raakt AI niet alleen aan de hulpmiddelen
van het vak, maar ook het leerproces zelf. Studenten kunnen
output produceren zonder het volledige denkproces zelfstandig
te doorlopen. AI is daarom geen los thema dat je aan het
curriculum kunt toevoegen, maar een ontwikkeling die raakt
aan het leren, toetsen en professioneel handelen.
De ICT’er van morgen
is niet minder
technisch, maar
anders technisch
De eerste reflex is vaak defensief: AI verbieden, toetsing
afsluiten, detectiesoftware gebruiken of opdrachten zo
ontwerpen dat AI-gebruik moeilijker wordt. Die reactie is
begrijpelijk, maar in de beroepspraktijk zullen ICT-professionals
júíst met AI werken. McKinsey (2023) beschrijft
generatieve AI als een technologie met groot productiviteitspotentieel,
onder meer in kenniswerk en softwareontwikkeling.
Ook het World Economic Forum (2023) laat zien
dat analytisch denken, technologische geletterdheid, AI- en
datavaardigheden en leervermogen belangrijker worden op
de arbeidsmarkt. Een opleiding die AI volledig buiten de
deur houdt, bereidt studenten dus onvoldoende voor op de
werkelijkheid.
Tegelijkertijd is kritiekloos AI-gebruik riskant. AI-systemen
produceren plausibele antwoorden, maar die zijn niet automatisch
correct, veilig, onderhoudbaar of ethisch verantwoord.
Denny en collega’s (2024) laten in hun analyse van
ICT- onderwijs zien dat generatieve AI fundamentele vragen
oproept over programmeeronderwijs, opdrachten, toetsing
en de ontwikkeling van computationeel denken.
Door de komst van AI verschuift het professioneel handelen.
De ICT’er van morgen is niet minder technisch, maar
anders technisch. De nadruk verschuift van alleen produceren
naar beoordelen, valideren, integreren en begrenzen.
AI maakt programmeerkennis dus niet overbodig, maar
juist belangrijker. Routinematige taken zoals standaardcode,
documentatie en eenvoudige analyses worden steeds vaker
ondersteund door AI-tools. Werkzaamheden rond architectuur,
systeemintegratie, beveiliging en verantwoordelijkheid
voor de werking van systemen blijven daarentegen sterk
afhankelijk van menselijke expertise (Massenkoff & McCrory,
2026).
Adaptief curriculum
Deze ontwikkeling vraagt om een ander curriculumbeeld.
Veel ICT-opleidingen zijn nog georganiseerd rond relatief
stabiele vakken, leerlijnen en programmeertalen. Dat biedt
houvast, maar heeft ook een keerzijde. Vernieuwing krijgt
al snel de vorm van stapelen. Opleidingen voegen nieuwe
technologieën toe aan een curriculum dat al vol is, waardoor
het risico op curriculumoverload ontstaat: meer breedte,
maar minder diepgang en samenhang (OESO, 2020). Voor
ICT-opleidingen ligt de opgave daarom niet in steeds meer
inhoud, maar in een duidelijk onderscheid tussen duurzame
kernconcepten en actuele beroepspraktijken. Voor opleidingen
ligt de oplossing niet in steeds meer inhoud, maar in
een scherpere ordening.
Een toekomstbestendig curriculum maakt onderscheid
tussen drie lagen:
• De eerste laag bestaat uit duurzame kernconcepten, denk
aan computationeel denken, programmeerbekwaamheid,
systeemontwerp, softwarekwaliteit, security, data, architectuur,
ethiek en professioneel samenwerken. Dit zijn
28
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
de concepten die studenten nodig hebben om nieuwe
technologieën te kunnen doorgronden. Deze laag moet
stevig zijn. Studenten moeten hierin voldoende basis
ontwikkelen om later zelfstandig nieuwe technologie
te kunnen beoordelen.
• De tweede laag bestaat uit actuele praktijken. Hier horen
AI-tools, cloudplatforms, DevOps, data science, cybersecuritytoepassingen
en nieuwe ontwikkelomgevingen
thuis. Deze laag moet flexibel zijn. Opleidingen moeten
hier sneller kunnen actualiseren, zonder telkens het
hele curriculum te verbouwen. Dat vraagt om ruimte in
projecten, keuzemodules, praktijkopdrachten en samenwerking
met het werkveld.
• De derde laag bestaat uit leervermogen: het vermogen om
nieuwe technologie zelfstandig te onderzoeken, kritisch
te beoordelen, toe te passen en weer los te laten wanneer
ze niet meer passend is. In een snel veranderend domein
is dit misschien wel de duurzaamste competentie. Studenten
moeten niet alleen leren wat de huidige standaard is,
maar ook hoe zij zich professioneel verhouden tot een
volgende standaard.
Daarmee verschuift de curriculumvraag van ‘welke tools
moeten studenten allemaal kennen?’ naar ‘welke onderliggende
bekwaamheden hebben studenten nodig om nieuwe
tools verantwoord te kunnen gebruiken?’ Dat betekent een
andere manier van ontwerpen. Het vraagt van opleidingen
dat zij durven schrappen, prioriteren en ordenen. Niet alles
wat actueel is, hoort in het kerncurriculum; en niet alles wat
traditioneel in het curriculum zit, is nog even belangrijk.
Dit is misschien wel de moeilijkste beweging. Vernieuwing
geef je in het onderwijs vaak vorm door iets toe te voegen,
maar in een domein als ICT is toevoegen zonder schrappen
uiteindelijk onhoudbaar. De echte curriculumopgave is niet
uitbreiding, maar selectie. Wat moet iedere ICT-professional
echt begrijpen? Wat kan contextafhankelijk of verdiepend
zijn? En wat hoort vooral thuis in een leven lang ontwikkelen,
na de initiële opleiding?
ICT als rijke leeromgeving
Het ICT-domein heeft daarbij een belangrijk voordeel: de
beroepspraktijk bevat van nature krachtige leeromgevingen.
Studenten kunnen werken met Git (een versiebeheersysteem),
cloudomgevingen, CI/CD-pipelines (continue integratie
en continue levering), issue trackers (programma’s om
fouten vast te leggen), agile werkvormen, code reviews (voor
het controleren van de broncode), teststraten en professionele
ontwikkelstandaarden. Zulke omgevingen maken leren
concreet, iteratief en authentiek. Studenten leren niet alleen
technologie gebruiken, maar ook samenwerken, documenteren,
feedback verwerken, keuzes verantwoorden en
omgaan met complexiteit.
Daarmee kan ICT-onderwijs juist een voorbeeld zijn van
activerend en praktijkgericht leren. Goede ICT-projecten
Het risico ontstaat
wanneer AI het
leerproces vervangt in
plaats van ondersteunt
bevatten bijna vanzelf elementen van modern onderwijs:
studenten werken aan echte problemen, krijgen feedback
op tussenproducten, verbeteren hun werk iteratief en verantwoorden
hun keuzes aan gebruikers of opdrachtgevers.
In die zin is ICT niet alleen een inhoudelijk domein, maar
ook een rijke didactische omgeving.
AI kan deze omgeving versterken, mits je haar bewust inzet.
Ze kan helpen bij feedback, uitleg, experiment, differentiatie
en het versnellen van routinewerk. Een student kan AI
gebruiken om alternatieve oplossingsrichtingen te verkennen,
code te laten controleren, documentatie te verbeteren
of een eerste concept te maken. Dat kan het leerproces verdiepen,
zolang de student moet uitleggen wat er is aangepast,
waarom bepaalde keuzes zijn gemaakt en hoe de kwaliteit is
gecontroleerd.
Het risico ontstaat wanneer AI het leerproces vervangt in
plaats van ondersteunt. Dan kan er schijnbekwaamheid ontstaan:
studenten leveren goede output, maar het is onduidelijk
of zij de onderliggende kennis beheersen. Daarnaast
kan AI ook de vorming van vaardigheden zelf onder druk
zetten. Shen & Tamkin (2026) laten zien dat AI-ondersteuning
conceptueel begrip, codelezen en debugging-vaardigheden
(om fouten in software te identificeren) kan verzwakken
wanneer gebruikers taken te veel aan AI delegeren. Ze is
daarmee niet alleen een hulpmiddel, maar een didactisch
ontwerpvraagstuk.
Daar ligt een belangrijke opdracht voor ICT-opleidingen.
Zij moeten studenten niet alleen leren dat zij AI kunnen
gebruiken, maar vooral hoe zij dat professioneel doen: transparant,
kritisch, controleerbaar en met verantwoordelijkheid
voor de kwaliteit van het eindresultaat.
Docent als gids
Misschien raakt AI de rol van de docent nog fundamenteler
dan het curriculum. Waar ICT-docenten lange tijd vooral
kennis overdroegen, verschuift hun rol steeds sterker naar
ontwerper van leeromgevingen, begeleider van professionele
ontwikkeling en beoordelaar van complex handelen. Studenten
hebben immers direct toegang tot uitleg, voorbeelden,
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 29
3-26
De invloed van ICT
code en feedback via AI-systemen. De docent is daardoor
niet langer vanzelfsprekend de primaire kennisbron.
Dat betekent niet dat de docent minder belangrijk wordt.
Integendeel: juist wanneer informatie en output overal
beschikbaar zijn, groeit de behoefte aan begeleiding bij
duiding, kwaliteit, reflectie en professionele normering.
De docent helpt studenten begrijpen wat goed genoeg is,
waarom een oplossing verantwoord is, wanneer een technische
keuze risico’s oplevert en hoe je als professional handelt
in onzekere situaties.
De toegevoegde waarde van de docent verschuift daarmee
van antwoord geven naar oordeel vormen. Niet alleen de
vraag ‘werkt het?’ staat centraal, maar ook de vraag of een
oplossing veilig, onderhoudbaar, uitlegbaar, inclusief, proportioneel
en passend bij de context is. Dat zijn vragen die
AI niet zelfstandig kan beantwoorden zonder menselijke
normering. Juist daar is de docent dus onmisbaar.
Dat vraagt veel van docenten. Schallert-Vallaster en collega’s
(2025) laten zien dat AI-geletterdheid van docenten een voorwaarde
is voor verantwoorde integratie van AI in het hoger
onderwijs. Die geletterdheid gaat verder dan het kunnen
gebruiken van AI-tools. Docenten moeten begrijpen hoe
AI-systemen functioneren, hoe zij het leren en de toetsing
beïnvloeden en welke risico’s zij meebrengen voor bias,
betrouwbaarheid, privacy, veiligheid en afhankelijkheid.
Daarnaast vraagt AI om didactische herontwerpvaardigheid:
docenten moeten leeractiviteiten en opdrachten kunnen
ontwerpen waarin AI betekenisvol wordt ingezet, zonder
dat studenten hun leerproces uitbesteden.
Losse workshops zijn daarvoor onvoldoende. AI vraagt om
structurele professionalisering, gezamenlijke ontwerpprincipes,
gedeelde toetskaders en ruimte voor experiment. Instellingen
die AI overlaten aan individuele docenten vergroten
de verschillen tussen opleidingen, vakken en studenten. Dan
wordt AI-gebruik willekeurig in plaats van professioneel
ingebed.
Hybride docenten
‘Kan de student aantonen
dat hij of zij begrijpt,
beoordeelt en verbetert
wat er is gemaakt?’
Snelle technologische verandering vraagt dus niet alleen om
andere curricula, maar ook om een ander organisatiemodel.
Het probleem is vaak niet dat docenten niet willen bijblijven,
maar dat het onderwijs zo is ingericht dat docenten vooral
intern worden opgeslokt door lesgeven, begeleiden, toetsen,
overleggen en accrediteren. Daardoor ontstaat het risico dat
zij steeds verder af komen te staan van de beroepspraktijk
waarin nieuwe technologieën, rollen en werkwijzen ontstaan.
Daarom is de samenwerking tussen onderwijs, onderzoek en
het werkveld noodzakelijk. Lectoraten, docent-onderzoekerschap,
hybride docentschap, professionele leergemeenschappen
en nauwe samenwerking met bedrijven en publieke
organisaties zijn voorwaarden voor actueel ICT-onderwijs.
Hybride docenten kunnen hierin een belangrijke rol spelen.
Zij werken deels in het onderwijs en deels in de beroepspraktijk,
of brengen vanuit een actuele praktijkrol structureel
kennis het onderwijs binnen. Het voordeel is dat nieuwe
ontwikkelingen niet pas via formele curriculumherzieningen
zichtbaar worden, maar direct via opdrachten, casuïstiek,
feedback en professionele netwerken het onderwijs bereiken.
Ook lectoraten zijn hierin cruciaal. Zij verbinden praktijkgericht
onderzoek, onderwijs en de beroepspraktijk met
elkaar. Juist in een domein waarin technologie snel verandert,
kunnen lectoraten helpen om duiding te geven aan trends.
Welke ontwikkelingen zijn tijdelijk? Welke raken de kern
van het beroep? Welke vragen om aanpassing van onderwijs,
onderzoek en toetsing? Zonder die verbinding dreigt onderwijs
vooral reactief te worden.
Een toekomstbestendige ICT-opleiding heeft daarom geen
gesloten onderwijsorganisatie nodig, maar een open ecosysteem.
Studenten, docenten, onderzoekers en professionals
uit het werkveld moeten elkaar structureel ontmoeten rond
actuele vraagstukken. Niet incidenteel, maar als onderdeel van
de manier waarop de opleiding het curriculum onderhoudt.
Robuuste beoordeling
AI dwingt opleidingen om veel preciezer te bepalen wat zij
willen toetsen, welk bewijs daarvoor nodig is en onder welke
omstandigheden dat bewijs betrouwbaar kan worden vastgesteld.
Voor basisvaardigheden blijft een gecontroleerde
toetsomgeving zinvol. Studenten moeten zonder AI kunnen
redeneren over algoritmen, datastructuren, debugging,
securityprincipes en systeemgedrag. Daar wil je vaststellen
of zij de concepten zelf beheersen; zonder die basis kunnen
zij AI-output niet kritisch beoordelen.
Maar een volledig gesloten toetscultuur is geen realistische
oplossing. In de beroepspraktijk werken ICT-professionals
juist met AI, documentatie, frameworks, collega’s en
bestaande code. Daarom moeten opleidingen daarnaast
inzetten op authentieke assessments: praktijkopdrachten,
portfolio’s, code reviews, live demo’s, mondelinge verdedigingen
en assessments waarin studenten expliciet laten
zien hoe zij AI-output controleren, verbeteren en verantwoord
toepassen.
30
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
Programmatisch toetsen biedt hiervoor een bruikbaar perspectief.
Niet één toetsmoment zou bepalend moeten zijn,
maar een rijk geheel van bewijspunten in de loop van de tijd.
Van der Vleuten en collega’s (2012) benadrukken dat iedere
toetsactiviteit slechts één datapunt is en dat robuuste beoordeling
ontstaat door verschillende vormen van bewijs te
combineren. Baartman en collega’s (2022) beschrijven programmatisch
toetsen in het hoger onderwijs als een benadering
waarin je verschillende toetsvormen gedurende het
gehele curriculum doelbewust combineert, zodat toetsing
het leren ondersteunt maar ook zorgvuldige beslissingen
over bekwaamheid mogelijk maakt. Juist bij AI is dat essentieel:
een geschreven product zegt steeds minder over het
leerproces wanneer AI heeft meegewerkt. Daarom moeten
opleidingen meer kijken naar proces, onderbouwing, reflectie,
mondelinge toelichting, iteraties, feedbackverwerking
en professioneel oordeel.
De toetsvraag verschuift daarmee van ‘heeft de student dit
zelf gemaakt?’ naar ‘kan de student aantonen dat hij of zij
begrijpt, beoordeelt, verantwoordt en verbetert wat er is
gemaakt?’ Dat betekent niet dat eigen werk onbelangrijk
wordt, integendeel. Maar eigen werk moet je breder opvatten
dan alleen het eindproduct; het zit ook in de analyse,
de keuzes, de controle, de verantwoording en de reflectie.
Onderwijs in beweging
Voor ICT-opleidingen ligt de kernvraag niet meer in of zij
moeten vernieuwen, maar in hoe zij blijvend kunnen meebewegen
met technologische veranderingen. Blijven zij reageren
op iedere nieuwe technologische golf, of ontwerpen
zij onderwijs waarin vernieuwing structureel is ingebouwd?
AI vormt geen volledige breuk met het verleden, maar is wel
een versneller. Ze legt bloot waar curricula te vol zijn, waar
toetsing te productgericht is, waar docenten onvoldoende
ruimte krijgen om zich te professionaliseren en waar opleidingen
te veel vertrouwen op actuele tools in plaats van
duurzame bekwaamheden. De opdracht voor het ICT-onderwijs
is dan ook niet om iedere technologische golf sneller
in te halen; de opdracht is om studenten zo op te leiden dat
zij nieuwe technologie kunnen begrijpen en beoordelen, en
deze verantwoord inzetten.
Dat brengt ons bij de volgende drie aanbevelingen:
• Ten eerste moeten ICT-opleidingen hun curricula scherper
ordenen rond duurzame kernconcepten. Tools, programmeertalen
en platforms blijven belangrijk, maar
mogen niet de ruggengraat van het curriculum vormen.
Die moet bestaan uit systeembegrip, computationeel
denken, programmeerbekwaamheid, security, ontwerpvaardigheid,
kritisch beoordelen, ethiek, samenwerking
en leervermogen.
• Ten tweede moeten opleidingen hun toetsing fundamenteel
herontwerpen. Gesloten toetsing blijft nuttig voor
het basisbegrip, maar is onvoldoende als totaalstrategie.
Assessments, portfolio’s, mondelinge verdedigingen,
code reviews en programmatisch toetsen zijn nodig om
zichtbaar te maken hoe studenten denken, handelen en
AI verantwoord inzetten.
• Ten derde moeten instellingen investeren in docenten
en in de verbinding met de praktijk. AI-geletterdheid,
didactische professionalisering, hybride docentschap,
lectoraten en structurele samenwerking met het werkveld
zijn geen randvoorwaarden, maar onderdeel van
de kwaliteit van ICT-onderwijs zelf.
De paradox van het ICT-onderwijs blijft bestaan: opleidingen
leiden studenten op voor een beroepspraktijk die nog niet
volledig bestaat. Maar misschien is dat niet langer de zwakte
van het vakgebied; het is juist de kern ervan. Goed ICTonderwijs
bereidt studenten niet voor op één technologie,
één programmeertaal of één vaste beroepsrol, maar op
professioneel handelen in een wereld waarin verandering
de constante is.
Anita Bosman
is directeur van het Institute for ICT aan de Hogeschool Utrecht
Guido Ongena
is lector Data Driven Government aan de Hogeschool Utrecht
Literatuur
ACM & IEEE Computer Society (2020). Computing curricula 2020: Paradigms for global
computing education. Association for Computing Machinery. www.acm.org/binaries/
content/assets/education/curricula-recommendations/cc2020.pdf
Baartman, L., van Schilt-Mol, T. & van der Vleuten, C. (2022). Programmatic assessment
design choices in nine programs in higher education. Frontiers in Education, 7, Article
931980. doi.org/10.3389/feduc.2022.931980
Denny, P., Prather, J., Becker, B.A. e.a. (2024). Computing education in the era of generative
AI. Communications of the ACM, 67(2), 56-67. doi.org/10.1145/3624720.
doi.org/10.1145/3624720
Massenkoff, M. & McCrory, P. (2026). Labor market impacts of AI: A new measure and early
evidence. Anthropic.
McKinsey & Company (2023). The economic potential of generative AI: The next
productivity frontier. www.mckinsey.com/capabilities/tech-and-ai/our-insights/
the-economic-potential-of-generative-ai-the-next-productivity-frontier
OESO (2020). Curriculum overload: A way forward. Parijs: OECD Publishing.
doi.org/10.1787/3081ceca-en
Schallert-Vallaster, S., Nüesch, C., Papageorgiou, K. e.a. (2025). Enhancing AI literacy of
educators in higher education. Zeitschrift für Hochschulentwicklung, 20(SH-KI-1), 147-166.
Shen, J.H. & Tamkin, A. (2026). How AI impacts skill formation. arxiv.org/abs/2601.20245
Van der Vleuten, C.P.M., Schuwirth, L.W.T., Driessen, E.W. e.a. (2012). A model for
programmatic assessment fit for purpose. Medical Teacher, 34(3), 205-214.
doi.org/10.3109/0142159x.2012.652239
WEF (2023). The future of jobs report 2023. World Economic Forum. www.weforum.org/
publications/the-future-of-jobs-report-2023
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 31
3-26
De invloed van ICT
Hoe willen we dat het onderwijs van de toekomst eruitziet, en hoe zetten we technologie daarbij verstandig in?
De digitalisering van het onderwijs is in de afgelopen jaren al met sprongen vooruitgegaan. Om de sector te
helpen de grip te behouden, werkt ICT-coöperatie SURF onder meer met toekomstscenario’s.
Regie houden op grenzeloze
mogelijkheden
Digitale technologie: van hulpmiddel naar fundament
Ron Augustus
SURF, Utrecht
B
innen de digitalisering van het Nederlandse onderwijs
zijn digitale autonomie en regie op toekomstige
ontwikkelingen de leidende motieven. Anders gezegd:
als sector willen we technologie inzetten voor een
betere kwaliteit van het onderwijs, met behoud van onze
autonomie.
De geopolitieke verhoudingen en de groeiende macht van
big tech hebben deze gespreksonderwerpen bovenaan de
agenda gezet. De urgentie is in de afgelopen jaren groter
geworden en de focus ligt steeds meer op ‘in control’ blijven.
Er vindt actief en intensief samenwerking plaats: van
docenten tot onderwijskundigen, van bestuurders tot CIO’s
(chief information officers) en van techniekontwikkelaars tot
beleidsmakers en studenten. Publieke waarden zijn daar -
bij het uitgangspunt: autonomie, rechtvaardigheid en
menselijkheid.
Samenwerking vindt plaats op veel niveaus: binnen en buiten
het mbo (middelbaar beroepsonderwijs), het hbo (hoger
beroepsonderwijs) en het wetenschappelijk onderwijs,
maar ook tussen deze sectoren. Multidisciplinair binnen
instellingen of gespecialiseerd over de grenzen van instellingen
heen. Gericht op Nederland, maar ook aansluitend bij
Europese initiatieven. De coöperatie SURF en het programma
Npuls (zie kaders) faciliteren deze samenwerking: met
expertise en diensten, initiatieven voor kennisdeling en
een sterk netwerk.
SURF
SURF is al 55 jaar de ICT-coöperatie voor Nederlandse
instellingen in het vervolgonderwijs en onderzoek.
Wat in 1971 begon als een initiatief voor computerfaciliteiten
voor complexe berekeningen, is uitgegroeid
tot een gevestigde partij voor alles wat met ICT in het
Nederlandse onderwijs en onderzoek te maken heeft.
Daarbij is ook steeds vaker sprake van aansluiting bij
bewegingen en activiteiten op Europees niveau.
Nieuwe realiteit
Als sector willen we zoals gezegd de regie en onze digitale
autonomie behouden. De nieuwe technologische mogelijkheden
zijn zo omvangrijk dat we niet kunnen weten wat er
over drie jaar gebeurt. Wel kunnen we nadenken over de
richting en de toekomst van digitalisering in het onderwijs;
daarbij helpt het bij het maken van strategische keuzes om
je mogelijke toekomsten voor te stellen. Ondertussen is de
arbeidsmarkt sterk in beweging en stelt deze andere eisen
aan de studenten die het onderwijs aflevert. Dat vraagt om
een snellere actualisering van het curriculum en meer
ruimte voor lerenden om een eigen leerroute samen te
32
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
Npuls
In 2023 ging het achtjarige programma Npuls van start,
gefinancierd uit het Nationaal Groeifonds van de
Nederlandse overheid. In dit programma werken alle
102 publieke vervolgonderwijsinstellingen (mbo, hbo,
wetenschappelijk onderwijs), de sectorverenigingen
(Universiteiten van Nederland, Vereniging Hogescholen
en MBO Raad) en SURF samen aan de transformatie
van het vervolgonderwijs naar een toekomstbestendige
onderwijssector. Deze samenwerking is uniek en biedt
een grote slagkracht. In Npuls trekken instellingen
samen op, maar gaan ze ook zelf aan de slag in de eigen
praktijk. Het programma zet in op het bouwen van
samenwerkingen over de grenzen van instellingen
heen, op community’s, gezamenlijke digitale sectorvoorzieningen,
het experimenteren met nieuwe technologieën
en het uitwisselen en vergroten van kennis.
Want wat je
kunt bedenken,
kun je ook
beter vormgeven
onderwijs, inclusief de toetsing. Zo krijgt het onderwijs van
de toekomst een nieuwe invulling.
In hoeverre is de sector hier klaar voor? Dat zal de komende
jaren moeten blijken. Laten we eerst kijken naar enkele
opvallende facetten in de digitalisering van het onderwijs.
stellen of een leven lang te leren. Om dit te bereiken is flexibilisering
van het onderwijs nodig.
Met alle technologie die haar intrede doet in het onderwijs,
is het voor instellingen, opleidingen en docenten niet meer
mogelijk dit allemaal individueel bij te houden. Centres
for Teaching & Learning nemen daarom het voortouw om
samenwerking en experimenteren te bevorderen. Illustratief
hiervoor zijn de ontwikkelingen met digitaal toetsen; naast
de inzet van technologie bij toetsen, wordt de rol van toetsing
in het onderwijs opnieuw tegen het licht gehouden.
Ook is er natuurlijk de razendsnelle opkomst van AI, de
technologie die het onderwijs overspoelt met nieuwe mogelijkheden
en heersende structuren aan het wankelen brengt.
In de Denktank Digitale Transitie AI, een netwerk binnen
de SURF-coöperatie, gaan bestuurders van instellingen met
elkaar het gesprek aan over deze disruptieve technologie.
Bij ontwikkelingen rond digitaal toetsen en AI is een echte
transitie gaande; dit vraagt om een herontwerp van het
De razendsnelle opkomst
van AI brengt heersende
structuren aan
het wankelen
Denken in scenario’s
Door alle mogelijkheden die technologie biedt en de invloed
die de aanbieders van technologie uitoefenen binnen het
onderwijs, is overzicht houden een uitdaging. We willen
weten waar de ontwikkelingen naartoe kúnnen gaan, om
grip te houden op de digitalisering en de koers te kunnen
blijven bepalen. De snelheid en onvoorspelbaarheid van
technologie maken dat alleen niet makkelijk.
Een manier die we binnen SURF inzetten om vooruit te
kunnen kijken, zodat we samen betere strategische keuzes
voor de toekomst kunnen maken, is futuring oftewel scenariodenken.
Hierbij gaat het er niet om de toekomst te voorspellen,
maar om je deze voor te stellen. Want wat je kunt
bedenken, kun je ook beter vormgeven. En wie oog heeft
voor de gevaren, kan beslissingen nemen om die gevaren
voor te zijn. Futuring groeit inmiddels uit tot een beproefde
manier voor het onderwijs om met de snelheid en omvang
van (digitale) ontwikkelingen te kunnen omgaan.
Vanuit SURF hebben we vier toekomstscenario’s uitgewerkt,
met elk hun eigen uitgangspunten en extremen. Het gaat
erom bij deze scenario’s verbeeldingskracht te gebruiken. In
het transformatiescenario houden we de regie in handen. Wel
is het onderwijs radicaal geflexibiliseerd en gepersonaliseerd:
studenten zitten niet passief in de collegebanken, maar zijn
in alle sectoren actieve deelnemers aan hun eigen, op maat
gemaakte leertraject. Docenten fungeren daarbij als coaches
en begeleiden studenten door een constant beschikbaar
kennislandschap. Dat is een heel ander beeld dan in bijvoorbeeld
het ineenstortingsscenario, waarin we een wereld zien
waarin technologische afhankelijkheid en de macht van de
techgiganten domineren. Het publieke onderwijs worstelt
met verouderde faciliteiten en een gebrek aan middelen, terwijl
private, door techbedrijven gefinancierde instellingen
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 33
3-26
De invloed van ICT
opbloeien. In het disciplinescenario ligt de focus op strakke
security en privacy, en in het groeiscenario staan duurzaamheid
en state-of-the-art technologie centraal.
Op dit moment bevinden we ons ergens tussen de extremen
van deze scenario’s. We zien soms bewegingen een kant op
gaan die we niet willen, of juist wel. Bij futuring gaat het er
ook niet om of één scenario werkelijkheid wordt; het gaat om
de combinatie van elementen uit die scenario’s, waarmee
we samen met elkaar de richting bepalen en grip krijgen
op de snelle ontwikkelingen en de impact daarvan op het
onderwijs.
eduGenAI
eduGenAI is een platform voor veilig en verantwoord
gebruik van generatieve AI. Het is een all-in-oneoplossing:
een gebruikersinterface die specifiek is ontwikkeld
voor het onderwijs, gebaseerd op de AI-hub.
Met dit platform kunnen onderwijsinstellingen verschillende
commerciële of opensourcetaalmodellen
(large language models/generatieve AI) gebruiken in één
omgeving. Door eduGenAI leren studenten, docenten
en andere onderwijsprofessionals met én over AI.
Werken vanuit waarden
De technologische ontwikkeling die niet alleen het onderwijs
maar de hele wereld heeft opgeschud, is natuurlijk AI. Het
is een ontwikkeling die te vergelijken is met de komst van
stoommachine, de computer en het internet: innovaties die
hebben geleid tot een omslag in de manier waarop mensen
leven en werken. Door te werken vanuit waarden houden
we zo veel mogelijk regie en controle op AI. We vinden
privacy belangrijk; security heeft topprioriteit. De publieke
waarden die het onderwijs heeft omarmd, spelen een sleutelrol
in de beslissingen die we nemen.
We bevinden ons nu nog op een punt waarop we invloed
kunnen hebben: hoe vinden we met elkaar dat je AI mag
gebruiken? Het gaat dan over welke modellen we gebruiken
en waarvoor, waar we data opslaan, en over de AI-geletterdheid
van gebruikers. Zo kunnen we samen bouwen aan
veilig onderwijs, nu en in de toekomst.
Uniek in de historie van SURF is de snelheid waarmee twee
oplossingen – de AI-hub en eduGenAI (zie kaders) – tot stand
zijn gekomen. In samenwerking met instellingen en experts
streven we ernaar deze voorzieningen vanaf 2027 als diensten
te kunnen aanbieden aan de onderwijssector. Dit kan doordat
allerlei bouwstenen al aanwezig zijn, zoals de onlineinfrastructuur
SURFconext bij SURF, waarmee gebruikers
veilig kunnen inloggen. Maar ook de samenwerking, de
De AI-hub
De AI-hub ontwikkelt zich als een vertrouwd centraal
toegangspunt dat gebruikers of applicaties op een soevereine,
veilige, transparante en toekomstbestendige
manier koppelt aan verschillende AI-aanbieders.
Gebruikers kunnen dit koppelpunt vervolgens zelf
inrichten en configureren. Met de AI-hub bepalen
instellingen dus zelf tot welke taalmodellen hun
gebruikers toegang krijgen. Het is ook de technische
basis voor het platform eduGenAI.
kennis en het onderlinge vertrouwen zijn in de sector aanwezig.
Dit draagt eraan bij dat snel opschakelen mogelijk is.
Veranderende arbeidsmarkt
AI en andere digitale technologieën hebben het beroepenveld
veranderd, en de eisen die de maatschappij stelt aan
iemands vaardigheden. Aan het onderwijs de taak om
hierop in te spelen. Waar het voor opleidingen voorheen
gewoon was om na een aantal jaren het curriculum aan te
passen, volstaat dat tegenwoordig niet meer. Om de vraag
en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt te kunnen bijhouden,
moet wat dat betreft de snelheid omhoog.
Experts uit mbo, hbo en universiteit inventariseren momenteel
samen wat op dit vlak speelt. Eerst doen ze een verkenning
om te bekijken welke stappen er nodig zijn om een
curriculum te veranderen en of dat sneller kan, wat er nodig
is om te weten wat de arbeidsmarkt vraagt et cetera. Daarna
volgt de ‘hoe’-vraag, en die is nu nog niet te beantwoorden.
In dit kader spreken we over een responsief curriculum:
een curriculum dat zich sneller aanpast aan de eisen van de
arbeidsmarkt.
Door de veranderingen op de arbeidsmarkt, de toenemende
mogelijkheden en de kennis op basis van andere voorbeelden
groeit ook de vraag van lerenden om zelf meer vorm te
geven aan de eigen leerroute. Niet meer een vast curriculum
bij één onderwijsinstelling, maar onderwijs over de grenzen
van opleidingen en instellingen – of zelfs sectoren – heen.
Dankzij de technologische ontwikkelingen ontstaan er voorzieningen
waarmee lerenden in potentie grenzeloze vrijheid
hebben om een eigen opleiding bij elkaar te shoppen. De
vraag hierbij is evenwel niet wat er technisch kán, maar wat
wenselijk is. Als alle combinaties van onderwijsonderdelen
en -vormen mogelijk zijn, raken we namelijk veel kwijt. Een
opleiding is immers ook een samengesteld geheel, dat leidt
tot een diploma dat betekenis en waarde heeft in de samenleving.
En samenkomen op de campus heeft ook een
belangrijke sociale functie.
34
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
De grote meerwaarde
van een CTL is dat
een instelling daar
de krachten bundelt
Onderwijsinstellingen bespreken intern en onderling hoe
ze technologie kunnen inzetten om meer mogelijkheden
voor individuele leerroutes te bieden, maar dan wel met
betekenisvolle begrenzing. Rond flexibilisering formuleren
instellingen steeds meer beleid over de hoeveelheid keuzevrijheid
die ze studenten geven. Hier zit een hele wereld
achter die enorm in ontwikkeling is; vooral binnen het programma
Npuls stimuleren sectoren en instellingen kennisuitwisseling
en het delen van ervaringen. Het is aan hen
om hier afspraken over te maken.
Zoektocht
Wat de wensen zijn verschilt per instelling, en soms is het
een zoektocht. Zo hebben de universiteiten in Leiden, Delft
en Rotterdam afspraken gemaakt over de groei van flexibel
onderwijs binnen hun strategische alliantie Leiden-Delft-
Erasmus Universities 1 . Studenten kunnen hun minorpunten
binnen deze alliantie instellingsoverstijgend invullen, oftewel:
met meer ruimte voor eigen keuzes, en toch binnen
betekenisvolle grenzen. Ook de Technische Universiteit
Eindhoven, Wageningen University & Research, de Universiteit
Utrecht en Universitair Medisch Centrum Utrecht
hebben zo’n samenwerking .
Vanuit SURF faciliteren we deze ontwikkeling met technologie.
Bijvoorbeeld met het platform EduXchange 3 , dat een
instellingsoverstijgende online-onderwijscatalogus mogelijk
maakt, en met eduID 4 , de instellingsonafhankelijke digitale
identiteit waarmee lerenden zich eenvoudig kunnen aanmelden
voor onderwijs bij een andere instelling. SURF heeft
daarnaast ook de dienst Kies op Maat 5 , waarbij instellingen
zich kunnen aansluiten en waar ze hun onderwijsaanbod
kunnen aanbieden aan studenten die een minor of vak bij
een andere instelling willen volgen. Hier zijn 27 hogescholen
en 4 universiteiten bij aangesloten.
De sectorvoorziening voor aanmelden, inschrijven en intekenen
(AII 6 ) is de stip op de horizon. Met het mbo, hbo,
universiteiten, de database Studielink en de Coöperatie
MBO-Voorzieningen werken SURF en Npuls samen aan
een nieuwe voorziening. Deze ondersteunt zowel de
huidige processen voor aanmelden en inschrijven als de
eigen leerroutes die we voor lerenden in de toekomst mogelijk
willen maken.
Krachten bundelen
Om te ontdekken hoe je het onderwijs goed kunt faciliteren
met technologie, zijn onderwijsinstellingen volop bezig met
experimenteren en kennis delen. Dat gebeurt onder meer
in de Centres for Teaching & Learning (CTL’s); binnen de
instellingen zijn dit de plekken die het voortouw nemen bij
de toepassing van technologie in het onderwijs.
Als onderdeel van het programma Npuls hebben alle drie
de sectoren (mbo, hbo en wetenschappelijk onderwijs) afgesproken
dat elke instelling een CTL inricht of ontwikkelt. Dat
kan bijvoorbeeld in de vorm van een fysieke balie, een digitaal
netwerk of een webtool. Instellingen geven zelf invulling aan
hun CTL, zodat het aansluit bij hun cultuur en behoeften. De
kerndoelstellingen zijn overal hetzelfde: docentontwikkeling,
kennisdeling, innovatie, ondersteuning en onderzoek.
De activiteiten binnen een Centre for Teaching & Learning
zijn gericht op onderwijskwaliteit. Dat kan over digitalisering
gaan, maar dat is geen voorwaarde. De grote meerwaarde
van een CTL is dat een instelling daar de krachten bundelt.
CTL’s staan voor verbinding, in de instelling maar ook op
nationaal niveau. Ze blijven op de hoogte van de ontwikkelingen,
zodat ze aan de onderwijskwaliteit kunnen blijven
werken. Bovendien kunnen ze zelf kennis toevoegen aan
het netwerk.
Docentprofessionalisering is binnen de Centres for Teaching
& Learning een belangrijk aandachtspunt. Als we willen dat
studenten en lerenden hun digitale geletterdheid ontwikkelen
en dus kritisch kunnen omgaan met alle mogelijkheden
die de digitalisering biedt, lukt dat alleen als docenten ze
kunnen begeleiden. Hoe zet je digitalisering in het onderwijs
goed in? Niemand heeft het alomvattende antwoord. De beste
manier om daarmee om te gaan, is leren van elkaar, uitproberen,
soms je hoofd stoten en een lerende houding aannemen:
dat geldt niet alleen voor de docent, maar ook voor
Hoe zet je digitalisering
in het onderwijs goed in?
Niemand heeft het
alomvattende antwoord
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 35
3-26
De invloed van ICT
de leidinggevende die daarvoor de ruimte geeft. De CTL’s
zijn een veilige omgeving waar het onderwijs de mogelijkheden
die digitalisering biedt kan uitproberen. Op een verantwoorde
en onderbouwde manier kun je er risico’s
nemen, en er is ondersteuning beschikbaar.
Veilig toetsen
De aandacht voor digitaal toetsen ontstond ruim vijftien jaar
geleden. Er klonken vragen als: ‘Wat betekent digitalisering
in het toetsingsproces?’, ‘Heeft digitaal toetsen invloed op
het studiesucces?’, ‘Kan het eraan bijdragen dat de werklast
van docenten naar beneden gaat?’ en ‘Neemt de kwaliteit
van de toetsing toe als je gaat digitaliseren?’ Rond al deze
onderzoeksvragen hebben we sindsdien kennis opgebouwd,
en inmiddels hebben we de kiem gelegd voor de community
Digitaal toetsen en ontwikkelen, die we binnen het programma
Npuls versterken en uitbouwen.
Onderwijsinstellingen zijn alert waar het gaat om examinering
en diplomering. Hier ligt het fundament voor de waarde
van een opleiding; toetsing moet goed verlopen, anders heeft
dit invloed op de betrouwbaarheid van het diploma. Bij SURF
houden we ons bezig met zorgen rond het veilig maken van
digitaal toetsen. Tijdens de coronapandemie kwam daarbij
dat instellingen niet alleen digitaal moesten toetsen, maar
ook online, en zelfs op afstand. Ook daarbij nam SURF het
initiatief om met elkaar oplossingen te verkennen, te inventariseren
wat wel en niet werkt, en te kiezen voor een veilige
aanpak.
Momenteel is de grootschalige inzet van BYOD (bring your
own device, oftewel toetsafname op de eigen laptop van de
student) een belangrijk vraagstuk voor instellingen: hoe doe
je dit veilig? Er zijn instellingen die hier een voorsprong
nemen, waaruit casussen ontstaan waar verbeterslagen uit
voortkomen. Veelbelovende praktijkvoorbeelden zien zich
soms ingehaald door hun eigen succes: zo ontstond er
een monopoliepositie van een leverancier van beveiligingssoftware,
met oplopende prijzen voor het gebruik van hun
producten als gevolg. Binnen SURF en Npuls bekijken we
Het afbreken
van wat er
welke opties we hebben om zo’n situatie te verbeteren. Wat
zijn de mogelijke scenario’s en hoe kunnen we een situatie
creëren waardoor we zelf meer de regie houden en ook
zorgen voor een gezonde markt?
Digitaal toetsen leidt ook tot een andere kijk op toetsing.
Binnen onderwijsinstellingen is de wens ontstaan om deze
anders te gaan benaderen: niet meer als een afrekenmoment
aan het einde van een cursus, maar als een manier
om een student te volgen tijdens een cursus, door middel
van meerdere kleinere testen en tussentijdse opdrachten.
Zo ontstaat een realistischer beeld van wat iemand op een
bepaald moment kan. Dit betekent een grote verandering in
het beoordelen van lerenden, die gepaard gaat met behoefte
aan digitale ondersteuning.
Transitiedenken
Binnen het onderwijs is een transitie gaande. We zijn aan
het experimenteren en opbouwen, en het bestaande is aan
het verouderen. Maar het afbreken van wat er al is blijkt
soms heel moeilijk: daarom voegen we soms oplossingen
toe. Om met elkaar de juiste stappen te zetten in de voortschrijdende
digitalisering in het onderwijs, is naast futuring
ook transitiedenken nodig. Waar futuring helpt om vooruit
te kijken, voorbereid te zijn en opties af te wegen, helpt
transitiedenken om te snappen in welke beweging we zitten
en waar de focus ligt: op het institutionaliseren van nieuwe
praktijken of op het afbreken van oude.
Zo vergroten we samen onze grip op de ontwikkelingen en
behouden we de digitale autonomie en de regie op de toekomst
van het onderwijs. Want ook voor SURF is digitalisering
of technologie nooit een doel op zichzelf, maar draagt
ze bij aan een betere kwaliteit van het onderwijs.
Ron Augustus
is voorzitter van de raad van bestuur van SURF
Noten
1 www.universiteitleiden.nl/en/collaboration/partnerships/leiden-delft-erasmus
2 ewuu.nl/nl
3 eduxchange.nl
4 eduid.nl/home
5 www.kiesopmaat.nl
6 npuls.nl/onderwerpen/aanmelden-inschrijven-intekenen-algemeen
al is blijkt soms
heel moeilijk
36
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
Als het gezicht van Waag Futurelab is het Marleen Stikkers missie om bij te dragen aan een duurzame, rechtvaardige
wereld. Op zoek naar oplossingen voor de grote uitdagingen van deze tijd brengt haar instituut mensen samen om
al ‘knutselend’ te komen tot concrete, perspectiefrijke aanpakken. ‘Het werkt altijd pas als het betekenisvol is in het
sociale weefsel van een buurt of stad.’
Werken aan de wereld die je wilt
Interview met internetpionier Marleen Stikker
Huib de Jong
I
n 2019 verscheen van de hand van Marleen Stikker
Het internet is stuk, een uitdagend boek dat aanleiding
gaf tot veel discussie, niet het minst door de ondertitel
‘Maar we kunnen het repareren’. Deze discussie is
nu luider dan ooit. Voor Th&ma spreek ik met Stikker in de
Metselaarsgildekamer van de Waag over de rol van technologie
in de samenleving, welke krachten van belang zijn bij de
vormgeving van onze toekomst, en de rol en betekenis van
het hoger onderwijs. Onontkoombaar vormt haar boek het
uitgangspunt van ons gesprek.
In Het internet is stuk stel je dat we de ontwikkeling van het
internet niet nog eens 25 jaar op zijn beloop kunnen laten. We
zijn nu zes jaar verder en anderen, zoals Roxane van Iperen,
dragen nog steeds dezelfde boodschap uit: big tech trekt de
macht naar zich toe en bepaalt de spelregels, terwijl de burger
zich afhankelijk opstelt. Hoe kijk jij terug op de ontwikkeling
sinds het verschijnen van je verhaal?
Marleen Stikker: ‘Waar het boek uit voortkwam, was een
oplopend gevoel dat er van alles aan de hand is en dat het
gewoon niet wordt gezien. Dus, dacht ik, laat ik in elk geval
beschrijven wat er dan aan de hand is: big tech en venture
capital nemen de digitale ruimte over, misbruiken de data
die ze van ons vergaren, manipuleren ons met verleidende
en verslavende algoritmen en tasten langs deze weg onze
democratie aan. Dat is het middenstuk van mijn boek. Een
opstapeling van ellende, iets wat ik met enige humor probeer
te beschrijven.
Ik wilde daarnaast ook laten weten dat wat er aan de hand is
niet nieuw is. De discussie over de macht over het internet
Wie is Marleen Stikker?
In 1994 richtte Marleen Stikker (Groningen, 1962)
samen met anderen de Maatschappij voor Oude en
Nieuwe Media op; dit medialab vloeide voort uit De
Digitale Stad, een openbare internetgemeenschap die
stadsbewoners en publieke instellingen met elkaar verbond.
In 1996 nam het lab zijn intrek in de Waag, het
monumentale gebouw op de Amsterdamse Nieuwmarkt,
en sinds 2021 luistert de organisatie naar de
naam Waag Futurelab. Het instituut heeft als missie
om bij te dragen aan onderzoek, ontwerp en ontwikkeling
van een duurzame, rechtvaardige samenleving.
Stikker is er uitvoerend directeur.
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 37
3-26
De invloed van ICT
stamt uit het begin van de jaren negentig. Belangrijk is om
te weten waar het internet vandaan komt, de beweging. De
rol van onderzoekers, hackers, creatieven en vrije denkers.
Deze rol is fundamenteler geweest voor de publieke ontsluiting
en ontwikkeling van het internet dan die van commerciële
partijen. Die partijen hebben uitvindingen en succesvolle
toepassingen opgeschaald en gecommercialiseerd. Ze hebben
weinig innovatief vermogen, maar wel het kapitaal en daarmee
macht.
Mijn houding is dat het anders kan; dat beschrijf ik in het
derde deel. Ten diepste denk ik dat je altijd gaat werken aan
de wereld die je wilt, en dat ga je vormgeven. Toekomst is
een werkwoord. Je staat dan voor een keuze: je kunt het
huidige systeem accepteren en proberen te optimaliseren,
of je analyseert het systeem en stelt vast dat de grondvesten
ervan niet kloppen. Als je dat laatste doet, en dat is mijn
positie, dan formuleer je waarden en ga je op basis daarvan
werken aan een betere toekomst. Dat is het ‘we kunnen het
repareren’-verhaal.’
Je legt in het boek veel nadruk op bewustwording, maar daar
kun je niet bij blijven staan. Dan moet je gaan handelen en
dus ook zoeken naar acties die het verschil kunnen maken.
‘Ik moet zeggen dat ik toen nog best aan het zoeken was.
We hebben het zo lang op zijn beloop gelaten. De macht
van big tech was toen al buitenproportioneel. De vraag is
dan natuurlijk hoe je daarvan terugkomt. Hoe vind je je weg
weer terug als er onvoldoende mensen de urgentie van het
probleem zien? Voor ons hier in de Waag is het duidelijk
wat ons te doen staat, omdat we het probleem delen. Maar
de vraag is ook hoe je naar het grote publiek uitdraagt dat
dit het handelingsperspectief is.
Daarom neem ik in het boek het begrip ‘soevereiniteit’ als
uitgangspunt. Het is belangrijk te beargumenteren dat het
privacy-argument nooit voldoende is geweest. Het gaat om
meer, namelijk de zeggenschap over je eigen leven, in solidariteit
met anderen. Dat is de kern van het denken over andere
waarden dan die nu voor het internet worden gebruikt. Die
waarden zijn nu dat je gewoon alles maar door technologie
moet laten doen: geef je over, neem geen verantwoordelijkheid.
AI heeft dat nog veel erger gemaakt, we worden er nog
dommer van. Big tech is zich in de afgelopen zeven jaar nog
extremer gaan gedragen en draagt nu een ideologie uit die
heel bewust antidemocratisch is. Dat werd voor iedereen
duidelijk met die iconische foto van de inauguratie van
Trump, met achter hem de big tech-miljonairs. Daar zie je
ook dat het nu niet alleen meer om big tech gaat, maar ook
om big state. De politieke en technologische macht komen
in dat beeld samen.
Omdat het probleem van het internet dat stuk is gegaan alleen
maar extremer is geworden, ontstaat er nu dus ook een grotere
druk om te handelen. En dat geeft eindelijk de mogelijkheid
van een doorbraak. De vraag daarbij is wat Europa gaat
doen: gaan we het doen zoals de Amerikanen of de Chinezen,
of wordt het hier op een andere leest geschoeid, op een ander
‘Het begint ermee dat
je erkent dat technologie
niet neutraal is, dat ze
waarde in zich draagt’
principe? Op principes als menselijke waardigheid, wederkerigheid,
spreiding van macht. Bij de keuze voor een ander
principe moet je ook nadrukkelijk afstand nemen van de rol
van venture capital en de dominantie van die beursmechanismen.
Als we dat niet doen, bouwen we Europese big tech
die evenzogoed met dat spel mee gaat doen. Dus ja, Europa
staat voor een heel belangrijke keuze.’
In meerdere van jouw bijdragen doe je een beroep op het
begrip ‘publieke waarden’. Dat lijkt op het eerdergenoemde
soevereiniteitsbegrip, of bedoel je er iets anders mee?
‘Het begint ermee dat je erkent dat technologie niet neutraal
is, dat ze waarde in zich draagt. Dus het is niet zo dat big
tech niet ethisch is; het zit vol ethiek, met een heel expliciete
moraal. Een moraal die niet de mijne is – of misschien wel
niet de onze, mag ik hopen. Ethiek zit in het handelen, in
de keuzes die je maakt, waar je voor optimaliseert. Software
is gebaseerd op het ‘als-dan’-principe: als dit zich voordoet,
doe dan dat. Boordevol instructies, afwegingen. Het zijn
allemaal keuzes die gebaseerd zijn op vragen als: wie zitten
er aan tafel bij de opdrachtverstrekking, wie gaat erover, wie
betaalt ervoor, waarvoor is het een optimalisering, welke data
worden waar gebruikt, wanneer ben je tevreden? Wanneer
besluit je dat het goed is, welke doelstelling heb je dan bereikt?
Dat hele cluster van vragen, dat is waar technologie in zichzelf
waarde draagt. Voor sommige mensen is dat al een
brug te ver, die vinden data gewoon statistiek of wiskunde.
Maar bij het creëren en het gebruik van data maak je altijd
keuzes, vaak vanuit de gedachte dat je daarmee kunt sturen
op efficiency of het optimaliseren van winst. Het is zelden
vanuit het perspectief van een individu of een sociale
gemeenschap. Die zou misschien heel andere data willen
creëren en optimaliseren voor empathie of solidariteit.
Het begint er dus mee dat je zegt: ethiek is niet iets wat
‘nice to have’ is en na afloop kan worden beslist, maar iets
wat in het ontwerp zit. Je moet het onderkennen en zichtbaar
maken in het ontwerpproces. Je kunt geen AI ontwikkelen
en pas na afloop de ethische, juridische en sociale
aspecten er nog eens tegenaan houden. Je hoort het te integreren
in het gehele proces, zoals we dat hier nu doen met
de Ethical, Legal & Social Aspects Labs (Elsa Labs). De vraag
38
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
‘waar optimaliseren we voor en wie gaat daarover?’ is de kern,
niet een aspect van technologie.
Het interessante is dat mensen door de ontwikkelingen
rondom AI nu beter begrijpen dat er altijd een bias is. Large
language models zijn getraind met specifieke ideologische
waarden. Als we democratische technologie willen, moeten
we weten hoe ze getraind zijn en moet er sprake zijn van
volledig transparante modellen. Als mensen dat punt niet
begrijpen – of niet willen begrijpen, want daar zit het ook
vaak in – kun je daarna heel moeilijk verder praten.’
Wil je de huidige situatie kantelen, dan heb je dus iets van
een gemeenschappelijke visie nodig op ethische normen en
waarden. Hoe krijgen we dat voor elkaar?
‘Als je weet dat technologie niet neutraal is, moet je dus
expliciteren wat de waarden zijn waar je voor staat. Wij vinden
onze waarden van vrijheid en de democratische rechtsstaat
vanzelfsprekend. Maar Trump en biljonairs als Peter Thiel
hebben een volledig andere interpretatie van vrijheid. Thiel
beweert dat democratie en vrijheid niet samengaan. Het
roept de vraag op wat wij zelf onder vrijheid of democratie
verstaan. We zullen veel duidelijker moeten zijn waar we
voor staan.
Het interessante is dat het eigenlijk een discussie is over de
verdeling van macht. Wat is het handelingsperspectief van
individuen en organisaties ten opzichte van de staat en de
bedrijven? We hebben private conglomeraten van bedrijven
ongebreideld laten groeien, waardoor deze inmiddels een
grotere positie en macht hebben dan staten. Het is een heel
precair moment waar we nu voor staan. In de VS hebben
private belangen de staat en de instituties overgenomen.
Big tech en de staat zijn in elkaar geschoven.
In Europa hebben we aan de macht van big tech bijgedragen
door er volledig afhankelijk van te worden. De kill switch is
in handen van de regering-Trump. Er is sprake van enorme
naïviteit in de boardrooms. Eigen expertise is ingeruild voor
full service-contracten. Kostenbesparing op korte termijn is
ten koste gegaan van zeggenschap en soevereiniteit.
Dat geldt ook voor onderwijs en wetenschap. SURFnet was in
de jaren negentig een van de meest innovatieve organisaties
‘Alle zekerheden die
we hadden, ook in het
onderzoek en onderwijs,
zijn verdwenen’
in de wereld, maar werd door de aangesloten hogescholen
en universiteiten steeds meer behandeld als een inkoopcentrum
voor Microsoft. Daar komt nu langzaamaan weer verandering
in, gelukkig. De open access-beweging heeft het
belang van beheer en controle over data genegeerd. Het idee
dat wetenschappelijke kennis open beschikbaar moet zijn is
prima, maar niet voor iedereen, niet zonder strikte criteria
en op basis van wederkerigheid. Het is een kraan die openstaat
en wordt afgetapt door AI-bedrijven.
Het belang van zeggenschap over data is dan ook niet te
onderschatten. Op dit moment haalt de regering-Trump
wetenschappelijke databases over thema’s die ze daar ‘woke’
vinden offline. Bijvoorbeeld van het National Renewable
Energy Laboratory, dat is opgeheven. Wetenschap en waarheidsvinding
staan onder druk. Alle zekerheden die we
hadden, ook in het onderzoek en onderwijs, zijn verdwenen.’
De gevolgen van het politieke klimaat voor open access en
academische vrijheid zijn ingrijpend. Maar open access is
ook begonnen vanuit de hoop dat dit soort lokale of globale
initiatieven tot veranderingen ten goede kunnen leiden. Het
is dus ook de vraag op welke schaal je moet beginnen om
kansrijk verandering teweeg te brengen.
‘De Waag is onderdeel van een wereldwijde beweging die
vindt dat technologie niet ten dienste mag staan van ongebreidelde
macht, of dat nou door de staat is of door bedrijven.
Die beweging stamt al uit het begin van de personal computer,
midden jaren tachtig. Je wilt niet opgesloten raken in technologie
die niet leesbaar of transparant is. Of afhankelijk
zijn van een partij die je hele bedrijfsproces in handen heeft.
Alternatieven voor big tech zijn dan ook altijd gebaseerd
op open standaarden, leesbare software en transparante
modellen.
Neem Nextcloud, dat een alternatief is voor Microsoft Teams:
van Europese bodem, met een radicaal ander verdienmodel
dan de Amerikaanse softwaregigant. De code wordt beheerd
door een non-profitorganisatie. Het verdienmodel is gebaseerd
op het verlenen van services. En dat kunnen heel veel
partijen zijn; je kunt het ook zelf hosten. Voor de hogescholen
en universiteiten levert SURFnet nu Nextcloud-services.
Zo zijn er ook alternatieven voor de socialemediaplatforms
van big tech. Die sluit ons nu op in gesloten platforms met
onduidelijke algoritmen en ideologische keuzes over onze
feeds. De ruimte voor een gezond en pluriform socialemediastelsel
is gebaseerd op open en decentrale protocollen, op
dit moment Matrix, ATproto en ActivityPub. Daar bouwen
ontwikkelaars apps voor, Mastodon bijvoorbeeld, of Eurosky
en Bluesky. Gebruikers kunnen hun volgers meenemen,
hebben controle over hun feeds.
Het open sociale web gaat de komende jaren het verschil
maken. Er is een wereldwijde ontwikkeling met heel veel
enthousiasme, slimheid, intelligentie, creativiteit en ondernemerschap.
Het alternatief voor big tech is niet een oplossing
die alleen maar in Nederland of binnen jouw organisatie
werkt. Je draagt bij aan digitale commons en publieke
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 39
3-26
De invloed van ICT
infrastructuur. Je kunt de gezamenlijke kennis benutten en
die lokaal inzetten.
Als Waag hebben we het initiatief genomen om alle dag- en
weekbladen bij elkaar te brengen om samen te werken aan
alternatieven voor sociale media. Met de stichting Public-
Spaces dragen we bij aan een coalitie van publieke organisaties
met hetzelfde doel. In veel Europese landen zien we
dit gebeuren. We schakelen tussen internationale, Europese
samenwerking en nationale en lokale coalities; als het moet
op buurtniveau.
Bijvoorbeeld rond het vraagstuk van de mogelijke uitval van
internet. Daar zijn nu low tech-oplossingen voor, gebaseerd
op radiogolven en extreem lage energiebehoefte, maar dit
vraagt vooral om actieve betrokkenheid van bewoners. Met
de gemeente Amsterdam en de bewoners van de Nieuwmarkt
hebben we de pilot NodeNet opgezet. Als dat lokaal werkt,
kun je het verder opschalen. Maar de sociale interactie en
betrokkenheid zijn minstens zo belangrijk als de technologie.
Het gaat natuurlijk pas werken als mensen er wat mee
kunnen; als het betekenisvol is in het leven van mensen,
in het sociale weefsel van een buurt of stad. Dus dat vind
ik interessant: echt begrijpen dat technologie altijd in een
sociaal construct opereert.’
Dus per thema moet je bedenken waar zinvolle experimenten
mogelijk zijn. Al die kennis en die beweging die globaal worden
ontwikkeld hebben dan een landingsplaats nodig. Geldt dat
ook in het onderwijs?
‘Ja. Dat sluit aan bij mijn visie op het onderwijs, en dan vooral
een visie op wat je moet weten. Wat zijn de capabilities, de
menselijke vermogens en vaardigheden die je wilt meegeven?
Het hele onderwijs, van jongs af aan eigenlijk, zit op de vraag
‘wat heeft het bedrijfsleven nodig?’ Hoe zorgen we dat
mensen een baan krijgen? Ook het hoger beroepsonderwijs
wordt daar primair op aangesproken. De overheid heeft het
dan over het ontwikkelen van een ‘human capital’-agenda.
Daar heb ik veel moeite mee, mensen zijn geen kapitaal. We
hebben een bredere opdracht dan mensen af te leveren als
een radertje in het bedrijfsleven. Als je de ‘c’ wilt behouden
in de afkorting, noem het dan ‘human capabilities’. Dan
‘Dat vind ik interessant:
echt begrijpen dat
technologie altijd in een
sociaal construct opereert’
gaat het over je vermogen om in deze wereld een volwaardig
leven te leiden en je te ontwikkelen.
In mijn ogen gaat het bij dit begrip om veel meer dan wat wij
op dit moment in het onderwijs meegeven. Uiteraard hoort
daarbij dat je kennis ontwikkelt, dat je specialisatie ontdekt,
maar ook wat de basisvaardigheden zijn om maatschappelijk
weerbaar te zijn. Weten we hoe de apparaten, de spullen
om ons heen werken? Kun je iets repareren als het kapot is?
Dat kan zo simpel zijn als het kunnen plakken van een band,
weten hoe gist werkt in een brood, tot het durven openschroeven
van een laptop of telefoon.
Het gaat me niet om de vraag of je daar een toets over kunt
maken, maar om de ervaring. De attitude en het aanwakkeren
van nieuwsgierigheid. Vanuit de ervaring kom je tot ideeën.
Dat is de reden waarom we in de Waag een FabLab hebben,
een fabrication laboratory: omdat we een knutselhouding
belangrijk vinden. Een mentaliteit dat we alles kunnen
maken. Je stelt je iets voor en je hebt alle tools om dat te
realiseren. Dat kan iets met mode zijn, iets handigs voor in
huis, een muziekinstrument, tot en met dat je in staat bent
een complete computer te bouwen. Die combinatie van vaardigheden
en creativiteit is enorm motiverend.
Dat is, denk ik, een vorm die voor het onderwijs kan werken.
Mensen stappen zo over hun angst voor technologie heen
als je ze niet zegt dat ze student wiskunde, natuurkunde,
scheikunde of informatica hoeven te zijn. Ik vind het echt
triest dat veel technische studies de toegang laten afhangen
van voorkennis in exacte vakken. Heel veel mensen voelen
zich buitengesloten in de techniek of de technologie. Wij
zien hier dagelijks mensen die geen enkele bèta-achtergrond
hebben, maar door ermee werken en het te ervaren denken:
o, ik snap het wel.
Wij creëren twee perspectieven: een van mensen die wel
een wiskundeknobbel hebben en het dus allemaal kunnen
begrijpen, en een van mensen die een sociale route kiezen.
En beide hebben een verkeerd beeld van elkaar. Ik denk dat
het onderwijs op basisniveau niet vanuit alfa, bèta of gamma
bezig moet zijn; na de basis kun je je nog altijd specialiseren.’
Jullie hebben als Waag Futurelab directe samenwerkingsverbanden
met instellingen voor hoger onderwijs. Lukt het om
deze onderwijsvisie en ervaring ook daar te laten landen?
‘Ik ben nu zeven jaar professor of practice bij de Hogeschool
van Amsterdam. Dat is een interessante rol, omdat ik daarbij
niet gebonden ben aan één specifieke faculteit. Mijn
opdracht ligt op het gebied van digitale publieke waarden.
En van daaruit is er een minor ontwikkeld waar de faculteiten
Business en Economie, Maatschappij en Recht en Digitale
Media en Creatieve Industrie aan deelnemen; dit doe ik
samen met een docent-onderzoeker. Het is echt fantastisch:
dan zie je dus dat mensen uit die verschillende faculteiten
samen studeren en ontwerpen. Natuurlijk lukt het niet om
studenten uit álle domeinen bij elkaar te brengen, maar
je ziet wel dat deze studenten in een project elkaar nodig
hebben, en dat ze op zo’n moment dus gezamenlijk leren.
40
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
‘Het is echt fantastisch:
dan zie je mensen uit
verschillende faculteiten
samen studeren en ontwerpen’
Dat wens ik eigenlijk het hele onderwijs toe. Ik zou wensen
dat dit een verplicht basisprogramma was als je een studie
aan de hogeschool of de universiteit doet, zodat er een plek
is waar je elkaar over de grenzen van vakgebieden ontmoet.
Naast de minor hebben we overigens ook nog een online
course ontwikkeld; die hebben we de Public Stack genoemd.
Daarbij leer je dat het mogelijk is een alternatief internet te
ontwikkelen vanuit de publieke waarde; dat kan gaan over
grondstoffen of arbeid, maar ook over infrastructuur, kabels
en software. Zo leer je begrijpen hoe de delen van het internet
zich tot elkaar verhouden. De bedoeling is dus dat je in
elk geval een minimaal begrip hebt van wat die technologie
in onze wereld doet. En dan hoef je nog niet zelf iets te ontwikkelen
en te maken, maar je hebt voldoende kennis en
inzicht om aan tafel te zitten en mee vorm te geven aan
onze toekomst.’
Huib de Jong
is hoofdredacteur van Th&ma
Literatuur
AWTI (2024). Vanzelfsprekende verbinding. Veranker sociaal- en geesteswetenschappelijk
onderzoek in innovatie. Rapport. Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie.
Borja, J. & Castells, M. (1999). Local and Global. The Management of Cities in the Information
Age. Londen: Earthscan Publications.
Ostrom, E. (1990). Governing the Commons: The Evolution of Institutions for Collective Action.
Cambridge University Press.
Passchier, R. (2024). De vloek van Big Tech. De juridisch-technologische wortels van
constitutioneel verval en digitaal feodalisme. Amsterdam: Boom.
Robeyns, I. (2024). The capability approach and distributive justice. In The Routledge
Companion to Social and Political Philosophy, (pp. 458-468). Milton Park (VK): Taylor &
Francis.
Van Iperen, R. (2026). Ik zie wat ik geloof. Amsterdam: Uitgeverij Pluim.
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 41
3-26
De invloed van ICT
Het Vlaams hoger onderwijs gebruikt maar liefst zes verschillende softwarepakketten voor studentenadministratie.
Het betekent onder meer dat het investeringen en aanpassingen zesmaal moet uitvoeren. Dat kan een stuk efficiënter,
betogen Roel Vandommele, Ilse Beerland en Frederik D’hulster. Veel andere landen laten dat immers al zien.
Eén platform voor inschrijving,
ook in Vlaanderen
Pleidooi voor meer samenwerking op ICT-gebied
Roel Vandommele, Ilse Beerland & Frederik D’hulster
Hogeschool West-Vlaanderen, Kortrijk
H
et Vlaamse hoger onderwijs bestaat uit een sterk en
internationaal gewaardeerd ecosysteem van universiteiten
en hogescholen. De structuur met de vijf
associaties is het resultaat van een aantal ingrijpende
hervormingen die in de jaren negentig van de vorige eeuw
werden opgestart. Vanaf 2003, na de ondertekening van de
Bolognaverklaring, werd het Structuurdecreet goedgekeurd.
Dit voerde de bachelor-masterstructuur in en verplichtte de
hogescholen en universiteiten om intensief samen te werken
in de huidige associatiestructuur. Door deze schaalvergroting
ontstonden achttien sterk regionaal verankerde universiteiten
en hogescholen met daarboven de associaties. In 2010 werd
Het ICT-landschap
van het Vlaamse
hoger onderwijs
is erg divers
de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad (VLUHR)
opgericht, naast de reeds bestaande Vlaamse Interuniversitaire
Raad (VLIR) en de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA).
Vandaag, ruim dertig jaar na het begin van deze hervormingen,
is het tijd voor een nieuwe stap. De doelstelling om
instellingen te versterken via schaalvergroting is nog steeds
relevant, maar nu vooral binnen niet-concurrentiële domeinen
zoals ICT, waar kennis en schaal geen lokale maar
internationale parameters geworden zijn. Samenwerking
tussen Vlaamse en Europese hogeronderwijsinstellingen en
gedeelde expertise kunnen leiden tot meer dataconsistentie
en dus betere interoperabiliteit. Zo ontstaat een steviger basis
voor de toekomst waarin data, en dus ook artificiële intelligentie,
een steeds centralere rol spelen. Onze noorderburen
tonen dat de lat voor ICT-samenwerking een pak hoger kan;
ook Vlaanderen mag die ambitie hebben.
Vinger aan de pols
Hoewel Vlaanderen een relatief beperkt aantal studenten
telt (bijna driehonderdduizend), die allemaal onder dezelfde
regelgeving vallen, is het ICT-landschap van het Vlaamse
hoger onderwijs erg divers. Via de ICT-werkgroep van de
Vlaamse Hogescholenraad, waar alle hogescholen maar
ook de universiteiten rond de tafel zitten, werken de diverse
hogeronderwijsinstellingen samen. Internationale spelers
krijgen er regelmatig het forum en de instellingen delen er
42
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
open en actief hun kennis. Dat resulteert in breed gedragen
aanbestedingen in de functionele domeinen van het roosteren,
leerplatformen, evaluatie of studentensoftware.
De Vlaamse instellingen houden op dat vlak de vinger aan
de pols. Ze volgen de internationale trends en maken, afgestemd
op hun eigen systeemstrategie, doordachte keuzes
voor internationale softwaretitels. Ook in de technischere
domeinen van netwerken, hardware en security vindt samenwerking
plaats op het vlak van aankoop. Dankzij deze schaalgrootte
bieden de hogescholen en universiteiten weerwerk
aan de anders dominante opstelling van een vaak beperkt
aantal internationale leveranciers.
Het op elkaar
afstemmen van systemen
leidt tot efficiëntie en
tevreden studenten
Maatwerkcode
In het domein van basisbeheersystemen voor studenten-,
personeel- en projectbeheer is de situatie anders. Die processen
worden sterk bepaald door lokale regelgeving, waardoor
er geen kant-en-klare softwareproducten beschikbaar
zijn. De gebruikte systemen hebben daardoor veel maatwerkcode
die intern (Universiteit Antwerpen, Universiteit
Gent, Universiteit Hasselt, Vrije Universiteit Brussel,
Associatie Leuven) of via outsourcing (Antwerp Maritime
Academy, Arteveldehogeschool, AP Hogeschool Antwerpen,
Erasmus hogeschool Brussel, Hogeschool Gent, Hogeschool
West- Vlaanderen, Karel de Grote Hogeschool Antwerpen,
Hoge school PXL) werd ontwikkeld. Dat maakt die systemen
duur in opzet, weinig flexibel en daardoor gevoelig voor
technologische veroudering en securityproblemen.
In het Pace-Layered Application Model benoemt Gartner, een
internationaal onderzoeks- en adviesbureau op het vlak van
ICT en business, zulke systemen als systems of record. Dat zijn
digitale bronsystemen waarin basisdata zoals studentenidentiteit,
adres, curriculum en inschrijving uniek en ontegenstelbaar
gecreëerd en bewaard worden. Dergelijke bronsystemen
kenmerken zich door strikt geformaliseerde processen en
een traditionele systeemarchitectuur. Wijzigingen in zulke
systemen of omschakeling naar een ander systeem vergen
daardoor een investeringsaanpak en een centrale projectorganisatie.
De planningshorizon ervan strekt zich dan
Ook in die domeinen
moeten we durven
loskomen van historisch
gegroeide structuren
ook uit over een lange termijn: de tijd tussen beslissing en
implementatie is gemiddeld zeven jaar. Door de specifieke
regelgeving zijn die termijnen in de publieke sector nog
langer; in Vlaanderen bijvoorbeeld is het merendeel van de
software voor studentenadministratie al meer dan vijftien
jaar in gebruik.
Ook in die domeinen moeten we in Vlaanderen durven loskomen
van de historisch gegroeide structuren en werken
aan een gemeenschappelijke systeemvisie. Anno 2026 is
het niet meer verdedigbaar om met publieke middelen exact
dezelfde complexiteit meermaals te implementeren.
Voor samenwerking
Het Vlaams regelgevend kader waarbinnen hogeronderwijsinstellingen
hun activiteiten ontplooien, is vastgelegd door
de Vlaamse decreten die helder gedocumenteerd staan in de
Codex Hoger Onderwijs. Alle universiteiten en hogescholen
moeten voldoen aan dezelfde regels voor toelatingsvoorwaarden,
leerkrediet en bepaalde maatregelen voor studievoortgang,
zoals het drempeldecreet. Ter controle stuurt elke
instelling, al sinds 2008, dezelfde datasets naar de Databank
Hoger Onderwijs. Die centrale database met inschrijfdata
van elke Vlaamse student wordt beheerd door Ahovoks,
het Vlaams agentschap voor hoger onderwijs, volwassenenonderwijs,
kwalificaties en studietoelagen. Die uitwisseling
gebeurt steeds meer bidirectioneel: van een instelling naar
Ahovoks en via Ahovoks tussen de instellingen onderling.
Door het nieuwe drempeldecreet van 2023 bijvoorbeeld
hebben instellingen de studiehistoriek van de student nodig
om de totale studievoortgang van een student af te toetsen
aan de drempelregels.
Bij de Vlaamse programmatie van nieuwe opleidingen in
het hoger onderwijs is Zuhal Demir, Vlaams minister van
Onderwijs, uitgesproken voorstander van verregaande
samenwerking en rationalisatie. Dit kan maar leiden tot
efficiëntie en tevreden studenten als de samenwerkende
instellingen hun systemen op elkaar hebben afgestemd:
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 43
3-26
De invloed van ICT
één administratieve inschrijving, één studentenkaart, één
login op het leerplatform et cetera.
Ook op Europees niveau groeit de behoefte om meer studentgegevens
te delen. Sinds 2021 maakt het project Erasmus
Without Paper komaf met de traditionele papierwinkel die
voorafging aan elke Erasmus-uitwisseling. Sinds de oprichting
van de European Universities in 2017 is er ook een
behoefte ontstaan om, los van de lokale regelgeving, studentgegevens
voor authenticatie en kwalificatie uit te wisselen
over de instellingen en landen binnen Europa. De nieuwe
Europese kaders voor microcredentials die momenteel in ontwikkeling
zijn, zullen die behoefte alleen maar groter maken.
Door standaardisatie duurt
het implementeren van
een nieuwe leeromgeving
nog slechts enkele maanden
Taxonomie en ontologie
Parallel aan de regelgevende initiatieven is er een mondiale
evolutie naar uniforme organisatietaxonomieën en systeemontologie.
In een taxonomie worden objecten ingedeeld
in hiërarchische categorieën; in ontologie worden de eigenschappen
van die objecten en hun onderlinge relaties
beschreven. Door taxonomie en ontologie krijgt de mens
grip op de werkelijkheid en kan hij problemen doorgronden
en oplossingen uitdenken. Een voorbeeld hiervan is de tabel
van Mendeljev, oftewel het periodiek systeem (taxonomie),
waardoor wetenschappers de chemische elementen en hun
eigenschappen (ontologie) konden classificeren. Door die uniforme
nomenclatuur creëerden ze een gemeenschappelijke
taal om chemische problemen te definiëren, te analyseren en
op te lossen. Het was meteen de start van moderne chemie.
Sinds de komst van de pc in de jaren tachtig is binnen de
digitale replica van elke organisatie een gelijkaardige evolutie
bezig. Organisaties hebben hun structuren en -processen
vastgelegd in organigrammen en flowcharts, en vervolgens
digitaal geïmplementeerd in steeds complexere systemen.
De digitale automatisatie van processen gebeurde eerst in
de boekhoudingen; die hadden, al sinds de 16de eeuw, een
universele taal en methodiek: debet, credit, actief, passief,
winst en verlies. Oorspronkelijk gebeurde die digitalisering
door lokale softwarehuizen, maar vanaf de jaren negentig
Ook op Europees niveau
groeit de behoefte om
meer studentgegevens
te delen
kwamen de grote spelers zoals Microsoft, SAP en later Salesforce
op de voorgrond. Sinds die tijd is elk administratief
proces wel ergens geanalyseerd, gedocumenteerd en gedigitaliseerd.
Door internet, de globalisering en de schaalvergroting
van de softwaresector is die opgebouwde kennis aan het
convergeren. Quasi elk denkbaar proces heeft ondertussen
een universele specifieke nomenclatuur, basisprocesbeschrijvingen
en configureerbare oplossingen.
Zo heeft Microsoft zijn allesomvattende organisatietaxonomie
en -ontologie handig in de markt gezet met het Common
Data Model, een set van gestandaardiseerde dataschema’s
met entiteiten, attributen, semantische metadata en relaties
om veelgebruikte concepten en activiteiten vorm te geven.
Kennisdeling tussen softwareklanten en softwareleveranciers,
tussen ontwikkelaars, analisten en gebruikers, verloopt
hierdoor minder abstract en dus veel vlotter dan voorheen.
Wereldwijd verloopt de automatisatie van processen daardoor
uniformer en dus efficiënter. De impact van die uniforme
nomenclatuur en de daaruit volgende gestandaardiseerde
proceskennis kan niet overschat worden. Het ziet ernaar uit
dat de komst van de large language models die kennisconvergentie
nog zal versnellen.
Academisch Esperanto
Ook in het hoger onderwijs zien we dat fenomeen. Op beurzen
en congressen hanteren internationale partners onderling
een gemeenschappelijk vocabularium. Competences,
curricula, academic staff, courses, credits, student course enrolments,
semesters, schedules, evaluations, graduation: het is een
soort academisch Esperanto waarmee je een administratief
proces helder kunt beschrijven. Elke presentatie of elk gesprek
heeft daardoor meteen een gemeenschappelijk conceptueel
begrippenkader, wat kennisoverdracht, samenwerking en
innovatie bevordert.
Tegelijk zijn er bij de leveranciers door faillissementen, overnames
en uitfaseringen van producten nog maar een beperkt
aantal spelers actief voor de globale hoofdprocessen, zoals
roosteren en leerplatformen. Ook die spelers hanteren ondertussen
standaarden voor het uitwisselen van hun masterdata
en transactiedata: de Learning Tools Interoperability-standaard.
44
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De invloed van ICT
Door die standaardisaties duurt de implementatie van een
nieuwe leeromgeving of een nieuw roosterpakket tegenwoordig
nog slechts enkele maanden, in plaats van jaren.
Die optimalisaties hebben vooralsnog weinig impact op
de systemen voor studenten- of personeelsadministratie.
Het aantal processen en dataconcepten is bij die systemen
sowieso groter en meer verweven met de interne organisatie.
De lokale regelgeving brengt daarenboven nog bijkomende
complexiteit met zich mee. Zowat elk proces in een studenteninschrijving
wordt beïnvloed door Vlaamse concepten
zoals leerkrediet, studiebeurzen, drempels en financieringspunten.
Het implementeren en onderhouden van een software
voor Vlaamse studentenadministratie is daardoor
technisch complex en vergt grote inzet van gespecialiseerde
resources bij zowel de instelling als de leverancier. Bovendien
brengen zulke projecten grote operationele bedrijfsrisico’s
met zich mee, kennen ze een lange implementatietijd
en zijn ze bijgevolg erg duur.
Toch kiest het Vlaamse hoger onderwijs er nog steeds voor
om zes verschillende softwarepakketten voor studentenadministratie
operationeel te houden en elke investering zesmaal
uit te voeren, en dit met schaarse publieke middelen.
Elke decreetwijziging wordt zes keer geanalyseerd en zes
keer ontwikkeld, getest en geïmplementeerd. Waarom?
Omdat het altijd zo geweest is? Wat als Vlaanderen die
verloren middelen zou kunnen inzetten voor extra digitale
innovatie? Veel landen tonen dat dit kan.
Nederland, gidsland
In Nederland bijvoorbeeld is er sinds 2006 Studielink, het
nationaal platform waarop elke Nederlandse student zijn
inschrijvingen volledig dient af te handelen. Zodra de student
is ingeschreven, stuurt Studielink diens informatie vanuit
de centrale databank naar de gekozen instelling. Het resultaat
is een eenvoudiger en consistenter systeem voor zowel
de studenten als de instellingen. Regelgeving bevindt zich
maar op één plek en dient maar één keer geïmplementeerd
te worden.
Wat als Vlaanderen die
verloren middelen zou
kunnen inzetten voor
extra digitale innovatie?
Gelukkig groeit ook in
Vlaanderen het besef dat
inzetten op standaardisatie
een noodzaak is
Studielink is ontwikkeld door SURF Nederland, de Nederlandse
ICT-coöperatie voor onderwijs en onderzoek. Ook
in andere Europese landen zoals Denemarken (Optagelse),
Frankrijk (Parcoursup), Ierland (Central Applications Office),
Noorwegen (Samordna opptak) en Zweden (universityadmissions.se)
is er een gecentraliseerd nationaal systeem
waarop kandidaat-studenten zich aanmelden, inschrijven
en waar de toelatingschecks gebeuren. De inschrijfdata van
de student wordt daarna doorgestuurd naar de gekozen
instelling.
Dergelijke aanpak kan niet zonder een langetermijnsysteemstrategie.
Nederland heeft sinds de oprichting van SURF in
1987 ingezet op een centraal gestuurde ICT-strategie. SURF
krijgt structurele middelen om een duidelijke regierol op te
nemen en creëert daarmee de randvoorwaarden voor effectieve
samenwerking in het domein van ICT.
Op vandaag zetten de overkoepelende initiatieven van de
Vlaamse Hogescholenraad en de Vlaamse Interuniversitaire
Raad hoofzakelijk in op het aanmoedigen van samenwerking.
Er zijn echter geen structurele middelen voorzien om die
samenwerkingen ook daadwerkelijk te organiseren.
Hoewel Vlaanderen met de Databank Hoger Onderwijs ook
zo’n centrale databank heeft, worden alle concepten rond
inschrijving, studiehistoriek, maatregelen van studievoortgang,
studietoelage, facturatie, rapportering, de Algemene
verordening gegevensbescherming et cetera zes keer geïmplementeerd.
Door nieuwe initiatieven zoals de European
Student Card en door het gebruik van nieuwe, steeds meer
gestandaardiseerde applicaties voor leerplatformen en roostering
groeit gelukkig ook in Vlaanderen het besef dat inzetten
op standaardisatie van werkmethoden en systemen geen
keuze is, maar een noodzaak. In dat soort standaardisatie
blijven data nog steeds decentraal beheerd, maar volgens
uniforme standaarden verwerkt, waardoor vlotte uitwisseling
mogelijk is, in volledige transparantie naar de student.
Het nieuwe goud
Het is hoog tijd om hierin verdere stappen te ondernemen,
klinkt het bij de Hogeschool West-Vlaanderen. We bevinden
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 45
3-26
De invloed van ICT
ons in een geopolitieke context waarin alle Europese hogeronderwijsinstellingen
zich sterker moeten positioneren
tegenover de equivalenten in onder meer de VS en China.
Terwijl landen wereldwijd meer inzetten op schaalvergroting
en integratie, blijven we in Vlaanderen decentraal achterophinken.
In een wereld waarin data het nieuwe goud zijn,
houden we die in Vlaanderen bewust in silo’s. Het zes keer
parallel beheren van onze inschrijfdata is niet alleen duur
en complex, maar maakt die data ook moeilijk te ontsluiten,
waardoor je ze onvoldoende kunt inzetten voor analyse, beleid
en kwaliteitszorg. En dat is dan weer nefast voor onze
innovatiekracht.
Een ICT-beleid uitvoeren vergt een langetermijnaanpak;
een tijdshorizon van meer dan tien jaar is niet overdreven,
wanneer het om datastrategie en systeemarchitectuur gaat.
Daarvoor is het nooit te laat. Om het met de woorden van
Serena Sacks-Mandel, CTO van Microsoft Global Education,
te zeggen: ‘If you want to be ready for tomorrow’s technology,
you need to work on your data now!’ De digitale technologieën
evolueren momenteel sneller dan ooit, maar
bevinden zich nog in de bètafase. Voor we publieke middelen
op een specifieke technologie inzetten, moeten we de
architectuur uittekenen waarmee we straks die nieuwe technologieën
kunnen omarmen.
Daarom organiseerde de Vlaamse Hogescholenraad in 2024
een ronde tafel om na te denken over datastandaarden en
een gemeenschappelijke studentenidentiteit. Daarom
keurde de raad van bestuur in 2025 een projectdossier goed
om een analyse te maken van globale datastandaarden en
strategieën voor het hoger onderwijs. VLHORA’s recent
aangeworven ICT project- & aankoopcoördinator kan dat nu
verder in goede banen leiden. De intentie is er alleszins al.
Maar we moeten verder durven gaan. Data-integratie realiseer
je succesvol door het op lange termijn werken aan
een gemeenschappelijke richtarchitectuur. De budgettaire
ruimte ontbreekt om oude structuren in stand te houden.
Het fiasco met i-Police (het project voor digitale transformatie
van de Belgische politie) heeft ons geleerd hoe moeilijk
het is om decentrale systemen aan elkaar te koppelen.
Wat weerhoudt ons om een strategie te ontwikkelen waarin
de Databank Hoger Onderwijs evolueert naar één Vlaamse
kwalificatie- en inschrijfadministratie, en waarbij de instellingen
de vrijgekomen middelen kunnen inzetten voor
innovatie, veilige data-ontsluiting, vlottere studentenmobiliteit
en toegankelijker campussen? Dit vergt visie, lef en…
politieke steun.
Roel Vandommele
is directeur Financiën, Data en ICT bij Hogeschool West-
Vlaanderen
Ilse Beerland
is diensthoofd Data en ICT bij Hogeschool West-Vlaanderen
Frederik D’hulster
is algemeen directeur van Hogeschool West-Vlaanderen
Momenteel loopt er voor acht van de dertien Vlaamse
hogescholen een Europese aanbesteding voor software voor
studentenadministratie. Dat project zet resoluut in op standaardisatie
van inschrijfprocessen, uniforme connectiviteit
en modulaire implementatie van regelgeving. Hierdoor
beperk je de kost van de regelgeving tot een minimum en
kun je technologische updates vlot doorvoeren.
In een wereld waarin
data het nieuwe goud zijn,
houdt Vlaanderen die
bewust in silo’s
46
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
Wat vinden studenten van het educatief klimaat van hun opleiding? En welke suggesties doen zij om dit te verbeteren?
Aan de hand van een nieuwe theorie, gebaseerd op acht jaar onderzoek, gingen Cedric Stalpers en Mia Stokmans op zoek
naar een antwoord op deze vragen.
Wat zouden studenten graag veranderen
aan het onderwijsklimaat?
Welbevinden aan hogeschool en universiteit
Cedric Stalpers & Mia Stokmans
Tilburg University
S
ociale veiligheid geldt als een kenmerk van het
onderwijsklimaat (Cohen et al., 2009), in de zin dat
een school idealiter regels heeft die pesten en discriminatie
voorkomen zodat studenten zich gerespecteerd,
geaccepteerd en beschermd voelen. Over dit klimaat
en dat welbevinden van studenten in het hoger onderwijs
bestaan verschillende zorgen. Zo raakte een Nederlandse
hogeschool enkele jaren geleden in opspraak door het invoeren
van een nieuw en ongetoetst onderwijsconcept dat bij
studenten en docenten voor stress en onzekerheid zou zorgen
(de Volkskrant, 2023).
Op universiteiten kan door massale hoorcolleges en geautomatiseerde
toetsing de mens achter de student uit beeld raken
(Stalpers & Stokmans, 2026). Studenten ervaren dat de praktijk
van passief luisteren naar eenzijdige kennisoverdracht
en het maken van multiplechoicetoetsen hen onvoldoende
voorbereidt op hun stage, waar ze ineens actief en creatief
met praktische vraagstukken aan de slag moeten gaan.
Vermeulen & Schmidt (2008) vonden in hun studie dan
ook dat Nederlandse studenten belangrijke beroepsvaardigheden
– zoals plannen, problemen oplossen, zelfstandig
werken en initiatief nemen – eerder buiten dan binnen het
curriculum lijken te verwerven. Wat belangrijk is voor het
toekomstig beroep lijken studenten voor een substantieel
deel niet binnen de (wetenschappelijke) opleiding te leren.
Het onderwijsklimaat – het centrale thema van ons artikel
en een variabele die sterk met sociale veiligheid samenhangt
– wordt gezien als het antwoord op de vraag hoe, wat
en waarom studenten leren (Al Hazimi et al., 2004). Het is
een multidimensioneel construct dat de interacties en de
band tussen studenten en docenten (Loukas et al., 2006)
omvat, evenals de manier van lesgeven (Fan & Williams,
2018) en het curriculum (Roff & McAleer, 2001). Het is daarmee
een uitdrukking van de onderwijsfilosofie van een
instelling, oftewel de visie over de inhoud en manier van lesgeven
(Cohen et al., 2009; Rania et al., 2014). Het onderwijsklimaat
werkt door in de manier waarop studenten leren,
zoals gericht op het grondig begrijpen en kunnen toepassen
(diep) versus het alleen memoriseren van de stof (oppervlakkig)
(Lizzio et al., 2002). Mede daardoor werkt het leerklimaat
Door massale hoorcolleges
en geautomatiseerde
toetsing kan de mens achter
de student uit beeld raken
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 47
3-26
Onderzoek naar het
klimaat in het
hoger onderwijs
is relatief schaars
eveneens door in onderwijsprestaties, persoonlijke groei,
persistentie, motivatie en tevredenheid van studenten (Rovai
et al., 2005). Lizzio en collega’s (2002) vonden dan ook dat
onderwijsklimaat een betere voorspeller was van huidige
onderwijsprestaties dan een solide voorspeller zoals eerdere
onderwijsprestaties.
Kennisgat dichten
Ondanks de verbanden tussen onderwijsklimaat en relevante
fenomenen als studentenwelzijn (Stalpers & Stokmans,
2024), waargenomen leereffecten (Stalpers & Stokmans,
2022) en studiemotivatie (Van de Sande, 2019) is onderzoek
naar het klimaat in het hoger onderwijs relatief schaars
(Bilgin et al., 2021). Dergelijk onderzoek is evenwel zinvol,
omdat het inzicht kan bieden in de sterkten en zwakten van
een onderwijsinstelling en om te monitoren of onderwijsveranderingen
het gewenste effect bereiken (Riquelme et
al., 2009). Ten opzichte van het primair en secondair onderwijs
heeft het hoger onderwijs maar beperkt onderzoeksaandacht
gekregen (Cohen et al., 2009). Voor zover dat
wel het geval was, heeft die aandacht zich beperkt tot de
studies geneeskunde, tandheelkunde en verpleegkunde
(zie onder meer Soemantri et al., 2010; Miles et al., 2012;
Chan et al., 2016).
Om dit kennisgat te dichten hebben wij op basis van de studies
die we de laatste acht jaar hebben uitgevoerd een nieuwe
theorie ontwikkeld, getiteld Scholars+. Daarmee kunnen
onderwijsinstellingen hun educatief klimaat in beeld brengen
en vergelijken met dat van andere. De afkorting ‘Scholars’
verwijst naar de waargenomen onderwijs- en studentkenmerken
Structuur, Creativiteit, Holisme, Organisatie, Leerdruk,
Activering, Relationele verbondenheid en Studenteigenschappen
(zoals de ijver en leergierigheid van studenten). Het plusteken
staat voor het waargenomen nut van de opleiding, met
het oog op de aansluiting op de arbeidsmarkt en de wereld
buiten het onderwijsinstituut.
Het instrument draait om de volgende negen vragen:
1. Is er voldoende samenhang binnen en tussen vakken,
zodat studenten weten wat er van hen verwacht wordt
en welke wegen naar een succesvolle afronding van dat
vak leiden (structuur)?
2. Stimuleert de opleiding studenten tot het bedenken van
originele en waardevolle oplossingen voor vraagstukken
op hun vakgebied (creativiteit)?
3. Traint de opleiding voldoende sociaal-emotionele en
andere levensvaardigheden, zoals het omgaan met stress
en tegenslagen (holisme)?
4. Zijn er voldoende voorzieningen voor studenten die
problemen hebben op het vlak van mentale gezondheid
en besteedt de organisatie hier voldoende aandacht aan
(organisatie)?
5. Hoe is het gesteld met de werkdruk van de opleiding,
gezien het aantal en de concentratie van toetsmomenten
alsook de moeilijkheidsgraad ervan (leerdruk)?
6. Is de opleiding studentgecentreerd in de zin dat studenten
actief zelf aan de slag gaan met de lesstof, eerder
dan passief toehoorder te zijn van de uitleg door een
docent (activering)?
7. Ervaren studenten voldoende steun van docenten en
bieden die laatsten een veilige leeromgeving waar studenten
fouten durven maken (relationele verbondenheid)?
8. Wat kenmerkt de studenten zelf: zijn zij academisch
nieuwsgierig en creatief (in termen van persoonlijkheidspsychologie:
scoren ze hoog op ‘openheid voor ervaringen’),
hard werkend en nauwgezet (‘consciëntieusheid’)
(studenteigenschappen)?
9. In welke mate vinden studenten dat hun opleiding hen
goed voorbereidt op de wereld daarbuiten en daarna?
Met andere woorden: sluit de opleiding goed aan op de
arbeidsmarkt en de wereld buiten de schoolmuren (nut)?
Op basis van deze theorie beogen we de volgende onderzoeksvragen
te beantwoorden: welk oordeel hebben studenten op
hbo (hoger beroepsonderwijs) en universiteit over het klimaat
van hun opleiding, bestudeerd vanuit de Scholars+-theorie?
In hoeverre verklaren klimaatkenmerken verschillen in
studenttevredenheid? Welke suggesties doen studenten
om dit klimaat te verbeteren?
Welke suggesties
doen studenten
om dit klimaat
te verbeteren?
48
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
Wat zouden studenten
aan hun opleiding
veranderen als zij de
directeur zouden zijn?
Vragenlijst
Om de onderzoeksvraag te beantwoorden hebben we met
elf studenten via een gelegenheidssteekproef 478 andere studenten
bereid gevonden een onlinevragenlijst in te vullen.
Een dergelijk type steekproef is bruikbaar om hypothesen
te testen en een eerste indruk te krijgen van oordelen van de
doelgroep over een onderzocht thema (Bougie & Sekeran,
2025). Het gelegenheidskarakter uitte zich in het gegeven
dat van de 478 respondenten 240 (oftewel 49 procent) verbonden
waren aan een opleidingsinstituut in Noord-Brabant,
de provincie waar wij werken. Van de respondenten was
29 procent man, 70 procent vrouw en 1 respondent identificeerde
zich met geen van (of niet exclusief met een van)
beide genders. De verdeling hbo-universiteit was 32 versus
68 procent en de gemiddelde leeftijd was 21,8 jaar met een
standaarddeviatie van 2,4. Voor deze studie hebben we
goedkeuring verkregen van de ethische commissie van
Tilburg University 1 .
Na het doornemen en invullen van het informed consentformulier
beantwoordden de respondenten de enquête, die
grotendeels uit gesloten vragen bestond. Aan het einde stelden
we een open vraag: wat zouden studenten aan hun opleiding
willen veranderen als zij de directeur zouden zijn? Dankzij
deze open vraag konden we suggesties verkrijgen ter verbetering
van het onderwijsklimaat. De respondenten hadden
circa acht minuten nodig om de vragenlijst in te vullen.
De enquête omvatte 49 vraagitems, waarvan de meerderheid
vijfpunts semantische differentialen waren, zoals: ‘Het is vaak
onduidelijk wat ik moet doen om een voldoende te halen
O O O O O Het is doorgaans duidelijk wat ik moet doen om
een voldoende te halen’. Alleen de variabele ‘tevredenheid’
hebben we op een tienpuntsschaal (als rapportcijfer) gemeten.
De meeste vraagitems waren al eerder gebruikt en
getoetst op betrouwbaarheid (Stalpers & Stokmans, 2020;
2022). Per variabele hebben we in Tabel 1 enkele items als
voorbeeld getoond, inclusief de Cronbach’s alpha- waarde als
indicator van de interne consistentie.
Afgaande op de Cronbach’s alpha-waarden lijken de items
waarmee de variabelen geoperationaliseerd zijn betrouwbare
metingen te vormen, al vallen de waarden voor het
holistisch karakter van het onderwijs en de leerdruk beneden
de binnen psychologisch onderzoek veelgebruikte grenswaarde
van .70 (Taber, 2018).
Variabele (aantal items) Voorbeelditem Cronbach’s alpha
Structuur (4)
Creativiteit (4)
Bij veel vakken van mijn opleiding mis ik structuur en samenhang / De meeste vakken
hangen samen en zijn goed doordacht
Mijn opleiding doet weinig tot geen beroep op mijn creativiteit / doet veel beroep op
mijn creativiteit
.74
.83
Holisme (3) De opleiding besteedt weinig tot geen / veel aandacht aan omgaan met tegenslagen .63
Organisatie (2) De opleiding besteedt weinig / veel aandacht aan mentale problemen en welzijn .86
Leerdruk (4) De werkdruk bij mijn opleiding is te hoog / is laag .65
Activerende werkvormen
(2)
Tijdens lessen moeten studenten vooral zitten en luisteren / zijn studenten actief aan
het werk
.73
Relationele verbondenheid
(4)
Docenten leveren vooral negatieve kritiek / bieden veel steun .73
Waargenomen nut Ik ervaar een grote kloof tussen de inhoud van vakken en de eisen van de arbeidsmarkt /
Mijn opleiding sluit goed aan op de arbeidsmarkt
.83
Tevredenheid (4) Welk rapportcijfer geef je aan jouw opleiding? .79
Tabel 1 Operationalisatie van de centrale variabelen
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 49
3-26
Gemiddelden (sd) hbo (n=150)
Gemiddelden (sd) universiteit
(n=328)
Totaal (n=478)
d-waarde
Structuur 2.96 (.78) 3.39 (.72) 3.25 (.76) .58 ***
Creativiteit 3.27 (.86) 2.61 (.82) 2.82 (.88) -.81 ***
Holisme 2.89 (.87) 2.37 (.84) 2.54 (.88) -.62 ***
Organisatie 2.95 (.89) 3.61 (.96) 3.40 (.99) .69 ***
Leerdruk 3.23 (.75) 3.13 (.72) 3.16 (.73) -.14
Activerende werkvormen 3.09 (.87) 2.15 (.99) 2.45 (1.05) -.96 ***
Relationele verbondenheid 3.23 (.73) 3.28 (.67) 3.26 (.69) -.08
Waargenomen nut 3.63 (.87) 3.08 (.90) 3.24 (.92) -.62 ***
Consciëntieusheid 3.63 (.84) 3.76 (.81) 3.71 (.82) .17
Openheid 3.45 (.71) 3.45 (.67) 3.46 (.68) .00
Tevredenheid 6.70 (1.66) 7.37 (1.42) 7.15 (1.53) .44 ***
Tabel 2 Gemiddelden van de centrale variabelen, uitgesplitst naar hbo en universiteit
Verschil in tevredenheid
Om de eerste onderzoeksvraag te beantwoorden hebben we
de gemiddelde scores op de Scholars+-variabelen berekend,
uitgesplitst naar hbo en universiteit (zie Tabel 2).
Studenten op de universiteit zijn significant tevredener dan
studenten in het hbo over de structuur van het onderwijsklimaat,
de organisatie van ondersteunende diensten op het
gebied van studentenwelzijn en de opleiding in het algemeen
(afgaande op de tevredenheidsscore, oftewel het rapportcijfer).
Studenten in het hbo vinden dat hun onderwijsklimaat
creatiever, holistischer en activerender is, en dat hun opleiding
beter aansluit op de werkelijkheid daarbuiten en op de
arbeidsmarkt, dan studenten aan de universiteit. De meeste
van de hiervoor genoemde verschillen zijn middelgroot,
behalve die bij activerende werkvormen, waar een groot
verschil bestaat tussen hbo en universiteit.
Klimaatkenmerken
Om de tweede deelvraag te beantwoorden was oorspronkelijk
de opzet om een lineaire regressieanalyse uit te voeren,
maar een Ramseytest wees uit dat het verband tussen de
klimaatkenmerken en tevredenheid niet lineair was. Daarom
hebben we de afhankelijke variabele tevredenheid gedichotomiseerd,
waarbij we scores beneden de 7 hebben omgepoold
naar 0 en boven de 7 naar 1. Vervolgens hebben we
een binaire logistische regressieanalyse uitgevoerd met
achtergrondkenmerken van de respondenten (gender, leeftijd
en onderwijstype) en onderwijsklimaat als de onafhankelijke
variabelen en tevredenheid als afhankelijke (zie
Tabel 3).
Beta s.e. p-waarde
Gender .32 .29 .26
Leeftijd -.14 .05 .007
Hbo/universiteit
(1=universiteit; 0=hbo)
1.14 .35 .001
Structuur .98 .20 <.001
Creativiteit .43 .18 .02
Holisme .06 .18 .74
Organisatie .20 .15 .17
Leerdruk .04 .18 .83
Activerende werkvormen -.31 .15 .03
Relationele verbondenheid .61 .24 .01
Waargenomen nut .76 .18 <.001
Consciëntieusheid .10 .16 .55
Openheid -.50 .21 .02
Tabel 3 Uitkomst van een binaire logistische regressieanalyse
met achtergrondkenmerken van de studenten, alsook het onderwijsklimaat
als onafhankelijke variabelen en studenttevredenheid
als afhankelijke
50
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
Uit de regressieanalyse bleek dat kenmerken van de student
– zoals leeftijd, opleidingstype en openheid – en van het
onderwijsklimaat betekenisvol gerelateerd waren aan tevredenheid
over de eigen opleiding. Hbo-studenten waren
minder tevreden over de eigen opleiding dan studenten aan
de universiteit. Ook oudere en creatievere (afgaand op hun
score op openheid voor ervaringen) studenten waren minder
tevreden. Een onderwijsklimaat dat zich kenmerkte door
een sterkere structuur, een groter beroep op creativiteit,
minder activerende werkvormen, een betere band tussen
docent en student en een hoger ervaren nut kreeg hogere
rapportcijfers. Samen verklaarden de onafhankelijke variabelen
meer dan 42 procent van de variantie in tevredenheid.
Hbo-studenten hadden
de indruk dat ze
in het diepe
werden gegooid
Op de directeursstoel
In antwoord op de derde onderzoeksvraag hebben we studenten
uitgenodigd om op de directeursstoel te gaan zitten
en te beschrijven wat zij als eerste aan hun opleiding zouden
veranderen. Wanneer we de antwoorden uitsplitsen naar hbo
en universiteit, levert dit het volgende beeld op (zie Tabel 4).
Bij hbo-studenten was – naast waargenomen nut – structuur
een veel besproken thema, aangezien zij de indruk hadden
dat ze te veel moesten zwemmen en in het diepe werden
gegooid. Eén respondent merkte hierover op: ‘Meer duidelijkheid
binnen vakken wat betreft beoordeling en verwachtingen
vanuit de opleiding.’ Veel studenten aan de universiteit
noemden het waargenomen nut van de opleiding:
Structuur
Creativiteit
Holistisch karakter
Organisatie
voor kwetsbare
studenten
Leerdruk
Activerende
werkvormen
Relationele
verbondenheid
met docenten
Nut
Overige
opmerkingen
Meer handvatten bieden binnen vakken in plaats van ons in het
diepe te gooien. Nu zeggen studenten tegen elkaar: ‘Ik snap heel dat
eindproduct niet.’
Meer creatieve opdrachten. Vaak is het ene vak alleen maar theorie,
terwijl je voor een ander vak de storyline voor een game mag schrijven.
Meer aandacht voor hoe ik als psycholoog voor mezelf moet zorgen om
anderen goed te kunnen helpen.
Meer activiteiten organiseren rondom mentale gezondheid, en de
diensten op dit vlak duidelijker aangeven.
Bij de opbouw van vakken meer tussentoetsen inbouwen; de meeste
vakken worden getoetst met één alles-of-nietstentamen aan het eind
van het semester, dat voor 100 procent meetelt.
Meer werkcolleges en opdrachten met tussentijdse feedback om de stof
goed te kunnen toepassen.
Betrokkener docenten die echt plezier hebben in hun werk en het leuk
vinden om contact te zoeken met studenten.
Studenten praktijkgerichtere ervaring laten opdoen. Al die theoretische
cases zijn alsnog niet hoe het in het echt gaat, en 80 procent van wat
je nu leert zul je amper tot nooit meer toepassen. Ik wil graag beter
voorbereid zijn op het beroepenveld.
Betere informatie tijdens open dagen, zodat je een betere indruk van de
studie krijgt; tentamens sneller nakijken.
Hbo Universiteit Allen
34% 13% 20%
14% 11% 12%
4% 4% 4%
8% 6% 7%
33% 30% 31%
24% 27% 26%
25% 14% 17%
40% 56% 51%
30% 28% 29%
Tabel 4 Antwoorden op de vraag ‘Wat zou je aan je opleiding veranderen als jij de directeur was?’
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 51
3-26
‘90 procent van de studenten belandt niet in het wetenschappelijk
onderzoek. Zorg dat mensen op de universiteit
beter voorbereid worden op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld
door een extra stage.’
Een substantieel deel van de opmerkingen (29 procent)
betrof niet een van de Scholars-elementen, maar andere
thema’s zoals het opnemen van colleges, de indeling van
een onderwijsdag (met meer of juist minder tussenuren),
meer diepgang van vakken of inspraak van studenten. Eén
respondent noteerde: ‘Luister vaker naar wat studenten
aan geven wat anders moet.’
Sterkten en zwakten
Hoewel ons onderzoek niet representatief is voor heel
Nederland (onderwijsinstellingen in de provincie Noord-
Brabant zijn oververtegenwoordigd), geven de resultaten
een eerste indruk van sterkten en zwakten in het onderwijsklimaat
op universiteit en hbo. Laten we de drie centrale
onderzoeksvragen een voor een beantwoorden.
Welk oordeel hebben studenten op hbo en universiteit over
het klimaat van hun opleiding?
De bevraagde studenten op het hbo zijn tevreden over de
aansluiting van hun opleiding op de werkelijkheid daarbuiten
en de arbeidsmarkt, maar zij missen structuur en
samenhang: welke wegen leiden naar een voldoende, wat
is het centrale idee achter een vak – en wat is het verband
tussen vakken – en wat wordt er van mij verwacht? Dit
tekort is problematisch, omdat juist structuur zeer sterk
samenhangt met tevredenheid over de opleiding als geheel.
Alhoewel er op het hbo meer ruimte is voor holistisch onderwijs,
zoals leren omgaan met tegenslagen, is dat mogelijk
nog niet voldoende om studenten zich competent en goed
voorbereid te laten voelen, aangezien de totaalscore op dit
kenmerk ver beneden die van studenten op de universiteit
ligt. De steun die studenten van hun docenten krijgen lijkt
voldoende, maar er zijn ook kritische geluiden te horen
(‘studenten mogen meer persoonlijke aandacht krijgen’).
De universiteit mag voor
hen de kloof tussen
onderwijs en de
werkelijkheid verkleinen
Respondenten die aan een universiteit studeren zijn positiever
over de structuur binnen en tussen vakken, alsook voor
de aandacht voor het mentaal welzijn van studenten. Tegelijkertijd
zijn ze kritisch over het (geringe) beroep dat hun
opleiding doet op hun creativiteit, het weinig holistische
karakter van het onderwijs en de kloof tussen collegezalen
en de wereld daarbuiten. Dit is problematisch, aangezien
creativiteit en (vooral) het waargenomen nut sterk samenhangen
met tevredenheid over de opleiding als geheel. Een
eveneens zorgwekkend gegeven is dat de creatiefste studenten
het minst tevreden zijn over het onderwijs dat zij krijgen.
In hoeverre verklaren klimaatkenmerken verschillen in
studenttevredenheid?
Van de Scholars+-theorie bleken structuur, creativiteit, relationele
verbondenheid en nut conform verwachting (samen
met de controlevariabelen) 42 procent van de variantie in
studenttevredenheid te verklaren. Hoe tevredener studenten
zijn, des te
• beter de samenhang binnen en tussen vakken is;
• duidelijker de wegen naar een voldoende zijn;
• meer ruimte er voor creativiteit bestaat;
• meer studenten zich gesteund voelen door docenten;
• beter de aansluiting is op de arbeidsmarkt en de werkelijkheid
buiten de collegezalen.
Dit maakt de andere variabelen, die niet significant gerelateerd
bleken aan de tevredenheid, niet meteen irrelevant.
Eerder bleek het holistisch karakter van het onderwijs positief
gerelateerd aan de veerkracht en het mentaal welzijn
van studenten, en negatief aan studiestress (Stalpers &
Stokmans, 2024; Stalpers et al., 2023). Leerdruk bleek
eerder positief gerelateerd aan studiestress (Stalpers &
Stokmans, 2021).
Een opvallend verband is dat tussen de hantering van activerende
lesmethoden en studenttevredenheid: hoe meer van
dergelijke activerende werkvormen een opleiding hanteerde,
des te minder tevreden studenten leken te zijn. Dit staat in
contrast met enkele antwoorden op de vraag wat studenten
graag aan het onderwijs wilden veranderen: zij pleitten juist
voor méér activerende werkvormen. Een verklaring hiervoor
kan zijn dat één onderwijsinstelling in de eerdergenoemde
provincie een bekritiseerd didactisch concept had ingevoerd,
waarbij veel autonomie en zelfregie voor de student alsook
activerende werkvormen de norm waren (de Volkskrant,
2023).
Welke suggesties doen studenten om dit klimaat te
verbeteren?
Wanneer we studenten vragen op de stoel van de directeur
te gaan zitten, formuleren zij voor zowel hbo als universiteit
duidelijke veranderingen. De universiteit mag wat hen betreft
de kloof tussen onderwijsinhoud en de werkelijkheid (en
het beroepenveld) buiten de campus gaan verkleinen, door
meer aandacht te besteden aan de (beroeps)vaardigheden
die studenten na hun afstuderen nodig zullen hebben.
52
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
We zien ruimte voor
verbetering van diensten
op het vlak van
mentale gezondheid
Daarnaast oordelen studenten dat hun opleiding hun creativiteit
meer mag aanmoedigen en hier een groter beroep op
mag doen. Studenten zouden minder passieve luisteraars
in massale hoorcolleges moeten worden en meer worden
uitgenodigd om waardevolle oplossingen te bedenken voor
complexe en onvoorspelbare problemen uit de praktijk.
Het hoger beroepsonderwijs doet een groter beroep op de
creativiteit van studenten, en de afstand tot de werkelijkheid
daarbuiten is kleiner, maar studenten missen er structuur
en samenhang binnen vakken, waardoor ze onzeker zijn
of ze wel in de goede richting werken. Activerende werkvormen
en ruimte voor creativiteit moedigen wij aan, maar
de antwoorden van onze respondenten wekken de indruk
dat ze soms te veel in het diepe worden gegooid, zonder
de begeleiding waar ze behoefte aan hebben. Studenten
spreken dan ook de wens uit om meer steun, aanmoediging,
structuur en opbouwende feedback te krijgen van de docenten
die hen begeleiden.
De antwoorden op de open vragen gaven niet de indruk
dat studenten zich sociaal onveilig voelen op hun opleiding;
dit sluit aan bij een eerdere studie waarin we hierover vier
gesloten vragen stelden (Stalpers, 2014). Wel zien we ruimte
voor verbetering van diensten op het vlak van mentale
gezondheid (met name op het hbo) en van de sociale steun
die docenten aan studenten bieden.
Cedric Stalpers
is docent ontwikkelingspsychologie aan Tilburg University
Mia Stokmans
is universitair hoofddocent algemene cultuurwetenschappen aan
Tilburg University
Literatuur
Al-Hazimi, A., Al-Hyiani, A. & Roff, S. (2004). Perceptions of the educational environment
of the medical school in King Abdul Aziz University, Saudi Arabia. Medical Teacher,
26(6), 570-573.
Bilgin, O., Ince, M. & Yeşilyurt, E. (2021). The effects of university students’ school climate
on their motivation levels. International Journal of Psychology and Educational Studies,
8(2), 112-121.
Bougie, R. & Sekaran, U. (2025). Research Methods for Business, with eBook Access Code:
A Skill Building Approach. John Wiley & Sons.
Chan, C.Y.W., Sum, M.Y., Lim, W.S. e.a. (2016). Adoption and correlates of Postgraduate
Hospital Educational Environment Measure (PHEEM) in the evaluation of learning
environments – a systematic review. Medical Teacher, 38(12), 1248-1255.
Cohen, J., McCabe, E.M., Michelli, N.M. e.a. (2009). School climate: Research, policy,
practice, and teacher education. Teachers College Record, 111(1), 180-213.
Dopmeijer, J.M., Nuijen, J., Busch, M.C.M. e.a. (2021). Monitor Mentale gezondheid en
Middelengebruik Studenten hoger onderwijs. Deelrapport I. Mentale gezondheid van
studenten in het hoger onderwijs. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.
Fan, W. & Williams, C. (2018). The mediating role of student motivation in the linking of
perceived school climate and achievement in reading and mathematics. In Frontiers in
Education (Vol. 3, p. 50). Frontiers Media SA.
Lizzio, A., Wilson, K. & Simons, R. (2002). University students’ perceptions of the learning
environment and academic outcomes: Implications for theory and practice. Studies in
Higher Education, 27(1), 27-52.
Loukas, A., Suzuki, R. & Horton, K.D. (2006). Examining school connectedness as a
mediator of school climate effects. Journal of Research on Adolescence, 16(3), 491-502.
Miles, S., Swift, L. & Leinster, S.J. (2012). The Dundee Ready Education Environment
Measure (DREEM): A review of its adoption and use. Medical Teacher, 34(9), e620-e634.
Misérus, M. & de Zwaan, I. (2023). ‘Hoe een nieuwe onderwijsmethode onrust naar Fontys
bracht: ‘Er wordt gevloekt en getierd, er is zoveel stress’’. De Volkskrant, 24 februari 2023.
Rania, N., Siri, A., Bagnasco, A. e.a. (2014). Academic climate, well being and academic
performance in a university degree course. Journal of Nursing Management, 22(6),
751-760.
Riquelme, A., Oporto, M., Oporto, J. e.a. (2009). Measuring students’ perceptions of the
educational climate of the new curriculum at the Pontificia Universidad Católica de Chile:
Performance of the Spanish translation of the Dundee Ready Education Environment
Measure (DREEM). Education for Health, 22(1), 112.
Roff, S.U.E., McAleer, S., Harden, R.M. e.a. (1997). Development and validation of the
Dundee Ready Education Environment Measure (DREEM). Medical Teacher, 19(4),
295-299.
Rovai, A.P., Wighting, M.J. & Liu, J. (2005). School climate: Sense of classroom and school
communities in online and on-campus higher education courses. The Quarterly Review
of Distance Education, 6(4), 361-374.
Soemantri, D., Herrera, C. & Riquelme, A. (2010). Measuring the educational environment
in health professions studies: A systematic review. Medical Teacher, 32(12), 947-952.
Stalpers, C.P. (2014). Een onderzoek naar gepercipieerde kwaliteit van het onderwijs op
basis van een nieuwe theorie. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 32(3), 257-269.
Stalpers, C.P., Bogaerts, S. & Stokmans, M. (2023). Het belang van holistisch(er) onderwijs:
Studeren en geestelijke gezondheid. Th&ma 2023-5, 54-61.
Stalpers, C.P. & Stokmans, M. (2020). Creatief klimaat: oordelen, verbeterwensen en
samenhang met creatieve prestaties. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 38(1), 5-19.
Stalpers, C.P. & Stokmans, M. (2021). De variabelen die studiestress verklaren: Drie
adviezen voor de praktijk. Th&ma 2021-5, 29-34.
Stalpers, C.P. & Stokmans, M. (2022). Haalt het hoger onderwijs het beste uit studenten?
Sterkten en zwakten van de opleiding. Th&ma 2022-1, 78-84.
Stalpers, C.P. & Stokmans, M. (2024). Draagt holistisch onderwijs bij aan het welzijn en de
mentale gezondheid van studenten? Onderzoek van Onderwijs, 53(2), 20-25.
Stalpers, C.P. & Stokmans, M. (2026). Kan holistisch hoger onderwijs het welzijn van
studenten verbeteren? Tilburg: Open University Press.
Stalpers, C.P., Stokmans, M. & van de Sande, K. (2021). Onderwijsklimaat en intrinsieke
studiemotivatie. Onderzoek van Onderwijs, 50(1).
Taber, K.S. (2018). The use of Cronbach’s alpha when developing and reporting research
instruments in science education. Research in Science Education, 48(6), 1273-1296.
Van de Sande, K. (2019). De gewenste didactiek voor het intrinsiek motiveren van Hbostudenten.
Een onderzoek naar de didactische succesfactoren die de intrinsieke
motivatie vergroten. Masterscriptie. Utrecht: Tias.
Vermeulen, L. & Schmidt, H.G. (2008). Learning environment, learning process, academic
outcomes and career success of university graduates. Studies in Higher Education, 33(4),
431-451.
Noot
1 ERB-nummer TSB_RP1516.
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 53
3-26
De afgelopen tien jaar heeft zich geleidelijk maar aantoonbaar een verschuiving voltrokken: studenten zijn steeds minder
aanwezig in de collegebanken en lijken überhaupt minder tijd aan hun studie te besteden. Wat betekent dit voor het hoger
onderwijs?
Voltijds ingeschreven, deeltijds
beschikbaar
De studeercrisis: wanneer studenten wegblijven
Hanneke Theelen, Patrick Debats & Izaak Dekker
Zuyd Hogeschool, Heerlen; Hogeschool van Amsterdam
R
ecentelijk laaide in de media een discussie op over een
‘studeercrisis’ in het Nederlandse hoger onderwijs:
studenten komen steeds minder naar colleges en
besteden minder tijd aan hun studie. Voor wie lesgeeft
in het hoger onderwijs is dit een herkenbaar onderwerp.
Veel docenten en onderwijsteams merkten de afgelopen jaren
dat studenten minder aanwezig zijn en überhaupt minder
lijken te studeren. Dit speelt niet alleen bij fysieke bijeenkomsten
op de campus, ook in synchroon onlineonderwijs
blijft de deelname geregeld achter (Dee, 2024; Detoni et al.,
2025; Thomas et al., 2025; Swiderski et al., 2025). Nieuw
was dat analyses van grote datasets deze ervaringen bevestigden.
De aanwezigheidsdata die voortkwamen uit ons eigen
onderzoek aan de Hogeschool van Amsterdam vormden de
aanleiding voor het landelijke debat.
Wat we vaak zien als een pandemiegerelateerd probleem,
lijkt inmiddels een structurele realiteit. Tegelijkertijd is onze
kennis over deze kwestie nog beperkt: veel uitspraken over
aanwezigheid zijn gebaseerd op anekdotische observaties of
kleinschalige studies (Dee, 2024; Detoni et al., 2025; Thomas
et al., 2025; Swiderski et al., 2025). In ons onderzoek hebben
we daarom systematisch gekeken naar aanwezigheidscijfers.
Hiervoor analyseerden we meer dan acht miljoen geanonimiseerde
aanwezigheidsregistraties. Aanwezigheid is namelijk
geen onbelangrijke indicator, maar heeft aantoonbare invloed
op studiesucces (Credé et al., 2010; Dekker & Doornenbal,
2025). Toch ligt in reacties op de afnemende aanwezigheid
vaak een persoonlijk frame voor de hand: studenten zouden
minder gemotiveerd zijn, minder betrokken, of ze zouden
het belang van aanwezigheid niet meer zien. Dat is misschien
waar, maar dat perspectief helpt maar in beperkte mate en
doet weinig recht aan de complexiteit van wat er hier speelt.
Daarom kiezen we hier voor een ander vertrekpunt. We
benaderen de afnemende aanwezigheid niet als een individueel
tekort, maar als een signaal dat wijst op een bredere
verschuiving in de wijze waarop studenten hun tijd verdelen
en de zaken waaraan zij die tijd (moeten) besteden. De centrale
vraag die ons daarbij richting geeft, is: wat betekent
het voor het hoger onderwijs als voltijdstudenten structureel
niet meer voltijds studeren?
Opmerkelijke verschuiving
Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(OCW) laat al sinds 2000 de tijdsbesteding van studenten
onderzoeken door onderzoeksbureau ResearchNed en de
Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Hiervoor maakt het
gebruik van een door DUO uitgevoerde representatieve
steekproef van alle ingeschreven studenten. Alle data die
sinds 2016 zijn verzameld, zijn publiekelijk toegankelijk via
de website studentenmonitor.nl. In deze rapportages vallen
de verschillen tussen individuele jaren niet op, maar wie
uitzoomt naar de totaal beschikbare periode van acht jaar,
54
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
Figuur 1 Trends in studentaanwezigheid (2015-2025)
ziet een opmerkelijke verschuiving in de tijdsbesteding van
studenten.
Waar bachelorstudenten in het hbo (hoger beroepsonderwijs)
in 2016 nog zeiden gemiddeld 39 uur per week aan de
studie te besteden, is dat in 2024 gedaald naar 29 uur. Dat
is een verlies van 10 uur per week en een daling van ruim
25 procent. Voor masterstudenten en studenten in het
wetenschappelijk onderwijs is de daling minder sterk, maar
bij alle doelgroepen (hbo, universiteit, bachelor, master, voltijd,
deeltijd) is een vergelijkbare daling zichtbaar. Wanneer
we inzoomen op de verdeling van studenten, valt op dat het
percentage studenten dat 40 uur of meer aan de studie
besteedt is gedaald van 51 naar 24 procent. De groep studenten
die minder dan 20 uur per week aan de studie besteedt,
is in acht jaar gestegen van 9 naar 24 procent.
Opmerkelijk is dat DUO deze data wel verzamelt, maar ze niet
rapporteert in de trendonderzoeken die de dienst jaarlijks
Door de jaren heen daalt
de aanwezigheid sterk;
pieken worden minder
hoog en dalen dieper
publiceert. De geleidelijke verschuiving is daardoor mogelijk
lang niet opgemerkt.
Hoe vaak studenten naar colleges gaan, wordt zelden systematisch
bijgehouden en al helemaal niet publiekelijk gedeeld.
Toch zijn er opleidingen die dit wel systematisch registreren
met behulp van een applicatie waarmee studenten bij elk college
moeten inchecken door een code te scannen. Doordat we
voor ons onderzoek toestemming kregen om de data die dit
opleverde geanonimiseerd te analyseren, kregen we inzicht in
de aanwezigheid van 27.568 studenten van zeven hbo-opleidingen
uit drie verschillende domeinen die dit voor, tijdens
en na de pandemie bijhielden. De in totaal 8,9 miljoen aanwezigheidsregistraties
over een tijdspanne van elf jaar laten
zien dat gemiddelde aanwezigheid daalde van 43,0 procent
voor de coronapandemie naar 37,5 procent tijdens de lockdowns
en slechts 30,6 procent sinds het einde daarvan. Een
overzicht met telkens vier studieblokken en een zomerperiode
per jaar (zie Figuur 1) laat een ‘neerwaartse zaag’ zien: elk jaar
daalt de aanwezigheid per kwartaal sterk en door de jaren
heen worden de pieken minder hoog en de dalen dieper.
Dat betekent dat inmiddels minder dan een op de drie studenten
aanwezig is bij een reguliere les; in een groep van
dertig studenten komt dat neer op slechts negen aanwezige
studenten. Dit patroon zien we terug op het niveau van
opleidingen, studiejaren en domeinen. Het is opmerkelijk
dat de daling na de pandemie doorzette. Veel hbo-instellingen
zoals de Hogeschool van Amsterdam hebben er immers
bewust voor gekozen een campushogeschool te zijn: ze
hebben veel geïnvesteerd in de inrichting van een ‘sticky
campus’, waar het voor studenten aantrekkelijk is om aanwezig
te zijn (Sutmuller, 2024).
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 55
3-26
Op basis van deze dataset kunnen we drie conclusies trekken.
Ten eerste is er een sterke en groeiende discrepantie tussen
wat de hogeschool aanbiedt en waar studenten gebruik van
maken. Ten tweede lijkt de daling niet aan de lockdowns toe
te schrijven, aangezien ze voor de pandemie al had ingezet
en daarna door is blijven gaan. Ten derde laat de dalende
trend na de lockdowns zien dat het ‘sticky campus’-beleid
dat deze hogeschool had ingevoerd niet voldoende was om
de dalende trend te keren.
Extra zorgelijk
Zelfstudie en aanwezigheid zijn naast sterke voorspellers
van studiesucces ook indirect voorwaarden voor de onderwijsconcepten
die we in het hoger onderwijs gebruiken. Je
kunt een lege klas niet ‘flippen’, en zonder studenten is het
moeilijk om formatief feedback te geven in de les. De toenemende
afwezigheid is extra zorgelijk omdat de introductie
van generatieve AI (kunstmatige intelligentie) het steeds
belangrijker maakt dat we studenten beoordelen op het leerproces
in plaats van op het eindproduct. Verslagen en scripties
kunnen ze makkelijk met behulp van generatieve AI
maken. Het is niet betrouwbaar te detecteren wat door een
student of door AI is gemaakt. Als iemand niet komt opdagen
en alleen aan het eind een stuk inlevert of meedoet met
de toets, biedt dat geen betrouwbaar zicht op het leerproces.
De trends wijzen erop dat de voltijdstudent steeds minder
voltijds bezig is met de studie. Hierdoor drijft de praktijk af
van datgene waar het hoger onderwijs op papier voor staat.
Curricula in het hoger onderwijs zijn verdeeld in studiepunten;
elk studiepunt staat voor ongeveer 26 uur studeren.
Docenten berekenen hoeveel contacturen een vak heeft en
hoeveel zelfstudie er nodig is; ze gaan ervan uit dat voltijdstudenten
40 uur per week beschikbaar zijn, op papier
althans. In de praktijk merken ze allang dat ze hier niet op
kunnen rekenen. Wat betekent het voor ons stelsel als die
rekensom niet meer klopt? En waar is de tijd die studenten
voorheen aan de studie besteedden heen gegaan?
studentenvakbond stelde enkele maanden geleden in het
radioprogramma EenVandaag dat studenten meer tijd aan
bijbanen moeten besteden omdat het levensonderhoud
duurder is geworden, terwijl de studiefinanciering is gedaald.
Anderen noemden op LinkedIn het feit dat studenten meer
reistijd hebben doordat ze vaker thuis blijven wonen, of
zeiden dat studenten meer tijd besteden aan sociale media.
Aan de hand van de beschikbare data bekijken we hoeveel
van de verdwenen tijd deze mogelijke oorzaken kunnen
verklaren.
De rol van (bij)banen
Studenten zijn in de periode waarin we de aanwezigheid
hebben gemeten inderdaad meer tijd gaan besteden aan
betaald werk. Dit geldt voor zowel thuiswonende als uitwonende
studenten. Voor hbo-bachelorstudenten betreft het
een sterke stijging, van 10 naar 15 uur per week, parallel aan
een daling van de tijdsbesteding aan de studie. Alleen voor
deeltijdstudenten geldt dat deze tijdsbesteding niet is veranderd
(stabiel rond 25 uur per week).
Financiële druk is hierbij een belangrijke factor. Hoewel
het aandeel studenten met ernstige financiële zorgen sinds
2016 lichtelijk is toegenomen, blijft de groep studenten
zonder financiële moeilijkheden grotendeels gelijk. Deze
druk speelt dus een rol, maar lijkt het beeld slechts deels
te verklaren.
Daarnaast zien we veranderingen in de arbeidsmarkt. Deze
fungeert niet als een losstaande context, maar als een integrale
factor in de tijdsafwegingen van studenten. In de norm
dat studenten pas na afronding van hun opleiding volledig
toetreden tot de arbeidsmarkt is in de afgelopen jaren verandering
gekomen. Werkgevers bieden studenten steeds eerder
kansen, bijvoorbeeld in de vorm van stages, parttimefuncties
of vroege werving (Jackson, 2024). Zo komt het voor dat studenten
aan een lerarenopleiding in een tekortvak al in hun
tweede studiejaar een baan krijgen aangeboden (Dekker et
al., 2024).
Deze steeds vroegere toetreding tot de arbeidsmarkt blijft
niet zonder gevolgen. Studenten die al tijdens hun studie
Wat doen ze met die tijd?
We zien dus een structurele verschuiving in de tijdsbesteding,
die om een verklaring vraagt. Als studenten een kwart
minder tijd aan de studie besteden, wat doen ze dan met die
tijd? Studeren is voor veel studenten een van de vele concurrerende
tijdsbestedingen geworden. De studie krijgt minder
prioriteit en moet zich vaker voegen naar andere levensdomeinen
dan andersom (Strayhorn, 2025). Studenten vervullen
vaak meerdere rollen tegelijk: ze studeren, ze werken,
ze zijn sociaal actief en zijn soms mantelzorger of vrijwilliger.
De studie is voor veel jongeren belangrijk, maar ze vormt niet
altijd de exclusieve tijdsbesteding in hun leven.
In de media zijn veel mogelijke oorzaken van veranderende
tijdsbesteding de revue gepasseerd. De voorzitter van de
De steeds vroegere
toetreding tot de
arbeidsmarkt blijft
niet zonder gevolgen
56
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
studentenhuisvesting laat zien dat 61 procent van de hbostudenten
nog bij de ouders woont, tegen 28 procent van de
universitaire studenten (ABF Research, 2025). In de afgelopen
acht jaar is het percentage uitwonende studenten met
4 procent gestegen, maar dit is volledig toe te schrijven aan
de toename aan internationale studenten.
Zowel absoluut als relatief is de tijdsbesteding van thuiswonende
en uitwonende hbo-bachelorstudenten vergelijkbaar.
Voor beiden geldt dat het percentage dat wekelijks 40 uur
of meer aan de studie besteedt de afgelopen acht jaar is
gehalveerd (van 46 procent naar 23 procent voor uitwonend
en van 46 procent naar 24 procent uur voor thuiswonend).
De toename in reistijd doordat studenten meer thuis zouden
wonen lijkt dus geen verklaring te bieden voor de daling in
de hoeveelheid tijd die studenten aan hun studie besteden.
Figuur 2 Tijdsbesteding van hbo-bachelorstudenten
structureel deelnemen aan de arbeidsmarkt, ronden hun
opleiding minder vaak af (Douglas & Attewell, 2019). Werken
tijdens de studie is daarmee niet alleen een individuele keuze,
maar onderdeel van een bredere verschuiving in de relatie
tussen onderwijs, arbeid en tijd.
Een toename van 5 uur per week aan bijbanen kan dus de
helft van de afname van 10 uur per week aan studietijd verklaren
(zie Figuur 2). Daarmee blijft het de vraag wat er
met die andere helft is gebeurd.
Reistijd
Een andere mogelijke verklaring zou een toename in de
reistijd kunnen zijn, omdat steeds meer studenten de afgelopen
jaren thuis zijn blijven wonen. De Landelijke monitor
Sociale media
Jongeren besteden veel tijd aan sociale media. Een toename
van deze tijdsbesteding zou een verklaring kunnen zijn voor
de afname in studietijd. Nederlanders van 15 tot 28 jaar
besteden momenteel 18,3 uur per week aan sociale media
(zie Figuur 3). Er zijn evenwel geen vergelijkbare data bijgehouden
over de ontwikkeling van deze tijdsbesteding in
Nederland over de afgelopen acht jaar; daardoor is moeilijk
te zeggen hoezeer dit is toegenomen en in welke mate dit de
veranderende tijdsbesteding van studenten kan verklaren.
Wereldwijd zijn deze data wel beschikbaar: het socialemediagebruik
blijkt te zijn toegenomen van 14,9 uur per week in
2016 naar 16,7 uur in 2024 (Statista, 2026). De grootste
stijging vond echter al vóór 2016 plaats, dus voor de afname
in studietijd inzette. Het is nog wel aannemelijk dat het een
klein deel van de afname in studietijd kan verklaren, maar
het is onwaarschijnlijk dat dit de vijf ontbrekende uren volledig
verklaart.
Figuur 3 Generaties en het gebruik van sociale media (Bron: Newcom, 2026)
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 57
3-26
Hiermee ontstaat een
balans van flexibiliteit
en structuur die
kan doorslaan
Binnen het onderwijs
De factoren die we tot nu toe hebben besproken liggen
vooral buiten het directe bereik van onderwijsinstellingen.
Tegelijkertijd zijn er ook ontwikkelingen binnen het hoger
onderwijs die van invloed kunnen zijn op de afnemende
trend in aanwezigheid en studietijd. Denk aan veranderingen
in toetsing, de opkomst van generatieve AI, de manier
waarop we onderwijs organiseren en roosteren, en de pedagogische
en didactische keuzes die opleidingen maken.
Rol van flexibilisering
Hoewel flexibilisering van het onderwijs een breed interpreteerbaar
begrip is, vormt ze in de afgelopen jaren een
duidelijke trend. Hogeronderwijsinstellingen lijken de
afnemende tijdsbesteding op papier soms te negeren door
er nog steeds van uit te gaan dat studenten 40 uur per week
studeren, maar met ‘flexibel onderwijs’ lijken ze hier in hun
onderwijsconcepten en werving wel op in te spelen. Journalisten
Bas Belleman en Meryem Janse (2026) brachten
onlangs in kaart hoe hogescholen en universiteiten op hun
websites hierover schrijven. De ene hogeschool schrijft: ‘Maar
je hebt ook zeker nog tijd over om andere leuke dingen te
doen of een bijbaantje te hebben.’ De andere zegt kort en
krachtig, over de voltijds bacheloropleiding: ‘Te combineren
met een bijbaan.’ Een universiteit schrijft op haar website:
‘Iets waar veel studenten over nadenken, of zelfs mee worstelen,
is de vraag of ze wel of niet naast hun studie moeten
werken. Moet ik me concentreren op mijn lessen of moet
ik een werkstudent worden? Nou, het goede nieuws is dat je
niet hoeft te kiezen. Je kunt beide doen!’
Er is haast geen hogeronderwijsinstelling die de afgelopen
tien jaar niet heeft gekozen voor flexibilisering van het onderwijs.
Door meer keuzevrijheid in het curriculum, blended
onderwijs en mogelijkheden om versneld te studeren vervagen
de grenzen tussen voltijd en deeltijd in de praktijk.
Die flexibilisering kan een impliciete boodschap hebben:
‘de studie voegt zich naar jouw leven en andere prioriteiten’,
door middel van een grotere speling in het rooster of minder
vaste aanwezigheidseisen. Je kunt het zien als een manier
waarop de instellingen zich aanpassen aan de veranderende
studenten, maar je zou het ook kunnen zien als beleid dat
deze verandering juist versnelt wanneer een instelling haar
studenten minder houvast biedt om te kiezen voor tijdsbesteding
aan de studie. Hiermee ontstaat een balans van
flexibiliteit en structuur die kan doorslaan.
Leskwaliteit
In discussies over afnemende aanwezigheid wijzen mensen
vaak op de kwaliteit van het onderwijs. Hogeschool Utrecht
verspreidde bijvoorbeeld onlangs een flyer met tips om colleges
zo te verbeteren dat studenten vaker komen. De gedachte
erachter is begrijpelijk: goed ontworpen, interactieve en
betekenisvolle lessen hangen traditioneel samen met een
hogere aanwezigheid (Moores et al., 2019).
Tegelijkertijd lijkt de trend die wij hier beschrijven niet volledig
te verklaren door verschillen in onderwijskwaliteit.
De daling in aanwezigheid is zichtbaar op het niveau van
opleidingen, studiejaren en domeinen, en doet zich ook
voor bij docenten die hun onderwijs zorgvuldig ontwerpen
en veel investeren in interactie. Bovendien is er geen aanleiding
om aan te nemen dat de kwaliteit van het hoger onderwijs
in het algemeen sinds 2016 structureel is afgenomen.
Het beeld dat studenten massaal wegblijven omdat het
onderwijs onvoldoende aantrekkelijk is, doet daarom geen
recht aan de complexiteit van wat hier speelt.
Wat staat ons te doen? Dat de onderwijskwaliteit geen oorzaak
is van de dalende trend, betekent niet dat deze geen rol
kan spelen in het opvangen ervan. In het hoger onderwijs
wordt het vak van docent traditioneel relatief beperkt geprofessionaliseerd.
Waar leraren in het funderend onderwijs
een jarenlange opleiding en intensieve begeleiding krijgen,
blijft docentprofessionalisering in het hoger onderwijs vaak
beperkt tot een didactische basiskwalificatie. Bovendien ligt
de nadruk daarbij vooral op didactiek en minder op pedagogisch
handelen, zoals het opbouwen van relaties, het creëren
van een leerklimaat en het omgaan met gedrag en betrokkenheid
van studenten.
Juist op dat terrein ligt mogelijk nog winst. Onderzoek
uit het funderend onderwijs laat zien dat aanwezigheid,
betrokkenheid en gedrag van studenten niet alleen
Juist op het gebied
van pedagogisch handelen
verdient het vak van
docent meer aandacht
58
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
samenhangen met individuele docentvaardigheden, maar
ook met gezamenlijke afspraken en een gedeelde pedagogische
aanpak binnen docententeams (Korpershoek et al.,
2025). In het hoger onderwijs is professionalisering daarentegen
vaak sterk gericht op de individuele docent.
De uitdaging is daarom dubbel. Enerzijds moeten we erkennen
dat structurele veranderingen in de tijdsbesteding van
studenten de grenzen bepalen van wat docenten kunnen
beïnvloeden. Anderzijds verdient het vak van docent in
het hoger onderwijs meer aandacht, juist op het gebied van
pedagogisch handelen en gezamenlijke afspraken over aanwezigheid
en betrokkenheid.
Roosters
Een aangrijpingspunt om de trend te kenteren ligt bij de
roostering. Studenten melden in onderzoeken dat roosters
een groot effect hebben op hun aanwezigheid (Moores et al.,
2019). In de praktijk doen veel opleidingen nog alsof de
studie de enige prioriteit van de student is. Zo maken ze de
roosters soms pas een paar weken voorafgaand aan een blok
bekend. Dit leidt ertoe dat studenten die ook loyaal zijn aan
hun werkgever moeten kiezen tussen hun bijbaan en de
niet-verplichte colleges. Met een rooster dat voor het hele
jaar in één keer bekend wordt en waarop de lessen altijd op
dezelfde dagen vallen, maak je het – met net zoveel contacturen
– veel waarschijnlijker dat studenten naar de les komen.
Het roosteren in dagdelen in plaats van uren voorkomt
tussenuren, en twee docenten samen inroosteren voor een
groep van vijftig studenten kan een slimme manier zijn om
te zorgen dat er minder lessen vervallen.
Een van de opleidingen in onze dataset voerde deze principes
eerst bij een aantal klassen door (2023) en daarna bij
alle eerstejaarsstudenten (2024). Voor het eerste leerjaar
zien we in de dataset een stijging in de aanwezigheid (zie
Figuur 4). Dit is de enige opleiding en het enige leerjaar
waarbij in onze dataset een stijging te bekennen is na de
coronapandemie.
Aanwezigheidsplicht
Veel docententeams vragen jaarlijks aan hun beleidsafdeling
of ze een aanwezigheidsplicht mogen invoeren. Hoewel
universiteiten dit in veel gevallen voor alle werkcolleges
hebben ingevoerd, zeggen veel hogescholen dat ze dit volgens
de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek alleen kunnen invoeren voor practica. Zo hebben
de meeste hbo-opleidingen een aanwezigheidsplicht voor
Figuur 4 Aanwezigheid bij jaar 1 van een opleiding die vanaf 2023 veranderingen in de roostering aanbracht
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 59
3-26
een (klein) deel van hun curriculum. Onderzoek laat zien
dat dit netto geen hogere aanwezigheid oplevert; het is funest
voor de aanwezigheid bij niet-verplichte colleges (Credé et
al., 2010). De argumentatie bij veel hogescholen is dat het
onderwijs inclusief moet zijn, ook voor studenten die door
mantelzorg of een baan niet bij alle colleges aanwezig kunnen
zijn. Het is de vraag hoe inclusief dit in de praktijk is, als
deze studenten hierdoor vervolgens een lage kans op succes
hebben.
De pabo van Hogeschool Rotterdam en de opleiding bouwkunde
van Hogeschool Inholland besloten ‘burgerlijk ongehoorzaam’
te zijn en toch een aanwezigheidsplicht in te
voeren: van respectievelijk 80 en 70 procent, met coulance
bij bijzondere omstandigheden, voor alle eerste- en tweedejaarsvakken.
Sinds de invoering hiervan steeg het percentage
studenten dat aan de eerste toetsgelegenheid deelnam en op
tijd een portfolio inleverde. Bij bouwkunde steeg het percentage
nominale studenten en daalde de uitval significant.
Uit gesprekken met de docenten die hierbij betrokken
waren komt wel naar voren dat het niet eenvoudig is om dit
in de praktijk goed in te voeren. Als consequentie voor het
missen van een college vraagt de pabo haar studenten om
vervangende opdrachten te maken. De docenten moeten
deze opdrachten vervolgens wel weer nakijken voordat de
toetsgelegenheid zich aandient. De opleiding bouwkunde
geeft studenten die meer dan twee van de zeven colleges
hebben gemist geen toegang tot de eerste toetsgelegenheid,
maar wel tot de herkansing.
Vooruitzichten
Hoe zal het verdergaan met de daling in de tijd die studenten
aan de studie besteden? Wij verwachten om twee redenen dat
het dossier ‘aanwezigheid’ het hoger onderwijs de komende
tijd nog zal bezighouden.
Ten eerste laten de cijfers uit het funderend onderwijs zien
dat inkomende studenten steeds meer gewend zijn lessen te
missen. Internationaal laten verschillende studies zien dat
de aanwezigheid in het funderend onderwijs de afgelopen
jaren is gedaald (Dee et al., 2025; Swiderski et al., 2025).
Twee opleidingen besloten
‘burgerlijk ongehoorzaam’
te zijn en voerden een
aanwezigheidsplicht in
Cijfers van het ministerie van OCW (2025) laten zien dat de
afgelopen drie jaar zowel het relatieve als het absolute verzuim
steeg, alsook het aantal leerlingen dat om psychische
of lichamelijke redenen vrijstelling kreeg.
Ten tweede speelt aanwezigheid ook een belangrijke rol bij
het aanpassen van het onderwijs aan de opkomst van generatieve
AI. Traditioneel functioneerden toetsen als stok
achter de deur, om te borgen dat de studenten de stof goed
genoeg beheersten. Door deze controle aan het einde van
een blok konden opleidingen studenten vrijlaten in hun
keuze om naar colleges te gaan of tijd aan zelfstudie te
besteden. De meeste studenten zagen ook zelf het nut van
inzet en aanwezigheid in, of ervoeren het door een onvoldoende
te halen wanneer ze niet genoeg tijd aan een vak
hadden besteed. Nu is het voor studenten bij veel tentamens
mogelijk om het leren deels of helemaal aan generatieve AI
uit te besteden, zonder dat docenten betrouwbaar kunnen
aantonen dat ze AI hebben gebruikt (Ardito, 2025; Newton,
2025). Dit maakt de stok achter de deur een stuk minder
effectief. Vier van de vijf studenten zeggen dat ze generatieve
AI gebruiken bij het maken van eindopdrachten (Gruenhagen
et al., 2024), en een op de vier geeft zelfs toe AI te gebruiken
om te frauderen (Newton, 2025).
Het massale gebruik van generatieve AI lijkt, kortom, de
klassieke stok achter de deur die instellingen hadden om
studietijd af te dwingen onschadelijk te maken. Tegelijkertijd
benadrukt de recente literatuur over toetsing ten tijde
van generatieve AI dat we meer nadruk op het leerproces
moeten leggen in plaats van op eindproducten, om onze
toetsing minder kwetsbaar te maken voor AI (Xia et al., 2024).
Ironisch genoeg maakt de opkomst van generatieve AI daarmee
precies datgene belangrijker wat onder druk staat: aanwezigheid
en actieve deelname aan het onderwijsproces.
Ongemakkelijk, maar onvermijdelijk
Onze bevindingen laten zich samenvatten in een ongemakkelijke,
maar onvermijdelijke constatering: voltijdinschrijving
staat steeds minder gelijk aan voltijdbeschikbaarheid.
Dit is een verschuiving die zich de afgelopen tien jaar geleidelijk
maar aantoonbaar heeft voltrokken. Studenten zijn
formeel voltijdstudent, maar hun feitelijke tijdsbesteding
laat ondertussen een ander beeld zien. De combinatie van
afnemende aanwezigheid, minder studietijd, meer betaald
werk en concurrerende tijdsbestedingen maakt duidelijk dat
het klassieke uitgangspunt van 40 studie-uren per week
voor de meerderheid van de studenten niet meer geldt.
Voor de opleidingen roept dit een aantal vragen op. Hoe
expliciet zijn wij over de tijd die we van studenten verwachten?
Hoe zorgen we ervoor dat we zicht krijgen op het leerproces
en borgen dat studenten de benodigde vaardigheden
bezitten bij de diplomering? Ook op stelselniveau roept het
vragen op. De tabellen waarin instellingen per studiepunt
de studielast op papier verantwoorden aan de Nederlands-
Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) wijken steeds
60
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
Voltijdinschrijving
staat steeds
minder gelijk aan
voltijdbeschikbaarheid
verder af van de manier waarop studenten in de praktijk
studeren. Wij hopen dat deze stille maar fundamentele verschuiving
wordt opgemerkt en een publieke dialoog in gang
zet die de opleidingen en het stelsel op termijn versterkt.
Hanneke Theelen
is senior onderzoeker en teamleider van het lectoraat
Professionalisering van het Onderwijs van Zuyd Hogeschool
Patrick Debats
is senior beleidsadviseur bij de dienst Onderwijs en Onderzoek en
lid van de kenniskring van het lectoraat Professionalisering van
het Onderwijs van Zuyd Hogeschool
Izaak Dekker
is associate lector bij Kenniscentrum Onderwijs en Opvoeding
van de Hogeschool van Amsterdam
Jackson, D. (2024). The relationship between student employment, employability-building
activities and graduate outcomes. Journal of Further and Higher Education, 48(1), 14-30.
doi.org/10.1080/0309877X.2023.2253426
Janse, M. & Belleman, B. (2026). Niet naar college, wel naar de bijbaan: studenten
besteden minder tijd aan studie. Hoger Onderwijs Persbureau.
Korpershoek, H., de Boer, H. & Mouw, J.M. (2025). An update of the meta-analysis of the
effects of classroom management interventions on students’ academic, behavioral,
social-emotional, and motivational outcomes. Review of Educational Research.
doi.org/10.3102/0034654315626799
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2025). Thuiszittende kinderen en
jongeren. www.ocwincijfers.nl/indicatoren-funderend-onderwijs/thuiszittende-kinderen
Moores, E., Birdi, G.K. & Higson, H.E. (2019). Determinants of university students’
attendance. Educational Research, 61(4), 371-387. doi.org/10.1080/00131881.2019.1660587
Newcom (2026). Sociale media op spanning. Meer zorgen, meer eenzaamheid én meer
gebruikers! Nationale Social Media Onderzoek 2026. Verkregen op 27 januari 2026 van
www.newcom.nl/wp-content/uploads/2026/01/NSMO-2026-Basis-rapportage-
Newcom-23-01-2026.pdf
Newton, P.M. (2025). How vulnerable are UK universities to cheating with new GenAI tools?
A pragmatic risk assessment. Assessment & Evaluation in Higher Education, 50(8),
1332-1343. doi.org/10.1080/02602938.2025.2511794
Statista (2026). Social media – Statistics & facts. www.statista.com/topics/1164/
social-networks
Strayhorn, T.L. (2025). How changing student demographics shape and shift the future of
the profession: Implications for student affairs professional preparation. New Directions
for Student Services, 191, 17-24. doi.org/10.1002/ss.70014
Sutmuller, J. (2024). Een plek waar studenten blijven ‘plakken’. De sticky campus in het
hoger beroepsonderwijs. Th&ma 2024-4, pp. 35-43.
Swiderski, T., Fuller, S.C. & Bastian, K.C. (2025). Student-level attendance patterns across
three post-pandemic years. Educational Evaluation and Policy Analysis. 01623737251315715.
Thomas, B., Caruso, M., Tonki, K. e.a. (2025). ‘It’s the best way to learn’: Face-to-face
attendance in university language courses. Journal of University Teaching and Learning
Practice, 22(1), 1-29.
Xia, Q., Weng, X., Ouyang, F. e.a. (2024). A scoping review on how generative artificial
intelligence transforms assessment in higher education. International Journal of
Educational Technology in Higher Education, 21(1), 40. doi.org/10.1186/
s41239-024-00468-z
Literatuur
ABF Research (2025). Landelijke monitor studentenhuisvesting 2025. Verkregen van:
open.overheid.nl/documenten/d92d885f-2234-416d-b599-972ac5ef9b4f/file
Ardito, C.G. (2025). Generative AI detection in higher education assessments.
New Directions for Teaching and Learning, 182: 11-28. doi.org/10.1002/tl.20624
Credé, M., Roch, S.G. & Kieszczynka, U.M. (2010). Class attendance in college:
A meta-analytic review of the relationship of class attendance with grades and student
characteristics. Review of Educational Research, 80(2), 272-295.
doi.org/10.3102/0034654310362998
Dee, T.S. (2024). Higher chronic absenteeism threatens academic recovery from the
COVID-19 pandemic. Proceedings of the National Academy of Sciences, 121(3),
e2312249121. doi.org/10.1073/pnas.2312249121
Dekker, I., Chong, C.F., Schippers, M.C. e.a. (2024). The right job pays: Effects of different
types of work on study progress of pre-service teachers. Pedagogische Studiën, 101(1),
4-29. doi.org/10.59302/ps.v101i1.18782
Dekker, I. & Doornenbal, J.-W. (2025). De rol van individuele en groepsparticipatie
bij deeltijds en voltijdstudenten. Hogeschool van Amsterdam. hdl.handle.net/
20.500.11884/6bb0efbc-2171-40fd-81c5-784881ca8443
Detoni, M., Allan, A., Connelly, S. e.a. (2025). University teachers’ perspectives on student
attendance: A challenge to the identity of university teachers before, during and after
Covid-19. Educational Research for Policy and Practice, 24(1), 41-59.
DUO (2026). Tijdsbesteding en betaald werk. Dienst Uitvoering Onderwijs. Verkregen op
27 januari 2026 van www.studentenmonitor.nl.
Gruenhagen, J., Sinclair, P.M., Carroll, J. e.a. (2024). The rapid rise of generative AI and its
implications for academic integrity: Students’ perceptions and use of chatbots for
assistance with assessments. Computers and Education: Artificial Intelligence, 7: 100273.
doi.org/10.1016/j.caeai.2024.100273
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 61
3-26
Sla een willekeurige krant open en de urgentie om tot échte oplossingen te komen voor grote maatschappelijke opgaven
spat van het papier. Het hoger beroepsonderwijs dicht zichzelf daarbij, als spin in het regionale web, een belangrijke rol
toe. De vraag is: kunnen we innovatie helpen versnellen?
Het innovatievermogen van het hbo
Van gedegen onderwijsinstituut naar behendige ecosysteempartner
Maarten van Gils
HAN University of Applied Sciences, Arnhem
B
ijna tien jaar geleden erkende de Nederlandse wet de
term University of Applied Sciences als de Engels talige
benaming voor een hogeschool. Het was een bevestiging
van een beweging die rond de eeuwwisseling
met de installatie van de eerste lectoren was ingezet. Het
hbo (hoger beroepsonderwijs) gaf daarmee een duidelijk
gezicht aan praktijkgericht onderzoek en omarmde zijn
tweede kerntaak definitief.
Maar de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek uit 1992, waarin het onderzoek werd verankerd,
had ook de basis gelegd voor een derde taak: het overdragen
van kennis ten behoeve van de maatschappij (Menenti et al.,
2022), een opdracht die later onder de noemer ‘kennisvalorisatie’
en met de start-up als exponent echt ging vliegen. Tegen
een achtergrond waarin grote bedrijven als Shell, AkzoNobel
en Philips stevig sneden in hun centrale onderzoeksafdelingen,
golden start-ups als dé plek om kennis uit – veelal technisch
– onderzoek te laten rijpen tot baanbrekende innovaties.
Universiteiten legden, samen met hun regionale partners, de
basis voor incubators zoals Yes!Delft (opgericht in 2005) en
UtrechtInc (2009), inspirerende locaties waar jonge, innovatieve
bedrijven nu nog steeds tot bloei kunnen komen.
Ook hogescholen lieten zich niet onbetuigd: mede dankzij
het landelijke valorisatieprogramma ontstonden er op meerdere
plaatsen, zoals bij HAS green academy in Den Bosch
en HAN University of Applied Sciences in Arnhem, centra
waarin ondernemerschap centraal staat. Daarbij gaat het
enerzijds om het ondersteunen van startende ondernemers,
en anderzijds om het verzorgen van ondernemerschapsonderwijs
voor studenten (Janssen et al., 2018).
De regio roept
Er wordt zelfs al
gesproken over een
‘vierde generatie’
hoger onderwijs
Ondanks een wisselend beleid en bezuinigingen op kennisvalorisatie
en ondernemerschap is de conclusie op zijn plaats
dat het hoger onderwijs zich de derde kerntaak inmiddels ook
volledig eigen heeft gemaakt. Sterker nog: er wordt zelfs al
gesproken over de doorontwikkeling naar de ‘vierde generatie’
hoger onderwijs. Bogers & Steinbuch (2023) schetsen in
hun artikel een toekomstbeeld waarin een universiteit een
centrale speler in het regionale innovatie-ecosysteem is
en samen met partners missiegedreven maatschappelijke
waarde creëert. Met termen als ‘transdisciplinaire wetenschap’,
‘open innovatie’ en ‘impact’ geven de onderzoekers
verdere inkleuring aan die vierde generatie.
62
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
Dus juist nu het
financiële tij tegenzit, moet
het hbo proberen om
tóch een slag te slaan
het verder moet met het ondernemerschapsonderwijs (Lans,
2025).
De conclusie is dat de organisatorische speling binnen
hogescholen nagenoeg is verdwenen. Om zaken als de
ontwikkeling van regionale agenda’s en de vormgeving van
nieuwe publiek-private samenwerking op te pakken, moeten
instellingen – zeker in de uitvoering – eerst capaciteit binnen
reguliere taken vrijspelen. Maar urenplaatjes zitten vol en
het vooruitzicht is niet rooskleurig: want hoe verzorg je
onderwijs in de regio als je de ‘inefficiënte’ reistijd naar
een lab of werkplaats eigenlijk niet kunt missen?
Juist nu investeren
Dat beeld blijkt aan te spreken: het publieke debat over de
transitie van ‘gesloten kennishuizen’ naar ‘open innovatiehubs’
is op gang gekomen, met de Technische Universiteit
Eindhoven als voorbeeld en voortrekker. Velen droegen al
bij aan het opkomende discours; ook hogescholen mengden
zich in de discussie. Zo betoogden Van Gils & Verhofstad
(2024) dat het hbo, vanwege de van oudsher sterke banden
met de regio én de praktijkgerichte focus van onderzoek en
onderwijs, bij uitstek in staat is om zich snel door te ontwikkelen.
Hogescholen zouden als behendige ecosysteempartners
missiegedreven innovatie in de regio naar een hoger
plan kunnen tillen; niet enkel met kennis, kunde en talent
in concrete trajecten met partners, maar juist ook in een rol
waarbij de instelling het regionale ecosysteem zelf helpt
ontwikkelen. Dat betoog werd, zeker in het licht van het
Draghi-rapport, goed ontvangen. Maar helaas bleef het bij
enthousiaste reacties: extra middelen om die extra rol als
hbo toegewijd invulling te geven zijn er (nog) niet.
De situatie stelt hogescholen voor een grote uitdaging: een
uitbreiding en versteviging van de rol in de regio is gewenst
en ligt binnen triple helix-verband ook voor de hand. Het Jaarbericht
Staat van het mkb (Nederlands Comité voor Ondernemerschap,
2025) benadrukt opnieuw dat het regionale
midden- en kleinbedrijf (mkb) voor enorme uitdagingen
staat als gevolg van vergrijzing, digitalisering en verduurzaming.
Midden in die perfecte storm is het niet realistisch
om te verwachten dat ondernemers ook nog de belangrijkste
voorvechter zijn van het (middel)langetermijnperspectief
van een regio. En aan de kant van de overheid is het, in een
jaar met gemeenteraadsverkiezingen, de vraag of hetzelfde
bestuur terugkomt, of dat er toch een (mogelijke) discontinuïteit
in beleid aanstaande is.
Kortom, de regio roept. Maar de middelen om als hbo die
gewenste trekkersrol in te vullen ontbreken. Door de eerdere
bezuinigingen en daarmee het gedwongen vertrek van collega’s
is het organiseren van goed onderwijs elk semester weer
een huzarenstukje. Onderzoekers houden zich ondertussen
gespannen vast aan (het restant van) de ‘Dijkgraaf-middelen’
en hopen dat Regieorgaan SIA bezuinigingen bespaard
blijven. En gelijktijdig groeien de zorgen over de vraag hoe
Het klimaatprobleem, sociale vraagstukken en andere grote
maatschappelijke opgaven zijn evenwel niet gebaat bij stilstand.
Ze vragen om een moedige stap voorwaarts, het pad
op van anticyclisch investeren. Dus juist op dit moment, nu
het financiële tij tegenzit, moet het hoger beroepsonderwijs
op zoek naar mogelijkheden om tóch een slag te slaan. Een
ambitie die niet alleen bijdraagt aan de grote opgaven, maar
ook helpt voorkomen dat het hbo nog een tweede tik krijgt:
die van over paar jaar als het, als we nu in stilte het lot van de
ratrace zouden accepteren, een uitgewoonde en verouderde
instelling is geworden.
Een eerste stap is daarin is het omarmen van – in plaats van
knorren om – de huidige schraalheid: de noodzaak om écht
te kiezen en verbinden hoef je nu niemand uit te leggen.
Alleen samen komen we verder. Zo werd de basis voor de
zeer succesvolle Metropoolregio Brainport Eindhoven begin
jaren negentig gelegd na de massaontslagen bij DAF en
Philips. Publieke en private partijen in die regio werkten
vanaf dat moment aan – en later met – een gezamenlijke visie,
strategie en ambitie, gedragen en gesteund door ‘lokale helden’
die in woorden én daden het voorbeeld gaven (Bronneberg
et al., 2023).
Vertaald naar het perspectief van een hogeschool betekent
dat meer ‘van buiten naar binnen’ denken: de eigen ontwikkelgerichte
kennis- en innovatieagenda afstemmen met
regionale stakeholders en verbinden aan nationale en Europese
agenda’s. Dus geen geïsoleerde prioritering, maar een
focus die in lijn is met de missie van het regionale ecosysteem
en zo veel mogelijk wordt uitgevoerd met partners in
innovatie coalities.
Die benadering heeft onherroepelijk gevolgen voor de richting
van het praktijkgerichte onderzoek en daarmee voor de
te valoriseren kennis en kunde. Maar ook voor de inhoud
van het onderwijs, zoals Project Beethoven laat zien, met
zijn doelstelling om tot 2030 ruim dertigduizend (semicon)
technici op te leiden. Het gewenste werken aan de regio
heeft dus invloed op het werken vanuit de drie kerntaken in
de regio.
Toch is het verstandig om die wisselwerking als organisatie
initieel wat te dempen. De onzekerheid qua dynamiek en
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 63
3-26
uitkomsten van regionale processen die hoort bij de nieuwe
rol, werkt vaak verstorend voor de reguliere processen. Het
gedegen uitvoeren van onderzoek en efficiënt verzorgen van
onderwijs vraagt om heldere afspraken, duidelijke indicatoren
en voorspelbare causaliteit; geen student, docent of praktijkpartner
zit te wachten op chaotische taferelen omdat er wordt
geïnnoveerd.
Omgekeerd blijkt het collectieve begrip over hoe je zaken
moet uitvoeren om succesvol te zijn, de zogenoemde ‘dominante
logica’ (Prahalad & Bettis, 1986), geregeld een (onbewuste)
rem op veranderingen in publieke organisaties. Het
nut van innovatieve ontwikkelingen is met kritieke prestatie -
indicatoren en reguliere spreadsheets vaak lastig aan te tonen.
Zeker in tijden van financiële krapte en personele nood
kan het exploitatieproces binnen hogescholen zich een waar
rupsje-nooit-genoeg tonen en (te) weinig ruimte laten voor
exploratie. Het gelijktijdig uitvoeren van de run & change the
school-processen is echter cruciaal om nu én in de toekomst
van maatschappelijke waarde te zijn.
Tweehandigheid
Organisaties die gelijktijdig exploratie- en exploitatieprocessen
adequaat weten uit te voeren, worden ‘ambidextere
organisaties’ genoemd (March, 1991). Met hun ‘beide rechterhanden’
zijn zij in staat de inherent conflicterende activiteiten
– gericht op efficiëntie in het heden en wendbaarheid
voor de toekomst – elkaar te laten aanvullen. Binnen het hoger
beroepsonderwijs is er een schat aan kennis en kunde met
betrekking tot (het optimaliseren van) het exploitatieproces.
Met instrumenten als de PDCA- (Plan, Do, Check, Act) en
planning-en-controlcycli kunnen instellingen de kwaliteit
systematisch monitoren en verbeteren. Ervaringen met
exploratieactiviteiten als pionieren en new business development
ten faveure van de eigen wendbaarheid en regionale toekomstbestendigheid
zijn daarentegen minder uitgebreid.
In recent literatuuronderzoek is gepoogd het innovatievermogen
van hogeronderwijsinstellingen te ontrafelen
(Schaap e.a., 2025). Daarbij keken de onderzoekers specifiek
naar cruciale middelen op het niveau van het individu, de
Innoveren is geen standaard
‘democratisch’ proces: het
gaat om commitment,
niet om consent
organisatie en het netwerk. Het onderzoek identificeerde
zeven bronnen, waaronder leiderschap, financiële middelen
en een breed gedragen missie en visie, die bijdragen aan het
vermogen. Die inzichten passen naadloos bij de lessen uit
de start-upwereld. Zo is innoveren geen standaard ‘democratisch’
proces: het gaat in eerste instantie om commitment,
niet om consent. Starten met honderd procent draagvlak is
een utopie, met nul procent risico overigens ook. En samen
zoekend naar het onbekende weegt kennis zwaarder dan rang:
leiderschap berust op inzicht en hands-on ervaring, niet op
titel of positie. En dan nog gaat het vaak mis. Kortom, zoals
innovatiegoeroe Simon Sinek al eens zei: ‘There’s nothing
efficient about innovation.’
Het is dan ook niet verwonderlijk dat ook de genoemde
studie naar innovatievermogen weer concludeerde dat een
van de uitdagingen voor de hogeronderwijsinstellingen ligt
in de interne organisatievorm. Bij de ‘klassieke hark’, een
hiërarchische structuur waarin een organisatie verantwoordelijkheden
en mandateringen helder belegd heeft, vaart
vooral het op efficiëntie gerichte exploitatieproces wel. Het
bevorderen van innovatie vraagt een andere manier van
organiseren: flexibel, netwerkachtig en interdisciplinair
(Gray & Vanderwal, 2013). Ideeën ontstaan, coalities vormen
zich en experimenten starten. En tempo doet ertoe. Het
befaamde ‘het semester is net begonnen, maar in februari
bent u de eerste’, als partners vragen om de inzet van studenten
bij een regionaal innovatieproject, past niet bij een
behendige ecosysteempartner. De snelheid waarmee de
innovatiecoalitie een marktverkenning, technische haalbaarheidsstudie
of sociale impactanalyse uitvoert, maakt of kraakt
de ontwikkeling. Al waardeert men een aangekondigd ‘later
leveren’ altijd nog beter dan ‘toezeggen maar uiteindelijk
niets leveren’.
Juist in een ecosysteem waarin regionale ontwikkelingen
afhankelijk zijn van welwillende partners, tellen concrete
daden. Woorden en symbolische innovatieactiviteiten die
niet tot tastbare resultaten leiden, noch voor de regio noch
voor de hogeschool, zijn te scharen onder wat Steve Blank
in 2019 treffend innovation theater noemde: het verschijnsel
waarbij het, volgens de ondernemer en grondlegger van de
lean start-up-beweging, lijkt alsof er stevig wordt geïnnoveerd,
maar de impact slechts zeer beperkt is.
Hark en netwerk
Om de hark- en de netwerkwereld te verbinden, zodanig dat
ze elkaar versterken maar niet doorlopend verstoren, is
overzicht hoe een instelling de run & change the school-processen
heeft vormgegeven een belangrijke eerste stap. Heeft
de organisatie innovatie als strategische opgave al (h)erkend
en zijn er corresponderend mensen en middelen beschikbaar?
En zo ja, ligt de opgave belegd op een centrale plek in
de organisatie, of meer gedecentraliseerd bij afdelingen? Die
inrichting bepaalt mede de spanningsvelden die (kunnen)
64
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
Welke inzichten uit de
start-upwereld over
innovatie zijn ook
bruikbaar in het hbo?
ontstaan binnen de organisatie. Een bekende kwestie bij een
gecentraliseerd innovatieproces is bijvoorbeeld dat innovatieve
ontwikkelingen niet goed genoeg aansluiten op behoeftes
in reguliere werkprocessen. Als een organisatie daarentegen
innovatie verwacht van álle afdelingen, bestaat de kans dat
ze organisatiebreed meerdere keren hetzelfde wiel uitvindt
en dat echt ingrijpende innovaties uitblijven.
Dé organisatorische oplossing bestaat dus niet, maar het
goede nieuws is dat je de spanningen in beide inrichtingsvarianten
constructief kunt aanwenden. Dat vraagt wel om
het met elkaar durven bespreken van het om- en soms
afbouwen van bestaande onderdelen. Onderzoek liet zien
dat een gezamenlijk (visueel) beeld van de verbindingsopgave
helpt als startpunt voor betrokkenen van verschillende
organisatielagen om de inhoudelijk discussie met elkaar te
voeren (Van Gils & De Groot, 2023). Redenerend vanuit
vier basisactiviteiten voor exploitatie en exploratie en diverse
nautische metaforen (o.a. Lanting, 2014) maakten de betrokkenen
in dat onderzoek elkaar met uitingen als ‘de sluis naar
de olietanker ligt vol, maar niets wordt doorgelaten’ en ‘die
speedboot is losgezongen van de olietanker en komt waarschijnlijk
met een irreële ontwikkeling terug’ duidelijk waar
sleutelen aan de organisatorische motor voor meer innovatievermogen
nodig was.
Een logische vraag is dus: welke inzichten uit de start-upwereld
over innovatie zijn ook bruikbaar in het hoger beroepsonderwijs?
Twee aspecten die er dan direct uitspringen, zijn
de wijze van financieren – denk aan een tv-programma als
Dragons’ Den – en de focus op waardeproposities (Osterwalder
et al., 2015). Het steeds opnieuw redeneren vanuit ‘wat
bied je (met) wie voor welke behoefte aan?’ scherpt innovatieve
ontwikkelingen. Zeker als die vraag komt van een coalitie
van regionale stakeholders die gezamenlijk werken aan
de realisatie van bijvoorbeeld een thematisch kenniscentrum,
een situatie waarin een hogeschool zich steeds vaker
terugvindt. Het andere onderwerp volgt altijd direct op – en
soms zelfs gelijktijdig met – het uitdenken van de nieuwe
waardepropositie: wie betaalt wat op welk moment?
Er zijn in de praktijk meerdere voorbeelden waarin de transitie
van gedegen onderwijsinstituut naar behendige ecosysteempartner
zichtbaar wordt. Zo noemt het Belgische UCLL
(University Colleges Leuven-Limburg) expliciet in zijn
strategische doelen de ambitie om als hogeschool een herkenbare
en betekenisvolle bijdrage in de (Eu)regionale ontwikkeling
te leveren. Daarbij prioriteert het zijn onderwijs
en onderzoek op basis van regionale vragen (van buiten
naar binnen) en zet het actief in op cocreatie met bedrijven
en organisaties (UCLL, z.d.).
Ook Nederlandse hogescholen zetten zowel bij nieuwe
kansen als in bestaande situaties in op de transitie naar de
vierde generatie hoger onderwijs. Twee voorbeelden daarvan,
ter illustratie, zijn het Delta Climate Centre in Zeeland
en de drie innovatieprogramma’s van HAN University of
Applied Sciences.
Delta Climate Centre
Het Delta Climate Centre in Zeeland is een interessant
voorbeeld waarbij vierdegeneratie- en ‘start-up’-aspecten
samenkomen. Dat begon al direct vanaf de start: de teleurstelling
over het niet doorgaan van een vestiging van een
marinierskazerne werd, indachtig de provinciale wapenspreuk
Luctor et emergo en essentieel voor innovatie, omgebogen
naar een gedeeld enthousiasme over het nieuw te
Deorollers en sushi
Na het doorgronden van de wijze waarop de tweehandigheid
van de organisatie is vormgeven, komt het, om te kunnen
versnellen, daarna aan op de invulling van het innovatievermogen.
Naast de drie niveaus uit de studie van Schaap en
collega’s (2025) is het interessant om ook de invalshoek van
de innovatieve ontwikkeling zelf uit te lichten, en daarbij te
kijken naar wat zich bijvoorbeeld in de wereld van start-ups
en scale-ups afspeelt. Cross-industry innovation is immers
een uitstekende manier om een boost te geven aan innovatie-inspanningen
(Vullings & Heleven, 2015). Zo werd de
deodorantroller gebaseerd op de werking van een balpen en
zie je bij menig sushibar het bagagebandsysteem van luchthavens
terug.
Zo zie je bij menig
sushibar het
bagagebandsysteem
van luchthavens terug
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 65
3-26
Voorstellen bij het
fonds worden in een
Dragon’s Den-achtige
setting gewogen
vormen kenniscentrum. Daarin zet de regio volop in op
kennis en verbinding: (het ontwerp van) het Delta Climate
Centre verenigt de onderwijskolom (middelbaar en hoger
onderwijs en universiteit) en de praktijk om te werken aan
oplossingen voor onder meer de zeespiegelstijging en verzilting.
Het centrum combineert daartoe onderwijs, onderzoek
en valorisatie met de filosofie ‘Zeeland als living lab’:
activiteiten vinden plaats in de regio, in nauwe samenwerking
met overheden, het bedrijfsleven, maatschappelijke
organisaties en inwoners (DCC, z.d.).
Naast een grotere kans op waardeproposities die echt impact
hebben – in lijn met het beeld van ‘open innovatiehubs’ die
maatschappelijke waarde creëren – draagt het Delta Climate
Centre ook breder bij aan de regio. Hogeschool Zeeland, als
een van de lokaal verankerde grondleggers, doet dat vanuit
de drie kerntaken met diverse (plannen voor nieuwe) opleidingen,
twee nieuwe lectoraten en (de doorontwikkeling van)
de Kenniswerf in Vlissingen als campus waar volop ruimte
is voor innovatieve bedrijvigheid. Die bijdragen maken mede
dat de verwachting van de betrokken gedeputeerde is dat het
centrum zal bijdragen aan de komst van studenten, economische
groei en een aantrekkelijker vestigingsklimaat voor
bedrijven (Bosboom, 2024).
Slim, Schoon en Sociaal
Binnen de HAN University of Applied Sciences spelen drie
thematische aandachtsgebieden een centrale rol in de transitie
naar een vierde generatie hogeschool. Ingebed in innovatieprogramma’s
genaamd Slim, Schoon en Sociaal – geënt op
respectievelijk de digitale revolutie, de klimaattransitie en het
verkleinen van sociaaleconomische gezondheidsverschillen –
zijn drie teams hoeder en aanjager van de HAN-brede kennisen
innovatieagenda. Die werd ‘van buiten naar binnen’
samengesteld door lectoren, in afstemming met regionale
stakeholders en passend binnen (inter)nationale programmering.
Aan de hand van de agenda werd het praktijkgerichte
onderzoek vervolgens uitgelijnd (HAN UAS, z.d.). Die focus
leidde tot meer samenhang: hoewel de ruim veertig lectoraten
organisatorisch ondergebracht zijn in twaalf academies, leiden
de door de drie teams gefaciliteerde thematische netwerken
tot (meer) transdisciplinaire aanvragen.
Om die beweging verder te stimuleren heeft de hogeschool
een langjarig fonds ingericht waar onderzoekers centrale
middelen (zoals geld, ondersteuning of een netwerk) kunnen
aanvragen voor hun projectontwikkeling en -matching. Voorstellen
bij het fonds krijgen eerst een klassieke review om
vervolgens in een Dragon’s Den-achtige setting definitief te
worden gewogen op de match met de kennis- en innovatieagenda,
het voorgestelde team en de beoogde doorwerking
in de regio. Het panel, een stafdirecteur en de lectoren die
de drie innovatieteams aanvoeren, gebruikt op zijn beurt de
kennis over concrete projecten in (on)gevraagd advies aan
het management over manieren om het innovatievermogen
en de regionale impact te vergroten.
Nieuw evenwicht
Met maatschappelijke opgaven die prangender zijn dan ooit,
is de vraag voor hogescholen: kunnen we innovatie (helpen)
versnellen? Zijn we in staat om onze rol als spin in het regionale
web nog steviger te omarmen en van een gedegen
onderwijsinstituut te veranderen in een behendige ecosysteempartner?
Het antwoord is: ja, maar vanzelf zal het
niet gaan.
Ten eerste vraagt het bestuurlijke moed om, mét focus, anticyclisch
te durven investeren en de eigen inhoudelijke ontwikkelagenda’s
af te stemmen op regionale stakeholders
en (inter)nationale programmering. Dus werken van buiten
naar binnen. Ten tweede is, om ‘innovatietheater’ te voorkomen,
goede verbinding en afstemming tussen de run &
change the school-processen noodzakelijk. Dat begint met het
doorgronden van de eigen organisatie: heeft de instelling de
innovatieopgave (h)erkend, en zo ja, hoe heeft ze die opgave
precies geconcretiseerd? Ligt die bij álle afdelingen en is
het zaak om te voorkomen dat er een vloot aan soortgelijke
innovatieve ontwikkelingen ontstaat? Of heeft ze de opgave
juist gecentraliseerd en is het vooral zaak dat innovaties niet
losgezongen raken van de behoeftes van de organisatie?
En tot slot is de invulling van het innovatievermogen cruciaal.
Innovatie laat zich niet voorspellen, maar de inrichting van
het exploratieproces is wél te sturen. Het vermogen zal pas
Geen vrijbrief, wel
vrijheden, idealiter
vastgelegd zodat ze voor
iedereen duidelijk zijn
66
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
maximaal zijn als je de organisatorische motor optimaal hebt
afgesteld. Dat vraagt mogelijk om het stoppen met bestaande
initiatieven om ruimte te maken voor het opbouwen van
nieuwe onderdelen. Veel inspiratie daarvoor, zoals het denken
in fondsen en waardeproposities, is (juist) buiten de onderwijssector
te vinden.
Maar voordat we echt met de concrete inrichting aan de slag
kunnen, is het eerst zaak om met elkaar een nieuw evenwicht
te (durven) omarmen. Want wanneer de focus op kritieke
prestatie-indicatoren (KPI), die gebruikelijk is voor het exploitatieproces,
de leidraad wordt voor het exploratieproces, dan
zal innovatie verstikken. Om te kunnen floreren heeft het
change the school-proces andere stelregels nodig. Geen vrijbrief,
wel vrijheden, idealiter vastgelegd zodat ze voor iedereen
duidelijk zijn. Dus naast de run-KPI ook een change-IPK:
een innovation permission kit, waarin de kaders van de experimenteerruimte
staan én waaruit vertrouwen spreekt, zodat
innovatie echt tot wasdom zal komen.
Prahalad, C.K. & Bettis, R.A. (1986). The dominant logic: A new linkage between diversity
and performance. Strategic Management Journal, 7 (6), 485-501.
Schaap, L., Nijland, F., Cents-Boonstra, M. e.a. (2025). A Framework Supporting the
Innovative Capacity of Higher Education Institutions: An Integrative Literature Review.
Sustainability, 17 (14), 6517.
UCLL (z.d.). Regionaal co-creëren. Geraadpleegd op 18 februari 2026 van www.ucll.be/nl/
over-ucll/strategisch-plan/regionaal-co-creeren
Van Gils, M. & De Groot, H. (2023). Een kijkkader voor innovatieteams in de zorg. M&O:
Tijdschrift voor Management en Organisatie, 77 (6), 46-59.
Van Gils, M. & Verhofstad, R. (2024). ‘Mag het een onsje meer zijn?’ De Gelderlander,
7 december 2024.
Vullings, R. & Heleven, M. (2015). Not Invented Here. Cross-Industry Innovation. Amsterdam:
BIS Publishers.
Maarten van Gils
is lector Smart Business en Leading Lector Smart Region aan
HAN University of Applied Sciences
Literatuur
Blank, S. (2019). Why companies do ‘innovation theater’ instead of actual innovation.
Harvard Business Review, 7, 2-5.
Bogers, M.L. & Steinbuch, M. (2023). De vierde generatie universiteit: het nieuwe tijdperk
van open innovatie en ecosysteemdenken. Holland Management Review, 208, 63-71.
Bosboom, R. (2024). ‘Miljoenen voor Zeeuws klimaatcentrum: wat gebeurt er met al dat
geld?’ PZC, 5 september 2024.
Bronneberg, M., Pieterse, J. & Post, G. (2023). Brainport Eindhoven: Born from crisis –
25 years as a Triple Helix Governed Ecosystem. Journal of Innovation Management, 11(1),
36-67.
DCC (z.d.). De Zeeuwse delta is ons living lab. Delta Climate Center. Geraadpleegd op
19 februari 2026 van deltaclimatecenter.nl/over-delta-climate-center
Gray, D. & Vander Wal, T. (2014). The Connected Company. Santa Rosa (California): O’Reilly
Media, Inc.
HAN UAS (z.d.). Onderzoeksagenda van de HAN. Geraadpleegd op 5 december 2025 van
www.han.nl/artikelen/2025/10/onderzoeksagenda-van-de-han
Janssen, M., Den Hertog, P., Korlaar, L. e.a. (2018). Eindevaluatie Valorisatieprogramma.
Dialogic. Geraadpleegd op 5 december 2025, van dialogic.nl/wp-content/
uploads/2018/03/Eindevaluatie-Valorisatieprogramma-Dialogic-30-juni-2018.pdf
Lans, T. (2025). Voedingsbodem voor wendbaar hoger onderwijs. Geen luxe, maar
strategische noodzaak. Th&ma 2025-5, 18-21.
Lanting, M. (2014). Olietankers en speedboten: Wendbaar werken in de 21e eeuw. Business
Contact.
March, J.G. (1991). Exploration and exploitation in organizational learning. Organization
Science, 10 (1), 299-316.
Menenti, A., Cloosterman, E. & van der Veen, G. (2022) Valorisatie in het hbo anno 2022.
Technopolis. Geraadpleegd op 5 december 2025 van kennisdelen.rvo.nl/file/
Nederlands Comité voor Ondernemerschap (2025). Jaarbericht Staat van het mkb 2025.
Doorbraken voor het mkb: van analyse en advies naar actie. Geraadpleegd op 5 december
2025 van www.bedrijvenbeleidinbeeld.nl/site/binaries/site-content/collections/
download/56858d61-3f03-4934-bac0-16f484012ccd/tg-notitie-valorisatie-in-hethbo-2022-12042022.pdf
documents/2025/11/7/2025-jaarbericht-staat-van-het-mkb/2025-11-18-jaarbericht-staatvan-het-mkb-webversie.pdf
Osterwalder, A., Pigneur, Y., Bernarda, G. e.a. (2015). Value Proposition Design: How to Create
Products and Services Customers Want. Hoboken (New Jersey): John Wiley & Sons.
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 67
3-26
Het Chinese mirakel
Van Damme
H
et is geen overdrijving te stellen dat in Europa
grote ongerustheid heerst over het Chinese
succesverhaal in onderzoek en innovatie. Het
in december 2025 gepubliceerde rapport van Peter Wennink,
voormalig CEO van ASML in Veldhoven, windt er geen doekjes
om: China is aan een indrukwekkende opkomst bezig in
meerdere kritieke technologische ontwikkelingen en Europa
is op achtervolgen aangewezen.
Er is een tijd geweest waarin we ‘Chinese innovatie’ in het
Westen bijna automatisch associeerden met kopiëren, goedkope
productie en snelle opschaling van ideeën die elders
waren bedacht. Dat beeld is heel snel achterhaald. China is in
nauwelijks drie decennia uitgegroeid tot een van de centrale
polen van de mondiale kenniseconomie. Op vrijwel alle
klassieke indicatoren – uitgaven aan Research & Development
(R&D), wetenschappelijke publicaties, patenten, universitaire
rankings, technologische clusters en talentstromen – is de
verschuiving spectaculair. De vraag is daarom niet langer of
China een wetenschappelijke en technologische grootmacht
is, maar hoe het dat zo snel is geworden, wat dit succes verklaart
en welke beperkingen het model tegelijk zichtbaar
maakt.
De cijfers zijn indrukwekkend. In de Global Innovation Index
2025 brak China voor het eerst door in de mondiale top 10.
Het is bovendien de enige middle income economy in de top 30.
Volgens WIPO, het gespecialiseerde VN-agentschap voor
intellectuele eigendom, leidt China wereldwijd in patentaanvragen,
telt het de meeste top 100-innovatieclusters en
is Shenzhen-Hongkong-Guangzhou inmiddels het hoogst
gerangschikte innovatiecluster ter wereld. China’s aandeel
in alle wereldwijde patentaanvragen steeg volgens WIPO
van 34,6 procent in 2014 naar 49,1 procent in 2024. Patenten
zijn geen perfecte maatstaf voor innovatiekwaliteit; ze
kunnen strategisch, defensief of door subsidies gestimuleerd
zijn. Maar de trend laat wel zien dat China niet langer een
marginale speler is in intellectuele eigendom. Het is een
systeem geworden dat op enorme schaal technische kennis
omzet in industriële claims, toepassingen en marktmacht.
Ook in onderzoek is de sprong groot. De Chinese R&D-uitgaven
groeiden van 2010 tot 2022 gemiddeld met ongeveer
12 procent per jaar in nominale dollars. In de Nature Index,
die publicaties in een selectie van hoogwaardige natuur- en
gezondheidswetenschappelijke tijdschriften volgt, staat
China in de huidige meetperiode wereldwijd op nummer 1
in totale research output.
De universiteiten vormen een tweede pijler van dit succes.
Tsinghua en de Universiteit van Peking zijn niet langer alleen
nationale vlaggenschepen, maar mondiale referenties. In alle
rankings van universiteiten zijn de Chinese instellingen aan
een steile opmars bezig. Dat is het resultaat van zeer gericht
beleid, van langdurige financiering, prestatieprikkels, internationale
rekrutering en een duidelijke ambitie: universiteiten
moesten niet alleen opleiden, maar kerninstituties worden in
een nationaal innovatiesysteem. Toen ik enkele jaren geleden
de uitgestrekte campus van de Tsinghua-universiteit in
Beijing bezocht, werd er overal koortsachtig gebouwd. Nieuwe
laboratoria en onderzoeksfaciliteiten rezen als paddenstoelen
uit de grond. Het grootste nieuwe complex, zo fluisterde mijn
gastheer me toe, was voor kunstmatige intelligentie (AI).
Steden als Shenzhen, Hangzhou, Shanghai, Beijing en
Guangzhou zijn plaatsen waar koortsachtig gebouwd wordt
en waar universiteiten, fabrieken, softwarebedrijven, investeerders
en lokale overheden dicht op elkaar zitten.
Een derde pijler is de duidelijke strategische focus. In Europa
blijft het zeer moeilijk om in R&D strategische keuzes te
maken. In China zijn die keuzes duidelijk: domeinen zoals
batterijen, elektrische voertuigen, zonne-energie, 5G en 6G,
AI, kwantumtechnologie, ruimtevaart, biotechnologie en
halfgeleiders zijn prioritair.
In die combinatie ligt een belangrijk verschil met het klassieke
westerse innovatiemodel. De Verenigde Staten excelleren historisch
in open wetenschap, topuniversiteiten, durfkapitaal,
migratie van talent en ondernemingsvrijheid. China heeft
daar een ander model naast gezet: een veel sterkere koppeling
tussen staatsdoelen, industriële politiek, universiteiten
en productiecapaciteit. De innovatie stopt niet bij het paper
of het patent; ze wordt vaak onmiddellijk verbonden met
fabricage, toeleveringsketens, export en publieke aanbestedingen.
Daardoor kan China in bepaalde sectoren buitengewoon
snel leren. In elektrische voertuigen, batterijen,
zonnepanelen en telecom is het land niet alleen sterk
omdat het goede onderzoekers heeft, maar omdat onderzoek,
engineering, productie en marktintroductie in één
geïntegreerde leercyclus zitten.
68
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
De talentdimensie is minstens zo belangrijk. Decennialang
vertrokken de beste Chinese studenten naar Amerikaanse
en Europese universiteiten. Dat leek aanvankelijk een klassieke
braindrain: China verloor talent aan Harvard, Stanford,
MIT, Oxford, Cambridge, Leuven, Delft of München. Enige
tijd geleden bouwde China de R&D-infrastructuur zonder
de hooggekwalificeerde mensen te hebben die er moesten
werken. Maar die diaspora werd gauw een strategische
reserve. Veel Chinese onderzoekers bleven in het buitenland,
bouwden netwerken op en droegen bij aan westerse
wetenschap. Anderen keerden terug met internationale
ervaring, publicaties, methodologische scholing en toegang
tot globale netwerken.
China heeft die terugkeer actief georganiseerd. Programma’s
zoals Young Thousand Talents boden startfinanciering,
laboratoria, posities en status. Recent onderzoek naar dit
programma laat zien dat het niet altijd de absolute wereldtop
aantrok, maar wel zeer sterke onderzoekers. Na terugkeer
publiceerden die later meer dan vergelijkbare peers die
in het buitenland bleven. Het succes zit niet alleen in het
aantrekken van individuele toppers, maar in het geven van
middelen, teams en institutionele mogelijkheden aan relatief
jonge onderzoekers. China bood veel terugkeerders iets
wat ze in westerse academische systemen vaak pas veel later
zouden krijgen: een eigen groep, een groot budget en de
kans om snel een onderzoeksagenda uit te bouwen.
Recent heeft Donald Trump China een handje geholpen: de
pull-factor omwille van de aantrekkingskracht van het moederland
werd versterkt door een push-factor: Chinese onderzoekers
werd op allerlei manieren het leven zuur gemaakt,
bijvoorbeeld doordat ze niet langer konden meedingen op
onderzoeksprojecten die met nationale veiligheid hadden te
maken.
Toch zijn er ook onderzoeken die nuance brengen over het
Chinese succesverhaal. Onderzoek en innovatie zijn niet
alleen technologie, gebouwen, patenten, datacenters en
infrastructuur. Wetenschap is ook een gemeenschap. Ze
functioneert via normen, vertrouwen, open kritiek, peerreview,
reproduceerbaarheid, internationale uitwisseling,
ethische standaarden en de vrijheid om vragen te stellen
waarvan het nut niet meteen zichtbaar is. De grote vraag is
daarom niet of China technologie en infrastructuur begrijpt.
Dat betekent niet
dat de Chinese
wetenschap als geheel
onbetrouwbaar is
Dat doet het uitzonderlijk goed. De diepere vraag is of het
Chinese politieke en institutionele systeem de sociale voorwaarden
van wetenschap voldoende kan dragen.
China is indrukwekkend als engineeringstaat: het kan
mobiliseren, bouwen, financieren, plannen en opschalen.
Maar wetenschap als gemeenschap werkt niet volledig
volgens de logica van een vijfjarenplan. Grote doorbraken
ontstaan vaak in omgevingen waar onderzoekers mogen
dwalen, falen, tegenspreken en over grenzen heen samenwerken.
Ze ontstaan niet altijd uit consensus, meetbare
output of nationale prioriteiten. Dat betekent niet dat staten
geen rol hebben in wetenschap, integendeel. Maar wanneer
de staat te sterk bepaalt welke vragen belangrijk zijn, welke
samenwerking verdacht is en welke resultaten nuttig zijn,
kan de wetenschappelijke verbeelding smaller worden.
Een symptoom van die spanning is de problematiek rond
onderzoeksintegriteit. Nature berichtte dat China een nationale
doorlichting van retracties en wangedrag uitvoerde,
nadat was gebleken dat sinds 2021 meer dan zeventienduizend
ingetrokken artikelen Chinese coauteurs hadden.
Dat betekent niet dat de Chinese wetenschap als geheel
onbetrouwbaar is. De output is enorm, en wangedrag komt
overal voor. Maar het wijst wel op vervormende prikkels:
publish or perish, bureaucratische evaluatie, rankingdruk,
subsidies en carrièrevoordelen die verbonden zijn aan
kwantitatieve prestaties. Wanneer wetenschappers vooral
afgerekend worden op aantallen, ontstaat het risico dat de
wetenschappelijke gemeenschap niet sterker, maar brozer
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 69
3-26
wordt. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat China het
bedrijfsvoeringsmodel van wetenschappelijk onderzoek
zoals die decennialang in het Westen bestond, heeft
geperfectioneerd en zo ook de perverse effecten ervan.
China beseft dit probleem gedeeltelijk zelf. Officiële Chinese
teksten over fundamenteel onderzoek benadrukken inmiddels
het belang van free exploration, originele theorieën, talentontwikkeling
en internationale samenwerking. Ook rond
onderzoeksevaluatie zijn hervormingen ingezet om af te
stappen van een cultuur waarin papers, titels, prijzen en
rankings te dominant zijn. Onderzoek naar de Chinese
Breaking the Five Onlys-hervorming laat zien dat Beijing
probeert de academische evaluatiecultuur te veranderen,
al blijft de uitvoering complex. De erkenning van het probleem
is belangrijk. Ze toont dat China niet simpelweg
naïef is over wetenschap.
Een tweede kwetsbaarheid is openheid. Wetenschap leeft
van internationale samenwerking, gedeelde data, conferenties,
informele reputaties en langdurig vertrouwen. Precies
daar wringt de geopolitiek. Nature meldde dat China’s internationale
wetenschappelijke samenwerking sinds de pandemie
is gedaald, vooral door de afname van samenwerkingen
met de Verenigde Staten; wetenschappers waarschuwen dat
dit het onderzoek naar mondiale problemen zoals klimaatverandering
schaadt. Dit is niet alleen China’s verantwoordelijkheid;
Amerikaanse en – laat ons eerlijk zijn – ook
Europese veiligheidsobsessies, visabeperkingen, exportcontroles
en verdenking tegenover Chinese onderzoekers
spelen eveneens een grote rol. Maar het raakt wel aan een
Het Chinese mirakel
is dus geen
simpel verhaal van
fundamenteel punt: grote wetenschap is zelden nationaal
gesloten wetenschap.
Het is fout China te reduceren tot een bedreiging. Dat maakt
ons blind voor wat het land werkelijk heeft bereikt. China
heeft laten zien wat mogelijk is wanneer je onderwijs,
industrie, onderzoek, infrastructuur en langetermijnbeleid
op elkaar afstemt. Vergeten we niet dat China op een paar
generaties tijd de levenskwaliteit van zijn bevolking gigantisch
heeft verbeterd. Europa kan daar veel van leren, ook
in onderwijs en onderzoek. China heeft zelf ook nog veel te
leren; en het is daartoe ook bereid. Research performance in
geselecteerde technologieën betekent niet automatisch dat
een land de beste voorwaarden heeft voor vrije, fundamentele,
onvoorspelbare wetenschap over de volledige breedte.
Wetenschap vraagt om meer dan geld en gebouwen; ze
vraagt om vertrouwen, kritiek, autonomie, integriteit, internationale
openheid en ruimte voor nutteloze vragen die
later revolutionair blijken. De toekomst van onderzoek en
innovatie zal niet alleen worden bepaald door wie de meeste
patenten indient of de meeste labs bouwt, maar ook door
wie de meest veerkrachtige wetenschappelijke gemeenschappen
weet te onderhouden.
Het Chinese mirakel is dus geen simpel verhaal van dreiging
of triomf. Het is een verhaal over de enorme kracht van
nationale ambitie, institutionele volharding en industriële
schaal. Maar ook over de grenzen van een model dat wetenschap
soms behandelt alsof ze vooral een technologisch
productieproces is. China heeft de wereld laten zien dat de
westerse dominantie in wetenschap en innovatie niet vanzelfsprekend
is. Tegelijk herinnert China’s opkomst ons
eraan dat wetenschap, op haar diepste niveau, een menselijke
gemeenschap blijft: traag, kritisch, internationaal,
soms ongehoorzaam en juist daardoor zo productief.
Dirk Van Damme
is voormalig onderwijsexpert bij de OESO (Organisatie voor
Economische Samenwerking en Ontwikkeling)
dreiging of triomf
70
I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
Verplichte
kost over
studentsucces
Janice M. McCabe:
Making, Keeping, and
Losing Friends – How
Campuses Shape College
Students’ Network
The University of Chicago Press,
Chicago. ISBN 9780226844176;
286 blz. $21.46
J
anice McCabe is
een socioloog die
als associate professor
verbonden is aan Dartmouth
College, een instelling in
Hanover, New Hampshire. De
focus van haar onderzoek ligt op
het welzijn van de studenten,
zoals blijkt uit haar boek Connecting
in College uit 2016 en
recent nog haar essay in The
New York Times 1 . Haar boek
Making, Keeping, and Losing
Friends is er een uit de categorie
verplichte literatuur voor iedereen
die professioneel bezig is
met studentsucces in het hoger
onderwijs. Vriendschappen, zo
blijkt maar weer eens uit deze
studie, zijn voor dat succes erg
belangrijk. McCabe heeft daar
ook elders al over geschreven 2 .
McCabe heeft onderzoek gedaan
naar de netwerken die studenten
tijdens hun studie opbouwen en
onderhouden. Daar horen ook
die netwerken bij die niet altijd
even duurzaam zijn, waardoor
vriendschappen worden verbroken
of langzaam afbrokkelen.
Haar onderzoek verantwoordt
ze in het boek zorgvuldig.
Het gaat om casestudy-onderzoek.
Binnen drie instellingen
(naast haar eigen instelling,
Dartmouth College, gaat het om
de University of New Hampshire
en Manchester Community
College in New Hampshire)
heeft ze in totaal 95 studenten
geïnterviewd die ongeveer halverwege
de studie waren. De
reden om voor deze drie instellingen
te kiezen is tweeërlei: ze
hebben elk een specifiek type
campus, en ze zijn dan wel gelegen
in een weinig diverse omgeving,
maar elk met een sterke
groei van minderheidsgroepen
in de omgeving. Die tweede
reden lijkt overigens in het boek
onder te sneeuwen. Diversiteit
of multiculturaliteit komt wel
aan bod, maar niet in relatie tot
de groei van het aantal minderheden.
Laat staan dat het boek
het effect van de veranderende
omgeving expliciet zichtbaar
maakt. Dit ondanks het feit dat
McCabe aan het thema een apart
hoofdstuk (5) besteedt. Daarin
gaat het aan de hand van de
interviews met studenten vooral
over het feit dat zij om verschillende
redenen met meerdere
identiteiten te maken krijgen
(sport, culturele achtergrond,
seksuele geaardheid et cetera),
wat ook tot participatie in verschillende
netwerken kan leiden.
De basis van Making, Keeping,
and Losing Friends is met drie
cases en 95 respondenten
natuurlijk beperkt. Het resultaat
van McCabes werk is, ondanks
die beperkingen, dat de lezer
inzicht verwerft in de diversiteit
aan verhoudingen tussen de studenten
in de context van de
instelling, maar ook aanbevelingen
meekrijgt. Voor de diversiteit
aan vormen van vriendschap
maakt McCabe onderscheid
tussen drie typen netwerken,
namelijk samplers (met een
beperkt aantal vrienden, die niet
met elkaar verbonden zijn), compartmentalizers
(met meerdere
clusters van vrienden die elkaar
binnen het cluster kennen, maar
niet clusteroverschrijdend) en
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 71
Daarmee vraagt ze
uiteraard wel van
docenten dat ze
hun studenten kennen
tight-nitters (met een hechte
vriendengroep, waarin iedereen
elkaar kent). De auteur bouwt
met dit begrippenkader voort
op haar eerdere werk uit 2016.
Voor haar lijkt dit kader echter
zo vanzelfsprekend dat het voor
de lezer die met Making, Keeping,
and Losing Friends kennismaakt
met haar bredere werk, zo nu
en dan zoeken is naar de specifieke
betekenis. Ook blijft de
vraag boven de markt hangen
of deze indeling nu de meest
adequate is voor dit onderzoek.
Die vraag heeft ze blijkbaar voor
zichzelf in eerder werk positief
beantwoord.
McCabe bouwt het boek op
van uit het funderende idee dat
vriendschappen niet slechts een
individuele aangelegenheid zijn,
en zeker ook geen statisch fenomeen.
Ze heeft het dan ook over
netwerken, waarbinnen de aard
van de contacten kan veranderen
en de samenstelling ervan kan
wijzigen. Op basis van de verschillende
fasen van netwerkvorming
(making, keeping, losing)
trekt ze conclusies voor haar
theoretisch kader en formuleert
ze aanbevelingen. De aanbevelingen
verschillen daarbij per
doelgroep: studenten, ouders
en begeleiders, en instellingen.
Aan de positie van de instellingen
besteedt ze overigens een
speciaal hoofdstuk (4), omdat
de institutionele identiteit gevolgen
heeft voor de aard van de
geprefereerde netwerken. Zo
liggen de verhoudingen in een
community college anders dan
bij Dartmouth College of de
University of New Hampshire.
Ze wijst erop dat daarbij ook het
type onderwijsprogramma van
belang is en tot verschillen kan
leiden. De meest hechte netwerken
in het community college,
zo constateert ze bijvoorbeeld,
zijn te vinden bij verpleegkunde
en installatietechniek.
Prominenter dan de institutionele
karakteristieken zijn voor
McCabe de kenmerken van de
netwerken. Het eerste deel hierover
gaat over het maken van
vrienden. Omdat studenten
binnenkomen met het idee
nieuwe vriendschappen aan te
gaan (haar veronderstelling),
is het logisch aan te nemen dat
ze veelal zelf initiatieven zullen
nemen. McCabe laat echter ook
zien dat het vorm geven van
de randvoorwaarden daarvoor
een belangrijk taak voor de
instellingen is. Om te beginnen
door studenten de veiligheid
te bieden, door te zorgen voor
het gevoel thuis te horen bij de
instelling. Dat is een uitermate
complexe taak. Reden waarom
McCabe ook specifiek aandacht
besteedt aan de houding van
individuele docenten bij deze
opgave. Die kunnen hun eigen
verantwoordelijkheid bewust
oppakken door expliciet aandacht
te besteden aan kennismaking
tussen studenten tijdens
het onderwijs en door werkvormen
te gebruiken waardoor ze
samenwerking stimuleren. In
het bijzonder om belangrijke
mogelijke barrières voor de individuele
studenten te slechten.
McCabe noemt bijvoorbeeld het
ontbreken van ervaring in het
maken van vrienden en het voorkomen
dat door het rooster het
bijwonen van elkaars successen
onmogelijk is. Daarmee vraagt
ze uiteraard wel van docenten
dat ze hun studenten kennen.
Het behouden en het verliezen
van vriendschappen is het
onderwerp van respectievelijk
het tweede en derde deel van
het boek. Uiteraard blijft hier
een aantal van de punten uit het
eerste deel op tafel liggen, in
het bijzonder het volgen van de
studenten in hun ontwikkeling.
Voor de instellingen gaat het bij
het behouden van vriendschappen
dan vooral over het expliciet
programmeren van ondersteuning
voor studenten en het zorg
dragen voor de ruimte om actief
deel te nemen aan een gedifferentieerd
verenigingsleven.
Gedifferentieerd, omdat de
studentenpopulatie nu eenmaal
divers is en studenten de mogelijkheid
moeten ervaren op
hun eigen manier vorm te
geven aan netwerken. Sommigen
zoeken naar persoonlijke
72 I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
contacten en anderen floreren
in grote netwerken.
Het verliezen van vriendschappen
is een normaal onderdeel
van het leven, maar in de context
van het onderwijs waarbij studenten
niet thuis wonen is het
toch een uitdaging. Maar dat
betekent niet dat dit ook op
instellingsniveau het geval is.
Op dit punt verwijst McCabe
dan ook vooral naar de bevindingen
uit eerdere hoofdstukken,
als ware het een nieuwe
ronde met nieuwe kansen.
Conclusies en daarmee verbonden
aanbevelingen zijn in alle
hoofdstukken van het boek terug
te vinden. McCabe verdeelt
daarbij, zoals eerder genoemd,
de verantwoordelijkheden tussen
studenten, ouders of begeleiders,
en instellingen. In het slothoofdstuk
van het boek noemt
ze een aantal generiekere interventiemogelijkheden.
Daarbij
wijst ze in de eerste plaats op
het belang van transities in het
leven van de studenten. Vooral
de entree binnen de instelling
vraagt om goede en persoonsgerichte
begeleiding, zo stelt ze.
Wellicht is ‘begeleiding’ hier
niet de goede vertaling van wat
ze bedoelt: sturing vanuit de
instelling is dan wellicht beter.
Een tweede mogelijkheid tot
interventie is het inzicht in of
bewustzijn van ‘hoe het werkt’.
Haar gaat het dan vooral om
het vroegtijdig signaleren van
monoculturen op de campus.
De neiging om aansluiting te
zoeken bij mensen die vergelijkbare
kenmerken hebben, ligt
voor de hand. Het bewust sturen
op openheid, ook naar andere
groepen op de campus, blijft
een uitdaging. Ten slotte wijst
ze op het belang van een diversiteit
aan voorzieningen, om zo
recht te doen aan de diversiteit
aan typen studenten, iets waar
veel instellingen in voorzien
door studie- en gezelligheidsverenigingen.
Tegelijkertijd zijn
wat ze ‘secundaire markten’
noemt – in tegenstelling tot wat
ze initiële of primaire markten
noemt – van bijzondere betekenis:
investeer in bijeenkomsten
waar een diversiteit aan studenten
zich door voelt aangetrokken.
Haar boek Making, Keeping, and
Losing Friends, zo begon ik deze
bespreking, is er een uit de categorie
verplichte literatuur. In
het bijzonder voor iedereen
die belangstelling heeft voor of
professioneel bezig is met studentsucces
in het hoger onderwijs.
McCabe heeft een mooi
boek geschreven op basis van
een zorgvuldig opgezet onderzoek.
Dat ze daarbij niet alleen
is blijven steken in empirische
conclusies, maar ook een doorvertaling
maakt naar aanbevelingen
voor de praktijk, is natuurlijk
prachtig.
Dit alles betekent niet dat er
geen kritiek mogelijk is. In de
beschrijving van het boek heb ik
al een aantal opmerkingen
gemaakt, zoals over de wijze
waarop McCabe omgaat met de
interactie tussen de instelling
en de veranderende sociale
omgeving. De belangrijkste
kritische opmerking die ik hier
Dat ze een doorvertaling
maakt naar aanbevelingen
voor de praktijk, is
natuurlijk prachtig
wil maken betreft echter het
ontbreken van aandacht voor
de beleidsmatige, juridische en
financiële context van de instellingen.
Geen enkele instelling,
en zeker geen instelling in
Nederland of Vlaanderen, zal
het idee hebben dat ze de student
niet centraal stelt in haar werk.
Wel is duidelijk dat er een worsteling
plaatsvindt met de vraag
wat personalisatie van het onderwijs
en persoonlijke begeleiding
van ieder van de studenten
kunnen en mogen inhouden.
Uiteindelijk gaat het steeds
om een balanceeract tussen de
eigen verantwoordelijkheid en
die van ouders/begeleiders en
de instelling. De financiële
ruimte voor het opzetten van de
begeleiding – zowel in termen
van studentenzaken als door de
intensiteit van het onderwijs –
blijft natuurlijk evenzeer een
uitdaging. Een die instellingen
altijd opzadelt met de vraag
waar de grenzen van studentbegeleiding
liggen. Het werk
van McCabe negeert dit soort
vragen, maar helpt instellingen
wel bij het kiezen van prioriteiten,
en daarmee met het beantwoorden
ervan.
Huib de Jong
is hoofdredacteur van Th&ma
Noten
1 ‘I Study Friendship. Here’s How You Make
Lasting Friends’, The New York Times,
3 januari 2026.
2 Journal of Postsecondary Student Success,
Vol. 2 (2025), no. 3, p. 1-18.
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 73
De
fundamenten
herstellen
Leike van Oss & Jaap van
’t Hek: Wederopbouw –
Ons vermogen opnieuw
te beginnen
Boom, Amsterdam. ISBN
9789024469741; 232 blz. € 29,90
I
n het dertiende en
laatste hoofdstuk
van Wederopbouw
spreken Leike van Oss en Jaap
van ’t Hek de hoop uit dat hun
boek heeft geresoneerd bij de
lezer. Dat heeft het bij deze
lezer in elk geval. Ook stellen
de auteurs in dit hoofdstuk de
vraag of het boek zelf niet een
echokamer is, terwijl het juist
een van de aanbevelingen is om
daarvoor te waken. Toevallig
was dat iets wat ik me tijdens
het lezen van dit boek afvroeg,
juist omdat het zo resoneert. Ik
herkende zo veel van de praktijk
van onderwijs organisaties en
van de door mij veronderstelde
oorzaken, dat ik mezelf eerder
tijdens het lezen die vraag al
had gesteld: resoneert het omdat
ik bevestigd word in mijn denkbeelden
van wat er aan de hand
is?
Het hanteren van paradoxale
(organisatie)spanningen is
onderdeel van mijn onderzoekswerk.
De uit het lood geslagen
organisatiefundamenten die
Van Oss en Van ’t Hek beschrijven,
vind je in de paradoxliteratuur
terug als niet-productief
gehanteerde organisatieparadoxen.
Heel herkenbaar dus,
maar lijd ik dan niet aan de
confirmation bias? Is de paradoxliteratuur
inmiddels zo
gemeengoed geworden onder
organisatieadviseurs dat die
het nieuwe verklarende raamwerk
is en dat we die inmiddels
op alles leggen? Het antwoord
weet ik niet, maar het is in elk
geval goed om daar alert op te
zijn.
Dat is ook een van de aanbevelingen
die de auteurs doen
voor organisatieprofessionals:
reflecteren op de eigen blinde
vlekken. Is er werkelijk een
paradigmaverschuiving gaande,
of is het slechts de resonantie
die plaatsvindt in de bubbel van
organisatieadviseurs en -wetenschappers?
De toekomst zal het
leren.
In elk geval geeft Wederopbouw
een mooi overzicht van fundamenten
die te ver naar één kant
zijn doorgeschoten en moeten
worden hersteld. Deze fundamenten
zijn: adaptief én instrumenteel
vermogen, complexiteit
én maakbaarheid, aandacht voor
het lange- én kortetermijnperspectief,
moraliteit én amoraliteit,
en gemeenschap én individu,
waarbij de tweede term in elk
koppel steeds de doorgeslagen
kant vormt van de disbalans.
Na een beschrijvend hoofdstuk
van de fundamenten besteden
de auteurs aan elk fundament
een apart hoofdstuk. Daarop volgt
steeds een interview met iemand
uit de praktijk die een bijzondere
poging heeft gedaan om iets van
de balans te herstellen.
Het boek biedt een waardevolle
aanvulling op de bestaande
paradoxliteratuur, vanwege de
beschrijving van de maatschappelijke
context (hoofdstuk 1 t/m
4). Die biedt enerzijds verklaringen
voor de uit het lood geslagen
fundamenten, zoals doorgeslagen
individualisme en neoliberalisme,
maar geeft tegelijkertijd
ook een mooi inzicht in de wijze
waarop organisaties onderdeel
74 I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
zijn van die context en die context
dus ook weer beïnvloeden.
Hierin zit, denk ik, ook het hoopvolle
van het boek. De besproken
fundamenten zijn niet alleen
van toepassing op organisaties,
maar ook op de maatschappij
als geheel. Iedereen kan dus op
zijn of haar manier bijdragen
aan de wederopbouw.
De aanbevelingen die daarbij
horen zullen voor veel lezers
mogelijk nog wat te abstract
zijn. Dit hangt ook samen met
een van de fundamenten die
een disbalans vertonen: de
behoefte aan quick fixes, concrete
checklists, oplossingen in
vijf stappen et cetera. Volgens
Van Oss en Van ’t Hek zal de
behoefte om de complexiteit
te reduceren tot een simpele
probleemomschrijving en die
gereduceerde werkelijkheid vervolgens
stapsgewijs te verbeteren,
ons op zijn best op korte
termijn verlichting geven; op
de lange termijn raken we nog
dieper in het moeras. Maar het
is, zoals in de paradoxliteratuur
wordt aanbevolen, van groot
belang om te herkennen en te
erkennen dat je de bijkomende
spanningen niet kunt oplossen,
maar ook om deze vervolgens te
hanteren: ze te leren verdragen
en zelfs te gebruiken als motor
om veranderingen te realiseren.
werken aan de wederopbouw
van de fundamenten van onze
organisaties, en van de samenleving
als geheel.
Lydia Schaap
is senior onderzoeker aan het
lectoraat Organiseren van
Verandering in Onderwijs van
de Hogeschool Utrecht
Het boek biedt een
waardevolle aanvulling
op de bestaande
paradoxliteratuur
Dat zijn al twee heel concrete
aanbevelingen om mee aan de
slag te gaan. Doe dit samen met
anderen en probeer samen te ontdekken
hoe je deze spanningen
vanuit die herkenning en erkenning
kunt hanteren. Zo kun je
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 75
Verandering
van onderuit
Simon Marginson: Global
Higher Education in Times
of Upheaval – On Common
Goods, Geopolitics and
Decolonization
Bloomsbury Academic, Sydney.
ISBN 9781350540064; 336 blz.
£81.00
S
imon Marginson
maakt er geen
geheim van dat hij
van jongs af aan kritiek heeft
gehad op kapitalisme en liberalisme.
Die wakkeren de competitie
tussen individuen aan,
negeren de menselijke en ecologische
verbondenheid en
hebben geen aandacht voor
het collectieve – tenzij het geld
opbrengt. Bovendien staat dat
haaks op de zoektocht naar universele
kennis, waar het in het
hoger onderwijs en onderzoek
om gaat. Dat heeft volgens hem
in de Anglosfeer (de Verenigde
Staten, Canada, het Verenigd
Koninkrijk, Australië, Nieuw-
Zeeland) geleid tot een zonder
meer dramatische situatie in en
voor het hoger onderwijs. Met
zijn boek Global Higher Education
in Times of Upheaval wil hij een
diagnose geven van die situatie
en tegelijk een uitweg bieden,
door net in te zetten op interafhankelijkheid,
diversiteit, collectiviteit
en het gezamenlijk streven
naar het global common good.
Marginsons droom van een
wereld voorbij individualisme,
nationalisme en kapitalisme is
niet nieuw en kwam ook in zijn
eerdere werk naar voren. Maar
nu baseert hij zich op werk dat
het Centre for Global Higher
Education (waarvan hij oprichter
was en directeur tot aan zijn
emeritaat) in het voorbije decennium
heeft gedaan. En dat toont
volgens hem de urgentie van de
boodschap. Extreemrechts, ultraindividualisme
en wittesuprematiedenken
zijn in opmars in
de Anglosfeer. Dit gedachtegoed
ziet in universiteiten, wetenschap
en kosmopolitisme een bedreiging
van de (individuele en nationale)
identiteit. Het verwerpt
de vrijheid om te leren, onderwijzen
en onderzoeken. Het ziet
niet (hoog)opgeleid zijn als een
badge of honour. Het ziet hogeronderwijsinstellingen,
studenten
en personeel als profiteurs.
Het stelt vragen bij het economisch
nut van hoger onderwijs
(er is veel werkloosheid bij afgestudeerden),
bij de noodzaak
van financiering door de staat,
bij de wenselijkheid van (inkomende)
mobiliteit en bij het sociale
nut van hoger onderwijs.
Volgens Marginson worden drie
op de vier studenten in het Verenigd
Koninkrijk op geen enkele
manier meer ondersteund door
publieke financiering. De afbraak
van het hoger onderwijs gaat zo
ver dat er slechts twee sociale
doelen nog behouden zijn: subsidies
voor onderzoek op specifieke
thema’s (op competitieve
basis verdeeld) en beurzen voor
individuele studenten. De rol
van de staat wordt op die manier
minimaal gehouden in wat
verder geldt als een competitieve
markt.
Die afbraak van het hoger onderwijs
heeft nochtans overduidelijk
negatieve effecten, stelt Marginson.
Ze vermindert de verspreiding
van kennis en technologie,
verhindert onafhankelijk denken
over (en oplossingen vinden
voor) globale problemen zoals
de klimaatcrisis, en ondermijnt
de vorming van kritische burgers
die alle misinformatie – niet het
76 I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
minst op sociale media – kunnen
doorprikken. Daarom, zo stelt
hij, moet er dringend een tegenbeweging
komen, zowel op het
nationale niveau (het eerste deel
van zijn boek) als op het globale
niveau (het tweede deel). Sociale
gelijkheid en solidariteit moeten
terug op het voorplan komen.
Dit kan door in te zetten op pluraliteit,
door gebruik te maken
van alle kennis die in de wereld
aanwezig is. En net in het hoger
onderwijs is dat al meer vanzelfsprekend,
met intellectuele
velden waar pluralistische conversaties
de norm zijn, met
gezamenlijke zoektochten naar
globale problemen, met universitaire
allianties, met kosmopolitisch
leren en onderwijzen.
De verandering zal dan ook bottom-up
moeten gebeuren. Ook
in de Anglosfeer zijn er hogeronderwijsinstellingen
die zelf
inspanningen doen (gefinancierd
met de torenhoge bedragen die
internationale studenten moeten
betalen). Ze werken samen met
lokale gemeenschappen en streven
naar kansen en intellectuele
vorming voor iedereen, ook als
dit geen geldelijke voordelen
oplevert. Maar er is geen goed
concept meer om de niet-geldelijke
voordelen van hoger
onderwijs (het common good) te
benoemen, omdat het hele systeem
gericht is op individuele
kapitaalaccumulatie als ultieme
doel. Bovendien kan systeemverandering
niet van individuele
instellingen komen, enkel de
overheid is daartoe in staat.
Daarom moet het hoger onderwijs
in de Anglosfeer een keuze
maken: wil het streven naar een
paar stappen hoger op de ranking
van Times Higher Education,
of wil het inzetten op zijn
sociale missie om zo het potentieel
van mensen op te bouwen,
creatief betrokken te zijn op de
wereld en zich te gronden in
lokale gemeenschappen?
De achteruitgang van de Anglo-
Amerikaanse dominantie opent
ruimte voor anderen. Dat uit
zich in een toename van de participatie
aan het hoger onderwijs,
het aantal instellingen, het
aantal publicaties, de mate van
onderzoekssamenwerking in
niet-westerse landen. Maar
de Anglo-Amerikaanse taal en
institutionele modellen (en de
westerse hegemonie in wetenschap,
publicaties en bibliometrie)
houden vooralsnog wel
stand. Denk maar aan de rankings
van world class universities
die gebaseerd zijn op Anglo-
Amerikaanse templates. China
en Singapore hebben daarop
ingezet en zijn er succesvol in.
Maar dit is nefast voor systemen
die vooral in nationale talen
functioneren, zoals in Latijns-
Amerika, en voor nog onderontwikkelde
systemen zoals in
Sub-Saharaans Afrika en Centraal-
en Zuid-Azië. Er is een
groeiende capaciteit en kennisinfrastructuur
wereldwijd, maar
meestal in andere talen dan het
Engels – en daarom niet meegenomen
in het globale systeem.
Voor Marginson zijn twee
essentiële stappen daarom dat
we alle kennis geproduceerd in
andere talen vertalen naar het
Engels en dat we publicaties
in meerdere talen tegelijkertijd
mogelijk maken.
Het Westen trekt zich intussen
(ook omwille van de geopolitieke
situatie) terug op zichzelf, weg
van globalisering, mobiliteit en
samenwerking. De opkomst
van landen als China, Japan en
Vietnam is oncomfortabel voor
de Anglo-Amerikaanse machten
die sinds de opkomst van onderzoeksuniversiteiten
dominant
geworden zijn en die positie nu
verliezen. Maar volgens Marginson
is dit geen bedreiging maar
een opportuniteit. Hij situeert
de oorsprong van het hoger
onderwijs in China en gebruikt
het daar gangbare, confuciaanse
idee van ‘harmonie in diversiteit’
om te bepleiten dat we weg
moeten van het westerse superioriteitsgevoel
en hegemoniedenken.
We moeten durven leren
van niet-westerse landen die wel
inzetten op collectiviteit, op
samenwerking, op nationale
sterktes maar tegelijk ieder in
zijn sterkte laten, die diversiteit
erkennen en elkaar de ruimte
laten. We moeten de wereld zien
als een gedeelde ruimte, een
thuis dat we delen met anderen.
Hij geeft de Europese Unie als
voorbeeld van hoe je het kunt
organiseren om de ander te
ontmoeten en van de ander te
leren, om te leren van verschil,
om een multipolair systeem op
te bouwen.
Het hoger onderwijs is voor
Marginson door zijn intrinsieke
kenmerken geschikt om hier
stappen in te zetten. Als het
hoger onderwijs zich zou
netwerken over locaties heen,
kan het druk zetten op overheden
om verandering in gang te
zetten. Het moet ervoor zorgen
dat alle instellingen in het systeem
(niet alleen de world class
universities) voldoende capaciteit
kunnen ontwikkelen om
iedereen de kans te geven zich
tot sociaal en ecologisch denkende
individuen te ontplooien.
Het hoger onderwijs moet gezamenlijk
de academische vrijheid
en de autonomie van instellingen
verdedigen. Het moet wetenschappelijke
samenwerking
beschermen en interventies
omwille van nationale veiligheid
tegengaan. Het moet de mobiliteit
van individuen in bescherming
nemen. En tot slot (maar
niet het minst): het moet het
narratief veranderen van monocultureel
patriottisme naar
globale waarden als respect,
gelijkwaardigheid en diversiteit.
Een boodschap die ook buiten
de Anglosfeer doet dromen
van een planeet die we ‘thuis’
kunnen noemen.
Kurt De Wit
is verbonden aan de Dienst
Onderwijs van KU Leuven en is lid
van de recensieredactie van Th&ma
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 77
Over én vanuit
actieonderzoek
Ronald van Steden,
Gertjan Schuiling & Jan
Sanne Mulder (red.):
Impact met actieonderzoek
– Een werkwijze in vele
disciplines
Boom, Amsterdam.
ISBN 9789047303060; 370 blz.
€ 39,95
O
p een winderige
vrijdagmiddag in
februari liep ik
langs het IJ in Amsterdam naar
Pakhuis de Zwijger. Ik was een
van de personen die een plekje
had weten te bemachtigen bij de
presentatie van het boek Impact
met actieonderzoek. De inschrijving
voor de bijeenkomst was
door overschrijving vroegtijdig
gesloten. De aantrekkingskracht
van het boek is de combinatie
van grondbeginselen voor actieonderzoek
en praktijkbeschrijvingen
van actieonderzoek. Een
andere reden: actieonderzoek
heeft op dit moment de wind
mee binnen het hoger onderwijs.
Mijn persoonlijke interesse was
door meerdere punten gewekt:
het zou gaan om een boek dat
niet alleen over, maar ook vanuit
actieonderzoek schrijft. Daarnaast
zou het meerdere domeinen
bestrijken en meerdere
vormen van onderwijs: het
middelbaar beroepsonderwijs,
hogescholen en universiteiten.
Ten slotte was ik benieuwd hoe
actieonderzoek zich verhoudt
tot theorievorming. Ik had mij
daarom aangemeld voor de
ronde tafelsessie ‘theorie ontwikkelen
vanuit de praktijk’.
In hun boek introduceren
redacteuren Ronald van Steden,
Gertjan Schuiling en Jan Sanne
Mulder actieonderzoek als kansrijke
houding en werkwijze
voor maatschappelijke impact
die praktijkgerichte ‘actie’ en
wetenschappelijk ‘onderzoek’
combineert. Ze schrijven:
‘Actieonderzoek richt zich op
onderzoek in en met de deelnemers
uit de praktijk, vanuit
de ambitie verandering en verbetering
tot stand te brengen en
zo een waardevolle maatschappelijke
bijdrage te leveren’ (p.12).
In hun introductie plaatsen ze
actieonderzoek in de lijn van
denken over de verbinding van
kennis en actie van de filosoof
John Dewey. Met het concept
‘experimenteel leren’ zet Dewey
‘theorie’ niet boven ‘praktijk’,
maar wijst hij erop dat beide
elkaar nodig hebben. De auteurs
verbinden onderzoek een-op-een
met experimenteel leren als ze
schrijven: ‘Experimenteel leren
of onderzoeken betekent een
gerichte activiteit die verandering
initieert’ (p.14).
Het boek beschrijft de zes
grond beginselen die samen
verstrengeld actieonderzoek tot
actieonderzoek maken: onderzoeken,
waarderen, participeren,
veranderen, ontwerpen en
reflecteren. Naast introducties
op basis van grondleggers en
auteurs over actieonderzoek op
grondbegrippen van actieonderzoek
bevat het boek negentien
praktijkbeschrijvingen. Het is
hier onmogelijk om recht te doen
aan de rijkdom aan beschrijvingen
van de grondbegrippen en
praktijken die in het boek passeren.
De praktijkbeschrijvingen
variëren qua modaliteiten en
onderwerpen, van actieonderzoek
gericht op seksualiteit en ouderdom,
een zoektocht naar passende
besturing binnen een
universitair medisch centrum en
curriculumwijzigingen binnen
het hoger beroepsonderwijs tot
78 I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
de samenwerking van politie
met lokale partners.
In de praktijkbeschrijvingen
gaan de auteurs expliciet in op
de complexiteit en soms ook de
onhaalbaarheid of kwetsbaarheid
van actieonderzoek. Ze
introduceren routes om daarmee
om te gaan, zoals transformatieve
etnografie. Een ander
hoofdstuk laat eerlijk zien dat
onder andere door de wisseling
van personen ideeën van actieonderzoek
in de praktijk niet
haalbaar bleken. Meerdere voorbeelden
illustreren, naast allerlei
activiteiten zoals ontwerpen
en participeren, wat de auteurs
munten als ‘gelatenheid’: iets
kunnen laten gebeuren. Bij een
van de praktijkbeschrijvingen
blijkt dat er juist op het moment
dat een onderzoeker een stap
terugzet ruimte ontstaat voor
verandering.
Het boek leest als een reactie op
een positivistische wetenschap
die impact met onderzoek in de
weg zou staan. Op pagina 96
komt dit onderscheid sterk naar
voren, door onderzoek dat datagericht
is tegenover onderzoek
dat ervaringsgericht is te zetten.
Bijna alle actieonderzoekers in
het boeken hanteren in lijn
met dit idee alleen kwalitatieve
onderzoeksmethoden. Is hiermee
het alleen hanteren van
kwalitatief onderzoek een sociale
norm geworden binnen actieonderzoek?
Een innovatieve uitzondering
hierop is de laatste
praktijkbeschrijving over ‘Transdisciplinair
wetenschaps- en
techniekonderzoek’, dat niet in
het onderscheid tussen kwalitatief
en kwantitatief past.
Het uitsluiten van kwantitatief
onderzoek passen wij niet toe in
het onderzoek dat wij zelf doen
binnen ons lectoraat, dat onderzoek
doet naar het versterken
van sociale cohesie in de klas.
Kwantitatieve data en het interpreteren
ervan spelen namelijk
een rol bij handelingsverlegenheid
en de handelingspraktijk
van bestuurders en leraren. Zijn
mixed methods die kwalitatief en
kwantitatief onderzoek combineren
een kansrijke route voor
actieonderzoekers om de zaken
verder te exploreren?
De auteurs van Impact met actieonderzoek
lijken beroepsbeoefenaars
vooral te benaderen als
reflective practitioners. Bij sommige
praktijkbeschrijvingen is
het de vraag of de keuze voor
een reflective practitioner een
passende was, en waarom er
niet is gekozen voor een scholar
practitioner. Die laatste wordt in
het boek genoemd als route voor
het combineren van advisering
bij organisatievraagstukken met
wetenschappelijk onderzoek.
Ook roepen de auteurs op tot
een synthese tussen kennis uit
verschillende wetenschappelijke
disciplines en niet-academische
kennis. Dit kan door samenwerking
tussen wetenschappers en
beroepsbeoefenaren, zoals in
een hoofdstuk over een kenniswerkplaats.
Het kan ook kleinschaliger
plaatsvinden, binnen
een organisatie in leerteams,
of binnen één professional. De
scholar practitioner brengt de
De auteurs lijken
beroepsbeoefenaars vooral
te benaderen als
reflective practitioners
meervoudige identiteit van
onderzoeker en beroepsbeoefenaar
samen. Zelf ervaar ik als
gepromoveerd leraar basisonderwijs
en lector dat dit
interne vragen kan opleveren
over de betekenis van eigen
onderzoek en begrippen in de
literatuur voor het handelen.
Tegelijk biedt dit ook de mogelijkheid
voor het binnen een
leerteam vormen van verbindingen
tussen kennis uit de wetenschappelijke
vakdisciplines en
eigen, niet-academische kennis
en die van collega’s.
De theorieontwikkeling waarover
het boek schrijft gaat vooral over
algemene handelingstheorie.
Hierdoor mist het kansen voor
activiteiten gebaseerd op kennis
uit wetenschappelijke vakdisciplines.
Bij de praktijkbeschrijving
over het ontwikkelen van
de training voor het werken
aan het klassenklimaat kijken
de auteurs bijvoorbeeld eerst
binnen de context van de
trainers om te ‘ontdekken’ dat
ongemotiveerde deelnemers
behoefte hebben aan inspraak
en regie op de training. Deze
ontdekking verbinden ze naderhand
aan kennis uit de literatuur
over het onderzoekthema.
Een scholar practitioner zou in
een eerdere fase bijvoorbeeld
de zelfdeterminatietheorie uit
een vakdiscipline kunnen
betrekken. Hierdoor brengen
ze in een vroeger stadium al
het belang van het begrip autonomie
voor motivatie in. De
op pagina 291 voor gestelde
methode van reflexief onderzoek
biedt, mits je ook kennis
uit wetenschappelijke vakdisciplines
gebruikt, de mogelijkheid
om kritische momenten,
begrippen en theorie op meerdere
momenten met elkaar te
verbinden. Veelal impliciet blijft
in het boek hoe actieonderzoek
naast bijdragen aan handelingskennis
en -theorie of veranderkundige
theorie kan bijdragen
aan de theorie vorming binnen
© Instondo I Th&ma Hoger Onderwijs I 79
De redacteuren hebben
een rijke variatie aan
auteurs en praktijken
een podium geboden
andere wetenschappelijke vakdisciplines,
zoals de sociologie
en onderwijs wetenschappen.
De redacteuren hebben samen
met een groot aantal auteurs
een schriftelijke ingang weten
te creëren tot actieonderzoek
in verschillende domeinen. De
grondbeginselen hebben ze toegankelijk
beschreven. Interessant
was nog geweest wanneer ze
hadden gereflecteerd op overlap
en het onderscheid ten opzichte
van andere hedendaagse auteurs
die grondbeginselen of principes
suggereren voor actieonderzoek.
De voorbeelden die op de uitleg
van een grondbeginsel volgen,
beschrijven een actieonderzoek
met een accent op dit grondbeginsel
zonder dit te isoleren.
kritische afweging te komen of
actieonderzoek een wenselijke
en haalbare route is. Ook biedt
het een ingang om te reflecteren
op het verbeteren van aspecten
van lopend actieonderzoek.
Gert-Jan Veerman
is lector aan de Christelijke
Hogeschool Ede en docent
onderwijswetenschappen aan
de Radboud Universiteit
De redacteuren hebben een rijke
variatie aan auteurs en praktijken
een podium geboden om hun
praktijk van actieonderzoek te
delen met een groter publiek.
Deze beschrijvingen helpen om
de grondbeginselen te relateren
aan eigen onderzoek en roepen
vragen op hoe ze met dilemma’s
in eigen onderzoek en of bij
organisatieveranderingen zijn
omgegaan. Hiermee is het de
auteurs gelukt een boek te
schrijven voor bestuurders en
managers in het hoger onderwijs
die overwegen met hun
organisatie te veranderen met
actieonderzoek. Ook kan het
onderzoekers inleiden in actieonderzoek.
Impact met actieonderzoek
helpt hierbij om door
eerlijke beschrijving van complexiteit
en dilemma’s in de
praktijkbeschrijvingen tot een
80 I Th&ma Hoger Onderwijs I © Instondo
woensdag 30 september 2026
Vuursche Lodge, Baarn
www.etho-hackathon.nl
Speelt een vraagstuk over toegankelijk
onderwijs op jouw hogeschool of
universiteit? Werk een dag samen met
experts aan een oplossing!
Wist u dat...
… u als abonnee toegang hebt tot
de complete digitale database van
TH&MA Hoger Onderwijs?
Zo kunt u eerder verschenen edities van het tijdschrift digitaal lezen. Bent u op
zoek naar informatie over een specifiek onderwerp of thema? Gebruik dan de
zoekfunctie of filters en vind de kennis die u nodig heeft!
Het activeren van uw online abonnement op TH&MA kan heel eenvoudig via
www.instondo.nl/abonnementen-koppelen
Of scan de QR-code!