Beknopte geschiedenis van "Trou moet Blycken" 1503 - 1922

troumoetblycken.nl

Beknopte geschiedenis van "Trou moet Blycken" 1503 - 1922

VOORBERICHT

Door hoofden van de aloude Societeit Trou moet blijcken aangezocht de boeken en bescheiden, van het oude Archief te

ordenen en de Catalogus te herzien, bleek mij de wenschelijkheid deze opdracht uit te breiden door het opmaken van

een beschrijvende Inventaris, niet alleen van de boeken doch ook van de verschillende preciosa die onze Societeit bezit,

als blazoenen, schilden, bekers en lokalen enz., en daaraan een beknopte geschiedenis van Trou toe te voegen, om bij

de opening van het nieuwe Clubgebouw der Pelicanisten aan de leden aan te bieden.

Dit werk maakt geen aanspraak op oorspronkelijkheid. Reeds verschillende personen voor mij hebben of een

of ander gebied een studie over een en ander gemaakt, o.a. de Heer Dr. E. H. von Baumhauer in 1880 Keizer, die ter

gelegenheid van de feestelijke opening van ons voormalig gebouw een gedenkboek samenstelde, dat hier door mij

opnieuw werd bewerkt en aangevuld.

Door Dr. G. Kalff werden in een hoek, getiteld: ,,Trou moet blijcken'', de voornaamste Zinnespelen in het

archief voorhanden, met de noodige toelichtingen uitgegeven en in een bijlage de inhoud der aanwezige Zinnespelen

vermeld.

Hier en daar werd dit uit eigen onderzoek aangevuld en getracht bij dezen inventaris de herkomst der

verschillende precosia te vermelden of althans de inventaris aan te geven waarop deze reeds vermeld staan.

In het archief komen n.l. vier inventarissen voor en wel een van 1610, een van 1734, een van 1739 en een van

1776, waaruit blijkt dat sedert dien vele kostbaarheden zijn verloren gegaan. Waar, zegt de Heer von Baumhauer, zijn

de schepters gebleven van den Keizer en den Prins, die nog in 1776 bestonden? waar hunne noteboomen zetels die in

den jare 1750 door den aankomenden Keizer Jacob Elout van der Vliet aan de Kamer zijn vereert, dienende voor den

Keizer en Prins om op te zitten? waar de lijsten spiegelglas in den Jaare 1752 door Broeder Jacob Iwaas aan de

Kamer vereert, waarin gevoegt is 't Portrait van onzen Factor Pieter Langendijk? Van de lokalen en bekers zijn eenige

nog aanwezig; maar hoe onze zilveren beker is verloren gegaan, blijkt uit de notulen van 8 Julij 1795, waar wij lezen:

Wijders wordt aan de Broederschap bekend gemaakt dat aan den Lande is opgebracht onze zilver vergulden Beeker

weegende 3 M. 2 Onc. 18 E., beloopende V.Q. f 71, 11 à 54 S 't once, en in omvraag gebragt of men deze somme nog

zoude suppleeren met f 28,9 zijnde dus samen f 100 , om daarvan te genieten, volgens publicatie van 26 Maart ll. 5%,

in 't jaar. Hoevele kunstschatten in edele metalen bewerkt, zijn op deze wijze in die ongelukkige tijden naar den

smeltkroes gegaan!

De houten blazoenen zijn echter bewaard gebleven die door de twaalf Rederijkerskamers van Holland, die

deelnamen aan het Konstjuwiel van 1606 te Haarlem, aan Trou werden geschonken, evenals de zilveren schildjes aan

de bandelier van de Knegt, waarmede deze nog steeds elke Nieuwjaarsavond ter vergadering verschijnt en waarvan het

eerste in 1604 door beminnaars van de konst aan Willem Jacobs, Knegt werd geschonken. (Zie bijlage 4).

Moge het doorlezen van dit werkje konstlievende leden van Trou aanleiding geven een blik te slaan in de vele

kostbare boeken en manuscripten die Trou rijk is.

Ten slotte moge hier een woord van dankbare hulde gebracht worden aan onze leden, de Heeren Mr. H. J. D.

D. Enschedé, Mr. Joh. Enschedé en B. F. Enschedé, die de uitgave van dit werkje hebben mogelijk gemaakt.

Haarlem, Mei 1922

2

O. VAN LENNEP.


BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN

TROU MOET BLYCKEN.

Grootendeels aan de hand van hetgeen Dr. E. H. von Baumhauer ons hierover mededeelt,

slechts hier en daar gewijzigd op grond van nadere onderzoekingen, moge het volgende dienen:

De Kamer der Pelikanisten werd vóór of in den jare 1503 opgericht, ten minste zij werd in

1503 door de Regeering van Haarlem gereglementeerd, terwijl later, toen in Haarlem meerdere

rederijkerskamers ontstonden, zooals de kamer: de Wijngaardranken met de spreuk: Liefde boven

al en de kamer: het Wit Angierken of de Vlaamsche Kamer van Haarlem onder de zin-spreuk: In

Liefde getrouw, onze Kamer bekend stond onder den naam van de Oude Kamer. Zij schijnt dus de

oudste Kamer in Haarlem geweest te zijn; ook is zij, hoewel geheel van aard veranderd, de eenige

in Haarlem, die tot op den huidigen dag in leven is gebleven.

Het jaar 1503 mogen wij dus als het stichtingsjaar onzer Kamer beschouwen; zoo dachten er

ook over onze voorgangers, die in 1803 het driehonderdjarig eeuwfeest der Kamer wilden vieren en

over die viering op den 25 sten November, als zijnde de gala-dag der Kamer, een commissie

benoemd en vele vergaderingen hebben gehouden, totdat in de Algemeene Comparitie van 29

October 1803 unaniem besloten werd uithoofde van diverse omstandigheeden, inzonderheid van de

voortduring des oorlogs en 't vermenigvuldigen der belastingen en extraordinaire heffingen,

gemelde feest althans provisioneel tot gunstiger omstandigheeden uit te stellen.

Gedurende de 16 de en de 17 de eeuwen schijnt T. M. B. zich, zooals de andere

rederijkerskamers, te hebben toegelegd op de ,beoefening der poëzy 1) , zoowel door het

uitschrijven van, als door het deelnemen aan door andere Kamers uitgeschreven landjuweelen, dat

is wedstrijden in het vervaardigen van gedichten en het ten tooneele brengen van door hare leden

vervaardigde zoogenaamde spelen van sinne; deze vertooningen hadden vooral plaats op de kerst-

en andere feestdagen, hier te Haarlem op het Zandt (het Marktplein) of op de Krocht, op een

daartoe opzettelijk vervaardigd schavot of tooneel door de broeders opgericht, tot recréacie ende

vermakelijckheyt van den gemeenen volcke; ook de Stedelijke Regeering van Haarlem heeft hare

Rederijkerskamer in then tijd zeer in eere gehouden, en in de Thesaurie-Rekening van Haarlem

vinden wij in de 16 de en ook in het begin der I7 de eeuw herhaaldelijk melding gemaakt van giften in

geld, uit de stedelijke kas verstrekt tot goedmaking der kosten voor tooneel, of ook voor reiskosten

naar andere Kamers waar landjuweelen werden gehouden.

Bij feestelijke gelegenheden, bij intochten van vorstelijke personen, waren het de

rederijkerskamers die door gecostumeerde optochten, vertooningen, aanspraken den noodigen

luister moesten bijbrengen en het volk moesten vermaken; geen wonder dus dat de Stedelijke

Regeering in de door de Kamers gemaakte kosten het hare bijdroeg.

Onze Pelikanisten hebben in die wedstrijden menigmaal de overwinning behaald, zooals

oude bescheiden uitwijzen. De behaalde prijzen daarin genoemd zijn echter helaas verloren

gegaan. 2)

De vijftien oude Blazoenen of Schilden, die onze societeit versieren, zijn afkomstig van

vroeger bestaan hebbende Rederijkerskamers hier te lande,- welke bij het Rederijkersfeest in

October van het jaar 1606, hetwelk op uitnoodiging der Kamer T. M. B. en op verzoek der

Stedelijke Regeering van Haarlem plaats had, zich hadden doen vertegenwoordigen. Behalve het

hoofddoel van dit feest, een onderlingen wedstrijd in poëzij, meestal over bijbelsche onderwerpen,

was het bijoogmerk om uit de bijdragen der toegestroomde menigte, door middel eener loterij, het

Oude Mannenhuis te stichten, dat drie jaren later reeds geopend werd. Trouw moet blijken heeft

dus voor een groot deel tot de stichting van het Oude Mannenhuls bijgedragen. Ten gevolge dezer

oproeping verschenen op den 22 sten October 1606 twaalf Rederijkerskamers van buiten Haarlem,

4


die in den Hout door de Broeders Pelikanisten of de Kamer: Trouw moet blijken werd opgewacht.

Na eenig vertoeven en het regelen van den trein, deden zij, in staatsiekleederen en sommigen

gemaskerd, met de blazoenen en teekenen der orden, bij fluit en trom haren plechtigen intocht

binnen Haarlem.

Aan het hoofd van den trein bevonden zich de Rector 3) benevens de overige Leeraren der

Latijnsche scholen; daarop volgden de leden der oudste Kamer: Trouw moet Blijken en daarna de

twaalf van elders gekomen Kamers, terwijl de trein door de Broeders van het Wit Angierken, of de

Vlaamscbe Kamer van Haarlem, besloten werd.

Op de hoogte van het tegenwoordig Proveniersbuis hield de stoet stil, en werd daar van

wege de stad door de Maagd van Haarlem, omringd door een aantal meisjes, verwelkomd. Hierop

begaf zich de trein naar de Groote Markt, die met stellages en kramen bezet was, en alwaar aan elk

der kamerbroeders van stadswege een verblijfplaats werd aangewezen.

Daags daarna nam de eigenlijke plechtigheid op de Groote Markt een aanvang. De godin

Rhetorica zat daar, te midden van een aantal zangeressen, op een troon en begroette in dichtmaat de

vergaderde Kamers, 't welk door elk van haar beantwoord werd. Vervolgens namen de wedstrijden

of spelen een aanvang, die gedurende acht dagen onafgebroken voortduurden en steeds in het

openbaar op de Markt plaats hadden, terwijl een en ander door vuurwerken werd besloten.

Aan dit feest hebben wij de dertien blazoenen van vreemde Kamers en een der beide onzer

eigen Kamer te danken; onder deze zijn wel is waar een paar fraaie schilderstukken, doch de

meeste ontleenen hunne waarde alleen aan hun oude afkomst. 4) Bij die gelegenheid werden prijzen,

bestaande in zilveren bekers van verschillende zwaarte (van 4 tot 24 lood) toegekend voor:

Bij de intrede, voor het schoonste blazoen, voor het spel van sinne, voor het beste spelen,

voor het best gestelde refrein, voor oratorie, voor het beste liedeken, voor het beste zingen, voor het

schoonst sinrijckste vierwerck, voor het verste komen, voor het meest inleggen, en aan die Camers

die constich en vlijtigh verthoont hadden. 5)

Voor de goede diensten door de Camer ten bate van den bouw van het Oude Mannenhuis

verleend, werd haar door Burgemeesteren, jaarlijks 6o manden turf toegezegd.

Bijna drie jaren later gaf de Camer Trou moet blijcken op nieuw teeken van leven en wel ter

eere van het sluiten van het Twaalfjarig bestand in 1609.

Ook bij die gelegenheid werd op de markt een tooneel opgericht versierd met de wapens der

zeventien gewesten, en waarop personen voorstellende de Aartshertog ALBERTUS en Prins

MAURITS gezeten waren, elk met een gouden kroon op het hoofd.

Vandaar werd een door den factor JACOB JOCHEMS vervaardigden proloog voorgelezen in

tegenwoordigheid van alle autoriteiten, die beurtelings werden toegesproken nadat eerst hulde was

gebracht aan d'Almogende Godt, den Stadhouder en de Heeren Staten dezer landen.

Daarop werd een spel van sinnen opgevoerd toepasselijk op de groote gebeurtenis waarin de

volgende personages optraden:

d'Oorloch

Medogentheyt

Gemeen Borger

Gemeen Huysman

Hollant

Brabant

de Faam.

Holland en Brabant die het woord mede voerden, vergezeld van de overige provinces,

werden voorgesteld door jonge maagden, "yeder was op het cierlyckst gecleet met goude ketenen

Om tlijff, yeder na sy presenteerden als hartochdommen en Graeffschappen en Heerlicheden, yeder

van desen hadden haer eygen wapen in de handt twelck sy toonden", zegt de kroniek.

Verder geschiedde een vertooning boven op het tooneel, alwaar d'oorloch leght onder de

voeten van de Eertshartoch ALBERTUS en syn Princelyck Excellentie Graeff MAURITS, welcke

5


Princen malcanderen die handt gaven waerop dat daelde de duyve uytbeeldend de heilige geest,

waerby noch stond by de hartoch de Coninck van Vranckryck en by sy Princelycke Excellentie den

Coninck van groot britaingien, dese alle vier hadden vergulde Croonen op haer hooffden enz.

In het jaar 1610 behaalde T. M. B. twee prijzen, den hoogsten een zilveren trompe voor het

beantwoorden van de vraag: Wie haeren man meest liefde oyt heeft betoont? door de Antwerpsche

Kamer In liefde groeyende uitgeschreven en een zilveren schrijfpen voor het beste boertige lied.

Voor zoover bekend, heeft T. M. B. voor het laatst nog deelgenomen aan den wedstrijd te

Vlissingen in 1641.

Tot hoe lang T. M. B. haar karakter van Rederijkerskamer heeft behouden is niet met

juistheid te bepalen, waarschijnlijk slechts tot het midden der 17 de eeuw 6) .

W. Kops is van oordeel dat een besluit van de Staten van Holland van den 18 den van Lentemaand

1711, waarbij uithoofde der buitensporigheden die zij daarbij bedreven, aan de Rederijkers op zon-

en feestdagen alle openbare vertooningen werden verboden, tot den overgang van de

Rederijkerskamer T. M. B. in een vereeniging tot gezellig verkeer heeft geleid; die overgang schijnt

echter reeds vroeger te hebben plaats gehad, daar in het oudste Reglement of Ordonnantie waer

naer de Broeders ter Camer ondert Woort Trouw-moet-Blycken Haer sullen hebben te reguleeren,

uit het midden der zeventiende eeuw, stellig van vóór het jaar 1689 7) van geen vertooningen meer

sprake is; daarin worden alleen het lidmaatschap, het bezoek en het kaartspel geregeld. Evenmin

wordt van vertooningen gesproken in de notulen der Hoofden- en Generale Comparitiën, die van

1719 af, hoewel soms met tusschenpoozen van vele jaren (zooals van 1727-1743), in ons archief

bewaard worden.

En toch hebben de Pellikanisten in de geheele 18 de eeuw bij iedere gelegenheid beweerd dat

hunne vereeniging geen Societeit was, zooals blijkt uit de verontwaardiging der broederen, toen in

Maart 1791 aan de Kamer door gerechtsdienaren een publicatie aan Logement- en

Societeithouders, over het lezen der nieuwsbladen, was gebracht, welke verontwaardiging niet

ophield voor dat Burgemeesteren onder excuses, als zijnde bij abuis aldaar besteld, de publicatie

door een gerechtsbode hadden laten terughalen. 8)

In het volgende jaar in September 1792 ontstond opnieuw een groote sensatie in de Kamer,

doordien de Hoofdgaarder GUEPIN een declaratoir aan de Kamer T. M. B. durfde te zenden met 3

biljetten, een wegens heerengeld, een wegens koffie- en theegeld, en een wegens tabak. Over dit

gewichtig onderwerp zijn vele comparitiën gehouden, ook met de Besturen van de Kamer: Liefde

boven al en van de Societeiten de Eendragt, en Vriendschap boven al, om gezamenlijk een

remonstrantie op te stellen; onze Kamer kwam vooral op tegen de tabakbelasting, alzoo in deze

Kamer geen Snuyf- of Rooktabak ter consumtie gesleeten off verkogt wordt.

Het van de Kamer T. M. B. aan den Hoofdgaarder gericht declaratoir 9) had geen gunstige

uitwerking, en ofschoon vele broederen tegen het betalen dier belastingen gestemd waren, en

wilden afwagten wat in dezen door den Heer Hoofd-Officier zo de worden geëntameerd, werd

echter in de Generale Comparitie van 26 December 1792, tot conservatie van de goede harmonie,

die tot hiertoe zoo gelukkig in dit gezelschap heeft gesubsisteerd, goedgevonden zig te submitteeren

en de volle belasting ( f 13,4 st ) te voldoen, echter met bijvoeging eener remonstrantie 10) .

Twee jaren later werd de Broederschap T. M. B. opnieuw lastig gevallen door

Burgemeesteren van Haarlem, die de Publicatie van hun Ed. Gr. Mog. Heeren Staaten van Holland

en West-Friesland aangaande de Societeiten, in dato I7 October 1794 op

haar toepasten, en de overlegging der namen der leden en der wetten van haar eischten; ofschoon

met grooten tegenzin werd aan dien eisch voldaan 11).

Van dien tijd af is T. M. B. in alles als Societeit beschouwd; zoodat ook in 1811 de

Commissaris van Politie J. A. BOOGAARD in dato 9 October niet alleen een lijst van de leden en

een exemplaar van de bestaande wetten der Societeit rekwireerde, doch er durfde bijvoegen: Daar

wijders ook onder mijne attributen is begrepen de visitatiën der Societeiten, heb ik al verder de eer

E Ud. in consideratie te geven of het niet gevoegelijkst zoude zijn dat mij van wege Uwe Societeit

7


het honoraire lidmaatschap wierde aangeboden, ten einde evenueel alle bevreemding voor te

komen; waarop hem onder toezending der ledenlijst en een extract der wetten werd geantwoord:

Indien Uwe betrekking, Mijnheer, als commissaris van Politie de visitatie der Societeiten vorderd,

zult UEd. altoos met de bescheidenheid aan Uw post verschuldigd, ontfangen worden, doch UEd.

het honorair lidmaatschap te offereeren, zoude volgens art. 1 van onze grondwetten strijdig zijn, en

uit dien hoofde mogen wij UEd. hetzelve niet aanbieden.

Niettegenstaande al die remonstrantiën blijkt genoegzaam uit de notulen, zoowel der

Generale als der Hoofden-comparitiën, dat T. M. B. gedurende de 18 de eeuw een vereeniging

uitsluitend tot gezellig verkeer is geweest, waarbij alleen het jaarvers aan de oude Rederijkerskamer

herinnerde; slechts éénmaal, en dat ook maar voor een oogenblik, schijnt bij de broederschap het

plan te zijn opgekomen om zich weer aan de beoefening der taal- en dichtkunde te wijden; het was

in 1745, bij gelegenheid dat de factor PIETER LANGENDIJK, die van af 1724, dus een twintigtal

jaren, de Broederschap in zijn jaarverzen vergast had met de beschrijving der Afbeeldingen der

Graaven van Holland in de zaal van het Stadhuis der stad Haarlem , en van de Broederschap

vergunning had verkregen om al die jaarverzen ten zijnen voordeele te doen herdrukken, op

voorwaarde dat het geheele werk aan Haar Edel Groot Achtbaren de vier Regerende

Burgemeesteren der Stad uyt naam van het gantsche Broederschap wiert opgedragen, en aan ieder

der vier gemelde Heeren een Exempelaar present gedaan, bedingende de Broederschap voor de

overgifte van dit werk en de voordeelen die daarop konne komen te vallen, alleenig voor zig ieder

een exempelaar tot het volledig getal der broederschap zijnde 32 exempelaaren.

Acht exemplaren van dit werk werden toen gebonden in schildpadden banden met gouden

stempels en vergtild op snee; daarvan werden vier 12) door den schrijver, vergezeld van den den

Keizer en den Prins, op Zondag 25 Juli 1745 aan de vier Burgemeesteren plechtig aangeboden met

schuldige eerbiedigheid; waarop deselve van hunne Edele Groot Achtbaare in gunst ontvangen

sijnde, de voorsz. leeden der kamer met seer beleevde uytdrukkinge ten blijk van genoegen, door

den alstoen Presideerende Burgemeester Willem Gerlings, Provisioneel wierden bedankt. Kort

daarop zonden Burgemeesteren aan de Broederschap als een givte ter erkente is weegens de voorz.

opdragt een toegezegeld papier, hetgeen in de generale comparitie geopend zijnde bleek te

bevatten twintig gouden ducaten. Burgemeesteren bij die gelegenheid te kennen gevende dat het

Haar Edel Groot Achtbaare liev en aangenaam so de weesen dat het broederschap sig verder

oefende in soodanige en andere konsten ende wetenschappen, ten einde in der tijd meerder sulke en

dergelijken wercken mogten voortgebragt worden; soo wierd op dit Rapport eenpariglijk beslooten,

dat het Broederschap des donderdag 's avonds soude bij den anderen komen, omme sig te oeffenen,

soo inne de Historie, Poesy als Theologie etc. (sullende op dien avond niet worden gespeelt),

waarmede dan ook werkelijk een aanvang is gemaakt, beginnende met de Historie onser Republiek.

Van dien heiligen ijver is later echter niets in de notulen te vinden.

8


JAARVERZEN. 13)

De jaarverzen, die reeds in I 768 worden genoemd het eenige loffelijke overblijfsel der

stichting, zijn van af 1702 grootendeels in ons archief bewaard gebleven. Zij werden vervaardigd

door den factor der Kamer, op het St. Catharina-maal (25 November) ter goedkeuring aan de

broederen voorgelezen, gedrukt en op den 1 sten Januari van ieder jaar voorgedragen. 14)

Zoo het schijnt, waren de Jaarzangen hoofdzakelijk bestemd om op Nieuwjaarsdag de

Kamer: Liefde boven Al te begroeten, en waren eerst in de tweede plaats gericht aan de

Kamerbroeders van T. M. B. Liefde boven Al zond van hare zijde een Jaarzang aan T. M. B.

In het begin der achttiende eeuw bezongen de factors JACOB STORM, LUKAS SCHERMER en

SEV. BREEN meerendeels de geschiedenis dier tijden; dan volgen van 1714-1719 eenige streng

religieuse jaarverzen van P. VLAMING, H. BUYZEN en H. VAN DEN BURG, totdat in 1720 de reeds

genoemde PIETER LANGENDIJK, die tot 1756 onze factor was, zijn cyclus over de afbeeldingen

van de Graven van Holland opende en dien eerst in 1745 eindigde, waarna hij tien jaarzangen

wijdde aan Prins Willem 1; en reeds was factor LANGENDIJK tot het Ontzet van Leiden gevorderd,

toen hij aan de broederschap ontviel. De muze van zijn opvolger, J. MARSHOORN,

........ belust, Vorst Willem van Oranje

Dat staatsmirakel en dien Herkles tegen Spanje

Te volgen op het spoor, van daar doe LANGENDIJK

Zijn veder nederleid, en trok naar 't Hemelrijk,

inspireerde dezen nog net genoeg om Willem van Oranje af te maken, maar daarbij bleef het.

MARSHOORN kreeg tot opvolger den factor NOZEMAN, die de Broederschap acht jaren

achtereen onderhield over de verschillende ondeugden, die het menschdom aankleven:

Hovaerdy, Gierigheid, Onkuisheid, Haet en Nijd, Dronkenschap, Gramschap, Luiheid en

Quaedsprekendheid.

De factor JOHANNES VAN STOCK, na van 1769 af,over vrijheid, eerlijkheid, trouw en

achterklap gezongen te hebben, geeft in 1773 een jaarvers, waarin de bijzonderheden worden

bezongen, die hebben plaats gehad in eenige jaren, eindigende met het cijfer 72.

Van het jaar 72 vóór Chr. wordt gezegd:

In 't jaargetal van acht maal negen zijn te vinden

Bijzonderheden, die de tijd nooit zal verslinden.

De jaren 1272, 1572..... enz. worden uitvoeriger herdacht, de in 1772 plaats gehad hebbende

verdeeling van Polen wordt zeer terecht maar vrij platonisch genoemd:

Een zeldzaamheid, die, om haar wonderlijk geval,

In laater Eeuwen nog merkwaardig blijven zal.

Hij besloot zijne zangen in I774 met een vers getiteld: 't Einde kroont het werk..

Bij de moeilijkheid om onder de broeders een factor te vinden proponeerde broeder JOH.

ENSCHEDÉ Junior in de generale comparitie van 2 December 1775: of indien zijn Ed. (gelijk hij zich

sterk maakte occasie daartoe te hebben) teegen aanstaande Nieuwjaarsdag van een goed Poët

buyten de stad wonende een vers konde magtig worden, of sulks bij de Broederen aangenaam

zoude zijn en gepermiteerd worden sulks voor Reekening van de Kaamer gedrukt wierd; dien ten

gevolge werd PIETER VAN SCHELLE, Medicinae doctor te Leiden, factor. Deze inspireerde zich bij

9


voorkeur met onderwerpen uit het Oude Testament, die echter niet zeer in den smaak vielen; in een

brief ten geleide van het jaarvers voor 1781 maakt hij dan ook zijne excuses over de wulpschheid

van Iempsar (jaarvers 1780), hopende dat de kuischheid van Susanna (jaarvers van dat jaar) in staat

zoude zijn die uit te wisschen; doch het volgend jaar werd hij afgezet, nadat het door hem eerst op

31 December 1781 ingezonden vers voor den 1 sten Januari I782 door de broederen was gelezen;

men besloot het niet aan te nemen, maar hetzelve noch van deesen avond aan den Factor te Rug te

zenden en in de brief aan hem te schrijven met so weynig woorden als doenlijk is hem bekend te

maaken dat de Broederschap hem bedankt als Factor, om Reedene dat de brief van den Factor aan

de Secretaris ook zo kort en met weynig woorden als maar mogelijk is geschreven was, zonder dat

er in de brief stond waar hij van kwam nog datum wanneer afgezonden.

Er was dus dat jaar geen vers en de knecht, moest aan de Kamer Liefde boven al de

boodschap mondeling gaan doen, dat de factor P. VAN SCHELLE was bedankt; er werd toen

geresolveerd dat door de Hoofden een nieuwe Factor zal verkoosen worden en aan de broeders

verzogt als die een bekwaam voorwerp weeten, die dan aan de Hoofden te _proponeeren.

Dat bekwaam voorwerp was B. DE WAAL MALEFIJT, die reeds 28 September 1774, toen

broeder zijnde, tot factor was benoemd en op 1 Januari 1775 een vers over den Verlooren zoon had

gereciteerd, doch op 8 November 1775 zoowel voor het factoraat als voor 't broederschap had

bedankt, omdat de broeders zijn eisch om, even als de vroegere factors, ontheven te ziin van alle

lasten en contributiën, hadden afgewezen; in 1782 gaf men aan zijn eischen toe onder voorwaarde

dat de heer MALEFIJT aan een der Hoofden uit zich zelve declareerde dat het hem niet

onaangenaam zoude zijn de post van factor waar te nemen; voor alle securiteit werd hem verzocht

vooraf de wetten dezer kaamer op zijn commoditeit na te zien en vervolgens te onderteekenen; hij

bleef factor tot 1805.

In dit tijdvak had de stichting plaats der nieuwe vergaderkamer op de Groote Markt, die den

26 sten December 1787 plechtig werd ingewijd; MALEFIJT vervaardigde voor die gelegenheid een

lierzang, getiteld de Vriendschap, die op 1 Januari 1788 tevens als jaarvers dienst heeft gedaan.

Deze vrijgevigheid voor een lierzang mag groot genoemd worden, want zelfs op het soort

van vers werd nauw toegezien; toen namelijk de factor MALEFIJT voor 1799 een klinkdicht durfde

leveren in de plaats van een ander vers, werd door Hoofden geresolveerd daarmede voor deze reys

genoegen te nemen, doch bij de Generaale Comparitie het ter kennisse der Broederschap te

brengen om derselver sentiment daarop te versoeken.

Dit praeadvies werd door de Broederschap bij groote meerderheid gedeclineerd en

geresolveerd het klinkdicht aan de Factor terug te zenden en hem te laaten aanmaanen om nog een

vaers als naar gewoonte voor Nieuwjaar te leeveren, en ook tefens stellig af te vragen of hij

verkiest Factor te blijven Ja of Neen en zoo Ja of hij dan aanneemt in 't vervolg volgens zijn

instructie jaarlijks voor of op St. Catharijn een Vaers als naar gewoonte te leeveren.

Daar aan dien eisch op 1 Januari 1799 door hem niet werd voldaan, heeft de broeder Jan

van Varelen de broederschap met een zeer uitgewerkt Vaers verascht, 'tgeen door alle de

Broederen in dank is aangenoomen en geresolveerd te doen drukken, waarvan volgens resolutie

der Broederen bij deze Honorable mentie in de Notulen gemaakt word. Broeder VAN VARELEN

gaf ook het volgende jaar het vers, doch MALEFIJT bleef factor tot 1805.

Noch MALEFIJT noch zijn opvolger JAN BROESE ALEXZN., die tot 1813 factor was, durfden

in hunne jaarverzen zich zinspelingen veroorloven op de toen zoo treurige tijden; ook in de notulen

van die jaren wordt alles vermeden wat betrekking heeft op die groote gebeurtenissen; men was

echter gedwongen te illumineeren bij de bevalling van Mevrouw de Keizerin en

Koningin in 1811; in de vergadering van 11 Maart werd echter geresolveerd, om aangezien de staat

der kasse, op eene zeer weinig kostbare wijze te illumineeren, en de uitvoering daarvan aan den

Secretaris gedemandeerd volgens een daarvan door zijn Ed. ter visie gelegde tekening,

Pieramidisch wijze met kaarsen.

10


In 1812 werd het BROESE toch te erg en luchtte hij zijn overkropt gemoed in een jaarvers,

hetwelk met deze weeklacht begint:

Waar is, o mijn broeders, de vrolijkheid toch?

Leeft ze nog?

'k Hoor niet meer van haar spreken.

Neen! waar 'k mij wende of mij keer, 'k hoor beklag

Ik zie niet een enkele vrolijken lach

Ja zeker, zij is ons ontweken.

Dit jaarvers werd dan ook niet gedrukt, de censuur en de politie zouden waarschijnlijk die

jammertonen niet hebben geduld; de in de notulen genoemde reden luidt: om de moeilijkheid in de

executie van hetzelve en management van onkosten. Het volgend jaar verzocht BROESE de hoofden

om hem van het maken van een vaars te excuseeren om de moeilijkheid daarin goed te slagen in

deze dagen; doch de Hoofden insteerden om een vaars hoe kort ook, en op 1 Januari 1813

reciteerde Jan Broese zijn vaars Armoede en Weldadigheid, hetgeen met algemeen genoegen en

zeer eigenaardig aan den toestand der tijden werd aangehoord. De aanspraak van den knecht

toont genoegzaam de stemming aan waarin men toen verkeerde:

Wie, wie beklaagt zich over d'uitgang van een jaar

Zoo vol van rampen en bezwaar?

Wie, wie durft hopen dat het Nieuwejaar ons minder

Zal zijn tot kwelling en tot hinder?

Dan, schoon ge, o Broederkring, ziet in een zwart verschiet,

Vergeet, vergeet de spreuk toch niet:

Het kan verkeeren, en vergun het mij te wenschen

Een heilvol jaar voor alle menschen.

Ook dit jaarvers werd niet gedrukt, maar evenals het voorgaande in manuscript in ons

archief bewaard.

Geheel anders klonken de juichtonen van JAN TEN BRINK, die BROESE opvolgde, maar

door zijne benoeming tot Professor te Groningen slechts drie jaren factor bleef. De jaarverzen van

1 Januari 1814: de ware heldenmoed, van 1 Januari 1815: de Vrede van 1814 en van 1 Januari

1816: de invloed der Dichtkunst op vrijheidsmin en liefde vloeien over van vreugdetonen over den

verdreven dwingeland en de herwonnen vrijheid:

Die nieuwe zon komt ook U dagen

0 heilige geboorte-grond!

Waar wij het eerste daglicht zagen

Waar onze wieg, mijn broedren! stond.

Ons vaderland, zoo snood bedrogen,

Beroofd, verpletterd, uitgezogen,

Herneemt zijn naam en rang en stand

En wij, wreedaardiglijk verstooten,

Verguisd als weggeworpen loten,

Zijn burgers weêr van Nederland.

JAN TEN BRINK werd door A. VAN DER WILLIGEN opgevolgd, die de reeks zijner verzen

opende door reeds op 3 Mei 1816, ter gelegenheid dat aan de Kamer door haren nieuwen vaandrig

C. Kops een vaatje wijn werd geschonken, een gedicht daarop te maken, hetgeen ook in manuscript

is bewaard gebleven; bij bleef factor tot 1842, in welk lang tijdperk slechts éénmaal, in 1839, het

jaarvers door een anderen is voorgedragen, en wel door J. A. VAN EEDEN, factor der Kamer de

Wijngaardranken, onder de spreuk: Liefde boven al; deze was echter vooraf lid van T. M. B.

11


geworden, en het vers was door onzen factor vervaardigd; VAN EEDEN had er een voorwoord als

inleiding aan toegevoegd, en noemde dit het waarnemen eener liefdebeurt.

Hij volgde dan ook in 1842 VAN DER WILLIGEN op en zong tot 1858 over allerlei onderwerpen,

vooral betrekking hebbende op de lotgevallen van Haarlem, totdat, na zijn dood, als factor, A.

BEETS, optrad, wiens vroolijke zangen en humoristische rijmkronijken bij de meesten zeer in den

smaak vielen. Slechts eenmaal, in 1867, werd hij verhinderd het jaarvers voor te dragen, toen, om

de aloude gewoonte niet te verbreken, de toenmalige keizer, Jhr. L. J. QUARLES VAN UFFORD,

een gedicht reciteerde, hetwelk hij echter niet gedrukt wenschte te hebben.

Het volgend jaar haalde BEETS de schade in door een rijmkronijk te geven over de jaren

1867 en 1868. Den 15d en Augustus 1874 overleden, werd hij in het jaarvers van 1875 herdacht

door zijn neef Mr. D. BEETS, toen vaandrig der Kamer.

Na dien tijd was er gedurende enkele jaren geen vaste factor, doch werd elk jaar o. a. door

de Heeren DUISENBERG, GERDESSEN VAN BREDERODE en Dr. VAN VLOTEN gezorgd dat het

aloude gebruik van het Vers op Nieuwjaarsdag ongeschonden bewaard bleef. In 1883 trad de Heer

H. F. WALLER als factor op en bleef dit ambt bekleeden tot 1906.

In dit jaar werd hij vervangen door onzen vorigen factor Mr. H. PH. VISSER 'T HOOFT, die

in 1921 zijn afgetokkeld liertje, zooals hij 't zelf in een treffende zwanenzang uitdrukt, overgaf aan

samensteller van dit werkje Jhr. O. VAN LENNEP.

Behalve door zeer gewaardeerde jaarverzen maakte de Heer WALLER zich nog

verdienstelijk door ter gelegenheid van de viering van het 400 jarig bestaan van T. M. B. een korte

geschiedenis der societeit op rijm uit te geven, met illustraties toegelicht, die nu ook weer ten deele

in dit werk een plaats vinden.

12


LEDEN EN GASTEN.

Zooals reeds werd aangetoond is T. M. B. van het begin at der 18 de eeuw een vriendenkring

geweest, die onder behoud van eenige oude vormen, alleen gezellig verkeer ten doel had;

gedurende die geheele eeuw was T. M. B. een zeer eng gesloten kring, waarvan de toegang niet

gemakkelijk werd verleend. Evenals reeds in de Ordonnantlie der 17de eeuw was vastgesteld, werd

in de Comparitie van 16 Augustus 1721 het ledental als maximum bepaald op 32, met een entrée

van 2 ducatons (f 6,30) of acht stoop wijn, en een zelfde som als sortie; daarenboven moest bij de

aanneming een ducaton aan den knecht worden gegeven; nog in 1775 betaalde men als contributle f

1,13 st . per maand, dus f 19,20 's jaars, en daarenboven aan den knecht op nieuwjaar een ducaton

pijpengeld. Men contribueerde ook voor het souper op Nieuwjaarsdag, of men er aan deel nam of

niet. 15)

Om tot broeder te worden aangenomen moest men vooraf door Hoofden, admissibel

verklaard zijn en daarna onder drie geboden staan, ieder van een week. Dat dit gebruik nog in 1782

stipt werd opgevolgd, blijkt uit de groote verlegenheid waarin de Kamer verkeerde, toen een gast,

JACOB HOOFMAN, op een vriendelijk souper op het dessert, waarschijnlijk nadat de groote bokaal

eenige malen was rondgegaan, door de aanwezige broeders tot super-numerair lid was

geproclameerd, zonder andere formaliteit dan proposite, unanime approbatie met empressement,

dadelijke acceptatie en opgevolgde felicitatie; een extraordinaire generale Comparitie werd over dit

gewichtig punt gehouden en JACOB HOOFMAN zonder verdere ballotage aangenomen, daar deze

zaak was een extra-ordinair geval, geproflueerd uit een vriendelijk souper, waarin bij de wet niet

was voorzien. Daarenboven is gedurende vele jaren de gewoonte geweest dat een nieuw

opkomende broeder een maaltijd of een vaatje wijn aan de broeders gaf; wij vinden namelijk in de

ordonnantie en in de notulen geboekt dat de nieuw aangekomen broeders gehouden waren, buiten

het betalen der entreegelden, als sij met haer twee'n sijn, de broeders eens eerlijck te tracteeren ,

doch reeds bij besluit der vergadering van 8 Augustus 1744 zijn zij van deze verplichting ontheven;

ook de gewoonte dat men iederen voorgestelde weren kon door het werpen van een ducaton in de

armbus, is in de vergadering van 4 Februari 1775 afgeschaft; in dien tijd werd met witte en zwarte

boonen geballoteerd, en moest de candidaat ten minste tweederde witte boonen op zich vereenigen;

later schijnt weder met briefjes gestemd te zijn; in de vergadering toch van 15 September 1787

werd zelfs aan de afwezige broeders toegestaan met, een onderteekend briefje te stemmen; het

staan onder de drie geboden schijnt toen reeds afgeschaft te zijn.

Het ledental vroeger op 32, bepaald, is later, wanneer blijkt niet, tot 24 teruggebracht; ja

zelfs uit een verdeeling eener schuld onder de broeders in 1750 moet men opmaken dat toen het

ledental niet meer dan 10 beliep. Eerst den I2 Maart 1774 werd het maximum van leden van 24 op

28 gebracht, terwijl een voorstel om het tot 32 te verhoogen, in de vergadering van 19 Januari 1780

werd afgestemd.

Ofschoon in de geheele vorige eeuw het getal leden zeer beperkt is gehouden, waren de

broeders zeer vrijgevig in het toestaan van het medebrengen van gasten en het toelaten van

personen onder andere benamingen en conditiën. Reeds in de generale comparitie van 13 Januari

1757 werd aan de Heeren C. VAN ARUM en W. SCHOUTEN toegestaan om als beminders

den tijd van vier achtereenvolgende maanden deze kamer te mogen frequenteren, mids betalenden

alle maand eene somme van 32 stuivers en 21 stuiver's pijpengeld, zijnde voor het overige vrij van

andere onkosten en ge-eximeerd van ordinaire en extraordinaire comparitien, en in het zelfde jaar

den 16 den Maart werd aan vijf broeders der Kamer In Liefde trouw, toegestaan om gratis als

broeders (betalende nogtans aan den Kamerknecht de somma van een ducaton) op de Kamer T. M.

B. te mogen verschijnen.

13


Later, in 1780, zijn er langzamerhand supernumeraire leden bijgekomen, die bij een

vacature van gewoon lid het eerst in aanmerking kwamen, doch niet vóór 1796 de vergunning

kregen om aan de maaltijden deel te nemen, nadat een jaar te voren (25 Juli 1795) bepaald was dat

hun getal niet meer dan 8 mocht bedragen; de eerste aan wien het supernumerair lidmaatschap werd

aangeboden was de Heer HODSON (19 Januari 1780), aan wien de Broederschap door zijne giften

veel verschuldigd was.

Reeds in 1775 had de Heer H.VOLLENHOVEN, die te Amsterdam woonde doch dikwijls

Haarlem bezocht en alsdan als gast ter Kamer kwam, aangeboden om onder storting eener

jaarlijksche bijdrage van f 10, als honorair lid te worden aangenomen; dit werd echter niet

toegestaan, doch tevens werd hem te kennen gegeven dat hij steeds als gast welkom zoude zijn.

Ofschoon wij reeds in de notulen van 1787 van een paar honoraire leden melding gemaakt vinden,

werd eerst in de Generale Comparitie van 21 September 1791 besloten tot honoraire leden toe te

laten lieden hun vast verblijf buiten deeze stad en hare jurisdictie houdende, tegen een jaarlijksche

contributle van f 12 en een ducaton pijpengeld, en bij entrée een ducaton aan den knecht; zij hadden

echter geen toegang tot de comparitiën en de maaltijden, tenzij tot de laatste speciaal verzocht.

Ook mochten zij geen gasten medebrengen behalve hun logé; zij werden geproponeerd en

geballotteerd evenals de gewone leden.

In 1798, bij de opheffing der toen bestaande Societeit in de St. Janstraat, en nadat een

poging door hare Commissarissen gedaan tot vereeniging dezer beide societeiten tot één, als

onmoogelijk in de extra-ordinaire comparitie van Hoofden van 30 Januari 1797 was afgewezen,

wenschten sommige harer leden in T. M. B. opgenomen te worden; een voorstel om ze als

supernumeraire leden boven het getal 8, die er toen waren, op te nemen werd verworpen, maar hun

werd ten getale van 8 veroorloofd als ochtendleden alleen des morgens ter Kamer te komen; zij

mochten echter aan de maaltijden en comparitiën geen deel nemen; zij vormden het zoogenaamd

gezelschap des voormiddags, waarvoor een geheel van het andere afwijkend reglement als ook

andere tarieven werden vastgesteld; men vindt ze nog in 1805 vermeld.

Terwijl reeds in de vergadering van 6 Juni 1807 besloten was het ledental tot 50 te brengen,

om daardoor al de leden van de Administratie van het Departement van Amstelland zonder

ballotage in de broederschap te kunnen opnemen, werd in de vergadering van 1808 besloten het

ledental onbeperkt te laten; het nam echter in dien ongelukkigen tijd niet sterk toe, zoodat er in

1812 nog maar 41 gewone leden waren, en men in de vergadering van 15 Januari 1813 tot het

besluit gedwongen werd om door vermindering der contributie te trachten het ledental te

vermeerderen en daardoor de financiën der broederschap te verbeteren; sedert dien tijd is het

ledental onbepaald.

Een poging, die in 1812 door de Hoofden onzer Kamer en de Commissarissen der Societeit

"Eendragt", werd gedaan om beide Societeiten te vereenigen, stuitte af op den onwil van eenige

leden van "Eendragt".

Na de oprichting der Buiten-Societeit in 1825 werd aan de opgezetenen in de gemeenten

Heemstede, Bloemendaal c. a., Spaarndam c. a. en Spaarnwoude vergund, tegen betaling van f 8

voor het saisoen als temporaire honoraire buitenleden na ballotage opgenomen te worden, terwijl

aldaar de toegang voor Dames werd opengesteld.

In den loop der tijden zijn andere regelingen omtrent de buiteiileden vastgesteld, die evenals

in andere plaatsen evenzeer toegang tot de Binnensocieteit verkregen. Ook hun contributie werd

herhaaldelijk verhoogd. 'Toen later de geldnood der Societeit steeds dringender werd, werd ten

slotte besloten, de bewoners der gemeenten Bloemendaal en Heemstede voortaan alleen als gewone

leden aan te nemen, met behoud der verkregen rechten van bestaande buitenleden. Maart 1911.

Met de opheffing der Buitensocieteit in dit jaar komen de Damesleden vanzelve te

vervallen.

14


Reeds in 1795 ontstond de vraag, of Officieren op de Kamer mochten worden

medegebracht; doch eerst in de vergadering van 26 Juni 1803, en wel eenigszins door de

omstandigheden gedwongen, besloot men tot de toelating van de Officieren behoorende tot den staf

van Generaal DUMONCEAU en van de Officieren van het Garnizoen tot den rang van majoor,

toen nog zonder contributie, die in 1806 op f 1 's maands en het gewone entréegeld werd bepaald;

het toen gedaan voorstel om die gunst uittestrekken tot de capteins, werd afgewezen, uithoofde van

de bekrompenheid van het lokaal. Nadat in 1807 ook de capteins waren toegelaten, werd eindelijk

in 1811 de Kamer voor alle Officieren open gesteld.

Uit de genoemde Ordonnantie blijkt dat men vroeger zelfs personen in de stad woonachtig,

als gasten ter Kamer en ook bij maaltijden mocht medebrengen, evenwel de in de stad woonachtige

niet meer dan driemaal 's jaars. Bij gelegenheid dat er gasten waren, werd een extra kaars op de

kroon aangestoken. Den gasten was het niet veroorloofd hunne verteringen te betalen; zoo verre

ging deze hoffelijkheid, dat toen in 1780 de gast van een der broederen op een souper de groote

bokaal der broederschap had gebroken en de broeder refuseerde voor zijn gast de onkosten te

dragen, in de comparitie van 26 December 1780 met meerderheid van stemmen werd geresolveerd,

om de goede Harmonie, die in ons gezelschap plaats heeft, te bewaren, de f 16 uyt de kas der

Kamer te betalen.

In de Generale Comparitie van 23 November 1765 werd besloten, de gasten op de Kamer te

permitteeren des Donderdags, Vrijdags en Zondags, zullende op Maandag, Dingsdag en Woensdag

geen gasten binnen deze stad woonachtig op de Kamer werden gepermitteerd, welke resolutie reeds

het volgend jaar werd ingetrokken, en de Kamer iederen avond voor gasten vrijgesteld. Men

betaalde twee stuivers voor iederen gast, dien men medebracht. Eerst in 1769 werd de toegang ter

Kamer aan de inwoners der stad en hare jurisdictie ontzegd.

In de Generale Comparitie van 19 Januari 1791 werd op voorstel van broeder ENSCHEDÉ

besloten, dat bij extra-ordinaire gebeurtenissen iedere Heer vrijheid zoude hebben ééne Dame mede

te brengen, waarvoor hij aan de knegt zal moeten betaalen elf stuyvers, welke daarvoor eenige

verversching zal geeven, zullende in zulke gevallen de wet van quartier over, twee uren te moeten

heengaan niet werken (dus de vergunning was alleen voor 's morgens); en zal dit plaats hebben 't

zij op de boven- of in de benedenkamer, naarmaaten het aan de broederschap 't best zal

convenieeren. Tevens werd toen besloten, dat het ieder broeder zal vrijstaan, op alle dagen te

blijven tot half drie uur ('s middags), mits dat het op zon- en feestdagen den knegt zal vrijstaan,

wanneer hij ter kerke zoude willen gaan, dan door zijn meyd te laten bedienen.

Over het al of niet toelaten van gasten zijn dikwijls op de comparitien debatten gevoerd,

totdat in de vergadering van 26 October 1811 een reglement daarover is aangenomen in den geest

als nog bestaat.

15


BE S T U U R.

Als overblijfsel en herinnering aan de oude Rhetorijkkamer heeft het Bestuur, onder den

collectieven naam van Hoofden, steeds de titels gevoerd van

Keyser

Prins

Fiscaal

Vinders (3 in getal)

Vendrig en

Secretaris

beide laatstgenoemde betrekkingen, vroeger verschillend, zijn in den loop der 18 de eeuw vereenigd.

Slechts éénmaal in 1795, het eerste jaar der Bataafsche vrijheid, werd in een Generale

Comparitie met algemeene stemmen resolveert eene commissie te benoemen tot naziening der

wetten of in dezelve meerder artikels gevonden werden strijdig met de denkbeelden van waare

vrijheid en gelijkheid; door welke Commissie werd voorgesteld om de naamen van Keyser, Prins

en Vaandrig te veranderen in die van President, Vicepresident en Adjunctvinder of Secretaris; er

werd echter besloten om daarover vooraf te spreken met de broederen van de Kamer Liefde boven

al. In de vergadering van 18 Juli 1795 werd geresolveert de titels der Hoofden als een teken der

aloudheid onveranderd te laaten blijven, en daarvan door den Secretaris aan de broederschap van

de Kamer Liefde boven al kennis te geven.

De Keyser, die uit een der twee oudste broeders moest worden gekozen, en de Prins werden

in hunne hooge waardigheden naar behooren geëerd en vertegenwoordigden de Kamer naar buiten.

Beiden hadden, zooals wij reeds opmerkten, schepters en aparte zetels; zij hebben die niet meer,

maar vermelden wij hier dat, toen in 1877 tot de verbouwing onzer toenmalige Societeit besloten

was, een der medeleden, de heer W. H. MUNTENDAM, een nieuwen prachtigen schepter in den

vorm van een voorzittershamer, eigenhandig vervaardigde en aan onze Kamer schonk. Ook deze is

niet meer aanwezig.

De Fiscaal was belast met de handhaving der orde en het opleggen der boeten; het finantiël

beheer berustte bij den Secretaris, die geregeld op 26 December rekening en verantwoording

aflegde en bij zijn aftreden de kas aan den nieuw benoemden secretaris overdroeg.

De Vinders waren met de zorg voor de maaltijden, feesten en spelen en met het meubilair

belast; zij waren dus voor de huishoudelijke zaken.

De Vendrig aan wien bij zijne benoeming het vacante vaandel werd gepresenteerd (1751),

was alsdan verplicht de broederen een half anker wijn aan te bieden; 16) zelfs in onze eeuw was dit

gebruik nog in zwang ; in 1816 lezen wij dat de gekozen vendrig C. J. DE BRUYN KOPS zijn vaatje

wijn aan de broederschap schonk.

Hoofden werden vroeger telkens in November voor één jaar, later voor twee jaren gekozen

(uitgezonderd de vendrig); tegenwoordig voor drie jaren.

De Factor, die het jaarvers moest vervaardigen, was geen lid van het bestuur, ook soms niet

eens broeder; hij mocht echter zonder contributie ter Kamer komen en ook de maaltijden bijwonen;

alleen zijn verteringen moest hij betalen.

De kastelein had den naam van knegt. Zijne verhouding tot de broederschap werd uitvoerig

geregeld bij een instructie of reglement. Een stuk van dien aard is van 7 Februari 1776, 17) hetwelk

ons een duidelijk denkbeeld geeft van den toestand der Kamer in die dagen, 18) vooral het laatste

16


artikel, waarbij de Heeren aan hun de magt reserveeren dat Reglement en articulen zoodanig te

vermeerderen of te amplieeren, corrigeeren, redresseeren, elusideeren en decideeren als zij te

Raade zullen worden is uiterst practisch voor de Heeren. 19)

Behalve zijne bij dit Reglement vastgestelde werkzaamheden, had de knecht nog een andere

verplichting, die in de oude Rederijkerskamers zijn oorsprong heeft. Hij moest namelijk het

jaarvers van T. M. B. met een gelukwensch van hem zelf aan de bevriende Kamer de

Wijngaardranken onder de zinspreuk: Liefde boven al gaan aanbieden, die op hare beurt haren

knecht zond. Tot in 1804 schijnt dit gebruik te hebben bestaan en toen te zijn afgeschaft; immers in

dat jaar zingt de knecht:

Kan ik, o waardig Broederental

Niet gaan bij Liefde boven al!

Sedert dien tijd is het de gewoonte geworden dat hij zijne berijmde wenschen aan zijn eigen

broederschap adresseert.

17


SOCIETEITSLEVEN.

Aanvankelijk is de Kamer uitsluitend 's winters van September tot Mei en ook alleen 's

avonds van vier uur af geopend geweest; eerst in 1757 werd bepaald dat zij ook in den zomer

geopend zoude zijn doch niet vóór 's avonds te zes uur. In 1725 werd de Kamer 's avonds om 9 uur

reeds gesloten, in 1744 eerst om half tien; bij langer blijven betaalde men een boete van 3 stuivers,

behalve wanneer door de Hoofden een Vrije avond was gegeven b.v. voor soupers. Om die boete te

ontduiken, schijnen de broeders een loopje gehad te hebben, zoodat in de Hoofden comparitie van 9

April 1727 geresolveert werd dat, wanneer geen vrijen avond gegeven is, niemant de deur van de

Kamer sal mogen sluyten of door Maria Schuurman (de kasteleines) te laten sluyten om so te

beletten dat de fiscaal geen calansie kan doen, maar dat Diegeen op die tijd op de Kamer sijnde en

sulks gedaen wert, zal verbeure dobbelde boeten. En de fiscaal tot 't onderzoek een jaar en zes

weken zal tijt hebben.

Van de vrije avonden schijnt later veel misbruik gemaakt te zijn tot nachtbraken, zoodat in

de Generale Comparitie van 2 December 1775 geresolveerd werd, om de goede ordre op onse

Kaamer te onderhouden en tot voorkooming van misbruyken bij het geven van famillaire vrijen

avonden zonder dat er gesoupeerd word, dat voortaan (Buyten en behalven zoo ordinaire en extraordinaire

avondmaaltijden als soupees) niemand naa twaaf uuren op deeze Kamer sal mogen

blijven op eene boete van drie guldens ten behoeven van de Kamer voor ieder die bevonden sal

worden naa twaalf uuren gebleeven te zijn. 20)

In de Generale Comparitie van 22 Januari 1793 werd eindelijk besloten aan de broeders het

verblijf op de Kamer 's avonds vrij te laten tot zoolang zij wenschten, in hoope dat daarvan door

Hun Ed. geen misbruik zal gemaakt worden en in verwagting dat de knecht van deeze Kamer

deswegen door dezelve behoorlijk zal worden gesalarieerd.

De Kamer is 's morgens, voor het zoogenaamd gezelschap des voormiddags eerst

opengesteld geworden bij de verhuizing naar de Groote Markt, toen in de Vergadering van 1 Nov.

1787 geresolveerd werd des morgens van 11-2 in de week en van 11-1 des Zondags op de Kamer te

mogen komen.

Uit de notulen van 13 Maart 1792 blijkt verder dat zij op dank-, vast- en bededagen gesloten

bleef tot 's avonds vijf uur, en uit die van 21 Sept. 1789, dat op den dag der begrafenis van een der

broeders of van een lid hunner familie, de gordijnen der Kamer werden nedergelaten; een reeds

vastgestelde maaltijd of souper werd bij het overlijden van een der broeders uitgesteld tot na de

begrafenis (9 Febr. 1780).

Op het niet verschijnen ter Kamer tenminste tweemaal ’s weeks, op het verlaten der Kamer

vóór 's avonds acht uur, en op het niet of te laat komen op de Comparitiën, waren boeten gesteld;

ook was er een pennenboete die eerst in 1818 werd afgeschaft. Van al deze boeten is nog slechts

die voor het niet of te laat komen op algemeene vergaderingen overgebleven.

Het hoofddoel van T. M. B. was gezellig verkeer, dus in de eerste plaats conversatie, waarbij

vloeken en onordentelijk spreken bij de wet streng verboden was; dat dit niet altijd in acht genomen

werd, blijkt uit de resolutien van de Hoofden van 13 Januari 1723 21) en 13 Maart 1725 Op het niet

verschijnen ter Kamer ten minste tweemaal 's weeks, op het verlaten der Kamer 22) Het spreekt van

zelf dat dergelijke resolutiën in onzen tijd niet meer noodig zijn.

Wanneer de couranten ter Kamer gekomen zijn, blijkt niet; de eerste maal dat daarover iets

vermeld staat is in de vergadering van 11 April 1743, toen broeder Abraham Gallé verzocht om de

Groninger Courant, hetwelk met meerderheid van stemmen werd goedgevonden; in 1763 werd

besloten de Courier van Europa wekelijks op de Kamer te nemen. In het laatst der 18 de eeuw

18


schijnen er wel meerdere bladen te zijn geweest, daar toch den 7 den Juni 1788 door de Hoofden een

decreet moest worden uitgevaardigd, waarbij de Generale Broederschap werd verzocht om van nu

af aan en voortaan geen papieren, hoe ook genaamt, van deese Kamer na hunne huyzen ofte elders

anders mede te neemen ofte laten haalen om deselve buyten de Kamer te leezen", doch welke

bladen toen gelezen werden, is niet opgeteekend; stellig behoorde daaronder de Opregte

Haarlemsche Courant.

Wat de spelen betreft, hiervoor vinden wij reeds een artikel in de reeds genoemde

Ordonnantie uit de 17 de eeuw.

Art. 5 luidt:

,,Sullen de Broeders niet langer op de Kamer moogen blijven als tot de klocke 9 uuren, en sullen

niet langer met de kaart moogen speulen als tot half negenen, ten waere dat het spel voor die tijt

was begonnen, dat dan sal moogen uitgespeelt worden en geen meer. Ook sal men niet hooger als

om een Oortie moogen botten en picketten om een stuyver of wel om één kamergelach, doch dat

maer ééns sulcks, dat diegeene die het verliest daernaer niet hooger als om een stuyver als booven

sal moogen speelen, op de verbeurte van één Rixdaelder boeten, die oock van stonden aen zullen

betaelt moeten worden."

In 1719 werd op het St. Catharina maal geresolveert à la ombre te mogen speelen op die

conditie zooals de geschreven wet van de kamer luyt dat het gespeeld mag worden, mits dat de

Botkaart voorgaat.

Eerst den 16 den Augustus 1721 werd met meerderheyt van stemmen geresolveert te

consenteeren alle speelen, die de broederen voor sigh selfs sullen verkiezen, excepte met het

verkeerbord."

Dit laatste werd toegestaan den 31sten Juli 1779 onder de navolgende restrictiën:

1. Niet hooger in hetzelve te moogen spelen als men op de kaart gewend is te doen, de vrije

avonden, wat het verkeerbord raakt, niet uitgezonderd.

2. S'avonds na een soupé hetzelve niet moogen gebruiken.

3. De dobbelsteenen, ,in welk geval het ook zoude moogen weezen, anders dan tot het

verkeerbord te gebruyken.

4. Aan Willem de knecht van ieder Heer die in hetzelve speelt, te betaalen 2 stuyvers.

5. Het verkeerbord moet om het onaangenaam geraas bekleed worden.

Terwijl reeds in 1746 van schaak- en dambord wordt gesproken en op 9 Maart 1796

besloten werd een commercie-tafel te doen vervaardog en, mits door ieder welke meede speeld een

sesthalf voor de kaart werd betaald, blijkt echter niet wanneer een biljart op de kamer is gekomen;

ten minste een voorstel van eenige leden, 12 Januari 1803 gedaan, om een billiard op de

bovenvoorkamer te plaatsen, werd door Hoofden afgewezen, daar het apparent voor eenige Leeden

hinderlijk zoude zijn de daardoor te veroorzaaken beweeging teegens de zolder der ordinaire

kamer en zulks meede door eene genoomen proeve also gebleken was.

Het gezellig verkeer werd vooral onderhouden door de maaltijden en soupers.

Den 25 sten November van ieder jaar, op St. Catharina, werd vast en geregeld onder de broederschap

een maaltijd gehouden, het Sint-Catharinamaal genaamd.

Dit was de voornaamste maaltijd en de groote feestdag der Kamer. In de notulen wordt van

dien dag, als wanneer er ,,Gala was ter Camere van Trouw moet blijken", steeds melding gemaakt,

en leest men dat de jaarlijksche St. Catharijn in alle vriendelijkheid en onderling genoegen besloten

is.

Bij deze gelegenheid werden de in het afgeloopen jaar, d. i. sedert den vorigen St.

Catharina-dag nieuw aangekomen broederen door den Keizer met de groote bokaal verwelkomd,

19


waarna de nieuwe broederen, ieder in het bizonder, met dezelfde bokaal bedankten, die dan ,,soo

vol gevuld was als Haer Edele selfs beliefde."

Na het diner werd het jaarvers door den factor ter keuring voorgedragen en vervolgens de

dag besloten met een souper.

Ofschoon telkens in de notulen gesproken wordt van de gewoone divertissementen en van

de gebruikelijke tafelsermonien en Nieuwjaarssermonie, blijkt niets uit de notulen welke die zijn

geweest; geen enkel menu is bewaard gebleven; alleen vindt men vermeld, dat in 1769 een voorstel

om des middags bij het St. Catharina-maal de gezamenlijke broeders op een Baarsje te regaleeren

door meerderheid van stemmen is verworpen, om bij de oude gewoonte te blijven.

Het volgende jaar verschenen er toch ,,twee schotels opregte meer-baars ter tafel door de broeders

vinders proper geordonneert.

Muziek aan tafel werd evenmin geduld als baars; den 11 den November 1734 werd

geresolveert: ,,dat op Catrynemaal ofte andere maaltijden, die in der tijd soude mogen worden

gehouden, niet sal worden toegelaten het opbrengen eener speelman op de Kamer.

Den 28 sten September 1774 werd geresolveerd, den St. Catharina-maaltijd niet meer des

middags en 's avonds, maar alleen des avonds te houden.

Op 1 Januari werd na afloop der nieuwjaars-ceremonien een souper gehouden; beide deze

maaltijden zijn in 1804 afgeschaft.

Verdere maaltijden waren het Hoofden-boeten-maal in de maand Maart van de boeten door

de Hoofden onderling verbeurd en het Boeten-maal meestal in Februari, uit de boeten der

gezamenlijke broederen in den loop van het jaar. 23)

Bovendien had men nog het Hoofdenmaal op den 2 den Kerstdag, waarvoor uit de kas der

Kamer f 36 werd toegestaan, van welke subsidie somwijlen bij benarde omstandigheden der

financiën door de Hoofden is gerenuncieerd. Uit de notulen van 17 December 1783 blijkt, dat ook

de overige broeders tot dien maaltijd werden uitgenoodigd, doch op eigen kosten, betalende alsdan

f 3 per hoofd. Van al de maaltijden is deze de eenig overgeblevene; hij wordt tegenwoordig

gehouden bij de beoordeeling van het jaarvers van den factor.

Daarenboven werd iedere gelegenheid aangegrepen om maaltijden of soupers te houden; b.

v. om van het secretariaat af te komen, proponeerden de gekozenen om aan de geheele

broederschap een souper te geven, hetgeen dan gratieuselijk werd geaccepteerd; dit deed b. v.

broeder WERNERUS KÖHNE op 26 Januari 1782, op voorwaarde, dat de functiën van Secretaris

door den Vaendrig JAN SCHOUTEN zouden worden waargenomen; de liefde van dien broeder

KÖHNE voor T. M. B. bleek ook uit zijn testament, waarin hij aan de Kamer f 200 legateerde om

een maaltijd te houden. Eveneens om van het secretariaat af te komen, proponeert broeder VAN

HAMME 21 December 1799 om op 2 den Kerstdag aan de broederschap een hammetje te geven, en

geeft broeder O. LEWE in Februari 1804 een souper en nog in 1809 broeder VAN STYRUM een

vaatje wijn. Ook de vroeger besproken 20 gouden ducaten van Burgemeesteren voor de vaerzen

van P. LANGENDIJK werden tot een extra-maal gebruikt.

Er zouden bladzijden te vullen zijn met de opsomming van al de vaatjes wijn door de

broederen en ook door honoraire leden bij elke gelegenheid aan de broederschap geschonken; dit

deed b. v. de Factor MALEFIJT in 1793 bij de geboorte van zijn elfde kind, een ander bij de

geboorte van zijn eerste kind, enz., enz.

Ook voor onzen tijd navolgingswaardige voorbeelden van gehechtheid aan de Kamer zijn

veelvuldig in de notulen te vinden, vooral in het laatst der vorige eeuw; zoo legateerde broeder Dr.

N. VAN WIJK DE VOS in 1788 f 500 en broeder D. VAN DER POORTEN in 1795 f 2000 aan de

broederschap. Broeder ENGELEN noodigde ter oorsaake van desselfs voltrokken Huwelijk de

broeders tot een souper uit en Broeder ROOZEBOOM dat zelfde jaar de geheele broederschap tegen

10 Juli ter tafel op zijn buitenverblijf 't Huis ter Weegen, waartoe door de broeders een schuit werd

afgehuurd.

20


In 1774 zond broeder H. VOLLENHOVEN bij gelegenheid van zijn huwelijk met de dochter van den

Heer VAN BEEK 6 flesschen hypocras aan de broederschap met een briefje in verso (versmaat):

Dit kleyn geschenk 0 Broeders, U gezonden

Toont hoe myn hart aan 't Uwe is verbonden.

Ach waren alle menschen Rhetoryken,

Gelukkig was deez eeuw, waarin de Trouw zou blijken.

De beantwoording in versmaat werd, bij het vacant zijn van het factorschap, aan de

Broeders BUCQUOY of ENSCHEDÉ verzocht, die zich daarvan op een vriendelijke wijze

excuseerden; het dichterlijk talent was dus toen reeds niet groot meer onder de broeders.

21


GEBOUWEN.

Waar in de 16 de eeuw achtereenvolgens de zetel onzer Kamer is geweest, is niet na te gaan;

tot op heden meende men dat de Pellikanisten in de zeventiende eeuw hunne vergaderingen hielden

in een huis in de Kleine Houtstraat thans genummerd 37, in welks gevel de Steen nog aanwezig is

met ons wapen (de Pelikaan hare jongen voedende) met het jaartal 1609, juist hetzelfde jaar

waarin, zoo als wij vroeger zagen, de stichting van het Oudetnannenhuis heeft plaats gehad. Men

ging uit van de vooronderstelling, dat uit de gelden door de Pellikanisten opgezameld tot den bouw

van die uitgestrekte inrichting, tevens bekostigd werd de bouw van dit nederige vereenigingsoord

voor hunne Kamer. In de Generale Comparitie van 24 Januari 1793 werden de vinders

gequalificeerd om dien steen van de eigenares van dat huis over te nemen en in den voorgevel van

het toen op de markt staande huis der Broederschap te doen plaatsen; die onderhandelingen blijken

geen gunstig resultaat te hebben gehad. Het is mij echter gebleken dat bovenstaande meening

onjuist was. Uit een der oudste handschriften van het archief toch, hetwelk den Heer VON

BAUMHAUER blijkbaar ontgaan is, vond ik dat ten tijde van het konstjuweel in 1606 de Camer

gevestigd was in de Lange Veerstraat. Ik vind daarin vermeld: ,,en doen sijn wij Camerbroeders

tsamen 80 wij die voorschreven Camers in haer logement bestelt hadden op onse Camer van Trouw

moet blijcken getrocken staende in de Lange Veerstraet in den Sleutel, tot WILLEM CLAESZ,

mandemaecker."

Uit oude rekeningen blijkt, dat aan WILLEM CLAESZ f 24 's jaars aan huur werd betaald

o.a. ook nog in 1610, zoodat het niet zeker is dat het huis met den Pelikaan in de Kleine Houtstraat

iets met onze Camer uitstaande heeft gehad.

Hierdoor wordt dit huis er des te raadselachtiger door en stelde ik mij ten taak te beproeven

een oplossing te vinden, hetwelk mij ook grootendeels gelukt is.

In September 1645, volgens transportregisters van Schepenen, verkochten de erfgenamen

van WILLEM FRANSZ, linnenwever, die hetzelfde bezeten heeft, een huis en erve in de Cleyne

Houtstraat, genaempt de Pellicaen.

En nu blijkt uit het oud Archief van Trou, dat in 1606 en verdere jaren, dus tijdens het

Konstjuweel en de daarop gevolgde loterij voor het Oude Mannenhuis, zekere WILLEM FRANSZ

Keizer was van Trou, en een werkzaam aandeel had in deze gebeurtenissen. Het lijdt bij mij geen

twijfel of wij hebben met denzelfden persoon te doen. In deze meening werd ik nog versterkt door

het volgende. In een testament voor den Notaris VAN WOERDEN, dd. 20 October 1606 gepasseerd,

dus twee dagen voor de intree, legateert WILLEM FRANSZ, linnenwever, f 50 aan het nieuw op te

richten Oude Mannenhuis en in een later testament bij denzelfden Notaris in Februari 1620, kort

voor zijn dood, vermaakt hij aan zijn 4 kleinkinderen het huis in de Cleyne Houtstraat door hem

bewoont, onder voorwaarde dat zij 't zelve nooit mogen vercoopen doch daar. gezamentlijk de huur

van zullen genieten. Als getuigen dienden hierbij 2 Cameristen. Uit deze laatste clausule blijkt de

mogelijkheid dat T. M. B. een deel van het huis van hun Keizer in huur had, in elk geval is 't nu

duidelijk dat deze WILLEM FRANSZ, Keizer van Trou, de man was die de Pellicaan met

onderschrift Trou moet blijcken met 't jaartal 1609 in de gevel van zijn woning liet zetten.

In 1679 vindt men de Camer T. M. B. in het bezit van twee perceelen in de L. Begijnestraat,

hoewel niet blijkt wanneer de koop daarvan is tot stand gekomen. Blijkbaar heeft zij daarvoor geld

opgenomen bij zekere weduwe VISSCHERS, want toen deze perceelen in 1681 weder verkocht

werden aan resp. ETIENNE DE LA FONTAYNE en HARMEN LUBBERS kwam een groot deel der

kooppenningen aan genoemde weduwe toe, aan wie ook gedurende verscheidene jaren volgens de

nog bestaande kasboeken rente werd uitbetaald. Bij deze verkoop behield T. M. B. zich den

eigendom voor van haar Camer, met trap en gang naar de Straat, waar hij de Cooper van huis No. 2

22


de scheidingsmuur tusschen zijn woning en gemelden gang, voorzoover die deuren en ramen

bevatte, moest laten dicht metselen. Niet onwaarschijnlijk is T. M. B. van de L. Veerstraat,

rechtstreeks verhuisd naar de L. Begijnestraat, 24) hoewel dit niet met zekerheid is uit te maken.

Immers kwam zekere JAN CLAESZ SPITS in 1662 in het bezit van het huis in de

L. Veerstraat, waar toen de Witte Pellecaen uithing en bleek Onze Broederschap in 1681 nog met

dezen SPITS in financieele relatie te staan.

In 1729 werd een der verkochte perceelen, van outs genaemt de Waekende Leeuw van de

ERVEN LA FONTAYNE terug gekocht en in 1734 tot knechtswoning ingericht. Wegens de

bouwvalligheid door ouderdom ais andersints en wegens de bekrompenheid vooral bij de gewone

maaltijden, werden in 1779 die perceelen voor f 1158 door baas VAN ZEE vertimmerd; tot dekking

dier kosten werd een leening van f 1500 à 3 % in porties van f 50 onder de broeders gesloten,

terwijl gedurende de verbouwing van Mej. WIJDENBRUGGE in de Beggijnenstraat een kamer

voor f 40 gedurende drie maanden gehuurd werd. Het verbouwde lokaal werd op 2 October 1779

met een vriendelijk souper geopend, waarop de Heer A. HODSON, die den schoorsteenmantel had

geschonken, als gast werd uitgenoodigd; het volgende jaar werd de Kamer gestukadoord en

behangen en gebruikten de broeders gedurende een maand (voor f 20 huur) een kamer in het

logement ,,het Guldenvlies" van DANKMEYER als hulplokaal.

De keizer VAN DER POORTEN, die reeds tien jaren te voren (14 Juni 1769) den ouden

schoorsteen van de kamer op zijne kosten met houd zeer proper had laaten beschieten, terwijl

broeder VAN LEE een geschilderd schoorsteenstukje ook op zijn kosten door den konstschilder

VINCENT VAN DER VINNE had laten maken, waarin onze gewone Blazoen, zijnde Trouw moet

blijken in 't gout was geschilderd, schonk bij deze gelegenheid aan de kamer een moderne glazen

kroon in ruil voor de ouderwetsche, en de prins VAN DER SPRANG voegde daarbij twee groote

girandolles. Zoo smukten onze voorgangers, buiten bezwaar der algemeene kas, hunnekamer op.

Reeds eenige jaren later werd in de vergadenng van 11 October 1784 geresolveerd van

broeder Jan van Eybergen voor f 1560 over te nemen een door hem voor gelijke som aangekocht

huis en erf staande en gelegen op de Groote Markt, het tweede huis van de Groote Houtstraat, en tot

betaling dier som een leening van f 1800 à 3% verdeeld in porties van f l00 onder de broederen

gesloten; deze leening werd 30 Januari 1788 tot f 2400 gebracht voor de kosten der vertimmering,

terwijl de huur, die WILLIAM WORSELE nog tot 1790 van dat huis had, voor een half jaar huur werd

afgekocht; de Kamer verhuisde 1 November 1787 naar de Groote Markt en de feestelijke inwijding

geschiedde op 26 December met dames. De oude Kamer met het annexe woonhuis werd toen bij

Schepenacte van 28 April 1787 voor f 1200 aan: De vrijwillige algemeene bos tot onderstand van

hoogbejaarde, boven de zestig Jaaren, verkocht.

Ofschoon reeds in de Gen. Comparitie van 19 Januari 1791 een voorstel werd gedaan tot

aankoop van een huis in de Spekstraat en van het hoekhuis Groote Houtstraat en Markt, en in die

van 8 Mei 1805 van het naast de Kamer gelegen koffiehuis, dat in 1806 in publieke veiling f 3000

opbracht, alle welke voorstellen wegens den slechten staat der financiën werden verworpen, werd

eerst in de Gen. Comparitie van 25 Februari 1808 tot den aankoop van het genoemde hoekhuis,

behoorende aan LE GRAND, besloten en wel tegen den koopprijs van f 900 en een lijfrente van f 5 's

weeks aan LE GRAND en zijne vrouw en van f 4 na het overlijden van een dezer beiden. Voor de

verbouwing van dit laatste perceel (de vroegere leeskamer, terwijl het in 1784 aangekochte de

speelzaal en een gedeelte der biljartzaal besloeg) werd een leening van f 6000 à 4 % gesloten. Eerst

een tiental jaren later (25 December 1819) werd het daar-neven gelegen huisje (waarin de

bestuurskamer en de kasteleinswoning) voor f 800 aangekocht en bij de overige lokalen

aangetrokken; het gebouw had toen twee verdiepingen, en het bovenhuis werd verhuurd.

In 1836, nadat de Societeit door aankoop van het huis in de Spekstraat over een ruimer

terrein kon beschikken, werd een leening van f 24,000 à 4 % gesloten en volgens de plannen van J.

D. ZOCHER de Societeit verbouwd, terwijl gedurende die verbouwing de leden tijdelijk in de

Warmoesstraat, in het Hof van Holland, verblijf hielden; van 1836 af heeft deze BinnenSocieteit

24


geen noemenswaardige veranderingen ondergaan; alleen is in dien tijd door het plaatsen van

tusschenschotten de verdeeling der lokalen eenigszins gewijzigd.

Al die genoemde leeningen zijn, dank zij de goede zorgen der vroegere secretarissen en

latere penningmeesters, volledig afgelost. De broeders in de vorige eeuw deelden de schulden

onder elkander, hetzij in rentelooze voorschotten of in 3 % rentende aandeelen, welke bij het

afsterven of verlaten der Kamer op de opvolgers overgingen; daarenboven bepaalden zij in 1765,

toen gedurende eenige jaren de jaarlijksche rekening met een nadeelig saldo sloot, dat telken jare

het tekort onder de broeders verdeeld en dadelijk afgemaakt moest worden, welke goede gewoonte

tot 1806 is bewaard gebleven. Om den schuldenlast, ontstaan door den koop en de vertimmering

van het huis op de Groote Markt, te verminderen, werd in 1792 een beroep gedaan op de

milddadigheid der broeders, die niet minder dan f 1562 vrijwillig bijdroegen; sommige broeders

schonken reeds bij hun leven, anderen bij testament, hunne aandeelen in de schuld aan de Kamer,

terwijl broeder D. VAN DER POORTEN in 1795 niet minder dan f 2000 aan de Kamer legateerde.

Heerlijke voorbeelden ter behartiging en navolging! 25)

De ongelukkige jaren in het begin der 19 e eeuw hadden ook invloed. op den finantiëelen

toestand der Kamer, zoodat, om een einde te maken aan de steeds klimmende schulden, het Hoofd

der Kamer, ZEEBERG, in de vergadering van 15 Januari 1813 een plan van amortisatie ter tafel

bracht, hetwelk met eenige wijzigingen werd aangenomen; een niet onaardige bepaling hierbij was,

dat aan allen de vrijheid werd gegeven om op een lijst te teekenen met welk bedrag zij bij de

aflossing hunner aandeelen zich tevreden zouden stellen, komende die aandeelen, waarvoor het

minst gevraagd werd, bij de aflossing het eerst in aanmerking, de overige daarna bij loting.

Het was eerst in 1825, dat de leden van T. M. B. op het denkbeeld kwamen om in den Hout

een gelegenheid te zoeken, om gedurende de zomermaanden in de buitenlucht samen te komen,

onder het genot van muziekuitvoeringen; zij huurden den 15 den Maart 1825 van XEVERIN

STOFFELS, in het logement het Wapen van Amsterdam aan den Dreef, een kamer met een

nevenvertrekje en het recht om buiten de deur te zitten, van welke bekrompen gelegenheid zij

gedurende 15 jaren hebben gebruik gemaakt, totdat den 14 den Augustus 1839 tot de oprichting eener

eigene Buiten-Societeit, op de plaats waar zij nu nog gevestigd is, werd besloten.

Op het van de Gemeente gehuurde terrein, groot 20 roeden, werd voor f 19,000 een gebouw

opgericht, de voormalige groote zaal, die in Juli 1840 met een vauxhal werd ingewijd; eerst in

Januari 1865 besloot men daaraan de twee nevenzalen en de kasteleinswoning bij te bouwen en het

sedert tot 34 roeden uitgebreid terrein met een ijzeren hek te omrasteren; terwijl eindelijk in de

Algemeene Vergadering van 17 Januari 1878 Hoofden gemachtigd werden, wegens den

bouwvalligen toestand der muziektent, een nieuwe op steenen voet te doen bouwen.

Voor deze verbouwingen werd in 1839 een leening groot f 24,000 rentende 4 % en een

premie van 2½ % bij de aflossing en in 1865 een nieuwe leening, groot f 12,000, rentende 5 %

gesloten. 26)

In de laatste 20 jaren werd met toestemming van Hoofden ook 's winters in een der

nevenzalen door vele leden Societeit gehouden, die deze zaal grootendeels op eigen kosten

meubileerden, en waar later eens in 't begin van 't jaar 's avonds een souper werd gehouden. Bij de

totstandkoming der nieuwe Societeit werd de Buitensocieteit weder aan de stad afgedragen.

Wij zijn nu echter vooruitgeloopen op den bouw der voormalige binnensociteit; het besluit

daartoe is stellig niet met overhaasting genomen, want reeds in 1862 werden daarvoor plannen

gemaakt, die echter in de algemeene vergadering van 25 Mei 1862 werden afgestemd. Sedert dien

tijd waren Hoofden bijna onafgebroken bedacht op die verbouwing; eerst in de vergadering van 8

November 1874 werd besloten tot den aankoop van het hoekhuis Groote Houtstraat en Spekstraat,

de Snuifmolen van de firma KRUSEMAN, voor den prijs van f 25,000, waarvoor een leening van f

28,000 rentende 5 % werd gesloten, en een commissie benoemd tot het maken van een plan van

verbouwing; doch het voorstel van Hoofden tot verhooging der contributiën werd in de vergadering

26


van 28 Maart 1875 afgestemd, waarmede ook het plan van verbouwing verviel, zoodat van het

aangekochte perceel het onderhuis zonder noemenswaardige vertimmering als gezelschapzaal (het

zoogenaamde aquarium) bij de Societeit werd aangetrokken en het bovenhuis onderwijl verhuurd.

In 1876 werd door de Societeit een prijsvraag uitgeschreven voor den bouw van een

societeitsgebouw op de toen door haar verkregen terreinen; de uitslag van dien wedstrijd is geweest

dat geen der antwoorden door de commissie van beoordeeling in allen deele voldoende werd

geoordeeld, maar aan het beste antwoord, ingezonden door den Heer A. J. VAN BEEK, architect te

Utrecht, een premie van f 300, en aan het daaraan naastbijkomende van den Heer L. ARNOLD,

Gemeente-Architect te Woerden, een premie van f 200 werd toegekend, en toen werd aan den

eerstgenoemde opgedragen een nieuw plan te ontwerpen, dat in de algemeene vergadering van 27

Mei 1877 ter tafel werd gebracht, toen tevens tot de verhooging der jaarlijksche contributie en het

aangaan eener leening werd besloten. De pogingen door de Hoofden gedaan om een leening van f

116,000 rentende 41/2 % te sluiten, waardoor al de vroegere leeningen zouden worden afgelost,

mislukten en eerst in de algemeene vergadering van 8 December 1878 werden Hoofden gemachtigd

tot het sluiten eener leening van f 60,000 rentende 5 % die spoedig was volteekend.

Door allerlei voorstellen en tegenvoorstellen, waaronder ook tot verplaatsing der Societeit

naar een ander onbepaald terrein, werd de zaak op de lange baan geschoven; waar eigenlijk de

schoen wrong was, dat bij iedereen de overtuiging bestond dat de bouw op de toenmalige terreinen

van T. M. B. de onmogelijkheid deed geboren worden om ooit het zoogenoemde Gat

der Groote Houtstraat, dat nauwelijks 7 meters breed was, verbreed te krijgen. Na eindelooze

onderhandelingen, zoowel met den eigenaar van het Noord-Hollandsch koffiehuis als met het

Gemeentebestuur, toen reeds tot de verbouwing op het oude terrein besloten was en binnen weinige

dagen de aanbesteding zoude plaats hebben, kwam een besluit van den Gemeenteraad van 5 Maart

1879 aan den door velen gekoesterden wensch te gemoet; de raadsleden Jhr. Mr. A. V. TEDING

VAN BERKHOUT, Dr. D. DE HAAN, J. H. KRELAGE en Jhr. J. W. M. VAN DE POLL brachten toen

het pertinente voorstel ter tafel, dat, tot verbreeding der Groote Houtstraat, de Gemeente van onze

Societeit een strook ter breedte van 5 meter langs de geheele lengte onzer gebouwen zoude

overnemen, waartegen zij aan de Societeit het door haar voor f 35,000 te koopen Noord-Hollandsch

koffiehuis en een strook gronds in de Spekstraat zoude overdragen. Dit voorstel, door den

Gemeenteraad aangenomen, werd eveneens door de algemeene vergadering der Societeit van 10

Maart goedgekeurd, ofschoon in deze laatste een aanzienlijke minderheid, die slechts 4 meter wilde

afstaan en schadevergoeding voor de gemaakte onkosten wenschte, dien ruil voor de Societeit

onaannemelijk achtte, en vermeende dat de Gemeente zich grooter offers moest getroosten voor de

verbreeding dezer hoofdstraat, die niet alleen tot verfraaiing der stad zoo veel bij droeg, maar in een

algemeen gevoelde en sedert den aanleg van den tramweg dringend geworden behoefte voldeed. De

meerderheid der leden schonk echter aan het voorstel hare goedkeuring, waardoor met gedeeltelijke

opoffering van de belangen der Societeit, zeker die der Gemeente in hooge mate zijn behartigd.

Zoo was dan eindelijk het pleit beslist, en met ter zijde stelling van alle plannen, bestekken

enz., die vrij wat geld aan de Societeit hadden gekost, werd den Heer A. J. VAN FEEK opgedragen

een nieuw plan op te maken, hetwelk, na ter visie der leden te hebben gelegen, in de algemeene

vergadering van 24 Maart 1879 werd vastgesteld; na publieke aanbesteding werd den 10 den Juni de

verbouwing voor f 56,000 aan den aannemer A. RAASVELD gegund. Daar dit plan grootere kosten

vereischte dan waarop in 1877 was gerekend, werden de Hoofden door de Algemeene Vergadering

van 16 Juni 1879 gemachtigd nog een leening van f 20,000 te sluiten.

Het oud gebouw werd den 22 Juni 1879 verlaten en op 18 September had de eenvoudige

plechtigheid der eerste steenlegging plaats.

Toen de veelvuldige door Hoofden aangewende pogingen tot verkrijging van een geschikt

hulplokaal mislukt waren, kwam de Societeit Eendragt welwillend te hulp door de leden van T. M.

B. als gasten in haar lokaal uit te noodigen, welk vriendelijk aanbod natuurlijk dankbaar werd

aangenomen, en van welke gastvrijheid tot 26 November 1879 gebruik werd gemaakt, toen het

28


Gemeentebestuur tegen een matigen huurprijs de groote zaal op het Prinsenhof afstond, in welke

zaal bijna een geheel jaar, met een tusschenpoozing van een maand wegens de vergadering van de

Provinciale Staten, Societeit werd gehouden. Eindelijk op 7 December 1880 kon de Nieuwe

Societeit op de Groote Markt, hoewel nog van binnen niet geheel gereed, door den toenmaligen

Keizer Dr. E. H. VON BAUMHAUER, aan wiens gedenkboek bij die gelegenheid uitgegeven, al het

bovenstaande ontleend is, geopend worden.

En zoo heeft dit gebouw nagenoeg 42 jaar als Societeit bestaan, voorwaar wel kort in

vergelijking met de vroegere min luxueuse gebouwen waar Trou achtereenvolgens in den loop der

tijden gevestigd was.

Keek heel Haarlem in 1880 nog met bewondering naar dit nieuwe Cieraad van bouwkunst,

en verklaarde zelfs de Keizer Dr. E. H. VON BAUMHAUER dat het onooglijke vischhuisje nu maar

zoo spoedig mogelijk moest verdwijnen, het waren de laatste jaren van wansmaak op kunstgebied,

waaraan het grootste gedeelte der 19 e eeuw heeft geleden.

Het vischhuisje staat gelukkig nog en in 1897 erkende de nieuwe Keizer F. LIEFTINCK in

een vergadering dat de Societeit als gebouw er nooit zoo moest hebben uitgezien.

Reeds van den beginne aan had de Societeit te kampen met een chronische financieele

malaise, waartegen alle lapmiddelen niet baatten. Verbeteringen aan verwarming en toiletten

bleken al spoedig noodig, tot dekking der kosten werd herhaaldelijk de contributie verhoogd en

meermalen een beroep gedaan op de offervaardigheid der leden, toch steeg de schuldenlast en sloot

men telken jare met een tekort.

Daarbij kwam dat toen in 1888 het contract met de gemeente betreffende de

Buitensocieteitvernieuwd moest worden, de Raad besloot het terrein opnieuw te verhuren telkens

voor 5 jaar tegen een som van f 500 's jaars en de verplichtingjaarlijks 13 concerten te geven; een

niet onbelangrijke vermeerdering van uitgaven dus.

In 1895 bedroeg de schuld f 119,500, in '98 f 123,500.

Verschillende pogingen de diverse leeningen tot eene à 4 % te converteeren hadden

aanvankelijk geen resultaat, doch werden toch ten slotte tot een goed einde gebracht.

Ten einde een blijvende vermeerdering van inkomsten te verkrijgen, werd in 1901 besloten

de beneden verdieping, waarin o. a. de leeszaal en de bestuurskamer gevestigd waren, te verhuren

tegen f 1000 's jaars. De jassenkamer werd tot bestuurskamer gepromoveerd en op de boven

vestibule een groote kapstok geplaatst voor de jassen. De voor een en ander noodige verbouwing

werd op f 4000 geraamd, waarvoor een leening werd aangegaan. Een nog restend tekort van ± f

7300 werd door een rentelooze leening gedekt, die op f 350 na volteekend werd. Reeds eenige jaren

vroeger, zooals eenige bladzijden tevoren vermeld werd, had een belangrijke verbouwing van de

Buitensocieteit plaats gehad. Dit stond o. a. ook in verband met de stichting van het Brongebouw,

waardoor het Bestuur bevreesd werd dat bij opheffing der Buitensocieteit vele leden zouden

bedanken en hun troost zoeken in het Brongebouw.

Intusschen ging het ledental steeds achteruit en daarmede de inkomsten. Evenals overal in

den lande had het Societeitsleven, vooral door de opleving op sportgebied, veel van zijn beteekenis

verloren, vooral bij het jongere geslacht, zoodat ouderen, die de Societeit kwamen te ontvallen, niet

voldoende werden aangevuld; ook de vertering verminderde, en het spreekt van zelf dat het plan

om in 1900 het 400-jarig bestaan van T. M. B. plechtig en feestelijk te herdenken tot veel discussie

aanleiding gaf. Ten slotte werd hier toch toe besloten; een poging om een oud Rederijkerspel op te

voeren mislukte, doch de factor WALLER gaf een gedicht ten beste, dat in druk verscheen en

verschillende photo's bevatte van de societeitsgebouwen voorheen en thans. 27)

Bij de Kroningsfeesten in 1898 werd het gebouw smaakvol versierd en geïllumineerd en bij

de geboorte van Prinses JULIANA een avondfeest met dames georganiseerd.

Hoofden hadden zeer zeker een zware taak, want op verschillende vergaderingen werd door

sommige leden de achteruitgang der Societeit aan hun gebrek aan initiatief geweten, door niet te

zorgen voor meer aantrekkelijkheid. Men moest uitgaven durven doen, om daardoor meer leden te

30


trekken, enz. Het was echter evenzeer begrijpelijk dat Hoofden dergelijke risico's niet durfden op

zich te nemen.

Weder werd in ernstige overweging genomen het contract betreffende de Buitensocieteit,

dat in 1919 afliep, op te zeggen, wat een belangrijke besparing zou geven. Deze toch kostte

jaarlijks ± f 3750. Om hiertoe zonder meer over te gaan kwam Hoofden ook weer bedenkelijk voor,

daar de vrees bestond dat vele leden, die in de buurt van Heemstede woonde en dagelijks, ook 's

winters, Buiten in een locaal samenkwamen, zouden bedanken. Eenige leden opperden dan ook het

plan, evenals de Witte Societeit in den Haag te Scheveningen had gedaan, een filiaal te Zandvoort

op te richten en de Buitensocieteit op te doeken, een plan dat ook bij sommige der Hoofden

instemming vond, zonder dat het echter tot een definitieve beslissing kwam.

Het was echter uit de verschillende besprekingen duidelijk gebleken dat de toestand zóó niet

voort kon duren, daar deze aanleiding moest geven tot het hoe langer zoo meer bedanken van leden

en ten slotte tot algeheele ondergang der aloude Societeit.

Dat de Buitensocieteit, nu het contract in 1919 afliep, niet kon gehandhaafd blijven stond

wel vast; hoe nu echter een oplossing te vinden dat de belangen van beide deelen vereenigd

werden? Toen kwam een aanbod van de Gemeente om het Societeitsgebouw op zeer aannemelijke

voorwaarden te koopen voor f 125,000. In een vergadering, waarbij dit aanbod de hoofdschotel

was, op den 20 Maart 1919, kwamen Hoofden met het voorstel om het navolgende besluit te

nemen:

Hoofden der Societeit Trou moet blijcken worden gemachtigd om:

A. Het gebouw der Binnensocieteit aan de gemeente Haarlem te verkoopen voor de som

van f 125,000 en van die verkoop een voorloopig contract op te maken, onder de

voorwaarden:

1. dat de gemeente Haarlem vóór den eersten Mei 1924 nòch de medewerking der

Societeit tot het doen verlijden van het definitief koopcontract, nòch de levering van

het verkochte zal kunnen vorderen en zich verbindt tot het definitief transport vóór

genoemden datum te zullen medewerken, indien Hoofden zulks mochten verlangen;

2. dat, indien de definitieve overdracht vóór1 Mei 1924 plaats heeft, het verkochte

aan de gemeente zal overgaan met de tot dien datum loopende huurovereenkomsten

betreffende den winkel aan de Groote Markt en de Kapperssalon aan de zijde van de

Spekstraat;

3. dat het verkochte tot de definitieve overdracht in gebruik zal blijven bij de

Societeit;

4. dat alle kosten op de verkoop en de levering vallende, door de gemeente zullen

worden gedragen; en voorts onder zoodanige andere voorwaarden als Hoofden in het

belang der Societeit geraden zullen achten met de gemeente overeen te komen.

B. Bij voorloopig koopcontract, onder zoodanige voorwaarden als Hoofden in het

belang der Societeit geraden zullen achten, en onder voorbehoud van nadere

goedkeuring van de ledenvergadering ten behoeve van de Societeit aan te koopen het

onroerend goed, dat aan Hoofden geschikt zal voorkomen tot vestiging van een

nieuw Societeits-gebouw.

Het spreekt vanzelf dat een zoo ingrijpend voorstel, hoewel het bij het meerendeel der leden

instemming vond niet zonder discussie werd aangenomen. Sommigen meenden dat Hoofden te

gauw een besluit hadden genomen en allicht bij anderen een beter bod te verkrijgen ware geweest.

Velen twijfelden of door verandering van gebouw een betere financieele toestand zou worden

verkregen.

Hoofden antwoordden hierop dat het gebouw getaxeerd was en dit aanbod belangrijk boven

de taxatie ging, terwijl uit besprekingen met het Gemeentebestuur de indruk was verkregen dat

31


mochten Hoofden in 1924 er niet in geslaagd zijn een nieuw gebouw te vinden, de termijn van

oplevering voor verlenging vatbaar was.

Wat de financieele toestand betreft zou deze indirect wel degelijk beter worden omdat dan

de andere plannen uitgevoerd konden worden en opheffing der Buitensocieteit belangrijke

besparing zou geven. Men was van plan te zoeken naar een perceel meer in het Zuiden gelegen nu

het Centrum van Haarlem zich meer in die richting verplaatst had, en zou zooveel mogelijk

gestreefd worden om datgene wat de Buitensocieteit biedt in één gebouw te vereenigen met wat de

Binnensocieteit geeft. Het nieuwe gebouw moest gezelliger zijn dan het tegenwoordige en de

exploitatie loonender gemaakt kunnen worden. Beide inrichtingen aanhouden was evenwel

onmogelijk, wilde men aan de bestaande Binnensocieteit de gewenschte attracties verbinden,

zoodat beslist naar een ander gebouw moest worden omgezien. Nadat Hoofden nog hadden

toegezegd zoo dikwijls dit noodig mocht zijn met deskundigen te zullen raadplegen werden beide

voorstellen in stemming gebracht en het 1 e met een flinke meerderheid aangenomen, het 2 e met

algemeene stemmen. Evenals Dr. E. H. VON BAUMHAUER het ontstaan onzer voormalige Societeit

eenigzins breedvoerig heeft behandeld, ziet schrijver dezes zich genoodzaakt in deze en volgende

bladzijden dit voorbeeld te volgen, hoewel hij zich volkomen bewust is dat de lectuur hiervan door

vele tijdgenooten eentoonig zal worden gevonden. Men bedenke evenwel dat het hier een

gedenkboek geldt voornamelijk voor het nageslacht bestemd en een latere geschiedschrijver ontlast

moet worden van de noodzakelijkheid alles wat vroeger geschied is uit de archieven na te pluizen,

wat mij o. a. gebleken is zeer tijdroovend te zijn.

Nadat in de Maart-vergadering van 1919 het besluit genomen was tot verkoop van de

Binnensocieteit aan de gemeente Haarlem gingen Hoofden zoo spoedig mogelijk over tot de

voorbereiding van de vestiging van een nieuw Societeitsgebouw. Daarbij werd in de eerste plaats

rekening gehouden met den in de ledenvergadering uitgesproken wensch, dat het nieuwe gebouw in

zich zou vereenigen de voordeelen, die het tegenwoordig bezit zoowel van een Binnen- als van een

Buitensocieteit oplevert, zulks in verband met de aanstaande opheffing van de Buitensocieteit.

Hoofden stelden zich voor, dat de nieuwe Societeit moest komen ten Zuiden van de

Binnensocieteit en ten Noorden van de Buitensocieteit en daarbij op mooien stand.

Tegelijkertijd werd gezocht naar geschikte bouwterreinen en naar perceelen, die voor de

vestiging van de nieuwe Societeit in aanmerking konden komen.

Veel bouwterrein was niet te vinden; bovendien waren de kosten van nieuwbouw toen zóó

hoog, terwijl zeer weinig kans bestond op verlaging daarvan in de toekomst, dat Hoofden al

spoedig meenden de voorkeur te moeten geven aan den aankoop van een bestaand perceel.

Ten noorden van de Houtbrug bleek geen enkel geschikt pand verkrijgbaar te zijn. Aan de

Dreef en het Florapark waren echter enkele perceelen te koop, die bij oppervlakkige beschouwing

bruikbaar leken. Onder de deskundige leiding van ons medelid den Heer J. VAN DEN BAN werden

die perceelen bezichtigd; de meest geschikte werden met de noodig geachte veranderingen in

teekening gebracht. Bij nadere beschouwing bleek echter geen enkel van die perceelen zoo te

kunnen worden verbouwd of veranderd, dat het zou voldoen aan de eischen, die Hoofden aan het

nieuwe gebouw wilden stellen.

Deze voorbereidende maatregelen waren reeds vrij ver gevorderd, toen de erven Mr. CH.

ENSCHEDÉ zich bereid verklaarden het perceel Hazepaterslaan 34, hoek Dreef, aan de Societeit te

verkoopen.

Nadat dit perceel reeds bezichtigd was moesten verdere onderhandelingen worden

afgebroken, doch vrij spoedig konden die opnieuw geopend worden.

Het perceel werd de Societeit te koop aangeboden voor f 130,000, waarvan f 30,000 te

betalen binnen een maand na het sluiten van het voorloopig koopcontract en het restant bij de

levering. De levering zou moeten plaats hebben uiterlijk op 1 Mei 1922; mochten de tegenwoordige

eigenaars eerder wenschen te leveren, dan zou de aanvaarding moeten geschieden uiterlijk 3

maanden nadat de wensch daartoe te kennen gegeven was.

32


De Heer VAN DEN BAN bracht ook dit perceel met de wenschelijk geoordeelde wijzigingen

in teekening.

Hoofden waren van meening, dat dit pand na verbouwing alleszins geschikt zou zijn voor

het beoogde doel.

De riante en gunstige ligging, aan halten van twee tramlijnen, zal geen beschrijving

behoeven; de indeeling van het huis, zooals die na de verbouwing zou zijn, was op de teekeningen

duidelijk aangegeven.

De totale oppervlakte was 35 Aren 57 Centiaren.

Hoofden meenden evenwel, dat een stuk van den tuin aan de Hazepaterslaan, ter grootte van

2000 M 2 , voor de Societeit gemist kon worden. Zij hadden daarom onderhandelingen aangeknoopt

over den verkoop daarvan; als prijs zoude minstens f 40,000 te bedingen zijn.

Hoofden schatten, zooals uit een staat van ontvangsten en uitgaven bleek, de kosten van

aankoop, verbouwing, meubileering en inrichting van het nieuwe gebouw met bijkomende kosten

(alsmede een wachtgeld van f 500 aan den kastelein van de Buitensocieteit) op f 208,750; zooals

eveneens uit dien staat bleek, zou daartegenover een bedrag van f 166,750 aan ontvangsten staan.

Het tekort van f 42,000 of; met bijrekening van onvoorziene uitgaven, van f 45,000 moest dan nog

gedekt worden. Hoofden deden daarvoor in de eerste plaats een beroep op de offervaardigheid der

leden; het eventueel tekortkomende stelden zij zich voor te verkrijgen door een renteloze leening.

Een exploitatierekening van het nieuwe gebouw werd eveneens ontworpen : deze sloot met een

nadeelig saldo van f 1500. Ook dit tekort zou natuurlijk gedekt moeten worden en een verhooging

van de contributies, die ondanks de stijging van alle bonen en prijzen tot heden nog was

uitgebleven, achten Hoofden het daartoe aangewezen middel.

Tenslotte volgt hier het voorstel, dat Hoofden aan de vergadering deden:

De vergadering besluite:

1. Hoofden te machtigen tot het aangaan van eene rentelooze leening ten laste van de

Societeit, groot ten hoogste f 45,000, verdeeld in obligaties aan toonder van f 100,

waarvan jaarlijks, voor het eerst in 1924, zullen worden uitgeloot minstens 5 stuks;

en onder voorbehoud dat Hoofden over genoemd bedrag, hetzij door giften hetzij

door plaatsing van de sub 10. bedoelde obligaties, de beschikking zullen hebben

verkregen;

2. Hoofden te machtigen om ten behoeve van de Societeit voor honderd-dertig-duizend

gulden (f 130,000) aan te koopen het perceel gelegen te Haarlem aan de

Hazepaterslaan, plaatselijk genummerd 34 en bij het kadaster der gemeente bekend

in Sectie 1 No. 742, ter grootte van 35 Aren 57 centiaren, onder voorwaarde dat de

levering zal moeten plaats hebben uiterlijk 1 Mei 1922 en van den koopprijs f 30,000

zal moeten betaald worden binnen eene maand na het sluiten van het voorloopig

koopcontract, en voorts onder zoodanige andere voorwaarden als Hoofden zullen

geraden achten met de tegenwoordige eigenaars overeen te komen;

3. Hoofden te machtigen om van den tuin aan de Hazepaterslaan van het sub. 2.

bedoelde perceel het gedeelte, ter grootte van 2000 M 2 ., zooals is aangegeven op de

terreinkaart, te verkoopen voor minstens veertig-duizend gulden (f 40,000) onder

zoodanige voorwaarden als Hoofden zullen geraden achten met de eventueele

koopers overeen te komen;

4. Hoofden te verleenen: a. een crediet van ten hoogste vijftig-duizend gulden (f

50.000) voor de verbouwing van meerbedoeld perceel volgens de daarvan door den

Heer J. VAN DEN BAN gemaakte teekeningen, alsmede voor den aanleg van centrale

verwarming en electrische geleidingen; b. een crediet van vijf-en-twintig -duizend

gulden (f 25,000) voor de inrichting en meubileering van het gebouw;

5. Hoofden te machtigen om het huurcontract met de gemeente betreffende de

Buitensocieteit vóór 15 Augustus 1920 op te zeggen;

33


6. Hoofden te machtigen om aan den kastelein der Buitensocieteit bij het eindigen van

zijne dienstbetrekking wegens de opheffing van de Buitensocieteit als wachtgeld de

som van vijfhonderd gulden (f 500) uit te keeren;

7. Hoofden op te dragen om aan de ledenvergadering een voorstel te doen betreffende

het toekennen van een pensioen aan den kastelein der Binnensocieteit;

8. Hoofden te machtigen om ter uitvoering van het naar aanleiding van dit voorstel te

nemen besluit en ter vestiging van de Societeit in het sub 2. bedoelde perceel verder

al datgene te doen wat zij in het belang der Societeit zullen geraden achten.

Dit voorstel werd in de vergadering van 7 Mei 1920 met groote instemming begroet en

aangenomen, terwijl door vrijwillige bijdragen van leden de som van f 45,000 vrij spoedig bijeen

was; dan helaas, es war zu schôn gewesen! Den 8 October 1920 bereikte ons de droeve tijding dat

de erven ENSCHEDÉ van inzicht veranderd waren en niet langer bereid werden gevonden het huis

aan T. M. B. te verkoopen.

Dit was een groote tegenslag. Het gebouw op de Markt verkocht, en geen nieuw in de

plaats. Wel restten ons nog 4 jaar vóór de verplichte oplevering, maar waar een geschikt gebouw te

vinden dat aan alle wenschen zóó zoude beantwoorden als het huis der familie ENSCHEDÉ? Een

gevolg van deze gebeurtenis was dat thans de opheffing al of niet der Buitensocieteit weer aan de

orde kwam.

Het werd toch niet raadzaam geacht na deze teleurstelling, waar ieder gehoopt had op een

levensvatbare Societeit, waarbij de belangen van Binnen- en Buiten-Trou zoo gelukkig vereenigd

waren, en nu alles weer in de lucht hing, over te gaan tot het opheffen der Buitensocieteit, tot

groote ontstemming van de leden die daar geregeld samenkomen.

Men had dus onderhandelingen aangeknoopt met de Gemeente om de Buitensocieteit van

jaar tot jaar te mogen inhuren. Deze hadden tengevolge dat de Raad hiertoe bereid bleek mits met

behoud der concerten en een jaarlijksche huur van f 750.

Hoofden zaten intusschen niet stil. Nadat vergeefs getracht was van de Gemeente

bouwgrond te verkrijgen tot het stichten van een nieuw gebouw en daar de tijd drong, kwamen

Hoofden met het voorstel tot 't aankoopen van een perceel met tuin, gelegen op den hoek van

Kleine Houtweg en Badhuisstraat, ,,Veldzicht" genaamd. Het was er hierbij voornamelijk om te

doen zich van een pand te verzekeren voor het geval dat op den fatalen termijn van oplevering van

het gebouw op de Groote Markt, niets nieuws was verkregen, zonder dat daarom direct tot

verbouwing behoefde te worden overgegaan.

Nadat dit voorstel op de Vergadering van 9 December 1920 was aangenomen en T. M. B.

op 1 Februari 1921 eigenaresse van bovengenoemd perceel was geworden, werden door ons

medelid, den architect J. V. D. BAN, een drietal plannen voor de verbouwing opgemaakt, welke,

zooals nader blijken zal, nimmer tot een begin van uitvoering zijn gekomen.

Al dadelijk waren er verschillende leden die na kennis genomen te hebben van de

verbouwingsplannen, zich achteraf niet met den koop van ,,Veldzicht" konden vereenigen, voor

namelijk uit overweging dat men tenslotte een gebouw zou krijgen dat veel meer zou kosten dan de

verkoopsprijs van het bestaande, terwijl het bij dit laatste in alles wat ligging, stand en inrichting

betrof; achterstond.

Deze leden dienden dan ook bij Hoofden een verzoekschrift in, waarbij werd aangedrongen

om het contract met de Gemeente betreffende aankoop van het gebouw op de Groote Markt z.s.m.

te annuleeren en de Societeit rustig te laten waar zij was. Uit den verkoopsprijs van ,,Veldzicht"

kon het bestaande gebouw dan gerestaureerd en aantrekkelijk gemaakt worden.

Toen kwam in Mei 1921 een aanbod van onzen mede-broeder Jhr. P. QUARLES VAN

UFFORD om zijn ouderlijk huis met 't daarnaast gelegen perceel in de Groote Houtstraat Nos. 115

en 117 tegen taxatieprijs over te nemen.

34


Na bezichtiging door Hoofden en na schatting van de waarde op f 75,000 meende Hoofden

de optie tot koop van de perceelen voor dit bedrag voor de Societeit te moeten vragen, welke optie

hun verleend werd tot 1 Juli 1921.

Er waren dus nu aanhangig 3 plannen en wel:

1. Plan ,,Veldzicht" (drie ontwerpen A, B en C)

2. Plan behoud Societeit Groote Markt,

3. Plan Groote Houtstraat.

In aanmerking nemende het verzet dat door de indiening van plan II was gebleken te

bestaan tegen plan 1 en uit overweging dat de perceelen Groote Houtstraat tot een geschikt

Societeitsgebouw konden worden ingericht, meenden Hoofden aan plan III de voorkeur te moeten

geven boven plan 1, waarbij de hoop werd uitgesproken dat de leden die plan II hadden voorgesteld

na kennisneming met plan III hun voorstel zouden intrekken.

In de veronderstelling, dat zij, die Hoofden in staat hadden gesteld ,,Veldzicht" aan te

koopen, zouden goedvinden, dat de opbrengst van dat perceel gebruikt werd voor de uitvoering van

plan III, stelden Hoofden voor het volgende besluit te nemen:

Hoofden worden gemachtigd:

1. ten behoeve van de Societeit aan te koop en de perceelen Groote Houtstraat Nos.

115 en 117 met den daarachter gelegen tuin voor den prijs van f 75,000 plus de

transportkosten;

2. de sub 1. bedoelde perceelen te doen verbouwen en inrichten tot Societeit volgens

de aan de vergadering meegedeelde plannen van den architect J. VAN DEN BAN

voor ten hoogste f 34,600;

3. het perceel, genaamd ,,Veldzicht", aan den Kleinen Hout-weg No. 33 te verkoopen;

4. het verzoekschrift, strekkende tot het aanknoopen van onderhandelingen met het

Gemeentebestuur van Haarlem om te geraken tot ontbinding van het koopcontract

betreffende het perceel aan de Groote Markt, voor kennisgeving aan te nemen.

In de vergadering van 9 Juni 1921 werd het voorstel van Hoofden aangenomen en kon een

begin gemaakt worden met de verbouwing.

Volgens de begrooting van den fiscaal was deze als volgt:

Koopsom..................................f 75,000

Overdracht.............................. ,, 3,000

Verbouwing............................ ,, 35,000

Aflossing vlottende schuld..... ,, 20,000

Saldo voor inrichting.............. ,, 27,000

________

f 160,000

Opbrengst Groote Markt......................... f 125,000

,,Veldzicht"..................... ,, 35,000

________

f 160,000

Den 7 den April 1922 had de laatste algemeene vergadering in het gebouw op de Groote

Markt plaats.

Bij die gelegenheid gaven de broeders nogmaals blijk van hun liefde voor de aloude

Societeit door het aanbieden van geschenken voor de meubileering en aankleeding van het nieuwe

Societeitsge bouw.

De bezoekers van de Binnensocieteit boden Hoofden bij monde van den Heer A. J. H. Graaf

VAN LYNDEN een som geld aan tot het aanschaffen van een tweetal lichtkronen, die der

35


Buitensocieteit bij monde van den Heer VAN BEMMELEN een som gelds ten bedrage van f 160 aan

om daarover ter verfraaiing van het interieur te beschikken; hierbij werd nog gevoegd een antieke

klok en een scherm, behoorende tot den inventaris der Buitensocieteit.

Hoofden deden verder nog de mededeeling dat door hen een zonneklok zou worden

aangeboden en door de Commissie welke zich belast had met de inrichting van het nieuwe gebouw

een penant spiegel.

En thans bij de opening van deze Nieuwe Societeit, die nog vele jaren onder de hoede der

Pelikanen de eeuwenoude traditie der Rethorykcamer Trou moet blycken moge handhaven, besluit

ik met den wensch, dat de woorden van het laatste jaarvers in vervulling mogen komen:

Mijn geestesoog ziet in getalen,

Na d'oopning van de nieuwe Soos,

Er zich verdringen in haar zalen

De leden; 't is er vol altoos.

Als beide Trou's zijn saamgesmolten

De Markt en Buiten-societeit

Dan stroomt het toe van wijd en zijd

En 't wordt een ongekende volte.

De Pelikaan neemt toe in bloei

Men hoort niet langer zwanenzangen,

Gedruktheid wordt voor goed vervangen,

Door vast vertrouwen in zijn groei

Komt voortaan hier geregeld kijken

En stelt U trouw bezoek tot wet.

De Trouw dient hier voorop gezet.

Want onze zinspreuk ,,Trou moet blijcken"

Mag nimmer zijn een holle klank,

't Is een devies om naar te leven

0. VAN LENNEP,

Factor.

36


BIJL. 1

JAARVERZEN DER FACTORS

VAN 1702 TOT 1922

1702 Jacob Storm Ziel-sugten om een Geluksalig Nieuw-jaar over gants Nederland. 2 Timoth. 2 v.

13.

1703 ? ?

1704 ,, Nieuw-Jaar of hertelijke Sugt voor 't wel-zijn van Nederland. Psalm 94 vers 12,

13, 14 etc.

1705 ,, Kort vertoog van 't Onvergelijkelijk Zegen-jaar MDCCIV. Arma Virosque

Cano.

1706 ,, Oorlogs-gevallen van den Jaare MDCCV. Dabit Deus his quoque finem.

1707 ,, Triomfzang over de groote Zegepraalen der Bontgenooten van den jaare S 706.

Vincendum toties: terras fundendus in omnes est cruor hostilis Lucan.

1708 Lukas Schermer De heldendaaden van den Jaare MDCCVII. Est incerti fallax fiducia Martis. Sil.

Italic.

1709 ,, De dapperheid der Bontgenooten van den Jaare 1708. Ite viri mecum, dubiisque

evincite rebus. Quae meminisse juvet, nostrisque nepotibus instent. Val Flac.

1710 ,, De Tempel van Saturnus, verbeeldende den Oorlogsroem der Bontgenooten van

den Jaare 1709.

1711 ,, Het krijgstoneel der Bontgenooten van den Jaare MDCCX.

1712 S.E.V. Breen Bespiegeling over de Gevallen der Bontgcnooten van den Jaare MDCCXI.

1713 ,, Wisselvalligheeden des Oorlogs van den Jaare MDCCXII.

1714 P. Vlaming Lof der Trouwe.

1715 ,, Alcides. Jaarzang.

1716 P. Langendijk Emmanuël. Jaarzang op de Geboorte onzes Zaligmaakers en Gezalfden Jezus

Christus.

1717 Henricus Buyzen, M.D. De Geboorte van onzen Heere en Zaaligmaaker Jesus Christus.

1718 ,, Het Profeetisch-Ampt van onzen Heere en Zaaligmaaker Jesus Christus.

1719 Hermanus van den Burg Nieuwjaarsgifte (handelt over de Trouw van Christus).

1720 Pieter Langendijk Lofkrans voor de Stadt Haarlem.

1721 ,, Rampen van het jaar 1720.

1722 ,, Lof der Dichtkonst.

1723 ,, Lofdicht op het Eerbeeld van Laurens Koster, eersten Vinder der Drukkunst.

Kunstig uitgehouwen door Mr. G. van Heerstal, en opgerecht binnen de stadt

Haarlem in den Artsenijhof, in den Jaare 1722.

1724

tot

1744

,, De Afbeeldingen der Graaven van Holland in de zaal van 't Stadhuis der Stad

Haarlem, 't aloude hof gesticht van Willem, Roomsch koning, Graaf van

Holland, Zeeland, heere van Friesland enz.

1745 ,, Spoor tot een Algemeenen Vreede.

1746 ,, Herdersklagt over de Rampen des Oorlogs.

1747

tot

1756

,, Tien jaarzangen op Willem den Eersten, Prins van Oranje, Stadhouder van

Holland en Zeeland, Grondlegger der Nederlandsehe vrijheid. In 1749 behalve

de 3de jaarzang op Willem den Eersten nog een vers: Op den Triomfdag over

den Vreede gesloten binnen Aken, des nachts tusschen den 17 en 18 October des

jaars 1748. In 1752 werd die reeks afgewisseld door een Lykklacht der

Nederlandsche Maagd, aan het graf van Prins Wilem den Eersten, over het

afsterven van zijn Hoogheid Willem Karel Hendrik Frizo, Prins van Oranje, 's

Lands Erfstadhonder, enz. enz. enz.

37


1757 J. Marshoorn Elfde Jaardicht op Willem den Eersten.

1758 ? ?

1759 ? ?

1760 ? Aan het Broederschap der aloude Rhetorijke Kamer in Haarlem T. M. B. (het

exemplaar schijnt niet compleet te zijn, en de naam des schrijvers ontbreekt).

1761 ? Hovaerdij. (Ook hier ontbreekt de naam des schrijvers).

1762 J.W. Nozeman Gierigheid.

1763 ,, Onkuisheid.

1764 ,, Haet en nijd.

1765 ,, Dronkenschap.

1766 ,, Gramschap.

1767 ,, Luiheid.

1768 ,, Quaedsprekenheid.

1769 Johannes van Stock Vrijheid.

1770 ,, Eerlijkheid.

1771 ,, Trouw moet blijken.

1772 ,, Achterklap.

1773 ,, Bijzonderheden zedert eenige eeuwen voorgevallen in het jaartal LXXII.

1774 ,, 't Einde kroont het werk.

1775 A. de Waal Malefijt De verlooren Zoon.

1776 Pieter van Schelle Davids klagt over Saul en Jonathan.

1777 ,, Michal aan David.

1778 ,, Michal aan David. Tweede Brief.

1779 ,, Hagar aan Abraham.

1780 ,, Jempsar aan Joseph.

1781 ,, Susanna aan Joiakim.

1782 Dit jaar werd geen vers voorgedragen.

1783 A. de Waal Malefijt Nederlands Zeeheld op de Doggersbank.

1784 ,, Trouw moet blijken.

1785 ,, De winter.

1786 ,, Het nut der eendragt.

1787 ,, Aan Nederlands gewapende manschappen.

1788 ,, De vriendschap (lierzang).

1789 ,, De landman.

1790 ,, De verwisselingen.

1791 ,, De dankbaarheid.

1792 ,, Het vertrouwen.

1793 ,, De braafheid.

1794 ,, De waarheid.

1795 ,, De vrede.

1796 ,, De milddadigheid.

1797 ,, De nuttige onkunde.

1798* Jan van Varelen De kluizenaar. Ontbreekt in het exemplaar van T.M.B.

1799 ,, Aanmaaning tot Eensgezindheid.

1800 A. de Waal Malefijt De dapperheid, toegewijd aan de belden bij de overwinning op de Engeischen en

Russchen, in den veldslag bij Castricum, voorgevallen den 6en October 1799,

met den daarop gevolgden aftogt.

1801 ,, Rijkdommen en armoede.

1802 ,, Vrede-zang.

1803 ,, De mensch.

1804 ,, Het afgelopen jaar.

38


1805 ,, De wereld.

1806 Jan Broese, Alexz. De slaap.

1807 ,, De hoop.

1808 ,, De gezelligheid.

1809 ,, De tijd baart rozen.

1810 ,, Jaarzang. Verzuchting om vrede.

1811 ,, Jaarzang. Verzuchting om vrede.

1812 ,, De vrolijkheid. Weeklacht (niet gedrukt).

1813 ,, Armoede en Weldadigheid (niet gedrukt).

1814 Jan ten Brink De ware heldenmoed.

1815 ,, De vrede van 1814.

1816 ,, De invloed der Dichtkunst op Vrijheids-min en Liefde.

1816

3 mei

A. van de Willigen Een vers op een vaatje, dat aan T. M. B. geschonken is door den Vaandrig C.

Kops (niet gedrukt).

1817 ,, Haarlem.

1818 ,, De armoede.

1819 ,, De rederijkers.

1820 ,, Maria en Antonie. (Romance te zingen op de wijze van: Wie Neêrlandsch

bloed).

1821 ,, Geen sterveling vermag al 't kromme regt te maken.

1822 ,, Eendragt.

1823 ,, Huichelarij en wreedheid.

1824 ,, Verdraagzaamheid.

1825 ,, Jan van Huysum.

1826 ,, Herinnering.

1827 ,, Philip Wouwerman.

1828 ,, Regterlijk gewijsde.

1829 ,, Floris en Anna.

1830 ,, Heldenmued en menschlievenheid.

1831 ,, Cornelis Dusart.

1832 ,, Lodewijk, Graaf van Gleichen.

1833 ,, Moed en zelfopoffering.

1834 ,, Octavio van Veen.

1835 ,, De standvastige minnaar.

1836 ,, Rembrandt.

1837 ,, De bloemen.

1838 ,, Henricus Goltzius.

1839 ,, P. Langendijk. Dit vers is waarschijnlijk ook door A. van der Willigen

vervaardigd, maar door J. A. van Eeden, factor van de Rederijk kamer de

Wijngaard~ranken, onder de zinspreuk: Liefde Boven al, voorgedragen.

1840 ,, Klagt van Zabiro bij het wegvoeren van Selima zijne gade.

1841 ,, Wouter en Maria met naschrift van J. A. van Eeden.

1842 J.A. van Eeden De nieuwe stad.

1843 ,, Een uur in St. Bavo.

1844 ,, Het Haarlemmerhout.

1845 ,, Herinnering.

1846 ,, De tijd.

1847 ,, De verwoesring van het Slot Haarlem.

1848 ,, Het rapport.

1849 ,, De Oudejaarsavond van het jaar 1848. Een gesprek tusschen twee Trompetters-

Torenwachters op den omgang van den toren der Groote Kerk te Haarlem.

1850 ,, 1849. Een droom.

39


1851 ,, Vaarwel; daarachter de beschrijving der blazoenen.

1852 ,, De publieke opinie.

1853 ,, Het water.

1854 ,, Afscheidsgroet van het oude Standbeeld van Laurens Jz. Coster.

1855 ,, Proza en Poëzy: de Aster, de Roos, Narcissus poëticus, Immortelle.

1856 ,, IJdelheid.

1857 ,, Het Diorama.

1858 ,, De laatste gast.

1859 A. Beets Jaarzang. Herinnering aan den overleden Keizer C. J. de Bruyn Kops.

1860 ,, Proeve eener heknopte verhandeling op rijm over de oude Rederijkerskamers,

1ste gedeelte.

1861 ,, Idem, 24e gedeelte.

1862 ,, Jaarzang over den watersnood en het nijverheidscongres.

1863 ,, Hoe Pluto Proserpina schaakt. 3e gedeelte der Proeve enz.

1864 ,, 1863. Jaarzang.

1865 ,, De Haarlemsche Moniteur over 1864. Een charivari.

1866 ,, Jaarzang. Gemengde berigten over 1865 op rijm.

1867 ,, Dat jaar is wegens de ongesteldheid van den Factor geen vers gemaakt, doch

heeft de Keizer Jhr. L. J. Quarles van Ufford een gedicht voorgedragen, dat niet

is gedrukt.

1868 ,, Jaarzang voor 1867-1868. Rijmkronijk.

1869 ,, Rijmkronijk.

1870 ,, Des Factors afscheid.

1871 ,, Rijmkronijk.

1872 ,, Wat de Factor van »Trouw moet blijken" zich voornam te doen en niet deed.

1873 ,, Fragment uit een nieuw Nederlandsch A B C Boek voor de meer bejaarde jeugd.

1874 ,, De natuurlijke historie van den mensch, door een schoolmeester aan zijn kindren

verteld.

1875 D. Beets In Memoriam van den Factor A. Beets, overleden 15 Aug. 1874.

1876 J.B. Duisenberg Wenschen, wenken en nogwat.

1877 J.E. Gerdessen Rijmkronîjk.

1878 J.B. Duisenberg Rijmkronijk in Alphabet.

1879 J.J. van Brederode Voorheen en thans.

1880 J.B. Duisenberg Rijmkronijk.

1881 ,, Begroeting bij de inwijding gebouw.

1882 Dr. J. van Vloten Zonder titel.

1883 H.F. Waller De poëzy van Trou.

1884 ,, Terugblik.

1885 ,, Iets uit liet lief en leed van een Haarlemmer in 1884.

1886 ,, Rijmkroniek.

1887 ,, Kwesties.

1888 ,, Strijd.

1889 ,, Vooruitgang.

1890 ,, Reisherinneringen.

1891 ,, Grensvragen.

1892 ,, Kleuren.

1893 ,, Trou moet blijeken.

1894 ,, Financiën.

1895 ,, Verrassingen.

1896 ,, Hangende Quaesties.

1897 ,, Triomfeerende helden.

40


1898 ,, Spanning.

1899 ,, Contrasten.

1900 ,, Zaaien en Oogsten.

1901 ,, Wisselen en blijven.

1902 ,, Concurrentie.

1903 ,, Rijmkroniek.

1904 ,, Emotie kroniek.

1905 ,, Licht en Duisternis.

1906 Mr. H. Ph. Visser 't Hooft Van scheiden en verbinden.

1907 ,, Van vuur en water.

1908 ,, Van het Vredejaar.

1909 ,, Trachten en bereiken.

1910 ,, Prinsessedag.

1911 ,, Een kijkje in de toekomst.

1912 ,, Van 't matelooze jaar.

1913 ,, Den bal raak of mis slaan.

1914 ,, Van vrijheid en onafhankelijkheid.

1915 ,, De stormmarsch der volken.

1916 ,, Om den evenaar.

1917 ,, Oorlogswinst.

1918 ,, Van rantsoeneering en nog wat.

1919 ,, Zonsopgang.

1920 ,, Langs de helling.

1921 ,, In Vogelvlucht.

1922 Jhr. O. van Lennep Quo Vadis.

41


BIJL. 2.

ORDONNANTIE waer naer de Broeders ter Camer

ondert Woord Trouw-moet-Blycken Haer

sullen hebben te Reguleeren.

,,1” Ten eersten sal het getal der Broeders voortaen niet meer als twee en dartigh moogen

sijn, ende alser een plaets open is, sal die geene die broeder wil worden, gehouden sijn sulckx te

versoecken, ende sal hem dan met goetvinden van de hoofden, die sulckx door de knecht bekent

sullen maeken, een gebodt gegeven worden, in presensie van twee hoofden, en sal soo drie

achtereenvolgende gebooden op sijn versoek krijgen, telekens een week naer malkanderen en dan

voor Broeder erkent worden

,,2” Sal soodanige nieuwe Broeder, soo hij bij sijn leven van de Broederschap en de Camer

wilde afscheijden, gehouden sijn tot een erkentenis aen de Broederschap te geven twee silvere

ducatons, die hij aen handen van de Secretaris van de Camer op sijn afscheijt sal moeten geven,

doo soo hij noch Broeder sijnde comt te sterven, sullen sijn Erfgenamen daer van vrij zijn, en niets

van gegeven worden, gelijek oock hier van sullen bevrijt sijn, die Broeders, die voor het opcomen

op de Camer of in de broederschap bett. hebben.

Uit het bijschrift in margine:

Dit Bovenstaande artijckel is hij de hoofden van Casner geroijeert en te niet gedaan, op den 9 Desemb. 1689, blijkt dat

deze Ordonnantie van vroegeren datum is.

,,3” De nieuw aengecomen Broeders zullen gehouden sijn als sij met haer twee'n sijn, de

broeders eens eerlijek te tracteeren ende sal sulckx moeten geschieden binnen de tijt van ses

weeken, naer dat de laetsten van de twee Broeder geworden is.

,,4” De broeders sullen gehouden sijn alle weecken tweemael ter Camer te comen, op de

boeten van ses stuijvers te verbeuren bij die geene die der niet eens s'weeckx en comt, en vier

stuijvers te verbeuren bij die geene die der maer eens s'weeckx comt, en die der tweemael sweeckx

comen sullen vrij sijn, van welcke boetens de knecht perfect boeck sal houden ende aen de

verbeurde Broeders alle maende bekent maecken wat sij in die maent verbeurt hebben, die dan

oock gehouden sullen sijn hare boete te beta. binnen die loopendé maent, omme alsoo d'eene maent

uijt den andre te houden, en die geene die in die tijt niet quame te beta., sullen gehouden lijn d'helft

te meer te beta. als haere boeten sullen lijn, en indien ymant langer uijtstelde en in de tweede maent

niet quame te beta. sal eens soveel als sijn boeten beloopt moeten betaelen, alles tot voordeel van

de Camer.

,,5” Sullen de Broeders niet langer op de Kamer moogen blijven als tot de klocke 9 uuren,

en sullen niet langer met de kaert moogen speulen, als tot halff negenen, ten waere dat het spel voor

die tijt was begonnen, dat dan sal moogen uijtgespeelt worden en geen meer; oock sal men niet

hooger als om één oortie moogen botten, en picketten om één stuijver of wel om één kamergelach,

doch dat maer ééns sulckx; dat die geene die het verliest daernaer niet hooger als om een stuijv. als

booven sal moogen speulen, op de verbeurte van één Rixdaelder boeten, die oock van stonden aen

zullen betaelt moeten worden.

42


In een andere Ordonnantie, die bijna eensluidende is en ook zonder datum, wordt nog het volgende

artikel gevonden

Als wanneer een broeder van deese Camer een vrind soude gelieven meede te brengen, sal

d'selve gehouden zijn aan te schellen sigh selven aan te geven met een vrind, ook dit versoght

zijnde, des vrinds naam te noemen, en wordende geadmitteert, voor de vrind te betaalen twee

stuijv. ten Profit van de Camer, en sal een en d'selve vrind, een inwoonder zijnde, alleen 3 maal in

een jaar moogen gebragt worden; welverstaande het opbrengen van bovengemelde broeder sal niet

anders moogen geschieden, als op de ordinaire kamerdaagen, en niet op maaltijden, off alsser iets

aan de broeders word gegeven.

43


BIJL. 3.

INSTRUCTIE EN REGLEMENT voor de

knegt van de Kaamer Trouw moet Blijken, waarnaa

denzelve zich Excactelijk sal hebben te Reguleeren

en te Gedragen.

Articul 1. De bediende der kaamer zal gehouden en verplicht zijn om aan alle de Heeren

van de kamer in't generaal, en aan ieder in't bijsonder alle respect, eerbied en gehoorsaamheid te

bewijlen, en wanneer imand van de Heeren iets komt te eyschen of te ordonneeren alsdan alle het

zelve met allen yver ten eersten te doen en naa te komen.

Articul 2. Zal hij gehouden en verpligt zijn van alle het geene op de kamer komt voor te

vallen of by de Heeren geredeneerd word altijd stil en geheim te houden, zonder daarvan iets het

allerminste buyten de kaamer te brengen ofte aan imand anders voort te vertellen, wie het ook

zouden mogen weezen, maar als een ordeotlijk knegt betaamt te hooren, zien en zwijgen, op

zodanige Poene het zij van cassasie, korting van Tractement, ofte andersints als de Heeren Hoofden

der Kamer zullen goedvinden hem om zyn wangedrag of desobedientie opteleggen zonder zich

daarteegen te moogen verzetten.

Articul 3. Zal hij gehouden zijn de Kaamer in Persoon waarteneemen, en niet door een

ander te laaten bedienen, als bij ziekte of om Reedenen van merkelijk belet, waarvan hij alsdan

gehouden sal lijn, aan het Eerst regeerend Hoofd van de Kaamer kennis te geeven en desweegens

versoek te doen.

Articul 4. Zal hij wel sorgdraagen moeten dat de Kaamer des soomers ten 5 uuren en des

winters ten 4 uuren open is, en dat het vuur des winters zoo tydig werd aangelegd dat het teegen

den avond ordentlijk brand.

Articul 5. Zal hij meede wel zorge hebben te draagen dat het huysraad, schilderijen en 't

geen verder tot de kaamer behoord, ordentlijk by malkander blijft, hetselve bewaaren en wel in agt

neemen, en zoo draa daar aan iets ontbreekt of deffect is, aanstonds aan de Heeren vinders van de

kaamer daarvan kennis geeven om 't zelve door hun geredresseerd en wederom hersteld te kunnen

worden, en van welk huysraad, schilderijen en verdere goederen door de Heeren vinders en

secretaris van de Kaamer aan hem eene nette lijst of inventaris sal terhand geweld worden, waar

naa hy alle deselve goederen aan de Heeren Hoofden zal hebben te verantwoorden en speciaal

wanneer hy als knegt van de Kaamer zoude mogen afgaan, deselve weederom moeten

overleeveren.

Articul 6. Zal hij de kaamer benevens derselver goederen net schoon cn zuijver moeten

houden neevens het huijs, waterplaats en secreet in de gang, en bezorgen dat alle avonden in't

koelvat zuyver en fris waater word gedaan, en wel voornamelijk zorg draagen dat wanneer de

Heeren op de Kaamer koomen, de tafels, stoelen, glaasen kandelaars en snuyters schoon en zuyver

syn en dat alles teegen dien tyd gereed en klaar is.

Articul 7. Zal hij meede gehouden zyn de kaarsen zuynig en ten meesten nutte voor de

Kamer te behandelen en te bewaaren, en des avonds op de tafels heele kaarsen op de kandelaars te

zetten en meede bij ider kandelaar een snuyter te leggen, als meede vier heele kaarsen op de

illusters voor de schoorsteen te zetten en de overgeschootène enden op zijn illusters aan 't Buftet te

verbranden, zorgdragende dat de kaarsen behoorlijk worden gesnoten.

44


Articul 8. Zal hij ook gehouden zijn alle maanden de wyn welke hem door de Heeren

vinders besorgd word teegen 46 flessen maar teegen 44 flessen voor een anker daarvan te

verantwoorden en de twee overige flessen van ieder anker sullen ten zynen behoeve zijn, en zal

gehouden zijn het Provenu van de wijn à 12 St. de fles, maandelijks aan den secretaris ter hand te

stellen en reekening te doen, mitsgaders wanneer de wijn tot op een half anker naa geconsumeerd

is, daarvan aan de Heeren vinders kennis geven.

Articul 9. Zal hij ook gehouden zijn 's maandelijks aan de Heer secretaris uitteschieten zoo

veel maandgeld als er Heeren op de Kaamer sijn à 32 St. voor ieder Heer Pr. maand, mitsgaders de

boetens, en 't geld van de Heeren wederom invorderen.

Articul 10. De bediende der Kaamer zal niet vermogen de deur van de Kaamer aan de straat

synde te sluyten, zon lang er een of meer Heeren op de Kaamer zijn, op Poene van cassatie.

Articul 11. En sal hij voorts gehouden zijn alle avonden wanneer de Heeren sulks begeeren

niet zelfs te doen, op het ordinaire kaamer Presentie Boek aan te teekenen de naam of naamen der

Heeren die des avonds ter kaamer syn, en voorts gedurende de zes wintermaanden als October,

November, December, Januarij, Februarij en Maart, wanneer des avonds van zeeven tot half neegen

uuren niet een Heer ter kaamer is geweest, zulks meede op 't voorts. Boek aan te teekenen, en

voorts alle avonden wanneer het op de klok van de groote kerk half neegen en half tien uuren

speeld, daarvan de present synde Heeren te waarschouwen, alsmeede wanneer het eene vrijen

avond is (zonder maaltijd) de Heeren te waarschouwen als de klok twaalf uuren slaat, en ingevalle

er eenige Heeren dan naa die tijd blyven mogten, den Heer fiscaal zodanige informatie en opgaaf te

doen als die zal requireeren.

Articul 12. Zal hij ook in presentie van de Heeren niet vermogen tabak te rooken, aan 't

vuur of tafel gaan sitten, of zich famillair aantestellen, maar staande met ongedekte hoofden te

dienen, tenzy hem zulks anders wierd g'accordeerd.

Articul 13. En zal de knegt tot Tractement genieten eene somma van vijftig gulden

jaarlijks, te betaalen alle vierendeel jaars eene gerechte vierde part, en vrije huyshuur en

daarenboven sal hij hebben twintig ton turf, mits gehouden sijnde daarvoor des soomers zoolang er

geen vuur op de kaamer aanlegd, voor de Heeren vuur in de Tabaksconfooren te bezorgen,

mitsgaders nog genieten eene gulden Pr. maand voor't schoonhouden van de kaamer, en dan nog

zeeven guldens eens voor't schoonmaken van de kamer in de Pinxterweek.

Articul 14. Zal hij op nieuwjaarsdag van ieder Heer in't byzonder genieten eene zilveren

ducaton of in spetie drie guldens en drie stuijvers, waarvoor hij sal gehouden lijn het gansche

loopende jaar aan de Heeren ten hunnen genoegen te besorgen en te geeven, schoone goede beste

fijne lange en korte Pijpe, als meede voor ieder Heer een almanach, en een die op de kaamer moet

blijven leggen.

Articul 15. Zal hij boven sijn Tractement nog hebben en genieten van ieder nieuw lid die op

de kaamer komt, een ducaton of drie guldens drie stuijvers.

Articul 16. Zal hij nog genieten van ider Heer die op de kaamer speeld, wanneer de partij

uit drie of meer Heeren bestaat, alsdan van ider Heer een stuijver, en de partij uit twee Heeren

bestaande als dan van ider Heer 1½ st., mits daarvoor goede fijne kaarten te leeveren.

Articul 17. Zal hem de vrijheid vergunt worden om op alle de maaltijden, soo 's middags

als 's avonds of wanneer er eenige Heeren blyven eeten, op de reekening te stellen, voor een fooijtje

5½ St. of een zesthalf, voor ider Heer, waarvoor hy gehouden zal zijn te leeveren behoorlijk

servetgoed en de tafellakens, aan de kaamer behoorende te bewassen en schoon te houden.

Articul 18. Laatstelijk reserveeren de Heeren deeser Kaamer aan hun de magt en facultyd

om het voorschreeve Reglement en Articulen, zodanig te vermeerderen ofte amplieeren,

corrigeeren, redresseeren, elusideeren en decideeren, als sy te Raaden sullen worden, waaraan hy

sig in allen opsichten sal moeten gedragen, en sal hem copia deeser worden gegeeven om sig daar

naa te reguleeren.

46


Aldus gedaan en g'arresteerd door de Heeren Leeden van de Kaamer

Trouw moet blyken, op huyden den 7 Febr. 1776.

47

By my Secretaris,

JOHANNES OVINK.


BIJL. 4.

Item als WILLEM JACOPSZ. knecht synde van de Camer van Trou moet blijcken ontfangen heeft

een schoon silveren blasoen waer op dat aen weersyden den Pellecaen staet met de advyse van

twoort Trou moet blijcken en noch aen weersijden rontom seeckere wapens en mercken van die

selvigen personen en beminders onder den voornoemd bloem en woort synde den voornoemd

WILLEM JACOBSZ. geschoncken en gegeven op conditie hier naer volcht. Dat den voornoemden

gehouden sal sijn het blaesoen des sondachs comparerend op den Camer sal ter eeren van beminden

en broeders den voorsz. Camer om den hals dragen. Item noch of het geviel dat den voornoemden

WILLEM JACOPZ. quam te sterven also wij alle in de hant des Heeren staen, dat dan de Weduwe

oft die erfgenamen sullen gehouden sijn het selvige blaesoen te leveren aen voornoemden Camer

oft aen de regierders van dien mits dat de Camer oft de regierders sullen de weduwe oft

d'erfgenamen van dien laeten genieten so veel een goutsmidt seyt het selvigen weerdt te lijn vant

silver, so veer hij knecht sijnde, gestorven is, ende of het geviel dat den voornoemd WILLEM

JACOPSZ. quame met eenige crackeel of met eenige moeyten of haspeling te scheyden vant

geselschap der Camer broeders of van de Camer gaende gelijck de broeders van dien hem niet sijn

toevertrouwende so sal hij gehouden sijn het selvige blaesoen voor noemt bij die Camer oft aen

regierders van dien te behandigen sonder daer dan yets van te genieten of eenige Actien daer aen te

pretenderen en oft de selvige hier van in weygeringe waer, sal de Camer oft de regierders van dien

meugen vervorderen van hem oft de zijnen met al sulcke recht als die Camer van Trou moet

blijcken daer van heeft en over sulcks dat dit waerachtig is so hebbe ick sonder arch ofte list dit

selvige met mijn eygen gewoonlijcke hant onderteyckent in presentie van de selvige die hier

present onderstaen.

Actum in Haerlem ter Camer van Trou moet blijcken den 14 April

Anno 1604.

48


BIJL. V.

ECHO'S DOOR HEYNZOON ADRIAANZ.

FACTOR IN 1563.

1.

Wat zijn nu de Paapen en Monniken, die zongen als een Lijster? Bijster.

Wat zullen zij nu moeten doen, die geleerde Klerken? Werken.

Hoe zouden zij werken, zij kunnen niet deze Heeren? Zij mogen 't leeren.

Is hunne leeringe van God dan iet? Gansch niet.

Komt hunne leeringe wel met Gods woord overeen? Neen.

Wat zal men dan doen met hunne geboden? Uitroden.

De zielmissen, wat doen zij de zielen profijt? Niet een mijt.

Waarom zijn dan de zielmissen van de Paapen bereid? Uit gierigheid.

Waarom doen zij de zielmissen, mij dit verteld? Om geld.

Wat zullen de zielmissen doen in 't Oordeel? Geen voordeel.

Wat zijn Paapen, Monniken en ook Jezuwyten. Hypocriten.

Hoe is 't met hun Vagevuur, ik woude dat ik 't wist? Uitgepist.

Die hun boeverij uitbragt, wat was 't voor een Ruiter? Martinus Luither.

Waar mee bewees hij hun boeverij, zeg mij dat puur? Met de Schriftuur.

Waar was 't laatste Consilie, wil mij dat in 't harte prenten? te Trenten.

Wat besloten zij daar, zeg 't mij geringe? Veel beuzelinge.

Wat was 't principaalste, zeg mij de conditie? De Inquisitie.

Wie will d'Inquisitie tegenstaan, als vroome Reuzen? de Geuzen.

Wie wil deze voorstaan, Hertog Frederik? Neen, Ederik.

Wat brengen de Predikanten, die daar buiten prediken, voort? Gods woord.

Van wien zijn ze gezonden, zeg het zonder spot? Van Godt.

Dit is ter eere van God en de Geuzen gedaan:

Maar ik zal er van de Paapen weinig dank af ontfaan.

2.

Waer voor acht men nu Monnicken ende Papen? apen.

Wat verachten de Papen? mij dit berecht. echt.

Houden sij niet hoeren genoeg in hac vita? ita.

Wat sullen haest haer Metten wesen, Mis ende Lof? of.

Wat souden wel aender Monnicken kappen horen? ooren.

Opdat mense mogt bekennen voor heel mal? al.

Wie bracht d'Inquisitie in 't land met quaed recht? Atrecht.

Waer 't niet te beklagen 't Land te verliesen met bedroch? och.

Wat salmen hem doen die d'Inquisitie heeft gaan keren? eren.

Gij mogende God weest toch beschermer van Brero. ero.

Dat hii 't volk in vrede houden mag te samen. amen.

49


1. CATALOGUS VAN BOEKEN EN SCHRIFTUREN

BEHOORENDE TOT HET OUDE ARCHIEF DER

SOCIETEIT ,,TROU MOET BLUCKEN."

A. BOEKEN.

N o . 1. Den Bibel, t'geheele Oude ende Nieuwe Testament. Antwerpen, W.VORSTERMAN

1532, fol. geïll. werd 3 Mei 1610 gekocht bij DANIEL, boeckverkooper op de Merkt

voor f 10. Inv. 1610.

N o . 2. TITUS Livius, Roemsche historie. Antwerpen, J. GRAPHEUI 1541,

fol. Inv. 1610.

N o . 3. E. VAN METEREN, Historie der Nederlanden. 's Gravenhagen,

HILLEBRAND JACOBSZ. 1604, fol. Gekocht bij DANIEL, boeckvercooper 27/2 1610,

fol. Inv. 1610.

N o . 4. L. ROTGANS, Willem de Derde, een heldendicht. Utrecht, HALMIA

en VAN DE WATER 1698, 2 dln. Een band 40.

N o . 5. L. ROTGANS, Willem de Derde, heldendicht 2e druk. Amsterdam, SCHOONENISERG

1735, 2 dln.

Een band 40.

N o . 6. Beschrijving van Graafschappen, Heerlijkheden enz. in de Nederlan den. Zeer

defect, begint pag. 41.

N o . 7. J. B. HOUWAERT, De vier uiterste, van de Doot, van het Oordeel, van d'eeuwich

leven, van de Pijne der Helle. Antwerpen, C. PLANTIJN 1583.

J.B. HOUWAERT, Milenus klachte. Leyden, SILVIUS 1578.

J.B. HOUWAERT, Den generalen loop der werelt begrepen in ses vermakelijke

boeken. Amsterdam, OTsz 1612.

JERONIMUS VAN DER VOORT, Het heerlyck bewijs van der menschen ellende ende

miserie. Dordrecht, P. VERHAGEN 1595. Een band 40, Inv. 1610.

N o . 8. J. B. HOUWAERT, Pegavides Pleyn ende lusthof der Maeghden, begrepen in sesthien

amoreuse poëtelycke stichtende boecken. Boeck 1-4. Antwerpen, PLANTIJN 1583 4 o ,

Een band.

N o . 9. J.B. HOUWAERT, Den ontschaeck van die triumphante Maeghden. Boeck 5-8.

Antwerpen, PLANTIJN 1582. Een band.

N o . 10. J.B. HOUWAERT, Den druck van d'ongheluckige Maeghden. Boeck 9-12. Antwerpen,

PLANTIJN 1582. Een band.

N o . 11. J.B. HOUWAERT, 't Houwelijck van die discrete Jonckvrouwen. Boeck 13-16.

Antwerpen, PLANTIJN 1582. Een band.

Deze bovengenoemde 4 boekdeelen werden in 1610 ingebonden

in zware lederen banden met koperen sloten voor f 5. Inv. 1610.

N o . 12. BOCCATIUS, Vijftig lustighe Historiën uit het Italiaansch overgezet door D.

COORNHERT, secretaris van Haarlem. Amsterdam, C. MULLER 1597.

Tweede vijftigtal lustighe Historiën van BOCCATIUS. Amsterdam, ADRIAANS

1605.

N o . 13 STEPHANUS GUAZZJ, Van den heuschen burgerlijeken Ommegangh, uit het

Italiaansch door GOMEE VAN TRIERE. Alkmaar, J. DE MEESTER 1603.

50


N o . 14. K. VAN MANDER, Het Schildersboek. Haarlem, P. VAN WESBUSCH 1604.

K. VAN MANDER, Uitlegging op den Metamorphosis Pub. Ovidy Nasonis, Haarlem

1604. Inv. 1610. 1 band in 1608 ingebonden bij PASSCHIER voor f 3 10 St.

N o . 15. K. VAN MANDER, Olijfbergh ofte Poëma van den laetsten dagh. Haarlem, J.

TOURNAY 1609.

N o . 16 en 16a Spelen van Sinnen op die Questie wat den mensch aldermeest tot conste verweekt.

Antwerpen 1562. 2 Ex.

N o . 17 Refereynen ende Liedekens. Brussel, VAN HAMONT 1563.Diverse Refereynen en

Liedekens. Antwerpen, F. VAN RAVELINGHEN 1582.

D. COORNHERT, Comedie van de Blinde voor Jericho. Haarlem, A. KETEL 1582.

Z. HEYNS, Vriendh Spieghel. Amsterdam, Z. HEYNS 1602.

Z. HEYNS, Pest Spieghel. Amsterdam, Z. HEYNS 1602.

De Boom der Schriftueren (zonder naam of jaartal).

Een troostelycke Dialogus. Leyden, MAST.

Kort Verhael van 't Principael, in Leyden bedreven. Bij Sotten meest, die op Vrou

Lors feest waren verschreven. Leyden, V. DORP 1596. 8 stukjes in een Band. 80.

N o . 19. Refereynen ghepronunchieerd op de intreden binnen der stede van Delft bij thien

Rhetoryck Cameren. Delft, A. HEYNDRIKS 1581.

Den Lusthof van Rethorica, verhael van de t'samencomsten der Hollantsche

Cameren binnen Leyden op 26 Mey 1596. Leyden, F. VAN RAVELINGHEN 1596.

Der Rederyckers stichtige t'samenkomste binnen Schiedam. 6 July 1603. (Inventaris

1610). 4 stukjes, 1 band.

N o . 20 en 20a, b en c. Constthoonende Juweel bij de loflycke Stadt Haerlem in 1606.

Zwolle, Z. HEYNS 1607. 4 Ex. Inv. 1610.

N o . 21. Den Nederduytschen Helicon, Eygentlyck wesende der maetdicht beminders Lust

Toneel. Alckmaar, J. DE MEESTER 1610.

N o . 22. Antwoord op de Vraghe uytghegeven bij de Brabantsche Redenrijck Camer t'Wit

Lavender. Amsterdam, P. VAN RAVENSTEVN 1603.

N o . 23. Nootwendigh Vertoogh der alleen suyverende Springbader aller kinderen Gods

antwoorden op eene uitgeschreven Caerte der Wijngaertrancken. Haerlem, D.

WACHTENDONCK 1614.

N o . 24. Der Redenrijekers stichtighe aenwijsinghe van des werelds dwael paden enz.

Antwoord op eene vrage van de Sonbloem van Kethel. Schiedam, A. C. VAN DELF

1616.

N o . 25. Vlaerdings Redenrijckbergh, met middelen beplant die noodigh sijn t'gemeen en

voorderlyck het landt. Amsterdam, K. FRANSZ 1617.

N o . 26. Vlissings Redenslusthof; uitgegeven door de Redenkamer tot Vlissinge,

DE BLAEU AECOLEYN 1642.

N o . 27. DIRK SCHELTE, Rymwerken enz. Amsterdam, H. SCHELTE 1719.

N o . 28. H. VAN DEN BURG, Mengelpoezy. t'Amsterdam, H. BLANK 1718. Inv. '734.

N o . 29. Jaarverzen van de Kamer der Witte Angieren onder de zinspreuk: In liefde getrouw,

te Haarlem. 4 o 1727-1757 (ontbreekt 1753).

N o . 30a. Jaarverzen van de Kamer de Wyngaardranken onder de zin spreuk: Liefde boven al,

te Haarlem. 4 o van 1727-1756 (ontbreekt 1752 en '753).

N o . 30b. Jaarverzen als boven van 1757-1803 (ontbr. 1760, 1761, 1765, 1766, 1770, 1773,

1779, 1783, 1784,1786 en 1801).

N o . 31. Jaarverzen van de Kamer der Pellikanisten onder de zinspreuk: Trouw moet blijken,

te Haarlem. 4 o van 1702-1736 (ontbreekt 1703)

N o . 31a. Als boven van 1737-1785 (ontbreekt 1756 en 1782).

N o . 31b. Als boven van 1786-1795.

51


N o . 31c. Als boven van 1796-1810.

N o . 31a. Als boven van 1812-18I3.

N o . 31b. Als boven van 1814-1825.

N o . 31c. Als boven van 1826-1840.

N o . 31d. Als boven van 1841-1860.

N o . 31e. Als boven van 1861-1871.

N o . 31f. Als boven van 1872-188I.

N o . 31. Als boven van 1882-1891.

N o . 31. Als boven van 1892-1901.

N o . 31. Als boven van 1902-1911.

N o . 31. Als boven van 1912-1921.

N o . 32. Trou Moet blijcken. Tooneelstukken der 16e Eeuw, uitgegeven door Dr. G. KALFF.

N o . 33. Drie tafelspelen, medegedeeld door Dr. J. VAN VLOTEN.

N o . 34. Nederlandsche monumenten van Geschiedenis en Kunst. N.-Holland. 1 Dl.

N o . 35. PIETER LANGENDIJK, zijn leven en werken, door C. H. PH. MEIJER.

B. MANUSCRIPTEN.

N o . 36. Spelen van Sinnen 1600, gemerkt A, fol. bevattende 10 spelen t. w.:

1 e . Een spel van sinnen van de hel van 't brouwersgilde.

2 e . id. van een coninck genaempt Proetus Abantus ende is

gespeeld 12 Febr. 1589.

3 e . id. genaempt der Maccabeen gemaeckt door PIETER

AELBERTSz. factor van d'oude Camer T. M. B. ende is gespeelt tot Haarlem

op de Groote Merckt II Juni 1590.

4 e . id. van Abrahams Offerande, gespeeld St Jansdag 1590.

5 e . id. de evangelische maaltijd ende is gespeelt den 24 Juni

A o 1592, op 5t Jansdagh, door de broeders van T. M. B.

6 e . id. genaempt den Wellustigen Mensch, gelp. 5t Jansdag

1591.

7 e . id. ,, de Minckijzers. 28)

8 e . id. op de questie: Wie haer hier in 's werrelts foreest op

den toecomende troost verlaeten aldermeest.

9 e . Een batement van den Katmaecker, gespeelt Sint Jansmis 1578, uitgegeven

door Dr. G. KALFF, 1889.

10e. Nog een batement van baert en griet.

N o . 37. Spelen van Sinnen, gemerkt B, fol. bevattende:

1 e . Een spel van Sinnen van Sinte Paulus bekeringe.

2 e . id. van de menswerdinge Christi, par REIJNIER V. D. PUTTE

fecit.

3 e . id. van den Avont ende Nacht ende Morgenstont, den 24

Juni A o 1612 gespeelt op de Mart.

4 e . id. van Paulus ende Barnabas.

5 e . Een spelende prologe van twee personages d'een gent Rhetorica en verachter

der Const.

6 e . Een spel van sinnen van de Propheet Eliseus die Naman den Syrier van syn

melaetsheyt genas.

52


7 e . id. genaempt de Clockreep.

8 e . id. ,, van de Cranckheyt der vleysche.

9 e . id. van verlaeten kennisse. Ende is gespeelt tot Haerlem by

d'oude Camer op St Jans 24 Juni 1601 met de Clugt van Bely en Jan Sul.

10 e . Nog een batement van den Appelboom.

11 e . Een spel van Sinnen van Lazarus doot.

12 e . id. van de sinnelycke genegentheyt oft van de historie van

Piramus en Thisbe (uitgegeven door Dr. G. KALFF 1889.

N o . 38. Spellen van Sinnen, gemerkt C, bevattende:

1 e . Een spel van Sinnen. Die sin is: hoe sommich mens al syn goet beroeft is enz.

2 e . Een esbatement van 8 personaetgen ende gespeelt van T. M. B. tot haerlem,

A o 1579, op Kursdach.

3 e . Een spel van Sinnen van de 7 werken der barmhertichheden, gespeelt op St

Jans Kermis op de Merckt 25 Juni 1606.

4 e . id. van den Rycken wrecke ende van Lazarus.

5 e . id. van die propheet Jonas, gespeelt St Jansdag 1588.

6 e . id. op een vraege hoemen Christum ter werlt meest Liefde

bewijsen mach, gecomponeert door de fonteynisten tot Dordrecht.

7 e . id. van den ouden Tobyas.

8 e . id. genaempt den Hoecksteen.

9 e . id. ,, van de Heylige Kerck.

10 e . id. ,, den Troost der Sondaren of van Mattheus

den Tollenaer.

11 e . id. ,, van den Ghichtigen menschen; item is lest

gespeelt tot Leyden III Oct. 1582.

N o . 39. Spelen van Sinnen, gemerkt D, bevattende:

1 e . Een spel van Sinnen, genaempt Ecce home. Laurens Jansz29). fecit A o 1579,

gespeeld op St. Jansmis, A o 1582.

2 e . id. van Vrouw Lors. Deze beide spelen ontbreken.

3 e . id. op 't woord van Lieft boven al.

4 e . id. van de geboren blinde. Laurens Jansz. Fecit 27 Febr.

1579.

5 e . id. genaempt Gods ordonnantie, Laurens Jansz. fecit 27

Maert 1583.

6 e . id. ,, van Meestal hoe dat hij door misbruyck nering

en welvaert verjaeght.

7 e . id. van Saul en David, niet voltooid.

8 e . id. van de Saetsayer. Laurens Jansz. fecit.

9 e . id. van de versufte Werrelt. Laurens Jansz. fecit.

10 e . id. van de verdroochde Cisterne. Laurens Jansz. fecit A0

1577.

11 e . id. van Eendracht en veel volks. Laurens Janzs. fecit 16

Sept. 1579.

12 e . id. van Jezus onder die leeraars. Laurens Jansz. fecit 6

Sept. 1598.

N o . 40. Spelen van Sinnen, gemerkt E, bevattende:

1 e . Een spel van Sinnen, genaempt die geboorte van Johannis.

2 e . id. van de discipelen hoe sy naer Emaus gingen ende den

heer haer ontmoete.

3 e . Een spel van Sinnen van t'huis des Lichaems daer die hel in woont.

53


4 e . id. van die huysvaeder ende die huysmoeder.

5 e . id. van den desolaten mensch.

6 e . id. van de heylige Kerck tegen heresye.

7e. id. van veel volcks ende de simpele mensch.

8 e . id. van de sonde die onderwerpen is den lichamelijcken

doot.

9 e . id. van Sacharias ende die geboorte Johannis.

10 e . id. van die Redelickheyt die godt den heer den mensch

bygevoecht heeft. Laurens Jansz. fecit.

11 e . id. Hoe de mensch die werlt wil dootslaan. L. J. fecit.

12 e . id. van meest al die om pays roepen. Laurens Jansz. fecit.

13 e . id. van d'eenvoudige mensch die soect daer hij Crysto best

mee behaghen kan. Jan Prins fecit. 1597.

14 e . id. van de daet der tyrannen. Prins fecit.

15 e . id. van de Mey.

N o . 41. Elf spelen van Sinnen, gemerkt F. Op het schutblad: Dit boeck hoert toe Jacob Joost

Hopcooper,bevattende: Van 't coozen, van die groote hel, van de bekoring Crysti,

van den Mey, van Thuis van Idelheyt, van der Neering, van den eenvoudigen

mensch, van den afval van 'tgodsalig weesen, van Tgeslacht der menschen, van

mennich goet hart verlangt nae trijcke Gods, Een tafelspel van een Cuyper en drie

herders.

N o . 42. Spelen van Sotte Cluyten, A o 1600, gem. G, bevattende 20 batementen:

1 e . Van den Preeckerboer.

2 e . Van 't Cloen van Armoe.

3 e . Van Goossen Taeyart en de Loutgens Loseros en van d'Ossecoper.

4 e . Van den Vloyvanger, gespeeld St Jan 1590.

5 e . Van een boer met eyeren.

6 e . Van Lichtekoy.

7 e . Van den Blinden diet tgelt begroef.

8 e . Van Luystervinck.

9e. Van D'oue bitster.

10 e . Van Lippen en Lijs en van Jan Vleermuys, gespeeld op St Jan 1589 en 1606.

11 e . Van Hans Snapop en van Griet Snatertans.

12 e . Van Lipgen en van Jan Lichthart.

13 e . Van Qua bely en Jan Sul, gespeeld op St Jan 1601.

14 e . Van Tulebuys die wederom herdragen wilde sijn, gesp. St Jan 1591.

15 e . Van het Gilt.

16 e . Van de Schuyfman, uitgegeven door Dr. G. KALFF 1889.

17 e . Van Hanneken Leckertant, uitgegeven door Dr. G. KALFF 1889, gesp. St. Jan

1592.

18 e Van Boerdelijck geck.

19 e . Van Reyn geneucht en menich Vileyn.

20 e . Van Geus en Baet.

N o . 43. 't Boeck Sotte Cluyten, gemerkt L, bevattende:

1 e . Van Hanne om sout gaende.

2 e . Van Jan sacht Leven en Loeris.

3 e . Van Ick onbekent.

4 e . Van veel volcks.

5 e . Van de duymyckers.

6 e . Van T'kersoffel.

54


7 e . Van slecht en recht.

N o . 44. Twee spelen, gemerckt N en M, zijnde het laatste een tafelspel 1600.

N o . 45. Register van spelen van Sinnen van A-L, benevens vele belangrijke gegevens van

Trou in 't begin der 17e eeuw, en een inventaris, eenige reglementen, en de

uitvoering der Camer in 1606 bij de Intree en in 1609 ter gelegenheid van het 12jarig

bestand.

C. VERDERE SCHRIFTUREN.

N o . 46. Een perk. band, bevattende: Naamlijst van Hoofden van 1736-1742.

Rekening en Verantwoording over 1738 gedaan door A. STOMPWIJK.

Reglement voor de Knecht, gearresteerd April 1739.

Inventaris Mei 1739.

Notulen van Comparitien in de jaren 1739 en 1740.

Kasrekening over 1739 en 1740.

Notulen over 1741.

Kasrekening over 1741 en 1742.

Notulen over 1742.

Kasrekeningen over de jaren 1743-1801. fol.

N o . 47. Notulen van het behandelde op Generale en Hoofden Comparitien van 25 Nov. 1719

- Jan. 1785.

N o . 47a. id. op Hoofden Comparitien, van 12 Jan. 1785-10 April 1829.

N o . 47b. id. ,, 3 Jan. 1830-26 Dec. 1861.

N o . 47c. id. ,, 29 Jan. 1862-1882.

N o . 47d. id. Generale Comparitien van 2 Febr. 1785-25 Mei 1862.

N o . 48. Wetten en Reglementen door de leden onderteekend, van 9 Maart 1774-5 Sept. 1798.

N o . 49. Wetten en Reglementen, 25 Nov. 1722.

Inventaris opgemaakt in 1734.

Kasboek van 1683-1737 (een pak, band fol.).

N o . 50. Pakket inhoudende losse Jaarverzen der drie Haarlemsche Kamers.

N o . 51. Aanteekeningen wegens de verantwoording van het legaat DAVID VAN DER

POORTEN. Jan. 1796-Dec. 1806.

N o . 52. Notitieboek van de morgen ontvangsten en uitgaven van 1 Nov. 1787-1 Jan. 1808.

No. 53. Lijsten der Boeten beloopen door Hoofden wegens absentie van de Vergaderingen

van 1 Jan. 1774-31 Dec. 1812.

N o . 54. Naamlijsten van leden 1784, 1793, 1795 en van 1703-1796.

Naamlijst van leden 1808-1818.

Lijst van zaken betreffende T. M. B. gevonden op het Gemeente Archief te Haarlem,

Een pakket.

N o . 55. Kasboeken, kelderboeken, kasrekeningen en Jaarlijksche Staten van de Kamer T. M.

B. loopende van 1797-1862. 27 deelen in .

55


II. BLAZOENEN EN SCHILDEN

ALLEN REEDS VERMELD OP DEN INVENTARIS VAN 1610.

A.

De vijftien blazoenen zijn:

N o .1. De gouden Pelikaan. Spreuk: "Trouw moet blijken". 1593 geschilderd door Mr. J.

NAGEL, Camerist van Trou. Hieromheen een gesneden lijst met menschelijke

figuren en aan den bovenkant het wapen van JAN VAN DUVENVOORDE, Burgemr.

van Haarlem 1566-1573. Heeft dus vermoedelijk vroeger om een ander stuk gezeten.

N o . 2. Christus aan het kruis. Op den rand van het blazoen staan de woorden:

,,Des Levens leven goet,

,,Doots doot door liefd gedreven,

,,Als pellicaen syn bloet,

,,Schanck voor syn jongskens leven".

Van Mr. H. GOLTZIUS en geschilderd door FRANS PIETERIZ. (GREBBER?).

Werd genoemd 's Kamers beste blazoen.

N o . 3. De Sonbloom van Ketel. Met bijschrift: ,,Noyt meerder vreucht", opgericht in 1602.

N o . 4. Het Galisblomken van Haestrecht. Spreuk: ,,Uyt Liefden versocht".

N o . 5. De witte Acoleijen van Leyden. Met bijschrift: ,,Liefd is 't fondament". 1607.

N o . 6. De Goutsblomkens van Gouda. Om den rand van het stuk staat:

,,Verheven Retorica door Wysheit triompheert,

,,Beneven haer Catrina en naersticheit floreert”.

Terwijl in het midden boven den troon de woorden staan; ,,Uyt jonst begrepen”.

Deze Kamer, in 1437 opgericht, behoort voorzeker onder de oudste.

N o . 7. De Aeckerboom van Vlaardinchen. Met de Spreuk: ,,Aensiet Liefde". Met de

jaartallen, 1514 en 1606.

N o . 8. De Coren Aren van Catwijek. Met de spreuk : ,,Lieft moet blijcken".

N o . 9. Het Wit Angierken van Haerlem, opgericht 1585; Met de spreuk: ,,In liefde

getrouwe”. Anno 1608, geschilderd door JAN SCHODT.

N o . 10. De Lelie onder de Doorn van Noordwijck. Met de spreuk: ,,Uyt Liefd bestaen".

N o . 11. De Corenbioem van den Spreuk: ,,met Geneuchten". Haghe.

N o . 12. De orangie Lelie van Leyden, opgericht in 1585, Spreuk: ,,In liefden groeijende".

N o . 13. De Roo-Roosen van Schiedam. Spreuk: ,,Aensiet de Joncheyt".

N o . 14. De Haeselenboom van Aedwaertswoude. Spreuk: "Aensiet Gods Cracht".

N o . 15. De witte Lavender van Amsterdam, opgericht 1585, spreuk: ,,Uyt leven der Junst".

57


B.

De zilveren schilden aan den bandelier van den Knegt.

N o .1. Twee Dolfijnen een krans vormend, (vermoedelijk een prijs).

N o . 2. Zilveren schild van de Fonteinisten van Dordrecht. Opschrift: ,,Rein geneught

fonteyn des levens". A o 1606.

N o . 3. Zilveren schild van de Orangie Lelie van Leyden, vertoonende een leeuw met

zwaard en twee gekruiste sleutels. Opschrift: ,,In Liefde groeiende”. 1606.

N o . 4. Zilveren schild van de witte Acoleyen te Leyden, vertoonende een slang om een

kruis gekronkeld met randschrift: ,,Liefde is 't fundament". Aan de keerzijde

opschrift: "God behoede Leyden". 1606.

N o . 5. Zilveren schild van de Coren Aren yan Catwijck, vertoonende twee wapens: 1 met 'n

leeuw en 1 gevierendeeld, 1 en 3 wassenaers, 2 en 4 van zilver met zwarte

dwarsbalk. Op beide zijden het randschrift: ,,Liefde moet blijcken".

N o . 6. Klein zilveren schild van de Lelie onder de Doorn van Noordwijck, vertoonende

tulpen en opschrift: ,,Uyt liefde bestaet”.

N o . 7. Zilveren schild van de Goudsblomkens van Gouda. A o . 1601.Vrouwenfiguur met

opschrift: ,,Retorica”, aan de andere zijde opschrift: "Uyt Jonsten begrepen".

N o . 8. Zilveren schild van de Galisblomken van Haestrecht. A o . 1606. Christus aan het

kruis met randschrift: ,,Uyt liefden versocht daer trouw moet blijcken. Keerzijde:

,,Rhetoryco”.

N o . 9. Zilveren schild der Roo Roosen van Schiedam. A o . 1606. Aensiet de Joncheyt.

N o .10. Zilveren schild van de Aeckerboom van Vlaardingen. A o . 1601. Boom met

gekruisten Christus en relief. Daaronder: "Aensiet lieft". Geheel onderaan staat: ,,U.

L. 1514 D. J.”

N o .11. Groot schild vertoonende den Pelicaan met randschrift:

,,Beminnaers van de Const

,,Der Retoryken gepresen.

,,Betoonde door haer gonst

,,Dat trou moet blijken by desen"

en nog aan weerszijden eenige wapens en merçken. (Zie bijlage 4). 1601.

N o .12. Fraai verguld schilt voorstellende: ,,Joris den draak doodend". Daar van af hangt een

kruisboog. Vermoedelijk een prijs van het schuttersgilde.

III. BEKERS EN BOKALEN.

N o . 1. Bokaal op zilveren voet, de voet blijkbaar later aangezet, toen het glas gebroken was;

met de afbeelding van den Pelikaan en het opschrift: ,,Trouw moet blycken" en aan

den andere kant de inscriptie: ,,Vivat D, Gesontheyt O Heeren Broeders van de

Caamer tot Haarlem" die genaamt wort Trouw moet Blijken.

Vivat Keyser, Vivat Prins, Fiscaal, Factor, Eens van Sints

59


Vinders, Vaandrig en Secretaris

Gebruyk de Kelk als Hy Klaar is.

Haarlem den 17 1/1 '23.

FREDERIK ROEST.

Wordt gebruikt op het jaarlijks diner van Hoofden.

N o . 2. Kelk met wapen van het Regeeringsgeslacht Gerlings, aan de andere zijde de

voorstelling van een bosschaadje, waarin vermoedelijk een minnend paar met

inscriptie: ,,Honi soit qui maly pense". 18e eeuw.

N o . 3. Kelk met twee klinkende Heeren (begin 18e eeuw). Opschrift: ,,D'Vrintschap”.

N o . 4. Bokaal op vergulden voet met wapen van het Regentengeslacht van Zanen, aan de

andere zijde een zeilvaartuig met vrouwen bemand en bovenschrift:

,,0 wonder boven wonder

,,'t Schip is vol gaten ent gaat nit onder”.

(Midden 18e eeuw).

N o . 5. Bokaal met een afbeelding Handel en Scheepvaart voorstellende.

Inscriptie: ,,'t Welvaaren van ’t Vaderland”. (Midden 18e eeuw).

N o . 6. Kelk met wapen van het Regentengeslacht Witte; aan de andere zijde medaillon met

zittende vrouwenfiguur, de linkerhand rustend op een kolom waarin het Haarlemsche

wapen met devies, en met de rechterhand vruchten uitdeelend uit een korf op haar

schoot.

Randschrift: ,,Comes Consiliorum Harlem”. Boven het medaillon de woorden:

,,Haarlems welvaaren”. (18e eeuw).

N o . 7. Kelk met allegorische voorstelling van de muziek? Opschrift: ,,De goede Harmonie".

N o . 8. Drie kelken met een keeshond. (Eind 18e eeuw). Op een dezer een omziende

keeshond, die zijn behoefte heeft gedaan tegen een Oranjeboom. Inscriptie:

,,Pourquoi pas".

N o . 9. Kelk met twee pauwen.

N o . 10. Glazen beker, beschilderd met een pelikaan die zijn jongen voedt, met zijn bloed.

Opschrift:

,,Christus besprenget uns mit

,,Sinen blud wie der pelican

,,Seinen Jungen thudt”.

N o . 11. Drie kelken zonder voorstellingen of inscripties.

N o . 12. Groote glazen bokaal met deksel met zelfde jaartal en afbeelding als sub 1.

N o . 13. Kleinere bokaal als boven met zelfde afbeelding doch zonder inscriptie.

N o . 14. Bokaal met wapen als sub 4. Aan de andere zijde wapenschild met 3 rozen, 2 en 1.

Zinspreuk: ,,Gaudeamus".

N o . 15. Bokaal met afbeelding voorstellende Landbouw en Scheepvaart. (Begin 18e eeuw).

N o . 16. Bokaal met deksel, waarop gegraveerd Vredesengel en de inscriptie: ,,Pax", zonder

jaartal.

N o . 17. Bokaal met deksel en afbeelding van den Pelikaan. Inscriptie: ,,Trouw moet blijken".

N o .18. Twee bokalen met deksel zonder afbeelding of inscriptie.

N o . 19. Acht kristallen wijnglazen met inscripties, resp. Keizer, Prins, enz.

Worden gebruikt op het Hoofdendiner. Geschenk van wijlen Jhr. J. A. P. REPELAER

VAN SPIJKENISSE.

Nog bezit de Societeit twee gobelins met onduidelijke voorstellingen, de eene vermoedelijk het

Offer van Abraham, de ander David en Abigail? Komen voor op inventaris 1610, onder de

benaming tapisseriekleeden.

60


Verder dertig groote zilveren couverts met Wapen van Haarlem, aangekocht in 1796, en een ets

van Matham naar Goltzius, voorstellende 's Camers blazoen A0 1597 en een schilderij

voorstellende een oud man zuigende aan zijn dochters borst. Inv. 1734.

61


NOTEN

1) Hierover zegt C. H. P. MEYER in zijn werk over PIETER LANGENDIJK nog het volgende: Men

weet dat de Rederijkers, na oorspronkelijk meer geestelijke genootschappen gevormd te

hebben, en als zoodanig de Regeering en den adel soms scherp te hebben gehekeld,

langzamerhand geheel van aard en richting veranderd waren, en ten tijde van de opkomst

der gereformeerde kerk in ons land, heftig tegen die van Rome te velde trokken. In 1559

werd er dan ook in FILIPS naam een plakkaat uitgevaardigd met verbod van 't verspreiden,

zingen en spelen van baladen, liedjes of kamerspelen, die 't zij de religie, 't zij geestelijke

personen raakten. Dat echter die wet niet veel gaf, bewijst, dat in 1564 op een

kerkvergadering, die te Haarlem bijeenkwam, besloten werd, dat er geene spelen mochten

vertoond worden, dan die door den Bisschop waren goedgekeurd. Doch ook dit gaf niet, de

geest van verzet tegen de door de wettige macht gehandhaafde kerk was te sterk, en de Oude

Kamer te Haarlem had tot Factor een man, die zich niet ontzag de scherpste verwijten en

beschuldigingen naar 't hoofd der Katholieke geestelijken te slingeren. Dit was echter de

Regeering te kras en met den dood moest de schoenlapperdichter zijne vermetelheid

bekoopen. Zie Bijlage 5.

2) De zilveren blazoenen, welke aan de Bandelier van den Knecht hangen, zijn meerendeels

afkomstig van de Rederijkers, welke Op 22 October 1606 te Haarlem hun intree hielden.

Zij worden nader in den inventaris vermeld. De bandelier werd in 1794, als zijnde zeer

slegt en versleten, vernieuwd, wat ook nu weder hard noodig is. Het zoude dan aanbeveling

verdienen een matgroene bandelier te doen vervaardigen, de kleur van Trouw meet blijken.

3) De beroemde Rector SCHONAEUS. Ook deze bracht een blazoen mede, de zinspreuk was:

"Diligentia parit Artes".

4) Zie Inventaris II.

5) De Kamer de Wijngaardranken met de spreuk: Liefde boven al is bij die gelegenheid niet

vertegenwoordigd geworden: zij schijnt toen met onze Kamer in onmin geleefd te hebben,

zooals blijkt uit de volgende Resolutie van Burgemeesteren van Haarlem van 22 Mei 1606:

De Camerbroeders van der ethorijcksche Camere van Trou moet blijcken, claechden over

d'onbehoorlicheyt van "Lieft boven all", die sonder ontboden te wesen, op heuren Camere

waeren verschenen ende diverse onbehoorlicke woorden sonder redenen hen aengesproken

hadden, Twelk henluyden niet te lijden staende, versochten aen Burgemeesteren hiertegen

voorsien te werden, Dewelcke Camerbroeders van "Lieft boven all" hierop gehoort zijnde,

ende tegens taenseggen voors. defenderende, Hebben Burgemeesteren denselven

Camerbroeders van "Lieft boven all" straffende in haer ongelijck, geordonneert, dat de

voors. Camerbroeders, van elcx Camere zullen blijven Ten waer ontboden, op Correctie.

6) Het is zeer jammer dat van de geschiedenis van T. M. B. in de I 7e eeuw, van 1610-1681

niets meer bekend is.

7) Zie Bijlage 2.

62


8) Notulen der Ordinaire Hoofden-comparitie van 9 Maart I791.

De Heer VAN DER POOR'I'EN communiceerd dat Zijn Ed. is geïnformeerd geworden, dat op

Dingsdag den eersten deezer door twee Gerechtsdienaaren (quasi uyt naam van Mijne

Heeren van den Gerechte deezer Stad) aan deeze Kamer was gebragt, en aan den Knegt

derzelve Kaamer ter handen gesteld een zeekere Publicatie, in substantie behelzende een

verbod aan alle Boekdrukkers, Boekverkoopers, Boekbinders, Koffijschenkers,

Logementshouders, Societeithouders, Herbergiers, Tappers of andere diergelijke

neeringdoende Lieden binnen deeze Stad en deszelfs Jurisdictie, eenige Couranten of andere

nieuwstijdingen of geschriften, dan die bij mijn Heeren van den Gerechte zouden zijn

gepermitteerd, voor te hangen, nog ter leezing te leggen of te geeven; dat zulks bij de

Broederschap eene merkelijke sentatie veroorzaakt bebbende, alzoo daardoor deeze Kamer

gelijk gesteld werd aan Herbergiers, Tappers, of andere neeringdoende Lieden, dermaaten

dat hij in zijne qualitelt als Keyzer reeds door verscheyden Broederen was geïnterpelleerd

geworden, om over deeze materie eene algemeene convocatie der Broederschap aan te

leggen, doch dat hij Heer VAN DER POORTEN neevens de overige Heeren Hoofden teffens

met blijdschap had gehoord, dat zulks van ter zijde ter kennisse van Heeren Burgemeesteren

was gebragt en dat Heeren Burgem. op gepasseerde Vrijdag een der Gerechtsboden hadden

gelast, onder anderen te gaan na de Kamer van Trouw moet blijken, en aldaar uyt naam van

Heeren Burgemeesteren te verzoeken de voorsm. Publicatie terug te moogen hebben (als

zijnde bij abuis aldaar besteld), welke dan ook door de knegt aan voorn. Bode is ter hand

gesteld geworden, waardoor dan alle verdere maatregelen ter deezer zaake waren overbodig

geworden, en is bij de Hoofden geresolveerd het desweegens voorgevallene in 't gewoone

resolutieboek deezer Kamer te registreeren.

9) Generale comparitle van 6 October 1792.

De Broederschap van de Rhetoryk-Kamer de Pellicanisten onder de zinspreuk: Trouw moet

blijken biniien deeze Stad, van den Heer Hoofdgaarder over de beschreeven middelen onder

het ressort van Haarlem MATTHEUS GUEPIN, ontvangen hebbende een Billiet geadresseerd

aan de Heeren Leden van de Societeit Trouw moet blijken, dienende om opgaave te doen

van hunne bediendens, om verder volgens 's Lands Ordonnantie beschreeven te worden,

hebben gemeend in de bestelling van dit Billiet off ten minsten in den tytel, waarmeede zij

in hetzelve gequalificeerd worden, abuis te zijn begaan, vermits zij nimmer den tytel

gevoerd hebben off daaronder zijn bekend geweest van de Societeit Trouw moet blijken,

maar altoos zeederd den jaare 1503 de benaaming hebben gevoerd in het Hoofd deezes

gemeld, en daarom geoordeeld hetzelve Billiet, als aan hun niet behoorende, aan den Heere

Hoofdgaarder te mocten renvoijeeren.

Haarlem, 6 October 1792.

Uit naam der Broederschap,

PIETER JACOB VAN EYBERGEN,

Secretaris.

10) Generale comparitie van 26 December 1792.

De Broederschap van de Rhetoryk-Kamer onder de zinspreuk: Trouw moet blijken binnen

Haarlem, van den Heer Hoofdgaarder MATTHEUS GUEPIN ontvangen hebbende een

declaratoir in blanco, om daarop in te vullen die posten, waarop zij zig ten aanzien der

Impost op de beschreeven middelen zoude taxabel reckenen, heeft zig niet willen onttrekken

om hunnen bedienden (schoon zeederd de oprigting hunner Kamer, bijna drie eeuwen

geleeden, niets dergelijks van haar was gevorderd) onder de Werkboden op te geeven.

Zij heeft zig ook niet willen onttrekken aan de Impositie op de Coffij en Thee, omdat dit

middel zeeder dat de Edele Mogende Heeren Gecommitteerde Raaden ook hen onder de

63


algemeene benaaming van Societeiten hebben gelieven te begrijpen, eenigermaate van hun

zoude kunnen worden gevorderd, dog met opzigt tot de consumtie-Tabak heeft zij

gesustineerd te regt opgegeeven te hebben in dit middel niet taxabel te zijn, zooals ze ten

allen tijde, des gerequireerd, ook onder Eede zoude kunnen bevestigen, dat in dit gezelschap

geen Rook- off Snuyftabak ter consumtic word off immer is gesleeten off verkogt.

Dan daar zij thans bij monde van den Heer Hoofdgaarder is onderrigt van het contrarie

sustenu van de Ed. Mog. Heeren Gecommitt. Raaden, off van derzelver Heer Fiscaal, en

zelfs, zoo zij bij de gedaane opgaave bleeven persisteeren, de Heer Hoofd-Officier deezer

Stad zoude gelast worden om ratione officii eene actie teegens haar te institueeren, heeft zij,

alles rijpelijk overwogen hebbende, een object van f 13,4 van geen genoegzaame

importantie geoordeeld om den uitslag van een Proces aff te wagten, en daarom

geresolveerd zig aan de betaaling van deeze belasting, bijaldien dezelve desniettegenstaande

zoude mogen gevorderd worden, te zullen submitteeren, protesteerende niettemin van de

deugdelijkheid haarer gedaane opgaave, en van haare ongehoudenheid tot de betaaling

derzelve belasting, immers naar haar inzien volgens de duydelijke letter van het eerste

artikel der gemelde Ordonnantie.

Haarlem, 29 Decbr 1792.

Uit naam der Broederschap in den

Hoofde deezes gemeld,

PIETER JACOB VAN EYBERGEN,

Secretaris.

11) De Broederschap der Rhetoryk-Kamer onder de zinspreuk: Trouw moet blijken te Haarlem,

om te voldoen aan de intentie van hun Ed. Gr. Achtb. Heeren Burgemeesteren derzelver

Stad, ten einde te hebben een kort verslag van den aart van dezelve broederschap, heeft de

eer aan hun Ed. Gr. Achtb. te rapporteeren, dat de origineele instelling van dezelve, sedert

den jaare I503, is geweest ter beoeffening van de Nederduitsche Taal en Dichtkunde,

waarvan onder andere nog overig is gebleven de jaarlijksche gewoonte, dat op

Nieuwejaarsdag door den Factor der Kamer een Jaardicht wordt voorgeleezen, eene

Collectie waarvan, zijnde de Graaven van Holland door den toenmaligen Factor PIETER

LANGENDIJK in den jaare 1745 aan hun Ed. Gr. Achtb. is opgedragen, waarvan de Notulen

van hun Ed. Gr. Achtb. van 25 Julij en 5 Augustus deszelven jaars zullen kunnen getuigen.

Voor het overige mogen de broederen dagelijks bijéén koomen om elkander met eene goede

conversatie of onschuldige vermaaken te onderhouden. Hun tegenwoordig getal is agt-entwintig

Leden en één of twee supernumeraire en eenige weinige honoraire Leden buiten de

stad woonachtig. Des ochtends laaten zij geene gasten toe, ten zij vreemdelingen; doch des

avonds is het geoorlooft ook stadsgenooten mede te brengen, echter nimmer in grooten

getale. Daar de overige wetten, welke zij hebben, alle van een enkeld huishoudelijken aart

zijn, meenen zij hiermede aan de intentie van hun Ed. Gr. Achtb. te hebben voldaan.

Uit naam der Broederschap der Rhetoryk-Kamer Trouw moet blijken.

Haarlem, 3 November 1794

JAN VAN VARELEN,

Secretaris.

12) Van de vier overige exemplaren werd een geplaatst in de sacristie, een in de Stads-

Bibliotheek en de twee overige op de Kamer ten dienste der broederen; waar zijn die alle

gebleven?

13) Zie Bijlage 1.

64


14) In het archief worden alleen gemist de Jaarverzen van 1703, 1751, 1756, 1758, 1759 en

1798. Het gemeente archiefbezit in zijne verzameling de Jaarverzen van 1643 en 1645,

getiteld: Der Pellikaenisten Tijdelick en Geestelick Zegenwens op 't Jaer 1643 en der

Pellikaenisten nieu Jaers Digt ende Gesangh voor den Jare 1645. Ook nog een jaardicht van

1694: Middel tot een Salig Nieuwjaar den Borgeren der Ialoude Stad Haarlem aangewezen

uyt de Naam der Oude Redenkamer der Pellicanisten onder 't woord Trou moet blijken.

Gedr. bij ISAAC V. D. VINNE, boekverkooper in de Warmoesstraat.

15) In den aanvang der 17e eeuw waren de bezoekers van T. M. B. onderscheiden in Cameristen

en Beminders van de Const. Deze laatsten werden niet toegelaten tot liet mede opvoeren

der Zinnespelen enz. doch hadden overigens dezelfde rechten. De entrée bedroeg in 1602

een gulden, de sortie 10 stuivers. De contributie bedroeg 24 st. 's jaars.

In 1600 vond ik de namen van 11 Cameristen en 11 Beminders die elck tot Camers eere en

dienste een stoel geschonken hadden en betaelt met 50 stuivers, met elck sijn devyse en

waepen.

Hoewel de leden uit dien tijd zich zelve in hun rekesten aan het stadsbestuur, schamele

handwerkslieden noemden, vond ik onder de Beminders toch 2 namen die tot een andere

Categorie behoorden n.l. PIETER VAN FOREES'I' en WILLEM BICKER.

16) De vendrig VAN CLEYNENBERG, die den dans wilde ontspringen, werd deswege ernstig

aangesproken, zoodat hij zich moest executeren; den 22 December 1768 had zijn drankoffer

plaats en werd een genoegelijk feest gevierd, staande op kosten van de gemeene kas, in de

hoek van de kamer een tafel, waarop een schotel met geraspte broodjes, neevens booter en

kaas.

In 1610 wordt het vaandel der Camer aldus beschreven: Groen met rood en witte vlammen

dwers door 't Haerlemer Wapen boven instaende.

Het tegenwoordige vaandel is gelijk men weet Groen met de witte pelicaan er in.

17) Er bestaat ook een reglement voor den Knegt gearresteerd April 1739 en van 18 Oct. 173I.

18) Zie Bijlage 3.

19) Dit Reglement werd gemaakt toen de knecht WILLEM TOUSSAINT, die 36 jaren lang de

Kamer trouw en eerlijk had gediend, wegens ouderdom zijn ontslag vroeg en door WILLEM

DE LANGE werd opgevolgd. TOUSSAINT had de Kamer om ecen douceur of pensioen van

f 50 's jaars verzocht, doch, daar de kas der Kamer dit niet gedoogde, teekenden 19 der

broeders te zamen op een lijst voor een jaarlijksche bijdrage tot zijn dood toe tot een bedrag

van f 85 ; reeds vier jaren te voren was door de broederen Jan v. d. Sprang Pz., Jan Jacob de

Bucquoy, Philip Jacob de Fry en Jacobus van Beek het pourtret van onze knegt Willem

Toussaint ter gedagtenisse van deszelvs twee en dertigjarige trouwe dienst tot een Present

aan de Kamer gedaan. Zijn opvolger diende de Kamer 32 jaren tot 1808 en kreeg bij zijn

huwelijk in 1782 een half anker wijn en bij zijn tweede huwelijk in 1793 f 50; beide keeren

werd de Kamer gesloten om hem bij zijn huwelijksfeest het gebruik der localen af te staan.

20) Reeds in ±1600 werden boeten ingesteld zoowel voor Hoofden als voor Cameristen en

beminders. Zoo hadden bij toerbeurten de Hoofden als het hun maand was de sleutels in

bewaring. Hij die dan verzuimde op Zondag of Kamerdagen present te zijn, verbeurde 2 St.

boete.

Desgelijks wanneer een bijeenkomst op bevel van Hoofden door den Knecht was

rondgezegd verbeurde elke Camerist bij afwezigheid 2 St.

65


Verder nog verviel in een boete van 2 St. hij wien bij een spe1 een rol was toebedeeld en

niet op de repetitie kwam.

21) En sal voortaan niemant der broederen vermogen Godes naam op een ligtveerdige offte

spottenderwyse gebruyken, 't zij donder offte blixem, weerligt, hagel, nog by siel offte

saligheyt sweren, op de verbeurte van een stuyver zoo menigmaal iemant der broeders van

dese woorden sal gebruyken offte kome uyt te spreken, en sal yder broeder int partiqulier

het vermogen hebben die bekeuringen te doen en die boeten te vorderen en doen betalen;

zelf sal een broeder voor een vrint, dien hy boven brengt, en een der bovenstaande woorden

spreekt ende misbruykt, voor syn vrint moeten betalen en de boeten ondergaan; tot dien

ynde sal een bos op de kaamer syn ten voordeele der Nederduytse Gereformeerde armen om

de boeten daarin te samelen.

22) Op de ordinaire Comparitie by de Hoofden is goedgevonden en verstaan het Articul van

onse wet en ordonnantie wegens het vloeken en onordentelyk spreken voor alle de

Broederen nader te verklaaren, en in 't zeggen dat als den Eenen Broeder den anderen

betrapt over diergelijke manier van spreken, de stuyver Boeten voor den armen aanstonts zal

moeten worden betaalt, en dat by wygeringh dengenen, die verbeurt zal hebben, gehouden

zal wesen om in plaats van Een stuyver ses stuyvers te betaalen, en indien er geweygert

werdt de ses stuyvers voor den armen te betalen, sal de verdere poenaliteyt by de Hoofden

worden gereguleert, sonder verschooningh van een vrije avond of wat bijeenkomst ofte

ovatie het mag wesen.

23) Van een dezer in 1769 is het menu in de notulen opgeteekend als volgt:

Een gestoofde kalfscheyf, met moriljes te weederzijds;

Een schootel met cottelette;

Een schootel met soesse;

Een schootel met een tulbantt; en wijders

Gerast broot, booter en diverse kaas.

24) Wanneer men ten minste het huis in de Kleine Houtstraat uitschakelt.

25) Gelukkig hebben de broeders ook in deze eeuw en wel bijzonder tijdens den wereldoorlog,

getoond als het noodig was, zich geldelijke offers voor hun Societeit te willen getroosten.

Men denke aan de vervanging van het gas door electrisch licht wegens de rantsoeneering op

gas, en later het bijeenbrengen van een som van ± f 40.000.- voor de inrichting der Nieuwe

Societeit eerst aangewend voor den aankoop van Veldzicht.

26) Nog werd in 1897 de Buitensocieteit die zeer bouwvallig werd, uitgebreid met een groote

buitenhal, van waaruit men overdekt van de muziek kon genieten. Deze hal droeg tevens bij

tot het stutten van het gebouw, doch droeg niet bij tot verfraaiing van het geheel. Ook deze

verbouwing kostte ± f 8500.

27) Een zeer geestig en toepasselijk menu werd bij die gelegenheid geteekend door den

toenmaligen luitenant der Inf. J. C. RIJK.

28) bet. voetangels.

29) Deze was factor van de Wijngaerdrancken.

66

More magazines by this user
Similar magazines