Hoofdstuk Elf: De Theaters II: Buiten Amsterdam

hum.uu.nl

Hoofdstuk Elf: De Theaters II: Buiten Amsterdam

RUDOLF RASCH

MIJN WERK OP INTERNET, DEEL EEN

GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE

REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE

NEDERLANDEN

1572-1795

HOOFDSTUK ELF

DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Voor literatuurverwijzingen zie LITERATUUR.

Verwijzingen naar dit hoofdstuk graag als volgt:

Rudolf Rasch, Geschiedenis van de Muziek in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden 1572-1795

(= Mijn Werk op Internet, Deel Een), Hoofdstuk Elf: De Theaters II: Buiten Amsterdam

http://www.let.uu.nl/~Rudolf.Rasch/personal/Republiek/Republiek11-Theaters2.pdf

Voor suggesties, correcties, aanvullingen en opmerkingen: r.a.rasch@uu.nl

Versie: 7 januari 2013 © Rudolf Rasch, Utrecht/Houten, 2013


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

HOOFDSTUK ELF

DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

11.1 Toneel en Opera in Den Haag tot 1732

11.2 Toneel en Opera in Den Haag 1749-1793

11.3 Toneel en Opera buiten Amsterdam en Den Haag

11.4 Reizende Operatroepen

11.5 De Oudste Nederlandse opera

11.1 TONEEL EN OPERA IN DEN HAAG TOT 1732

Tot 1660 was Den Haag wat betreft toneelvermaak geheel aangewezen op reizende troepen, waarbij zich eerst

(begin 17de eeuw) vooral Engelse troepen aandienden. Tegen het midden van de zeventiende eeuw traden

regelmatig Franse toneelspelers op. Dat deze Engelse en Franse troepen muziek in hun voorstellingen mengden,

is waarschijnlijk, al ontbreekt nadere precieze informatie daarover. De dood van stadhouder Willem II in 1650

en het daaropvolgende Eerste Stadhouderloze Tijdperk deden in eerste instantie het toneelvermaak wegvallen,

totdat in 1657 Franse toneelspelers weer mochten spelen in de zogenaamde Pikeerschuur aan de zuidzijde van

het Buitenhof. 1 De Pikeerschuur was ten tijde van prins Maurits als manege gebouwd, maar was vanaf het

midden van de zeventiende eeuw niet meer als zodanig in gebruik. De afmetingen waren ongeveer 10 bij 40

meter bij een hoogte van 5 à 6 meter.

Een staand Nederlands theater werd in 1660 geopend aan de Hooikade, eigendom van Jan Baptist van

Fornenbergh, die tevens leider was van de aldaar spelende toneeltroep. Het gebruik van muziek in Fornenberghs

theater was mogelijk globaal hetzelfde als dat in de Amsterdamse Schouwburg in dezelfde tijd, maar zulke

precieze gegevens als voor Amsterdam beschikbaar zijn, ontbreken voor Van Fornenberghs theater. 2

Fornenbergh liet zijn troep spelen tot 1681. Daarna verhuurde hij het theater eerst aan zijn eigen troep,

vervolgens aan de ‘Groote Compagnie van Nederduytse Acteurs’ onder leiding van Jan Nooseman en Jacob van

Rijndorp (1663-1720).

De Pikeerschuur bleef speelplaats voor langskomende Franse troepen; hier danste ook Willem III in 1668 in

het ballet gegeven voor de Vrede van Breda (die de Tweede Engelse Oorlog afsloot). Vanaf de eerste jaren van

de achttiende eeuw speelde Jacob van Rijndorp er met zijn troep. Naar verluidt nam Van Rijndorp ook balletten

en muziek op in zijn toneelbewerkingen en inderdaad noemen verschillende van zijn gelegenheidsspelen het

gebruik van muziek en dans, maar details over de bijdrage van musici aan de voorstellingen zijn niet bekend.

Na Van Rijndorps dood in 1720 nam zijn weduwe Anna Catharina de Quintana de huur over en later J. van

Hoven (acteur in de troep) om de toneelactiviteiten nog enige tijd voort te zetten. In 1743 werd de Pikeerschuur

afgebroken.

1. In de literatuur wordt ook wel over Pikeur(s)schuur gesproken, maar dat lijkt taalkundig niet juist.

2. Er komen balletten voor in het gelegenheidsspel De getemde Mars van Jan Soet, gespeeld op 30 mei 1660 ter

gelegenheid van de ontvangst van Karel II van Engeland in Den Haag. Jacob Westerbaen noemt muziek in zijn

Avondschool (1665). Albach (1977), p. 88 noemt de dansmeester ‘Joseph.’

2


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

In Den Haag was, door het hof en de ruime internationale aanwezigheid op hoog niveau, het klimaat voor

opera eigenlijk gunstiger dan in Amsterdam. Maar ook in Den Haag ging het nooit zonder problemen. De eerste

berichten over opera in Den Haag stammen uit 1682, toen de burgemeesters een troep van niet bij name

genoemde ‘operisten’ toestemming gaven tot het vertonen van opera’s in de Kaatsbaan in de Casuariestraat.

Verdere archiefbescheiden uit hetzelfde en het volgende jaar onthullen enkele namen van betrokkenen.

Kennelijk stond deze onderneming onder leiding van de Fransman Augustin Fleury en de Vlaming Carolus

Martinelli (uit Gent). Ook Carolus’ broer Guillielmus Martinelli was erbij betrokken, benevens Philip Rosseter,

een telg van het Engelse muzikantengeslacht van deze naam. Welke opera’s zijn opgevoerd wordt nergens

expliciet vermeld, maar aangezien sommige van de genoemde namen ook in 1687-1688 in Amsterdam

opduiken, mogen we wel aannemen dat tenminste deels dezelfde opera’s werden uitgevoerd als in Amsterdam

in de genoemde jaren. Men gaat ervan uit dat de onderneming van Fleury en Martinelli te Den Haag reeds na

enkele jaren een zachte dood is gestorven, zeker als gevolg van financiële problemen.

In de jaren-1690 werd er Frans toneel in Den Haag gebracht die zich de Franse Comedianten van de Koning

van Groot-Brittannië, dat wil zeggen, stadhouder Willem III, noemden. Aldus in 1691, bij het bezoek van

Willem III aan Den Haag, en in de jaren 1696-1700. In deze laatste jaren waren er ook muzikanten aan de troep

verbonden, waaronder de fagottist Charles Babell. De leiding was vermoedelijk in handen van Jacques du

Buisson en ook Gaetano Romagnesi, de vader van de later bekende acteur en toneelschrijver Jean-Antoine

Romagnesy, behoorde tot de troep. Zij brachten ook muziek in hun uitvoeringen en wellicht Franse opera’s in

een wat vereenvoudigde vorm. Naar aanleiding van een uitvoering van Psyché van Lully in 1697 werd een apart

libretto uitgegeven.

Op 26 oktober 1700 gaven de burgemeesters van Den Haag aan Gerhard Schott (afkomstig uit Hamburg en

in 1678 oprichter van de Duitse Opera aldaar) toestemming om gedurende drie jaar in de stad een opera te

exploiteren. Schott liet de dagelijkse leiding van de onderneming over aan de Fransman Jean-Jacques Quesnot

de la Chesnée. Deze hugenoot, afkomstig uit het verre Clarensac (Languedoc), had na de herroeping van het

Edict van Nantes Frankrijk verlaten en heeft na een verblijf in Brandenburg en Denemarken vermoedelijk

ergens in Noord-Duitsland Schott ontmoet. Samen moeten zij hebben geconstateerd dat er wat opera betrof Den

Haag nog een gat in de markt was.

Quesnot voerde in Den Haag wel de zakelijke leiding, maar niet de artistieke. Voor dit laatste sloot hij - op

31 mei 1701 - een contract met een zekere Louis Deseschaliers, een Frans musicus van uitermate dubieus allooi,

gehuwd met de danseres Cathérine Dudard. Het kwam dan ook reeds tot ernstige onenigheden nog vóór de

eerste opera op de planken is te zien. Het echtpaar Deseschaliers probeerde op alle manieren, waarbij

verdachtmakingen en bedreigingen de overhand hadden, Quesnot uit de onderneming weg te drukken, wat nog

voor het einde van 1701 lukte. Toen Schott in 1702 stierf, had Deseschaliers vrij spel.

Deseschaliers haalde zijn zangeressen uit Parijs. Op 2 augustus 1701 contracteerde hij Marie [le] Rochois,

nicht van de bekende zangeres Marthe le Rochois (1658c-1728), verder de dames Guyart en Duplessis. Ook de

dansmeester, Pierre de la Montagne, kwam uit Parijs. Decors, rekwisieten en costuums werden in Hamburg

aangekocht.

De bewaard gebleven notariële akten rond de talrijke conflicten geven aan dat de opera vanaf het

winterseizoen 1701-1702 een aantal jaren functioneerde, en wel in het gebouw van de Kaatsbaan aan de

Casuariestraat. De conflicten betroffen acteurs, actrices, toeleveranciers, enz., die niet, niet op tijd of niet

volledig werden betaald, en schuldeisers die beweerden door Deseschaliers te zijn bedrogen doordat hij hen niet

uitbetaalde terwijl de opera door de volle zalen toch veel geld moest opbrengen. Quesnot publiceerde in 1706

een geschrift tegen Deseschaliers, getiteld L’opéra de La Haye: Histoire instructive et galante, dat niet vrij is

3


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

van venijn, maar toch voorzover valt na te gaan, voornamelijk op waarheid berust. Quesnot probeerde in 1706

de magistraat van Amsterdam over te halen hem aldaar opera’s te laten vertonen, maar zijn pogingen hadden -

tot genoegen van de Amsterdamse schouwburgregenten - geen succes.

Wat er gespeeld is onder leiding van Deseschaliers is maar tot op zekere hoogte bekend. In de beginjaren

stonden in ieder geval de opera’s Armide, Atys, Proserpine, Thesée en Amadis van Lully en Quinault op het

repertoire, waarschijnlijk ook L’Europe galante van Campra/La Motte. Van de laatste drie genoemde titels van

Lully/Quinault is een Haags libretto overgeleverd. Proserpine en Thesée waren ten behoeve van hun Haagse

opvoering van een nieuwe proloog voorzien.

Een Duitse reiziger, Zacharias Conrad van Uffenbach, beschrijft in zijn reisverhaal hoe hij op 5 december

1710 een voorstelling van Télémaque (Campra/Danchet) bijwoonde, op 15 december van Phaëton

(Lully/Quinault), op 27 december van Issé (Destouches/La Motte). Uffenbach was verbaasd over de geringe

kwaliteit van het gebodene, vooral in verhouding tot wat men zou verwachten in “zo’n voorname plaats, waar

zich zoveel voorname lieden en diplomaten ophouden”: 3

Den 5. Dec. giengen wir in etliche Buchladen, und Abends um half fünf Uhr in die Opera, den

Telemach vorzustellen schien. Wir muszten uns wundern, als wir sahen, dass das Theater klein, das

Orchester übel bestellet, die Akteurs, Vorstellung und alles gar slecht war, dann wir hatten uns

eingebildet, dass an einem solchen vornehmen Orte, wo so viele vornehme Leute und Ministers sich

jederzeit aufhalten, auch die Opera viel besser seyn müsse. Die besten Sänger waren Mad. Armand,

sie die Eucharis, Mr. Poussin so den Telemach, und Mr. Dun, so den Neptun vorstellte. Es ware

übrigens die Opera so slecht, dass wir froh waren als sie aus war. … Das Abends sahen wir die ganz

neue Opera Issé genannt, welche besser war als die vorigen. Der Pan, Doris und Apollo sungen am

besten, sonderlich der erste.

Op 5 december gingen we naar verschillende boekhandels, en ’s middags om half vijf naar de opera,

die Télémaque scheen op te voeren. Wij konden niet anders dan ons verbazen toen we zagen dat het

theater klein, het orkest slecht bezet was, de acteurs, de voorstelling en alles echt slecht was, want we

hadden ons voorgesteld dat in zo’n voorname plaats, waar zich voortdurend zoveel voorname

personen en diplomaten bevinden, de opera veel beter zou moeten zijn. De beste zangers waren mevr.

Armand, die Eucharis zong, dhr. Poussin als Telemachus en dhr. Dun als Neptunus. Voor de rest was

de opera zo slecht dat we blij waren toen het afgelopen was. … ’s Avonds zagen wij de gloednieuwe

opera Issé, die beter was dan de vorige. Pan, Doris en Apollo zongen het beste, speciaal de eerste.

Toneeltekeningen van Daniël Marot met scènes uit Atys, Amadis, Alceste, Persée (alles Lully/Quinault) en

Didon (Desmarest) betreffen wellicht dit Haagse operatheater. Overigens ging men in 1708 over naar een ander

gebouw zonder van straat te veranderen: vóór 1708 speelde men in de zogenaamde kaatsbaan van Van Gool aan

de zuidzijde, in 1708 werd de kaatsbaan van Noblet aan de noordzijde ingericht als theater. Deze locatie zou de

gehele achttiende eeuw plaats bieden aan het Franse toneel in Den Haag, om welke reden de benaming Frans

Theater ervoor zal worden gebruikt.

Hoe Deseschaliers’ opera-onderneming in Den Haag tot een einde kwam, is niet precies bekend. Geen

gegevens zijn bekend over activiteiten na de genoemde voorstellingen in december 1710. In 1712 beproefde

Deseschaliers zijn geluk in Utrecht, waar het vredescongres ter beëindiging van de Spaanse Successie-Oorlog

plaatsvond. In 1714 werd hij te Den Haag failliet verklaard. Hiermee werd de weg vrijgemaakt voor de

voortzetting van de opera op dezelfde plaats, aan de Casuariestraat, onder nieuwe leiding, die van Guillaume

Birrochon junior, die al in 1713 toestemming van de autoriteiten had verkregen om in Den Haag

3 Z.C. van Uffenbach, Merkwürdige Reisen durch Niedersachsen, Holland und Engelland (Frankurt 1753-1754), III, p.

362, 368.

4


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

operavoorstellingen te geven. (Guillaume Birrochon senior, zijn vader, was als kleermaker in dienst geweest bij

de onderneming van Deseschaliers.)

Birrochon begon met het opkopen van decors en costuums uit de failliete boedel van Deseschaliers’

onderneming, vermoedelijk om niet of voor weinig geld, vanwege schulden van Deseschaliers aan zijn vader.

Waarschijnlijk ging ook een aantal zangers en zangeressen over in Birrochons dienst. Birrochon verzorgde niet

alleen opera, maar ook gesproken Frans toneel. Welke opera’s zijn gespeeld is niet bekend.

In de jaren 1715-1718 liet de Portugese gevolmachtigd minister João Gomes da Silva, graaf van Tarouca

(1671-1738), ter ere van het bezoek van kroonprins Emanuel van Portugal aan Den Haag in het huis van

Lodewijk Adriaan van Nassau Zeist aan de noordzijde van het Plein, waar hij verbleef, een speciale operazaal

bouwen. Gedurende de vijf maanden van deze onderneming komen onder meer Phaëton, Atys (beide nog

Lully/Quinault), en Télémaque et Calypso (Destouches/Pellegrin 1714) op de planken.

Na het vertrek van de Portugese kroonprins verkregen de operisten, bij name van Jean Francisque, een apart

privilege van het Hof van Holland voor het geven van voorstellingen. Francisque richtte, financieel gesteund

door Francisco de Lis, een theater in aan het Lange Voorhout (nu nr. 28), ook wel naar Frans voorbeeld deftig

de ‘Académie de Musique’ genoemd. Op 23 juni 1719 vond de eerste voorstelling plaats, met Tancrède van

André Campra (Parijse première 1702). In 1720 werd een tweede seizoen gespeeld, maar nog voor het einde

van het jaar werd Francisque door zijn spelers en zangers opzijgezet, die vervolgens twee nieuwe directeuren,

Jean Sérancour en Pierre Drouet, benoemden. Onder dit nieuwe bewind was Campra’s L’Europe galante

uitverkoren om als eerste opera op de planken te worden gebracht; Francisco de Lis trad opnieuw als

geldschieter op. Maar de kwaliteit van de Haagse opera schijnt nog steeds niet alles te zijn geweest. ‘Nous

avons ici une opéra détestable,’ (Wij hebben hier een afschuwelijke opera) schreef niemand minder dan Voltaire

vanuit Den Haag in 1722. In hetzelfde jaar kwam de opera aan het Voorhout tot een einde doordat de spelers

weer in de Casuariestraat gingen spelen.

In 1722 was in de Casuariestraat Birrochon vervangen door een nieuwe directie, die een drietal musici van

Franse herkomst aantrok: Gilles Robert als kapelmeester, Guillaume Robert als violist en Jean Martin als

klavecinist. Verder werden contracten gesloten met de zanger Philippe Crété en de zangeres Jeanne Rousseau.

De aanstelling van al dezen bevestigt het belang dat aan het muzikale bestanddeel van de voorstellingen werd

gehecht. In 1723 werd de directie gevoerd door Marianne Dujardin (die ook bij opera-ondernemingen in

Brussel was betrokken geweest), de al genoemde Francisque en Carlo Ricciotti detto Bacciccia. In 1725 was

ook de Franse componist van vooral cantates Thomas-Louis Bourgeois aan de Haagse opera verbonden.

Met Pasen 1731 ging Francisque opnieuw aan het Voorhout spelen, vermoedelijk met een repertoire van

recente opéras-comiques, weinig meer dan toneel met ingelaste liederen. Het bestaan van deze

theateronderneming naast die in de Casuariestraat leidde tot het bestaan van twee kampen, de Voorhoutianen en

de Casuaristen. ‘Men is gedwongen zich opentlyk te declareren,’ schreef Justus van Effen in de aflevering van

De Hollandsche Spectator van 5 november 1731, die geheel gewijd is aan het Franse toneel in Den Haag, ‘voor

Voorhout-tianen, of voor Casuaristen. De huisgezinnen zelf verdeelen zich onderling; men ziet Mynheer naar ‘t

eene toneel, en Mevrouw naar ’t andere ryden, gelyk in sommige familien de vrouw naar de Mis, en de man

naar de Predicatie zich begeeft. Die hevige partyschap word het onderwerp van alle de conversatien, men

cabaleert aan beide zyden; men maakt intrigues met eene onuitsprekelyke animosityt. ’t Eerst ’twelk in een

gezelschap gevraagd werd, is Heb je gisteren in de Casuariestraat, of in’t Voorhout geweest? Waren er veel

mensen? en ’t antwoord verwekt aan de eene blydschap, en aan d’andere droefheid.’

Al of niet als gevolg van die heftige concurrentie was de opera aan het Voorhout geen lang leven beschoren.

In 1732 sloot het theater aan het Voorhout. Toen in 1732 bovendien vanwege de bedreiging van de dijken van

5


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

het land door de paalworm alle theatervoorstellingen (tijdelijk) werden verboden, moest ook het Franse Theater

in de Casuariestraat sluiten. Francisque wordt als opera-ondernemer nog genoemd in 1733, maar in 1735

verkochten de eigenaren het pand, en bleef het toneel aan de Casuariestraat over als de enige speelvloer voor

Frans theater. In de decennia volgend op de heropening gaat de nadruk liggen op gesproken toneel en opéracomique

in de betekenis die het woord dan heeft: toneelspel met liedjes. Aldus ging in 1732 de ‘echte’ opera te

Den Haag na een halve eeuw zo niet ter ziele, dan toch in ruste. De residentie moest tot tegen 1760 wachten

voordat een operacultuur ontstond die enigszins bij de tijd was.

Deze paragraaf is een bewerkte versie van R.A. Rasch, ‘Het Haagse muziekleven ten tijde van Unico Wilhelm van

Wassenaer,’ in Unico Wilhelm van Wassenaer 1692-1766 (Hilversum/Zutphen 1993), pp. 142-148.

H.J.J.M. van Diepen, ‘Een historisch plekje,’ Jaarboek Die Haghe (1941), pp. 56-122. Pp. 85-92 over de Pikeerschuur.

Jérôme de la Gorce, ‘Contributions des opéras de Paris et de Hambourg à l’interprétation des ouvrages lyriques donnés

à La Haye au début du XVIII e siècle,’ in: Aufklärungen (Heidelberg 1986), pp. 90-104.

Aldo Lieffering, ‘Het Franse theater op het Voorhout,’ in: Het Lange Voorhout (Zwolle 1998), pp. 117-120.

Fransen 1925, pp. 165-167, 193-287.

JAN BAPTIST VAN FORNENBERGH

Ben Albach, Langs kermissen en hoven: Ontstaan en kroniek van een Nederlands toneelgezelschap in de 17de eeuw

(Zutphen: Walburg, 1977). Over de troep van Van Fornenbergh.

M.B. Smits-Veldt, ‘21 mei 1658: Jan Baptist van Fornenbergh koopt een huis en een erf aan de Denneweg in den Haag

om in de tuin een theater te bouwen: Toneel te Den Haag in de zeventiende eeuw,’ in: Een theatergeschiedenis (1996), pp.

242-249.

JACOB VAN RIJNDORP

Kossmann, Faustspiel, pp. 128-168, uitvoerig over Van Rijndorp.

Jacob van Rijndorp, Koningh William zeegepralend in Yerland, versiert met sangh en balletten, en verscheyde

vertooningen (Den Haag: Gerrit Rammazeyn, 1690); Korte verklaring over ‘t manhaftige beleg en glorieuse verovering

der sterke stadt en casteel van Namen, verçiert met uytmuntende vertooningen, balletten en muzyk van stemme en

instrumenten (z.pl. 1695?); Het Vereenigd Europa, zinnespel, behelzende De gelukkige vrede over den staat der algemeene

Christenheyt, versiert met nieuwe kleederen en tooneelen, uytmuntende konst- en vliegwerken, ongemeene balletten door

verscheide meesters, en muzijk van stemme en instrumenten (Den Haag: Gerrit Rammazeyn, 1697; om op te voeren in Den

Haag op 1.11.1697); De bly geboortedag van Frederik de Vierde, Koning der Denne, Noore, Wenne en Goote, etc.

Vreugde-spel, versiert met zang, dans, konst en vliegwerken (Kopenhagen: Peter Eichhorn, 1703); Beschryving der

sieraden, vertooningen, danssen en veranderingen van het tooneel gebruikt in het vertoonen van de belegering van

Belgrado, den daarop gevolgden veldslag, en overgaaf der voorgenoemde stadt; daarnevens De triomph en krygsfortuin

van Zyn Hoogheid, Eugenius, Prinse van Savoyen en verscheide andere hooge generaals; tot besluit De huldiging van

Zyne Keizerlyke Majesteit Karel de Zesde tot Hartog van Brabandt en Grave van Vlaanderen (z.pl. 1717). [Met dank aan

Ingeborg de Cooman.]

HET FRANSE THEATER 1700-1735

Repertoire: 1702 Armide, Atys, Thésée, L’Europe galante; 1710 Télémaque, Issé.

Repertoire Tarouca 1715-1718: Phaëton, Atys, Télémaque et Calypso.

Repertoire Francisque 1719-1720: Tancrède, L’Europe galante.

Zie informatie achter §6.5.

DE LIS

6


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

11.2 TONEEL EN OPERA IN DEN HAAG 1749-1793

Na het te gronde gaan van de opera van Jean Francisque in 1733 moest Den Haag het ruim vijftien jaar zonder

een echte operatraditie stellen. Het Franse Theater in de Casuariestraat bleef beschikbaar voor Frans toneel,

maar gedurende de periode 1735-1749, toen Nicolas Huau de directie voerde, kan de muziek hoogstens een

bijrol hebben vervuld. Na 1749 werd alles anders. Drie factoren bevorderden in samenhang de opkomst van de

opera in de jaren-1750 in Den Haag. In de eerste plaats kwam in deze periode het Haagse hofleven op gang,

onder het regentschap van Anna van Hannover van 1751 tot 1759. (De stadhouderlijke periode van Willem IV

was vooral een opbouwperiode geweest.) Aan het hof vond een uitbreiding van muzikale activiteiten in het

algemeen plaats, waardoor ook de belangstelling voor theater, inclusief opera van de zijde van het hof groeide.

Het beleid werd - zij het wat contre cœur vanwege hoge kosten - gedurende de periode 1759-1767 voortgezet

door de hertog van Brunswijk als voogd van de jonge Willem V.

In de tweede plaats kan de aanwezigheid te Den Haag van de familie Anselme worden genoemd, bestaande

uit vader Jean-Baptiste Anselme (“Monsieur Baptiste”), zijn vrouw Françoise Gravillon (“Madame Baptiste”),

hun dochter ‘Rosette Baptiste’ (artiestennaam voor Rose-Albertine-Françoise Anselme) plus nog een aantal

andere kinderen, die als orkestlid of als acteur of actrice optraden. Van 1756 tot 1759 voerde Monsieur Baptiste

de directie, van 1759 tot 1767 deden Madame Baptiste en Rosette Baptiste dat. Beide dames verwierven grote

naam vanwege hun acteer- en zangprestaties. Hoewel in de periode 1751-1767 de familie Baptiste niet continu

de directie voerde, was hun rol in het geheel toch zo overheersend, dat deze periode gerust de periode Baptiste

kan worden genoemd.

In de derde plaats moet de opkomst, te Parijs, worden genoemd van de nieuwe opéra-comique, de uiterst

effectieve synthese van Italiaanse opera buffa en oudere Franse opéra-comique. Deze opkomst vond plaats in

twee fasen. De eerste fase beslaat de jaren-1750 en wordt gekenmerkt door het ontstaan van stukken die vaak

teruggaan op Italiaanse intermedi zoals Pergolesi’s La serva padrone en die een rol speelden in de Parijse

guerre de bouffons. Het auteurschap van de muziek is door de vele bewerkingen en veranderingen vaak

moeilijk vast te stellen. De tweede fase ging in tegen het einde van de jaren-1750 en duurde tot het einde van de

jaren-1760. Deze fase wordt gekenmerkt door stukken met een duidelijke herkomst, vaak ook in druk

uitgegeven. Anseaume, Sedaine, Vadé en Favart zijn de belangrijkste librettisten, Egidio Romualdo Duni,

André-Danican Philidor en Pierre-Alexandre Monsigny de belangrijkste componisten. Dit repertoire leende

zich, door het geringe beslag dat op tijd en middelen wordt gelegd, en door de vlotte en gemakkelijk

toegankelijke plots, bij uitstek voor transplantatie in de Haagse (hof)cultuur. Met Rosette Baptiste was een alom

geroemde executrice van het zojuist genoemde repertoire beschikbaar.

Het hof van Anna van Hannover steunde het Franse toneel in Den Haag regelmatig met kleinere en grotere

sommen gelds, het zgn. abonnement. In 1751 werd het voor het eerst contractueel vastgelegd; vervolgens werd

het van tijd tot tijd vernieuwd. Dit abonnement was een jaarlijks steunbedrag, waartegenover de vrije

beschikbaarheid van de centrale loge in de zaal, de zogenaamde stadhouderlijke loge, stond. Het abonnement

bleef bestaan tot het einde van het Franse Theater onder het stadhouderlijk regime in 1793.

Van de zaal in de Casuariestraat zijn uit deze periode wel wat beschrijvingen, maar geen afbeeldingen

bekend. Ondanks de voortdurende veranderingen bleef het een zaal die in Europees verband gezien wat betreft

afmetingen en inrichting tot een bescheiden middenmoot behoorde, met de genoemde stadhouderlijke loge als

voornaamste bezienswaardigheid. De capaciteit van de zaal moet ongeveer 300 à 400 toeschouwers hebben

bedragen.

7


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Het Haagse theaterseizoen liep van Pasen tot Pasen, in overeenstemming met wat in Frankrijk gebruikelijk

was: zo was het makkelijker om Franse toneelspelers te contracteren. In feite fungeerde het Franse Theater in

Den Haag wat betreft directie, acteurs en repertoire als een Frans provincietheater. Gedurende het seizoen werd

er meerdere malen per week - tot vier keer toe - gespeeld. De zaal was verdeeld in een aantal rangen, waarvan

de loges en de theaterplaatsen (op het toneel) de duurste waren (f3:3, ofwel een ducaton), de plaatsen achterin

beneden het goedkoopst (f0:12). Men kon kaartjes los kopen of per abonnement. De regelmatige

benefietvoorstellingen ten gunste van bepaalde acteurs en/of actrices vielen buiten het abonnement: men sprak

dan van ‘abonnement suspendu.’ De zaal werd regelmatig voor het geven van concerten gebruikt, waarbij ook

zangers en instrumentalisten van het theater zelf optraden.

Van 1749 tot 1751 voerde Jean-Louis Hébert de directie, van 1752 tot 1754 vormden de acteurs als

‘geassocieerde comedianten’ zelf hun directie. Het seizoen 1754-1755 was in handen van Charles Picq, dat van

1755-1756 in handen van Pierre Huguet (dit Armand) en Pierre-Alphonse d’Armel (dit Beaumont). Daarna

kwam er meer continuïteit, met Monsieur Baptiste als directeur voor drie seizoenen (1756-1759) en diens vrouw

en dochter voor niet minder dan acht seizoenen (1759-1767).

Over het door de Franse troep in de vroege jaren vijftig gespeelde repertoire is niet zo veel bekend.

Aanvankelijk werden er naast het gesproken toneel voornamelijk comédies mêlées d’ariettes gegeven. Onze

kennis van het gespeelde repertoire komt van verschillende kanten. Advertenties in de ’s-Gravenhaagse

Courant verschaffen informatie over de gehele periode van 1749 tot 1793, maar doorgaans onvolledig.

Welkome aanvullingen komen uit theatertijdschriften, zoals het door François de Chevrier geredigeerde

periodiek L’observateur des spectacles, ou Anecdotes théâtrales (verschenen van 1 januari 1762 tot 29 maart

1763), de raillerende Ryswykse Vrouwendaagse Courant (eerste helft 1774) en Het Kabinet van Mode en Smaak

(1791-1794). Deze periodieken verschaffen ons niet alleen titels van gegeven stukken, maar ook data, namen

van zangers en spelers, alsmede besprekingen en kritieken van zeker niveau. Daarnaast zijn er contemporaine

publicaties van het repertoire. In de eerste plaats zijn daar de zes delen van het Nouveau théâtre de La Haye, van

1758-1761 te Den Haag door Hendrik Constapel uitgegeven. De delen zijn in feite bundelingen van tekstboeken

en uitgaven van de voornaamste airs van opera’s en toneelstukken in de onderhavige jaren te Den Haag

gegeven. Voor een wat langere periode dienen de zestien delen van het door Burchard Hummel uitgegeven

Extrait des airs françois de tous les opéras nouveaux, qui ont été représentés. Alle delen zijn ongedateerd, maar

het eerste deel moet tussen 1760 en 1765 zijn verschenen, het laatste rond 1790. Overigens geven deze

publicaties niet de garantie dat een erin opgenomen stuk werkelijk afkomstig is uit een op het Franse Theater

gespeelde opera.

Al is geen achttiende-eeuws archiefmateriaal van het Franse Theater van Den Haag bewaard gebleven, wel is

de muziekbibliotheek voor een belangrijk deel behouden. Deze bevindt zich thans in het Nederlands Muziek-

Instituut in Den Haag. Men vindt er vele achttiende-eeuwse partituren, vrijwel steeds in Parijs gedrukt, dikwijls

aangevuld met handgeschreven partijen. De aanwezigheid van handgeschreven partijen kan men zien als een

aanwijzing dat de desbetreffende opera opgevoerd is geweest, maar ook hier is voorzichtigheid geboden.

Het is niet mogelijk om hier een volledig overzicht van het operarepertoire van het Franse theater te Den

Haag te geven. Maar de volgende, geselecteerde titels zijn tenminste indicatief. Gedurende de tweede helft van

de jaren-1750 zien we in Den Haag de stukken komen van de Parijse guerre des bouffons, eenvoudige

zangspelletjes, dikwijls Franse bewerkingen van Italiaanse opere buffe, zoals La servante maîtresse (naar

Pergolesi’s La serva padrone), Le maître de musique (naar Auletta’s L’Orazio), La pipée (naar Jommelli’s Il

paratajo) en La Bohémienne (naar Rinaldo di Capua’s La zingara). Nieuw voor de Haagse Bühnen geschreven

lijkt de muziek voor Raton et Rosette door de theaterdirecteur Jean-Baptiste Anselme (première 1755).

8


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

De jaren-1760 werden wat betreft het operarepertoire gekenmerkt door de opkomst van de nieuwe opéracomique,

waarin drie componisten de hoofdrol spelen: Egidio Romualdo Duni (1708-1775), François-André-

Danican Philidor (1726-1795) en Pierre-Alexandre Monsigny (1729-1817). Van Duni werden onder meer

opgevoerd Ninette à la cour (1759), Le docteur Sangrado (1760), Le peintre amoureux de son modèle (1762),

La fille mal gardée (1760), Mazet (1763), Les deux chasseurs et la laitière (1767), La clochette (1767) en La fée

Urgèle (1767), van Philidor Le diable à quatre (1760), Blaise le savetier (1760), Le soldat magicien (1761), Le

maréchal ferrant (1761), Tom Jones (1767) en Le sorcier (1767), van Monsigny On ne s’avise jamais de tout

(1762), Le roi et le fermier (1763) en Rose et Colas (1765).

Het Haagse operarepertoire uit de jaren 1758-1767 bestond dus voor het overgrote deel uit reprises van

stukken die hun première te Parijs hadden beleefd, hetzij in de Opéra Comique hetzij in het Théâtre Italien. Als

men de jaren van de Haagse premières vergelijkt met die van de Parijse, dan blijkt bovendien dat men in de

jaren 1758-1760 te Den Haag een soort inhaalrace uitvoerde. In 1758 begon men met stukken van rond 1755,

dus gemiddeld zo’n drie jaar oud. De Haagse premières van 1760 en later liggen vaak minder dan een jaar na de

Parijse.

Een klein aantal stukken was van locale herkomst. Op 11 maart 1766 wordt in verband met de

meerderjarigheid van Willem V J.F. de Bastide’s toneelspel ‘orné de chants et de danses’ La majorité

opgevoerd. Rond 1767 werden er twee opéra-comiques van Giovanni Battista Zingoni in het Franse Theater te

Den Haag opgevoerd: Les passetemps de l’amour en Democrite. Deze zijn uit de literatuur verder niet bekend

en zijn dus mogelijk direct voor het Haagse theater geschreven. De door Hummel gepubliceerde uittreksels

vormen het enige dat er van de muziek is bewaard gebleven.

In 1767 kwam het tijdperk Baptiste tot een einde. Madame Baptiste deed de leiding van de troep over aan

Antoine-François-Jannaux Chalaize. Rosette Baptiste beëindigde haar carrière als zangeres. Het directoraat van

Chalaize betekende het begin van een reeks kortdurende directies, vaak zelfs van slechts één seizoen. Chalaize

werd opgevolgd door achtereenvolgens Louis de la Creusette (dit Mérillan; 1768-1771), Pierre Chevalier (1771-

1772), François Moncel (1772-1775), Joseph Patrat (1775-1776), Jacques Julien (1776-1779?) en weer Mérillan

(1780?-1782).

Uit 1780 is een tableau de la troupe bekend, gepubliceerd in de brochure État de la Comedie. Dit overzicht

geeft aan dat er ruim tien acteurs en ongeveer evenveel actrices waren, waarvan de meesten ook zongen en

dansten, als dat gewenst was. Maître de ballet was Balland (die ook als componist [of samensteller?] van

bundels dansen bekend is), maître d’orchestre (dirigent) Jean Malherbe, maître de symphonies (concertmeester,

eerste violist) Willem Albert Teniers. Het orkest bestond uit vijf eerste violen, vier tweede violen (aanvoerder

Henri Malherbe, jongere broer van de dirigent), twee altviolen, twee celli, contrabas, twee fluiten/hobo’s, twee

hoorns, serpent en fagot.

Wat betreft het repertoire wordt de periode van het einde van de jaren-1760 tot halverwege de jaren-1780

gekarakteriseerd door de overheersende rol van opéras-comiques van de hand van André-Ernest-Modeste

Grétry (1741-1813). Van 1769 tot 1788 gingen meer dan twintig titels van hem in première in Den Haag,

waaronder vele frequent gespeelde zoals Lucile (1769), Silvain (1770), Le tableau parlant (1772), L’amitié à

l’épreuve (1772), Les deux avares (1772) en Zémire et Azor (1772). (Le Huron was in 1769 onder Mérillan de

eerste geweest.) De gegeven titelselectie laat duidelijk 1772 als het Grétry-jaar zien. Naast Grétry zien we nog

wat nieuwe titels van oude bekenden als Philidor (Mélide, 1773) 4 en Monsigny (Le déserteur, 1769; La belle

Arsène, 1777) en nieuwe bekenden als Dezède (Julie, 1773; L’erreur d’un moment, ou La suite de «Julie»,

4. Volgens de annalen eerder gespeeld in Den Haag (4 maart 1773) dan in Parijs (herfst 1773), mogelijk een gevolg van

Philidor’s Engelse reis van dat jaar.

9


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

1773), Christoph-Willibald Gluck (La rencontre imprévue, 1768; Orphée et Euridice, 1779), en Martini

(L’amoureux de quinze ans, 1772). Een heel enkele keer werd een locaal product gespeeld, zoals Jan Jacob van

Wassenaers Vertu vaut bien noblesse (2 maart 1769, een benefiet voor Rosette Baptiste, zijn minnares),

Friedrich Schwindls L’astronome, ou L’heureux moment (ter gelegenheid voor de geboorte van prinses Louise)

en La soirée des boulevards (beide januari 1771), de vaudeville-opera L’heureux retour (1772, ter gelegenheid

van de geboorte van prins Willem) en Johann Andreas Kauchlitz Colizzi’s Le droit d’aînesse (1778) en

L’amour et les graces (1781). Alleen van Colizzi’s titels zijn delen van de muziek bewaard gebleven. 5

In 1782 begon een periode met grotere continuïteit in de directie. Van 1782 tot 1789 werd de directie

gevoerd door Johan Thomas Storm en zijn zoon Stanislaus Anthoine Henri Storm. Hun helper Johann Philipp

Meissner nam in 1789 de directie definitief over en bleef die voeren tot 1809. In het repertoire bleef Grétry nog

belangrijk tot aan de tijdelijke sluiting van het theater in 1793. Nieuwe ontwikkelingen dienden zich aan na het

midden van de jaren-1780, met de introductie van de opera’s van Dalayrac, vanaf 1786 (La dot, 1786; Nina,

1787; L’amant statue, 1787; Azémia, 1788; Renaud d’Ast, 1788; enz.) en met Franse bewerkingen van nieuwere

Italiaanse opere buffe, zoals L’infante de Zamora (1782; naar Paisiello’s La Frascatana), Le philosophe

imaginaire (1789; naar Paisiello’s Gli astrologi immaginari), La villageoise enlevée (1791; naar de pasticcio La

villanella rapita), Les noces de Dorine (1790; naar Sarti’s Fra i due litiganti il terzo gode [=Als twee honden

vechten om een been, gaat de derde ermee heen]) en Le directeur dans l’embarras (1790; naar Cimarosa’s

L’impresario in angustie). Nog net voor de sluiting van het theater in februari 1793 werden de eerste opera’s

van Rodolphe Kreutzer (waaronder Lodoiska, 1792) en Étienne-Nicolas Méhul (Euphrosine, 1791) gespeeld.

Opera’s van ‘Haagse componisten’ zijn Le bonheur et la vertu op tekst van Dougherty de la Tour en met

muziek van Zingoni en anderen (8 maart 1782), Le petit cabaret op tekst van Hadoux, een spel met een

duidelijk politieke inslag (6 december 1782; met ariettes), Les Français chez les Hurons, ou La vertu de la

baguette van Colizzi (1783), L’heureuse révolution van Meissner (september 1788, tekst Jean-Baptiste

Valmond, ter herdenking van de terugkeer van de stadhouder naar Den Haag één jaar eerder) en Les Dieux au

village van Colizzi op tekst D’Alery de Mons (19 oktober 1790, ter gelegenheid van het huwelijk van prinses

Louise met Karel George August van Brunswijk Wolfenbüttel op 14 oktober daaraanvoorafgaand). Van de

laatste twee is ook de muziek bewaard gebleven.

Het abonnement van het hof aan het Franse Theater bleef bestaan. Het liep op van f7000 per jaar in 1767 tot

f14.300 per jaar in 1776 en f13.200 in 1777-1787. In 1787 dreigde het te worden stopgezet in verband met de

afwezigheid van het hof. Het werd echter toch hersteld en bedroeg tot 1792 nog altijd f700 per maand. Via het

abonnement bestond er een duidelijke invloed van het hof op het reilen en zeilen van het Franse Theater.

Belangrijke acteurscontracten werden niet gesloten zonder de toestemming van het hof; sommige contracten

werden zelfs met het hof gesloten. Het lijkt zeker dat het hof zich bemoeide met de repertoirekeuze en met de

samenstelling van de troep. Verjaardagen en huwelijken in de stadhouderlijke familie gingen dikwijls gepaard

met speciale galavoorstellingen in het Franse Theater. Toch was het theater geen hoftheater in de strikte zin van

het woord, maar een privé-onderneming.

De Franse troep van Den Haag speelde zeer frequent in andere steden, met name in Rotterdam, Leiden,

Utrecht en Amsterdam. In de zomers van 1778-1780 werd te Amsterdam, in een tent op het Leidseplein,

opgetreden. Daartegenover stond dat ook andere troepen het Franse Theater aan de Casuariestraat benutten,

5. Hummel’s twaalfde deel geeft ook nog airs uit Colizzi’s La ruse d’amour en Les plaisirs de la jeunesse, over welke titels

geen verdere informatie beschikbaar is. De laatste titel wordt voor het hof gecopieerd eind 1779. Colizzi krijgt ‘voor een

opera’ betaling bij een hofconcert op 21 april 1779. De eerste titel kan corresponderen met kopieerwerk medio 1780 van

“L’union de l’amour” (Actes 1-2) en “La cour d’amour” (Acte 3).

10


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

wanneer zij zich in Den Haag ophielden. Het Franse Theater kwam in Den Haag tot een einde, toen in februari

1793 de acteurs en bloc werden ontslagen, in verband met al of niet terechte verdenkingen van jacobinisme

onder hen. Het theater stond daarna leeg, behoudens de periode dat de Amsterdamse Duitse troep van Johann

Albert Dietrichs het bespeelde, van maart tot juni 1794.

Gedurende het laatste derde deel van de achttiende eeuw had Den Haag ook een Nederlands Theater. Het

was gesticht door de van oorsprong Amsterdamse toneelspeler Marten Corver (1727-1794), die na zijn vertrek

uit Amsterdam in 1763 eerst in Leiden was gaan spelen. In 1766 liet hij in Den Haag de Nederduitse

Schouwburg in de Assendelftstraat bouwen, die op 13 maart 1767 wordt geopend met Cleomenes van David

Lingelbach. Na 1770 trad Corver minder zelf of met zijn eigen gezelschap op en ging verhuur aan andere

troepen overheersen. Vermoedelijk beschikte ook deze Schouwburg over een eigen orkestje, naar analogie van

de Amsterdamse Schouwburg. De talrijke balletten maakten dit noodzakelijk, maar details zijn helaas niet

beschikbaar. Corver overleed in 1794. Zijn weduwe Maria Koos zette de onderneming voort tot 1805 (zij

overleed in 1806).

HET FRANSE THEATER

De volgende informatie is gebaseerd op Lieffering 2007 en geeft de namen van de directeuren, van alle acteurs en actrices

die ten minste éénmaal als zanger of zangeres zijn gedocumenteerd, en tenslotte van de instrumentalisten, voorzover

bekend. De gegeven jaren betreffen het eerste en het laatste jaar van optreden volgens de beschikbare gegevens. Het

dienstverband hoeft dus niet geheel doorlopend te zijn geweest. (Zeer uiteenlopende jaartallen zijn soms door komma’s

gescheiden.) Aangezien de brongegevens uiterst onvolledig zijn, is het gegeven overzicht niet meer dan indicatief.

Achternamen zonder meer betreffen zangers, namen met Mlle (=Mademoiselle) zangeressen, waarbij men moet bedenken

dat het zowel om getrouwde als ongetrouwde personen kan gaan en de achternaam dus zowel die van de vader als van de

echtgenoot kan zijn. (Mme=Madame duidt op een ouder of hoger geplaatst persoon.)

DIRECTEUREN

1749-1751 Jean-Louis Hebert; 1752-1754 Geassocieerde comedianten; 1754-1755 Charles Picq; 1755-1756 Pierre Huguet

(alias Armand) en Pierre-Alphons d’Armel (alias Beaumont); 1756-1759 Jean-Baptiste Anselme; 1759-1767 Françoise

Gravillon (Madame Baptiste) en Rose-Albertine-Françoise Anselme (Rosette Baptiste); 1767-1768 Antoine-François-

Janneaux Chalaize; 1768-1771, 1780-1782 Louis de Mérillan; 1771-1772 Pierre Chevalier; 1772-1775 François de Mocel;

1775-1776 Joseph Patrat; 1776-1780 Jacques Julien; 1782-1788 Johan Thomas Storm; 1788-1789 Stanislaus Anthoine

Henri Jacques Storm en Johan Philip Meissner; 1789-1793 Johan Philip Meissner.

ZANGERS EN ZANGERESSEN

1749 Mlle Le Blanc; Mlle Le Pic; Parent; De Rozée ; -1753 Corbin; -1750 De Hautemer.

1750 Terodac (alias Carodet); Mlle Fauche; -1768 Françoise Gravillon (Mme Baptiste); -1752 Louis-Firmin Cressent;

1750; -1751 Julien (ook 1782-1792).

1751-1755 François Quinault.

1752, 1782 Durand.

1753-1758 Marie Dumont dite Prévost.

1754 Charlotte Asselin (weduwe Bocard); Antoine Bocard; Lolotte Bocard.

1757-1768 Rose-Albertine-Françoise Anselme (Rosette Baptiste); -1758 Rosière; -1759 Darcis; -1761 Mlle Mouche

dite Grégeois.

1758-1767 Marie-Claude Guéant dite Dancourt; -1759 Mlle Bourdais.

1760-1762 De Relly.

1761 Deschamps; Lamare; -1770 Des Roses.

1762 Du Tilleul fils; Charlotte Frédéric (Schreuder); Mlle Laurent; Mlle Paris; -1770 Louis Compain des Pierrières;

-1771 Nicolas Dugué

1764-1770 Antoine Duboulay.

1765 Campion; Moet.

1766-1770 Marie Therèse Missoli Bourdais; -1780 Louis de Mérillan.

1767 Petit; -1772 Rebut de Chambot.

11


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

1769-1774 Mlle Andasse; -1770 Deux; -1782 Le Petit; -1777 Thérèse Loiselet dite Le Roy.

1770-1772 Angélique le Roy cadette; -1774 Vanhove.

1771 De Foix; -1772 Oyes; -1772 Piévois.

1772 Mlle Duclos; -1773 Farges.

1774-1777 Bultos [=Alexandre-Florentin Bultos Brussel 1749-1787, directeur van de Muntschouwburg in Brussel van

1777-1787).

1775 Deville; D’Emery; Fleury; Grégoire; Le Tellier; Leclair; Merville; Montrose; Soligny; Mlle Tessier; -1776

Monvel; -1792 Mlle Fleury; -1780 Mlle Montrose; -1792 Saint-Aubin; -1777 Saint-Val; -1791 Mlle Visintini Thomasin

1776 Touvois; -1779 Jérôme Calais; -1778 Mlle Durancy.

1777-1778 Mlle Cénas; -1778 Dorceville; -1780 Clairenson; -1780 Jean Duport.

1778-1781 Beaubourg.

1779 Mlle Dufour; -1781 Déchet.

1780 Mlle Balland; Mlle Baron l’ainée; Mlle Chevalier; Chevalier Sequenot; Du Vernet; Mlle de Franoy; Mlle De

Lorraine; Annette Martin; Elisabeth Martin; Mayeur; Mlle Mayeur; Mlle Montrose cadette; Mlle Opreuil; Saint-Étienne

-1782 Debray.

1781 Goyer.

1782 Carlos de Bussoni; Mlle La Plante; Manyer; Mlle Manyer; Monville; -1790 Martin.

1783 La Bruyère.

1784-1792 Anne Longeau.

1785-1786 Dubois; -1790 Jean-Charles Dumail.

1786-1787 Jean Bonioli; -1787 Émanuel Brissé; -1790 Marie-Anne Durivier

1787 Clairville ; Nicolas de Villepré; -1791 Colette Auzou.

1788 Monfort; Mouton; -1789 Dupré; -1790 Josse.

1789 Mlle Ducquesnoy; -1790 Francisque dit Saint-Valis.

1790 Adrienne Alexandre; D’Alery de Mons; Hyacinthe Réan; -1792 Laurent Perachon.

1791-1792 Cifolelli; -1792 Saint-Valier.

1792 Angélique Beinfait; Buffard; Mlle Saint-Amant; Mlle Sainte-Marie

INSTRUMENTALISTEN

Wat betreft de instrumentalisten zijn de gegevens zéér onvolledig. Het is aannemelijk dat velen van de genoemden vele

jaren langer in dienst zijn geweest dan de een of twee seizoenen waarvoor ze zijn vermeld.

1751-? Jean-Baptiste Anselme.

1752- Jean-Baptiste Jobert.

1755- Jacques-Baptiste Anselme.

1767-1768 George; -1787 Jean Malherbe, Meissner.

1769-1770 Chamignon

1775-1776 Benozzi (cello); Zweiman (fagot); Deul (hoorn).

1775-1777 Johann Wilhelm Klein père (hobo).

1775-1781 Potdevin (viool); Slavic (viool); Spangenberg fils (altviool); [Johan?] Spandau ainé (altviool); Johann Adam

Dambach (cello); Fennenberg (contrabas); Willem Georg Klein (hobo, fluit); [Hendrik?] Spandau (hoorn)

1775-1787 Henri Malherbe (viool).

1778 Marcot (cello), Rose (viool), -1787 Willem Albert Teniers (viool). [Dezen naar AC 21.7.1778.]

1780-1781 Rosay (viool); Jean-Romain Merlin (viool); Hendrik Christiaan Kleine (hobo/fluit); Geering (altviool);

Georg Schau (altviool); Ceulemans (serpent); -1787 D’Humainbourg fils (viool).

1789-1791 Martin

1791-1792 S. Snoeck; Sola.

1792-1793 Christiaan Willem Westerhof

REPERTOIRE

De volgende lijst is een premièrelijst van opera’s opgevoerd in het Franse Theater in Den Haag van 1750 tot 1793. De lijst

streeft in principe naar volledigheid. Gezien de wisselvalligheid van de beschikbare gegevens kan die volledigheid echter

zelfs niet bij benadering worden bereikt. Daarnaast kan ook de afbakening van het begrip opera problematisch zijn. De lijst

is volgens de volgende uitgangspunten opgesteld:

- De lijst gaat uit van kalenderjaren. Premièredatum tussen haakjes alleen wanneer bekend.

- De lijst is in eerste instantie naar Lieffering 2007, die de oudere informatie van Koogje 1995 (wat betreft 1750-1789) en

Koogje 1987 (1789-1793) achterhaald maakt. Enkele aanvullingen zijn gehaald uit het Nouveau théâtre de la Haye (6

12


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

delen: Den Haag: Hendrik Constapel 1758-1760), de Extrait des airs Français de tous les opéras (16 delen: Den Haag:

Burchard Hummel, 1760c-1792) en de collectie van het Franse Theater van Den Haag, thans in DHgm en gecatalogiseerd

in Freek Pliester, Handlist of the collection of the Théâtre Français de La Haye (Den Haag 1983).

Het geven van een gegarandeerd correcte en volledige lijst van opera’s die door het Franse Theater zijn opgevoerd is

onmogelijk. De gegevens moeten dan ook met de nodige reserve worden gehanteerd.

1750 Le tribut du coeur.

1754 Le devin du village.

1755 Raton et Rosette (24.9).

1757 La servante maîtresse.

1758 La Bohémienne (7.3); Bajocco et Serpilla (28.8); Bertholde à la ville; Le maître de musique; Les troqueurs; La

fausse aventurière; 1758 Le diable à quatre.

1759 Le Chinois.

1760 Blaise le savetier; Ninette à la cour; La fille mal gardée; La pipée; Le docteur Sangrado; L’ivrogne corrigé; L’île

des foux.

1761 Le soldat magicien (29.12).

1762 On ne s’avise jamais de tout; Les amants trompés; Le peintre amoureux de son modèle; Le maréchal ferrant;

Annette et Lubin; Le maître en droit.

1763 Sancho Pança dans son île; Mazet.

1764 Le roi et le fermier; Le cadi dupé.

1765 Rose et Colas (8.3); Soliman second; Nanette et Lucas; Le sorcier; Les deux chasseurs et la laitière; Les

passetemps de l’amour; Tom Jones; La pupille rusée.

1765c Le milicien; Le bûcheron; Le tonnelier; Le serrurier; Les amours de Gonesse; Les aveux indiscrets.

1766 Isabelle et Gertrude; Le petit-maître en province; L’école de la jeunesse.

1767 La clochette; La fée Urgèle; Le jardinier et le seigneur; La reconciliation villageoise.

1768 Les pêcheurs (9.8); La rencontre imprévue; Le jardinier de Sidon; Toinon et Toinette; Les moissonneurs.

1769 Vertu vaut bien noblesse (2.3); La meunière de Gentilly; Les sabots; Le déserteur; Le Huron.

1770 Lucile; L’île sonnante; L’aveugle de Palmyre; Le combat nocturne; Silvain; La tableau parlant; Sophie.

1771 L’astronome (21.1); La soirée des boulevards (31.1); L’arbre enchanté; L’amitié à l’épreuve; L’amoureux de

quinze ans.

1772 Zémire et Azor (26.6); Les femmes et le secret (16.10); L’ami de la maison (21.11); Les deux avares; Les deux

miliciens; La bonne fille; Les jardiniers; Le médecin de l’amour;

1773 L’erreur d’un moment (18.1); Mélide (4.3); L’amant déguisé; Julie; Le magnifique.

1774 Sara (10.6).

1775 La rosière de Salency (30.3); Henri IV (20.5); Les femmes vengées (22.12); La nouvelle école des femmes.

1776 La colonie (29.6); La fausse magie.

1777 Les mariages Samnites (6.3); La belle Arsène; Les souliers mordorés.

1777? Les trois fermiers.

1778 Le cadi dupé (5.3); L’olympiade (17.12).

1779 Le droit d’aînesse (11.2); Le jugement de Midas (12.3); Les fausses apparences (16.12).

1780 Orgon dans la lune (21.1).

1780c? Orphée et Euridice (Gluck/Moline 1774; TF 257)


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

1791 La caravane du Caire (5.3); Le marquis de Tulipano (5.3); Raoul Barbe-bleu (30.7); Raoul, Sire de Crequi

(16.6); Euphrosine (17.11); La soirée orageuse (29.11); Œdippe à Colone; Paul et Virginie.

1792 Camille, ou Le souterrain (31.5); L’inconnue persécutée (24.8); L’Italienne à Londres (16.6); Lodoiska (19.12);

Pierre le Grand; La fausse paysanne.

1793 Les trois déesses (24.1).

Fransen 1925, pp. 303-353 (1750-1780), pp. 385-408 (1780-1793); Hardenberg 1976(met hoofdstuk over het afscheid van

Rosette Baptiste); Koogje 1987(Over de periode Den Haag 1789-1795 zeer uitvoerig, met opgave van alle stukken,

inclusief opera’s, in deze periode gespeeld.); 1995 (Gereconstrueerd speelplan voor 1750-1789 (voorzover mogelijk), met

toelichting, maar duidelijk onvolledig.); Unico Wilhelm van Wassenaer 1692-1766 1993, pp. 167-173: R.A. Rasch, ‘Het

Haagse muziekleven ten tijde van Unico Wilhelm van Wassenaer.’ (Over de periode tot 1766.); Lieffering 2007 (Engelse

vertaling van dissertatie Utrect 1999. Bespreekt alle aspecten van het theaterbedrijf. In de appendices volledige gegevens

(voorzover bekend) wat betreft troep en speelplan.).

Boulangé & Koogje 1985.

NEDERLANDS TONEEL

11.3 TONEEL EN OPERA BUITEN AMSTERDAM EN DEN HAAG

De toneelgeschiedenis van Haarlem in de zeventiende en de achttiende eeuw werd in belangrijke mate bepaald

door de gezelschappen uit Amsterdam en Den Haag, die er vooral tijdens de zomerkermis (eind juni) optraden.

Daarbij kon gebruik worden gemaakt van de Stadsstalling of Stadsmanege buiten de Grote Houtpoort. In de

periode 1760-1766 werd bovendien gespeeld in een theater aan de Koudenhorn (Spaarne), dat ingericht was in

een gebouw dat behoorde tot een Jezuïetenstatie. De operatroepen van Gurrini en Sieur Frédéric (zie onder)

hebben er gespeeld. In 1779 verkreeg de Vlaamse opera-ondernemer Jacques-Toussaint Neyts (zie onder) het

terrein van de Stadsstalling; het bestaande gebouw werd afgebroken en vervangen door een theater. Neyts

speelde er in de herfst van 1779 en het voorjaar van 1780. Hij verliet Haarlem na het gebouw tegen een lening

in hypotheek te hebben gegeven aan Willem Anne Lestevenon, die het exploiteerde tot 1807. In hoeverre de

bezoekende toneelgezelschappen er opera of andere vormen van theater met muziek hebben gebracht is nog

onduidelijk. De Franse troep uit Den Haag speelde er in 1784 en jaarlijks van 1788 tot en met 1792, meestal in

de kermistijd. Opera’s hebben zeker op het programma gestaan.

Een boeiende bijrol werd in Haarlem gespeeld door de in 1785 door Adriaan Loosjes opgerichte

amateurtheatersociëteit ‘Leerzaam Vermaak,’ met een patriottisch en tevens doopsgezind/remonstrants karakter.

Naast Loosjes was de toneelspeler/dichter Jan van Walré belangrijk. Men speelde in een gebouwtje aan het

Klein Heiligland, met zestig zitplaatsen. Vanaf 1789 was er een klein orkestje, dat in 1810 uit 16-17 leden

(strijkers, fluit, hobo, hoorn, fagot) bestond, onder aanvoering van organist/componist Albert Hempenius; de

rector van het gymnasium, Hendrik Waardenburg speelde er fluit. Men voerde werk van Mozart, Grétry,

Dittersdorf en Piccinni uit. P.H. Masch schreef muziek voor Loosjes’ toneelspel Frank van Borselen en Jacoba

van Beijeren (1792). P. van Lee, een van de leden, componeerde nieuwe wijsjes voor Jan van Walré’s Natuur

en opvoeding, of Het ganschje (1800). Bij het 25-jarig bestaan in 1810 werd een Feestspel uitgevoerd,

geschreven door Loosjes naar een idee Jan van Walré; voor de muziek trok men de Amsterdamse dirigent F.G.

Hansen aan.

In Leiden werd in 1705 door Dirck van Soest een Schouwburg aan de Oude Vest gebouwd, op instigatie van

de al eerder genoemde Jacob van Rijndorp (zie §11.1), die ook de exploitatie ter hand nam. Met zijn in 1696

gestichte ‘Compagnie acteurs van de Haagse en Leidse Schouwburg’ bediende hij zowel Leiden als Den Haag.

14


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Na Van Rijndorps dood beheerde zijn weduwe Anna Catharina de Quintana (1668-1755; huwelijk 1692) de

Schouwburg, tot haar dood. Er speelden troepen uit andere steden en reizende troepen, in de jaren 1750-1755

ook operatroepen (zie §11.4). Van Rijndorps dochter Isabella Bernardina (1695-1770; in 1718 gehuwd met de

danser François Nivelon) exploiteerde de onderneming tot haar dood, waarna Louis Barnard, echtgenoot van

haar dochter Anna Nivelon, in haar plaats trad. Het gebruikelijk patroon van spel door troepen uit andere steden

werd voortgezet. Te noemen vallen Marten Corvers Nederlandse troep uit Den Haag en de Vlaamse Opera van

Neyts. In 1778 was Jacobus van Alkemade kortstondig directeur; hij liet Neyts met succes spelen. Later in 1778

verkocht hij de onderneming aan Justus Carel Kemner directeur; diens directeurschap duurde tot 1794. Johann

Philipp Meissner, directeur van het Franse Theater in Den Haag, speelde er ook. In 1795 hij de zaak over; hij

bleef directeur tot 1809.

In 1772 stichtte Leendert Erkelens een toneelonderneming in Rotterdam aan de Binnenweg, in een houten

loods. Twee commissarissen, Gelinus van Spaan en Cornelis van der Pot, voerden het dagelijkse beleid. Van

Spaan engageerde Amsterdamse spelers die werkeloos waren als gevolg van de schouwburgbrand en stelde ze

onder leiding van Jan Punt, eveneens werkeloos door de schouwburgbrand. Een elfmansorkest stond onder

leiding van ‘orkestmeester’ J.C.W. Rozay; dansmeester was Cornelis de Bruyn. Dirk Sardet werd als zanger

geëngageerd, zijn vrouw Jacoba Wouters als danseres.

De gang van zaken in deze schouwburg lijkt een navolging van de Amsterdamse. Er werd gespeeld op

maandag, woensdag en zaterdag. Een voorstelling bestond als regel uit een hoofdspel, een ballet en een naspel.

Af en toe wordt een spel met zang en/of dans opgevoerd, maar van vertaalde en/of bewerkte opera’s is geen

sprake. Deze onderneming functioneerde van voorjaar 1773 tot voorjaar 1774.

In 1774 werd het contract met Erkelens verbroken en bracht men geld bijeen voor een eigen

Schouwburggebouw, aan de Coolsingel. Deze nieuwe schouwburg is in alles een voortzetting van de vorige,

onder directie van de al genoemde commissarissen Van der Pot en Van Spaan en onder artistieke leiding van

Jan Punt. Marten Corver werd als speler geëngageerd. De eerste voorstelling in het nieuwe gebouw vond plaats

op 28 december 1774. Het commissarieel bewind kwam tot een einde in 1776. Corver werd vervolgens

directeur, hetgeen de inleiding vormt van het vertrek van Punt in 1777. (Er bestond al jaren lang een controverse

tussen Corver en Punt.) Het orkest stond in deze periode onder leiding van Cornelis Steger. (Het is onduidelijk

of Rozay in de periode 1774-1776 er nog was als orkestmeester of dat Steger er al was.) Dansmeester was eerst

de al genoemde Cornelis de Bruyn, later, gedurende het seizoen 1777-1778 Dominico Matteuci. In ieder geval

waren vanaf 1776 tot 1778 Jan Mol als danser aangesteld, zijn vrouw J.S. van der Stel als danseres, benevens

Isabella de Gruitter (vrouw van Willem van der Stel) en Matteuci’s schoondochter Maria Satelberg. Ook Maria

Elisabeth de Bruyn treedt op als zangeres, danseres en actrice. Helaas zijn over de samenstelling van het orkest

in deze periode geen details bekend.

Wat betreft het spelen werd de bestaande routine, met hoofdspel, ballet en naspel, voortgezet. Een enkel

hoofd- en naspel vereist nadere muzikale invulling.

Na het vertrek van Corver in 1779 kwam de Schouwburg nog voor korte tijd (tot 1780) onder de hoede van

Maria Elisabeth de Bruyn, die reeds als actrice, zangeres en danseres aan het gezelschap was verbonden. Na een

seizoen met een bestuur van vier directeuren (Rivier, Mallet, Bingley en Rypland) kwam de onderneming in

1781 tot een einde. Daarna waren er perioden dat de Schouwburg aan vreemde troepen werd verhuurd (dat was

eerder ook wel eens gebeurd) en perioden dat er sprake was van een vast gezelschap, onder leiding van Ward

Bingley (1783-1784), Pieter Lievens Kersteman (1784-1787) en Helena en Andries Snoek (1792-1795). Het is

onduidelijk of de ballet- en muziektradities van de Rotterdamse Schouwburg van de periode 1773-1781 onder

deze directies werden voortgezet.

15


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

In de loop van de jaren-1780 werd wel de roep om opera in Rotterdam steeds sterker. In 1787 gaf

Alexandre-Florentin Bultos met zijn kindertroep er enige voorstellingen, later ook nog Ludwig Nuth met zijn

Duitse troep. Regelmatige operavoorstellingen vonden slechts plaats van mei 1789 tot maart 1792. Ze werden

gegeven door een Franstalige troep, afkomstig uit Gent, onder aanvoering van Mme de Narelly (of Denarelli) en

haar dochter Mlle de Narelly, later onder leiding van een van de zangers uit de troep, Moylin. Het repertoire is

een keuze uit de opéra-comique van de twee voorafgaande decennia, van componisten als Monsigny (Félix ou

L’enfant trouvé, La belle Arsène), Grétry (Richard Coeur-de-Lion, Le caravane de Caïre, Zémire et Azor),

Dalayrac (Raoul, Sire de Créqui, Sargines) en Kreutzer (Paul et Virginie).

Buiten Holland was in de Republiek het theaterleven het meest ontwikkeld in Maastricht, deels een gevolg

van de nabijheid van Luik en deels van de verschillende Franse bezettingen die de stad heeft doorgemaakt

(1673-1678, 1748). Toen de Fransen in 1673 de stad innamen, gaf de nieuwe gouverneur Godefroi graaf

d’Estrades direct opdracht om een Frans theater in te richten, dat tot 1678 bespeeld is door een troep onder

leiding van Du Mont. 6 Gedurende de periode 1714-1718 gaf een Franse troep onder leiding van Du Buisson

toneelvoorstellingen in de Kegelbaan achter de Lenculenstraat. In 1748 werd door het Franse bezettingsbestuur

onder leiding van graaf Löwendal de nabijgelegen Manege aan de Jekerstraat tot theater verbouwd en door een

Franse troep onder leiding van D’Orval bespeeld. Het Theater bleef onder D’Orval in functie na het vertrek van

de Franse troepen in 1749 en na de komst van de Staatse gouverneur D’Aylva (gouverneur tot zijn dood in

1772). Al deze Franse troepen - plus de reizende troepen die in de tussenliggende perioden Maastricht aandeden

- omvatten acteurs en actrices, zangers en zangeressen en dansers en danseressen. Veel Franse toneelstukken

hebben gezongen gedeelten en deze werden gedurende de eerste helft van de achttiende eeuw vaak als opéracomique

aangeduid.

Vanaf 1764 was opera een regelmatige verschijning, in eerste instantie vertoond door langskomende troepen

(zie §11.4). Echte regelmaat kwam er toen Antonio Bernardi met zijn troep van 1771 tot 1773 twee volledige

speelseizoenen voor zijn rekening nam. De Franse opéra-comique uit de jaren-1760 van Duni, Monsigny en

Philidor werd een vast bestanddeel van het repertoire. Bernardi verliet Maastricht in 1773, waardoor de traditie

even werd onderbroken.

Onder D’Aylva’s opvolger als gouverneur van Maastricht, Carel Christiaan van Nassau Weilburg (gouverneur

1773-1784), echtgenoot van Carolina van Oranje Nassau en dus zwager van Willem V, kreeg het Franse

Theater te Maastricht opnieuw een vaste bespelersgroep en was er wederom sprake van staand theater. Het was

de troep onder leiding van Honoré de Pontèves, graaf van Tournon, zich noemende Clairville. [Zijn broer

Clairville-Abbé zong haut-contre, een andere broer, Clairville-cadet, was premier-comique, zijn vrouw Rose

Clairville première chanteuse.] Clairville opende zijn theater op 24 februari 1774 met het toneelstuk L’Anglois à

Bordeaux van Favart en de opéra-comique Le déserteur van Monsigny/Sedaine. Zijn troep speelde het

gebruikelijke mengsel van gesproken en gezongen Frans toneel. De muzikale leiding van het Franse Theater

was in handen van achtereenvolgens Fages (1768-1774), Jones (1775-1776) en [Antoine?] Duboulay (1777-

1781). In het repertoire van deze jaren speelde de recente Franse opéra-comique, van librettisten als Favart,

Anseaume en Sedaine en componisten als Gluck, Dezède en Grétry, een overheersende rol. Ook leverden

enkele van de eigen musici originele opéras-comiques: Duboulay schreef La chercheuse d’esprit (première

12.1.1777), 7 Les femmes et le secret (21.8.1777), L’école de la jeunesse, ou Le Barnevelt Français (3.1.1778), 8

6. De voornaam is onbekend, maar vermoedelijk is deze Dumont toch geen familie van de Luiks-Franse componist

Henri Dumont, die zijn jeugd (jaren-1630) deels in Maastricht doorbracht.

7. De uitgave van het stuk door Duboulay (RISM D 3601) vermeldt ook een opvoering in Antwerpen op 14.1.1777.

8. Het libretto van Anseaume was al eerder door Duni gecomponeerd (1765) en zou ook nog door Prati van muziek

worden voorzien.

16


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

en La nouvelle chercheuse d’esprit (14.12.1779), een niet bij name genoemde Maastrichtenaar (M.D.M. =

Monsieur de M.?) Les trois roses, ou La fête de graces (26.7.1778; tekst Rosoi), Franciscus Leonardus

Rouwyzer Laure et Petrarque (7.2.1780; tekst Philippe-François-Nazaire Fabre d’Eglantine). De troep speelde

ook buiten de eigen plaats, bijvoorbeeld van 1775 tot en met 1778 jaarlijks op de Kermis (Pinksterweek) en

langer te Breda.

Clairville bleef tot en met het seizoen 1779-1780 in Maastricht, toen hij wegens faillissement moest

vluchten. Na zijn vertrek speelde de troep eerst door onder directe leiding van de commissarissen van het Franse

Theater. Voor het seizoen 1780-1781 lag de leiding in handen van acteur/zanger De Poix en muziekdirecteur

Duboulay, na hun vertrek voor het seizoen 1781-1782 in die van de acteur en zanger De la Bruière. Nieuwe

Maastrichter stukken uit deze periode zijn La loterie amoureuse (17.5.1780) van Duboulay en Tircis et Céphise,

ou Le lotto d’amour (6.6.1782) en Les étrennes de la nouvelle année (1783) van Othon Vandenbroeck. La

Bruière speelde door tot 1786. Van 1786 tot 1788 voerde Antonio Bernardi, een oude bekende wat betreft

Maastricht (zie boven), weer de leiding. Het is onduidelijk hoe groot de rol van de opera was in deze jaren van

het Franse Theater aan de Jekerstraat. Naar analogie van de Franse theaters in Amsterdam en Den Haag lijkt het

aannemelijk dat regelmatig opera’s worden gespeeld. In 1788 werd het theater, waarover reeds lang wordt

geklaagd, wegens onveiligheid en bouwvalligheid, gesloten.

Onder het toeziend oog van de nieuwe gouverneur, Frederik van Hessen Kassel (gouverneur 1784-1794),

was inmiddels overgegaan tot het inrichten van een nieuwe schouwburg in de inmiddels buiten gebruik zijnde

Jezuïetenkerk. Het geld voor de inrichting werd via een Sociëteit van Actionarissen bijeengebracht. De eerste

voorstellingen (seizoen 1789-1790) werden gegeven door de troep van Guilleminet Dugué, vanaf 1790 speelt er

een troep onder de gecombineerde leiding van Hardelle, D’Orsonville, Perars en de vrouw van deze laatste. Op

4 november 1794 kwam met de Franse bezetting een einde aan het Staatse tijdvak te Maastricht.

HAARLEM

Koster 1970; Sierman 1993(Geeft niets waaruit muzikaal aandeel van toneel zou blijken).

HAARLEM: ‘LEERZAAM VERMAAK’

Archief in Haarlem, Gem. archief, met notulen en repertoirelijsten. Nagaan op zangspelen, e.d.!!


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Troep Bernardi 1773 (naar Bernard 1781, pp. 186-187), zangers: Fleury (basse-taille), De Ligny (laruette 9 ), Dainville

(haute-contre), D’Arbeaux (basse-taille), Du Buisson (laruette, haute-contre), zangeres: Mme Fleuri (première chanteuse en

soubrette).

Repertoire Bernardi 1771: Le maréchal ferrant; Annette et Lubin.

1772: Les deux avares; L’ami de la maison; La bonne fille; Le déserteur; Les moissonneurs; Le sorcier; Lucile; Le

tableau parlant

1773: Les pêcheurs; Zémire et Azor.

Troep Clairville 1774 (Bernardi 1781, pp. 188-247): 1774 Oreille (laruette), Clairville Abbé (haute-contre), Fradel(le)

(basse-taille), Pitoin (haute-contre), Simon (haute-contre), Hiacinthe (accessoires), Mme Simon (accessoires), Mme

Deschamps; Mme Roxelane (soubrette); -1775 Du Coudrai (basse-taille), Mme Nauroi =?Novoi (accessoires) ; -1778 Du

Buisson (laruette), Boquay (accessoires); -1781 Mme Clairville (première chanteuse), Mme Montville (soubrette), Mlle

Corbin fille (jeunes emplois).

1775 Maillot (haute-contre), Saint-Albin (haute-contre); -1776 Mme de Saint-Hilaire (amoureuse); -1781 De Poix

(basse-taille).

1776 Vareil (haute-contre), Valancourt (haute-contre), Boutmi de Rocquefeuille (basse-taille); -1777 Paris (laruette).

1777 -1778 Mme Dumenil (utilité); Gaudillion (haute-contre), De la Bruière (haute-contre), Calmus (basse-taille).

1779 Fabre d’Eglantine (haute-contre); Mme Fabre d’Eglantine.

1780 De Poix fils (basse-taille), -1781 L’Allemand (accessoires).

Musici: 1774-1776 Fages (muziekdirecteur).

1775-1776: Javey.

1776-1777 Jones (muziekdirecteur).

1777-1781 Duboulay (muziekdirecteur)

1781 Orkest (Bernard 1791, pp. 247-248; wanneer dezelfde naam terugkomt, gaat het vermoedelijk om de zelfde

persoon): eerste viool: FRANCISCUS LEONARDUS ROUWYZER, Révord, Rénard, Kelder fils; tweede viool: Beckers, Vogel,

Canten, Neumann; altviool: Papeschoon, Brouns; celli: La Meer, Kelder père; contrabas: Hermans, La Meer; fluit &

klarinet: L. van den Broek, Jansen, Kelder; fagot: Martin, Jansen, Kelder; trompet: Jansen, Kelder; hoorn: C. [=OTHON?]

VAN DER[=N] BROEK, Brounst, Vogel; pauken: Neuman.

Repertoire Clairville 1774: Le déserteur; La servante maîtresse; Le tableau parlant; L’amoureux de quinze ans; L’ami

de la maison; Sancho Pança; Le maréchal ferrant; Zémire et Azor; Julie; Les deux chasseurs et la laitière; Le bûcheron; Le

cadi dupé; Le roi et le fermier; On ne s’avise jamais de tout; Lucile; Le tonnelier; Silvain; Le sorcier; Rose et Colas; Le

maître en droit; Le magnifique; La fée Urgèle; Le jardinier de Sidon.

1775: L’amitié à l’épreuve; L’erreur d’un moment; Nanette et Lucas; Isabelle et Gertrude; Le milicien; L’aveugle de

Palmyre; La fausse magie.

1776: Les femmes vengées; La rosière de Salency; Mazet; Les souliers mordorés; Henri IV; La rencontre imprévue;

L’île sonnante; L’île des foux.

1777: La belle Arsène; Tom Jones; Le devin de village; Les trois fermiers.

1778: L’’ecole de la jeunesse (3.1); La colonie; Les femmes et le secret (21.8); Les trois roses (27.6); Les mariages

Samnites.

1779: La nouvelle chercheuse d’esprit (2.1); Le jugement de Midas; La Bohémienne.

1780: Laure et Pétrarque (7.2); La loterie amoureuse (17.5); L’Olympiade; Roland.

1781: Les fausses apparences; Blaise le savetier; Toinon et Toinette; Les événements imprévus.

1782: Tircis et Céphise (6.6).

1783: Les étrennes de la nouvelle année.

M. Bernard, Tableau du spectacle français ou Annales théâtrales de la ville de Mastrigt (Maastricht 1781). Uitvoerige

bespreking eerst van de theaterhistorie in het algemeen, dan van die van Maastricht in het bijzonder. Met tal van gegevens

over repertoire, voorstellingen, troepen, acteurs, enz. Tevens beschrijving van het theater en de organisatie, alsmede een

lijst van stukken, naar genre ingedeeld, met Maastrichtse premièrejaren.

Bloemen 1964; Quaedvlieg 1965, pp. 100-102; Loontjens 1974.

ROTTERDAM

9

. Een laruette is een lichte hoge mannenstem voor komische rollen van oudere mannen, genoemd naar de Franse

zanger en componist Jean-Louis Laruette (1731-1792).

18


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Gelinus van Spaan, ‘Beschrijving der tooneelen en decoratiën, benevens de verdeeling der rollen van tooneelstukken,

dewelke op den Schouwburg buiten Rotterdam vertoond zijn in de jaren 1774 a 1780,’ British Library, Hs. [zie noot 5

van De Haan e.a.]

Titels van rond 1790 in Rotterdam gespeelde Franse opéra-comiques zijn te vinden in Het Kabinet van Mode en Smaak.

Fransen 1925, pp. 379-384: Frans theater in Rotterdam, 1784-1793; Haverkorn van Rijsewijk 1882; De Haan e.a. 1984;

Gras 2000, 2007.

Van Sorgen 1885.

UTRECHT

11.4 Reizende Operatroepen

Vóór 1750 was het Franse Theater in Den Haag de enige plaats in de Republiek waar over langere perioden dan

een enkel seizoen of een paar jaar opera’s waren vertoond. De opera-ondernemingen in Amsterdam en Den

Haag uit de jaren 1677-1688 hebben immers slechts een korte tot zeer korte levensduur gehad. We hebben ze

behandeld bij de ontwikkelingen van het staande theater in die plaatsen in de desbetreffende periode, omdat

daarmee steeds een nauwe samenhang bestond.

De exclusiviteit van het Franse Theater te Den Haag in de operageschiedenis van het staande theater in de

Republiek is pas in 1774 doorbroken met Clairvilles aantreden in Maastricht (zie §11.3), terwijl vanaf 1780

opera in snel tempo een gewone verschijning werd op de vaste speelvloeren van Amsterdam (zie §10.5).

Vóór de doorbraak van de jaren 1775-1780 zijn er echter enkele decennia geweest tijdens welke

operatroepen op allerlei momenten en plaatsen in de Republiek hun voorstellingen geven: de jaren 1750-1780

kan men wel de periode van de reizende operatroepen noemen. Het gaat hier om een uiterst boeiende episode in

de Nederlandse operageschiedenis, maar één die tegelijk onoverzichtelijk en rommelig is en waarin allerlei

toevallige factoren een belangrijke rol speelden. Onder die factoren vallen bijvoorbeeld het toestemmingsbeleid

van de betrokken steden, de zang- en acteerkwaliteiten van de operazangers, de veelvuldige zelfoverschatting

op het gebied van de financiële mogelijkheden en de toeloop van publiek, enz.

De reconstructie van deze episode is niet eenvoudig is: van geen enkel gezelschap bestaat direct archiefmateriaal.

De kennis over wat er gebeurd is moet bijeengesprokkeld worden uit advertenties, aanplakbiljetten,

verslagen, dagboeken, libretti, toestemmingen van de overheid en geldafdrachten aan de armen. Het onderstaande

is misschien naar omstandigheden redelijk geloofwaardig, volledig is het zeker niet.

Het tijdvak van de operatroepen begon vrij abrupt in 1750; wij laten het lopen tot de ontbinding van de

zogenaamde Vlaamse Opera van Neyts in 1780. In deze periode zien wij Italiaanse, Franse, Duitse en Vlaamse

troepen door de Republiek reizen. Soms zijn het buitenlandse troepen die kwamen en ook weer gingen, soms

waren de troepen hier te lande samengesteld die na een bepaalde periode weer uiteenvielen, met dien verstande

dat de acteurs en zangers dan nogal eens emplooi vonden in de volgende op te richten troep. Sommige troepen

namen door hun relatief lange verblijfsduur op één plek (bijvoorbeeld enkele jaren) enigszins het karakter aan

van een staande troep. Dat ze hier niet als zodanig zijn bestempeld, houdt dan verband met de afwezigheid van

een institutionele band met de betrokken stad of plaats. Zo heeft de Duitse troep van Abt en Schroeter

verschillende seizoenen lang in Amsterdam gespeeld, maar ontbrak een zodanige verbinding met Amsterdam

dat men zou kunnen spreken van ‘de Duitse troep van Amsterdam’ of iets dergelijks.

19


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Een hybride situatie kon ontstaan wanneer een staande troep uit een bepaalde plaats in een vakantieperiode

ging reizen en zich aldus voor de plaats van optreden als een reizende troep gedroeg. Of deze situatie in deze

paragraaf is behandeld of in één van de vorige, hangt af van wat het handigste bleek te zijn. Een stelregel is niet

te geven.

De Italiaanse troepen die in het verhaal voorkomen waren steeds exclusief operatroep. Ze brachten

voornamelijk opera buffa, minder vaak opera seria. Franse troepen waren er van verschillende aard. De

normale Franse troep was vrij groot van samenstelling en bracht alle vormen van Frans theater: treur- en

blijspelen zonder muziek, blijspelen met muziek en opéras-comiques, divertissementen, balletten en wat dies

meer zij. Alleen de tragédie en musique (tragédie lyrique) ontbrak. Na het uit de mode raken van de stukken in

dit genre van Lully en de generatie van 1700-1710 zo rond 1730 lijkt het genre in de Republiek definitief uit het

gezichtsveld te zijn verdwenen. Voorzover mij bekend is hier te lande bijvoorbeeld nimmer een opera van

Rameau uitgevoerd. Naast de gewone Franse toneeltroepen waren er enkele kindertroepen van kleine omvang

die voornamelijk opéra-comique of intermezzi in kleine bezetting brachten. De Duitse troep van Abt en

Schroeter is een troep met gemengd repertoire, zowel toneel als opera. De Vlaamse troep van Neyts daarentegen

was gespecialiseerd in opéra-comique in Nederlandse (lees: Vlaamse) vertaling.

Aldus was het repertoire van de troepen vrijwel exclusief buitenlands, vooral Frans, Duits en Italiaans, al

kwam het (net als in het reguliere operatheater) dikwijls op de planken in een andere taal dan de originele.

Slechts een heel enkele maal is er sprake van speciaal hier te lande vervaardigde stukken.

In het verhaal van de operatroepen speelde Amsterdam de hoofdrol; daarnaast waren er belangrijke bijrollen

van Haarlem, Leiden en Den Haag. De reizende troep was echter per definitie niet aan een bepaalde plaats

gebonden en zo zien we ze regelmatig in andere plaatsen opduiken, waaronder Delft, Utrecht, Breda, Arnhem,

Leeuwarden en Groningen. De speellocaties waren al net zo verscheiden: typerend was het spel in een eigen,

meegebrachte houten tent, maar het spel in de tent van een ander of in een bestaande speellocatie - hetzij een

schouwburg, hetzij een ruimte van andere aard - was geenszins een zeldzaamheid.

Voor Amsterdam geldt nog de bijzonderheid dat er dikwijls buiten de stadsmuren werd opgetreden door de

reizende troepen, een gevolg van het monopolie van de Schouwburg op theatervoorstellingen daarbinnen. Aldus

werden de troepen gedwongen hun tenten op te slaan op locaties buiten de stad zoals aan de Overtoomseweg

(nu Overtoom, waar op tenminste drie plekken theaters stonden), de Bergenvaarderskamer aan de Amstel (ter

plekke van het voormalige Gemeente-Archief), de Diemermeer, en benoorden het IJ. In de genoemde grote

steden in het westen van het land was het optreden van de operatroepen maar heel beperkt gerelateerd aan de

locale kermissen, buiten de westelijke provincies was dat vaak wel het geval. In zulke perioden kwam er

immers veel volk naar de genoemde plaatsen en was de behoefte aan vermaak groot en de drempel tot

bijwoning gering.

De eerste Italiaanse operatroep (in de tijd zelf spreekt men vaak van ‘operisten’) die in de Republiek

aanwijsbaar is, is die van Giovanni Francesco Crosa. Crosa had zijn troep in 1748 in Londen geformeerd en was

in 1749 al in Brussel opgetreden. Voorjaar 1750 kwam hij naar de Republiek, in de eerste plaats om zijn

Londense schuldeisers te ontvluchten. Een aantal leden van zijn troep volgden hem. Crosa trad eerst op in Den

Haag en Leiden en speelde vervolgens van 3 augustus tot 20 oktober 1750 bij Amsterdam achter de

Bergenvaarderskamer. Tot de zangers behoorden Filippo Laschi, Eugenia Mellini and Franscesco Lini. Zij

brachten een repertoire bestaande uit drie opere buffe: Orazio (Auletta, hoewel de advertentie Galuppi als

componist noemt), La finta cameriera (=Don Calascione) (Latilla) en Li tre cicisbei (Resta). De arm van de

Londense justitie bleek echter tot Amsterdam te reiken: Crosa werd opgepakt en te Den Haag gevangengezet.

Na een betalingsregeling kwam hij vrij. Op 14 december 1750 kreeg hij toestemming om in Utrecht op de

20


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Kaatsbaan opera’s te vertonen, welke toestemming op 15 februari 1751 nog werd verlengd. Of hij in Utrecht

daadwerkelijk heeft gespeeld, is onbekend. In de periode van november 1750 tot mei 1751 speelde er een

Italiaanse operatroep in Leiden; waarschijnlijk gaat het om die van Crosa of zangers daaruit. Dat zou ook het

geval kunnen zijn met de ‘troep van Laschi’ die van 11 februari tot 1 mei 1752 in Leiden speelde. Verschillende

leden van Crosa’s troep, met name Eugenia Mellini en Francesco Lini, bleven in Amsterdam ‘hangen’ en treden

daar nog vele jaren in concerten (en opera’s) op. Na zijn Nederlandse opera-avontuur is Crosa nog aanwijsbaar

in Antwerpen en Brussel (1753-1754), Brescia (1759) en Turijn (1766).

Gelijktijdig met Crosa’s optreden achter de Bergenvaarderskamer werd er aan de Overtoomseweg achter de

herberg Nieuw Roosendael opgetreden door de Franse troep uit Den Haag. Toestemming voor het optreden was

gevraagd door Jean-Benoît Leclair, die in die jaren met de toneel/opera-troep in de Oostenrijkse Nederlanden

speelde, maar hij kon op het laatste moment niet komen en gaf de Fransen uit Den Haag gelegenheid om in zijn

tent te spelen. Gedurende de zomer van 1751 konden Jean-Benoît Leclair en zijn troep wel komen. Ze speelden

op een andere toneellocatie aan de Overtoomseweg (Nieuw Roosendael was bezet door Jan Frederik Groneman

met zijn vauxhall-concerten; zie§13.2), ingaande 5 juli 1751. De troep bracht, zoals bij Franse troepen

gebruikelijk, zowel gesproken ernstig toneel als blijspelen, kluchten, opéra-comique, ballet, pantomime,

divertissement en alle vormen daartussen in. Op 1 september 1751 speelde men ter ere van de verjaardag van

stadhouder Willem V La fête sincère, ou Le grand spectacle brillant, een divertissement van Leclairs eigen

compositie. De laatste gedocumenteerde uitvoering van de troep is die van 12 september 1751.

Illustratie 1. De Schouwburg aan de Overtoomseweg, “Blankenburg”. Tekening van ***.

In 1752 kwam er een in principe permanente speellocatie aan de Overtoomseweg door de oprichting van een

theatergebouw, meestal ‘de Fransche Comedie aan de Overtoomseweg’ genoemd, soms ‘Blankenburg’ naar de

geldschieter en eigenaar Arie Blankers. Vermoedelijk ging het hierbij om Leclair’s tent, die was blijven staan na

zijn vertrek in september 1751. Blankers liet het theater door Franse acteurs bespelen; per seizoen versleet hij

21


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

een theaterdirecteur. Op 17 juni 1752 werd de eerste van een reeks voorstellingen onder leiding van Alexandre

Garnier gegeven. Het aandeel van de muziek lijkt kleiner dan bij Leclair. Aan Garniers leiderschap kwam rond

de laatste dagen van het jaar een einde, al bleef hij met zijn troep tot in februari 1753 doorspelen. Van 14 mei tot

eind augustus 1753 werd er gespeeld onder leiding van François Duplessis, vanaf 22 april 1754 onder leiding

van François Quinault.

Niet eerder dan in 1754 werd de naam Blankenburg voor het gebouw gebezigd, hetgeen de suggestie wekt

dat de stenen voorgevel die het houten gebouw in dat jaar heeft er pas dan is neergezet. Hoe dan ook, Blankenburg

was geen lang leven beschoren: op 12 augustus 1754 brandde het gebouw (na afloop van een voorstelling)

geheel af. Precies een maand na de brand richtte de verder onbekende Charles-Nicolas de Rhônes een verzoek

aan de Amsterdamse burgemeesters om een theater voor Frans toneel en opera te mogen oprichten, kennelijk

met de bedoeling om na ‘Blankenburg’ in de behoefte aan Frans theater te voorzien. 10 Het verzoek wordt

overigens afgewezen, ondanks de � 100.000 die Rhônes bereid is voor een concessie van vijftien jaar te betalen.

Na de brand speelde de Franse troep van Blankenburg eerst enkele weken in Den Haag om vanaf 19

september terug te keren naar de Overtoomseweg, in een speellocatie naast de vorige, op het terrein van de

voormalige kruitmolen ‘De Rob.’ Een maand later, op 24 oktober 1754, werd Quinault’s troep opgeheven en

werd het wat theater betreft een tijdje stil aan de Overtoomseweg.

Intussen waren de regenten van de Amsterdamse Schouwburg - mogelijk onder invloed van de ontwikkelingen

aan de Overtoomseweg - gezwicht voor verzoeken om opera op de Schouwburg toe te laten. De

Italiaanse (Napolitaanse) opera-impresario Giuseppe Giordani verkreeg als eerste toestemming om van 16 mei

tot 31 juli 1752 (het zomerreces van de eigen troep) Italiaanse opera’s op de Schouwburg te brengen. Zijn troep,

waarbij onder meer zijn vrouw Antonia, zijn zoons Francesco en Tommaso en zijn dochters Marina en Nicolina

betrokken waren, was vóór Amsterdam te Graz en Frankfort opgetreden en zou na de Amsterdamse episode

naar Engeland doorreizen. Op 16 mei werd geopend met Gli amanti gelosi (Cocchi) en La serva padrona

(Pergolesi); gesloten werd er op 31 juli met Artaserse van Antonio Gaetano Pampani. In het totaal vonden 35

voorstellingen plaats. In september 1752 speelde Giordani in Den Haag. Mogelijk is hij ook nog in andere

plaatsen van de Republiek opgetreden. In 1756 was hij tijdens de zomer nog een keer terug in Amsterdam. Hij

speelde toen achter de Bergenvaarderskamer.

In 1753 werd de operalicentie voor de Amsterdamse Schouwburg tijdens de zomersluiting verleend aan

Santo Lapis, een te Amsterdam verblijvende concert- en operaondernemer. De troep van Lapis was al het jaar

tevoren gevormd en had toen te Leiden en Den Haag in oktober-december 1752 L’Arcadia in Brenta en Orazio

vertoond. Van 29 januari tot 21 april 1753 speelde Lapis op het theater van Blankers aan de Overtoomseweg.

Zijn repertoire aldaar (L’Arcadia in Brenta, Orazio, La finta cameriera en Il negligente) overlapt dat van

Crosa’s troep drie jaren tevoren. Lapis speelde in Leiden van 27 april tot 12 mei, op de Amsterdamse

Schouwburg opende hij op 15 mei 1753 met La maestra; later volgden onder meer La finta cameriera, L’opera

in prova en L’Arcadia in Brenta. Lapis’ repertoire wordt gedomineerd door opera’s gecomponeerd door

Baldassare Galuppi op libretti van Carlo Goldoni. In augustus-september 1753 was de troep te Den Haag te

bezien, waar onder meer Lapis’ eigen Il Tigrano vertoond werd. In oktober-november van het jaar speelde

Lapis in Leiden.

Tijdens het nu volgende winterseizoen van de Schouwburg, 1753-1754 trad een nieuwe situatie op doordat

Santo Lapis vergunning kreeg om in de periode van 1 december 1753 tot 28 februari 1754 tijdens het gewone

speelseizoen op vrije speeldagen opera te brengen, welke licentie eerst tot 31 mei, daarna tot 1 december 1754

werd verlengd. Lapis kwam echter in moeilijkheden vóór het uitdienen van zijn huurtermijn en deed daarom

10. De informatie over Rhônes’ aanvraag dank ik aan Ton Jongenelen (Utrecht).

22


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

zijn licentie over aan Francesco Ferrari. Deze speelde er met zijn troep (vermoedelijk deels met krachten uit die

van Lapis) tot eind 1755; tegelijkertijd verzorgde zijn troep concerten. Onder Ferrari’s bewind werd onder meer

de opera L’infelice avventurato gegeven, volgens de literatuur gecomponeerd door Lapis; het kan hierbij dus om

een locaal product gaan. Ferrari speelde ook buiten Amsterdam, bijvoorbeeld te Leiden en Den Haag. In mei en

december 1755 is hij in Utrecht aanwijsbaar, waar hij concerten organiseerde. Ferrari kon de intekening voor

zijn voorstellingen op de Amsterdamse Schouwburg voor de periode van 1 december 1755 tot 1 december 1756

niet rondkrijgen, om welk reden hij stopte met de onderneming. Zijn laatste voorstelling was op 25 november

1755. In Leiden speelde hij tot 9 december.

Tegen het einde van 1758 verschennen op de Amsterdamse Schouwburg de ‘kinderen van mijnheer

Frederik’ of Les enfants de Sieur Frédéric ten tonele, met de voornamen Caroline en Charlotte, vrijwel zeker

artiestennamen voor achtereenvolgens Louise-Frédérique en Françoise-Jaqueline, dochters van Frederik

Schreuder ofwel Monsieur Frédéric. De kinderen dansten eerst in balletten - zo is er een eigentijdse gravure van

een optreden van hen in het ballet Pygmalion, eind 1758 -, in het voorjaarsseizoen 1759 van de Schouwburg

gaven ze ook opéras-comiques van het intermezzo-type zoals La servante maîtresse en Bajocco et Serpilla. In

de zomer werd er gereisd en zo traden ze in juli 1759 op in de Kaatsbaan in de ABC-straat in Utrecht met onder

meer Le peintre amoureux de son modèle (Duni) en Le devin du village (Rousseau). Tijdens het seizoen 1759-

1760 traden de meisjes regelmatig op in de Amsterdamse Schouwburg, zowel in balletten als in steeds op

dinsdagavond gegeven aparte voorstellingen. Hun voorstellingen werden afgesloten met een benefiet op 6 mei

1760, met Raton et Rosette (Anselme 1755) en Les ensorcelés (componist onbekend).

Illustratie 2. Titlebladzijde van de tekstuitgave Le cadi dupé, aan de Overtoomseweg vlak buiten Amsterdam

gespeeld door “Les enfans du Sieur Frédéric”.

23


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Vanaf herfst 1760 tot voorjaar 1763, toen de troep werd opgeheven, beschikte Sieur Frédéric, die zijn troep

langzaamaan uitbreidde om een breder repertoire aan te kunnen, over een eigen speellocatie op de

Overtoomseweg. Gedurende deze periode werd wel twee keer verhuisd. Eerst speelden ze ‘voorbij

Bramenburg’ (niet zover van de stad), vervolgens (vermoedelijk vanaf 6 mei 1761) op een onbekende locatie

verder van de stad gelegen (mogelijk het terrein van De Rob), tenslotte (vanaf 22 januari 1762) op de definitieve

plek, achter Nieuw Roosendael (of de Vauxhall, waar de theatergeschiedenis op de Overtoomseweg in 1750

was begonnen). Sieur Frédéric speelde in deze tijd het nieuwe Franse opéra-comique-repertoire van Duni,

Philidor en Monsigny en oogstte met zijn optredens veel lof. Niettemin hief hij zijn troep op na de afsluitende

voorstelling op 23 maart 1763, met On ne s’avise jamais de tout (Monsigny), Le cadi dupé (Monsigny) en

Annette et Lubin (Blaise).

Sieur Frédérics troep reisde deze jaren regelmatig door de Republiek. Optredens zijn bekend in Haarlem,

Leiden, Den Haag en Utrecht en zelfs in een verder gelegen plaats als Vlissingen. In 1763 ging het gezin

Frederik naar Frankrijk, alwaar de dochters hun loopbaan voortzetten.

Van 1 november 1759 tot 1 mei 1760 werden in Den Haag Italiaanse opera’s gegeven door een troep onder

leiding van Girolamo D’Angielo. Hij speelde in een tent aan de Wagenstraat en ontving zelfs een abonnement

van ƒ2000 van het hof. In deze periode bracht hij onder meer I portentosi effetti della madre natura van

Giuseppe Scarlatti (libretto: Goldoni; 1752) op de planken, op 1 maart 1760, de verjaardag van prinses

Carolina, enkele dagen vóór haar huwelijk met Carel Christiaan van Nassau Weilburg. In 1760 werd verlenging

van de toestemming om te spelen echter geweigerd. Voorzover bekend is D’Angielo niet in Amsterdam

opgetreden, een uitzondering onder de troepen.

De opera-impresario Dominico de Amicis (of: D’Amicis) volgde de beproefde route Parijs (1758), Brussel

en Antwerpen (1759-1760), Republiek (1760-1761), Engeland en Ierland (1762-1763). Hij speelde

vermoedelijk reeds op de Amsterdamse Schouwburg tijdens het begin van het zomerreces van 1760 (mei), maar

gegevens zijn schaars. Later in mei trad hij op in Den Haag. In ieder geval speelde hij tijdens het seizoen 1760-

1761 op dinsdagavond in de Amsterdamse Schouwburg, maar weer zijn inlichtingen schaars. De Amicis’

dochter Anna Lucia (1733c-1816) was de ster van het gezelschap. Onder de zangers bevond zich ook Giovanni

Battista Zingoni, die in 1763 of 1764 de troep verliet en zich te Den Haag vestigde. De Amicis zorgde voor een

zogenaamd ‘kabaal’ door op 31 maart 1761 de zangeres Angiola Davia het optreden te weigeren vanwege het

verzuimen van repetities. Het rumoer van haar fans en vereerders tijdens de voorstelling noodzaakte een

voortijdig einde van de voorstelling. Zoals in die tijd te doen gebruikelijk, was het kabaal aanleiding tot een

pamflettenoorlog tussen voor- en tegenstanders van beide partijen. Het kabaal heeft vermoedelijk mede ertoe

bijgedragen dat De Amicis aan het einde van het seizoen moest stoppen. Het door hem op de planken gebrachte

repertoire wacht nog op identificatie, maar bevat tenminste twee nieuwe of recente opera’s van Zingoni:

Zenobia en La finta sposa.

Op 3, 10, 24 november en 1 december 1761 werd er door de ‘kinderen van Monsieur Bruyère’ Franse opéracomique

gegeven op de Amsterdamse Schouwburg, in maart-april 1762 door een Italiaanse troep onder leiding

van Mauro Gurrini. Bruyères troep is duidelijk een imitatie van die van Sieur Frédéric; zijn repertoire beperkte

zich tot de allereenvoudigste stukken: La servante maîtresse en Bajocco et Serpilla. Over deze troep is verder

niets bekend. Gurrini had vanaf december 1761 tot zijn ‘Amsterdamse tijd’ in het Koudenburg-theater in

Haarlem gespeeld, waar hij ook logeerde. Zijn repertoire is even onduidelijk als dat van De Amicis, met dat

verschil dat, terwijl De Amicis’ troep hogelijk werd geprezen, Gurrini weinig lof oogstte, al was het maar

vanwege zijn zwangere vrouw Rosa in prima-donna-rollen en de naar verluidt slechte uitspraak van het Italiaans

door zijn zangers.

24


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Wat betreft het westen van de Republiek kwam in 1762 de periode van de reizende Franse en Italiaanse

gezelschappen, die vanaf 1750 het Nederlandse operaleven hadden beheerst, ten einde. Maastricht heeft wat dit

betreft een wat afwijkende geschiedenis. Gedurende de gehele eerste helft van de achttiende eeuw passeren hier

reizende Franse troepen, die dikwijls opéra-comique brengen in de zin van blijspel met liederen. In december

1764 verscheen het echtpaar Vascor, dat intermezzi als Bajocco et Serpilla en La servante maîtresse in het

Frans bracht. Een Italiaanse troep trad in september 1765 op. Wie de directie voerde is niet bekend. De

belangrijkste zangeres is Regina Mingotti geboren Valentin (1722-1808), weduwe van de opera-impresario

Pietro Mingotti. De troep brachtt intermezzi in het Italiaans: La servante padrona (Pergolesi), Orazio (Auletta)

en Don Trastullo (Jommelli). In 1769 traden er diverse Franse gezelschappen op, die de relatief nieuwe opéracomique

van Duni, Monsigny en Philidor brengen, tot en met Le Huron van Grétry.

Het is nu tijd om een blik te werpen op twee Vlaamse en een Duits reizend operagezelschap. Eén van de

Vlaamse en het Duitse hebben door langdurig en regelmatig spel meer voor het Nederlandse operaleven

betekend dan de genoemde doorgaans vrij vluchtige gezelschappen die tot nu toe zijn besproken.

Illustratie 3. Aanplakbiljet van de troep van Neyts, voor de voorstellingen van 27 en 30 juni 1780 in Haarlem.

De beroemdste operatroep uit de tweede helft van de achttiende eeuw in Nederlands perspectief is zeker de

zogenaamde ‘Vlaamse opera’ van de gebroeders Neyts. Jacques-Toussaint Neyts (1727-1794) was afkomstig

uit Brugge, waar hij met zijn broer Franciscus (François) Neyts (1719-1797) in 1756 een concert- en operaonderneming

stichtte, die vanaf 1758 tot 1780 vele malen de Republiek bereisde. Hun specialiteit was het

brengen van Franse opéras-comiques in Nederlandse (Vlaamse) vertaling. De werkverdeling tussen de broers is

niet helemaal duidelijk. In ieder geval tekende Jacques-Toussaint voor de libretti, terwijl hij ook als zanger

wordt genoemd. De zakelijke aspecten (toestemmingen, vergunningen en inschrijvingen) staan altijd op naam

van François, die naar verluidt ook de muzikale leiding had. Jacques-Toussaints echtgenote Isabelle Stasinon

25


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

zong de vrouwelijke hoofdrollen. Naast Isabelle was er de zangeres Annette Voisin, terwijl Dirk Sardet de

belangrijkste zanger was.

Vele jaren toerde de troep van Neyts door de Republiek, het eerst in 1758, toen onder meer Breda,

Amsterdam, Leiden en Delft werden aangedaan. In 1760 speelde de troep onder meer in Breda, Haarlem,

Leiden, Rotterdam, Utrecht en Den Haag, in welke laatste plaats het echtpaar Carel Christiaan en Carolina van

Nassau Weilburg (op 30.8) een voorstelling bezocht. Onduidelijk is het of Neyts ’s winters in Brugge bleef

spelen nadat hij in 1758 begint met toeren. In 1761 speelde hij in Leiden (voorjaar) en Nijmegen (september,

kermis), in 1762 in Zwolle, in 1762, 1768 en 1771 in Den Haag, in 1762, 1764, 1768, 1769 en 1770 in Leiden,

later in de jaren-1760 ook weer in Haarlem. In Amsterdam speelde Neyts voor het eerst relatief laat, in 1768 en

1769, beide jaren op de Schouwburg. Gedurende de zomer van 1770 [en 1771?] speelde hij in het theater aan de

Overtoom.

In 1772 kreeg Neyts wederom toestemming om op de Schouwburg te spelen, helaas met het bekende

dramatische gevolg: tijdens de tweede voorstelling, op 11 mei 1772, met De qualyk bewaarde dogter

(Duni/Neyts naar Mme Favart&Santerre) en De deserteur (Monsigny/Neyts naar Mercier), brak er brand uit op

het podium en brandde het schouwburggebouw geheel af. In het laatste stuk belandt de mannelijke hoofdrol

(Alexis) in het gevang; hij was gedeserteerd uit het leger omdat hij (ten onrechte) meende dat zijn geliefde

Louise hem ontrouw was. Om de duisternis in de kerker te verbeelden worden de kaarsen ter verlichting van het

toneel afgedekt. Eén van de kokers vatte vlam; een poging van een toneelknecht om het vuur met water te

blussen had een averechtse uitwerking: een steekvlam was het gevolg die het toneel in korte tijd in lichterlaaie

zette, en in korte tijd het gehele gebouw. In de zaal brak paniek uit, toen iedereen tegelijk probeerde het gebouw

te verlaten. Bezoekers van de galerijen moesten vanwege de gesloten deur naar de uitgang alternatieve

vluchtroutes vinden. Het gebouw brandde volledig af: de vlammen verlichtten de stad en waren tot in de wijde

omtrek zichtbaar. Achttien mensen kwamen om, waaronder de toneelmeester, de machinist en één van de

zangers.

Na de Schouwburgbrand speelde Neyts enige maanden in Haarlem, daarna, van oktober 1772 tot april 1773,

aan de Overtoom bij Amsterdam, vervolgens weer in Haarlem. Van oktober 1773 tot juli 1774 trad de troep op

in een houten loods voor de in aanbouw zijnde nieuwe Schouwburg aan het Leidseplein in Amsterdam. Tegen

het einde van deze periode liep echter de belangstelling voor de voorstellingen van de Vlaamse Opera terug. De

Duitse reiziger Johann Friedrich Carl Grimm woonde de voorstelling van 19 mei 1774 bij: 11

Das neue Komödienhaus ist noch nicht in dem Stande, dass es gebraucht werden könnte. Man hatte

also einstweilen Eins aus Brettern, bey der Leydsche Porte aufgerichtet. Dieses und der

buntgedruckte Komödienzettel brachten mir gleich ein übles Vorurtheil gegen die hiesige Bühne bey.

Der Platz im Parterre, wo man sitzen könnte, und der so gut, wie in den Logen ist, kostet 1½ Gilder.

Es solle eine Opera von Pergolese Te Meid Meesteres, und Te Paardesmit von Philidor in

nedertuysche Tal aufgeführt worden. Die Anzahl der Zuschauer blieb unerwartet klein. Endlich fieng

sich die Vorstellung an. Der Theaterputz war zwar so ziemlich; allein alles Uebrige so beschaffen,

dass es keine halbe Stunde ausdauern konnte. Sprache, Declamation, Stimme, und jede Gebährde

machte auf meine Sinne den ekelhaftesten Eindruck. Was die Schuld ist, weiss ich selbst nicht,

vielleicht meine Unwissenheyt der Sprache, vielleicht ihre natürliche Unannehmlichkeit auf der

Bühne, und zumal beym Singen. Wem die deutsche Schaupiele widern, den warne ich vor den

holländische.

Het nieuwe theater is nog niet zover dat het kan worden gebruikt. Men heeft zolang een houten

speelgelegenheid neergezet bij de Leidse Poort. Deze, én het bontgedrukte reclameblad wekten bij

mij direct een slecht voorgevoel op over het toneel alhier. De plaats in de parterre, waar men kan

11 J.Fr.C. Grimm, Bemerkungen eines Reisenden (Altenburg 1775-1781), III, pp. 330-340.

26


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

zitten en die net zo goed is als die in de loges, kost 1½ gulden. Er zou een opera van Pergolesi, De

meid meesteres, en één van Philidor, De paardesmit, worden opgevoerd. Het aantal toeschouwers

bleef onverwacht laag. Tenslotte begon de voorstelling. De aankleding van het theater was wel zo

goed, maar het overige was zodanig dat je het er geen half uur kon uithouden. De taal, de declamatie,

de zang en elk gebaar maakten op mij de meest verschrikkelijke indruk. Wat de schuld daarvan is,

weet ik zelf niet; misschien is het mijn onbekendheid met de taal, misschien is het zijn natuurlijke

onaangenaamheid op het toneel, en vooral bij het zingen. Wie het Duitse toneel tegenstaat, die moet

ik waarschuwen voor het Hollandse.

Wellicht was de voorstelling op 9 juli 1774, met Zemire en Azor (Grétry) en De tuiniers (Prudent), de laatste in

Amsterdam gegeven voorstelling van Neyts.

In Utrecht trad Neyts na 1760 nog op in 1762, 1764 en 1768-1770, in Breda in 1763, in Maarssen (bij

Utrecht) in 1769, 1770 en 1774. In 1779 vroeg hij het Haarlemse stadsbestuur om te zijnen voordele de voor

theater gebruikte Stadsstalling te mogen afbreken zodat hijzelf aldaar een nieuw theater kan laten bouwen. Hij

kreeg de gewenste toestemming. (Soortgelijke verzoeken gedaan aan de overheden van Delft en Utrecht waren

afgewezen.) Het Haarlemse theater kwam inderdaad tot stand maar Neyts heeft het uitsluitend in het seizoen

1779-1780 bespeeld. In 1780 werd ook nog in Leeuwarden, Groningen en Arnhem opgetreden, maar mogelijk

eerder concertant dan scenisch. Daarna moet Neyts zijn troep hebben ontbonden.

Het totale repertoire van Neyts omvat meer dan zestig opera’s, allemaal Franse opéras-comiques, eerst

vooral van componisten als Monsigny, Philidor en Duni, later ook van Dezède, Grétry, Gossec en Gluck, door

Jacques-Toussaint Neyts van een Nederlandse tekst voorzien. Naar het zich laat aanzien speelt hij slechts één

stuk op een origineel libretto en met originele muziek: De sympathie, met muziek van Johann August Just,

hofmusicus te Den Haag. Het stuk ging op 21 februari 1774 in première in Amsterdam. Helaas is de muziek niet

bewaard gebleven. Daarnaast zijn er twee stukken met weliswaar vertaalde libretti, maar met

nieuwgecomponeerde muziek: Het nachtgevecht, of De levende doden met muziek van Adrien-Joseph van

Helmont (1773; het libretto naar Dancourt’s Le combat nocturne, ou Les morts vivants), 12 en Ziste en Zeste, of

De nieuwgetrouwde op muziek van August Wilhelm Franz Mattern (1779; het libretto naar Ziste et Zeste, ou Le

nouveau marié). De koopman van Smyrna is een Nederlandse (Vlaamse) bewerking van Der Kaufmann von

Smyrna (naar Chamfort’s Le marchand de Smyrne) met muziek van Johann August Just. De Duitse versie was

door de troep van Abt en Schroeter in januari 1774 in première gebracht, een maand eerder dan Neyts zijn

Vlaamse versie speelt.

Genoemde gegevens zijn verre van volledig. Het precieze komen en gaan van Neyts en zijn Vlaamse opera

is pas sinds kort onderwerp van serieus onderzoek, evenals de samenstelling van zijn repertoire en zijn wijze

van bewerken. Vermoedelijk leverde de troep voorstellingen van goede kwaliteit. Tegenover de zwak vertaalde

libretti stelt de troep goede zangprestaties (met een karakteristieke Westvlaamse tongval die aandoenlijk werd

gevonden), aantrekkelijk spel en een verzorgd decor. De troep heeft zich daarom in een duidelijke populariteit

kunnen verheugen.

Gedurende enkele jaren heeft nog een tweede Vlaamse troep de Republiek bereisd, en wel de zogenaamde

‘Brusselse operisten’ van Ignaz Vitzthumb (1724-1816), muziekdirecteur van de Franstalige Brusselse

Muntschouwburg in de jaren 1769-1777 en 1785-1786 en van 1786 tot 1791 hofkapelmeester in Brussel. In

1768 was Vitzthumb voor het eerst in de Republiek met een troep die opera in het Vlaams bracht. Op 9 mei

vertoonde hij, in een tent op het Haagse Tournooiveld De soldaat toveraar (Philidor) en De melkmeid (Duni). In

juni speelde hij voor het hof op het Loo, in juli in Utrecht. Vitzthumb was ook op reguliere basis actief op het

12. Koogje 1995, p. 273 geeft het Franse stuk met muziek van “le Petit” op voor het Franse theater in Den Haag, voor 15

februari 1770, een benefietvoorstelling voor Petit. Als premièreplaats en jaar wordt Gent 1769 opgegeven.

27


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

gebied van in het Vlaams vertaalde opera, in de jaren 1775-1777 aan de Muntschouwburg in Brussel, waar hij

naast de Franstalige troep een Vlaamstalig gezelschap opricht, dat voorstellingen gaf onder de benaming

Spectacles Nationaux. Het gezelschap reisde ook, zowel in de Oostenrijkse Nederlanden (Mechelen,

Antwerpen) als in de Republiek (Den Haag, Rotterdam). Daarna was Vitzthumb nog in de Republiek met zijn

Franse troep van de Muntschouwburg. In de zomer van 1780 verzorgde hij met Julien, directeur van het Franse

Theater in Den Haag, de zomeropvoeringen van Franse opera’s in Amsterdam.

Tenslotte moet worden ingegaan op een Duitse toneel- en operatroep, en wel die van ‘Abt en Schroeter,’ die

in de jaren 1772-1777 in een aantal plaatsen in de Republiek aanwijsbaar is. De ‘Abt’ van dit tweetal is de

Duitse toneelspeler en -leider Carl Friedrich Abt (1743-1783); de identiteit van de ‘Schroeter’ is vooralsnog

onduidelijk. [Misschien is het Friedrich Schröder [1744-1816]?] De troep - bekend als ‘Hochdeutsche

Schauspieler und Operisten’ - speelde eerst in Den Haag, vanaf ergens in 1772 tot in juli 1774. 13 Speelplaats

was de Nederlandse Schouwburg van Marten Corver aan de Assendelftstraat; in 1774 werd ook in een tent aan

het Voorhout gespeeld. (Incidenteel trad de troep in deze periode ook in Utrecht, Haarlem en Amsterdam op.) In

juli 1774 verhuisde de troep naar Amsterdam, waar men locaties benutte juist buiten het Amsterdamse

stadsgebied, eerst bij Buiksloot (juli-augustus 1774), dan - voor bijna twee-en-een-half jaar, in de Diemermeer

(31.8.1774-18.1.1777). (Gedurende onderbrekingen in deze speelperiode, 4.11.1775-30.1.1776 en 2.7-

14.8.1776 speelde men elders, bijv. in juli 1776 in Utrecht.) Bijzonderheden over de bezetting van de troep zijn

niet bekend, evenmin over de wijze van uitvoering. Alleen het repertoire blijkt duidelijk uit advertenties en

bijvoorbeeld uit de verslagen in de (licht-raillerende) Ryswykze Vrouwendaagze Courant van 1774. Net als de

Franse troepen speelde Abt’s troep zowel gesproken toneel (treur- en blijspelen) als gezongen toneel (komische

opera’s). Onder het gezongen repertoire bevindt zich een aantal origineel-Duitse stukken (zgn. Singspiele),

zoals Die Jagd van Johann Adam Hiller, Die Apotheke van Johann August Just en Elysium van Anton

Schweitzer. Het grootste deel van het repertoire bestond echter uit naar het Duits vertaalde Franse opérascomiques,

enerzijds van de generatie van Monsigny, Philidor en Duni uit de jaren rond 1760, anderzijds, en

vooral, de recentere werken van André Grétry.

De bijdragen van Just aan het repertoire van de troep Abt zijn interessant omdat het hier om bijdragen van

eigen bodem gaat. Behalve de genoemde Die Apotheke (première 19 februari 1774 in het theater aan de

Assendelftstraat te Den Haag; muziek verloren) is er ook Der Kaufmann von Smyrna, naar het bekende Franse

toneelstuk van Chamfort op zijn naam. Neyts speelt dit stuk ook met zijn Vlaamse vertaling, maar naar het

schijnt is de Duitse versie ouder. De première vond in 1773 plaats; de ouverture en wat verspreide aria’s zijn uit

deelpublicaties bekend.

Rond 1780 kwam het fenomeen van de buitenlandse reizende operatroepen in de Republiek nagenoeg ten

einde. In dat jaar trad in verschillende steden (Amsterdam, Leiden, Den Haag, Rotterdam) een kindertroep op

die in 1775 geformeerd was door Antonio Bernardi, ná zijn directietijd in Maastricht. De troep omvat een kleine

twintig zangers in de leeftijd van 9 tot 18. Ze voerden recente Franse opéras-comiques op, die van Grétry

voorop. Het is de laatste buitenlandse troep van enige importantie die in de Republiek te aanschouwen was.

Mogelijk is het de sterke ontwikkeling van het staande operatheater in Amsterdam geweest, die de komst van de

troepen uit andere landen heeft afgeremd, dan wel heeft ontmoedigd.

Met het gegeven overzicht is de totale lijst van de reizende troepen echter zeker nog niet uitgeput. Als laatste

in deze sectie noemen we nog de gelegenheidstroep onder leiding van Hermanus ’s-Gravesande, vermoedelijk

samengesteld uit spelers van de Amsterdamse Schouwburg, die in de zomer van 1794 in Buiksloot optrad. Op

het repertoire stonden diverse oudere en nieuwere opera’s, die in Nederlandse vertaling werden opgevoerd.

13. De Smet 1973, pp. 48-50; Geelen 1747, pp. 15-21.

28


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Bolte 1893; Rasch 1997.

GIOVANNI FRANCESCO CROSA 1750

Repertoire (gespeeld in Den Haag, Leiden en Amsterdam; alleen opvoeringsdata van Amsterdam bekend: Orazio (Asd 3.8;

L Den Haag: Pierre Gosse, [1750], S 17342); La finta cameriere (Asd 4.9); Li tre cicisbei (Asd 29.9; vergelijk L Brussel:

Jean-Jacques Boucherie, 1749, S 23523).

King & Willaert 1993.

OVERTOOMSE WEG

Iconografie: Jan de Beijer, Theater Blankenburg aan de Overtoomse weg (tekening Aga, Topografische Atlas, Atlas

Splitgeber). Aga bezit tevens een anonieme navolging en één door G. Lambrechts (1776-1850).

Bijsmans 1991.

JEAN-BENOÎT LECLAIR 1751

Repertoire Amsterdam 1751 (naar advertenties in de Amsterdamsche Courant; alleen toneelstukken met een aangegeven

muzikale bijdrage zijn vermeld): La servante justifié (Favart); Tymon misanthrope, ou Arlequin metamorphosé (Delisle);

De zeehaven’; La fête sincère (muziek Leclair); Le temps passé; Arlequin Hulla (Dominique & Romagnesi); La

chercheuse d’esprit (Favart).

Zaslaw 1965.

GIUSEPPE GIORDANI 1752

Troep (naar libretti): Giuseppe Giordani, Antonia Giordani, Francesco Giordani, Tomaso Giordani, Marina Giordani,

Niceletta Pettina, Francesco Lini, Dionisia Lepri, Lucina Tixiano (de laatste drie incidenteel). Verder Giovanni Gualberto

Bottarelli, vermoedelijk in de organisatie.

Repertoire Amsterdam 1752 (naar advertenties in de Amsterdamsche Courant): Gli amanti gelosi (16.5), La serva

padrona (16.5; L Asd: Jolly, 1752, S 21813); Emira (23.5); La dama scaltra (6.7; L Asd: Boussière, 1752 S, 7074); La

maestra (L Asd 1752, S 14646); Artaserse (24.7); Il vedovo (6.7; L Asd: Boussière, 1752, S 24444); Matilda (L Asd 1752,

S 15114); Origille (L Asd 1752 [B Br], niet in Sartori).

GARNIER - DUPLESSIS - QUINAULT 1752-1754

Archief: Amsterdam, Gemeente-Archief, Not. Arch. 10450, nrs. 1816 en 1871 (15,28.12.1752: over Jean Petit,

theeschenker van Garnier).

Repertoire Garnier Amsterdam 1752 (naar advertenties in de Amsterdamsche Courant; alleen stukken met aangegeven

muzikale bijdrage worden hier vermeld): La pupille (Armand; 21.6); Le malade imaginaire (Molière; 19.8); Tymon

misanthrope, ou Arlequin metamorphosé (Delisle; 30.8); Zeneide (Cahusac; 21.10); Les amours de Nanterre (21.10);

L’occasion (8.11); ‘Arlequin en Scaramouche op het eyland Ceylon’ (29.11); Issé (tweede bedrijf; 2.12); Le galant coureur

(6.12); Le magnifique (La Motte; 13.12); Les vendanges de Sarennes (Dancourt; 23.12).

1753: Le temps passé (13.1); La servante justifiée (Favart; 3.2); La fausse ridicule (Panard & Fagan; 21.3); Monsieur

de Pourceaugnac (Molière; 31.3); Acajon (Favart; 4.4); La coquette sans le savoir (Favart & P. Rousseau; 7.4).

Nieuwe troep 1753: La servante justifiée (29.5); La coquette sans le savoir (12.6); Le poirier (Vadé; 27.6); La nièce

vengée, ou La double surprise, ou Les petits comédiens (Panard & Fagan; 10.7); La chercheuse d’esprit; Attendez-moi sous

l’orme (11.8); Le miroir sans fard (22.8).

SANTO LAPIS 1752-1754

Archief: Amsterdam, Gemeente-Archief, Not. Arch., 10454, nrs. 810 en 1105 (6.6 en 27.7.1753: problemen met Anna

Castelli en Giuseppe Quilici).

Troep: Gaetano Quilici (uit Pisa), Eugenia Mellini (uit Bologna), Margherita Barberini (uit Bologna), Margherita

Cavalli (uit Bologna), Giuseppe Ristorini (uit Bologna), Elisabetta Ferrari (uit Venetië), Anna Castelli (uit Bologna).

29


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Verder: Christiano Tedeschini, Francesco Baratti, Antonio Perolini, Giacomo Grimaldi. Musicus: Carel Brzezowsky (AC

22.2.1753).

Over Margherita Cavalli: Een nieuw lied van de verliefde weduwnaar [Amsterdam 1755c]. {Lub 1092 G 26/6}

Stemme: ’t Feest der zotten (uit het divertissement van die naam, 1749). Satyrisch lied op Margherita Cavalli, eertijds in de

troep van Lapis, volgens het lied de concubine van Mozes Benno Henrique (gehuwd met Rachel Ancona). Ondertekend

“Francisco Kullario”.

Repertoire Leiden 1752 (grotendeels naar advertenties): L’Arcadia in Brenta (14.10; L Leiden: Luzac, 1752 S 2376);

La finta cameriera (laatste maal 18.11); L’Orazio (21.11); Il negligente (L Leiden: Luzac, 1752, S 16339).

Amsterdam Overtoomseweg 1753: L’Arcadia in Brenta (29.1); Orazio (19.2); La finta cameriera (5.3); Il negligente

(22.3).

Amsterdam Schouwburg 1753: La Maestra (15.5); L’opera in prova met Urganostocor (2.6; L Asd: Boussière, 1753, S

17196); Minosse (3.7); Tigrane (16.7); Il mondo della luna (28.7). Il tutore burlato (4.12); Madama Ciana (8.1.1754);

Demofoonte (12.2); Bertoldo (2.4); Artaserse (7.5). Den Haag: Tigrane.

1754: La serva padrona (1.1.); Madama Ciana (8.1); Demofoonte (12.2); Bertoldo (2.4); Artaserse (7.5).

FRANCESCO FERRARI 1754-1755

Troep (gegevens onvolledig, voornamelijk naar advertenties, aangezien Ferrari’s libretti geen cast vermelden; niet allen

zongen de gehele periode voor Ferrari): Eugenia Mellini, Elisabetta Ferrari, Antionio Perellino, Francesco Baratti, Minetta

Rosenau, Marianna Poli, Giuseppe Ristorini, Margherita Cavalli, Giuseppe Quilici, Anna Castelli. Eerste viool: ANGELO

MORIGI.

Repertoire Amsterdam 1754: Il finto cavaliere (27.8; L Asd: Olofsen, 1754, S 10620) L’infelice avventurato (11.4); Il

mondo alla reversa (3.12).

1755: Il mondo nella luna (7.1); La calamità de’ cuori (4.2); Il conte Caramella (11.3); De gustibus non est

disputandum (29.4; L z.p. met vertaling Dampenet, S 7238); La Truffaldina (7.6; intermezzo, zie S 24083); I portentosi

effetti della Madre Natura (14.6; L z.p. met vertaling Dampenet, S 18986; Alessandre nelle Indie (5.8; L z.p. met vertaling

Dampenet, S 852); Il filosofo di campagna (21.10; L Leiden: De Groot 1755, S 10351); L’Arcadia in Brenta.

GIORDANI 1756

Archief: Amsterdam, Gemeente-Archief, Not. Arch. 10278, nr. 798 (1.1.1756: problemen met de decormaker Giovanni

Battista Torri; toneelknecht zijn Jan Bier, Johannes Terlee en Francesco di Antoni).

Troep (naar Londense libretti 1754-1756): Giuseppe Giordani, Antonia Giordani, Francesco Giordani, Marina

Giordani, Nicolina Giordani, Francesco Lini; Antonio Maria Lazzari, Anna Bandiera.

Repertoire Amsterdam 1756 (naar advertenties in de Amsterdamsche Courant): La comediante fatta cantatrice (24.6;

Londens libretto 1756, S 5965); Matilda (5.7, met intermezzo La contadina astuta, 12.7 met Intermezzo del Panduro); Gli

amanti gelosi (14.7; Londens libretto 1754, S 1130; 21.7 met La serva padrona); Lo studente alla moda (24.7; 14.7;

Londens libretto 1754, S 22701); L’albergatrice (9.8); La cameriera accorta (30.8; 14.7; Londens libretto 1754, S 4858).

LES ENFANTS DU SIEUR FRÉDÉRIC

Iconografie: Gravure van Jan Punt: Caroline en Charlotte dansend in Pygmalion, december 1759.

Troep: Charlotte Frédéric, Caroline Frédéric, Mme Frédéric, De Launay, Malterre, Monnois, Prevot, La Cousine, Mlle

Molin, Mlle d’Alençon.

Repertoire 1759: La servante maîtresse; Bajocco et Serpilla; La Bohémienne; Le jaloux corrigé; Le maître de musique;

Le devin du village.

1760 Les ensorcelés; Les Chinois; Ninette à la cour; Bastien et Bastienne; Raton et Rosette; Le peintre amoureux de

son modèle; Les aveux indiscrets; Blaise le savetier; Le diable à quatre; La fille mal gardée.

1761 Bertholde à la ville; La veuve indécise, Le soldat magicien; La fausse aventurière; Nicaise; L’amant serrurier; Le

cadi dupé.

1762 Georget et Georgette; On ne s’avise jamais de tout; Annette et Lubin; Le maréchal ferrant.

1763. Le maître en droit, Le peintre amoureux de son modèle, La Bohémienne.

Koole1952.

DE AMICIS 1760-1761

Troep (naar libretti): Dominico de Amicis, Marianna de Amicis, Anna Lucia de Amicis, GIOVANNI BATTISTA ZINGONI,

Domenico Magalli; Angiola Davia, Nicolo Peretti, Angiola Caputi.

30


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Repertoire Amsterdam 1760: La finta marchesina (8.5); La creanza; La gara degli amanti ridicoli (14.10); ‘Les ruses

de l’amour’ [Italiaanse titel voor vinden I stratagemmi del amore??] (met La serva padrone); Zenobia (25.11; L Asd:

Hendrik & Pieter Boussière, 1760, S 25320).

1761: Nitteti (20.1); La finta sposa (17.2; L Asd: Hendrik & Pieter Boussière, 1761, S 9824; met Franse vertaling van

C. Castiglione, misschien de Carlo Castiglione die in 1757 in Amsterdam overleed?); L’amor costante (7.4); L’isola

disabitata (14.4); Il tutore burlato (14.4); Il re pastore (5.5).

J.H. Rössing, ‘Een kabaal in den Amsterdamschen Schouwburg (31 Maart 1761),’ Het Nederlandsch Tooneel 2 (1873), pp.

323-330. Over de voorstellingen van De Amicis.

Corver 1786, pp. 82-83.

DE BRUYÈRE 1761

Repertoire Amsterdam 1761: La servante maîtresse (3.11); Bajocco et Serpilla (24.11)

GURRINI 1761-1762

Troep (onvolledig): Mauro Gurrini, Rosa Gurrini (zijn vrouw), Minetta Rosenau, Mme Padulli.

Repertoire 1761: Orazio (Haarlem 31.12).

1762: Il giocatore (Haarlem 2.1); Il vecchio ingannato; ‘Le paysan prévenu’ (Haarlem 4.2= zeker ‘De boer van

fortuin’); La Zingara (11.2); Amor fa l’huomo cieco (Haarlem 13.2); Don Quichotte (Haarlem 27.2); ‘Les trois amants

rivaux’ (27.1); ‘Le mariage interrompu par le pouvoir de la magie’ (30.3). Zeker alles in het Italiaans gespeeld.

MAASTRICHT 1762-1769

M. en Mme Vascor 1762 (Bernard 1781, p. 162): Bajocco et Serpilla; La servante maîtresse.

Italiaanse troep 1765 (Bernard 1781, pp. 163-164): La servante padrona; Li tre gobbi rivali; Don Trastulla.

Diverse troepen 1769 (Bernard 1781, pp. 178-180): Le Huron; Mazet; Le maréchal ferrant; Le maître en droit; Blaise

le savetier; Le cadi dupé; Le devin de village; Les deux chasseurs et la laitière; Le milicien; On ne s’avise jamais de tout;

Rose et Colas; Le tonnelier

VLAAMSE OPERA VAN NEYTS 1758-1780

Troep (gegevens zeer onvolledig): JACOB-TOUSSAINT NEYTS (1727-1794; libretti, regie?), FRANCISCUS NEYTS (1719-

1797; zakelijk leider; orkestmeester?), zangers: Mos[t], Dirk Sardet (1742-1817, later Rotterdamse en Amsterdamse

Schouwburg), Pierre Emmanuel Verheyen; zangeressen: Jacoba Wouters (1750c-1813, later Rotterdamse en Amsterdamse

Schouwburg, 1778 gehuwd met Dirk Sardet), Isabelle Stassinon; Annette Voisin.

Repertoire (naar Basemans 1998; bij gebrek aan gegevens uit bepaalde jaren kunnen sommige premièrejaren vroeger

liggen dan aangegeven): 1758 Mimi in het hof; De bedrogen gierigaard; De muziekmeester; De mangelaers; De schilder

verliefd op zijn voorbeeld; Bartholde in de stad; De meid juffrouw; De speler; De waarzegger van het dorp.

1762 De kwalijk bewaarde dochter; De bedrogen baljuw; De soldaat toveraar.

1768 De kuiper; De klompjes; De koning en de pachter; Mazet; Annette en Lubin; De twee jagers en het melkmeisje;

Rosa en Colas; Reken niet zonder uw’ weerd; Raton en Rosette; De paardesmid; De meester in het recht; Het verloren lam;

De Boheemster; De kwalijk bewaarde dochter; Blasius den lapper.

1769 De soldaat door dwang; De onverwachte ontmoeting; Den slotmaker; De bedrogen voogd; Den Doctoor

Sangrado; De greffier in de trog.

1770 Lucile; De deserteur; Silvain; De bedrogen bruid.

1771 De twee gierigaerds.

1772 De verliefde van vyftien jaeren; De sprekende schilderij; Tom Jones.

1773 Julie; Zemire en Azor; Het nacht-gevecht; De adellijke tuinierster; De toveraer; De toets der vriendschap.

1774 De sympathie; De dwaling van een ogenblik; De koopman van Smyrna; De Huron; De tuiniers.

1778 De pragtige; De volkplanting; De schoone Arsena; Het rozefeest.

1779 De Hoogduitse schoenmaakster; De twee hoveniers.

Geen uitvoeringsgegevens, vermoedelijk wel gespeeld: De molenaarster van Gentily: De houthakker; De Chinezen; De

charlatan; Het dorpse weesmeisje.

BNBelg 15 (1899), kk. 657-662 (J. Stecher); Koster 1970, Hfdst. 13, pp. 171-186.

31


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

VITZTHUMB 1768

Repertoire (vermoedelijk onvolledig): Ninette in het hof; De waarzegger van het dorp; De soldaat toveraar; De twee jagers

en de melkverkoopster; De koning en de pachter; De kuiper.

ABT EN SCHROETER 1774-1777

Repertoire 1774-1777: Der Aerndtekranz; Die Apotheke; Der Deserteur; Der Dorfbarbier; Elysium; Der Fassbinder;

Freundschaft auf der Probe; Der Hufschmidt; Die Jagd; Julie; Der Kapellmeister; Der Kaufmann von Smyrna; Der König

und der Pächter; Die Liebe auf dem Lande; Lucas und Hännchen; Lucile; Das Marketenderzelt; Das Milchmädchen und

die Jäger; Mimi am Hofe; Der Prahler ohne Geld; Das redende Gemälde; Rose und Colas; Der Serail; Soliman II; Der

Spieler und die Bettschwester; Sylvain; Tom Jones; Das Urteil des Midas; Die verwandelten Weiber; Der Zauberer; Zemire

und Azor; Die Zigeunerin; Die zwei Geizigen.

Van Geelen 1947.

BERNARDI 1780

Troep (naar Bernard 1781, pp. 243-244): zangers (leeftijd tussen haakjes): Du Puis (18; basse-taille); Laurent (16; laruette);

Du Puis cadet (15; haute-contre); Buffier (15; haute-contre); Fleury (11; laruette, basse-taille); Martin (11; accessoires);

Charles (12; accessoires); zangeressen: Florine Fleury (14), Adelaïde Fleury (13); Mimi Bernardi (11); Mime le Clair (10);

Mariamne du Lac (15; duegne).

Repertoire (sGC 29.12. 1780): L’amant jaloux; Les souliers mordorés; (Bernard 1781, p. 245): La belle Arsène.

Bernard 1781, pp. 243-245.

’S-GRAVESANDE 1794

Repertoire mei-juli 1794 (advertenties Amsterdamsche Courant): Nina; De drie landbouwers; Azemia; Het huwelijk van

Antonio; De twee jagers en het melkmeisje.

Scheurleer 1909; Worp 1920; Bottenheim 1983R.

11.5 DE OUDSTE NEDERLANDSE OPERA

De vraag welk muziekdramatisch werk aanspraak kan maken op het predikaat ‘de oudste Nederlandse opera’ is

gemakkelijk gesteld, maar minder eenvoudig beantwoord, zo deze al kan worden beantwoord. Allereerst moet

worden vastgesteld wat precies onder opera wordt verstaan en vervolgens wat we precies met Nederlands

bedoelen. Het lijkt niet voldoende dat een bepaald werk in de eigen tijd opera werd genoemd, terwijl andersom

werken die toen niet opera werden genoemd door ons misschien wel zonder reserve als zodanig zouden worden

gekwalificeerd. Ook het ‘Nederlanderschap’ van een werk behoeft enige omschrijving vooraf.

Maar als we de problemen rondom het opera- en het Nederlanderschap naar eer en geweten hebben opgelost,

komen er weer andere problemen die moeten worden opgelost voordat de titelvraag van deze paragraaf

bevredigend kan worden beantwoord. Doet het er bijvoorbeeld toe of de componist een Nederlander was of

niet? Moet het werk überhaupt zijn uitgevoerd, of is geschreven zijn alleen voldoende? Moet een opera een

componist hebben of rekenen we een stuk dat alleen maar gebruik maakt van bekende liedwijsjes ook mee? En

hebben we iets aan een stuk als de muziek niet of niet volledig is overgeleverd, of zelfs de tekst niet? Laten we

zien waar al deze overwegingen ons brengen. Allereerst het begrip opera.

Een geheel gezongen dramatisch werk in meerdere acten een opera noemen is geen probleem. Maar hoeveel

kunnen we van dit concept afhalen en dan toch nog van opera spreken? Een zekere hoeveelheid gesproken

32


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

woord zal aan het operakarakter niet echt afbreuk doen, maar het moet niet teveel zijn. Het spraakgebruik is in

dit opzicht wat dubbelzinnig. De opéra-comique van de tweede helft van de achttiende eeuw bevat behoorlijk

veel gesproken woord, terwijl vanaf de negentiende eeuw de lichtere opera met veel gesproken woord eerder

operette wordt genoemd dan opera. De opéra-comique van de eerste helft van de achttiende eeuw bestaat uit

gesproken woord gelardeerd met liedjes of airs, zoveel dat de adoptie van de genrebenaming een enigszins

opzettelijk karikaturaal karakter heeft. Bij hoeveel tekst de grens tussen opera met gesproken woord en

toneelstuk met gezongen gedeelten moet worden getrokken is onmogelijk objectief aan te geven. Wij zullen hier

het vrij neutrale criterium hanteren dat bij een opera de muziek een essentieel onderdeel is dat niet kan worden

gemist. In de praktijk zou dit criterium kunnen worden getoetst door het gedachtenexperiment uit te voeren of

het mogelijk zou zijn een bepaald stuk geheel gesproken, gereciteerd of gedeclameerd uit te voeren. Als dat

mogelijk is zonder het stuk duidelijk afbreuk te doen, dan zouden wij van een toneelstuk met gezongen

elementen kunnen spreken. Ook als toneelstukken aanleiding hebben gegeven om er later muziek bij te

schrijven zien we dat niet als aanleiding om in verband met de tekst al van opera te spreken. Alleen als de

muziek essentieel is in de uitvoering, kan men in verband met de tekstversie al van opera of eventueel van

zangspel spreken.

Kan een opera slechts één bedrijf hebben? Hoewel we bij het prototype van een opera toch graag meerdere

bedrijven voor ons zien, leert de geschiedenis dat veel stukken van één bedrijf in de opera-annalen voorkomen.

De eenakter heeft wel als beperking dat deze in een commerciële voorstelling nooit als enige kan worden

gegeven. Desondanks kunnen we opera’s in één bedrijf niet uitsluiten. In de praktijk zal blijken dat bij eenakters

andere factoren een rol kunnen gaan spelen; vooral het dramatisch en/of verhalend karakter is dan bepalend.

Vervolgens moeten we ons gaan bezighouden met de vraag wat géén opera is. Voorbeelden van stukken die

wij uitdrukkelijk als toneel met muziek willen bestempelen en niet als opera zijn bijvoorbeeld de vele

toneelstukken met liederen en reien uit het begin van de zeventiende eeuw van bijvoorbeeld Hooft, Coster,

Rodenburgh en Krul. In een wat latere periode geldt dat bijvoorbeeld de bewerkingen met zang, dans, kunst- en

vliegwerken die Govert Bidloo maakt van Vondels Phaëton en Salmoneus, die in 1685 op de Amsterdamse

schouwburgplanken kwamen. In de achttiende eeuw waren er eveneens tal van toneelstukken met zang en dans

die wij buiten de definitie van opera willen houden. Maar op het gebied van de opéra-comique is er toch een

continue overgang over een breed scala tussen de uitersten van een toneelstuk met een enkel liedje en/of dansje

en een stuk met een substantieel bestanddeel van gecomponeerde muziek.

Niet moeilijk is het om werken die zichzelf al niet als opera maar bijvoorbeeld als divertissement afficheren

uit te sluiten van het predicaat opera. Deze stukken kennen een aantal gezongen, gedanste en gespeelde scènes

rond een bepaald thema, maar missen gewoonlijk een dramatisch plot of verhaal. Deze stukken nemen wel een

plaats in in de geschiedenis van de Nederlandse theatermuziek. Voorbeelden zijn La fête sincère, ou Le grand

spectacle brillant van Jean-Benoît Leclair, in 1751 te Amsterdam (aan de Overtoomseweg) uitgevoerd ter

gelegenheid van de veertigste verjaardag van Willem IV, De juichende schouwburg op tekst van Lucas Pater

met muziek van Hendrik Chalon, in 1762 uitgevoerd op de Amsterdamse Schouwburg ter gelegenheid van het

125-jarig bestaan van de Schouwburg, en het Franstalige Divertissement van Johann Andreas Kauchlitz Colizzi

voor de verjaring van Wilhelmina van Pruisen, gegeven Breda in 1792.

Deze lijn doortrekkende, houden we natuurlijk ook de talrijke pantomimes en balletten buiten de zoektocht

naar de oudste Nederlandse opera, al kan hierin wel degelijk een dramatisch verhaal voorkomen en al kan er wel

degelijk in worden gezongen. Maar de nadruk ligt bij het gedanste, niet bij het gezongene en gespeelde.

Er is een zekere categorie, die tussen het divertissement en de echte opera in staat, en dan moet worden

gedacht aan korte gelegenheidsspelen, en korte stukken betiteld als zangspel, muziekspel, eventueel voorspel,

33


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

inwijdingsspel, pastorale, herdersspel, kamerspel, enz. In het algemeen zijn deze werken niet als opera te

beschouwen, ook al werden ze in hun eigen tijd wel eens als zodanig betiteld. Dan weer is het onduidelijk

hoeveel er werd gezongen, dan weer of er werkelijk van een dramatische plot sprake is, dan weer lijkt het

muzikale aandeel te perifeer om van opera te kunnen spreken. In het algemeen zal er niet ononderbroken zijn

gezongen in deze stukken, terwijl de plot ten hoogste rudimentair van aard is.

De oudste voorbeelden van dit tussengenre (de zingende kluchten uitgezonderd) stammen uit het laatste

kwart van de zeventiende eeuw. Het oudste geschreven stuk is De triompherende min van Hacquart/Buysero,

vervaardigd in 1678 ter gelegenheid van de Vrede van Nijmegen, maar nimmer opgevoerd. In de

geschiedschrijving van de Nederlandse muziek tot nu toe is het vaak aangehaald als de oudste Nederlandse

opera. In hetzelfde genre, maar wel uitgevoerd, valt De opera onder de zinspreuk «Zonder spijs en wijn kan

geen liefde zijn», of De opera van Ceres, Bacchus en Venus van Schenck/Bidloo uit 1686. Beide stukken

bestaan uit één bedrijf, hebben simpele mythologische gegevens. In beide gevallen is de tekst volledig, de

muziek deels bewaard gebleven. Hetzelfde beeld geldt de andere korte zangspelen uit de decennia vóór en rond

1700. Uitvoeringsgegevens zijn vaker niet dan wel aanwezig. In alle gevallen is het predikaat ‘opera’ op zijn

minst dubieus en is het waarschijnlijk beter dit niet van toepassing te verklaren.

Uit een latere periode stamt Colizzi’s Bataafse veldvreugd, in 1767 geschreven voor het huwelijk van

stadhouder Willem V en prinses Wilhelmina van Pruisen. Ook hier lijkt het woord ‘opera’ niet geëigend.

Niet onder opera lijken te vallen stukken zoals De orakelvaas van Maurits van Hattum (1740: ‘kluchtige

opera’), De vlucht van Eneas van Philip Frederik Lijnslager (1785: ‘treurspel in straatliedjes’) en verdere

opera’s of toneelstukken van het vaudeville-genre of simpelweg ‘mêlé d’ariettes’ of dergelijke.

Ook Bartholomeus Ruloffs heeft ons nog een aantal Nederlandstalige stukken geleverd die met een overmaat

aan goede wil nog wel als opera zouden kunnen worden beschouwd, maar eigenlijk toch eerder het karakter van

een divertissement of zangspel hebben. De reeks begint met Inwyding van den Amsterdamschen Schouwburg

(1774) en De bruiloft van Kloris en Roosje (??), van welke stukken tenminste nog muziek bewaard is gebleven.

Van vier andere stukken, De komst van Willem den Eersten, Prins van Oranje, te Leyden (1780), Het feest van

Corali en Nelson (1782; naspel bij De edelmoedige vriendschap), De geveinsde zotheid door liefde (1790) en

De twee standbeelden (1798; tekst Pieter Pypers), is alleen de tekst bewaard gebleven. Ook Ruloff’s muziek bij

Vondels Jeptha (1779) is verloren gegaan.

Na de afbakening van het begrip ‘opera’ moeten we ons bezighouden met het begrip ‘Nederlands.’ Wanneer

is een opera Nederlands? Een Nederlandse tekst lijkt misschien een noodzakelijke voorwaarde, maar hoeft dit

niet te zijn. Veel motetten, cantates en liederen in het Frans, Italiaans, Latijn, enz. zouden we moeiteloos als

Nederlands kunnen accepteren, en waarom dan niet een opera in het Frans of Italiaans? Men denke ook aan het

Nederlandse schooldrama in het Latijn. Daartegenover staat het argument dat de taal in een dramatisch werk een

groter gewicht in de schaal legt dan bij een werk waar de muziek eerder voorop staat.

Franse en Italiaanse opera’s in Nederlandse vertaling lijken niet in aanmerking te kunnen komen voor het

predikaat ‘Nederlandse opera.’ Niemand zou een opera van Grétry, Gluck of Mozart met Nederlandse tekst een

Nederlandse opera noemen. Hiermee wordt wel meteen een omvangrijke categorie van werken terzijde

geschoven, een categorie die vanaf 1758 (met de eerste Nederlandse voorstellingen van de Vlaamse opera van

Neyts) een grote rol speelde in de Nederlandse operageschiedenis. Neyts’ vertaalwerk lijkt bovendien een

tweede niet-Nederlands aspect toe te voegen: zijn zijn vertalingen niet eerder Zuidelijk Nederlands of West-

Vlaams dan Nederlands in de zin van de Republiek? Te proberen antwoord op deze vraag te geven leidt

onherroepelijk tot een warnet van volgende vragen. We zouden bijvoorbeeld willen weten of Neyts’ libretti

uitsluitend of in de eerste plaats voor gebruik in de Republiek zijn vervaardigd en of ze al of niet in de

34


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Oostenrijkse Nederlanden zijn gebruikt. En wat te doen met Neyts’ libretto De sympathie, door de Nederlandse

componist van Duitse afkomst Just gecomponeerd en in Amsterdam in première gegaan?

Het antwoord op deze problematiek lijkt te zijn dat we ons in ieder geval kunnen beperken tot die libretti die

van muziek voorzien zijn door componisten woonachtig in de Republiek en voor voorstellingen in de

Republiek. Deze opvatting haalt De koopman van Smyrna van Just/Neyts (1774) en De nieuwgetrouwden van

Mattern/Neyts (1779) binnen het bereik van de Nederlandse opera. Maar moeilijker wordt het met Het

nachtgevecht van Van Helmont/Neyts (1773, naar Le combat nocturne van Dancourt), omdat Adrien-Joseph

van Helmont een Zuid-Nederlander was, die weliswaar in de Republiek als zanger is opgetreden, maar als

componist niet boven de categorie ‘componerende bezoekers’ uitkomt. Wanneer zijn compositie voor Het

nachtgevecht speciaal voor uitvoeringen in de Republiek was geschreven, zou dit een argument zijn om ook dit

werk als Nederlandse opera te beschouwen. Voorzover bekend is aan deze conditie voldaan, zodat we inderdaad

Het nachtgevecht als Nederlands werk zullen beschouwen.

Het laatstbesproken geval wordt nog iets gecompliceerder als we de toonzetting van de Haagse Franse

toneelspeler Le Petit van het Franse origineel voor het libretto van Het nachtgevecht, namelijk Dancourt’s Le

combat nocturne, meebeschouwen. Omdat de opera-annalen voor dit werk een Gentse première uit 1769

vermelden, beschouwen we Le Petit’s versie niet als een Nederlandse opera.

In feite slaat De sympathie, op een origineel libretto van Neyts en muziek van Johann August Just, een goed

figuur in onze zoektocht naar de oudste Nederlandse opera: het libretto is origineel Nederlandstalig en de

muziek is gecomponeerd door een in Duitsland geboren componist, maar dan wel één die z’n gehele

professionele loopbaan in de Republiek heeft doorgebracht. Het stuk is geschreven voor uitvoering in

Amsterdam. We schrijven dan 1774. Helaas is van de muziek geen enkele noot bewaard gebleven.

In deze sfeer kunnen we nog een paar jaar in de tijd teruggaan en dan komen we bij De dankbaare zoon van

Colizzi, volgens het bewaarde tekstboek een opera in twee bedrijven ‘toegeweid aan ’t Genootschap’ [=‘Kunst

wordt door arbeid verkregen’] te Leiden. Uitvoeringsgegevens ontbreken vooralsnog, terwijl ook de muziek

verloren is gegaan.

Zetten we de speurtocht naar originele Nederlandse zangspelen voort, dan komen we terecht bij de nagenoeg

onbekende componist Jean des Communes, die in de jaren-1780 in Leeuwarden een aantal Nederlandse

zangspelen van eigen hand liet opvoeren. Nader onderzoek moet nog uitwijzen of we hier inderdaad van

Nederlandse komische opera’s kunnen spreken en niet eerder van toneelstukken met gezongen gedeelten. De

familie van Des Communes kwam weliswaar uit de Oostenrijkse Nederlanden, maar hijzelf was reeds op het

grondgebied van de Republiek geboren (Gouda) en moet dus als volle Nederlander meetellen.

Opera’s op Italiaanse, Franse en Duitse tekst die geschreven zijn in een Nederlandse context, door een

componist die op dat moment hier werkzaam was voor een uitvoering op een Nederlandse speelvloer

beschouwen we als Nederlands, hoewel minder Nederlands dan wanneer de tekst ook nog Nederlands was. In

deze categorie is er een voorbeeld dat ons ver terugbrengt in de Nederlandse operageschiedenis, namelijk La

fatiche d’Ercole per Deianira, door Pietro Antonio Fiocco bewerkt naar Pietro Andrea Ziani voor de Stryckeropera

in Amsterdam in 1680. In het voorjaar van 1681 wordt deze gevolgd door een analoge bewerking van

Domenico Freschi’s Helena rapita da Paride. Hoewel Fiocco’s verblijf in de Republiek ten hoogste marginaal

is geweest, is de muziek zonder meer voor een Nederlands theater geschreven. Deze categorie van werken is

voor de tweede helft van de achttiende eeuw beslist niet van verwaarloosbare omvang.

Wanneer we het ‘componimento drammatico a 3 voci’ met de titel Il Palladio conservato van Francesca

Cuzzoni, die voor de uitgave ervan op 29 maart 1742 octrooi bij de Staten van Holland aanvroeg, maar

waarover verder niets bekend is, buitensluiten, opent Santo Lapis met L’infelice avventurato van 1755 de rij van

35


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

voorbeelden uit de tweede helft van de achttiende eeuw; helaas is noch partituur noch libretto bewaard

gebleven. Van Giovanni Battista Zingoni’s Zenobia en La finta sposa zijn geen oudere opvoeringen bekend dan

die van De Amici’s troep (waar Zingoni in zong) in Amsterdam in achtereenvolgens 1760 en 1761. In de vroege

jaren-1760 schreef Zingoni nog twee Franse opera’s voor het Franse Theater in Den Haag: Les passetemps de

l’amour en Démocrite. Van deze opera’s zijn echter niet meer dan fragmenten bewaard gebleven. Helemaal

niets is bewaard van Friedrich Schwindl’s L’astronome en La soirée des boulevards, in 1771 in het Franse

Theater van Den Haag opgevoerd.

De rij wordt voortgezet door enkele Duitse stukken, door Johann August Just gecomponeerd voor de troep

van Abt en Schroeter: Der Kaufmann von Smyrna (1774) en Die Apotheke (1774). Helaas zijn van de muziek

van Der Kaufmann, welk stuk al eerder genoemd is vanwege Neyts’ vertaling, slechts fragmenten bewaard

gebleven, van Die Apotheke in het geheel niets. Op Just’s naam staan nog enkele andere Duitse Singspiele, maar

het is niet bekend of deze ooit in de Republiek zijn opgevoerd. Maar, zoals al gezegd: de vraag is of het een

argument moet zijn in onze discussie.

Een zeker aantal Franse stukken wordt op Nederlandse bodem geschreven gedurende de jaren 1777-1790.

Voor het Franse theater in Maastricht kunnen acht originele producties worden opgesomd uit de jaren 1777-

1782, van componisten als Antoine Duboulay, Franciscus Leonardus Rouwyzer en Othon Vandenbroeck. Uit

de jaren 1779-1790 stammen tenminste vijf originele Haagse producties, vier van de hand van Colizzi (van Le

droit d’aînesse uit 1779 tot Les dieux au village van 1790), benevens Meissners L’heureuse révolution uit 1788.

Van sommige van deze stukken zijn de volledige partituren bewaard gebleven. De veilingcatalogus van

Colizzi’s inboedel vermeldt nog de namen van de opera’s Les plaisirs de la jeunesse, Rodrigue et Séraphine en

La maladie par amour. Nadere gegevens over ontstaans- en opvoeringsgeschiedenis ontbreken echter

vooralsnog.

Hoever zijn we nu gekomen met onze zoektocht naar de oudste Nederlandse opera? Als we alle criteria

scherp opvatten, dan komen we niet zo ver. Geen enkel stuk uit de tijd van de Republiek is er dat tegelijk aan

alle aangescherpte criteria kan voldoen: Nederlands libretto, Nederlandse componist, Nederlandse première,

meer dan efemere tekstinhoud en bewaard gebleven partituur. 14

Als we alleen het criterium van beschikbaarheid van tekst en muziek loslaten komen de Nederlandse

komische opera’s van Just, Van Helmont en Mattern in beeld, met alleen het taalcriterium losgelaten de Franse

komische opera’s van Colizzi, en eventueel de fragmentarisch overleverde Franse komische opera’s van

Zingoni. Het loslaten van beide criteria (Nederlandse taal en beschikbaarheid) samen voegen Fiocco’s Helena,

de stukken van Lapis, Zingoni, Schwindl, nog andere van Colizzi, alsmede de Maastrichter stukken van

Rouwyzer, Duboulay en Vandenbroeck aan het Nederlandse repertoire toe.

Als we ermee akkoord gaan om ook de zangspelen uit het laatste kwart van de zeventiende eeuw als opera te

betitelen, dan komen we uit bij Hacquart’s De triomferende min als oudste opera (1678) als we het uitgevoerdzijn

niet belangrijk vinden. Hechten we daar wel aan, dan moeten we Schenck’s Opera van Bacchus, Ceres en

Venus de oudste noemen (1686). We kunnen nog wel verder in de tijd teruggaan, maar dan moeten we

toneelstukjes met liederen als een soort vóór-vorm van de opéra-comique beschouwen of anders de zingende

klucht. Deze stap gaat wellicht te ver.

Om kort te gaan, de vraag naar de oudste Nederlandse opera is niet eenduidig te beantwoorden. Het

antwoord hangt af van welke criteria men noodzakelijk en voldoende vindt om van een Nederlandse opera te

14. Gek genoeg zijn het de Leeuwarder zangspelen van Jean des Communes die mogelijk aan genoemde criteria voldoen.

Het gaat om de zangspelen Het melkmeisje van Bercy en Het dorp in het gebergte, vermoedelijk van rond 1790. Het is niet

bekend waar de partituren zich thans bevinden.

36


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

spreken. En het blijkt dat alle criteria afzonderlijk of in combinatie wat losjes moeten worden gehanteerd om

überhaupt stukken te vinden die de criteria passeren. Met deze soepele interpretatie houden we desondanks een

marge van ongeveer een eeuw — afhankelijk van welke soepelheid we toepassen —, te weten de ruime eeuw

van Hacquarts De triomferende min van 1678 tot Colizzi’s Les dieux au village van 1790.

Om een opera te vinden die in alle opzichten aan het Nederlanderschap en aan het moderne operaconcept

voldoet moeten we naar de negentiende eeuw gaan. Saffo van Johannes Bernardus van Bree (1801-1857), op

tekst van Jacob van Lennep, uit 1834, lijkt voorlopig de beste kandidaat. Maar zelfs aan deze keus kleeft nog

een onvolkomenheid: de partituur is niet volledig bewaard. Twee andere theatrale producten van Van Bree

vallen af vanwege andere ‘tekortkomingen’: Neemt u in acht (1826, tekst H.J. Foppe) omdat dit stuk is

geclassificeerd als operette en Le bandit (1835, tekst Theaulon) vanwege de Franse tekst. De zoektocht gaat dus

nog even door.

Misschien is de vraag naar de oudste Nederlandse opera verkeerd. Uiteindelijk is dit een vraag naar een

individueel geval en dit kan zowel een incident zijn geweest als het begin van een korte of langere traditie. Veel

belangrijker is toch de vraag of er wel Nederlandse operatradities zijn geweest en met name of er Nederlandse

operagenres of operasubgenres zijn geweest, liefst van meer dan incidentele betekenis. Deze laatste vraag kan

positief worden beantwoord, zij het met een zekere bescheidenheid. In het totaal kunnen vier operagenres met

hun bijbehorende tradities worden onderscheiden, waarbij ik een genre c.q. traditie opvat als een reeks van

gelijksoortige stukken waarbij de latere zijn geschreven als een voortzetting of ontwikkeling van de eerdere.

De oudste operatraditie is dan het zangspel van de late zeventiende eeuw, van Hacquart, Schenck, De

Konink en Anders, en mogelijk nog anderen. Dan springen we naar de tweede helft van de achttiende eeuw

waarin we in heel bescheiden mate navolgingen zien van de Franse opéra-comique (Zingoni, Schwindl, Colizzi,

Maastricht; tweede Nederlandse operatraditie) en in de derde plaats het in Nederland gecomponeerde Duitse

Singspiel (Just; derde traditie). Een corresponderend Nederlands genre komt op de vierde plaats, zo klein van

omvang dat het vooralsnog naamloos is, als men de veel ruimere term zangspel niet wil toepassen; ik doel hier

op de Nederlandse pendant van wat elders opera buffa, opéra-comique of Singspiel heet: de Nederlandstalige

zangspelen van Just, Mattern en Des Communes. Gedeeltelijk zijn er ook overgangen naar het divertissement,

zowel in het Franse als in het Nederlandse deel van deze tradities. Fiocco’s Helena rapita da Paride als oudste

Italiaanse opera seria van Nederlandse bodem en Lapis’ L’infelice avventurato als dito Italiaanse opera buffa

lijken incidenten te zijn geweest.

De operageschiedenis van de Nederlandse Republiek in de striktere zin van het woord is er vooral een van

buitenlandse operatradities, vanaf het eerste begin in 1677, met Lully’s Isis, tot aan het bittere einde in 1794,

met de Nederlandse première van Mozart’s Don Giovanni.

37


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

OPERAREPERTOIRE IN DE REPUBLIEK

1677-1795

De opera’s zijn gerangschikt op de titel van het libretto in de oorspronkelijke taal. Vertalingen van de libretti volgen direct

op de vermelding van de oorspronkelijke versie. Vanuit elke neventitel is er een verwijzing naar de hoofdtitel van het

libretto in de oorspronkelijke taal. Tussen haakjes worden de namen van componist en tekstdichter (in die volgorde,

gescheiden door een schuine streep) vermeld en het jaar van eerste uitvoering. Als componist of tekstdichter onbekend zijn

wordt voor, respectievelijk na de schuine streep niets vemeld. Als een aanduiding tussen haakjes geheel ontbreekt, betekent

dat dat noch componist, noch tekstdichter, noch jaar van eerste uitvoering bekend is. Bij een vertaald libretto dat de

oorspronkelijke muziek behoudt, is slechts de tekstdichter-vertaler genoemd, voorafgegaan door de schuine streep die

normaal componist en librettist scheidt. Daarna volgt een opsomming van de Nederlandse theaters en de in Nederland

opererende operatroepen die het stuk hebben gespeeld, vaak met premièrejaren voor het desbetreffende theater of de

desbetreffende troep. Aan het eind van de vermelding kan een “L” staan, hetgeen betekent dat een gedrukt libretto

beschikbaar is dat met de opvoeringen samenhangt. Bij de zeer wisselende volledigheid van de overlevering van

uitvoeringsgegevens kan volledigheid in geen enkel opzicht worden gegarandeerd.

Abt = Troep Abt en Schroeter 1774-1777

Amicis = Troep De Amicis 1760-1761

AS = Amsterdamse Schouwburg 1677-1794

Bruyère = Troep De Bruyère 1761

CDL = Collège Dramatique et Lyrique, Amsterdam 1791-1793

Crosa = Troep Giovanni Francesco Crosa 1750

DH = Frans Theater in Den Haag 1702-1793

DS = Dirck Strycker, Amsterdam 1680-1681

Ferrari = Troep Francesco Ferrari 1755

Francisque = Den Haag, Francisque 1719ss

Frédéric = Les enfants de Monsieur Frédéric 1759-1763

Giordani 1752, 1756 = Troep Giuseppe Giordani 1752, 1756

Gravesande = Troep Hermanus ’s-Gravesande 1794

Gurrini = Troep Mauro Gurrini 1760-1671

HDT = Hoogduitse Toneelsociëteit, Amsterdam 1787-1794

KSGV = Kunstmin spaart geen vlijt, Amsterdam 1773-1789

Lapis = Troep Santo Lapis 1752-1754

MA 1762, 1769 = Maastricht, bezoekende troepen 1762, 1769

MA 1771-1773 = Maastricht, troep Bernardi 1771-1773

MA 1774-1781 = Maastricht, troep Clairville 1774-1781

OKK = Oefening kweekt kunst, Amsterdam 1785-1786

Neyts = Vlaamse Opera van Neyts

Tarouca = Den Haag, Tarouca 1715-1718

Een L achter het jaartal van de troep betekent dat een gedrukt libretto bekend is.

Asd = Amsterdam; H&M = Jan Helders & Abraham Mars

A

De adellijke tuinierster > La buona figliola

Les abus de la crédulité > Orgon dans la lune

Der Aerndtekranz (Hiller/Weisse 1771) Abt

L’albergatrice > La locandiera

Alessandro nell’Indie (G. Scarlatti?/Metastasio 1753) Ferrari 1755 L

Alexis et Justine (Dezède/Monvel 1785) DH 1785; CDL

De Algerijnse landvoogd > Le corsaire

Amadis (Lully/Quinault 1684) AS 1687; DH 1704 L Asd: Henri Schelte, 1704.

L’amant déguisé, ou Le jardinier supposé (Philidor/Favart 1769) DH 1773; CDL

L’amant jaloux > Les fausses apparences

L’amant serrurier Frédéric 1761

L’amant statue (Dalayrac/Desfontaines 1785) DH 1787; CDL

De minnaar standbeeld (/Van Ollefen) AS 1794

38


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Gli amanti gelosi (T. Giordani/G. Giordani 1754) Giordani 1756

Les amants trompés (Laruette/Anseaume 1756) DH 1762

L’ami de la maison (Grétry/Marmontel 1771) DH 1772; MA 1772, 1774; CDL 1791

L’amitié à l’épreuve (Grétry/Favart 1770) MA 1775, DH 1771

De toets der vriendschap (/Neyts) Neyts 1773 L

Freundschaft auf der Probe Abt

De edelmoedige vriendschap (/Ruloffs) AS 1782 L Asd: H&L, 1782

L’amitié au village (Philidor/Desforges 1785)

Het dorpsfeest (/Lynslager) AS 1788; KGSV

Amor fa l’huomo cieco > La contadina astuta

L’amor costante > Emira

L’amour et les graces (Colizzi/Saint-Foix 1781) DH 1781

L’amoureux de quinze ans, ou La double fête (Martini/Laujon 1771) DH 1771; MA 1774

De verliefde van vijftien jaren (/Neyts) Neyts 1772 L

Les amours de Bastien et Bastienne (Favart 1753)

Bastien et Bastienne Frédéric 1760

Les amours de Gonesse, ou Le boulanger (La Borde/Favart 1765) DH 1765c; CDL

De greffier in de trog (/Neyts) Neyts 1769 L

Andromaque (??) AS 1687

Annette et Lubin (Blaise/Favart 1762) DH 1762; Frédéric 1762; MA 1771

Annette en Lubin (/Neyts) Neyts 1768 L Asd: Vlam, 1768

Lucas und Hannchen (/Eschenburg) Abt

Annette en Lubyn (/Lynslager) AS 1780 L Asd: Helders, 1780, 1781, 3/1790; KSGV

Die Apotheke > Lo speziale

Der Apotheker und der Doctor (Dittersdorf/Stephanie 1786) HDT

L’arbore di Diana (Martin y Soler/Da Ponte 1787)

Der Baum der Diana HDT

L’arbre enchanté, ou Le tuteur dupé (Gluck/Vadé 1770) DH 1771

L’Arcadia in Brenta (Galuppi/Goldoni 1749) Lapis 1752; Ferrari 1755

Aristote amoureux, ou Le philosophe bridé (/Piis&Barré) DH 1782; CDL

Armide (Lully/Quinault 1686) DH 1702

Artaserse (Pampani/Metastasio 1750) Giordani 1752

Artaserse (Ciampi? of Galuppi? 1751/Metastasio 1747) Giordani 1752; Lapis 1754; Ferrari 1755

L’astronome, ou L’heureux moment (Schwindl/Bauny 1771) DH 1771

Atys (Lully/Quinault 1676) AS 1687; DH 1702; Tarouca

Aucassin et Nicolette, ou Les moeurs du bon vieux temps (Grétry/Sedaine 1782) DH 1783

Auguste et Théodore, ou Les deux pages (Dezède/Faur 1789 naar Manteufel Der Edelknabe) DH 1790

L’avare trompé??

De bedrogen gierigaard (/Neyts) Neyts 1758

L’aveugle de Palmyre (Rodolphe/Desfontaines 1767) DH 1770; MA 1775

Les aveux indiscrets (Monsigny/La Ribardière 1759) Frédéric 1760; DH 1765c

Axur, re d’Ormus (Salieri/Da Ponte 1788)

Axur, König von Ormus HDT

Azémia, ou Les sauvages (Dalayrac/La Chabeaussière 1786) DH 1788; CDL

Azemia, of De wilden (/Ogelwight) AS 1789 L Asd: H&M, 1791; Gravesande 1794

Azemia, oder Die Wilden HDT

B

Bacchus > Les fêtes de Bacchus et l’Amour

Bajocco et Serpilla (Sodi/Favart 1753) DH 1758; Frédéric 1759; Bruyère 1761; MA 1762

Le Barnevelt Français > L’école de la jeunesse

Bastien et Bastienne > Les amours de Bastien et Bastienne

La bataille d’Ivry > Henri IV

De bedrogen baljuw > Le cadi dupé

De bedrogen bruid (/Neyts) Neyts 1770

De bedrogen voogd > Le tuteur bafoué

La belle Arsène (Monsigny/Favart 1775) DH 1777; MA 1777; Bernardi 1780; CDL

De schone Arsena (/Neyts) Neyts 1778

De schone Arsene (/Ruloffs) AS 1789 L Asd: H&M, 1789

39


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

La belle esclave, ou Valcour et Zélia (Philidor/Maniant 1787) DH 1789

Bellezza ed onestà > Una cosa rara

Bertoldo, Bertoldino e Cacaseno (Ciampi/Goldoni 1748) Lapis 1754

Bertholde à la ville (/La Salle d’Offemont&Anseaume 1754) DH 1758; Frédéric 1760

Bartholde in de stad (/Neyts) Neyts 1758 L

Blaise et Babet, ou La suite des «Trois fermiers» (Dezède/Monvel 1783) DH 1784; CDL

Blaise en Babet (/Roullaud) AS 1788 L Asd: H&M, 1788

Blaise le savetier (Philidor/Sedaine 1759) DH 1760; Frédéric 1760; MA 1769; MA 1781

Blasius de lapper (/Neyts) Neyts 1768 L

De Boheemster > La Zingara

La Bohémienne > La Zingara

Le boulanger > Les amours de Gonesse

Le bûcheron, ou Les trois souhaits (Philidor/Guichard 1763) DH 1765c; MA 1774

De houthakker (/Neyts) Neyts

La bonne fille (Piccinni/Cailhava 1771 naar La buona figliola [Piccini/Goldoni 1760]) DH 1772; MA 1772

De adellijke tuinierster (/Neyts) Neyts 1773 L

Das gute Mädchen (/Eschenburg) HDT

C

Le cadi dupé (Monsigny/Lemonnier 1761) Frédéric 1761 DH 1764; MA 1769, 1774

De bedrogen baljuw (/Neyts) Neyts 1762

Le cadi dupé (Gluck/Lemonnier 1762) DH 1778

Cadmus et Hermione (Lully/Quinault 1673) AS 1687

La calamità de’ cuori (Galuppi/Goldoni 1752) Ferrari 1755

Calypso > Télémaque et Calypso

La cameriera accorta (= La serva accorta? = Il filosofo di campagna door Galuppi?) Giordani 1756

Camille, ou Le souterrain (Dalayrac/Marsollier 1791) DH 1792; CDL

La cantata e disfida di Don Trastulla (Jommelli/ 1749) MA 1765

La caravane du Caire (Grétry/Chédeville 1783) DH 1791

De karavaan van Groot Kaïro (/Pypers) AS 1789

Ce qui plaît aux dames > La fée Urgèle

Célestine (Bruni/Magnito ca. 1787) DH 1789

Céphise, ou L’erreur de l’esprit (Marsollier/) CDL

Le charlatan (Sodi/Lacombe 1756)

De charlatan (/Neyts?) Neyts?

Les Chinois (Selitto/Favart 1756) DH 1759; Frédéric 1760

De Chinezen (/Neyts) Neyts

La clochette (Duni/Anseaume 1766) DH 1767; CDL

Het verloren lam (/Neyts) Neyts 1768 Asd: Vlam 1768

Het verloren lam (/Doornik) AS 1784 L Asd: H&M, 1783

La colonie (Sacchini/Framery 1775 naar L’isola d’amore [Sacchini/Gori 1766]) DH 1776; MA 1778; CDL

De volkplanting (/Neyts) Neyts 1778

De volkplanting (/Van Beaumont) KSGV; AS 1782 L Asd: Helders, 1782

Le combat nocturne, ou Les morts vivants (Le Petit/Dancourt, Gent 1769) DH 1770 Les souliers mordorés

Le corsaire (Dalayrac/La Chabeaussière 1783) DH1792

De Algerijnse landvoogd (/Van Beaumont 1789) AS 1789 L Asd: H&M, 1789

Una cosa rara, ossia Bellezza ed onestà (Martin y Soler/Da Ponte 1786)

Lilla HDT

La creanza, ossia La politezza (Bologna/ 1759) Amicis 1760

Les curieux punis (Bonnay/Desenne ca. 1787) DH 1789

D

40


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

La dama scaltra (pasticcio) Giordani 1752 L

Demofoonte (Bernasconi/Metastasio 1741) Lapis 1754

De gustibus non est disputandum (G. Scarlatti/Goldoni 1754) Ferrari 1755 L

Le déserteur (Monsigny/Sedaine 1769) DH 1769; MA 1772, 1774; CDL

De deserteur (/Neyts) Neyts 1770 L Asd: Crajeschot

Der Deserteur (/Eschenburg) Abt

De deserteur (/Ruloffs) KSGV L Asd: Duim, 1775; AS 1783 L Asd: Helders 1782, H&Mars 2/1784; OKK

Les dettes (Champein/Forgeot 1787) DH 1788; CDL

De schulden (/Ogelwight 1791) AS 1791 L Asd: Helders & Mars, 1791.

Les deux avares (Grétry/Fénouillot 1770) DH 1772; MA 1772; CDL

De twee gierigaards (/Neyts) Neyts 1771 L

Die zwei Geizigen (/Faber) Abt

De twee gierigaards (/Ruloffs) AS 1787 L Asd: Helders & Mars, 1787

Les deux chasseurs et la laitière (Duni/Anseaume 1763) DH 1765; MA 1769, 1774; CDL

De twee jagers en het melkmeisje (/Neyts) Neyts 1768 L Asd: Vlam, 1770

De twee jagers en de melkverkoopster (/Cammaert) Vitzthumb 1768 L DH: Constapel & Lefebvre, 1768

Das Mildmädchen und die Jäger (/Schwann) Abt; HDT

De twee jagers en het melkmeisje (/Lynslager) KSGV L Asd 1778; AS 1783 L Asd: H&M 1783; OKK 1785; Gravesande

1794 L Asd H&M 2/1794

Les deux comtesses (Paisiello/Framéry. 1781 naar /Petrosellini 1776: Le due contesse) DH 1785c?

Les deux miliciens, ou L’orphéline villageoise (Fridzeri/D’Azémar 1771) DH 1772

Het dorpse weesmeisje (/Neyts) Neyts L

Les deux pages > Auguste et Théodore

Les deux petits Savoyards (Dalayrac/Marsollier 1789) DH 1790; CDL 1791

De twee jonge Savoyards (/Aschenberg & Roullaud 1790) AS 1790; L Asd: H&M, 1790

Les deux Sylphes (Desaugiers 1782) DH 1785c?

Les deux tuteurs (Dalayrac/La Chabeaussière 1784) DH 1786

Le devin du village (Rousseau/Rousseau 1752) DH 1754; Frédéric 1759; MA 1769, 1777; CDL

De waarzegger van het dorp (/Neyts) Neyts 1758

De waarzegger van het dorp (/Cammaert) Vitzthumb 1768

Le diable à quatre, ou La double métamorphose (Philidor/Sedaine 1756) DH 1758; Frédéric 1760

Les Dieux au village (Colizzi/D’Alery de Mons 1790) DH 1790

Le directeur dans l’embarras (Cimarosa/Dubuisson naar /Diodati 1786: L’impresario in angustie) DH 1790

Didon (Piccini/Marmontel 1783) DH 1789; CDL

Le docteur Sangrado (Duni&Laruette/Anseaume 1758) DH 1760

Den Doctor Sangrado (/Neyts) Neyts 1769

Don Calascione > La finta cameriere

Don Quichotte Gurrini 1762

Don Trastulla > La cantata e disfida di -

Het dorpsfeest > L’amitié au village

Der Dorfbarbier (Hiller/Weisse 1771 naar /Sedaine: Blaise le savetier) Abt

Die Dorfdeputirten (Schubaur/Heerman 1783) HDT

Het dorpse weesmeisje > Le deux miliciens

La dot (Dalayrac/Desfontaines 1784) DH 1786; CDL

La double épreuve (Grétry/Lourdet 1782) DH 1788

La double fête > L’amoureux de quinze ans

Le double jugement de Paris > Les trois déesses

La double métamorphose > Le diable à quatre

De drie landbouwers > Les trois fermiers

Drift tot zang en dans > De melomanie

Le droit d’aînesse (Colizzi/Dorceville 1779) DH 1779

Le droit du seigneur (Martini/Desfontaines 1783) DH 1784; CDL

De dwaling van een ogenblik > L’erreur d’un moment

E

L’école de la jeunesse, ou Le Barnevelt Français (Duni/Anseaume 1765) DH 1766

L’école de la jeunesse, ou Le Barnevelt Français (Duboulay/Anseaume 1778) MA 1778

L’école de la jeunesse, ou Le Barnevelt Français (Prati/Anseaume 1780) DH 1785c?

De edelmoedige vriendschap > L’amitié à l’épreuve

41


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Eifersucht auf der Probe (Anfossi/Eschenburg naar Bertati 1774: Il geloso in cimento) HDT

Der eingebildete Philisoph > Le philosophe imaginaire

Eins wird doch helfen, oder Die Werbung aus Liebe (André/André 1782) HDT

L’élève de l’amour > Sargines

Elysium (Schweitzer/Jacobi 1770) Abt

Emira, ossia Il finto femina (Leo/ 1735) Giordani 1752

L’amor costante Amicis 1761

Endlich fand er sie > Das Irrlich

L’enfant trouvé > Félixt

Les ensorcelées, ou Jeannot et Jeannette (/Favart 1757) Frédéric 1760

Die Entführung aus dem Serail (Mozart/Stephanie 1782) HDT

L’épreuve villageoise (Grétry/Desforges 1784) DH 1786: CDL 1791

La suite de «L’épreuve villageoise» > Les promesses de mariage

L’erreur de l’esprit > Céphise

L’erreur d’un moment, ou La suite de «Julie» (Dezède/Monvel 1773) DH 1773; MA 1775

De dwaling van een ogenblik, of Het gevolg van «Julie» (/Neyts) Neyts 1774 L

De korte dwaling (/Uylenbroek en Lynslager) AS 1790 L Asd: Helders & Mars, 1791

Les étrennes de la nouvelle année (Vandenbroeck/Vallier 1783) MA 1783

Euphrosine (Méhul/Hoffman 1790) DH 1791

L’Europe galant (Campra/La Motte 1697) DH 1702; Francisque

Les événements imprévus (Grétry/Hèle 1779) DH 1781; MA 1781; CDL

F

Der Fassbinder > Le tonnelier

Le fatiche d’Ercole per Deianira (Ziani/Aureli 1662) DS 1680

La fausse aventurière (Laruette/Anseaume&Marcouville 1758) DH 1758; Frédéric 1761

La fausse magie (Grétry/Marmontel 1775) DH 1776: MA 1775; CDL

De gewaande toverij (/Van Beaumont) AS 1786

La fausse paysanne (Piis/ Propiac 1789) DH 1792

Les fausses apparences, ou L’amant jaloux (Grétry/Hèle 1778) DH 1779; MA 1780; Bernardi 1780; CDL

Le faux lord (N.Piccinni/G.M.Piccinni 1783) DH 1783

La fée Urgèle, ou Ce qui plaît aux dames (Duni/Favart 1765) DH 1767; MA 1774

Les faintes infidélités > Les femmes vengées

Félix, ou L’enfant trouvé (Monsigny/Sedaine 1777) DH 1783; CDL

Felix, of De vondeling (/Pypers) AS 1790 L Asd: Helders & Mars, 1790

Les femmes et le secret (Vachon/Quétant 1767) DH 1772; CDL

Les femmes et le secret (Duboulay/Quétant 1778) MA 1778

Les femmes vengées, ou Les feintes infidélités (Philidor/Sedaine 1775) DH 1775; MA 1776

La fermière Écossaise > Sara

La fête de graces > Les trois roses

Les fêtes de Bacchus et l’amour (Lully/Quinault 1672) AS 1688

La fille mal gardée, ou Le pédant amoureux (Duni/Favart 1758) DH 1758; Frédéric 1760

De kwalijk bewaarde dochter (/Neyts) Neyts 1762

Il filosofo di campagna (Galuppi/Goldoni 1754) Ferrari 1755 L

La finta cameriera = Don Calascione (Latilla/Barlocci 1737) Crosa 1750; Lapis 1752

La finta marchesina Amicis 1760

La finta sposa (Zingoni/Fabbriozi 1761) Amicis 1761 L

Il finto cavaliere Ferrari 1754 L

Il finto femina > Emira

La folle par amour > Nina

Fra i due litiganti il terzo gode (Sarti/Goldoni 1782)

Les noces de Dorine, ou Helène et Francisque (/Dubuisson) DH 1790

Im Trüben ist gut Fischen HDT

Les fragments des modernes > Télémaque

Les Français chez les Hurons, ou La vertu de la baguette (Colizzi/Launay 1783) DH 1783

Les frères jumeaux > Le maréchal ferrant

Freundschaft auf der Probe > L’amitié à l’épreuve

G

42


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

La gara degli amanti ridicoli Amicis 1760

Georget et Georgette (Alexandre/Harny de Guerville 1761) Frédéric 1762

I gelosi (/G. Giordani 1744) Giordani 1752

Il giocatore (Salvi/) Gurrini 1762

De speler (/Neyts) Neyts 1758

Gewaande toverij > La fausse magie

De greffier in de trog > Les amours de Gonesse

De grootmoedige minnaar > La magnifique

Guerre ouverte, ou Ruse contre ruse (Jadin/Dumaniant 1787) DH 1789

Das gute Mädchen > La buona figliola

H

Helena rapita da Paride (Fiocco/Aureli 1681) DS 1681

Helène et Francsicque > Fra i due litiganti

Henri IV, ou La bataille d’Ivry (Martini/Rosoi 1774) DH 1775; MA 1776

L’heureuse révolution (Meissner/Valmond 1788) DH 1788

L’heureux dépit (Chapelle/Rauquil-Lieutaud 1785) DH 1788c?

L’heureux moment > L’astronome

Hieronymus Knicker (Dittersdorf/Dittersdorf 1789) HDT

Die Hochzeit des Figaro > Le nozze di Figaro

De hoefsmid > Le maréchal ferrant

De Hoogduitse schoenmaakster > Les souliers mordorés

De houthakker > Le bûcheron

Der Hufschmidt > Le maréchal ferrant

Le Huron (Grétry/Marmontel 1768) DH 1769; MA 1769

De Huron (/Neyts) Neyts 1774 L

Het huwelijk van Antonio > Le mariage d’Antonio

I

L’île des foux (Duni/Anseaume&Marcouville, naar Goldoni: L’arcifanfano 1760c) DH 1760; MA 1776

L’île enchantée (Bruni/Sedaine 1789) DH 1790

L’île sonnante (Monsigny/Collé 1768) DH 1770; MA 1776

Im Trüben ist gut Fischen > Fra i due litiganti

Les importuns > Ziste et Zeste

L’inconnue persécutée (Anfossi/Rosoi 1776 naar Petrosellini 1773: L’incognita perseguitata) DH 1792

Inès et Léonore, ou La soeur jalouse (Bréval/Gauthier 1789) DH 1790

L’infante de Zamora (Paisiello/Framery 1780 naar /Livigni 1774: La Frascatana) DH 1782; CDL

De infante van Zamora (/Zurmühlen) KSGV L Asd 1784

L’infelice avventurato (Lapis/ 1754) Ferrari 1754

Iphigénie en Aulide (Gluck/Roullet 1774) DH 1787

Das Irrlicht, oder Endlich fand er sie (Umlauf/Stephanie 1782) HDT

Der Irrwisch (Kospoth/Bretzner 1780) HDT

Isabelle et Gertrude, ou Les Sylphes supposées (Blaise/Favart 1765) DH 1766; MA 1774

Isabelle et Rosalvo (Propiac/Patrat 1787) DH 1790

Isis (Lully/Quinault 1677) AS 1677

L’isola disabitata (G. Scarlatti/Goldoni 1757) Amicis 1761

Issé (Destouches/La Motte 1697) DH 1710

L’Italienne à Londres (Cimarosa/Neuville ca. 1791) DH 1792; CDL

L’ivrogne corrigé, ou Le mariage du diable (Laruette/Anseaume 1759) DH 1760

J

Die Jagd (Hiller/Weisse 1770) Abt; HDT

Le jaloux corrigé (Blavet/Collé) Frédéric 1759

Le jardinier de Sidon (Philidor/Pleinchesne 1768) DH 1768; MA 1774

Le jardinier et le seigneur (Philidor/Sedaine 1761) DH 1767

Les jardiniers (Prudent/Davesne 1771) DH 1772

De tuiniers (/Neyts) Neyts 1772 L

Le jugement de Midas (Grétry/Hèle 1778) DH 1779; MA 1779; CDL

Julie (Dezède/Monvel 1772) DH 1773; MA 1774

43


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Julie (/Neyts) Neyts 1773 L

Julie (/Faber) Abt

Ls uite de «Julie» > L’erreur d’un moment

K

Der Kapellmeister > L’Orazio

De karavaan van Groot Kaïro > Le caravane de Caïre

Der Kaufmann von Smyrna > Le marchand de Smyrne

De klompjes > Les sabots

Der König und der Pächter > Le roi et le fermier

De koning en de pachter > Le roi et le fermier

De koopman van Smyrna >Le marchand de Smyrne

De korenmaaiers > Les moissonneurs

De korte dwaling > L’erreur d’un moment

De kuiper > Le tonnelier

De kwalijk bewaarde dochter > La fille mal gardée

L

Laure et Pétrarque (Rouwyzer/Fabre d’Églantine 1780) MA 1780

De levende doden > Le combat nocturne

Die Liebe auf dem Lande (Hiller/Weisse 1768) Abt

Die Liebe im Narrenhaus (Dittersdorf/Stephanie 1787) HDT

Der Liebhaber als Automat, oder Die redende Maschine (André/André 1782) HDT

Lilla > Una cosa bella

Lodoiska (Kreutzer/Dejaure 1791) DH 1792; CDL 1793

Le lotto d’amour > Tirsis et Céphile

Lucette et Lucas (Florine Dezède/Forgeot) DH 1788c?; CDL

La locandiera (Auletta/Palomba 1738) Giordani 1756

La loterie amoureuse (Duboulay/ 1780) MA 1780

Lottchen am Hofe (Hiller/Weisse 1767) HDT

Lucas und Hannchen > Annette et Lubin

Lucile (Grétry/Marmontel 1769) DH 1770; MA 1772, 1774

Lucile (/Neyts) Neyts 1770 L

Lucile (/Faber) Abt

Lucile (/Uilenbroek) KSGV; AS 1781 L Asd: Helders, 1781

Der lustige Schuster, oder Der Teufel is lost, Zweiter Teil (Hiller/Weisse 1766) HDT

M

Madama Ciana (Latilla/Barlocchi 1738) Lapis 1754

La maestra (Cocchi/Palomba 1751) Giordani 1752 L, Lapis 1753

Le magnifique (Grétry/Sedaine 1773) DH 1773; MA 1774

De prachtige, of De grootmoedige minnaar (/Neyts) Neyts 1778 L

De uitmuntende minnaar (/Aschenberg) AS 1787 L Asd: H&M, 1786

Le maître de musique > L’Orazio

Le maître en droit (Monsigny/Lemonnier 1760) DH 1762; Frédéric 1762; MA 1769, 1774

De meester in het recht (/Neyts) Neyts 1768

Le maître généreux CDL =? Le gare generose (Paisiello/Palomba 1786)

Le devin du village (Rousseau/Rousseau 1752) DH 1754; Frédéric 1759; MA 1769, 1777; CDL

De waarzegger van het dorp (/Neyts) Neyts 1758

De waarzegger van het dorp (/Cammaert) Vitzthumb 1768)

De mangelaers > Les trocqueurs

Le marchand de Smyrne (/Chamfort)

Der Kaufmann von Smyrna (Stegmann/Schwan 1773) HDT

Der Kaufmann von Smyrna (Just/Schwan 1774 naar Chamfort: Le marchand de Smyrne) Abt

De koopman van Smyrna (/Neyts 1774) Neyts 1774 L

De Smirnsche koopman (/Uilenbroek) KSGV L Asd: Duim, 1775, AS 1780 L Asd: Duim, 2/1780, H&M, 3/1782.

Le maréchal ferrant, ou Les frères jumeaux (Philidor/Quétant 1761) DH 1762; Frédéric 1762; MA 1769, 1771; CDL

De paardesmid (/Neyts) Neyts 1768 L Asd: Vlam, 1769

Der Hufschmidt (/André) Abt

44


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

De hoefsmit (/Menkema) AS 1785 L Asd: H&M, 1784

Le mariage d’Antonio (Lucile Grétry/Beaunoir 1786) DH 1788; CDL

Het huwelijk van Antonio, zijnde het vervolg op «Richard Leeuwenhart» (/Ruloffs 1790) AS 1791 L Asd: H&M, 1791;

Gravesande 1794

Le mariage caché > Sophie

Le mariage du diable > L’ivrogne corrigé

Le mariage interrompu par le pouvoir de la magie (= Italiaans?) Gurrini 1762

Les mariages samnites (Grétry/Rosoi 1776) DH 1777; MA 1778

Das Marketenderzelt Abt

Le marquis de Tulipano (Paisiello/Gourbillon 1789) DH 1791

La matinée et la soirée villageoise, ou Le sabot perdu (/Barré&Piis 1781) DH 1785c?

Matilda (Cocchi/Palomba 1739) Giordani 1752 L, 1756

Mazet (Duni/Anseaume 1761) DH 1763; MA 1769, 1776

Mazet (/Neyts) Neyts 1768 L Asd: Vleam, 1769

Le médecin de l’amour (Laruette/Anseaume 1758) DH 1772; CDL

De meester in het recht > Le maître en droit

De meid juffrouw > La serva padrona

De meid meesteres > La serva padrona

La mélomanie (Champein/Grenier 1781) DH 1784

De melomanie, of Drift tot zang en dans (/Van Beaumont) AS 1786 L Asd: H&M, 1786

Mélide, ou Le navigateur (4.3 Philidor/Relly 1773) DH 1773

Les méprises par ressemblance (Grétry/Patrat 1786) DH 1790; CDL

La meunière de Gentilly (La Borde/Lemonnier 1768) DH 1769

De molenaarster van Gentilly (/Neyts) Neyts 1770 L

Das Mildmädchen und die Jäger > Les deux chasseurs et la laitière

Le milicien (Duni/Anseaume 1762) DH 1765c; MA 1769, 1775

De soldaat door dwang (/Neyts) Neyts 1769 L

De soldaat door dwang (/Lynslager) KSGV L Asd 1779; AS 1783 L Asd: H&M, 1782

Mimi am Hofe > Ninette à la cour

Mimi in het hof > Ninette à la cour

De minnaar standbeeld > L’amant statue

Minosse, ossia Arianna e Teseo (/Pariati) Lapis 1753

Les moeurs du bon vieux temps > Aucassin et Nicolette

Les moissonneurs (Duni/Favart 1767) DH 1768; MA 1772

De korenmaaiers (/Van Beaumont ) AS 1785

De molenaarste van Gentilly > La meunière de Fentilly

Il mondo alla roversa, ossia Le donne che comandano (Galuppi/Goldoni 1750) Lapis 1754

Il mondo della luna (Galuppi/Goldoni 1750) Lapis 1753

De mors-d’oré schoentjes > Les souliers mor-dorées

Les mort vivants > Le combat nocturne

De muziekmeester > L’Orazio

N

Het nachtgevecht, of De levende doden (Van Helmont/Neyts naar Le combat nocturne [/Dancourt]) Neyts 1773

Nanette et Lucas, ou La paysanne curieuse (D’Herbain/Framéry 1764) DH 1765; MA 1774; CDL

Il negligente (Ciampi/Goldoni 1749) Lapis 1753

Nicaise Frédéric 1761

De nieuwgetrouwde > Ziste et Zespe

Nina, ou La folle par amour (Dalayrac/Marsollier 1786) DH 1787

Nina, of De zinneloze door liefde (/Ogelwight) AS 1790 L Asd: helders & Mars, 1789; Gravesande 1794

Ninette à la cour, ou Le caprice amoureux (Duni/Favart 1755) DH 1760; Frédéric 1760

Mimi in het hof (/Neyts) Neyts 1758

Ninette in het hof (/Cammaert) Vitzthumb 1768

Mimi am Hofe Abt

Nitteti (/Metastasio) Amicis 1760

Les noces de Dorinde > Fra i due litiganti

Le nouveau marié > Ziste et Zeste

La nouvelle chercheuse d’esprit (Duboulay/** 1779) MA 1779

La nouvelle école des femmes (Philidor/Mouslier 1770) DH 1775

45


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Le nozze di Figaro (Mozart/Da Ponte naar Beaumarchais 1786)

Die Hochzeit des Figaro HDT

O

Œdippe à Colone (Sacchini/Guillard 1786) DH 1788

L’Olympiade, ou Le triomphe de l’amitié (Sacchini/Framery 1777) DH 1778; MA 1780

On ne s’avise jamais de tout (Monsigny/Sedaine 1761) DH 1762; Frédéric 1769; MA 1769, 1774; CDL

De onverwachte ontmoeting > Le rencontre imprévu

L’opera in prova alla moda (Latilla/Fiorini 1751) Lapis 1753 L

Opera op de zinspreuk «Zonder spijs en wijn kan geen liefde zijn» (Schenck/Bidloo 1686) AS 1686

Orazio (Auletta/Palomba 1737) Crosa 1750 L; Lapis 1752; Gurrini 1761; MA 1765

Le maître de musique (/Baurans 1755) DH 1758; Frédéric 1759

De muziekmeester (/Neyts) Neyts 1758

Der Kapellmeister Abt

Orgon dans la lune, ou Les abus de la crédulité (Paisiello/Lépidor 1777) DH 1780

Origille (Avossa/Palomba) Giordani 1752 L

Orphée et Euridice (Gluck/Moline 1774) DH 1780c

L’orphéline villageoise > Les deux miliciens

P

De paardesmid > Le maréchal ferrant

Pandolfus en Zebrina > La serva padrona

Intermezzo del Panduro La fille mal gardée

Les pêcheurs (Gossec/La Salle d’Offemont 1766) DH 1768; MA 1773

De vissers (/Ruloffs) AS 1793

Le peintre amoureux de son modèle (Duni/Anseaume 1757) Frédéric 1760; DH 1762

De schilder verliefd op zijn model (/Neyts) Neyts 1758

Les pélerins de Mecque > La rencontre imprévue

Persée (Lully/Quinault 1782) AS 1688

Le petit-maître en province (Alexandre/Harny 1765) DH 1766

Phaëton (Lully/Quinault 1683) DH 1710, Tarouca

Le philosophe bridé > Aristote amoureux

Le philosophe imaginaire (Paisiello/Dubuisson 1780 naar Gli astrologi immaginari [/Bertati 1779]) DH; CDL

Der eingebildete Philosoph HDT

Pierre le Grand (Grétry/Bouilly 1790) DH 1792; CDL

La pipée (Jommelli/Clément 1753 naar Jommelli 1751: L’uccellatrice) DH 1760

Le poète supposé, ou Les préparatifs de la fête (Champein/Laujon 1782) DH 1785c?

Les pommiers et le moulin (Lemoyne/Forgeot 1790) CDL

I portentosi effetti della Madre Natura (G. Scarlatti/Goldoni 1752) Ferrari 1755 L

De prachtige > Le magnifique

Der Prahler ohne Geld (Wenen 1770) Abt

Les préparatifs de la fête > Le poète supposé

Les prétendus (Lemoyne/Rochon ca. 1789) DH 1790; CDL

Les promesses de mariage, ou la suite de «L’épreuve villageoise» (Berton/Desforges 1787) DH 1788

Proserpine (Lully/Quinault 1680) AS 1688; DH 1703 L Asd: Henri Schelte, 1703.

Psyche (Lully/Molière, Corneille, Quinault 1671) DH 1697 L.

La pupille rusée (Zingoni?/) DH 1765

R

Raoul Barbe-bleu (Grétry/Sedaine 1789) DH 1791; CDL

Raoul, Sire de Crequi (Dalayrac/Monvel 1790) DH 1791; CDL 1793

Raton et Rosette (Anselme/Favart 1755) DH 1755; Frédéric 1760

Raton en Rosette (/Neyts) Neyts 1768

46


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

La reconciliation villageoise (Tarade/Poinsinet 1765) DH 1767

Renaud d’Ast (Dalayrac/Barré 1787) DH 1788; CDL

Il re pastore (/Metastasio) Amicis 1761

Das redende Gemälde > Le tableau parlant

Die redende Maschine > Der Liebhaber als Automat

Reken niet zonder uw’ weerd > Toinon et Toinette

La rencontre imprévue, ou Les pélerins de Mecque (Gluck/Dancourt 1764) DH 1768; MA 1776

De onverwachte ontmoeting (/Neyts) Neyts 1769 L

Richard Cœur-de-Lion (Grétry/Sedaine 1784) DH 1786; CDL

Richard Leeuwenhart (/Ruloffs) AS 1791

La suite de «Richard Coeur de Lion» > Le mariage d’Antonio

Le rival confident (Grétry/Forgeot 1788) DH 1790; CDL

Le roi et le fermier (Monsigny/Sedaine 1762) DH 1764; MA 1774

De koning en de pachter (/Neyts) Neyts 1768 L

De koning en de pachter (/Cammaert) Vitzthumb 1768 L DH: Constapel & Lefebvre, 1768

Der König und der Pächter (/Faber) Abt

Le roi Théodore à Venise (Paisiello/Dubuisson 1787) DH 1788

Robert und Kalliste > La sposa fedele

Roland (Piccinni/Quinault-Marmontel 1778) MA 1780

Romeo und Julia (G.Benda/Gotter 1776) HDT

Rose et Colas (Monsigny/Sedaine 1764) DH 1765; MA 1769, 1774; CDL

Rosa en Colas (/Neyts) Neyts 1768 L Asd: Vlam, 1769

Rose und Colas (/Faber) Abt

Roosje en Colas (/Lynslager) KSGV; AS 1783

La rosière de Salency (Grétry/Masson 1773) DH 1775; MA 1776; CDL

Het rozenfeest, of De rozenmaagd van Salenci (/Neyts) Neyts 1778 L

Het rozenfeest van Salencia (/Ogelwight) AS 1793

Das rote Käppchen (Dittersdorf/Dittersdorf 1788) HDT

Ruse contre ruse > Guerre ouverte

‘Les ruses de l’amour’ (= Itaalians?; Zingoni?/) Amicis 1760

S

Le sabot perdu > La matinée et la soirée villageoise

Les sabots (Duni/Sedaine 1768) DH 1769; CDL

De klompjes (/Neyts) Neyts 1768 L

Le sage dans sa retraite (met airs van Grétry uit Les mariages Samnites/Dalainval) DH 1782

Sancho Pança dans son île (Philidor/Poinsinet 1762) DH 1763; MA 1774

Sara, ou La fermière Écossaise (Vachon/Collet 1773) DH 1774

Sargines, ou L’élève de l’amour (Dalayrac/Monvel 1788) DH 1789; CDL

Le sauvages > Azémia

La schiava seria (Piccini 1757)

Die Sklavin (/Gotter) HDT

De schilder verliefd op zijn voorbeeld > Le peintre amoureux de son modèle

De schone Arsene > La belle Arsène

De schulden > Les dettes

Der Serail Abt

Le serrurier (Kohaut/Quétant 1765) DH 1765c

De slotmaker (/Neyts) Neyts 1768 L

La serva padrona (Pergolesi/Federico 1733) Giordani 1752 L, 1756; Lapis 1754; Amicis 1760; Gurrini 1762; MA 1765

La servante maîtresse (/Baurans 1754) DH 1757; Frédéric 1759; Bruyère 1761; MA 1762, 1774

De meid juffrouw (/Neyts) Neyts 1758

Pandolfus en Zebrina, of De meid meesteres (/Ruloffs 1794) AS 1794

Silvain (Grétry/Marmontel 1770) DH 1770; MA 1774

Silvain (/Neyts) Neyts 1770 L

Sylvain (/Faber) Abt

Silvaan (/Asschenberg) KSGV L Asd: Duim, 1777; AS 1783 L Asd: H&M, 1783

De slotmaker > Le serrurier

De Smirnsche koopman > Le marchand de Smyrne

La soirée orageuse (Dalayrac/Radet 1790) DH 1791; CDL

47


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

La soirée des boulevards ( Schwindl/Favart 1771) DH 1771

De soldaat door dwang > Le milicien

Le soldat magicien (Philidor/Anseaume 1760) DH 1761; Frédéric 1761; CDL

De soldaat toveraar (/Neyts) Neyts 1762

De soldaat toveraar (/Cammaert) Vitzthumb 1768 L DH: Constapel & Lefebvre, 1768

Soliman second, ou Les trois sultanes (Gibert/Favart 1761) DH 1765

Soliman II (Naumann/Migliavacca 1773) Abt

Sophie, ou Le mariage caché (Kohaut 1768 TF 350) DH 1770

Le sorcier (Philidor/Poinsinet 1764) DH 1765; MA 1772, 1774; CDL

De toveraar (/Neyts) Neyts 1773

Der Zauberer (/Faber) Abt

Les souliers mordorés, ou La cordonnière Allemande (Fridzeri/Ferrières 1776) MA 1776; DH 1777; Bernardi 1780; CDL

De Hoogduitse schoenmaakster, of De mors-doré schoentjes (/Neyts) Neyts 1779

De zijden schoenen, of De Hoogduitse schoenmaakster (/Lynslager) KSGV; AS 1792

Le souterrain> Camille

De speler > Il giocatore

Lo speziale (/Goldoni)

Die Apotheke (Just/Engel) Abt

Der Spieler und die Bettschwester Abt

La sposa fedele (Guglielmi/Chiari 1767)

Robert und Kalliste, oder Der Triumph der Treue (/Eschenburg) HDT

De sprekende schilderij > Le tableau parlant

Stratonice (Méhul/Hoffman 1792) CDL 1792

Il (Lo) studente alla moda (=? Lo scolaro alla moda [Buini 1749]) Giordani 1756

Les syphes supposées > Isabelle et Gertrude

De sympathie (Just/Neyts 1774) Neyts 1774 L

T

La tableau parlant (Grétry/Anseaume 1769) DH 1770; MA 1772, 1774; CDL

De sprekende schulderij (/Neyts) Neyts 1772 L

Das redende Gemälde (/Reichardt) Abt

De sprekende schilderij (/Ruloffs) AS 1781 L Asd: 1781; KSGV

Tancrède (Campra/Danchet 1704) Francisque 1719

Télémaque et Calypso (Destouche/Pellegrini 1714) Tarouca

Télémaque, ou Les fragments des modernes (Campra/Danchet 1704) DH 1710

Der Teufel ist los > Der lustige Schuster

Teuntje en Teunis > Toinon et Toinette

Thésée (Lully/Quinault 1675) DH 1702; DH 1703 L Asd: Henri Schelte, 1703.

Tigrane (Lapis/Vittori&Goldoni 1738) Lapis 1753

Tirsis et Céphile, ou Le lotto d’amour (Vandenbroeck/Vallier 1782) MA 1782

De toets der vriendschap > L’amitié à l’épreuve

Toinon et Toinette (Gossec/Desboulmiers 1767) DH 1768; MA 1781

Reken niet zonder uw’ weerd (/Neyts) Neyts 1768 L Alkmaar: verlaan, 1768

Teunis en Teuntje (/Uylenbroek) AS 1783 Asd: H&L, 1783; KSGV

Tom Jones (Philidor/Poinsinet 1765) DH 1765; MA 1777

Tom Jones (/Neyts) Neyts 1772 L

Tom Jones (/Faber) Abt

Le tonnelier (Audinot/Quétant 1765) DH 1765c; MA 1769, 1774; CDL

De kuiper (/Neyts) Neyts 1768 L

De kuiper (/Cammaert) Vitzthumb 1768

De kuiper (/Ruloffs 1792) KSGV; OKK 1786; AS 1792 L Asd: H&M, 1792

Der Fassbinder (/Faber) Abt; HDT

De toveraar > Le sorcie

Li tre cicisbei ridicoli (Resta/Vasini 1747) Crosa 1750 L

Le tre gobbi rivali amanti di Madama Vezzosa (Ciampi/Goldoni 1756) Gurrini 1762; MA 1765

Le tribut du cœeur DH 1750

Le triomphe de l’amitié > L’Olympiade

Die Triumph der Treue > La sposa fedele

‘Les trois amants rivaux’ (= Italiaans?) Gurrini 1762

48


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Les trois déesses rivales, ou Le double jugement de Paris (Propiac/Piis 1788) DH 1793

Les trois fermiers (Dezède/Monvel 1777) DH 1777; MA 1777; CDL

De drie landbouwers (/Roullaud) AS 1787 L Asd: H&L, 1787; Gravesande 1794

La suite des «Trois fermier» > Blaise et Babet

Les trois roses, ou La fête de graces (M.D.M./Rosoi 1780) MA 1778

Les trois souhaits > Le bûcheron

Les troqueurs (Dauvergne/Vadé 1753) DH 1758

De mangelaers / De verwisselaars (/Neyts) Neyts 1758

La Truffaldina (Intermezzo 1749) Ferrari 1755

De tuiniers > Les jardiniers

Le tuteur avare (Anfossi/Gabiot 1787 naar Bertati 1775: L’avaro) DH 1789

‘Le tuteur bafoué’ [= Italiaans?] Lapis 1753

Le tuteur dupé > L’arbre enchanté

Il tutore burlato Amicis 1761

De bedrogen voogd (/Neyts) Neyts 1769

De twee gierigaards > Les deux avares

De twee jagers en het melkmeisje > Les deux chasseurs et la laitière

De twee jonge Savoyards > Les deux petits Savoyards

U

De uitmuntende minnaar > Le magnifique

Urganostocar (Latilla/Fiorini 1751) Lapis 1753 L

Das Urteil des Midas (Schmidt/Wieland 1770) Abt

V

Valcour et Zélia > La belle esclave

Il vecchio ingannato (intermezzo Wenen 1752) Gurrini 1762

Il vedovo (Feo/ 1729) Giordani 1752 L

De verliefde van vijftien jaren > L’amoureux de quinze ans

Het verloren lam > La clochette

La vertu de la baguette > Les Français chex les Hurons

Die verwandelten Weiber (Hiller/Weisse 1766) Abt

De verwisselaars > Les trocqueurs

La veuve indécise (Duni/Anseaume 1759) Frédéric 1761

Vertu vaut bien noblesse (/Wassenaer naar Belle van Zuylen 1769) DH 1769

La vieillesse d’Annette et Lubin (Chapelle/Dantilly 1789) DH 1790

La villageoise enlevée (/Dubuisson 1789) DH 1790

De volkplanting > La colonie

De vondeling > Félix

W

De waarzegger van het dorp > Le devin du village

De wilden > Azemia

Die Wilden > Azemia

Z

Der Zauberer > Le sorcier

Die Zauberflöte (Mozart/Schikaneder 1791) HDT

Zémire et Azor (Grétry/Marmontel 1771) DH 1772; Ma 1773, 1774; CDL

Zemire en Azor(/Neyts) Neyts 1773 L

Zemir und Azor (/Faber) Abt

Zemire en Azor (/Pypers) AS 1784 L Asd: H&L, 1783, 2/1786

Zenobia (Zingoni/Metastasio 1760) Amicis 1760 L

Die Zigeunerin > La Zingara

La Zingara (Rinaldo/ 1755) Gurrini 1762

La Bohémienne (&Clément/Favart 1755) DH 1758; Frédéric 1759; MA 1779

De Boheemster (/Neyts) Neyts 1768 L

Die Zigeunerin Abt

De zinneloze door liefde > Nina

49


GESCHIEDENIS VAN DE MUZIEK IN DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1572-1795

HOOFDSTUK ELF: DE THEATERS II: BUITEN AMSTERDAM

Ziste et Zeste, ou Le nouveau marié, ou Les importunes (Bacelli/Cailhava 1770) DH 1770

Ziste en Zeste, of De nieuwgetrouwde (/Neyts) Neyts 1779

Die zwei Geizigen > Les deux avares

De zijden schoenen > Les souliers mordorés

50

More magazines by this user
Similar magazines