Ju bileumn um m er - Rooilijn

rooilijn.nl

Ju bileumn um m er - Rooilijn

Jubileumnummer

Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

0JR ooilijn

Tijdschrift voor wetenschap en beleid in de ruimtelijke ordening

Stelling

Achtergrond

Groningen: tussen lab Transport tot 2040: De blauwe banaan

Hugo Priemus Planologie: nieuw en en speeltuin

twee scenario’s

Melika Levelt

nu met meer uitdaging

en diepgang

Interview

Waterbestendige Ruimte voor toerisme Stadsplanning met Stadsontwikkeling

Tierelantijnen en het locatiekeuzen

Google Earth in Afrika Amsterdam op een

architectuurdenken

van de 21ste eeuw

keerpunt

P. 229


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Colofon

P. 230


Jubileumnummer

Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

P. 231

ooilijn


Rooilijn

Colofon

Uitgever

Rooilijn is een uitgave van de

Faculteit der Maatschappij- en

Gedragswetenschappen, Afdeling

Geografie, Planologie en Internationale

Ontwikkelingsstudies van de

Universiteit van Amsterdam.

Bureauredactie en administratie

Rooilijn

Nieuwe Prinsengracht 130

1018 VZ Amsterdam

Telefoon: 020-525 4365

Telefax: 020-525 4051

Email: info@rooilijn.nl

Internet: www.rooilijn.nl

Kopij

De redactie stelt spontane toezending

van voorstellen voor artikelen op prijs.

Auteursrichtlijnen treft u aan op

www.rooilijn.nl of kunnen worden

opgevraagd bij de bureauredactie.

Advertenties

Tarieven kunnen worden opgevraagd

bij de bureauredactie.

Prijzen jaarabonnement 2007

37,50 euro voor particulieren

61,00 euro voor instellingen

24,50 euro voor studenten

Prijs los nummer

6,75 euro exclusief verzendkosten

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Colofon

P. 232

Abonnementen worden jaarlijks

stilzwijgend verlengd, tenzij uiterlijk

vóór 1 november schriftelijk is

opgezegd.

Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Oplage: 1600

ISSN 1380-2860

Redactie

Vacature (hoofdredactie),

Bart Sleutjes (beeldredactie),

Niels Al (penningmeester),

Manuel Aalbers, Jelle Adamse,

Raffael Argiolu, Wilma Bakker,

Marjolein Blaauboer, Albertine

van Diepen, Henk de Feijter

(gastredacteur),Joram Grünfeld,

Nadav Haran, Perry Hoetjes, Hilje

van der Horst, Robert Kloosterman,

Femke Kloppenburg, Anne M.

Koeman, Melika Levelt, Sabine

Meier, Stefan Metaal, Laurens

Peijs, Karin Pfeffer, Maarten

Rottschäfer, Hilde Schelfaut,

Eva Stegmeijer, Onno Terpstra,

Thijs Terpstra, Ineke Teijmant,

Frans Thissen, Thijs Turel, Laura

Uittenbogaard, Els Veldhuizen,

Clementine Vooren, Michel van Wijk

Rechten

© Auteurs en Universiteit van

Amsterdam, Afdeling Geografie,

Planologie en Internationale

Ontwikkelingsstudies.

Deze uitgave heeft geen commercieel

oogmerk. Getracht is alle

rechthebbenden te achterhalen.

Diegenen die menen alsnog

aanspraak te kunnen doen gelden

worden verzocht contact op te

nemen met de redactie.

Artikelen uit Rooilijn mogen niet

worden verveelvoudigd, opgeslagen

of openbaar gemaakt zonder voorafgaande

schriftelijke toestemming

van de redactie.

Ontwerp en productie

LandofPlenty (Antoin Buissink)

Fotografie

Alle fotografie door Marcel

Heemskerk tenzij bij de foto anders

wordt vermeld.

Drukwerk

Dékavé, Alkmaar

Dit nummer is mede tot stand

gekomen met financiële steun van

Algemene Woningbouw Verenging

(AWV) en Far West.


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Redactioneel

Redactioneel

Jubileum

Rooilijn bestaat veertig jaar. In 1967 begonnen als gestencild Mededelingenblad van

het toenmalige Planologisch en Demografisch Instituut van de Universiteit van

Amsterdam, is Rooilijn nu een informatie- en opinietijdschrift voor ruimtelijk-ordenaars

in Nederland met een belangstelling die steeds breder is geworden. Het gaat niet meer

alleen over Nederland, en niet meer alleen over ruimtelijke ordening. Het zijn niet meer

alleen planologen, maar ook sociaalgeografen en stadssociologen die de redactie vormen.

Het lezerspubliek is uitgebreid tot de hele Nederlandse vakwereld.

Sommige dingen zijn wel bij het oude gebleven. Nog steeds heeft Rooilijn een sterke

verwantschap met wat nu heet de afdeling Geografie, Planologie en Internationale

Ontwikkelingsstudies, waar de redactie is gehuisvest. Nog steeds is het een laagdrempelig

blad. Nog steeds beslaan de artikelen uiteenlopende planologische thema’s en verschillende

regio’s en schaalniveaus.

Bij een jubileum wordt vaak teruggekeken op het (meestal) succesvolle verleden. Daar

voelde de redactie echter niets voor. Veranderingen moesten centraal staan, de toekomst

worden verkend. Dat die toekomst begint in het verleden is daarbij mooi meegenomen.

In dit nummer staat, ondanks alle retoriek over de terugtredende overheid, die overheid

toch weer centraal. In een rondetafelgesprek met gevestigde en opkomende planologen

wordt vastgesteld dat zonder overheid geen ruimtelijke ordening bestaat. De rol verandert,

er wordt geklaagd over gebrek aan initiatief, een tekort aan kwaliteit, het gemis aan visie,

maar dat verwijt slaat terug op de academische planologen zelf. Waarom hoorden we je

niet toen het zoveelste waardevolle landschap ten prooi viel aan woningbouw?

Gek genoeg zijn planologen nauwelijks zichtbaar in het debat over de toekomstige ruimtelijke

inrichting en zijn het andere vakgebieden die van zich laten horen. Ook daarvan

getuigt dit nummer. Een verhaal van een technoloog dat de maatschappelijke implicaties

van ontwikkelingen in transport verkent, van een geograaf waarin de voorwaarden voor,

en doorwerking van toerisme voor stedelijke ontwikkeling worden geschetst en van

waterdeskundigen die vinden dat het waterpeil het belangrijkste vertrekpunt wordt voor

ruimtelijke functies.

Als tegenwicht tegen teveel somberheid komen er opgewekte verhalen uit Europa, waar

de blauwe banaan alsnog blijkt te bestaan, uit Groningen, waar draagvlak voor stedenbouwkundige

kwaliteit een pijler is onder het beleid, uit Afrika waar Google-earth als

instrument kan helpen de verstedelijking binnen de perken te houden, uit Amsterdam

waar men een actieve rol wil spelen op al die ruimtevragende activiteiten die een grote

stad kwaliteit verlenen: wonen, verkeer, werken, maar ook onderwijs, zorg en recreatie,

terreinen waar de ruimtelijke ordening zich in het verleden verre van hield.

Wat er ook nog te doen valt, het ligt voor de hand dat Rooilijn zich er ook de komende

veertig jaar mee gaat bemoeien.

De redactie

(info@rooilijn.nl)

P. 233


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Advertentie

P. 234


Rooilijn

Inhoud

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Inhoud

236 Stelling

Voor het aantrekken van high

potentials moet er in de stadscentra

woonruimte gecreëerd

worden, ook als dat ten koste

gaat van de lagere inkomens

Dit keer twee deskundigen aan het

woord. Oudgediende Hugo Priemus en

aanstormend talent Melika Levelt

238 Achtergrond

Planologie: nieuw en nu met

meer uitdaging en diepgang

Van planningsbesluit tot business-case.

Wat wordt anno 2007 verwacht van

planologen in de praktijk?

Albertine van Diepen en Henk de Feijter

244 Groningen: tussen lab en

speeltuin

Al bijna 40 jaar bouwt Groningen expertise

op voor het creëren van draagvlak

voor stadsontwikkeling. Met succes

Tjerk Ruimschotel

252 Transport tot 2040: twee

scenario’s

Een verkenning van de maatschappelijke

ontwikkelingen in de komende

40 jaar in relatie tot de aanleg van meer

infrastructuur dan wel de invoering van

een intensief prijsbeleid Bert van Wee

260 De blauwe banaan

Sommige planologische concepten

hebben een looptijd van meer dan 40

jaar Andreas Faludi

262 InBeeld Rooilijn in beeld

276 Waterbestendige

locatiekeuzen

Water is een vast thema op de ruimtelijke

agenda. Verantwoorde keuzen zijn

nodig om het over 40 jaar ook droog te

houden Ditte Valk en Hasse Goosen

P. 235

284 Ruimte voor toerisme

Toerisme was 40 jaar geleden geen

onderwerp van planologisch onderzoek

en beleid. Over een vakgebied in

wording Myriam Jansen-Verbeke

290 Stadsplanning met Google

Earth in Afrika

Ruim 40 jaar na de politieke onafhankelijkheid

is het ruimtelijke beleid

grotendeels nog een voortzetting

van het koloniale bestel. Een nieuwe

verkavelingspraktijk biedt hoop

Coen Beeker

296 Stadsontwikkeling

Amsterdam op een keerpunt

Na ruim 40 jaar worden nieuwe

planvormen ingevoerd om de huidige

ruimtelijke vraagstukken te lijf te

kunnen gaan. Kansen voor stedelijke

ontwikkeling Maurits de Hoog

302 Interview

“Tierelantijnen en het

architectuurdenken van de

21ste eeuw”

Interview met architect Reinier de

Graaf

Raffael Argiolu en Sabine Meier

306 Recensies

> De actualiteit van ‘Moderne

Planologie’

Over de dienstbare positie van de

ruimtelijke ordening is bij Steigenga

weinig terug te lezen

Len de Klerk

> Discourse Analysis in Policy

Research - Van natte vingerwerk naar

wetenschappelijke validiteit

Huib Ernste

309 Signalementen

> Maatwerk – Made to measure

> Ground up city – Play as a design

tool

310 Column Gefeliciteerd

O. Naphta


Rooilijn

Stelling

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

“Voor het aantrekken van high potentials moet

gecreëerd worden, ook als dat ten koste gaat van

Hugo Priemus

Stelling

Het gaat hier om een typisch Rotterdamse stelling.

Enige tijd geleden is de zogenaamde Rotterdamwet in

het leven geroepen om in bijzondere situaties in de stad

lage-inkomensgroepen te weren en aan middengroepen

en hoge-inkomensgroepen voorrang te geven. Ik ben

een verklaard tegenstander van de Rotterdamwet. Als

woningcorporaties in het spel zijn, moeten zij iets doen

wat in strijd is met hun opdracht volgens het Besluit

Beheer Sociale Huursector: voorrang geven aan huishoudens

die zelfstandig geen adequate woonruimte kunnen

vinden. De Woningwet en de Rotterdamwet zijn strijdig.

De Woningwet moeten we anno 2007 nog steeds serieus

nemen. De Rotterdamwet is symboolpolitiek.

Maar de stelling van Dominic Schrijer is intelligenter

dan de Rotterdamwet. Hier gaat het om het stedelijk

vernieuwingsbeleid waar men voor de opgave staat

steden aantrekkelijker te maken voor de burgers en

beter af te stemmen op de vraagdynamiek. Prioriteit

heeft het bieden van woonruimte voor stadsbewoners

wier sociaal-economische positie verbetert. Die verlaten

vaak de stad omdat het hen onvoldoende aantrekkelijke

woningen heeft te bieden. Voor de stad is het van groot

belang dat de koopkracht en het sociaal kapitaal van deze

maatschappelijke stijgers behouden blijven. Uiteraard

moeten zij zelf kiezen, maar het is van belang dat er voor

hen in de stad en de wijk ook alternatieven zijn.

Rotterdam heeft in bovengemiddelde mate te maken

met een selectieve migratie van en naar de stad.

Inkomensverschillen tussen de arme centrale stad en

de relatief rijke randgemeenten zijn hier steeds groter

geworden. In zo’n situatie ligt het voor de hand om voor

de lage-inkomensgroepen meer een beroep te doen op

de buurtgemeenten - ‘opening up the suburb’ - en in de

centrale stad het aanbod meer af te stemmen op de high

potentials. Overigens gaan een laag inkomen en een

high potential status vaak samen: denk aan studenten

P. 236

en promovendi van universiteiten en HBO-instellingen. Het

begrip high potential heeft vermoedelijk geen betrekking

op de vergrijzende bevolking, maar onderbelicht is dat juist

voor senioren, soms arm maar steeds vaker voorzien van

een goed pensioen, het stadscentrum met veel voorzieningen

vlak in de buurt en goede ov-verbindingen wel een

zeer geschikt woonmilieu is. En het stadscentrum profiteert

door hun geringe bijdrage aan onveiligheid, vandalisme en

criminaliteit.

De aantrekkelijkheid van een woning wordt steeds

sterker bepaald door fysieke en sociale kwaliteiten van

de woonomgeving. Niet alleen de woonruimte maar ook

de woonomgeving moet dus aanlokkelijk zijn voor high

potentials. Voor degenen die in de stad willen wonen, is het

stadscentrum meestal een veelgevraagde woonomgeving.

Het wonen in meer perifeer gelegen naoorlogse woonbuurten

(veel gestapelde (huur)woningen, weinig variatie, vaak

wegkwijnende voorzieningen) is – en zeker in Rotterdam

– veel problematischer. Juist gezien de populariteit van

stadscentra ligt het voor de hand om hier niet de allergoedkoopste

woningen te realiseren, maar (marktconform)

juist de betere, dus wat duurdere woningen. Per saldo ben

ik het dus voor de Rotterdamse woningsituatie en voor

vele andere grote steden grotendeels met de stelling van

Dominic Schrijer eens.

Hugo Priemus (h.priemus@tudelft.nl) is decaan van de faculteit Techniek,

Bestuur en Management van de Technische Universiteit Delft.


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Stelling

er in de stadscentra woonruimte

de lagere inkomens”

Melika Levelt

Sommige mensen hebben moeite om aan het begin van

hun carrière een betaalbare en aantrekkelijke woning

te vinden in de stad. Daarom verlaten zij de stad. Vooral

Rotterdam heeft grote problemen om de zogenaamde

high potentials te behouden. Dat het voor deze groep

lastig is om een aantrekkelijke woning te vinden, is

niet alleen een probleem dat henzelf aangaat maar ook

een probleem voor de stad als geheel. Het is immers

juist deze groep van veelal hoger opgeleiden die een

hoogwaardige stedelijke economie en gemengde buurten

in stand houdt. High potentials die in een stad blijven

wonen, werken en een gezin stichten, komen uiteindelijk

de gehele stad ten goede. Het is daarom begrijpelijk dat in

een stad als Rotterdam wordt nagedacht over maatregelen

om dit potentieel een grotere kans te geven op

een aantrekkelijke woning, bijvoorbeeld door bij loting

hen de voorkeur te geven.

Mogelijk profiteert een stad van het voortrekken van

hoger opgeleiden maar is het ook een rechtvaardige

maatregel? Daarvoor moet naar mijn idee niet alleen

worden gekeken naar de doelen die ermee worden

beoogd maar ook naar de handeling zelf die ermee

gemoeid is. In dit geval is dat het voortrekken van

bepaalde groepen. Als hoger opgeleid zijn een reden

is om voor te trekken, is het dan ook rechtvaardig om

hoger opgeleiden voor te laten gaan in allerlei andere

situaties, zoals bij de dokter of gemeentelijke diensten?

Een hoger opgeleid en werkend persoon draagt immers

meer bij aan de economie dan een kansarme werkloze.

Wat hier aan de hand is, is het ondergeschikt maken van

een handelingsprincipe aan doelstellingen. Het principe

van gelijkheid bij het toewijzen van woningen lijkt mij

zo belangrijk dat dit niet verlaten mag worden voor het

bereiken van een op zich nobel maatschappelijk doel.

Een dergelijke maatregel zou bovendien makkelijk

geïnterpreteerd kunnen worden als het ondergeschikt

maken van de belangen van kansarmere mensen aan die

(uitspraak Dominic Schrijer, Rotterdam, 2 mei 2007)

P. 237

van kansrijkere. Dat lijkt mij het draagvlak voor de politiek

onder de benadeelde groep niet vergroten.

Hoe moet het dan met een stad als Rotterdam die op zoek

is naar meer hoger opgeleide inwoners? Het principe van

gelijkheid maakt het heel goed mogelijk om de kansen op

een aantrekkelijke woning voor de gewenste doelgroep

te vergroten waar deze kansen niet gelijk zijn aan die van

andere groepen. Er valt in dat verband best iets te zeggen

voor bijvoorbeeld een wat soepeler omgang met de

inkomenseis voor sociale huurwoningen of financiële steun

bij de aankoop van een woning op de vrije markt in de stad.

Van voortrekken, bijvoorbeeld in loting voor woningen, zou

echter geen sprake mogen zijn. Hoe verleidelijk het ook is

daarvoor te pleiten wanneer je als hoger opgeleide op zoek

bent naar een aantrekkelijke woning in de stad.

Melika Levelt (M.Levelt@uva.nl) is als promovenda verbonden aan het

onderzoeksinstituut AMIDSt van de Universiteit van Amsterdam en is

redactielid van Rooilijn.


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Planologie: nieuw en nu met meer uitdaging en diepgang

P. 238

Albertine van Diepen & Henk de Feijter

Planologie: nieuw en nu met meer uitdaging

en diepgang

Guido Wallagh, Marloes Michels en Hans van der Cammen

Planologie is een veelzijdig en

roerig vakgebied. Een quick

scan van veertig jaargangen

Rooilijn laat dat zien. Sommige

onderwerpen kregen in de

loop der tijd minder aandacht

(recreatie, theorie an sich),

andere juist meer (verkeer

en vervoer, stedenbouw).

Opvallend is de aanhoudend

grote belangstelling voor

bestuur en beleid. De rol van

de overheid in de ruimtelijke

planvorming verandert en

daarmee ook de positie van

stakeholders. Hans van der

Cammen, Marloes Michels en

Guido Wallagh geven hun visie.


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Achtergrond

Planologen staan momenteel niet bepaald in de

publieke aandacht. Dat hebben ze gemeen met de

ruimtelijke ordening, althans als je niet goed kijkt en je

beperkt tot het nationale niveau. De eerste zin van het

coalitieakkoord van het kabinet Balkenende IV onder

de paragraaf Ontwikkeling van de ruimte luidt: “De

ruimtelijke inrichting wordt in belangrijke mate lokaal

bepaald”. In het coalitieakkoord komt de term ruimtelijke

ordening maar drie keer voor, waarbij het dan

ook nog een keer gaat om de vergrote mogelijkheden

van gemeenten om in hun bestemmingsplannen met

bordelen rekening te houden. Desalniettemin komen

in het akkoord verder alle grote onderwerpen gewoon

langs waar de kranten vol van staan: aanpassing aan

een veranderend klimaat, de mainports Schiphol en

Rotterdam, de Noordvleugel van de Randstad, infrastructuur,

landschappen en plattelandsontwikkeling,

woningbouw en doorstroming, herstructurering van

verouderde wijken, enzovoort. Al die ontwikkelingen

gaan door, maar de rol van de overheid verandert wel.

Is de rol van de planoloog daarmee ook veranderd?

En wat kan Rooilijn in dit tijdsgewricht betekenen?

In deze onderwerpen ligt de agenda besloten voor het

gesprek dat we voerden met de drie planologen uit de

praktijk.

Dat ruimtelijke problemen volop in de belangstelling

staan, valt niet te ontkennen. De urgentie van ingrijpen

loopt hoog op, bovenstaande onderwerpen krijgen

ruim de aandacht. Tegelijk wordt er vreselijk geklaagd

over de stroperige besluitvorming in Nederland.

Waar is de planoloog in deze discussies? Vastgesteld

kan worden dat planologen in de agendavorming

geen grote publieke rol spelen. Wallagh: “Planologen

zijn onzichtbaar. De discussie over de toekomst van

de Amsterdamse binnenstad wordt gevoerd door

architectencentra. Niemand lijkt het probleem van de

leegloop van plattelandskernen en de herstructurering

van het landelijk gebied te erkennen. Waar zijn de

planologen bij de grootscheepse veranderingen van de

vroegnaoorlogse wijken? Daar vindt echt een revolutie

plaats wat betreft de keuze in oplossingsstrategie. In

plaats van sloop/nieuwbouw is nu voor een brede

aanpak gekozen samen met leefomgeving, werk, oplei-

Planologie: nieuw en nu met meer uitdaging en diepgang

P. 239

dingen en veiligheid. En waarom laten de planologen

zich niet horen bij de discussie over de tweede impuls

voor de groeikernen, waar een groot programma

ligt voor de toekomst? Ze laten het aan het Sociaal

Cultureel Planbureau over. Om over de klimaatverandering

en de noodzaak om echt duurzame

locaties te vinden nog maar te zwijgen.” Juist de

academisch planologen zou je volgens Wallagh

moeten horen in de publieke arena. “Planologen laten

zich niet zien en dat is jammer, want nu gaan anderen

met de onderwerpen op de loop. Met hun brede kennis

zouden zij juist zichtbaar moeten zijn als opinion

leaders en meer moeten deelnemen in publieke

visievorming.” Als hij nadenkt over wat hij in zijn

opleiding heeft geleerd over de taak van de planologie

is hem vooral bijgebleven dat een geleerde de definitie

van het vak van een papiertje voorlas en eindigde met:

‘… en zulks ter wille van de samenleving’. “Het vereist

wel dat je je los kunt maken van de organisatorische

context waarin je verzeild bent geraakt en dat je je

non-conformistisch durft op te stellen.” Hij noemt

enkele voorbeelden. “Toen de Franse banlieues in

brand stonden, werd in Nederland meteen gezegd dat

zulke toestanden hier niet konden voorkomen, want

wij hebben immers een Grote-stedenbeleid. Maar

diepgaande analyses werden niet uitgevoerd. Voorop

stond het verdedigen van de gevestigde orde. Wie heeft

er eigenlijk een maatschappelijke kosten-batenanalyse

gemaakt van de slogan van de Nota Ruimte, ‘Centraal

wat moet, decentraal wat kan’? Waar wordt er verlies

geleden, wie verdient er aan? Een kritische houding die

een dergelijke discussie aanwakkert, is afwezig. Nog

een voorbeeld. Vroeger stond de ruimtelijke ordening

sterk doordat strategische allianties werden gesloten

met sterke, op uitvoering gerichte partners, zoals

volkshuisvesters.

Op dit moment moet je in de naoorlogse wijken

verbindingen kunnen leggen met corporaties,

opleidingen en vrijetijdsinstellingen om ruimtelijke

doelstellingen te halen. Maar dat gebeurt nog bijna

niet. Er wordt teveel conformistisch gedrag getoond

en te weinig kritisch vermogen ten aanzien van wat

belangrijk is en welke oplossingsrichtingen daarbij


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

passen.” Het lijkt wel of de planologen door het schijnbare

afscheid van de overheid, Planning zonder overheid

(titel van de afscheidsbundel voor Ton Kreukels) zelf

ook uit de publiciteit zijn geraakt.

Wat is eigenlijk de veranderde rol van de overheid? Is

die wel veranderd?

Van der Cammen relativeert direct dat de overheid

vroeger veel meer kon of deed dan nu. “Ook in de jaren

zestig was men al afhankelijk van private en andere

publieke partijen om bijvoorbeeld de groeikernen van

de grond te krijgen. Ook toen was er al sprake van de

noodzaak van coördinatie tussen partijen, de regierol

van de overheid. Er is nooit een extreem sturende

overheid geweest. Maar het is wel in een stroomversnelling

geraakt, de overheid doet nu wel heel grote

stappen terug. Verder wil ik toch wel een lans voor

decentralisatie breken. Jullie memoreerden al dat RO

bij de Rijksoverheid niet meer op de agenda staat. Dat

is natuurlijk waar, en misschien is het wel een beetje ver

doorgeschoten. Maar ik vind dat veel zaken waar RO

bij betrokken is, niet op Rijksniveau spelen en daar dus

helemaal niet te regelen zijn. Dan moet je toch naar de

provincies en de stadsregio’s. In zijn tijd was Vinex misschien

best goed. Het was de laatste nota die bijzonder

centraal was; zelfs de lijntjes waren al getekend. Dat

was toen ook handig want er zat veel haast bij. Maar dat

moeten we niet nog een keer willen. Het moet selectief.

Een paar hoofddingen goed regelen en dan streng de

provincies en de regio’s op de vingers tikken als ze dat

niet doen. Veel strenger, want het Rijk is erg soft. De

nieuwe Wet ruimtelijke ordening biedt daartoe ook een

nieuw instrument, namelijk de Algemene maatregelen

van Bestuur. Het ministerie mag nu maatregelen

nemen en die positie heeft RO nooit gehad, milieubeheer

wel. Men moet nog enorm wennen aan dat

idee want men heeft eigenlijk nog erg veel vertrouwen

in het aloude overleg, het bestuurlijk convenant en

goede verstandhouding. Maar ik denk dan, wanneer de

centrale overheid zich terugtrekt: ‘Overheid, zorg dan

wel dat je gaat staan op de punten die je echt belangrijk

vindt en dat je zonodig keihard een mep uitdeelt’. Dat

bedoel ik met dat selectieve.”

Planologie: nieuw en nu met meer uitdaging en diepgang

P. 240

Volgens Michels gaat het bij de veranderde rol van de

overheid ook meer om de manier waarop de overheid

zich opstelt in het planvormingsproces. “Het is veel

minder dan vroeger de overheidsdienst die primair het

plan schrijft en dan in het beste geval nog eens aan wat

partijen vraagt wat men van het plan vindt. Nu is het

veel meer een samenwerkingsproces tussen publieke

en private partijen geworden waar je gezamenlijk door

moet en waarin je een gezamenlijk product maakt

waaronder aan het eind een politieke handtekening

wordt gezet. De overheid geeft de planning echt niet op

grote schaal uit handen, al zou de markt dat misschien

wel willen en al gebeurt dat in kleine gemeenten

soms wel.” Michels komt met het voorbeeld van de

verzelfstandiging van de woningcorporaties, waarbij

de bemoeienis van de gemeente op afstand is komen

te staan. “Nu het op de woningmarkt niet meer alleen

gaat om kwantiteit, neemt de vraag naar overheidssturing

op kwaliteit van de woningen weer toe.”

Wat voor mensen heb je nodig? Wat moet een planoloog

kunnen?

Wallagh: “Een planoloog moet vrij kunnen denken en

schakelen tussen belangen, disciplines en posities en

heeft kennis van praktijken in binnen- en buitenland.”

Michels: “Analyse, historisch besef en context zijn

daarbij erg belangrijk. Juist met dit soort procesgerichte

planologie en samenwerken is het erg prettig als er

mensen zijn die het even in een breder perspectief

kunnen plaatsen of die weer even de diepte induiken

en kijken of het nog wel klopt wat we aan het doen zijn.

Zijn we nog bezig met de doelstellingen die we hadden?

En valt er historisch gezien nog wat te leren? Maar ook

moet je in staat zijn om grondwaardeberekeningen te

volgen en statistieken te beoordelen. Dus enerzijds de

diepte in en anderzijds soms een beetje een helikopterview.”

De deelnemers onderstrepen dan ook alledrie

de noodzaak van een goede theoretische vorming in

het universitaire planologieonderwijs. Michels: “Besef

van de grote stromingen en zienswijzen in de planologenwereld

helpt. Elke benadering heeft een selectieve

kijk, er horen bepaalde belangen en accenten bij. En die

benaderingen kom je in de praktijk tegen. Bovendien,


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Planologie: nieuw en nu met meer uitdaging en diepgang

Hans van der Cammen (Rotterdam 1943) is zelfstandig beleidsadviseur ruimtelijke ordening en parttime hoogleraar ruimtelijke planning aan de Universiteit van

Amsterdam. Hij begon in 1968 als assistent bij prof.dr. W. Steigenga en haalde het doctoraal politicologie in 1972. In 1979 promoveerde hij op “De binnenkant van

de planologie”. Daarna was hij onder meer hoofd structuurplanning bij de dienst stadsontwikkeling in Rotterdam, consultant bij TNO-Inro en directeur ruimtelijke

planontwikkeling bij het ministerie van VROM.

met wat theoretische bagage ben je in staat om gesprekken

met deskundigen op verschillende vakgebieden

te voeren en hun argumentatie kritisch te beoordelen.

Een docent zei: ‘Lees eens een ander boek’. Ik vond dat

heel leuk. Bij de bijvakken politicologie die ik volgde,

werd vaak literatuur over hetzelfde onderwerp maar

met tegenovergestelde invalshoeken opgegeven. De

opdracht was dan: ‘Verdedig de één of de ander’. Die

referaat-achtige onderwijsvormen leren je op een

andere manier te kijken. Het gevaar voor de opleiding

planologie is dat deze teveel de praktijkkant opschuift

en mensen vooral heel leuke praktijkgerichte dingen

meegeeft. Maar de praktijk haalt zichzelf zo snel in!

Je kunt mensen niet op al die specifieke plannetjes en

voorschriften in die praktijk voorbereiden. Je hebt veel

meer aan de grote lijnen, kaders waarin die praktijk

geplaatst kan worden en een pakket vaardigheden.

Theoretische vorming is hierbij essentieel.”

Michels: “Volgens mij is er vooral behoefte aan

planologen met een lange-termijnvisie die over hun

eigen disciplinaire grenzen heen kunnen kijken, die

weten wat er in de samenleving nodig is en dat kunnen

vertalen in wat de rol van de overheid zou kunnen zijn.

Dus faciliteren, mensen bij elkaar brengen, regisseren.

Dat is essentieel in het werk van planologen in het

planvormingsproces.” Voor Wallagh is daarmee nog

niet alles gezegd: “Je hebt visie nodig op de inhoudelijke

opdracht en een maatschappelijk perspectief.

Daaromheen moet je de handelende partijen organiseren.

Het is een multidisciplinair verhaal. De organisatie

van het proces is daarbij essentieel, maar inhoudelijk

zou je de toekomstige problemen nu moeten kunnen

signaleren en daar een maatschappelijke discussie over

opzetten. Planologen hebben het in zich om daarbij

een overkoepelende rol te spelen. Het sterke punt van

planologen is dat ze verbindende kracht hebben en

inhoudelijke kennis. Bovendien zijn ze redelijk, creatief,

doordacht en multidisciplinair.”

De overige deelnemers beamen de noodzaak van visie,

maar verstaan er toch wel iets anders onder. Van der

Cammen en Michels gaan vooral in op de rol van de

planoloog in het grote proces dat planning heet: ze

P. 241

belichamen bijna de smeeroliefunctie die planologen

op grote schaal in de praktijk hebben. Het kost wat

meer moeite om ze tot grote uitspraken over ingrepen

in de samenleving te verleiden. Ze hebben het over

communicatieve vaardigheden en benadrukken de

noodzaak van kennis van juridische en financiële

onderwerpen die er toe moeten leiden dat je met

een kant-en-klaar uitvoerbaar plan komt. Dat is een

vereiste om de uitvoering van een plan voor elkaar te

krijgen. En het volstaat niet meer om met alleen een

plan van aanpak te komen, dat nooit gerealiseerd wordt

omdat bijvoorbeeld het contract niet getekend wordt of

omdat niemand het wil financieren. Van der Cammen:

“Planologen moeten meer opgeleid worden om een

business-case te kunnen helpen maken en met marktpartijen

mee te kunnen praten. Dat is een stuk breder.

Het plan moet opgevat worden als een onderdeel

van een pakket waarin ook financiën en contracten

geregeld zijn. Zoiets als bij de Zuidas nu, maar je ziet

het ook in allerlei kleinere situaties. De planoloog kan

het nooit alleen, maar het gaat erom dat hij/zij beseft

pas klaar te zijn als er een business case is. Planologen

die ooit hier de opleiding hebben gevolgd en nu in

de praktijk werkzaam zijn, worden zich daarvan ook

steeds meer bewust . Hen was geleerd hoe ze een mooi

plan moesten maken en dan kregen ze een bevordering

en mochten ze een nieuw plan maken. Zij zien nu dat

dat niet meer klopt en maken nu de draai. Ze gaan

zich financieel bijscholen en gaan zich meer collectief

verantwoordelijk opstellen. Het bewustzijn neemt

toe dat ze zich daaraan niet meer kunnen onttrekken

en medeverantwoordelijkheid dragen voor de hele

operatie.”

Maar hoe krijg je dan een visie?

Moet je daarvoor andere plannen doornemen, politiek

actief zijn, de krant lezen?

Hier komt naar voren dat de planoloog in de praktijk

graag het primaat bij de politiek legt. Michels:

“Planologen moeten in staat zijn politieke visie vorm en

inhoud te geven en te vertalen in business-cases.” Veel

ambtenaren lijken nog niet gewend om zo te denken,

het gaat niet alleen om het afleveren van een nota, maar


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

er moet ook nog een visie ontwikkeld worden. Daarbij

wil de bestuurder liefst vanaf het begin betrokken

worden. Zonder ideeën kun je niet veel bereiken. Maar

juist bij gebiedsontwikkeling moet je zorgen dat er

een ruimtelijke visie is die gedeeld wordt door alle

partijen. Van der Cammen geeft een voorbeeld uit de

Oude Rijnzone tussen Alphen en Leiden. “Daar zie je

dat het probleem uiteindelijk toch bij de politiek zit.

Er moet samen gewerkt worden met de markt, dat kan

niet anders. Maar het is natuurlijk veel leuker om de

wethouder de kastanjes uit het vuur te laten halen, want

dan kun je er als raad immers op los schieten. Je ziet dat

veel gemeenteraden en provinciale staten hun handen

niet vuil durven te maken.” Op onze kanttekening

dat het toch voornamelijk om een visie op het proces

gaat in plaats van op de inhoud, wordt verontwaardigd

gereageerd. Van der Cammen: “Nou, het gaat ook over

inhoud. Om verder te gaan op die Oude Rijnzone, daar

moet je naar de bevolking durven verdedigen dat toch

weer een stukje van het Groene Hart eraan gaat omdat

er geld nodig is voor herstructurering van bedrijven of

kassen. Dat durft men niet zo goed aan de achterban

te vertellen, want dat Groene Hart is natuurlijk heilig.

Ik vind dat ook een vorm van visie, dat je je nek durft

uit te steken.” Michels: “Het is voor een gemeenteraad

natuurlijk veel makkelijker om te reageren op een

visie of een uitgewerkt plan dan op een onderhandelingsresultaat.

Een onderhandelingsakkoord tussen

verschillende partijen blijft toch vaak een ´polderresultaat´,

waarin geven en nemen zit. Het is heel lastig

om daar nog iets aan te veranderen. Je kunt als raad

dan alleen nog maar ja of nee tegen het eindresultaat

zeggen. Volgens mij is het - in de rol van planoloog - de

kunst om bij dit soort onderhandelingsplanvorming

het midden te vinden tussen, enerzijds, het juiste

abstractieniveau waar de politiek wat mee kan en,

anderzijds, een voldoende mate van concreetheid om

ook met de partijen in het veld tot afspraken te kunnen

komen. Maar daar zit heel wat onderhandelingsinzicht

in en natuurlijk ook kennis van financiën en contractmanagement.

Dat zijn natuurlijk heel nieuwe vaardigheden.”

Van der Cammen: “Nog even wat die visie

betreft. Ik denk dat je dat studenten best kunt leren. Je

Planologie: nieuw en nu met meer uitdaging en diepgang

Marloes Michels (Amsterdam, 1976) startte haar loopbaan in 1999 als beleidsmedewerker bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Sinds vorig jaar werkt zij

als politiek assistent van wethouder Tjeerd Herrema bij de gemeente Amsterdam. Zij behaalde haar doctoraal planologie aan de Universiteit van Amsterdam in 1999.

P. 242

kunt ze met casussen laten oefenen. De mensen die ik

goed vond in het vak, dat waren vaak de mensen die in

staat waren om in een moeilijke situatie het beslissende

voorzetje te geven waarop je de partijen kunt verenigen.

Dat kan een heel creatieve zet zijn. Dat hoeft niet alleen

maar tekenen te zijn.”

Momenteel is de vraag actueel wat we willen met

Nederlandse ruimtelijke inrichting in het groot en op

de lange termijn. Wat is een duurzaam Nederland? Met

het antwoord op die vraag kunnen dan nu stappen

worden gezet om op dat toekomstbeeld voor te sorteren.

Mogelijk wordt dan de conclusie getrokken dat bebouwing

in bepaalde kwetsbare gebieden onmogelijk is. Kan

dat ook als een gesloten business case worden opgevat?

Van der Cammen: “Ik vind het wel leuk dat je dat zo

scherp neerzet. Ik heb al gememoreerd dat ik al een hele

tijd meeloop. In de tijd dat ik hier net begon, speelde ook

de vraag waarop de planoloog zich moet richten. Handel

je vanuit het juiste principe dan kan je heel erg ver

komen. Maar uiteindelijk moeten mensen gewoon een

dak boven hun hoofd hebben. En daar zit je als planoloog

natuurlijk ook voor.” Van der Cammen laat zich het

verwijt van gebrek aan visie dus niet zomaar aanleunen.

“Ja, het is fijn om dat hier op een universiteit nog eens te

mogen zeggen: begin met een goede analyse. Het onderwerp

verrommeling bijvoorbeeld, dat heeft nogal wat

aandacht gekregen en er zijn vele dingen over gezegd die

gewoon niet kloppen. Iedereen weet dat aan ieder stukje

uitvoering een voorbereidingstijd van vijf à tien jaar zit.

Ga dan niet de Nota Ruimte uit 2004 beschuldigen dat

er in 2007 een verrommeld bedrijventerrein ligt. Aan dat

soort onduidelijkheden kun je hier aan de universiteit

veel doen.”

De afgelopen decennia figureerde Rooilijn nogal eens

in voetnoten van beleidsstukken en nota’s. Als zodanig

speelde Rooilijn een rol bij de totstandkoming, dan wel

legitimering van beleid. Wat moet Rooilijn, tijdschrift

voor wetenschap en beleid in de ruimtelijke ordening,

zoals de ondertitel van het tijdschrift luidt, in de éénentwintigste

eeuw aan lezers bieden?

Wallagh: “Rooilijn heeft een aantal zeer interessante


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

kenmerken: dwarse verhalen, nieuwe methoden,

internationale voorbeelden.” Van der Cammen: “Ja!

In Rooilijn staat dan iets waarvan je denkt: ‘Hé, dit

is echt nieuw voor me’, iets wat nog niemand in de

gaten had. Nieuwe trend, nieuwe cijfers.” Michels

stelt: “In plaats van te kiezen voor zekerheid van

veilige onderwerpen en gevestigde namen moet je

juist mensen met een creatief idee op pad sturen en

daarover laten schrijven. Dat kan Rooilijn brengen.”

Ze motiveert haar standpunt: “In mijn huidige functie

als assistent van de wethouder moet ik op de hoogte

zijn van wat er speelt in ons vakgebied en de wethouder

van die kennis voorzien wanneer nodig. Ik scan

een blad als Rooilijn op creatieve, innovatieve zaken,

op namen ‘wie zijn de opiniemakers op bepaalde

onderwerpen’ en op nieuwe argumenten. Ik wil lezen

over onderwerpen die nu op de agenda staan maar die

net vanuit een andere invalshoek worden belicht of die

nog niet op de agenda staan maar wel zouden moeten.

Ook kan het interessant zijn om een onderwerp in een

historische context geplaatst te zien. Bijvoorbeeld, we

zijn nu in Amsterdam met de Noord-Zuid lijn bezig.

De geschiedenis van de metroaanleg in Amsterdam is

medebepalend voor hoe we nu tegen die Noord-Zuid

lijn aankijken. De collectieve houding ten aanzien van

zulke ingrijpende veranderingen in de stad zit heel

diep.” Van der Cammen: “Wat ik ook leuk vind, is dat

er meer geografie in is gekomen de laatste acht, negen

jaar. De geografie en planologie zijn dichter bij elkaar

gekomen en dat zie je terug. Er zitten echte eye-openers

bij en ik vind dat een aanwinst voor planologen.” Het

organisatorische concept van Rooilijn [de redactie

van Rooilijn wordt gevormd door wetenschappers en

praktijkmensen, van net begonnen met studie of werk

tot hooggeleerd], wordt door alle deelnemers aan het

gesprek als zeer waardevol beschouwd.

Rooilijn is een kweekvijver voor planologisch talent.

Haar redacteuren komen straks op zeer uiteenlopende

posities in de planologische praktijk terecht.”

Wallagh verwoordt dat als volgt: “De samenstelling

van de redactie is absoluut iets bijzonders. Het is toch

geweldig dat je met zo’n diverse club ongebonden kunt

schrijven over zaken die je belangrijk vindt? Het is

Planologie: nieuw en nu met meer uitdaging en diepgang

Guido Wallagh (Amsterdam, 1964) werkt bij bureau DE LIJN, vanaf 2001 als partner. Daarnaast is hij voorzitter van de Programmaraad ARCAM, fellow

gebiedsontwikkeling bij de Amsterdam School of Real Estate van de Universiteit van Amsterdam en universitair hoofddocent aan de Universiteit Utrecht. Hij

studeerde af in 1988 aan de Universiteit van Amsterdam en promoveerde aan diezelfde universiteit in 1994 op “Oog voor het onzichtbare; 50 jaar structuurplanning”.

P. 243

echt een plek om wat te leren en op te steken.”

Aan het begin van dit gesprek stelden we de vraag of

de veranderde rol van de overheid gevolgen heeft voor

de rol van de planoloog. Daar hebben de deelnemers

duidelijke uitspraken over gedaan: de planoloog moet

van vele markten thuis zijn, niet met vage visies maar

met kant-en–klare, uitvoerbare oplossingen komen, en

als er al een visie ontstaat, moet die met de belangrijke

spelers in het veld worden ontwikkeld. Opvallend in

het hele gesprek is dat de rol van de planoloog eigenlijk

niet zonder overheid bestaat. Als je er niet voor werkt,

dan werk je er mee of misschien tegen. Hoe dan ook,

de rol van de overheid is het uitgangspunt voor de planoloog.

De overheid is wel afhankelijker geworden van

andere partijen, maar ook die kunnen op hun beurt de

overheid niet negeren. De planoloog moet de uitdaging

aan kunnen alle acteurs te betrekken bij oplossingen.

Dat is niet alleen goed voor haar/zijn carrière, maar is

ook ‘ter wille van de samenleving’.

Albertine van Diepen (a.m.l.vandiepen@uva.nl) en Henk de Feijter

(h.j.defeijter@uva.nl) zijn als universitair docent verbonden aan de afdeling

Geografie, Planologie en Internationale Ontwikkelingsstudies van de

Universiteit van Amsterdam. Respectievelijk zijn zij redacteur en gastredacteur

van Rooilijn.


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Groningen: tussen lab en speeltuin

P. 244

Tjerk Ruimschotel

Groningen: tussen

lab en speeltuin


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Groningen: tussen lab en speeltuin

P. 245

Na ruim een eeuw Woningwet en veertig jaar Rooilijn is er aanleiding genoeg

om na te denken over de rol van de overheid als aanbieder van collectieve ruim-

telijke arrangementen. Aangezien Groningen bekend staat als een plaats waar

steeds nieuwe vormen van stadsontwikkeling vandaan komen, is een verken-

ning van recente planontwikkelingsprocessen in de ‘Metropool van het Noorden’

interessant.

Binnen de vakwerelden van de architectuur,

stedebouw en ruimtelijke ordening

neemt Groningen een bijzondere positie in.

De dit jaar overleden hoogleraar planologie

en stadsgeografie aan de Rijksuniversteit

Groningen, Henk Voogd, schreef in Rooilijn

nummer vier van 1989 onder de titel

Groningen als Planologisch Laboratorium,

over het spraakmakende structuurplan

van 1987 en de daarin aangekondigde

plannen voor de Verbindingskanaalzone.

In dit artikel wordt de “veelheid aan nieuwe

planologische en stedebouwkundige

initiatieven” samengevat onder de term

“stedelijke vernieuwingsdrang”. Het

eindigde met “een voorlopige evaluatie”

en biedt een goed vertrekpunt voor een

beschouwing over de veranderende rol

van de overheid. Als uitgangspunt worden

daarbij twee voorbeelden uit de recente

ruimtelijke ontwikkeling van de stad

gebruikt: de manifestatie Intense Stad

uit 2004 en de nog lopende planvorming

voor de Oostzijde van de Grote Markt.

Beide processen kennen de door Voogd

gekenschetste aspecten van de ‘Groninger

aanpak’: visualisering, informatieverschaffing

en gefaseerde uitwerking. Ook ligt

het zwaartepunt niet langer bij de strikte

regulering van bouwprojecten maar veel

meer bij het stimuleren van processen

van ontwerp- en investeringsinitiatieven,

van menings- en besluitvorming en van

uitwerking en uitvoering. Geheel in lijn

met deze bijna twintig jaar geleden reeds

gesignaleerde tendens zijn ook bij deze

recente publieksgerichte manifestaties

voorstellen voor spraakmakende architectuur

ingezet om een openbare discussie te

voeren in een zich steeds herhalend proces

van stadsontwikkeling.

Bouwen aan de stad

Sinds de Woningwet van 1901 heeft de

gemeentelijke overheid, althans volgens

het overwegend rode stadsbestuur van

Groningen, een specifieke taak in het

ruimtelijk ordeningsproces door het

dusdanig organiseren van collectieve

arrangementen dat over de beperktheden

van de individuele mogelijkheden heen

aan alle inwoners van de stad de gelegenheid

wordt geboden te participeren in een

sociaal en stedelijk samenleven. Dat veronderstelt

een radicale emancipatie van de

bewoners, gericht op insluiten in plaats van

uitsluiten en gebaseerd op differentiatie in

plaats van nivellering. Deze radicalisering

van het woningvraagstuk houdt in dat de

lokale overheid een zo gemêleerd mogelijk

samengestelde bevolking wil herbergen in

een even zo gemêleerde woningarchitectuur

en stadsstructuur. Dit uitgangspunt

is nog steeds leidend bij de gemeentelijke

stedebouw. Stedebouw is meer dan vormgeving:

stedebouw is ook een strategie voor

stadsontwikkeling en -beheer. Stedebouw

is het permanent verfijnen en verbeteren


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Groningen: tussen lab en speeltuin

P. 246

van de stedelijke structuur door verder

te gaan waar vroegere ontwikkelingen

moesten ophouden. In Groningen is wat de

stadjers vinden en doen allesbepalend.

Dit is in de plaatselijke referendumverordening

instrumenteel gemaakt en

vrijwel elk raadsbesluit is nu referendabel

en dus corrigeerbaar. Tegelijkertijd blijft

het de taak van een verantwoordelijke overheid

om te zorgen dat de toekomst van de

stad veilig gesteld wordt en dat ook minder

esthetische en meer ethische aspecten van

het grotestadsleven aan bod komen.

De stad en de stedelijke

overheid

Resultaten uit het verleden zijn weliswaar

geen garantie voor de toekomst maar wel

degelijk een indicatie voor de verwachtingen

met betrekking tot die toekomst. De

stadsontwikkeling van Groningen in de

twintigste eeuw biedt een breed palet van

verschillende veranderingsprocessen die

hebben geleid tot zowel verdichting als

verdunning van het stedelijk weefsel en

tot zowel vermenging als ontmenging van

stedelijke functies.

De gemeentelijke overheid heeft in

Nederland nog steeds een wettelijke verantwoordelijkheid

voor de ruimtelijke ordening

en voor het bouw- en woningtoezicht.

In toenemende mate blijkt dat naast deze

gebruikelijke gemeentelijke zorg er ook

behoefte bestaat aan een sterkere proces-

sen vooral ook kwaliteitsbewaking van de

gebouwde omgeving, die steeds meer in

samenwerking met of zelfs geheel door ‘de

markt’ tot stand komt. De gemeentelijke

inbreng is van een producerende tot een

regisserende geworden, ook in Groningen.

Om deze veranderde taakuitoefening op

lokaal niveau goed te kunnen uitoefenen

zullen steeds nieuwe beleidsinstrumenten

ontwikkeld en ingezet moeten worden. Eén

van de belangrijkste aspecten daarbij is het

creëren van draagvlak voor beslissingen

die soms tegen de (gerechtvaardigde) eigen

individuele of groepsbelangen in gaan.

In Groningen zijn daar vanaf de jaren 70

wisselende ervaringen mee opgedaan. Na de

stormachtige discussies over de toekomst van

de binnenstad in de jaren zeventig, leidend

tot de fameuze Doelstellingennota van 1972

en het roemruchte Verkeerscirculatieplan

van 1977, waren de jaren tachtig meer gericht

op het uitproberen van nieuwe vormen

van structuren voor de stad als geheel: het

structuurplan van 1987 gaf geen integraal

gewenst toekomstbeeld maar bood door

het aanwijzen van ontwikkelingsgebieden,

zoals de Verbindingskanaalzone ruimte voor

stedelijk noodzakelijke functies. De jaren

negentig begonnen met een reeks festiviteiten

rond het 950-jarig bestaan van de stad en

benadrukten de stad als plaats voor ontmoeting

en contact (de stad als podium) en als

vestigingsplek voor interessante architectonische

objecten: het Groninger Museum.

Aan de stad werken was gebaseerd op een

brede consensus binnen de intellectuele elites

van ambtenarij, bedrijfsleven en politiek.

Rond de millenniumwisseling bleek echter

het burgerlijk ongenoegen ook in Groningen

gericht te kunnen worden op overigens

redelijk vanzelfsprekende ruimtelijke

ordeningsprocessen. Zowel de stads- en wijkvernieuwing

stuitten op weerstand: ‘geen

sloop, maar woningbouw’. Ook de pogingen

om in het historische centrum particuliere

investeringen in een nieuw warenhuis te

koppelen aan gemeentelijke plannen voor

een parkeergarage onder de Grote Markt als

extra aanjager voor de revitalisering van de

binnenstad werden zwaar bekritiseerd en


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Groningen: tussen lab en speeltuin

P. 247

vervolgens afgewezen. Dit betekende dat

vanuit de overheidsorganen en –

diensten op geheel nieuwe wijze met de stad

‘gecommuniceerd’ moest worden over deze

plannen.

De Intense Stad

De samenwerking tussen gemeente en ontwikkelende

partijen heeft in de Groninger

stadsontwikkeling van de vorige eeuw al

eerder tot resultaten geleid. Maar in de

Woningbouwcampagne van 2003 werd juist

geëxperimenteerd met het bewust loslaten

van allerlei gemeentelijke randvoorwaarden

om te zien wat in de aldus ontstane

ruimte zou kunnen worden ontwikkeld.

Er is dus geen sprake van een ‘uitverkoop

van de mooiste plekken van de stad’

maar integendeel van het binnenhalen

van de nieuwste producten van de markt

om deze in de etalage te zetten en aldus

aan de bewoners van de stad te kunnen

aanbieden. De manifestatie De Intense

Stad in 2004 kreeg dan ook gestalte in een

aantrekkelijke publiekstentoonstelling,

via een uitgebreide serie krantenartikelen

en met een buitengewoon zorgvuldig

en artistiek vormgegeven publicatie.

Nadat de gemeenteraad besloten had van

de veertig projecten ongeveer de helft

te honoreren met planologische medewerking

volgde concrete planvorming.


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Groningen: tussen lab en speeltuin

P. 248

Het eerste gebouwde resultaat is recent

opgeleverd. Het complex Palladium van

Johannes Kappler in Vinkhuizen is zonder

veel problemen gerealiseerd omdat de

gebruikers van het wijkcentrumpje, dat

moest verdwijnen voor dit initiatief, in het

nieuwe multifunctioneel gebouw terug

konden komen. Ook de andere projecten

koppelen een meervoudig ruimtegebruik

aan vernieuwende architectuur.

De Woningbouwcampagne past in een lange

Groninger traditie om via een niet-traditionele

aanpak de stad, of het fenomeen

stedelijkheid, steeds opnieuw te positioneren

in ruimte en tijd. De recente geschiede-

nis van de stad Groningen kent een vrijwel

aaneengeschakelde serie activiteiten om

de stad te herdefiniëren. Soms leidt dit

streven naar een continue reproductie van

de stad tot een geheel nieuwe vorm van

denken over en werken aan de stad, soms

betekent het dat bestaande plannen moeten

worden heroverwogen. Af en toe blijkt de

ingeslagen weg de goede geweest te zijn.

Een belangrijke constante in dit proces van

permanente stadsontwikkeling is dat het

relatieve isolement van Groningen Stad,

als enig centrum van stedelijkheid in het

Noorden van Nederland, gekoesterd wordt

door bewust impulsen van buiten binnen

te halen. Soms uit de Randstad maar


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Groningen: tussen lab en speeltuin

P. 249

ook uit het echte buitenland, zoals Italië,

Duitsland en Japan. Een andere belangrijke

constante in de ruimtelijke stadsgeschiedenis

is om geregeld verslag te doen van

plannen en resultaten en daarmee dus ook

inhoudelijk verantwoording af te leggen

aan de eigen bevolking en vakwereld. In

die zin is de manifestatie De Intense Stad

slechts een stap in een langer lopend proces

van productie en reflectie, van ontwerpen

en bouwen. Waar De Intense Stad zich als

woningbouwactiviteit uitstrekte over het

gehele regionale territoir van de stad, was

de planvorming rond de Grote Markt sterk

toegespitst op de centrale betekenis van

stedelijke voorzieningen en ruimtes in de

historische binnenstad.

Referendum Grote Markt

In het vroege voorjaar van 2007 was de

Martinikerk het toneel van een ongekende

maar voor Groningen niet onbekende

architectuur-happening. In het koor

stonden zeven maquettes opgesteld, geflankeerd

door suggestieve ontwerptekeningen

voor het indrukwekkende Forum-complex,

een eenentwintigste eeuwse samenballing

van culturele en informatieverstrekkende

instellingen als de bibliotheek, het

Groninger museum, de Groninger archieven

en het filmhuis. Duizenden bezochten

de tentoonstelling en de vele presentaties en

discussies. Tienduizenden mensen stemden

via internet, niet alleen de stemgerechtigde

stadjers, maar ook scholieren (daartoe

opgeroepen door de scholen en bejaardenhuizen

bezoekende burgemeester)

en belangstellenden buiten de stad ‘van

Haren tot Honululu’. Uiteindelijk werd

NL-architecten door zowel het publiek als

de vakjury verkozen boven toparchitecten

als Wiel Arets, Erik van Eegeraat, Foreign

Office Architects, Neutelings Riedijk, UN-

studio en Zaha Hadid. Momenteel worden

de plannen uitgewerkt voor dit gebouw

aan een nieuwe openbare ruimte (de

Nieuwe Markt) achter de oostwand van de

Grote Markt. Belangrijker dan de architectenkeuze

voor deze nieuwe stedelijke

voorzieningen in hartje stad was echter het

daaraan voorafgaande referendum in 2005

als stap in een voortdurend proces van

besluitvorming.

Het gebied rond de Grote Markt is van

oudsher en op vanzelfsprekende wijze

het centrum van de stad geweest. Na de

oorlogsverwoestingen heeft de planmatige

aanpak van de wederopbouw eigenlijk

meer kapot gemaakt dan de bedoeling was.

Doordat er na de oorlog fysiek en psychologisch

ruimte leek voor ontwerpend

ingrijpen in de gegroeide structuur is, na de

nodige vakinhoudelijke en stadspolitieke

discussies, een aantal ingrepen in de

ruimtelijke vorm van en de stedelijke functieverdeling

rond dit centrale stadsplein

gepland en gedeeltelijk ook doorgevoerd.

Tot op de dag van vandaag is het architectonisch-stedebouwkundig

resultaat weinig

bevredigend gebleken. Vanaf midden jaren

negentig is opnieuw geprobeerd dit centrum

van stedelijkheid een passende vorm

te geven. Sinds het Verkeerscirculatieplan

van 1977 is het doorgaand verkeer door de

binnenstad en over de markt omgeleid, met

uitzondering van enkele buslijnen, taxi’s

en het langzaam verkeer. Desondanks

bleek de Grote Markt slecht te fungeren

als brandpunt van activiteiten ondanks de

bouw van een warenhuis, de studentensociëteit,

verschillende winkels en bedrijven

en een vergroting van het stadhuis.

Tevens werden de naoorlogse verkeersdoorbraken

steeds meer gezien als verstoringen

in het gewenste ruimtelijke beeld van dit


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Groningen: tussen lab en speeltuin

P. 250

centrale plein. Nadat de gemeentelijke

organisatie een stedebouwkundig

kader had ontworpen waarin de nieuwe

uitbreiding van het stadhuis gesloopt zou

worden kreeg in een besloten prijsvraag

een viertal architecten de gelegenheid

het Waagstraatkwartier nieuw vorm te

geven. De inzending van Adolfo Natalini

viel enigszins uit de modernistische toon

omdat hij zich na een voorlopersrol in het

Neo-Rationalisme gewend bleek te hebben

tot een meer traditionalistische (‘Anton

Pieck’) stijl. Omdat zijn ruimtelijk voorstel

toch het meest aansloot op de gemeentelijke

ambities wat betreft de verkaveling

en de bevolking, daartoe uitgenodigd

door een lokale krant massaal voor deze

geruststellende architectuur had gekozen

bleek Groningen onbewust en onbedoeld

de broedplaats te zijn geworden van het

neo-traditionalisme, een voor Nederland

geheel nieuwe architectuurstijl, die grote

furore zou gaan maken.

Toen enkele jaren later na de Waagstraat

in het westelijk deel van de Grote markt

de noordzijde aan bod kwam, bleek een

monstercoalitie van monumentenzorgers

(‘Red de Martinitoren’), milieuactivisten

(‘Geen auto’s in het centrum’) en overige

anderszins bezorgde burgers, ruim

voldoende (namelijk 81 procent) om de

plannen voor de Nieuwe Noordzijde met

een parkeergarage onder de Grote Markt af

te wijzen. In het daaropvolgend planproces

kreeg een denktank van ruim vijftig sleutelfiguren

uit alle politieke, professionele

en publieke geledingen de gelegenheid zich

uit te spreken over de voor de stad meest

gewenste ontwikkeling van de binnenstad.

Uiteindelijk leidde dit tot een voorstel

om de noordzijde van de Grote Markt

voorlopig over te laten aan particuliere

initiatieven (die er niet waren) en als

gemeenschap te investeren in het aantrekkelijk

maken van de Oostzijde. Daartoe

uitgedaagd kwamen de gemeentelijke

ontwerpers met een voorstel voor het

terugleggen van de rooilijn naar de historische

positie (daarmee heel historisch

Groningen voor het plan winnend), het

vervolgens vrijspelen van een rommelig

binnenterrein voor de bouw van een

cultureel centrum (daarmee de culturele

industrie bedienend) en het aanbieden

van een groter bouwvolume aan de markt

voor meer commerciële functies (op

verzoek van de vastgoedwereld). Toen in

het referendabel raadsbesluit ook werd

uitgesproken dat het gebouw op het binnenterrein

een ‘icoonvormende’ architectuur

mocht hebben, maar dat de nieuwe

Oostwand van de Grote Markt uitgevoerd

zou worden in een ‘klassieke stedelijke

architectuurstijl’ was het duidelijk dat

dit keer het referendum gewonnen zou

worden; hetgeen gebeurde. Dit leidde

in de loop van 2006 via een Europese

aanbestedingsprocedure tot de keuze van

zeven gerenommeerde (inter)nationale

architecten die op basis van een stringent

programma van eisen een schetsontwerp

mochten maken, waarna de gemeenteraad

een keus zou maken. Na het voorafgaande

bleek dat een formaliteit.

Stad is stedelijkheid

De belangrijkste opbrengst van de stad

is niet de gebouwde omgeving maar de

stedeling. De stad is een machine die stedelingen

en stedelijk gedrag produceert.

De essentie van een stad is zijn stedelijkheid,

ofwel het vermogen steeds nieuwe

vormen van stedelijkheid te genereren,

zowel functioneel, ruimtelijk als sociaal.

Alleen in de stad speelt dit proces van


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Groningen: tussen lab en speeltuin

P. 251

permanente reproductie. Dit gebeurt niet

vanzelf maar uitsluitend door confrontaties,

discussies, en standpuntbepaling,

leidend tot publieke en private plannen

voor investering in ruimtelijke projecten.

Daarom is het belangrijk dat er veel en

verschillende mensen bij elkaar leven.

Zelfs al zou het mogelijk zijn dan nog is het

steeds minder wenselijk dat de ontwikkeling

van de stad het exclusieve werkterrein

van de stedelijke overheid is. Daarvoor is

die ontwikkeling te belangrijk. Nog belangrijker

is dat de overheid zich verplicht voelt

de zeggingskracht van zijn ambities uit te

testen door de realisatie ervan steeds vaker

te laten verzorgen door en in ‘de markt’.

Dat wil zeggen dat de uiteindelijke toetsing

van de plannen voor de stad niet langer

uitsluitend op politiek-wenselijk niveau

ligt maar vooral op het terrein komt van

de concrete beslissingen om te bouwen

en te kopen of te huren. Pas in en door de

realiteit worden plannen bewaarheid.

Aangezien de stad Groningen ook na bijna

duizend jaar nog steeds niet ‘af’ is, zal er

steeds aan de stad gewerkt moeten worden.

Omdat daarbij af en toe geëxperimenteerd

wordt met ruimtelijke vormgeving,

stedelijke functies en maatschappelijke

betrokkenheid mislukt er wel eens wat in

die stad als laboratorium. Dat te herkennen

en vervolgens actie te ondernemen is

een belangrijke taak van de overheid. Het

antwoord op de vraag van Han Meijer van

ruim vijftien jaar geleden, namelijk “... of

deze stad zich nu werkelijk zal ontwikkelen

tot een laboratorium van nieuwe stedebouwkundige

concepten of toch uiteindelijk

de zoveelste speeltuin voor architectonische

en ruimtelijke theorieën zal blijken

te zijn” moet dan ook zijn dat Groningen

meer is dan een willekeurige speeltuin in de

rommelige periferie van Nederland maar

ook geen wetenschappelijk aangestuurd

maatschappelijk experiment. Eigenlijk is

het gewoon een stad.

Tjerk Ruimschotel (t.c.ruimschotel@ROEZ.groningen.nl) is

supervisor stedebouw van de gemeente Groningen en lector

Ruimtelijke Transformaties van het stedelijk landschap aan de

Hanzehogeschool in Groningen.

Literatuur

Meyer, H. (1991) ‘De Metropool van het Noorden laboratorium

of speeltuin van de moderne stedebouw?’ Meyer, H., A.

de Vries & I. Kleijwegt (red.) Stadsontwerp Groningen,

Publicatieburo Bouwkunde uitgeverij Delft, Delft

Voogd, H. (1989) ‘Groningen als planologisch laboratorium’,

Rooilijn, nr. 4, p. 115-119


Rooilijn

Bert van Wee

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Transport tot 2040: twee scenario’s

P. 252

Transport tot 2040:

twee scenario’s


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Transport tot 2040: twee scenario’s

P. 253

Met Al Gore’s nieuwe film An inconvenient truth is de trend gezet voor een nieuw

debat over de toekomst. Klimaatverandering, daar draait het allemaal om. Voeg

daaraan toe de onstuimige groei van de automobiliteit, de onzekere ontwikkeling

van nieuwe voertuigtechnologie, slanke olievelden en nieuwe global players als

China en India en je hebt de ingrediënten voor een stevige politieke discussie.

Welke keuzes moeten politici maken? Aan de hand van twee verschillende

scenario’s wordt dit keuzespectrum zowel in de breedte als in de diepte verkend.

De filedruk in Nederland wordt alsmaar

groter. En de luchtvaart groeit nog veel

sterker dan het wegverkeer. Klimaat is

weer hot, mede dankzij Al Gore en het

IPCC en wellicht ook het feit dat mensen

nu op brede schaal ervaren dat het klimaat

aan het veranderen is. EU-regels inzake

luchtverontreiniging beperken bouwmogelijkheden

en wegverbredingen. Wat is

verstandig beleid ten aanzien van infrastructuuraanleg

en ruimtelijke inrichting?

Om die vraag te beantwoorden moeten we

al snel meerdere decennia in de toekomst

kijken vanwege de lange doorlooptijd

van infrastructuuruitbreidingen. Bij

toekomstonderzoek rond transport spelen

de langetermijnscenario’s die het Centraal

PlanBureau (CPB) met andere planbureaus

opstelt, een grote rol. Vorig jaar kwam de

meest recente scenariostudie van de planbureaus

uit: Welvaart en Leefomgeving

(WLO) (Janssen e.a., 2006).

In dit artikel worden twee scenario’s

geschetst voor de periode tot 2040, de

zogenaamde zichtperiode. Daarbij is niet

gestreefd naar ontwikkeling van scenario’s

die even waarschijnlijk zijn als die uit de

WLO-studie. Ook zijn ze niet bedoeld als

kritiek. Doel is het onderzoeken van twee van

de functies die scenario’s kunnen hebben: die

van het oprekken van het denk- en van het

discussiekader (Van der Heijden, 1996). Het

zijn geen nadere uitwerkingen van CPBscenario’s.

Ze gaan beide uit van niet-lineaire

ontwikkelingen in de zichtperiode, met

name rond het thema klimaat en energie. In

de eerste decennia ligt in het eerste scenario

het accent op het bouwen van wegen, in

het tweede scenario op de invoering van

prijsbeleid. In het tweede deel van de zichtperiode

ligt in het eerste scenario het accent

op aanpassingen via ruimte en daarmee

samenhangende mobiliteitspatronen, in het

tweede scenario op voertuigtechnologie.

Diverse overige elementen in beide scenario’s

zijn niet strikt volgens contrasterende assen

ingevuld, en zijn deels uitwisselbaar. De

scenario’s beperken zich tot personenmobiliteit

en Nederland.


Rooilijn

Scenario 1

Rond 2010 beginnen de olie- en grondstoffenprijzen

sterk te stijgen, mede vanwege

de grote vraag ernaar in China en India.

Rond 2025 komt daar een toenemende

vraag uit Afrika bij, dat zich, mede door

samenwerking met China, sterk begint

te ontwikkelen. Het lukt in Nederland

niet rond 2011 / 2012 de kilometerprijs

in te voeren: de kikkers bleven niet in de

kruiwagen, en de nieuwe minister durfde

het niet aan. Grote teleurstelling alom:

iedereen verwacht dat er minstens tien, zo

niet twintig jaar lang niet meer zo’n grote

kans op invoering zal ontstaan. Vanwege

de alsmaar toenemende filedruk, en vooral

onbetrouwbaarheid van reistijden, is de

druk op uitbreiding van het wegennet

groot. In 2013 wordt een omvangrijk plan

voor uitbreiding van de hoofd- en onderliggende

wegenstructuur aangekondigd.

Dankzij versnelde procedures worden rond

2020 de eerste extra uitbreidingen opgeleverd

(wegverbredingen), nieuwe wegen

volgen een jaar of vijf later. In 2025 gaan

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Transport tot 2040: twee scenario’s

P. 254

de zesde en zevende Schipholbaan open.

De problematiek van lokale luchtverontreiniging

is redelijk effectief verminderd,

onder andere door EU-emissie-eisen aan

voertuigen. De fileproblematiek neemt

vanaf 2020 in absolute omvang af, en

relatief (per voertuigkilometer) nog sterker.

Bedrijfsleven, burgers, de ANWB en een

meerderheid van de bevolking zijn positief

over de ontwikkelingen, al vinden ze dat

de wegenuitbreidingen veel te lang op zich

hebben laten wachten.

Maar in 2025 nemen de olieprijzen

binnen een jaar toe van 120 naar 250 euro

per vat als gevolg van paniekreacties en

strategieën van speculanten. Het aanbod

van biobrandstoffen valt zwaar tegen,

mede vanwege beleid om aantasting van

natuur en opoffering van gebieden voor

voedselproductie te beperken. Waterstof

blijkt toch nog steeds te duur om te kunnen

concurreren met fossiele brandstoffen.

Bovendien blijkt het smelten van de

ijskap op Groenland sneller te gaan dan


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Transport tot 2040: twee scenario’s

P. 255

verwacht: de zeespiegel staat in 2025 hoger

dan in het meest pessimistische scenario

van het IPCC. Er ontstaat een crisis, om

te beginnen in de EU, en later in Azië, dat

sterk afhankelijk is geworden van olie en

grondstoffen, en waar de gevolgen van klimaatverandering

het duidelijkst zichtbaar

worden. Grote gebieden verwoestijnen

en er ontstaan grote watertekorten, met

migratie als gevolg. Stringent CO 2-beleid

wordt acceptabel. Economen geven aan dat

het prijsmechanisme de First best oplossing

is. Toch wordt in 2030 een systeem van

verhandelbare CO 2-rechten per persoon

(vanaf 16 jaar) in de EU ingevoerd, met

equivalenten in andere wereldregio’s.

Dit wordt als eerlijker ervaren dan het

prijsbeleid. Dankzij ICT blijven de administratieve

kosten beperkt. De muziekcultuur

springt meteen in op de trend: de trendsetters

prediken een energiearme levensstijl

en geven zelf het goede voorbeeld.

Zeilschipcruises worden in diverse regio’s

erg populair, met name onder jongeren.

Dankzij de bevolkingskrimp ontstaat er

vanaf 2030 een overschot aan woningen,

maar tegelijkertijd neemt de vraag naar

tweede woningen in Nederland toe

dankzij CO 2-quotering en klimatologische

redenen: Zuid Europa wordt te heet. Er

komen nog meer ruimtelijke aanpassingen:

de weidewinkels die in beperkte

mate zijn ontstaan aan de randen van de

(middel)grote steden, hebben het zwaar.

Dat komt mede omdat de buurtwinkels

als paddenstoelen uit de grond schieten.

Mensen kunnen met de fiets en zelfs lopend

al het grootste deel van hun producten

kopen. Winkels in centra veranderen steeds

meer in plaatsen waar producten bekeken

kunnen worden, maar niet gekocht:

binnenstadswinkels zetten distributiesystemen

op voor thuisbezorging. Aanvankelijk

dalen de vierkante meterprijzen van

kantoren aan de stadsranden sterk omdat

ze minder aantrekkelijk worden vanwege

hun autoafhankelijkheid. Maar rond 2035

komt er een kentering want veel mensen

verkiezen een baan dichtbij hun woning en

kantoren bevinden zich op fietsafstand van


Rooilijn

de stadsbewoners. Fietsen wordt sowieso

erg populair vanwege de CO 2-quotering

en het warmere klimaat. Het aantal korte

stortbuien neemt toe. Sommige steden

leggen daarom op fietsknooppunten

schuilplaatsen aan: simpele overdekte plekken

waar vele honderden fietsers wachten

tot het weer droog is. Ze krijgen de rol van

ontmoetingspunten. Het wordt alom geaccepteerd

dat mensen een kwartiertje later

op hun werk of afspraak zijn in geval van

zo’n stortbui, net als vroeger in geval van

een onverwachte file. De trein beleeft ook

een opleving. Omdat capaciteit belangrijker

wordt dan korte reistijden over grote

afstanden (die vraag neemt sterk af), wordt

er een 1-treinensysteem ingevoerd: treinen

stoppen op alle grote stations, en om en om

op kleinere stations. Tussen kleinere stations

moet daarom vaak één keer worden

overgestapt, maar verder neemt het aantal

overstappen af. Vanwege de veel hogere

frequentie zijn de van-deur-tot-deur reistijden

op afstanden tot zeventig kilometer

niet langer dan voorheen. Bovendien is de

verliestijd door halteren beperkt: de nieuwe

generatie treinen accelereert sneller. De files

zijn rond 2030 vrijwel verdwenen.

Veel nieuwe wegen blijken misinvesteringen:

ze hebben slechts enkele jaren rendement

gehad. De discussie over prijsbeleid

wordt nergens meer gevoerd, wel die over

de vraag of sommige wegen niet afgebroken

kunnen worden om de versnippering

te verminderen. Het Milieu-, Natuur- en

Ruimtelijk Planbureau laat in 2035 samen

met het SCP een onderzoek uitvoeren

naar de beleving van ruimte en mobiliteit.

Professor Bertolini (bijna met emeritaat),

professor Geurs en professor Schwanen

voeren het onderzoek uit, grotendeels in

de vorm van vele afstudeeronderzoeken.

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Transport tot 2040: twee scenario’s

P. 256

Mensen zijn vragen gesteld als: “Als u

zou moeten kiezen: u kan de rest van uw

leven niet meer auto rijden, of niet meer

fietsen, wat kiest u dan?” Anders dan

verwacht blijkt maar liefst 55 procent

de automobiliteit eraan te geven. Onder

jongeren (vanwege de vergrijzing is dit de

categorie tot veertig jaar) is het aandeel

maar liefst 75 procent. In die categorie

geeft zelfs tachtig procent aan liever zijn

automobiliteit en rijbewijs op te geven

dan de computer en andere ICT apparaten.

Anders dan verwacht waardeert een

meerderheid de bereikbaarheid positiever

dan voor 2025. Het rapport veroorzaakt

veel commotie. De OEI-leidraad, die zich

al langere tijd vooral richt op maatregelen

voor aanpassingen aan klimaatverandering,

wordt gewijzigd om de beleving van

bereikbaarheid beter te incorporeren.

Het ministerie van Waterstaat (verkeer is

geïntegreerd met economie en ruimte) is

geïnspireerd en laat mensen ondervragen

over hun perceptie van klimaatverandering,

risico’s en waardering voor water in

de regio. Het ministerie van Gezondheid

en Demografie laat onderzoek uitvoeren

naar de gezondheidseffecten van het

sterk toegenomen fietsgebruik en de

beleving ervan door fietsers. 31-12 2040

verschijnt een special issue van Rooilijn,

met als titel Trendbreuken in de perceptie

van leefomgeving en bereikbaarheid:

de opgaven voor de periode 2040-2070.

Nooit eerder kende de maatschappij

zoveel open vragen over de toekomst.

Koortsachtig wordt gewerkt aan de

nieuwe scenario’s van de planbureaus,

die 2042 moeten verschijnen, om de

aankomende nieuwe en geïntegreerde

regionale omgevingsnota’s te voeden en

strategieën voor klimaatverandering te

helpen ontwikkelen.


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Transport tot 2040: twee scenario’s

P. 257

Scenario 2

Tot 2015 verloopt alles conform de

verwachtingen uit 2007. Rond 2011 wordt

een platte kilometerprijs ingevoerd.

Het systeem blijkt, afgezien van enkele

kinderziektes, goed te werken. Twee jaar

later wordt de differentiatie naar plaats en

tijd en naar milieukenmerken ingevoerd,

nog twee jaar later de differentiatie naar

veiligheid voor andere weggebruikers.

De fileproblematiek neemt fors af maar

veel minder dan voorspeld. Er worden

kamervragen gesteld: “Waarom is in de

modellen geen rekening gehouden met

afwenteling op de werkgever? Hadden

de voorspellingen niet beter gekund?”

Toch is vrijwel iedereen content. Het CPB

heeft bovendien berekend dat nog steeds

de baten flink hoger zijn dan de kosten.

Vooral de differentiatie naar CO 2-emissie

is sterk, mede vanwege de bewustwording

van de klimaatveranderingsproblematiek.

Vanwege de positieve effecten van

de kilometerprijs, de klimaatproblematiek

en de aanstaande demografische

krimp neemt het draagvlak voor verdere

wegenuitbreidingen na 2011 af. Het investeringsprogramma

voor weguitbreidingen

krimpt met tachtig procent tussen 2015

en 2025. De fileproblematiek is in 2025

weliswaar minder erg dan in 2010, maar

niet verdwenen. Dit, in combinatie met

de hoge spitstarieven, maakt dat dankzij

ICT het algemeen geaccepteerd wordt dat

mensen eerst enkele uren thuis werken.

ICT is dus niet de oplossing van de fileproblemen,

maar stelt mensen in staat de pijn

te verzachten (waardoor vervolgens de files

wel wat afnemen). Steeds meer nieuwbouwwoningen

kennen een extra kamer,

in de volksmond de ICT-kamer genoemd.

Toch is er van ICT in het ontwerp van die

kamer niets te merken: alles is draadloos.

De naam zegt dus meer over het gebruik

dan over de hardware. Vooral mannen met

kantoorbanen werken vaak eerst thuis.

Ze brengen hun kinderen veel vaker naar

school. Vrouwen met een baan op fietsafstand

kunnen nu eerder naar hun werk.

Werkgevers zijn enthousiast: werknemers

zijn beter uitgeslapen dan in de periode

dat ze voor de file probeerden op het werk

te komen, en zijn beter gehumeurd, mede

vanwege het toegenomen contact met

partner en kinderen. Het SCP constateert

dat rolpatronen nog steeds bestaan, maar

van vorm veranderen.

In 2018 worden doorbraken gemeld op

het gebied van accutechnologie en de

efficiëntie van elektriciteitsopwekking. Al

snel wordt duidelijk dat een revolutie op

energiegebied in het verschiet ligt, maar

niemand weet hoe. Sommige autofabrikanten

brengen drastische wijzigingen

aan in hun onderzoeksprogramma dat

zich nu sterk op elektrische auto’s richt.

Anderen zijn voorzichtiger en vrezen dat

de consument toch gewoon auto’s met

een verbrandingsmotor wil. De drie grote

Amerikaanse autofabrikanten blijken

verkeerd gegokt te hebben. Ondanks forse

overheidssteun in de beginjaren van de

transitie gaan ze alledrie failliet tussen 2025

en 2030. De enorme begrotingstekorten

en het opgezegde vertrouwen van China

in de dollar hebben de slagkracht van de

Amerikaanse overheid sterk beperkt en

de opkomende Chinese autofabrikanten,

die nauw samenwerken met de Europese

en Japanse fabrikanten, bieden veilige en

aantrekkelijke elektrische modellen aan.

De beschikbare biobrandstoffen worden

geheel in de elektriciteitssector ingezet,

vanwege de lagere kosten en het hogere

rendement. Ook de trein profiteert van de


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Transport tot 2040: twee scenario’s

P. 258

revival van elektrische tractie en integreert

accutechnologie voor acceleratie en opslag

van remenergie met de conventionele

tractie. Er komt een separaat European

Trading System voor CO 2-emissie voor de

vervoerssector, los van het systeem voor

stationaire bronnen. De luchtvaart groeit

sterk en koopt veel rechten op, waardoor de

prijs ervan hoog wordt. Het SCP constateert

in 2032 dat er een tweedeling in de

maatschappij aan het ontstaan is: aan de

ene kant is er een groep mensen met hogere

inkomens die veel vliegt en over langere

afstanden reist, aan de andere kant is er

een groep met lagere inkomens die niet

of nauwelijks (meer) vliegt, minder auto

rijdt en meer fietst en de trein gebruikt.

Veel mensen vinden deze tweedeling niet

problematisch: ongelijkheid in inkomen

uit zich nu alleen in een andere vorm: via

mobiliteit. Bovendien blijkt de maatschappij

zich snel aan te passen.

Rond 2035 blijken de prijzen van brandstof

erg hoog te worden, enerzijds doordat de

ruwe olieprijzen sterk zijn gestegen en

anderzijds door de hoge prijs voor CO 2.

Zelfs de luchtvaart maakt zich ernstige

zorgen. Komt er een kentering? Zo ja: wat

dan te doen met de vele recent aangeschafte

grote vliegtuigen, zoals de Boeing

797 en de Airbus 380? Om nog maar te

zwijgen over de vele orders voor nieuw te

bouwen vliegtuigen. Schiphol denkt dat

het besluit een eiland in de Noordzee te

gaan aanleggen niet robuust is. Een van de

twee grote VS-luchtvaartmaatschappijen

gaat in 2038 failliet, waarna de ander zijn

tarieven fors verhoogt. Onder luchtvaartwetenschappers

ontstaat een discussie over

de vraag of de liberalisering uit de jaren

zeventig van de vorige eeuw uiteindelijk

wel positief heeft uitgepakt, nu er een soort

monopolie is ontstaan. Er ontstaat een

mondiale discussie over klimaat en energie.

Milieuorganisaties in Azië maken zich

grote zorgen over de toenemende druk om

steenkool op grote schaal in te zetten om

het opraken van de olie te compenseren,

wat het bedrijfsleven wil. En er ontstaat

een brede discussie over de vraag of het

wenselijk is dat de luchtvaart de CO 2-prijs

sterk opdrijft. Door de verschuiving naar

elektrische tractie ontstaat een nieuwe

discussie over light rail: wordt dat niet

alsnog rendabel, tenminste in de Randstad?

Het Kennis Instituut Mobiliteitsbeleid

(KIM) krijgt in 2039 de belangrijke taak

om de in 2037 verschenen scenariostudie

van de planbureaus verder uit te werken

naar contrasterende transportscenario’s.

Dit in samenwerking met het SCP want

equity is in relatie tot de CO 2-prijs een heet

hangijzer geworden.

Epiloog

Zoals aangegeven beogen de scenario’s

primair het denken en de discussie te

voeden. Belangrijke boodschappen zijn de

volgende. Ten eerste zal de samenleving in

2040 minstens zoveel open vragen kennen

als de samenleving nu. Veel scenariostudies

geven voor het uiterste zichtjaar een soort

eindbeeld, maar net zo min als nu zal er

sprake zijn van een stabilisatie in 2040. Ten

tweede is de klimaatproblematiek, in combinatie

met het opraken van de olie, op termijn

veel belangrijker dan de problematiek

van lokale luchtverontreiniging. Ten derde

raken transportvraagstukken en sociaal

(-culturele) vraagstukken in toenemende

mate verweven. Dit geldt met name wanneer

technologie onvoldoende soelaas biedt

om de problemen rond de beschikbaarheid

van (goedkope) olie of klimaatbeleid

geheel op te lossen. En ten vierde moeten


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Transport tot 2040: twee scenario’s

P. 259

investeringen in infrastructuur veel meer

in een langetermijnperspectief worden

geplaatst; de ruimtelijk-infrastructurele

constellatie moet veel meer op langetermijn

robuustheid worden getoetst. Zo is de

toekomstvastheid van infrastructuuruitbreidingen

steeds minder gegarandeerd en

worden ruimtelijke concepten te weinig

beoordeeld vanuit een langetermijnperspectief.

Daarbij verdient het aanbeveling

rekening te houden met trendbreuken,

zoals in de olieprijzen of –beschikbaarheid,

klimaatbeleid, demografie of technologie.

Bert van Wee (G.P.vanWee@tudelft.nl) is hoogleraar

Transportbeleid en Logistieke Organisatie bij de factulteit

Techniek, Bestuur en Management van de Technische

Universiteit Delft.

Literatuur

Heijden, C.A.J.M. van der (1996) Scenario’s. The art of strategic

conversation, Wiley, Chichester

Janssen, L.H.L.M., V.R. Okker en J. Schuur (red.) (2006)

Welvaart en Leefomgeving. Een scenariostudie voor

Nederland in 2040, Centraal Planbureau, Milieu- en

Natuurplanbureau, Ruimtelijk Planbureau, Den Haag/

Bilthoven


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 De blauwe banaan

P. 260

De blauwe banaan

Terwijl Europees beleid ons op allerlei manieren raakt, van milieu tot voeding,

van marktwerking en aanbesteding tot migratie, is van een Europees ruimtelijk-

ordeningsbeleid zoals in Nederland geen sprake. Eén van de aanzetten voor een

dergelijk beleid, de blauwe banaan, haalde het uiteindelijk niet. Maar dat betekent

nog niet dat de discussie over een Europese ruimtelijke ordening is vastgelopen:

het concept leeft voort en doet zijn werk.

Andreas Faludi


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 De blauwe banaan

P. 261

Europees beleid beïnvloedt onze ruimte

op soms onverwachte manieren. Er is

ook alle reden om de Europese ruimte

in de beleidsvorming te betrekken.

Kennis van de vliegroutes van trekvogels

is belangrijk voor de bestrijding van de

vogelgriep; en die van de gesteldheid van

stroomgebieden voor het milieubeleid.

Bovendien zijn er ruimtelijke barrières die

de eenheidsmarkt tergen, zoals de Alpen

en de Pyreneeën, de Øresund en de Straat

van Messina. De Øresund Brug, straks

een brug van het vaste land naar Sicilië

en een spoortunnel onder Tirol, waar

onder andere Nederlandse vrachtwagens

overlast veroorzaken, moeten die slechten:

ruimtelijk investeringsbeleid van de

bovenste plank. En dan maar hopen dat

dit soort investeringen niet met ander

beleid, waaronder het beleid van de EU

zelf, botst. Nederlandse agrariërs zitten

bijvoorbeeld met de handen in het haar

over hoe Natura 2000 moet samengaan

met de Kaderrichtlijn Water. Er is namelijk

geen EU facetbeleid naar Nederlandse snit

waarbij van tevoren getracht wordt conflicten

te vermijden en synergetische effecten

te bereiken. Het had gekund! Eind jaren

tachtig maakten Franse en Nederlandse

planologen zich daar druk over, met een

afgestudeerde van wijlen het Planologisch

en Demografisch Instituut als Nederlandse

trekker. Waarom het anders is gegaan, is

niet het onderwerp van dit artikel. Hier

gaat het om de aanleiding voor het Franse

initiatief, de blauwe banaan.

De Nederlandse planologie werkt veel

met ruimtelijke concepten. Nederlandse

planologen ontfermen zich al vanouds

over Europa. De Fransen zijn sowieso sterk

in het geopolitieke denken. De blauwe

banaan heeft bekendheid gekregen, omdat

ze de Europese ruimte – weliswaar vanuit

Frans perspectief – op gemakkelijk vatbare

manier onderverdeelt. Er is een kerngebied

– door de auteurs dorsale, dat wil zeggen,

ruggengraat genoemd – en de rest. Het

onderzoek (Brunet, 1989) gaf bovendien

aan dat de positie van Parijs, en in nog veel

grotere mate die van de Franse Atlantische

kust, penibel was. Dit des te meer daar

het IJzeren Gordijn net was gevallen, met

als vooruitzicht een verschuiving van het

zwaartepunt van Europa. De Fransen foeteren

altijd over hun eigen positie in Europa

en de wereld. Het verlies van de status als

wereldmacht hebben ze nimmer weten te

verwerken. Het ging er dus om de gebieden

te ondersteunen buiten de banaan+ voor

de naamgeving zie verderop. Het zij alvast

gememoreerd, in het Europees Ruimtelijk

Ontwikkelingsperspectief (EROP)

gebeurde iets vergelijkbaars: de identificatie

van een goed ontwikkelde kern en een

minder bedeelde rest van Europa, met als

conclusie dat er gezocht moest worden naar

meer evenwicht in de Europese ruimte

door middel van polycentrische ontwikkeling

(CEC, 1999).

Het voordeel van dit soort concepten is

inderdaad dat ze bij wijze van spreken

vanzelf beleid impliceren. Zeker voor de

Europese ruimte ontbreekt zo’n beleid

echter. Op Europees niveau wordt in de

plaats daarvan hetzij tussen de lidstaten

onderling, hetzij tussen de lidstaten en de

Europese Commissie over projecten gesteggeld.

Een andere benadering is het werken

met rekenkundige formules – denk aan de

verdeling van althans het merendeel van

de structuurfondsen. Dat gaat naar NUTS

II-regio’s (zijnde statistische eenheden) met

Lees verder op pagina 272


Rooilijn

InBeeld

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Rooilijn in beeld

Rooilijn in beeld

P. 262

Een duik in het archief van Rooilijn levert een schat aan mooie artikelen,

foto’s, columns en interviews op. Het staartje van de jaren ’60 en de jaren ’70

worden gekenmerkt door een kritische blik. Gedurende de jaren ’80 wordt de

vormgeving strakker en de toon neutraler. De jaren ’90 kenmerken zich door

professionalisering en de recente vernieuwingen hebben duidelijk een positief

resultaat gehad. Veertig jaargangen leveren bijna even zoveel verschillende covers

op. Rooilijn neemt u mee terug in de tijd.


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Rooilijn in beeld

P. 263


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Rooilijn in beeld

P. 264


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Rooilijn in beeld

P. 265


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Rooilijn in beeld

P. 266


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Rooilijn in beeld

P. 267


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Rooilijn in beeld

P. 268


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Rooilijn in beeld

P. 269


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Rooilijn in beeld

P. 270


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Rooilijn in beeld

P. 271


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 De blauwe banaan

P. 272

Vervolg van pagina 261

een binnenlands product van minder dan

75 procent van het gemiddelde (gewogen

naar koopkracht). Aan deze rekenkundige

benadering – vaak het enige waarover men

het vanwege de ogenschijnlijke objectiviteit

ervan eens kan worden – dankt Flevoland

de steun van de structuurfondsen. De

forensen tellen namelijk niet mee bij de

berekening. In plaats van gekonkel en

rekenkundige bezweringsformules behoeft

Europees beleid echter een beeld van

de Europese ruimte waarop beleid kan

worden gevoerd. Daar zijn ruimtelijke

concepten voor nodig. Wat niet wil zeggen

dat de blauwe banaan het zaligmakend

antwoord is.

De blauwe banaan ontleed

Roger Brunet was hoogleraar geografie

in Montpellier. Zijn onderzoek werd

uitgevoerd in opdracht van DATAR

(Délégation à l’aménagement du territoire

et à l’action régionale). DATAR (de naam

is nu gewijzigd) was ingesteld voor de

coördinatie van het investeringsbeleid.

Toelatingsplanologie kwam er niet aan te

pas. De aandacht ging uit naar de Franse

regio’s, overeenkomstig het schrikbeeld

van Paris et le désert français – Parijs en de

Franse woestijn – van na de tweede wereldoorlog

(Gravier, 1947). De lotgevallen van

DATAR wisselden. President Charles De

Gaulle zag DATAR als een middel om zijn

moderniseringsbeleid door te zetten. Als

minister-president had de voormalige burgemeester

van Parijs, Jacques Chirac, aan

wie DATAR rapporteerde, minder op met

decentralisatie. DATAR was op zoek naar

nieuwe uitdagingen. Welnu, het Europese

regionale beleid was toch al op Franse leest

geschoeid en DATAR nauw betrokken bij

het beheer van de structuurfondsen. Meer

in het algemeen tracht DATAR de positie

van Frankrijk in Europa te conceptualiseren.

Vandaar de opdracht aan Brunet.

Het onderzoek werd aan minister François

Chérèque gepresenteerd. Chérèque

was ook anderszins belangrijk. Hij had

namelijk de eerste bijeenkomst van de

EG-ministers van ruimtelijke ordening

en regionaal beleid voorgezeten (Faludi

& Waterhout, 2002). De overlevering

wil dat Chérèque bij het aanzien van

een wandkaart met daarop de dorsale in

het blauw uitriep: “Waar is deze blauwe

banaan voor?”. Een journaliste (Alia,

1989) had het vervolgens in een weekblad,

Le nouvel observateur, over ‘la banane

bleu’, een begrip dat tot op de dag van

vandaag beklijft. “Neem een kaart van

Europa en gum de grenzen weg. Wat blijft?

Een nieuwe ruimte”, aldus de aanhef van

het artikel. Wat volgt, is de schokkende

mededeling dat “notre Hexagone” – liefdevolle

aanduiding in alle Franse schoolboeken

voor het territorium van Frankrijk,

in ieder geval voor “ons Fransen”, het

centrum van het universum – van de kaart

verdwijnt. In de plaats daarvan toont de

kaart een banaan strekkende van Londen

naar Noord Italië, “waar het echte hart

van Europa slaat”. Parijs behoort wel tot de

Europese “mégalopole” maar dan blijkbaar

ook weer niet, want de banaan raakt

Frankrijk enkel bij Straatsburg en Rijssel.

Ziedaar het probleem. Want de banaan,

zo zegt Le nouvel observateur, groeit en

bloeit “zonder ons”. Echter, dáár worden

de beslissingen genomen. Dáár vindt de

productie plaats, dáár wordt gepresteerd,

zelfs op mondiale schaal, want men kan

het daar qua concurrentiekracht opnemen

met vergelijkbare agglomeraties op

wereldschaal, zoals ‘BosWash’, de mega-


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 De blauwe banaan

P. 273

lopolis (Gottman, 1961) strekkend van

Boston naar Washington aan de oostkust

van de Verenigde Staten. Overigens waren

Nederlandse planologen in de jaren zestig

ook zeer voor de megalopolis geporteerd

en laat een kaart in de ‘Nota over de ruimtelijke

ordening’ en weer een andere in

het Jaarverslag van de Rijksplanologische

Dienst uit 1978 een configuratie als de

banaan zien.

Maar waarom heeft Frankrijk dan zo’n

bescheiden aandeel in de banaan, vraagt

het artikel. Dat zou best eens iets met de

centralisatie van politieke macht te maken

kunnen hebben. Anders dan Frankrijk is

de banaan namelijk polycentrisch, met veel

middelgrote steden met een traditie van

zelfbestuur. De methode waarmee Brunet

en de zijnen de dorsale hebben gedefinieerd

is overigens geweest, alle steden met meer

dan 200.000 inwoners in de EU12 met

inbegrip van Zwitserland en Oostenrijk op

de kaart te zetten, et voila!

De vooruitzichten voor het oosten van

Frankrijk, waar het grondgebied de banaan

raakt, waren dus ronduit gunstig, en des

te meer daar het IJzeren Gordijn, het is al

gezegd, net was verdwenen. Er waren ook

kansen in het zuiden, want daar hadden

de onderzoekers uit Montpellier – honni

soit qui mal y pense – een groeiregio langs

de kust van de Middellandse Zee waargenomen.

Het springt onmiddellijk in het

oog, zei de verslaggeefster, Lyon en de regio

Rhône-Alpes, gelegen op het kruispunt

van de banaan en deze Europese ‘Sun Belt’,

boden de meeste kansen. Desalniettemin,

Frankrijk als zodanig dreigde gemarginaliseerd

te raken dankzij de verouderde

administratieve structuren en het leeggelopen

binnenland. Maar het zou fout zijn om,

zoals zo lang gedacht, het evenwicht trachten

te herstellen door de groei van Parijs

af te remmen. De positie van Parijs moest

eerder worden versterkt, opdat de hoofdstad

in de wedstrijd met Londen niet het

onderspit zou delven. Tegelijkertijd moest

het binnenland worden gewaardeerd,

net zoals de Engelsen en de Nederlanders

en de Duitsers het waardeerden, getuige

hun bereidheid om het op te kopen. Daar

moeten dringend Franse belangstelling en

Franse investeringen tegenover staan. Ook

moesten de Franse steden met minder dan

200.000 inwoners – en dus door het net

van de onderzoekers vallend – netwerken

vormen. Behalve enkele gespecialiseerde

industriële locaties hadden alleen stedelijke

netwerken toekomst, vonden de onderzoekers

al in 1989. De Nota Ruimte zegt het

na. Het meest benauwd was de situatie van

de Atlantische kust, dun bevolkt als die

was. Moesten de bewoners op de oceaan

blijven staren, waar ze ooit hun rijkdom

aan hadden te danken, of moesten ze met

alle middelen, met name via snelwegen,

aansluiting vinden bij de banaan? Het probleem

was niet uniek, zei het artikel. Van

Edinburgh tot Porto “beweegt er niets”.

Maar in dit Europa van het jaar 2000, aldus

de auteur in 1989 een Europa dat de aloude

grote handelsstromen aan het herontdekken

was, betekende zich niet bewegen ten

dode opgeschreven zijn.

Het ‘pentagon’

Het succes van de blauwe banaan als

ruimtelijk planconcept en daarmee als

denkkader was enorm. Zij bepaalde hoe

men met name buiten de banaan over

de eigen positie in de Europese ruimte

ging denken. Dat was ook de tijd toen de

Nederlandse minister Neelie Smit-Kroes

het schrikbeeld opriep van Nederland als


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 De blauwe banaan

P. 274

het ‘Jutland van Europa’. Iedereen was bang

in de periferie terecht te komen. De banaan

zelf behoefde geen aandacht. Wie er in

zat, die nam daar in alle rust kennis van.

Wie er buiten zat, maakte zich ongerust.

Het tegenovergestelde denkbeeld was dat

van de ‘Europese Druiventros’ van Klaus

Kunzmann en Michael Wegener (1991):

een vriendelijker beeld van een Europa van

min of meer zelfstandige metropoolregio’s.

Deze studie, verricht in opdracht van de

Europese Commissie in het kader van

de voorbereiding van het EROP, had dus

eveneens veel invloed. De druiventros

symboliseerde namelijk het verzet tegen de

banaan en de centralisatietendensen die

deze heette te belichamen.

EROP zelf bracht wat betreft conceptvorming

een herhaling van zetten, overigens

zonder zich te baseren op nieuw onderzoek.

De Italianen maakten zich er tijdens

hun presidentschap in 1990 namelijk

gemakkelijk van af. Het kerngebied, dat

lag binnen een straal van 500 km vanaf

Luxemburg, en de rest mocht wel eens voor

regionale steun in aanmerking komen. De

Nederlanders waren daar als voorzitters in

1991 van het EROP proces niet voor geporteerd.

Men was bezig de planologische

aandacht te verleggen naar de Randstad als

de motor van de Nederlandse economie.

Er werd dus het concept van een Europees

stedelijk netwerk gelanceerd, met daarin

aandacht voor de spreiding van centrumfuncties,

net als de druiventros een poging

om een meer genuanceerd beeld te geven

van de Europese ruimte. Jaren later, in

1997 – men was ondertussen aan een eerste

conceptversie van het EROP toe – kwam

er weer een andere kaart te voorschijn met

daarop het kerngebied van Europa; intern

binnen de toenmalige Rijksplanologische

Dienst werd deze ook wel als “hoofdpijnkaart”

aangeduid. Deze is nimmer in het

EROP terechtgekomen. Ondergetekende

weet daar alles van, want op de kaft van

zijn Nijmeegse intreerede (Faludi, 1999)

pronkt juist deze kaart. Hij had hem per

abuis toegestuurd gekregen toen hij om

het bestand van een soortgelijke kaart in

het EROP had gevraagd, maar dan zonder

aanduiding van het kerngebied. Speurwerk

wees uit dat de hoofdpijnkaart het niet had

gehaald dankzij weerstand van Spanje. Dat

Spanje dankzij haar perifere ligging flinke

steun uit de structuurfondsen ontving,

mocht niet deren. De kaart waarop

deze ligging wereldkundig zou worden

gemaakt, was “discriminerend”, liet men

weten, bewijs te meer van de kracht van

ruimtelijke planconcepten, en zeker wanneer

deze in beeld worden gebracht.

De eindversie van het EROP (CEC,

1999) bevat helemaal geen kaart met de

aanduiding van het kerngebied meer, en

dit terwijl de meest in het oog springende

beleidslijn van het EROP, polycentrische

ontwikkeling, van alles te maken heeft

met het bestaan van zo’n kerngebied. Dat

kerngebied zelf heeft de naam ‘pentagon’

weggedragen. Door Duitsland bewerkt,

spreekt de eindversie van het EROP van

een kerngebied van de EU15 omringd

door Londen, Parijs, Milaan, München

en Hamburg. De verhoudingen tussen de

kern en het overige Europa zijn helder:

het herbergt op twintig procent van

het oppervlak veertig procent van de

bevolking die daar vijftig procent van

het binnenlandse product vervaardigt.

Welnu, dit gebied werd in het Duits

onschuldig als ‘Städtefünfeck’ aangeduid,

hetgeen de vertaler braaf als ‘pentagon’

vertaalde. De Franse vertaler was meer


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 De blauwe banaan

P. 275

alert op de associatie die dit woord zou

kunnen oproepen en omschreef het

kerngebied anders, ‘le coeur de l’Europe’.

Het mocht niet baten. De term ‘pentagon’,

ter onderscheiding van de naam van de

burelen van het Amerikaanse ministerie

van defensie met een kleine letter geschreven,

bleef beklijven. Zelfs in Franse teksten

zie je tegenwoordig le ‘pentagon’ – met

aanhalingstekens!

Onvervangbare functie

Dit artikel ging niet over de merites, noch

van de blauwe banaan, noch van het

‘pentagon’. Het heeft getracht duidelijk

te maken dat dit soort ruimtelijke concepten

een onvervangbare functie heeft.

Ruimtelijke planning kan niet zonder.

Soms beklijft zo’n concept, met als gevolg

dat iedereen in termen van dat concept

begint te denken. Denk bijvoorbeeld aan

Randstad en Groene Hart. Daar kom je niet

zo gauw van af want de concepten zitten in

onze planologische genen. Met de banaan

of het ‘pentagon’ is iets soortgelijks aan de

hand. Is die tweedeling in een kern en een

minder bedeelde rest van Europa dan soms

simplistisch? Wellicht, maar dat zijn het

polycentrische alternatief of de druiventros

ook. Het reduceren van de werkelijkheid

tot beelden die we kunnen bevatten, en die

liefst iets oproepen, is de functie van dit

soort concepten. Wie kritiek op ze heeft,

enkel en alleen omdat ze de werkelijkheid

reduceren, slaat de plank dan ook mis.

Natuurlijk herbergt dit vereenvoudigen

van de werkelijkheid ook gevaren. Er

moet dus altijd een compromis worden

gevonden tussen de eenvoud van concepten

en hoe ze, mede dankzij deze eenvoud,

aanslaan enerzijds, en hun realiteitsgehalte

anderzijds. In dit spanningsveld vindt de

slijtageslag plaats van concepten, waar

Zonneveld (1991) het voor Nederland

over heeft. In dit gevecht doet de blauwe

banaan in haar gedaante als ‘pentagon’ het

voorlopig goed.

Andreas Faludi (a.k.f.faludi@tudelft.nl) is hoogleraar

Ruimtelijke beleidsstelsels bij OTB Onderzoeksinstituut van

de Technische Universiteit Delft.

Literatuur

Alia, J. (1989) ‘C’est le grand atout de l’Europe de demain: Le

trésor de la banana bleue’, Le Nouvel Observateur, 18-24 mai,

46-48

Brunet, R., mmv Jean-Claude Boyer e.a. (1989) Les Villes

européennes, Rapport pour la DATAR, La Documentation

Française, Parijs

CEC (1999) ESDP - European Spatial Development Perspective:

Towards a Balanced and Sustainable Development of the

Territory of the European Union, Office for Official Publications

of the European Communities, Luxembourg

Faludi, A. (1999) De architectuur van het Europese ruimtelijke

ontwikkelingsbeleid, inaugurele rede, Katholieke Universiteit

Nijmegen, Nijmegen

Faludi, A. & B. Waterhout (2002) The Making of the European

Development Perspective: No Masterplan, Routledge, Londen

Gottman, J. (1961) Megalopolis, The Twentieth Century Fund,

New York

Gravier, J. F. (1947) Paris et le désert français, Flammarion,

Paris

Kunzmann, K.R. & M. Wegener (1991) ‘The pattern of

urbanisation in Western Europe 1960-1990’, Berichte aus dem

Institut für Raumplanung, Nr. 28, Institut für Raumplanung,

Universität Dortmund, Dortmund

Zonneveld, W. (1991) Conceptvorming in de ruimtelijke

planning, Planologische Studies No. 9A&B, Planologisch

en Demografisch Instituut, Universiteit van Amsterdam,

Amsterdam


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Waterbestendige locatiekeuzen

P. 276

Ditte Valk & Hasse Goosen

Waterbestendige

locatiekeuzen


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Waterbestendige locatiekeuzen

P. 277

In 2006 is een evaluatie uitgevoerd naar de toepassing van de watertoets. Eén van

de uitkomsten is dat het instrument bij locatiekeuzes onvoldoende effectief is. Dit

is verontrustend. We kunnen er immers niet meer om heen: het klimaat verandert.

De vraag rijst of we in Nederland wel verantwoorde en goed gemotiveerde

klimaatbestendige locatiekeuzes maken. Zijn we met de ingezette trend van

decentralisatie in de ruimtelijke ordening op de goede weg?

Het kabinet heeft aangegeven de klimaatverandering

hoog op de politieke agenda

te plaatsen. De filmbeelden van Al Gore

hebben bijgedragen aan bewustwording en

kennis over de opwarming van de aarde.

Talrijke discussies over de consequenties

van dit opwarmingsproces zijn in wetenschappelijke

en politieke kringen ontstaan.

Verwacht wordt dat vanwege alle aandacht

voor de klimaatverandering de druk vanuit

de maatschappij voor verantwoorde,

goed gemotiveerde en klimaatbestendige

locatiekeuzen zal toenemen. Het ministerie

van VROM (2007) beschouwd de

wateropgave inmiddels als een keihard

overlevingsvraagstuk in het hart van de

ruimtelijke problematiek. Bij een eventuele

overstroming bepaalt de locatie en ruimtelijke

structuur immers mede de ernst van

de schade en het verlies aan levens. Zelfs als

aan de oproep van Al Gore gehoor wordt

gegeven en de CO 2-uitstoot vanaf heden

niet meer zou toenemen, zal Nederland

met de effecten van klimaatverandering

geconfronteerd worden. De ordening en

inrichting van de ruimte moet zodanig

worden aangepast dat deze effecten

aanvaardbaar zijn want uit te sluiten zijn ze

niet (Ministerie van VROM, 2006a).

Water beperkt meegewogen

Klimaatverandering is een hot item, maar

geen nieuw item. Al eind jaren negentig

heeft de overheid met diverse programma’s

de weg ingeslagen naar een ander

waterbeleid. In 2001 is de watertoets als

procesinstrument geïntroduceerd met

als doel te waarborgen dat waterhuishoudkundige

doelstellingen expliciet

en evenwichtig in beschouwing worden

genomen bij ruimtelijke plannen. In het

Nationaal Bestuursakkoord Water (2003)

en het programma Ruimte voor de Rivier

(2005) is de klimaatverandering geconstateerd

en een stap gezet naar het op orde

hebben en houden van de watersystemen.

Hoofdboodschap is dat het water meer

ruimte moet krijgen. Ook in de ruimtelijke

ordening is water als mede sturend element

terug te vinden in de beleidsnota’s. In de


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Waterbestendige locatiekeuzen

P. 278

Nota Ruimte (2006) is het “meebewegen

met en anticiperen op water” als beleid

vastgelegd. Ondanks deze beleidsverankering

en aandacht krijgt water slechts een

beperkte plaats bij ruimtelijke afwegingen

op het niveau van locatiekeuzen. Water

wordt nog onvoldoende benut als richtinggevend

principe in ruimtelijke plan- en

beleidsprocessen. We willen wel graag aan

het water wonen maar accepteren moeilijk

de beperkingen van bouwen in gebieden

met een hoog overstromingsrisico.

Dit blijkt onder andere uit de landelijke

evaluatie watertoets van het Ministerie

van Verkeer en Waterstaat (2006). Daarin

is geconstateerd dat ondanks de wettelijke

verplichting van de watertoets sinds

november 2003, in bijna de helft van

de gevallen de watertoets onvoldoende

invloed heeft gehad op de locatiekeuzen

van ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de

afwegingen slaat de balans door in de

richting van andere belangen. Het blijkt

lastig om water sterk te positioneren in het

complexe krachtenveld van locatiekeuzeprocessen.

Overigens laat deze evaluatie

ook zien dat wateraspecten wel in behoorlijke

mate worden meegenomen bij de

inrichting van nieuwe ruimtelijke functies.

Sommige waterbeheerders menen dat de

nadelen van een niet optimale locatiekeuze

op inrichtingsniveau volledig afgezwakt

kunnen worden. Ongeacht de vraag of dat

wel correct is, is het maar de vraag of dat

ook kosten-effectief is. Dat er onvoldoende

aandacht is voor water bij locatiekeuzen

is concludeerde recentelijk eveneens

het Ruimtelijk Planbureau (2007). Als

oorzaken worden daarbij genoemd de

relatief korte planningshorizon van het

huidig ruimtelijk beleid en de nadruk op

civieltechnische maatregelen.

Het zwaartepunt van besluiten over locatiekeuzen

ligt op nationaal en provinciaal

niveau. In gemeentelijke ruimtelijke plannen

worden locatiekeuzen in de regel niet

gemaakt; ze worden er slechts vastgelegd.

Het Rijk heeft in de Nota Ruimte besloten

over locatiekeuzen van nationaal belang en

de provincies besluiten in streekplannen

op hoofdlijnen over nieuwbouwlocaties

voor verstedelijking. Een voorbeeld van

een locatiekeuze van nationaal belang is de

aanwijzing van een grootschalige verstedelijkingslocatie

in de Zuidplaspolder, een

droogmakerij gelegen tussen Moerkapelle,

Waddinxveen, Zevenhuizen, Gouda en

Nieuwerkerk aan de IJssel. Deze droogmakerij

bestaat nu nog voor het grootste

deel uit agrarisch gebied met een aantal

recreatiegebieden. De behoefte aan verstedelijking

en verbetering van de ruimtelijke

kwaliteit zijn voor het Rijk aanleiding

geweest om dit gebied aan te wijzen voor

verstedelijking. Bij deze locatieafweging op

nationaal en provinciaal niveau heeft het

waterbelang geen expliciete rol gespeeld.


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Waterbestendige locatiekeuzen

P. 279

Dit betekent overigens niet dat deze keuze

daarmee vanuit water bezien problematisch

is. Gevoelsmatig is het misschien

moeilijk te begrijpen dat een laag gelegen

polder als deze bebouwd gaat worden.

Echter, niet zozeer de diepte, ook de

afstand tot een bedreigend waterlichaam

en de grootte van de polder zijn bepalend

voor risico’s. Daarmee zijn de risico’s

voor deze polder waarschijnlijk niet veel

anders dan andere laaggelegen gebieden

binnen de provincie Zuid-Holland.

Bij de uitwerking van de plannen voor

de Zuidplaspolder is het watersysteem

prominent als uitgangspunt gekozen. Er

komen relatief grote peilvakken waardoor

er veel makkelijker kan worden meebewogen

met het water. Als norm zijn de nieuwe

richtlijnen voor maatgevende buien gehanteerd.

De plannen voor de Zuidplaspolder

houden ook rekening met waterveiligheid

door niet te bouwen in de meest

overstromingsgevoelige delen. Binnen

het onderzoeksprogramma Klimaat voor

Ruimte worden aanvullende oplossingen

onderzocht om de polder klimaatbestendig

in te richten (zie bijvoorbeeld www.

xplorelab.nl en www.klimaatvoorruimte.

nl). Geconcludeerd kan worden dat water

inmiddels op inrichtingsniveau in gebiedsontwikkelingen

een beeldbepalende plaats

heeft gekregen. Niettemin, daar waar het

gaat om de globale locatiekeuzen die veelal

op het niveau van het Rijk en de provincie

plaatsvinden, speelt water vaak nog een

beperkte rol.

Nieuwe beleidscontext

Het Rijk wil steeds meer verantwoordelijkheid

neerleggen bij de burger en lagere

overheden, ook waar het gaat om waterveiligheid.

De burger wordt aangesproken

op eigen verantwoordelijkheid. Met een

campagne werkt het Rijk onder andere aan

de vergroting van het waterbewustzijn.

Dijkdoorbraken en overstromingen horen

weliswaar bij de Nederlandse geschiedenis,

maar de laatste overstromingsramp

is langzaam uit ons geheugen gegleden

(Commissie Noodoverloopgebieden, 2001)

en burgers rekenen sterk op de overheid als

het gaat om bescherming tegen overstromingen

(De Boer e.a., 2003).

Het Rijk zet met de Nota Ruimte en de

nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening

in op de sturingsfilosofie “decentraal wat

kan, centraal wat moet”. Uitgangspunt

is de juiste verantwoordelijkheid op het

juiste niveau. Als gevolg van de nieuwe

sturingsfilosofie vervalt onder andere het

Gedeputeerde Staten goedkeuringsbesluit

van lokale ruimtelijke plannen. Dit betekent

dat de plaats en het gewicht van water

in deze lokale plannen niet meer inhoudelijk

wordt beoordeeld. Zoals aangegeven

worden locatiekeuzen met name door het

Rijk en de provincies gemaakt. Het blijkt


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Waterbestendige locatiekeuzen

P. 280

dat de waterschappen weinig zien in een

stap naar de rechter bij situaties waarin

onvoldoende rekening is gehouden met het

waterbelang in ruimtelijke plannen. De

rechter toetst immers slechts marginaal.

De centrale vraag voor de rechtbank is of

de initiatiefnemer van het plan zorgvuldig

en gemotiveerd heeft gehandeld. Van

de rechter kan geen uitspraak worden

verwacht over de vraag op welke wijze

het waterbelang bij de locatiekeuzen tot

uitdrukking had moeten komen.

Centraal wat moet

In onze ogen schuilt in de ingeslagen weg

naar decentralisatie een risico als het

gaat om waterbestendige locatiekeuzen.

Locatiekeuzen op hoofdlijnen moeten

rijk en provincie niet geheel overlaten aan

gemeenten omdat water een zeer complexe

natuurlijke hulpbron is met veel verschillende

gebruikers en water bij voorkeur

op het schaalniveau van stroomgebieden

moet worden benaderd. Een gebrek aan

waterberging in een bovenstrooms gelegen

gemeente heeft immers consequenties voor

de benedenstroomse gemeente. Bovendien

dwingt klimaatverandering ons om in te

spelen op de lange termijn en moet, sterker

dan nu het geval is, sturing worden gegeven

op bovenlokale en langetermijn doelstellingen.

Dit betekent niet dat we direct

terug moeten naar de centraal geleide

ruimtelijke ordening. De voordelen van


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Waterbestendige locatiekeuzen

P. 281

open planvorming en een grote mate van

betrokkenheid van diverse partijen bij planontwikkeling

zijn evident (zie Teisman

e.a., 2001). Daarom moet gezocht worden

naar manieren om een balans te vinden

tussen participatie en sturing, waarbij het

beste van beide benut wordt. Het zoeken is

naar vormen van netwerksturing waarbij

randvoorwaarden en hoofdkeuzen helder

worden gesteld maar waarbij de uitwerking

decentraal en integraal plaatsvindt.

Op provinciaal en rijksniveau moeten

condities gesteld worden en locatiekeuzes

moeten op dat niveau goed onderbouwd

worden. Bij keuzen op het gebied van een

klimaatbestendige ruimtelijke ordening is

sterke sturing dus onontbeerlijk. Vragen

of een minder optimale locatiekeuze

voldoende op de lange termijn gecompenseerd

kunnen worden door innovatieve

inrichtingsmaatregelen, moeten expliciet

en op het niveau van Rijk of provincie

worden gesteld en bediscussieerd bij de

belangenafweging.

Om water een explicieter onderdeel te

maken van locatiekeuzen hoeven we geen

aanvullend instrumentarium te ontwikkelen.

Onder andere de watertoets heeft

hier als procesinstrument in potentie alle

eigenschappen voor. Het instrument biedt

volop mogelijkheden maar deze worden

nog onvoldoende benut. Een in 2006

ontwikkeld aanvullend instrument bij de


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Waterbestendige locatiekeuzen

P. 282

watertoets biedt eveneens potenties: het

betreft de risico- en kostenanalyse. In de

Nota Ruimte is deze analyse als verplichting

aangegeven voor locatiekeuzen en

herinrichting van bestaand stedelijk

gebied. De analyse heeft betrekking op

de aspecten verdroging, overstromingen

en overlast van grond- en/of oppervlaktewater.

Dit instrument is gericht op

een expliciete afweging van de risico’s

van deze aspecten evenals de kosten

voor het beperken van deze risico’s bij

de integrale ruimtelijke afweging. In de

huidige planologische praktijk blijkt nog

veel onbekendheid over deze analyse en

deze wordt dan ook nauwelijks toegepast,

ondanks de verplichting. In onze visie

biedt deze risico- en kostenanalyse een

goed instrumentarium om vroeg in planvormingsprocessen,klimaatbestendigheid

expliciet onderdeel te laten uitmaken

van de integrale belangenafweging bij

locatiekeuzen. Ook de in ontwikkeling

zijnde methodiek van de waterwijzer

is interessant. Dit instrument laat de

effecten van inrichtingsmaatregelen zien

en relateert die aan klimaatverandering

(zie www.levenmetwater.nl).

Decentraal wat kan

De uitwerking van de plannen op inrichtingsniveau

kan via gebiedsontwikkeling

uitstekend decentraal worden ingericht.

Hiermee sluiten we aan bij de visie die

Hajer, Sijmons en Feddes ontvouwen in

hun boek Een plan dat werkt (2006). Er

moet gezocht worden naar manieren

om enerzijds betrokkenheid en invloed

van lokale partijen te vergroten en

anderzijds sturing te geven op bovenlokale

en langetermijndoelstellingen.

Gebiedsontwikkeling bewijst zich steeds

meer als een prima manier om integraal

en gezamenlijk te komen tot uitvoering. De

hogere overheden moeten dan wel heldere

condities stellen. Hoewel met gebiedsontwikkeling

een nieuwe, veelbelovende

weg is ingeslagen, is gebiedsontwikkeling

vooralsnog vooral een leerproces waarin

grotendeels dezelfde factoren als zeven jaar

geleden het succes en falen van planrealisatie

beïnvloeden. Gebiedsontwikkeling is

dus nog niet zonder meer een nieuw panacee.

Wel geeft deze recente trend invulling

aan een nieuwe manier van werken waarbij

samenwerking centraal staat.

Het uitgangspunt van gebiedsontwikkeling

is dat plannen in gezamenlijkheid worden

uitgevoerd. Daarbij schetsen de hogere

overheden de globale contouren en nemen

provincies en gemeenten de regie op zich.

Ze proberen zoveel mogelijk partijen te

verleiden om deel te nemen en aan te zetten

tot uitvoering. Daarmee kan gebiedsontwikkeling

gepositioneerd worden tussen

bottom-up en top-down sturing in: zoveel

mogelijk decentraal uitvoeren binnen

centraal geformuleerde globale condities

(Goosen, 2006). Gebiedsontwikkeling is

de rode draad zowel in het ruimtelijk- als

in het waterbeleid en wordt omschreven als

lokaal en regionaal maatwerk, afhankelijk

van de lokale omstandigheden. Daarmee

vergt de praktijk van gebiedsontwikkeling

een andere werkwijze. In deze nieuwe

werkwijze zou het moeten gaan om een

proces van transdisciplinair leren (Müller

e.a., 2004). Leren door doen is het adagium

waarbij een praktijkgerichte manier van

werken voorop staat.

Uitdaging

De uitdaging is om gaandeweg steeds de

goede balans te vinden tussen ruimte

en water. De noodzaak van goed gemo-


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Waterbestendige locatiekeuzen

P. 283

tiveerde locatiekeuzen is in de context

van klimaatverandering evident. Deze

noodzaak wordt steeds meer erkend in

de maatschappij maar op dit moment

wordt water nog beperkt meegewogen bij

locatiekeuzen. Dat moet beter. Het nog

verder doorvoeren van het ingezette beleid

richting decentralisatie is daarbij een

risico. Wanneer goede keuzes zijn gemaakt

ten aanzien van globale locaties en randvoorwaarden

voor klimaatbestendige ontwikkeling,

kan in gebiedsontwikkeling in

gezamenlijkheid nader invulling worden

gegeven aan plannen. Uit de evaluatie van

de watertoets en uit praktijkervaringen

blijkt dat water op inrichtingsniveau wel

voldoende en goede aandacht krijgt. Op

deze manier behouden we het goede van

open planvorming (bottom-up) maar

nemen Rijk en provincie meer verantwoordelijkheid

als het gaat om de consequenties

van klimaatverandering.

Ditte Valk (dp.valk@pzh.nl) is werkzaam als

beleidsmedewerker bij de Provincie Zuid-Holland, afdeling

Water, bureau Veiligheid en voorzitter van de landelijke

werkgroep watertoets. Hasse Goosen (h.goosen@pzh.nl)

is programmacoördinator van Xplorelab van de Provincie

Zuid-Holland (www.xplorelab.nl). Het artikel is geschreven op

persoonlijke titel.

Literatuur

Boer, J. de, H. Goosen & D. Huitema (2003) Bewust werken

aan waterbewustzijn, Studie naar de rol en relevantie van het

begrip waterbewustzijn voor het waterbeleid, Instituut voor

Milieuvraagstukken, Vrije Universiteit, Amsterdam

Commissie Noodoverloopgebieden (2001) Gecontroleerd

overstromen, Avies van de Commissie Noodoverloopgebieden,

Den Haag

Goosen, H. (2006) Spatial water management: supporting

participatory planning and decision making, Techne Press,

Amsterdam

Hajer, M., D. Sijmons, & F. Feddes (2006) Een plan dat werkt.

Ontwerp en politiek in de regionale planvorming, NAI

Uitgevers, Rotterdam

Ministerie van Verkeer en Waterstaat (2006) Watertoetsproces

op weg naar bestemming, landelijke evaluatie

watertoets 2006, Den Haag

Ministerie van VROM (2006) Naar een klimaatbestendig

Nederland, Het Nationaal Programma Adaptatie Ruimte en

Klimaat 2006-2014, Den Haag

Ministerie van VROM (2007) Ontwerpen met water, essays over

de rijke traditie van waterwerken in Nederland, Den Haag

Müller D.B., S.P. Tjallingii & K.J. Canters (2005) ‘A

transdisciplinary learning approach to foster convergence

of design, science and deliberation in urban and regional

planning’, Systems Research and Behavioral Science, 22, p

193-208

Ruimtelijk Planbureau (2007) Overstromingsrisico als

ruimtelijke opgave, NAI Uitgevers Rotterdam, Den Haag

Teisman, G.R., P.W.G. Bots, J. Edelenbos, E.H. Klijn, W.J.

Oosten, M.J.W. van Twist & J. Verbart (2001) Besluitvorming en

ruimtelijk procesmanagement, Eburon, Delft


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Ruimte voor Toerisme

Myriam Jansen-Verbeke

Ruimte voor

Toerisme

P. 284


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Ruimte voor Toerisme

P. 285

Toerisme is booming business. Voor stad en land vormen bezoekers een

belangrijke inkomstenbron en vele gemeenten proberen dan ook toeristen te

verleiden om hun plaats aan te doen en hen langs bezienswaardigheden te leiden.

Geholpen door toepassingsmogelijkheden van geografische informatiesystemen

en vernuftiger toeristen-geleidingssystemen wordt de ogenschijnlijk onbevangen

handel en wandel van toeristen wel steeds minder aan het toeval overgelaten. Het

nog jonge vakgebied van toeristische planning en destination management maakt

een stormachtige ontwikkeling door.

De periode tussen het verschijnen van de

speciale editie ‘Geography of Tourism’

van Annals of Tourism Research (1979), de

eerste Nederlandse Geografendagen gewijd

aan vrije tijd, recreatie en toerisme (in 1982

in Nijmegen) en de eerste editie van het

vaktijdschrift Tourism Geographies (1999)

werd gekenmerkt door een moeizame strijd

om de erkenning van toerisme als wetenschappelijke

discipline. De complexe aard

van het fenomeen maakt het onderwerp bij

uitstek een multidisciplinair studieobject.

Dit is wellicht een reden voor de moeizame

inpassing in de traditionele disciplinaire

curricula aan universiteiten. Een volwaardige

ontplooiing van het toerisme

studielandschap is ook lang gehandicapt

geweest door de afwezigheid van specifieke

toerismeopleidingen aan de gevestigde

universiteiten, weinig of geen vaste benoemingen

van hoogleraren of leerstoelen

met toerisme als kerntaak en slechts een

handje vol PhD projecten in Nederland

en Vlaanderen. De geringe aandacht van

institutionele netwerken en erkende wetenschappelijke

organisaties voor toerisme

speelde eveneens parten. Kennisopbouw en

-overdracht via fundamenteel onderzoek

in toerisme en publicatie van de resultaten

bleef opvallend schaars.

De pioniers in het toerismeonderzoek

waren vaak aangewezen op sponsoring

door overheden of industrie. Het betreft

vooral empirisch gebiedsgericht onderzoek

in de vorm van casestudies en heeft als

zodanig een veelkleurig onderzoekspalet

opgeleverd. Terwijl de toerismesector bij

overheden en de private toerismesector

zoekende bleven naar een wetenschappelijke

onderbouwing van hun relatief

nieuwe opdrachten, bleef het onderzoek

vooral beleidsondersteunend, met oog voor

plaatsgebonden problemen en oplossingen,

marktontwikkelingen en marketing. Het

contractonderzoek is zeer gangbaar in

Nederland en heeft een bepaalde oriëntatie

gegeven aan de onderzoeksthema’s, de

gehanteerde onderzoeksmethoden en de

wijze van rapportage. Beleidsrelevantie

van het onderzoek is steeds het leidmotief

geweest en zeker een cruciaal

evaluatiecriterium.

Sinds eind jaren tachtig kwam er internationaal

een nieuwe dynamiek in de wetenschappelijke

onderbouwing van toerisme,

zowel in het universitair onderwijs als in

het brede onderzoeksveld van overheden en

bedrijven. De link tussen universiteiten en

praktijk werd versterkt. De uitstraling van

een boeiend, jong en universeel werkterrein

trok veel studenten en vooral onderwijsinstellingen

in nood voor studenten.

Wereldwijd schieten nieuwe opleidingen in

toerisme nu als paddestoelen uit de grond,

met een zeer breed aanbod aan vakken die

relevant worden geacht om als deskundige


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Ruimte voor Toerisme

P. 286

toerismemanagers de arbeidsmarkt te

betreden. Een grote valkuil is tot nog toe

het gebrek aan specifieke expertise bij de

onderwijsstaf op het terrein van toerisme,

vaak ook niet gehinderd door veel literatuurkennis

of internationale onderzoekservaring.

De roep om objectieve en internationale

kwaliteitsnormen en evaluaties,

die reeds ingang vond in de toeristische

industrie, krijgt nu ook weerklank in de

onderwijsnetwerken.

Herwaardering van het

territoriumbegrip

De multidisciplinaire benadering van toerisme

die steeds meer opgang maakt, steunt

in de praktijk op een waaier van concepten

en modellen welke ontleend worden aan de

economische, sociale en culturele theorievorming

in de ‘moederdisciplines’. Een

regenboogvisie past wel in de ontwikkeling

van de sociale wetenschappen, maar blijft

toch problematisch in het definiëren van

een coherent systeemdenken en een eigen

vocabularium. De groeiende aandacht voor

typisch ruimtelijke aandachtspunten kan

ondermeer aangetoond worden door een

trefwoordenanalyse in de abstracts van toerismepublicaties

(Lew e.a., 2004). De frequentie

van de trefwoorden ‘space’,‘place’,

‘environment’, ‘geography’ en ‘GIS’ getuigt

van een toenemende belangstelling. Dit

hangt nauw samen met het besef dat ook,

en juist in toerisme, de discussie gevoerd

moet worden rond duurzaamheid. Het

nadenken over de maakbaarheid van

toeristische bestemmingen, identiteit en

authenticiteit, de meetbaarheid van de

draagkracht, de effecten van toerismestromen

en de diverse indicatoren van impact

op de omgeving, betekenen inderdaad een

nieuwe taakstelling voor de omgevingsbewuste

docent, onderzoeker, planner of

consulent. De signalen zijn duidelijk. In

de globale wereld van het toerisme is een

intrinsieke nood aan geografische identiteit,

lokale verankering en authenticiteit

én steeds meer aan erkenning, herkenning

en behoud van de culturele eigenheid en

verscheidenheid. Hiermee komen we tot de

kern van het toerisme, namelijk de motieven

om je überhaupt nog te verplaatsen en

belevenissen op andere plekken te zoeken

en te kunnen waarderen.

De actuele speurtocht naar het onderscheidend

vermogen van plaatsen, regio’s

en attracties leidt tot een heroriëntatie op

de betekenis en inhoud van het begrip

‘territorium’. Territoriale entiteiten zijn

oorspronkelijk geënt op natuurlijke

landschappen, habitat en geschiedenis.

Deze visie gaat terug tot de Franse geograaf

Paul Vidal de la Blache (1845-1918). De

territoriale expressies en samenhang van

het cultureel erfgoed leggen de basis voor

een streekeigen toeristisch profiel en imago

(ESPON, 2006). Dit speelt ongetwijfeld

ook een rol in de regionalisatietendensen

binnen het nieuwe Europa. Vanuit het

standpunt van toerisme marketing wordt

nu de promotie van regio’s sterk benadrukt,

bijvoorbeeld de imago-opbouw rond de

verschillende Spaanse costa’s, de actieve

profilering van Algarve en Alentejo, van

Toscane en Umbrië, Katharenland en

vele andere minder bekende streken.

De toeristische toponymie rond regio’s

refereert wel degelijk aan de geschiedenis,

streekproducten, cultuur en folklore. Ook

het recente Europese beleid ten aanzien van

de Beschermde Geografische Aanduiding

(BGA) is te waarderen als een rechtstreekse

bescherming en promotie van het materieel

en immaterieel cultureel erfgoed. Dit biedt

onder meer de grondstof en de impulsen

voor een endogene toeristische ontwikkeling.

In het bijzonder rurale gebieden

kunnen met een officiële en beschermde

naamgeving van agrarische en ambachtelijke

streekproducten zich positioneren op

de toeristische kaart. En dit gaat veel verder

dan het in kaart brengen van de wijnstreken

in Europa.

De analyse van ruimtelijke patronen en

de territoriale samenhang van culturele

elementen is ondermeer bedoeld om het

toeristisch potentieel doelgericht te kunnen

ontwikkelen. De gebiedseenheid waar

een culturele heropleving door toerisme

zich manifesteert, kan verschillen naar

schaalniveau (oppervlakte) en naar soort

gebied (de landschappelijke en morfologi-


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Ruimte voor Toerisme

P. 287

sche kenmerken). Terug naar de regionale

geografie van weleer ... maar nu met het

doel de dynamiek van het territorium te

kunnen plannen en regio’s te introduceren

in de mentale kaart van de toerist.

Toerisme is één van de hefbomen om het

regionaal cultureel kapitaal te mobiliseren.

De verschillen tussen dynamische en

minder dynamische, tussen toeristisch

aantrekkelijke en minder bezochte regio’s,

zijn zeker niet alleen te verklaren door

geografische of historische kenmerken.

De rijkdom aan culturele elementen

zoals monumenten, musea en historische

landschappen kan wel een verschil maken,

maar veel meer nog de wijze waarop

immaterieel erfgoed (kunst, muziek,

gastronomie, folklore, tradities, enzovoort)

een stempel drukt op de levensstijl en de

welvaart van de streek of de plaats. De

capaciteit om een culturele economie te

ontplooien en hiermee toeristen aan te

trekken is bovendien sterk afhankelijk van

het organisatievermogen en de kennisnetwerken

waarmee lokale troeven uitgespeeld

kunnen worden op een globale en erg

competitieve markt.

GIS: van doel tot middel

De inzet van geografische informatiesystemen

(GIS), ruimtelijke analysemodellen

en –methoden ter ondersteuning van het

beleidsvormingsproces is niet nieuw, maar

bevindt zich blijkbaar wel in een versnellingsfase.

Door de kennisopbouw over

GIS, de diverse gesofisticeerde softwarepakketten

en liefst ook geo-referenced

databestanden komen de verwachtingen

hoog te liggen. Momenteel hebben vele toepassingen

op het terrein van toerisme een

experimenteel karakter (Boers & Cottrell,

2007). Menig onderzoeker en beleidsmaker

gebruikt GIS voor een beschrijvend doel.

Het spreidingspatroon van het toeristisch

aanbod kan bijvoorbeeld netjes statisch

in kaart worden gebracht. Over hoe dit

kaartbeeld zich verhoudt tot de mentale

kaart van de bezoekers is nog maar weinig

bekend. De kennislacune betreft vooral

de impact van het locatiepatroon van

landmarks, toeristische attracties en de

ondersteunende voorzieningen, kortom

het Tourist Opportunity Spectrum op

de perceptie en het gedragspatroon van

bezoekers (Pearce, 2001). De sleutel om

binnen te dringen in de perceptiewereld

van de bezoeker is goud waard voor de aanbieders.

Logisch dus dat de vraag naar meer

onderzoek over ruimtelijke interacties heel

actueel is en een doorlichting louter vanuit

de aanbodkant niet langer voldoet.

De fascinatie van onderzoekers om het

spoor van de toerist te traceren, soms tot op

het microniveau van wandelroutes van kerk

tot kroeg, roept vragen op (zie ook Shoval

& Isaacson, 2007). Technisch is het heel

goed mogelijk om van een reeks observaties

direct dichtheidsprofielen, looproutes en

diverse aspecten van het ruimtelijk gedrag

op een veelkleurige en gesofisticeerde wijze

in beeld te brengen. De interpretatie van die

resultaten is bovendien bijzonder relevant

in het perspectief van een flexibel ruimtelijk

beleid voor een stad, een pretpark, een

museum of een strand. Tevens biedt dit

soort datafiles een concreet handvat om

concepten zoals draagkracht per tijdseenheid,

per plek en naar type bezoeker te

toetsen. De stap naar een gecontroleerde

omgeving met geleide bezoekers is niet

veraf meer en dat opent nieuwe perspectieven,

maar roept ook vraagtekens op. De

tijd van grootschalige surveys, afgenomen

door interviewers in de toeristische hot

spots en het post factum registeren van

looproutes op onduidelijke en dikwijls

onleesbare kaarten lijkt voorbij. Het big

brothersysteem werkt. Bedenkingen bij

deze methoden van tourist tracking zijn in

eerste instantie een inbreuk op de privacy,

maar vooral het gebrek aan inzicht in

de verborgen agenda van de individuele

bezoeker, motieven en belevenissen, impulsen,

voorkeuren en de voorgeschiedenis.

De meerwaarde van diepte-interviews, die

verwachtingen en belevenissen kunnen

peilen, blijft overeind en zou idealiter in

combinatie met voorgaande surveytechnieken

moeten gebeuren. Aan informatie

over het feitelijk ruimtelijk gedrag van

verschillende typen toeristen, bezoekers en

consumenten op verschillende plaatsen en


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Ruimte voor Toerisme

P. 288

op bepaalde tijdstippen zal het niet meer

mankeren, maar wel aan interpretatiemogelijkheden

van perceptie en belevingen.

Uiteindelijk wordt het ruimtelijk gedrag

toch bepaald door een reeks ad hoc impulsen

in de omgeving, waarvan de toerist zelf

niet altijd bewust is en uiteraard de eigen

agenda. Er blijven nog vele ongedefinieerde

parameters in het gedrag van toeristen.

Bovendien verandert dit ook in de tijd en

langs het levenspad.

Perpetuum mobile

Om de dynamiek van toerismesystemen

te kunnen doorgronden is veel meer nodig

dan inzicht in gebruikers en gebruikspatronen.

De meerdimensionale impact van

toerisme op het territorium is in principe

meetbaar door longitudinale metingen van

ruimtelijke indicatoren, op voorwaarde dat

de samenhang in het systeem bekend is en

de indicatoren van transformatie bepaald

werden (Ashworth & Dietvorst, 1995; Hall,

2004). De ambitie van wetenschappers en

beleidsmakers om ruimtelijke veranderingsprocessen,

geïnduceerd door toerisme,

in een bepaald territorium eerst meetbaar

en vervolgens stuurbaar te maken, valt

of staat met de beschikbaarheid van data

en adequate methoden van ruimtelijke

analyse (Jansen-Verbeke & Lievois, 2004).

Landmarks en iconen zijn de structuurbepalende

elementen in het toerismeland-

Het activiteitenpatroon van toeristen in de binnenstad van Gent

schap (Lievois, 2007). Dit is empirisch

aangetoond, onder meer door case studies

in diverse historische bestemmingen, zoals

Venetië, Jeruzalem, Brugge en Gent. Niet

alleen het aantal monumenten, musea,

culturele voorzieningen of evenementen

is bepalend voor de toeristische attractie

van een plaats of regio, maar ook de wijze

waarop deze elkaar versterken en zo ook de

kwaliteit van de belevenissen voor diverse

gebruikersgroepen. Toerisme geeft aan

ruimte en plaatsen een sociale en materiële

betekenis en die is dynamisch. Een plein

is een plein, maar de betekenis ervan kan

in de loop der jaren sterk wisselen, wat

tot uiting komt in de gebruiksvormen, de

inrichting en vaak ook in de symbolische

waardetoekenning. Het dilemma van

ruimtelijke planners is de noodzaak om

flexibiliteit in te plannen in een toeristische

infrastructuur (de hardware) die soms

moeizaam, of alleen met hoge kosten,

aangepast kan worden aan veranderde

waarden, normen en gedrag. Een voorbeeld

is de herbestemming van historische

gebouwen. De steeds terugkerende discussie

daarover laat zien dat er geen pasklaar

antwoord bestaat op hoe met dit erfgoed

om te gaan. Aangezien toerisme niet langer

functioneert als een louter aanbodgestuurde

economie maar als een wispelturige

consumentenmarkt, zijn regelmatige

aanpassingen aan de infrastructuur

gewenst. Meer dan in de hardware bestaan

ESPON PROJECT 1.3.3

The activity pattern of tourists in the

inner city of Ghent

Legend: Type of stop

cafes

Monuments/Sights

Restaurants

Shops

Other

Source & cartography: Els lievois, 2006


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Ruimte voor Toerisme

P. 289

er flexibele mogelijkheden om de software

voor de beeldvorming eigentijds in te

vullen. Een voorbeeld daarvan is het uitzenden

van nieuwe prikkels om de mentale

kaart van toeristische bestemmingen in

te kleuren en dat wordt technisch steeds

makkelijker. Een heel palet aan communicatiemiddelen

staat ter beschikking. De

overvloed aan beelden overschrijdt echter

stilaan het incasseringsvermogen van de

toerist. Bovendien nemen de kansen toe dat

de virtuele wereld en de reële ervaringswereld

ontkoppeld geraken.

Strategische rol van ruimtelijke

planning

Inzicht in de ruimtelijke gedragspatronen

en de perceptie van de toerist is onontbeerlijk

om de toeristische ruimte op een

strategische en duurzame wijze te plannen

en in te richten. In dit perspectief is het vertrouwde

begrip uit de economische geografie

‘clustervorming’ teruggehaald. Clusters

in het toeristische landschap worden

meer en meer gewaardeerd als districten,

gebieden of plekken met een hoge incubatiewaarde

voor creatief ondernemerschap.

De toeristische meerwaarde van bijvoorbeeld

museumdistricten of thematische

routes is inmiddels bekend. Daarbij is een

verschuiving van aandacht waarneembaar

van de ruimte zelf als studieobject, naar

de diverse actoren die de ruimtelijke

veranderingsprocessen sturen of er nauw

bij betrokken zijn. In de praktijk betekent

dit het, in consensus met vele stakeholders,

uittekenen van nieuwe opties voor het

gebruik van de gebouwde omgeving,

van waardevolle gebouwen en plekken.

Mogelijkheden voor de opwaardering van

grijze zones, van routes en commerciële

activiteiten langs die assen, worden eveneens

verkend. Een volgende stap is de inzet

van ruimtelijke planningsinstrumenten

voor een integraal beleid in de toeristische

bestemming (destination management)

en voor een gastvrij doch efficiënt visitor

management. Het implementeren van een

monitorsysteem om de ontwikkeling van

de toeristiciteitsindicatoren te volgen, is

zowel een pro-actieve strategie, namelijk

het snel identificeren van mogelijkheden en

knelpunten, als een effectief beheersinstrument.

Een wetenschappelijk onderbouwd

ruimtelijk beleid impliceert een voortdurend

zoeken naar een duurzaam evenwicht

tussen de economische krachten (waaronder

toerisme) en de sociale waarden en

normen van de verschillende stakeholders.

Dit vereist van de beleidsmakers en het

beleidsondersteunend onderzoek visie op

de coherentie van de plaatsgebonden en

territoriale troeven enerzijds en de globale

impulsen en markttrends anderzijds.

Myriam Jansen-Verbeke (myriam.verbeke@gep.kuleuven.

be) is hoogleraar Toerisme en Geografie aan de KU in Leuven,

België.

Literatuur

Ashworth, G. & A. Dietvorst (1995) Tourism and Spatial

Transformations Implications for Policy and Planning, CAB

International, Wallingford UK

Boers, B. & S. Cottrell (2007) ‘Sustainable Tourism

Infrastucture Planning: A GIS-Supported Approach’, Tourism

Geographies, vol. 9, nr. 1, p. 1-22

ESPON (2006) The Role and Spatial Effects of Cultural Heritage

and Identity, Final Report Luxemburg EU

Hall, M. (2004) ‘Space–time accessibility and the tourist area

life cycle of evolution;

The role of geographies of spatial interactions and mobility in

contributing to an improved understanding of tourism’ Butler,

R. (red.) The tourism area life cycle, Channel View, Clevedon

Jansen-Verbeke, M. & E. Lievois (2004) ‘Urban

Tourismscapes: Research Based Destination

Management’, Smith, K.A. & C. Scott. (red.) Proceedings of the

New Zealand Tourism and Hospitality Research Conference,

p.170-179, Wellington

Lew, A., M. Hall & A. Williams (red) (2004) A Companion to

Tourism, Blackwell, Oxford

Lievois, E. (2007) De geografie van het toerisme in de stad:

bepaling van toeristiciteits-indicatoren en methodiek voor

interactie-analyse, Ph.D. Thesis K.U.Leuven, Leuven

Middleton, M.C. (2002) ‘The Tourist City: A time space analysis’,

Wöber, K. (red) City Tourism, Springer, Wenen

Pearce, D. (2001) ‘An Integrative Framework for Urban

Tourism’, Annals of Tourism Research, 28, nr. 4, p. 926- 946

Shoval, N. & M. Isaacson (2007) ‘Tracking the Tourist in the

Digital Age’, Annals of Tourism Research, 34, nr. 1, p. 141-159


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Stadsplanning met Google Earth in Afrika

P. 290

Coen Beeker

Stadsplanning

met Google Earth

in Afrika

Van Linksboven: Nairobi, Kenia; Bamako, Senegal; Debre Zeit, Ethiopië; Port Sudan, Sudan (bron: Google Earth)


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Stadsplanning met Google Earth in Afrika

P. 291

Vele landen in Afrika hebben rond 1960

hun politieke onafhankelijkheid verkregen.

Dat zorgde voor een versnelling van de

trek naar de urbane centra in de regio.

Deze vlucht biedt stellig nieuwe kansen

maar brengt ook lastige obstakels voor

de betrokken families. De vraag is hoe

de inmiddels tot metropolen uitgegroeide

steden ruimtelijk (her)ingericht

kunnnen worden. Met Google Earth en

bestemmingsplannen kan worden bekeken

of dat mogelijk is.

In 2007 woont de meerderheid van de

wereldbevolking in een urbane omgeving.

In Afrika is het nog niet zo ver maar

dat zal niet lang meer duren omdat de

gemiddelde toename van de bevolking

in de steden ruim vier procent bedraagt.

Ondanks de gevolgen van Aids en andere

ziekten is de natuurlijke aanwas hoger

dan twee procent in deze contreien, met

uitzondering van de regio Zuid Afrika. De

migratie van overwegend jongeren zet zich

onverminderd voort van het platteland

naar de urbane centra. Het vertrek van

jongeren heeft vergaande gevolgen voor de

families in de dorpen. Ouderen en vooral

vrouwen moeten in toenemende mate het

agrarische werk verrichten. Indien jongeren

er in slagen een bron van inkomsten te

verwerven in een urbane omgeving of

elders in het buitenland, wordt van hen een

bijdrage verwacht aan het levensonderhoud

van de achter gebleven familieleden in de

dorpen. Deze wisselwerking is van groot

belang voor alle leden van de familie. Als

lid van een familie heb je talrijke rechten en

verplichtingen. Dit familiale systeem vormt

in Afrika ten zuiden van de Sahara nog

steeds de basisverzekering voor alle leden

die de ongeschreven regels van dit verbond

respecteren. Wie geen oog heeft voor dit

systeem, maakt weinig kans om de achtergrond

en de gevolgen te begrijpen van de

omvangrijke overstap van het platteland

naar een urbane omgeving in Afrika. Allen

die geboren zijn in een dorp maar hun

leven slijten in een stad of metropool zullen

meestal hun best doen om de spelregels

van de eigen familie naar behoren na te

leven. Het netwerk van relaties tussen

familieleden is vooral van belang voor de

voedselvoorziening.

Effecten van het koloniale

tijdperk

Vooral in de eerste helft van de vorige eeuw

hebben Europeanen beslag gelegd op een

deel van de ruimte in Afrika. Dit betrof

geschikte landbouwgrond voor ondernemers

die hier grote bedrijven hebben

neergezet. Ook werden zones afgebakend

voor het beoefenen van mijnbouw en

houtkap. Het koloniale bestuur claimde

ook ruime terreinen voor de inrichting van

villawijken voor de Europeanen die zich

hier korte of langere tijd vestigden. Deze

wijken werden meestal op aantrekkelijke

locaties gevestigd in de nabijheid van

bestaande Afrikaanse nederzettingen. Op

basis van de wetgeving voor de ruimtelijke

planning in het moederland werd in feite

een territoriale scheiding van Europeanen

en Afrikanen vrijwel volledig doorgevoerd.

Voor de komst van de koloniale indringers

werd het collectieve gebruiksrecht op

grond in Afrika vrijwel overal toegepast. Er

bestonden meestal heldere regels voor de

verwerving en het gebruik van grond voor

huisvesting en agrarische exploitatie voor

landbouw en veeteelt. Tijdens de koloniale

periode is dit collectieve gebruiksrecht

op grond deels terzijde geschoven. De

grond die de koloniale bezetter voor eigen

gebruik wenste te benutten op het platteland

en in de urbane centra werd als

particulier eigendom bestempeld en in

een apart kadastraal systeem opgenomen.

Op basis van een ruimtelijk plan werd in


Rooilijn

de urbane centra duidelijk de bestemming

voor het gebruik van deze grond en de

kavelmaat vastgelegd. In dit plan werd ook

omschreven aan welke eisen de bebouwing

diende te voldoen. Ambe J.Njoh schetst in

zijn boek “Urban Planning, Housing and

Spatial Structures in Sub-Saharan Africa”

(1999) de doelstellingen van de koloniale

regelgeving met betrekking tot de urbane

planning in Afrika. Modernisering van

het urbane systeem werd van groot belang

geacht omdat het traditionele beheer en

gebruik van grond als achterlijk werden

beschouwd. Het streven was er duidelijk op

gericht om de inheemse bevolking buiten

de planmatig ingerichte woonwijken voor

Europeanen te houden. Afrikanen moesten

over een toelatingsbewijs beschikken om

zich in deze wijken op te houden. Raciale

en culturele scheiding van de kleine, machtige

Europese minderheid ten opzichte

van de inheemse bevolking was ook het

overheersende kenmerk voor de ruimtelijke

inrichting.

Vijftig jaar geleden werd Ghana onafhankelijk.

Dat wordt dit jaar uitbundig gevierd.

De meeste Afrikaanse landen werden

rond 1960 verlost van het koloniale juk.

De nieuwe politieke Afrikaanse leiders

traden overwegend in het voetspoor van

de voormalige kolonisator. Met recht kan

de vraag gesteld worden wat de effecten

zijn geweest van het postkoloniale beleid

op het terrein van de urbane planning in

Afrika. Er was weinig kader opgeleid om de

tamelijk complexe problemen in de urbane

omgeving te bestuderen en om vervolgens

bruikbare planvoorstellen uit te werken

waarbij rekening zou worden gehouden

met alle bevolkingsgroepen in de steden.

In vele gevallen werd een beroep gedaan op

Europese adviesbureaus bij de opstelling

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Stadsplanning met Google Earth in Afrika

P. 292

Spontane stedelijke ontwikkeling

van structuurplannen voor de snel uitdijende

urbane omgeving in Afrika. Talrijke

steden verdubbelden hun inwonertal in het

eerste decennium na de politieke onafhankelijkheid.

De bestaande regelgeving met

betrekking tot het grondgebruik in urbane

centra en het gebruik van bouwmaterialen

werd meestal klakkeloos overgenomen.

Metropolen in opmars

Het is een opmerkelijk verschijnsel dat

voormalige koloniale hoofdsteden zoals

Dakar, Bamako, Lagos, Nairobi, Kampala

en Dar Es Salaam na de onafhankelijkheid

in hoog tempo zijn uitgegroeid tot

omvangrijke metropolen in Afrika. Hoewel

de begrenzing van het urbane territoir

nogal arbitrair is, worden metropolen in

dit artikel gedefiniëerd als steden met een

inwonertal van tenminste één miljoen

mensen. De rappe urbanisatie staat in

schril contrast met het gevoerde beleid in

de koloniale tijd toen getracht werd om de

Afrikaanse families zoveel mogelijk buiten

de deur te houden. De nieuwe machthebbers

hieven de beperkingen op met betrekking

tot de toegang tot de urbane centra.

Omdat zij de bestaande regelgeving op het

terrein van de ruimtelijke ordening echter

overwegend handhaafden, ontstond er al

spoedig een brede kloof tussen planmatig

ingerichte wijken en talrijke spontane

nederzettingen in het ommeland van de

hoofdsteden.

Via Google Earth kun je alle metropolen

in Afrika van nabij beschouwen. Voor

een planoloog een fascinerende kans om

het urbane territoir te verkennen. De

toeschouwer kan meestal via deze beelden

geplande en spontane nederzettingen

herkennen. Vooral in de voor mij meer

bekende metropolen zoals Ouagadougou


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Stadsplanning met Google Earth in Afrika

P. 293

en Addis Abeba bleek dat eenvoudig te zijn.

Indien je ook kunt beschikken over eerder

genomen luchtfoto’s, kun je veranderingen

in het grondgebruik redelijk vaststellen.

Voor andere aspecten blijf je aangewezen

op eigen waarneming ter plekke of op

beschikbare onderzoeksrapporten. De

economie in de urbane omgeving in Afrika

draait vooral op de handel en dienstensector.

Ook de bouwnijverheid schept veel

werkgelegenheid omdat de vraag naar

woningen en kantoren omvangrijk blijft.

Meestal worden met internationale steun

stuwdammen gebouwd voor de drinkwatervoorziening

en opwekking van elektriciteit.

Met betrekking tot de ruimtelijke

ordening moet echter worden vastgesteld

dat de planningdiensten het hoge tempo

van de urbanisatie niet hebben kunnen

bijsloffen. Deels mag dit op het conto

worden geschreven van de erfenis van de

regelgeving uit het koloniale verleden. De

opgestelde structuurplannen zijn meestal

te hoog gegrepen en niet gebaseerd op de

werkelijk beschikbare middelen in deze

metropolen.

Bouwkavels

Ethiopië en Burkina Faso hebben alle

grond tot nationaal domein verklaard. Het

verwerven van grond in het ommeland

botst in beide metropolen, Addis Abeba en

Ouagadougou, op de bestaande gebruiksrechten

van de aldaar gevestigde families.

Het bieden van een compensatie voor

deze gebruiksrechten aan deze families

blijkt uitvoerbaar. In Addis Abeba worden

vooral nieuwe woonwijken ingericht

voor de meer welgestelde groepen van de

samenleving. Naast de markering van de

beschikbare ruimte conform het bestemmingsplan

worden ook wegen, waterleiding

en elektriciteit aangelegd. De woonkavels

worden toegewezen aan kandidaten die de

prijs voor deze kavels kunnen opbrengen.

Ook moeten deze kandidaten beschikken

over een bankrekening waarop een bedrag

moet zijn gestort waaruit blijkt dat de

kandidaat in staat kan worden geacht een

woning te realiseren die voldoet aan de

gestelde bouweisen. Dit betekent dat men

de muren niet mag bouwen met houten

Plankaart deel Ouagadougou

palen en leem, hoewel tachtig procent

van de bestaande woonruimten in Addis

Abeba wel met deze bouwmaterialen

gerealiseerd zijn! Diverse onderzoekers

hebben dit bouwbeleid aan de kaak

gesteld omdat minder dan een kwart

van de urbane bevolking aan de gestelde

toelatingseisen voor een woonkavel kan

voldoen. Het kan anders. In het ommeland

van Addis Abeba is in de periode

1997-1999 een proefproject uitgevoerd

om weinig bedeelde huishoudens een

eerlijke kans te bieden om op een reguliere

wijze een woonplek te verwerven. Met een

investering van minder dan vijftig Euro

per woonkavel konden alle huishoudens

met een inkomen van minder dan twee

Euro per dag (dat betreft minstens vijftig

procent van de urbane samenleving)

meedingen naar een woonkavel. Via een

publieke verloting werden de beschikbare

kavels toegewezen. Aan de kandidaten is

vervolgens een “bouwpakket” ter waarde

van zestig Euro toegewezen in de vorm

van een terug te vorderen lening. Iedere

kavelbezitter moest per maand een euro

terugbetalen aan een nog steeds bestaand

roulerend fonds. Tijdens mijn laatste

bezoek in 2006 bleek dat de 450 kavelbezitters

reeds zeven jaar hadden voldaan

aan deze verplichting. Het in 1998

getekende bestemmingsplan voor het

ommeland van Addis Abeba bleek prima


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Stadsplanning met Google Earth in Afrika

P. 294

overeen te stemmen met de satellietfoto

van Google Earth.

In het recent verschenen structuurplan

van Addis Abeba wordt deze methode ook

aanbevolen om een veel groter deel van de

urbane bevolking op een rechtmatige wijze

toegang te verschaffen tot een geplande

woonkavel. De huidige politieke leiders in

Addis Abeba lijken echter vast te houden

aan hun koers om het meer welgestelde

deel in staat te stellen aan hun woonwensen

te voldoen. Dit heeft wel tot gevolg gehad

dat deze leiders in 2005 door een zeer

ruime meerderheid van de kiezers naar

huis zijn gestuurd. In werkelijkheid zijn

ze echter gewoon blijven zitten. Meer dan

honderd opposanten, waaronder de nieuwe

burgemeester van Addis Abeba, kwijnen

inmiddels weg in een stinkende gevangenis.

Dit voorbeeld van Addis Abeba spreekt

boekdelen. Indien politieke machthebbers

in Afrika geen interesse tonen om de bakens

te verzetten, kunnen ook welwillende lokale

leiders en ambtenaren weinig uitvoeren

om de ruimtelijk (her)inrichting breder af

te stemmen op alle groepen in de urbane

samenleving. Hoewel er stellig verschillen

in aanpak bestaan in andere metropolen

in Afrika, blijkt het ruimtelijke beleid in

het postkoloniale tijdperk vooral gericht

op de meer bedeelde helft van de urbane

samenleving. Dit schept in toenemende

mate zorgwekkende problemen voor de

minder draagkrachtige families die zich in

deze metropolen staande pogen te houden.

Urbane velden voor iedereen

Met betrekking tot de inrichting van de

ruimte is eerder gesteld dat de koloniale

spelregels meestal zijn gehandhaafd,

hoewel het publiek van samenstelling is

veranderd. Het cruciale verschil is echter

Geplande stedelijke ontwikkeling

dat voorheen de toegangspoort hoogstens

op een kier werd gezet en na de politieke

onafhankelijkheid in feite wagenwijd

geopend werd. Soms werden omvangrijke

spontane nederzettingen gesloopt, waarna

de bewoners elders nieuw onderdak

moesten zien te vinden. Op de beschikbaar

gekomen ruimte kon vervolgens gebouwd

worden op basis van een bestemmingsplan

waarbij de voorschriften betreffende de

inrichting, de hoogte van de gebouwen en

de te gebruiken bouwmaterialen moeten

worden toegepast. De lokale elite en een

meer gefortuneerde middenklasse heeft

zich deze woonruimte meestal toegeëigend.

Hoewel enigszins aangepast is het gevoerde

ruimtelijke beleid in de koloniale tijd

voortgezet. De beperkt beschikbare middelen

voor de aanleg van infrastructuur en

publieke voorzieningen zijn vooral in de

planmatig ingerichte wijken besteed. Het is

een wat wrange constatering dat de lokale

elite en het buitenlandse kader in 2007 voor

drinkwater beduidend minder betalen dan

de huishoudens die in spontane nederzettingen

in het ommeland van deze metropolen

gevestigd zijn. De kosten voor voeding,

water, energie, onderdak, scholing en medische

verzorging vergen het leeuwendeel van

de vaak moeizaam te verwerven inkomsten

van de minder bedeelde huishoudens.

De migranten die naar een metropool

zijn vertrokken, dragen vaak bij aan de

kosten van het levensonderhoud voor

familieleden in hun dorp van herkomst.

Echter, de kinderen die in de metropool

zijn opgegroeid, blijken op oudere leeftijd

aanmerkelijk minder interesse te hebben

voor het welzijn van hun verre verwanten

in afgelegen dorpen, waar zij vrijwel nooit

op bezoek zijn geweest. Zodra het sociale

vangnet van de familie ondermijnd wordt,


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Stadsplanning met Google Earth in Afrika

P. 295

nemen zij grote risico’s in de metropolen.

Wie verleent hun assistentie bij het

uitbreken van een ziekte, een ernstig

verkeersongeval, het wegvallen van een

bron van inkomsten, het slopen van hun

woonruimte door de overheid? Omdat de

ruime meerderheid van de urbane bevolking

in Afrika met minder dan twee Euro

per dag moet overleven, is het uitgesloten

dat zij in staat zijn te voldoen aan hoge

bouweisen die aan hun woonplek worden

gesteld.

Kiezen voor de inrichting van omvangrijke

urbane velden in het ommeland

van de bestaande metropolen biedt

de beste kansen om de te verwachten

aanwas van de bevolking een reguliere

woonplek aan te kunnen bieden. Het

niveau van de infrastructuur en publieke

voorzieningen zal in deze urbane

velden in de eerste jaren weinig verschil

vertonen met de bestaande nederzettingen

op het platteland. Cruciaal is

echter wel dat iedere woonkavel in een

urbaan veld gemarkeerd is en van een

erkend kadastraal nummer is voorzien.

In Ouagadougou verstrekken de lokale

banken leningen aan de eigenaren

waarbij de waarde van de woonkavel

als onderpand wordt erkend. In deze

metropool zijn in de voorbije kwart eeuw

diverse urbane velden in het ommeland

ingericht, waarbij circa 200.000 nieuwe

kavels beschikbaar zijn gesteld aan alle

groepen van de urbane samenleving van

circa 1.200.000 miljoen inwoners.

In het kader van de Millenniumdoelen

van de Verenigde Naties is het streven

er op gericht om voor 2015 aandacht te

besteden aan het onderdak van tenminste

honderd miljoen bewoners in sloppenwijken.

Om deze doelstelling te realiseren

zullen naast financiële middelen vooral ook

pleitbezorgers moeten worden gevonden,

ongeacht hun nationaliteit, die ter plekke

de beoogde verbeteringen op basis van

creatieve plannen kunnen verwezenlijken.

Echter, indien de internationaal wenselijk

geachte inspanning zal botsen op lokale

weerstand van de politieke elite, dan

dreigen er sombere vooruitzichten voor

tenminste het derde deel van de urbane

bevolking in deze metropolen. In toenemende

mate kunnen dan in de komende

jaren chaotische toestanden ontstaan,

met moeilijk te voorspellen gevolgen. Het

verdedigen van elementaire rechten voor

weinig bedeelde groepen op voedsel, water,

een erkende woonplek met toegang tot

basis, ambachtelijk en voortgezet onderwijs

voor hun kinderen in de metropolen in

Afrika en elders in deze wereld zal nog een

grote inspanning vergen van pleitbezorgers

en onderzoekers in de komende jaren.

Coen Beeker (M.C.Beeker@uva.nl) is gastdocent bij de afdeling

Geografie, Planologie en Internationale Ontwikkelingsstudies

van de Universiteit van Amsterdam.

Literatuur

Kabou, A. (1991) Et si l’Afrique refusait le développement?

L’Harmattan, Paris

Newbold, B. (2002) Six Billion Plus, Population Issues in the

Twenty-first Century, Rowman-Littlefield, Maryland, USA

Njoh, Ambe J. (1999) Urban Planning, Housing and Spatial

Structures in Sub-Saharan Africa, Ashgate-Hants, England

Serbarro, Z. & Z. Zewdie (eds.) (1998) Urban Fields

Development in Ethiopia and other related issues, Ministry of

Works and Urban Development, Addis Ababa


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Stadsontwikkeling Amsterdam op een keerpunt

P. 296

Stadsontwikkeling

Amsterdam op een

keerpunt

Met het inwerking treden van de nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt

het vertrouwde planningsinstrumentarium van streekplan en structuurplan

ingeruild voor regionale en stedelijke structuurvisies. Toelatingsplanologie maakt

plaats voor ontwikkelingsplanologie. Consequentie is dat een streep wordt gezet

onder de reeks Amsterdamse structuurplannen van de laatste decennia; van de

roemruchte Nota’s Binnenstad uit de jaren zestig tot aan het laatste structuurplan

‘Kiezen voor Stedelijkheid’ uit 2003. Betekent het ook dat een heel werkveld

verdwijnt? Integendeel: Amsterdam verkent allerlei nieuwe planvormen om te

sturen aan de ontwikkeling van de stad.

Maurits de Hoog


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Stadsontwikkeling Amsterdam op een keerpunt

P. 297

Als één van de weinige grote steden in

Nederland heeft Amsterdam het instrument

van het structuurplan in de afgelopen

decennia intensief gebruikt om de koers

voor de ontwikkeling van de stad uit te

zetten. Na de grote clash in de jaren zeventig

over cityvorming en metroaanleg en de

keuze voor het compactestadbeleid bleken

structuurplannen een goed middel voor

de achtereenvolgende gemeentebesturen

om consensus te krijgen over de meest

wenselijke interventies in de stad. Conform

de ooit door Niek de Boer bepleite aanpak

werd het structuurplan gehanteerd als

een politiek instrument. In principe

werd het om de vier jaar herzien. Jolles,

Klusman & Teunissen hebben enige jaren

geleden in Stadsplan Amsterdam (2003)

een helder overzicht gegeven van de reeks

Amsterdamse structuurplannen. De

belangrijkste thema’s in de jaren tachtig

en negentig waren de ontwikkeling van

het centrum, de permanente zoektocht

naar aanvullende woningbouwlocaties,

de betekenis van het groen in en om de

stad en de toekomst van de werkgebieden

rond het IJ. Na het besluit om af te zien van

grootschalige cityvorming in de binnenstad

moet allereerst ruimte gevonden worden

om de enorme groei van de dienstensector

op te kunnen vangen. Daartoe wordt in het

structuurplan van 1981 het concept van de

nevencentra geïntroduceerd, goed ontsloten

kantoorterreinen rond de ringspoorlijn en

de A-10, zoals Sloterdijk, Lelylaan, Zuid-

WTC en Amstel 3 in Zuid-Oost. De historische

binnenstad kan zo zijn bijzondere

kwaliteit behouden. De Zuidelijke IJ-oever

wordt in datzelfde structuurplan aangewezen

als expansiegebied voor de binnenstad.

Als de banken en grote advocatenkantoren

begin jaren negentig de omgeving van Zuid-

WTC verkiezen boven de binnenstad en de

IJ-oever, verschuift het perspectief opnieuw.

In 1996 is voor het eerst sprake van de ontwikkeling

van de Zuidas als een internationaal

concurrerend zakenmilieu, gekoppeld

aan de realisering van de Noord-Zuidlijn

en met een directe relatie met Schiphol. In

2003 wordt een derde centrum aangewezen:

het Centrumgebied Zuidoost met een

concentratie van kantoorwerkgelegenheid,

perifere detailhandel en leisurefuncties.

De sturende werking van het structuurplan

komt misschien wel het beste tot uitdrukking

in de aanwijzing van aanvullende

woningbouwlocaties in en om de stad.

Vanaf de introductie van het compactestadbeleid

is gestreefd naar een jaarlijkse

bouwproductie van 5000 woningen, waarvan

3500 echte toevoeging en de overige

vervanging. Het structuurplan van 1985 zet

daartoe naast het Oostelijk Havengebied

en een groot aantal verspreide locaties in

de stad fors in op nieuwe uitleglocaties.

Met omvangrijke uitbreidingen met veel

laagbouw rond de Westelijke Tuinsteden

en in het IJmeer wordt de concurrentie

aangegaan met de groeikernen. In beide

gevallen gaat het om toevoeging van

zo’n 20.000 woningen. De uitbreiding in

het IJmeer kan zelfs doorgroeien tot een

omvang van 40.000 woningen. De hindercontouren

van Schiphol en de betekenis die

toegekend wordt aan groen en water, zorgen

er uiteindelijk voor dat de uitleg in West

beperkt blijft tot Nieuw-Sloten en de Aker.

Nieuw-Oost krijgt in 1996 als IJburg een

omvang van maximaal 18.000 woningen.

Van expansie naar

transformatie

Consequentie van deze beleidskeuze was

dat de druk op het vinden van woningbouwlocaties

in de stad zelf verder toenam.


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Stadsontwikkeling Amsterdam op een keerpunt

P. 298

De opgave verschuift definitief van expansie

naar transformatie. De herbestemming

van slecht gebruikte groengebieden en van

verlaten bedrijventerreinen roept weinig

kritiek op. Voor uitplaatsing van hinderlijke

bedrijven zoals rioolwaterzuiveringsinstallaties

geldt hetzelfde. Dat wordt anders

als het om vitale functies gaat. Waar in

de jaren zeventig nog sprake was van een

verzamelcategorie ‘recreatie, open landschap

en agrarisch gebruik’, is in 1985 een

legenda-eenheid ‘stedelijk groen’ geïntroduceerd,

met daarin alle grote parken en

de ‘koppen’ van de groene scheggen. In

1991 worden groengebieden met bijzondere

waarden aangegeven, in 1996 gevolgd door

de aanwijzing van de Hoofdgroenstructuur.

Slechts in een beperkt aantal gevallen – ter

beoordeling van een speciaal ingestelde

adviescommissie – is het toegestaan binnen

deze Hoofdgroenstructuur gebouwde

functies toe te voegen. Waar het contourenbeleid

op Rijksniveau eind jaren negentig

sneuvelde, werd het groen in en rond

Amsterdam juist onaantastbaar verklaard.

Sportvelden en volkstuinen maken slechts

in een beperkt aantal gevallen onderdeel uit

van de Hoofdgroenstructuur. Het voorstel

uit het structuurplan 2003 om op langere

termijn een aantal van deze sportvelden

en volkstuinen te vervangen door woningbouw

stuitte op zware kritiek. Voorlopig is

van deze optie afgezien.

Het beleid ten aanzien van de werkgebieden

is minder eenduidig. Hoewel al in de loop

van de jaren zeventig duidelijk werd dat

de haven van karakter veranderde en de

scheepsbouw zijn beste tijd gehad had, is

bijvoorbeeld nooit besloten tot een integrale

herstructurering van de bedrijventerreinen

op de IJ-oevers. Stapje voor stapje werd

besloten tot transformatie, te beginnen

met het Oostelijk Havengebied in 1981, de

Houthavens in 1985 en de Zuidelijke IJoever

en een deel van het Zeeburgereiland

in 1991. Het duurde tot 2003 voor een

fundamenteel nieuwe koers uitgezet

werd voor de bedrijventerreinen op de

Noordelijke IJ-oever: het Shell-terrein werd

onderdeel van het grootstedelijk kerngebied,

de Buiksloterham en het NDSM-terrein

werden aangewezen als gebieden met

gemengd wonen-werken en andere dicht

bij de binnenstad gelegen haventerreinen

als stedelijke bedrijventerreinen. Tussen

de regels door tekent zich hier een scherpe

tegenstelling af over het meest wenselijke

werkgelegenheidsbeleid. Pas de opkomst

van de creatieve industrie en het besluit

van Shell om haar laboratoriumfuncties in

Amsterdam te concentreren zorgen voor

een doorbraak. Dit type werkgelegenheid

behoort tot lichte hindercategorieën en laat

zich redelijk tot goed mengen met woningbouw.

Gold bij de aanpak van het Oostelijk

Havengebied nog ‘werken er uit, wonen er

in’, nu wordt rond het IJ juist ingezet op

allerlei vormen van menging.

Menging blijkt ook op de Zuidas een

geschikte formule om aan de enorme

woningvraag in de stad te kunnen blijven

voldoen. Vanaf het structuurplan 2003

wordt op de Zuidas gekoerst op één miljoen

vierkante meter kantoren, maar tevens op

één miljoen vierkante meter woningbouw

en voorzieningen. Deze mengingsstrategie

wordt eveneens gevolgd bij de nieuwbouw

op het Sciencepark en rond station Lelylaan.

Status

Het succes van het structuurplaninstrument

kan worden verklaard uit de

status van het plan. Alle Amsterdamse

structuurplannen sinds 1985 worden

door Gedeputeerde Staten van Noord-


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Stadsontwikkeling Amsterdam op een keerpunt

P. 299

Holland vastgesteld als uitwerking

van het Streekplan Amsterdam-

Noordzeekanaalgebied en later het

Streekplan Noord-Holland-Zuid. Deze op

het eerste gezicht merkwaardige move is

begrijpelijk tegen de achtergrond van de

instelling van de stadsdelen. In het begin

van de jaren tachtig werd afgesproken dat

alle bevoegdheden op ruimtelijk gebied

overgeheveld zouden worden van wat de

‘centrale stad’ ging heten naar de stadsdelen.

Dat wijkt af van de situatie in bijvoorbeeld

Rotterdam. Door het structuurplan

de status van Streekplanuitwerking te

geven ontstond vervolgens de mogelijkheid

de bestemmingsplannen van stadsdelen

formeel te toetsen. Omdat deze toetsing

door Gedeputeerde Staten overgedragen

werd aan het Amsterdamse gemeentebestuur,

hield de centrale stad greep op wat

er in de stad gebeurde. Als sprake was van

strijdigheid met het vigerende structuurplan,

kon een bestemmingsplan op formele

gronden afgekeurd worden. Als bestemmingsplannen

van stadsdelen na invoering

van de nieuwe Wet op de Ruimtelijke

Ordening niet meer formeel getoetst zullen

worden aan een vigerend streekplan c.q. het

Amsterdamse structuurplan, zal de invloed

van de centrale stad flink afnemen.

Structuurplancyclus

De keuze om het structuurplan te hanteren

als een politiek instrument en het regelmatig

te herzien afhankelijk van bestuurlijke

prioriteiten leidde tot een bijzonder

fenomeen in de planningspraktijk: de zogenaamde

structuurplancyclus. Zodra een

structuurplan was vastgesteld, werden in

feite de voorbereidingen voor het volgende

plan gestart. Ontwikkelingen werden

gemonitord en nieuw onderzoek uitgezet.

Nieuwe landelijke bevolkingsprognoses van

het CBS werden doorgewerkt op hun consequenties

voor de stedelijke en regionale

woningbehoefte. Hetzelfde gold in de jaren

negentig voor de economische scenario’s

van het CPB. Binnen het gemeenteapparaat

werd zo een enorme expertise opgebouwd

om de verbinding te kunnen leggen tussen

nieuwe wetenschappelijke inzichten en de

lokale planpraktijk. Om aan te kunnen

sluiten op woonwensen van specifieke

bevolkingsgroepen werden bijvoorbeeld

in de structuurplannen uit de jaren tachtig

eisen opgenomen ten aanzien van de

dichtheden van te realiseren woonmilieus.

Nieuw-Sloten en de Aker in West werden

een stedelijk laagbouwmilieu, bedoeld

voor stedelijk georiënteerde gezinnen

met kinderen. Het Oostelijk Havengebied

kreeg juist hoge dichtheden en leek vooral

geschikt voor stellen en alleenstaanden.

Hoe lastig het is om hier de juiste koers uit

te zetten bleek toen zich in Nieuw-Sloten

en de Aker veel ouderen uit de Tuinsteden

vestigden en het straatbeeld op de eilanden

gedomineerd ging worden door kinderwagens.

In de recente structuurplannen is van

een dergelijke milieudifferentiatie afgezien.

Dat leidt omgekeerd weer tot merkwaardige

contradicties. Bij de vernieuwing van

de Bijlmer en de Tuinsteden verschijnen

laagbouwbuurten pal naast metrostations.

Ontwikkelingsplanologie

Dergelijke contradicties markeren de

overgang van de statische, top-down toelatingsplanologie

naar de meer dynamische,

bottom-up ontwikkelingsplanologie:

“een gebiedsgerichte beleidspraktijk die

inspeelt op de verwachte maatschappelijke

dynamiek, de verschillende ruimtebehoeften

op een nieuwe manier met elkaar

verbindt, steunt op een actieve inbreng

van de belanghebbenden en aandacht


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Stadsontwikkeling Amsterdam op een keerpunt

P. 300

besteedt aan de daadwerkelijke uitvoering”

(Dammers e.a., 2004). In Amsterdam is

met een dergelijke aanpak vooral geëxperimenteerd

in de stedelijke vernieuwing.

Zowel voor de Bijlmer en de Tuinsteden

als voor Amsterdam-Noord zijn in de

jaren negentig structuurvisies avant la

lettre opgesteld. Ze delen wervende titels,

Van de Bijlmer méér maken, Op weg naar

Parkstad 2015, respectievelijk Panorama

Noord, maar opzet en karakter verschillen.

Dat geldt bijvoorbeeld voor de relatie met

de uitvoeringspraktijk. De visie voor de

Bijlmer is opgesteld door het projectbureau

Vernieuwing Bijlmermeer en is bij wijze van

spreken de inleiding bij de eerste fase van

het uitvoeringsprogramma. De visie voor

West is opgesteld door een programmabureau

en functioneert als toetsingskader voor

de meer dan twintig vernieuwingsplannen

van de betreffende stadsdelen. De visie voor

Noord van het stadsdeel is een verbindend

verhaal tussen projecten: zowel lopende

projecten als nieuwe projecten die in de

loop van het interactieve beleidsproces

ontstonden. In alle gevallen leidde dit

maatwerk tot doorbraken in ingewikkelde

maatschappelijke processen, of het nu ging

om de binding van de zwarte middenklasse

aan Zuid-Oost, om een effectieve verdeling

van verantwoordelijkheden tussen

overheid en woningcorporaties in de

vernieuwing van de Tuinsteden of om het

afschudden van het Siberische imago van

Amsterdam-Noord.

De structuurvisies zijn vrijwel een op een

overgenomen in de structuurplannen uit

1996 en 2003. Het is echter wel de vraag

of de voorstellen uit de structuurvisies

de meest effectieve bijdrage zijn aan de

ontwikkeling van de stad als geheel. Was het

bijvoorbeeld niet verstandiger geweest om

de nieuwe wis- en natuurkundefaculteiten

en de internethub, die nu in het Sciencepark

in de Watergraafsmeer gesitueerd zijn, te

combineren met het nieuwe Shell-laboratorium

op de Noordelijke IJ-oever? Was het

wel handig om in te zetten op een nieuwe

metrolijn naar Zaanstad via Noord, terwijl

inzicht in de exploitatiemogelijkheden van

de lijn als geheel ontbrak?

Een Amsterdamse

structuurvisie?

Er zijn verschillende manieren om centrale

sturing wat betreft dergelijke bovengenoemde

vraagstukken ook onder de nieuwe

Wet RO vorm te geven. Allereerst zou

een structuurvisie voor de stad als geheel

antwoorden kunnen bevatten op zulk soort

vragen. Deze zullen echter geen juridische

status hebben. Het lijkt daarom beter om

gebruik te maken van de mogelijkheid in

de nieuwe wet om een verordening op te

stellen voor het regelen van die aspecten van

de stedelijke ontwikkeling, die er echt toe

doen. Bij een structuurplanverordening valt

te denken aan het instandhouden van de

eerdergenoemde Hoofdgroenstructuur en

aan het maken van lange termijn reserveringen

voor water en infrastructuur.

De wateropgave lijkt zich wat betreft

Amsterdam te concentreren in de diepe

droogmakerijen. Daar zal een forse

uitbreiding nodig zijn van het wateroppervlak

om neerslagpieken op te kunnen

vangen. Ook over de toekomstige betekenis

van het IJmeer zijn uitspraken nodig,

hoewel duidelijk is dat dit een kwestie is

die in feite op nationaal niveau geregeld

moet worden. Wat betreft infrastructuurreserveringen

is vooral de ontwikkeling

van het openbaar vervoer aan de orde.

Sinds de Nieuwmarktrellen in 1975 heeft


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Stadsontwikkeling Amsterdam op een keerpunt

P. 301

het stadsbestuur hierin uiterst omzichtig

geopereerd. Het aanvankelijke idee om

af te zien van nieuwe metrolijnen en in te

zetten op een netwerk van bovengrondse

sneltrams, is inmiddels weer verlaten. Met

het besluit uit 1997 om een Noord-Zuidmetrolijn

aan te leggen wordt opnieuw

gekoerst op uitbouw van het metronet.

Dit besluit ging echter niet gepaard met

een helder beeld van mogelijke varianten

voor de wenselijke ontwikkeling van het

netwerk als geheel. Om te voorkomen dat

bijvoorbeeld op de Zuidas over enige jaren

blijkt dat bepaalde lijnen niet of alleen tegen

hoge kosten te realiseren zijn, is het nodig

nu meer expliciet te worden. Datzelfde geldt

voor de ontwikkeling van het tramnet.

Station-Zuid wordt een belangrijk openbaar

vervoerknooppunt. Kunnen we daar straks

met de tram naar toe?

Programma Metropool

Met een structuurplanverordening kunnen

condities geboden worden voor de mogelijke

ontwikkeling van de stad, maar dat is

een betrekkelijk passieve vorm van sturing.

Voor een meer actieve vorm van sturing valt

veel te leren van de ervaringen die de laatste

jaren zijn opgedaan met sturing op basis

van programma’s zoals ISV en het Grote

Stedenbeleid. Het Meerjarenprogramma

Infrastructuur en Transport (MIT) van

het Ministerie van Verkeer en Waterstaat is

een goed voorbeeld uit een verwante sector.

Kenmerkend voor het MIT zijn een vaste

procedure voor het ontwikkelen van projecten

en een set criteria voor het prioriteren

van projecten – welke eerst, welke later en

welke helemaal niet. Ook voor het toekennen

van gelden voor het ‘prachtwijken’programma

van het nieuwe kabinet zullen

ongetwijfeld een procedure en criteria ontwikkeld

gaan worden. Naar analogie van

dergelijke programma’s zou in Amsterdam

geëxperimenteerd kunnen worden met een

Programma Stedelijke Ontwikkeling. Er

bestaat op dit moment wel een Programma

Ruimtelijke Investeringen maar dat

wordt vooral gebruikt om de voortgang

van projecten in de ruimtelijke sector te

monitoren. De afweging om financiële

tekorten op een project te dekken uit het

stedelijke vereveningsfonds wordt nu per

project gemaakt. Een Programma Stedelijke

Ontwikkeling kan een middel zijn om deze

afweging meer integraal en in samenhang

te maken. In welke projecten stoppen we

schaars geworden financiële middelen?

Dan is het wel nodig om veel explicieter

te worden over de doelstellingen van het

beleid.

Het wordt tijd om de woningbouw- en

werkgelegenheidsdoelstellingen na 25 jaar

compactestadbeleid opnieuw te doordenken.

In de afgelopen jaren wordt steeds

duidelijker dat Amsterdam werkt als een

magneet en zich op allerlei terreinen ontwikkelt

tot het centrum van de Randstad.

Daar hoort een voortgaande verstedelijking

bij, tegen alle bevolkingskrimpscenario’s

in. Nieuwe transformatieruimte ontstaat

door herstructurering van de eenzijdige

kantoorterreinen uit de jaren tachtig in

Sloterdijk en Zuid-Oost en een nieuwe

ronde IJ-oevers. Om de attractiviteit van

de stad als vestigingsmilieu en reisdoel te

versterken is echter meer nodig. In feite is

een Programma Metropool nodig waarin

ook uitspraken gedaan worden over detailhandel,

cultuur, onderwijs, sport en zorg;

terreinen, die sinds de jaren zeventig in de

structuurplanning buiten beeld zijn geraakt

maar die essentieel zijn voor de kwaliteit

van de stad. Voor ontwerpers en planologen

valt hier nog een wereld te winnen.

Maurits de Hoog (M.deHoog@dro.amsterdam.nl) is als

stedebouwkundige werkzaam bij de Dienst Ruimtelijke

Ordening van de gemeente Amsterdam.

Literatuur

Dammers, E., F. Verwest, B. Staffhorst & W. Verschoor (2004)

Ontwikkelingsplanologie, lessen uit en voor de praktijk, NAi

Uitgevers Rotterdam, Ruimtelijk Planbureau Den Haag

Jolles, A., E. Klusman & B. Teunissen (red.) (2003) Stadsplan

Amsterdam, toekomstvisies op de ruimtelijke ontwikkeling

van de stad, Dienst Ruimtelijke Ordening Amsterdam, NAi

Uitgevers Rotterdam


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Reinier de Graaf

“Tierelantijnen en het architectuurdenken van

de 21ste eeuw”

Raffael Argiolu & Sabine Meier

Eind jaren negentig heeft het Office for

Metropolitan Architecture (OMA), het

bureau van architect Rem Koolhaas, een

aparte BV opgericht: AMO. Een denktank

die niet alleen in actie komt tijdens de

voorfase van een architectonisch ontwerp,

maar ook bijvoorbeeld meedenkt als het

gaat over de uitbreiding van Schiphol op

een eiland in de Noordzee of de ontwikkeling

van een icoon voor de Europese Unie.

De missie van AMO is om een algemeen

‘architectonisch denken’ toe te passen op

verschillende maatschappelijke domeinen.

Sinds 2002 is Reinier de Graaf directeur

van AMO. Hij legt uit wat de kracht

van AMO is, het belang van China en geeft

zijn mening over het architectuurdenken

van Rem Koolhaas.

“Tierelantijnen en het architectuurdenken van de 21ste eeuw”

P. 302

Hoe liggen de verhoudingen tussen OMA en AMO?

“Vóórdat een architectonisch ontwerp op papier

te zien is, is er meestal al een studiefase aan vooraf

gegaan. Zeker bij het breed denkende en internationaal

opererende architectenbureau OMA. Het onderbrengen

van de studiefase in een aparte BV heeft niet alleen

het voordeel van risicobeperking op financieel gebied.

AMO biedt met het verrichte denkwerk over bijvoorbeeld

een potentiële bouwlocatie of een bepaald programma

van eisen een zelfstandig product. Wij voeren

soms studie-opdrachten uit, die volledig onafhankelijk

zijn van het architectonisch ontwerp.”

Wat voor soort opdrachten zijn dat?

“Een van de dingen die we hebben gedaan is een

onderzoek naar de identiteit van Europa. Het initiatief

van dat project kwam van de Europese Commissie en

had in eerste instantie het doel om het iconografisch

deficit van Europa te verhelpen. Uiteindelijk hebben

we een tentoonstelling ingericht over de geschiedenis

van Europa. Het werd een educatief product dat de

Europese politiek, die bij veel mensen onbekend is,

meer aan de man bracht. De Europese vlag is homogeen

blauw. Dat beeld drukt iconografisch gezien

eigenlijk het omgekeerde uit van wat Europa is. Ieder

land in Europa is bang dat Europa haar nationale

identiteit aantast; dan werkt dit soort beeldtaal niet in

je voordeel. Wij hebben geprobeerd in de nieuwe vlag,

die in de volksmond al ‘de barcode’ wordt genoemd,

tegemoet te komen aan de diversiteit van landen die

Europa vormen. Het moest een symbool worden,

waarin je diversiteit in een oogopslag herkent.”

“Een ander soort opdracht is het project van de

PRADA winkels. OMA kreeg de opdracht winkels voor


Rooilijn

Interview

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 “Tierelantijnen en het architectuurdenken van de 21ste eeuw”

hun producten te ontwerpen en tegelijk werd AMO

gevraagd om na te denken over hun website, de manier

van uitstallen van de mode, en hoe het merk exclusief

kon worden.”

Is het concept van de PRADA winkels uiteindelijk

een niet gewoon een dure variant van eventshopping

geworden?

“Ja.”

AMO heeft ook meegedacht bij het onderzoek of een

eiland in de Noordzee voor de uitbreiding van Schiphol

haalbaar is. Welke ontwerpfilosofie hadden AMO en

OMA?

“Bij de studie over de uitbreiding van Schiphol kwamen

allerlei terreinen samen, zoals politiek, economie en

P. 303

luchtvaarttechniek. Iedereen dacht vanuit zijn eigen

gebied na over dit vraagstuk. Iedereen had zijn specialisme.

En omdat je als architect net als een journalist

nergens wat van af weet, word je per definitie iemand

die het hoofdargument articuleert, alle suggesties verwerkt

en dat vervolgens visualiseert en concretiseert.”

“Als architect ben je permanent bezig met ideeën

aan de man te brengen. Mensen te overtuigen van

het meegaan in vrij moeilijke processen. Of mensen

te overtuigen van hun vooroordelen tegen moderne

architectuur. Net als veel architecten vinden OMA

en AMO vernieuwende, abstracte vormen mooi. Een

hoe democratischer de beslissing over architectuur

wordt, hoe moeilijker. Abstracte kunst is altijd iets

van de elite geweest. In de jaren vijftig hadden we


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

weliswaar een democratie maar die werd in feite

gerund door een elite waarin de moderne architectuur

in relatief ontspannen verhouding tot haar

opdrachtgevers kon staan. Uiteindelijk denk ik dat

moderne architectuur in het geding komt als het

beslissingsproces daarover, ofwel in handen valt van

een zakelijke elite die geen culturele elite is, ofwel

in de handen van iedereen. Tierelantijnen worden

verwacht. En een gebrek aan tierelantijnen is iets dat

je op de een of andere manier in het huidige tijdsgewricht

moet verantwoorden.”

Is dat de toekomst van de architectuur: tierelantijnen?

“Ik denk het niet. In het Midden-Oosten bijvoorbeeld

waar wij nu met een opdracht bezig zijn, staat een hoge

toren die als te saai wordt ervaren. Die krijgt straks de

vorm van een asperge, of een andere soort optopping.

Er komt een steeds grotere extravagantie met een vorm

die totaal niet functioneel is, die eigenlijk irrationeel

is en die vanzelfsprekend bij bosjes wordt gebouwd.

Als je nu iets rechthoekigs neerzet, iets dat rationeel en

functioneel veel beter te verantwoorden is, krijg je het

moeilijker dan wanneer je iets doet wat eigenlijk helemaal

geen argumenten heeft. In een aantal jaren is er

zoveel extravagantie dat de extravagantie weer de norm

wordt en daarmee zelf weer saai wordt. Vervolgens zal

iets wat saai is, weer uitzonderlijk zijn.”

Betekent dat dat jullie bij elke opdracht eigenlijk

vanuit een eigen visie redeneren?

“Wij zoeken als OMA en AMO juist de niches op die

tegen de stroom in te gaan. Wij zijn tegendraads. De

hele reputatie van OMA is gebaseerd op tegendraadsheid.

Dat is de modus operandi van Rem Koolhaas.

Hopende dat de mensen aan de opdrachtgevende zijde

intelligent genoeg zijn om de charme ervan in te zien,

willen wij in ieder geval vasthouden aan die koers.

Anders red je het als architectenbureau niet.”

AMO heeft onlangs een studie gemaakt over het Duitse

Roergebied, een gebied dat niet alleen met een krimp

van de bevolking te maken heeft, maar ook met een

groot aantal leegstaande plekken van kolenmijnen die

“Tierelantijnen en het architectuurdenken van de 21ste eeuw”

P. 304

niet meer in functie zijn. Een bekende uitspraak van

Rem Koolhaas is dat je van elke plaats altijd iets kan

maken, er iets kunt creëren. Wat valt er te creëren op

plaatsen met zoveel krimp?

“Door de krimp in het Roergebied is er een ander

soort gebruik van ruimte. We hebben gezien dat er

themaparken of speeltuinen zijn aangelegd die minder

dan vijf jaar oud waren en in verval zijn geraakt omdat

er geen jeugd is. Enerzijds liggen daar de industriële

ruïnes, maar anderzijds zie je dus ook ruïnes van vier

jaar oud. In dit geval is de cyclus van verval ongekend

kort.”

“Wat wij geprobeerd hebben met de studie in het

Roergebied is een type planning te introduceren dat

omgaat met de afwezigheid van groei. Plannen met

groei is zoals het sturen van een motorboot waar je van

tevoren kan zeggen “daar ga ik heen”. Terwijl plannen

met krimp is als het spelen met een zweefvliegtuig.

Je moet wachten op de wind. Het is een veel minder

normatieve planning. Met de krimpgebieden in Europa

zou je kunnen experimenteren om heel anders met

‘illegalen’, immigratie en heel anders met normen,

regelgeving en beleid om te gaan. Maak bijvoorbeeld

zones in het Roergebied met uitzonderingen zoals

het herkennen van diploma’s, die in niet-Europese

landen behaald zijn. Of stel veel minder eisen aan

starterbedrijven. Zo zouden mensen uit de hele wereld

er tijdelijk kunnen verblijven.”

“Daarnaast hebben we gekeken naar subculturen.

Die zijn in een situatie van groei marginaal. Maar in

een situatie van krimp bestaat er niet meer zoiets als

een mainstream cultuur versus een subcultuur. De

subculturen, de marginalen bij elkaar, vormen dan

eigenlijk een soort norm. Je krijgt een gebruik van de

ruimte zonder een dominante cultuur. Het suburbane

gaat samenvallen met de subculturen. Dit vertaald naar

groepen maakt het mogelijk dat sommige locaties weer

door iedereen kunnen worden geclaimd.”

Een symbool voor groei is China. Er is veel kritiek

geweest op het feit dat Rem Koolhaas bouwt voor

de Chinese staatstelevisie CCTV, een icoon van


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

het Chinese communisme. Tegelijkertijd zitten

veel Nederlandse bedrijven juist te springen om

een opdracht uit China binnen te halen. Is dat niet

hypocriet?

“Ik denk het wel. Onze stellingname is dat het enige

echte wapen om je in de wereld te redden is om je

volledig onafhankelijk op te stellen als architectenbureau.

Je weet dat die kritiek er is, maar toch maak

je een gebouw voor China. Wat is goed en kwaad? De

markteconomie veroordeelt grote delen van Afrika tot

permanente Verelendung en er is nog nooit een systeem

geweest dat zo veel mensen zo snel uit de armoede heeft

geholpen als het communisme. En ik moet zeggen als je

in Rusland werkt, dan is het bijzonder gemakkelijk om

een nostalgie te ontwikkelen naar de tijd van de Sovjet-

Unie. Dat was weliswaar geen democratische staat,

maar wel een poging om andere machten te dienen dan

het geld. Ik wil het communisme niet ophemelen, maar

je kunt het wel zien als een poging om uiteindelijk tot

een vorm van gelijkheid te komen. Als je echt iets wilt

leren van zulke plekken, vereist het dat je in principe

bereid moet zijn om op deze manier te denken. Je

ziet dan dingen in Rusland en China gebeuren die je

houding doen veranderen.”

Zien OMA en AMO, als internationaal opererende

bedrijven, China vooral als markt? Of is China voor

jullie meer dan dat?

“China is meer dan een markt. Maar wat China zal

worden voor de wereld weet nog niemand. Het is goed

voorstelbaar dat het misgaat. Het is dus veel belangrijker

om ervoor te zorgen dat het goed gaat in China.

Want als het namelijk misgaat dan gaat het mis op een

schaal die niet tot China beperkt zal blijven. Stel dat 1,3

miljard mensen zich straks gedragen als westerlingen

die met een snelheid van een komeet het wereldtoneel

betreden! Het effect van die ontwikkeling is dat wij die

dachten de wijsheid in pacht te hebben, die dachten de

blauwdruk voor de wereld in handen te hebben, ons

straks gaan realiseren dat we een minderheid zijn. Dat

is het effect van China. En niet alleen van China, maar

cumulatief van China, India en een groot aantal landen

dat we voorheen als een soort ‘derde wereldlanden’

“Tierelantijnen en het architectuurdenken van de 21ste eeuw”

P. 305

beschouwden. Waar de wereld naar toe moest, werd

hier ontworpen. Dat is voorbij. En of dat een betere of

slechtere wereld zal opleveren? Ja, dat is iets wat nobody

knows. Maar dat het een andere wereld op gaat leveren

dan de huidige is duidelijk. Daarom is het belangrijk je

daarmee bezig te houden.”

“Veel architecten zullen China natuurlijk wel alleen

maar als een markt zien. Dat geldt voor alles wat groeit.

Wat AMO altijd doet als we een opdracht krijgen in een

gebied of land dat we niet kennen, dan ontwikkelen we

er eerst een actieve interesse voor. Op de laatste architectuurbiënnale

bijvoorbeeld deden we een reportage

over het hele Midden-Oosten. Die ging dan helemaal

niet over onze eigen projecten, maar gewoon over de

ontwikkelingen aldaar.”

Rem Koolhaas heeft het met het begrip “junkspace”

over de verloren ruimte tussen architectuur en

stedenbouw. Junkspace symboliseert metropolen die

wanhopig proberen modern te bouwen, maar daardoor

niet modern zijn. Het begrip is gebaseerd op een vrij

pessimistische kijk op de directe toekomst. Wat vindt u

van deze zwarte kijk?

“Ik ben zelf eerlijk gezegd gefascineerd van die zwarte

kijk. Meesters kennen nooit een Happy End. Echt

goede films lopen ook niet per definitie goed af. De

Happy Ends zijn een soort Hollywood-pastiche over de

werkelijkheid heen.”

Raffael Argiolu (r.argiolu@fm.ru.nl) is als promovendus verbonden aan de

vakgroep planologie van de Radboud Universiteit Nijmegen. Sabine Meier

(s.o.meier@uva.nl) is als onderzoeker verbonden aan de Stichting Han

Lammersleerstoel en aan het Instituut voor Migratie en Etnische Studies,

Universiteit van Amsterdam. Beide zijn redactieleden van Rooilijn.


Rooilijn

Recensies

Len de Klerk

De actualiteit van

‘Moderne Planologie’

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Toen uitgeverij Het Spectrum Hans

van der Cammen en schrijver dezes

in 1983 vroeg om een herziening van

Moderne Planologie (1964) van Willem

Steigenga, de eerste hoogleraar

planologie aan de Universiteit van

Amsterdam (1962), waren wij het

er snel over eens dat er een ander

boek geschreven moest worden,

een boek over de ontwikkeling van

het ruimtelijk plan als leidraad en

instrument voor de inrichting van

Nederland op verschillende ruimtelijke

schaalniveaus.

In Moderne planologie staat niet het

ruimtelijk plan centraal, maar de

verstedelijking als sociaal en fysiek-

Recensies

ruimtelijk proces. Terugkijkend past

het boek in een bepaalde historische

fase in de planologie als wetenschap.

Deze fase wordt gekenmerkt

door boeken en artikelen waarin

de nadruk ligt op verklaringen voor

ruimtelijke structuurveranderingen,

de ruimtelijke vormen en patronen die

deze veranderingen aannemen en de

wenselijkheden die daarover worden

uitgesproken. Ze gaan dus over verstedelijking

en we vinden er tekeningen

en schema’s in die leidend zijn voor

een goede verstedelijking. Een bekend

boek van destijds was Urban Land Use

Planning van F. Stuart Chapin (eerste

twee drukken) waarin inhoudelijkruimtelijke

theorieën over spreidingspatronen

van verstedelijking, krachten

of waarden die de ruimtelijke verandering

sturen en methoden en technieken

van ruimtelijke planvorming worden

behandeld. De volgende historische

fase in de planologie als wetenschap

werd ingeluid door boeken zoals Urban

and Regional Planning, A systems

Approach door J. Brian McLouhglin

en Local Government and Strategic

Choice door J.K. Friend & W.N. Jessop

(beide uit 1969). Daarin lag de nadruk

op de vraag hoe ruimtelijke veranderingen

als proces door ruimtelijke

plannen en maatregelen begeleid

en gestuurd konden worden vanuit

de overtuiging dat zulke processen

als vormen van strategische besluitvorming

moeten worden opgevat.

Daaropvolgend is onder invloed van het

werk van Andreas Faludi planning in

de wetenschap meer en meer als een

zelfstandig beleidsvehikel beschouwd,

min of meer los van een inhoudelijk

object. Hiermee deed de invloed van

P. 306

de ‘openbare bestuurskunde’ haar

intrede, die al in de vroege jaren vijftig

door onder andere Herbert Simon was

ontwikkeld.

Herlezing leert dat Steigenga voornamelijk

geïnteresseerd was in de vraag

hoe het land fysiek-ruimtelijk ingericht

moest worden en met welke maatschappelijke

krachten zoals demografische

en economische groei en

sociale structuurverandering rekening

gehouden diende te worden. Met Chapin

had Steigenga gemeen dat de planoloog

vooral studie moet maken van de structurele

veranderingen in het ruimtegebruik

die resulteren uit deze krachten

en dat ruimtelijke (structuur)plannen

daarop gebaseerd moeten zijn. In

tegenstelling tot Chapin behandelde

Steigenga nauwelijks of geen methoden

en technieken van ruimtelijke

planvorming – hoe ontwerp ik een plan

en wat heb ik daarvoor aan materiaal

nodig. Planologie was voor Steigenga

‘het doordenken van de consequenties

der mogelijkheden om de ruimtelijke

orde een bepaalde vorm en structuur te

geven.’ Hij ontleende deze omschrijving

aan de vergeten Maurice Rouge die

planologie (géonomie) omschreef als

de organisatie van de fysieke ruimte tot

‘de best mogelijke wederkerige aanpassing

van ruimte en samenleving’.

Steigenga vatte deze organisatie op als

een sociaal-ruimtelijke constructie.

Dat constructieve van de planologie als

voorbereiding van ruimtelijke ordening

of ruimtelijk beleid was en is weer een

belangrijk kenmerk van het vakgebied.

Het constructieve is verbonden met het

normatieve. Er moet, naar het voorbeeld

van Mannheims planned regu-


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Recensies

lation, gekozen en geregeld worden

om schaarse ruimte te verdelen.

Weten drie of vier automobilisten die

tegelijkertijd een kruispunt naderen,

dat door individuele aanpassing nog

wel veilig en efficiënt te passeren,

bij tientallen tegelijk is opgelegde

verkeersregeling met sancties

op overtreding noodzakelijk. De

planologie draagt volgens Steigenga

op verschillende manieren bij aan de

ruimtelijke ordening als bestuurlijkpolitiek

beleidsterrein waar de doelen

of waarden worden vastgesteld in

politieke keuzeprocessen. De twee

belangrijkste zijn: door analyse en

interpretatie van de krachten die

tot de bestaande ruimtelijke orde

hebben geleid en door de constructie

van mogelijkheden of modellen

volgens welke de samenleving en

haar ruimtelijke inrichting zich in de

toekomst kunnen ontwikkelen. Heel

consequent is Moderne Planologie

langs deze lijnen opgezet met hoofdstukken

over spreidingspatronen van

bevolking en activiteiten op verschillende

ruimtelijke schaalniveaus, over

de werking van sociale en economische

krachten, over het gebruik

van de ruimte en als laatste over de

verkenning van mogelijkheden. Bij

deze mogelijkheden gaat het om de

spanning tussen de bestaande fysiekruimtelijke

structuren en ruimtelijke

patronen van activiteiten, de onevenwichtigheden

daarin zoals structurele

werkloosheid, welvaartsverschillen

tussen landsdelen, het gevaar van

eenzijdige economische structuren.

Samengevat: het probleem van de

‘evenwichtige structuur’ in hoogverstedelijkte

gebieden.

We worden alweer zo’n twintig jaar vergast

op het verhaal dat planologen en

soortgenoten in de jaren vijftig en zestig

een maakbare samenleving hebben

gepropageerd. Sommigen zullen er

inderdaad van gedroomd hebben, en

wie eigenlijk niet in de wederopbouwtijd.

Natuurlijk, de ruimte werd planmatig

geordend en ingericht op grond van

de overweging dat dat meer collectieve

voordelen dan particuliere nadelen zou

sorteren. Dat was en is de basis van

ruimtelijke ordening als publiek initiatief,

maar dat impliceert niet meteen

de inrichting van de economische en

de sociale structuur van de samenleving

als geheel. Ik kan me niet aan de

indruk onttrekken dat we hier te maken

hebben met een veel te dik aangezet

onderdeel van het postmoderne discours,

dat zo langzamerhand mythische

vormen heeft aangenomen en beslist

geen recht doet aan de dienstbare

positie die de ruimtelijke ordening en

stadsontwikkeling juist hadden tussen

1950 en1970. Naar mijn opvatting zijn

de sociale structureringspretenties van

het ISV- en Grotestedenbeleid en hoe

het allemaal heten mag, minstens zo

groot, zo niet groter dan bijvoorbeeld de

idealistische wijkgedachte anno 1950,

die overigens maar korte tijd en zeer

lokaal invloed had. Het aardige is dat

men bij de in mogelijkheden denkende

Steigenga weinig tot niets terug vindt

van dat zogenaamde maakbaarheidsgeloof.

Integendeel, zijn boek vermaant

om de ordenende hand niet te overspelen

en zuinig en efficiënt om te gaan

met de schaarse ruimte in Nederland

als onderdeel van het verstedelijkte

Westeuropese kerngebied. Aardig hoor,

om zo’n boek nog eens in te kijken.

P. 307

Len de Klerk (L.A.deKlerk@uva.nl) is als

hoogleraar Planologie verbonden aan de afdeling

Geografie, Planologie en Internationale

Ontwikkelingsstudies van de Universiteit van

Amsterdam.

Huib Ernste

Discourse Analysis in

Policy Research - Van

natte vingerwerk naar

wetenschappelijke

validiteit

Brink, Margot van den & Tamara Metze

(red.) (2006) Words matter in policy and

planning Netherlands Geographical

Studies (NGS), No. 344, Netherlands

Graduate School of Urban and Regional

Research, Utrecht, 182 p., ISBN

978-90-6809-385-8

Het is intussen alom bekend dat

beleidsprocessen in hun vorm, methode

en inhoud niet los staan van actuele

maatschappelijke en politieke ontwikkelingen.

Beleidsvoering is allang geen

kwestie van de toepassing van een

‘techniek’ meer. Beleid is een fijngevoelig

en dynamisch spel van de krachten,

posities en praktijken binnen onze

samenleving. Dit houdt in dat concrete

beleidsmaatregelen zijn ingebed in

verschillende maatschappelijke vertogen.

De analyse van beleidsprocessen,

van de betekenis van de inhoudelijke

concepten waarmee ze opereren, van de

politieke achtergronden, van de succesen

faal-factoren, en van de uitkomsten

en doorwerkingen, is dan ook hoofdzakelijk

de analyse van de ontwikkeling

van beleidsrelevante vertogen (‘dis-


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Recensies

courses’). Beleid krijgt daardoor heel

uitdrukkelijk ook een cultureel accent

en wordt tot een vorm van cultuurbeleid.

Met cultuur bedoelen we dan niet cultuur

met een grote ‘C’ maar met een kleine ‘c’.

Dus de betekenis die beleid, beleidsconcepten,

belangen, instituties, waarden

en normen voor de betrokken actoren in

de alledaagse praktijk hebben. Vertogen

zijn een belangrijke uitdrukkingsvorm

daarvan.

Zo’n vertoog of discours, bijvoorbeeld

rondom de Betuwelijn, is echter niet zo

grijpbaar en concreet als het aantal kilometers

aangelegd spoor, de hoeveelheid

geïnvesteerde euro’s of de hoeveelheid

goederen die daarover getransporteerd

moeten worden. Voor veel praktisch

georiënteerde beleidsonderzoekers

blijkt dat vaak te weinig concreet, te vaag

en te moeilijk. Methodische reflectie blijft

daarom (te) vaak achterwege of beperkt

zich tot natte vinger werk. Omdat onze

maatschappij intussen zo complex en

dynamisch is geworden, kunnen we niet

om deze lastig te begrijpen analysetechnieken

heen.

Om in de gaten te krijgen hoe de

verschillende vertooglijnen zich

ontwikkeld hebben of om ze (alleen al)

te identificeren, is een zeer genuanceerd

en gevoelig interpretatie instrumentarium

nodig. Discourse analysis is de

benaderingswijze die daarvoor een

methodisch instrumentarium aanbiedt.

Maar net zoals beleidsvoering zelf niet

meer slechts de toepassing van een

techniek is, is ook de methodische

analyse van beleidsrelevante vertogen

dat niet. De toegepaste analysetechniek

hangt namelijk nauw samen met

de reeds bestaande inzichten in het

functioneren van maatschappelijke

ontwikkelingen. Leggen we bij voorbeeld

de nadruk op belangen- en machtsposities

en machtsprocessen, op regels

en instituties en op de wijze waarop

de verschillende actoren met elkaar

omgaan? Of op de subjectieve uitleg en

de daaraan gekoppelde praktijken die de

verschillende actoren daaraan geven?

Inhoudelijke en methodische reflectie

gaan dus hand in hand. Het is dan ook

niet voldoende vroege toepassingen

hiervan in een Nederlandse context

zoals van Maarten Hajer (1995) van de

plank te halen en opnieuw toe te passen.

Men zal steeds weer opnieuw, in samenhang

met de te analyseren situatie op dat

moment de passende methode moeten

vinden.

Een groep van jonge beleidsonderzoekers

heeft niet lang geleden juist deze

kans gegrepen om gezamenlijk bij de

methode van de discours analyse stil

te staan en na te gaan op welke manier

daar invulling aan gegeven kan worden

bij de analyse van de meest uiteenlopende

beleidsvelden. Deze reiken

van revitalisering van het Bijlmerpark

(Metze), ontwikkelingshulp in de Ukraine

(Pishhikova), het stedelijke piloot programma

URBAN van de Europese Unie

(Dukes), de betekenis van de Parijse

buitenwijken (Reinders), immigratiepolitiek

(Pijpers), plattelandspolitiek

(Boonstra), tot aan waterhuishouding

in het Delfland (Carton en Enserink) en

milieubeleid bij stedelijke vernieuwingsprojecten

(Kamphorst). Aangevuld met

meer algemene methodische reflecties

op discours analyse door David Howarth,

Hendrik Wagenaar en Maarten Hajer,

heeft dit geleid tot een zeer aanbevelenswaardige

door Margot van den Brink en

Tamara Metze geredigeerde bundel. Het

P. 308

vult een gat in de Nederlandse markt, ook

al is de bundel, zoals het in de tegenwoordige

wetenschappelijke wereld betaamd,

in zijn geheel in het Engels geschreven. De

cases geven echter duidelijke voorbeelden

vanuit het Nederlandse beleidsonderzoek,

en maken wat voor sommigen misschien

eerst vaag leek nu een stuk concreter en

helderder. Voor iedere student die zich met

methoden van beleidsonderzoek bezig

houdt, zou dit verplichte kost moeten zijn.

Dit boek blijft dus niet beperkt tot een

technische behandeling van de analysetechnieken

(zie daarvoor bijvoorbeeld

Gee 2005 of als toepassing daarvan

Wagenaar in de hier besproken bundel)

maar laat juist een breed spectrum van

toepassingen in de beleidsanalyse zien.

Wat het echter niet biedt, is een patent

recept voor discours analyse op het gebied

van (omgevings)beleid. Zoiets bestaat

ook helemaal niet. Het geeft daarentegen

heel bruikbare inputs voor de noodzakelijke

eigen reflectie op de methode van

beleidsonderzoek. Niet alleen beleidsonderzoekers,

maar ook beleidsmakers

doen er goed aan delen van dit boek ter

harte te nemen, om daarmee inzicht te

krijgen in de meer culturele aspecten van

beleidsvoering. Maar ook dan kan men

niet verwachten dat men door de lectuur

even leert hoe het beleid morgen anders

en beter ingestoken kan worden. Het

is juist een belangrijke vooronderstelling

van discours analyse dat beleid niet

eenvoudigweg ‘gevoerd’ wordt, maar

dat het voortgedreven wordt door vele

krachten en ontwikkelingen, waarbij de

beleidsmaker er één van is. Juist met deze

analysewijze krijgt men een veel betere en

wetenschappelijk meer valide kijk op de

relevante maatschappelijke ontwikkelingen

en mechanismen.


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Signalement

Signalementen

Huib Ernste (h.ernste@fm.ru.nl) is hoogleraar

Sociaal geografie aan de Radboud Universiteit

Nijmegen.

Literatuur

Gee, J.P. (2005) An Introduction to Discourse

Analysis; Theory and Method, Routledge, London

Hajer, M.A. (1995) The Politics of Environmental

Discourse: Ecological modernization and the policy

process, Clarendon Press, Oxford

Ground up city - Play as a

design tool

Samenstelling: Liane Lefaivre en Döll;

uitgever: 010 Pubishers, Rotterdam,

128 p., ISBN 978-90-6450-602-4,

(Engelstalig), Prijs: 29,50 euro

Wat is er tussen steden en spelen?

Tussen eigentijdse stedenbouwkundige

strategieën en historische kunst? Veel,

volgens Liane Lefaivre en architectenbureau

Döll die in een kleurrijk

boek speelnetwerken en speeltuinen

willen benutten om de stedelijke

kwaliteit te bevorderen. Gebaseerd op

een historisch overzicht van spel en

spelen in de kunst, in de architectuur

en in de stedenbouw heeft kunsthistorica

Lefaivre een theoretisch model

ontwikkeld waarmee spelplekken beter

kunnen worden gebruikt en hun functie

in de stad explicieter gehanteerd kan

worden. Dit theoretische model streeft

ernaar potenties van speelplekken

zodanig toe te passen dat hun gebruik

door kinderen en hun functie als een

ontmoetingsplaats beter wordt benut.

Dit model is getoetst en verder verfijnd

door architectenbureau Döll in twee

herstructureringswijken in Rotterdam,

het binnenstedelijke Oude Westen en

een naoorlogse wijk in Hoogvliet. Het

boek is rijk zowel in beeld en kleur als in

tekstvorm. De lezer komt in aanraking

met onder andere gesprekken,

interviews, een theoretisch essay en

een casus beschrijving. Samenvattende

reflecties en geformuleerde conclusies

ontbreken hier ook niet en deze worden

geïntroduceerd door Henk Döll zelf, de

ontwerper die het model in de casus

heeft getoetst.

Maatwerk – Made to

measure

Auteurs: Addy Stoel en Marianne

Swankhuisen, uitgever: THOTH,

Bussum 160 p., ISBN 978-90-6868-447-

6, (Nederlands- en Engelstalig), Prijs:

24,90 euro

Een aanzienlijk deel van de woningen

in de grote steden is van oudsher in

eigendom van woningcorporaties.

Beslissingen over ingrepen in dit bezit

zijn van invloed op de sociale samen-

P. 309

hang in een buurt en op het stadsbeeld.

Daarmee spelen woningcorporaties een

belangrijke rol bij het vitaal houden van

de veranderende stad. In Maatwerk laten

de Amsterdamse woningcorporaties

Rochdale en de Algemene Woningbouw

Vereniging en hun projectontwikkelaar

Delta Forte zien voor welke keuzen zij

staan bij de vernieuwing van de stad. De

beide corporaties bezitten samen 63.000

woningen in Amsterdam en in de regio.

Aan de hand van zes projectbeschrijvingen

worden in deze publicatie verschillende

soorten ingrepen in de bestaande

stad belicht. De nadruk ligt op de fase

waarin een projectplan tot stand komt,

de initiatieffase. Aan de orde komen

complexgewijze renovatie, restauratie

en transformatie van monumentale

woongebouwen, radicale verandering

van een hoogbouwgebied, multifunctioneel

bouwen in een hoogstedelijke

omgeving en het bouwen van zorgwoningen.

Maatwerk geeft een beeld van de

diversiteit van de bijdragen van Rochdale,

de Algemene Woningbouw Vereniging en

de projectontwikkelaar Delta Forte aan

de toekomst van de stad.


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Column O. Naphta

Gefeliciteerd

Een Medelingenblad dat uitgroeit tot een tijdschrift en de 40

haalt mag worden gefeliciteerd. Men is nog niet eerbied-

waardig, maar heeft dan toch het volle leven bereikt. En

Rooilijn doet dat met een verjongingskuur die gezien mag

Column: Gefeliciteerd

worden.

Er is niets zo aardig als de wereld aan je voorbij te zien trekken

in jaargangen van tijdschriften. Ik heb een verantwoorde

steekproef genomen om Rooilijn door te nemen: steeds de

eerste jaargang van ieder decennium. In de eerste jaargang

van het Medelingenblad trof ik een wetenschappelijk doorwrochte

bespreking aan van een tentamen met 43 geprecodeerde

vragen over de boeken van Chapin, Steigenga en over

de Wet op de ruimtelijke ordening. Met die vragen vielen 1000

punten te verdienen. Allemaal goed zou dus een 10 opleveren.

Na 6 blz. vol tabellen, schema’s en grafieken concludeert

Hans Schenk dat er geen conclusies vallen te trekken. Er

blijkt in de antwoorden ‘een grote variatie in variatiebreedte’

te bestaan. Jullie weten dat ik altijd kwijl van zulke zinnen.

In jaargang 10 (1977) ontpopte de rups Medelingen zich tot de

oranje gekleurde vlinder Rooilijn. Artikelen over democratisering,

inspraak, kollektieven (intellectuelen bepaalden

toen zelf hoe er gespeld moest worden, net zoals ze vonden

dat zij het wel zonder stoplichten op kruispunten konden

stellen) en de wenselijkheid van minder auto’s. Prof dr.

Gerrit Doordouwer interviewde Pieternel die om ideologische

redenen ‘alle banden met de aktieve studenten heeft

verbroken’. Borende professorale vragen zoals ‘Wat bedoel

je daarmee?’ bieden inzicht in Pieternels diepmenselijke

worsteling met de waarheid en haar geschonden vertrouwen

in de medemens die A zegt en B doet. Aan het einde concludeert

Doordouwer dat ‘de pils bijna op is’ net als z’n vragen

en verlokt hij Pieternel tot de wens dat men ‘in staat zal zijn

om de Van Agten buiten de deur te houden, zodat ook meer

principiële punten aan de orde worden gesteld.’ Premier Van

Agt was haar prototype van een A-zegger en B-doener, of

andersom. Enfin, iemand met een facultatief geweten.

P. 310

Jaargang 20 begon in een nieuwe jas. De planologische tijdgeest

wordt weerspiegeld in thema’s zoals milieuzonering,

de weer aantrekkende arbeidsmarkt voor planologen, de

Schipholzone waarin overheid en bedrijfsleven samenwerken,

verouderde bedrijfsterreinen, sociaal beheer, prostitutie

als stedelijke voorziening. Ook de columnist heeft zijn

intrede gedaan. De nieuwe buitengewone hoogleraar Erik

Bussink sprak zijn verontrusting uit over het verbrokkelde

‘gezicht naar buiten’ van het Planologisch en Demografisch

Instituut: ‘Ik denk dat dit niet erg helder is.’ In Groningen was

dat volgens hem wel het geval. Daar was het duidelijk wat

de medewerkers en hoogleraren deden. Het interview met

de jonge hooggeleerde stierf in deze woorden: ‘Doordat ik

pas een paar maanden hier werk kan ik over veel dingen nog

geen oordeel vormen.’

In jaargang 30 (1997) heeft Rooilijn opnieuw een facelift

ondergaan, maar de tijdgeest had daar geen last van:

fietsvriendelijke infrastructuur, ondergronds goederentransport,

de mobiliteit van immigranten, herontwikkeling

van stationslocaties, volkstuinen onder druk en allerlei

wetenswaardigs over de gloednieuwe Vinexlocaties. Het

woord statushouder bestond al, maar zulke opzienbarende

interviews als in vroeger tijden ontbreken. Daarentegen

is de column veel luchtiger van toon geworden, soms

over het vak, vaker over de AMT, de Algemeen Menselijke

Tekortkomingen. Onderwerpen? De Betuwelijn, bestaat die

nog? Klagen als poldermodel, de Tob-100, Haast. Nederland

hield er toen een zelfbenoemde minister van Onthaasting op

na; zij was het gewenste competentieniveau van politieke

vakbekwaamheid duidelijk ontstegen.

‘Hoe doe je dat nou, zo’n column?’ vragen mensen wel eens.

Het standaardrecept: altijd in drie kwartier en altijd dezelfde

inhoud, net zoals boeken van een bepaalde schrijver altijd

maar één thema en complete steden dezelfde inhoud

hebben. Alleen de vorm verschilt en het gaat in dit vak om

de vorm.


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Gefeliciteerd

P. 311

Rooilijn 40 jaar: gefeliciteerd!


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 4 / 2007

Rooilijn in beeld

P. 312

>

4

Grachtengordel (stadsdeel Centrum)0JR


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 4 / 2007 Colofon

P. 230

More magazines by this user
Similar magazines