Untitled - Stichting Papua Erfgoed

papuaerfgoed.org

Untitled - Stichting Papua Erfgoed

EENIGE MAANDEN ONDER

DE PAPOEA'S

DOOR

Mr. H. A. LORENTZ.

BOEKHANDEL EN DRUKKERIJ

VOORHEEN

E. J. BRILL. — LEIDEN.

1905.


BOEKDERKKERIJ voorheen E. J. BRILL. — LEIDEN.


OPGEDRAGEN AAN

Prof. Dr. C. E. A, WICHMANN

LEIDER DER NIEUW GUINEA -EXPEDITIE VAN HET JAAR 1903.


INLEIDING.

De Maatschappij ter bevordering van het natuurkundig

onderzoek in de Nederlandsche koloniën verzocht mij een

reisverhaal samen te stellen van de Nieuw Guinea Expeditie

van 1903. Met genoegen voldoe ik aan dit verzoek, maar

ben bevreesd, dat mijn ongeoefende pen zeer gebrekkig heeft

weergegeven, wat ik wenschte te verhalen. Ik begin mijn

schets te Metu Débi, onze tijdelijke vestiging en spaar den

lezer een verhaal van de reis per mailboot van Holland naar

Indië, dat reeds zoo dikwijls meesterlijk door anderen is

weergegeven, hoewel de verleiding bij mij groot was om

zulks toch te doen, daar de indrukken aan boord van een

schip naar de tropen zoo talrijk en varieerend zijn. Ik heb

dit boek opgedragen aan onzen leider uit hoogachting en

vriendschap en als bewijs, hoezeer ik zijnen persoon gedurende

onze wederwaardigheden heb geapprecieerd en hoezeer ik

zijne werkkracht heb bewonderd; eene werkkracht, die zoo'n

goeden invloed moest hebben op de overige leden der

expeditie.

Wanneer ik mij nu en dan een op- of aanmerking over

land en volk veroorloof, dan dient dit te worden opgevat als


VIII INLEIDING.

afkomstig van iemand, die slechts terloops heeft waargenomen,

maar geen grondige studie van een en ander heeft gemaakt.

De foto's, die gereproduceerd werden, zijn afkomstig van

de clichés van de H.H. J. A. VAN BALEN, J. M. DUMAS,

P. E. MOOLENBURGH, J. W. VAN NOUHUYS EN G. A. J. VAN

DER SANDE.


HOOFDSTUK I.

Metu Débi.

p den 13 den Maart 1903 des voormiddags

ten elf uur en vijftien minuten viel het

anker van het G.SS. „Zeemeeuw", in de

nabijheid van kaap Pi in de Humboldtbaai,

en wij zouden voor geruimen tijd dit gastvrije schip, ons

welwillend door de Regeering ter beschikking gesteld, verlaten.

Het plan was om een huis met „bijgebouwen" op te richten

op het eiland Metu Débi in de Jotefa- of binnenbaai

der Humboldtbaai gelegen. Vandaar uit konden wij dan

tochten ondernemen naar het Sentanimeer en het binnenland,

terwijl de kampongs rondom de Humboldtbaai gelegen

een vruchtbaar veld voor de anthropologie en ethnographie

konden opleveren. Verder zoude er veel verzameld kunnen

worden op zoölogisch en botanisch gebied.

De expeditie bestond uit Prof. Dr. C. E. A. WlCHMANN,

die het geologisch gedeelte voor zijn rekening had genomen;

G. A. J. VAN DER SANDE, Officier van gezondheid

1 e klasse bij de K. N. M., die, behalve dat hij op anthropo-

1


2 Metu Débi.

logisch en ethnographisch gebied zoude werkzaam zijn, voor

de gezondheid van de leden der expeditie zoude zorgen en

Gezicht op de Jotefa- en Humboldtbaai en Metu Débi.

van allen, die hem kwamen consulteeren. Voorts L. F. DE

BEAUFORT, die op zoölogisch gebied zoude werken, terwijl

ik hem daarmede behulpzaam zoude zijn. De expeditie had

zich mede de hulp verzekerd van den heer J. M. DUMAS,

die reeds vroeger op Nieuw Guinea was geweest en onder

anderen van grooten dienst is geweest bij de opname van

het Sentánimeer door H. M. Cerani ¹). Hij was bekend rnet

¹) Voordvacht over de reis van H. M. Ceram in de wateren ter noordkust


Metu Débi. 3

het leven in het oerbosch en vond zijn weerga niet in het

bouwen van hutten met materialen onmiddelijk uit het bosch

gehaald. Voor de botanie was medegegaan de mantri van

's Lands Plantentuin te Buitenzorg met name MAS DJIPJA

en zijn helper ATJIP, ook wel door ons genoemd de ,,zure

Atjip" wegens zijn onaangenaam humeur.

Verder onze jongens: ASSANG voor Professor, JOHARI voor

den dokter, SARIO voor DE BEAUFORT, voor mij INGGU;

allen door tusschenkomst van 's Lands Plantentuin te Buitenzorg

verkregen en MARINGI, een Ternataan, voor DUMAS.

o o ' '

Als jagers hadden \vij van Ternate medegenomen RASS1P

en MARINGI, die vroeger reeds op Nieuw Guinea waren geweest

om paradijsvogels te jagen.

Daarna moet ik nog vermelden, alhoewel met een soort

van wrevel, als ik nog aan hen denk, de dertig koelies of

te wel de vermomde „Dajakkers."

De keuze was gevallen op Dajakkers, omdat DUMAS op

zijnen tocht op de Ambernorivier zooveel genoegen had gehad

van de mannen, die hij had medegenomen van Noord-

Borneo, alwaar hij eene bezitting heeft. Verscheidene zijn

helaas het slachtoffer geworden van de zoo verraderlijke

ziekte de beri-beri. Zij staan bekend als uitstekende roeiers

en deze hadden wij juist noodig voor het oproeien van de

Tami-rivier, ten einde het land zoo ver mogelijk binnen te

dringen. Ons gewerden echter uit Bandjermasin een dertigtal

personen, die alle mogelijke slechte eigenschappen in zich

van Nieuw Guinea in 1901, door H. E. BARON VAN ASBECK, luit. t. zee 2de

klasse, in de buitengewone vergadering der Maatschappij van 22 October 1902.

Maatschappij ter Bevordering van het Natuurkundig Onderzoek der Nederlandsche

Koloniën. Bulletin n°. 41.


4 Metu Débi.

vereenigden, verder waren zij van de meest verschillende

oorden van Indië afkomstig; zelfs bevond zich onder hen

een Arabier ABDULLAH, die hard moest werken voor zijn

miniatuur harem te Bandjermasin. Als uitspanning hielden

deze personen zich bezig met het spel en de gevolgen bleven

dan ook niet uit; diefstal was hun ook niet vreemd.

Van alcoholische dranken, die door de Mohamedanen niet

gebruikt worden, waren zij ook niet afkeerig en overigens was

de bandeloosheid zeer groot bij de aankomst van een boot

der Pakketvaartmaatschappij, een algemeen erkende feestdag

op ons anders zoo kalm eiland; maar hierover later.

Tot onze huisgcnooten behoorden ook een zestal honden

met de volgende namen: Tikoes, aldus gedoopt wegens zijn

muiskleur, die bijzonder schuw was en daardoor zijn dood heeft

gevonden. Bij een tocht in de baai h zij aan land gesprongen,

wij konden haar niet meer vangen en daarna hebben wij

haar nooit weer teruggezien. Wellicht leeft zij thans in een

Papoesche kampong en ondervindt zij dezelfde slechte behandeling

als hare rasgenooten en helpt zij mede tot verbetering

van het Papoesche hondenras. Ten tweede Matjan,

aldus genoemd naar de tijgerkleurige streepen; verder

de Kortstaart, de trouwe volgeling van v. D. SANDE; de

Langstaart; Gigi, een naam, die zij kreeg, omdat zij in

den beginne zoo vlug hare tanden gebruikte en ten slotte

de kleine schuwe Locomotief, die haar naam te danken had

aan haren zonderlingen bouw. Deze honden werden door

ons medegenomen om te dienen als waakhonden en werden

o

door DE BEAUFORT en mij uitgezocht in het zoogenaamde

kettingkwartier te Batavia, waar niet alleen gestraften werden

opgeborgen, maar ook honden, die onbeheerd op straat


Metu Débi. 5

gevonden worden, om daarna afgemaakt te worden. Uit de

ons voorgebrachte viervoeters kozen wij bovengenoemd zestal.

De directeur van het kettingkwartier was zoo vriendelijk

om voor mij zes kooien te laten maken om daarin de honden

aan boord mede te nemen. Nooit zal ik den dag vergeten,

waarop zij in ons hotel arriveerden. Het was reeds

donker, toen ik een lange rij dos à dos het voorplein van

het hotel zag oprijden. Weinig vermoedde ik, dat elk dier

kleine rijtuigen één groote bamboekooi met één hond bevatte.

Toen zij dichter bij gekomen waren, begreep ik wat

deze optocht beteekende; ik dacht met schrik aan den nacht,

dien wij zouden hebben door te brengen", wanneer deze

dieren in hunne taal zouden gaan vragen om uitgelaten te

worden. Gelukkig liep alles goed af en overschreewden zij

het gewone concert der kamponghonden niet.

Ik zal den lezer de beschrijving van al de ellende besparen,

die ik met deze honden heb doorgemaakt aan boord

van de diverse booten, waarmede wij Nieuw-Guinea moesten

bereiken. Ieder, die wel eens aan boord i.s geweest, weet

hoezeer men daar aan netheid en orde gehecht is; verder

dat de Mohamedaan den hond als een onrein dier beschouwt

en niet ten onrechte. Ik was clan ook blij, toen zij goed en

wel op Metu Débi waren aangekomen en was zoo genezen

van deze hondentransporten, dat ik er niet toe heb kunnen

komen om een paar Papoesche honden mede te nemen naar

Holland. Nu heb ik daar natuurlijk spijt van, daar de aldaar

levende dieren een zeer eigenaardig karakter vertoonen en

men toch wel kan aannemen, dat er niet veel honden zijn

ingevoerd, zooals wij dit hebben gedaan. Misschien is er hier

wel sprake" van een oorspronkelijk ras.


6

Metu Débi.

De Papoea gebruikt zijne honden om er mede te jagen,

voornamelijk om wilde zwijnen te drijven of om de jonge

varkens te vangen, die dan te huis worden opgevoed en vet

gemest om later te worden geconsumeerd.'

Het eiland herbergde verder den controleur van het Binnenlandsch

bestuur, P. E. MOOLENBURGH. Deze had, behalve

zijne bedienden, eenige oppassers, die af en toe den tijd

trachtten door te brengen met exercitiën te houden. Als

huisjongen van den controleur wil ik gaarne hier vermelden

Mansinam, een Papoea afkomstig uit de Walckenaersbaai,

die echter geheel geciviliseerd was en ons menigen goeden

dienst heeft bewezen. Zijne foux rires en zijne vroolijkheid

zal ik niet licht vergeten.

De gezaghebber van het G.S.S. de Zeemeeuw had ik bijna

bij de expeditie genoemd, daar hij toch bijna al onze tochten

heeft medegemaakt. In een afzonderlijk hoofdstuk zal ik ons

leven aan boord van de Zeemeeuw behandelen.

Op het eiland waren dok een tweetal toko's, waar ruilmiddelen

verkrijgbaar waren, die door de Papoea's het meest

gewild waren. Ik wil hier eenige regelen wijden aan deze

zoo belangrijke factor voor een verblijf op Nieuw-Guinea:

In de eerste plaats tabak, die van de firma Weduwe VAN NELLE

alleen is gezocht, in de bekende kleine donkerblauwe pakjes;

deze zijn gemakkelijk ia stukken te snijden of in plukjes te

verdeelen naar mate van de waarde van het te koopen voorwerp.

Bij de tabak behoort cigarettenpapier en lucifers.

Sigaren worden niet gevraagd, trouwens in geheel Indië is

dit een lastig artikel wegens het vochtige klimaat. Daarna

komen de kralen, ook dit artikel is zeer aan mode onderhevig

en tijdens ons verblijf waren de kleine kralen alleen


Onze jagers Rassip en Maringi.


Metu Débi. 7

gewenscht. De Papoea's weten deze tot zeer sierlijke voorwerpen

te verwerken, althans in aanmerking genomen de

geringe hulpmiddelen, die hun ten dienste staan. De zoogenaamde

dansschortjes van de Geelvinckbaai,

waarvan ik er eenige door tusschenkomst van

den controleur machtig werd, zijn van zeer

eigenaardige constructie.

Vervolgens komen de messen, die een zeer

belangrijke rol spelen; het zijn de zoogenaamde

Herdermessen, naar ik meen een

Duitsch fabrikaat, die bij ons als keukenmessen

te boek staan.

Weder hooger in waarde zijn de kapmessen

in diverse grootten en ten slotte de bijlen,

die zoo langzamerhand de typische steenen

bijlen zullen verdrijven,

die met

de sagokloppers

de laatste overblijfselen

zijn van

het steenen tijdperk

der Papoea's.

Ook over de

steenen bijlen

Do ut des.

zal ik in een

afzonderlijk hoofdstuk spreken.

Bij de Papoea's, die aan de kust wonen en die in aanraking

komen met de zoogenaamde beschaving is katoen ook

een gewild artikel. Gedragen kleederen zijn veel waard en


8 Metu Débi.

konden wij hiermede voor ons Belangrijke ethnografica koopen.

De toko's op het eiland hadden door ons verblijf eene

groote keus van eetwaren, die een goeden aftrek vonden bij

de koelies, terwijl wij er ook inkoopen deden.

Dat de tokohouder een vreemdsoortig persoon was, bewijst

het volgende:

Op een dag schreef ik een briefje aan den tokohouder of

hij mij ook aan eenige scharnieren kon helpen en kreeg

Huizen der handelaren op Metu Débi.

hierop het volgende typische briefje: „Scharnieren heb ik

ze niet, hangsloten wel".

Verder bevonden zich op het eiland nog huizen van para-


Metu Débi. 9

dijsvogeljagers, waarin deze verblijf houden om de komst van

de schepen der pakketvaart af te wachten. Wanneer mijn

geheugen mij niet al te zeer bedriegt, bevond zich ook een

kleermaker op het eiland; of hij geabonneerd was op een

modejournaal is mij eveneens ontschoten.

Op het eiland zelf wonen geene Papoea's, maar wel op

het vaste land rondom de baai en men treft daar de navolgende

kampongs aan: Tobádi, Ingrås, Ingrau, Kajó Jenbi,

Kajó Intsáu en het met deze in vijandschap levende Nafri

of Wába.

Gezicht op Ingrås.

Gaan wij thans over tot eene nadere beschrijving van

onze diverse woningen. Allereerst het eigenlijke woonhuis,

hetgeen natuurlijk het werk was van onzen bouwmeester

Dumas, die eenen krachtigen steun daarbij vond in de beide


IO Metu Débi.

jagers RASSIP en MARINGI. De vloer was gemaakt van Singaporeplanken,

een slecht soort hout dat wel zeer hard is, maar

waar geen spijker is door te slaan, zonder dat het splijt.

De wanden waren vervaardigd van zoogenaamde gabba-gabba.

Dit is de bladsteel der sago-palm en is u-vormig, zoodat deze

rechtopstaande in elkaar passen, terwijl zij voor de stevigheid

met houten pinnen aan elkaar worden geslagen. Onder

en boven worden zij vastgehouden in een opengehakte bamboe.

Het dak was gemaakt van atap. Het huis werd in tweeën

gedeeld door een breede gang, waarop vijf afgeschoten

kamers uitkwamen; deze vijf kamers waren de respectievelijke

slaapkamers van de leden der expeditie; achter de

kamer van v. D. SANDE bevond zich zijne apotheek en in

het midden daarvan zijne operatietafel.

Voor het huis was eene groote overdekte veranda, waar

groote werktafels stonden, die bedekt waren met voorwerpen

der zoölogie. Gewoonlijk gebruikten wij ook hier onze maaltijden,

te beginnen met de geurige koffie. Hoe dikwijls heb

ik de zon daar zien opkomen met Prof. W., die meende

dat hem nergens ter wereld de koffie en zijne pijp zoo goed

smaakten. Onze veranda hadden wij met een soort van hekwerk

afgesloten om de Papoea's eenigszins op een afstand

te houden. Het was dan ook een zeer groote gunst, wanneer

zij onze woning mochten betreden. Een en ander deden wij

aanvankelijk uit angst voor diefstal, maar wij hebben nooit

iets van dien aard kunnen constateeren.

Direct achter ons huis bevond zich de badkamer, bestaande

uit een groot vat, afkomstig van de Zeemeeuw met

een weinig atap daarom heen, om de nieuwsgierige blikken

der Papoea's af te wenden.


Metu Débi. I I

Evenwijdig met ons huis stond een groote loods, waarin

alle levensmiddelen voor ons en de koelies waren opgeborgen,

verder de ruilmiddelen, die wij van Ternate hadden medegebracht.

Eiken dag ging degene van ons, die met de huishouding

belast was, of zooals v. D. SANDE dit gaarne noemde

o '

de „gamellechef", met onzen kok ASSANG naar de provisiekamer

om het eten uit te geven. Of dit wel ging zooals

„Aaltje de zuinige keukenmeid" zulks aangeeft, betwijfel ik,

maar geen van ons is naar mijn weten ooit met eene hongerige

maag naar bed gegaan.

Aan de andere zijde van het huis stond de keuken met

de daaraan verbonden woning voor onze bedienden. Ieder

die in Indie is geweest, zal begrijpen, dat daar dan ook den

geheelcn dag gekookt werd of liever „gepoft".

Daarnaast kwam het huis van den controleur en geheel

zuidelijk een groote loods, waarin de koelies sliepen. Met

gerustheid hadden wij dit „Klein Monte Carlo" kunnen

noemen, want daar werd eiken nacht gedobbeld en wanneer

wij van eenen tocht uit het binnenland terugkwamen, liepen

de koelies op een draf naar hun geliefkoosd huis om onmiddellijk

met het dobbelspel te beginnen.

Het eten, dat de koelies kregen, was hoogst eenvoudig en

bestond uit twee menu's: rijst met gedroogde visch of rijst

met gedroogd hertenvleesch. Ken en ander werd smakelijk

gemaakt met uien of wel met een kwalijk riekende stof

genaamd „trassi". Wee den dag dat de „gamellechef" het

noodig oordeelde om de gedroogde visch of het vleesch,

dat eenigszins vochtig werd in het provisiehuis, te drogen.

Gelukkig dat het weinig woei op het eiland, vandaar dat de

lucht beperkt werd tot een klein gedeelte van het eiland,


12 Metu Débi.

waar de geurige spijzen werden blootgesteld aan de koesterende

stralen van de zon en in geur wedijverden met de

„trassi". Het toppunt werd echter bereikt, toen wij een

zending gezouten eieren uit Ternate ontvingen, die een voor

een moesten geprobeerd worden. Het resultaat was, dat zij

allen bedorven waren.

Tegen de beri-beri ontvingen de koelies kadjang idjoe

met goelah Java of Javaansche suiker. De koelies lieten de

kadjang idjoe echter ontkiemen en maakten er „sajor" van,

hetgeen geheel tegen de voorschriften was. De werking van

dit voorbehoedmiddel heeft v. D. SANDE dus niet kunnen

constateeren. Het woord „sajor" is moeilijk te verklaren,

het is de eerste en voornaamste toespijs bij de rijsttafel en

is zeer nat van gehalte. Waaruit de sajor bestaat is niet

te zeggen, daar ik er bijna alle levensmiddelen in heb waargenomen.

Het was voor DE BEAUFORT en mij een dagelijksch

genot om het gezicht van Professor te bestudeeren,

wanneer hem de bekende schotel werd gepresenteerd en hij

met den lepel op onderzoek uitging. Gewoonlijk was het

resultaat, dat hij met een diepe zucht den schotel aan zijn

buurman's eetlust overliet.

Ten slotte nog eene sanitaire inrichting waar de zee zorgde

voor de reiniging zonder dat er „getrokken" behoefde te

worden en welk huis tevens dienst deed als vesting van de

Locomotief, die steeds vervolgd werd door Gigi.

Een trouwe vriend is ons langen tijd een kangoeroe geweest,

die helaas tijdens eene korte afwezigheid van ons den dood

vond door onze honden, waarschijnlijk aangehitst door de

koelies. „Kobus", aldus zijn naam, hadden wij een beter lot

waardig gekeurd en wij hoopten, dat hij eens bewonderd


Metu Débi. 13

zoude worden in de Zoölogische tuin te Amsterdam. Hij

mocht zelfs niet mede naar Europa in gepraepareerden

I. F. DE BEAUFORT met Kobus.

toestand, daar men hem onmiddellijk na het gebeurde begraven

had.

Op het eiland liep een prachtige kalkoensche haan rond,

die door de Papoea's voor een hond werd gehouden of

liever zij gebruikten het woord „gónjë" voor dit voor hen

vreemde wezen. Dit was een geschenk van den heer G. J. J.

DE JONG, militair commandant van Ternate. Zijne prachtige

vederen wekten natuurlijk hunne begeerte op, daar zij die


14 Metu Débi.

gaarne gehad hadden om in hun haardos te steken.

Van de planten, die op het eiland groeiden, noem ik in

de eerste plaats de casuarinen 1 ). In voorkomen doen zij

denken aan de larix. Als de wind door de takken' speelde,

dacht men zich een oogenblik in het vaderland, daar het

geluid veel overeenkomst heeft met ruischende dennen.

De nooit ontbrekende klapperboomen, het zekerste teeken,

dat hier menschen wonen, waren ook hier aanwezig, alhoewel

in zeer gering aantal. Eenige papajaboomen tierden welig

bij de woning der handelaren. De zuidpunt van het eiland

was bedekt met rhizophoren.

Uit zaden, die ons gestuurd waren door 's Lands Plantentuin

te Buitenzorg, trachtten wij nuttige groenten te telen

voor de keuken, maar dit mislukte, daar wij dikwijls geruirnen

tijd afwezig waren en de zaadbedden door een of

andere oorzaak vernield werden.

Eenige annanaskronen plantten wij in het door den mantri

voor onze veranda aangelegde plantsoen en ik hoop, dat deze

nu wel vrucht zullen gedragen hebben. Wanneer wij excursies

maakten in de baai, brachten wij steeds planten en

bloemen mede. De zoo welig bloeiende orchide, de Dendrobiurn

Rosenberghi, sierde ook ons tuintje.

Gaan wij thans over tot eene nadere beschrijving van onze

buren, de Papoea's. Zooals ik reeds zeide, woonden zij niet

op het eiland maar op het vasteland rondom de baai. Als

voornaamste kampong in de Jotéfa-baaï komt in aanmerking

Tobádi, gelegen ten noorden van Metu Débi. Deze kampong

schijnt de heerschappij te bezitten over de overige

¹) Casuarina equisetifolia.


Metu Débi. 15

kampongs. Nauw daarmede verbonden zijn de twee kampongs

Ingrås ten zuid-oosten van Metu Débi en bij laag water met het

eiland verbonden en ten oosten van Tobádi het zeer onaanzien-

Gezicht op Tobádi met Karriwarri.

lijke Ingrau. De bewoners van deze drie nederzettingen spreken

dezelfde taal en behooren tot één stam, „Jotéfa" genaamd.

Het is toch een zeer vreemd verschijnsel, dat in dit gedeelte

van Nieuw-Guinea zulk eene verscheidenheid van talen

heerscht. In de Humboldtbaai kwamen toch niet minder dan

drie talen voor, die volgens ons gehoor weinig op elkaar

geleken. Eene gemeenschappelijke taal zooals die in de

Geelvinckbaai bestaat — het Numfoorsch — bestaat hier

niet. Wij hebben bij ons bezoek aan het Sentáni-meer dan

ook door middel van drie tolken met de inwoners moeten

spreken. De juistheid van de inlichtingen, die men vraagt,

lijdt hier natuurlijk zeer onder.



Metu Débi.

In het westen van de buitenbaai, de Humboldtbaai, ligt

op het eiland Kajó, de kampong Kajó Intsáu; in het noorden

dicht bij Kaap Caillé (Tuátja) de kampong Kajó Jembí;

Bewoners van Kajó.

beide bezitten een eigen taal. Deze vijf kampongs leven allen

in de beste harmonie met elkander. Geheel in de N.O. hoek

van de binnenbaai ligt de groote kampong Nafrí of Wába,

die in slechte verhouding rnet de vijf eerstgenoemden leeft.

Zij schijnt een vooruitgeschoven post te zijn van het Sentánimeer.

Ik bracht er slechts een zeer kortstondig bezoek en

wij voelden ons in deze kampong niet zoo op ons gemak

als bij de Tobádiërs, waar wij als het ware als kind aan

huis waren. De bewoners van Nafrí hadden zelfs beweerd,

dat zij ons zouden „pijlen", zooals Dumas zeide, indien wij


Metu Débi. 17

ons bij hen zouden vertoonen. Een dergelijk voornemen

hebben zij gelukkig niet ten uitvoer gebracht, maar een en

ander bracht toch eene verkoeling te weeg en de controleur

was van oordeel, dat wij niet noodeloos het gevaar moesten

opzoeken,

De Papoea's zijn een eigenaardig volk, dat volgens mijne

meening in zijne ideeën niet laag staat. Van kannibalisme

heb ik nimmer iets gemerkt, trouwens hunne voeding was

zoo overvloedig en goed, dat zij een dergelijk excentriek

voedsel niet noodig hadden. Veelwijverij hebben wij evenmin

waargenomen, elk had zijne eigene vrouw en overspel werd

geloof ik zwaar gestraft. Alcoholische dranken gebruikten

zij niet en zij gingen zich hoogstens te buiten aan onmatig

gebruik van tabak. Hun grootste ondeugd was wel de begeerigheid,

maar zij wisten die niet zoo te maskeeren, als

personen met een westersche beschaving. Zij waren vroolijk

en gelukkig; maar hoe kan dit ook anders, want zij hadden

volop te eten, leden geene koude, leefden in een aangenaam

klimaat, gingen voor hun genoegen op de vischvangst en op

de jacht, terwijl de vrouwen voor de mannen op het land

werkten. Mij dunkt, factoren zijn er in voldoende aantal

aanwezig om zich gelukkig te gevoelen en een onbezorgd

leven te lijden.

Hun hoofdvoedsel bestaat uit sago, die, nadat zij geklopt

en gewasschen is, in manden bewaard wordt en voor de

consumptie tot een soort pap wordt bereid. Zout wordt

daarbij niet gebruikt. Van eiken boom krijgt men ongeveer

750 pond meel; men kan zich dus voorstellen, dat, zoodra

de sago in manden in huis staat, er niet veel meer gewerkt

wordt „om de sago". Visch wordt ook zeer veel door hen


I8 Metu Débi

gegeten, de zee levert trouwens een overvloed hiervan op.

Ik zal later eene beschrijving geven van de eigenaardige wijze,

Vrouwen uit de Geelvinkbaai bezig met sagokloppen.

waarop die gevangen wordt. Het varkensvleesch is zeer gewild,

maar komt alleen m aanmerking bij feestelijke gelegenheden.

Wanneer er een varken per prauw uit een naburige

kampong wordt aangevoerd, dan is reeds van verre zichtbaar

of het groot of klein is, daar de roeier naar mate van

de grootte van het dier, het water onder het roeien hoog of

minder hoog met zijn pagaai opgooit. De taro¹) en o(e)bi's²)

vervangen de aardappels. Verder eten zij nog klappernoten,

') Colocasium antiquorum.

²) Batata edulis.


Metu Débi I9

pisangs en suikerriet; men ziet dus, dat hun menu niet zoo slecht

is, wel niet zeer varieerend, maar toch zeer overvloedig. Sommige

Papoea's laten de klappers ontkiemen door ze in lange

rijen aan touwen tusschen staken op te hangen; in de kampong

Kaptíau in de Walckenaersbaaï zagen wij er eenige

duizenden aldus opgehangen. De Tobádiërs eten echter de

klappers versch, zoodra zij van de boomen geplukt zijn; in

dezen ga ik geheel met hunnen smaak mede. De melk van

de jonge klappernoot is een heerlijke dorstwerende drank en

het jonge vleesch gegeten met een lepeltje, handig gemaakt

uit de buitenste wand van de vrucht, heeft een overheerlijke

smaak. Toen wij op Metu Débi arriveerden, had

of het hoofd van de kampong, de zoogenaamde korano, met

name Hamadi, óf wel de raad der ouden besloten, dat er

geen klappers mochten geplukt worden en dat deze moesten

bewaard worden voor een te houden feest. Of zij wellicht

begrepen, dat wij voor hen gevaarlijke concurrenten zouden

zijn, weet ik niet, zeker is het, dat wij onze schade later op

het Sentáni-meer hebben moeten inhalen. Eenmaal echter

heeft de „jente karessori" of onder-korano Kabreeuw ons

vergund om klappers van zijne boomen te plukken. Elke

nuttige boom, d. w. z. een boom, die voedsel voortbrengt,

heeft een eigenaar op Nieuw-Guinea. Ten bewijze worden

dikwijls figuren in den bast van den boom gesneden.

Het bereiden der sago uit de Metroxylon Rumphii en

Sagus geschiedt door de vrouwen; de boom, die in zeer lage

moerassige streken groeit, moet geveld worden, zoodra zij

gaat bloeien, Heeft zij eenmaal gebloeid, dan is zij niets

meer waard voor de sagobereiding en sterft ook spoedig

daarna. Het zoogenaamde sagowasschen geeft eene zeer eigen-


20 Metu Débi

aardige zure lucht, die doet denken aan de run, die gebruikt

wordt door de leerlooiers. Ik herinner mij bij een tocht, die wij

in het binnenland maakten, dat wij de bewoners van die streek

nergens konden vinden, maar de bekende lucht van het

sagowasschen verried toch hunne aanwezigheid. De sago

wordt tot een soort van brei gekookt, die zeer fileert, waardoor,

het mogelijk is deze met twee stokjes te eten.

In de Geelvinkbaai eet men de sago in koeken, die in de

daarvoor bestemde vormen worden gebakken.

Kinderen heb ik de sago wel rauw zien eten, zij knabbelden,

evenals hier de kinderen op een boterham, eenvoudig

op een stuk van een sagoboom, waaruit de sago nog niet

gewasschen was.

Behalve de klappermelk drinken de Papoea's niets dan

water en dat nog wel zeer spaarzaam. Wanneer de Papoea

uit een beekje drinkt, buigt hij zich daarover halverwege en

gooit met zijn hand het water naar boven, dat hij zeer

handig met zijnen mond opvangt. Alhoewel oogenschijnlijk

zeer gemakkelijk, vereischt deze wijze van drinken zeer veel

vaardigheid.

Kan de Papoea niet rooken, dan houdt hij zich bezig met

pruimen. Hij neemt daarvoor vijf a zes pinangnoten ¹) in

zijnen mond, daarna een weinig van de vrucht der betelpeper

2) , vervolgens snoept hij tijdens het pruimen voortdurend

uit zijn kalkdoos. Dit voorwerp is altijd aanwezig in zijn

soggeriedje of draagtaschje.

De kalkdoos is vervaardigd van de vrucht van de Lager

¹) Aréca catechu.

²) Piper Betle.


Metu Débï 21

naria vulgaris, die daarvoor gedroogd wordt en versierd is met

daarin gebrande sierlijke krullen en lijnen, die doen denken aan

hetgeen men thans nieuwe stijl noemt. In dezen koker steekt

een spatel, dikwijls schroefvormig geribt. Wanneer hij nu uit

zijn kalkdoos wil snoepen, schudt hij doos en spatel flink

heen en weer en kleeft de zich daarin bevindende kalk aan

de spatel, die nog vochtig is van de vorige snoeperij. Daarna

likt hij met behagen de spatel af, terwijl hij zijn mond zoo

ver mogelijk opendoet. Een vuurroode kleur is thans zichtbaar,

die zijn oorzaak vindt in de vermenging der drie genoemde

ingrediënten. Natuurlijk is het speeksel, dat hij

overal kwistig deponeert of behendig tusschen de reten

van de vloeren der huizen weet te spuwen, eveneens helder

rood gekleurd. Een uitgekauwde pruim schijnt een niet te

versmaden delicatesse te zijn, want tijdens een dansfeest voor

de karriwarri te Tobádi, zag ik een liefhebbende vader een

dusdanige pruim als bewijs zijner hoogachting geven aan

zijn circa twaalf-jarig dochtertje. Deze verdeelde de bonbon

zusterlijk met eenige vriendinnetjes.

Daar de Papoea meestentijds een geweldige pruim in den

mond heeft, bemoeilijkt dit zeer zijn spreken en is het dan

ook regel, dat men dezelfde woorden door diverse personen

verschillend hoort uitspreken. De taal is niet gemakkelijk en

wij leerden die zeer slecht aan, omdat een van hen Waru ¹}

zeer goed Maleisch sprak en wij dus niet genoodzaakt waren

hun taal te spreken. Waru had voor zijn doen vrij veel van

de wereld gezien, hij was toch verscheidene jaren bij den

resident van Ternate tuinjongen geweest.

¹) Waru beleekent touw, zijne vrouw heette idjë of te wel visch.


22 Metu Débi.

Van eigenlijke kleeding is geen sprake, althans niet bij de

mannen; de vrouwen dragen een rokje, vervaardigd van

geklopte boombast, om het middel vastgehouden door een

rood koord, somtijds versierd met witte schelpjes. De centuurs,

die hier gedragen worden door cricketspelers en die

van voren gesloten worden door een s-vormige slang, hadden

zeer veel aftrek; vooral aan het Sentáni-meer hadden wij


Itjoi van Tobádi.


Metu Débi 23

zeer veel succes met dit ruilartikel. In de ooren dragen de

vrouwen talrijke schildpadden oorringen; ik heb er soms

wel eens een twintigtal in één oor geteld. Dat het oorlel

daardoor eenigszins verlengd was, behoeft geen betoog. Jonge

meisjes dragen dikwerf aan het doorboorde neusschot een

kostbare kraal, waarover ik later zal spreken.

De borst en de rug van de vrouwen zijn dikwijls versierd

met dikke lidteekens in sierlijke vormen. Nevensgaande foto

geeft een zuivere voorstelling, hoe een en ander er uit ziet.

Het haar dragen de vrouwen in lange krulletjes, die met

de daar in de buurt- voorkomende roode aarde ingesmeerd

worden.

Erg aanlokkelijk ziet eene Papoesche dame er niet uit,

vooral als men daarbij nog bedenkt, dat de meeste Papoea's

lijden aan een huidziekte de „cascado"; in werkelijkheid een

schimmelplant, die op de huid der menschen voortwoekert

en die haar steeds doet schilferen. Dit is geen schurftziekte —

scabies— zooals wel eens beweerd wordt. Dat zij er niet op

gesteld zijn, bewijst, dat een . echtpaar op een dag op consult

kwam bij VAN DER SANDE om hun kindje te laten genezen

van die ziekte. Er was slechts een klein plekje op

een der ïichaamsdeelen van het kind.

Een oudere Papoea, aan wien VAN DER SANDE zeer veel

moeite had besteed om hem van deze ziekte te genezen,

verklaarde op een morgen, dat hij wel verder behandeld

wenschte te worden, maar dan moest VAN DER SANDE hem

een jas ten geschenke geven. Hij was schijnbaar in de verbeelding,

dat de geheele behandeling geschiedde ten genoege

van v. D. SANDE.

De mannen gaan bijna geheel naakt, sommigen dragen


24 . Metu Débi.

een schaambedekking. De bewoners van de oostelijk gelegen

kampongs, te zamen Séká, genaamd, ;dragen een penisdopje,

dat gemaakt is uit de vrucht van een Lagenaria

O

Om den hals hebben zij veelal een collier van groote kralen;

om de bovenarmen en kuiten dragen zij gevlochten

banden, en als versiering

op het lichaam

een gevlochten

bandje, dat een

kruis op de borst

vormt.

Bij feestelijke gelegenhedenstoppen

zij in de halsversiering

en de

armbanden reukgras

') en hel rood

gekleurde crotonbladeren.Hetreukgras

geeft aan alle

voorwerpen, die er

mede in aanraking

zijn geweest een

zeer eigenaardigen

lucht, die overal

Versierde Papoea's op Metu Débi.

heerscht waar Papoea's

huizen. In het doorboorde neusschot dragen zij ter

versiering twee aan elkaar verbonden varkenstanden.

¹) Plectranthus- en Amomum-soorten.


Metu Débi.

De linksche figuur stelt voor een kikvorsch (kharáu), de rechtsche

een boog (pembi-tëní).

1. kop (khebür). a. boog (pembi-tëní),

2. achtergedeelte (mëdiwå).

b. pijl ( pembi-natu)

3. rug. (oikoiní).

4. pooten (kharauriè). c. rottanpees van den boog.

5. jonge kikvorschen(kharáu-natu). d. versiering (åne åne).

6. visschenoog (idje windu).

7. bloedzuiger (chine).

25


26 Métu Débi.

De mannen dragen ook dezelfde schildpad-oorringen als

de vrouwen.

Van de tatouage, die veelal bij de mannen op den rug

Het geheel stelt voor een schelp (ábukwe) met den

kop (khebur) van het daaruit kruipende dier.

voorkomt, geef

ik hiervoren en

hiernevens een

schets met de

daarbij door hen

gegeven uitleg-

ging der figu-

ren.

In hunnen net-

ten haarbol ont-

breekt nimmer

een kam, die

voor verschillen-

de doeleinden

gebruikt wordt:

o.a. bij het krabben, opmaken van het haar of nuttigen van

de sago.

Alhoewel ik bij een feest gaarne de sagopap eens had

willen proeven, weerhield mij toch de zonderlinge vork, die

ik daarbij moest gebruiken.

Over den haardracht nog het volgende.

De kleine jongens, die nog niet in den karriwarri zijn,

dragen het haar óf kaal afgeschoren of in een kam, die van

het midden van het voorhoofd naar het achterhoofd loopt. Het

scheren geschiedt aldus: men scheurt een schilfer van den bast

van de bamboe, deze wordt gebogen en daarmede het haar af-

geschrapt. Op de volgende foto is een en ander goed zichtbaar.


Metu Débi. 27

De jongens van de karriwarri en de ouderen draden den

vollen haardos en deze wordt zeer netjes onderhouden, vooral

Het scheren van het haar bij eenen jeugdigen Papoea.

door de Tobádiërs. De jongens van de karriwarri zijn de

ouderen daarin behulpzaam en ik heb ze dikwijls in rijen

achter elkaar zien zitten om elkaar het haar te helpen op-

maken. Om hun haarbol des nachts niet in de war te bren-

gen slapen zij op de zoogenaamde slaapbankjes, een hoogst

eenvoudig en hard hoofdkussen bestaande uit een met snij-

werk versierde lat op twee voetjes. Een zeer eigenaardige

versiering bestaat hierin, dat de haarbol wordt geprüino-

veerd tot bloembed ; daarin worden de bloemen van de

hibiscus gestoken, en de Papoea verschijnt thans met een

vuurroode of gele bol, die schel afteekent tegen de choco-

ladckleur van zijn huid.


28 Metu Débi.

Bij feesten worden lichaam en haarbol ook wel versierd

met kunstige figuren van zwart, rood of wit. De zwarte kleur

verkrijgen zij door roet, de roode van bovengenoemde aarde,

de witte uit kalk.

Bij onze goederen bevonden zich eenige blikjes ripolin;

wij vermaakten ons op een middag een ons zeer bevriende

Papoea, met name UNAI, blauw en wit te schilderen, zoodat het

scheen of hij een aldus gekleurd tricot aan had. Een hoog

boord maakte zijn kleeding volkomen. Het resultaat was, dat

den volgenden dag een groot aantal Papoea's om verf kwamen

vragen; wij maakten natuurlijk gebruik van deze gelegenheid

om onze verf te ruilen tegen gewilde ethnografica. De Papoea

is een volleerde handelsman en ziet niet licht af van een

eenmaal bedongen prijs. Zij begrepen volkomen, dat wij hunne

ethnografische voorwerpen noodig hadden en dagelijks was

het voor de veranda een soort van markt van ethnografica.

Een onafscheidelijk voorwerp is het taschje, waarin de

Papoea alles bewaart, wat hem heilig is. Om te beginnen

hangen hieraan de kostbare kralen. Deze kralen; waarvan

men tot nu toe de herkomst niet heeft kunnen bepalen,

moeten van zeer hoogen ouderdom zijn en dragen den naam

van sembóni's. Het geheele leven der Papoea's is nauw verbonden

met deze kralen. Wanneer een Papoea trouwplannen

heeft, is hij verplicht aan de familie van het meisje een

aantal sembóni's ten geschenke te geven. Daar er betrekkelijk

weinig sembóni's zijn, blijven deze hunne waarde behouden.

De Ternataansche handelaars hebben getracht met

nagemaakte sembóni's paradijsvogels te koopen, maar dit is

niet gelukt; zij onderscheidden onmiddellijk de nagemaakte

van de echte.


Metu Débi. 29

DUMAS beweerde, dat deze zware bruidschat dikwijls een

verhindering voor het huwelijk was en daarom zoo weinig

plaats had. De pokziekte, die daar af en toe heerscht,

dunt mede hunne gelederen sterk, zoodat deze twee omstandigheden

de oorzaakreden zoude zijn, dat de bevolking

daar zoo weinig talrijk is.

Draagtaschje met kalkkoker, links een Khas.

De .sembónis komen in verschillende grootte, kleur en

prijs ¹) voor, terwijl de grootste schat de zoogenaamde „khas"

¹) Sëmboni ± f 1.— azuurblauw; Soewá ± ƒ 2.50 ; Sjar ± f 5.— blauw glas ;

Isjar growaunori ± ƒ2.50; Isjar choi ± ƒ 3.— langwerpig; Chris ± ƒ 0.50

klein geel; Dainjansi ± ƒ 50.— groot geel; Tranjo ± f3.—; Pro tauri ± ƒ 1.—

groen klein.

Extract uit een verslag der Noord-Nieuw-Gniuea-expeditie door P. E. Moo--


30 Metu Débi.

zijn; deze doen denken aan armbanden vervaardigd uit de ziel

van eene oude flesch van groen glas. Zijn de sembónis gewoonlijk

particulier eigendom, de khas' behooren tot het

vermogen van de gemeenschap. Zij worden gebruikt, indien

er om de een of andere reden eene schatting aan een andere

kampong moet betaald worden. Dat zij ook sommige

kralen op zeer hoogen prijs stellen, blijkt hieruit, dat VAN

DER SANDE te vergeefs voor de sembóni's die aan een draagtasch

hingen een dertigtal bijlen bood. In antwoord op het

bod draaide de eigenaar zich lachend om en verdween.

Als wapens hebben de Tobádiërs in de eerste plaats boog

en pijlen, zonder deze ziet men ze bijna nooit, maar de

LENBURGH. Tijdschrift van het Bataviaansch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen,

dl. XLVII, afl. I en 2.


Metu Débi. 31

boog is dan altijd ontspannen. DUMAS had de gewoonte de

rottan, waarmede de boog gespannen wordt, door te snijden,

wanneer een Papoea zich met gespannen boog bij hem vertoonde.

Hij beschouwde dit als eene onbeleefdheid. De

pijlen komen in zeer groote verscheidenheid voor, hebben

alle een afzonderlijken naam en zijn alle voor een bepaald

doel; zoo heeft men vogel-, varkens- en menschenpijlen. De

laatste hebben gewoonlijk een uit been vervaardigde punt.

Als andere wapens gebruiken zij lansen, veelal voorzien van

een bamboepunt. Een kleiner wapen is een dolk uit het

dijbeen van den casuaris geslepen, dien zij door een armband

van den linker bovenarm steken.

Omtrent het karakter der Tobádiërs is mijne bevinding,

dat zij in menig opzicht met kinderen zijn te vergelijken.

Zij zijn vroolijk van aard, bevattelijk voor een aardigheid

en er is bij een vriendelijke behandeling veel van hen gedaan

te krijgen. Hun hebzucht is echter zeer groot en is

merkbaar uit al hunne handelingen: „niets voor niets" is

hunne leus. Toch meende ik op te merken, dat zij een soort

van genegenheid voor ons hadden opgevat; alhoewel ik

onmiddellijk wil toegeven, dat ons verblijf in de Humboldtbaai

voor hen zeer voordeelig was. Toen wij namelijk

eenigen tijd afwezig waren geweest, legde UNAI eene

kinderlijke vreugde aan den dag, toen hij DE BEAUFORT en

mij weer terug zag. Men heeft ons wel eens verweten, dat

wij veel te familiaar met hen omgingen en hen vrijheden

toelieten, die feitelijk niet te pas kwamen. Ik geloof, dat deze

personen zich zeer vergissen en meer het oog hebben gehad

op den omgang tusschen Europeanen en Maleiers of Javanen.

Men moet niet vergeten, dat de Papoea's zich geheel


32

Metu Débi.

vrij en onafhankelijk gevoelen en zeer goed kunnen leven

zonder ons. In hun hart erkennen zij dan ook onze heerschappij

over hen niet. Trouwens het eenigste, waaruit ons

bestuur merkbaar is, bestaat daarin, dat aan den korano een

Nederlandsche vlag en een zwart jasje met goudgalon wordt

uitgereikt. Hij vat dit aldus op, dat bij aankomst van een

schip de drager van het mooie jasje een dubbele portie geschenken

krijgt in den vorm van tabak of kralen. Wij hebben

ons steeds vrij en zonder ooit eenigen last te hebben

ondervonden te midden van hen bewogen en met genoegen

denk ik nog aan de tochtjes, die ik met DE BEAUFORT in

de kampong Tobádi heb gemaakt. Wij namen dan een van

hunne op het land getrokken prauwen en roeiden daarmede

naar het huis van UNAI; bekeken zijn huis en moesten zijne

schatten bewonderen. Hij was onder anderen zeer trotsch

op het bezit van een groote kamferhouten kist.

Mijne vriendschap met UNAI dateerde van het oogenblik,

dat ik hem een soort sirenefluit had cadeau gegeven. Wij

gebruikten deze fluiten om elkaar seinen te geven in het

bosch, daar het niet mogelijk was om elkaar te beroepen.

Deze voorwerpen hadden wij aan een touw om den hals

hangen. Daar nu elke Papoea een voorwerp, wat hem dierbaar

is, om den hals draagt, waren zij van oordeel, dat deze

fluiten voor ons van zeer veel waarde waren. Genoeg om

zijne begeerte nog meer op te wekken, afgescheiden van

het voor hem zoo aanlokkelijke geluid, dat het voorwerp

voortbracht.

Eiken dag kondigde UNAI zijne komst aan door op de

sirenefluit te blazen, maar den dag van ons vertrek bracht

hij het voorwerp wel aan zijne lippen maar met een treurig


Metu Débi. . 33

gebaar Het hij haar vallen, om aan te toonen, in welk een

diep verslagen toestand bij was.

Eens was hij wegens zijn onbehoorlijk gedrag bij den controleur

geroepen en had

daar zoo goed als dit

ging, door middel van

eenen tolk, eene berisping

gekregen. Hij

stond in eene deemoedige

houding alles aan

te hooren; toen hem

gezegd werd, dat hij kon

vertrekken, maakte hij

rechtsomkeert, ontlokte

een schrille toon

aan zijn dierbaar instrument

en wandelde

statig weg, een diplomaat

waardig. Van

hem moet ik nog het

volgende verhalen : Op

den dag van ons vertrek

van Metu-Débi

Unai.

verzocht Unai mij, of

ik hem het genoegen wilde doen om in plaats van in de

vlet van de Zeemeeuw in zijn vaartuig plaats te nemen. Natuurlijk

deed ik dit. Ik had in mijne hand een groot maatglas

en een alcoholweger, omdat ik bang was, dat deze voorwerpen

bij het overbrengen door de koelies zouden gebroken

worden. Hij nam ze mij zeer gedienstig af en deponeerde


34

Metu Débi.

ze zeer voorzichtig onder in zijne prauw. Door de drukte

van het vertrek vergat ik deze voorwerpen en ik bemerkte

mijn verlies eerst, toen wij reeds lang onder stoom waren.

Natuurlijk werd ik druk geplaagd, omdat ik UNAI zoozeer

vertrouwd had en ieder dacht, dat hij ze zich toegeëigend

had, Hoe verheugd was ik, toen ik in Holland een

kistje ontving waarin het maatglas en de alcoholmeter. Ik

hoop, dat ik UNAI nog eens persoonlijk daarvoor zal kunnen

bedanken.

De vrouw wordt door de Papoea's als een minderwaardig

wezen beschouwd, ten minste dit leidden wij hieruit af, dat

de vrouw op het land moest werken en niet mede mocht

doen aan de feestmalen. Toch lieten de vrouwen zich goed

hooren, toen er eens een twist ontstond onder de mannen

over de verdeeling van de buitgemaakte visch. Dit duldden

o

de mannen dan toch wel.

Het visschen geschiedt op de volgende wijze:

De banken, die zich in de Humboldtbaai bevinden, zijn de

plekken, waar de vischvangst plaats grijpt. Een zoodanige

plek wordt door een veertigtal prauwtjes omringd, die het

geheel met een net omspannen. Deze netten zijn voorzien

van keurig gesneden dobbertjes, terwijl het ondereinde verzwaard

is door schelpen. De netten zelf zijn vervaardigd

uit de vezel van den luchtwortel van de Pandanus.

Eenige prauwen gaan nu in de ingesloten ruimte, beginnen

de zich daarin bevindende visch te jagen en trachten

deze met speren of zoogenaamde „séndoni garrim" te

spietsen. De opgejaagde visch tracht nu over het net heen

te springen, maar wordt in den sprong handig door hen in

netjes opgevangen. Wee dengene, die een visch laat ontglip-


Metu Débi. 35

pen. Hij wordt luide uitgejouwd en gehoond. Zoo gaat het

van de eene bank naar de andere.

Visschende Tobádiërs.

Het vischwater in de Humboldtbaai is afgebakend door

denkbeeldige grenzen en de bewoners van Nafrí zouden het

niet gewaagd hebben in de nabijheid van ons eiland te

visschen.

Op schildpadden wordt jacht gemaakt in de open zee met

lange speren; tot mijn spijt heb ik nimmer deze jacht medegemaakt.

Behalve dat de Tobádïërs goede visschers zijn, zijn zij

uitstekende zeilers. Met hunne ranke prauwtjes, voorzien van

één uitlegger en groote zeilen, vervaardigd van Pandanusbladeren,

onderhouden zij een drukke gemeenschap met de

bewoners van Sékå en de meer oostelijk gelegen kampongs ;


36

Metu Débi.

westelijk met die aan de Toráre baai en met Tarfia en

Tanah Merah. Over de zeewaardigheid van deze booten

spreek ik in hoofdstuk III.

Zeilende Papoea's in de Humboldtbaai.

Van de eersten koopen zij varkens, van de anderen de

steenen bijlen, van de laatsten de zoo begeerde met schelpen

versierde centuurs en armbanden.

Gaan wij thans over tot hunne zoogenaamde godsdienst.

Ik zeg zoogenaamd, omdat wij hieromtrent ondanks al ons

vragen en onderzoeken, niets definitiefs hebben te weten

kunnen komen. Wellicht uit wantrouwen werd ons niets medegedeeld,

maar het lijkt mij ook zeer goed mogelijk, dat zij

het niet noodig oordeelden, dat wij de beteekenis van alles


Karriwarri van Tobádi.


Metu Débi. 37

te weten kwamen. Het kan echter ook, dat zij zelf de beteekenis

van deze ceremoniën niet meer weten; er worden

toch door hen ook liederen gezongen in een taal, die zij

zelf niet goed meer begrijpen en niet meer spreken.

In Tobádi bevindt zich een groote tempel, die den naam

van „Karriwarri" draagt. Deze naam heeft niets te maken met

„Korwar", de naam van een afgodsbeeldje in de Geelvinkbaai,

welke naar ik meen daarmede wel eens in verband gebracht

wordt. De Tobádiërs kennen het gebruik van afgodsbeeldjes

niet; wel zag ik beeldjes in hout uitgesneden, maar die stelden

geen afgoden of gestorven familieleden voor.

De dienst in de karriwarri wordt waargenomen door jongens,

die voor den tijd, dat zij daaraan verbonden zijn, daarin

moeten werken en slapen. Zij mogen gedurende dien tijd

geen eigendom bezitten; verwerven zij dit op de een of

andere wijze, dan moeten zij dit onmiddellijk aan de ouderen

afgeven. Zoowel deze jongens, als de voorwerpen, die zich

in de karriwarri bevinden, mogen de vrouwen niet aanschouwen,

zij zouden dan onmiddellijk dood gaan ¹). Vooral de

aanblik van de heilige fluiten, waarop bij feestelijke gelegenheden

wordt geblazen, zoude hen terstond dooden.

VAN DER SANDE is met zeer veel moeite eenige van deze

fluiten machtig geworden; zij werden danig ingepakt naar

ons huis gebracht met het verzoek ze vooral goed weg te

stoppen, opdat de vrouwen ze niet zouden zien. Ik herinner

mij nog zeer goed een algemeene vlucht van de jongens van

de karriwarri, toen hun de komst van eenige vrouwen werd

gemeld.

¹) Tobádisch mábu.


38 Metu Débi.

De eigenlijke tempel heeft den vorm van een groot suikerbrood

met een spits dak, dat ver boven de andere huizen

uitsteekt, en is evenals de overige huizen op palen in zee

gebouwd. De voorzijde van de tempel is door schermen en

schutten gemaskeerd en zoodoende van uit zee niet zichtbaar,

terwijl de ingang behangen is met gras, zoodat de vrouwen

van buiten niet kunnen zien, wat daarbinnen plaats grijpt.

Voor de karriwarri bevindt zich een groot platform van veerkrachtige

planken gemaakt, dat dienst doet als dansplaats.

Op een der palen van het platform is een vrouwenfiguur in

partus afgebeeld, daarboven een krokodil.

Ik zal trachten eene beschrijving te geven van een feest,

dat wij bijwoonden in de karriwarri van Tobádi.

Lang te voren was het reeds merkbaar, dat er feest zoude

zijn, doordat er dag en nacht op de typha's of trommen

werd geslagen en op de heilige fluiten werd geblazen. Een

en ander werd aangevuld met gezang. Op den duur begint dit

te vervelen, alhoewel het gezang niet onwelluidend klinkt.

Het bespelen der fluiten vereischt groote vaardigheid, de

oefeningen hebben plaats diep in het bosch, omdat er geen

valsche en verkeerde tonen in de karriwarri gehoord mogen

worden. Er bestaat eene groote verscheidenheid in deze

fluiten, de bespeling hangt af van den tijd van den dag en

van de omstandigheden. Bij onze komst zaten de ouderen

van dagen, die geen werkzaam deel meer nemen aan de

eigenlijke feestelijkheden, in een kring op het platform.

In hun midelen stonden twee lange rijen ieder van zestien

manden sago. Van uit de karriwarri weerklonk gezang en

voetgetrappel. Wij begaven ons naar het inwendige der

karriwarri, die van de buitenwereld is afgesloten door een


Metu Débi. 39

gordijn van afhangende grashalrnen. Binnen heerscht schemering,

waaraan men eerst moet gewennen om iets te kunnen

onderscheiden, als men uit het schelle daglicht komt.

De karriwarri heeft eenen bijna ronden vloer, waarin hier

en daar eene haardstede, vervaardigd van een groot koraalblok,

waarop hout ligt te smeulen. De vloer is gemaakt

van dunne planken van den pinangpalm. In het midden

staat een groote paal, waaraan de heilige fluiten en trommen

hangen. Aan den muur hangen meerdere van dergelijke

instrumenten, verder varkenskaken en schedels, schildpadschedels

en schalen, pijlen, bogen en ander jachtgereedschap.

Deze voorwerpen schijnen een hooge waarde te hebben,

daar wij in Tobádi nimmer iets uit de karriwarri afkomstig

hebben kunnen koopen. In Nafrí daarentegen was men niet

zoo gehecht aan deze voorwerpen. Het is de gewoonte, dat

er in de karriwarri liefst fluisterend gesproken wordt.

Midden in de ruimte stellen zich twee Papoea's tegenover

elkaar en beginnen om beurten op een fluit te spelen, telkens

maar één toon voortbrengende. De tonen volgen elkaar al

vlugger en vlugger op, de overigen dansen in rijen rond,

terwijl zij met de voeten in de maat op den vloer stampen,

zoodat deze een gelijkmatig golvende beweging krijgt. Zij

dansen een geruimen tijd onvermoeid voort, terwijl het

tempo steeds sneller wordt. De ouderen van jaren zitten op

den grond langs den wand en begeleiden den dans met het

slaan op de trommen en met gezang. De trommen zijn uit

hout gesneden en overtrokken met een leguanenvel en rijk

voorzien van snijwerk. Het tempo wordt gaandeweg langzamer,

totdat de tonen elkaar met lange tusschenruimte opvolgen

om ten slotte geheel op te houden. Daarna komen er weder


40 Metu Débi.

twee nieuwe liefhebbers. Zij staan als twee kemphanen

tegenover elkaar, terwijl zij tijdens het blazen het bovenlichaam

heen en weer bewegen, zooals uit nevensgaande

foto beter zichtbaar is.

Een der aanwezigen neemt plotseling eenige handen vol

asch van een der haardsteden en werpt deze door een kleine

opening in een der zijwanden. Een ander komt daarna

aanloopen met een langen stok, aan welks uiteinde een

groote bos casuarisveeren is bevestigd; hij maakt de beweging,

alsof hij de opening zuivert van de opdwarrelende asch.

Een tweede volgt zijn voorbeeld en ten slotte houden zij de

twee bezems gekruist door de opening. Wellicht een symbolische

voorstelling, maar de beteekenis konden wij niet te

weten komen.

Het dansen vangt daarna weder aan. Op een bepaald sein

stellen alle aanwezigen zich twee aan twee in lange rijen

op, steeds in rythmische beweging op den vloer dansende.

Plotseling klimmen er twee naar boven en slaan op een

langwerpig stuk hout. Het dansen wordt daarna weder wilder.

Langzaam trekken zij naar den ingang van de karriwarn.

Het gezang, dat zij aanheffen wordt nu door de op het

platform zittende oudjes beantwoord, Aan den ingang staat

een hunner met een groot blok met twee handvatten; op

een sein van den korano slaat hij hiermede op den grond.

Daarna stormen allen naar buiten om de manden met sago

naar binnen te brengen. Een varken, dat te voren geslacht

was, wordt in stukken verdeeld, de sago wordt in de potten

gekookt en het voor de Papoea's voornaamste gedeelte

van het feest neemt thans een aanvang: de smulpartïj.

Ieder bezoeker ontvangt eene mand rnet sago en een stuk


Metu Débi. 41

varkensvleesch. De brenger hiervan wachtte natuurlijk op

een klein tegengeschenk.

Het feest duurde nog langen tijd en des nachts werden

wij dikwijls wakker door het geraas der trommen en fluiten.

Komt men op gewone dagen in de karriwarri, dan zijn

de jongens bezig met allerlei werkzaamheden: netten breien,

leguanenvellen over de trommen spannen of het beschilderen

der sagopotten met wonderlijke figuren, die veelal bestaan

uit vischmotieven.

Voor afwisseling slaat een van de jongens op een trom,

terwijl een der ouderen daarbij een zang aanheft, waarbij

alle overigen het refrein zingen. DE BEAUFORT stelde mij

zijne aanteekeningen ter beschikking, waarin de volgende

verzen voorkwamen:

Rarè Rajo

Mama seine api

Sambèro.

Ourêb rechau

gatermadiaai.

Jabè rotti-rottï aai

karchai saimèo

Jabè rotti.

Tiarni-tremo, tremo

rèmahé

rèmahé.

Sejaroe kimbå

Jadoeaai

kimbå.


42 Metu Débi.

Aie oei

aiena-aiena.

Manemeni aaïe

matê

e aaie mè tau.

De beteekenis kon hij slechts gedeeltelijk te weten komen,

daar het een oude taal scheen te zijn, die zij zelf niet goed

rneer kenden. Het eerste couplet gewaagt van den oostenwind

(rajè, rajò), terwijl het tweede vertelt, dat de menschen

naar de hel (oerêb beteekent tegenwoordig duivel) gaan.

Dansende Papoea's op het platform van de karriwarri te Tobádi.

Het vierde handelt over pijlen, het zevende over een kroonduif

(manemenie) op een tak (aaie = hout).


Het inwendige van de Karriwarri te Tobádi.


Metu Débi. 43

Omtrent de dansen noteerde DE BEAUFORT het volgende:

1°. „oetai": gezang met trommen uitsluitend voor mannen,

zooals plaats vindt in de karriwarri.

2°. „djau” : een dans door mannen en vrouwen uitgevoerd

in twee rijen tegenover elkaar staande; mannen en vrouwen

echter afzonderlijk. Zij dansen naar elkaar toe en van elkaar

af; het danstempo bij de mannen is sneller dan bij de vrouwen,

iets wat ook bij de overige dansen het geval is. Bij

deze dans wordt het volgende gezongen:

Simbora

oerasé, oeha

semboni.

3. oénanoéng. Hierbij houden de mannen, zoowel als de.

vrouwen, elkaar vast; zij brengen namelijk hun arm om het

middel van hun buurman en dansen dan in het rond. Zij

zingen hierbij:

Imbona, wawa

Sia, ho!

4. Ibå, door mannen en vrouwen uitgevoerd onder trombegeleiding.

Gezang:

Poekoer anè

njane wajå

aiè.

5. Ibå jondige, een dans met gemarkeerde pas, uitgevoerd

door mannen en vrouwen, waarbij het volgende gezongen

wordt:

Maberewå

Simboaai

Namoi (wé). .


44

Metu Débi.

6. Chries (chriesate) door mannen en vrouwen onder trombegeleiding

verricht, terwijl tevens op een tritonschelp geblazen

wordt, Daarbij behoorend lied:

Nasï

agå

di nasè.

7. Seremè jondige, met de woorden:

sari maiå

pinoå, rariå, wè, wè, åa, wå, wa!

Een zeer eigenaardige vertooning bestaat hierin, dat de

jeugdige dorpsbewoners bij het voor het eerst aanschouwen

van de nieuwe maan, luid schreeuwen, terwijl zij daarbij met

de vlakke hand op den mond slaan.

Om den tijd aan te geven wordt naar den stand van de

zon gewezen, terwijl zij daarbij zeggen: „taap terontène".

Taap beteekent zon, het andere woord aldus.

Een geheel andere vertooning is het zoogenaamde sètan

(duivel) verdrijven. Of dit door hen zelf bedacht is of door

anderen is ingevoerd, wat men uit den naam „sètan" zoude

kunnen afleiden, is mij niet bekend. Hoogst eigenaardig is

de vertooning zeer zeker.

Tijdens een bezoek, dat wij aan de kampong Nafrí brachten,

had deze vertooning plaats. Deze kampong is ongeveer

één uur roeiens gelegen van Metu Débi. Wij roeiden daarheen

met de vlet van de Bensbach, een stoombootje, dat

gestationeerd is te Manokwari en ten dienste staat van het

civiel bestuur. De vlet werd geroeid of liever gepagaaid door

de oppassers van den controleur. Ieder van ons was natuurlijk

rijkelijk voorzien van ruilmiddelen om ethnografica te koopen.


Metu Débi. 45

Voordat wij aan Nafrí kwamen, zagen wij de Papoea's in

een binnenbaai druk bezig met manoeuvreeren in hunne

prauwtjes, luid schreeuwende en het water hoog opgooiende

met hunne pagaaien. Toen wij te Nafrí landden, kwam de

vloot van prauwtjes binnen, wij zagen, dat de gezichten van

de Papoea's zwart gemaakt waren; op hun lichaam hadden

zij allerlei zonderlinge figuren in zwart en rood geschilderd.

Zij waren kwistig met groen versierd. DUMAS vertelde ons,

dat zij zich zoo toegetakeld hadden om niet herkend te

worden door den „sètan". Zij bevonden zich in zeer opgewonden

toestand; zij maakten zwaaiende bewegingen met

armen en beenen en gooiden het water hoog op met hunne

pagaaien. Toen zij dicht bij de kust waren gekomen, sprongen

er verscheidenen te water en liepen ai slingerende en

zwaaiende naar den wal. Sommigen legden pijlen op de gespannen

bogen zonder deze echter af te schieten. Aan land

gekomen, liepen zij als dronken; er waren er, die zich op


46 Metu Débi.

den grond lieten vallen, terwijl op hun gezicht de hevigste

gemoedsbeweging te lezen stond. Allen spoedden zich naar

hunne huizen en kwamen een oogenblik later schoongewasschen

terug en liepen alsof er een oogenblik te voren niets

gebeurd was. DUMAS was van oordeel, dat men toch met

hen voorzichtig moet zijn, als zij zoo opgewonden zijn.

Een dusdanige vertooning zag ik later dikwijls in Tobádi,

maar op veel eenvoudiger schaal.

Nafrí, dat als een vooruitgeschoven post van de bewoners

van het Sentánimeer is te beschouwen, is een dicht bevolkte

kampong en het zal volgens DUMAS ook wel niet lang meer

duren of deze zal de heerschappij krijgen over de Humboldtbaai.

Het is een zeer loffelijke gewoonte om zooveel mogelijk


Metu Débi. 47

de namen te behouden van bergen, rivieren of meren, die

daaraan door de Papoea's zijn gegeven en niet daaraan namen

te geven van personen, daar later bij navraag deze

namen toch onbekend zullen zijn bij de Papoea's. -

Het is zeer eigenaardig, dat de Tobádiërs den naam

Humboldtbaai wel kennen; te Ternate, waarover ik in een

later hoofdstuk hoop te spreken, stelden zij zich aldus

aan de bevolking voor: „ Saja Hummesbaai". Dit moest

natuurlijk beteekenen „ik ben afkomstig van de Humboldtbaai.''

Een ander dusdanig voorbeeld vinden wij in den naam

der kampong Tanah Merah. Dit is Maleisch en beteekent

roode aarde. De Papoea's weten niet goed meer, hoe de

inlandsche naam is. Volgens DUMAS is de Papoesche naam :

Bitiraimuái kisí.

Het is begrijpelijk, dat zij dezen naam tegen een meer

eenvoudigen hebben verruild.

Alvorens mijn hoofdstuk over Metu Debí te sluiten wil

ik nog een schets geven van eenen dag, waarop een boot

O O

der Pakketvaart arriveert. Voor ons was dat een zeer gewichtige

dag, niet alleen, omdat wij dan brieven en berichten

uit het vaderland kregen, maar ook, omdat op dien dag het

verzamelde materiaal ter verzending gereed moest zijn. Hoezeer

apprecieert men op zoo'n dag een brief van vrienden

of familie en met hoeveel graagte worden de mailedities van

de Rotterdammer verstonden.

De vorige dagen kenmerkten zich door drukte met het

inpakken, vooral het zoölogisch materiaal vereischte veel zorg,

omdat zich daaronder zooveel voorwerpen, bevonden geconserveerd

in alcohol in buizen.


48 Metu Débi.

Dank zij het onderricht, dat wij tevoren hadden ontvangen

van Prof. M. WEBER, die door zijne ervaringen geheel op

de hoogte is van het inpakken, en dank zij onze proefexpeditie

die wij te Eerbeek hebben gehouden onder leiding

van Prof. WEBER en zijne echtgenoote, mocht alles naar

wensch afloopen. De meeste zorg en moeite hebben ons de

vogels bezorgd en wij waren altijd blij, wanneer de voorwerpen

droog waren en opgeborgen konden worden in de

kisten. De meeste verzamelden wij toen wij in Metu Débi

waren en toen wij een vast station hadden te Jogga aan het

Sentáni-meer. Het verzamelen en prepareeren gedurende

een tocht leidt tot de grootst mogelijke decepties en het is

treurig om de vogels des avonds te beschouwen, die een

dagreis hebben medegemaakt op den rug van eenen drager.

Veel beter is het om de vogels in hun geheel mede te nemen

op alcohol, maar daarvoor moet er weer een extra

groote bus alcohol mede, wat natuurlijk niet altijd goed

mogelijk is. Ik dwaal echter van mijn eigenlijk onderwerp af.

Zoodra het schip in zicht is, gaat er van de kampong, die

dit het eerst heeft gezien een luid geschreeuw op, dat beantwoord

wordt door de andere kampongs. Wanneer het schip

ten anker ligt, — dit geschiedde gewoonlijk bij een klein eilandje

, het Magdalena-eiland, in de buitenbaai, — weerklinkt

een schot en wij wachtten met ongeduld op het verschijnen

van de stoombarkas met de mail aan boord. De

mail werd in ontvangst genomen door den controleur, die

dus behalve zijne vele ambten ook postcommies was.

Natuurlijk waren wij hem daarin behulpzaam, verlangend

als wij waren om iets uit Holland te hooren. De boot bleef

gewoonlijk slechts eenige uren. Het anders zoo rustige


Metu Débi. 49

eiland kreeg thans een geheel ander aanzien; bedrijvigheid

heerschte alom; Chineezen en vreemde handelaren kwamen

paradijsvogels koopen en de toko van de Nieuw-Guinea

Handelsmaatschappij ontving weer nieuwe voorraad ruilmiddelen

en blikjes, terwijl zij kisten met vogelhuiden daarvoor

in de plaats naar Ternate zond.

Onze kisten werden door de koelies aan boord van de stoombarkas

gedragen en DE BEAUFORT en ik dachten met angst,

hoe alles zoude overkomen. Een der officieren van de „van

Goens" aldus heette de zoogenaamde „Papoeboot" kwam op

het laatste moment onze mail medenemen en de cognossementen

in orde brengen. Wij vulden onze provisiekamer nog

eens aan met desiderata uit de voorraden van het schip

en spoedig brak het oogenblik aan, waarop het voorwerp

der beschaving weder verdween. Ik breng gaarne mijn dank

namens ons allen aan de Pakketvaartmaatschappij voor de

welwillende wijze, waarop zij ons behandeld hebben door de

dienstregeling zoodanig te wijzigen, dat wij om de zes of acht

weken een boot konden venvachten en door ons toe te staan

onze eetwaren aan te vullen uit de aan boord aanwezige

voorraden.

Na het vertrek van de boot, werd de tijd met lezen doorgebracht,

meestal afgebroken door beroeringen in het kamp der

koelies en handelaren, die zich gedrongen gevoelden om dien

dag zich te buiten te gaan aan spiritualiën. De meest gewenschte

drank is port, die. naar ik meen, voor ƒ 0.60 à ƒ 1.— aan

de liefhebbers wordt gesleten. Eens was het zelfs noodig,

dat op bevel van den controleur eenige belhamels vastgebonden

werden aan een paal, ten einde vechtpartijen te voorkomen.

Gelukkig kwamen dergelijke tooneelen slechts op die

4


50 Metu Débi,

dagen Voor en de controleur verbood dan ook verder den

verkoop van deze goedkoope wijnsoorten.

De toeloop van patiënten voor den dokter werd groot en

hij had dan ook zijne handen vol; of het patiënten waren,

zooals hij die wenschte, betwijfel ik, want de verbondenen

kwamen zeer ongeregeld en veelal met vervuilde verbanden

terug. De meesten leden aan groote verwaarloosde beenwonden

en wij waren te kort aan één stuk op het eiland om de

resultaten van eene goede verpleging waar te nemen.

Wij hielden ons ook druk bezig met photographeeren; om

te ontwikkelen werd het bed van v. D. SANDE gemetamorphoseerd

in een donkere kamer. Het is toch beter de opgenomen

platen onmiddellijk te ontwikkelen, dan deze naar

Holland of Batavia te zenden, daar men altijd het groote

gevaar loopt, dat de platen bederven, doordat er licht bij komt.

Nadat de gesteenten rondom de baai door Professor voldoende

waren onderzocht; tochten, waaraan ik steeds de

aangenaamste herinneringen zal blijven behouden, konden

wij langzamerhand gaan denken om onze tenten op te slaan

aan het Sentánimeer.

Versiering aan den voorsteven van een Tobádische prauw.


HOOFDSTUK II.

Het Sentánimeer.

et Sentánimeer is ongeveer 16 K.M. lang

en strekt zich uit van het Oosten naar het

Westen. Het ligt circa één uur loopens van

de Humboldtbaai, de weg loopt eerst door

een sagobosch, doorsneden door tal van kleine riviertjes, die

op zeer primitieve wijze overbrugd zijn door middel van

niet al te dikke boomstammen, terwijl er voor ons op de

critieke plaatsen. leuningen van rottan waren gemaakt. Leveren

deze bruggen geene moeilijkheden op voor de op

bloote voeten loopende Papoeas, die met hunne teenen bijna

even goed kunnen grijpen als met hunne vingers; voor ons

waren zulke passages hoogst onaangenaam en wij gleden bij

een misstap dikwijls tot over de knieën in de modder; het

kopje ondergaan heb ik gelukkig alleen maar van een ander

gezien. De sagopalmen in het moeras geven niet altijd houvast;

ééne soort toch, de Metroxylon Rumphii, heeft zeer scherpe

dorens. Gelukkig was dit gedeelte van den weg slechts zeer kort

en liep de weg vervolgens afwisselend door oerbosch en alang-


52 Het Sentánimeer,

alangvelden; steeds volgt men het door de Papoea's gemaakte

pad, dat hier uiterst breed is, daar er langs dezen

weg veel verkeer is tusschen de bewoners van het Sentánimeer,

de Humboldtbaai en Nafrí. Na met veel inspanning

onder een brandende zon een heuvel te hebben beklommen,

wordt men ten slotte beloond door een mooi vergezicht

over het meer.

Het meer strekt zich blauwwazig uit, omgeven door

heuvels, bezet met alang-alangvelden. Hier en daar zijn

kampongs zichtbaar o. a- Ajápo, Asé en Asser, alle gebouwd

op palen in het meer. De heuvel weder afdalende

komt men aan het meer, na eerst zijn dorst gelescht te

hebben aan een kristalhelder beekje de Otjé, dat in het

Sentánimeer uitstroomt. Bij mijn eerste bezoek vielen mij,

eenige verschillen op omtrent de bewoners en hunne gewoonten

Over het algemeen ziet de Sentániër er niet zoo gesoigneerd

uit, wat zich openbaart in zijn haartooi, die slordig is en

waar. lang niet zoo vee! zorg aan besteed wordt als bij de

Tobadiers. De mannen waren in den beginne schuchter

tengevolge van de mindere aanraking met Europeanen,

Vrouwen zien er nog onsmakelijker uit en wekken zelfs de

lachlust op in Tobádi, waar zij behandeld werden als provincialen.

Cascado komt bijna bij allen voor.

De booten, die op het meer worden gebruikt, zijn van

geheel anderen vorm en hebben geen uitlegger. Het is dan.

ook niet mogelijk om in deze bootjes te varen en men

brengt het na langdurige oefening niet verder, dan daarin

te kunnen zitten zonder om te slaan. De bootjes worden

vervaardigd uit één boomstam, zoodat men begrijpt, dat ze

niet breed zijn. De maten van een dusdanige boot, die ik .


Het Sentánimeer. 53

als curiositeit mede naar huis nam, zijn als volgt: lengte

van den voorsteven tot den achtersteven 5.50 M., breedte

18 cM., diepte 25 cM. Zij worden voortbewogen met één

pagaai, de roeier moet tegelijk sturen en roeien. Een en

ander maakte, dat dit vervoermiddel voor ons onbruikbaar

was. Het is overigens bewonderenswaardig, hoe de Sentániërs

zich in deze bootjes op hun gemak gevoelen; ik zag er

eens een midden in het meer omslaan, maar in een oogwenk

was hij er weer op, want van in de boot zitten is eigenlijk

geen sprake, daar hij met de beenen gekruist voor zich op

den rand rust. Ligt hij stil, dan bewaart hij zijn evenwicht

door aan één kant een been in het water te steken, terwijl

hij aan den anderen kant de pagaai, die zeer sierlijk besne-


54

Het Sentánimeer.

den is, plat op het.water legt. Ook aan den voorsteven zijn

versieringen. Als men dan bedenkt, dat dit kunstgewrocht

gemaakt is uit één boomstam met behulp van een steenen

bijl en een keukenmes, dan moet men wel bewondering

hebben voor dergelijke kunstenaars.

De Sentániërs oefenen de visscherij ¹) ook op eene andere

wijze uit dan de

Tobádiërs. Overal

langs de kust

plaatsen zij in

het meer staketsels,

waar de

visch in een zeker

jaargetijde

komt spelen, paren

of kuit schieten.

Op dit moment

sluiten de

vrouwen al

zwemmende de staketsels met matten af en vangen de visch

in de afgesloten ruimte.

De varkens worden gejaagd met 4¹/2 meter lange ebbenhouten

speren eveneens van kunstig snijwerk voorzien 2 Visschende vrouw in het Sentánimeer.

). Op

een dag op de jacht uitgegaan, beduidde mij een jonge

Papoea met handgebaar, dat ik hem zoude volgen. Hij wilde

¹) Volgens aanteekeningen van DE BEAUFORT komen de volgende visschen

in het Sentánimeer voor: 1. Seeuis; 2. Ka-nté; 3. Ka-jo; 4. Ka-hé; 5. Kahido;

6. Ka-Qubû; 7. Khreu-Khreu; 8: Sinonga; 9. Simûm; 10. Joè;

11. Hou-groe; 12. Djamori; 13. Eumô; 14. Ka-semôdi, Ka beteekent visch.

²) Zie teekening op pag: 66.


Het Sentánimeer. 55

mij schijnbaar een plaats aanwijzen, waar ik vogels kon

schieten. Na een tijd door het oerwoud gewandeld te hebben,

kwamen wij plotseling bij de droge bedding van een rivier,

waarin een zestigtal Papoea's met lange speren gewapend,

gelegerd waren. Een oogenblik dacht ik, dat ik in eene

hinderlaag gevallen was, maar hunne houding was vriendschappelijk

en ik begreep, dat zij zaten uit te rusten van een

ondernomen varkensjacht. Daar ik nooit uitging zonder ruilmiddelen,

sloten wij spoedig vriendschap tengevolge van eene

uitdeeling kralen en tabak en ik had het geluk eene mooie

varkensspeer machtig te worden, echter niet zonder moeite,

daar zij er zeer gehecht aan schenen te zijn. De begeerte naar

een cricketband deed een van de jagers zwichten, zoodat ik

triomfantelijk met mijn speer huiswaarts kon keeren.

De vrouwen der Sentániërs bebouwen ook hier het land

en saan des morgens met het aanbreken van den dag in

O


56 Het Sentánimeer.

booten naar den arbeid. Deze zijn in tegenstelling met die

hunner echtgenooten zeer lang en veel breeder en kunnen

ongeveer 10 personen bevatten. Zij zitten niet op den rand

maar op den bodem. Bij het roeien laten zij de pagaai na

eiken slag op het boord vallen en daar dit gelijkmatig geschiedt,

kan men de boot zeer ver over het water hooren,

dank zij het eigenaardige tikkende geluid.

Bij den landbouw gaat de Papoea zeer eigenwijs te werk.

Van een bosch, dat hem geschikt lijkt, worden alle boomen

Ontboschte heuvels rondom het Sentánimeer.

geringd; zijn de boomen gestorven, dan steekt hij het onderhout

in brand. Wanneer hij lust heeft, velt hij de boomen


Het Sentánimeer. 57

of wel hij laat ze staan, zooals zij zijn en de tuin is gereed

om te worden beplant. Het volgende jaar verlaat hij den

De Kujap.

tuin weder en geeft hem prijs aan de welig voortwoekerende

alang-alang. De heuvels om het Sentánimeer geven hiervan


$3 Het Sentánimeer.

een duidelijk beeld; waarschijnlijk vroeger tuinen, zijn zij

thans bedekt met deze grassoort. Ik heb slechts tweemaal

een net aangelegde tuin gezien en dat wel dicht bij

de landingsplaats Ibaïso, waar ik een goed onderhouden

batatentuin zag en de andere maal dicht bij Jogga in de

nabijheid van het schilderachtig riviertje de Kujap, alwaar

een soort van tabaksplantage was.

De tabak weten zij natuurlijk niet te bewerken, zooals

dit behoort. Zij nemen de groene bladeren, drogen die boven

het vuur of leggen die op een warme steen, totdat zij een

bruine kleur hebben gekregen. De bladeren, die nu in plaats

van taai zeer bros zijn geworden, verfrommelt hij in de palm

van zijne hand tot eene kruimelige massa, hierom heen fabriceert

hij een gedroogd maïsblad en de Papoesche sigaar

is gereed. Dat hier na ontsteking een groenachtige rook uit

opstijgt, is begrijpelijk.

Wanneer men een half opgerookte sigaar of cigarette aan

eenen Papoea aanbiedt, neemt hij deze gaarne aan en geeft

zijn voldoening te kennen door een ophalend zuigend geluid.

Hij is echter niet zoo egoïst, of hij laat zijne stamgenooten

er ook van genieten, zoodat een endje de geheele ronde

van omstanders maakt.

Pijpen rooken heb ik slechts gezien bij de bewoners van

Nápan, vreemd genoeg bevindt zich de opening in het midden

van de pijp.

Zijn de bewoners van Kajó de pottenbakkers van de Humboldtbaai,

hier verrichten dit werk de vrouwen van Abar.

De steenen bijlen zijn hier beter verkrijgbaar dan aan de

kust, de chloromelanietvindplaats was volgens hun zeggen

slechts een dagreize gelegen van het Sentánimeer.


Het Sentánimeer. 59

Aan de noordzijde wordt het Sentánimeer begrensd door

het Cycloopgebergte, waarvan de toppen meestal den geheelen

dag in wolken zijn gehuld. De hoogste top, de Remår,

is 1940 Meter hoog.

Als verblijfplaats hadden wij een open gedeelte gekozen,

Jogga genaamd, waar reeds vroeger de officieren en bemanning

van H. M. Ceram hadden gekampeerd. In de nabijheid

stroomde het heldere beekje de Otjé. Nederzettingen waren

niet in de buurt, zoodat wij niet al te veel last van de

Papoea's zouden hebben. Trouwens wij wisten in het geheel

niet, hoe de gezindheid van de Sentániërs jegens on.s zoude

zijn. Slechts éénmaal — waarover later — hebben wij eenige


6o

Het Sentánimeer.

moeilijkheid met hen gehad en dit wel tengevolge van een

misverstand. De vlet van het aan den assistent-resident van

Manokwari toebehoorende politievaartuig „ResidentBensbach"

hadden wij per Zeemeeuw medegenomen om dienst te doen

op het Sentánimeer. Onder leiding van DUMAS geschiedde

dit moeilijke werk als volgt: een groot aantal Papoea's werden

voor dat doel gehuurd; de vlet werd omgekeerd, een

gedeelte der dragers droeg haar bij de zitplaatsen, terwijl het

overige gedeelte haar aan de boorden steunde. Het was een

hoogst eigenaardig gezicht de wit geschilderde omgekeerde

vlet te zien aankomen en het geleek veel op een reusachtige

witte schildpad met een ontelbaar aantal bruine pootjes.

De Tobádiërs hadden ook eenige van hunne groote eenvlerkige

prauwen overgebracht, verder hadden wij onze lépalépa's

medegebracht, zoodat ons een keur van vaartuigen ten

dienste stond.

Ons verblijf had onder meer tot doel: een nauwkeurige

opname van het meer door het in zijn geheel rond te varen;

verder de beklimming van het Cycloopgebergte en last not

least het onderzoek van de fauna van het meer. Ken zeer

zorgvuldig ethnologisch onderzoek had later plaats, toen

V. D. SANDE zich alleen gedurende een maand in Asé

vestigde.

In het begin van ons verblijf maakte Professor, gewoonlijk

vergezeld door MOOLENBURGH, kleine uitstapjes langs de

oevers van het meer om de geologische formatie te onderzoeken.

VAN DER SANDE dreef druk handel in ethnografica

en bewees medische diensten, terwijl DE BEAUFORT en ik

trachtten te verzamelen, wat maar leven had. Bij het prepareeren

der vogels hadden wij zeer veel last van kleine


Het Sentánimeer. 6l

mieren, die in onnoemlljk aantal daar aanwezig waren en zich

bijna oogenblikkelijk meester maakten van versch geschoten

exemplaren, die hun beurt moesten afwachten om te worden

onthuid. Wat al listen hebben wij niet verzonnen om ons

te -vrijwaren van deze kwelgeesten, bakjes water, aan touw-

Tobádische prauw voor Jogga.

tjes opgehangen vogels, alles werd bedacht. Maar altijd waren

zij bij onze dierbare buit óf doordat een strootje in het

water was gevallen en hun tot brug diende of door een

grooten omweg te maken, daalden zij langs de touwtjes naar

de vogels af; ook wij zelf hadden veel te lijden van de beten

dezer diertjes.


62 Het Sentánimeer.

DE BEAUFORT had uit Holland een klein zoölogisch werkje

mede genomen '), waarin afbeeldingen van eenige op Nïeuw-

Guinea voorkomende zoogdieren stonden. Men had ons echter

in Holland gezegd, dat wij hier weinig succes mede zouden

hebben, daar de Papoea's geen voldoend voorstellingsvermogen

zouden hebben.

Hoezeer was het tegendeel waar! Op een middag vertoonde

hij de plaatjes aan een groot aantal Sentániërs, die elk nieuw

plaatje met groot gejuich begroetten, daarbij luid de inlandsche

naam herhalende. Den volgenden dag werd hem door middel

van een van onze tolken — WARU van Tobádi en ATJÓA

van Ingrås — gevraagd, of hij eens met dat boek in het dorp

wilde komen, daar verschillende personen, die niet te Jogga

konden komen, ook gaarne de plaatjes eens wilden zien.

Door middel van dit boek hebben wij verscheidene mooie

exemplaren verkregen.

DUMAS had aan Professor eens verteld, dat hij ergens in

het binnenland een tridacnaschelp had gezien. Indien deze

daar niet door de Papoea's was gebracht, zoude men de

veronderstelling kunnen maken, dat daar vroeger zee geweest

was. Professor besloot daarom er eens heen te gaan. Op

den 5 dcn April togen Professor, MOOLENBURGH, DUMAS en

ik op weg om te trachten deze plaats terug te vinden.

Allereerst roeiden wij in de vlet naar het zuidelijk gelegen Poe,

een zeer vuil dorp, waar wij een gids vandaan zouden krijgen,

die ons naar een klein riviertje de Timená moest brengen.

Tijdens den roeitocht hadden wij een prachtig uitzicht op

¹) Enumerazione dei Mammiferi raccolte da O. BECCARI, L. M. D'ALBERTlS

ed. A. A. BRUYN, nella nuova Guinea propriamente della per W. PETERS en

G. DORIA 1881.


Het Sentánimeer. 63

het Cycloop- en het Dafonsero-gebergte. Poe ligt dicht bij de

Jafúri, de uitwatering van het Sentánimeer naar zee, bekend

door de tocht van Lt. t/z. SCHULTZ en DUMAS in 1901, die aangenomen

had binnen 10 dagen van daar deCeram te bereiken ¹).

Na zeer lang onderhandelen kregen wij de verlangde gidsen,

want haast hebben de Papoea's nooit. Wij daarentegen

wilden gaarne voor het aanbreken van den nacht de Tïmená

bereiken en in de nabijheid van het riviertje kampeeren.

Twee uur lang moesten wij door een alang-alangveld

loopen, de hitte was ontzettend, er was geen aasje wind en

hoegenaamd geen beschutting. De Papoea's staken achter ons

het gras in brand ter vergemakkelijking van den terugweg.

Eindelijk bereikten wij het oerwoud en binnen een half

uur vonden wij de Tïmená, die er doorheen stroomt en

zich bij Abar in het Sentánimeer uitstort. Kleine vischjes

zwommen er in rond en na veel moeite en tobben werd ik

er één machtig. Hoe groot was echter mijne woede, toen ik

een van de koelies zag, die er een twintigtal had gevangen

met behulp van een speld en een korreltje rijst. Ongelukkig

kon ik deze niet meer voor onze verzameling gebruiken, daar

zij reeds geschraapt en schoon gemaakt waren en daardoor

waardeloos waren voor de zoölogische collectie. Ik nam ze

hem onmiddellijk af en legde aan eiken koelie eene boete op

om mij twee gave vischjes te brengen. Gelukkig werd dit

aantal spoedig bereikt en een oogenblik later bewees een

lucht van gebakken visch, dat de koelies minstens even zoo

gelukkig waren als ik met mijn buit.

¹) Voordvacht H. E. Baron VAN ASBECK in de buitengewone vergadering

der Maatschappij ter Bevordering van het Natuurkundig Onderzoek der Nederlandsche

Koloniën. Bulletin nº. 41, pag. 17 en 18.


64 Het Sentánimeer.

De Tïmená had op het punt, waar wij ons kamp hadden

opgeslagen, een dikke laag zeeklei bloot gelegd, die zeer

rijk bleek te zijn aan allerlei fossielen. Professor en ik

waren dan ook spoedig bezig met het verzamelen van al

deze schatten.

De Timená.

De tridacna werd wel niet gevonden, maar wel eenige

stukken ervan, zoodat de door DUMAS gegeven inlichtingen

juist bleken te zijn.

De jagers brachten een kroonduif en twee paradijsvogels.

De kroonduif, ter grootte van een kalkoen, levert een uitste-


Het Sentánimeer. . 65

kend voedsel op. De kolossale borst wordt er aan beide

zijden afgesneden en als beefsteak gebraden. Een heerlijke

afwisseling na al die blikjes. De maag van de duif is een

delicatesse voor de Papoea's. Ik behoef nauwelijks te zeggen,

dat de stemming na zoo'n succesvollen dag allergunstigst was

en dat wij nog laat menig pijpje bij een groot kampvuur

zaten te rooken.

Welk een zeldzaam genot om in een oerbosch rondom een

groot houtvuur al rookende te zitten praten, over hetgeen

men dien dag heeft doorgemaakt.

Den volgenden dag gingen wij nog verder stroomopwaarts

en vonden nog vele interessante fossielen. MANSINAM, de

jongen van den controleur, berichtte mij, dat hij kroonduiven

had gehoord en onmiddellijk trokken wij er op los.

Wij doorwaadden de rivier verscheidene malen, klommen over

steile rotsen en moesten over boomstammen heen kruipen,

maar niets weerhield ons. Eindelijk hoorden wij het zonderlinge

geluid van den vogel, dat prachtig door MANSIMAN

werd nagebootst. Onze buit bestond uit drie prachtige

kroonduiven, die in triomf over een stok naar het kamp

werden gedragen. — Des avonds was het weer groot feestmaal.

Het schieten van kroonduiven biedt echter geen waren

sport aan, daar zij alleen maar stil zittend in eenen boom

kunnen geschoten worden. In een zoo dicht begroeid bosch

is er van in de vlucht schieten geen sprake, omdat men de

vogel eenvoudig niet ziet. Men wacht dus, totdat zij door

geroep of vleugelslag haar schuilplaats heeft verraden, waarna

men een zoo grooten vogel moeilijk in den zit mis kan

schieten.

5


66 Het Sentanimeer.

Op dien dag nebben MANSINAM en ik eeuwige

vriendschap gesloten.

Helaas moesten wij den volgenden dag wegens

gebrek aan tijd weder vertrekken. Deze

tocht zal steeds als een van de aangenaamste

in mijne herinnering blijven bestaan.

Op den 11 den April werd de voorgenomen

tocht naar het Cycloop-

gebergte ondernomen; door den

onwil der koelies konden wij

eerst te 8 uur vertrekken.

De controleur, reeds den

vorigen dag vertrokken,

was blijven overnachten

ïn het jongelingshuis

te Asé.

Wij vonden hem

weder te Ibaïso,

de lan-

dingsplaats

voor

den

tocht

naar het

Cycloopgebergte.

Op onzen

tocht over

het meer werden

wij vergezeld door

een dertigtal kleine

prauwtjes ieder met een

Sentaniër bemand. Alhoewel

ons verteld was, dat zij

het voornemen hadden om ons

te vermoorden, bleek van deze vijandige

stemming niets, integendeel

tijdens de vaart werd er een vreedzame

handel in ethnografica gedreven.

Na de landing te Ibaïso, werd alles in

gereedheid gebracht voor den marsch. Dit

neemt geruimen tijd in beslag wegens het verdeelen

der vrachten, het draagbaar maken van

Varkensspeer der Sentaniërs.

de voorwerpen en allerlei andere kleinigheden. De colonne


Het Sentánimeer. . 67

bestond uit de navolgende elementen: de leden der expeditie

met hunne jongens, die slechts met zeer kleine vrachtjes bezwaard

waren, als geologische hamers, fotografietoestellen, barometers,

blikken bak gevuld met buisjes met alcohol, kapellennet

en dergelijke utensiliën, die altijd bij de hand moesten zijn.

Vervolgens de dragers van de veldbedden, dan eenige koelies,

die groote ondoordringbare zeilen droegen om als dakbedekking

te dienen van ons nachtverblijf, dat in het bosch

zoude opgeslagen worden. Daarna dragers voor de zoölogica

o. a. één met een zinken bus, waarin de groote zoologische

voorwerpen bewaard moesten worden; ten slotte die voor de

levensmiddelen. De proviand voor de koelies en onze jongens

bestond uit zakjes rijst, gedroogde visch en vleesch. Ons eten

was zoo eenvoudig mogelijk, ten einde dragers uit te sparen.

Voor den aanvang van eiken tocht werd eene zoo nauwkeurig

mogelijke berekening gemaakt van alles, wat er mede

genomen moest worden en hoeveel dragers hier voor benoodigd

waren. Gemakkelijk is deze rekening niet en deze werd

gemaakt naar eene formule, die door de Heeren SARASIN,

de bekende Celebesreizigers, was samengesteld.

De dag was als volgt ingedeeld: des morgens vroeg tegen

het opgaan van de zon werd er voor ons koffie gekookt, zooals

de boeren dat hier doen; de smaak is voortreffelijk. De koelies

kookten daarna hunne rijst, aten hier zooveel mogelijk van en

verpakten het overige in bladeren om dit gedurende een

rust op te eten. Wij gebruikten als ontbijt roggebrood uit blik

met jam; warme rijst was ons gewoonlijk te zwaar zoo vroeg

op den dag. Tijdens de groote rust, ongeveer tegen twaalf

uur, 'aten wij weder roggebrood met een of andere toespijs.

Wij hebben weieens de proef genomen om dan rijst te eten,


68

Het Sentánimeer.

maar hier ging te veel tijd mede verloren, want is de

Maleier eenmaal bezig met zijn geliefkoosde werkzaamheid,

het eten bereiden, dan is het einde niet te voorzien. Tegen

vier uur werd er naar een goede kampplaats uitgezien,

liefst bij het water voor het wasschen van de rijst; het

Kamp op het Cycloopgebergte.

eerste werk was dan om een houtvuur aan te leggen om

theewater te kooken. De after noon teas na eenen vermoeienden

marsch waren de meest aangename oogenblikken

van den dag. Onderwij! waren de koelies bezig met het verzamelen

van bouwmaterialen voor ons nachtverblijf en het

hunne. Zij vervaardigden een houten geraamte, waarover


Het Sentánimeer. 69

de bovengenoemde waterproof zeilen werden gelegd. De

zijkanten bleven open, daar de regen altijd loodrecht nedervalt

en men dus geen last heeft van het inregenen aan de

zijkanten. Wel gebeurde het soms, dat er zich in het zeil

van het dak zakken met water vormden, die wel eens hun

afvoer vonden in een van onze bedden, wat natuurlijk geen

aangename gewaarwording was. Na zoo'n voorval was het

bed spoedig opnieuw opgemaakt en men sliep weldra weder

in, vermoeid als men was na een langen dagmarsch.

Zoodra het huisje gereed was, werden daarin allereerst aan

eene zijde de etenswaren opgesteld, die in zakken vervoerd

werden elk van ± 20 K.G. gewicht; daarnaast kwamen onze

respectievelijke bedden te leggen, bestaande uit een eenvoudige

matras, een laken, een dunne deken en een kussen. Om

de bedden werd het onontbeerlijke muskietennet of klamboe

gespannen ; dit werd goed onder de matras ingestopt, ten einde

de lastige insecten het binnendringen te beletten; daarmede

was ons huis gereed. De koelies, die niet zeer eensgezind

waren, bouwden niet één groote hut, maar allerlei hutjes van

verschillende grootte en vorm. Als dakbedekking gebruikten

zij palmbladeren ; mits goed gemaakt, was deze evenzoo waterdicht

als de onze.

Onderwij! had ASSANG, de jongen van Professor, die als

kok dienst deed, het eten gereed gemaakt, dat niet veel

afwisseling aanbood. Het bestond uit rijst met ossenlappen

uit blik of een groot blik runder-, kalfs- of ossengehakt. Het

verschil tusschen deze drie soorten hebben wij echter nooit

goed kunnen constateeren. Vleesch in blik ziet er uit als

rood geplozen touw en heeft wat taaiheid betreft, hiermede

ook veel overeenkomst. Toch moet ik verklaren, dat wij


70 Het Sentánimeer.

na zoo'n gezonden dag altijd met zeer veel eetlust onze

diners gebruikt hebben. Om den anderen dag werd een blik

vruchten op water met rijst gegeten, welk gerecht bij ons

den naam van Riz á la Condé genoot. Als drank gebruikten

wij steeds water bij het eten, het medenemen van alcoholica

beperkte zich tot een flesch cognac, die trouwens

alleen maar aangesproken werd na een regenachtigen dag.

Was de flesch leeg, dan namen wij onze toevlucht tot de

zoogenaamde rimboegroc. Deze maakten wij van de alcohol,

die wij medenamen voor het conserveeren der zoölogische

voorwerpen. Natuurlijk moest deze zeer verdund worden,

daar wij alcohol van 9O% hadden. Deze werd met suiker

en citroen op het vuur gehangen en met graagte gedronken

na een dag van regen, modder en vochtigheid.

Gewoonlijk hadden wij spoedig slaap en trokken wij ons

vroegtijdig terug achter onze mousseline gordijnen. Een eigenaardig

geluid des nachts was de roep van een vogel, die

steeds zeven malen zijn melancholiek „toengoe" liet hooren.

Natuurlijk telde ieder bij het geroep, of het getal zeven

uitkwam. Wanneer er Papoea's mede waren als dragers, kon

men den slaap wel eens niet vatten door hun gezang of

gepraat. Het is toch hunne gewoonte om niet allen tegelijk

te slapen, wanneer zij in een vreemd land zijn; twee of

drie blijven dan een gedeelte van den nacht pratende of

zingende doorbrengen en worden dan weder afgewisseld

door anderen, totdat de morgen aanbreekt.

Maar ik ben eenigzins afgedwaald en moet weder terugkeeren

tot het opstellen van den stoet.

Voorop ging de gids of gidsen, daarna Professor gewapend

met kompas en. aanteekenboekje om de richting op te tee-


Het Sentánimeer. 71

kenen, meestal vergezeld door VAN NOUHUYS; daarachter

ASSANG. Daarna kwam een gedeelte van de dragers, hierna

de BEAUFORT of ik; dan het overige gedeelte der dragers,

terwijl de trein gesloten werd door VAN DER SANDE. Het

pad, dat men moet volgen, is zeer smal en kan slechts éénen

man bevatten; de geheele trein heeft dus zulk eene groote

lengte, dat men elkaar niet beroepen kan, wij gebruikten

daarom fluitsignalen om voeling met elkaar te houden.

De trein is nog niet lang in beweging, of er komt reeds

stagnatie door een koelie, die stil staat om zijn vracht op

zijne schouders van houding te doen veranderen of voor het

vernieuwen van zijne draagbanden; kortom een geregelde

tocht is niet denkbaar. Het gebeurt ook wel, dat een van de

dragers ziek wordt of dat zijn last te zwaar is; er moeten

dan alle mogelijke listen te baat genomen worden om weder

vooruitgang in den trein te krijgen. Op den terugweg gaat

natuurlijk alles veel beter, daar dan de lasten veel lichter

zijn, doordat de levensmiddelen grootendeels verbruikt zijn

en de dragers evenals de paarden den stal schijnen te

ruiken.

De dragers, die onder weg beschikbaar werden, gebruikten

wij voor de verzamelde steenen, ethnografïca of zoölogica; de

zieken, meestal malarialijders, werden geheel ontheven. Gelukkig

hebben wij nooit iemand zoo zwaar ziek of verwond

gehad, dat hij gedragen moest worden. Wel heb ik eens een

Papoea door zijne stamgenooten op eene van takken gemaakte

draagbaar zien vervoeren, maar hierover later in mijn hoofdstuk

over de Tawárintocht.

De weg naar het Cycloopgebergte liep eerst langs uitstekend

onderhouden batatentuinen; de planten stonden netjes


72 Het Sentánimeer.

op rijen en de grond was van onkruid gezuiverd. Wij passeerden

daarna een graf van eenen vermoorden Papoea, wat op te

maken was uit het feit, dat boven het graf pijlen en bogen

in de aarde waren gestoken.

Daarna volgden alang-alangvelden met de daarin heerschende

benauwende hitte. Vanaf een hoog gelegen punt zag ik voor

mij de trein zich als een reusachtige slang door de grasvlakte

kronkelen. De stoet werd gesloten door een honderdtal met

pijlen en bogen gewapende Papoea's, die aan het geheel een

zeer schilderachtig voorkomen gaven. Zij deden ons slechts

uitgeleide en beloofden ons den volgenden dag jonge klappers

te zullen brengen. Die belofte hebben zij ook gestand gedaan.

Alvorens in het met oerbosch bedekte gedeelte te

verdwijnen, hadden wij een prachtig gezicht over het Sentanimeer,

Wij gebruikten ons dejeuner bij een helder stroomend

riviertje bezaaid met groote rotsblokken, die overal kleine

watervalletjes vormden. Daarna begon de tocht in het oerwoud.

Vroeger dacht ik steeds, dat zoo'n oerwoud zoo

indrukwekkend mooi was, maar er is niets, wat mij zoozeer

is tegengevallen. Het is toch altijd somber, lauwwarm en

vochtig in zoo'n bosch. De boomen gaan alle kaarsrecht

de hoogte in, groen ziet men betrekkelijk weinig, evenmin

bloemen. Vlinders en vogels, die liever in het zonlicht leven,

ziet men in gering aantal. Geheel anders is de stemming,

indien men bij eene rivier komt, waar de zon vroolijk schijnt

en waar tal van vogels, vlinders en bloemen leven.

Daarbij komt nog, dat het bijna eiken nacht regent, zoodat

alles van water is doortrokken en men meestentijds door

de modder loopt, daar van verdamping in een zoodanige

atmosfeer geen sprake is. Het voetpad, dat wij volgden, werd


Het Sentánimeer. 73

nog meer onbegaanbaar gemaakt door een groot aantal wortels

en boomstronken, zoodat men den geheelen weg voor zijne

voeten moest kijken om niet te struikelen of te vallen. De

weg liep door kleine riviertjes en beekjes, zonder dat daarover

bruggen gemaakt waren; op zoo'n tocht heeft men dan

ook altijd natte voeten, daar het te veel tijd zoude nemen

om bij elk riviertje kousen en schoenen uit te trekken.

Op den terugtocht van de Wasiáni naar de Geelvinkbaai

moesten wij bij voorbeeld vóór twaalf uur achttien maal de

Troi doorwaden. De aldaar dicht aan den oever staande kalkwanden

dwingen den reiziger van zijn pad af te gaan en

de overzijde te kiezen.

Naarmate wij hooger kwamen, werd de temperatuur kouder,

zoo zelfs, dat wij des nachts gebruik moesten maken

van de medegebrachte dekens. Een gedeelte der Sentániërs

vond het te koud en daar hunne kleerenkast zoomin winter-

als zomergarderobe bevat, vonden zij het maar beter

om te verdwijnen, later zagen wij hen weder terug aan

den voet van den berg. De koelies, mede niet gewend aan

deze koude, kwamen den volgenden morgen klagen en beweerden,

dat zij koorts hadden. Daar VAN DER SANDE er

niet bij was, moesten wij als dokter fungeeren en wij gaven

hun als geneesmiddel een theelepel cognac, wat hun wel niet

veel goed of kwaad zal gedaan hebben. Al hooger stijgende

werd het pad niet gemakkelijker, somtijds moest men over

rotsblokken klauteren, die nat en glibberig waren door de

mist, die hier meestal heerscht. Langzamerhand naderden

wij den top, die van Jogga gezien, steeds in wolken was

gehuld.

De plantengroei is mede veranderd. Wij passeerden een


74

Het Sentánimeer.

groot veld bloeiende Begonia's met eigenaardigen bladvorm.

De boomen waren dicht bezet met mossen en Lycopodiacëen,

die als lange baarden van de bovenste takken afhingen.

Ook traden hier Araucaria's en Podocarpae op. De vogels,

die wij bemachtigden, waren verschillend van die, welke

wij op Metu Débi of Jogga van onze jagers gekregen hadden

en wij koesterden de hoop iets nieuws voor de avifauna van

Nieuw-Guinea te hebben bemachtigd. Het onderzoek zal dit

later moeten uitmaken. Onze jager RASSIP bezorgde ons

een tweetal exemplaren van de mooie paradijsvogel „Diphyllodes

magnificus". Deze vogel heeft evenals bij ons de korhoenders

een zoogenaamde baltzplek. DE BEAUFORT, die

een dusdanige baltzplek met DUMAS bezocht, verhaalt hiervan,

dat op een cirkelvormige uitgestrektheid met een straal

van ± 2 M., de grond schoon is gekrabt. Van de meeste

struiken in de omgeving en op de plaats zelf zijn de bladeren

weggerukt of afgevallen. Het geheel is een zonnig

plekje. Deze vogel wordt door de Maleiers genoemd „bla

rottan", hetgeen gespleten rottan beteekent. De reden van

deze benaming is, dat de huiden vervoerd worden tusschen

latjes van gespleten bamboe. De algemeen bekende gele

paradijsvogels, bestempelt hij met den naam van „boeroeng

koening" gele vogel of wel „boeroeng mati" doode vogel,

daar hij hem nog nooit levend heeft gezien. De vroegere

latijnsche naam was Paradisea apoda. Apoda beteekent zonder

pooten. De verklaring hiervan is, dat de Papoea's bij

het bereiden der huiden voor het gemak de pooten er af sneden.

Vandaar, dat men vroeger meende, dat deze vogels geen

pooten hadden. De meest zonderlinge verhalen gingen vroeger

rond omtrent deze vogels en ik wil hieromtrent eenigs-

O O


Het Sentánimeer. 75

zins breedvoerig zijn, omdat de paradijsvogel de kenmerkende

vogel van Nieuw-Guinea is en zoo nauw rnet haar wezen is

verbonden.

BUFFON ¹) zegt: „Cette espèce est plus célèbre par les

qualités fausses et imaginaires qui lui ont été attribuées,

que par ses propriétés réelles et vraiment remarquables."

Hij vertelt dan, dat men hem de volgende vreemdsoortige

eigenschappen toeschrijft: 2 ) De vogel zoude altijd, zelfs slapende,

vliegen, daar hij geene pooten heeft; door middel van

de lange staartvederen zoude hij zich soms enkele oogenblikken

aan de takken der boomen ophangen. Bij zijn dood

zoude hij voor het eerst den grond bereiken. De paring

zoude evenals bij sommige insecten vliegend geschieden,

zeer poëtisch zouden zij zich aan elkaar vaststrikken met

de staartvederen. Het leggen der eieren en het uitbroeden

zoude op dezelfde wijze geschieden. Hij zoude slechts leven

van den dauw; de holte van het abdomen zoude alleen met

vet in plaats van ingewanden gevuld zijn, als zijnde overbodig,

daar hij geen voedsel gebruikt. Nog vreemder verhaal

vindt men in Museum Wormianum pag. 294, men leest

daar, dat het mannelijk exemplaar op den rug eene holte

heeft, waarin het vrouwtje hare eieren legt en deze uitbroedt

door middel van eene andere holte in het abdomen, die

hiermede correspondeert.

Anderen beweren, dat zij nestelen in het aardsche Paradijs,

vandaar hun naam. De werkelijkheid is echter heel wat

prozaïscher, want zij worden systematisch gerekend tot de

¹) BUFFON: Histoire naturelle des Oiseaux, Tome III pag. 182.

²) ACOSTA: Histoire naturelle et morte des Indes orientales et occidentales,

pag. 196.


76 Het Sentánimeer.

Paradiseidae. In hun doen en laten verschillen zij niets van

de gewone vogels. Naar mijn weten is het nog niemand

gelukt eieren of zelfs een nest van deze vogels machtig te

worden. Herhaalde malen hebben wij aan de Papoea's gevraagd,

of zij wel eens een nest met eieren hadden gezien,

maar altijd was hun antwoord ontkennend. Ik geloof, dat wij

gerust kunnen zijn en dat wij vroeg of laat wel eens een nest

met eieren in een der musea zullen aanschouwen. De paradijsvogel

voedt zich niet met honigdauw, rnaar met vruchten. Wij

hebben dikwijls groote troepen wijfjes en jonge mannetjes,

die nog niet de prachtige veerdos hebben, van boom tot

boom zien vliegen om zich te voeden. Zij maken dan een

zeer eigenaardig geluid, dat men bijna overal in de bosschen

van Nieuw-Guinea hoort. Er wordt druk op deze

vogels jacht gemaakt, voornamelijk door Ternataansche jagers,

die daarin bijgestaan worden door de Papoea's, die hun den

weg moeten wijzen en de speelboomen toonen, waar de mannetjes

met hun prachttooi pronken. Deze speelboomen worden

alleen des morgens en des avonds door de mannetjes bezocht;

in tegenstelling met de wijfjes en de jonge mannetjes ziet

men deze bijna nooit overdag. Het ia een onvergetelijk mooi

gezicht deze mannetjes te zien pronken in deze speelboomen.

Nu eens dansen zij bevallig op een tak, zorgdragende, dat hun

staart niet wordt beschadigd, dan weder zweven zij als een

bouquet van veeren door de lucht. Hij stoot bij deze bewegingen

zeer schelle tonen uit om de wijfjes te lokken. Het

geluid der wijfjes wordt meesterlijk door de Papoea's nagebootst

en wordt dan beantwoord door de mannetjes. DUMAS

vertelde, dat hij eens gezien had, dat twee mannetjes, die

op zoo'n speelboom dansten, elkaar de lange veeren trachtten


Het Sentánimeer. 77

uit te trekken. Zij hebben een voorliefde voor bepaalde

boornen en het gebeurt meermalen, dat een Ternataan een

vogel uit zoo'n boom schiet; daarna kalm onder dezen boom

den vogel gaat villen, totdat een tweede vogel komt, die

weldra het zelfde lot ondergaat. Alhoewel klein moeten de

vogels met groffen hagel geschoten worden, daar de boomen

vrij hoog zijn en zij een zeer taai vel hebben. De Ternatiansche

- hoewel Ternaten in de wandeling geheeten, zyn

het meest Tidoreezen - jager, die naar Nieuw-Guinea vertrekt

om paradijsvogels te jagen, neemt een groote voorraad

ruilgoederen mede, die hij op crediet ontvangt, meestal van

eenen Chinees of van eene maatschappij, die in vogelhanden

handel drijft. Deze ruilgoederen heeft hij noodig om de

Papoea's te betalen, die hem de speelboomen moeten wijzen.

Deze tusschenpersoon is gewoonlijk de persoon, die er weinig

wel bij vaart, daar hij de goederen zeer duur van zijn credietgever

moet koopen en zeer veel moet betalen voor de door de

Papoea's bewezen diensten. Het is ongeloofelijk, voor welk een

groot bedrag zulke handelaren zich soms in den schuld steken-

het gevolg is dan ook, dat zij veelal blijven hangen op

Nieuw-Guinea, ten einde hunne schuldeischers op Ternate te

ontloopen. Of deze Ternataansche jagers als het beste opvoedende

en beschavende element der Papoea's moeten beschouwd

worden, betwijfel ik ten sterkste.

De prijs van eene eerste qualiteit paradijsvogel is ongeveer

f 8.-- terwijl mij bij informatie bleek, dat modisten hiervoor

± ƒ 50- vragen. Deze prijsverhooging vindt wellicht zijn

oorzaak in de lange schakel van personen, die eenen vogel

moet doorloopen alvorens hij van zijn speelboom nederdaalt

op de hoed van eene elegante Parisienne.


78 Het Sentánimeer.

Levende exemplaren komen thans veelvuldig voor. O. a.

kan men twee mooie exemplaren bewonderen in de Artis

te Amsterdam. Dit zijn meestal aangeschoten exemplaren,

dié men in het leven heeft gehouden. Van de zoo schoone

paradijsvogel de Seleucides alba hadden wij een mak exemplaar

aan boord van de Zeemeeuw, dat bestemd was voor den Zoölogischen

tuin te Rotterdam. Hij at de lekkernijen uit onze hand

en bij het eigenaardig geluid, dat hij voortbracht, kon men

de prachtig smaragdkleurige binnenzijde van zijn bek bewonderen.

Helaas heeft dit exemplaar zijne bestemming niet bereikt

en is te Batavia gestorven. Het zoude het eerste exemplaar van

deze soort zijn geweest, dat levend in Europa was gekomen.

Voor uitroeiing behoeft men niet bevreesd te zijn, daar

alleen de oude mannetjes, die in prachtveeren zijn, geschoten

worden. Op de andere exemplaren wordt niet gejaagd,

daar zij waardeloos zijn.

Nu ik toch iets van de paradijsvogels verhaald heb, wil

ik een enkel woord zeggen over de fauna van Nieuw-Guinea.

De grootst levende vogel op Nieuw-Guinea is de casuaris.

Het mocht mij nimmer gelukken een exemplaar in het wild

te zien; we! brachten wij een levend, bijna volwassen exemplaar

over naar Holland, dat een geschenk was van V. NOU-

HUYS aan de Diergaarde te Rotterdam. Hij was zeer mak,

liep los op het dek en had al aardig zeebeenen gekregen.

Of de matrozen dit beest wel zoo aardig vonden als wij,

betwijfel ik, daar hij op een zeer duidelijke wijze toonde,

waar hij geweest was. Hij was zeer gulzig en men moest bij

het klaar zetten van het eten duchtig op hem letten, daar

hij op vlugge wijze alles in zijn maag het verdwijnen. Geheele

sneedjes brood, eieren en leege eierschalen, alles ver-


Het Sentánimeer. 79

slond hij. Een geheele pisang slokte hij gewoon weg op en

men kon deze langzaam langs zijnen ha!s zien verdwijnen.

Wee dengene, die dan trachtte om de pisang, waarvan de

vorm nog zeer goed in den hals zichtbaar was, aan te vatten;

een krachtige schop met zijn harden teen deed den kweller

afdeinzen.

De Papoea's maken druk jacht op hem, niet alleen om

het vleesch, maar ook om de vederen, die een geliefd sieraad

voor hen zijn. Aan de Humboldtbaai dragen zij bij feestelijke

gelegenheden een groote bos casuarisveeren op het hoofd.

Dit versiersel heet chatuar arú. De casuaris zelf heet chatüar.

Uit het dijbeen vervaardigen zij eenen dolk, die zij in

een van hunne armbanden steken. Het is een zeer scherp

en gevaarlijk wapen.

De casuaris laat een vreemdsoortig geluid hooren, dat

doet denken aan het slaan op een turksche trom. Zijn aanwezigheid

is overigens merkbaar aan de volumineuse plakaten

uitwerpselen, waarin men duidelijk de onverteerde vruchten

waarneemt. Zooals bekend is, heeft de casuaris rudimentaire

vleugels, waarmede hij niet kan vliegen, maar die hij bij

het loopen heen en weer beweegt om zijne snelheid te vergrooten.

Dit gemis aan vleugels is den Papoea's ook opgevallen

en ik hoorde hier eene aardige verklaring voor.

Te Tarfia vertelde men, dat de casuaris in vroegere tijden

al te nieuwsgierig was geweest en dat hij gevraagd had om

de heilige fluiten van de karriwarri te mogen zien; tevens

had hij het geluid nagebootst. Tot straf voor zijne indiscretie

verloor hij voor altijd zijne vleugels.

Een zeer merkwaardige vogel is de Buceros plicatus door

de Ternatanen „Boeroeng taun" of jaarvogel genoemd. Hij


80 Het Sentánimeer.

behoort tot het geslacht der neushoornvogels; op den bovensnavel

bevinden zich ringvormige uitwassen. Volgens de

jagers zoude hij eik jaar één nieuwen ring krijgen, vandaar

zijne benaming.

Het is een glanzend

zwarte vogel met

witte staartpennen en

goudgele kop. Bij het

vliegen maakt hij

door zijnen vleugelslag

een vreemdsoor-

Kop van den jaarvogel.

tig geluid, dat doet

denken aan eene vertrekkende locomotief.

De snavels worden als oorversiersel door de Papoea's

gedragen.

Nieuw-Guinea is het land der duiven, de grootste is zeker

de kroonduif, met zijn prachtige blauwe bevedering en sierlijke

kroon op den kop. Dit pronkstuk is zijn verderf, daar

dit een gewild modeartikel is. Daar zoowel de mannelijke

als de vrouwelijke exemplaren dit versiersel hebben, gaat

deze soort vrijwel haren ondergang tegemoet. Het vleesch

is, zooals ik reeds zeide, een voortreffelijk gerecht.

In grooten getale komen kakatoe's en tal van lorisoorten

voor. Het is een vreemde gewaarwording, indien men plotseling

boven zich in de boomen het bekende Artis geluid hoort, uitgestooten

door een witte kakatoe met gele kuif. Ook in het

bosch klinkt het geluid niet welluidend. Er bestaat ook een

zwart exemplaar met roode wangen, de Microglossus aterrimus;

het geluid, dat hij maakt ïs niet zoo krassend, meer piepend.

Deze zijn naar ik meen nog niet in gevangen staat voorge-


Het Sentánimeer. 81

nomen; wij zagen eens een geheele koppel van deze vogels

zich boven in de boomen voederen.

Op het Jamurmeer namen wij een groote verscheidenheid

van watervogels waar.

De zoogdieren zijn zeer schaarsch vertegenwoordigd; op

Nieuw Guinea zijn wij in het land der buidel- en nachtdieren.

Eene uitzondering hierop maakt het wilde zwijn,

Sus papuensis. Het is echter niet met zekerheid te zeggen,

of dit hier niet ingevoerd is. Wij verzamelden een groot

aantal schedels; wellicht kan rnet dit materiaal deze quaestie

uitgemaakt worden.

Krokodillen — crocodillus parosus — maken het Sentanimeer

onveilig, er werd er slechts eenmaal een door den controleur

gezien, maar het groote aantal schedels, dat wij van

de Sentániers kochten, is een bewijs, dat zij hier vrij veel

voorkomen.

Het Sentánimeer is zeer vischrijk en de bewerking van

het materiaal, toevertrouwd aan de kundigheden van Prof.

M. WEBER, zal leeren, welke conclusies er op dit gebied zijn

te trekken.

Een ontzaglijk aantal lepidoptera en andere insecten, veelal

op alcohol bewaard, werden door ons verzameld; dit materiaal

is thans ter bewerking over Europa verspreid en het

zal nog wel menig jaar duren, voordat de resultaten van

de eerste wetenschappelijke expeditie naar Nieuw-Guinea in

druk zijn verschenen.

Ook Prof. WlCHMANN behoeft zich, geloof ik, niet te beklagen

over de hoeveelheid van het medegebrachte materiaal;

bij zijn terugkeer wachten niet minder dan 45 kisten gevuld

met steenen op den bekwamen geoloog.

6


82 Het Sentánimeer.

Laten wij na deze lange afdwaling weder terugkeeren tot

het Cycloopgebergte.

Naarmate wij hooger stegen werd het weder steeds slechter

en omringde ons een dichte nevel. Uitzicht konden wij

niet krijgen; eene poging om eenige boomen op de helling

weg te kappen om zoodoende eenige bekende punten aan

te peilen, gaf ook niet het gewenschte resultaat. Daar het

gesteente weinig verscheidenheid aanbood, besloot Professor

dan ook niet verder dan de waterscheiding te gaan en na dit

punt te hebben bereikt, gingen wij weder bergafwaarts en

overnachtten weder in de kampplaats van den vorigen dag.

Den volgenden morgen scheen de zon prachtig; wij daalden

verheugd weder af naar Ibaïso, na nogmaals genoten te

hebben van het heerlijke vergezicht over het Sentánimeer.

De overtollige koelies werden naar Jogga gestuurd en tevens

bericht gezonden aan VAN DER SANDE om den volgenden

O

morgen vroeg te Ibaïso met de noodige levensmiddelen te

komen, daar wij besloten hadden om den volgenden dag de

tocht rondom het meer aan te vangen.

Tegen den avond dwarrelde een heirleger van kleine insecten

om onze lampen, die dusdanig verstopt raken, dat zij

uitgingen. Gelukkig duurde deze plaag niet lang, faute de

combattants, die hunnen dood in de vlammen vonden. Een

dergelijke plaag had reeds vroeger plaats gehad te Jogga.

Reeds des morgens te 7 ure arriveerde VAN DER SANDE met de

hem toegezonden vlet; onmiddelijk werd toen de tocht rondom

het meer ondernomen. Het was zeker een ongewoon gezicht voor

de Sentániërs, toen deze kleine vloot, die uit de vlet, de lépa-lépa's

en twee Tobádische prauwen bestond, gevolgd door een groot

aantal Sentániërs in hunne kleine vaartuigen, zich voortbewoog.


Het Sentánimeer. 83

Wij bezochten verschillende dorpen en steeds werd onze

komst aangekondigd door het geroep van den controleur

MOOLENBURGH; „Kå mereu motti motti" of wel, dat wij

jonge (mereu) klappers (ka) wenschten te ruilen tegen kralen

(motti motti). Het geroep was nog niet gehoord, of spoedig

zagen wij eenige donkerbruine gedaanten in de klapperboomen

klimmen en met hunne voeten de jonge vruchten van

den steel aftrappen, die met een doffen slag op den grond

vielen. De hitte in de booten op het water zonder tent

was ondragelijk en het aantal verorberde klappers is dan

ook groot geweest.

Overal werden wij vrij goed behandeld, w-el niet zooals

wij dat te Tobádi gewend waren, maar toch was van eenige

vijandelijke gezindheid niets te merken. Alleen in het dorp


84

Het Sentánimeer.

Seisårå was de ontvangst eenigszins koel, trouwens de officieren

van de Ceram hadden ook reeds over de ontvangst

in dit dorp geklaagd. Wij gingen echter ook hier aan wal

en trachtten het vertrouwen te winnen door aan kinderen

en vrouwen kralen uit te deelen.

De vrouwen waren eerst vreesachtig, maar langzamerhand

Sesårå.

kregen zij meer vertrouwen en kwamen zij om kralen vragen.

Volgens DUMAS was het een goed teeken, dat de vrouwen

zich vertoonden, want hebben de Papoea's iets in den zin,

dan brengen zij eerst hunne vrouwen en kinderen in veiligheid.

Toch haperde er iets aan onzen omgang en wij waren

blij, toen wij weer goed en wel onze booten hadden bereikt.


Het Sentánimeer. 85

Onze nadere kennismaking is minder vriendschappelijk geweest,

alhoewel alles zonder vijandelijkheden is afgeloopen.

Op onze rondvaart bezochten wij de meeste van de aan

het Sentánimeer liggende nederzettingen: Poe, Ajápo, Asé,

Abar, Simbårå, Seisårå, Kaiwáre, Sisirí, Awauwi, Dójo, Ifar,

Pujå, Jobe, Asër, Nètar.

Gezicht op Ajápo en Asé.

Overal werden zooveel mogelijk ethnografica ingekocht;

onze tolken WARU en PÓRREO dreven druk handel in

sembónis. Wij hadden ditmaal twee tolken daar WARU,

zelf Tobádier, Maleisch sprak, maar geen Sentánisch, PÓRREO

daarentegen, ook een Tobádiër, sprak geen Maleisch, maar wel

Sentánisch. Het is opvallend, dat twee volkstammen als de


86

Het Sentánimeer.

Tobádiërs en de Sentániërs, die op zoo'n korten afstand van

elkaar wonen, zoo weinig gemeenschap met elkaar hebben,

dat er niet meer huwelijken of andere banden worden aangeknoopt,

zoodat zij eikaars taal spreken. De betrouwbaarheid

der inlichtingen, die men door middel van twee tolken

verkrijgt en die toch altijd onder eene groote reserve moeten

aangenomen worden, lijdt hier natuurlijk zeer onder.

Den eersten nacht kampeerden wij op een klein eilandje

midden in het meer Serèbé Sigi genaamd. Het daarop bevindende

struikgewas werd grootendeels weggekapt voor de

nachtverblijven. Des avonds genoten wij tot Iaat in den

nacht van een fonkelenden tropischen sterrenhemel, die zich

in het vlakke meer weerspiegelde. Onze vreedzame stemming

werd door niets verstoord, alhoewel wij later vernamen,


Het Sentánimeer, • 8"

dat de bewoners van Seisårå ons hier hadden willen vermoorden.

Den volgenden morgen vroeg werd de tocht weder hervat

naar de meer oostelijk gelegen dorpen. Te Kaiwáre zagen

wij aan den oever twee krokodillenschedels liggen, die wij

voor een spiegeltje kochten. Nauwelijks was dit bekend geworden,

of wij werden op het meer achtervolgd door talrijke

bootjes ieder met een dergelijken schedel op den voorsteven.

Het behoeft geen betoog, dat al deze exemplaren thans bewaard

worden te Amsterdam. De bevolking toonde zich

overal vrij welwillend, maar zij waren toch, geloof ik, blij,

wanneer wij weer vertrokken. Dien nacht kampeerden wij

weder op het eilandje Serèbé Sigi.

Op den 18 den April werd de terugtocht ondernomen. Telkens

wanneer wij een dorp naderden, werden wij tegemoet

geroeid door de bewoners en deze deden ons een eindweegs

uitgeleide, maar bleven gewoonlijk op betrekkelijk grooten

afstand van de volgende nederzetting, daar zij in den regel

met deze in vijandschap leven. Zoo waren wij ook weder

het beruchte Seisårå genaderd; de vaartuigjes omringden

onze vloot en een drietal waren in de onmiddellijke nabijheid

ten einde de namen op te geven van bergen, nederzettingen

of riviertjes, die hun door middel van de tolken

werden gevraagd. Uit de vroolijkheid, die er heerschte bij het

noemen der namen, geloof ik, dat ook hier de betrouwbaarheid

zeer te wenschen overliet en zij gaven waarschijnlijk

maar fictieve grappige namen. Daar dit op het laatst begon

te vervelen en hun optreden indringerig begon te worden,

werd hun dit op een wellicht te kordate wijze duidelijk gemaakt.

Het gevolg was, dat zij ons onmiddellijk in hunne


88 Het Sentánimeer.

prauwtjes verlieten, druk gesticuleerende en luid schreeuwende.

Waarheen zij zich begaven, begrepen wij toen nog niet, maar

weldra werd ons de zaak duidelijk. In het meer bevond zich

namelijk een vrij groote steenklomp en hier hadden zij zich

opgesteld, luid roepende en met pijl en boog dreigend. Zij

hadden toch zeer goed begrepen, dat Professor voor het

geologisch onderzoek hier naar toe zoude gaan om de steensoort

te onderzoeken. Een en ander pleit mijns inziens wel

voor hun vernuft en inzicht.

Er werd gestopt en overlegd, hoe hier gehandeld

moest worden. Met eenige schoten uit onze geweren en

die der oppassers van den controleur, die tot dekking


Het Sentánimeer. 89

waven medegegaan, zouden wij ontegenzeggelijk ons doel

hebben bereikt. Maar welk een ongelijke strijd tegen deze

slecht bewapende menschen en welke ver strekkende 'gevolgen

zoude dit niet gehad hebben; want indien wij

een of meerdere van hen gedood of gewond zouden hebben,

dan zouden zij dit later verhaald hebben op vreemde-

Bewoners van Seisårå.

lingen, die daar na ons kwamen. In de eerste plaats zouden

daarvoor de Ternataansche handelaars in aanmerking

o

gekomen zijn.

Gelukkig besloot Professor hunne uitdaging niet aan te nemen,

daar hij met zekerheid kon weten, waaruit de steenklomp

bestond. Wij roeiden dus verder, luid nagejouwd door de

Papoea's, die van vreugde op den steen stonden te dansen.


go Het Sentánimeer.

Wel hebben wij hier niet gezorgd, dat ons zoogenaamd

prestige bewaard is gebleven, maar dit weegt dunkt mij ruimschoots

op tegen de voldoening, die wij nu nog kunnen smaken,

dat deze expeditie niet gekenmerkt is door eene onnoodige,

meedoogenlooze behandeling dier onwetende Papoea's.

Beschouwt men de omstandigheden nauwkeurig dan zou-

den wij toch ook niet vriendschappelijk gestemd zijn, indien

naar Nederland eens een Chineesche expeditie werd gestuurd,

alles verzamelende, alles medenemende uit de huizen, wat

maar te koop was en iedereen lastig vallende met de meest

verschillende indiscrete vragen.

Voor onze tolken liep dit incident ook naar wensch af,

want zij zouden de door hen gekochte sembónis niet mogen

behouden, indien zij die verkregen hadden van eenen stam,

waarmede zij vijandelijkheden hadden gewisseld.

Wij brachten hierna een bezoek aan Abar, waar wij zeer

veel steenen bijlen kochten, want de begeerte naar de bekende

cricketbanden bleek bij het vrouwelijk geslacht te

groot te zijn, dan dat zij er weerstand aan konden bieden en

alles wat zij maar konden missen werd uit de huizen gehaald

en ons te koop aangeboden om in het bezit van het zoo

begeerde voorwerp te komen. Verscheidene dozijnen van

deze banden zijn dan ook in hun bezit gebleven. Voor VAN

DER SANDE was deze plaats een eldorado om ethnografica

te verkrijgen. Hij was tevens in de gelegenheid waar te nemen,

hoe zij de aarden potten vervaardigen.

Op het eilandje Pujå of liever in onze booten onder de

beschermende takken van de daar groeiende boomen besloten

wij te dejeuneeren.

Op nevenstaande foto ziet men de daar voorkomende


Het Sentánimeer. 91

lijkenhuisjes. Daar het reeds laat begon te worden, besloten

wij door te roeien naar Jogga om daar te overnachten.

VAN DER SANDE ging echter eerst naar Ifar, kenbaar aan

zijn eigenaardige scheeve karriwarri, alwaar hij ontboden

was voor een zieke.

Gewoonlijk stak er tegen den middag een westelijke wind

op en wij hoopten met behulp hiervan naar huis te kunnen

zeilen, maar dien dag was de wind oost, zoodat wij bedrogen

uitkwamen en in plaats van vroeg zeer laat arriveerden.

Tijdens ons verblijf te Jogga had nog een zeer eigenaardig

voorval plaats. Terwijl DUMAS, die reeds vroeger aan het Sen

tánimeer was geweest met eenige officieren van de Ceram, te

midden van een troepje Sentániërs stond te bieden op een

voorwerp, zagen wij opeens een oud vrouwtje uit een boot

stappen, de hem omringende personen op zij duwen en

naar DUMAS toegaan. Zij toonde groote vreugde hem weder


92 Het Sentánimeer.

terug te zien en bewees dit door hem een prachtige tros

Spaansche Peper aan te bieden. DUMAS vertelde ons later,

dat de officieren van de Ceram haar „Tante van DUMAS"

gedoopt hadden. Zij scheen eene groote vriendschap voor

hem te hebben opgevat, om welke redenen is mij on-

bekend. Van deze genegenheid hebben wij veel genoegen

ondervonden, daar zij een zeer invloedrijke vrouw op het

Sentánimeer bleek te zijn. Zij hielp ons bij het verkrijgen

van gidsen o. a. naar de Tïmenárivier, verschafte ons de

noodige inlichtingen en waarschuwde ons voor dorpen,

die ons minder vriendschappelijk gezind waren. Natuurlijk

werd zij rijk met geschenken overladen. Volgens DUMAS

stond zij bekend als zeer rijk te zijn. Haar rijkdom zal wel

bestaan hebben uit een groot aantal kralen en steenen

bijlen.

De kliniek van V. D. SANDE werd hier druk bezocht en

het verwonderde mij, dat zij zoo kalm bleven, toen een van

hen chloroform was toegediend. Zij hadden toch zeer goed

kunnen denken, dat die persoon gedood was, daar zij waar-

schijnlijk nimmer te voren de werking van deze stof hadden

bijgewoond.

Kort na den tocht over het meer vertrokken wij weder naar

de Humboldtbaai om al het materiaal, dat verzonden kon

worden, in te pakken. De buizen met materiaal op alcohol

werden in zinken bussen gepakt, flink aangestampt met werk.

Hierop werd oude alcohol gegoten om te verhinderen, dat

de voorwerpen zouden uitdrogen voor het geval, dat een

buisje mocht breken.

Daarna moest deze bus worden dicht gesoldeerd, maar

dit was wel een van de onaangenaamste en moeilijkste bezig-


Het Senánimeer. 93

heden; DE BEAUFORT en ik hadden hier wel onderricht in

gehad, maar de praktijk bleek moeilijker te zijn dan de

theorie. Gelukkig was DUMAS weder de reddende engel en men

kon hem dagen voor de aankomst van een boot druk bezig;

Het spreekuur van den dokter.

zien met het soldeeren. Later verrichtte een van de matrozen

van de Zeemeeuw dit werk, zoodat wij verder gespaard

bleven van deze ellende. Met deze boot vertrok ook de

plantenzoeker MAS DJIPJA en zijn helper ATJIP, die beiden

zulk een hevig verlangen koesterden naar hun geliefkoosd

Java, dat geen overreding hen van dit besluit kon afbrengen.


94

Het Sentánimeer.

Het is zeer jammer, want ik geloof, dat MAS DJIPJA zeer

goed voor zijn taak berekend was. DUMAS stelde zich echter

beschikbaar om zoo goed als dit zou gaan, het herbarium

verder aan te vullen.

Casuarisdolk en Kalkkokers.


HOOFDSTUK III.

De mislukte tocht op de Tamirivier.

e Tamirivier was het voorwerp van

ons volgend onderzoek.

Waar deze rivier ontspringt, is nog

niet bekend; voor zoover onderzocht

— o. a. voer DUMAS haar een groot

aantal dagen op met zijne Borneojagers

— stroomt zij in Noordelijke

richting en neemt de Jafúri, de uitwatering van het Sentánimeer,

op. Zij ligt dicht bij de 141° N.B., die de grens

vormt tusschen Nederlandsch, Duitsch en Engelsch Nieuw-

Guinea. Het plan was de rivier zoo ver mogelij k op te

roeien, des noods verder dan DUMAS haar was opgekomen.

Hoe bedrogen zouden wij hierin uitkomen! Wij hadden besloten

de goederen per boot over zee vooruit te sturen,

terwijl wij zelf over land naar de monding van de Tamirivier

zouden gaan. Des nachts om twaalf uur vertrokken

al de koelies met de lépa-lépa's en een rórëgë, voor dat

doel door DUMAS van een Ternataanschen jager gehuurd.

Daar wij over land geen goed wilden laten mededragen,


96 De Tamirivier.

moesten wij dus des nachts onze veldbedden missen en

trachtten wij te slapen op onze stoelen of op den grond.

Des morgens vroeg lagen vijf Tobádische prauwen gereed

om ons over de binnenbaai naar de oostelijke oever van de

buitenbaai te brengen, dicht bij Kaap Djúar. .

Na geland te zijn, volgden wij den weg, die eerst door een

sagobosch liep, wat hetzelfde beteekent als door de modder,

Gelukkig duurde dit niet lang en kwamen wij spoedig in het

eigenïijke oerbosch, waar wij weder de schelle toon der paradijsvogels

en het trommende geluid der kroonduiven hoorden. Wij

passeerden een klein meertje, waarin tal van kwakende kikkers.

WARU, die ons weder als gids vergezelde, zeide, dat hier de

Sétan huisde en de Tobádiërs dorsten het meer niet zoo

dicht naderen als wij. Het pad beschreef een boog om Kaap

Djúar; wij bereikten vervolgens de dicht aan zee liggende

tuinen van de dorpen, die gezamelijk den naam van Sëkå

dragen. Het groote verschil met de overige Papoea's, die

wij tot nog toe zagen, is, dat zij en ook de meer oostelijke

bewoners een penisdop dragen, vervaardigd van de gedroogde

vrucht van een Lagenaria soort. De ontvangst was zeer

vriendschappelijk, trouwens zij hebben veel omgang met de

Tobádiërs en wij hadden reeds velen van hen op het eiland

gezien en handel met hen gedreven.

Eenige jeugdige klappers waren ons zeer welkom na deze

vrij vermoeiende tocht langs het zonnige strand. Wij moesten

nog geruimen tijd het strand volgen alvorens de Tamimonding

te bereiken. Het strand lag a!s bezaaid met groote

ontwortelde boornen en het geleek wel één lange stapelplaats

van hout. Wanneer het water door een hevige regenbui in

de Tamirivier stijgt, voert hij tal van boomstammen mede


De Tamirivier. 97

naar zee, die door de branding op het strand worden

geworpen. Het was een heele waarde aan hout, die daar

opgestapeld lag, waarom niemand zich bekommerde en

die bestemd was langzamerhand door verrotting te niet te

gaan, doch onafgebroken weder door nieuw materiaal werd

aangevuld. Deze boomstammen worden soms tot de Hum-

boldtbaai gedreven en een van deze boomstammen heeft

mij eens een leelijke poets gebakken.

Op een middag werd mij door een bewoner van Ingrås

gemeld, dat er in de baai een krokodil rondzwom. Ik sprong

onmiddelijk in zijn bootje, gewapend met mijn Mauser geweer.

Weldra zag ik ook de begeerde buit boven komen,

schijnbaar om lucht te scheppen. Een dumdum kogel op

hern afgevuurd, scheen doel te treffen,want onmiddellijk na

7


98 De Tamirivier.

het schot verdween hij. Dit herhaalde zich nog eenige malen,

totdat ik bij een goed gericht schot een groote splinter hout

van het monster zag afvliegen; ik begreep toen, dat de

gewaande krokodil een boomstam was, waarschijnlijk afkomstig

van de Tamirivier.

Dien dag was ik natuurlijk het mikpunt van allerlei plagerijen.

De weg langs het strand was op het laatst dermate versperd,

dat wij het laatste gedeelte al klauterende over de

boomstammen moesten afleggen.

Aan de monding vonden wij DUMAS, die per boot vooruit

was gegaan en ons kamp had opgeslagen onder een Pandanusbosch.

Het aan land brengen der goederen had met zeer veel

moeite plaats gehad wegens de hevige branding. Verder

deelde DUMAS ons mede, dat wegens den hoogen waterstand

de stroom te snel was en wij met de zwakke hulp van de

slechte koelies hier niet tegenop zouden komen. Tot overmaat

van ramp hadden meerdere koelies te lijden van de

malaria en bovendien waren er geen booten genoeg. Er werd

langen tijd beraadslaagd met het resultaat, dat DUMAS weder

naar de Humboldtbaai zou terugkeeren, terwijl wij een tocht

zouden maken naar de op Duitsch grondgebied gelegen landstreek

Oinåke. Het is toevallig, dat wij ook hier Duitschland

in het oosten tot buur hebben. Terwijl wij des middags lagen

uit te rusten van den vermoeienden tocht, kwam MANSINAM

mij wekken en vertelde mij op opgewonden toon, dat er een

„boeaja" (krokodil) op den anderen oever lag. Onmiddellijk

maakte ik de anderen wakker, na eerst gekeken te hebben,

of het niet weer een boomstam was. Ditmaal was het een

werkelijke krokodil; er werd een salvo op hem afgegeven,


De Tamirivier. 99

waardoor hij wel verwond, maar niet gedood werd. Hij had

nog kracht genoeg om in het water te komen en alhoewel

hij later nog eens beschoten werd, toen hij e.en oogenblik

zijn kop boven water stak, hebben wij hem helaas niet kunnen

bemachtigen. De tocht naar Oinåke, die wij in open booten

maakten, was warm, daar de lepa-lepa's een zeker mikpunt

waren voor de brandende zonnestralen; wij dachten met ver-

Bewoners van Oinåke.

langen aan de verkwikkende koele klappermelk, die wij hoopten

te krijgen. Te Oinåke hadden wij niet te klagen over de wijze

waarop wij ontvangen werden en zagen hier verscheidene Papoea's,

die zich den haarbol versierd hadden met hibiscusbloemen,

zooals ïk dit reeds vroeger beschreven heb. Het strand

lag als bezaaid met resten, beenderen en stukken geraamten


100

De Tamirivier.

van schildpadden, maar, daar zij in verregaand en staat van

ontbinding verkeerden, was er van medenemen geen sprake,

daar de niet zoölogen zich er wel tegen verzet zouden hebben.

De huizenbouw is verschillend van die der Tobádiers,

doordat zij niet op palen in zee, maar op het land gebouwd

zijn. Bij een van deze huisjes zag ik een welvoorziene opslagplaats

van brandhout. De controleur trachtte door middel

van stokjes de sterkte der bevolking te weten te komen.

Wij bezochten de karriwarri, waar vreemdsoortige hoofdsieraden,

die gebruikt worden bij het dansen, door VAN DER

SANDE werden opgekocht. Ook met deze voorwerpen moest

de bekende geheimzinnigheid in acht genomen worden.

Deze kolonie, die thans onder direct beheer staat van het

Ministerie van Koloniën, werd vroeger beheerd door de Neu

Guinea Kompagnie, die in het jaar 188o werd opgericht, en

op 17 Mei 1885 den „Kaiserlichen Schutzbrief' kreeg. Op

12 Mei 1886 verkreeg zij op hare statuten rechtspersoonlijkheid.

Een voorstel tot overname van de Landeshoheit

werd door den Rijksdag in 1896 verworpen. Een hernieuwd

voorstel in 1898 werd eindelijk aangenomen en de overname

door het Rijk had op 1 April 1899 plaats. De Neu

Guinea Kompagnie bleef bestaan, doch slechts in den vorm

eener particuliere maatschappij.

Bij onze terugkomst vonden wij DUMAS met de benoodigde

booten. Ook de stroom in de Tamirivier was niet

meer zoo sterk, zoodat er besloten werd den volgenden dag

den voorgenomen tocht te ondernemen.

Onder zeer slechte omstandigheden werd de tocht begonnen,

want er waren toch niet minder dan acht koelies ziek.

De lepa-lepa's waren voor deze gelegenheid van een dakje


De Tamirivier. 101

voorzien om ons te beschermen tegen de verzengende zonne-

stralen. Wij hadden ons aldus over de booten verdeeld:

In een van de lepa-lepa's, die er nu als Venetiaansche

gondels uitzagen, zat Professor en VAN DER SANDE; DE

BEAUFORT en ik in de twee andere; DUMAS zat in de rórëgë;

terwijl MOOLENBURGH zich statig door zijne oppassers liet

voortroeien in een Tobádische prauw.

De Tamirivier heeft een vrij sterken stroom; het water is

vuil gekleurd door het medegevoerde slib; de oevers zijn

veelal met riet begroeid. Er moest met zeer veel omzich-

tigheid geroeid worden, daar boomstammen, door den stroom

medegevoerd, bij aanraking onze ranke vaartuigjes zouden

doen omslaan. Deze lagen zeer diep, daar alle zwaar beladen

waren met proviand voor eenige weken. De geïmproviseerde

dakbedekking maakte, dat zij bij elke ruwe beweging dreig-

den om te slaan. Voegt men hier nu nog bij een stel

uiterst slechte roeiers, dan kan men begrijpen, dat onze po-

sitie niet zeer benijdenswaardig was. Korten tijd ging alles

vrij goed, alleen vorderden wij zeer langzaam door den snel-

len stroom. Plotseling stuitte het vaartuig van Professor op

een onder water liggende bank, schepte vrij veel water en

dreigde geheel vol te loopen. VAN DER SANDE sprong te

water gevolgd door eenige roeiers, waardoor de boot weder

lichter werd. Het water werd uitgehoosd met allerlei voor-

werpen: leege blikken, emmers, strooien hoeden, kortom met

alles, wat maar voor de hand kwam. De waterschade bleek

vrij belangrijk te zijn, want een gedeelte van de rijst was

nat geworden; ook het aanteekenboekje van Professor had

van het water geleden. Toen alles zoo goed mogelijk weder

in orde was gebracht, werd de vaart hervat, nog omzichtiger


102 De Tamirivier.

dan te voren, maar het noodlot bleef ons vervolgen, want de

boot van Professor schepte ten tweede male water. De schade

was ditmaal ernstiger en na eene gehouden bespreking besloten

wij door te varen tot het vereenigingspunt van de

Moso en de Tami, alwaar de stroom niet zoo snel was.

Daar werd op een open plek aan den oever de rijst uit

de zakken over den grond uitgespreid om ze door de zon

te laten drogen. Helaas was het reeds te laat op den dag;

de rijst werd niet meer droog, maar begon daarentegen te

broeien. Den volgenden dag zag zij er oranjegeel uit, had een

muffe lucht en was onbruikbaar voor de consumptie. De inhoud

van negen zakken kostbare rijst lag daar waardeloos over

den grond uitgespreid. Dat wilde zeggen, dat de tocht mislukt

was wegens gebrek aan voldoende voedsel om het voorgenomen

punt te bereiken. Ook DUMAS vond het niet geraden om

verder te gaan met deze onervaren roeiers. Dezelfde gevaren

in de rivieren zouden zich voordoen en wij hadden

eiken dag kans weder hetzelfde ongeluk te zullen ondergaan.

Er heerschte een zeer verslagen stemming wegens het

mislukken van den tocht, waarvan wij ons zooveel hadden

voorgesteld en waar reeds zoo dikwijls over gesproken was.

Nieuwe plannen werden gemaakt om ons verblijf hier zoo

nuttig mogelijk te maken; VAN DER SANDE zou in het

kamp achter blijven voor de aan malaria lijdende koelies;

wij zonden zoover mogelijk de Moso opvaren.

Het was een heerlijke tocht; hoe schilderachtig was hier

de natuur in tegenstelling met het eentonige der oerwouden.

De te volgen weg bood veel afwisseling aan en men kon

vrij rustig in de wankelende bootjes zitten, die nu niet zoo

zwaar geladen waren, daar de bagage in het kamp onder de


De Tamirivier. 103

hoede van VAN DER SANDE was achtergelaten. Dikwijls

moesten wij uit de booten, omdat de rivier af en toe geen

diepgang genoeg had, maar tijdens zoo'n oponthoud kon er

veel materiaal door ons verzameld worden. Toen wij door te

groote hinderpalen niet meer verder konden, werd er een

kamp opgeslagen; een tropische regenbui herschiep ons bivak

in een modderpoel. MACHMUDU, een Ternataan, die ons vergezelde

wist nog een kroonduif te bemachtigen ; het vleesch

lieten wij ons weder goed smaken. Des nachts ontlastte zich

een geweldige regenbui boven ons huisje; de op de zeilen

nederslaande regen had volgens VAN NOUHUYS het geluid

van spek, dat in een pan wordt uitgebraden.

Den volgenden morgen keerden wij weer terug en hadden


104 De Tamirivier.

tegen elf uur het bivak van den vorigen dag weder bereikt'

krachtig geholpen door de vrij snellen stroom. Teruggekeerd

ging ik met DUMAS

op de jacht en vonden

wij een groote Palaqium;

uit deze boomsoort

wordt de gutta

percha bereid. Wij

namen ons voor dit

den volgenden dag

te gaan probeeren.

Professor ging

's morgens vroeg met

MOOLENBURGH en

VAN DER SANDE er

op uit om een warme

bron te onderzoeken,

die MACHMUDU ergens

in de buurt op

zijne jachttochten

had gezien. Zij namen

proviand en bagage

mede om een

Moso's.

nacht uit te blijven,

maar keerden reeds voor donker terug, daar MACHMUDU

zich in den afstand vergist had.

DUMAS had mij verteld, dat hij bij zijn vorig bezoek aan

de Tamirivier hier aangekomen was zonder vaartuig en dat

zijne Borneojongens in een tiental dagen uit een zeer zware

boom een prauw hadden gehakt.


De Tamirivier. 105

Terwijl DE BEAUFORT alleen op de jacht ging, roeiden

DUMAS en ik naar de plek, waar deze boom gestaan had,

om kevers te vangen in het afval van het hout, dat nu wel

vermolmd zou zijn. Na eenig zoeken vonden wij de plek

en ik stond verwonderd, hoe die menschen in zoo'n korten

tijd uit zoo'n woudreus een vaartuig hadden gemaakt, dat

bestand bleek tegen zulk een bezwaarlijken tocht. De oogst

van insecten, voornamelijk kevers, was zeer bevredigend,

maar in de nabijheid van het water in dit duistere bosch

werden wij duchtig geplaagd door het steken der muskieten.

Wij vertrokken dan ook 7,00 spoedig mogelijk naar de

Palaqium-boom om de gutta percha daaruit te bereiden.

DUMAS, volleerd in al deze werkzaamheden, nam natuurlijk

de leiding op zich. De boom werd eerst geveld, daarna

werden er op een afstand van een halve meter ringen in

den bast gesneden; hieronder werden geïmproviseerde bakjes

van bladeren gezet om het uit den bast druppelende, melkachtige

sap op te vangen. Daarna werden deze in een leeg

petroleumblik uitgegoten. Het lijkt eenigszins vreemd, dat

wij hiervoor een oud petroleumblik gebruikten, maar ieder

die in Indië is geweest, weet, welk een tal van voorwerpen

er gefabriceerd werden uit oude petroleumblikken, waarin

deze brandstof in Indië wordt verhandeld. Bloempotten,

gieters, waschbakjes, waterscheppers, alles draagt den stempel

van de een of andere petroleumsoort. De gutta wordt daarna

met water opgekookt; ze begint langzamerhand eene stijve,

kleverige massa te worden en moet vervolgens gekneed worden

om de onreinheden er uit te verwijderen. Er werd een

monster ter onderzoek opgestuurd naar Buitenzorg; helaas

bleek het een minder goede kwaliteit te zijn. DUMAS had,


106 De Tamirivier.

geloof ik, reeds gedroomd van een concessie en gedacht, dat

hij een goudmijn ontdekt had. Ware het de bekende Palaqium

oblongifolium geweest, dan zou zijne berekening wel eens

goed hebben kunnen zijn. De beste soort van de gutta percha

wordt gebruikt voor de bekleeding der onderzeesche telegraafkabels

en heeft een waarde van ± f 500 per pikol (62 K.G.}.

Den volgenden dag moest helaas de terugtocht ondernomen

worden en wij moesten voorloopig afscheid nemen van

de Tamirivier, die ons met zijn gevaarlijke stroom zulke

parten had gespeeld. Door de stroom geholpen, bereikten

wij maar al te spoedig naar onzen zin het kamp onder de

Pandanusboomen.

Professor, MOOLENBURGH en ik besloten terug te keeren

in een Tobádische prauw; met de drie lepa-lepa's zou een

gedeelte der goederen vervoerd worden. De overige leden

der expeditie zouden achter blijven ter bewaking van de

rest der bagage.

Een Tobádische prauw ziet er als volgt uit: het vaartuig

is gehakt uit één boom, de twee boorden zijn verhoogd met

planken, die daaraan bevestigd zijn door middel van lianen en

ander dergelijk bindwerk. Aan stuurboord bevindt zich een

uitlegger, aan de boot verbonden door drie dunne boompjes.

Op het midden rust een platform, waarop drie menschen

gemakkelijk kunnen plaats nemen. Een oude potscherf is er

steeds op aanwezig, waarin smeulend hout. Aan het platform

bevinden zich ter versiering drie staken, waarvan het uiteinde

een gekleurde visch of vogel is en die halverwege den

uitlegger reiken. Voor en achter het platform kunnen drie

roeiers zitten, in kritieke oogenblikken staan zij echter. De voorsteven

is kunstig uitgesneden, meestal bestaande uit een com-


De Tamirivier. 107

binatie van een vogel en eenige visschen, somtijds ook van een

hond. De punt wordt gevormd door de sneb van een vogel, die

aan een aalscholver doet denken. ¹) De zijwanden zijn uitgesneden

met allerlei vogel- en vischmotieven. Het zeil, dat op

zoo'n vaartuig gebruikt wordt, is van pandanusbladeren gemaakt;

aan den top van den mast prijkt als versiering een

bos casuarisveeren. Uit het aantal bossen is af te leiden, waar

het scheepje thuis hoort.

Met het vaartuig, dat wij voor den overtocht zouden gebruiken,

konden wij niet zeilen, daar de controleur er een

dakbedekking op had laten maken als bescherming tegen

de zonnestralen tijdens den tocht op de Tamirivier.

De bemanning bestond in volgorde te beginnen bij den

voorsteven uit de navolgende personen: de Ternataansche jager

MACHMUDU ; JANGROI, de korano van Tanah merah; de

meer genoemde MáNSINAM; JACOB en KANKONG, oppassers

van den controleur en ten slotte TROI van Tarna.

De tocht werd met prachtig weder ondernomen; in het

Bougainville gebergte regende het echter. Allereerst moesten

o

wij door de branding, maar onder leiding van den vaardigen

MACHMUDU liep dit moeilijke werk vlot van stapel. Volgens

DUMAS hebben de plaatsen aan de kust, een bepaald

aantal groote rollers, gevolgd door eenige minder groote.

Of dit waar is, kan ik niet beoordeelen, wel weet ik, dat

bij onzen tocht naar Orúm dit verschijnsel zich in de baai

wel degelijk voordeed en dat de roeiers het moment afwachtten,

totdat het bepaald aantal groote rollers op het

strand was gebroken, om daarna onder de uiterste krachts-

¹) Zie teekening op pag. 50.


108

De Tamirivier,

inspanning met behulp van een kalmen roller te landen.

Er stak een briesje op, dat door de bemanning der lépalépa's

gebruikt werd om niet geïmproviseerde zeilen van

dekens en sarongs harder vooruit te komen, en zij dan

niet meer behoefden te roeien. Wij konden het zeil niet

hijschen, daar de dakbedekking in den weg stond; toch ving

deze genoeg wind om den roeiers het werk lichter te maken.

De bries werd allengs harder en groeide aan tot een stevigen

wind. De koelies begonnen hunne zeilen te minderen of geheel

in te halen en gingen verder zee in om de golven, die

bij het strand hooger waren, te ontwijken. Ons vaartuig begon

vreeselijk te kraken en te steunen, wanneer een golf de uitlegger

opnam. Toen wij dicht bij kaap Djüar waren gekomen,

zagen wij over zee een geweldige bui opkomen, die voortgestuwd

door den hevigen wind, ons spoedig bereikte. De

regen begon in stroomen neder te dalen; kaap Djuar konden

wij niet meer onderscheiden, alhoewel wij er vrij dicht bij

moesten zijn. De golven werden steeds hooger en onze toestand

begon hachelijk te worden. De boot werd met den

uitlegger naar de opkomende golven gekeerd; van roeien

en vooruitkomen was geen sprake meer. Het eenigste, waarop

gelet moest worden, was te verhinderen, dat de uitlegger opgenomen

werd door een aanrollende golf en het vaartuig zou

doen omdraaien. Het commando werd gevoerd door MACH-

MUDU, die gedurende de kritieke oogenblikken altijd zijn

kalmte heeft bewaard. Eenmaal maar, toen een van de roeiers

een bevolen manoeuvre verkeerd uitvoerde, hoorde ik hem:

„binatang, boddok" ¹) roepen. Geen van ons drieën zal, ge-

¹) Aap stommerd.


De Tamirivier. 109

loof ik, ooit de bevelen van hem vergeten, die luid geschreeuwd

werden om door de roeiers in het achtergedeelte

gehoord te kunnen worden. „ Djaga sema-sema" ¹)

klonk het steeds, wanneer een roller de buigzame uitlegger

opnam. De bemanning deed feitelijk niets dan de prauw in

evenwicht houden door het voorover buigen van hunne

lichamen of door met hunne pagaaien in het water te

steken. „Tahan prahoe, sedikit kiri, sedikit kanan" 2 ) riep

onze kapitein onophoudelijk. Het evenwicht was een voortdurend

punt van bezorgdheid voor hem. Professor en de

controleur lagen dwarsscheeps op het platform, terwijl ik

daarop langscheeps uitgestrekt lag, maar dat maakte ook,

dat ik bij de minste beweging het verstorende element

voor het in balans houden van de prauw was. MáNSIMAN

hoosde met een groot blad het regenwater uit de boot. Een

leeg petroleumblik, dat vol geregend was, moest leeggegooid

worden, daar het de boot te veel naar eene zijde deed

overhellen, zoozeer moest er op het evenwicht gelet worden.

Tot overmaat van ramp kreeg de controleur een aanval van

malaria en hij nam van tijd tot tijd met een koortsthermometer

de temperatuur op.

In Indië, vooral in de buitenbezittingen, waar geen aesculaap

is, doktert ieder zoo'n beetje voor zich zelf. Een van

de meest gebruikte formules is k, koorts, kinine.

Wij maakten zoodoende een angstigen tijd door en snakten

naar het moment, dat de wind minder hevig zou worden,

zoodat het mogelijk zoude zijn om, rond kaap Djuár varende

op het strand in de buitenbaai te landen. Kaap Djuár bestaat

¹) Pas op den uitlegger.

2 ) Houdt de prauw tegen, een beetje rechts, een beetje links.


110

De Tamirivier.

uit steil in zee afdalende rotsen; wij moesten dus ook zorgen,

dat wij ver genoeg van de kaap bleven om niet tegen de

steenen te pletter geslagen te worden. MáNSlNAM legde een

buitengewone kalmte aan den dag, ik zag hem van tijd tot

tijd zijn pakje tabak verleggen, om het voor nat worden te

behoeden tegenn den neerslaande regen.

Bonplan (Djuár), dat als een enkele kaap op de kaart staat,

bestaat in werkelijkheid uit eene serie van kleine inhammen,

die als coulissen achter elkaar geplaatst zijn; aan het getal

scheen geen einde te zullen komen. Ik geloof, dat ons

allerlei vreemde gedachten door het hoofd speelden; er werd

weinig gesproken ; na elke opname van de temperatuur van

den controleur werd door ons met onnatuurlijke interesse

gevraagd, hoe het er mede stond, blij als wij waren, om

iets te hebben, dat onze gedachten afleiding bezorgde.

Eindelijk kon ik hun het heerlijke bericht toeroepen, dat

de laatste uitstekende punt in zicht was. Stuk voor stuk zag ik

de buitenbaai verschijnen en ten slotte het zilverwitte strand,

waar wij straks zouden landen en de daar langs staande

klapperboomen. De regen had intusschen opgehouden en

vergunde ons weder te zien, waar wij waren. De wind bleef

echter nog flink blazen en de golven verminderden evenmin.

Nog eenige krachtige slagen met de pagaai en de boot schoof

krassend over het strand. Met een verlucht hart verlieten

wij het vaartuig en met voldoening stapte ieder van ons

op den vasten wal. Onze roeiers draaiden kalm een cigarette

en rustten, uit van den ingespannen arbeid. Met schrik dachten

wij aan de drie lépa-lépa's, die zonder uitlegger een heel

wat gevaarlijker tocht dan wij moesten hebben gehad en wij

vreesden, dat wij hen wel niet allen behouden op Metu Débi


De Tamirivier. 111

terug zouden zien. Na een flinken rust moesten wij de buitenbaai

nog oversteken, waar de golven vrij hoog stonden.

MACHMUDU vond het gevaar niet groot genoeg om de opperste

leiding te nemen en droeg die over aan. de oppassers

JACOB en KANKONG, die zich uitstekend van hun taak

kweten. Ten slotte draaiden wij om Kaap Tjewëri en roeiden

zij ons door het kalme water van de binnenbaai naar de

aanlegplaats op Metu Débi. De weinige bagage, die wij in

onze boot hadden, was doornat van het regen- en zeewater.

Vooral het laatste is zeer onaangenaam, daar dit niet geheel

opdroogt tengevolge van het zoutgehalte en alles moest dus

eerst uitgewasschen worden met zoet water om daarna definitief

te drogen. Één voor één met zeer lange tusschenpoozen

kwamen de lepa-lepa's binnen; de koelies waren doornat

en ik geloof, dat dit de eerste maal was dat zij zich werkelijk

goed hadden ingespannen. De bagage, waaronder onze drie

bedden, was doornat en wij vreesden, dat er voor de tweede

maal groote schade aan de levensmiddelen toegebracht was

door het water. Van drogen op dien dag was geen sprake

meer, de zon was reeds aan het ondergaan, trouwens de

koelies waren te uitgeput om mij met dit werk te helpen.

Den volgenden dag werd de rijst op zeilen uitgespreid;

het verlies bepaalde zich gelukkig tot een enkele zak rijst,

die aan de op het eiland rondloopende kippen opgevoerd

werd. Het doorstane gevaar, welllicht minder erg dan in

onze verbeelding, zal ik niet licht vergeten. Van de zeewaardigheid

van de Tobádische prauwen, de zeemanskunst van

MACHMUDU ¹) en de kalmte der overige roeiers hebben wij

¹) MACHMUDU had vroeger met KÜKENTHAL en DE MARQUISA gereisd


112

De Tamirivier.

een hoogen dunk gekregen. Tot belooning ontvingen zij

den volgenden dag pakjes tabak, een groot kapmes en een

zak rijst om zich hieraan te goed te doen.

De zee was den volgenden dag nog te hoog om de

koelies weder met de lepa-lepa's terug te sturen om het

overschot van de bagage af te halen; trouwens de lust om

te gaan was bij hen niet bijster groot.

De overige leden der expeditie kwamen den dag daarop

terug; zij hadden de tocht gedeeltelijk over zee en gedeeltelijk

over land gemaakt. DUMAS had een kleine krokodil

gevangen, die op het strand lag. Hij meende, dat hij dood

was en pakte hem bij zijn staart, maar een vinnige beet in

zijn hand bewees hem het tegendeel, maar die beet kostte

hem ook het leven. DE BEAUFORT bracht voor de verzameling

een groote, wit met oranje gevlekte, cuscus mede. Deze

dieren kenmerken zich door een stevigen grijpstaart. Hij was

geschoten in een van de Pandanusboomen boven het kamp

aan de monding van de Tami.

Ook voor VAN DER SANDE was deze tocht uiterst vruchtbaar,

daar hij in Jabé, een dorp van de landstreek Sekå,

een bruiloftspartij had bijgewoond. Onder de verzamelde

ethnografica waren ook eenige mooi uitgesneden schilden,

die de bewoners van Sekå in een gevecht veroverd hadden

op hunne oostelijke naburen. Vele Tobádiërs en bewoners

van Kajó waren hier als gasten, ook de Tante van DUMAS

was van het Sentánimeer gekomen om hier feest te vieren.

De begroeting moet weder zeer aandoenlijk geweest zijn.

had DE CLERCQ gered bij het omslaan van zijn bootje in September 1887 bij

de Witriwaai. De Noord- en Westkust van Nieuw-Guinea. Tijdschrift v. h.

Aardk. Genootsch. 2 e serie, deel X, pag. 988, aant. I.


De Tamirivier. 113

Volgens hun verhaal lagen er zeer vele prauwen op het

strand, de mannen lagen of zaten langs en in de karriwarri.

Kampoag Mabo (Sëkå).

Op een met wit zand bestrooide plek stond de bruid, zwaar

behangen met kraalsnoeren en oorbellen en ondersteund

door eenige vrouwen, die boven haar hoofd een tak hielden.

Op een huis waren in het dak twee paradijsvogels gestoken,

terwijl aan de karriwarri een groote rog hing. Beide versieringen

stonden zeker in verband met de festiviteiten.

Des avonds werd hun onze tocht om Kaap Djuár in kleuren

en geuren verteld en werd er „festessen" gehouden om onze

behouden overkomst te vieren. MOOLENBURGH, gelukkig her-

steld van zijn malariaaanval, was natuurlijk onze gast.

S


114 De Tamirivier.

Na dezen emotievollen dag volgden er eenige kalmere dagen,

waarin wij allen druk bezig waren met het inpakken. Wij

verwachtten binnenkort de Zeemeeuw, maar wilden eerst nog

eenige tochten maken en daarvoor moest alles in gereedheid

gebracht worden. Na aankomst van de Zeemeeuw, werd de

expeditie gesplitst; professor, DUMAS en ik zouden op onderzoek

uitgaan naar de steenkolenvelden, terwijl de controleur

ons zou brengen naar het punt, waar wij het binnenland in

zouden trekken en zich daarna met DE BEAUFORT naar het

Sentánimeer begeven om de zoölogische verzameling van

het interessante meer te vergrooten.

V. D. SANDE zou alleen naar Asé op het Sentánimeer

gaan, daar hij van oordeel was, dat hij, alleen vergezeld

van de oude JOHARI, vruchtbaarder zoude kunnen werken

op anthropologisch gebied. De door hem verrichtte metingen

bepaalden zich in hoofdzaak tot mannelijke Papoea's en

hij meende, dat hij bij de dames meer succes zoude hebben,

indien hij daar alleen was, . daar de vrouwen thans schuw

gemaakt werden door de indringerige koelies.

Wij maakten eerst een tocht naar de chloromelaniet

vindplaats, waaraan ik mijn volgend hoofdstuk zal wijden.

DUMAS ging den 26sten Mei naar de Jafúri, waarheen wij

den i sten Juni vertrokken om eenige meren te vinden,

die daar in de nabijheid zouden moeten liggen. Den 3o sten

Mei kwam DUMAS terug, RASSIP had van uit den top van

eenen boom een meer gezien, maar wist niet zeker, of dit

niet het Sentánimeer was.

De rust op het kalme eiland werd nog verstoord door de

aankomst van den korano van Tarfia. Hij deed vreeselijke

verhalen van een gevecht-, dat zij gehad hadden met de


De Tamirivier. 115

bewoners van Muris. Volgens zijn zeggen lag de schuld

van het voorval bij hunne antagonisten en waren zij aan

het conflict doodonschuldig. Hij zelf was aan het hoofd en

aan den arm door een pijlschot gewond. Hij kwam onmiddellijk

onder behandeling van V. D. SANDE, die nog een

stuk van een pijlpunt uit zijn hoofd verwijderde.

Drie dagen later dan ons voornemen was, gingen wij op

onderzoek uit naar de meren. Wij volgden een gedeelte van

den weg, die naar het Sentánimeer leidt om daarna oostelijk

af te buigen. Onderweg ontmoetten wij den korano van Sekå,

die een oranje jas aanhad; wij leerden hem „oranje boven"

roepen. Daar de Papoea's zeer vlug zijn in het naspreken

van vreemde woorden, had ons pogen goed succes. Na afscheid

genomen te hebben van deze oranjeklant, leidde onze

weg langs een vrij steile glooiing over eenen bergbrug;

halverwege stond een heerlijk riekende citroenboom. Na

de afdaling bereikten wij de bronnen van een riviertje,

waarvan wij den loop verder volgden. Daar wij den naam

niet te weten konden komen, doopten wij het de Sekántorivier

naar de Sekánto's, een volkstam, die hier een nomadenleven

leidt. Volgens verhalen is dit vroeger een zeer machtige

stam geweest, die gewoond heeft aan de Humboldtbaai,

waar zij eene nederzetting zouden gehad hebben met zeven

karriwarri's. DUMAS had vroeger aanraking met hen gehad,

maar op dezen tocht gelukte het ons niet hen te zien. Zij

overnachten gewoonlijk niet vaker dan eenmaal in dezelfde

hutten, daar zij steeds vervolgd worden door de machtige

stammen aan de Humboldtbaai. DE BEAUFORT en MOOLEN-

BURGH hebben eenigen van dezen stam in de nabijheid van

het Sentánimeer ontmoet.


116

De Tamirivier.

De Sekántorivier werd steeds breeder en bood een schilderachtigen

aanblik door de plateaux, die in de bedding gevormd

worden door de

afzetting van het

kalkhoudende water.

Daar een van

ons slecht ter been

was door voetwonden

tengevolge der

boschmijten, werd

de expeditie in

Sekánto's.

tweeën gesplitst;

Professor, DEBEAU-

FORT en ik bleven

achter, terwijl VAN

DER SANDE, Moo-

LENBURGH en DU-

MAS verder trokken

op onderzoek naar

de meren.

Wij verrijkten

ons materiaal met

eenige exemplaren

van vogels; o. a. schoot DE BEAUFORT een mooie paradijsvogel

(Ptiloris magnifica ). INGGU had het geluk om in de

bedding een fossiele tand te vinden.

Des avonds zagen wij eenige honden om het kamp dwalen,

waarschijnlijk toebehoorende aan de Sekánto's. Zij waren

zeer schuw en wij konden ze dan ook niet in handen krijgen.


De Tamirivier. 1l7

Den volgenden dag kwamen de anderen weder terug, zij

hadden na zeer veel moeite het meer gevonden. Met was

omgeven door een groot moeras, zoodat zij het niet dicht

hadden kunnen naderen. De geheele oppervlakte was met

waterplanten bedekt. Sekánto's hadden zij niet gezien, maar

wel een verlaten woning en eenige megapadiuseieren aan

een rottandraad geregen, die opgehangen waren aan eenen

boom. Volgens DUMAS doen deze dienst a!s wegwijzers. Zij

hadden eenige vruchten van daar groeiende klapperboomen

geplukt en om de eigenaars schadeloos te stellen, hadden

zij aan een der boomen een doosje met mooie kraaltjes

gehangen. De nacht van 5 op 6 Juni was een zeer onaangename

voor hen geweest, want zij waren gedwongen te

overnachten in een moerassig sagobosch, waarin het niet

aan de noodige muskieten had ontbroken. Verder was er

geen riviertje in de nabijheid voor het benoodigde water


118

De Tamirivier,

dat zij hadden verkregen door kuilen te graven en het zwarte

modderwater door verbanddoeken te filtreeren.

De terugtocht had zonder bijzondere voorvallen plaats;

alleen hadden wij veel last van een klein soort bij, wier

steek een kortstondige hevige pijn veroorzaakte. De nesten

Verlaten woning der Sekánto's.

hingen onder aan de bladeren van de struiken, bij aanraking

vlogen zij verwoed op hunne verstoorders aan.

Op den 9den Juni kwam er om kaap Pi een sloep met

de Nederlandsche vlag op den achtersteven, die VAN NOU-

HUYS en VAN WEEL, respectievelijk gezaghebber en eerste

stuurman van de Zeemeeuw bevatte. Wij hoorden van


De Tamirivier. 119

hen allerlei nieuws uit Europa en tot onze groote vreugde

brachten zij een gedeelte van de mail mede; de rest zouden

wij later krijgen van de „van Goens". In Ternate

heerschte onder de inlanders een groote paniek, daar twee

vrouwen vermoord waren gevonden. Dit werd in verband

gebracht met de' sage, die er loopt, dat, wanneer er een

nieuwe sultan op den troon is gestegen, deze een rondvaart

om het eiland maakt. Er moeten dan twee vrouwenhoofden

in den krater geworpen worden. Dit verhaal verspreidde zich

op Metu Débi en bracht groote ontsteltenis te weeg onder

de Ternaten. Het treurige gevolg daarvan was, dat onze

jagers RASSIP en MARINGI en de gelijknamige jongen van

DUMAS besloten met de eerstvolgende boot van de Pakketvaart

naar Ternate te vertrekken, ter beveiliging van hunne

vrouwen en kinderen. Voor ons was dit een groote slag,

daar RASSIP en MARINGI niet alleen zeer goede jagers waren,

uitstekend vogels prepareerden, maar ook, omdat zij

ons, in tegenstelling met de koelies, van onschatbaren dienst

waren geweest in het oerbosch. Wij zagen hen dan ook met

leede oogen vertrekken Ook het aantal koelies verminderde

bij elke boot door ontslag, wegens ziekte of verregaande

ongeschiktheid of wel, omdat sommigen zulke goede zaken

met het spel gemaakt hadden, dat zij een voldoende som

bij elkaar hadden gebracht om naar huis terug te keeren en

daar een lui leven te lijden.

Pagaai van het Sentáinimeer.


HOOFDSTUK IV.

De tocht naar de Chloromelaniet vindplaats.

Hoofdsieraad Sentánimeer.

it verschillende berichten hadden

wij begrepen, dat het chloromelaniet,

het materiaal waaruit de steenen

bijlen der Papoea's vervaardigd

worden, gezocht moest worden in

de landstreek Orúm, ten westen

van de Humboldtbaai gelegen. Wij besloten daarom een

tocht naar Orúm te maken in de hoop, dat de bewoners

van deze landstreek ons naar deze vindplaats zouden

brengen.

Met het oog op den vloed en de mogelijke hooge deining,

die er zou kunnen staan op het strand, waar wij moesten

landen, vertrokken wij des avonds half tien in eenige

Tobádische vaartuigen. Om beter te kunnen zien hadden de

Papoea's een groot houtvuur op het strand aangelegd. Het

vuur verspreidde een rosse gloed op de bruine gestalten dei-

Papoea's, die er grooter uitzagen dan zij werkelijk waren.

UNAI had het schijnbaar zeer druk en ontlokte een serie


Orúm. . 121

schrille tonen aan zijne sirenefluit, maar in werkelijkheid voerde

hij niets uit en speelde meer voor clown en verkondigde

grappen, die helaas door ons niet begrepen werden. Als

roeiers deden de jongens van de karriwarri dienst; als belooning

zouden zij ieder een kapmes en een pakje tabak

ontvangen. Het kapmes mochten zij zelf niet behouden

volgens het gebruik, dat ik hierboven uiteengezet heb.

Zij waren voor deze gelegenheid met frisch groen getooid.

Het geheel, hel verlicht door den gloed van het vuur bood

een hoogst fantastische aanblik aan. Onder luid gezang werden

de prauwen te water gelaten en de tocht ving in den

donkeren nacht aan. Onze koelies zouden helpen roeien,

maar een voor een verdwenen zij onder het platform van

de prauw, door zeeziekte ongeschikt geworden. Professor,

DE BEAUFORT en ik bezetten één prauw, v. D. SANDE en

de controleur ieder een andere, terwijl DUMAS met de jagers

in de rorégé zat.

Hoewel er vrij veel deining stond, werd er voortreffelijk

geroeid; wij waren draaiende om kaap Pidéi dan ook spoedig in

de buitenbaai. Wij gingen voorloopig slechts tot Kajó Jenbí

om daar eenige uren in de karriwarri te slapen, want er stond

nog te veel deining in de open zee om verder te gaan. Het

was zeker het eigenaardigste slaapvertrek, dat wij tot nog

toe bewoond hadden. Door de ongewoonte konden wij den

slaap niet zoo spoedig vatten als anders, maar tegen half twee

moest toch een ieder wakker gemaakt worden. Door het

flauwe licht van een kleine lantaren beschenen, zag men

hier en daar de Papoea's op den grond liggen met het bekende

rustbankje onder hun hoofd. Het geleken even zooveel

reusachtige ragebollen.


122 Orúm.

In de prauwen trachtte ieder zoo goed mogelijk zijn

nachtrust voort te zetten, gewiegd door de golven, die nu

gelukkig minder hoog waren. Tegen half zeven bereikten

wij de baai van Orúm; de roeiers hadden echter niets geen

haast om te landen en begonnen kalm hun medegenomen

ontbijt te gebruiken, bestaande uit sagopap, gebakken visch

en jonge klappers, alles netjes verpakt in mandjes van gevlochten

bladeren. Alles zag er heerlijk en smakelijk uit,

zoodat wij er ook honger door kregen, maar wij moesten

met ons eten wachten, totdat het den heeren behaagde ons

naar het strand te brengen. Gelukkig duurde het dejeuner

niet te lang en begon het gevaarlijke werk: het landen.

De prauw werd eerst gewend, zoodat de achtersteven naar

voren gericht was.

Zij wachtten geduldig tot het bepaald aantal hooge golven

gepasseerd was en gingen met behulp van eene kleine golf

hard roeiende vooruit. Wee den ongelukkige, die door eene

hooge golf ingehaald werd: niet alleen zou hij kletsnat door

het opspattende water worden, maar hij liep ook nog de

kans, dat het vaartuig omsloeg. Met deze kundige zeelui

hadden wij zoo iets niet te duchten en de prauwen kwamen

alle behouden aan wal. Op het strand stond de bevolking

gereed om de behulpzame hand te bieden door de prauwen

bij de landing hooger op het strand te trekken. Geen stuk

van de bagage had dan ook iets geleden door waterschade.

Het dorp aan deze baai gelegen heet Nacheibe en is van

uit zee niet zichtbaar, daar het bijna geheel in het groen

verscholen ligt; ook hier verraadt de klapperboom de aanwezigheid

van menschen.

Boven de toppen van de achtergelegen heuvels ziet men


Orúm. 123

de spits van een hooge karriwarri uitsteken. Deze nederzetting

heet Sageisårå. De bewoners van dit dorp weten,

waar de begeerde steensoort moet gehaald worden. Wij

talmden niet lang op het strand en beklommen een steil

bergpad. Het is een vruchtbare streek; de tuinen, die wij

passeerden, zagen er weelderig en vruchtbaar uit. Groote

boomvarens teekenden zich met hun fijn groen scherp af

tegen de helder blauwe hemel. Professor, die nog aan voetwonden

leed, volbracht deze tocht op één schoen en één •

pantoffel. Wij moesten dan ook zijn ijzeren wilskracht en

volharding bewonderen, waarmede hij deze bezwaarlijke tocht

volbracht heeft. De weg, die wij volgden, bood mooie ver-


Orúm.

gezichten aan over de onder ons liggende blauwe zee, waarvan

het strand omzoomd was door een rand van zilverwit

schuim. In schoonheid doet het landschap mijns inziens niet

onder voor de zoo dikwerf geroemde Cote d'Azur. Mijlen

ver strekt het gezicht zich uit over de oneindige watervlakte

der zee, maar geen rookwolkje verraadt de aanwezigheid

van een schip.

Tegen half drie hadden wij Sageisårå bereikt, dat op een

heuvelrug gelegen is en van waar men de baai van Orúm en

de Torárebaai kan overzien. Als logement werd ons de ruime

karriwarri aangewezen; de bedden werden voor de zindelijkheid

op een groot zeil gespreid. ASSANG verhuisde wegens

brandgevaar met zijne keuken naar de open lucht.


Orúm. 125

In tegenstelling met de andere dorpen, die wij tot nog

toe zagen, is Sageisårå vrij regelmatig gebouwd met een klein

pleintje in het midden, zooals men dat bij ons in een Geldersch

dorp ziet. Om de illusie nog meer te vergrooten.

stond er midden op het pleintje een voorwerp, dat wel iets

van een pomp had. Bij nader onderzoek bleek dit een doodenhuisje

te zijn van een klein kind. Een dergelijk huisje

hebben wij nergens meer aangetroffen en wij zijn ook niet

te weten gekomen, waarom dit zóo'n bijzonderen vorm had.

Iets verder stond een meer voorkomend doodenhuisje, versierd

met visschen afkomstig van prauwversieringen. Het

dorp kenmerkte zich voor de zoölogie door eenen grooten

rijkdom aan spinnen.

De onderhandelingen werden geopend en aan de Papoea's

moest worden medegedeeld, dat wij de vindplaats van het

chloromelaniet slechts wenschten te zien, om eenige stukken

van het onbewerkte ruwe materiaal mede te nemen en dat

wij volstrekt geen plan hadden hun concurrentie aan te doen.

Voorwaar geen gemakkelijke taak; zij dachten dan ook geheel

anders over de zaak en beweerden, dat de vindplaats

wel vijf dagreizen afgelegen en de weg zeer moeilijk begaanbaar

was. Kortom zij trachtten ons alles zoo moeilijk

mogelijk voor te stellen. Dat zij daar gelijk in hadden, is

zeer goed te begrijpen, als men bedenkt, dat zij de eenigen

waren, die in het bezit waren van deze steensoort en dus

alle Papoea's van het Sentánimeer en van de Humboldtbaaï

bij hen moesten komen om die te koopen. Bij een huwelijk

is het gewoonte, dat men o. m. een mooie groote steenen

bijl cadeau geeft. Zij komen dus wederkeerig vrij gemakkelijk

door ruil in het bezit van voorwerpen, waar zij zeer op


126 Orúm.

gesteld zijn. Ik zeg vrij gemakkelijk, want de vervaardiging

van een steenen bijl neemt ongeveer drie maanden. Wan-

Karriwarri te Sageisårå.

neer zij er den geheelen dag aan zouden werken, zou dit

wel vlugger gaan, maar hunne gemakzucht en de eentoonigheid

van het werk zullen wel invloed hebben op de vlugge


Orúm. 127

afwerking. De ruwe steen wordt met een ander stuk beklopt,

totdat men in het ruwe den vorm van de bijl heeft verkregen.

Men zag dan ook overal op den grond kleine stukjes

van deze steensoort liggen, waarschijnlijk afval van de bijlen.

Daarna wordt het voorwerp gelijk en glad gemaakt

Vervaardigen van steenen bijlen en sagokloppers.

door het op een grooten steen van dezelfde soort zoolang te

slijpen, dat de oppervlakte er uit ziet, alsof ze gepolijst is.

Wanneer een dergelijk voorwerp ten verkoop wordt aangeboden,

wrijft de verkooper de bijl over zijn vettigen neus,

om de schoonheid van den steen nog duidelijker te doen

uitkomen. Wij konden vrij veel bijlen koopen; ook ruwe

onafgewerkte exemplaren werden door ons gekocht, maar


128 Orúm.

de vindplaats van bet chloromelaniet scheen een geheim voor

ons te moeten blijven. DUMAS was in dezen natuurlijk onze

politieke agent, allerlei wonderlijke en begeerïge voorwerpen

werden door hem uitgeloofd aan dengene, die ons de plaats

zou willen aanwijzen.

Hij was zelfs genegen om afstand te doen van een hemelsblauwe

pyjama, maar niets hielp. Zij hadden waarschijnlijk

afgesproken om dit geheim goed te bewaren. DUMAS had

om tot het doel te geraken vriendschap gesloten met een

eenoogige Papoea, die wij „jokkebrok" noemden wegens de

verscheidenheid van fabels, die hij ons wist te vertellen. Dit

woord was verstaan

door de inwoners,

zoodat hij algemeen

met dezen naam werd

aangeroepen. Van

hem was ook het verhaal

van de vijfdaagsche

reis afkomstig.

Zijne kleeding be-

Jokkebrok.

stond uit een soort

van klein borstrokje,

dat hem veel te kort

was, maar hij scheen

dit toch niet te willen

verwisselen tegen het hemelsblauwe complet van DUMAS in

ruil voor zijn geheim.

De toestand was voor ons niet zeer aangenaam, daar wij

wanhoopten aan het slagen van onzen tocht. Wij hadden het

ons zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt in de karriwarri en


Orúm. 129

brachten den tijd zoek met handel in ethnografica. Het

duurde tot laat in den nacht, voordat de laatste bezoeker

vertrokken was en het ons vergund werd door eene flinke

nachtrust de schade van den vorigen nacht weder in te

halen. Den volgenden morgen hervatte DUMAS de onderhandelingen

en af en toe zag men hem in druk gesprek en

handgebaar met den sluwen „jokkebrok". Het werd ons

langzamerhand duidelijk, dat een Papoea, die zeer veel

invloed scheen te hebben, de persoon was, die alles tegen

hield. DUMAS trachtte hem te vermurwen door hem eene

prachtige collectie messen, hakmessen en bijlen aan te bieden,

maar ook dit had niet de gewenschte uitwerking. Het eenigste,

wat hij bereikte, was, dat ons het vervaardigen der steenen

bijlen werd getoond. Ten einde raad maakten wij een wandeling

door het dorp over den heuvelrug en genoten ten

minste van het schoone uitzicht.

Na het dejeuner besloten DE BEAUFORT en ik in de tuinen

op jacht te gaan, om zoodoende nog iets nuttigs te

verrichten, daar ons het onderhandelen danig begon te ver-

velen VAN DER SANDE hield zich bezig met fotografeeren,

terwijl DUMAS zijne kleedingstukken als een volleerd handelsman

aanprees.

Wij namen eenige Papoesche jongens mede om ons den

weg te wijzen en ons behulpzaam te zijn in het vangen van

hagedissen en insecten. Zij zijn daarin zeer vlug en loopen

als jonge honden luid schreeuwende achter het wild aan, om

dit met een vluggen greep te bemachtigen. Voor het vangen

van vlinders zijn zij niet erg geschikt, daar zij niet voorzichtig

genoeg zijn en de voorwerpen beschadigen. Er kwam eens

een jongen aanloopen met een stokje, waaraan eenige schit-

9


130

Orúm.

terend gekleurde Ornithoptera's met een boomvezel om het

lijf gebonden waren. Natuurlijk waren die exemplaren, die

zeer moeilijk te vangen zijn door hun snelle vlucht, te zeer

beschadigd om te bewaren. Toen wij meenden, dat wij genoeg

materiaal verzameld hadden om des middags te prepareeren,

keerden wij iangs een steil voetpad terug. Op eens

zagen wij drie Papoea's, die beneden uit een dal kwamen;

zij hadden groote brokken steen op hunne schouders. Toen

zij ons zagen, gooiden zij de steenen van hunne schouders

en trachtten ze weg te stoppen. Maar het was reeds te laat, want

wij hadden de manoeuvre gezien en begrepen, dat dit groote

stukken chloromelaniet waren, die zij van de vindplaats

hadden gehaald, waarschijnlijk om ons te verkoopen. De

begeerte naar de uitgestalde voorwerpen was hun zeker te

machtig geworden. Het was duidelijk, dat de vindplaats

in de onmiddelijke nabijheid was, want wij hadden dezelfde

personen des morgens nog gezien. Wij hielden ons, of wij

niets bemerkt hadden en spoedden ons naar het dorp om

het heugelijke nieuws aan de achtergebleven leden der

expeditie mede te deelen. De mannen met de groote blokken

chloromelaniet kwamen ook aan en nu ontstond er een

zeer geanimeerd gesprek onder de Papoea's; DUMAS deed

nog eens zijn uiterste best; ook de controleur liet zich niet

onbetuigd, met het gelukkige gevolg, dat zij beloofden ons

den volgenden dag naar de vindplaats van het chloromelaniet

te zullen brengen tegen betaling van eenige kapmessen

en bijlen en het blauwe pakje voor „jokkebrok". Den avond

brachten wij weder gezellig in de karriwarri door, verheugd,

dat wij ons doel waarschijnlijk zouden bereiken. De handel

in ethnografica was weder zeer levendig.


Orúm. 131

Den volgenden dag gingen wij vroeg op weg, vergezeld

door zoo weinig mogelijk dragers om ons niet te belemmeren

in een snellen tocht. De Papoea's, die hier niet thuis hoorden,

mochten natuurlijk niet mede, daar zij de geheime vindplaats

niet mochten weten. Een gedeelte van de Tobádische karri-

Vindplaats van het chloromelaniet.

warri-jongens hadden wij voor het gemak en om vertrouwen

in te boezemen in Nacheibe achtergelaten. Wij volgden het

pad, waar DE BEAUFORT en ik gisteren de mannen met

de blokken chloromelaniet vandaan hadden zien komen. De

weg was zeer mooi, boomvarens sierden hier de bosschen en

de grond was hier en daar bedekt met een mooi soort bego-


132

Orúm.

ma's. Na een paar uur loopen bereikten wij de bedding van

een klein riviertje, de Toráre. Het duurde niet lang, of

Professor ontdekte in het kalme stroompje verscheidene

groote stukken van de gewenschte steensoort. De Papoea's,

die zich geheel in hun lot hadden geschikt, hielpen ons

zooveel zij maar konden. Zij verzamelden groote brokken,

fabriceerden hier mandjes om heen, haalden rottan uit het

bosch, dat als draagmateriaal moest dienen; kortom een rijke

oogst was het resultaat van dezen tocht. Onder de verzamelde

stukken was er een van 20 K.G. gewicht. Ieder

zocht zich een stukje als souvenir uit deze rijke voorraad

van materiaal en verheugd en wel werd de terugtocht naar

Sageisårå ondernomen. Wij troffen daar de Tobádische

jongens aan, die volgens hun beweren uit honger naar

ons toegedreven waren. Bij deze bewering trokken zij de

buik in, om ons te toonen dat deze door leegte geheel

was ingevallen. Zij noemden dat: „Sesörë Machaai''. Zij

zetten, groote oogen op bij het zien van de groote blokken

steen, die zij dadelijk herkenden als het geschikte

materiaal voor hunne bijlen. Hun aandacht werd echter

zooveel mogelijk afgeleid om niet de ergernis van de bewoners

van Sageisårå op te wekken, Deze ontvingen het beloofde

loon, en alhoewel aan „Jokkebrok" gezegd was, dat hij net

zoo lang op zijn lichtblauw pakje moest wachten, als hij

beweerd. had, dat de weg lang was naar de vindplaats, had

DUMAS toch medelijden met hem en wij zagen hem clan ook

weldra trotsch naast DUMAS staan in zijn galapakje.

De terugtocht naar Nacheibe was zwaar, daar de kleiachtige

modder het afdalen van: de heuvel bemoeilijkte; tengevolge

van de verwonde , voeten van Professor konden wij


Orúm.

133

slechts langzaam en met groote omzichtigheid vooruitkomen.

Beneden gekomen verzamelden DE BEAUFORT en ik zoölogica,

daarin bijgestaan door een meute van kleine jongetjes.

Wij volgden een mooi riviertje met groote steenblokken, die

nu eens kleine meertjes en kommetjes, dan weder bruischende

en hoogopspattende watervalletjes vormden.

Het vervolgen van vlinders en insecten over de rotsblokken

had ons dermate verhit, dat wij niet lang weerstand

konden bieden en ons verfrischten met een heerlijk bad.

Tevens werd de gelegenheid te baat' genomen om onze kleederen

met zeep uit te wasschen; of dit volgens de regels

der kunst geschiedde, geloof ik niet; na uitwassching werden

zij op de door de zon heet gestoofde rotsblokken gelegd

en waren droog, toen wij voldoende genoten hadden van

het heldere water.

Dien dag konden wij niet weggaan, daar de branding te

hevig was en werd het vertrek vastgesteld op den volgenden

ochtend vroeg. Wij namen de karriwarri maar weder in

bezit, maar deze was klein en wel voorzien van muizen,

die elkaar den geheelen nacht luid piepend over de talrijke

balken naholden.

De bewoners van Nacheibe, die in de karriwarri schenen

te slapen, lieten wij niet in het. vertrek toe en een lastige

nachtelijke bezoeker, die binnen trachtte te sluipen werd

met geschreeuw en gehoon ontvangen, met het gevolg, dat

hij spoedig afdeinsde en een beter logement opzocht. Reeds

des morgens vroeg om vijf uur kwam ASSANG ons wekken

met de nooit volprezen koffie en een ieder haastte zich om

zijn eigen bagage in orde te brengen, om gereed te zijn,

voordat de deining hooger werd. Dank zij de handigheid


134

Orúm.

der Papoea's geschiedde alles vlot en wel; alleen gebeurde

er iets met de rorege van DUMAS, tot groote vreugde en

hilariteit van de bewoners van de baai van Orúm. MAR-

RINGGl, de jongen van DUMAS, wilde iets in orde brengen

in de mast, en klom daartoe fluks naar boven, maar hij

hield geen rekening met de wetten van de zwaartekracht,

zoodat het bootje „kapseisde", zooals v. D. SANDE zeide,

Gelukkig kon de geheele bemanning zwemmen en was

de boot nog niet volgeladen, alleen dreven er eenige vogelhuiden

eenzaam op de golven rond. Zij werden zoo spoedig

mogelijk door ons opgevischt en later op Metu Débï weder

netjes in orde gebracht.

Wij volgden thans steeds oostwaarts de kust en tijdens

den tocht werden de namen van bergen, kapen en rivieren

door Professor genoteerd, die ingelicht werd door de Tobádie'rs,

die in deze streken vrij veel komen. Zij waren verheugd,

dat zij spoedig thuis zouden zijn om een einde te

maken aan het: „sesore machaai". De zon klom langzamerhand

en begon flink te branden, wat invloed had op de

roeilust van de Papoea's. De moed kwam er weer een beetje

in, toen Kaap Tuátja in zicht kwam, waarop zij weer met

den ouden veerkrachtigen slag doorroeiden en een schilpad

trachtten te vangen, die op zee gesignaleerd was. Helaas mocht

het hun niet gelukken deze te bemachtigen. Voor dat doel

gebruiken zij een lange lans met een ijzeren punt van een

weerhaak voorzien. Hunne neerslachtige stemming maakte

plaats voor een uitbundige vroolijkheid, die zich openbaarde

in een spelletje om zoo dicht mogelijk langs de uit zee

opstekende rotsblokken te varen. Groot gejuich, indien de

opspattende zee ons nat maakte. Zij bootsten het roeien


Orúm. 135

van de Sentániërs na en deden, alsof deze zwaarmoedig en

Karriwarri van Kajó Entsáu.

langzaam, hunne pagaaïen gebruiken. Daarna eene voorstel-

ling, hoe de Tobádiers roeien. Dan schoot de prauw als een


136 Orúm.

visch door het water krachtig voortgestuwd door de gelijkmatig

op en neder gaande pagaaien. Om Kaap Tuátja

varende werd er halt gehouden bij Kajo Entsáu, .waar wij

de karriwarri bezochten. Daarna staken wij over naar de

monding van het kristalheldere riviertje de Nbai. De Papoea's

hielpen ons hier in het verzamelen van mollusken en schoten

handig eenige visschen met hunne pijlen. Het is bewonderenswaardig,

hoe juist zij met een pijl een in het water

zwemmende visch weten te raken. Ieder, die wel eens

getracht heeft een staande snoek met een flobertbuks te

schieten, kan begrijpen, hoe moeilijk het moet zijn deze

zwemmende vischjes in een hard stroomend riviertje te

raken. Zij zullen dan ook wel door langdurige oefening dit

succes hebben bereikt.

Alvorens naar Metu Débi terug te keeren, landden wij

nog even op het eiland Misotti voor geologisch onderzoek.

Het is een van de kleine eilandjes, die druk bezocht worden

door een witte duif met zwarte vleugelpennen. (Myristicivora

spilorrhoa). Na het bezoek aan het eiland werd het pandanuszeil

met de wapperende casuarisbos geheschen en met

groot gejuich van onze roeiers kwam Tobádi in zicht. Des

avonds ontvingen de roeiers hun loon en een ieder was

tevreden en verheugd over het succes van den afgeloopen tocht.

Alvorens dit hoofdstuk te eindigen, wil ik nog een voorval

vertellen, dat van het goede geheugen der Papoea's getuigt.

Wij hielden ons een namiddag bezig met het schieten met

onze kogelgeweren op een in zee geplaatste schijf. Het viel

ons op, dat zij zich niet meer verwonderden over de werking

van deze moderne geweren, maar langzamerhand werd

ons de zaak duidelijk; zij vertelden ons, dat er langen tijd


Orúm. 137

geleden tegen den middag een groot zwart schip was gearriveerd

met drie masten en één stoompijp. Daar de Papoea's

toen nog geen geweren kenden, dachten zij, dat de bemanning

niet gewapend was, omdat zij geen pijlen en bogen zagen.

Zij besloten het schip te gaan plunderen, aangelokt door de

vele ruilmiddelen, die zij aan boord zagen. Maar eenige welgerichte

salvo's deed hen afdeinzen en volgens hunne opgave

sneuvelden er twee Tobádiërs; één was in den hals getroffen,

terwijl de ander een schot door beide dijen had gekregen.

Vier andere Papoea's werden gewond, twee mannen uit Kajo,

sinds overleden, en twee uit Tobádi, die nu nog leefden

met name DEIMI en AIBITJAAR. DEIMI was bij het schijfschieten

tegenwoordig en toonde ons een lidteeken op zijn

rechter schouder. Een oude pagaai werd daarop voor den

dag gehaald, waarin nog een kogel zat; naar ik meen bevindt

deze zich in de door V. D. SANDE verzamelde ethnographische

verzameling. Het schip zou den nacht nog zijn

overgebleven en den volgenden dag weder vertrokken zijn,

na nog even op een rots te hebben gestooten.

Mogelijk heeft dit verhaal betrekking op de Challenger,

het schip van de Engelsche diepzee expeditie, die in 1874

de Humboldtbaai bezocht, maar spoedig weder vertrok wegens

de weinig vriendschappelijke houding van de bevolking.

Tengevolge van dit gesprek gaven zij nog meerdere inlichtingen

van schepen, die volgens hunne heugenis de Humboldtbaai

hadden bezocht. Zij wisten steeds met vrij groote nauwkeurigheid

den aard van het schip te beschrijven en het was.

grappig met welke gebaren zij aanduiden, dat het een raderboot

was geweest.


HOOFDSTUK V.

De tocht naar de steenkolenvelden.

angzamerhand moest er aan vertrekken

gedacht worden, want op den 9den juni

was de Zeemeeuw reeds teruggekeerd

in de Humboldtbaai om een gedeelte

der expeditie naar de steenkolenvelden

te brengen. Professor zoude zijn regeeringsopdracht gaan

volbrengen en onderzoeken in hoeverre deze steenkolenlagen

voor exploitatie vatbaar zouden zijn. Den volgenden

dag zou de boot van de Pakketvaart arriveeren.

Er was dus zeer veel in orde te brengen; ten eerste alle

kisten, die met de van Goens naar Holland zouden vertrekken,

ten tweede het gereed maken van de levensmiddelen

voor de drie gedeelten, waarin de expeditie zich zou

splitsen en ten slotte moest alles ingepakt worden, wat de

moeite waard was om mede te nemen, daar wij na het

volbrengen van onzen tocht de andere leden der expeditie

af zouden halen, om daarna definitief Metu Débi vaarwel

te zeggen. De controleur zou ons vergezellen om een onderzoek

in te stellen naar het voorgevallene tusschen TARFIA


De Tawárin en de Moaif. 139

en MURIS. De 10 e Juni was voor ons een zeer aangename

dag door het ontvangen van de mail uit Holland. De rnailedities

werden zoo eerlijk mogelijk onder ons drieën verdeeld.

Op 11 Juni des middags 12 uur werd het anker van de

Zeemeeuw gelicht en zetten wij onder de hoede van den

bekwamen gezaghebber westwaarts koers. Reeds den volgenden

morgen vroeg lagen wij geankerd voor de monding

van de Bórowai. Daarachter was de kampong Kaptíau ge-

Bewoners van Mawes en Kaptíau.

legen, maar deze was door een bosch aan het oog onttrokken.

Tal van prauwtjes bemand met Papoea's en Ternataansche

jagers kwamen langs zij van het schip en weldra was

het dek gevuld met vreemdsoortig gekapte en getooide Papoea's.

De prauw van den korona had een mooie neder-


140

De Tawárin en de Moaif.

landsche vlag, hij zelf droeg het bekende zwarte jasje met

goud veterband afgezet en. met. gouden knoopen. De onderhandelingen

werden onder leiding van den controleur aangevangen.

Wij moesten roeiers en gidsen hebben, die ons

naar de steenkolenvindplaats moesten brengen. Koras, een

Ternataan, had vroeger op een van zijne tochten deze steen-

Mawes.

kolenlaag gezien en werd daarom als gids aangenomen. Wij

besloten wegens de heerschende onlusten alleen maar roeiers

en dragers van één nederzetting mede te nemen en kozen

daarvoor Kaptíau uit. Wij verstoomden naar de mond van

de Tawárin, welke rivier wij zoover mogelijk zouden trachten

op te varen met de kleine vaartuigen. De bagage werd in


Jonge vrouw van Tarfia.


De Tawárin en de Moaif. 141

de lépa-lépa's naar het strand geroeid om den volgenden dag

zeer vroeg op weg te kunnen gaan. Dank zij de handigheid

van onze koelies sloeg een der bootjes in de branding om,

maar gelukkig was zij niet volgeladen en bleek de waterschade

niet groot te zijn. Wij gingen in de vlet naar het

De monding van de Tawárin.

strand en kwamen heelhuids over. Bij de monding van een

rivier vereischt de landing door de branding groote geoefendheid

van de roeiers en bekwaamheid van den commandant van

de vlet. De lépa-lépa's waren onder leiding van DUMAS op

Metu Débi eenigszins getransformeerd; zij waren breeder

gemaakt, doordat hij ze had laten uithakken, tevens had hij


142

De Tawárin en de Moaif.

er boorden op laten zetten. Een en ander maakte, dat de

bootjes nu lang niet zoo wankelig meer waren en meer konden

laden. Met een luid hoera werd ons een afscheid toegeroepen

door den controleur en den 1en stuurman van de

Zeemeeuw, den heer VAN WEEL.

De stroom in de Tawárin was vrij sterk en de kronkelingen,

die de rivier maakte waren talrijk, zoodat wij den

eersten dag slechts zeer weinig vorderden. De oevers waren

meestal aan de eene zijde laag en met hoog riet begroeid,

terwijl aan de overzijde het oerbosch vlak tot aan het water

reikte. Hier kon men duidelijk zien, waar de vele hoornen

van daan kwamen, die bij hoog water tengevolge van hevigen

regenval door de rivier werden afgevoerd. Met water

ondermijnt den oever en zoodoende komen de wortels van

de groote hoornen bloot te leggen; verscheidene hingen

reeds half over het water en zouden bij een eerstvolgende

regenval hun evenwicht verliezen en in de rivier storten.

Talrijke vogels hoorden en zagen wij, het krijschende

geschreeuw van de kakatoes; het meer melodieuze geluid

der loris en het hoogst eigenaardige gefluit van de Philemon

Nova-Guineae. Prachtig gekleurde vlinders zweefden over de

rivier, die van uit de boot niet gevangen konden worden.

Natuurlijk verbeeldt men zich dan, dat het bijzonder mooie

soorten zijn, die men nog niet onder de gevangen exemplaren

heeft.

Laten wij hopen dat dit niet zoo is.

In de rivier bevonden zich tal van banken, die dicht bij

de monding met slib bedekt waren, maar hoe hooger wij kwamen,

des te meer waren zij bedekt met rolsteenen. Tot grootevreugde

van Professor werd er door een van ons een frag-;


De Tawárin en de Moaif. 143

ment van een amoniet ontdekt. Onmiddellijk gingen, wij

allen aan het zoeken op de banken en luide weerklonk het

getik der geologische hamers. Wat een satisfactie is het,

wanneer men een schijnbaar doodgewone blauwachtige steen

door midden slaat, om daaruit een prachtige amoniet bloot

te leggen. Ik geloof, dat Professor ten zeerste tevreden was

over de gedane vondst.

Het onderzoek der op Nieuw-Guinea gevonden amonieten

is opgedragen aan Prof. BOEHM te Freiburg, die reeds in

1900 op Misool met V. NOUHUYS mooie vondsten heeft

gedaan.

Wij overnachtten in een oud huis van KORAS, die hier

vroeger gewoond had om paradijsvogels te jagen. Deze oude

nederzettingen kenmerken zich, doordat er steeds in de omgeving

een groote struik spaansche peper staat. De Papoea's

gebruikten deze toespijs niet bij hun eten. Het is de kleine

soort, berucht door zijn geweldig sterke, brandende smaak

en die den naam draagt van „lombok sètan". Wanneer wij

langen tijd in het bosch vertoefden, gebruikten wij dit ook

wel eens, om een andere smaak te geven aan het vrij eentonige

eten, maar teruggekeerd in de eenigszins beschaafde

wereld, dacht niemand van ons behalve DUMAS er aan, om

dit te gebruiken. DUMAS had steeds een groote bus met

„petis" bij zich; dit is een soort van zwarte zalf gemaakt

van gedroogde garnalen. Deze petis, aangemengd met de

sterke spaansche peper, geeft er een veel mildere smaak aan

en ik moet bekennen, dat ik dikwijls genoten heb van het

door hem gereed gemaakte mengsel.

Wij ontmoetten hier ook eenige mannen van den stam

der Sáweh's, die in het binnenland wonen. De conversatie


144

De Tawárin en de Moaif.

met deze Heden ging natuurlijk zeer moeilijk, daar KORAS

hun taal ook niet goed machtig bleek te zijn. Zij gebruikten

zeer dikwijls hetzelfde woord nml. „fafnë".. Bij onderzoek

scheen dit „vreemdeling" te moeten beteekenen. Het gesprek

werd door middel van gebaren gevoerd, maar men moet

echter zeer voorzichtig zijn met gebarentaal, want ik herinner

mij, dat V. D. SANDE eens den naam van een Papoea had .

genoteerd voor den naam van een pijl. Zij hadden zeker gemeend,

dat V. D.SANDE wilde weten, wie de eigenaar van

deze pijl was. Trouwens het verhaal van een zekeren botanicus,

die het Maleisch niet erg goed meester was, is bij enkelen

zeker bekend. Hij vroeg aan zijnen jongen vlak na elkaar den

inlandschen naam van een bloem. Deze antwoordde daarop,

zeker om er maar af te zijn: „sama joega". Deze inlandsche

benaming werd door hem genoteerd, maar later zal hij wel

gelachen hebben, toen hij beter op de hoogte was van het

Maleisch. De uitdrukking toch beteekent vrij vertaald: deze

bloem heeft denzelfden naam als de vorige.

Als eigenaardigheden vielen mij bij de Sáweh's op, dat

zij den neus op drie verschillende plaatsen doorboord hebben;

de gaatjes zijn met een draad aan elkaar verbonden,

terwijl drie daaraan geregen kleine witte kraaltjes plat op

den neus komen te liggen. Hun haartooi is lang niet zoo

weelderig als die der Papoeas, die wij tot nog toe zagen.

Het haar is kort weggeknipt in een rand langs het hoofd,

zoodat het den schijn heeft alsof zij een mutsje van langer

haar dragen; op het voorhoofd dragen sommigen .valsche

ponny. Volgens KORAS is dit het haar van overleden bloedverwanten

en wordt dit uit piëteit gedragen.

Den volgenden morgen staken wij over naar den linkeroever


Groep Sáweh's.


De Tawárin en de Moaif. 145

van de rivier en volgden een zijrivier van de Tawárin, de

Bakaruái genaamd.

Feitelijk bestaat dit volgen van zoo'n rivier in het doorwaden

en het vastraken in de langs de oevers opgeworpen

modder. Wij beklommen vervolgens een zeer steile helling,

de Aiserïn, totdat wij op een smalle bergrug kwamen. Hierover

loopt een Papoesch boschpad, dat het oorlogspad der

Sáweh's zou zijn. Gelukkig was dit ook de waterscheiding

en daarmede het hoogste punt bereikt. Wij daalden af langs

een steil voetpad om ten slotte weder aan een klein stroompje,

de Erisángra, te komen. Professor bleef hier achter om toezicht

te houden op het in orde maken van de kampplaats,

terwijl VAN NOUHUYS en ik, vergezeld van KORAS en den

korano der Sawéh's, een onderzoek zouden instellen naar een

kolenlaag, die in de buurt moest zijn. Deze werd spoedig

gevonden en het heugelijke bericht aan Professor gebracht.

Er werd besloten, dat ik bij Professor zou blijven, die de

kolenlaag aan een nauwkeurig onderzoek zou onderwerpen,

terwijl VAN NOUHUYS en DUMAS de rivier verderop zouden

exploreeren.

Gewapend met pikhouweelen, schoppen en eenige zakken

om de steenkolen in te bewaren, begaven wij ons naar de

door ons bezochte plaats. De kolenlaag is hier voor een

gedeelte bloot gelegd door het riviertje de Erisángra. Er

werden met de pikhouweelen groote stukken steenkool uit

de laag gehakt en in de zon te drogen gelegd, terwijl Professor

de noodige opnamen deed. Een van de matrozen van

de Zeemeeuw, vroeger jager, bemachtigde een mooi mannelijk

exemplaar van de Paradisea papuana; DUMAS en KORAS

kwamen ieder terug met een kroon duif, terwijl VAN NOUHUYS-


146

De Tawárin en de Moaif.

terugkeerde en niets bijzonders rapporteeren kon; alleen had

hij het riviertje verder in kaart gebracht en maakte nevenstaande

foto, die een goed beeld geeft van een oerbosch

's Avonds zongen de Papoea's van Kaptíau liederen, die

sober en mooi klonken in de stille natuur.

Den volgenden morgen om half negen werd de terugtocht

weder langs het steile bergpad ondernomen. Op den bergrug

ontmoetten wij een groote troep mannen van Sawéh, Velen

droegen op het voorhoofd een kransje haar van overleden

bloedverwanten. Alvorens het kamp aan de Tawárin of wel

het oude huis van KORAS te bereiken, werden wij nog vergast

op een tropische bui. VAN NOUHUYS en ik gingen,

voordat het donker werd uit op fossielen. Er ontstond een

vriendschappelijke naijver tusschen ons, die Professor zeker

ten goede is gekomen. Groot was het gejubel van den een,

als hij een mooie amoniet had gevonden, maar dat spoorde

den ander aan om moeite te doen een nog mooiere te

vinden. Het is vreemd, hoe geoefend men in het zoeken

raakt, de kleinste oneffenheid, ronding of rimpeling in een

steen, die een winding van een amoniet zoude kunnen zijn,

wordt terstond opgemerkt en onmiddellijk onderzocht.

Wij besloten de rivier zoo ver mogelijk op te gaan d.w.z.

zoo ver, als wij de prauwen naar boven konden laten roeien,

om te trachten het vast gesteente te vinden, waaruit de

fossielen door het water werden afgevoerd. De vaart vorderde

slechts zeer langzaam, daar wij telkens uit de booten

moesten, omdat er te weinig water stond. VAN NOUHUYS

en ik namen dan ook maar het besluit om te voet vooruit

te gaan. Wij waadden door de rivier van de eene bank naar

de andere, steeds fossielen zoekende. Was de stroom te snel,


De Tawárin en de Moaif. . 147

dan ondersteunden wij elkaar door de handen op eikaars

schouders te leggen.

Het was een hoogst interessante tocht zoo met ons beiden

in een geheel vreemd land, waar waarschijnlijk nog nooit te

voren een Europeaan een voet had gezet. Het leek wel een

verwezenlijking van een jongensdroom. De bekoring werd

nog vergroot, toen wij af en toe sporen van bloote voeten

in het zand zagen afgedrukt. Wij volgden de voetstappen

en hoopten een in het groen verborgen dorp te vinden,

maar helaas gebeurde dit niet. Wel verried de eigenaardige

lucht van het sagowasschen de nabijheid van Papoea's, maar

wij hebben hen niet te zien gekregen. Voor Professor was

zoo'n boottocht altijd minder aangenaam, daar hij met

kompas gewapend, de richting van de kronkelende rivier

moest noteeren. De, tijd werd dan gelijk opgeteekend om te

huis gekomen een schets te kunnen maken. Wij kwamen

ten slotte aan een te diep gedeelte en moesten terugkeeren

naar de bootjes, die wij langzamerhand ver vooruit waren

gekomen. Mij wachtte daar een dubbele verrassing, bestaande

uit drie prachtige groote atlasvlinders, die door SARIBAN,

een van de koelies, aan een takje hangende gevonden waren

en verder een hoofdversiering, vervaardigd van landmollusken

met een eigenaardig ingeknepen mondrand. Daar ik

voor V. D. SANDE op mij genomen had om ethnografica te

verzamelen en tevens zoölogisch materiaal moest verzamelen,

kwam ik in een dilemma, omdat ik bepalen moest

tot welken „tak van dienst" dit voorwerp moest gerekend

worden. De keus was voor mij niet moeilijk, ik bewaarde

de schelpen voor de zoölogische collectie en vertelde

later aan v. D. SANDE, dat dergelijke voorwerpen door de


148

Dé Tawárin en de Moaif.

Papoea's in deze streek gedragen werden. Wij kampeerden

dien nacht in een oud bivak, waar doortrekkende Papoea's

geslapen hadden. Uit het aantal hoofdbankjes konden wij

opmaken, dat er 52 geweest waren. VAN NOUHUYS en ik

beproefden den volgenden dag de rivier nog verder op.

te gaan, maar, daar het terrein niet veranderde, bestond er

dus geen kans, dat wij het gebergte spoedig zouden bereiken.

De levensmiddelen waren trouwens ook maar voor

een beperkt aantal dagen medegenomen. Om visschen uit de

Tawárin te bemachtigen, gingen wij met „toeba" visschen.

Dit geschiedt op de volgende wijze: men neemt de wortels

van de derris eliptica, deze worden tusschen twee steenen

gekneusd. De rivier wordt onder en bovenstrooms op een

afstand van een goede 100 M. met groote rotsblokken afgedarnd,

zoodat de visschen niet meer uit dit vak weg kunnenen

de waterverversching verminderd wordt. De gekneusde

wortels worden daarna in het water uitgeknepen; daaruit

vloeit een sterk riekend witachtig sap, dat zooveel mogelijk

in het water verspreid wordt. Komt er geen sap meer

uit de wortels, dan worden deze weder met steenen geslagen

en gekneusd, totdat het gewenschte succes wordt bereikt.

Het gevolg is, dat de visschen spoedig op de zijde of op den

rug zwemmende boven komen drijven en daarna gemakkeüjk

met een netje kunnen geschept worden om in alcohol

te worden bewaard. Het groote voordeel hiervan is,

dat men ook visschen verkrijgt, die op de gewone manier

met netten niet te vangen zijn, doordat zij tusschen steenen

of in de modder kruipen. Een groote buit was onze beloöning.

Wij herhaalden dit nogmaals in een klein zijriviertje

van de Tawárin met hetzelfde succes. Des nachts


De Tawárin en de Moaif. 149

regende het veel, maar daar de tentjes van een goede constructie

waren, hadden wij er weinig last van.

Op onzen terugtocht zagen wij langs een der oevers den

korano der Sáweh's loopen; hij had in zijne hand een boog

en een kleine bundel met pijlen, daarachter kwam zijne echtgenoote,

zwaar beladen met een draagtasch gevuld met allerlei

voorwerpen, die zoo zwaar waren, dat zij er geheel gebukt onder

ging. Tot overmaat van ramp liep zij nog mank, maar de

vracht scheen nog niet voldoende te zijn, want toen hij een

broodvruchtenboom ¹) met rijpe vruchten zag, klom hij fluks

in den boom en gooide de rijpe vruchten naar beneden, die

door zijne trouwe ega verzameld en in haar draagnetje geborgen

werden. Hoogst voldaan vervolgde hij daarop glimlachende

zijn weg, terwijl zijn vrouw al strompelende achter

hem aanging.

Nog eenmaal overnachtten wij in het oude huis van KORAS

om den volgenden dag terug te keeren naar de Zeemeeuw.

Gedurende deze tochten hielden de officieren zich bezig met

de opname en het in kaart brengen van de kust, een hoogst

verdienstelijk werk, daar de kaarten van dit gedeelte nu

niet op al te groote nauwkeurigheid kunnen bogen. Den

volgenden dag werd besteed aan het uitzoeken en zooveel

mogelijk verpakken van het materiaal. Professor legde dan zijne

schatten op groote tafels om ze goed droog te kunnen verpakken.

Toen alles in orde was, maakten wij een uitstapje

met de vlet naar Mawes om ethnografica te verzamelen, maar

hadden daarbij weinig succes, daar de bevolking ons niet goed

gezind bleek te zijn. Waarschijnlijk was dit een gevolg van onze

¹) Artocarpus incisa.


150 De Tawárin en de Moaif.

vriendschappelijke verhouding met de bewoners van Kaptiau,

waarmede zij op gespannen voet leefden. Op verzoek van

den korano van Kaptiau verstoomden wij naar de monding

van de Bórowai om vandaar uit per vlet een bezoek aan

zijne gemeente te brengen. Het was een lange tocht door

een zeer eentonige landstreek, veelal brakwater, dicht bezet

Mannelijke bewoners van Mawes.

met rizophoren. In het dorp werden wij in het huis van den

korano ontvangen, dat in tegenstelling met de huizen, die

wij tot nog toe gezien hadden, uit verdiepingen bestond. Uit

een luikje in een bovenverdieping zagen wij plotseling den

alomtegenwoordigen DUMAS verschijnen, die bezig was om

photografiën te nemen. Als verwelkoming werden ons heerlijke

jonge klappers aangeboden, waarbij ook onze jongens


De Tawárin en de Moaif. I5I

niet vergeten werden. Wij zagen hier aan lange rijen op

staken ontkiemde klappers hangen, ik schatte het aantal

op eenige duizende. Wij dachten eerst, dat wij hier te

doen hadden met nijvere Papoea's, die van plan waren

een plantage aan te leggen, maar het bleek, dat zij moes-

Vrouwen van Mawes.

ten dienen voor een groot feest. Op verzoek werd er

door de bevolking een soort van dans uitgevoerd, begeleid

door een oorverdoovend geraas van typha's. Een van hen

was getooid met een oude soldatenkapotjas. Hoe de man

hieraan kwam, hebben wij niet te weten -kunnen komen.

Wel weet ik, dat hij zich erg voornaam in deze jas vond,

maar ik betwijfel, of hij er wel eiken dag mede uitging, de


152

De Tawárin en de Moaif.

tropische hitte in aanmerking genomen. Wij kochten eenige

voorwerpen, maar de korano beloofde nog aan boord te zullen

komen met allerlei gewenschte zaken o. a. steenen bijlen

en heilige fluiten. Hij voldeed aan zijne belofte en kwam

met de meest mogelijke verscheidenheid van artikelen.

Het bleek een coulante handelaar te zijn en ik werd het

spoedig met hem eens. De clou van den dag was eene

voorstelling op de heilige fluiten, waarvan nevensgaande foto's

een goed beeld geven. Men ziet duidelijk de lange lidteekens,

die als versiering op de beenen zijn aangebracht.

Wij stoomden daarna weder oostwaarts naar de Matterer-


De Tawárin en de Moaif. I53

baai, alwaar de meergenoemde dorpen Tarfia en Demta liggen.

Dieper landwaarts in ligt Muris, waarmede de twee eerstgenoemde

in oorlog leefden. Gelukkig heeft men niet veel

last van deze oorlogen, daar deze zich bepalen tot onderlinge

gevechten en zich openbaren in het verraderlijk ver-

moorden van eenen niets vermoedenden vijand. Vrouwen en

kinderen worden hierbij allerminst gespaard.

Bij onze aankomst werd het dek onmiddellijk overstroomd

met handelaren, korano's, djoerabassa's (tolken), vrouwen' en

kinderen. De onderhandelingen werden weer geopend : het was

ons plan om de rivier de Moaif, westelijk, van de Matterer-


154

De Tawárin en de Moaif.

baai gelegen, op te varen en daar een plaats te bezoeken,

waar volgens geruchten ook een steenkolenlaag moest zijn.

De korano's en verdere dignitarissen waren buitengewoon

Eenige mannen van Tarfia.

geschikt en genegen ons alle mogelijke hulp te verleenen.

Dit waren wij niet gewoon en er zou dus wel iets achter

steken, hetgeen ook later bleek. Alvorens te vertrekken bracht

ik met DUMAS een bezoek aan Tarfia. Van uit zee gezien,


De Tawárin en de Moaif. . . 155

ziet het er netjes uit, de huizen zijn klein en hebben een

kleine overdekte voorgalerij, die door een vierkante opening

toegang verleent tot het binnenhuis. Onnoodig om te ver-

klaren, dat alle huizen op palen staan, daar dit dorp tot de

zoogenaamde stranddorpen behoort. Deze nederzetting heeft

een monopolie, dat bestaat in het fabriceeren van cein-

tuurs, arm- en beenbanden. Deze worden vervaardigd van

kralen, gedroogde vruchtjes en kleine witte plat geslepen

schelpjes, die vastgenaaid worden op een weefsel, dat kunstig

op een soort weefgetouw wordt gemaakt. Het zoude tot

groote verwikkelingen aanleiding geven, indien andere Pa-

poea's in de buurt het waagden deze voorwerpen na te

maken, aldus DUMAS. Ondanks alle pogingen, die ik in het

werk stelde, kon ik slechts zeer enkele exemplaren machtig

worden, de anders zoo begeerde cricketbanden werden zelfs

versmaad. Later werd ons duidelijk, wat hiervan de reden

was. De ceintuurs zien er mooi uit en komen in allerlei

kleuren voor, door- de groote verscheidenheid van" de daar-

voor gebruikte kralen. De heldere kleuren komen mooi uit

op de donkere lichamen van de dragers. Het haar dragen

zij in lange krullen, dat hun in manen over den rug hangt

of wel zij maken er een hoog hoofdversiersel van. Op nevens-

staande foto ziet men eenige haardrachten van bewoners

van Tarfia. De vrouwen daarentegen draden het haar zeer

kort, bijna geschoren.

De karriwarri is hier, in tegenstelling met die aan de

Humboldtbaai, klein en onaanzienlijk en het scheen, dat zij

niet zoo streng vasthielden aan de beginselen van hunne

godsdienst als de Tobádiërs.

De uitslag der besprekingen was: dat wij den volgenden


I56

De Tawárin en de Moaif,

morgen vroeg naar de monding van de [westelijk gelegen

rivier de Moaif zouden stoomen, deze zoover mogelijk met

kleine vaartuigjes opvaren en van daar uit de kolenlaag met

behulp der daar wonende

Papoea's trachten

te vinden. Zooals

afgesproken was, vertrokken

wij met de

lépa-lépa's stroomopwaarts,

de roetende

koelies werden daarin

bijgestaan door Papoea's

uit Tarfia, die

het stuur van hen overnamen.

Het besturen

van zoo'n rank vaartuig

is een van de

moeilijkste dingen in

een snelstroomende rivier,

waarin tal van

Bewoner van Tarfia in feestdos.

boomen liggen, gedeeltelijk

onder water, zoodat

er steeds goed uitgekeken

moet worden.

Verder zoeken zij de

plekken op, waar de

minste stroom staat.

Een boot met uitlegger van de bewoners van Tarfia vergezelde

ons, één der roeiers had zich getooid met eene

blauwe Duitsche caveleriepet, wat hem een potsierlijk voor-


De Tawárin en de Moaif. 157

komen gaf, daar de verdere kleeding geheel ontbrak. Hij werd.

door de andere Papoea's „paai toea" of „oude heer" genoemd,

Het was een vroolijke man, die ons met zijne grappen dikwijls

aan het lachen heeft gebracht.

Ook deze rivier kronkelt zich

in talrijke bochten, vandaar dat

wij slechts zeer langzaam vorderden.

Bij de kust zijn de oevers

laag, modderachtig en met hoog

riet begroeid; hoe meer men in

het binnenland komt, des te

dichter wordt het oerbosch. De

schoonheid van de rivier werd

nog vermeerderd door bloeiende

lianen, die helderrood in beval-

Paai toea.

lige kronkelingen en windingen

van de toppen der boomen naar beneden hingen. Het was een

mooie afwisseling, die scherp afstak tegen het wel wat eentonige

groen van het oerwoud. Een zeer mooie boom is de pinang,

die met haar glimmend groene bladerkroon reeds van

verre zichtbaar is. Langs de rivier stonden vele artocarpusboomen,

rijk beladen met vruchten, maar elke boom beteekénde

ook een gedwongen rust voor ons. Zoodra een der

Papoea's een dergelijke boom zag, liet hij een goedkeurend

gefluit hooren, dat op hun beurt door de anderen herhaald

werd. Er werd onmiddellijk koers gezet naar den boom, de

boot werd aan den oever vastgemeerd en de oogst van de

vruchten nam een aanvang. Van een eigenlijk plukken is

geen sprake, want hij slaat meedoogenloos alle takken af,

waaraan zich vruchten bevinden. De tocht werd niet eerder


158 . De Tawárin en de Moaif.

hervat, voordat de laatste vrucht in de boot lag. De vruchten

gelijken eenigszins op een kleine groene ananas zonder

kroon. Des avonds werd een groot vuur aangelegd, waarop

de massa vruchten als kastanjes gepoft werden. De smaak

is niet slecht, eenigszins flauw en doet aan noten denken.

Toen deze wijze van oogsten te dikwijls naar onzen zin

voorkwam, trachtten wij hiertegen te opponeeren, maar zonder

het minste gevolg. Trouwens het was ons zoo dikwerf gebleken,

dat, wanneer de Papoea's zich iets voorgenomen

hadden, men zooveel kon redeneeren als men wilde, maar men

bracht hen toch niet van hun voornemen af. Wij schikten ons

dan ook maar mokkend in ons lot, ons ergerende over de ruwe

wijze van oogsten. Wellicht ging het verzamelen der vruchten

op deze wijze ook sneller. Op de over het water hangende

takken der boomen zaten dikwijls leguanen, die bij onzen

komst in het water sprongen en verdwenen, maar eenige

exemplaren werden toch handig met een pijl door een der

Papoea's geschoten en in de daarvoor bestemde bus met

alcohol bewaard. De pijl heeft een groote weerhaak en is

uit één stuk hout gesneden; het voordeel van deze weerhaak

is, dat de pijl in het gewonde dier blijft steken, zoodra deze

te water springt. Zonder eenige moeite kan het dier er dan

uit gehaald worden, daar de pijl voor hem veel te zwaar is

om mede naar beneden te trekken en hem in al zijne bewegingen

hindert.

Des avonds kampeerden wij in het oerbosch langs de

rivier. Plotseling scheen er een twist uitgebroken te zijn

tusschen de koelies en de Papoea's; bij onderzoek bleek, dat

zij niet wilden hebben, dat de koelies bij het rijstwasschen

de ijzeren pot in de rivier doopten; wel mochten zij het


De Tawárin en de Moaif. 159

water met den deksel in de pot scheppen en op deze wijze

de rijst wasschen. Indien de rijst schoon gemaakt werd op

de wijze steeds door de koelies in praktijk gebracht, zou

er regen komen. Wij maakten een einde aan den twist door

de koelies te bevelen de rijst te wasschen op de wijze, zooals

de Papoea's dit wenschten. Het verdient aanbeveling om

de inboorlingen in deze kleinigheden gelijk te geven en hun

hierin tegemoet te komen, ten einde groote verwikkelingen

te voorkomen. Dien nacht werden wij op een flinke regenbui

getracteerd, maar daar dit bijna elken nacht gebeurde,

brachten wij dit niet in verband met de rijstwasscher ij.

Den volgenden morgen werd de vaart weder vroeg hervat

en bewonderden wij de handige wijze van sturen, daar wij

steeds op plaatsen voeren, waar bijna geen stroom was.

Natuurlijk hadden wij weder gedwongen haltestations bij

eiken broodvruchtenboom.

Af er. toe zagen wij op de oevers kleine hutjes; gewoonlijk

staan daar kleine hokjes bij, van ruw door elkaar

gevlochten takken vervaardigd. Men vertelde ons, dat dit

nachtverblijven waren van in het bosch kampeerende Papoea's,

die op de varkensjacht zijn. In de kleine hokjes worden de

gevangen jonge varkentjes bewaard. Zij vangen deze met

honden, en nemen ze mede naar huis om daar opgevoed en

vetgemest te worden. In dit opzicht schijnen zij dus dezelfde

smaak te hebben als wij.

Later zag ik in de dorpen groote vetgemeste varkens, die

al brommend en knorrend onder de huizen doorliepen en

zich daar te goed deden aan overblijfselen van eten, dat

door de planken was gevallen en verder dienst deden als

gemeentereiniging. SODÉDÉ, een van de oppassers van den


160

De Tawárin en de Moaif.

controleur, die ons was afgestaan om ons te beschermen,

wist dien avond met een geïmproviseerde angel en hengel

eenige prachtige visschen uit de rivier op te halen. Eenige

exemplaren werden gereserveerd voor de verzameling, terwijl

de overige een aangename afwisseling bezorgden in ons

eentonig maal.

Op nevenstaande foto kan men een eenvoudige hut zien,

vervaardigd door de Tarfiërs uit eenige groote bladeren van

den wokapalm. Heel veel tijd neemt het maken van zoo'n

hut niet.

Hoe verder wij de rivier opkwamen, des te moeilijker werd

de vaart. Dikwijls belemmerden ons de in de rivier gevallen

woudreuzen; de booten moesten dan verlaten worden en over

de boomen heen getrokken worden. Dit gaf vrij veel oponthoud

; eenmaal moest er eene opening gehakt worden in een

boom om daardoor de bootjes te laten passeeren. Het bleek

een ijzerhoutboom te zijn, die ons een langdurige ongewenschte

halte bezorgde. De Papoea's weten echter uitstekend

met hun pèda of kapmes om te gaan en wisselden

elkaar voortdurend af, zoodat het werk spoediger verricht

was, dan wij gedacht hadden. PAAI TOEA hielp goed mede,

maar zijn geliefkoosde pet borg hij eerst heel netjes op.

Op den 29sten Juni, drie dagen na ons vertrek gingen wij

aan wal, daar de Papoea's beweerden, dat de rivier verderop

niet diep genoeg was om bevaren te worden en wij beter

over land zouden kunnen gaan naar de bosch-Papoea's, die

wisten, waar de steenkolenlaag was. Volgens hun zeggen

zoude dit de stam der Nimbúran's zijn. Maar de tocht was

voor dien dag te ver en het verdiende de voorkeur om hier

te overnachten en den volgenden morgen vroeg op weg te


Hut vervaardigd uit drie bladeren van den wokapalm.


De Tawárin en de Moaif. 161

gaan. Daar men in deze aangelegenheden geheel aan hen is

overgeleverd en men verplicht is aan te nemen, wat zij vertellen,

besloten wij hier ons kamp op te slaan. Dien middag

konden wij genoeg werk verrichten door het vangen van

insecten, verzamelen van steenen, maken van foto's, zoodat

dien dag niet verloren ging. Op de aanlegplaats troffen

wij eenige personen van den stam der Nïmbúran's aan, die

beloofden ons als gidsen te zullen bijstaan. Er was hier een

kleine nederzetting van personen, die zich bezig hielden met

het onderhoud der tuinen en met de varkensjacht. Eenige

Nimbúrans vertrokken naar hun nederzetting om onze komst

aan te kondigen, de afstand scheen dus niet zoo groot te zijn,

maar een onbelaste Papoea, die gewoon is in het oerbosch

te loopen, komt veel sneller vooruit dan een troep zwaar

beladen koelies of Europeanen, die over wortels moeten

strompelen en door de modder waden.

Vroeg in den morgen werd de tocht begonnen door een

laag, modderig terrein met vele kleine riviertjes, die doorwaad

moesten worden. Wij kwamen de Nimbúrans tegen,

die den vorigen dag naar hun dorp waren gegaan om onze

komst te berichten.

Zij beloofden, dat zij ons naar hunne nederzetting zouden

brengen, maar van steenkolen beweerden zij niets af te weten.

„Steenkool trada" was hun antwoord. Het is opvallend, dat

zij dit woord ook gebruiken, zij moeten het dus wel van een

Ternataansche jager gehoord hebben. De bewoners van Tarfia

en de Nimbúrans hielden drukke besprekingen met het resultaat,

dat zij ons beduidden ons te willen medenemen naar hun

dorp, maar van steenkolen was geen quaestie. Mismoedig gingen

wij weer op pad, wij passeerden af en toe tuinen en sagobosschen;


162 De Tawárin en de Moaif.

het voetpad tot nog toe nauwelijks breed genoeg voor één

persoon, werd breeder en was druk beloopen ; zijpaden kwamen

er op uit en het duurde dan ook niet lang, of wij bereikten

na eerst een steile helling beklommen te hebben, de eerste

huizen. Wij werden vrij koel ontvangen en er werd weinig

notitie van ons genomen. Onze gidsen voerden ons steeds

verder van het eene dorp naar het andere, later is ons gebleken,

dat zij ons bijkans in een cirkel hadden rondgeleid

en eigenlijk niets anders gedaan hadden, dan ons overal in

de dorpen laten kijken. Erg aangenaam was dit nu niet voor

ons, en wij begonnen dan ook te wanhopen aan het bereiken

van ons doel. Toch was het een zeer interessante tocht en

wij kwamen tot de conclusie, dat het land der Nimbúran's

zeer dicht bevolkt was. Bij onderzoek bleek dat er ± 2000

weerbare Nimbúran's waren. De huizen waren gebouwd op

heuvelruggen; een overval hadden zij dus niet te duchten,

althans niet van de rivierzijde, daar zij een vrij uitzicht

hadden over de rivier. Landwaarts zag men onmetelijk

groote bosschen en volgens hun zeggen woonden daar geen

menschen meer. Ten slotte kwamen wij in een dorp, waar

naar alle waarschijnlijkheid een groot feest zoude gehouden

worden. Op een soort van plein waren eenige mannen bezig

met het verdeelen van het vleesch van twee geslachte varkens,

ook stond er een draagbaar vol met ontkiemde klappers

en verder groote bakken met sago.

De menschen, die bezig waren met de verdeeling en het

bereiden der sago, namen niet de minste notitie van ons en

keken zelfs niet van hun werk op. Een foto, die wij maakten,

scheen voor hen niets ongewoons te zijn. Een zeer

groote Papoea, die beweerde dat hij de korano was, stapte


De Tawárin en de Moaif. 163

trotsch naar ons toe

en vroeg ons, wat

wij hier zochten.

Toen wij hem beduid

hadden, dat

wij voor de steenkolen

gekomen

waren, luidde zijn

antwoord tot onze

groote wanhoop alweder:

„Steenkool

trada". Er werd ons

duidelijk gemaakt,

dat wij hier niet

konden blijven en

dat het ons niet geoorloofd

was om in

hun dorp te overnachten.

In deze

bewering werden

zij bijgestaan door

de mannen van

Tarfia. De houding

van deze menschen

was geheel anders

geworden, dan toen

zij nog in hun dorp

waren en hunne

diensten aanboden

om ons naar de Korano der Nimbúran's.


164 De Tawárin en de Moaif.

steenkolenvindplaats te brengen. Zij werden aanmatigend en

er was niet meer met hen te handelen. Hunne veranderde

houding was ons voor het oogenblik geheel onverklaarbaar.

Tot overmaat van ramp was de arme PAAI TOEA vrij

ernstig ziek geworden, hij had naar alle waarschijnlijkheid

een hevigen aanval van malaria, tenminste hij scheen het in

deze tropische hitte koud te hebben, te oordeelen naar de

situatie, waarin ik hem zag liggen. Hij lag op een soort van

houten brits; onder hem brandde een zacht smeulend vuurtje,

dat hem niet in het minst scheen te hinderen. Zelfs

voor zijn mooie cavaleriepet had hij geen oogen meer. Een

uitgebreid Papoesch maal lag binnen zijn bereik, maar ook

dat bracht niet veel leven in hem en het zegt veel, indien

een Papoea geen gebruik maakt van voor hem begeerlijke

spijzen. Het wordt door de Nimbúrans als een zeer slecht

teeken, beschouwd, indien een Papoea van een naburigen stam

in hun dorp komt te overlijden. Alles werd dan ook in het

werk gesteld om hem op te beuren,

Ten slotte werd ons een kampplaats in de nabijheid van

een riviertje, de Kebú, aangewezen, waar wij moesten overnachten.

Een flinke regenbui, die ons overviel, voordat

de tenten in gereedheid waren, en den grond doorweekte,

waarop de veldbedden moesten gelegd worden, maakte onze

toestand niet aangenamer. Onze. stemming was verre van

vroolijk, in plaats van rondom een steenkolenvuur te zitten,

keken wij met treurige gezichten naar ASSANG, die het eten

probeerde gaar te krijgen op een' ellendig vuurtje van nat

brandhout.

De mannen van Tarfia vroegen verlof of liever gaven

hun uitdrukkelijken wensen te kennen om naar de Nimbú-


De Tawárin en de Moaif. 165

rans te gaan; zij hadden de toebereidselen voor het feest

gezien, dus niets kon hen weerhouden daaraan deel te nemen.

Zij beloofden den korano te zullen overhalen om ons den

volgenden dag naar de steenkolenvindplaats te brengen.

Zij bleven den geheelen nacht weg en het was den volgenden

dag duidelijk op hun gezicht te zien, dat zij een

vroolijk feest achter den rug hadden. De korano verscheen,

zooals zij beloofd hadden en de tocht door de dorpen nam

weer een aanvang; het leek wel, of nog meerdere Nimbúran's

hun wensch hadden te kennen gegeven deze zoo vreemdsoortige

vertegenwoordigers van het blanke menschenras te

zien. Wij volgden gelaten en hoopvol onzen gids. Tot mijn

groote vreugde vond ik midden op het pad, waarover reeds

een twintigtal menschen voor mij uit waren gegaan, een

geheel onbeschadigde Atlasvlinder;

Een hevige regenbui deed ons vluchten in een klein huisje

in een tuin, waar suikerriet verbouwd werd. VAN NOUHUYS

trotseerde den regen en kwam een oogenblik later terug met

het heugelijke bericht, dat hij de steenkolenlaag gezien had.

De regenbui werd even afgewacht en met gezwinden pas

ging het langs een steile helling achter VAN NOUHUYS naar

de steenkolenlaag. Wij daalden af in een met zandsteenblokken

bezaaid riviertje de Båb, dat hier een van de schatten

van den bodem had blootgelegd. Door Professor werden

de noodige waarnemingen gedaan, terwijl VAN NOUHUYS en

ik ons bezig hielden met het zoeken naar marinefossielen,

die hier in rijke mate in een zeekleibank voorkwamen.

Verder viel het ons op, dat er zoovele van de bekende

ceintuurs van Tarfia van eigenaar veranderd waren en thans in

het bezit waren der Nimbúrans. De zaak werd ons uitgelegd


166 De Tawárin en de Moaif.

door BADOUN, een der hier wonende Ternataansche jagers.

Hij vertelde ons, dat de bewoners van Tarfia reeds geruimen tijd

in strijd hadden geleefd met de Nimbúrans; deze twist had voor

hen zeer onaangename gevolgen, daar zij in ruil voor de banden

en zeevisch van de Nimbúrans de noodige sago betrokken.

Zij wonen te dicht bij zee om sago te verbouwen, terwijl

de sagobosschen in de nabijheid van Tarfia in eigendom

toebehooren aan de Nimbúrans. Het was dus met groote

instemming, dat zij ons plan begroetten om naar de Nimbürans

te gaan, daar zij dit onder onze bescherming dorsten

te doen. De beschikbare banden waren dus voor ons niet te

koop, daar zij deze noodïg hadden om als vriendschapsgeschenken

aan te bieden.

Toen zij dan ook, dank zij onze hulp, eenmaal veilig en

wel bij hunne oude vrienden waren, liet het hun absoluut

koud, of wij bij de steenkolen kwamen of niet. Zij dachten

er slechts aan, om weder op een goeden voet te komen met

de Nimbúrans. Het feest zal ook wel ter hunner eere zijn

aangericht. Toen wij hun vroegen, wat dit voor een feest

was, antwoordden zij ons „taun baroe" of wel „nieuwjaarsfeest"

en dit nota bene op 30 Juni. Hunne handelwijze

is zeef begrijpelijk, daar zij meer hebben aan eene goede

verstandhouding met een naburigen volksstam dan met ons,

die zij wellicht nooit weer terug zouden zien. Hun verder

onaangenaam optreden maakte toch, dat wij niet op zoo'n

goeden voet met hen zijn gekomen, als wij dit waren met

de Tobádiërs. Zij kregen na afloop van den tocht niets meer

dan het afgesproken loon, alhoewel dit tot groote ontevredenheid

aanleiding gaf.

Wij gingen na hét onderzoek der steenkolen op weg en


De Tawárin en de Moaif. 167

bemerkten thans, hoezeer zij ons hadden laten dwalen. In een

der dorpen had nog een zonderling voorval plaats, dat ik de

moeite waard vind om hier te vermelden. Terwijl wij zaten

uit te rusteil en ons te goed deden aan klappermelk, kwam

er een Nimbúran naar Professor toe en noodigde hem met

handgebaar uit om tegen een boom plaats te nemen, waarna

hij met een kapmes zijn lengte op den boom afteekende.

Ditzelfde geschiedde met de overige leden der expeditie.

De koelies schenen geen wezens te zijn, belangrijk genoeg

om hunne lengte te weten. Wij noodigden op onze beurt

een van de Nimbúrans uit om ook zijne lengte daarop aan

te geven. Mij dunkt dit voorval getuigt wel van hunne opmerkingsgave.

Dit anthropologisch onderzoek bewees, dat

wij aanmerkelijk grooter waren dan zij.

Wij kampeerden dien nacht weder in het ons aangewezen

kamp aan de Kebú. Den volgenden dag gingen wij weder vroeg

op weg naar onze bootjes, die wij bij het bivak aan de Moaif

hadden achtergelaten. De weg was nu ook veel korter en

wij behoefden niet langs alle dorpen om bekeken te worden

door de nieuwsgierige Nimbúrans. Ten slotte kwamen wij

weder op de plaats, waar wij de eerste huizen van dezen

stam gezien hadden. De Tarfiërs bezorgden ons hier weder

eene groote teleurstelling, doordat er eenige van hen niet

op het appel waren en met hen ontbraken eenige zakken

rijst en het groote blik met alcohol, gevuld met zoologische

voorwerpen. Wij wilden hier niet langer op hen wachten en

trokken verder naar het kamp aan de Moaif. Volgens de

berichten scheen de toestand van PAAI TOEA er niet beter

op geworden te zijn.

BADOUN werd door Professor aan de expeditie verbonden,


168

De Tawárin en de Moaif.

daar hij ons als gids moest dienen op den terugweg; wij

waren van plan den weg gedeeltelijk per boot te maken en

langs een omweg de kust te bereiken, daar er volgens zijn

zeggen in de buurt een meer moest zijn, dat Professor

gaarne wilde bezoeken.

Den volgenden morgen arriveerden de Tarfiërs, maar voor

het gemak hadden zij de zakken met rijst en de blikken

bus achtergelaten. Het hielp weinig om boos op hen te zijn

en wij kozen de wijste partij door eenige Papoea's over te

halen, om voor een kapmes de achtergelaten voorwerpen

op te halen. Wij brachten een onaangenamen tijd met wachten

door; niemand durfde er op uit te gaan, daar de dragers

elk oogenblik konden terugkomen. Eindelijk kwamen tegen

twaalf uur de lang verwachten met de achtergelaten bagage.

Mede arriveerde PAAI TOEA, die. zwaar ziek uitgestrekt lag

op een geïmproviseerde draagbaar. Een van de dragers was

de korano der Nimbúrans, die, geloof ik, verheugd was, dat

hij dezen onwelkomen gast spoedig kwijt zou raken. Hij

moest thans in een der booten gedragen worden, waarin

hij voor enkele dagen zoo triomfantelijk met zijn fraaie

pet op het hoofd getroond had. Natuurlijk was dit geen

gemakkelijk werk; de korano zou hem op de schouders

naar het bootje dragen. Voorloopig ging alles goed, totdat

deze dicht bij de rivier plotseling tot over zijne knieën

in de verraderlijke modder zakte en voor noch achteruit

kon. Groot was de consternatie, maar nog grooter het

rumoer der schreeuwende en gillende Papoea's, waartoe de

korano in zijn benarden toestand niet het minst bijdroeg.

Er werden eenige zware palen en latten over de modder

gelegd en zoo werd de arme PAAI TOEA uit zijne netelige


De Tawárin en de Moaif. 169

positie gered. Hij zat thans weder met nederhangend hoofd

in de boot; de korano etaleerde lekkernijen binnen zijn

bereik en met een verlicht hart namen wij afscheid van de

Nimbúrans. Vijf van hunne stamgenooten lieten zich door

DUMAS bepraten om ons als dragers te helpen, daar wij die

noodig hadden, omdat de tocht gedeeltelijk over land zou

moeten gaan en eenige koelies door ziekte geen dienst konden

doen en met de booten terug gestuurd zouden worden. Een

van hen was een aardige, vroolijke jongen, JASO genaamd,

die zelfs vroeg, of hij mede met ons naar de Humboldtbaai

mocht gaan. Dit werd hem natuurlijk toegestaan. De Tarfiërs

deden echter alle mogelijke moeite om hen van hun voornemen

af te brengen en wilden hen liever medenemen naar

hun dorp om met hen feest te vieren en hun een contrabeleefdheid

bewijzen voor het genoten feest, om zoodoende

de verhouding zoo vriendschappelijk mogelijk te maken. Onze

reeds geschokte vriendschap voor de Tarfiërs werd er hierdoor

niet beter op.

De vaart stroomafwaarts duurde niet lang en bij het zijriviertje

de Tangám werd de hoogst noodzakelijke bagage

uitgeladen. De zieke koelies bleven in de lépa-lépa's en het

sein tot vertrek werd gegeven. Maar de koelies weigerden

te vertrekken en wenschten liever door de Tarfiërs geroeid,

de Moaif af te zakken. Er werd gedreigd met boete en

ontslag op staanden voet, maar niets hielp. Daarop werden

de koelies één voor één gevraagd, of zij hun plicht wilden

doen of niet. De eerste weigerde en werd onmiddellijk ontslagen;

dit hielp gelukkig, want de anderen, beangst voor

een dergelijke straf, besloten zich in hun lot te schikken en

namen zwaar zuchtend hun last op. De vijf Nimbúrans bleken


170

De Tawárin en de Moaif.

handige jongens te zijn en deden alles, wat hun gevraagd

werd. Het • terrein was bij uitstek modderig; tot overmaat

van ramp was de modder van eene taaie substantie. Tallooze

kleine riviertjes moesten overgestoken worden. Des

avonds vergastte JASO en zijne vrienden ons op een concert

met karriwarrifluiten, die zij gemaakt hadden van bamboe,

dat hier en daar aan den weg groeide. Zij wisten van geen

uitscheiden en ten slotte moest hun ter wille van de nachtrust

het stilzwijgen worden opgelegd.

Den volgenden morgen bereikten wij tegen half negen

het meer Trámbuai, dat aan ééne zijde omgeven is door

hooge kalkrotsen en aan de andere zijde door sagoboomen.

'Hoewel wij gaarne eenigen tijd hier hadden willen blijven

om visschen uit dit meer te vangen — JASO vertelde, dat

er zeer groote in waren — kon hier niets van komen, daar

onze tijd te beperkt was en wij weder terug moesten naar

de Zeemeeuw. Om elf uur werden wij vergast op een flinke

tropische regenbui; de regen daalde in stroomen neder, het

boschpad werd in een oogwenk veranderd in een beek, waar

het water in bleef staan. In minder dan geen tijd waren wij

druipnat, het water liep in onze schoenen en de bagage

werd doornat. BADOUN vertelde, dat, indien wij nog één

berg overtrokken, wij bij de Murisbaai zouden uitkomen en

van daaruit het schip, dat in de Mattererbaai lag, in een

half uur tijds konden bereiken. Maar dit zou alleen met de

uiterste krachtsinspanning kunnen volbracht worden. Wij

vroegen aan de koelies, wat zij wilden en deze verklaarden

eenstemmig, dat zij door wilden loopen om het schip zoo

spoedig mogelijk te bereiken. Eenigen kregen een aanval van

malaria; hun last werd over de anderen verdeeld en kreu-


De Tawárin en de Moaif. 171

nend en steunend en steeds door ons aangespoord sleepten

de zieken zich voort.

De beklimming van het gebergte viel niet mee, de weg

was lang en dikwijls zeer steil, maar de hoop des nachts

op de Zeemeeuw te zullen overnachten gaf ons allen krachten

en zonder morren werd de tocht vervolgd, Het duurde

zeer lang, voordat wij de waterscheiding of wel het hoogste

punt bereikt hadden. Daar werd een rust gehouden en een

elk rolde zich een cigarette en nam eene gemakkelijke houding

op den grond aan, verheugd, dat het doel bijna was

bereikt. Maar eene zeer steile afdaling wachtte ons nog en

soms moesten wij ons aan de afhangende takken vasthouden

om niet naar beneden te glijden. Met een verheugd hart

bereikten wij de Murisbaai, namen eenige daar op het strand

liggende vlerkprauwen en roeiden daarmede naar de Zeemeeuw,

waar wij vriendelijk werden ontvangen. Ons eerste

werk was een bad nemen en schoone kleeren aantrekken,

wat na zoo'n tocht hoogst noodzakelijk is. 's Avonds genoten

wij van een net gedekte tafel en schoone servetten; deze

zoogenaamde weeldeartikelen gebruikten wij in het bosch

natuurlijk niet.

Wij bleven nog een dag in de baai liggen om het medegebrachte

materiaal in orde te brengen, daar dit in volle zee

met hooge deining niet mogelijk is. Verder moest er met de

bewoners van Tarfia worden afgerekend, die tot hun groote

ergernis niets meer kregen, dan het hun beloofde loon. De

verhouding tusschen hen en ons was na al hetgeen er gebeurd

was, niet erg goed en de zoo zeer door mij begeerde

ceintuurs werd ik ook nu niet meester. Zij vroegen er de

onzinnigste prijzen voor, wel wetende, dat ik er niet zooveel


172

De Tawárin en de Moaif.

voor over zou hebben. De Nimbúrans, die ons hadden vergezeld

en dienst hadden gedaan als dragers, werden daarentegen

goed beloond. JASO en een andere Nimbúran, wiens

naam mij ontschoten is, beloofden, mede te zullen gaan

naar de Humboldtbaai en wilden voor een bepaald loon als

dragers op onze verdere tochten dienst doen. Het aantal

onzer koelies was dermate door ziekte geslonken, dat het

noodig werd ons op de een of andere wijze van personeel te

voorzien.

Statig stapte JASO aan boord rond en voelde zich ver

boven zijne stamgenooten verheven, nu hij met zoo'n groot

schip op reis zoude gaan. Een stoomschip had hij trouwens

nog nooit gezien. Den volgenden morgen werd het anker om

zes uur gelicht. De schroef deed eenige slagen en er kwam

beweging in het schip. JASO'S voorkomen veranderde plotseling;

van bleek worden is natuurlijk bij een Papoea geen

sprake, maar een hevige angst was toch op zijn gezicht te

lezen, zijn borst ging op en neer. Hij hield zich eenigen tijd

goed, maar opeens vloog hij naar stuurboord en trachtte door

de treden van de staatsietrap, die nog niet geheel was opgehaald,

in zee te springen. Zijn metgezel wilde zijn voorbeeld

volgen, beiden werden echter tegengehouden. Onmiddellijk

werd er gestopt en men liet hen op een meer veilige manier

van boord. De Tarfiërs, die ons uitgeleide hadden gedaan

met hunne vaartuigen, namen hen op, verheugd, dat zij hen

van ons hadden afgetroond. JASO wuifde ons thans met een

rustig gelaat een laatst vaarwel toe.

Wij brachten daarna een kort bezoek aan de Isisbaai en

maakten kennis met de stam der Jakari's, die ons met hunne

bootjes omringden en ethnografica te koop aanboden. De


De Tawárin en de Moaif. 173

markt voor deze voorwerpen is hier zeer bedorven, doordat

de Pakketvaart eenige van deze plaatsen aandoet en de

passagiers en officieren veel te hooge prijzen daarvoor

betalen.

Daarna werd Tanah merah {roode aarde) bezocht, de

naam staat in verband met een roode berg in de nabijheid.

Bewoners van Tanah merah.

Eigenlijk heet zij Bitiraimuái kisí. De hoogwaardigheidsbekleeders

kwamen als gewoonlijk aan boord en er moest

met hen onderhandeld worden over gidsen voor een kolenvindplaats,

die hier ergens in de buurt moest zijn. Daar

Professor en ik nog leden aan voetwonden, gingen VAN

NOUHUYS en DUMAS alleen uit op het kolenonderzoek.

Ik vischte met VAN WEEL, den 1sten stuurman van de Zee-


174

De Tawárin en de Moaif.

meeuw met toeba in een klein riviertje de Klipong, dat in

de Tanah merahbaai uitstroomt. In het dorp kocht ik een

klein wild varken, dat ik levend mede naar Holland hoopte

te nemen, teneinde ook door levend materiaal de reeds

vroeger door mij aangeroerde quaestie te helpen uitmaken.

Wij hebben getracht het met een eigen gemaakte zuigflesch

op te voeden, maar het wenschte niet te wennen

aan dit moderne hulpmiddel en is kort daarop gestorven.

DUMAS vertelde ons, dat de vrouwen in de Geelvinkbaai

de jonge varkens aan de borst zogen om ze zoo lang in

het leven te houden, totdat zij het voedsel op de gewone

wijze tot zich kunnen nemen. Ik heb helaas dit interessante

schouwspel nooit zelf gezien.

Terwijl VAN NOUHUYS en DUMAS op weg waren, brachten

Professor en ik een bezoek aan een in de nabijheid gelegen

baai, waar ik het genoegen had een zoogenaamde koraaltuin

te bewonderen. Het is tooverachtig mooi; prachtig gevormde

koralen van de meest groote verscheidenheid van kleuren

zijn op den bodem der zee gegroeid in het blauwe kristal

heldere water. Roode en blauwe zeesterren liggen er tusschen

verspreid, terwijl allerlei vreemdsoortig gekleurde vischjes

tusschen de koraaltakken rondzwemmen. Wij bleven langen

tijd boven dit mooie schouwspel ronddrijven, en konden

maar niet genoeg krijgen van al het schoone, dat wij in de

diepte der zee zagen. Wij lagen zoo stil mogelijk en Heten

niet toe, dat de roeiers met hunne pagaaien beweging in

het water brachten, daar wij door het rimpelen van het

water minder goed zouden hebben kunnen zien. Ook in de

nabijheid van Ternate heb ik koraaltuinen gezien, maar zij

waren lang niet zoo mooi als die bij Tanah merah.


De Tawárin en de Moaif. 175

VAN NOUHUYS en DUMAS kwamen vrij onverrichter zake

terug en er bleek van het verhaal over de steenkolen niet

veel waar te zijn.

Op den terugweg brachten wij nog een bezoek aan een

kleine baai, die Professor wilde bezoeken wegens het groot

aantal rolsteenen, die op het strand lagen. Een weinig landwaarts

in lag de uit eenige huizen bestaande nederzetting

Jonsu. Wegens de steile oever ging de landing met eenige

moeilijkheid gepaard.

Wij waren juist geland, toen er een zestal Papoea's uit

het bosch sprongen, die in hevige gemoedsbeweging schenen

te verkeeren. Zij waren met pijl en boog gewapend en liepen

zenuwachtig heen en weer. Nadat zij een beetje tot

kalmte waren gekomen, maakten zij ons duidelijk, dat zij

in oorlog waren met in het gebergte levende Papoea's. Volgens

aanduiding moesten dit onze chloromelaniet vrienden

zijn. Zij zouden er drie hebben doodgeschoten, maar dergelijke

grootspraak was ons,bekend; de strijd zal wel niet

zoo bloedig geweest zijn. Toch vonden wij het beter om

zoo kort mogelijk bij hen te blijven en hunne woningen niet

te bezoeken. Wij wilden hun eenige plukjes tabak geven,

maar zij rukten ons bijna de tabak uit de handen. In gewone

gevallen zouden wij dit niet hebben toegelaten, maar

in de gegeven omstandigheden vonden wij het geraden hen

maar met zachtheid te behandelen. Bij het in de vlet gaan

deed zich nog een grappig tooneel voor; een van de Papoea's

wilde mede in de vlet om aan boord van de Zeemeeuw

te komen. Iemand van ons duwde hem op zij, terwijl

een opkomende golf de boot deed schommelen, waardoor

hij zijn evenwicht verloor en achterover in zee viel. Woe-


176 De Tawárin en de Moaif,

dend kwam hij boven, maar zijne woede werd getemperd

door de uitbundige vreugde van zijne medemakkers. Deze

vreemdsoortige ontmoeting met deze Papoea's op het oorlogspad

liep dan ook zonder ernstige gevolgen voor ons af.

Na nog even de bovengenoemde Torárebaai te hebben aangedaan,

lagen wij den 10den Juli des avonds om half zes

weder voor anker in de Humboldtbaai. De andere leden der

expeditie waren niet op onze komst voorbereid en wij overvielen

hen, terwijl zij druk bezig waren met het inpakken

der bagage. Dien avond bleven wij nog diep in den nacht

praten om elkaar onze wederwaardigheden mede te deelen.

VAN DER SANDE vertelde een aardig voorval, dat hij te Asé

had gehad. Op een dag was de pit van een der lantaarns

verkoold en moest dus vernieuwd worden. Deze bewerking

geschiedde onder aanschouwing van een groote kring belangstellenden.

Toen hij den volgenden dag een voorwerp

wilde koopen, weigerden zij de gewone ruilmiddelen en wezen

op het kistje, waarin het katoen voor de lamp was geborgen.

VAN DER SANDE begreep niet, wat zij verlangden

en bood hen allerlei voorwerpen aan, maar te vergeefs; ten

einde raad wees hij op een kluwen lampenkatoen, waarop er

een gejuich opging en hij daarmede het verlangde voorwerp

kreeg. Zij waren waarschijnlijk van meening, dat deze stukjes

katoen zulk prachtig licht gaven.

Ons vertrek van Metu Débi zou binnen enkele dagen

plaats hebben. Ieder was de volgende dagen druk bezig met

het in orde brengen van zijn bagage. DE BEAUFORT en ik

woonden voor het laatst een feest bij in de karriwarri van

Tobádi, dat georganiseerd was, omdat de mannen van Ingrås

een groote schildpad hadden gevangen. Het dansen had plaats


De Tawárin en de Moaif. 177

buiten op het platform; door allen werd er aan deelgenomen,

mannen, vrouwen en kinderen. Natuurlijk bleven de jongens

van de karriwarri verborgen. UNAI vertelde ons, zoo dikwijls

hij ons zag, hoe verdrietig hij was, dat wij gingen vertrekken.

De bagage kwam langzamerhand gereed en er werd een

geregelde dienst van sloepen onderhouden tusschen de Zeemeeuw

en Metu Débi.

Men kon aan de prijzen, die er voor ethnografica werden

gevraagd, merken, dat ons vertrek bekend was. Men zou

hier zeggen, dat de markt gedrukt was. Ieder trachtte nog

van ons los te krijgen, wat hij noodig had en het leek wel

of wij winkelbedienden waren, die de koopende Papoea's op

hunne wenken moesten bedienen. Het resultaat was, dat

VAN DER SANDE een mooie collectie van de Humboldtbaai

medebracht.

DUMAS, die met een der booten van de pakketvaart een

phonograaf had gekregen, hield zich bezig met het opnemen

van Papoesche liederen. Het effect bij het weergeven van

hunne liederen was overweldigend en bij het hooren van

hunne gezangen plaatsten zij zich in de meest theatrale houdingen

voor het instrument.

Wij deelden aan de Tobádiërs mede, dat wij genegen waren

eenigen van hen mede naar Ternate te nemen. Volgens

WARU was het een van hunne grootste wenschen om naar

deze plaats te gaan. Zij zouden daarvoor een bepaald loon

krijgen, maar moesten op een tocht; die wij voornemens

waren te maken, als dragers fungeeren. Het aanbod was

echter zoo groot, dat wij verplicht waren er enkelen uit te

kiezen, daar wij er maar veertien konden gebruiken. Ten


178 De Tawárin en de Moaif.

bewijze dat zij waren aangenomen, kregen zij een briefje,

waarop het verzoek stond om hun aan boord van de Zeemeeuw

op te nemen. Onder hen bevond zich een Tobádiër,

ATTA genaamd, die een speciale vriendschap voor mij had

opgevat. Hij had dit getoond door op een dag naar mij

toe te komen en beurtelings op mij en op hem wijzende

söba ¹) te zeggen. Het klonk aardig, dat de veertien Papoea's,

die wij medenamen, ons altijd met dit woord aanspraken.

De intimus van DE BEAUFORT heette JEN. Ik

geloof niet, 'dat de andere leden der expeditie er ook een

speciale vriend op na hielden.

Naar mate de dag van het vertrek naderde, begonnen de

aangenomen Papoea's stil te worden en lange gezichten te

trekken'; zij waren waarschijnlijk zeer onder den indruk van

dit zoo gewichtige moment in hun leven. Op onze vraag, of

zij niet liever in Tobádi wilden blijven, antwoordden zij ontkennend

met een majestueus gebaar. Onze aspirantdragers

stonden onder bevel van KRUÉ, die er het oudst in jaren

uitzag.

Een uur voor ons vertrek maakten wij nog gezamenlijk

een wandeling rond het eiland en brachten nog eens een

bezoek aan alle plekken, waar wij zoovele aangename oogenblikken

hadden doorgebracht. Wij wandelden langs het huis

van den controleur, waar zijne oppassers gereed stonden om

met de vlet van de Bensbach naar de Zeemeeuw te roeien.

Verderop de koelieloods, waar wij thans niets dan vroolijke

gezichten zagen. Er was hun gezegd, dat zij nog maar één

1 ) Waarschijnlijk eene verbastering van het Maleische woord „sobat" dat

vriend beteekent.


De Tawárin en de Moaif, 179

tocht behoefden te maken, alvorens zij voor goed naar hunne

families konden .terugkeeren. Wij brachten een afscheidsbezoek

aan den .tókohouder van de Nieuw-Guinea.Handelsmaatschappij;

liepen nog eens door de zoogenaamde handelaarswij

k en keerden terug naar ons huis. Het huis. had een

kooper gevonden in MUSTARI KATIDJA, een rijke Ternataansche

handelaar, terwijl de koelieloods overging aan JOHANNES

ROMPIES. De voorwerpen, die wij niet de moeite waard achtten

om mede te nemen, werden onder de Papoea's verdeeld,

die in grooten getale waren opgekomen om ons vaarwel te

zeggen. Er waren er onder hen, die zich verdrietig toonden

over ons vertrek; er bestond dan ook wel reden voor, want

ons huis was voor hen steeds een weivoorziene toko geweest,

waar zij bijna alles konden krijgen, wat zij begeerden, in ruil

voor voorwerpen, die voor hen weinig waarde hadden. UNAI

had dien morgen zijn treurige stemming getoond door op

de gewone plaats bij de provisieloods de sirenenfluït aan

zijne lippen te brengen, maar mistroostig Het hij die weer

uit zijn mond vallen zonder er een. schoone toon aan te

hebben ontlokt. Onze honden, werden onder hen verdeeld,

hoe onaangenaam het ook voor ons was om afscheid van

hen te nemen. Maar gedachtig aan hetgeen er gebeurd was,

konden wij er niet aan denken om deze weder mede te

nemen aan boord van de Zeemeeuw.

Ten slotte werd de laatste plechtigheid onder aanvoering

van Professor verricht. Ieder plantte twee ontkiemde klappers

op het eiland, in de hoop, dat het eens forsche boomen

mochten worden en met den innigen wensch, dat het ons

hogmaaJs in ons leven - gegeven mocht zijn deze boomen

terug te zien.


180

De Tawárin en de Moaif.

Toen dit werk verricht was, werd de Nederlandsche vlag,

die steeds vroolijk aan een lange paal voor het huis van

den controleur had gewapperd, ingehaald. Wij vertrokken

daarna allen naar de Zeemeeuw; zooals ik reeds vroeger

zeide, genoot ik de groote eer om door UNAI naar boord

geroeid te worden.

De Zeemeeuw lag in de buitenbaai, daar er in de binnenbaai

geen veilige ankerplaats was; van uit Metu Débi was

zij niet te zien. Zoodra wij om kaap Pi waren gekomen,

wachtte ons daar een verrassend schouwspel. De Zeerneeuw,

helderwit geschilderd, lag daar statig voor anker, met de

geheele Tobádische vloot om haar heen. Alle vaartuigen,

die maar zee konden bouwen, waren voor den dag gehaald.

Mannen, vrouwen, kinderen, grijsaards, jeugdige en bejaarde

Papoea's waren opgehoopt in de vaartuigen om een laatst

vaarwel toe te roepen aan de veertien stamverwanten, die


De Tawárin en de Moaif. . 181

zij aan onze hoede hadden toevertrouwd en die een reis zouden

gaan maken, waar nog lang in Tobádi over gesproken

zal worden.

Toevallig woonde ik hun aan boord komen bij; zij werden

uitgeleide gedaan door familie en vrienden. Deze toonden

hunne genegenheid door allerlei lekkernijen voor hen

aan boord te brengen, bestaande uit: gebakken visch, ongekookte

sago, jonge klappers, varkensvleesch, om kort te

gaan, het geheele menu der Papoea's; het geheel vormde

een groote stapel aan boord. Ook de sagopotten om deze

spijs te kooken werden niet vergeten. Een oud vrouwtje gaf

aan een der vertrekkenden, waarschijnlijk haar zoon, eenige

van hare schildpadden oorringen. In de booten, die ons omringden,

zagen wij verscheidene vrouwen bitter weenen, de

meesten staken drie vingers op om ons te herinneren aan

onze belofte, dat zij allen weder over drie maanden terug

zouden zijn. Er heerschte een onbeschrijfelijke verwarring

aan boord, overal trof men Papoea's aan, die afscheid namen

en die voor het laatst nog een pakje tabak of een mes van

ons trachtten te krijgen. UNAI stapte trotsch als een pauw

over het dek; ik kon niet nalaten hem een groot kapmes

als afscheidscadeau aan te bieden. Als tegengeschenk ontving

ik een mooie bos pijlen en een rijk versierde boog. Maar

plotseling gilde de stoomfluit, de Papoea's die niet meegingen,

moesten van boord, de trap werd ingehaald en langzaam

begon de schroef te werken. Er ging een luid geschreeuw

op van de ons omringende bootjes, die ons te vergeefs trachtten

bij te houden; overal zag men handen met drie waarschuwende

vingers. De veertien Papoea's, die thans in onzen

dienst waren, vlogen naar den achtersteven en namen


182

De Tawárin en de Moaif.

wuivend afscheid van de achtergelaten betrekkingen. Langzamerhand

waren de bootjes niet meer te herkennen en geleken

nog maar op kleine bruine stipjes en verdwenen ten

slotte geheel uit het gezicht. Wij stoomden langs Kajó en

Mannen van Kajó.

werden vaarwel gewuifd door eenige van hen in bootjes;

ten slotte passeerden wij het Magdalena-eiland, de ankerplaats

van de Pakketvaart; kaap Tuátja (Caillé) kwam daarna

in zicht en het duurde niet lang of wij waren in volle

zee en hadden voor altijd de Humboldtbaai vaarwel gezegd,


De Tawárin en de Moaif. '83

die bij ons allen wel een onuitwischbaren indruk zal hebben

achtergelaten.

Ieder trachtte het zich weder zoo gemakkelijk mogelijk

aan boord te maken ; den Papoea's werd een bepaald gedeelte

van het schip als verblijf aangewezen en wij moesten hen

langzamerhand aan tucht gaan wennen, een woord dat zeker

niet voorkomt op de woordenlijst der Papoea's.

Steenen bijl.


De Zeemeeuw. 185

natanen. Aan hun hoofd stond de zoogenaamde „serang",

vereeuwigd in onderstaande foto. Toen wij voor het eerst

J. A. LASTDRAGER. C. DEYCKERHOFF.

J. H. VARKEVISSER. K. M. VAN WEEL. J. W. VAN NOUHUYS. R. TH. GUICHERIT.

te Ternate aan boord van de Zeemeeuw kwamen, zou

ïk, ware ik kapitein aan boord geweest, weinig ingenomen

zijn geweest met de wijze, waarop van het schip gebruik

was gemaakt, om niet van het woord „misbruik" te spreken,

Het dek was bezaaid met allerlei voorwerpen van de expeditie.

Aan stuurboordzijde stond een groote stapel gabbagabba

en atap voor ons aanstaand huis op Metu Débi.

Het ruim was gevuld met zakken rijst en andere levens-


186 De Zeemeeuw.

middelen, verder allerlei kisten voor de geneeskunde, zoölogie

en anthropologie. Maar het ruim was nog niet voldoende

en de overtollige kisten waren zoo goed mogelijk

De Serang.

aan dek vastgesjord. Wat moet dit dek voor een zeeman

een treurigen aanblik hebben opgeleverd; het dek, waarop

hij zoo trotsch is en dat steeds met de meest mogelijke

zorg wordt onderhouden. Steeds waren alle officieren zoo

welwillend mogelijk en niets was hun te veel om ons te

helpen en bij te staan in het slagen der expeditie. De

resultaten, die er met de expeditie bereikt zijn, hebben

wij dan ook mijns inziens voor een groot deel te danken


De Zeemeeuw. 187

aan de medewerking aan boord van de Zeemeeuw ondervonden.

Het moet toch geen aangenaam gezicht zijn geweest

voor den gezaghebber om het dek na afloop van

eiken tocht veranderd te zien in geïmproviseerde laboratoria.

Hier lagen steenen te drogen, daar stonden flesschen en buizen

met alcohol, terwijl talrijke ethnografische voorwerpen opgestapeld

stonden, om zoo straks in kisten te worden verpakt. In

plaats van hierover eenigszins verstoord te zijn, trachtte hij

een ieder zooveel mogelijk de behulpzame hand te bieden

bij het tijdroovende sorteeren en etiquetteeren. Na een goede

buit van de jagers geleek het dek gewoonlijk wel een slagerswinkel;

overal zaten Papoea's met handen en voeten vogels

te villen en kregen onderwijs van DE BEAUFORT en mij in

het prepareeren der vogels. Bij dit werk moest men zeer

voorzichtig zijn; wil het eenige waarde hebben, dan moeten

er ook nauwkeurige aanteekeningen gemaakt worden,

wat betreft het geslacht der vogels, de kleur der oogen,

pooten en snavels; deze laatste verkleuren meestal in gedroogden

staat. Verder was er, aan boord een kleine menagerie,

bestaande uit een casuaris, een paradijsvogel, eenige

exemplaren van Petaurus papuanus, een tweetal discussen

en een groote kooi met ornithopterapoppen, waarin dagelijks

eenige prachtige vlinders uitkwamen. Op het achterschip

hingen orchideeën en op het dek stond eene verzameling

planten van de mantri Mas Djipja. Ten slotte bracht nog

het ontwikkelen en het uitwasschen der photografische platen

de noodige verwarring; mij dunkt een en ander is reeds

voldoende om een niet-zeeman te doen begrijpen, welk

een wanorde wij aan boord van dit schip te weeg brachten.

Maar, wanneer er bij den gezaghebber een ernstig streven


[88 Be Zeemeeuw.

bestaat om de expeditie met al zijn macht bij te staan en

als hij zelf groote interesse heeft in de schoone natuurvakken,

dan is het te verklaren, dat alles afgeloopen is, zooals niemand

van ons dit had durven denken.

Tot mijn grooten spijt heb ik geen foto van den hofmeester,

die, hoewel niet tot de vroolijksten behoorende, — want ik

heb hem gedurende den tocht nimmer zien lachen — toch door

ons gewaardeerd werd, daar hij steeds met een onverstoorbare

kalmte zijn plicht vervulde. Het was vermakelijk hem

met een soepterrine te zien balanceeren, wanneer er wat

deining stond; nooit werd er door hem een droppel gemorst.

De „mistri" of wel timmerman werd door ons allen te

vriend gehouden, want wij hingen allen van hem af, indien

er kisten moesten gefabriceerd worden en dat wist hij op eene

meesterlijke wijze te doen.

Onder opperste leiding van den heer VARKEVISSER verdwenen

de groote zinken bussen met materiaal op alcohol

van het achterdek en kwamen prachtig gesoldeerd weder

terug, zonder dat er het kleinste lek in was te bespeuren.

Over zijne kundigheden in de machinekamer past het mij

niet te oordeeleh, maar wel weet ik, dat hij een meester

was in het visschen en door hem de meest zonderlinge visschen

uit zee werden opgehaald.

De Zeemeeuw lag gewoonlijk nauwelijks ten anker, of wij

zagen den heer VARKEVISSER over boord geleund, turende

naar een lijntje om een van zijne vingers gewonden, dat

straks de heerlijkste vischjes voor de rijsttafel zou ophalen.

Maar hij was het meest in zijn element, indien er een groote

visch aan de sleeplijn zat. Wanneer wij onder stoom waren,

hing er steeds een sleeplijn uit; deze was door een dun


De Zeemeenw. 189

touwtje verbonden aan een kleine paal die aan de verschansing

was vastgemaakt. Heeft nu een visch zich vergrepen

aan den haak door het aas te willen opslikken, dat uit eenige

roode of witte lappen flanel bestond, dan geeft hij een ruk

aan de lijn en het dunne touwtje breekt. Er is altijd wel

iemand aan boord, die naar het lijntje kijkt en nauwelijks

heeft hij het zien afknappen, of een luid geroep van „ikan",

„ikan" (visch, visch) weerklinkt aan boord. Ieder spoedt zich

naar den achtersteven om getuige te zijn van het ophalen van

den visch. Gewoonlijk zijn het zeer groote exemplaren; een

enkele maal vingen wij wel eens een haai, maar deze genoot

nooit de eer om aan boord te komen, maar werd met een

kogel afgemaakt en daarna als prooi toegeworpen aan zijne

broeders. Na het geroep werd er halve kracht gestoomd;

de serang nam de lijn en begon deze langzaam in te

halen. Het duurde dan gewoonlijk niet lang, of men zag een

groote visch hevig met zijn staart slaan en uit alle macht

rukken om zijn leven te redden. Het is, geloof ik, maar

éénmaal gebeurd, dat de serang zijn slachtoffer niet aan boord

bracht. Lag de visch half boven water, dan gaf hij de lijn

over aan zijnen helper en trok met een haak den visch aan

de kieuwen aan boord. Meestal vertrok hij dan triomfantelijk

met den visch in zijne armen naar het achterdek, waar zij

verdeeld werd onder de opvarenden van de Zeemeeuw. Eens

haalden wij in de nabijheid der Mapia-eilanden achtereenvolgens

zeven groote visschen op, die te zamen 70 K.G.

wogen. Ik heb den heer VARKEVISSER nog nooit zoo zenuwachtig

en opgetogen gezien als op dien dag; er waren dan

ook geen handen genoeg om al deze visschen aan boord te

brengen en verder te bewerken.


190 De Zeemeeuw.

Na het vertrek van de Humboldtbaai moest er, voorzien

worden in de slecht verzorgde garderobe der Tobaáiërs;

daar zij een wel wat al te luchtig kostuum hadden om

De Zeemeeuw. .

daarmede op Ternate rond te wandelen. Wij hadden een

groote hoeveelheid ongesteven katoen aart boord „kaïn bladjoe"

genaamd, dat wij gebruikten om de visschen in te wikkelen

alvorens ze in de bussen te verpakken. Dit geschiedde om

te verhinderen, dat ze zouden beschadigen door tegen elkaar

aan te schuren; Met behulp van een der matrozen werd er

een patroon geknipt en dit zooveel malen uit het katoen

gesneden, als er sans culotte Papoea's waren. Toen dit ge-


De Zeemeeuw. 191

beurd was, werden de stukken aan elkaar genaaid. DUMAS

maakte zich hiermede zeer verdienstelijk, gewapend met een

groote bril, daar hij anders den draad niet in de naald

kon krijgen. Toen de kleedingstukken gereed waren, werden

alle Papoea's op het achterdek geroepen en kregen zij ieder

één exemplaar. Het tooneel, dat toen volgde, was onbeschrijfelijk

dwaas. De meesten toch hadden nooit zoo'n voorwerp

aangehad en de meest mogelijke denkbare combinaties

werden er gemaakt tusschen een pantalon en een paar

beenen. Daar er bij het snijden niet gerekend was op diverse

grootten, geloof ik, dat de schuld ook aan ons lag, dat de

pantalons niet goed pasten. Maar na veel ruilen, passen en

bijknippen, hadden zij toch, allen het eerste voorwerp der

beschaving aan. Het loopen ging hen nog niet goed af en zij

wandelden met kleine pasjes over het dek rond, terwijl zij

angstig keken naar de pijpen, vreezende, dat deze elk oogenblik

zouden scheuren. Toen zij er twee dagen in hadden

rondgeloopen, vonden wij het maar beter om de pantalons

weder in de kleerenkast op te bergen, daar er verscheidene

reeds zeer gehavend uitzagen en zichtbare sporen vertoonden

van gedragen te zijn. De stof bleek ook van een al te onsolide

qualiteit. Enkelen hadden ten einde raad het kleedingstuk

om hunne heupen gebonden en er weder een gewone schaamlap

van gemaakt. De volgende moderniseering, die zij toepasten,

was het afknippen van hun haarbol. Toen wij hun

vroegen, waarom zij dit deden, beduidden zij ons, dat

hun haar. te dicht bevolkt was en dit hen te lastig werd;

Een vermakelijk schouwspel was, toen zij naar den wal gestuurd

waren om zich in een klein riviertje te baden; voor

het eerst gebruikten zij daarbij zeep. Zij gedroegen zich als


192 De Zeemeeuw.

kinderen en speelden met de groote vlokken schuim. Het

spelletje was hun zoo goed bevallen, dat zij eiken dag om

zeep vroegen om weder opnieuw te beginnen. Aan boord

waren zij zeer behulpzaam en hielpen de matrozen, waar zij

maar konden. Hun grootste genoegen was echter de pomp,

die eiken morgen in beweging werd gezet om het dek schoon

te krijgen. Het was maar goed, dat er over dag een ketting

met slot op zat, anders zou het zoo zuinig bewaarde zoete

water spoedig vermorst zijn geweest. In den beginne hadden

wij nogal last met hen met het eten, daar zij alleen maar

sago en sommige vischsoorten wilden gebruiken; andere spijs

was in hunne oogen „oerèp"¹). Zoolang de van de Humboldtbaai

medegebrachte voorraad strekte, ging alles goed, maar

toen deze op was, begonnen zij sago te vragen, die wij niet

aan boord hadden. Wij beloofden hun dit te geven, zoodra

wij in de Geelvinkbaai zouden zijn en voorloopig moesten

zij zich behelpen met rijst en gedroogde visch. Af en toe

kochten zij visch in ruil voor hunne schildpadden oorringen

van Papoea's, die bij de nederzettingen, die wij aandeden,

langs zij van het schip kwamen. Vooral in de Geelvinkbaai

had men het zeer voorzien op deze sieraden en het was

aardig om te zien, hoe hunne westelijke stamgenooten allerlei

begeerlijke voorwerpen aan boord brachten om deze voorwerpen

. machtig te worden. Het duurde clan ook niet lang,

of de meesten liepen rond, geheel ontdaan van hunne sieraden,

maar daarentegen hadden velen een kapmes gekocht.

Deze kapmessen, die door hen zelf gesmeed zijn, staan in

hooge waarde, maar hierover later in hoofdstuk VII,

¹) Dit woord werd door hen gebruikt voor alle voorwerpen, die hun onbekend

waren.


De Zeemeeuw. 193

Eens zag ik mijn vriend ATTA heel handig met een pijl

een inktvisch boven van het dek schieten; daar er geen

sloep was gestreken, was goede raad duur, maar niet voor

hem. Zonder zich een oogenblik te bedenken, sprong hij van

de verschansing, zwom met krachtigen slag naar zijn pijl,

waaraan de inktvisch was vastgestoken en werd onder luid

gejuich weder aan boord gehaald.

Eiken avond om zeven uur kwamen de matrozen op het

voordek te zamen voor het avondappèl, om van den serang

de werkzaamheden voor den volgenden dag te vernemen.

Zoodra de bevelen waren gegeven, blies de serang een

schoone aria op zijn bootrnansfluit; de matrozen maakten

dan het militaire saluut en rukten in. Toen de Papoea's dit

éénmaal gezien hadden, beviel hun deze vertooning zoo goed,

dat zij zich den volgenden dag in de positie tegenover de

in het gelid staande matrozen plaatsten. Na afloop van de

aria sloegen ook zij deftig aan en verwijderden zij zich met

een ernstig gezicht, alsof zij ook tot de bemanning behoorden.

Zij hadden zich ook onmiddellijk de gewoonte eigen gemaakt

om evenals de koelies „poorskot" (voorschot) te vragen in

den vorm van tabak, cigarettenpapier en lucifers. DUMAS, die

zich eenigszins verantwoordelijk had gesteld tegenover de

Tobádiers in de Humboldtbaai, had zich belast met deze

ingewikkelde administratie.

Met al deze gebeurtenissen en onze bezigheden ging de

tijd snel om op de Zeemeeuw.

Des morgens vroeg van den 17 den Juli bereikten wij

de Kumamba-eilanden, drie in getal: Nirumoar (Armófin),

Lansutu en Liki. Wij brachten een kortstondig bezoek

aan Nirumoar; voor Professor leverde dit uit kalksteen


194

De Zeemeeuw,

bestaande eiland weinig interessants op, terwijl wij geen

tijd hadden voor een grondig zoölogisch onderzoek. Het

spreekt van zelf, dat ter loops alles medegenomen werd,

wat wij zagen. Lansutu werd bezocht door Professor, den

controleur, VAN WEEL en DE BEAUFORT. Zij ontmoetten

eenige daar wonende Papoea's, die zich zeer vriendschappelijk

tegenover hen gedroegen. Liki werd door ons allen bezocht;

het is het grootste der drie eilanden, waarop wij

eenige huizen zagen, maar de eigenlijke nederzetting hebben

wij niet gezien. Het grootste gedeelte van het eiland is bedekt

met vruchtdragende klapperboomen, maar de aanwezige

voorraad scheen te groot te zijn voor de consumptie. De

rijpe vruchten vielen dus van de boomen en ontkiemden

weder op den grond, rnaar daar ze zoodoende veel te dicht

op elkaar stonden, groeiden zij in schuine richtingen en geleken

deze boomen weinig op de anders zoo statige klapperboomen.

Een klappernoot was zelfs ontkiemd op een

dooden boom, die op den grond was gevallen. Het is jammer,

dat de inwoners geen copra van de vruchten vervaardigen

en zoodoende dit eiland productief maken. Wij

maakten met de vlet een mooie tocht om een gedeelte van

het eiland, verzamelden daar geologisch en zoölogisch materiaal

en deden ons te goed aan de klappernoten, terwijl

wij de vlet zoo vol mogelijk laadden met jonge vruchten.

Voor de zich aan boord bevindende klapperrotten hadden

wij steeds versche vruchten noodig, daar wij hen nog niet

aan ander voedsel konden gewennen. Over een schitterend gekleurd

koraalrif roeiden wij langzaam terug naar boord, om zoo

lang mogelijk van dit heerlijke schouwspel te genieten. Alhoewel

de bewoners van Liki beloofd hadden om aan boord te ko-


De Zeemeeuw. 195

men met ethnografica en om inlichtingen te geven, kwamen

zij helaas hunne belofte niet na en zetten wij koers naar Biak.

Wij passeerden eerst aan bakboord de Padäaido-eilanden.

Dat de scheepvaart hier niet druk is, bewijst wel de zeekaart,

want te midden van de talrijk daarop aangegeven eilanden

staat gedrukt: „Hier liggen waarschijnlijk nog meer eilanden."

Eerst tegen den middag kwamen wij ten anker voor het

dorp Wári op het groote eiland Biak gelegen. Alhoewel wij

de bewoners, die op het .strand rondliepen, wenkten, voldeden

zij niet onmiddellijk aan ons verzoek en duurde het

geruimen tijd, voordat de tweevlerkige vaartuigen langs zij

van het schip lagen. Een van hen bood ons een brief aan,

die volgens zijne bewering zijn aanstelling als hoofd bevatte.

De brief had daar niets mede te maken en behelsde de meest

eenvoudige zaken. Wij hebben hem echter niet uit den waan

geholpen. Ik hoorde toen van één van ons een verhaal, dat

een kamponghoofd, waar is mij ontschoten, als aanstellingsbrief

een rekening van een fotograaf vertoonde. Het hoofd

van de rekening was bedrukt met eenige medailles, die de

man op eene tentoonstelling had behaald, maar juist deze

eenigszins op zegels gelijkende teekeningen gaven cachet aan

het stuk. De korano van een naburig dorp kwam ook aan

boord, hij had een oud versleten pakje aan en was getooid

met een oude, strooien dameshoed met een veer, misschien

een van de insignia van den kroon. Hij bracht schildpadschaal

als geschenk mede, dat echter van een zeer inferieure

qualiteit was. De houding van de bevolking kwam ons een

weinig vreemd voor en hun uiterlijk was geenszins gunstig.

Na eenig overleg besloten wij toch naar den wal te gaan,

daar het jammer zoude zijn, deze nederzetting niet te be-


196 De Zeemeeuw,

zoeken. De huizen zijn gebouwd in den trant van die men

bijna overal aan de kust van de Geelvinkbaai vindt en

hebben den zoogenaamden schildpadvorm. Wij kochten zeer

veel ethnografica o. a. zeer mooi bewerkte lansen met ijzeren

punten. Deze werden in menigte door de vrouwen aangebracht;

wij dachten eerst, dat zij ons te koop werden aangeboden,

maar het bleek, dat zij slechts binnen het bereik

der mannen werden gezet. De goede verstandhouding werd

echter door geen voorval verstoord, toen zij begrepen, dat

wij met goede bedoelingen bij hen waren gekomen. DUMAS

was verder in het dorp doorgedrongen en kwam weldra terug

met een bamboe gevuld met sagueer. Dit is de bekende

drank, die de Ternatanen weten te maken uit de bloemkolf

van de Arengpalm (Arengga sacharifera). Voor dat doel wordt

de inflorescentie, die bij de Palmen een kolf is, afgesneden

en wordt er een holle bamboe onder gehangen. De dikke

steel wordt daarna geslagen en bewerkt, zoodat het sap er

begint uit te loopen. Dit sap laat men dan gisten, waarna

men een zeer verfrisschende, maar tevens bedwelmende drank

verkrijgt. Deze drank kan men eiken morgen op de passar

(markt) te Ternate koopen. De bewoners van Wan bereidden

hunne sagueer uit de klapperboomen, die er dan

ook door deze bewerking armoedig en klein uitzagen. Bij

nadere beschouwing zagen wij, dat sommige mannelijke bewoners

roode neuzen hadden, waarschijnlijk een gevolg

van drankmisbruik. Ook verspreidden sommigen van hen

een geur, sterk overeenkomende met die van iemand, die

een middel tegen koude voeten heeft genomen. Aan een

van de huizen hing een blauw uithangbord, waarop met

gouden letters „Léon XIII" geschilderd was; verder hadden


De Zeemeeuw. 197

sommigen ceintuurs uit caoutchouc gesneden. Wij vroegen

naar de herkomst en kregen ten antwoord, dat al deze voorwerpen

waren aangespoeld. Wij maakten echter de veronderstelling,

dat een en ander wel eens afkomstig kon zijn

van een gestrand schip en dat zij de schipbreukelingen een

vreemdsoortige hulp hadden geboden. Laten wij hopen, dat

deze veronderstelling niet juist is geweest.

Dicht bij het strand stond een eigenaardig gevormd grafje,

waarbij een treurende weduwe zat, die zich niet zoo schuw

toonde als de andere vrouwen.

Wij deden nog moeite om dit interessante voorwerp machtig

te worden, maar dit mocht ons niet gelukken.

Onder de ethnografica bevonden zich ook tal van zoogenaamde

„korwars"; dit zijn kleine uit hout gesneden beeldjes,

meestal met een lapje omwonden om de kleeding na te

bootsen. Deze voorwerpen zijn beeltenissen van overleden

familieleden en worden met een touwtje om den hals gedra-

'gen. Hunne piëteit was echter niet groot, want wij kochten

deze ahnengalerie voor tabak en eenige messen. Onze Papoea's

dreven ook druk handel, zij hadden het voornamelijk

voorzien op armbanden uit een Tritonschelp gemaakt. VAN

DER SANDE knipte van een der Papoea's, onder eenig protest

van de anderen, een haarlok af, waaraan acht groote witte

kralen. Later bleek het, dat bij den dood van een bloedverwant,

het haar op één lok na afgeschoren wordt, en dat aan

die lok kralen bevestigd worden, die voor én langs het oor

afhangen, zooals ook bij den persoon in quaestie het geval was.

VAN DER SANDE had hem dus zijn rouwgewaad afgeknipt.

Den volgenden dag viel het anker voor het eiland Supiórï

en wel in de zoogenaamde Maudorbaai. Het eiland is slechts


198 De Zeemeeuw.

door een kleine straat gescheiden van Biak. Omtrent de

breedte van deze straat is nog niets bekend, zij staat dan

ook met een stippellijn op de kaart aangegeven. Wij gingen

met twee sloepen naar den wal, waarvan één bemand 'werd

met onze Papoea's, die verheugd waren, dat zij eens van het

schip mochten. Uit voorzichtigheid hadden wij hen aan boord

gehouden bij de plaatsen, die wij tot nog toe hadden aan-

gedaan. Zij hadden pijl en boog medegenomen om ons be-

hulpzaam te zijn bij het vangen van visschen. Zij gedroegen

zich als losgelaten honden en er was niet veel meer te

merken van de tucht, waaraan zij zich eenige dagen hadden

moeten onderwerpen.

Het riviertje, dat wij hadden uitgekozen om te onder-

zoeken, bleek niet geschikt om daarin met „toeba" te

visschen, zoodat ieder, vergezeld van een Papoea, op de

vogeljacht ging. Zij zijn uitstekend geschikt als jachtjongen,

daar zij zeer scherp zien en bovendien het geluid der vogels

zeer goed weten na te bootsen. Ook het oprapen der ge-

schoten vogels, die dikwijls in het dichte struikgewas vallen,

ïs geen aangenaam werk, en zij doen dit zonder dat er om

gevraagd wordt.

Een bevredigende buit was het resultaat van dezen tocht.

Een verlaten hut, hoogstwaarschijnlijk van schildpadvisschers

stond aan den wal, maar van de bewoners werd niets ver-

nomen. Onder een geweldigen slagregen keerden wij naar

boord terug. DE BEAUFORT had wegens een vrij hevige

aanval van malaria deze tochten niet kunnen mee maken. '

Den volgenden morgen verstoomden wij naar een baai,

die in de nabijheid lag. Met een vlet gingen wij naar

den wal, maar kwamen terecht in een doolhof van kleine


De Zeemeeuw. 199

eilandjes van koraalkalk en kreekjes door de zee gevormd.

Op een van de eilandjes stonden eenige klapperboomen als

bewijs dat hier menschen waren geweest; bij nader onderzoek

vonden wij in de struiken een graf versierd met snoertjes

kralen aan een stokje en eenige gebroken houten en ijzeren

potten. Van de bevolking was niets te zien.

Bij het naar boord roeien, hoorden wij plotseling op

den wal roepen; wij gingen er onmiddellijk op af en zagen

een Papoea aan den rand van het bosch staan, maar hij

verdween terstond en liet niets meer van zich hooren of zien.

Hij zal waarschijnlijk wel afgeschrikt zijn door onze Papoea's,

die hij wellicht aanzag voor deelnemers aan een raak- of

rooftocht, die zoo veelvuldig in de Geelvinkbaai gehouden

worden. Ondanks ons vredegeroep kregen wij niets meer te

zien van dezen mysterieusen persoon. Des middags werd er

nogmaals geroepen en nu ging VAN NOUHUYS er alleen

op uit, maar ondanks alle in het werk gestelde pogingen

om met dezen persoon in aanraking te komen, moest hij

onverrichter zake terugkeeren.

Het was ons helaas niet vergund, om iets te weten te

komen van de bewoners van de noordkust van Supióri.

Den 18 den Juli des morgens om 8 uur kwamen wij ten anker

in de nabijheid van het eiland Mios Kórwar (Aifondi), dat volgens

de kaart met tal van riffen is omgeven. De grootste

omzichtigheid moest dus in acht genomen worden. Op het

eiland zagen wij van verre de Nederlandsche vlag wapperen.

De animo om naar den wal te gaan was zeer groot, zoodat

behalve de vlet ook de jol werd gestreken. De eerste

werd weder bemand met de Tobádiers, die het er op zetten

om harder te roeien dan de matrozen in de jol. Na een drie


200

De Zeemeeuw.

uur roeien landden wij op het eiland en hadden een voorsprong

van ± een half uur op de tweede boot. Wij vonden

verscheidene Papoea's, die zich echter zeer vreesachtig en

terughoudend toonden. Twee zeer oude Papoea's spreidden

een matje op den grond, noodigden ons uit daarop plaats

te nemen en boden ons eenige versche klappers aan.

De huizen, die op het eiland stonden, waren eigenlijk niet

meer dan overdekte slaapplaatsen en het bleek, dat zij behoorden

tot een ras, dat hier een schuilplaats had gezocht

tegen de vervolgingen van hunne rasgenootcn. Zij waren

van hunne eigenlijke woonplaats verdreven en hadden zich

op dit eiland verscholen.

Wij zagen een veertigtal mannen en later op den middag

eenige vrouwen en kinderen.

Alhoewel hun

inboedel zeer arm was,

kochten wij eenige ethnografica

o. a. eenige

aardig versierde hoofdbankjes,

die onmiddellijk

ter leen werden ge-

Hoofdbankje.

vraagd door onze Tobádiërs,

die aan boord

hun geliefkoosd maar hard hoofdkussen hadden moeten missen.

Het schip was ondertusschen vlak bij het eiland gekomen,

daar het gebleken was, dat het rif zich niet zoo dicht bij

het eiland bevond, als op de kaart staat aangegeven. Ons

werd daarmede een warme tocht van drie uur in een open

vlet bespaard.

Den I9 en Juli des morgens zes uur viel het anker voor


De Zeemeeuw. 201

een klein eilandje Mios Ajáwi (Káiru) genaamd; van de

bevolking was niets te merken. De booten werden gestre-

ken en brachten ons naar den wal. Wij hadden nauwelijks

voet aan wal gezet, of alle Tobádiërs en oppassers -renden

als bezetenen naar een bepaalde plek. Toen wij dichterbij

gekomen waren, zagen wij hen met handen en voeten in het

zand graven. Zij hadden de sporen van schildpadden ge-

zien, die op het strand hadden rond geloopen en nu hoopten

zij de eieren van deze dieren te vinden. Ondanks al hun

moeite mocht het hun niet gelukken deze te vinden.

Het scheen, dat er soms menschen op het eiland kwa-

men, want hier en daar waren er takken met een kapmes

afgeslagen. Het eilandje is voor het grootste gedeelte bedekt

met Pandanus-boomen en toen wij voor het verzamelen van

insecten daar onder wandelden, hoorden wij boven ons

hoofd het klapperend geluid van opvliegende duiven, die

zich aan de vruchten der boomen te goed hadden gedaan.

Toen er op een exemplaar geschoten werd, vloog er een ge-

heele zwerm op, die zich weder nederzette op een ander ge-

deelte van het eiland. Zij, die met geweren gewapend waren,

verdeelden zich toen over het eiland en zochten ieder een

eenigszins open plek in het bosch op, waar zij schot hadden

op de duiven. Een heftige kanonnade volgde toen ; de duiven

vlogen van de eene open plek naar de andere, om daar op

dezelfde wijze te worden ontvangen. Ik had drie Papoea's

medegenomen en een steile puntige rots beklommen." Zoo-

dra ik een duif geschoten had, liet ik deze apporteeren door

een van mijne drie volgelingen, die trouwens niets liever

deden. Het was ongeloofelijk hoe handig en vlug zij op de

scherpe rotsblokken met hunne bloote voeten rondsprongen


202 De Zeemeeuw.

en hoe spoedig de buit in veiligheid was. Te zamen

schoten wij een dertigtal vogels. Deze duiven zijn de zoogenaamde

goudduiven (Caloenas nicobarica), die druk gejaagd

worden voor de mooie vederen, die gebruikt worden voor

dameshoeden. De vogel is zwartgroen, lange, metaalgroene

halsvederen omgeven den kop als een kraag. Het is voornamelijk

om deze mooie in de zon schitterende halskraag,

dat deze vogels geschoten worden. Des avonds aan

boord werd iedere Papoea aan het villen der vogels gezet,

terwijl het menu voor een ieder uit duif bestond. Bij het

villen gebruiken de Papoea's niet alleen hunne vingers, maar

ook hunne teenen en ik moet zeggen, dat het bij dit werk

navolging verdient.

Professor, die zich niet bemoeid had met deze moorddadige

bezigheid, had een veel vredelievender werk verricht;

daar er geen klappers op dit eiland groeiden, werden er

door hem twee uit onzen voorraad aan boord toevertrouwd

aan den vruchtbaren bodem. Jagers op goudduiven of schildpadvisschers

zullen hem, hoop ik, later dankbaar gedenken.

Wij zetten tegen den avond koers naar de zoogenaamde

Mápia-eilanden, waar wij tegen den nacht aankwamen, ten

minste toen wij wakker werden, lagen wij tengevolge van

het gemis aan eene ankerplaats, drijvende voor deze groep

eilanden. Wij besloten eerst er omheen te varen, nadat

de hier wonende posthouder A. LAURENSZ bij ons aan

boord was gekomen. „De gemeenschappelijke grondslag

„van al die eilanden is een groot langwerpig rif (lange as

„23 K.M.), waarin zich in het midden eene groote lagune

„bevindt. Al de eilanden Pegun, Boras, Famelten, Fáneri-

„marak en verschillende kleinere stellen niets anders voor,


De Zeemeeuw. 203

„dan mét ontelbare kokospalmeri begroeide ophoogingen van

„het rif, die zich echter slechts weinig boven het vloed-

„niveau verheffen. Sommige feiten wijzen er op, dat het rif

„op weg is zich tot een atol te vervormen. De in vroegere

„tijden voorhandene opening aan de Westzijde is totaal dicht

„gegroeid. De eilanden Boras en Fanerimarak zijn op weg

„met elkander te vergroeien. Men kan gedurende de eb

„thans droogvoets van het eene eiland naar het andere gaan,

„terwijl een twintigtal jaren geleden dit slechts zwemmende

„mogelijk was" ¹).

Omtrent deze eilanden loopen zeer zonderlinge verhaleh;

ook wij hadden hier eene eigenaardige ontmoeting. Zooals

in het aangehaalde verslag vermeld staat, zijn de eilanden

dicht begroeid met klapperboomen; deze boomen leveren

een groot e hoeveelheid vruchten, waarvan copra wordt gemaakt

en dat een groote waarde vertegenwoordigt. Copra

is het gedroogde vruchtvleesch der cocospalm, waar olie

uit geperst wordt en waaruit naar ik meen ook koeken

voor het vee worden vervaardigd. .

Waarschijnlijk heeft deze rijkdom twee zeevaarders aangetrokken

met name O'KEEFE, een Amerikaan en P. OLSEN,

een Noor. Van deze twee interessante personen was alleen

de laatste op het eiland. O'KEEFE, die gehuwd was met een

mestize van Yap, was op het eiland vertegenwoordigd door

zijne vrouw en zijnen zoon Mr. HENRY O'KEEFE, die eenige

beschaving had genoten op Ternate. O'KEEFE Sr. was volgens

hun verhaal met een schip vergaan, maar het leek ons

¹) Maatschappij ter bevordering van het Natuurkundig Onderzoek der Nederkndsche

Koloniën, Bulletin Nº. 46 (6 de Bulletin van de Nieuw Guinea

Expeditie) pag. 36.


204

De Zeemeeuw.

waarschijnlijker, dat hij naar zijn vaderland teruggekeerd was

met een rijken buidel en zich daar schuil hield. Hij was namelijk

wat al te hardhandig opgetreden tegen eenige Duitsche

politiedienaren op de Carolinen-eilanden en was zoodoende

in conflict gekomen met de daar geldende Duitsche strafwet,

die het beter vond, dat hij zich eenige maanden afzonderde

HENRY O'KEEFE en P. OLSEN.

van de buitenwereld en het copra vervaardigen. OLSEN

en O'KEEFE hadden van den op de Mápia-eilanden wonenden

Radjah MARAWIDI de klapperoogst gepacht voor de luttele

som van vijftig dollars, terwijl P. OLSEN zich in den echt had

begeven met diens dochter om het contract nog hechter te

maken. Hij vertelde aan elk van ons met een zeer ernstig

gezicht: „I married the King's daughter". DUMAS schatte


De Zeemeeuw. 205

de jaarlijksche opbrengst op ongeveer 20 a 30 duizend

gulden. Af en toe ging een van hen met een schip de copra

naar een haven brengen.

Na de rondvaart maakte P. OLSEN zijne opwachting aan

boord, hij werd aan de rijsttafel genoodigd en vertelde ons

verschillende verhalen, die nu niet bepaald strookten met

de bekomen inlichtingen. Na de rijsttafel gingen wij allen

naar den wal om nader kennis te maken met de koninklijke

familie. Wij werden ontvangen door den posthouder en

den Radjah, die door zijn schoonzoon daarheen gestuurd

was met een „ajo lekas"¹). Ook HENRY O'KEEFE was

aldaar tegenwoordig, maar zweeg in de hem geleerde talen.

Het bleek later, dat hij vrij goed Engelsen sprak, terwijl hij

tevens de Maleische taal en die der inboorlingen meester

was. Het werkvolk wordt voor het grootste gedeelte gerecruteerd

van de Carolinen-eilanden; van de eigenlijke bevolking

zijn er slechts een zestal over. Vroeger moeten er wel

een duizendtal geweest zijn, maar dit aantal is gedund door

raaktochten van uit Gébé. Wij werden daarna door den posthouder

voorgesteld aan Mrs. O'KEEFE en de vrouw van den

Radjah. Beiden waren gekleed in prachtig gebloemde rok en

jurk. Allereerst brachten wij een bezoek aan het huis van

den vertegenwoordiger van het Nederlandsche gezag, den

heer LAURENSZ, die ons de noodige inlichtingen omtrent

bevolking en eiland gaf. Daarna gingen wij in optocht naar

het huis van Mrs. O'KEEFE, die ons tracteerde op een

glaasje bier, dat wellicht betere tijden had gekend. Het waren

vrij armoedige huizen, waarin deze menschen woonden,

¹) Vooruit gauw.


206 De Zeemeeuw.

Uit de wandversiering was duidelijk op te maken, dat haar

verdwenen gemaal vroeger de zee bevoer; kleine helgekleurde

scheepjes met witte zeiltjes hingen in een glazen

uitstalkastje aan den muur, zooals

men die wel ziet in de huizen van

visschers. Verder hing er een

schilderij, voorstellende O'KEEFE

met zijn gezin. Ik moet zeggen,

dat allen zich zeer goed gedroegen

en de Amerikaan scheen hun wc]

eenige society manieren geleerd te

hebben, maar de illusie werd mij

eenigszins benomen, toen Mrs.

O'KEEFE een klein papiertje met

hare teenen van den grond opraapte.

Trouwens behalve P. OL-

SEN en HENRY had niemand

schoenen aan en ik denk, dat deze

ze ook wel voor deze gelegenheid

hadden aangetrokken. V. D. SANDE

moest nog een consult geven aan

een van de leden van dit vreemdsoortige gezin.

Buiten gekomen werden wij verrast door een dans, uitgevoerd

door een achttal bewoners der Carolinen-eilanden.

o

Deze hadden zich voor dat doel in een soort van damescostuum

gestoken, bestaande uit rokjes van donkerrood en

wit stroo; op het hoofd hadden zij papieren en vederen

versierselen. De dans bestond uit gelijkmatige arm- en beenbewegingen,

door zang begeleid en ging gepaard met gelijk

uitgevoerde handklappen op dijen en borst.


De Zeemeeuw. 207

Op het eiland had O'KEEFE varkens uit Amerika inge-

voerd, die er dank zij het vette voedsel, bestaande uit copra,

prachtig uitzagen. Als troggen deden reusachtige tridacna-

schelpen dienst. Uit dankbaarheid voor ons bezoek kregen

wij twee jonge varkens, die ons later aan boord zeer goed

gesmaakt hebben. Een bezoek van een schip is voor

hen, die op deze verlaten eilanden wonen, dan ook eene

gebeurtenis van belang. P. OLSEN en HENRY O'KEEFE

vergezelden ons naar boord en wij hebben den Noor op zijn

verzoek gelukkig gemaakt met een flesch jenever. Tot onzen

schrik bemerkten wij den volgenden dag, toen wij reeds

lang onder stoom waren, dat hij zijne parapluie aan boord

had laten liggen. Dit voorwerp zal hij wel niet gemist hebben

op de Mápia-eilanden. Wij waren allen overtuigd dat hij,

zoodra hij geld genoeg verzameld had, naar koudere streken

zou vertrekken, met achterlating van de King's daughter.

Op onze vaart ontmoetten wij des avonds een stoomschip,

waarschijnlijk van de Nieuw-Guinea Handelsmaatschappij,

met bestemming naar de Mápia-eilanden. Dit was voor hen

dus het tweede schip in zoo'n kort tijdsverloop. Ze zullen

nog wel langen tijd over die emotievolle dagen gesproken

hebben. Des morgens lagen wij ten anker voor Manokwari

in de mooie Dorébaai, van waaruit onze laatste tocht in het

land der Papoea's zou plaats hebben.

Armband en gordel van Tarfia.


HOOFDSTUK VIL

De Geelvinkbaai.

Is onderwerp van dit hoofdstuk koos ik de

Geelvinkbaai en ten einde niet in herhalingen

te treden, ben ik in dit hoofdstuk afgeweken

van de chronologische volgorde. Het

toeval wilde, dat de eerste en ook de laatste

tocht, die wij op Nieuw-Guinea maakten, van uit de Geelvinkbaai

geschiedde. De eerste tocht had plaats van 14 tot

28 Februari en had het kolenonderzoek ten doel; de tweede

duurde van 3 tot 15 Augustus om te trachten op dezen

tocht dwars door Nieuw-Guinea te komen.

De Geelvinkbaai is de zich in het noordwesten van het

eiland bevindende groote inham. De hier wonende Papoea's

verschillen in velerlei opzicht van hunne oostelijke rasgenooten.

Wellicht hebben zij reeds te veel in originaliteit geleden

door den invloed der beschaving.

ons verblijf aldaar is niet zoo langdurig geweest als in de

Humboldtbaai, zoodat wij niet op zoo'n intiemen voet met

hen zijn gekomen als met de Tobádiërs, De mannen zijn hier


De Geelvinkbaai. 209

niet afkeerig van het gebruik van alcoholische dranken;

het gevolg is dan ook niet uitgebleven en tal van roofen

moordpartijen bezorgen het daar gevestigde bestuur

veel last.

De vestiging van ons bestuur te Manokwari, dat tijdens

ons bezoek bestond uit den assistent-resident L. A. VAN

OOSTERZEE en den controleur P. E. MOOLENBURGH, heeft

er veel toe bijgedragen, dat de streek thans niet meer in

zoo'n slechten reuk staat als vroeger.

• Ook de daar gevestigde zendelingen doen al het mogelijke

om de bevolking zooveel mogelijk te beschaven. In

de eerste plaats wil ik hier noemen den nestor der zendelingen,

den heer J. L. VAN HASSELT, die reeds meer dan

veertig jaar van zijn leven onafgebroken op Mansinam, gelegen

op het eiland Manaswari, werkzaam is geweest en ook

op taalkundig gebied zeer veel heeft gepresteerd, o. a. gaf

hij een werk uit over het Noefoorsch ¹). Deze taal wordt

door alle bewoners van de Geelvinkbaai gesproken of althans

verstaan, zoodat de omgang met hen veel gemakkelijker is

dan met de meer oostelijk gelegen Papoea's, waarvan elke

kampong er een eigen taal op na houdt. In de tweede

plaats vermeld ik den zendeling, den heer J. A. VAN BALEN,

die in het zuidelijker gelegen Wendèsi woont. Maar ik kom

nog terug op deze heeren, van wie wij zooveel vriendschap

hebben genoten tijdens ons bezoek op Nïeuw-Guinea..

De huizenbouw in de Geelvinkbaai is geheel verschillend

van die der andere Papoea's en heeft een eigenaardigen vorm,

¹) J. L. VAN HASSELT, Noefoorsch-Hollandsch Woordenboek. Tweede Verbeterde

en vermeerderde uitgaaf. Utrecht, KEMINK EN ZOON, 1893.

14


210

De Geelvinkbaai.

die wel eens wordt aangeduid met het woord schildpadvormig,

hoewel het woord niet zeer juist is gekozen. .

Het huis is op palen, gebouwd en vrij lang; het middengedeelte

wordt ingenomen door een groote ruimte, waarin

in gewone gevallen een vaartuig ligt, dat een vijftigtal

personen kan bevatten. Dwars op deze ruimte komen verscheidene

kamertjes uit voor de bewoners; het geheel wordt

gedekt door een langwerpig puntig dak. Deze vaartuigen worden

gebruikt voor hunne roof- en moordtochten, die hier

den naam van raak- of hongitochten ¹) dragen. Er wordt dan

¹) Het woord „raak" is van Papoeschen oorsprong en beteekeni „roof",

terwijl het woord „hongi" Ternataansch is. Vroeger werd dit gebied gerekend


Adonis uit de Geelvinkbaai.


De Geelvinkbaai. 211

onder luid geschreeuw en gezang, begeleid met trommelslag,

een bezoek gebracht aan een naburige nederzetting. Gewoonlijk

zijn de bewoners grootendeels gevlucht, zoodat deze

tochten minder bloedig afloopen, dan men zoude denken.

Meestal worden er weerlooze vrouwen of kinderen vermoord

en de hoofden als tropheeën triomfantelijk mee naar huis

genomen. De bloedwraak, die op Nieuw Guinea haren hoogtijd

viert, is oorzaak, dat vroeg of laat een contrabezoek

door de aangevallen nederzetting wordt gebracht en zoo

zoude dit tot in het oneindige doorgaan, indien er geen einde

aan gemaakt werd door het bestuur of doordat de zaak

onderling geregeld werd door middel van ruilmiddelen, alhoewel

dit zelden gebeurt. Voor eiken vermoorden persoon,

heeft een Papoea uit de Geelvinkbaai het recht zijn haardos

te tooien met een gele kakatoeveer. Dit gebruik schijnt

met het verschijnen van ons gezag wel eenigszins verminderd

te zijn, want wij zagen verscheidene schijnbaar vreedzame

lieden met deze versiering rondloopen.

Gewoonlijk ontstaat zoo'n moordpartij tengevolge van misbruik

van alcohol; een door drank opgewonden Papoea

beroemt er zich op, dat hij een moord zal gaan doen. Den

volgenden' dag wordt hij aan zijne belofte herinnerd en daar

'het voor hem een al te groote schande zoude zijn, indien

hij zijn belofte niet gestand deed, volvoert hij zijn plan. De

qualiteit der ingevoerde alcoholische dranken is zeer slecht;

te staan onder den sultan van Ternate., die vaartuigen uitzond om de belasting

te gaan innen. Dit waren de zoogenaamde „hongitochten". Maar daar deze tochten

zich kenmerkten door roof en doodslag, heeft dit woord langzamerhand een

geheel andere betekenis gekregen.


212

De Geelvinkbaai.

een gemeen vocht bestempeld met den naam van „port",

wordt daar aan de bevolking gesleten.

Tijdens ons verblijf in de Geelvinkbaai zagen wij een groot

vaartuig bemand met een geheele familie, dat hier niet was

gekomen om te plunderen of te rooven, maar om zich te

Nufoorsch vaartuig in de Geelvinkbaai.

beklagen over een hun aangedaan onrecht. Alles wordt dan

voor de gelegenheid mede gevoerd; vrouwen, kinderen, honden

en vogels.

Op den 9den Februari des namiddags drie uur kregen wij

voor het eerst Nieuw-Guinea in zicht; ook den volgenden

dag stoomden wij langs de kust, die bezet is met hooge

bergen, die steil naar zee afdalen, waardoor het binnenland

niet zichtbaar is. Deze streken zijn nog weinig door Euro-


De Geelvinkbaai. 213

peanen bezocht ¹). Hier en daar ziet men een ontwoud gedeelte,

een rookkolom duidt aan, dat daar Papoeas bezig

zijn, met het aanleggen van tuinen. Des avonds stoomden

wij de Geelvinkbaai binnen en genoten van een prachtigen

zonsondergang en van het schoone gezicht op het machtige

Arfakgebergte, gelegen aan de westkust van de baai;

wij ankerden voor Manokwari. Den volgenden morgen

haastte een ieder zich om zoo snel mogelijk naar den wal

te gaan om kennis te maken met dit voor ons geheel

nieuwe land. Ons eerste bezoek gold den assistent-resident

L. A. VAN OOSTERZEE, met wien wij in overleg moesten

treden voor onze aanstaande tochten. Volgens den heer

OOSTERZEE waren wij te vroeg gekomen, in verband met

den heerschenden westmoesson. Het landen aan de kust is

niet alleen overal moeilijk, maar in sommige jaargetijden

bepaald onmogelijk door de hevige branding, die er op de

kust staat.

Vervolgens werd er een bezoek gebracht aan den controleur,

den heer P. E. MOOLENBURGH. Manokwari is eene nederzetting,

die van het jaar 1898 dateert, de huizen van de twee

bestuursambtenaren zien er eenvoudig maar netjes uit. Het

huis van den heer VAN OOSTERZEE is boven op een heuvel

gelegen, een flinke weg, nog gedeeeltelïjk in aanleg

voert er van de kust heen. Van uit zijn huis heeft men

een prachtig vergezicht over de baai met het statige Arfakgebergte

op den achtergrond. De woning van den controleur

ligt gelijk met het strand, om en bij het huis liep een kleine

¹) o. a. door de zendelingen van uit de Doré-baai, verder door O. BECCARI.

L: M. D'ALBERTIS; A. RAFFRAY, F. S. A. DE CLERCQ, A. G. ELLIS

en J.W. VAN HlLLE.


214 De Geelvinkbaai.

menagerie, onder meer twee herten van Halmaheira, eenige

casuarissen en een kangeroe. Verder had de bewoner van

het huis zich bezig gehouden met den landbouw van voor

hem nuttige vruchtboomen; er stond daar een mooi bloeiende

Papajaboom. Dicht bij het huis was een ruime kazerne voor

Reede van Manokwarï.

de militaire bezetting, die uit een aantal inlandsche oppassers

met een Europeeschen instructeur bestaat. Verder stonden

in het dorp woningen van handelaren en Chineezen, verderop

langs het strand op palen, woningen van Papoea's.

Na zeer veel besprekingen werd er besloten, dat DUMAS

met een gedeelte der koelies en materialen voor den bouw

van het huis per Pakketvaart naar de Humboldbaai zou


De Geelvinkbaai. 215

vertrekken, terwijl wij een tocht naar het binnenland zouden

maken naar een kolenvindplaats in de nabijheid van

het dorp Horna. Wij stoomden eerst naar Andái, gelegen

aan een riviertje van denzelfden naam. Wij begonnen

onmiddellijk met het eerste zoölogische materiaal van Nieuw

Guinea te verzamelen. De oogst, die zeer. groot was, werd

nog vermeerderd door eenige flesschen materiaal op alcohol,

ons welwillend aangeboden door eenige inlanders. Vroeger

was hier een Europeesche zendeling gevestigd, de heer

W. L. JENS, maar thans is de geestelijke zorg voor de

bewoners opgedragen aan eenen inlander. De bevolking

herinnerde zich nog het bezoek van de twee onderzoekingsreizigers

D'ALBERTIS en BECCARI. Na afscheid genomen

te hebben van deze vriendelijke menschen werd

er koers gezet naar het zuidelijk gelegen Sarí. Wij waren

er reeds . den volgenden morgen vroeg en zagen eene nederzetting

bestaande uit een zestal huizen op palen in zee gebouwd.

Bij vloed staat het water een halve meter onder

de huizen, terwijl men bij laag water te voet van het eene

huis naar het andere kan komen. De zee bevordert hier de

zindelijkheid; of dit de reden is van het bouwen van huizen

op palen, geloof ik niet, want in het binnenland bouwt men

ook aldus en daar is van eb en vloed natuurlijk geen sprake.

Tusschen de huizen stond een soort van scheepstimmerwerf,

waar eenige vaartuigjes in aanbouw waren. De Papoea's

kwamen reeds vroeg met hunne bootjes langs zij van het

schip om blijk te geven van hunne goede gezindheid.

Een Ternataansche jager met name UMäR, die bekoord

was door eene Papoesche schoone van Sarí, leefde daar te

midden van hen. Hij beweerde bekend te zijn met de ko-


2l6 De Geelvinkbaai.

lenvindplaats en . Ook met de daar wonende inlanders, zoodat

hij onmiddellijk als tolk en gids aan de expeditie verbonden

werd.

DE BEAUFORT ' en ik gingen met eenige jongens op de

jacht, vergezeld van MAS DJIPJA, die planten ging verzamelen.

Ik zag toen bij de vervolging van eenige vogels voor

het eerst een oerwoud en dit viel mij niet mede. Ik had

geen kapmes bij mij, zoodat ik door de takken en struiken

moest heensluipen en geheel verward raakte in het met

doornen voorziene hout; ik was blij, dat ik weer goed en

wel op het strand stond; gelukkig had ik toch nog een paar

ijsvogels geschoten.

De jeugd van Sarí was bezig met een eigenaardig spelletje.

Een van hen gooit met een touw een priktol op het zand,

terwijl een ander met zijn tol de draaiende tol tracht uit

te gooien. VAN DER SANDE, die zich als ethnograaf zeer

voor dit spel interesseerde, had eenige blikken fluitjes en

mondharmonica's voor de winners uitgeloofd. Des avonds

moesten wij deze edelmoedigheid bezuren, daar er nog tot

. laat in den nacht een afschuwelijk concert in Sarí gegeven

werd.

Op den 13den Februari arriveerde de heer VAN OOSTER-

ZEE met het politievaartuig de Bensbach en begonnen de

preparatieven voor den tocht, Het bleek al spoedig, dat wij

voor den tocht, die berekend was op veertien dagen, niet genoeg

dragers hadden. Gelukkig hoorden wij, dat er Papoea's

uit het binnenland naar de kust waren gekomen met ruilgoederen,

maar op het zien van twee stoornschepen hadden

zij zich onmiddellijk weer in het bosch verstopt. Dank

zij de bemoeiingen van den heer van OOSTERZEE, bijgestaan


De Geelvinkbaai. 217

door UMaR, kwamen wij met hen in contact en arriveerde

de assistent-resident met een boot met vijf van deze Papoea's

aan boord van de Zeemeeuw. Zij zagen er alierwonderlijkst

uit, sommigen hadden het haar in bosjes samengebonden,

die steil over- .

eind op hun hoofd stonden

; het neusschot was

doorboord en versierd

met stokjes, vischgraten

en staafjes uit een schelp

gemaakt. Na lang onderhandelen

zouden zij ons

22 dragers leveren. Het

dek van de Zeemeeuw

begon er allervreemdst

uit te zien; overal lagen

vrachtjes voor de dragers

verspreid , veldbedden,

zakjes met rijst, gedroogde

visch en gedroogd

vleesch, stapels met blikjes,

pannen om rijst in te koken, lantaarns, tentzeilen, fotografietoestellen

, kortom alles, wat wij noodig hadden voor

dezen tocht. Op de volgende tochten werd er echter achter

gelaten, wat overbodig was gebleken. Wij hadden zoogenaamde

menukistjes laten maken, die de levensmiddelen

voor één dag bevatten. Voor de curiositeit vermeld ik hier

een van de dagelijksche menu's:

'/2 blik ragoutsoep,

½ blik Amerikaansche zalm,


2l8 De Geelvinkbaai.

5 halve blikken snijboonen met aardappelen en rookworst,

3 halve blikken kropsla met gehakt,

3 /4 blik gestoofde knollen,

½ blik vermicellipudding, verder boter, melk, suiker, koffie,

thee, beschuit, kaas, vet, karnemelk met gort, stroop • en

koek.

Laat ik er onmiddellijk bij zeggen, dat wij slechts op één

tocht deze hoogst onpractische kistjes hebben medegenomen

en ons later tevreden stelden met veel eenvoudiger menu's.

De kistjes zijn echter geenszins oorzaak geweest, dat deze

tocht niet geregeld afliep, integendeel zij slaagde uitstekend

en wij waren eene ondervinding rijker geworden.

Kort voor het vertrek was een ieder druk bezig met het

schrijven van brieven, nu wij voor een veertien dagen in

het bosch zouden verdwijnen.

Op den 14den Februari stoomden wij eerst langs de kust

om een goede ankerplaats te vinden, maar daar dit niet

gelukte, moesten wij al drijvende debarkeeren. Wij landden

met de bagage op het strand, dat den naam van Krïsnabap

draagt, anderen noemen het Jarkrisi, Daar vonden wij ook de

22 lieden van Mapar, die als dragers waren gehuurd. Het

bleek al spoedig, dat het draagsters zouden zijn en dat de

mannen dit werk zouden aanzien en de vrouwen vergezellen

met boog en pijlen gewapend. Wij gebruikten ons middagmaal

aan het strand en met goeden moed zette de stoet

zich in beweging; goed succes werd ons voor het laatst

toegewenscht door den assistent-resident en den heer VAN

WEEL. De geheele expeditie bestond uit vijf Europeanen

nam.: Prof. WlCHMANN, J. W. VAN NOUHUVS, G. A. J. VAN

DER SANDE, L. F. DE BEAUFORT en ik, de mantri van 'sLands


De Geelvinkbaai. 219

plantentuin, een korporaal met vijf padjoerits (oppassers) ter

onzer bescherming, vier bedienden, zeven en twintig koelies

en. twee en twintig menschen van Mapar als dragers, met

de hen vergezellende familieleden. Het was een groote troep,

die tegen twaalf uur op weg ging en langzaam het steile,

uit kalksteen bestaande kustgebergte begon te beklimmen.

De koelies bleken alras van minderwaardige qualiteit te

zijn, wellicht een gevolg van het voor hen ongewone werk.

Een gedeelte der vrachtjes verhuisde dan ook spoedig op de

ruggen der Papoesche dames, die daarvoor betaling ontvingen

in den vorm van jasjes, hoofddoeken en andere kleedïngstukken.

De vrouwen droegen de vrachten in zakken

van boombast, waarvan de draagband gelegd werd op het

voorhoofd.

In het bosch hoorden wij voor het eerst de scherpe loktonen

van de paradijsvogels en het eigenaardige geluid der

jaarvogels. Dien nacht kampeerden wij bij een klein riviertje,

de Kambo Kèper.

Met het aanbreken van den dag was het reveille én genoten

wij voor de eerste maal van de geurige koffie, gevolgd

door een bord rijst met australisch vleesch. Dit laatste is

een van de moderne uitvindingen, die weinig meer aan eten

doet denken. Met een weinig spaansche peper aangemengd,

zoodat men door het hevige branden niet meer weet, wat men

eet, is deze spijs in de wildernis zeer goed te gebruiken.

Dien dag hadden wij een vermoeienden tocht gemaakt, de

weg liep door zwaar oerbosch en was bezaaid met wortels,

steenen en andere hindernissen, zoodat men ter dege moest

oppassen om niet te struikelen. Tegen elf uur bereikten wij

eene kleine nederzetting, Hiri genaamd, bestaande uit één


220 De Geelvinkbaai.

huis, vanwaar wij, ondanks het mistige weer, het eiland

Amberpon konden zien. Lang bleven wij hier niet en nu liep

onze weg grootendeels door de droge bedding van de Ka-

Hirì .

romoi. Uit angst, dat wij verderop geen water genoeg zouden

vinden, werd er besloten te kaïnpeeren bij een groote poel

stilstaand water, die in de droge bedding gevormd was.

Hadden wij toen eens geweten, wat ons nog van het water

te wachten stond. De voorzichtigheid gebood ons echter daar

te blijven, hoewel het nog vroeg genoeg was orn verder

te trekken. Wij hadden ondertusschen de waterscheiding

bereikt en bevonden ons in het stroomgebied van de Jakati-


De Geelvinkbaai. 221

rivier, die uitmondt in de Mac Cluer Golf. De ons vergezellende

Papoea's schoten dien avond een jaarvogel, maar.

voordat wij het konden beletten, waren de witte staartpennen

er reeds uitgetrokken en als versiering in hunne ragebollen

gestoken.

Den l6den moesten wij langs een zeer bezwaarlijke kalksteenkloof

afdalen en vorderden wij dientengevolge slechts

zeer langzaam. Toen deze gepasseerd was, kwamen wij in

de vlakte of wel wij hadden het terrein van veel ellende en

narigheid bereikt. Het geheele land was met zwaar oerbosch

bedekt en verhinderde elk uitzicht. Hooge boomen omringden

ons overal, dikwijls omstrengeld door lianen van een

arm dik. Deze lianen leveren vrij goed water op; ik zag de

koelies dikwijls een stuk van een paar voet uit een liaan

slaan en het daarna boven hun mond houden; het zich

daarin bevindende water droppelde in hun mond. Volgens

hun zeggen schijnt het een verfrisschende koele drank te zijn.

Niettegenstaande een flinke regenbui werd er des middags

toch doorgemarcheerd. Wij kampeerden dien nacht bij een

zeer modderige rivier de Tóko.

De daarop volgende dag bood ons een voorproefje aan van

hetgeen nog moest volgen en gaf voldoende bewijzen, hoe

verkeerd het is om in het regenseizoen zulke tochten te

maken. In den beginne was de weg vrij goed, maar langzamerhand

werd zij modderiger, totdat wij ten slotte door

een moeras moesten waden; somtijds reikte het water tot

aan de knieën. Over kleine geulen waren boomstammetjes

gelegd, die uitstekende bruggetjes vormden voor de Papoea's

en de Maleiers, die blootsvoets loopen, maar voor ons, met

-onze schoenen, vereischte elk bruggetje een balanceerkunst,


223 De Geelvinkbaai.

waarin onze leider dan ook te kort schoot en met het natte

element kennis maakte. Met het redden van den drenkeling

liet UMäR zij n kapmes in het water vallen en ging er gegeruimen

tijd met het zoeken verloren; gelukkig vond hij

het ia het bosch zoo onmisbare voorwerp vrij spoedig. Alles

om ons heen stond onder water en wat een begaanbaar woud

in den drogen tijd was, stond nu geheel blank, gevoed door

de talrijke riviertjes, die ontstaan door de menigvuldige regens.

Stond men een oogenblik stil, dan werd men onmiddellijk

verrast door den steek van muskieten; ik kan dan ook vol-

mondig verklaren, dat, hoewel mij de toestand in den beginne

zeer interessant toescheen, de aardigheid er vrij spoedig

af was. Eindelijk werd het water lager en kwamen wij weder

op den drogen bodem. Wij hoopten nog dien avond Mapar

te bereiken en aldaar te kunnen overnachten, maar wij kregen

bericht, dat er geen nederzetting bestond of, indien deze bestond,

dat zij zeer ver verwijderd lag. Wij besloten daarom

maar onze tenten op te slaan in de nabijheid van de rivier

de Maturi, die wij reeds overgestoken waren over een zware n

boomstam. Maar, voordat de nachtverblijven in orde waren,

ontlastte zich een geweldige regenbui en zorgde, dat wij

geheel doornat waren. De stemming werd er niet beter door,

zooals ieder licht kan begrijpen.

Gelukkig scheen den volgenden dag de zon vroolijk en gaf

ons moed en kracht en de vreugde steeg ten top, toen het

bleek, dat wij maar een tien minuten gaans waren van het

op een heuvel gelegen Mapar. De heuvel was door de bewoners

schoon gekapt, zoodat deze plaats een uitstekende

gelegenheid aanbood om al het nat geworden goed aan de

warme zonnestralen bloot te stellen. Met gezwinden pas be-


De Geelvinkbaai. 223

reikten wij den heuvel; de grond was in een oogwenk

bedekt met een chaos van kleederen en beddegoed. Een

gedeelte van de bewoners van Mapar beloofde ons verder

te zullen brengen op voorwaarde, dat hun een dag werd

gegund om de noodige vruchten voor den tocht te verza-

melen. Volgaarne werd hun dit uitstel gegeven, verheugd

als wij waren, alles te kunnen drogen in de zon.

Mapar bestaat slechts uit één op palen gebouwd huis,

dat een veertigtal bewoners herbergt; de toegang geschiedt

langs een langen boomstam, waarin treden zijn uitgehakt

en die beter voor kippen dan voor menschen geschikt

is. Wanneer men met zeer veel moeite deze trap

is opgekropen, komt men allereerst op een soort van veranda,


224

De Geelvinkbaai.

die zich langs de geheele voorzijde van het huis uitstrekt.

De wanden zijn gemaakt van plat geslagen boomschors, versierd

met kleine inkervingen. Het huis zelf bestaat uit één

groot vertrek, waarin men verschillende stookplaatsen aantreft;

boven eenige waren slaapplaatsen, wellicht om door

den rook beveiligd te zijn tegen de muskieten. Het spits toeloopende

dak is van bladeren vervaardigd. De vrouwen zaten

in een hoek bij elkander; zij dragen een rokje van katoen,

hebben het bovenlijf ontbloot; armen en enkels zijn versierd

met uit rottan gevlochten banden, om den hals dragen zij

colliers van mollusken en uitgeblazen eieren. De neus is

doorboord, waarin allerlei voorwerpen, bij een enkele zag

ik zelfs een roode lucifer door den neus gestoken. In de

a

ooren dragen zij gaarne ijzeren blikopenmakers. Tafels en

stoelen zijn een ongekende weelde en ook eetgereedschap

is hun niet bekend. Onze lepels en vorken bekeken zij met

groote aandacht.

In het huis hingen aan de wand groote pakken, met matten

omgeven, het bleken bij navraag lijken te zijn, die aldus in

gedroogden toestand bewaard werden ¹). Er werd ons toen

tevens een minder smakelijk verhaal gedaan, dat ik hier toch

ter wille van de eigenaardigheid wil vermelden. De lijken

zijn natuurlijk niet onmiddellijk droog, maar gaan tot bederf

over; de lucht, die ze dan in de huizen verspreiden, moet

wel ontzettend zijn; de daaruit loopende liquide stoffen

worden in een pot opgevangen en bewaard. Komt er nu

een vreemdeling, waarvan men niet weet, of hij een vriend

of vijand is, dan wordt er door zijn eten eene hoeveelheid

1 ) Papoesche naam: biátá sidugè, dood = matési.


De Geelvinkbaai. . 225

van deze sappen gemengd. Ondervindt hij hiervan nadeelige

gevolgen bijv. vomeeren, dan is dit het bewijs, dat hij een

vijand is en wordt hij ter dood gebracht. Gelukkig werd dit

experiment niet op ons geprobeerd en bleven wij gespaard

van dezen adellijken schotel. Deze sappen zouden zij ook wel

vermengen in de sagokoeken en moeten dan door de naaste

familieleden van den overleden persoon geconsumeerd worden.

Ik prefereer dan toch maar Australisch vleesch.

Aan het hoofd van deze bewoners stond een persoon, dien

zij met den naam van „Majoor" betitelden. Dat de Majoor

zeer gesteld scheen te zijn op nakomelingschap, bleek uit het

feit, dat hij met zijn vierde vrouw leefde; het huwelijk met

de drie voorgangsters had hij wegens kinderloosheid verbroken.

De honden der Papoea's worden meestal slecht behandeld;

ik heb te Mapar gezien, dat zij van boven van de veranda

naar beneden geschopt werden; eene behandeling, waarvan

zij — zeker door gewoonte — geen nadeelige gevolgen

ondervonden.

Wij brachten dien dag door met het verzamelen van allerlei

materiaal, DE BEAUFORT teekende eenige dieren, die wij

gaarne wilden hebben en dank zijne vaardigheid werden ze

onmiddellijk herkend. Hij teekende een Proechidna, die zij

„oefena"' en een kangeroe die zij „oegôh" noemden. Onderwijl

namen de koelies onder luid geschreeuw een bad in de

Maturi, maar onmiddellijk verzochten de Papoea's ons, of

wij hen wilden verbieden om zoo te schreeuwen, daar er

anders regen zoude komen. Gedachtig aan den vorigen dagvoldeden

wij terstond aan hun verzoek.

Droog en uitgerust ondernamen wij den I9 den Februari

den tocht; een gedeelte van de rijst werd achtergelaten onder


226

De Geelvinkbaai.

bescherming van eenige oppassers, daar wij over Mapar

zouden terugkeeren. Een der koelies, die met een kapmes zijn

Mapar.

been had verwond, werd ook achter gelaten. Onmiddellijk

na het afdalen van den heuvel, waarop Mapar ligt, kregen

wij een moeilijke passage over boomstammen, die over de

Maturi gelegd waren; gelukkig liep alles zonder ongelukken

af.

Het pad liep daarna door het bosch en was zeer goed begaanbaar;

talrijke beekjes en riviertjes moesten doorwaad

worden, een enkele maal passeerden wij een pisangtuin, waar

wij alle mogelijke moeite hadden om de koelies van het

„rampassen" of wel plunderen af te houden. Door zulke han-


De Geelvinkbaai. 227

delingen zou men onaangenaamheden krijgen met de bevolking

en dit moest in elk geval vermeden worden.

Tegen vier uur werd het eveneens uit één huis bestaande

dorp Inagói bereikt. Met het oog op het late uur en den

dreigenden regen, besloten wij ongevraagd onzen intrek in dit

huis te nemen. Het was eene ware invasie voor de bewoners

om plotseling een vijftigtal personen meer in hun huis te

moeten herbergen, maar zij maakten hiertegen geen bezwaar.

Trouwens zij zullen wel begrepen hebben, dat zij den volgenden

dag daarvoor schadeloos gesteld zouden worden. Voor

de zindelijkheid werden de tentzeilen op den grond uitgelegd

en daarop onze bedden gespreid. Langs den wand hingen

eenige lijken, waartegen heel vertrouwelijk de parapluie van

Professor stond, een voorwerp, dat hem gedurende al die

tochten nimmer verlaten heeft, alhoewel het op het laatst

niet precies meer aan zijn doel beantwoorden kon. Volgens

inlichtingen konden wij in één dag Horna bereiken, in welks

nabijheid zich de rivier de Wasiáni bevindt, waarin de steenkolen

gevonden waren. Verheugd, dat wij spoedig ons doel

zouden bereiken, gingen wij vroeg op weg na onze gastheeren

rijkelijk beloond te hebben. Tegen tien uur stonden wij

plotseling voor eene 30 meter breede, bruischende rivier,

de Ingsíim. Een zware boomstam lag er overheen, maar

wilde golven maakten het onmogelijk om over dezen primitieven

weg naar den overkant te komen. Ons was het misschien

nog wel gelukt, maar voor de zwaar beladen koelies

zou dit levensgevaarlijk geweest zijn. De rivier was in gewone

gevallen gemakkelijk op deze manier, over te gaan,

maar door de veelvuldige regens was zij in dezen abnormalen

toestand gekomen. De omliggende oevers stonden eveneens


228

De Geelvinkbaai.

blank; de op den grond levende insecten waren hierdoor

gedrongen een hoogere schuilplaats te zoeken en vielen zoo-

De Ingsíim op den heenweg.

doende meer in het oog, waardoor wij een rijken oogst konden

verzamelen. Na veel beraadslagen werd er besloten, dat wij

hier overnachten zouden; onder leiding van VAN NOUHUY5

en V. D. SANDE werd een leuning van jonge boomen en

rotan langs den boomstam, gemaakt als steun bij het

overloopen, indien men omver dreigde te slaan door den

drang van het water. De korporaal der oppassers bleek een

practisch man te zijn en wist onder meer handig boornen

om te kappen en kon ze laten vallen, waar men ze wenschte-


De Geelvinkbaai. 229

Nadat met veel krachtsinspanning de hulpbrug tegen twee uur

gereed was gekomen, gingen V. D. SANDE en V. NOUHUYS

op onderzoek uit, daar er verderop nog twee rivieren moesten

overgetrokken worden. Tegen half vier keerden zij terug

rnet het bericht, dat zij over de rivieren gebrekkige bruggen

hadden gevonden, maar, dat deze met een weinig arbeid

spoedig bruikbaar gemaakt konden worden. Er werd nog

een stok met inkervingen in de rivier geplaatst om als

peilschaal te dienen.

Des nachts werden wij vergast op een hevige regenbui,

ieder dacht met schrik aan de primitieve bruggen.

De Ingsíim liet zich intusschen flink hooren en na het

geraas te oordeelen was de stroom eer verergerd dan verminderd.

Het eerste werk was den volgenden morgen om naar de

geïmproviseerde brug te gaan kijken; VAN DER SANDE

kwam met mismoedig gezicht het bericht brengen, dat de

bouwwerken, den vorigen dag met zooveel moeite vervaardigd,

door den krachtigen stroom waren weggeslagen. Dadelijk

ging hij weder met VAN NOUHUYS en de koelies aan het

werk; na eenige uren hard werken was de brug weder ge-reed.

Toen wij ons gereed maakten om er over te trekken,

bleek het dat de „Majoor" met al zijne volgelingen teruggekeerd

was naar Mapar. Zij schenen een twist te hebben

gehad met de koehes over het gebruik van een rijstpot en

waren weggegaan zonder ons te waarschuwen. De eigenlijke

reden zal wel 'geweest zijn, dat zij bang waren om over de

rivier te gaan; geen van hen toch kon zwemmen. De vrachten

werden zoo goed mogelijk over de aanwezige dragers verdeeld

en de tocht over de Ingsíim begon. Tegen half negen


230 Be Geelvinkbaai.

waren wij allen behouden aan den overkant. Het terrein

was voor het grootste gedeelte overstroomd en moerassig,

na een drie kwartier loopen bereikten wij de snelst roomende

Sinái, die er niet minder woest uitzag, als de Ingsíim. De

brug werd gerepareerd en van een eenvoudige leuning voorzien,

zoodat wij ten slotte ook hierover sukkelden. Tot onzen

grooten schrik bemerkten wij, dat wij ons op een eiland bevonden

en dat wij de Sinái nogmaals moesten overtrekken.

Dezelfde vertooning volgde daarop en onze waterbouwkundigen

brachten ook dit werk tot stand en gezond en wel stonden

allen aan den overkant op een heuvel. Aldaar ontmoetten

wij eenige bewoners van Horna, die ons mededeelden, dat

wij nog één rivier hadden over te trekken en vlak bij

Horna waren. VAN NOUHUYS verzond door middel van

deze menschen, die naar de kust gingen, een brief naar de

Zeemeeuw om te berichten, hoe wij het maakten. Vol moed

gingen wij weer op weg, maar een flink bad doofde spoedig

alle vuur, dat nog in ons was na al deze lastige en natte

passages.

Het land was hier zoozeer overstroomd, dat wij nu tot

over de borst door het water moesten waden: alles wat

waarde had, werd om den hals gehangen of onder den hoed

geborgen. De koelies moesten alle vrachten op het hoofd

dragen. Plotseling kwam er stilstand; het bleek, dat er een

geul in het terrein was, te diep om te doorwaden. Een

brug bestond er niet, wel dreef er een groote boomstam;

het besluit was spoedig genomen, want niemand dacht aan

teruggaan na al die bezwaren, die wij met zooveel moeite

te boven waren gekomen.

De boom werd nu als brug gebruikt; deze moest aan beide


De Geelvinkbaai. 231

zijden vastgehouden worden, daar zij ronddraaide, zoodra er

iemand op liep. AI kruipende en schuivende kwamen wij er

allen heelhuids over. De wachtenden stonden ondertusschen

tot aan de schouders in het water, daar er slechts één persoon

tegelijk over deze vreemdsoortige brug kon gaan. Ik

kan gerust verklaren, dat ik weinig vroolijke gezichten op

dat oogenblik zag; wel was het water niet koud, maar toch

was de toestand zeer onbehagelijk. De geheele vertooning

had wel iets van boegsprietloopen, maar zonder volksspelen.

Toen wij het ondergeloopen gedeelte gepasseerd waren,

bereikten wij een heuvel; op een klein plekje scheen de

zon en daar zaten wij allen mismoedig naast elkaar onze

kleedingstukken uit te wringen. Lang duurde dit oponthoud

niet, want wij moesten verder, daar wij maar een beperkte

hoeveelheid rijst bij ons hadden en wij ons doel „wilden”

bereiken. Na een eind geloopen te hebben, stuitten wij weder

op een rivier de Sinái merah en hetzelfde spelletje moest

weder beginnen: bruggen maken en leuningen fabriceeren.

Voor dien dag was het echter te laat geworden en werden

de tenten opgeslagen. Door eene vergissing had men een

brug op een verkeerd punt gemaakt en geschiedde de

overtocht den volgenden dag op een ander punt. Om bij

de brug te komen, moest men echter eerst weder een gedwongen

bad nemen om dan meer kruipende dan loopende

aan den overkant te komen. Nog een eind weegs hadden

wij de ondergeloopen oeverlanden te doortrekken, voordat

wij voor goed op den drogen wal waren, echter met het

aangename vooruitzicht denzelfden weg weder terug" te

moeten. Maar niemand dacht op dat oogenblik aan den

terugweg, blij,dat wij nu eens een droge wandeling konden


232 De Geelvinkbaai.

maken. De Papoea's beweerden, dat Horna slechts op een

geweerschot afstand verwijderd was, maar ook hierin kwamen

wij bedrogen uit; de weg was overigens nog heuvelachtig

en glibberig. Na eenige beekjes te hebben doorwaad, zagen

wij een aantal ontwoude heuvels voor ons. UMäR stootte

allerlei wonderlijke geluiden uit om onze komst aan te

kondigen en om de bewoners te doen weten, dat er

geen vijanden in aantocht waren. Wij meenden, dat wij

thans Horna bereikt hadden, maar ook hierin hadden

wij misgerekend. Wij liepen heuvel op, heuvel af onder

een brandende zon, terwijl de weg versperd was door

tal van boomstammen, die over het pad waren geworpen

om de bewoners te beveiligen tegen een overval. Eindelijk

bereikten wij een hoogen heuvel met een huis op

den top. en hiermede was ons doel voor dien dag bereikt.

In de nabijheid van het huis werden de tenten opgeslagen,

ieder was weldra in diepen slaap na zoo'n moeitevollen

dag.

De 23ste Februari was een prachtige dag, zoodat wij

volop genoten van het heerlijke vergezicht, waarvan wij

nu dubbel genoten na al die sombere, natte dagen in

het oerbosch doorgebracht. Professor vertrok des morgens

vroeg naar de kolenvindplaats, vergezeld van V. NOU-

HUYS, UMäR en eenige koelies, terwijl wij zijn terugkomst

te Horna zouden afwachten. Wij hielden ons bezig met

het drogen der nat geworden kleederen en het verzamelen

van materiaal, terwijl V. D. SANDE op de hoogte

trachtte te komen van de eigenaardigheden van het hier

wonende ras. Wij hadden 's middags een grooten kring van

Papoea's om ons heen, die ons onder meer het tellen in hun


De Geelvinkbaai. 233

taal leerden. Zoo goed mogelijk schreef ik eenige getallen

op: 1. hom; 2. woi; 3. homói; 4. hokóe; 5, chírküm; 6.

chírküm homí; 7. chírküm howóï; 8. chírküm homói;. 9. chirí

küm hokóe, 10. chesjä. Ten einde vergissingen te voorkomen,

wordt bij één met de rechter hand de linker duim omvat;

Horna.

tot tien één voor één de overige vingers van dezelfde hand,

daarna de vingers van de andere hand. Bij tien worden de

geopende handen tegen elkaar geslagen. Boven tien komen

de teenen aan de beurt, bij vijftien worden de beide handen

om de linker knie geslagen; bij twintig worden de beide


234

De Geelvinkbaai.

handen om de twee tegen elkaar gedrukte knieën geslagen.

Alhoewel eenigszins ingewikkeld, is vergissing niet mogelijk;

indien het getal verkeerd verstaan wordt, strekt de bijkomende

beweging tot bewijs van het uitgesproken getal. Wij

kochten van de bevolking vruchten, obi en bataten en be-

Bewoners van Horna.

sloten, ter besparing van de reeds sterk aangesproken rijst,

de koelies voor dien avond geen rijst, maar alleen bataten

te geven. Om hun een voorbeeld te geven, aten wij dit

ook. Met wat boter zijn deze gekookte vruchten een zeer

goed voedsel, maar onze waarde koelies weigerden ze te

eten en beweerden een contract te hebben afgesloten, waarin


De Geelvinkbaai 235

hun dagelijks rijst was beloofd. Wij hielden voet bij stuk,

maar de koelies gaven evenmin toe en de groote ijzeren

pot gevuld met bataten lieten zij staan. Dit spelletje duurde

niet lang, want een van hen kwam schoorvoetend de

vruchten halen, al mopperende, dat wij contractbreuk hadden

gepleegd.

Hoewel wij Professor en de anderen' eerst den volgenden

dag verwacht hadden, kwamen zij reeds des avonds terug.

Zij hadden succes op hun tocht gehad, want Professor had

in de rivier de Wasiáni stukken steenkolen gevonden en

verklaarde, dat dit te beschouwen was als de eerste steen-

kolen in Nederlandsch-Indië, die tot de kolen formatie be-

hoort gerekend te worden.

Zij hadden na een geforceerden marsch Horna weder

heelhuids bereikt. Dien avond werden er plannen gemaakt

voor den • terugtocht op den volgenden dag en wij dachten

met schrik, hoe onze bruggen het zouden maken.

Met een mooien zonsopgang konden wij den volgenden dag

een vergezicht bewonderen, dat wij nu dubbel waardeerden,

daar wij spoedig in het bosch zouden verdwijnen zonder

eenig uitzicht te hebben. Wat zoude ons daar weder te

wachten staan, waarschijnlijk niets dan water, al onze geïm-

proviseerde bruggen weggeslagen en een zware vermoeiende

tocht door het modderige en moerassige terrein. Gelukkig

had het deze dagen niet geregend en wij hoopten, dat zoo-

doende veel water zou zijn afgevoerd. Onze verwachtingen

werden niet teleurgesteld, het water was grootendeels weg-

gezakt en onze bruggen bevonden zich nog in goeden staat,

zoodat onze bouwmeesters niet weder aan het werk behoefden

te gaan. Wel moesten wij soms nog op enkele plaatsen tot over


236 De Geelvinkbaai.

het middel door het water, maar er heerschte zulk eene goede

stemming, dat zelfs de koelies zoo hard liepen, dat wij dien

nacht konden kampeeren aan ons oude bivak aan de Ingsíim.

De Ingsíim op den terugweg.

Dat had zeker niemand durven hopen en wat zouden wij

hebben moeten doen, indien het water nog gestegen was

door regens. Tevreden en rustig legde ieder zich dien nacht

ter ruste en men droomde van de mooie witte Zeemeeuw

met hare gastvrijheid en comfort.

Den volgenden dag bereikten wij Mapär na een langen

zwaren tocht, die ons allen zeer tegenviel waarschijnlijk door

den geforceerden dagmarsch van den vorigen dag. Wij hoopten


De Geelvinkbaai. 237

echter spoedig te kunnen gaan rusten, nu het geraamte van

onze tent nog aanwezig was en dus de zeilen alleen maar

over de palen behoefden gelegd te worden. Maar de „Majoor"

die ons reeds in den steek had gelaten bij den heenweg voor

de wild bruischende Ingsíim, had onze kampplaats voor een

geheel ander doel voor hem en de zijnen uitgekozen. Niet

alleen, dat hem zijn gedrag flink verweten werd, maar hij

kreeg het bevel om alles zoo spoedig mogelijk schoon te

maken. Van het verwijt trok hij zich als een echte Papoea

niet veel aan en de order bracht hij onmiddellijk over aan

het schoone geslacht, dat luid mopperend en protesteerend

hieraan voldeed. De gewonde koelie en de onder bescherming

van eenige oppassers achtergelaten levensmiddelen

troffen wij weder ongedeerd aan. Wij besloten den volgenden

morgen niet te vroeg op te breken- Toen wij zouden gaan

slapen, begon het plotseling hard te regenen met dit gevolg,

dat de door den regen zwaar geworden zeilen een verkeerden

druk uitoefenden op de steunpalen en het dak bijna omgevallen

was. Ondanks ons geroep kwam geen der koelies ons

te hulp, zoodat wij zelf de schade, zoo goed als dit ging,

herstelden. Dwaas van ons om nog te denken, dat de koelies

zouden komen; waarschijnlijk waren zij druk bezig met hun

geliefkoosd hazardspel.

Den 26 sten Februari sloegen wij een anderen weg in en

hoopten zoodoende het modderige terrein te zullen vermijden.

UMäR beweerde, dat de weg wel wat steiler en moeilijker

was, maar ieder had dit er gaarne voor over.

De weg liep eerst door een moeras, zeker om ons deze

.aangename passages niet te spoedig te laten vergeten. Maar

gelukkig duurde deze pijniging niet lang en wij moesten


238 De Geelvinkbaai,

weidra beginnen te klimmen, eerst langs een vrij gelijkmatig

pad, dat echter af en toe bemoeilijkt werd door scherpe

puntige kalkrotsen. De koelies, die op bloote voeten liepen,

hadden veel te lijden van de puntige rotsen, waardoor onze

tocht zeer vertraagd werd. /

Wij overnachtten op de helling van een berg; als bijzonderheid

kan ik nog vermelden, dat een der koelies bij het

water halen een mooie kreeft ving, behoorende tot de familie

der Astaciden; de vangst is daarom merkwaardig, omdat

zoetwaterkreeften niet in den Indischen Archipel, maar wel

in Australië voorkomen.

Den volgenden dag volgden wij grootendeels een riviertje

de Troi, schilderachtig door al de kalkrotsen, die in de bedding

lagen. De oevers waren dikwijls steil en dwongen ons

telkens de overzijde te kiezen; ik geloof, dat wij dit

riviertje meer dan tienmaal zijn overgetrokken. Er werden

dien dag eenige jaarvogels geschoten, die wij met zeer veel

zorg' prepareerden. Nu wij zoo dicht bij de kust waren,

hoopten wij deze ongeschonden aan boord te zullen brengen

en dit gelukte ons ook. Aldaar werden zij netjes behandeld

en goed met arsenicumzeep ingesmeerd en op een tafel in de

zon te drogen gelegd, maar plotseling hoorden wij een knappend

geluid, teweeg gebracht door de honden, die zich van

onze vogels hadden meester gemaakt en nu bezig waren dit

vreemdsoortige maal op te eten. Wij dachten natuurlijk,

dat wij weldra eenige hondenlijken aan de zee hadden toe

te vertrouwen, maar tot onze groote vreugde ondervond geen

der dieren eenige nadeelige gevolgen. De resten van onze

met moeite geprepareerde vogels hebben wij echter wel over

boord moeten gooien.


De Geélvinkbaai. 239

Hoewel wij gehoopt hadden dien dag nog dicht bij de

waterscheiding te komen, die hier vlak langs de kust loopt,

kwam hier niets van en bleven wij bivakkeeren onder aan

den berg met den innigen wensch den volgenden dag de Zeemeeuw

te zullen bereiken. Ook de koelies begrepen, dat de

tocht spoedig ten einde zoude zijn en deden alle mogelijke

moeite om het beoogde doel te bereiken. Aan boord hadden

zij niets te doen en konden den geheelen dag uitrusten van

de vermoeiende tochten en nadenken over hetgeen hun nog

te wachten stond. Ik geloof niet, dat een van hen bij het in

dienst treden begrepen heeft, wat voor moeilijke tochten zij

hadden te maken.

Reeds vroeg waren allen den 28sten Februari in de weer

om alles in orde te brengen voor den aftocht. De weg was

zeer zwaar, meestal waren het steile, glibberige paden, waarlangs

men naar boven moest klauteren. De Troi werd eerst

nog achttienmaal doorwaad, zoodat wij ook dien dag geen

droge voeten hielden. De schoenen begonnen slecht te

O

worden; een van ons droeg een schoen, die des avonds

te dicht bij het vuur had gehangen, en geheel scheef geschroeid

was en voetwonden veroorzaakte; een ander had

zijne beide hakken verloren en gleed bij het afdalen telkens

uit. Een en ander maakte, dat wij hard begonnen te verlangen

naar het einde van den tocht.

Een algemeene kwaal,waaraan ieder leed, waren kleine

diertjes, door ons boschmijten genoemd. Dit zijn zeer kleine

acariden, die bij nauwkeurige beschouwing nauwelijks waarneembaar

zijn. Zij schijnen te leven op grashalmen en op

de bladeren van de lagere struiken. Deze hechten zich aan

de kleederen vast en dringen meestal boven de schoenen


240

De Geelvinkbaai.

tot de huid door. Wat zij daar verder uitvoeren zal het

onderzoek moeten uitmaken, maar. zeker is het, dat zij een

ondragelijke jeuk veroorzaakten. Het stuk krabben der huid

heeft dan natuurlijk plaats en door de modder, die men

steeds moet doorwaden, ontstaan er ontstekingen, die de

aangetaste persoon minder geschikt maakt voor een volgenden

tocht.

Na het verlaten van de Troi begonnen wij den bergrug

te beklimmen, wat met zeer veel moeite gepaard ging. Maar

eindelijk waren wij op het hoogste punt van den ± 640 M.

hoogen berg Siëp. Ieder had zich gehaast den top te bereiken

om vandaar uit de zee en voornamelijk de Zeemeeuw

te kunnen zien. Maar te vergeefs, want alles was zwaar begroeid

en wij moesten om den berg heendraaien om een

open plek te bereiken, van waar wij het gewenschte uitzicht

hadden. Een geweerschot werd gelost, dat door onze

vrienden van de Zeemeeuw beantwoord werd. Onmiddellijk

gingen wij weer op weg en de zware nederdaling begon.

Halverwege den berg ontmoetten wij een aantal Papoesche

dragers met etenskistjes en zakken met rijst. Deze waren

ons toegezonden door den heer VAN OOSTERZEE, die zich beangst

begon te maken over ons lang uitblijven en die bericht

had gekregen van den hoogen waterstand van de

Papoea's, die wij hadden ontmoet aan de Sinái. Denkende,

dat wij te weinig levensmiddelen hadden medegenomen,

was hij zoo vriendelijk geweest ons eetwaren tegemoet te

zenden. Wij deden ons te goed aan eenige lekkernijen, die

wij gedurende den tocht hadden moeten missen en gingen

weder spoedig op weg om maar zoo gauw mogelijk de Zeemeeuw

te bereiken. Alhoewel zeer klein, konden wij toch


De Geelvinkbaai. 241

zeer goed twee schepen op de zee onderscheiden, dit moesten

de Zeemeeuw en de Bensbach zijn. Wij liepen vervolgens

over den heuvelrug, die van uit de baai goed kenbaar was

door de roode kleur. De heuvelrug was bedekt met laag

struikgewas en vele Nepenthes bloemen.

De beide schepen werden al grooter en grooter en wij

meenden spoedig de Zeemeeuw te zullen bereiken, maar er

wachtten ons nog onaangename oogenblikken. Aan den voet

van den heuvel hadden wij nog een klein riviertje te doorwaden

en wij hoopten daarna het bosch aan het strand door

te kunnen wandelen. Maar het bosch bleek te bestaan uit

rhizophoren, die voor het grootste gedeelte onder water

stonden. Deze boomen hebben zeer eigenaardig gevormde

wortels met punten, waarvan een klein gedeelte boven de

modder uitsteekt. Al strompelende en struikelende gingen

wij door het bosch, telkens misstappende en tot over de

knieën in een zwarte papperige massa zakkende, die een

ondragelijken stank verspreidde. De parapluie van Professor,

die hem altijd tot steun had gediend, zag ik plotseling tot

aan den knop in de modder verdwijnen; zij moest met de

meest mogelijke omzichtigheid er uit getrokken worden, daar

zij onder deze bewerking dreigde open te gaan.

Het scheen wel, of wij voor het laatst nog eens flink van

de modder moesten profiteeren om die vooral niet te vergeten.

Maar aan alles kwam een einde, want na een halfuur

tobben werd het bosch lichter, de bodem werd vaster en

we stonden ten slotte op-het witte strand, verwelkomd door

de heeren VAN OOSTERZEE en VAN WEEL. De meeste

van de koelies sprongen in zee om al de onreinheden van

de laatste dagen weg te spoelen en schenen te genieten


242 De Geelvinkbaai.

van het verkwikkende water. De heer VAN WEEL vertelde

ons, dat hij de vorige dagen eene opening had gevonden in

het rhizophorenbosch en dat hij ons in het bosch was

tegemoet gekomen, zoodat de laatste tocht door de vuile

modder door een misverstand overbodig was geweest. Lang

werd hier echter niet over geredeneerd, wij roeiden zoo

spoedig mogelijk naar boord. Daar begon een duchtige

reiniging, maar het duurde nog wel eenige dagen, voor dat

de laatste sporen van de algeheele vervuiling verdwenen

waren. Thans wachtte v. D. SANDE een drukke werkzaam-

heid; de meeste koelies kregen in meer of mindere mate

een aanval van malaria, terwijl onze door de boschmijten

verwonde beenen dagelijks verbonden moesten worden. Van

een grooten tocht was in de eerste dagen geen sprake; een

gedeelte der expeditieleden kon voorloopig geen schoenen dra-

gen, terwijl de koelies ook niet bruikbaar waren. Den eersten

tijd was elk druk bezig met het sorteeren van het verzamelde.

Den 2den Maart verlieten wij Sarí en stoomden door de

straat Amberpön met bestemming naar het eiland Mioswar.

Professor bracht een bezoek aan het eiland ter onderzoek

van het gesteente; de bevolking van de zich daar bevindende

nederzetting vluchtte op het gezicht der twee stoomschepen,

zoodat er geen aanraking met hen werd verkregen.

Tegen den middag kwamen wij ten anker voor Jende op

het eiland Rön gelegen. Aan het strand stonden twee nette

huizen, een was dat van den. zendeling; het andere een kerkje.

De huizen der inboorlingen zijn op palen in zee gebouwd.

V. D. SANDE en ik brachten een bezoek aan eenen daar

wonenden handelaar, die ons allervriendelijkst ontving en ons

onthaalde op heerlijk koele klappers.


De Geelvinkbaai. 243

Tot zijne huisgenooten behoorden een jonge casuaris en

een kleine schildpad, die het niet ontbrak aan goeden eetlust.

Hij zwom in een soort van tobbe rond en verslond gretig

de hem toegeworpen stukken visch.

Den 4den Maart vertrokken wij naar Bawé, dat gelegen is

aan het einde der baai van Umar. Het was een prachtige tocht,

dikwijls stoomden wij vlak langs dicht begroeide eilandjes. De

bewoners van de nederzettingen zagen wij naar de bosschen

vluchten, bevreesd, dat er eene afstraffing zou volgen; hier

en daar zagen wij de Nederlandsche driekleur wapperen.

Bawé bestaat slechts uit één huis, bevattende de toko van

de Nieuw-Guinea-Handelmaatschappij. Het strand levert een

uitstekende vangplaats van vlinders op, die komen azen op

het vuil door de zee aangespoeld. Des avonds zagen wij twee

struiken op den wal, die met vrij regelmatige tusschenpoozen

verlicht werden door een groot aantal lichtgevende kevers,

vooral het tegelijk licht geven der kevers is zeer opvallend.

Des morgens van den 6den Maart ankerden wij voor Wakóbi.

Het strand leverde wederom een goede vangplaats op voor

vlinders. Ik zag een groote boot met vrouwen van wal steken,

waar hun geheele huishouden op geladen scheen.

Des middags stoomden wij naar het noordelijk gelegen

Nápan. Een bezoek aan den wal met VAN DER SANDE had

tot resultaat, dat wij eenige foto's konden maken en ethnografica

machtig werden.

Volgens inlichtingen van den heer VAN OOSTERZEE moesten

er op het noordelijk gelegen eiland Anggar M ios steenkolenlagen

voorkomen. Den 7den des morgens vroeg naderden wij

het eiland en zagen reeds van verre een afstorting, pikzwart

van kleur, zoodat men meende hier te doen te hebben met


2.44:

De Geelvinkbaai.

steenkolen. Professor ging onmiddellijk naar den wal, maar

was vrij spoedig weder aan boord terug en bracht het treurige

bericht, dat het slechts kolenlei was.

Wij zetten daarna koers naar Wendèsi, dat wij tegen den

middag bereikten. Wij kregen aan boord een bezoek van

den aldaar wonenden zendeling, den heer J. A. VAN BALEN.

Wij beloofden hem, dat wij hem den volgenden dag een

bezoek zouden brengen; hij was zoo welwillend ons een

collectie dieren op spiritus en een groot aantal vlinders te

geven. Ik breng gaarne hier openlijk mijn dank aan den heer

VAN BALEN voor het ons geschonken zoölogisch materiaal,

alsmede voor de vriendelijke ontvangst, die wij te zijnen

huize hebben ondervonden. Ons plan om hem den volgenden

dag te bezoeken, konden wij niet ten uitvoer brengen, daar

de menschen, die waren uitgezonden om monsters te halen


De Geelvinkbaai. 245

van de zoogenaamde steenkolen, terugkeerden met stukken,

die volgens Professor, evenals op het eiland Anggar Mios,

uit kolenlei bestonden. Zeer vroeg in den morgen vertrokken

wïj naar Manokwari, na een brief te hebben achtergelaten

voor den heer VAN BALEN om onze verontschuldigingen aan

te bieden voor ons haastig vertrek.

Voor hem en zijne vrouw moet het wel een onaangenaam

oogenblik zijn geweest, toen zij den volgenden morgen de

Zeemeeuw en de Bensbach niet meer in de kleine baai zagen

liggen. Gelukkig deden wij later nogmaals Wendèsi aan en

hadden wij het genoegen met zijne vrouw kennis te maken

en de geheele inrichting aldaar te bezichtigen; maar hierover

later.

Den 9den Maart lagen wij wederom voor anker voor

Manokwari en werden alle preparatieven gemaakt voor onzen

tocht naar de Humboldtbaai.

De controleur de heer P. E. MOOLENBURGH, die ons was

toegevoegd tijdens ons verblijf aan de Humboldtbaai, kwam

met een zevental oppassers aan boord. Den 13den Maart

arriveerden wij op onze plaats van bestemming, zooals ik

reeds in mijn eerste hoofdstuk vermeldde.

Thans moet ik een grooten sprong maken naar den 21sten

Juli, toen wij op den terugweg van de Mápia-eilanden weder

te Doré ten anker kwamen. Wij hadden gaarne nog twee

tochten gemaakt: het beklimmen van het Arfakgebergte

en een tocht naar een meer, gelegen op ongeveer de

helft van de breedte van Nieuw-Guinea, ten zuiden van

de Geelvinkbaai om vandaar uit de Zuidkust te bereiken.

De tijd ontbrak ons echter en wij dienden dus eene keuze te

doen. De beklimming van het Arfakgebergte zou wellicht


246 De Geelvinkbaai.

zeer veel nieuwe opleveren, vooral op zoölogisch gebied. Hier

is ook het gebied van de merkwaardige Proechidna, maar

dit zou ons te veel tijd nemen, daar er een pad moest gehakt

worden naar den top, welk werk weken zou duren.

Wij besloten dus een tocht naar het meer te maken en

zoo mogelijk de Zuidkust te bereiken.

De dagen voor ons bezoek werden benut met het inpakken

en verzenden van het verzamelde materiaal. De „van Goens"

arriveerde den 23sten Juli en deze nam vele van onze met

moeite vergaarde schatten mee naar het vaderland. Toen dit

alles gereed was, gingen w ij eenige bezoeken afleggen op de

wal o. a. bij den heer VAN OOSTERZEE, op zijn hoog gelegen

villa, waarvan men een mooi uitzicht heeft over de baai en

het Arfakgebergte en bij den heer MOOLENBURGH, met wien

wij zooveel lief en leed hadden gedeeld. Hij was zoo vriendelijk

om verschillende clichés ter beschikking van de expeditie

te stellen, waarvan ik er dan ook verscheidene in mijn

boek heb kunnen opnemen. /

Verder bezochten wij den heer J. D. PASTEUR, die hier

een huis had opgericht, ongeveer op dezelfde plek, waar eens

WALLACE had gewoond. Hij had zich geheel gewijd aan

het verzamelen van zoölogica, voornamelijk op het gebied

van entomologie. Heiaas kregen wij later het bericht, dat hij

aan de Humboldtbaai, waarheen hij was vertrokken, overleden

was.

Op een van onze tochten langs het strand hadden wij het

genoegen de werking te zien van eene smidse met blaasbalg.

De Papoea's hier zijn vrij vaardig in het smeden, de daar

vervaardigde kapmessen staan goed bekend, onze Tobádiërs

kochten er enkele in ruil voor eenige schildpadden oor-


De Geelvinkbaai. 247

ringen. Deze ringen werden blijkbaar zeer begeerd door de bewoners

der Geelvinkbaai. Zooals uit onderstaande photo blijkt,

bestaat de blaasbalg in hoofdzaak uit twee groote bamboekokers,

waarin de daar achter zittende Papoea twee zuigers,

van vederen gemaakt, heen en weer beweegt. De lucht komt

dan door twee pijpen, verbonden met de twee bamboekokers,

in het vuur, dat hierdoor feller brandt. Behalve kapmessen

vervaardigen zij ook zilveren armbandjes en versieringen

uit rijksdaalders.

Het zou al te ondankbaar zijn, indien ik niet enkele

woorden wijdde aan den vriendelijken zendeling, den heer

J. Z. VAN HASSELT. Hij woont op een klein eilandje Mánas-


248 De Geelvinkbaai.

wari tegenover Manokwari en heeft daar behalve zijn eigen

aangenaam ingericht huis, waarop de' woorden „Welkom op

Mansinam" prijken, een kerkje, waarin tal van Noemfoorsche

opschriften langs de wanden hangen en eene kleine school

voor de Papoesche jeugd. Behalve dat wij van hem eenig

materiaal op spiritus ontvingen; kreeg ik nog een groot aantal

Ornithoptera poppen, die mij door de kinderen, die door

hem onderwezen werden, gebracht werden. DE BEAUFORT

en ik brachten een bezoek aan de school en daar werd ons

door een der kleinen met een prachtig gekleurde hansop aan,

op de kaart aangewezen, welke tochten wij hadden gemaakt.

Hij hield daarbij een verhaal in het Noemfoorsch, de in de Geelvinkbaai

algemeen geldende taal, verder werden er nationale

liederen in dezelfde taal gezongen, naar ik meen vertaald door

Mevr. VAN HASSELT. Onder de vlijtige leerlingen bevond

zich een jonge Papoea, die zeker pas was aangekomen, wan t

in tegenstelling met de anderen, bestond zijn kleeding slechts

uit een snoertje kralen om den hals.

Wij namen hartelijk afscheid van den krassen grijsaard,

die ons van de trappen van zijn huis wuivend vaarwel

zeide.

Des avonds werd de stilte verbroken door het plassen van

riemen, waarop wij een groot vaartuig zagen naderen. Wij

herkenden spoedig de leerlingen van den heer VAN HASSELT

met hunnen meester, eveneens een inboorling. Zij roeiden,

langzaam om het schip heen en zongen in hunne taal het

Wien Neerlandsch Bloed. Wat klonk dat eenvoudig en 'mooi

over het water.

Aan boord gekomen verrasten zij ons met een mand

heerlijke vruchten, o. a. prachtige pompelmoes en papaja en


De Gëelvinkbaai. 249

verder een mandje eieren. Ik behoef nauwelijks te zeggen,

dat een en ander met dankbaarheid werd aanvaard.

Toen alles in gereedheid was, gingen wij den 28 sten Juli

tegen vijf uur onder stoom met bestemming naar Wendèsi

en arriveerden aldaar den volgenden morgen vroeg. Gelukkig

konden wij thans het beloofde bezoek aan den heer

VAN BALEN brengen en hem tevens bedanken voor al het

Wendèsi..

materiaal, dat hij verzameld had en naar de Humboldtbaai

had gezonden. Zoodra het anker was gevallen, was de

heer VAN BALEN denkelijk vast besloten om ons ditmaal niet

7,00 spoedig te laten vertrekken. Waar de heer VAN HASSELT

in een zoogenaamde hervormde wereld huist, waar booten

van de Pakketvaart geregeld komen, daar woont de heer

VAN BALEN geheel afgezonderd en moet hij zijne brieven


250

De Geelvinkbaai.

zelf gaan halen te Jende op het eiland Ron. Gelukkig heeft

hij van een vermogend Nederlander een kleine motorboot

gekregen, zoodat hem dit werk zeer veel lichter is gemaakt.

Hij schijnt deze boot zeer goed te besturen, trouwens aan

handigheid ontbreekt het hem niet, daar hij zijn eigen huis

heeft gebouwd. Dit ligt boven op een heuvel en heeft een

mooi uitzicht over de baai van Wendèsi, waarin tal van kleine

eilandjes liggen. Mevrouw VAN BALEN was zoo vriendelijk

ons haar geheele huis te laten zien, verder de school en de

kamers, waar de kleine leergierige Papoeas in gehuisvest

waren. Alles zag er eenvoudig en zindelijk uit.

Uit inlichtingen vernam Professor, dat er in een rivier, de

Mamåpiri, ammonïeten waren gevonden; het besluit was dan

ook spoedig genomen, daarheen te zullen gaan. De gewone

onbeschrijfelijke wanorde heerschte er na dit besluit aan boord,

daar een ieder druk bezig was met het in orde brengen

van de mede te nemen bagage. Daar wij thans eenige

ondervinding hadden, liep alles vlug van stapel en waren

wij spoedig aan wal. Onze Tobádiers zouden tevens op

dezen tocht als proef worden medegenomen. Er heerschte

groote vreugde onder hen, toen zij het nieuws vernamen,

maar deze werd wel bekoeld, toen hun ook voorwerpen werden

gegeven om te dragen. Toch moet ik zeggen, dat zij dit

welgemoed en zonder morren deden; alleen een groote vierkante

blikken bus met alcohol, die ook zeer onhandig was

om te dragen, trachtten zij steeds aan elkaar op te dringen

en het einde was meestal, dat een van ons er bij moest

komen om een ongelukkige aan te wijzen, die het betrekkelijke

genot zou genieten om met dit voorwerp op zijn rug

langs de moeilijke paden voort te sukkelen.


Meisje in rouwgewaad te Wendèsi.


De Geelvinkbaai. 251

Op het strand zagen, wij een zonderling uitgedost meisje

in een lang kleed van boombast met een capuchon over het

hoofd. Het geheel was versierd met roode en gele lintjes.

De heer VAN BALEN vertelde ons, dat zij in rouwgewaad was.

Hij vertelde ook nog als bijzonderheid, dat indien een

Papoesche huisvader verheugd wordt met een tweeling, hij

als bezuinigingsmaatregel een der twee zuigelingen ter dood

brengt. Gelukkig maar, dat deze vermeerdering van familie

tot de zeldzaamheden behoort. Ditzelfde heeft ook plaats,

indien het pas geboren kind van een ander geslacht is, dan

hij zich gewenscht heeft.

De heer VAN BALEN begeleidde ons op onzen tocht, die

eerst stroomopwaarts langs de Magingarói liep, vervolgens

door het bosch, om na een klein uur loopens de bijna geheel

uitgedroogde Papararó te bereiken. Stukken en grootendeels

afgerolde ammonieten werden spoedig gevonden, wij bogen

daarna oostwaarts om naar de sterk stroomende Utuwái en

bereikten ten slotte, diens zijrivier de Mamåpiri, de plaats

van onze bestemming. Ook deze bedding is bijna geheel

uitgedroogd en lijkt in dit jaargetijde op een smal beekje.

Er moest naar een geschikte kampplaats uitgezien worden,

die wij spoedig in een droge bedding vonden. Men moet

echter voorzichtig zijn met het kampeeren in een droge

rivier, daar er 's nachts wel eens een hevige regenbui kan

opkomen, die minder aangename gevolgen- zou hebben.

Wij gingen zoo ver mogelijk de rivier op, die dikwijls versperd

was door groote rotsblokken en kleine watervallen. Wij verzamelden

zeer veel materiaal o. a. zeer groote ammonieten ter

grootte van een Leidsche kaas, die vóorloopig in hoopen aan

den oever werden nedergelegd om later door de Papoea's


252

De Geelvinkbaai.

naar boord gedragen te worden. Zij deden dit al dansende

en springende en schenen niet in het minst gehinderd te zijn

door zoo'n zware vracht. Voor ons was dit bijzonder aangenaam,

daar wij hierin het bewijs zagen, dat zij voortreffelijke

dragers op den volgenden tocht zouden zijn.

Bij het opnemen van de zware steenen maakten zij een

piepend geluid door de lippen stijf op elkaar ie drukken.

Terwijl wij aan het verzamelen van ammonieten waren,

hield DUMAS zich bezig met het visschen met toeba, dat

met succes bekroond werd.

Den volgenden morgen gingen wij eerst de rivier weer een

eind op en verzamelden, wat wij konden o. a. een groot

aantal zoetwatermollusken. Des middags keerden wij terug

naar de Zeemeeuw; het pad was niet moeilijk, maar dicht

bij de zee werden wij weder getracteerd op een rhizophorenbosch,

gelukkig niet zoo groot als dat bij Sarí.

Volgens inlichtingen had deze tocht zeer lang en bezwaarlijk

moeten zijn, maar het bleek een van de gemakkelijkste te zijn,

die wij tot nog toe gemaakt hadden. Wij brachten des middags

nog een bezoek aan de familie VAN BALEN om te bedanken

voor een groot aantal vruchten, die zij ons hadden

toegezonden.

Tegen den avond van den 31 sten Juli kwamen wij ten

anker voor Kwatisoré. Het is een kleine nederzetting van

eenige huizen met den eigenaardigen schildpadvorm. Ook hier

ontbreekt de onvermijdelijke Ternataansche jager, met name

HANAFI, niet, die bekend stond een zeer groote schuld bij

de Chineezen te Ternate te hebben. Hij werd met meer

eerbied behandeld dan ik tot . nu toe bij deze personen

gezien had; wellicht wegens de grootte van het bedrag,


De Geelvinkbaai. 253

dat hij schuldig was. De Singadji of hoofd van de karnpong en

de djoerabassa of tolk kwamen aan boord, waarna de gewone

langdurige onderhandelingen een aanvang namen. De verkregen

inlichtingen liepen nogal uiteen, maar het bleek toch,

dat er op een afstand van vier of vijf dagen een meer moest

zijn, genaamd het Jamürmeer. Dit zou een afwatering naar

de Zuidkust hebben; na veel overleggen werd er besloten,

dat wij een tocht naar het meer zouden maken, aldaar

Vaartuig met vrouwen van Kwatisoré.

booten trachten te krijgen en 200 naar de zuidkust te komen.

Hoe wij verder zouden handelen, zouden wij van de omstandigheden

laten afhangen; zooals uit het verdere verhaal

zal blijken, bleek de laatste overweging juist te zijn.

Wij gebruikten den volgenden dag om het pad, dat naar

het Jamürmeer leidt, te onderzoeken en verder ethnografica

in Kwatisoré te koopen. Zij, die naar het pad hadden gezocht,

brachten het bericht, dit te hebben gevonden en

tevens, dat er een goede ankerplaats in de nabijheid was,


254

De Geelvinkbaai.

zoodat een langdurig debarkeeren vermeden werd. Een en

ander lag in de nabijheid van Åbu. Thans moesten wij ons

nog voorzien van dragers, daar het bleek, dat wij die niet

in voldoende aantal hadden. Er werd een bode gezonden

naar een nederzetting om vandaar uit dragers te krijgen,

maar hij kwam onverrichter zake terug, meldende, dat het

dorp verlaten was. Hij keerde opmerkelijk vroeg terug, zoodat

wij van meening waren, dat hij niet naar die nederzetting

was geweest, maar rustig aan den wal bij een vuurtje

bataten en obi had zitten poffen onder het genot van de

hem gegeven tabak. Ook een goede gids ontbrak,

De heer VAN OOSTERZEE, die ons zou vergezellen, kwam

daarna aan boord; hij had een aantal dragers medegebracht

van het naburige Jaur en tevens zorg gedragen voor

gidsen. HANAFI verwaardigde zich ook om mede te gaan.

Er was bericht gekomen, dat het beruchte hoofd BRAI, in

vereeniging met de bewoners van het Jamurmeer, een groote

raaktocht naar het zuiden had gehouden, eenige personen

vermoord en slaven had gemaakt. Het was begrijpelijk,

dat de heer VAN OOSTERZEE ons dezen tocht ontraadde met

het oog op de vijandelijkheden, die hadden plaats gehad

Maar niets kon ons van ons plan afbrengen en het gevolg

was, dat de heer VAN OOSTERZEE met zijne oppassers ter

onzer bescherming medeging.

Wegens het klein aantal beschikbare dragers mocht dus

slechts het hoogst noodzakelijke mede en moesten wij een

zak met blikjes Californische vruchten tot onzen grooten spijt

achterlaten.

Eindelijk was alles gereed en vertrokken wij des morgens

vroeg van den 3 den Augustus. Het gebrek aan dragers werd


De Geelvinkbaai. 255

eenigszins vergoed, doordat zes matrozen van de Zeemeeuw

zich bereid verklaard hadden om den tocht mede te maken.

Een van hen, met name JUNUS, bleek reeds vroeger bij het

Jamürmeer geweest te zijn, maar zijn geheugen daaromtrent

liet hem wel eenigszins in den steek, hetgeen niet te verwonderen

is, daar hij daar geweest was om in de buurt

paradijsvogels te jagen en hem dus, behalve de speelboomen

dezer vogels, weinig anders interesseerde.

De weg was eerst modderig en moerassig, doordat zij door

een rhizophorenboscn liep; gelukkig was het eb en konden

wij dus over de wortels, die nu droog lagen, naar het hooger

gelegen land klauteren. Bij elkaar genomen bestond de geheele

trein uit een zeventig personen en had dus een respectabele

lengte.

Na een aantal riviertjes en beekjes te zijn overgetrokken,

ging het pad steil bergopwaarts. Na langdurig klimmen

bereikten wij den top en hadden uitzicht op de zee achter

ons. Voor ons lag het land van belofte; op den top van

den berg had men een bosch in brand gestoken, waarschijnlijk

om er een tuin aan te leggen. De kale stammen

en verschroeide bladeren deden ons een oogenblik denken

aan een Hollandsch herfstlandschap, maar de heerschende

warmte hielp ons spoedig uit den waan. Na de afdaling

kwamen wij in het vlakke land; het pad scheen nogal druk

beloopen te zijn, hier en daar zag men kleine hutten, waarin

de Papoea's overnachten, die op weg zijn naar de noordkust.

Ze waren hoogst eenvoudig en gedekt door Pandanusbladeren,

die voor een uitstekende afwatering zorgden. Door den vorm

der bladeren gelijkt de bedekking eenigszins op een, rond

gebogen dak van gegolfd, gegalvaniseerd ijzer.


256 De Geelvinkbaai.

Bij een klein beekje gekomen verklaarde de gids, dat wij

hier moesten overnachten, daar er verderop geen water meer

was. Dat wilde dus zooveel zeggen, dat, indien wij verder

trokken, de rijst niet gekookt kon worden. Wij waren zoo vrij

dit te betwijfelen, bekend als wij waren met het waterrijke

binnenland van Nieuw-Guinea.

Scherp ondervraagd bleek het, dat er verderop veel water

was en de verdere tocht heeft dan ook bewezen, dat

wij op elk moment van den dag de een of andere beek

hadden te doorwaden. Waar wij gebonden waren aan een

beperkt aantal levensmiddelen, was het dus van belang zoo

snel mogelijk voort te komen. Dat de gids meer op zijn

gemak gesteld was, begrijp ik echter ook zeer goed.

Wij maakten nog een flinke marsch, en sloegen daarna ons

kamp op bij een kristalhelder riviertje, de Krita.

Reeds om zeven uur waren wij den volgenden morgen op

weg en de talrijke te doorwaden riviertjes waren in vollen

tegenspraak met het verhaal van onzen gids.

Tegen acht uur bereikten wij de nederzetting Nagramádu,

die verlaten bleek te zijn. Het verhaal van den man, dien

wij hierheen hadden gezonden om dragers te krijgen kon

dus wel waar zijn. De raaktocht naar de zuidkust zal wel

in verband gestaan hebben met de verlatenheid van dit dorp.

Het bestond slechts uit eenige groote huizen, omgeven

door groote tuinen, waarin pisang, papajaboomen en suikerriet

groeiden. Verder groote struiken Spaansche peper, die bewezen,

dat hier ook Ternataansche jagers geweest waren.

Wij vervolgden onzen weg en belandden spoedig ia een

moeras, het bleek weldra, dat wij een verkeerden weg waren

ingeslagen en wij verloren ongeveer twee uur door deze


De Geelvinkbaai. 257

dwaling. Na lang zoeken vonden de Papoea's den goeden

weg, daarna werd er flink door gemarcheerd.

Dicht bij eene groote rivier, de Méré, vonden wij verscheidene

hutten van Papoea's, die op de jacht waren;

zij leefden daar onder leiding van den Ternataan SAIGOEN.

Het was een persoon met een zeer onaangenaam uiterlijk;

hij had een van zijne oogen verloren, wat zijn voorkomen

nog ongunstiger deed schijnen. Hij scheen aan de Zuidkust

te zijn geweest, wat een reden voor ons was om hem

onmiddellijk aan de expeditie te verbinden; trouwens het

verzoek om mede te gaan durfde hij door de aanwezigheid

van den heer VAN OOSTERZEE waarschijnlijk niet goed weigeren.

Wij kampeerden dien nacht aan de Wagáni, een mooie

schilderachtige rivier; Professor vond in de bedding eenige

fragmenten van ammonieten. Wij hadden daar groote last

van een klein soort bijen, die wel niet staken, maar zich

ïn grooten getale op het gezicht en de handen zetten. Zij

verspreidden een onaangename zoete lucht en waren kleverig,

zoodat zij verward raakten in de haren van hoofd en baard.

Met het ondergaan van de zon verdwenen echter deze kleine

kwelgeesten.

Den 5den Augustus waren wij vroeg op weg; na een uur

loopens kwam er plotseling stilstand in de voor mij loopende

koelies en zij schenen niet verder meer te willen gaan. Ik

ging mij overtuigen, wat hiervan de oorzaak was en zag een

vrij groote slang, die in een van de boomen, die langs het

pad stonden, gekronkeld naar beneden hing. Nadat het dier,

dat zooveel consternatie had teweeg gebracht met eernge geweerschoten

was afgemaakt en in het groote alcoholblik was

17


258 De Geelvinkbaai.

geborgen onder groot protest van den drager, konden wij onzen

weg weder vervolgen.

Deze was vrij eentonig en liep door het vochtige oerwoud.

Somtijds maakte het pad een grooten omweg langs een van

de woudreuzen, die om de een of andere reden was gevallen.

Des middags werden wij nog vergast op een flinke regenbui,

waartegen wij ons konden beschutten in eenige kleine hutten,

die langs het pad stonden.

Wij overnachtten in de half droge bedding van de rivier

de Bu Ama, alwaar vroeger eene nederzetting moet geweest

zijn van jagers, daar er eenige cultunrboomen in de nabijheid

groeiden. Het oerbosch zelf leverde weinig vruchten op

voor de consumptie en dit bepaalt zich tot nangka's, artocarpus

en jamboesa's.

Vooral de nangka's brachten somtijds eenige vlugheid in

de zoo langzame koelies. Op dezen tocht ging het echter

beter met hen, omdat de zwakken en ongeschlkten reeds waren

teruggezonden of achtergelaten.

SAIGOEN deelde ons mede, dat wij den volgenden dag aan

het Jamürmeer zouden komen. Daar dergelijke informaties

niet altijd te vertrouwen zijn, geloofden wij dan ook niet, dat

wij het verlangde meer zoo spoedig zouden bereiken.

Tot twaalf uur was den volgenden dag de weg vrij goed

begaanbaar; wij rustten een oogenblik uit in de droge bedding

van een rivier om krachten te verzamelen in de hoop dien

avond het Jamürmeer te zullen bereiken.

Wij betraden vervolgens een zeer drassig en modderig

terrein; sagoboomen, die in de modder welig tierden, groeiden

daar in grooten getale. Als bijzonderheid vermeld ik nog,

dat wij een reusachtige leguaan langs den stam van een boom


De Geelvinkbaai. 259

naar boven zagen kruipen; scherp afgeteekend tegen het helle

daglicht geleek hij wel een kleine Fafne. Eenige schoten uit

een mauserpistool deden hem naar beneden tuimelen; bij

nader onderzoek bleek hij te groot om in zijn geheel

mede te nemen, wij vergenoegden ons dus maar met den

kop. De Tobádiërs verdeelden het vleesch onder elkaar

en roosterden het des avonds bij het vuur. Het vel werd

eveneens netjes bewaard en gedroogd, om later over een

trom te spannen.

Hoe verder wij kwamen, des te meer last kregen wij van de

modder; op de diepe plekken waren er kleine boomstammetjes

over heen gelegd en hier moest met de grootste omzichtigheid

over heen gebalanceerd worden. Een der Tobádiërs zag ik

bij een misstap tot over zijn middel in de dikke bruine

modder wegzakken.

Op eens hoorden wij den gids luid roepen, hij scheen

menschen gezien of gehoord te hebben, anderen beweerden,

dat zij het geluid van sagokloppen gehoord hadden. Op

het geroep werd echter geen antwoord gegeven. Ten slotte

konden wij niet verder vanwege de modder, die hier en daar

doorsneden was door sloten, gevuld met geelachtig vuil water.

Er werd daarop halt gehouden te midden van deze modder,

ieder zocht een hoog plekje of een boomstam om daarop

uit te rusten. SAIGOEN, die hier goed bekend scheen te zijn,

begon daarna seinen te geven aan de bevolking, die op een

klein eilandje Angádi midden in het meer woont. Er werd

een groote brandstapel van nat hout gemaakt, die spoedig

een zware rookkolom naar boven wierp en gemakkelijk

door de bewoners van het meer kon gezien worden. Af en

toe werden er geweerschoten gelost.


260 De Geelvinkbaai.

Wij bleven tevergeefs wachten en dachten met angst, hoe

wij den nacht in dit drassige terrein zouden moeten doorbrengen.

Toen het laat begon te worden, besloten wij toch

hier te overnachten en voorloopig eenige tenten op te slaan,

voor het geval onze vrienden van het meer niet mochten komen.

Terwijl wij druk bezig waren met het opslaan der tenten,

kwam plotseling het bericht, dat de booten van het meer

waren aangekomen. Bij nader onderzoek was er slechts één

vrij groote boot, die ons allen en de bagage niet kon bevatten,

zoodat er besloten werd, dat VAN NOUHUYS, DE

BEAUFORT, DUMAS en ik achter zouden blijven en de heer

VAN OOSTERZEE met de overige leden der expeditie en

een gedeelte der koelies en oppassers naar de nederzetting

in het meer zouden gaan. Wij waren druk bezig met het in

orde brengen van de tenten en met het braden van een

kroonduif, toen het donker begon te worden, wat in de tropen

vrij plotseling geschiedt.

Maar met het invallen van de duisternis kwam er tegelijk

een heirleger van muskieten opzetten, waarvan wij het bestaan

over dag niet hadden kunnen vermoeden. Het werd

zoo erg, dat de klamboes gespannen werden en ieder, die

geen werkzaamheden buiten de tent had, trok zich terug in

zijn bed. Het eten werd door een van de jongens bediend,

maar deze maakte "de wonderlijkste bewegingen en grimassen,

tengevolge van de steken der muskieten. Onze borden werden

voorzichtig onder de gordijnen doorgeschoven om toch maar

vooral geene muskieten tegelijk mede binnen te krijgen.

Deze ellendige dieren weten altijd door een kleine opening

binnen te komen of wei zij kruipen onder het gordijn door,

wanneer het niet goed onder het bed is ingestopt. De koelies


De Geelvinkbaai. 261

en onze jongens wikkelden zich in hunne sarongs en hadden

zoodoende niet veel last van de steken, hoewel de muskieten

uitstekend door een strak gespannen witte pantalon weten

te steken.

Onze arme Tobádiërs hadden het echter veel moeilijker

met hunne luchtige kleeding; zij zaten rondom een groot

vuur en zwaaiden met stukken brandend hout om rook te

verwekken en daarmede de kwelgeesten te verdrijven. Een

van hen klom zelfs in eenen boom, maar ook dit hielp

niets, want hij werd overal vervolgd door de muskieten.

In Herodotus vond ik later eene beschrijving, die hier geheel

van toepassing is en die. ik voor de eigenaardigheid vermeld:

„Tegen de muggen, die overvloedig zijn, hebben zij dit

„verzonnen. Zij die boven de moerassen wonen, worden door

„torens geholpen, waarop zij klimmen om te slapen; want

„de muggen kunnen door de winden niet hoog vliegen.

„Doch die in de moerassen leven, hebben dit andere ver-

„zonnen in plaats van de torens. ledere man van hen heeft

„een net, waarmede hij des daags visschen vangt en des

„nachts gebruikt hij het op de volgende wijze: het bed,

„waarin hij rust, daarom heen hangt hij het net, en dan

„kruipt hij daaronder en slaapt. En de muggen, indien hij

„in een mantel gewikkeld slaapt of in een laken, bijten daar-

„door heen, doch door het net heen beproeven zij het niet

„één maal" ¹).

Men ziet, dat deze aanhaling geheel in overeenstemming

is met onze situatie; alleen de passage: „hij kruipt daar-

¹) Herodotns, Muzen; uit het Grieksch door CH. M. VAN DEVENTER. Boek.

II, Euterpe 95.


262 De Geelvinkbaai.

onder en slaapt" is niet waar, want de muskieteh weten

toch altijd in het net te komen en men slaapt dan „niet".

Het schijnt, dat deze dieren juist het moment afwachten

om te steken, als men in slaap valt en zoodoende iemand

weder doen wakker schrikken.

Het was mij onmogelijk om dien nacht te slapen en ik

begon met een kaars de muskieten in mijn klamboe te

vangen. Ik zag een aantal muskieten al dansende en gonzende

in mijn klamboe rondvliegen en stak uit wanhoop een

sigaar op om hen zoodoende te verdrijven. DE BEAUFORT,

die naast mij lag, zag ik spoedig mijn voorbeeld volgen en

wij wachtten al rookende en jacht makende op de ellendelingen

den morgen af. Alhoewel de muskieten met het zonlicht

verdwijnen, was dit in dit sombere bosch geenszins het

geval en het was vermakelijk om te zien, hoe wij ons aankleedden.

Al dansende en springende moesten sokken en

schoenen aangetrokken worden en men liep maar steeds

heen en weer om van de dieren bevrijd te raken. Met onze

Tobádiërs was het ook treurig gesteld; zij hadden evenmin

geslapen en dat nog wel, terwijl zij doodmoe waren van het

dragen van de zware vrachten. Ze zullen dien nacht wel eens

gedacht hebben aan hunne muskietenvrije huizen aan de

Humboldtbaai. Gelukkig kwamen tegen acht uur de booten om

ons af te halen en het behoeft nauwelijks vermeld te worden,

dat een ieder de handen uit de mouw stak — voor zoover zij

mouwen hadden — om de bagage in de booten te helpen laden,"

om dit ellendige oord zoo spoedig mogelijk te verlaten.

Allereerst volgden wij een nauwe sloot, die door het bosch

liep, om vervolgens te midden van riet en waterplanten te

komen, waar wij met moeite doorheen kwamen. Wij kregen


De Geelvinkbaai. 263

tevens een gezicht over het meer, dat moerassige oevers

heeft; daarachter verheft zich het bergland. In het midden

zijn twee steile eilandjes, waarvan slechts één bewoond is,

namelijk Angádi en dat het doel van onzen tocht was. De

Nederlaridsche vlag wapperde uit één der huizen.

Tijdens den overtocht zagen wij groote kluchten waterwild;

in een boom zaten witte reigers, verder zwommen er meerkoeten

en waterhoenders, die niet erg schuw waren. In de lucht zweefden

groote koppels eenden en aalscholvers. De overige leden

der expeditie troffen wij in een weinig rooskleurigen toestand

aan, daar ook zij dien nacht veel last van de muskieten hadden

gehad. Zij vertelden ons, dat zij den vorigen dag een moeilijken

overtocht hadden gehad door de vrij hooge golven,

die op het meer stonden. Een Papoea, die op den voorsteven

stond, had getracht met zijn haarkam de woede der

golven te bedaren, maar dit, volgens zijn zeggen anders zoo

onfeilbare middel, faalde thans. Zij waren echter zonder

waterschade op 'het eiland aangeland en hadden bezit genomen

van een groot huis, dat nog niet geheel voltooid

scheen. Het huis had den bekenden schildpad vorm, maar

alleen het middengedeelte en een rij kamers aan de rechterzijde

was voltooid. Een trap van dunne boomstammen,

die beter geschikt was voor een kippenhok, gaf toegang tot

het huis. Toen zij den vorigen dag het eiland betraden,

stak er een prauw met ongeveer twintig personen van wal,

die zeker bang waren, dat wij hier gekomen waren om een

onderzoek in te stellen naar den raaktocht, dien zij zoo pas

haar de zuidkust hadden ondernomen. Slechts een paar

Papoea's, waaronder het hoofd, bleven achter; op al onze

tochten hebben wij nooit menschen gezien, die een zoo


264 De Geelvinkbaai.

ongunstig voorkomen hadden als deze personen, trouwens

onderstaande foto spreekt genoeg voor zich zelf. Het is

jammer, dat deze foto niet in kleuren gedrukt is,

daar het hoofd van deze nederzetting, de derde persoon

van links, zich getooid had met een soort van roode fez en

verder een vuurrood jasje droeg. Aan zijne linkerzijde staat

zijne vrouw, die buitengewoon veel op een orang oetan

geleek. Eens zag ik haar aan den ingang van een kamer

staan met hare beide armen om een deurpost geslagen en

het was opvallend, hoe zij toen op het genoemde dier geleek.


De Geelvinkbaai. 265

De geheele nederzetting bestond uit twee huizen, die echter

groot genoeg waren om vele personen te bevatten. De huizen

waren - op palen gebouwd en zagen er zeer vuil en

onzindelijk uit; overal hingen wapens, speren, lansen en

pijlen in bamboekokers, bruin gerookt door de vuren, die

in de kamers gestookt werden. Wij troffen daar een wapen

aan, dat. den vorm heeft van een knots, bestaande uit een

korte steel door een koraalblok gestoken, dat een geducht

wapen vormt.

DUMAS vertelde ons, dat hij deze wapens tot nog toe

alleen aan de zuidkust had gezien; wellicht waren deze voorwerpen

in den strijd op de bevolking van de zuidkust veroverd.

Groote varkens liepen snuffelend onder de huizen door én

ook honden ontbraken niet.

De geheele vestiging zoude men gerust een sterke vesting

kunnen noemen, daar zij onbereikbaar is van bet binnenland,

indien de bewoners hunne medewerking weigeren te verleenen

door het verschaffen van booten.

Wij trachtten zooveel mogelijk inlichtingen te verkrijgen

omtrent den afstand naar de zuidkust en aangaande den

waterweg, die daarheen voert, maar er was weinig uit deze

menschen te krijgen, daar zij maar niet wilden gelooven,

dat wij hier gekomen waren om onderzoekingen te doen en

veeleer dachten zij, dat wij alle mogelijke inlichtingen wenschten

te verkrijgen omtrent den. onlangs plaats gehad hebbenden

raaktocht. .

Het bleek, dat. er bij dezen strooptocht twintig menschen

vermoord en acht slaven waren gemaakt. Een klein meisje,

dat vandaar was medegenomen, liep in het huis rond; zij

scheen zich hier volkomen gelukkig te gevoelen.


266 De Geelvinkbaai.

• De dag werd geheel doorgebracht met onderhandelen; het

eiland leverde voor ons niet veel op, toch werd er hier en

daar nogal wat verzameld.

Ten slotte kreeg men na lang vragen de zekerheid, dat

het drie dagen zoude vorderen om de rivier, die de afwatering

van het meer naar de zuidkust vormt, af te varen en, indien

de stroom niet te sterk was, kon deze weder in vijf dagen

opgevaren worden.

Ter besparing van levensmiddelen werden alle bedienden

en het grootste gedeelte der koelies teruggestuurd, terwijl

de Tobádiërs bij ons zouden blijven om dienst te doen als

roeiers. Wij kregen drie vaartuigen van de bewoners van

Angádi, twee voor de expeditieleden en één voor den heer

VAN OOSTERZEE.

Twee gidsen hadden beloofd ons te zullen vergezellen,

maar slechts één deed zijn belofte gestand; deze nam plaats

in de boot van den heer VAN OOSTERZEE.

Wij hadden onze booten bemand met onze Tobádiërs, die

met krachtigen slag ons vaartuig door het water deden

schieten. Zij schenen er een eer in te stellen de boot van

den heer VAN OOSTERZEE, die door de oppassers geroeid

werd, vooruit te blijven.

Wij staken het meer over en volgden daarna de afwatering,

ons door de gidsen aangewezen. Deze heet de Wa Údu en

later de Uráma, na het ontvangen van eenen zijtak van denzelfden

naam.

Het was een geducht waterland, bedekt met riet en waterplanten;

groote koppels watervogels vlogen bij onze nadering

op. Stroom was er aanvankelijk weinig, maar deze

werd gaandeweg sterker; er lagen gelukkig niet veel boom-


De Geelvinkbaai. 267

stammen in de rivier, die de booten gemakkelijk doen omslaan,

zoodra men er op stuit. Er werd echter door den

voorman in de boot duchtig uitgekeken, daar de boomen

veelal onder water liggen en men alleen door. de vreemd-

.soortige strooming kan zien, dat er een boom in de rivier

ligt. De oevers waren aan beide zijden laag en in den beginne

begroeid met groote bamboestoelen.

Allengs naderden wij het oerbosch, hooge boomen verhieven

zich langs de oevers van de rivier, afgewisseld door groote

modderbanken bedekt met hoog riet, waarop men de duidelijke

sporen waarnam van krokodillen.

De bekende boschgeluiden lieten zich weder hooren; een

buceros vloog over ons heen met zijn eigenaardig geluid;

dieper in het bosch hoorden wij het kakelende geluid van een

Megapodius. De laagvlakte werd af en toe doorsneden door

heuvelruggen van kalksteen. Tegen twaalf uur bereikten wij

het vereenigingspunt van de Wa Údu en de Uráma. Veel

afwisseling bood het vervolg van den tocht niet; de rivier

kronkelde vrij sterk in Zuidwestelijke richting. Tegen drie uur

werd er naar een goede kampplaats gezocht, die wij op een

open plek aan den linkeroever vonden.

Onze Papoea's drongen het bosch binnen om brandhout

en materiaal voor de tenten te verzamelen, zij kwamen echter

met den rug vol muskieten terug. Wij keken elkaar veelbeteekend

aan en DE BEAUFORT en ik dachten aan den nacht

in het moeras, rondom het meer doorgebracht.

De tenten werden zoo spoedig mogelijk opgeslagen, de

klamboes om de bedden gehangen om gewapend te zijn voor

het geval er weder zooveel muskieten mochten komen. Het

eten werd met een koortsachtige haast gereed gemaakt.


268 De Geelvinkbaai.

Toen de schemering inviel, kwam er een aantal muskieten

op, waarbij het aantal bij het moeras slechts kinderspel was.

Men zou haast kunnen spreken van wolken van deze dieren,

die onder het dak van onze tent waren gevlogen. Stootte men

tegen een der palen, waarop het dak rustte, dan hoorde

men een luid suizend en brommend geluid. Wij zaten vrij

veilig achter onze klamboes en vochten nu en dan tegen een

onbescheiden indringer. Met onze arme Tobádïërs was het

echter slechter gesteld ; zij zaten in rijen achter elkaar om de

muskieten op de ruggen van degenen, die voor hen zaten, dood

te kunnen slaan. Zij zwaaiden met brandende stukken hout

om rook te maken. Het geroep van „Aree, Aree" het zich

gedurig hooren en scheen een uitroep van pijn te zijn. Het

was ellendig voor ons om dit aan te hooren, maar wij konden

er toch niets aan doen, daar het ondoenlijk zou zijn

al deze menschen bij ons in de klamboes te nemen.

Er werd van achter de klamboes krijgsraad gehouden;

allerlei plannen werden er gevormd ; een gedeelte, waaronder

VAN NOUHUYS, zou terugkeeren en ons aan de zuidkust bij

de uitmonding van de Uráma trachten te vinden. Maar dit

plan bleek onuitvoerbaar, daar men op geen stukken na wist,

waar de Uráma aan de zuidkust uitmondde.

Het was ook niet mogelijk de Tobádïërs over dag te

laten roeien en 's nachts niet te laten slapen. Wat hadden

wij niet gegeven, indien wij eenige meters klamboegoed

hadden gehad. Een van de gidsen kwam bij ons en vroeg

medelijdend in zijn eigenaardig Maleisch „Njamok gïgi"? 1 )

Ons antwoord was verre van vriendelijk en om ons nog meer te

¹) Bijten de muskieten ook?


De Geelvinkbaai. 269

ontmoedigen zeide hij met een zoetsappig gezicht „Bissok

juga" ¹).

Allerlei mogelijke en onmogelijke plannen werden er geopperd,

maar geen een bleek uitvoerbaar te zijn, zoodat er

besloten werd terug te keeren, hoezeer ons dat ook onaangenaam

was. Om het lot der Tobádiërs eenigszins te verzachten

werd hun dit medegedeeld, maar ik geloof niet, dat

zij er veel besef van hadden, zoodanig hadden zij het te

kwaad met de muskieten. De nacht, die volgde, gaf niet veel

slaap, want steeds werd men gewekt door het geroep van

„Aree" der Tobádiërs en enkele indringers zorgden er voor,

dat wij niet konden slapen. Met vreugde werd het daglicht

begroet en met ongekenden spoed werd a!les weder in de

bootjes geladen; ontmoedigd keerden wij den rug toe aan

de zuidkust.

Maar thans begon een eigenaardige kwelling voor ons;

eenige der Papoea's hadden des nachts in de bootjes geroeid

om hunne plaaggeesten te ontvluchten; dit had echter

geen doel getroffen, maar wel hadden zij er voor gezorgd,

dat er nu een behoorlijk aantal muskieten in de booten

waren, die ons het zitten bijna onmogelijk maakten. Door

ieder in de booten werd nu druk jacht gemaakt op deze

beesten, die zich tegen het daglicht in allerlei donkere hoekjes

van de boot hadden verstopt en die er slechts uitkropen om

zich aan ons te goed te doen.

De Tobádiërs roeiden krachtig tegen den stroom op, ver-

heugd, dat zij op den terugweg waren. Wij zochten eerst een

muskietenvrije plek aan den oever op; daar werd aan de

¹) Morgen is dat precies hetzelfde.


270

De Geelvinkbaai.

Tobádiërs volop rijst gegeven en hun tijd gegeven om den

slaap van den vorigen nacht weder in te halen. Zij vervaardigden

van dunne boomstammen hoofdbankjes en weldra

waren zij allen in diepe rust.

Wij genoten van onze thee, het natuurschoon en de afwezigheid

van de muskieten. Hoe zal het op deze plaats

des nachts zijn ? Ook hier zal men wel geen oog dicht

kunnen doen. Verkwikt gingen wij weder op weg, met het

plan om den geheelen nacht desnoods door te laten roeien

en te kampeeren op Angádi.

De Tobadiërs roeiden voortreffelijk; vooral op plaatsen,

waar de vaart gevaarlijk was door de in het water liggende

boomstammen, waren zij in hun element en werkten zij als

één man onder bevel van den aanvoerder. De door hem

gegeven bevelen volgden zij prachtig op.

Wij kwamen op de rivier nog een vaartuig der inboorlingen

tegen, dat de rivier afzakte, beladen met vrouwen en

honden. Zij waren zeker gehard tegen de steken der muskieten

of wisten een plek, waar deze dieren niet voorkwamen.

Uit angst voor de muskieten werd er maar koud gedineerd

in de vaartuigen; ieder had een heilige vrees voor de begroeide

oevers.

Met het donker worden bestond echter de kans, dat wij

in de booten last zouden krijgen van deze dieren en een

ieder pakte zich in, om zoodoende beveiligd te zijn tegen de

steken. Gelukkig bleven wij hiervan gespaard; tegen den nacht

vlogen er caprimulgiden en vleermuizen over het water. Wij

werden nog verrast op een buitje regen, maar dit hield weldra

op en een prachtige maan bescheen deze grootsche natuur.

Tegen twaalf uur arriveerden wij op het eiland, met een


De Geelvinkbaai. 271

grooten voorsprong op de boot van den heer VAN OOSTERZEE.

Het scheen wel, of alle muskieten elkaar rendez-vous hadden

gegeven aan de oevers van Uráma, want dien nacht werd

onze slaap niet door deze ellendige dieren verstoord.

Ik meen ergens een aan ons gericht verwijt gelezen te hebben,

dat wij ons niet door de rnuskieten hadden moeten laten

terugdrijven, maar ik geloof, dat het de onmenschelijkste

wensch zoude zijn, indien men den schrijver van dit verwijt

een nacht zonder klamboe aan de oevers van de Uráma achter

liet en ik ben er van overtuigd, dat hij evenzoo gehandeld

zoude hebben als wij en de Tobádiërs, geen tweeden nacht

zoude hebben bloot gesteld aan dit heirleger van muskieten,

indien hij er zelf bij was geweest.

Er werd besloten nog eenige dagen aan het meer door te

brengen om de daar liggende nederzettingen te bezoeken.

Trouwens, levensmiddelen hadden wij in voldoende hoeveelheid

over en daar hing ons verblijf geheel van af.

Het hoofd van Angádi zag onze terugkomst met genoegen.

O O

daar hij nu niet meer bevreesd was voor een voor hem

onaangenaam onderzoek aan de zuidkust. Hij werd veel mededeelzamer

en gaf alle mogelijke inlichtingen omtrent den

tocht naar de zuidkust; het ging zelfs zoover, dat hij met

een potlood een teekening gaf van het meer en de uitwatering

daarvan. Dit zal wel het eerste product van een Papoea op

geographisch gebied geweest zijn. Door deze teekening en door

zijne verhalen kan men vrijwel aannemen, dat de Uráma niet,

zooals wij vroeger dachten, in de Etnabaai uitmondt, maar

meer oostelijker, bij het gebergte Pura of Buru.

Een gedeelte der levensmiddelen hadden wij m het huis

achtergelaten onder bewaking van Hanafi en eenïge koelies,


272 De Geelvinkbaai.

maar deze waren bij onze terugkomst niet aanwezig, daar

zij in de buurt op jacht waren gegaan ; gelukkig was alles nog in

orde aanwezig. Bij hun terugkomst zetten zij echter vreemde

gezichten, toen zij ons op het eiland aantroffen.

Den volgenden dag stapten wij tegen twaalf uur in een boot

en staken over naar een nederzetting, Goréda genaamd, die

op een steilen bergrug is gelegen. Den vorigen avond hadden

wij er nog een groot vuur gezien, maar thans was op enkele

Papoea's na het dorp geheel verlaten. Er moesten daar ook

twee Ternatanen wonen, die een werkzaam deel hadden genomen

aan den tocht naar de zuidkust, maar zij vonden het

blijkbaar voorzichtiger zich niet te vertoonen. Wij vonden in

de huizen enkele paradijsvogels en daaronder leege kruitbussen.

Ook muskïeten waren hier in voldoend aantal aanwezig,

een langdurig verblijf lokte ons dan ook niet aan.

DUMAS, die ons op dezen tocht vergezelde, meende, dat

er in de taal, die zij spraken, eene overeenkomst bestond

met die aan de zuidkust. Hij vroeg hun toen eenige algemeen

voorkomende woorden in de taal van de zuidkust en

het bleek dan ook, dat zij deze woorden zeer goed verstonden.

Waar er aan de noordkust zulk een verscheidenheid

van talen heerscht, die niets met elkaar te maken hebben,

daar vonden wij hier menschen, wier taal overeenkomst

scheen te hebben met die der zuidkust, alhoewel zij er verscheidene

dagreizen vandaan woonden.

Van uit deze hoog gelegen huizen had men een prachtig

uitzicht over het meer en het daar achter gelegen gebergte.

DE BEAUFORT en VAN NOUHUYS hadden zich gedurende

dezen tocht onledig gehouden met het visschen op het meer

en gelukkig met vrij goed succes.


De Geelvinkbaai. 273

Op het eiland werd, op aanwijzing van JUNUS, aan den

rand van het meer een zoute bron gevonden.

Den 11den Augustus maakten wij in drie bootjes een tocht

langs het meer; allereerst werd het dorp Gariáu bezocht,

slechts uit vier huizen bestaande en dat dicht bij den lagen

oever aan het meer stond. 'De bevolking had het raadzamer

gevonden naar veiliger plaatsen te trekken. Den

avond van onze komst werd er op Angádi voortdurend op

een trom geslagen om de bevolking in de buurt van onze

komst in kennis te stellen en hen voor ons te waarschuwen.

Het gevolg daarvan zal wel geweest zijn, dat wij al deze

huizen verlaten vonden. Uit een ethnografisch oogpunt was

dit natuurlijk zeer te betreuren. Gariáu is zeer vuil en een

groot aantal muskieten maakte het ons hier zoo lastig, dat wij

maar zoo spoedig mogelijk vertrokken na eenige varkensschedels

te hebben medegenomen, die hier op den grond

lagen.

Wij roeiden daarna naar den westelijken oever van het

meer en vonden daar de monding van de Wagáni, die wij

op weg naar het Jamürmeer waren overgetrokken. Het was

niet meer dan eene groote geul, die tusschen opgehoopte

modder en biezen doorliep en een dorado vormde voor de

watervogels, waarvan er eenige door DUMAS werden geschoten.

Des avonds vertoonde VAN NOUHUYS zijn kookkunst

door het gevogelte boven één houtvuur te braden.

De heerlijkste geuren verspreidden zich over het eiland, die

een ieder deden verlangen naar het gebraden wild, dat uit

eenige meerkoetjes en een paar taaie eendjes bestond. Toch

werd alles ten zeerste geapprecieerd.

Na de monding van de Wagáni bezochten wij het tweede

18


274 De Geelvinkbaai.

kleine eilandje, Awéri Pìáme genaamd, dat onbewoond was,

maar dicht bezet met bamboestruiken; de sierlijke bamboe

vormde een mooi geheel midden in het meer.

Daarna roeiden wij weer terug naar onze hoog gelegen

vesting en maakten een onderzoekingstocht op het kleine

eiland met het gelukkige gevolg, dat wij eenige klapperboomen

ontdekten. Onmiddellijk werd een van onze Tobádiërs geroepen,

die in een ommezien in den boom verdween en de

heerlijke vruchten naar beneden wierp.

Des nachts viel er weer veel regen; de muskieten schenen

geheel verdwenen te zijn.

Om 7 uur des morgens van den 12 den Augustus werd de

terugtocht weder ondernomen; de vaartuigjes waren zwaar

beladen en zeer wankelig, zoodat de grootste omzichtigheid

in acht genomen moest worden om geen water te scheppen.

Wij zaten dikwijls aan den grond en raakten verward in de

waterplanten, maar na veel tobben kwamen wij ten slotte

in de geel gekleurde sloot, die door het moeras loopt. Met

genoegen werd dit terrein achter ons gelaten, want wij zouden

niet gaarne daar weder een nacht willen doorbrengen.

Langs een anderen weg, niet minder modderig, werd de

reis te voet voortgezet; ieder was verheugd, dat hij deze

onherbergzame streek voor goed kon verlaten, hoewel het

ons ten zeerste speet niet dwars door Nieuw-Guinea te zijn

gekomen. De doorkruising van Nieuw-Guïnea op zijn smalst

vordert slechts zeven uur en werd indertijd ondernomen en

beschreven door den heer MOOLENBURGH ¹).

¹) Reis door het smalste gedeelte van Nederlandsch Nieuw-Guinea. Tijdschr.

Kon. Ned. Aardr. Genootsch. (2), XX, 1903, bh. 206-221.


De Geelvinkbaai. 275

De heer VAN OOSTERZEE had' het van de Zuidkust geo

roofde meisje onder zijne hoede medegenomen; het scheen

zich over niets te verwonderen; wij gaven het op een morgen

een stuk roggebrood met jam, ook dit liet zij zich goed

smaken. Dit kind heeft dus in werkelijkheid een tocht dwars

door Nieuw-Guinea gemaakt. Wij ontvingen later bericht dat

het per Zeemeeuw naar de Zuidkust aan hare ouders is

teruggegeven.

Wij kampeerden dien nacht in ons oud bivak aan de

Bu Áma.

De volgende dag kenmerkte zich door veel regen; het

geheele terrein was spoedig in een moeras herschapen en

bemoeilijkte zeer het loopen. Tengevolge van den regen

hadden wij veel last van bloedzuigers, die bij een van ons

zelfs van de lippen moest verwijderd worden; de meeste

brachten het gelukkig niet verder dan de schoenen, waar

zij wanhopige pogingen deden om door het leder heen te

komen. Met de koelies en de Papoea's was het echter erger

gesteld, telkens zag men hen met een mes of kapmes deze

lastige dieren van de beenen schrapen.

VAN NOUHUYS en ik liepen dien dag vooraan en waren

langzamerhand de anderen een heel eind vooruit gekomen;

door eene vergissing liepen wij de kampplaats aan de Wagáni

voorbij en waren bijna tot het huis van Saigoen gekomen.

Eene onnoodige wandeling van een paar uur was het loon

voor onze voortvarendheid.

Wij hielden echter nog tijd genoeg over om dien avond

met toeba te visschen ; onze vangst bevatte onder meer drie

Pleuronectidae.

Door den regen was de Wagáni aanmerkelijk gestegen en


276

De Geelvinkbaai.

stond de boomstam, die als brug moest dienen, den volgenden

morgen gedeeltelijk onder water; met veel omzichtigheid

kwam echter ieder behouden aan den overkant. De weg,

dien wij thans volgden, was in hoofdzaak dezelfde, als die op

den heenweg behalve, dat wij nu niet meer dwaalden in de

nabijheid van Nagramádu.

Bij het overtrekken van een vrij diepe, snel stroomende

rivier, had er nog een aardig voorval plaats met onze Tobádiërs.

De rivier werd het eerst overgestoken door VAN

NOUHUYS en mij en wij moesten elkaar flink vast houden

om niet door den stroom te worden medegesleurd. Een

groot gedeelte der Tobádiërs was met ons de rivier overgestoken;

zonder daarvoor het bevel te hebben gekregen,

hakte KRUÉ een klein boompje om en liet dit vasthouden

door een rij Papoea's, die in de rivier waren gaan staan.

Zij vormden aldus een stevige leuning, waaraan Professor

zich kon vasthouden bij het oversteken van de rivier. Mij

dunkt, dit was een aardig voorbeeld van oplettendheid.

De kampong Nagramádu bereikten wij ditmaal langs eenen

weg, die grootendeels over omgevallen boomen liep, hetgeen

veel van onze balanceerkunst vorderde. Voor de Papoea's

was dit als het ware een asphaltweg.

Het dorp was nu niet verlaten en wij kochten tijdens

de rust, die wij daar hielden, eenige Papajavruchten, die

helaas onrijp waren; maar deze vergoedden eenigszins het

gemis, dat wij hadden gevoeld door het achterlaten van de

vruchten in blik.

Onze oude kampplaats liepen wij ditmaal voorbij en bivakkeerden

bij het riviertje de Krita, waar eenige oude hutten

stonden, die bewoond waren door Papoea's, die op weg naar


De Geelvinkbaai. 277

de noordkust waren. Dit was de laatste nacht, die wij doorbrachten

in het oerbosch van Nieuw-Guinea en gelukkig

werd deze niet verstoord door bijzondere voorvallen.

Den volgenden dag, den 15den Augustus, was de steile

helling aan de kust spoedig bereikt en kondigden wij onze

nadering aan door eenige revolverschoten; spoedig daarop

ontmoetten wij eenige officieren van de Zeemeeuw, die op

jacht waren.

Aan boord gekomen begon weder de groote schoonmaak,

het uitpakken en het verzorgen van het materiaal. V. D. SANDE

kreeg weer tal van patiënten, die last hadden van malaria

en voetwonden. Een matroos, die ernstig ziek was geworden,

overleed dien nacht en werd den volgenden dag begraven

aan het strand. Gelukkig was dit het eenigste voorval van

dien aard, dat gedurende de reis plaats had.

Toen deze treurige plechtigheid was afgeloopen, gingen

de Zeemeeuw en de Bensbach onder stoom, maar het duurde

niet lang, of het bericht kwam, dat de Bensbach vast zat.

Gelukkig was zij weldra weder vlot. Op verzoek van den

heer VAN OOSTERZEE gingen wij eerst nog naar Kwatisoré,

opdat V. NOUHUYS een onderzoek kon instellen naar de

schade aan de Bensbach; gelukkig bleek deze niet zeer groot

te zijn. DE BEAUFORT en ik maakten van de gelegenheid

gebruik om een bezoek te brengen aan het huis van HANAFI,

waar een zoogenaamde dwergcasuaris zou moeten zijn. Het

kwam ons echter voor, dat wij hier te doen hadden met een

jeugdig exemplaar van de gewone soort.

Den volgenden morgen vroeg bereikten wij Manokwari,

waar ook H. M. S. Java ter reede geankerd lag. De commandant,

de Kapitein Luitenant ter zee H. J. T. MICHELHOFF,


278 De Geelvinkbaai.

was zoo vriendelijk om ons met een glas champagne welkom

te heeten en op onze behouden terugkomst te drinken.

Wij bleven nog een dag liggen om de post van de Java

mede te nemen en brachten nog een laatste bezoek aan Manokwari

om van onze vrienden aldaar afscheid te nemen.

Den 18den Augustus werd het anker gelicht om voor goed

Nieuw-Guinea te verlaten; nog lang was het trotsche Arfakgebergte

zichtbaar, maar langzaam verdween ook dit aan

den horizont.

Wij stoomden langs het nog onbekende gedeelte van de

noordkust om den volgenden morgen het eiland Snapan ¹)

(Duf) in zicht te krijgen, dat zijn naam ontleent aan zijne gelijkenis

op een geweer. Wij voeren daarna door straat Batanta

tusschen de eilanden Batanta en Salawattï en zagen thans voor

goed Nieuw-Guinea aan den gezichteinder verdwijnen.

In de volle Oceaan gekomen, hadden wij geen last van

de deining, die er gewoonlijk in dezen tijd van het jaar staat.

Bij het ontwaken op den 20 sten Augustus bevonden wij ons

in straat Patientie tusschen Batjan en Halmaheira. Deze straat

draagt haar naam met eere, want er schijnt geen einde aan

te komen. Tegen den middag genoten wij van het heerlijke

gezicht op de reeks kegelvormige vulkanen, die eenvoudig

van vorm maar grootsch boven den oceaan uitsteken. Het

zijn Makjan, kenbaar aan een groote scheur in den krater,

die wij nog door een foto vereeuwigden, Motir, Tidore,

Maitara en ten slotte Ternate.

Op den top van Maitare is een seininrichting geplaatst,

die de bewoners van Ternate in kennis stelt van de komst

¹) Verbastering van het woord snaphaan.


De Geelvinkbaai. 279

van een schip. Wij stoomden dicht langs Tidore en konden

van uit het schip de talrijke kampongs met moskeeën zien

en de net aangelegde tuinen. Onze Tobádiërs stonden stilzwijgend

geleund tegen de verschansing a! deze voor hen

nieuwe en wonderlijke zaken te aanschouwen. Geiten, die

zij zagen loopen, hielden zij voor honden of varkens.

Maitara.

Ten slotte kwam Ternate met de Prins Hendrikpier in zicht.

Er heerschte aan boord onder de matrozen een vreemdsoortige

zenuwachtigheid; de meesten van hen woonden te Ternate en

waren blij, dat zij hun huisgezin weder terug zouden zien.

Te half zes liet de Zeemeeuw hare beide ankers vallen

en behoorde de eigenlijke Nieuw-Guinea-expéditie tot het

verleden.


280 . De Geelvinkbaai.

Met een enkel woord wil ik in een volgend hoofdstuk

ons verblijf te Ternate en de daarop volgende kleinere tochten

schetsen.


HOOFDSTUK VIII.

Ternate.

an de eersten, die ons aan boord

kwamen verwelkomen noem ik

gaarne den militairen commandant

van Ternate, den 1sten luitenant

G. J. J. DE JONGH. Hij was

tevens zoo vriendelijk, ons een

leegstaande officierswoning in het fort Oranje aan te bieden.

Wel hadden wij dan onze eigen ménage te doen, maar dit

hadden wij toch reeds zoo lang gedaan en dit was verreweg

te prefereeren boven het eigenaardige leven in een Indisch

Hotel. Wij namen dan ook met graagte zijn aanbod aan.

Wij hernieuwden onze kennismaking met den heer R. DUY-

VETTER, die ons behulpzaam was geweest in het verschaffen

van bouwmaterialen voor ons huis te Metu Débi. Ook later

heeft hij steeds geijverd om ons in alles ter wille te zijn.

Onze Papoea's genoten van al het nieuwe, wat zij zagen,

een Chinees op een rijwiel, die langs het strand reed; een

wagen met paard waren voor hen allerwonderlijkste vertooningen.


282 Ternate.

Wij gaven hun niet veel tijd om zich hierover te verwonderen,

want zij werden onmiddellijk aan het werk gesteld om

al de bagage, die uit de Zeemeeuw werd geladen, naar ons

huis in het Fort te dragen. Het loopen op de geplaveide

straten en het dragen der kisten aan een stok beviel hun

maar matig en meestal moest er een van ons mede om hen

te vergezellen, ten einde het wegloopen te verhinderen.

De passar was ook al spoedig door hen verkend en indien

er een was weggeloopen, dan was hij daar steeds te vinden. Aan

boord en op onze tochten hadden zij zich steeds met rijst

moeten vergenoegen, maar hier vonden zij groote manden

met hun lievelingsgerecht, de sago. Ook de door hen begeerde

visschen waren hier te koop; er waren toch een aantal visschen,

waarvan zij verklaarden dat zij „oerèp" waren ofwel verboden,

maar waarom dat zoo was en welke visschen daartoe behoorden,

hebben wij niet goed kannen uitmaken.

Den 22sten Augustus kwam de lang verwachte boot van

de Pakketvaart, de van Riemsdijk, binnen; deze bracht het

bericht, dat ons verzoek, dat de Zeemeeuw ons naar Soerabaya

zou brengen, was toegestaan. Dit bespaarde ons

veel overpakken van bagage, daar alles in Soerabaya direct

in de Wilhelmina van de Maatschappij Nederland, die ons

naar Holland zoude brengen, kon overgeladen worden. De

overtollige levensmiddelen, ruilartikelen en thans overbodige

voorwerpen besloten wij door middel van de in Indië gebruikelijke

„vendutie" van de hand te doen.

Het huis, dat wij in het Fort betrokken, was zeer ruim,

het bevatte twee groote slaapkamers, een groote voorgalerij

met de nergens ontbrekende wipstoelen en verder een kleine

achtergalerij, waar wij aten. Achter de woning waren eenige


Ternate. 283

groote kamers, die ingericht werden voor onze jongens en

de Tobádiërs.

Onze Papoea's schenen het leven in Ternate zeer genoegelijk

te vinden, zij lieten het zich aan niets ontbreken

en van het oogenblik, dat wij ons huis betrokken, tot

dat wij het verlieten, was er steeds een Papoea bezig met

eten koken.

DE BEAUFORT en ik gingen dikwijls met onze Tobádiërs

wandelen, om hun allerlei merkwaardigheden te wijzen; de

grootste attractie was de eerste dagen, wanneer de vrouw

van den officier van gezondheid 1 e klasse SlEBURGH in

haar wagen uitrijden ging. Allereerst een Enropeesch aangeldeede

vrouw, vervolgens een paard en dit nog wel aangespannen

voor een wagen, was dan ook voor hen iets

buitengewoons. Toen wij met hen op een morgen bij een

paard stonden, vroegen wij hun, wat voor een dier dat nu

eigenlijk was. Hun eerste antwoord was hond of varken,

dit toch zijn de eenigste bij hen levende viervoeters. Na

lang nadenken kwamen zij tot de overtuiging, dat het een

rund was, tenminste zij zeiden het woord „sapi". Maar

toen hun op de hoeven van het dier was gewezen, zeiden

zij in hun eigenaardig maleisch „sapï sama sepatoe" of wel

een rund met schoenen.

Wij waren pas enkele dagen op Ternate, toen hun kassier,

de heer DUMAS, reeds werd aangesproken ; zij vroegen

ieder een rijksdaalder. Toen hun dit gegeven was, zagen

wij een oogenblik daarna een lange rij van veertien Papoea's

aankomen, ieder met een groote Singapore-kist op den

rug. Alhoewel geen van hen iets had om er in op te bergen,

vonden zij het toch noodzakelijk om zoo'n voorwerp


284 Ternate.

rijk te zijn. Hun grootste genoegen was echter het open en

dicht sluiten van deze kisten, want deze sloten hebben een

eigenaardige mechaniek, waardoor tegelijk met het omdraaien

van den sleutel een belletje klinkt. Zij wisten echter

spoedig hunne kisten te vullen en gingen daarbij op de

volgende wijze te werk. Zoodra de stoomfluit weerklonk van

Atta. Djouw. Pitjar. Trowar. Ondi. Krué. Onsa.

Onsa. Kamërái. Chebon. Jen. Jacho. Sídi. Matráu.

een aankomende boot, spoedden zij zich naar den aanlegsteiger

met boog en pijlen en slechts gekleed in de hoogst noodige

kleeding, die vereischt was in Ternate. Door ruilhandel en

door op hunne ongekleedheid te wijzen, wisten zij dan ook

allerlei kleedingstukken machtig te worden. Het was een

hoogst komische vertooning hen zoo te zien thuis komen,

de een met een wit jasje zonder knoopen, de ander met


Ternate. 285

een oude pet of strooien hoed; kortom allerlei voorwerpen,

die niet meer gedragen konden worden, maar die voor

hen zeer veel waard waren. Onmiddellijk werd alles in de

Singapore-kist gestopt, het slot met het belletje omgedraaid

en op een draf ging het weder naar het schip om

eene tweede uitrusting machtig te worden. De sleutel van

hun heiligdom werd, hunne gewoonte getrouw, om den

hals gedragen, zooals ook bij enkelen op nevensstaande foto

te zien is.

Toen zij geen geld meer op voorschot konden leenen op

hun traktement, wisten zij hier ook uitstekend raad op, want

zij verhuurden zich eenvoudig aan eenen Chinees om een

wagen te trekken of ander licht werk te verrichten, alsof

zij niets met ons te maken hadden.

Onze koelies, die hier werden afgedankt en met de eerstvolgende

boot zouden vertrekken, schenen te denken, dat

er aan het zuur verdiende geld geen opmaken was; wij

kwamen hen tegen in allerlei licht gekleurde jasjes met

horloge en ketting; een van hen liep zeer coquet met een

rose zakdoekje met bloemen geborduurd. Veel van hun loon

zal dan ook wel niet in hun huishouden terecht zijn gekomen.

Voor ons was het een vreemde gewaarwording, toen wij

onze koffers weder terugkregen, die hier achtergelaten waren

onder de hoede van Mevrouw V. NOUHUYS. Het had

veel van een St. Nicolaas-vertooning, toen allerlei in het

oerbosch overbodige luxe-voorwerpen uit de koffers te voorschijn

kwamen.

Wij hadden nog een aardige ontmoeting met den jongen,

die Sir ALFRED RUSSEL WALLACE op zijne bekende tochten

in Nederlandsch-Indië overal had vergezeld, thans was het


286 Ternate.

een zeer oude, schrale man met een wit baardje, die zich

aldus voorstelde: „Saja ALI WALLACE".

Ook onze jagers RASSÏP en MARINGI ontmoetten wij weder

en wij beloofden hun een bezoek te zullen brengen.

Des nachts, ongeveer twaalf uur op den 25sten Augustus,

ondernamen wij een voorgenomen tocht haar de piek van

Ternate. Als proviand zouden wij voor het gemak brood

medenemen en ik had onzen kok ASSANG gezegd, dat hij

vijf extra brooden moest koopen, maar hij had ook met het

oog op dezen tocht eenige brooden van de vorige dagen bewaard

en mij hiervan op typisch Maleische manier, om mij

niet te willen tegenspreken, niets gezegd. Eenige families,

die van onzen tocht gehoord hadden en ons een dienst wilden

bewijzen, zonden ons ook brooden, zoodat er dan ook ten

slotte zeventien brooden aanwezig waren. Een groot gedeelte

van deze vriendschapsbewijzen moest aan den voet

van den berg blijven. Wij werden op onzen tocht vergezeld

door een Europeesch sergeant met name VAN SEETERS en

twee inlandsche fuseliers, voorzien van groote fakkels, om ons

bij te lichten op het eerste gedeelte van den tocht. Overdag

zou deze tocht te vermoeiend zijn wegens de groote hitte,

terwijl wij nu tegen een uur of negen den top hoopten te

bereiken. De weg liep eerst over zacht glooiend terrein en

was zeer goed begaanbaar, maar allengs werd deze steiler

en steiler. Over groote gedeelten liep men in een soort van

goot. Door den regen van den vorigen dag was de weg zeer

glad en hoorde men af en toe een persoon met een doffen

slag uitglijden en vallen; een gedeelte was zoo steil, dat men

zich aan het langs den weg staande gras naar boven moet

trekken. Om eenigszins op adem te komen, wordt er halt


Ternate. 287

gehouden op een soort van plateau, waar nog water te

verkrijgen was; eerst vlak bij den top was er weder een bron.

De hier aanwezige bron was nogal eenvoudig, zij bestond

uit een holle bamboe, die tegen een pinangstam was gezet

en waarin het van den stam afdruipende water liep. Buitengewó'on

smakelijk was het dan ook niet. Na eene korte rust

ging het weder berg op, de helling was op vele plaatsen 30°,

zoodat er zeer langzaam werd geloopen; om het half uur werd

er gewoonlijk een kleine rust gehouden; op deze wijze kwam

men het snelst vooruit. Van de omringende natuur was door de

duisternis weinig te zien, de temperatuur was gelukkig vrij

laag, het water in de veldflesschen werd koud.

Na bij een hutje gerust te hebben, moesten wij door een

veld, met hoog riet

begroeid, heen kruipen. De Ternatanen

noemen dit riet glagah. (Saccharum spontaneum). Dit is ook

het materiaal, waarvan de Papoea's hunne pijlen vervaardigen.

Alhoewel er een weg door heen was gekapt, was toch de

weg zwaar, door het natte doode riet, dat er over heen was

gevallen. Uitglijden en vallen was hier schering en inslag.

Een gedeelte van onze Papoea's vergezelden ons op dezen

tocht, veel animo bestond er echter bij hen niet; zij zaten

geloof ik liever bij het altijd te vuur staande potje in het fort.

Tot nog toe liep de weg recht den berg op, maar na het

passeeren van het glagahveld, gingen wij door een kleine

kloof, waarin zich eene ijskoude bron bevond, op een anderen

kam van den berg over. Het begon langzamerhand

licht te worden; gelukkig, want het beklimmen van den

berg in halve duisternis met een flikkerende flambouw is

verre van aangenaam.

Wij daalden daarna in een kloof af en moesten den tegen-


288

Ternate.

overgestelden stellen wand weder opklauteren; dit was een

van de moeilijkste gedeelten van de beklimming, maar tevens

een van de mooiste, daar hier een rijke verscheidenheid van

prachtige varens groeide. Het fijne groen kwam mooi uit

tegen den donkerbruinen stam, terwijl een sierlijke krul de

komst van een nieuw blad aanduidde. De atmosfeer was

hier uitstekend voor deze boomen; er heerschte een groote

warmte en de boomen waren zoo vochtig, dat bij het aanvatten

van den stam het water langs de vingers druppelde.

Na het passeeren van deze moeilijke kloof werd er halt

gehouden en een vuur aangemaakt om koffie te koken, en

hier werd ons eerste ontbijt gebruikt.

De twee inlandsche soldaten., die thans hun plicht hadden

vervuld, daar het helder dag was geworden, bleven hier achter,

daar zij den tocht niet interessant genoeg vonden om zich

nog verder te vermoeien. De sergeant bleef ons tot het laatst

toe getrouw.

De weg werd verderop minder begaanbaar, totdat wij ten

slotte weder een glagahveld bereikten, waarin een soort van

tunnel was gehakt, aan het einde waarvan men den top van

den berg en den krater zoude moeten zien, maar helaas verhinderden

wolken, die om den top hingen, het uitzicht. Na

het passeeren van het glagahveld kwamen wij op een meer

open terrein, dat afwisselend op en neer ging. Het was bezaaid

met groote blokken van eruptief gesteente met een zeer

arme vegetatie. Van de fauna hebben wij zeer weinig gezien,

enkele vlinders en eenige vogels; van insecten was weinig

te bespeuren.

Wij klommen daarna langs twee oude kraterranden, soms

met zeer steile wanden. De sergeant vermaakte zich met een


Ternate. . 289

gevaarlijk spelletje door groote steenen langs de helling

naar beneden te laten glijden; dit werkte zeer aanstekelijk

op onze Papoea's; het slotstuk was, dat een groote steen

van ± 1 M 3 , met donderend geraas naar beneden viel. Ge-

lukkig viel deze spoedig in stukken en werden de kleine stukken

door de boomen op de helling verhinderd verder te vallen.

De wolken trokken langzaam op en een mooi vergezicht

breidde zich voor ons uit: voor ons over de zee het bijna

alleen uit een vulkaan bestaande Hiri en den vulkaan Loloda

op Halmaheira; Maitara en Tidore waren door de nevels

niet zichtbaar. Heel diep onder ons lag Ternate en nauwelijks

konden wij het fort Oranje en de Zeemeeuw onderscheiden.

Helaas duurde dit schouwspel niet lang, want opkomende

wolken hulden alles weder in duisternis.

Ten slotte bereikten wij over den laatsten top den eigen-

lijken krater; zware zwaveldampen stegen uit den krater op,

die door den wind naar ons toe werden gewaaid.

Onze Papoea's waren stom verbaasd en begrepen er niets

van, zij namen eenige nog warme steenen mede, om die te

kunnen vertoonen in Tobádi. Natuurlijk was hun antwoord

„oerèp", toen wij hun vroegen, wat zij van den krater dachten.

Dicht bij den krater stonden kleine hoopjes steenen met

bladeren en pisang en andere vruchten, die daar door de

Ternatanen waren gebracht bij wijze van offer.

Nadat achterstaande foto op den top was gemaakt en

Professor voldoende materiaal had verzameld, werd de terug-

tocht ondernomen. Tegen half twaalf bereikten wij de plek,

waar wij de inlandsche soldaten hadden achtergelaten; deze

hadden een groot vuur aangelegd om zich te verwarmen.

Hier gebruikten wij ons tweede ontbijt.

19


290 Ternate.

De kloof, die wij weder moesten overtrekken, was van

deze zijde veel bezwaarlijker; wij bereikten meer kruipende

dan loopende ongedeerd de overzijde.

De afdaling viel niet- mede, zij was zeer lang en vermoeiend,

maar thans konden wij tenminste de omgeving

zien; groote bamboestoelen, zoo dik als ik ze nog nergens

gezien had, stonden in groote getale langs den weg.

De eerste huisjes werden weldra bereikt, bewoond door

menschen, die zich bezig houden met het bereiden van

sagueer. Wij passeerden nog een mooien grooten pompelmoesboom

met rijpe vruchten, die overal op den grond verspreid

lagen. De beste waren spoedig verzameld en opgegeten.


Ternate. 291

Langzamerhand werd de streek meer bewoond en kwamen

wij langs tuinen, beplant met ananas, waarvan de goudgele

vruchten ons deden watertanden, gladdi (caladium) en suikerriet.

Verder vele arengpalmen, klapper-, pinang- en papajaboomen,

en een enkele notemuskaatboom. Zwaar vermoeid

kwamen wij tegen half vijf in het fort aan; het behoeft

geen betoog, dat allen dien avond vroeg naar bed gingen,

om den 'volgenden morgen stijf en met pijn in de beenen

op te staan.

De vendutie van de voor ons verder overbodige voorwerpen,

had met krachtige medewerking van den heer

DUYVETTER plaats en bracht een vrij aanzienlijke som op:

de Chineezen schenen het vooral voorzien te hebben op

onze menu-kistjes, die grif van de hand gingen.

Met DUMAS bracht ik een bezoek aan de vanille-plantage

van den heer OLENDORF, die gelegen is aan de oostelijke

helling van den piek, op een klein uur loopens van Ternate.

De weg liep door vrijwel verwaarloosde notemuskaattuinen,

door ziekte aangetaste cacaoplanten, zichtbaar aan de zwart

gekleurde vruchten en hier en daar peperboomen, die als

klimop langs den stam van een boom naar boven kruipen.

De muskaatboom (Myristica fragrans), die hier palla heet,

is zeker een van de mooiste vruchtboomen, die ik ken. De

boom doet veel denken aan een kleinen perzikboom op stam,

terwijl de gesloten vruchten gelijken op onrijpe abrikozen.

Wanneer de vruchten rijp zijn, springen deze overlangs open

en men ziet dan de bruine pit omgeven door de donkerrood

gekleurde foelie. Het is een heerlijk gezicht een boompje

te zien, beladen met deze open gesprongen vruchten. De

oogst geschiedt, evenals bij ons bij de moerbeien, een zakje


292 Ternate.

aan een stok gebonden houdt men onder de rijpe vrucht,

die daar clan invalt. Dagelijks worden de boomen nagekeken

en de rijpe vruchten geoogst; de afgevallen vrucht is niet

zoo goed, daar de foelie dan meestal licht gekneusd is en

veel van hare aromatische sappen verloren heeft. De muskaatnoten

worden daarna met kalk en zeewater behandeld,

terwijl de foelie in de zon gedroogd wordt ¹).

Wij bereikten weldra de plantage van den heer OLENDORF,

-die zich in hoofdzaak bezig houdt met de cultuur van notemuskaat

en als bijzaak vanille teelt. Helaas kwamen wij niet

in den bloeitijd van de vanille en wij zagen de groene

vruchten, die veel op snijboonen gelijken aan lange hagen

hangen, waar deze plant langs klimt en die tevens als schaduwboom

dienst doet. De vanille (vanilla planifolia) behoort tot

de familie der orchideeën; het eigenaardige van deze cultuur

is, dat de bevruchting kunstmatig moet geschieden. Overgebracht

van Brazilië, schijnt het insect niet aanwezig te zijn,

dat voor de bevruchting zorg draagt, zoodat men zijn toevlucht

tot kunstmatige middelen heeft moeten nemen. Dit

proces had ik gaarne bijgewoond, maar wij waren daarvoor

niet in het goede Jaargetijde.

De bevruchting geschiedt hier door middel van een eenvoudig

bamboehoutje. De vrucht is na ongeveer zes weken

rijp en heeft een lengte van ±. 25 cM. Nadat de vruchten

geplukt zijn, worden zij naar gelang der grootte gedurende

10 à 25 seconden in kokend water gedoopt, om de schadelijke

organismen te dooden. Vanaf dat oogenblik komen

¹) Zes pikol (1 pikol is 62 K.G.) muskaatnoten geven 1 pikol foelie ter

waarde van ± f l80.


Ternate. . 293

zij onder vrouwelijke behandeling; de leiding daarvan berustte

bij Mevrouw OLENDORF. Na de onderdompelingworden

zij in groot e platte manden in de zon gedroogd;

de kleur verandert in twee dagen van groen in zwart.

Vervolgens worden zij in flanellen lappen gelegd, totdat zij

geheel droog zijn; daarna heeft de sorteering plaats, naar

gelang der grootte in pakjes van een half pond. Gedurende

het drogingsproces heeft men het meest te kampen met

schimmelwoekeringen, die zeer schadelijk zijn voor de geur.

De vanille moet dagelijks nagegaan, afgeveegd en verlegd

worden. Vanaf het plukken tot de verzending, verloopt een

tijd van drie en een halve maand.

De cultuur, die hier op zeer bescheiden schaal geschiedde,

leverde voldoende resultaten op, hoewel het product in

geur niet kan concurreeren met de bekende Bourbon-vanille.

De droging geschiedt daar ook kunstmatig met ovens en is

O O O

dit proces dus veel gelijkmatiger, daar men de regeling van

de temperatuur geheel in de hand heeft.

Voor de uitbreiding van de cultuur gebruikt men stekken,

uitzaaien zou te veel tijd nemen. Vereischt de vanillecultuur

zeer veel arbeid, die van de muskaatnoot is zeer eenvoudig;

de boomen behoeven zelfs niet gesnoeid te worden.

De heer OLENDORF was nog zoo vriendelijk mij een hoe-.

veelheid versche muskaatnoten, foelie en kruidnagelen te

geven, die een bijzonder heerlijke aroma verspreidden.

Hoogst dankbaar voor al het interessante, dat wij gezien

hadden, daalden wij weder af naar Ternate.

Den 29sten Augustus bekeken wij des morgens de bij ons

huis liggende kazerne, alles zag er netjes uit en in de slaapvertrekken

der inlandsche soldaten was het zeer goed merk-


294

Ternate.

baar, dat alles in orde gehouden werd door hunne vrouwen.

Het scheen een soort van trots voor hen te zijn om zooveel

mogelijk lange ronde kussens aan het hoofdeneinde te

hebben. De zijkanten van de kussens waren dikwijls voorzien

van goud borduursel en andere dergelijke versierselen.

Wij werden op onzen tocht vergezeld door de Tobádiërs,

die alles prachtig vonden en met bewondering stonden te

luisteren naar het roffelen en eenige fanfares, die ter hun-

Paleis van den Sultan van Ternate.

ner eere geblazen werden. Een van hen kreeg een oude

kapotjas cadeau, die echter onmiddellijk in zijn Singaporekist

verdween. Een andere Tobádiër kreeg van Mevr. DE JONG

een oude blouse; op algemeen verzoek bleef hij er trotsch

den geheelen dag mede rond loopen.

Des middags gingen wij allen naar de Zeemeeuw, om een

„slamatan" bij te wonen; dit feest hadden wij aan de matrozen

aangeboden als belooning voor de aan ons bewezen


Ternate. 295

diensten. Het feest bestond uit een uitgebreid maal, waarvoor

een geit was aangekocht; een en ander werd bereid

door de respectievelijke vrouwen, die voor deze gelegenheid

aan boord mochten komen. Zij hadden zich daarvoor prachtig

aangekleed in helgekleurde kabajas met groote gouden knoopen

van Engelsche ponden gemaakt, in het haar staken zilveren en

gouden spelden. De kinderen waren ook in grooten getale

vertegenwoordigd. Het feest werd door een eerwaardigen

ouden priester met langen witten baard geopend, een soort

van offer werd gebracht, wierook gebrand en papieren roosjes

bevestigd aan den boeg. De beteekenis hiervan heb ik

niet te weten kunnen komen. De mannen begonnen met

het feestmaal, waarvan de voornaamste schotel „nassi koening",

gele rijst, was en toen zij genoeg gegeten hadden, begonnen

de vrouwen en kinderen op hun beurt.

op den verjaardag van H. M. de Koningin werden wij

reeds vroegtijdig gewekt door een militair orkest van de

schutterij, dat de vaderlandsche liederen speelde. De Papoea's

verdrongen zich natuurlijk om de muziek. Daarna werd om

S uur een begin gemaakt met afgeven van 101 kanonschoten,

aldus over den dag verdeeld: om 8 uur 33, om 12 uur 34

(r

.en om 4 uur wederom 34. Wij hadden gezorgd, dat de Tobádiërs

bij het afvuren in de nabijheid van het. kanon waren,

de eerste schoten maakten diep indruk, maar langzamerhand

raakten zij er aan gewoon; zij stonden bij de volgende schoten

dicht op het kanon. Behalve de Zeemeeuw, die gepavoiseerd

was, zag men slechts enkele verkleurde vlaggen in de straten.

op het residentiehuis werd de vlag ingehaald omdat. . . het

regende!

De heer DE STURLER, gep. kapitein der infanterie, die op


296 Ternate.

Ternate woont, was zoo vriendelijk voor ons een varkensjacht

op Tidore te organiseeren. Den 1sten September des

nachts om vier uur gingen wij met een vlet, geroeid door

een achttal van onze Tobádïërs op weg. Bij het huis van

den heer DE STURLER, dat aan zee ligt, haalden wij zijnen

zoon en diens jager af en eenige honden om de varkens

Schepen van parelvisschiers op het strand van Ternate.

te drijven. Verder werden er tal van potten en pannen ingeladen

; later bleek, dat het een uitgebreide rijsttafel was.

Daarna staken wij over naar het eiland Tidore, evenals Ternate

grootendeels bestaande uit een vulkaan; tegen het licht

worden, stapten wij bij een kleine kampong aan wal; Professor

en DUMAS gingen verder om eenige onderzoekingen

te doen aan de kust. Wij volgden eenen steilen weg tusschen

pisangtuinen, slecht afgesloten door horden; in deze tuinen

huizen de varkens, die daar veel schade berokkenen. Wij wer-


Ternate. 297

den hier en daar geposteerd en de jager liet daarna de

honden los. DE BEAUFORT en ik voelden ons heelemaal niet

op ons gemak; men kon zijn buurman niet zien en wij

dachten met gegronde vrees aan al die jagers, die mede waren

gegaan met voorlaadgeweren, geladen met den kogel. Een

van de jagers ging bergopwaarts met de honden; dit gedeelte

werd naar beneden gedreven, maar ondanks de vele duidelijke

sporen leverde het geen resultaat op. Het tweede stuk

werd met meer succes gedreven; weldra hoorden wij het

vroolijk gebas der drijfhonden, gevolgd door een schot en

het geschreeuw van een varken. Wij liepen er naar toe en

zagen een groote zeug dood op den grond liggen. In het

volgende stuk hadden de honden weder direct lucht, merkbaar

aan hun vroolijk geblaf, er vielen twee schoten, een van

een Ternataan, die een varken miste. Het andere schot had

doel getroffen, want op de verzamelplaats lag een babyvarken,

dat, zijn grootte in aanmerking genomen, als speenvarken

kon worden opgegeten. Het was allengs te warm

geworden om door té jagen en er werd besloten naar het

strand terug te keeren. De ons vergezellende jagers, die

Mohamedanen waren, wenschten deze onreine dieren niet te

vervoeren, onze Papoea's echter, die het varkensvleesch niet

„oerèp" vonden, belastten zich gaarne met deze bezigheid.

Op het strand, waar het snikheet was, vonden wij eenige

bamboekokers gevuld met sagueer, die wij ons heerlijk

lieten smaken. Onder de hand was DUMAS met Professor

teruggekomen, in een oogwenk zaten wij op het strand

gehurkt rondom een zeer uitgebreide rijsttafel. Aan het aantal

verschillende schotels scheen geen einde te komen; onder het

eten gedachten wij den edelen gever, den heer DE STURLER.


298 Ternate.

Onder een brandende zon, spoedig gevolgd door een tropische

bui, roeiden wij terug naar Ternate, na nog even

bij den heer DE STURLER te zijn aangegaan om hem te

bedanken voor zijn prachtig onthaal. Des avonds was het

groot feest in de kamers der Tobádiërs; op verzoek werden

eenige karriwarriliederen gezongen, die zeker nog nooit gehoord

waren in het fort Oranje.

Langzamerhand werd het tijd om aan inpakken te denken

en ieder was druk bezig met het in orde brengen van zijn

bagage. Er werd weder een geregelde dienst van Papoea's

tusschen het fort en de Zeemeeuw ingericht, die uiterst langzaam

ging, indien wij hen zelf niet begeleidden, maar ten

slotte arriveerde toch alles veilig aan boord van het schip.

Op verzoek van een inwoner van Ternate, die een collectie

Papoesche voorwerpen had verzameld, ging ik naar

zijn huis met een van onze Papoea's, om hem de inlandsche

namen en het gebruik der voorwerpen uit te leggen. Op

het zien van een slaaprekje, geraakte de Tobádier plotseling

in extase, ging lang uit op den grond liggen met het

voorwerp onder zijn hoofd; hij vertelde mij, dat hij dit

bankje zelf -gemaakt had en verheugd was dit weder terug

te zien.

Den 4den September des namiddags vijf uur verlieten wij

Ternate, uitgeleide gedaan door tal van Europeesche vrienden

en door onze Tobádiërs, die hier nog eenige weken moesten

blijven en daarna door de van Goens naar de Humboldtbaai

zouden gebracht worden. Later kregen wij bericht, dat zij

daar allen gezond en wel waren aangekomen, ieder met

een groote Singaporekist, die, dank zij hunne handigheid,

wel gevuld zal geweest zijn. Zij schenen zich aan boord


Ternate. 299

uitstekend te hebben gedragen en de bemanning met alles

behulpzaam te zijn geweest.

Spoedig waren'Tidore en Ternate uit zicht en zetten wij

koers naar Celebes, waar wij voornemens waren eenige

tochten te doen. Den volgenden dag werden wij in volle

zee wakker; tegen den middag werden twee vulkanen van

Celebes zichtbaar, de Klabat en de Doea Soedara, de

hoogere heet de broeder, de lagere de zuster. Ten slotte

zagen wij een geheele rij vulkanen, die in noordoostelijke

richting eindigt met de Batoe angoes, de verbrande steen.

Deze vulkaan heeft, volgens Professor, in 1821 een nieuwe

krater gevormd, de Batoe angoes baroe, de nieuwe verbrande

steen, waarheen wij een tocht wilden maken.

Wij kwamen voor Kema ten anker, waar wij tevens het

G.S.S. de Raaf en het politievaartuig de Palehleh vonden.

Bij nadere beschouwing zagen wij, dat de laatste een zonderling

gevormde voorsteven had. Het bleek, dat deze in ongewenschte

aanraking was geweest met kaap Flesko en nu

door de Raaf naar de werf te Soerabaya moest gesleept

worden. Daar wij echter op onzen weg naar Soerabaya waren,

vreesden wij, dat de Zeemeeuw met dit werk -zoude belast

worden. Dit zou natuurlijk een vertragenden invloed hebben

op onze vaart en ons eenige dagen op Java kosten.

Wij gingen naar den wal om een bezoek aan Kema te

brengen en om een gids te bestellen voor onzen tocht naaide

Batoe angoes baroe. De plaats heeft een vervallen voorkomen

en schijnt betere dagen gekend te hebben, toen daar

nog een controleur gevestigd was. De kampong heeft twee

wijken, één voor de aanhangers van den Islam met een

missigit en één voor Christenen, alhier Seranis genoemd.


300

Ternate.

Des avonds vertrok de Raaf met de Palehleh op sleeptouw

met bestemming naar Menado, waar wij dit schip van de

Raaf zouden overnemen en voor eenige dagen als een geweldige

rem achter ons aan over de golven zouden moeten

zien dansen. Wij voeren door straat Lembeh, tusschen een

eiland van denzelfden naam en het vasteland van Celebes.

Het was een mooie vaart door deze nauwe straat, aan de

eene zijde een rij vulkanen, aan de andere het dichtbegroeide

eiland Lembeh. Tegen negen uur des morgens gingen wij aan

wal op een plaats, waar de lavastroom zich had opgehoopt,

in haar gloeiende vaart gestuit door het water van de zee.

De gids had zich voor deze gelegenheid netjes uitgedost, een

zwart hoedje dekte zijn hoofd; het was een zeer bescheiden,

voorkomend mannetje, die eigenlijk nog nooit den top had

beklommen, maar wel den weg er heen wist. Deze liep

eerst door licht bosch, wat, in vergelijking met onze tochten

op Nieuw-Guinea, voor ons een gemakkelijke wandeling was,

vervolgens door een vlakte, spaarzaam begroeid met alangalang.

Daarna kwamen wij op een onbegroeid gedeelte, dat

doorliep tot aan den top. De grond was zwart van het vulkanische

zand. Hier en daar zagen wij de duidelijke sporen

van de Anoa depressicornis, helaas hebben wij het

dier niet gezien. De inlanders noemen het hier „sapi oetan",

„boschrund".

Ten slotte werden wij gestuit door een zuiveren kegel,

waarvan de helling vrij steil was. De beklimming, die nog

nooit scheen plaats gehad te hebben, werd nu aangevangen.

Ieder trachtte dit op zijne manier te doen; de zigzagswijze

bestijging scheen dé minst vermoeiende te zijn. Ik trachtte

met dit systeem te breken en beklom den kegel in een


Ternate. 301

rechte lijn. Maar ik geloof, dat ik de vermoeiendste manier

had gekozen; op steile gedeelten ging dit dan ook op handen

en voeten en ontelbare malen moest ik rust nemen. Als men

daarbij m aanmerking neemt, dat de zon flink brandde en

de weg over los zand liep, kan men begrijpen, dat wij verheugd

waren, toen wij den top bereikt hadden. Het water

uit de veldflesschen was dan ook spoedig verdwenen. Na

uitgerust te hebben, genoten wij van het mooie uitzicht en

keken op den onder ons liggenden krater, die geheel

uitgedoofd scheen en begroeid was. De tocht naar beneden

was veel gemakkelijker en geschiedde veelal in den

looppas.

Tegen één uur waren wij weder aan boord en een algemeene

schoonmaak was hoogst noodzakelijk, daar het fijne

zwarte zand door alles heen was gedrongen, vooral tijdens

onzen snellen loop naar beneden. Wij verstoomden daarna

naar het ten noorden van Celebes gelegen eiland Bangka,

waar door Professor onderzoekingen werden gedaan.

Den volgenden morgen bereikten wij Likoepang, aan de

noordkant van Celebes gelegen. Het was ons plan van uit

deze plaats te voet naar Menado te gaan. Men loopt dan

door de zoogenaamde Minahassa, het gedeelte van onzen

archipel, waar het Christendom het meest ingang onder de

bevolking heeft gevonden. Waar vroeger woeste horden

hebben gewoond, die van roof en plundering leefden, daar

aanschouwt men thans een liefelijk landschap met tal van

nette huisjes met tuintjes, veelal door een bloeiende rozenhaag

omgeven. De bevolking is zeer welwillend en voorkomend

en schijnt een groote voorliefde te hebben voor

een lange gekleede jas. Bij een feest, dat wij het genoegen


302 Ternate.

hadden mede te maken, waren allen zonder onderscheid,

gekleed in witte pantalon met gekleede jas. Het is vreemd,

als men hier een christen inlander tegenkomt, het „dag meneer"

te hooren, terwijl hij dan tevens zijn hoed afneemt. Wat een

tegenstelling met den onderdanigen groet van een inlander

op Java.

Door den aspirant-controleur den heer G. L. ULJEE waren

de noodige bevelen gegeven, zoodat men geheel op onze

komst voorbereid scheen.

Ongeveer te tien uur des morgens kwamen wij voor Likoepang

ten anker, wij zagen eene prauw naderen met verschillende

hoogwaardigheidsbekleeders, netjes gekleed in witte

broek met blauwe lange gekleede jassen en met petten met

zilveren band; enkelen droegen de decoratie, door de Regeering

ingesteld voor inlanders. Wij werden door hen verwelkomd

en zij vroegen ons, wat wij noodig hadden voor onzen

tocht. Wij hadden alleen dragers noodig, wat hun ten zeerste

verwonderde, daar zij verwacht hadden, dat wij paarden

zouden gevraagd hebben. Wij gaven er echter de voorkeur

aan om te voet Menado te bereiken, wat voor hen een zeer

ongewoon verschijnsel was, daar Europeanen hier allen te

paard of per wagen reizen. Aan wal gekomen, deed Likoepang

zich voor als een groot dorp; het grootste gedeelte is

gelegen aan het vlakke zanderige strand ten westen van de

rivier, die denzelfden naam draagt. Door het dorp gaande

komt men aan den grooten, goed onderhouden weg, die

naar Menado leidt. Wij werden ontvangen in het huis van

het kamponghoofd, waar ons klappers en sigaren werden

aangeboden. Uit vele huizen hing de Nederlandsche vlag,

maar wij begrepen toen nog niet, dat dit ter onzer eere was.


Ternate. 303

Na eene korte rust begaven wij ons op weg; het was een

geheele stoet; wij liepen voorop, daarna kwam het districtsen

het kamponghoofd, allen te paard, verder andere dignitarissen,

veelal versierd met een oranjesjerp, onze jongens

en de gehuurde dragers en een drager voor

het kistje sigaren van het kamponghoofd

sloten den stoet. Het was een vriendelijke

streek, die wij door gingen, nette huisjes

door hagen omgeven, goed onderhouden

Ontvangst in de Minahassa.

tuinen, waarin notemuskaat- en koffieboomen. In sommige

kampongs was de weg afgezet door paaltjes met vlaggetjes;

het was, of er een feestoptocht door moest trekken.

Aan de grens werden wij opgewacht door een soort van


304

Ternate.

feestcommissie in gekleede jas en rok, sommigen met een

hoogen hoed, waarvan de kleur wel wat geleden had door

de tropische zon; om hun middel hadden zij een oranjesjerp.

Het had veel van een voorstelling, zooals men die wel in de

Fliegende Blätter ziet, waarin de ontvangst van den eenen

of anderen kleinen vorst in een plattelandsgemeente wordt

afgebeeld. Wij werden met veel plichtplegingen en handdrukken

ontvangen en naar het huis van het kamponghoofd

gebracht, om aldaar eenige ververschingen te krijgen, meestal

bestaande uit klapperwater. De drager met het kistje sigaren

dook dan ook weder op. Zoo werden wij overal vriendelijk

en gastvrij ontvangen, meestal met verwonderde gezichten,

omdat wij te voet waren. Was de feestcommissie bereden,

dan stegen zij gewoonlijk af en volgden uit beleefdheid te

voet. Tegen twaalf uur bereikten wij de kampong Koholeh,

waar wij in de passanggrahan een vrij goede rijsttafel kregen.

Dit zijn gouvernementshotels, die over geheel Indië verspreid

zijn in plaatsen, waar geen hotel is en waar men tegen een

kleine vergoeding kan logeeren en zijn maaltijden gebruiken.

Het is een goede instelling, waar men zeer veel nut van heeft.

Toen de groote hitte van den dag voorbij was, gingen

wij tegen vier uur weder op weg. Overal werden ons weder

dezelfde huldebetuigingen bewezen. Des avonds bereikten wij

de kampong Loempias, waar wij den nacht zouden overblijven.

Ook hier weder dezelfde ceremoniën en vlaggen uit de huizen.

Het hoofd heet hier hoekoem toea en zijn plaatsvervanger

hoekoem kedoea. Wij werden zeer beleefd door het hoofd

onder zijn veranda ontvangen, en ingekwartierd bij de verschillende

dignitarissen, daar er hier geen passanggrahan is.

Wij kregen in een net huisje, een kraakzindelijk kamertje


Ternate. 305

met schoone witte gordijntjes voor de ramen, een ongewoon

iets voor ons, die al deze netheid langzamerheid ontwend

waren. Op onze vraag, waar wij eten konden koopen, vroeg

het kamponghoofd ons, of wij hem de eer wilden aandoen

mede aan een huwelijksdiner aan te zitten. Hij noemde dit

„trouwerasie". Natuurlijk voldeden wij vol gaarne aan zijn

verzoek, alhoewel wij verklaarden, geen galacostuum bij ons

te hebben. Dit bleek geen bezwaar te zijn, wij maakten zoo

goed mogelijk toilet en begaven ons naar het huis, waar het

feest zou plaats hebben.

Het was een vrij groot huis, op de veranda werden wij

ontvangen door den vader van de bruid, die ons aan de

overige familieleden voorstelde. Natuurlijk algemeen handengedruk.

De bruid was netjes in het wit gekleed, in een

ouderwetsche japon voorzien van een rij strookjes; op het

haar droeg zij een wit kransje. De bruidegom droeg natuurlijk

de onafscheidelijke gekleede jas, verder witte garen handschoenen.

Met de beschaving scheen hier ook de jenever te zijn

medegekomen, want óf men wilde of niet, men was verplicht

een glaasje van dezen drank te gebruiken. Daarna gingen wij

aan tafel; helaas was de bruid de eenige vrouwelijke persoon,

zoodat er niet veel van een bonte rij kwam. Wij kregen als

menu een zeer goede rijsttafel met veel wild zwijnenvleesch,

een bewijs, dat wij hier te doen hadden met een Christenbevolking.

Wij prefereerden de sagueer boven den ons aangeboden

rooden wijn. VAN NOUHUYS hield in Maleisch een

kranige speech op het jonge paar, en dronk op hun voorspoed

en die van de Minahassa. Deze redevoering werd met

gejuich begroet.


306 . Ternate.

Na afloop van het diner was er bal; langs zij van het huis

was een groote schuur, waar eenige muzikanten bestaande

uit een viool en een trom hunne onwelluidende tonen lieten

hooren. Langzamerhand kwamen de gasten, de heeren in het

bekende tenu, de dames in mooie sarongs met een helderwitte

kabaja met gouden speldjes en met mooi geborduurde

muiltjes aan de voeten. Na hun compliment te hebben afgestoken,

gingen de dames aan eene zijde van het gebouw op

een lange rij naast elkaar zitten, de heeren zetten zich daar

tegenover. Van conversatie was geen sprake; het was een

aardig gezicht die lange rij bevallige meisjes in veelkleurige

sarongs.

De dans werd in het fransch gedirigeerd door een deigasten,

maar wij moesten de commando's eenige malen

hooren, voordat wij begrepen, wat zij beteekenden. Er werd

overigens heel netjes gedanst, het afhalen van de danseuse

geschiedde op een vreemdsoortige wijze. De cavalier knikte

van uit de verte de uitverkorene toe, maakte daarop rechtsomkeert

en wachtte, totdat het meisje naar hem toe kwam

en hem een arm gaf. Ook tijdens het dansen en rondloopen

werd er niet gesproken.

De quadrille, eveneens in het Fransch gedirigeerd, liep

zeer goed van stapel en werd met de gratie, aan inlandsche

vrouwen eigen, gedanst. Na afloop van den dans werd er

gekommandeerd: „Doedoek paren, nonja sablas sana" 1 ).

Wij zagen van de veranda de vroolijke paren dansen,

maar opeens kwamen er eenige meisjes ons halen om

mede te dansen. Het speet ons zeer, dat de leider der ex-

] ) De paren moeten gaan zitten, de dames aan een kant.


Ternate. . 307

peditie reeds naar zijn slaapvertrek was gegaan. Wij meenden

deze vriendelijke üitnoodiging niet te mogen weigeren, maar

onze oude pakjes en dikke vetschoenen waren weinig in

overeenstemming met onze keurig gekleede danseuses. De

door ons medegedanste quadrille ging nu minder vlot, wellicht,

omdat wij de commando's niet goed verstonden. Telkens

klonk het dan ook: „Encore une fois!"

Wij gingen dien avond laat naar bed, maar den volgenden

dag was het vroeg reveille, daar wij des avonds in Menado

wenschten te overnachten.

Wij werden op onzen verderen tocht op dezelfde enthousiaste

wijze ontvangen, maar naar mate wij Menado naderden,

werd dit minder en hadden wij somtijds last om dragers te

krijgen.

Tegen I0 uur bereikten wij Paniki di bawa; langs een

korteren binnenweg over Kajoewatoe arriveerden wij te

Kajoeragi, dat aan den grooten straatweg is gelegen.

Onder een hevige stortbui kwamen wij tegen twee uur te

Menado aan, waar onze wandeling door de vriendelijke

Minahassa eindigde en waarvan wij de aangenaamste souvenirs

behielden.

Wij namen onzen intrek weder aan boord van de Zeemeeuw,

die wij ver boven de hotels met hun slecht eten

stelden.

Den volgenden dag brachten wij een bezoek aan de

passar om vruchten voor onze aan boord zijnde menagerie

te koopen; daarbij werd de vischmarkt met. al zijne wonder-

lijke visschen niet vergeten.

Tijdens een hevige regenbui zag ik een inlander op zijn

klein paardje gezeten, schuilen onder één reusachtig blad,


308 Ternate.

dat hij boven zijn hoofd hield; jammer dat het licht niet

voldoende was om dit aardige ensemble te vereeuwigen in

een foto.

Er was bericht gekomen, dat wij de gehavende Palehleh

naar Soerabaya moesten sleepen; natuurlijk was dit voor

ieder een tegenvaller; voor ons, omdat wij daardoor eenige

dagen minder op Java zouden kunnen zijn; voor de officieren

en de bemanning was het sleepen een moeitevolle taak, die

de grootste oplettendheid vereischt. Aan boord werden er

allerlei preparatieven gemaakt; men zag overal stapels met

trossen op het dek, waarmede de Palehleh aan de Zeemeeuw

moest verbonden worden.

Den 9den September werd het anker gelicht en koers

gezet naar Soerabaya, met de Palehleh achter ons aan. Wij •

hadden prachtig weer en genoten vooral des avonds van de

vaart met mooi maanlicht. Wij zagen van Celebes slechts

vaag het land, waar de zoogenaamde goudmijnen moeten

liggen, die zooveel ellende en armoede teweeg hebben gebracht

op Java.

Langzamerhand begon er meer zee te staan en werden

wij af en toe op een bui getrakteerd, zoodat wij, met het

oog op de Palehleh, halve kracht moesten stoomen.

Wij zagen een flauwe afteekening van het eiland Borneo,

maar iets positiefs kregen wij er niet van te zien.

Den 15den September des morgens vroeg kwam Madoera

in zicht, het zag er rood verbrand uit door de heerschende

oostmoesson; wij passeerden kleine ranke prauwtjes van

visschers, die een zeer groot zeil voeren op deze kleine

vaartuigjes.

Te negen uur van den l6den September kwamen wij. voor


Ternate. 309

anker te Soerabaya, om een oogenblik later door den loods

binnen het Marine-etablissement gebracht te worden.

Marinewerf te Soerabaya.

Wij verlieten dien dag voor goed de Zeemeeuw, die voor

ons zoo lang „ons huis" was geweest en waarop wij zooveel

lief en leed samen hadden doorgebracht.

DE BEAUFORT en ik brachten op onze reis door Java nog

een bezoek aan de Bårå Boedoer en de Tjandi Mendoet;

helaas hadden wij te veel van het maanlicht genoten met de

Palehleh achter ons, zoodat wij dit grootsche monument niet

rnet dit licht hebben kunnen bewonderen.

Op Batavia werden wij vriendelijk ontvangen door onzen

landvoogd Zijne Excellentie W. ROOSEBOOM en het Indisch

Comité, om den 1 sten October per Koningin Wilhelmina naar

het vaderland te vertrekken.


310 Ternate.

Ik eindig mijn verhaal met den wensch, dat deze expeditie

naar Nieuw-Guinea nog gevolgd moge worden door

meerdere, tot betere kennis van dit zoo interessante land

en volk.

Trommen en heilige fluiten.


INHOUD.

Bladz.

INLEIDING vu.

HOOFDSTUK I. Metu Débi I—50.

„ II. Het Sentánimeer ..51—94.

„ III. De Tamirivier ..95—119.

„ IV. De tocht naar de Chloromelaniet vindplaats.........120—137.

„ V. De Tawárin en de Moaif 138—183.

„ VI. De Zeemeeuw 184—207.

„ VII. De Geelvinkbaai .208—280.

„ VIII. Ternate .................... 281 — 309.

More magazines by this user
Similar magazines