Algemene analyse - Schone Kleren

schonekleren.be

Algemene analyse - Schone Kleren

ALGEMEEN OVERZICHT

1. MERKEN EN KETENS, WIE ZIJN ZE?

36 merken en modeketens, alle aanwezig op de Belgische

markt, werden geselecteerd voor deze editie. Daaronder zijn er

12 Belgische ondernemingen. Van de gekozen ondernemingen

zijn er drie die deel uitmaken van de Deense groep Bestseller

(Jack&Jones, Only en Vero Moda) en twee behoren tot de

Amerikaanse groep Vanity Fair (Lee en Wrangler).

22 van de 36 bedrijven hebben onze vragenlijst volledig of gedeeltelijk

beantwoord.

Naast het feit dat ze allemaal modekleding verkopen, hebben

die bedrijven toch verschillende kenmerken. Sommige hebben

een mondiale dimensie en verkopen hun producten over de hele

wereld. Andere hebben een kledingketen die slechts een veel

beperktere regio bestrijkt, bijv. België. De zakencijfers verschillen

navenant: van meer dan 10 miljard euro voor Zara of H&M

in 2009 tot 13 miljoen euro voor de Belgische bedrijven Scapa

Sports of 45 miljoen euro voor Cassis, Bel&Bo en Mayerline in

datzelfde jaar.

Hun handelswijze verschilt ook. Wat productie betreft, richten

vooral de merken zich op het ontwerpen van nieuwe modellen,

waarvan ze de productie uitbesteden aan fabrieken die de

productielicentie aankopen, of waar ze bestellingen plaatsen.

De producten worden vervolgens verdeeld door winkels die een

merklicentie hebben, of via een circuit van zelfstandigen. Merken

of ketens die nog zelf produceren, zijn uitzonderlijk.

Wat de distributie betreft, verdelen merken hun producten

via winkels die een licentie hebben of via een eigen netwerk.

De kledingketens functioneren volgens verschillende modellen.

Sommige beheren zelf een netwerk van winkels. Andere bouwen

een franchisenetwerk uit, d.w.z. een netwerk van onafhankelijke

winkels, die exclusief de producten van de keten verkopen en

diensten voor publiciteit en winkeldecoratie, enz... aankopen

bij de keten. Promod functioneert op basis van dat model. Het

gebeurt ook dat ketens met een eigen winkelnetwerk daarnaast

ook nog een netwerk van franchisewinkels hebben. Dat is met

name het geval voor het Italiaanse Benetton, het Belgische

Prémaman en het Spaanse Mango.

Tenslotte zijn sommige ondernemingen op de beurs genoteerd,

andere niet.

2. DE PRODUCTIEKETEN

MODE – EEN STIJL VAN TEWERKSTELLEN

Het aantal tussenhandelaars beperken en laten produceren daar

waar de kosten het laagst zijn, terwijl een gegarandeerde leveringsflexibiliteit

toelaat het best en snelst op de marktfluctuaties

te reageren… dat is het leidmotief van de modesector. Het

garandeert de concurrentiekracht van de kledingketens in een

zeer concurrentiële omgeving waarin de wispelturige consument

voortdurend heroverd moet worden.

Dat verklaart waarom de productie, naargelang van het soort

producten, op een andere manier over de wereld verspreid wordt:

ver van de markt voor de basisproducten, die relatief stabiel en

voorzienbaar is, of dichter bij de distributieplaats voor de kleding

waarvan de verkoop minder voorspelbaar is en die een zeer vlug

reactievermogen op de marktvraag vereist.

De stijging van de olieprijs en daarmee samenhangend, die van

het transport, zou in het voordeel kunnen spelen van de producerende

landen dicht bij de Europese markt. China blijft wel

het belangrijkste oorsprongsland voor de Europese import van

textiel en kleding, maar Turkije en het Middellandse Zee-bekken

(Tunesië, Marokko en Egypte) noteerden in 2010 een significante

stijging van hun uitvoer naar Europa. Het zou echter onvoorzichtig

zijn voorbarige conclusies te trekken. Deze tendens werd immers

niet bevestigd tijdens de eerste zeven maanden van 2011, tijdens

die periode was er een ware explosie van de invoer van kleding

uit Bangladesh (+42% in vergelijking met dezelfde periode 2010),

India (+16,9%), Vietnam (+27,5%), Pakistan (+35,5%), Indonesië

(+20,1%) en Cambodja (+55,2%).

Import uit landen 69 370 100% + 8,4%

1 China 29 247 42,16% +10,3%

2 Turkije 9 157 13,20% +10,7%

3 Indië 5 446 7,85% +5,5%

4 Bangladesh 4 978 7,18% +6,1%

5 Tunesië 2 147 3,09% +3,7%

6 Pakistan 2 122 3,06% +11,8%

7 Marokko 1 864 2,69% +5,0%

8 Vietnam 1 254 1,81% +8,9%

9 Indonesië 1 194 1,72% -1,9%

10 USA 1 125 1,62% +16,8%

11 Zwitserland 1 061 1,53% -1,1%

12 Sri Lanka 1 021 1,47% -0,4%

13 Thailand 851 1,23% +4,7%

14 Zuid-Korea 702 1,01% +27%

15 Egypte 654 0,94% +11,6%

16 Japan 467 0,67% +17,8%

17 Cambodja 450 0,65% -3,3%

18 Taïwan 415 0,60% +14,4%

19 Hong Kong 406 0,59% -2,4%

20 Macedonië 363 0,52% +0,4%

Ge- Hoofdzetel Beursantwoord

notering

4 ALGEMEEN OVERZICHT ALGEMEEN OVERZICHT 5

Bron : Eurostat

Import van textiel Aandeel van Evolutie

en kleding in de EU de import tav

jan – okt 2010 in EU jan – okt

(€ miljoen) 2009

Zara bijvoorbeeld, verklaart 57% van zijn artikelen

in Europa te laten produceren (waarvan 46% in de

Europese Unie), 36% in Azië, 5% in Afrika en 2% in

Amerika. De onderneming doet zaken met een 1400tal

leveranciers (zonder rekening te houden met hun

eventuele onderaannemers). Wat H&M betreft, dat

bedrijf koopt in bij 1900 productie-eenheden, die

voor 2/3 in Azië liggen - waarvan de helft in China- en

1/3 in Europa. C&A stelt zich te bevoorraden bij 450

producenten, waarvan 89,5% in Azië gevestigd zijn

en 10,5% in Europa. Deze leveranciers tellen zo’n

1600 onderaannemers. Het Spaanse Mango verklaart

zich hoofdzakelijk in China te bevoorraden (43%),

maar ook in het nabijgelegen Marokko (24%). Twee

andere belangrijke bevoorradingslanden zijn Vietnam

en Turkije. Elk vertegenwoordigt ongeveer 9,5%.

Aan Belgische kant, bevoorraadt Cassis zich voor

85% in Europa en voor 15% in Azië (India en China).

Mayerline laat bijna 60% van zijn kleding in China

produceren, 23% in Litouwen en 4% in Portugal.

Scapa Sports verklaart zich voornamelijk te bevoorraden

in Portugal (38%), in China (24%), Macedonië

(16%), Tunesië (10%) en Turkije (8%).

BELGISCH

AS Adventure Nee België Nee

Bel&Bo (Fabrimode) Ja België Nee

Cassis Paprika Ja België Nee

E5 Mode Nee België Nee

JBC Nee België Nee

Mayerline Ja België Nee

Mer du Nord Nee België Nee

Olivier Strelli Nee België Nee

Prémaman Nee België Nee

River Woods Nee België Nee

Scapa Sports Ja België Nee

Talking French Nee België Nee

BUITENLANDS

Benetton Nee Italië Ja

C&A Ja België Nee

Charles Vögele Ja Zwitserland Ja

Diesel Nee Italië Nee

Esprit Ja Hong Kong Ja

G Star Ja Nederland Nee

H&M Ja Zweden Ja

Inwear/ IC Companys Ja Denemarken Ja

Jack&Jones (Bestseller) Ja Denemarken Nee

Lee (Vanity Fair) Ja USA Ja

Levi Strauss Ja USA Nee

Mango Ja Spanje Nee

Mexx Nee Nederland Ja

New Yorker Nee Duitsland Nee

Only (Bestseller) Ja Denemarken Nee

Pimkie Nee Duitsland Nee

Promod Ja Frankrijk Nee

S. Oliver Nee Duitsland Nee

Street One Ja Duitsland Nee

Triumph International Ja Zwitserland Nee

Vero Moda (Bestseller) Ja Denemarken Nee

We Ja Nederland Nee

Wrangler (Vanity Fair) Ja USA Ja

Zara Ja Spanje Ja


Distributeur

Aankoopcentrale

PRODUCENTEN EN DISTRIBUTEURS

Agent

Gedurende de laatste jaren zijn de organisatievormen van de toeleveringsketens

sterk geëvolueerd, waardoor de relaties tussen

de merken of ketens en hun leveranciers gewijzigd zijn.

Van het overwicht van de producenten...

Van een activiteit die beheerst werd door de producenten, is kleding

in een halve eeuw een activiteit geworden die vooral gedomineerd

wordt door de distributeurs en de merkbedrijven. Ongeacht

hun grootte, hebben bedrijven die vroeger sterk ingeplant waren

in de sector ( Levi’s, Mayerline enz.) geleidelijk hun productieactiviteit

in hun eigen fabrieken opgegeven om zich te concentreren

op de ontwikkeling van modellen en op de distributie. De productie

hebben ze uitbesteed aan onafhankelijke leveranciers en aan

onderaannemers.

Zo beschikt Levi Strauss & Co nog slechts over 3 confectie- en

afwerkingbedrijven, gevestigd in Turkije, Polen en Zuid-Afrika.

Uit onze selectie behoudt enkel Triumph International een zeer

sterke productie-activiteit, die zo’n 67% van de artikelen vertegenwoordigt.

De Amerikaanse groep Vanity Fair (Wrangler en

Lee) produceert nog 40% van zijn artikelen in eigen productieeenheden

(cijfers uit 2004). In een veel mindere mate, produceert

Zara zo’n 7% van zijn artikelen (of 47 miljoen stuks in 2009) in

eigen ateliers.

Naar het rijk van distributeurs en merken

De huidige actoren in de kledingdistributie zijn echter niet allemaal

oude producenten, verre van.

Leverancier

Leverancier

Leverancier

Leverancier

Onderaannemer

Onderaannemer

Onderaannemer

De grote ketens zoals H&M bijv., hebben nooit eigen fabrieken

gehad. Ze bevoorraden zich bij leveranciers. H&M koopt rechtstreeks

aan terwijl andere ketens ook indirect inkopen via aankoopcentrales,

agenten, invoerders of groothandelaars.

De tendens hier, aangevoerd door H&M, bestaat erin directe relaties

met de leveranciers sterk te begunstigen, op tussenpersonen

wordt enkel een beroep gedaan voor marginale artikelen of voor

acessoires. De Belgen Cassis en Mayerline vormen daarop geen

uitzondering (meer). C&A, Charles Vögele en Promod hebben

daarentegen wel nog sterk de neiging een beroep te doen op

tussenpersonen, al geldt dat ook daar voor een minderheid (25

tot 30% van hun artikelen). Street One en Bel&Bo betrekken de

overgrote meerderheid van hun producten bij tussenpersonen

(respectievelijk 80 en 97%).

Als de productie zich losmaakt van de creatie van de modellen

enerzijds en van de distributie anderzijds, dan winnen de producenten

niet noodzakelijk aan onafhankelijkheid. Ze zijn sterk

onderworpen aan de voorwaarden van de grote ketens en merken

die een groot deel van hun markttoegang in handen houden.

Bepaalde leveranciers zijn zelfs geïntegreerd in de informatiestromen

van de distributeur. Doordat ze een directe link hebben met

de permanente inventarissystemen van de distributeur, ontvangen

zij automatisch het order om de productie van één of ander

artikel dat bijna op is, opnieuw op te starten.

Dit overwicht van zij die toegang verlenen tot de markt, de grote

kledingketens of internationaal gereputeerde merken, op de

producent, vertaalt zich in de mogelijkheid voor de eerste om

zijn voorwaarden op te leggen aan de laatste zonder daarvan de

gevolgen te dragen, voornamelijk op sociaal vlak.

= geen Rechtstreekse Agenten Eigen

informatie relatie of de fabrieken

beschikbaar

BELGISCH

AS Adventure

tussenhand

producenten

elaars

Bel&Bo 3% 97% 0%

Cassis Paprika

E5 Mode

JBC

90% 10% 0%

Mayerline

Mer du Nord

Olivier Strelli

Prémaman

River Woods

Scapa Sports

Talking French

95% 5% 0%

Rechtstreekse Agenten Eigen

relatie of de fabrieken

tussenhand

producenten

elaars

BUITENLANDS

Benetton

C&A 70% 30% 0%

Charles Vögele

Diesel

75% 25% 0%

Esprit >90%


3. INDICATOREN VOOR EEN GELOOFWAARDIGE

KETENVERANTWOORDELIJKHEID

Gedragscode, toepassing, controle, transparantie. Dat zijn

de vier basisindicatoren die de Schone Kleren Campagne

hanteert om het engagement van een onderneming te evalueren.

In deze brochure wordt elk bedrijfsprofiel ingeleid door

een grafiek die de evaluatie weergeeft van het bedrijf aan de

hand van die vier indicatoren. Het gaat dus niet om een evaluatie

van de arbeidsomstandigheden in de fabrieken die voor

de verschillende ketens en merken produceren. Daarover

beschikken we slechts gedeeltelijke gegevens. In dit onderzoek

wordt gekeken naar het engagement en de maatregelen

per bedrijf om hun ketenverantwoordelijkheid op te nemen.

Ieder diagram illustreert de graad van engagement van het

bedrijf voor de inhoud van zijn sociale normen, de uitvoering,

de controle en de transparantie. Naarmate de waarde op een

as hoger is, is het engagement van het bedrijf volgens die

indicator sterker. Bijgevolg is het zo dat hoe groter de oppervlakte

van de gekleurde G-star ruit is, hoe vollediger het globale

engagement van de onderneming is.

Controle

Transparantie

Toepassing

INDICATOR 1 - GEDRAGSCODE

Gedragscode

Een bedrijf dat wil toezien op het respect van de arbeidsrechten

in zijn toeleveringsketen, neemt over het algemeen

een gedragscode aan waarin het zijn engagement, en wat

het wil, vastlegt.

Van de geselecteerde internationale ondernemingen, beschikt

slechts een minderheid (3 op 24) niet over een gedragscode.

Het gaat om Diesel, New Yorker en Pimkie.

Aan Belgische kant, beschikken 5 van de 12 ondernemingen

over een code, waaronder Mayerline, Cassis en Bel&Bo van

wie de code sterk verbeterd werd sinds de eerste bevraging,

en met een duidelijk oorzakelijk verband tussen de verbetering

en de bevraging.

De normen van de modelcode van de

Schone Kleren Campagne :

Vrijheid van vereniging

Recht op collectief onderhandelen

Geen dwangarbeid

Geen kinderarbeid

Geen discriminatie

Maxumum aantal werkuren

Gezondheid en veiligheid

Een menswaardig (of leefbaar) loon

Werkzekerheid

Voor een kopie: www.schonekleren.be

Enkele goede vragen die we bij het

lezen van een gedragscode moeten

stellen:

Op welke arbeiders is ze van toepassing?

Is de code geloofwaardig? Verwijst ze

naar de IAO-conventies en de plaatselijke

wetgeving?

» Wordt geëist dat een leefbaar loon

wordt uitbetaald, of slechts het wettelijke

minimumloon?

» Wordt het recht van de arbeiders om

zich te organiseren in een vakbond

en om collectief te onderhandelingen

erkend?

Investeert het bedrijf in de toepassing

van de code?

» Wordt er vorming georganiseerd voor

eigen medewerkers en die van leveranciers,

van werknemers?

» Wordt de naleving gecontroleerd?

» Als er schendingen vastgesteld worden,

neemt het bedrijf deel aan de

verbeterplannen?

» Houdt het bedrijf rekening met de

gedragscode voor zijn inkooppraktijken?

Aanvaardt het bedrijf dat de code gecontroleerd

wordt in samenwerking met de

betrokken actoren ?

= geen informatie Gedragscode

beschikbaar

Op welke arbeiders is de code van toepassing?

Men mag nooit uit het oog verliezen dat het de meest

kwetsbare arbeiders zijn, zij die de grootste moeilijkheden

hebben om zich te organiseren en zich te verdedigen, die

het grootste risico lopen dat hun rechten worden geschonden.

Die arbeiders zijn dikwijls helemaal onderaan in de

productieketen tewerkgesteld, bij de onderaannemers of als

thuisarbeiders. Het is dus belangrijk dat de gedragscode niet

alleen rekening houdt met de arbeiders die door het bedrijf

zelf of door zijn leveranciers worden tewerkgesteld, maar

ook door hun onderaannemers, wat ook hun statuut mag zijn

(thuisarbeider, tijdelijke, vast, enz...).

Is de code geloofwaardig?

Verwijst de code naar alle bepalingen uit de fundamentele

conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO)?

Die conventies hebben betrekking op kinderarbeid, dwangarbeid,

discriminatie, vrijheid van vereniging en collectieve

onderhandelingen. Of ze die conventies nu al of niet geratificeerd

hebben, alle landen die lid zijn van de IAO, moeten

door het simpele feit van hun lidmaatschap, zich engageren

om die conventies te respecteren en ze in de praktijk te

brengen.

De code moet ook andere belangrijke normen op de arbeidsplaats

behandelen, die integraal deel uitmaken van de

Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, zoals

geweld, slechte behandeling, het recht op een menswaardig

loon voor een werkweek van 48 uur, het recht op gezondheid

en veiligheid, en op werkzekerheid.

De code mag uiteraard niet in de plaats komen van de nationale

arbeidswetgeving die van toepassing is in de sector.

De lokale normen kunnen verschillen van de internationale

normen. De code moet eisen dat de leveranciers die normen

naleven die voor de arbeiders de beste bescherming bieden.

In onze studie verwijzen 13 van de 21 internationale ondernemingen

die over een gedragscode beschikken, naar de

fundamentele conventies van de IAO. Onder de bedrijven

die over een code beschikken maar weigeren dergelijke

verwijzingen op te nemen, bevinden zich C&A, de bedrijven

van de Deense groep Bestseller (Jack&Jones, Only en Vero

Moda), die van de groep Vanity Fair (Lee en Wrangler) en

ook Mango en Mexx.

Van de Belgische bedrijven die over een gedragscode

beschikken, verwijzen Bel&Bo, Cassis en Mayerline

naar de fundamentele conventies van de Internationale

Arbeidsorganisatie.

8 ALGEMEEN OVERZICHT ALGEMEEN OVERZICHT 9

BELGISCH

AS Adventure

Bel&Bo Ja

Cassis Paprika Ja

E5 Mode Ja*

JBC Ja*

Mayerline Ja

Mer du Nord

Olivier Strelli

Prémaman

River Woods

Scapa Sports Nee

Talking French

BUITENLANDS

Benetton Ja

C&A Ja

Charles Vögele Ja

Diesel Nee

Esprit Ja

G Star Ja

H&M Ja

Inwear/IC Companys Ja

Jack&Jones (Bestseller) Ja

Lee (Vanity Fair) Ja

Levi Strauss Ja

Mango Ja

Mexx Ja

New Yorker Nee

Only (Bestseller) Ja

Pimkie Nee

Promod Ja

S. Oliver Ja

Street One Ja

Triumph Ja

Vero Moda (Bestseller) Ja

We Ja

Wrangler (Vanity Fair) Ja

Zara Ja

*Gegevens 2007


FOCUS

LEEFBAAR LOON OF WETTELIJK MINIMUMLOON?

Het recht op een leefbaar loon is opgenomen in de Universele

Verklaring van de Rechten van de Mens (Art 23, 3).

Het wettelijke minimumloon wordt door de wet vastgelegd. Onder

druk van de concurrentie en de dreiging met delocalisering van

de activiteiten van de transnationale ondernemingen, leggen een

groot aantal regeringen van kledingproductielanden, een wettelijk

minimumloon vast dat lager is dan het leefbaar loon.

In Sri Lanka, bijvoorbeeld, is in 2011 het wettelijke minimumloon

voor werknemers in de kledingindustrie 7900 Rp (€ 50) per

maand maar volgens de officiële berekeningen van het departement

voor statistieken heeft een familie met 4 personen 41.940

Rp. (€ 265) nodig voor de basisbehoeften. Dat is 5 keer het wettelijke

minimumloon.

Een bedrijf kan zich niet beroemen op zijn ethiek als zijn

producten gemaakt worden door arbeiders die geen leefbaar

loon verdienen.

Het is dus niet alleen belangrijk dat de bedrijven in hun gedragscode

de uitbetaling van een leefbaar loon eisen, maar ook dat ze

ophouden te veel druk uit te oefenen op prijzen die ertoe leiden

dat de arbeiders een onleefbaar loon zullen verdienen, en ophou-

den met dreigen te delocaliseren indien het wettelijke minimumloon

verhoogd wordt.

Het is dus dringend nodig om het bedrag van een leefbaar loon

nationaal of regionaal te bepalen. De bedrijven moeten er ook

over waken dat de vakbonden aan dit proces via een correcte

sociale dialoog kunnen deelnemen.

In Azië verenigt de Alliantie voor een Asian Floor Wage meer dan

70 organisaties in 17 landen, met als doel werknemersorganisaties

te ondersteunen die ijveren voor loonsverhogingen, om zo tot

een leefbaar minimumloon te komen voor alle werknemers van de

kledingsector, op het hele continent. Ze stelt een berekeningsme-

Een leefbaar loon stemt overen met een vergoeding

voor een normale arbeidsduur ...

Dit laatste is belangrijk omdat er in veel landen geen

systeem van sociale zekerheid bestaat. Het bedrag van

dat leefbaar loon is afhankelijk van de lokale omstandigheden

en varieert van land tot land, en in eenzelfde

land zelfs van streek tot streek.

= informatie niet Verwijzing Verplicht Extra Voor Voor een

beschikbaar naar leef- spaargeld de normale

baar loon familie werkduur

BSCI Ja Nee Ja Nee Ja

FLA Ja Ja Ja Nee Ja

ETI Ja Ja Ja Nee Ja

FWF Ja Ja Ja Ja Ja

10 ALGEMEEN OVERZICHT ALGEMEEN OVERZICHT 11

BELGISCH

AS Adventure

Bel&Bo Ja Ja

Cassis Paprika Ja Nee Nee Nee Nee

E5 Mode

JBC

Mayerline FWF Ja Ja Ja Ja Ja

Mer du Nord

Olivier Strelli

Prémaman

River Woods

Scapa Sports

Talking French

BUITENLANDS

Benetton Nee

C&A Nee

Charles Vögele BSCI Ja Nee Ja Nee Ja

Diesel Geen code Geen code Geen code Geen code

Esprit BSCI Ja Nee Ja Nee Ja

G Star Nee

H&M FLA Ja Ja Ja Nee Ja

Inwear/IC Companys BSCI Ja Nee Ja Nee Ja

Jack&Jones Nee

Lee Nee

Levi Strauss Nee

Mango Nee

Mexx FLA Ja Ja Ja Nee Ja

New Yorker Geen code Geen code Geen code Geen code

Only Nee

Pimkie Geen code Geen code Geen code Geen code

Promod Nee

S. Oliver BSCI Ja Nee Ja Nee Ja

Street One Nee

Triumph International Ja Ja Ja Nee Nee

Vero Moda Nee

We BSCI Ja Nee Ja Nee Ja

Wrangler (Vanity Fair) Nee

Zara ETI Ja Ja Ja Nee Ja

FOCUS

thode voor die bruikbaar is in alle betrokken

landen en ondersteunt de ontwikkeling van

een sociale dialoog.

Met uitzondering van de Belgen Bel&Bo en

Mayerline en ook van Zara, gaat geen enkel

van de bedrijven opgenomen in de selectie

echt de verbintenis aan dat de werknemers

die hun kleren produceren, een leefbaar loon

ontvangen, zoals hierboven gedefinieerd. De

meeste bedrijven die over een gedragscode

beschikken, engageren zich enkel met

betrekking tot het wettelijke loon. Als ze

verder gaan, beperken sommige zich tot een

intentieverklaring (Charles Vögele, Esprit,

Inwear, S.Oliver, We), en houden daarbij

rekening noch met de werknemer zelf, noch

met zijn familie, of ze vergeten te preciseren

dat die verloning moet overeenstemmen met

een normale arbeidsduur. Ten slotte is het zo

dat de meeste de notie “bijkomend” inkomen

niet opnemen.

Wat dit gevoelige vraagstuk betreft, is het

gedrag van de bedrijven, in sommige gevallen,

sterk beïnvloed doordat ze de gedragscodes

onderschrijven van bedrijfsgestuurde

initiatieven zoals het Business Social

Compliance Initiative (BSCI) of van multistakeholderinitiatieven

zoals de Fair Wear

Foundation (FWF), de Fair Labour Association

(FLA) of het Ethical Trading Initiative (ETI) (zie

pagina …).

We mogen ook niet vergeten dat er in dit

stadium nog maar sprake is van engagementen,

ingeschreven in gedragscodes, en

niet van de toepassing van die code, noch

van de controle.


In 2010 en 2011 kwamen honderdduizenden werknemers

uit de kledingsector op straat voor een verhoging van het

wettelijke loon, met name in Cambodja, Bangladesh en

China. In september 2010 namen 200.000 werknemers

van de kledingsector in Cambodja, of meer dan de helft van

de werknemers van die sector, deel aan een meerdaagse

staking voor een verhoging van het wettelijke minimumloon.

In Bangladesh hield oproer het land gedurende maanden in

zijn greep, met hetzelfde doel. Er werden inderdaad verhogingen

toegestaan door de respectieve regeringen, maar ze

waren belachelijk in verhouding tot de noden. De regeringen

waren immers te bevreesd buitenlandse investeerders en

klanten te verliezen.

Om het hoofd te bieden aan die lage lonen, ontwikkelen de

werknemers bepaalde strategieën: ze vermenigvuldigen de

overuren, verminderen hun uitgaven voor voeding en andere

essentiële behoeften. Nauwelijks enkele maanden na die

toezegging van magere loonsverhogingen, zagen de werknemers

in Bangladesh zich genoodzaakt de werkgevers

te vragen rijstrantsoenen te verdelen, omdat ze dit basisvoedingsmiddel

niet meer konden betalen. Cambodjaanse

werknemers vielen met honderden flauw van de honger en

uitputting op hun werkplek.

Loonverhogingen doen afhangen van productiviteitsstijging

Steeds meer merken en ketens ontwikkelen proefprojecten om

na te gaan in welke mate de productiviteit van de fabrieken

kan opgedreven worden om zo de lonen van de werknemers te

verhogen. Deze programma’s omvatten verschillende aspecten,

zoals een efficiëntieverbetering van de fabriek, een verandering

van de arbeidsorganisatie, een verbetering van de interne communicatie

of van de beheerssystemen. Er zijn echter zeer weinig

gegevens beschikbaar over de impact van die proefprojecten

op de lonen en nog minder over hun negatieve gevolgen voor

de arbeidsomstandigheden zoals een verhoging van de stress,

meer arbeidsongevallen, enz. Wat men weet, is dat geen van die

projecten geleid heeft tot een verloning equivalent aan een leefbaar

loon voor alle betrokken werknemers. Dat is een bewijs van

het grootste gebrek van die aanpak: productiviteitsverhogingen

kunnen slechts leiden tot “redelijke” verhogingen van de loonniveaus,

met andere woorden, verhogingen die verrekend kunnen

worden door de productiviteitswinst...

Bepaalde merken erkennen al dat de aanpak en de methode

moeten veranderen, vertrekkende van het essentiële uitgangspunt:

De berekening van de productiekost moet gebaseerd zijn

op een verloning die overeenstemt met een leefbaar loon

en daarna moet nagegaan worden welke veranderingen

moeten gebeuren om die kost te dragen.

Deze veranderingen kunnen slaan op productiviteitsverbetering,

verlagingen van de winstmarges van de leveranciers of verdelers,

prijsverhogingen doorgerekend aan de merken en ketens of

een prijsverhoging voor de consument.

De NGO Action Aid heeft een methode ontwikkeld waarmee

het mogelijk is rekening te houden met een lokaal leefbaar

loon in de berekening van de prijs die betaald wordt aan een

bepaalde fabriek voor een specifiek product. Het is echter geen

wondermethode die heel eenvoudig het moeilijke probleem van

het leefbaar loon oplost. Ze kan er echter wel toe bijdragen,

indien ze geïntegreerd wordt in programma’s ter bevordering

van de dialoog tussen de betrokken partijen, de uitoefening van

de vakbondsvrijheid en van de collectieve onderhandelingen en

een reflectieproces over eventuele grondige veranderingen in de

keten productie-distributie-consumptie.

FOCUS

FOCUS

RECHT OP ORGANISATIE EN COLLECTIEVE ONDERHANDELINGEN

Het recht om zich te organiseren en collectief te onderhandelen

biedt de arbeiders een kader waarin ze zich kunnen verdedigen en

met de bedrijfsleiding over hun arbeidsomstandigheden kunnen

onderhandelen. Die rechten worden vaak onderdrukt, zowel door

de wet als in de praktijk. De naleving van die rechten controleren

is bovendien niet eenvoudig. Het is bijgevolg niet voldoende dat de

bedrijven in hun code het recht van de arbeiders om vakbonden

op te richten of er zich bij aan te sluiten en om collectieve onderhandelingen

te voeren, inschrijven. Als ze willen dat hun code

toegepast wordt, moeten ze het probleem positief en proactief

benaderen. Dat houdt bijv. in dat ze maatregelen nemen om te

garanderen dat de werknemers die zich aansluiten bij een vakbond

of die deelnemen aan vakbondsactiviteiten om die reden niet het

slachtoffer worden van ontslag, discriminatie, pesterijen, intimidatie

of represailles. De bedrijven moeten ook garanderen dat

de vertegenwoordigers van de arbeiders toegang krijgen tot alle

werkplaatsen van het bedrijf en tot al wie ze vertegenwoordigen,

zodat ze hun vertegenwoordigende functie kunnen uitoefenen. Het

is bovendien onontbeerlijk dat de vakbondsleiders toelating krijgen

in het bedrijf te komen zodat ze een vakbond kunnen oprichten.

De bedrijven moeten zich ervan vergewissen dat hun leveranciers

te goeder trouw collectief onderhandelde akkoorden sluiten. Ze

moeten erover waken dat hun aankooppraktijken- en prijszetting

de modaliteiten van het akkoord respecteren en ze moeten er

zich dus toe engageren om hun relaties met de leverancier niet af

te breken wanneer de arbeiders zich in een vakbond verenigen.

Bij het kiezen van nieuwe leveranciers moeten ze de voorkeur

geven aan regio’s waar de vakbondsrechten zowel wettelijk als

in de praktijk gegarandeerd worden en de voorkeur geven aan

bedrijven met een vakbond.

Indien een bedrijf beslist om zich te bevoorraden in landen waar

de vrijheid van vereniging en van collectief onderhandelen wettelijk

beperkt is, zoals in China of Vietnam, moet het bijzondere

maatregelen nemen om menswaardige arbeidsvoorwaarden te

bevorderen. Dat houdt vooral in dat men de mogelijkheid van

de arbeiders om zich te organiseren, bevordert. Het bedrijf moet

dan aandacht hebben voor onpartijdige vorming van de arbeiders

over hun rechten, voor hun participatie aan alle activiteiten die

verband houden met de gedragscode, bijv. door het oprichten van

arbeiderscomités in samenwerking met lokale organisaties voor

de verdediging van de arbeidsrechten.

Alle ondernemingen die over een gedragscode beschikken, verwijzen

erin naar het organisatierecht van de werknemers. Met

uitzondering van C&A en Promod erkennen al die ondernemingen

ook het recht van de werknemers op collectieve onderhandelingen.

De expliciete verwijzingen naar de conventies van de

Internationale Arbeidsorganisatie zijn echter minder frequent: 15

van de 24 internationale bedrijven verwijzen naar conventie 87

voor het recht op organisatie en naar conventie 98 voor het recht

op collectieve onderhandelingen.

12 ALGEMEEN OVERZICHT ALGEMEEN OVERZICHT 13


= informatie niet Recht op Verwijzing Recht op collectief Verwijzing

beschikbaar organisatie Conv.87 onderhandelen Conv.98

BELGISCH

AS Adventure

Bel&Bo Ja Nee Ja Nee

Cassis Paprika Ja Ja Ja Ja

E5 Mode

JBC

Mayerline Ja Ja Ja Ja

Mer du Nord

Olivier Strelli

Prémaman

River Woods

Scapa Sports Geen code Geen code Geen code Geen code

Talking French

BUITENLANDS

Benetton Ja Ja Ja Ja

C&A Ja Nee Nee Nee

Charles Vögele Ja Ja Ja Ja

Diesel Geen code Geen code Geen code Geen code

Esprit Ja Ja Ja Ja

G Star Ja Nee Ja Nee

H&M Ja Ja Ja Ja

Inwear/IC Companys Ja Ja Ja Ja

Jack&Jones Ja Ja Ja Ja

Lee Ja Nee Ja Nee

Levi Strauss Ja Ja Ja Ja

Mango Ja Nee Ja Nee

Mexx Ja Ja Ja Ja

New Yorker Geen code Geen code Geen code Geen code

Only Ja Ja Ja Ja

Pimkie Geen code Geen code Geen code Geen code

Promod Ja Nee Nee Nee

S. Oliver Ja Ja Ja Ja

Street One Ja Nee Ja Nee

Triumph International Ja Ja Ja Ja

Vero Moda Ja Ja Ja Ja

We Ja Ja Ja Ja

Wrangler Ja Nee Ja Nee

Zara Ja Ja Ja Ja

FOCUS

SOCIALE DIALOOG IN BELGIË EN

NALEVING VAN DE RECHTEN VAN DE

WERKNEMERS IN DE BEVOORRA-

DINGSKETEN

In België is het sociale overleg gebaseerd

op sectorale akkoorden, die in paritaire

comités (PC) onderhandeld worden tussen

vakbonden en werkgevers. Die akkoorden

bepalen sterk de arbeidsvoorwaarden,

met name de lonen en de werkuren. In

de meerderheid van de gevallen worden

de arbeiders er vertegenwoordigd door

een vakbondsdelegatie. Hun vertegenwoordigers

zetelen in het Comité voor de

Preventie en Bescherming op het Werk

en eventueel in de Ondernemingsraad. In

de franchisewinkels kunnen de werknemers

over het algemeen niet genieten van

onderhandelingsstructuren.

Vakbondsafgevaardigden

De Schone Kleren Campagne biedt vakbondsafgevaardigden

een map aan om

in het CPBW of in de Ondernemingsraad

vragen te stellen met betrekking tot de

ketenverantwoordelijkheid van hun bedrijf.

Het gaat om een lijst vragen met achtergrondinformatie

en suggesties voor analyse

en opvolging van de antwoorden

tijdens het sociaal overleg. (zie hiervoor

www.schonekleren.be)

Internationale kaderakkoorden

Een internationaal kaderakkoord is een

akkoord dat onderhandeld wordt door een

transnationaal bedrijf en een internationale

vakbondsfederatie en dat gaat over de

internationale activiteiten van het betrokken

bedrijf. Het voornaamste doel van een kaderakkoord

is de sociale dialoog en de regeling

van de conflicten tussen de werknemers en

de werkgever te formaliseren. De inhoud

van die akkoorden varieert, maar houdt op

z’n minst rekening met de rechten vervat

in de fundamentele conventies van de IAO.

De reikwijdte van de akkoorden verschilt

ook. Sommige hebben alleen betrekking

op de arbeiders die tewerkgesteld worden

door de transnationale onderneming in haar

verschillende filialen en vestigingen in de

wereld. Andere, die zeldzamer zijn, hebben

ook betrekking op de arbeiders van

de leveranciers en onderaannemers. Een

ander belangrijk punt van die akkoorden

heeft betrekking op de uitvoering en controle

ervan. Ook hier is een grote diversiteit,

gaande van simpel overleg tussen

de internationale vakbondsfederatie en de

onderneming tot complexe systemen van

interne monitoring. Wat er ook van zij, de

beste en voornaamste bewakers van de

naleving van die akkoorden zijn de leden van

de lokale vakbonden die aangesloten zijn

bij de internationale vakbondsfederatie die

het kaderakkoord ondertekend heeft. Een

goede organisatie en communicatie tussen

de lokale, nationale en internationale vakbond

is dus van primordiaal belang opdat

die akkoorden een effectieve impact zouden

hebben op de arbeidsomstandigheden.

Een voorbeeld van een internationaal

kaderakkoord is het akkoord dat in 2007

gesloten werd tussen Zara-Inditex en de

Internationale Federatie van de Textiel-,

Kleding- en Lederarbeiders (ITGLWF). Het

akkoord is gebaseerd op de fundamentele

conventies van de IAO. Het is van

toepassing op alle arbeiders die voor Inditex

produceren, of ze nu tewerkgesteld zijn

door Inditex, door een leverancier, een

onderaannemer of thuisarbeider zijn. Het

bepaalt dat elke vorm van onderaanneming

schriftelijk overeengekomen moet worden

tussen Inditex en de leverancier en dat de

leverancier ook verantwoordelijk is voor de

naleving van de normen door zijn onderaannemers.

Vakbond en bedrijf werken samen

aan een vormingsprogramma voor directiepersoneel

en arbeiders. Een groep van 6

personen bestaand uit vertegenwoordigers

van Inditex-Zara en de ITGLWF evalueert

jaarlijks de naleving van het kaderakkoord.

Van de andere onderzochte ondernemingen

hebben alleen Triumph, en H&M een internationaal

kaderakkoord ondertekend.

FOCUS

14 ALGEMEEN OVERZICHT ALGEMEEN OVERZICHT 15


INDICATOR 2 - TOEPASSING

Een gedragscode mag nog zo goed zijn, het is slechts een

stuk papier. Het echte engagement van een bedrijf begint

pas bij de concrete toepassing, zodat dat de code effectief

kan bijdragen tot het garanderen van waardige werkomstandigheden

voor de kledingwerknemers in haar bevoorradingsketen.

De gedragscode uitvoeren vereist de ontwikkeling van

beheerssystemen en -procedures die de sociale normen verankeren

in alle activiteiten van de onderneming. Het lijkt dus

vrij logisch dat de code geïntegreerd wordt in de contractuele

voorwaarden die het bedrijf binden aan zijn leveranciers en

onderaannemers.

In 2008 toonde onze enquête aan dat slechts iets meer dan de

helft van de geselecteerde bedrijven hun gedragcode opnam

in de contracten met leveranciers. In 2010 stellen we vast dat

die praktijk ingang gevonden heeft. Slechts vier Belgische of

internationale ondernemingen die over een code beschikken

(Cassis, Benetton, Triumph International en We) maken

er nog geen contractuele clausule van. Met uitzondering van

de Amerikaanse bedrijven Lee en Wrangler en het Italiaanse

Benetton, beschikken veel bedrijven over gedragscodes die

vertaald zijn in de taal van het land of de streek waar zij zich

bevoorraden. We merken op dat Street One zijn leveranciers

verplicht zijn gedragscode te vertalen.

Dat is allemaal heel mooi, maar tot hiertoe blijft de gedragscode

nog steeds een communicatiemiddel of een instrument

voor risicobeheer. Ze zal nog niet bijdragen tot een verbetering

van de arbeidsomstandigheden. Daarvoor zijn andere stappen in

de praktijk nodig, om te beginnen de vorming van de betrokken

mensen.

Vorming

Men kan de arbeidsomstandigheden alleen verbeteren en de

rechten van de arbeiders beschermen als de laatstgenoemden

een actieve rol spelen bij de toepassing van de gedragscode. Dat

veronderstelt dat zij hun rechten kennen en opgeleid worden over

hoe ze de code kunnen gebruiken als ze dat wensen.

Om het mogelijk te maken dat de arbeiders zich vrij kunnen

uitdrukken, is het nuttig om vormings- of sensibiliseringssessies

buiten de fabriek en in samenwerking met geloofwaardige organisaties

te organiseren.

18 van de 24 bestudeerde internationale ondernemingen ontwikkelen

opleidingen voor hun directie en hun personeel dat betrokken

is bij de bevoorradingsketen, evenals voor de directie en het

personeel van hun leveranciers betrokken bij de toepassing van

de code. Enkel Diesel, Pimkie, Promod, S.Oliver (nochtans lid

van BSCI), Street One en Triumph International melden geen

enkel initiatief in die zin.

Er zijn echter veel minder bedrijven die vorming vermelden voor

de werknemers die hun producten maken. We willen hier wel

enkele initiatieven aanhalen: zo heeft H&M in Tirupur, India, een

programma ontwikkeld ter sensibilisering van de werknemers

over hun rechten en het kondigt ook de realisatie aan van een film

over dat onderwerp. De groep Bestseller (Jack&Jones, Only en

Vero Moda) heeft 100.000 brochures verdeeld onder de werknemers

van zijn Chinese leveranciers en 10.000 onder die van de

Turkse leveranciers om hen te informeren over hun rechten en

Vero Moda heeft in 2010 ook een vormingsprogramma voor hen

ontwikkeld. In China financiert Levi Strauss & Co lokale NGO’s

om de werknemers te informeren over hun rechten.Volgens Levi’s

hebben die vormingsprogramma’s tot op vandaag honderdduizenden

migrantenwerkneemsters bereikt. Nog altijd in China

steunt Levi’s de oprichting van comités voor veiligheid en hygiëne

met de werknemers van zijn leveranciers en faciliteert de dialoog

tussen die comités en de directie van de fabriek.

Van de bestudeerde Belgische ondernemingen, is Mayerline

de enige die meldt zijn personeel te vormen en toe te zien

op de deelname van zijn leveranciers aan opleidingen

georganiseerd door de Fair Wear Foundation (zie p. 20).

Mayerline maakt geen melding van vormingen voor de productiearbeiders.

Interne controle

Opdat de gedragscode impact zou hebben op de bedrijfsactiviteiten,

moet de toepassing ervan en de interne controle (monitoring)

erop de verantwoordelijkheid zijn van het management

dat daartoe is opgeleid. Zij moeten van de leveranciers kunnen

eisen dat ze adequaat rapporten bijhouden en dat ze aan de

controleurs, directieleden en de arbeiders toegang tot de registers

verlenen. Speciale aandacht moet geschonken worden

aan de omstandigheden waarin de interviews met de arbeiders

gebeuren. Die moeten plaats vinden buiten de fabriek, en er

moet over gewaakt worden dat de directie de antwoorden van

de arbeiders niet kan beïnvloeden. Werknemers moeten op een

toevallige manier geselecteerd worden, zonder inmenging van

de directie. Hun anonimiteit moet gewaarborgd worden en elke

sanctie achteraf vermeden worden.

Sommige bedrijven hebben teams voor “sociale naleving”

gevormd om deze taken uit te voeren. Andere hebben commerciële

bedrijven ingehuurd om de naleving van de gedragscode

met sociale audits te controleren. Tegenwoordig worden elk jaar

duizenden dergelijke audits georganiseerd. Nochtans zijn die

audits beperkt in de manier waarop ze de typische arbeidsomstandigheden

(zoals de vrijheid van vereniging) controleren. Er is

een ruime consensus over dat dit de oorzaak is van het feit dat ze

onvoldoende kwaliteit leveren. 1

Sommige organisaties blijven audits beschouwen als hét controle-instrument

bij uitstek. Dat is het geval van het Business Social

Compliance Initiative. 5 van de bestudeerde bedrijven zijn lid van

BSCI: Charles Vögele, Esprit, Inwear, S.Oliver en We.

Daarnaast is C&A lid van GSCP.

1 Zie daarover het rapport: «Looking for a quick fix», Clean Clothes Campaign,

2005. http://www.cleanclothes.org/publications/quick_fix.htm

Business Social Compliance Initiative (BSCI)

BSCI werd opgericht in 2004, binnen de Europese distributielobby, de

Foreign Trade Association. Het vloeit voort uit het initiatief van bedrijven

die hun inspanningen wilden bundelen en dubbel werk wilden

vermijden in hun respectieve audits. Zijn doelstelling is het verbeteren

van de arbeidsomstandigheden op de productiesites door middel van

audits en correctieve maatregelen bij vastgestelde inbreuken.

Het ontbreekt het BSCI echter aan legitimiteit.

• Het eist niet dat zijn leden een leefbaar loon betalen.

• In plaats van inbreuken op de code op te sporen, stelt BSCI zich

vaak in de plaats van een controle door een multipartiete organisatie

die samenwerkt met de vakbonden en de lokale NGO’s.

• Het beperkt zich tot een evaluatie van de conformiteit van de

productiesites aan zijn eigen gedragscode, het eist zelfs correctieve

maatregelen zonder rekening te houden met de invloed

van het bevoorradingsbeleid van een bedrijf op de mogelijkheden

tot verbetering van de arbeidsomstandigheden in de fabrieken.

• Het publiceert geen verslagen noch lijsten van de betrokken

fabrieken.

Klachtenprocedure

Momentcontroles zijn niet het beste middel om eventuele problemen

aan het licht te brengen. Door het opzetten van klachtenprocedures

kan wel op permanente basis nuttige informatie

van de kant van de direct betrokkenen ingewonnen worden.

Om bruikbaar te zijn, moeten die procedures toegankelijk zijn

voor de arbeiders en de andere betrokken partijen. De klachtenregistratie

moet gebeuren volgens een veilig, anoniem,

confidentieel en onafhankelijk mechanisme. Dat houdt in dat

er duidelijke procedures voorzien worden voor de ontvangst

van de klachten, het onderzoek ervan door onafhankelijke

partijen, de mededeling van de resultaten van het onderzoek

en de uitvoering van verbetermaatregelen, indien de klachten

gegrond blijken te zijn.

Een klein aantal van de bestudeerde bedrijven meldt inderdaad

klachten te hebben ontvangen en behandeld in 2009:

Zara, Levi Strauss en Esprit. Meerdere ondernemingen verwijzen

naar de klachtenprocedure van BSCI en melden tegelijk

geen klachten ontvangen te hebben of ze antwoorden niet

op die laatste vraag: We, s.Oliver, Inwear, Charles Vögele.

Twee bedrijven melden specifieke communicatiekanalen te

hebben opgezet om klachten te ontvangen: Street One en

H&M. H&M signaleert daarenboven een klachtenprocedure

te hebben geïntroduceerd in China en in Turkije, in samenwerking

met FLA.

Global Social Compliance Programme (GSCP)

GSCP werd opgericht door Carrefour, Wal Mart en Tesco en is

ondergebracht bij Consumer Goods Forum. Dit Forum is ontstaan

uit een fusie van CIES, Global CEO Forum en GCI. CIES

is een groepering van grote distributeurs en leveranciers van

voedingsmiddelen (CIES) en twee samenwerkingsplatformen

van distributeurs en leveranciers (Global CEO Forum en Global

Commerce Initiative). Carrefour is voorzitter en Coca Cola

is medevoorzitter van Consumer Goods Forum. Volgens de

oprichters is GSCP een ‘bedrijfsgestuurd programma bedoeld

voor bedrijven die hun inspanningen willen verbeteren via

een gedeelde, coherente en globale aanpak om de arbeidsomstandigheden

in hun wereldwijde bevoorradingsketen te

verbeteren.’ GSCP is geen multistakeholder initiatief omdat

vakbonden (O.a. UNI) en NGO’s slechts een adviserende en

geen beslissende rol hebben. GSCP werkt vooral aan de hand

van modellen (per product, criteria) en een modelgedragscode.

GSCP heeft geen instrumenten ontworpen voor de toepassing

en controle van arbeidsnormen.

Verbeterplannen

Tijdens de meeste controles worden er schendingen van de lokale

arbeidswetgeving of de gedragscodes vastgesteld.

Als er een probleem wordt ontdekt, dan moet het bedrijf zijn leverancier

of onderaannemer de mogelijkheid bieden om de ontoereikende

situatie te corrigeren of te verbeteren door daarvoor

tijd en ondersteuning te geven. Het verbeterplan moet gepaard

gaan met een redelijke uitvoeringstermijn. Het is slechts in laatste

instantie, wanneer duidelijk blijkt dat er geen verbeteringen

aangebracht worden, dat een verbreking van de handelsrelatie

overwogen mag worden.

Weinig bedrijven verklaren zich bereid hun leveranciers te steunen

om de situatie in de productie-eenheden te verbeteren.

Zara bijvoorbeeld, lid van ETI, heeft de ETI-uitvoeringsprincipes

onderschreven. Die verplichten bedrijven samen te werken met

hun leverancier om ieder vastgesteld probleem te verhelpen. Die

principes beklemtonen o.a. het belang van de vakbonden in dit

proces. Volgens die principes, is een stopzetting van de relatie

met de leverancier slechts mogelijk als ernstige inbreuken op de

code blijven bestaan niettegenstaande herhaalde pogingen tot

samenwerking en indien niets toelaat te hopen op een verbetering

van de situatie. Een ander voorbeeld, Mayerline, lid van de FWF,

voorziet een budget om, indien nodig, bij te dragen tot verbeteringsplannen

van zijn leveranciers.

16 ALGEMEEN OVERZICHT ALGEMEEN OVERZICHT 17


Aankooppraktijken

Wat het aankoopbeleid betreft, vormen de keuze van het

land van productie en trouw in de relatie met de leveranciers

twee belangrijke elementen om de naleving van de sociale

rechten, in het bijzonder de syndicale rechten, te waarborgen,

evenals de duurzaamheid van de gerealiseerde verbeteringen.

Niettegenstaande hun engagement om vakbondsvrijheid te

respecteren en ook te doen respecteren door hun leveranciers,

laten talrijke bedrijven hun kleding produceren in landen of

gebieden (zoals bijvoorbeeld vrijhandelszones) waar die vrijheid

beperkt is of zelfs onbestaand.

Het is interessant vast te stellen dat van de 6 bestudeerde

bedrijven die langetermijnrelaties onderhouden met hun leveranciers,

er drie Belgisch zijn (Bel&Bo, Cassis en Mayerline).

De drie andere zijn Mango, Promod en natuurlijk Triumph

International, dat zelf een groot deel van zijn artikelen produceert.

Zich bevoorraden in Myanmar, direct of via een agent (zoals

Li&Fu, waar met name Promod een beroep op doet, net zoals

Solidariteitsoproepen

De Schone Kleren Campagne verspreidt

regelmatig solidariteitsoproepen van

arbeidsorganisaties die het hoofd moeten

bieden aan ernstige schendingen

van arbeidsrechten in een fabriek en

die internationale solidariteit vragen.

De Schone Kleren Campagne spreekt

dan de kledingketens en merken aan

die aankopen bij de betrokken fabriek

en eist dat zij hun engagement dat in

hun eigen gedragscode ingeschreven

is, naleven. Indien de klacht gegrond is

en het lobbywerk niets oplevert, maakt

de Schone Kleren Campagne de oproep

publiek en verspreidt die breed via internet

en haar lidorganisaties, om druk uit

te oefenen op de kledingdistributeur.

Het doel is om het de kledingketens en

merken die klant zijn bij de leverancier,

ertoe te brengen zich in te zetten voor

de oplossing van het conflict bij voorkeur

via dialoog tussen zijn leverancier en de

lokale arbeidsorganisaties om op redelijke

termijn tot een oplossing te komen.

talrijke andere distributeurs) of in Vietnam en in China, zoals

bijna alle bestudeerde ondernemingen doen, is niet compatibel

met het engagement van de bedrijven om de vrijheid van vereniging

van de werknemers te verdedigen, aangezien in die landen

de werknemers geen lid mogen worden van de vakbond van hun

keuze. In die omstandigheden moeten de ondernemingen op zijn

minst kunnen aantonen dat ze inspanningen geleverd hebben

om een sociale dialoog te ontwikkelen binnen het bedrijf.

Op het vlak van de aankooppraktijken, kan de druk die merken

en ketens uitoefenen op hun leveranciers om kortingen of kortere

leveringstermijnen te bekomen, strijdig zijn met het respecteren

van een leefbaar minimumloon of een niet-excessieve

arbeidsduur. Zeer korte leveringstermijnen eisen, een bestelling

zeer laat bevestigen, dat vertaalt zich in excessieve of gedwongen

overuren.

Een waardig loon betalen zou moeten geïntegreerd worden in

duidelijke richtlijnen en instrumenten voor de aankopers en de

werkwijze waarop ze prijzen vastleggen. Op dit vlak is er nog

een lange weg te gaan.

= informatie niet Langetermijnrelatie Evaluatie van de Productie in

beschikbaar met productiecapaciteit landen zonder

leveranciers* vakbondsvrijheidINTERNA

18 ALGEMEEN OVERZICHT ALGEMEEN OVERZICHT 19

BELGISCH

AS Adventure

Bel&Bo Ja Nee China

Cassis Paprika Ja Nee China


INDICATOR 3 - ONAFHANKELIJKE CONTROLE

Om geloofwaardig en effectief te zijn moet de toepassing van een

gedragscode door een onafhankelijk multistakeholderinitiatief

gecontroleerd worden. Dat is niet het geval voor de grote meerderheid

van de bedrijven.

In de loop van de voorbije jaren zijn verscheidene multistakeholderinitiatieven

voor onafhankelijke controle opgericht.

Multistakeholder omdat ze bedrijven, vakbonden en NGO’s laten

samenwerken op verschillende niveaus in de organisatie. Ze

worden ook gekenmerkt door een systematische benadering

van de gedragscodes, hun toepassing, de interne controle (of

‘monitoring’) en onafhankelijke controle ervan en door het feit dat

ze samenwerking tussen hun leden bevorderen. Die multistakeholderinitiatieven

gaan met de bedrijven die er lid van zijn, een

contract aan voor een progressief proces van toepassing en controle.

Daarom bieden ze de bedrijven die op dit vlak slechts weinig

ervaring of interne capaciteit hebben, de nodige doelmatige steun.

In de kledingsector zijn de Fair Wear Foundation, Social

Accountability International, Ethical Trading Initiative, de Fair

Labor Association en het Worker Rights Consortium de relevante

mutistakeholderinitiatieven.

Fair Wear Foundation

De Fair Wear Foundation (FWF) is een multistakeholderstichting

voor de onafhankelijke controle van de arbeidsomstandigheden

voor de kledingindustrie. Ze is in 1999 in Nederland opgericht,

in het kielzog van één van de pilootprojecten voor onafhankelijke

controle die door de internationale Schone Kleren Campagne zijn

uitgevoerd. In het bestuur ervan zetelen vertegenwoordigers van

werkgeversfederaties, vakbonden en NGO’s. De bedrijven die er

lid van worden ondertekenen de gedragscode van de FWF. Ze

engageren zich ertoe de code toe te passen, de fabrieken die voor

hun rekening produceren, te controleren en er de arbeidsomstandigheden

te verbeteren. Elk jaar moeten de leden een rapport en

een werkplan opstellen. Aan de ene kant controleert de FWF het

beleidssysteem dat uitgevoerd wordt door het bedrijf dat lid is.

Aan de andere kant controleert FWF de arbeidsomstandigheden

in de fabrieken. Om dat te doen, vormt de FWF in de productielanden

lokale teams van auditors om arbeiders en werkgevers te

interviewen en de fabrieken te inspecteren.

FWF telt 75 bedrijven, vooral KMO’s. Het zijn 71 ketens en merken

die modekleding, werkkleding, promotionele kleding, sportkleding

verkopen en/of produceren. Hun hoofdzetel is in Nederland,

België, Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Zweden of Engeland.

www.fairwear.org

Mayerline, een Belgisch bedrijf dat in deze brochure aan bod

komt, is deelnemer van Fair Wear Foundation.

Fair Labor Association

De Fair Labor Association (FLA) is in 1998 opgericht in het kader

van het «Apparel Industry Partnership», een initiatief van het

Witte Huis met als doel een einde te maken aan de uitbuiting

van de arbeiders in de kledingindustrie in de V.S. en elders in

de wereld. De FLA wil de verbetering van de arbeidsomstandigheden

in de kleding-, sportschoenen- en andere sectoren

waarin de Amerikaanse universiteiten het gebruik van hun logo’s

commercialiseren. Bij de oprichting van de FLA hebben verscheidene

vakbonen en NGO’s die eerder bij het «Apparel Industry

Partnership» betrokken waren, zich teruggetrokken omdat ze de

criteria en controlenormen te zwak vonden. FLA selecteert en

accrediteert internationale of lokale private auditingbureaus die

niet aangekondigde inspecties uitvoeren om te verifiëren of de

normen van de gedragscode van de FLA door de deelnemende

bedrijven nageleefd worden. FLA publiceert jaarlijkse rapporten

en evaluaties, alsook de resultaten van audits. FLA leidt ook projecten

samen met de leden om specifieke problemen aan te pakken

en op te lossen. De deelnemerslijst van FLA is te vinden op:

www.fairlabor.org

H&M en Mexx, die in deze brochure aan bod komen, zijn deelnemer

van Fair Labor Association.

Social Accountability International

Social Accountability International (SAI) is een NGO waarvan het

doel is de levensomstandigheden op de werkvloer en in de lokale

gemeenschappen te verbeteren door de toepassing van sociale

normen. In 1997 heeft SAI de SA8000-norm gelanceerd. Die is

gebaseerd op de fundamentele IAO-Conventies en op conventies

van de Verenigde Naties. SAI accrediteert auditingbureaus

(waarvan het grootste deel privé) die de naleving van de SA8000norm

controleren, voornamelijk in productiebedrijven. SAI werkt

daarbij samen met vakbonden, NGO’s, organisaties voor eerlijke

handel en milieubescherming, lokale stichtingen en regeringen.

De distributiebedrijven kunnen lid worden op drie niveaus van

steeds hoger engagement: ondersteunend lid (supporting), verkennend

lid (explorer) of ondertekenend lid (signatory). De lijst

van ongeveer 2600 gecertificeerde fabrieken is te vinden op

www.sa-intl.org

Geen enkel bedrijf in deze brochure is deelnemer van SAI.

Verschillende echter signaleren dat ze werken met leveranciers

die SA8000 gecertificeerd zijn.

Ethical Trading Initiative

Het Ethical Trading Initiative (ETI) is in 1998 opgericht in Groot-

Brittanië. Het gaat om een alliantie tussen bedrijven, NGO’s en

vakbonden met als doel de arbeidsomstandigheden en de toepassing

van de gedragscodes te verbeteren in de toeleveringsketens

van bedrijven uit verschillende sectoren. ETI bevordert de samenwerking

onder zijn leden via experimentele projecten en door

de aandacht te vestigen op goede praktijken en die te delen. De

bedrijven die lid willen worden moeten de gedragscode van ETI

aanvaarden en jaarlijks een rapport voorleggen over de toepassing

ervan. Indien een deelnemend bedrijf niet aan de vereisten

voldoet, dan moet het binnen een bepaalde termijn een onderhandeld

verbeterwerkplan uitvoeren. Indien het bedrijf daar niet aan

voldoet, wordt het verzocht ETI te verlaten. De deelnemende bedrijven

van ETI behoren niet allemaal tot de kledingindustrie. Er zijn

ook bedrijven uit verschillende handelssectoren (voeding, drank,

bloemen, schoenen, huistextiel, enz.). De lijst is beschikbaar op:.

ww.ethicaltrade.org

Zara (Inditex), een bedrijf dat in deze brochure aan bod komt, is

lid van Ethical Trading Initiative.

20 ALGEMEEN OVERZICHT ALGEMEEN OVERZICHT 21


FOCUS

ZANDSTRALEN VAN JEANS IS DODELIJK

Zandstralen van jeans bestaat erin om de indigokleur uit de

stof te verwijderen door er onder hoge druk zand op te spuiten.

Dit versoepelt en verbleekt de jeans. Het is dezelfde techniek

die gebruikt wordt om een gevel te zandstralen. Het verschil

is echter dat zandstralen van jeans gebeurt in een afgesloten

ruimte, zonder voldoende ventilatie en de werknemer gedurende

dagen, weken aan een stuk werkt zonder degelijke

beschermingsmiddelen.

Zandstralen vormt een groot risico voor de gezondheid van werknemers.

Het zand bevat kristallijn silica dat stoflong (silicose) kan

veroorzaken, een ongeneeslijke en dodelijke ziekte. De stoflong

die zandstralers van jeans oplopen, is een erg acute vorm. De

symptomen zijn sterker en de ziekte evolueert sneller dan, bijvoorbeeld,

bij mijnwerkers.

In Turkije waren eind 2011 meer dan 50 zandstralers

gestorven aan stoflong en bij meer dan 1200 werd de

diagnose gesteld. De techniek van zandstralen wordt ook

gebruikt in China, Bangladesh, Tunesië en andere

productielanden van jeans.

Sinds 2010 voeren de Schone Kleren Campagnes actie om de

techniek van het zandstralen in de kledingindustrie te verbieden.

Van kledingketens en –merken wordt gevraagd dat ze het gebruik

van zandstralen in hun toeleveringsketen onmiddellijk verbieden,

dat ze de zandstralers in hun keten opsporen en een medische

test laten doen, dat ze een vergoeding betalen aan werknemers

in hun keten die aangetast zijn door silicose.

Eind 2011 hadden 23 merken en ketens die actief zijn op de

Belgische kledingmarkt publiek het gebruik van zandstralen in

hun toeleveringsketen verboden.

Van de Belgische bedrijven die in deze brochure aan bod

komen, hebben Olivier Strelli en Scapa Sports niet gereageerd.

Andere bedrijven daarentegen wel. Bel&Bo en Mer du Nord

verklaarden publiekelijk dat zandstralen verboden is. Ze volgen

hierin Benetton, C&A, Charles Vögele, Esprit, G Star, H&M,

Jack&Jones, Levi Strauss, Mango, New Yorker, Only, Pimkie,

Promod, Vero Moda en We.

De Belgische bedrijven AS Adventure, Cassis, E5 Mode, JBC

et Mayerline zeggen dat ze geen gebruik maken van zandstralen

maar doen geen publieke verklaring over het verbod in

de toekomst. Hetzelfde geldt voor Inwear, Lee, Street One

en Wrangler.

Ondanks de hoogdringendheid kondigen sommige bedrijven aan

dat ze zullen stoppen met zandstralen weliswaar op langere

termijn of zonder vermelding van een eindtermijn : Diesel (lentecollectie

2012), s.Oliver en Zara.

FOCUS

INDICATOR 4 - COMMUNICATIE EN TRANSPARANTIE

Productieplaatsen

Momenteel is er in Europa geen enkele wettelijke verplichting om

de productieplaats aan te duiden (het “Made in...”) op de kleding

die te koop aangeboden worden. Als een bedrijf de herkomst

van een product aanduidt, dan gaat het meestal over het land

waar het laatste productiestadium ofwel het grootste deel van de

toegevoegde waarde gerealiseerd is vooraleer het geïmporteerd

is. Bijvoorbeeld, een jurk die gemaakt is in Bangladesh en die

afgewerkt is in een atelier van Zara in Galicië, zou het etiket

“Made in Europe” kunnen dragen. Het “Made in...” is dus niet in

alle gevallen een blijk van transparantie. Maar omdat elk wettelijk

kader inzake transparantie van de toeleveringsketens ontbreekt,

is het soms een indicatie.

Zeldzaam zijn de bedrijven die een bijkomende stap zetten, door

bijv. een lijst van hun leveranciers te publiceren. Dat is een stap

die we toejuichen gezien de nog bestaande taboes in verband met

het onthullen van dit soort informatie omdat ze als ultragevoelig

wordt beschouwd op het vlak van de concurrentie. Nochtans is

het soort transparantie dat daarmee bekomen wordt, verre van

volledig. Er wordt over het algemeen geen rekening gehouden

met de verschillende locaties van de productie-eenheden van

eenzelfde leverancier of met de onderaannemers.

Van de voor deze studie geselecteerde ondernemingen vermeldt

ongeveer de helft altijd of soms de plaats van confectie op het

etiket van het product. Veel minder talrijk nog zijn de bedrijven

die de lijst van hun leveranciers publiceren, maar die praktijk gaat

vooruit: Zara publiceert de lijst van zijn leveranciers in zijn jaarverslag

en geeft de adressen door aan ETI. Mango geeft zijn lijst

door aan de Spaanse Schone Kleren Campagne, Levi’s publiceert

de lijst van zijn leveranciers met hun adressen op zijn website.

H&M publiceert de lijst van zijn Chinese en Turkse leveranciers

in het kader van zijn lidmaatschap van FLA. Mayerline vertrouwt

zijn lijst van leveranciers toe aan de FWF.

22 ALGEMEEN OVERZICHT ALGEMEEN OVERZICHT 23

Gedragscode

Om bruikbaar te zijn, moet de gedragscode van een bedrijf verspreid

worden onder de personen op wie ze betrekking heeft,

met name de arbeiders en consumenten. Wordt de code voor de

arbeiders en, gelet op hun over het algemeen laag opleidingsniveau,

op goed zichtbare, consulteerbare en begrijpelijke wijze

(vertaald) bekend gemaakt op de arbeidsplaats? Zijn de arbeiders

zich bewust van de inhoud en draagwijdte ervan?

Wordt de code gepubliceerd op de website van het bedrijf en

wordt ze op aanvraag ter beschikking gesteld?

Cassis, E5 Mode, JBC, Benetton, Mango en Promod hebben

een code maar publiceren ze niet op hun website.

Rapporten

Almaar meer bedrijven publiceren jaarlijkse rapporten over

hun bijdrage aan duurzame ontwikkeling of maatschappelijke

verantwoordelijkheid. Die rapporten vormen belangrijke informatiebronnen

voor de klanten, aandeelhouders, werknemers,

leveranciers en het grote publiek. Om de maatschappelijke

verantwoordelijkheid van het bedrijf te kunnen beoordelen, is

het nuttig dat die rapporten niet alleen feitelijke gegevens over

de gedragscode, de monitoring ervan, de uitgevoerde audits

en de resultaten ervan bevatten, maar ook actieplannen voor

de verbetering van de arbeidsomstandigheden, de effectief

uitgevoerde stappen en hun concrete impact. Meer en meer

bedrijven doen daarvoor een beroep op het Global Reporting

Initiative (GRI), dat richtlijnen voorstelt voor het opstellen van

rapporten over duurzame ontwikkeling.

Van onze selectie publiceert een minderheid van de bedrijven een

sociaal jaarverslag over zijn bevoorradingsketen. Het gaat om het

Belgische Mayerline, dat zijn eerste jaarverslag publiceerde in

2011, in het kader van zijn toetreding tot FWF, en de internationale

ondernemingen C&A, We, H&M, Mango en Zara. De laatste

drie passen het GRI-format toe.

More magazines by this user
Similar magazines