06.08.2013 Views

CNC PILOT 4290 - heidenhain

CNC PILOT 4290 - heidenhain

CNC PILOT 4290 - heidenhain

SHOW MORE
SHOW LESS

Create successful ePaper yourself

Turn your PDF publications into a flip-book with our unique Google optimized e-Paper software.

<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong><br />

NC-software<br />

368 650-xx<br />

V7<br />

Bedieningshandboek<br />

Nederlands (nl)<br />

7/2004


Toetsenbord voor gegevensinvoer<br />

Bedrijfsmodus Handbediening<br />

Bedrijfsmode Automatisch bedrijf<br />

Bedrijfsmodi Programmeren (DIN PLUS, Simulatie,<br />

TURN PLUS)<br />

Bedrijfsmodi Besturen (Parameters, Service,<br />

Overdracht)<br />

Foutstatus tonen<br />

Infosysteem oproepen<br />

ESC (escape - afbreektoets)<br />

■ één menustap terug<br />

■ Dialoogbox afsluiten, gegevens niet opslaan<br />

INS (insert = Engelse term voor invoegen)<br />

■ Element in de lijst invoegen<br />

■ Dialoogbox afsluiten, gegevens opslaan<br />

ALT (alter = Engelse term voor wijzigen)<br />

■ Element in de lijst wijzigen<br />

DEL (delete = Engelse term voor wissen)<br />

■ Hiermee wordt het element in de lijst gewist<br />

■ Hiermee wordt het geselecteerde resp. het teken<br />

links van de cursor gewist<br />

. . . Cijfers voor invoer van waarden en<br />

softkey-keuze<br />

Decimale punt<br />

Min voor ingeven van voorteken<br />

”Toets Verder” voor speciale functies (bijv.<br />

Selecteren)<br />

Cursortoetsen<br />

PgUp, PgDn<br />

■ Naar vorige/volgende beeldschermpagina<br />

■ Naar vorige/volgende dialoogbox<br />

■ Van ene naar andere invoervenster<br />

Enter – Om de ingave van waarden te beëindigen<br />

Machinebedieningspaneel<br />

Cyclusstart<br />

Cyclusstop<br />

Voedingstop<br />

Spilstop<br />

Spil aan – richting M3/M4<br />

Spil ”tippen” – richting M3/M4 (De<br />

spil draait totdat u de toets<br />

indrukt.)<br />

Jogtoetsen +X/–X<br />

Jogtoetsen +Z/–Z<br />

Jogtoetsen +Y/–Y<br />

IJlgangtoets<br />

Sledeschakelaar<br />

Spilschakelaar<br />

Spiltoerental op de geprogrammeerde waarde<br />

Spiltoerental met 5 % verhogen/verlagen<br />

Override-draaiknop voor<br />

voedings-override<br />

Touchpad met rechter- en<br />

linkermuisknop


<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong>, software en functies<br />

In dit handboek wordt beschreven over welke functies u bij gebruik van<br />

de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> met NC-softwarenummer 368 650-xx (Release<br />

7.0) kunt beschikken. De programmering van de Y-as wordt niet in dit<br />

handboek, maar in het bedieningshandboek „<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> met Yas“<br />

beschreven.<br />

De machinefabrikant stemt met behulp van parameters de<br />

beschikbare functies van de besturing op de desbetreffende machine<br />

af. In dit handboek worden daarom ook functies beschreven waarmee<br />

niet elke <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> is uitgevoerd.<br />

Onderstaande <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong>-functies zijn bijvoorbeeld niet op alle<br />

machines aanwezig:<br />

■ Bewerkingen met de C-as<br />

■ Bewerkingen met de Y-as<br />

■ Complete bewerking<br />

■ Gereedschapsbewaking<br />

■ Grafisch interactieve contourdefinitie<br />

■ Automatisch of grafisch interactief DIN PLUS-programma's maken<br />

Als u wilt weten welke functies door de machine met besturing<br />

worden ondersteund, kunt u contact opnemen met de<br />

machineleverancier.<br />

Veel machineleveranciers en ook HEIDENHAIN bieden<br />

programmeercursussen voor de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> aan. Wij adviseren u<br />

deze cursussen te volgen, als u de functies van de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong><br />

grondig wilt leren kennen.<br />

Speciaal voor de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> biedt HEIDENHAIN het<br />

softwarepakket DataPilot <strong>4290</strong> voor de PC aan. De DataPilot is<br />

geschikt voor gebruik dicht bij de machine in de werkplaats, in het<br />

kantoor van de werkplaatschef, bij de werkvoorbereiding en voor<br />

trainingsdoeleinden. De DataPilot wordt gebruikt op PC's met het<br />

besturingssysteem WINDOWS 95, WINDOWS 98, WINDOWS ME,<br />

WINDOWS NT 4.0 of WINDOWS 2000.<br />

Gebruiksomgeving<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> voldoet aan de eisen van klasse A volgens EN 55022<br />

en is hoofdzakelijk bedoeld voor gebruik in een industriële omgeving.


Inhoud<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong><br />

Inleiding en basisbegrippen<br />

Bedieningsinstructies<br />

Handbediening en automatisch bedrijf<br />

DIN PLUS<br />

Grafische simulatie<br />

TURN PLUS<br />

Parameter<br />

Bedrijfsmiddelen<br />

Service en diagnose<br />

Overdracht<br />

Tabellen en overzichten<br />

I<br />

1<br />

2<br />

3<br />

4<br />

5<br />

6<br />

7<br />

8<br />

9<br />

10<br />

11<br />

Inhoud


Inhoud<br />

1 Inleiding en basisbegrippen ..... 1<br />

1.1 De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> ..... 2<br />

1.2 Bedrijfsmodi ..... 5<br />

1.3 Configuraties (opties) ..... 6<br />

1.4 Basisprincipes ..... 7<br />

1.5 Gereedschapsmaten ..... 10<br />

2 Bedieningsinstructies ..... 11<br />

2.1 Bedieningsinterface ..... 12<br />

2.1.1 Beeldschermweergaves ..... 12<br />

2.1.2 Bedieningselementen ..... 13<br />

2.1.3 Keuze van bedrijfsmode ..... 14<br />

2.1.4 Selecteren van functies, gegevensinvoer ..... 14<br />

2.2 Info-systeem ..... 16<br />

2.3 Foutsysteem ..... 17<br />

2.3.1 Directe foutmeldingen ..... 17<br />

2.3.2 Foutweergave, PLC-uitlezing ..... 17<br />

2.4 Gegevensbeveiliging ..... 19<br />

2.5 Begripsverklaring ..... 19<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf ..... 21<br />

3.1 Inschakelen, uitschakelen, referentieprocedure ..... 22<br />

3.1.1 Inschakelen en referentieprocedure ..... 22<br />

3.1.2 Uitschakelen ..... 23<br />

3.2 Bedrijfsmode Handbediening ..... 24<br />

3.2.1 Machinegegevens invoeren ..... 25<br />

3.2.2 M-functies ..... 25<br />

3.2.3 Handmatige draaibankbewerking ..... 26<br />

3.2.4 Handwiel ..... 26<br />

3.2.5 Spil- en jogtoetsen ..... 27<br />

3.2.6 Slede- en spilschakelaar ..... 27<br />

3.3 Gereedschapstabellen, standtijdbeheer ..... 28<br />

3.3.1 Gereedschapstabel instellen ..... 29<br />

3.3.2 Gereedschapstabel met NC-programma vergelijken ..... 31<br />

3.3.3 Gereedschapstabel uit NC-programma overnemen ..... 32<br />

3.3.4 Standtijdbeheer ..... 33<br />

3.4 Instelfuncties ..... 34<br />

3.4.1 Gereedschapswisselpositie instellen ..... 34<br />

3.4.2 Werkstuknulpunt verschuiven ..... 35<br />

3.4.3 Veiligheidszone vastleggen ..... 36<br />

3.4.4 Spanmiddeltabel instellen ..... 37<br />

3.4.5 Machinematen instellen ..... 38<br />

3.4.6 Gereedschap opmeten ..... 39<br />

II<br />

Inhoud


3.5 Automatisch bedrijf ..... 41<br />

3.5.1 Programmaselectie ..... 41<br />

3.5.2 Zoeken naar startregel ..... 42<br />

3.5.3 Programma-afloop beïnvloeden ..... 43<br />

3.5.4 Correcties ..... 44<br />

3.5.5 Standtijdbeheer ..... 45<br />

3.5.6 Inspectiebedrijf ..... 46<br />

3.5.7 Regeluitlezing ..... 48<br />

3.5.8 Grafische uitlezing ..... 49<br />

3.5.9 Status meten na bewerking ..... 51<br />

3.6 Machine-uitlezing ..... 52<br />

3.7 Belastingsbewaking ..... 54<br />

3.7.1 Referentiebewerking ..... 54<br />

3.7.2 Productie met belastingsbewaking ..... 55<br />

3.7.3 Grenswaarden bewerken ..... 56<br />

3.7.4 Referentiebewerking analyseren ..... 57<br />

3.7.5 Werken met belastingsbewaking ..... 57<br />

3.7.6 Parameters voor belastingsbewaking ..... 58<br />

4 DIN PLUS ..... 59<br />

4.1 De DIN-programmering ..... 60<br />

4.1.1 Inleiding ..... 60<br />

4.1.2 DIN PLUS-beeldscherm ..... 61<br />

4.1.3 Lineaire en rondassen ..... 62<br />

4.1.4 Maateenheden ..... 63<br />

4.1.5 Onderdelen van het DIN-programma ..... 63<br />

4.2 Informatie over programmering ..... 65<br />

4.2.1 Gelijktijdig bewerken ..... 65<br />

4.2.2 Adresparameters ..... 65<br />

4.2.3 Contourprogrammering ..... 66<br />

4.2.4 Gereedschapsprogrammering ..... 68<br />

4.2.5 Bewerkingscycli ..... 69<br />

4.2.6 NC-subprogramma's ..... 70<br />

4.2.7 Sjabloonbesturing ..... 70<br />

4.2.8 Vertaling van NC-programma's ..... 70<br />

4.3 DIN PLUS-editor ..... 71<br />

4.3.1 Hoofdmenu ..... 72<br />

4.3.2 Menu „Geometrie“ ..... 75<br />

4.3.3 Menu „Bewerking“ ..... 76<br />

4.3.4 Blokmenu ..... 77<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong><br />

III<br />

Inhoud


Inhoud<br />

IV<br />

4.4 Programmadeel-aanduidingen ..... 79<br />

4.4.1 PROGRAMMAKOP ..... 79<br />

4.4.2 REVOLVER ..... 80<br />

4.4.3 SPANMIDDEL ..... 82<br />

4.4.4 Contourbeschrijving ..... 82<br />

4.4.5 BEWERKING ..... 83<br />

4.4.6 SUBPROGRAMMA ..... 83<br />

4.5 Geometriefuncties ..... 84<br />

4.5.1 Beschrijving van onbewerkt werkstuk ..... 84<br />

4.5.2 Basiselementen van te draaien contour ..... 84<br />

4.5.3 Vormelementen van de te draaien contour ..... 86<br />

4.5.4 Hulpfuncties voor contourbeschrijving ..... 92<br />

4.5.5 Positie van de contouren ..... 95<br />

4.5.6 Contour voor-/achterkant ..... 96<br />

4.5.7 Mantelvlakcontour ..... 102<br />

4.5.8 Rond patroon met ronde sleuven ..... 108<br />

4.6.2 Gereedschapsverplaatsing zonder bewerking ..... 110<br />

4.6 Bewerkingsfuncties ..... 110<br />

4.6.1 Toewijzing contour – Bewerking ..... 110<br />

4.6.3 Enkelvoudige lineaire verplaatsingen en cirkelbogen ..... 111<br />

4.6.4 Voeding, toerental ..... 113<br />

4.6.5 Beitelradiuscompensatie (SRC/FRC) ..... 115<br />

4.6.6 Nulpuntverschuivingen ..... 116<br />

4.6.7 Overmaten, veiligheidsafstanden ..... 118<br />

4.6.8 Gereedschap, correcties ..... 120<br />

4.7 Draaicycli ..... 122<br />

4.7.1 Contourgerelateerde draaicycli ..... 122<br />

4.7.2 Eenvoudige draaicycli ..... 134<br />

4.8 Schroefdraadcycli ..... 140<br />

4.9 Boorcycli ..... 143<br />

4.10 Bewerking C-as ..... 148<br />

4.10.1 Algemene C-as-functies ..... 148<br />

4.10.2 Bewerking voor-/achterkant ..... 149<br />

4.10.3 Bewerking van mantelvlak ..... 150<br />

4.11 Freescycli ..... 152<br />

Inhoud


4.12 Speciale functies ..... 159<br />

4.12.1 Spanmiddelen in de simulatie ..... 159<br />

4.12.2 Sledesynchronisatie ..... 160<br />

4.12.3 Spilsynchronisatie, werkstukoverdracht ..... 161<br />

4.12.4 Contourcorrectie ..... 164<br />

4.12.5 Tussentijds meten ..... 165<br />

4.12.6 Meten na bewerking ..... 166<br />

4.12.7 Belastingsbewaking ..... 167<br />

4.13 Overige G-functies ..... 168<br />

4.14 Gegevensinvoer, gegevensuitvoer ..... 173<br />

4.14.2 In-/uitvoer van V-variabelen ..... 174<br />

INPUTA ..... 174<br />

4.15 Programmering van variabelen ..... 175<br />

4.15.1 #-variabelen ..... 175<br />

4.15.2 V-variabelen ..... 177<br />

4.15.3 Sprong, herhaling, voorwaardelijke uitvoering van regel ..... 179<br />

4.16 Subprogramma's ..... 182<br />

4.17 M-functies ..... 183<br />

4.18 Voorbeelden en instructies ..... 184<br />

4.18.1 Bewerkingscyclus programmeren ..... 184<br />

4.18.2 Contourherhalingen ..... 184<br />

4.18.3 Complete bewerking ..... 187<br />

5 Grafische simulatie ..... 195<br />

5.1 De bedrijfsmode simulatie ..... 196<br />

5.1.1 Weergave-elementen, weergaven ..... 197<br />

5.1.2 Bedieningsinstructies ..... 200<br />

5.2 Hoofdmenu ..... 201<br />

5.3 Contoursimulatie ..... 203<br />

5.3.1 Functies van de contoursimulatie ..... 203<br />

5.3.2 Dimensionering ..... 204<br />

5.4 Bewerkingssimulatie ..... 205<br />

5.5 Bewegingssimulatie ..... 207<br />

5.6 Loep ..... 208<br />

5.7 3D-weergave ..... 209<br />

5.8 NC-programma-afloop controleren ..... 210<br />

5.9 Tijdberekening ..... 212<br />

5.10 Synchroonpuntanalyse ..... 213<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong><br />

V<br />

Inhoud


Inhoud<br />

6 TURN PLUS ..... 215<br />

VI<br />

6.1 De bedrijfsmode ..... 216<br />

6.2 Programmabeheer ..... 217<br />

6.2.1 TURN PLUS-bestanden ..... 217<br />

6.2.2 Programmakop ..... 218<br />

6.3 Werkstukbeschrijving ..... 219<br />

6.3.1 Invoer van de contour van het onbewerkte werkstuk ..... 219<br />

6.3.2 Invoer van contour van bewerkt werkstuk ..... 220<br />

6.3.4 Aaneengesloten contour overlappen ..... 222<br />

6.3.6 Bedieningsinstructies ..... 225<br />

6.3.7 Hulpfuncties voor de elementinvoer ..... 226<br />

6.4 Contouren onbewerkt werkstuk ..... 228<br />

6.5 Contour van bewerkt werkstuk ..... 229<br />

6.5.1 Elementen van de basiscontour ..... 229<br />

6.5.2 Vormelementen ..... 232<br />

6.5.3 Overlappingselementen ..... 239<br />

6.6 C-as-contouren ..... 242<br />

6.6.1 Contouren aan voor- en achterkant ..... 242<br />

6.7 Contouren manipuleren ..... 256<br />

6.7.2 Trimmen ..... 256<br />

6.7.3 Wijzigen ..... 258<br />

6.7.4 Wissen ..... 259<br />

6.7.5 Invoegen ..... 260<br />

6.7.6 Transformaties ..... 261<br />

6.7.7 Verbinden ..... 263<br />

6.7.8 Opsplisen ..... 263<br />

6.8 DXF-contouren importeren ..... 264<br />

6.8.1 Basisprincipes ..... 264<br />

6.8.2 Configureren van de DXF-import ..... 265<br />

6.8.3 DXF-import ..... 266<br />

6.8.4 DXF-bestanden verzenden en organiseren ..... 266<br />

6.9 Attributen toekennen ..... 267<br />

6.9.1 Attributen van onbewerkt werkstuk ..... 267<br />

6.9.2 Overmaat ..... 267<br />

6.9.3 Voeding/oppervlakteruwheid ..... 267<br />

6.9.4 Nauwkeurige stop ..... 268<br />

6.9.5 Scheidingspunten ..... 268<br />

6.9.6 Bewerkingsattributen ..... 269<br />

Inhoud


6.10 Bedieningshulpmiddelen ..... 273<br />

6.10.1 Calculator ..... 273<br />

6.10.2 Digitaliseren ..... 274<br />

6.10.3 Controle-optie – contourelementen controleren ..... 274<br />

6.10.4 Onvolledig berekende contourelementen ..... 275<br />

6.10.5 Foutmeldingen ..... 276<br />

6.11 Instellen ..... 277<br />

6.11.1 Werkstuk opspannen ..... 277<br />

6.11.2 Gereedschapstabel instellen ..... 284<br />

6.12 Interactief genereren van werkschema's (IAG) ..... 286<br />

6.12.1 Gereedschapsoproep ..... 287<br />

6.12.2 Snijgegevens ..... 288<br />

6.12.3 Cyclusspecificatie ..... 288<br />

6.12.4 Bewerkingswijze Voorbewerken ..... 289<br />

6.12.6 Bewerkingswijze boren ..... 299<br />

6.12.7 Bewerkingswijze nabewerken ..... 301<br />

6.12.8 Bewerkingsmethode schroefdraad (G31) ..... 306<br />

6.12.10 Speciale bewerkingen (SB) ..... 309<br />

6.13 Automatisch genereren van werkschema's (AAG) ..... 310<br />

6.13.1 Genereren van een werkschema ..... 310<br />

6.13.2 Bewerkingsvolgorde ..... 311<br />

6.14 Controlegrafiek ..... 321<br />

6.15 Configuratie ..... 322<br />

6.16 Bewerkingsinstructies ..... 324<br />

6.16.1 Gereedschapskeuze, revolverbezetting ..... 324<br />

6.16.2 Snijwaarden ..... 325<br />

6.16.3 Koelmiddel ..... 325<br />

6.16.4 Uitdraaien ..... 326<br />

6.16.5 Binnencontouren ..... 326<br />

6.16.6 Boren ..... 328<br />

6.16.7 Complete bewerking ..... 328<br />

6.16.8 Asbewerking ..... 330<br />

6.17 Voorbeeld ..... 332<br />

7 Parameters ..... 337<br />

7.1 De bedrijfsmode Parameters ..... 338<br />

7.1.1 Parametergroepen ..... 338<br />

7.1.2 Parameters bewerken ..... 339<br />

7.2 Machineparameters ..... 341<br />

7.3 Regelparameters ..... 348<br />

7.4 Instelparameters ..... 355<br />

7.5 Bewerkingsparameters ..... 357<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong><br />

VII<br />

Inhoud


Inhoud<br />

8 Bedrijfsmiddelen ..... 371<br />

VIII<br />

8.1 Gereedschaps-database ..... 372<br />

8.1.1 Gereedschaps-editor ..... 372<br />

8.1.2 Gereedschapstypen (overzicht) ..... 375<br />

8.1.3 Gereedschapsparameters ..... 377<br />

8.1.4 Multi-gereedschap, standtijdbewaking ..... 384<br />

8.1.5 Informatie over gereedschapsgegevens ..... 385<br />

8.1.6 Gereedschapshouder, opnamepositie ..... 387<br />

8.2 Spanmiddel-database ..... 390<br />

8.2.1 Spanmiddel-editor ..... 390<br />

8.2.2 Spanmiddelgegevens ..... 392<br />

8.3 Technologie-database (snijwaarden) ..... 399<br />

9 Service en diagnose ..... 401<br />

9.1 De bedrijfsmode Service ..... 402<br />

9.2 Service-functies ..... 402<br />

9.2.1 Bedieningsautorisatie ..... 402<br />

9.2.2 Systeemservice ..... 403<br />

9.2.3 Naamlijsten ..... 404<br />

9.3 Onderhoudssysteem ..... 405<br />

9.4 Diagnose ..... 408<br />

10 Overdracht ..... 411<br />

10.1 Bedrijfsmode Transfer ..... 412<br />

10.2 Transmissieprocedure ..... 413<br />

10.2.1 Algemeen ..... 413<br />

10.2.2 Installatie van de data-overdracht ..... 414<br />

10.3 Gegevensoverdracht ..... 417<br />

10.3.1 Vrijgaven, bestandstypen ..... 417<br />

10.3.2 Bestanden zenden en ontvangen ..... 418<br />

10.4 Parameters en bedrijfsmiddelen ..... 420<br />

10.4.1 Parameters en bedrijfsmiddelen converteren ..... 420<br />

10.4.2 Parameters en bedrijfsmiddelen opslaan ..... 422<br />

10.5 Bestandsorganisatie ..... 423<br />

11 Tabellen en overzichten ..... 425<br />

11.1 Draaduitloop- en schroefdraadparameters ..... 426<br />

11.1.1 Draaduitloopparameters DIN 76 ..... 426<br />

11.1.2 Draaduitloopparameters DIN 509 E ..... 427<br />

11.1.3 Draaduitloopparameters DIN 509 F ..... 427<br />

11.1.4 Schroefdraadparameters ..... 428<br />

11.1.5 Spoed ..... 429<br />

11.2 Technische informatie ..... 433<br />

11.3 Interfaces randapparatuur ..... 437<br />

Inhoud


1<br />

Inleiding en basisbegrippen


1.1 De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong><br />

1.1 De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong><br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> is een numerieke contourbesturing<br />

voor draaibanken en draaicentra. Behalve<br />

draaibankbewerkingen kunnen ook frees- of<br />

boorbewerkingen met de C- of Y-as worden uitgevoerd.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> ondersteunt de gelijktijdige bewerking<br />

van maximaal 4 werkstukken tijdens het programmeren,<br />

het testen en de producxtie. De complete bewerking<br />

wordt ondersteund bij draaibanken met:<br />

■ roterende afpak-inrichting<br />

■ verplaatsbare tegenspil<br />

■ meerdere spillen, sledes en<br />

gereedschapshouders<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> bestuurt maximaal 6 sledes, 4 spillen<br />

en 2 C-assen.<br />

Programmering<br />

Afhankelijk van het onderdelenprogramma en van uw<br />

organisatie kiest u de voor uw specifieke toepassing<br />

meest geschikte programmering.<br />

In TURN PLUS wordt de contour van het onbewerkte<br />

en bewerkte werkstuk grafisch interactief<br />

beschreven. Vervolgens roept u de functie voor het<br />

automatisch genereren van werkschema's (AAG) op.<br />

U krijgt dan met een druk op de druk volautomatisch<br />

het NC-programma. Als alternatief heeft u de functie<br />

voor het interactief genereren van werkschema's<br />

(IAG) tot uw beschikking. Met de IAG bepaalt u de<br />

bewerkingsvolgorde, kiest u het gereedschap en<br />

beïnvloedt u de bewerkingstechniek.<br />

Iedere bewerkingsstap wordt in de controlegrafiek<br />

weergegeven en kan direct worden gecorrigeerd. Het<br />

aanmaken van programma's met de TURN PLUS leidt<br />

tot een gestructureerd DIN PLUS-programma.<br />

Met de TURN PLUS wordt de invoer tot een minimum<br />

beperkt – voorwaarde is echter dat het gereedschap<br />

en de snijgegevens worden beschreven.<br />

Wanneer de TURN PLUS op basis van de<br />

technologische eisen niet het optimale NC-programma<br />

maakt of wanneer bij u het accent ligt op de reductie<br />

van de productietijd, programmeer dan het NCprogramma<br />

in DIN PLUS of optimaliseer het met<br />

TURN PLUS gemaakte DIN PLUS-programma.<br />

DIN PLUS ondersteunt de scheiding van de<br />

geometrische beschrijving van de bewerking van het<br />

werkstuk. DIN PLUS biedt u krachtige<br />

bewerkingscycli. Als de tekening niet volgens NCeisen<br />

is gedimensioneerd, wordt de berekening van<br />

de coördinaten uitgevoerd met de „vereenvoudigde<br />

geometrieprogrammering“.<br />

2<br />

Als alternatief kan het werkstuk in DIN PLUS met rechtlijnige<br />

verplaatsingen, cirkelbogen en eenvoudige draaicycli worden bewerkt,<br />

net als bij de conventionele DIN-programmering.<br />

Zowel de TURN PLUS als de DIN PLUS ondersteunt bewerkingen met<br />

de C- of Y-as, en complete bewerkingen.<br />

Bij de grafische simulatie worden NC-programma's onder<br />

realistische omstandigheden gecontroleerd. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> geeft de<br />

bewerking van maximaal 4 werkstukken in het werkbereik weer.<br />

Daarbij worden de onbewerkte en bewerkte werkstukken,<br />

spaninrichtingen en gereedsschap op schaal weergegeven.<br />

U kunt direct op de machine - ook parallel aan het productiebedrijf -<br />

programmeren en NC-programma's testen.<br />

Ongeacht of u eenvoudige of ingewikkelde werkstukken, afzonderlijke<br />

onderdelen, één serie of grote series op draaicentra maakt, biedt de<br />

<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> altijd de juiste ondersteuning.<br />

1 Inleiding en basisbegrippen


De C-as<br />

Met de C-as voert u boor- en freesbewerkingen aan<br />

de voor- en achterkant, en op het mantelvlak uit.<br />

Bij gebruik van de C-as interpoleert een as lineair of<br />

cirkelvorming in het ingestelde bewerkingsvlak met<br />

de spil, terwijl de derde as lineair interpoleert.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> ondersteunt het maken van NCprogramma's<br />

met de C-as bij:<br />

■ DIN PLUS<br />

■ contourdefinitie met TURN PLUS<br />

■ werkschema's maken met TURN PLUS<br />

De Y-as<br />

Met de Y-as voert u boor- en freesbewerkingen aan de<br />

voor- en achterkant, en op het mantelvlak uit.<br />

Bij gebruik van de Y-as interpoleren twee assen lineair<br />

of cirkelvormig in het ingestelde bewerkingsvlak,<br />

terwijl de derde as lineair interpoleert. Daarmee<br />

kunnen bijvoorbeeld sleuven of kamers met platte<br />

grondvlakken en verticale sleufranden worden<br />

geproduceerd. Door het instellen van de spilhoek<br />

bepaalt u de positie van de te frezen contour op het<br />

werkstuk.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> ondersteunt het maken van NCprogramma's<br />

met de C-as bij:<br />

■ DIN PLUS<br />

■ contourdefinitie met TURN PLUS<br />

■ werkschema's maken met TURN PLUS<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong><br />

3<br />

1.1 De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong>


1.1 De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong><br />

Complete bewerking<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> ondersteunt de complete bewerking<br />

voor alle gangbare machine-ontwerpen. U heeft<br />

daarbij de beschikking over functies zoals<br />

gesynchroniseerde overgave van werkstukken bij<br />

draaiende spil, verplaatsen naar een vaste aanslag,<br />

gecontroleerd afsteken en coördinatentransformatie.<br />

Dit garandeert een complete bewerking in een zo kort<br />

mogelijke tijd en een eenvoudige programmering.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> ondersteunt de complete bewerking<br />

bij:<br />

■ DIN PLUS<br />

■ contourdefinitie met TURN PLUS<br />

■ werkschema's maken met TURN PLUS<br />

4<br />

1 Inleiding en basisbegrippen


1.2 Bedrijfsmodi<br />

De functies van de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> zijn in de volgende bedrijfsmodi<br />

onderverdeeld:<br />

Bedrijfsmode Handbediening<br />

In de bedrijfsmode ”Handbediening” stelt u de machine in en<br />

verplaatst u de assen handmatig.<br />

Bedrijfsmode Automatisch bedrijf<br />

In de bedrijfsmode ”Automatisch bedrijf” worden de NCprogramma's<br />

uitgevoerd. Deze besturen en bewaken de<br />

productie van de werkstukken.<br />

Programmeerbedrijfsmode DIN PLUS<br />

Met ”DIN PLUS” maakt u gestructureerde NC-programma's.<br />

U beschrijft eerst de contour van het onbewerkte en bewerkte<br />

werkstuk en programmeert vervolgens de afzonderlijke<br />

bewerkingen.<br />

Programmeerbedrijfsmode Simulatie<br />

Met de bedrijfsmode ”Simulatie” worden geprogrammeerde<br />

contouren, verplaatsingen en verspaningsbewerkingen<br />

grafisch weergegeven. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> houdt op schaal<br />

rekening met het werkbereik, het gereedschap en de<br />

spanmiddelen.<br />

Tijdens de simulatie berekent de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> de hoofd- en<br />

bijkomende tijden voor elk gereedschap. Bij draaibanken met<br />

meerdere sledes ondersteunt de synchroonpuntanalyse de<br />

optimalisering van het NC-programma.<br />

Programmeerbedrijfsmode TURN PLUS<br />

Met ”TURN PLUS” kunt u de werkstukcontour grafisch<br />

interactief beschrijven. Voor het automatisch genereren van<br />

werkschema's (AAG) hoeft u alleen nog het materiaal en de<br />

spaninrichtingen in te geven - de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> maakt met een<br />

druk op de knop het NC-programma. Als alternatief kunt u het<br />

werkschema grafisch interactief maken (IAG).<br />

Bestuurbedrijfsmode Parameter<br />

De systeemwerking van de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> wordt via parameters<br />

geregeld. In deze bedrijfsmode stelt u de parameters in en<br />

stemt u zo de besturing op uw specifieke situatie af.<br />

In deze bedrijfsmode worden bovendien de bedrijfsmiddelen<br />

(gereedschap en spanmiddelen) en de snijwaarden<br />

beschreven.<br />

Bestuurbedrijfsmode Service<br />

In de bedrijfsmode ”Service” kunt u als gebruiker inloggen<br />

voor functies die met een wachtwoord zijn beveiligd, kiest u de<br />

dialoogtaal en voert u systeeminstellingen uit. Verder heeft u<br />

ook de beschikking over diagnosefuncties voor inbedrijfstelling<br />

en systeemcontrole.<br />

Bestuurbedrijfsmode Overdracht<br />

In de bedrijfsmode ”Overdracht” wisselt u gegevens met<br />

andere systemen uit, organiseert u uw programma's en<br />

beveilgt u uw gegevens.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong><br />

De eigenlijke „besturing“ blijft verborgen voor de<br />

operator. U dient zich echter te realiseren dat<br />

ingegeven TURN PLUS- en DIN PLUS-programma's<br />

op de ingebouwde harde schijf worden opgeslagen.<br />

Het voordeel hiervan is, dat een zeer groot aantal<br />

programma's kan worden opgeslagen.<br />

Voor de uitwisseling en beveiliging van gegevens<br />

heeft u de beschikking over de Ethernet-interface .<br />

Ook kunnen via de seriële interface (RS232)<br />

gegevens worden uitgewisseld.<br />

5<br />

1.2 Bedrijfsmodi


1.3 Configuraties (opties)<br />

1.3 Configuraties (opties)<br />

De machinefabrikant configureert de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> op basis van de<br />

specifieke condities van de draaibank. Bovendien heeft u de<br />

beschikking over de onderstaande uitbreidingsmogelijkheden (opties),<br />

waarmee de besturing op uw specifieke behoefte kan worden<br />

afgestemd:<br />

■ TURN PLUS<br />

Grafisch interactieve contourdefinitie<br />

■ Grafische werkstukbeschrijving voor onbewerkte en bewerkte<br />

werkstukken<br />

■ Geometrieprogramma voor berekening en weergave van nietgedimensioneerde<br />

contourpunten<br />

■ Eenvoudige invoer van gestandaardiseerde vormelementen, b.v.<br />

afschuiningen, afrondingen, insteken, draaduitlopen, schroefdraad of<br />

passingen<br />

■ Eenvoudige toepassing van transformaties zoals verplaatsen,<br />

roteren, spiegelen of kopiëren<br />

Grafisch interactief DIN PLUS-programma's maken<br />

■ individuele keuze van soort bewerking<br />

■ keuze van gereedschap en vastleggen van snijgegevens<br />

■ directe grafische verspaningscontrole<br />

■ directe correctiemogelijkheid<br />

Automatisch maken van DIN PLUS-programma's<br />

■ automatische gereedschapskeuze<br />

■ automatisch maken van werkschema<br />

■ TURN PLUS – Uitbreiding C- en Y-as<br />

■ C-as: weergave v.d. programmering in de aanzichten: XC-vlak<br />

(voor-/achterkant) en ZC-vlak (manteluitslag)<br />

■ Y-as: weergave v.d. programmering in de aanzichten: XY-vlak (voor-<br />

/achterkant) YZ-vlak (bovenaanzicht)<br />

■ boor- en figuurpatronen<br />

■ bewerkingscycli<br />

■ interactief of automatisch opstellen van werkschema – ook voor<br />

C- en Y-asbewerking<br />

■ TURN PLUS – Uitbreiding tegenspil<br />

■ omspannen met expertprogramma<br />

■ interactief of automatisch maken van werkschema – ook voor<br />

het omspannen en de tweede opspanning<br />

■ Tussentijds meten<br />

■ met schakelende meettaster<br />

■ voor het instellen van gereedschap<br />

■ voor het meten van werkstukken<br />

■ Meten na bewerking<br />

■ aansluiting van de meetapparatuur via de RS232-interface<br />

■ verwerking van de meetresultaten in „Automatisch bedrijf“<br />

Opties kunnen meestal naderhand worden aangebracht. Neem<br />

hiervoor contact op met uw leverancier.<br />

6<br />

In deze beschrijving wordt met alle opties<br />

rekening gehouden. Daarom kunnen de<br />

bedieningsstappen op uw machine<br />

afwijken van de hierin beschreven<br />

bedieningsprocedure, als uw systeem niet<br />

met een bepaalde optie is uitgevoerd.<br />

1 Inleiding en basisbegrippen


1.4 Basisprincipes<br />

Asaanduidingen<br />

De dwarsslede wordt aangeduid als X-as en de bedslede als Z-as.<br />

Alle getoonde en ingegeven X-waarden worden als diameter<br />

beschouwd. In TURN PLUS kunt u ingeven of X-waarden als diameterof<br />

radiuswaarden moeten worden geïnterpreteerd.<br />

Draaibanken met Y-as: de Y-as staat loodrecht op de X- en Z-as<br />

(cartesiaans systeem).<br />

Voor verplaatsingen geldt het volgende:<br />

■ verplaatsingen in plus-richting verwijderen zich van het werkstuk<br />

■ verplaatsingen in min-richting gaan naar het werkstuk toe<br />

Coördinatenstelsel<br />

De coördinaatgegevens van de hoofdassen X, Y en Z zijn gerelateerd<br />

aan het werkstuknulpunt – afwijkingen van deze regel worden<br />

vermeld.<br />

Hoekgegevens voor de C-as zijn gerelateerd aan het „nulpunt van de<br />

C-as“ (voorwaarde: de C-as is als hoofdas geconfigureerd).<br />

Absolute coördinaten<br />

Wanneer de coördinaten van een positie betrekking hebben op het<br />

werkstuknulpunt, worden ze absolute coördinaten genoemd. Elke<br />

positie van een werkstuk kan door absolute coördinaten eenduidig<br />

worden vastgelegd.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong><br />

7<br />

1.4 Basisbegrippen


1.4 Basisbegrippen<br />

Incrementele coördinaten<br />

Incrementele coördinaten hebben betrekking op de laatst<br />

geprogrammeerde positie. Met incrementele coördinaten wordt de<br />

maat tussen de laatste en de daaropvolgende positie aangegeven.<br />

Elke positie van een werkstuk wordt duidelijk door incrementele<br />

coördinaten vastgelegd.<br />

Poolcoördinaten<br />

Positie-aanduidingen op het kop- of mantelvlak kunt met behulp van<br />

cartesiaanse coördinaten of poolcoördinaten ingeven.<br />

Bij een maatvoering met behulp van poolcoördinaten is een positie op<br />

het werkstuk duidelijk vastgelegd door diameter en hoek.<br />

U kunt poolcoördinaten absoluut of incrementeel ingeven.<br />

Maateenheden<br />

U kunt de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> „metrisch“ of „in inches“ programmeren en<br />

bedienen. Voor de invoer en weergave gelden de in de tabel vermelde<br />

maateenheden.<br />

8<br />

Maten metrisch inch<br />

Coördinaten mm inch<br />

Lengtes mm inch<br />

Hoek graden graden<br />

Toerental omw/min omw/min<br />

Snijsnelheid m/min ft/min<br />

Voeding per omwenteling mm/omw inch/omw<br />

Voeding per minuut mm/min inch/min<br />

Versnelling m/s2 ft/s2 1 Inleiding en basisbegrippen


Machinereferentiepunten<br />

Machinenulpunt<br />

Het snijpunt van de X-as met de Z-as wordt machinenulpunt<br />

genoemd. Bij een draaibank is dit meestal het snijpunt van de spilas<br />

met het spilvlak. De letteraanduiding is „M“.<br />

Werkstuknulpunt<br />

Voor de bewerking van een werkstuk is het eenvoudiger het<br />

referentiepunt in overeenstemming met de maatvoering op de<br />

tekening op het werkstuk te positioneren. Dit punt wordt<br />

„werkstuknulpunt“ genoemd. De letteraanduiding is „W“.<br />

Referentiepunt<br />

Het hangt van de toegepaste meetsystemen af, of de besturing bij het<br />

uitschakelen haar positie ”vergeet”. Is dit het geval, dan moet u na het<br />

inschakelen van de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> vaste referentiepunten aanlopen. Het<br />

systeem kent de afstanden tussen de referentiepunten en het<br />

machinenulpunt.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong><br />

9<br />

1.4 Basisbegrippen


1.5 Gereedschapsmaten<br />

1.5 Gereedschapsmaten<br />

Voor de aspositionering, de berekening van de<br />

beitelradiuscompensatie, de berekening van de snede-opdeling bij<br />

cycli etc. heeft de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> gereedschapsgegevens nodig.<br />

Gereedschapslengte<br />

Die geprogrammeerde en aangegeven positiewaarden hebben<br />

betrekking op de afstand tussen gereedschapspunt en werkstuknulpunt.<br />

Het systeem zelf kent echter uitsluitend de absolute positie van de<br />

gereedschapshouder (slede). Voor de bepaling en weergave van de<br />

gereedschapspuntpositie heeft de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> de maten XE en ZE<br />

nodig, en bij boren en frezen voor Y-asbewerkingen bovendien maat Y.<br />

Gereedschapscorrecties<br />

De gereedschapspunt van het gereedschap slijt tijdens de verspaning.<br />

Om deze slijtage te compenseren, maakt de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> gebruik van<br />

correctiewaarden. De correctiewaarden worden bij de lengtematen<br />

opgeteld.<br />

Beitelradiuscompensatie (SRC)<br />

Draaigereedschap is afgerond aan de gereedschapspunt. Hierdoor<br />

ontstaan onnauwkeurigheden bij de bewerking van kegels,<br />

afschuiningen en radiussen die met behulp van de<br />

beitelradiuscorrectie worden gecompenseerd.<br />

Geprogrammeerde verplaatsingen zijn gerelateerd aan de theoretische<br />

gereedschapspunt S. De SRK berekent een nieuwe verplaatsing, de<br />

equidistante, om deze fout te compenseren.<br />

Freesradiuscompensatie (FRC)<br />

Bij de freesbewerking is de uitwendige diameter van de frees<br />

bepalend voor het maken van de contour. Zonder FRC is het<br />

middelpunt van de frees het referentiepunt bij verplaatsingen. De FRC<br />

berekent een nieuwe verplaatsing, de equidistante, om deze fout te<br />

compenseren.<br />

10<br />

1 Inleiding en basisbegrippen


Bedieningsinstructies2


2.1 Bedieningsinterface<br />

2.1 Bedieningsinterface<br />

2.1.1 Beeldschermweergaves<br />

1 Bedrijfsmoderegel<br />

Geeft de status van de bedrijfsmodi weer.<br />

■ De actieve bedrijfsmode is donkergrijs<br />

gemarkeerd.<br />

■ Programmeer- en bestuurbedrijfsmodi:<br />

– de gekozen bedrijfsmode staat rechts naast<br />

symbool<br />

– aanvullende informatie zoals het gekozen<br />

programma, handeling etc. worden onder de<br />

bedrijfsmodesymbolen weergegegeven.<br />

2 Menubalk en pulldown-menu's<br />

voor het selecteren van functies<br />

3 Werkvenster<br />

Inhoud en indeling zijn afhankelijk van de bedrijfsmode.<br />

Enkele programmeer- en bestuurbedrijfsmodi<br />

overlappen de machine-uitlezing.<br />

4 Machine-uitlezing<br />

Actuele status van de machine<br />

(gereedschapspositie, de cyclus- en spilstatus,<br />

actieve gereedschap etc.). De machine-uitlezing kan<br />

worden geconfigureerd.<br />

5 Statusregel<br />

■ Simulatie, TURN PLUS: uitlezing van actuele<br />

instellingen resp. instructies voor de volgende<br />

bedieningsstappen<br />

■ Andere bedrijfsmodi: uitlezing van de laatste<br />

foutmelding<br />

6 Datumveld en Service-sein<br />

■ Uitlezing van datum en tijd<br />

■ Een gekleurde achtergrond signaleert een fout of<br />

een PLC-melding<br />

■ Het ”service-sein” geeft de staat van onderhoud<br />

van de machine aan (zie „9. 3 Onderhoudssysteem“)<br />

7 Softkey-balk<br />

Geeft de eigenlijke betekenis van de softkeys weer.<br />

8 Verticale softkey-balk<br />

Geeft de eigenlijke betekenis van de softkeys weer.<br />

Voor meer informatie zie het machinehandboek<br />

12<br />

2<br />

1<br />

4<br />

5<br />

7<br />

3<br />

2 Bedieningsinstructies<br />

8<br />

6


2.1.2 Bedieningselementen<br />

Beeldscherm met<br />

■ horizontale en verticale softkeys: de betekenis<br />

wordt boven resp. naast de softkeys weergegeven<br />

Extra toetsen (dezelfde functie als de toetsen van<br />

het bedieningspaneel):<br />

■ ESC<br />

■ INS<br />

Bedieningspaneel met<br />

■ Alfanumeriek toetsenbord met geïntegreerd<br />

veld van 3 * 3<br />

■ Toetsen voor keuze van bedrijfsmode<br />

■ Touchpad: Voor positioneren van de cursor<br />

(menu- of softkey-keuze, keuze uit lijsten, kiezen<br />

van invoervelden etc.)<br />

Machinebedieningspaneel met<br />

■ bedieningselementen voor handbediening en<br />

automatisch bedrijf van de draaibank<br />

(cyclustoetsen, jogtoetsen etc.)<br />

■ handwiel voor het nauwkeurig positioneren bij<br />

handbediening<br />

■ override-draaiknop voor voedings-override<br />

Bedieningsinstructies voor het touchpad:<br />

In de regel kunt u het touchpad als alternatief voor de<br />

cursortoetsen gebruiken. De toetsen onder het<br />

touchpad worden hierna als linker- en<br />

rechtermuisknop aangeduid.<br />

De functies en de bediening van het touchpad zijn<br />

gebaseerd op de muisbediening van de WINDOWSsystemen.<br />

■ Eenmaal klikken met linkermuisknop of eenmaal<br />

aanraken van muispad:<br />

■ de cursor wordt in lijsten of invoervensters<br />

gepositioneerd<br />

■ menu-items, softkeys of knoppen, worden<br />

geactiveerd<br />

■ Dubbelkliiken met linkermuisknop of tweemaal<br />

aanraken van muispad: in lijsten wordt het gekozen<br />

element geactiveerd (het invoervenster wordt<br />

geactiveerd)<br />

■ Eenmaal klikken met rechtermuisknop:<br />

■ komt overeen met ESC-toets – voorwaarde: de<br />

ESC-toets is in deze situatie toegestaan<br />

(bijvoorbeeld één menustap terug)<br />

■ dezelfde functie als de linkermuisknop bij keuze<br />

van softkeys of knoppen<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong><br />

13<br />

2.1 Bedieningsinterface


2.1 Bedieningsinterface<br />

2.1.3 Keuze van bedrijfsmode<br />

U kunt altijd een andere bedrijfsmode kiezen. Bij het veranderen van<br />

bedrijfsmode blijft deze in de functie staan die bij het verlaten daarvan<br />

actief was.<br />

Bij de programmeer- en bestuurbedrijfsmodi wordt onderscheid<br />

gemaakt tussen de volgende situaties:<br />

■ geen bedrijfsmode geselecteerd (er staat niets naast het<br />

bedrijfsmodepictogram): kies de gewenste bedrijfsmode via het<br />

menu<br />

■ bedrijfsmode geselecteerd (wordt naast het bedrijfsmodepictogram<br />

weergegeven): de functies van deze bedrijfsmode zijn beschikbaar.<br />

In de programmeer- en bestuurbedrijfsmode kunt u met een softkey<br />

of door telkens indrukken van de desbetreffende bedrijfsmodetoets<br />

naar een andere bedrijfmode omschakelen.<br />

2.1.4 Selecteren van functies, gegevensinvoer<br />

Menubalk en pulldown-menu's<br />

Vóór de afzonderlijke menu-items staat een symbool (3 * 3 veld) met<br />

een gemarkeerde positie. Dit veld correspondeert met het numerieke<br />

toetsenbord. Druk op de ”gemarkeerde toets” om de functie te<br />

selecteren.<br />

De functiekeuze begint in de menubalk, dan volgen de pulldownmenu's.<br />

In een pulldown-menu drukt u dan weer op de cijfertoets die<br />

aan het menu-item is toegekend - als alternatief kiest u met het<br />

touchpad of ”pijl omhoog/omlaag” het gewenste menu-item en drukt<br />

u op Return.<br />

Softkey-balk<br />

De betekenis van de softkeys is afhankelijk van de bedieningssituatie<br />

op dat moment.<br />

Bepaalde softkeys werken als „tuimelschakelaars“. De bedrijfsmode<br />

is ingeschakeld, wanneer het bijbehorende veld „actief“ is (gekleurde<br />

achtergrond). De instelling blijft bestaan, totdat u de functie weer<br />

uitschakelt.<br />

Lijstverwerking<br />

DIN PLUS-programma's, gereedschaps- en parameterlijsten etc.<br />

worden in tabelvorm weergegeven. U kunt met het touchpad of de<br />

cursortoetsen in de tabel ”navigeren”, om de gegevens te bekijken, de<br />

positie voor gegevensinvoer of elementen voor handelingen zoals<br />

wissen, kopiëren, wijzigen, etc. te selecteren.<br />

Nadat de positie in de tabel of het element in de tabel eenmaal is<br />

geselecteerd, drukt u op de Enter-, INS- of DEL-toets, om de<br />

desbetreffende bewerking uit te voeren.<br />

14<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Toetsen voor keuze van bedrijfsmode: n<br />

Bedrijfsmode Handbediening<br />

Bedrijfsmode Automatisch bedrijf<br />

Programmeerbedrijfsmodi<br />

Bestuurbedrijfsmodi<br />

2 Bedieningsinstructies


Gegevensinvoer<br />

Gegevens worden in invoervensters ingevoerd en<br />

gewijzigd. In een invoervenster zijn meerdere<br />

invoervelden ondergebracht. U plaatst de cursor met<br />

het touchpad of ”pijl omhoog/omlaag” in het<br />

invoerveld.<br />

Wanneer de cursor op het invoerveld staat, kunt u<br />

gegevens invoeren. Bestaande gegevens worden<br />

overschreven. Met ”pijl naar links/pijl naar rechts”<br />

verplaatst u de cursor naar een positie in het<br />

invoerveld, om afzonderlijke tekens te wissen of toe<br />

te voegen. Met ”pijl omhoog/omlaag” of ”Enter”<br />

wordt de gegevensinvoer in een invoerveld<br />

afgesloten.<br />

Bij sommige dialogen is het aantal invoervelden te<br />

groot voor één venster. In dat geval wordt gebruik<br />

gemaakt van meer invoervensters. Dit is te zien aan<br />

het vensternummer in de kopregel. Met ”PgUp/<br />

PgDn” wisselt u van invoervenster.<br />

Wanneer u op de knop ”OK” drukt, worden<br />

ingevoerde of gewijzigde gegevens overgenomen. Als<br />

alternatief kunt u, ongeacht de cursorpositie, op de<br />

INS-toets drukken. Met de knop „Afbreken” of met<br />

de ESC-toets wordt de invoer van gegevens of<br />

wijzigingen afgebroken.<br />

Als de dialoog meerdere invoervensters omvat,<br />

worden de gegevens al overgenomen wanneer op<br />

”PgUp/PgDn” wordt gedrukt.<br />

Knoppen<br />

Bij de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> kunt u per knop diverse<br />

bedieningsmogelijkheden selecteren. Voorbeelden van<br />

knoppen: „knop OK en Afbreken“ om de dialoogbox<br />

af te sluiten, de knoppen voor „Uitgebreide invoer“,<br />

etc.<br />

Selecteer de knop en druk op „Enter“.<br />

Let op: in plaats van de „knop OK of Afbreken“ te<br />

selecteren, kunt u op de INS- of ESC-toets drukken.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong><br />

15<br />

2.1 Bedieningsinterface


2.2 Info-systeem<br />

2.2 Info-systeem<br />

Het info-systeem levert u uittreksels uit het<br />

gebruikershandboek ”op het beeldscherm”. Het<br />

systeem is opgebouwd uit info-onderwerpen, die<br />

vergelijkbaar zijn met hoofdstukken in een boek. In de<br />

kopregel van het infovenster wordt het geselecteerde<br />

onderwerp en het bladzijdenummer vermeld.<br />

De ”info” geeft informatie over de actuele<br />

bedieningstoestand contextgevoelige helpfunctie).<br />

Bovendien kunt u de info-onderwerpen via de<br />

inhoudsopgave of de index kiezen. Daarvoor kiest u<br />

het gewenste onderwerp/trefwoord en drukt u op<br />

”Onderwerpkeuze” (of Enter).<br />

Kruisverwijzingen in de tekst zijn gemarkeerd.<br />

Selecteer de kruisverwijzing en ga met<br />

”Onderwerpkeuze” (of Enter) naar het onderwerp.<br />

Met „Onderwerp terug“ keert u terug naar het vorige<br />

onderwerp.<br />

Foutinfo<br />

Druk in geval van een foutmelding op de infotoets of<br />

ga in de „foutweergave“ met de cursor naar de<br />

foutmelding en druk vervolgens op de infotoets. U<br />

krijgt dan meer informatie over de foutmelding.<br />

16<br />

Info-systeem oproepen.<br />

Info-systeem afsluiten<br />

Softkeys<br />

met de cursor springt u naar<br />

■ de geselecteerde kruisverwijzing<br />

■ het geselecteerde onderwerp van de inhoudsopgave<br />

■ het geselecteerde onderwerp van de naamlijst<br />

gaat terug naar het ”laatste” info-onderwerp<br />

roept de inhoudsopgave met het overzicht van de infoonderwerpen<br />

op. De inhoudsopgave is in meerdere<br />

niveaus opgebouwd.<br />

roept de naamlijst op<br />

„bladert“ naar het vorige info-onderwerp<br />

„bladert“ naar het volgende info-onderwerp<br />

(of PgUp) vorige info-pagina<br />

(of PgDn) volgende info-pagina<br />

2 Bedieningsinstructies


2.3 Foutsysteem<br />

2.3.1 Directe foutmeldingen<br />

Er wordt gebruik gemaakt van directe foutmeldingen,<br />

wanneer directe foutcorrectie mogelijk is. U bevestigt<br />

de melding en corrigeert de fout. Voorbeeld: de<br />

ingegeven waarde van de parameter ligt buiten het<br />

geldige bereik.<br />

Informatie in de foutmelding:<br />

■ Beschrijving van de fout: verklaart de fout<br />

■ Foutnummer: wanneer u contact opneemt over<br />

serviceaangelegenheden<br />

■ Tijdstip waarop de fout is opgetreden (voor uw<br />

informatie)<br />

Symbolen<br />

Waarschuwing<br />

De programma-uitvoering/bediening<br />

wordt voortgezet. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> maakt<br />

u attent op het ”probleem”.<br />

Fout<br />

De programma-uitvoering/bediening<br />

wordt gestopt. Herstel de fout voordat u<br />

verderwerkt.<br />

2.3.2 Foutweergave, PLC-uitlezing<br />

Foutweergave<br />

Als tijdens het opstarten van het systeem, tijdens<br />

bedrijf of tijdens de programma-afloop fouten<br />

optreden, dan wordt dit in het datumveld gemeld, in<br />

de statusregel aangegeven en in de foutweergave<br />

opgeslagen.<br />

Zolang er foutmeldingen zijn, licht de datumweergave<br />

rood op.<br />

Bedieningsinstructies<br />

opent de ”foutweergave”.<br />

meer informatie over de door de cursor<br />

gemarkeerde fout<br />

foutweergave verlaten<br />

wist de door de cursor gemarkeerde<br />

foutmelding<br />

wist alle foutmeldingen<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong><br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

17<br />

2.3 Foutsysteem


2.3 Foutsysteem<br />

Informatie in de foutmelding:<br />

■ Beschrijving van de fout: verklaart de fout<br />

■ Foutnummer: wanneer u contact opneemt over<br />

serviceaangelegenheden<br />

■ Kanaalnummer: slede waarin de fout is<br />

opgetreden<br />

■ Tijdstip waarop de fout is opgetreden (voor uw<br />

informatie)<br />

■ Foutklasse (alleen bij fouten):<br />

■ Achtergrond: de melding is bedoeld als<br />

informatie of er is een ”kleine” fout opgetreden.<br />

■ Afbreken: het lopende proces (uitvoering van een<br />

cyclus, verplaatsingscommando etc.) is<br />

afgebroken. Nadat de fout is verholpen, kunt u<br />

verder werken.<br />

■ Noodstop: Verplaatsingen en de uitvoering van<br />

het DIN-programma werden gestopt. Nadat de fout<br />

is verholpen, kunt u verder werken.<br />

■ Reset: Verplaatsingen en de uitvoering van het<br />

DIN-programma werden gestopt. Schakel het<br />

systeem korte tijd uit en start het weer. Neem<br />

contact op met uw leverancier als deze fout zich<br />

nogmaals voordoet.<br />

Systeemfouten, interne fouten<br />

Als er een systeemfout of een interne fout optreedt,<br />

noteert u dan alle gegevens met betrekking tot deze<br />

melding en informeert u de leverancier. Een interne<br />

fout kunt u niet verhelpen. Schakel de besturing uit en<br />

start deze opnieuw op.<br />

Waarschuwingen tijdens de simulatie<br />

Indien er bij de simulatie van een NC-programma<br />

waarschuwingsmeldingen verschijnen, toont de<br />

<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> dit in de statusregel (zie „5.1.2<br />

Bedieningsinstructies“).<br />

PLC-uitlezing<br />

Het PLC-venster wordt voor PLC-meldingen en de<br />

PLC-diagnose gebruikt. In het machinehandboek vindt<br />

u informatie over het PLC-venster.<br />

U gaat naar het PLC-venster door het foutvenster te<br />

openen (foutstatustoets) en vervolgens op de softkey<br />

„PLC Diagnose“ te drukken.<br />

Met de ESC-toets verlaat u het PLC-venster; met de<br />

softkey „<strong>CNC</strong> Diagnose“ gaat u naar het foutvenster<br />

terug.<br />

18<br />

Softkeys<br />

schakelt naar PLC-uitlezing om<br />

hiermee worden alle foutmeldingen gewist<br />

terug naar de foutweergave<br />

2 Bedieningsinstructies


2.4 Gegevensbeveiliging<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> slaat NC-programma's, gegevens van<br />

bedrijfsmiddelen en parameters op de harde schijf op. Omdat<br />

beschadiging van de harde schijf, bijvoorbeeld door een te grote<br />

trillings- of schokbelasting, niet uit te sluiten is, adviseert<br />

HEIDENHAIN u de gemaakte programma's, gegevens van<br />

bedrijfsmiddelen en parameters regelmatig op een PC op te slaan.<br />

Op de PC kunt u van DataPilot <strong>4290</strong>, het WINDOWS-programma<br />

”Explorer” of andere geschikte programma's voor<br />

gegevensbeveiliging gebruik maken.<br />

Voor de uitwisseling en beveiliging van gegevens heeft u de<br />

beschikking over de Ethernet-interface . Ook kunnen via de seriële<br />

interface (RS232) gegevens worden uitgewisseld (zie ”10.2<br />

Transmissieprocedure“).<br />

2.5 Begripsverklaring<br />

■ Cursor: in lijsten of bij de gegevensinvoer is een element in de lijst,<br />

een invoerveld of een teken gemarkeerd. Deze „markering“ wordt<br />

cursor genoemd.<br />

■ Cursortoetsen: met de „pijltoetsen“, „PgUp/PgDn“ of het touchpad<br />

verplaatst u de cursor.<br />

■ Navigeren: in lijsten of in het invoerveld verplaatst u de cursor om<br />

de positie te selecteren die u wilt bekijken, wijzigen, aanvullen of<br />

wissen. U „navigeert“ door de lijst.<br />

■ Actieve/niet-actieve functies, menu-items: functies of softkeys<br />

die op dit moment niet kunnen worden gekozen, worden „kleurloos“<br />

weergegeven.<br />

■ Dialoogbox: andere naam voor een invoervenster.<br />

■ Bewerken: het wijzigen, invoegen en wissen van parameters,<br />

commando's etc. in de programma's, gereedschapsgegevens of<br />

parameters wordt „bewerken“ genoemd.<br />

■ Default-waarde: wanneer aan parameters van de DINcommando's<br />

of aan andere parameters waarden zijn toegekend,<br />

spreken we van „default-waarden“.<br />

■ Byte: de capaciteit van disks wordt in „Byte“ aangegeven. Omdat<br />

de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> van een harde schijf is voorzien, wordt de<br />

programmalengte (bestandslengte) ook in Byte aangegeven.<br />

■ Extensie: bestandsnamen bestaan uit de eigenlijke „naam“ en de<br />

„extensie“. De naam en extensie zijn door een „.“ van elkaar<br />

gescheiden. Met de extensie wordt het bestandstype aangegeven.<br />

Voorbeelden:<br />

■ „*.NC“ DIN-programma's<br />

■ „*.NCS“ DIN-subprogramma's<br />

■ „*.MAS“ Machineparameters<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong><br />

19<br />

2.4 Gegevensbeveiliging; 2.5 Begripsverklaring


Handbediening en<br />

automatisch bedrijf<br />

3<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 21


3.1 Inschakelen, uitschakelen, referentieprocedure<br />

3.1 Inschakelen, uitschakelen,<br />

referentieprocedure<br />

3.1.1 Inschakelen en referentieprocedure<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> toont in de kopregel de afzonderlijke<br />

stappen van de systeemstart. Vervolgens vraagt de<br />

<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> u een bedrijfsmode te kiezen.<br />

Of er een referentieprocedure nodig is, hangt af van<br />

de voor uw machine gebruikte meetapparaten:<br />

■ EnDat-sensor: er is geen referentieprocedure<br />

vereist<br />

■ afstandsgecodeerde sensor: de positie van de<br />

assen is na een korte referentieprocedure bepaald<br />

■ standaardsensor: de assen verplaatsen zich naar<br />

bekende machinevaste punten<br />

Bij „Referentie automatisch“ volgen alle assen de<br />

referentieprocedure, bij „Referentie tippen“ volgt één<br />

as de referentieprocedure.<br />

Referentie automatisch (alle assen)<br />

Kies „Ref – Referentie automatisch“<br />

<<br />

„Status referentieprocedure“ informeert u over de<br />

actuele status. Assen waarvoor de<br />

referentieprocedure niet is uitgevoerd, worden grijs<br />

weergegeven.<br />

<<br />

Sledes waarvoor de referentieprocedure moet<br />

worden uitgevoerd of „alle sledes“ instellen<br />

(dialoogbox „Referentie automatisch“)<br />

<<br />

De referentieprocedure wordt<br />

uitgevoerd<br />

22<br />

Onderbreekt de referentieprocedure –<br />

bij cyclusstart wordt de<br />

referentieprocedure voortgezet<br />

Breekt de referentieprocedure af<br />

<<br />

Na beëindiging van de referentieprocedure:<br />

■ wordt de digitale uitlezing geactiveerd<br />

■ kan automatisch bedrijf worden gekozen<br />

■ De volgorde waarin de referentiepunten van de assen<br />

worden aangelopen, is in machineparameter 203, 253, ..<br />

vastgelegd.<br />

■ Dialoogbox „Referentie automatisch“ verlaten: druk op<br />

cyclusstop<br />

De software-eindschakelaars functioneren pas na de<br />

referentieprocedure.<br />

Bewaking van de EnDat-sensoren<br />

Wanneer uw machine met EnDat-sensoren is uitgerust, slaat de<br />

besturing de asposities bij uitschakeling op. Bij inschakeling<br />

vergelijkt de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> voor elke as de inschakelpositie met de<br />

opgeslagen uitschakelpositie.<br />

In geval van verschillen verschijnt een van de volgende meldingen:<br />

■ „As is na uitschakeling van de machine verplaatst.“<br />

Actuele positie controleren en bevestigen als de as werkelijk is<br />

verplaatst.<br />

■ „Opgeslagen sensorpositie van de as is ongeldig.“<br />

Deze melding is correct wanneer de besturing voor de eerste<br />

keer wordt ingeschakeld of wanneer de sensor of andere<br />

betreffende componenten van de besturing zijn vervangen.<br />

■ „Parameters zijn gewijzigd. Opgeslagen sensorpositie van de as<br />

is ongeldig.“<br />

Deze melding is correct wanneer er configuratieparameters zijn<br />

gewijzigd.<br />

Een defecte sensor kan ook de oorzaak van een van<br />

bovengenoemde meldingen zijn. Neem contact op met de<br />

leverancier van uw machine wanneer het probleem vaker optreedt.<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


Referentie tippen (afzonderlijke as)<br />

Kies „Ref – Referentie tippen“<br />

<<br />

„Status referentieprocedure“ informeert u over de<br />

actuele status. Assen waarvoor de<br />

referentieprocedure niet is uitgevoerd, worden grijs<br />

weergegeven.<br />

<<br />

Stel sledes en as in (dialoogbox „Referentie<br />

tippen“)<br />

<<br />

Zolang u de toets ingedrukt houdt,<br />

wordt de referentieprodecure<br />

uitgevoerd. Wanneer de toets wordt<br />

losgelaten, wordt de<br />

referentieprocedure onderbroken.<br />

Beëindigt de referentieprocedure<br />

<<br />

Na beëindiging van de referentieprocedure:<br />

■ Voor de as waarvoor de referentieprocedure is<br />

uitgevoerd, wordt de digitale uitlezing geactiveerd<br />

■ Wanneer voor alle assen de referentieprocedure<br />

is uitgevoerd, kan automatisch bedrijf worden<br />

geselecteerd<br />

3.1.2 Uitschakelen<br />

Uitschakelen van de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong>.<br />

Bevestig vervolgens de dan gestelde<br />

vraag met „OK“, om de bedrijfsvoering<br />

correct af te sluiten. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong><br />

vraagt u na enkele seconden de<br />

machine uit te schakelen.<br />

„Shutdown“ is in de programmeer- en<br />

bestuurbedrijfsmodi beschikbaar, als er geen<br />

bedrijfsmode is geselecteerd.<br />

De correcte uitschakeling wordt in de fouten-logfile<br />

vermeld.<br />

Dialoogbox „Referentie tippen“ verlaten: druk op<br />

cyclusstop<br />

De software-eindschakelaars functioneren pas na de<br />

referentieprocedure.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 23<br />

3.1 Inschakelen, uitschakelen, referentieprocedure


3.2 Bedrijfsmode Handbediening<br />

3.2 Bedrijfsmode<br />

Handbediening<br />

De bedrijfsmode Handbediening omvat functies voor<br />

het instellen van de draaibank, het bepalen van de<br />

gereedschapsmaten en de functies voor het<br />

handmatig bewerken van werkstukken.<br />

De machine-uitlezing onder aan het beeldscherm<br />

toont de gereedschapspositie en andere<br />

machinegegevens.<br />

Toepassingsmogelijkheden:<br />

■ Handbediening<br />

Met de „machinetoetsen“ en het handwiel worden<br />

de spillen gestuurd en de assen verplaatst, om het<br />

werkstuk te kunnen bewerken.<br />

■ Instellen van de machine<br />

Gebruikt gereedschap invoeren, werkstuknulpunt,<br />

gereedschapswisselpositie, afmetingen van<br />

veiligheidszone etc. vastleggen.<br />

■ Gereedschapsmaten bepalen<br />

door „aanraken“ of met meetapparatuur.<br />

■ Instellen van de uitlezingen<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> ondersteunt meerdere varianten<br />

van de machine-uitlezing.<br />

24<br />

Tijdens handbediening worden de<br />

gegevens afhankelijk van de instelling van<br />

de besturingsparameter 1 metrisch of in<br />

inch ingevoerd en weergegeven.<br />

Houd het volgende in de gaten, wanneer er<br />

voor de machine geen<br />

referentieprocedure is uitgevoerd:<br />

■ de digitale uitlezing is ongeldig<br />

■ de software-eindschakelaars zijn niet<br />

actief.<br />

Softkeys<br />

■ Handwiel aan een as toewijzen<br />

■ Oplossend vermogen van handwiel vastleggen<br />

Machine-uitlezing omschakelen<br />

Revolver één positie terug<br />

Revolver één positie vooruit<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


3.2.1 Machinegegevens invoeren<br />

Menugroep „F“ (voeding):<br />

■ Voeding per omwenteling<br />

Kies „Voeding per omwenteling“<br />

Geef voeding in „mm/omw“ (of „inch/omw“) in<br />

■ Voeding per minuut<br />

Kies „Voeding per minuut“<br />

Geef voeding in „mm/min“ (of „inch/min“) in<br />

Menugroep „S“ (spiltoerental):<br />

■ Spiltoerental<br />

Kies „Toerental S“<br />

Geef toerental in „omw/min“ in<br />

■ Constante snijsnelheid<br />

Kies „V-constant“<br />

Geef snijsnelheid in „m/min“ (of „ft/min“) in<br />

■ Georiënteerde spilstop<br />

Stel de spil met de spilschakelaar in<br />

Kies „Georiënteerde spilstop“<br />

Geef positie in<br />

Cyclusstart: de spil wordt gepositioneerd<br />

Cyclusstop: u verlaat de dialoogbox<br />

Menu-item „T“ (gereedschap):<br />

Kies „T“<br />

Voer revolverpositie in<br />

3.2.2 M-functies<br />

Menugroep „M“ (M-functies):<br />

■ Het M-nummer is bekend: kies „M-direct“ en geef<br />

het nummer in<br />

■ „M-menu“: kies de M-functie via het menu<br />

Na invoer/keuze van de M-functie:<br />

Cyclusstart: de M-functie wordt uitgevoerd<br />

Cyclusstop: u verlaat de dialoogbox<br />

Het M-menu is afhankelijk van de<br />

machine. Het menu kan van het hier<br />

getoonde voorbeeld afwijken.<br />

U kunt de constante snijsnelheid alleen voor sledes met<br />

een X-as ingeven.<br />

Functies van de gereedschapswissel:<br />

■ Gereedschap naar binnen zwenken<br />

■ „Nieuwe“ gereedschapsmaten verrekenen<br />

■ „nieuwe“ actuele waarden in de digitale uitlezing tonen<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 25<br />

3.2 Bedrijfsmode Handbediening


3.2 Bedrijfsmode Handbediening<br />

3.2.3 Handmatige draaibankbewerking<br />

Menugroep „handmatig“:<br />

Eenvoudig langs- en dwarsdraaien<br />

Kies „continue voeding“<br />

Kies voedingsrichting (dialoogbox „Continue<br />

voeding“)<br />

Regel de voeding met de cyclustoetsen<br />

G-functies<br />

Kies de „G-functie“<br />

Geef G-nummer en functieparameters in – druk<br />

op „OK“<br />

De G-functie wordt uitgevoerd<br />

Onderstaande G-functies zijn toegestaan:<br />

■ G30 – Bewerking van achterkant<br />

■ G710 – Gereedschapsmaten toevoegen<br />

■ G720 – Spilsynchronisatie<br />

■ G602..G699 – PLC-functies<br />

NC-programma's (handbediening)<br />

Afhankelijk van de configuratie van de draaibank<br />

voert de machinefabrikant NC-programma's in als<br />

aanvulling op de handbediening (bijv.: bewerking aan<br />

achterkant inschakelen). – zie machinehandboek.<br />

3.2.4 Handwiel<br />

26<br />

Wijs het handwiel aan een van de<br />

hoofdassen of aan de C-as toe en stel<br />

de voeding resp. de rotatiehoek per<br />

handwielstap in (dialoogbox<br />

„Handwiel-Assen“).<br />

De toevoeging van het handwiel en het oplossend<br />

vermogen van het handwiel worden getoond in de<br />

machine-uitlezing (de letteraanduiding van de as en de<br />

decimaal van het oplossend vermogen van het<br />

handwiel worden gemarkeerd).<br />

Opheffen van toewijzing van handwiel: op softkey<br />

„handwiel“ drukken, wanneer de dialoogbox is<br />

geopend.<br />

De toewijzing van het handwiel wordt door de<br />

volgende gebeurtenissen opgeheven:<br />

■ slede-omschakeling<br />

■ verandering van bedrijfsmode<br />

■ bedienen van een jogtoets<br />

■ herhaalde keuze van handwieltoewijzing<br />

Bij „continue voeding“ moet een omwentelingsvoeding<br />

gedefinieerd zijn.<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


3.2.5 Spil- en jogtoetsen<br />

De toetsen van het „machinebedieningspaneel“<br />

worden voor de bewerking van het werkstuk tijdens<br />

handbediening en bij speciale functies, zoals posities/<br />

correctiewaarden (teachen, aanraken, etc.) bepalen,<br />

gebruikt.<br />

De activering van het gereedschap, en het vastleggen<br />

van het spiltoerental, de voeding etc., vinden via het<br />

menu plaats.<br />

Wanneer gelijktijdig op de X- en Zjogtoetsen<br />

wordt gedrukt, verplaatst u de<br />

slede diagonaal.<br />

3.2.6 Slede- en spilschakelaar<br />

■ Bij draaibanken met meerdere sledes zijn de<br />

jogtoetsen gerelateerd aan de „geselecteerde<br />

slede“.<br />

■ Keuze van de slede: sledeschakelaar<br />

■ Uitlezing van de „geselecteerde slede“: machineuitlezing<br />

■ Bij draaibanken met meerdere spillen zijn de<br />

spiltoetsen gerelateerd aan de „geselecteerde<br />

spil“.<br />

■ Keuze van de spil: spilschakelaar<br />

■ Uitlezing van de „geselecteerde spil“: machineuitlezing.<br />

■ Bij instelfuncties die aan een slede/een spil zijn<br />

gerelateerd (werkstuknulpunt,<br />

gereedschapswisselpositie, etc.), bepaalt u de<br />

slede/spil met behulp van de slede-/spilschakelaar.<br />

■ De machine-uitlezing bevat meestal slede- en<br />

spilafhankelijke weergave-elementen. U kunt met<br />

deze slede-/spilschakelaar tussen deze weergaveelementen<br />

schakelen (zie „3.6 Machine-uitlezing“).<br />

Spiltoetsen<br />

Jogtoetsen<br />

Spil in richting M3/M4 inschakelen<br />

Spil in richting M3/M4 „tippen“. De spil blijft draaien<br />

zolang de schakelaar wordt ingedrukt. Tiptoerental:<br />

machineparameter 805, 855, ...<br />

Spilstop<br />

Slede- en spilschakelaar<br />

Slede in X-richting verplaatsen<br />

Slede in Z-richting verplaatsen<br />

Slede in Y-richting verplaatsen<br />

Slede in ijlgang verplaatsen: druk tegelijk op<br />

ijlgangtoets en jogtoets. IJlgangsnelheid:<br />

machineparameter 204, 254, ...<br />

hiermee schakelt u om naar de „volgende slede“<br />

hiermee schakelt u om naar de „volgende spil“<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 27<br />

3.2 Bedrijfsmode Handbediening


3.3 Gereedeschapstabellen, standtijdbeheer<br />

3.3 Gereedschapstabellen,<br />

standtijdbeheer<br />

De gereedschapstabel (revolver-tabel) toont de<br />

actuele bezetting van de gereedschapshouder. Bij het<br />

„instellen van de gereedschapstabel“ voert u de<br />

identificatienummers van het gereedschap in.<br />

Voor het instellen van de gereedschapstabel kunt u<br />

gebruik maken van de ingevoerde gegevens van het<br />

programmadeel REVOLVER uit het NC-programma.<br />

De functies „Tabel vergelijken, tabel overnemen“<br />

hebben betrekking op het laatste tijdens automatisch<br />

bedrijf vertaalde NC-programma.<br />

Standtijdgegevens<br />

In de gereedschapstabel staan niet alleen de<br />

identificatienummers en gereedschapsaanduidingen,<br />

maar ook de standtijdbewakingsgegevens van het<br />

gereedschap:<br />

■ Status<br />

Toont alleen de resterende standtijd/het resterende<br />

aantal stuks.<br />

■ Beschikbaarheid<br />

Is de standtijd verstreken of het aantal stuks<br />

bereikt, dan is het gereedschap „niet beschikbaar“.<br />

■ VG (vervangend gereedschap)<br />

Als het gereedschap niet beschikbaar is, wordt<br />

gebruikgemaakt van vervangend gereedschap.<br />

Eenvoudig gereedschap<br />

Met de instelfuncties kan alleen gereedschap worden<br />

ingevoerd dat in de database bekend is. Als het NCprogramma<br />

gebruik maakt van „eenvoudig<br />

gereedschap“, is de procedure als volgt:<br />

NC-programma vertalen – de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> werkt de<br />

gereedschapstabel automatisch bijh<br />

Wanneer de posities in de gereedschapstabel met<br />

„oud gereedschap“ zijn bezet, volgt de vraag „Moet<br />

de gereedschapstabel worden bijgewerkt?“ – er<br />

wordt pas gereedschap ingevoerd nadat u hiervoor<br />

toestemming hebt gegeven.<br />

Gereedschap dat niet in de database is opgenomen,<br />

krijgt geen identificatienummer maar de extensie<br />

„_AUTO_xx“ (xx: T-nummer).<br />

28<br />

■ De parameters van „eenvoudig gereedschap“ worden in<br />

het NC-programma vastgelegd.<br />

■ De standtijdgegevens worden alleen verwerkt als het<br />

gereedschaps-standtijdbeheer actief is.<br />

Botsingsgevaar<br />

■ Vergelijk de gereedschapstabel met de bezetting van de<br />

gereedschapshouder en controleer de<br />

gereedschapsgegevens voordat het programma wordt<br />

uitgevoerd.<br />

■ De gereedschapstabel en de maten van het ingevoerde<br />

gereedschap moeten overeenkomen met de actuele<br />

omstandigheden, omdat de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> bij alle<br />

sledebewegingen, de controle van de veiligheidszone, etc.<br />

met deze gegevens rekening houdt.<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


3.3.1 Gereedschapstabel instellen<br />

U benoemt de gereedschapstabel onafhankelijk van<br />

de gegevens van een NC-programma.<br />

Gereedschap opnieuw invoeren<br />

Kies „Instellen – Gereedschapstabel - Tabel<br />

instellen“<br />

<<br />

Kies gereedschapsplaats<br />

<<br />

ENTER (of INS-toets) - roept de dialoogbox<br />

„Instellen“ op<br />

<<br />

Voer identificatienummer in<br />

Gereedschap uit database overnemen<br />

„Gereedschapstype“ invoeren – de<br />

<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> toont al het gereedschap<br />

van dit typemasker<br />

„Identificatienummer“ invoeren – de<br />

<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> toont al het gereedschap<br />

van dit identificatienummer-masker<br />

<<br />

Kies gereedschap<br />

<<br />

Gereedschap uit database overnemen<br />

<<br />

Gereedschap wissen<br />

de gereedschap-database verlaten<br />

Kies „Instellen – Gereedschapstabel - Tabel<br />

instellen“<br />

<<br />

Kies gereedschapsplaats<br />

<<br />

of DEL-toets wist het gereedschap<br />

Softkeys<br />

Gereedschap wissen<br />

Gereedschap uit „buffergeheugen voor<br />

identificatienummers“ overnemenn<br />

Gereedschap wissen en in „buffergeheugen voor<br />

identificatienummers“ opslaann<br />

Gereedschapsparameters bewerken<br />

Gegevens die in de gereedschaps-database zijn<br />

ingevoerd – gesorteerd naar gereedschapstypep<br />

Gegevens die in de gereedschaps-database zijn<br />

ingevoerd – gesorteerd naar gereedschapsidentificatienummer<br />

Vervolg op volgende<br />

bladzijde<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 29<br />

3.3 Gereedschapstabellen, standtijden


3.3 Gereedschapstabellen, standtijden<br />

Van gereedschapsplaats wisselen<br />

Kies „Instellen – Gereedschapstabel – Tabel<br />

instellen“<br />

<<br />

Kies gereedschapsplaats<br />

30<br />

<<br />

wist het gereedschap en slaat het op in<br />

het „buffergeheugen voor<br />

identificatienummers“<br />

<<br />

Kies nieuwe gereedschapsplaats<br />

<<br />

Neem het gereedschap over uit het<br />

„buffergeheugen voor<br />

identificatienummers“.<br />

Als de plaats bezet is, wordt het „tot<br />

op dat moment gebruikte gereedschap“<br />

in het buffergeheugen gezet.<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


3.3.2 Gereedschapstabel met NCprogramma<br />

vergelijken<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> vergelijkt de actuele gereedschapstabel<br />

met de gegevens in het laatste NC-programma dat<br />

tijdens automatische bedrijf is vertaald.<br />

Gereedschapstabel vergelijken<br />

Kies „Instellen – Gereedschapstabel – Tabel<br />

vergelijken“. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> toont de actuele<br />

bezetting van de gereedschapstabel en markeert<br />

de afwijkingen van de geprogrammeerde<br />

gereedschapstabel.<br />

<<br />

Kies gemarkeerde gereedschapsplaats<br />

<<br />

Vergelijking nominale/actuele waarde<br />

Druk op ENTER (of INS-toets). De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> opent<br />

de dialoogbox „Vergelijking nominale/actuele waarde“.<br />

<<br />

identificatienummer van „nominaal<br />

gereedschap“ in de gereedschaptabel<br />

overnemen<br />

of<br />

Gereedschap in de database opzoeken<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> geeft het volgende gereedschap<br />

gemarkeerd weer:<br />

■ Actuele gereedschap ≠ Nominaal gereedschap<br />

■ Actueel – niet bezet; Nominaal – bezet<br />

De in het programmadeel REVOLVER ingevoerde<br />

gegevens gelden als „nominaal gereedschap“<br />

(referentie: het laatste tijdens automatisch bedrijf<br />

vertaalde NC-programma).<br />

Gereedschapsplaatsen die volgens het NC-programma<br />

niet zijn bezet, kunnen niet worden gekozen.<br />

Botsingsgevaar<br />

■ Gereedschapsplaatsen die bezet zijn,<br />

maar die volgens het NC-programma niet<br />

nodig zijn, worden niet gemarkeerd<br />

weergegeven.<br />

■ De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> houdt rekening met het<br />

werkelijk ingevoerde gereedschap – zelfs<br />

wanneer dit niet overeenkomt met de<br />

nominale bezetting.<br />

Softkeys<br />

Gereedschap wissen<br />

Gereedschap overnemen uit het „buffergeheugen voor<br />

identificatienummers“<br />

Gereedschap wissen en in „buffergeheugen voor<br />

identificatienummers“ opslaann<br />

Gereedschapsparameters bewerken<br />

Gegevens die in de gereedschaps-database zijn<br />

ingevoerd – gesorteerd naar gereedschapstypep<br />

Gegevens die in de gereedschaps-database zijn<br />

ingevoerd – gesorteerd naar gereedschapsidentificatienummerr<br />

Identificatienummer van „nominaal gereedschap“ in de<br />

gereedschapstabel overnemen<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 31<br />

3.3 Gereedschapstabellen, standtijden


3.3 Gereedschapstabellen, standtijden<br />

3.3.3 Gereedschapstabel uit NCprogramma<br />

overnemen<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> neemt de „nieuwe<br />

gereedschapsbezetting“ over uit het programmadeel<br />

REVOLVER (referentie: het laatste tijdens automatisch<br />

bedrijf vertaalde NC-programma).<br />

Gereedschapstabel overnemen<br />

Kies „Instellen – Gereedschapstabel – Tabel<br />

overnemen“.<br />

Afhankelijk van de bezetting van de<br />

gereedschapshouder op dat moment kunnen de<br />

onderstaande situaties zich voordoen:<br />

■ Gereedschapstabel wordt niet gebruikt<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> voert het „nieuwe gereedschap“ in<br />

de gereedschapstabel in. Posities die in de „oude<br />

gereedschapstabel“ al waren bezet, maar niet in de<br />

„nieuwe tabel“ worden gebruikt, blijven behouden.<br />

Als het gereedschap in de gereedschapshouder<br />

moet blijven, hoeft u verder niets te doen – als u dat<br />

niet wilt, kan het gereedschap worden gewist.<br />

■ Gereedschap staat op een andere positie<br />

Een gereedschap wordt niet ingevoerd als het wel<br />

in de gereedschapstabel staat, maar in de nieuwe<br />

bezetting een andere positie krijgt. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong><br />

meldt deze fout. Kies een andere<br />

gereedschapsplaats.<br />

Zolang een gereedschapspositie van de nominale<br />

bezetting afwijkt, wordt deze gemarkeerd weergegeven.<br />

32<br />

Botsingsgevaar<br />

■ Gereedschapsplaatsen die bezet zijn,<br />

maar die volgens het NC-programma niet<br />

nodig zijn, blijven gehandhaafd.<br />

■ De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> houdt rekening met het<br />

werkelijk ingevoerde gereedschap – zelfs<br />

wanneer dit niet overeenkomt met de<br />

nominale bezetting.<br />

Softkeys<br />

Gereedschap wissen<br />

Gereedschap uit het „buffergeheugen voor<br />

identificatienummers“ overnemenn<br />

Gereedschap wissen en in „buffergeheugen voor<br />

identificatienummers“ opslaann<br />

Gereedschapsparameters bewerken<br />

Gegevens die in de gereedschaps-database zijn<br />

ingevoerd – gesorteerd naar gereedschapstypep<br />

Gegevens die in de gereedschaps-database zijn<br />

ingevoerd – gesorteerd naar gereedschapsidentificatienummer<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


3.3.4 Standtijdbeheer<br />

Met de functie Standtijdbeheer wordt de<br />

„gereedschapsgroep“ vastgelegd en wordt het<br />

gereedschap als „beschikbaar“ aangeduid. De<br />

standtijd/het aantal stuks wordt in de<br />

gereedschapsdatase vastgelegd (zie „8.1.7 Multigereedschap,<br />

standtijdbewaking“).<br />

De dialoogbox „Standtijdbewaking“ wordt zowel voor<br />

de invoer als weergave van de standtijdgegevens<br />

gebruikt.<br />

Wisselcodes die u in „Wisselcodes 1, 2“ invoert,<br />

kunnen als onderdeel van de variabelenprogrammering<br />

in uw NC-programma worden verwerkt (zie „4.15.2 Vvariabelen“).<br />

Parameter „Standtijdbeheer“<br />

■ Verv.-ger. (vervangend gereedschap): T-nummer<br />

(revolverpositie) van het vervangend gereedschap<br />

■ Wisselcode 1: wisselcode die bij het verstrijken<br />

van de standtijd of het bereiken van het aantal<br />

stuks voor dit gereedschap wordt geactiveerd –<br />

wisselcode 21..59<br />

■ Wisselcode 2: wisselcode die bij het verstrijken<br />

van de standtijd of het bereiken van het aantal<br />

stuks voor het „laatste gereedschap“ van deze<br />

gereedschapsgroep wordt geactiveerd –<br />

wisselcode 21..59<br />

■ Beschikbaar: geeft aan of het gereedschap<br />

„beschikbaar/niet-beschikbaar“ is (geldt alleen voor<br />

standtijdbeheer)<br />

Standtijdparameters invoeren<br />

Kies „Instellen – Gereedschapstabel –<br />

Standtijdbeheer – de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> toont het<br />

ingevoerde gereedschap.<br />

<<br />

Kies gereedschapsplaats<br />

<<br />

Druk op ENTER – de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> opent de<br />

dialoogbox „Standtijdbeheer“<br />

<<br />

Voer het vervangend gereedschap en de<br />

standtijdparameters in - druk op OK<br />

Met „nieuwe snijkant“ wordt de standtijd/het<br />

aantal stuks uit de database overgenomen en het<br />

gereedschap als beschikbaar aangeduid.<br />

Gegevens van standtijdbeheer bijwerken<br />

Kies „Instellen – Gereedschapstabel – Standtijdbeheer bijwerken“<br />

<<br />

Bevestig de gestelde vraag met OK – de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> neemt de<br />

standtijd/het aantal stuks uit de database over en duidt al het<br />

gereedschap in de gereedschapstabel als gereed aan.<br />

<<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> toont ter controle de „Gereedschapstabel<br />

standtijdbeheer“.<br />

Toepassingsvoorbeeld: u hebt de snijkanten van al het ingezette<br />

gereedschap verwisseld en wilt de werkstukproductie „onder<br />

standtijdbeheer“ voortzetten.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 33<br />

3.3 Gereedschapstabellen, standtijden


3.4 Instelfuncties<br />

3.4 Instelfuncties<br />

3.4.1 Gereedschapswisselpositie<br />

instellen<br />

Bij de DIN-functie „G14“ verplaatst de slede zich naar<br />

de gereedschapswisselpositie. Deze positie moet<br />

zover van het werkstuk verwijderd zijn, dat u de<br />

revolver naar iedere positie kunt zwenken.<br />

Gereedschapswisselpositie instellen<br />

Bij meerdere sledes: leg sledes vast<br />

(sledeschakelaartoets)<br />

<<br />

Kies „Instellen – ger.-wisselpositie“<br />

<<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> toont in de dialoogbox „Ger.wisselpositie“<br />

de geldige positie.<br />

<<br />

Gereedschapswisselpositie invoeren<br />

Voer nieuwe positie in<br />

Gereeedschapswisselpositie teachen<br />

Verplaats slede naar de<br />

„gereedeschapswisselpositie“<br />

neemt de sledepositie als<br />

gereedschapswisselpositie over<br />

34<br />

of<br />

neemt de positie van de afzonderlijke<br />

assen over<br />

De gereedschapswisselpositie wordt in de<br />

instelparameters beheerd (keuze: „Act. para –<br />

instellen (menu) – gereedschapswisselpositie – ..“).<br />

De coördinaten van de<br />

gereedschapswisselpositie worden als<br />

afstand tussen machinenulpunt en<br />

referentiepunt van de gereedschapshouder<br />

ingevoerd en weergegeven. Omdat deze<br />

waarden niet in de digitale uitlezing worden<br />

getoond, is het raadzaam de<br />

gereedschapswisselpositie te „teachen“.<br />

Softkeys<br />

■ Handwiel aan een as toewijzen<br />

■ Oplossend vermogen van handwiel vastleggen<br />

Machine-uitlezing omschakelen<br />

Omwentelingsvoeding invoeren<br />

Constante snijsnelheid invoeren<br />

M-functie invoeren<br />

Aspositie als gereedschapswisselpositie overnemen(of<br />

Y- of Z-as)<br />

Sledepositie als gereedschapswisselpositie overnemen<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


3.4.2 Werkstuknulpunt verschuiven<br />

Werkstuknulpunt verschuiven<br />

Bij meerdere sledes: leg sledes vast<br />

(sledeschakelaartoets)<br />

<<br />

Zwenk gereedschap naar binnen<br />

<<br />

Kies „Instellen – nulpunt verschuiven“<br />

<<br />

De dialoogbox „Nulpunt verschuiven“ toont het<br />

geldige werkstuknulpunt (= nulpuntverschuiving).<br />

<<br />

Werkstuknulpunt ingeven<br />

Geef „nulpuntverschuiving“ in<br />

Aanraakpositie = werkstuknulpunt<br />

Eindvlak aanraken<br />

Aanraakpositie als werkstuknulpunt<br />

overnemen<br />

Werkstuknulpunt ten opzichte van<br />

aanraakpositie<br />

Eindvlak aanraken<br />

Aanraakpositie overnemen<br />

„Meetwaarde“ (afstand<br />

aanraakpositie - werkstuknulpunt)<br />

ingeven<br />

Het werkstuknulpunt wordt in de instelparameters<br />

beheerd (keuze: „Act. para – instellen (menu) –<br />

werkstuknulpunt – ..“).<br />

■ De „verschuiving“ is gerelateerd aan het<br />

machinenulpunt.<br />

■ U kunt het werkstuknulpunt ook voor de<br />

X- en Y-as verschuiven.<br />

Softkeys<br />

■ Handwiel aan een as toewijzen<br />

■ Oplossend vermogen van handwiel vastleggen<br />

Machine-uitlezing omschakelen<br />

Omwentelingsvoeding invoeren<br />

Constante snijsnelheid invoeren<br />

M-functie invoeren<br />

Z-positie als werkstuknulpunt vastleggen (of X- of Ypositie)<br />

Werkstuknulpunt ten opzichte van actuele Z-positie<br />

vastleggen (of X- of Y-positie)<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 35<br />

3.4 Instelfuncties


3.4 Instelfuncties<br />

3.4.3 Veiligheidszone vastleggen<br />

Veiligheidszone vastleggen<br />

Verwissel een willekeurig gereedschap (T0 is niet<br />

toegestaan).<br />

<<br />

Kies „Instellen – veiligheidszone“<br />

<<br />

Parameters van veiligheidszone invoeren<br />

Voer grenswaarden in<br />

Parameters van veiligheidszone per as teachen<br />

Voor elk invoerveld:<br />

Kies Invoerveld<br />

Positioneer gereedschap op<br />

„veiligheidszonegrens“<br />

Aspositie als parameters van<br />

veiligheidszone overnemen<br />

positieve/negatieve parameters van<br />

veiligheidszone teachen<br />

Kies willekeurig positief of negatief invoerveld<br />

Positioneer gereedschap op<br />

„veiligheidszonegrens“<br />

alle positieve/negatieve asposities<br />

overnemen<br />

36<br />

De parameters zijn bedoeld voor de<br />

„controle van de veiligheidszone“ – niet als<br />

software-eindschakelaar.<br />

Parameters van de veiligheideszone:<br />

■ zijn gerelateerd aan het machinenulpunt<br />

■ worden in machineparameters 1116,<br />

1156, .. beheerd<br />

■ X-waarden zijn radiusmaten<br />

■ 99999/–99999 betekent: geen bewaking<br />

van deze zijde van de veiligheidszone<br />

Softkeys<br />

■ Handwiel aan een as toewijzen<br />

■ Oplossend vermogen van handwiel vastleggen<br />

Machine-uitlezing omschakelen<br />

Omwentelingsvoeding invoeren<br />

Constante snijsnelheid invoeren<br />

M-functie invoeren<br />

–X-positie als parameter „veiligheidszone –X“<br />

overnemen (of +X, –Y, +Y, –Z, +Z-positie)<br />

Asposities als positieve/negatieve<br />

veiligheidszoneparameters overnemen<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


3.4.4 Spanmiddeltabel instellen<br />

De spanmiddeltabel wordt door de „meelopende<br />

grafische weergave“ verwerkt.<br />

Spanmiddeltabel instellen<br />

Kies „Instellen – spanmiddelen – hoofdspil (of losse<br />

kop)“<br />

<<br />

Kies identificatienummers uit de<br />

spanmiddeldatabase<br />

Spanmiddelen voor de spillen<br />

Om de „spanvorm“ te kunnen vastleggen, moet de<br />

„spanklauw“ worden ingevoerd. Stel de spanvorm<br />

met de softkey in – deze wordt grafisch toegelicht.<br />

Via „PgDn/PgUp“ schakelt u naar de<br />

spanmiddelbezetting van andere spillen.<br />

Parameter „spil x“ (hoofdspil, spil 1, ..)<br />

■ Id(entificatienummer) van klauwplaat: verwijzing<br />

naar de database<br />

■ Id(entificatienummer) van spanklauw: verwijzing<br />

naar de database<br />

■ Id(entificatienummer) van hulpmiddel voor<br />

opspannen: verwijzing naar de database<br />

■ Spanvorm (bij spanklauwen): inwendig/uitwendig<br />

opspannen en trapvorm van de opspanning<br />

vastleggen<br />

■ Spandiameter: diameter waarmee het werkstuk<br />

wordt ingespannen. (Diameter van het werkstuk bij<br />

het uitwendig opspannen; binnendiameter bij het<br />

inwendig opspannen)<br />

Parameter „losse kop“<br />

■ Id(entifiactienummer) van punt van pinole:<br />

verwijzing naar de database<br />

Softkeys<br />

Spanmiddelparameters bewerken<br />

Gegegevens die in de spanmiddel-database zijn<br />

ingevoerd – gesorteerd naar spanmiddeltype<br />

Gegevens die in de spanmiddel-database zijn ingevoerd<br />

– gesorteerd naar spanmiddel-identificatienummer<br />

„Verder“ – Spanvorm instellen<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 37<br />

3.4 Instelfuncties


3.4 Instelfuncties<br />

3.4.5 Machinematen instellen<br />

U kunt de machinematen in het kader van de<br />

programmering van de variabelen in het NC-programma<br />

verwerken.<br />

De instelfunctie „machinematen“ houdt rekening met<br />

de waarden 1..9 en per waarde met de<br />

„geconfigureerde assen“.<br />

Machinematen instellen<br />

Kies „Instellen – machinematen“<br />

<<br />

Voer „nummer van de machinemaat“ in<br />

<<br />

Machinematen invoeren<br />

Voer waarden in (dialoogbox „Machinemaat x<br />

vastleggen“)<br />

Afzonderlijke machinemaat teachen<br />

Kies invoerveld<br />

Breng as in „positie“<br />

Aspositie als machinemaat overnemen<br />

(of Y- of Z-positie)<br />

Alle machinematen teachen<br />

Breng slede in „positie“<br />

Asposities van de slede als<br />

machinematen overnemen<br />

38<br />

<<br />

OK – volgende machinemaat invoeren<br />

Afbreken – machinematen instellen verlaten<br />

Machinematen worden in machineparameter 7 beheerd.<br />

Machinematen zijn gerelateerd aan het<br />

machinenulpunt.<br />

Softkeys<br />

■ Handwiel aan een as toewijzen<br />

■ Oplossend vermogen van handwiel vastleggen<br />

Machine-uitlezing omschakelen<br />

Omwentelingsvoeding invoeren<br />

Constante snijsnelheid invoeren<br />

M-functie invoeren<br />

Aspositie als machinemaat x overnemen (of Y- of Z-as)<br />

Alle asposities van de slede als machinemaat<br />

overnemen<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


3.4.6 Gereedschap opmeten<br />

De wijze van ger-opmeten kunt u in<br />

machineparameter 6 vastleggen:<br />

■ 0: aanraken<br />

■ 1: opmeten met meettaster<br />

■ 2: opmeten met optische meetapparatuur<br />

Gereedschap opmeten<br />

Zwenk gereedschap naar binnen<br />

<<br />

Kies „Instellen – Ger-instellen – Ger-opmeten“.<br />

De dialoogbox „Ger-opmeten T...“ toont de van<br />

toepassing zijnde gereedschapsmaten.<br />

<<br />

Gereedschapsmaten invoeren<br />

Voer „maten“ in<br />

Gereedschapsmaten door aanraken bepalen<br />

Kies invoerveld „X“<br />

„Raak“ diameter „aan“, trek in Z-richting terug<br />

Diameter als „meetwaarde“<br />

overnemen<br />

Kies invoerveld „Z“<br />

„Raak“ eindvlak „aan“, trek in X-richting terug<br />

„Z-positie gereedschap“ als<br />

„meetwaarde“ overnemen<br />

Gereedschap met meettaster opmeten<br />

voor elk invoerveld:<br />

Kies invoerveld „X/Z“<br />

Verplaats de gereedschapspunt in X-/Z-richting<br />

naar de meettaster – de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> neemt „maat<br />

X/Z“ over<br />

Verplaats het gereedschap terug – trek de<br />

meettaster terug<br />

Gereedschap met optische meetapparatuur<br />

opmeten<br />

voor elk invoerveld:<br />

Kies invoerveld „X/Z“<br />

Breng de gereedschapspunt in X-/Z-richting<br />

tegenover het draadkruis<br />

Waarde overnemen<br />

Softkeys<br />

■ Handwiel aan een as toewijzen<br />

■ Oplossend vermogen van handwiel vastleggen<br />

Machine-uitlezing omschakelen<br />

Omwentelingsvoeding invoeren<br />

Constante snijsnelheid invoeren<br />

M-functie invoeren<br />

X-positie als meetwaarde X overnemen (of Y- of Z-positie)<br />

■ Invoergegevens van de dialoogbox „Meetwaarde<br />

ingeven“ zijn aan het werkstuknulpunt gerelateerd.<br />

■ De correctiewaarden van het gereedschap worden<br />

gewist.<br />

■ De vastgestelde gereedschapsmaten worden in de<br />

database ingevoerd.<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 39<br />

3.4 Instelfuncties


3.4 Instelfuncties<br />

Gereedschapscorrectie bepalen<br />

40<br />

Gereedschap naar binnen zwenken<br />

<<br />

Kies „Instellen – Ger-instellen – Ger-correcties“<br />

<<br />

Wijs het handwiel aan de X-as toe – Verplaats het<br />

gereedschap op basis van de correctiewaarde<br />

<<br />

Wijs het handwiel aan de Z-as toe – Verplaats het<br />

gereedschap op basis van de correctiewaarde<br />

<<br />

de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> neemt de<br />

correctiewaarden over<br />

Softkeys<br />

■ Handwiel aan een as toewijzen<br />

■ Oplossend vermogen van handwiel vastleggen<br />

Machine-uitlezing omschakelen<br />

Omwentelingsvoeding invoeren<br />

Constante snijsnelheid invoeren<br />

M-functie invoeren<br />

Gereedschapscorrecties overnemen<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


3.5 Automatisch bedrijf<br />

Tijdens automatisch bedrijf worden de<br />

gegevens afhankelijk van de instelling van<br />

de besturingsparameter 1 metrisch of in<br />

inch ingegeven of weergegeven. De<br />

instelling in de ”programmakop” van het<br />

NC-programma is bepalend voor de<br />

uitvoering van het programma – deze heeft<br />

geen invloed op de bediening en uitlezing.<br />

3.5.1 Programmaselectie<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> ”vertaalt” het NC-programma, alvorens<br />

u het via cyclusstart kunt activeren. „#-variabelen<br />

worden tijdens het vertaalproces ingegeven.<br />

„Herstart“ verhindert – „nieuwe start“ lanceert een<br />

nieuwe vertaling.<br />

Programmaselectie<br />

Kies „Prog – programmakeuze“<br />

Kies NC-programma<br />

Het NC-programma wordt zonder voorafgaande<br />

vertaling geladen, wanneer:<br />

■ het programma of de gereedschapstabel niet<br />

gewijzigd zijn.<br />

■ de draaibank tussentijds niet uitgeschakeld is<br />

geweest.<br />

Herstart<br />

Kies „Prog – herstart“<br />

Het NC-programma dat het laatst actief was, wordt<br />

zonder voorafgaande vertaling geladen, wanneer:<br />

■ het programma of de gereedschapstabel niet<br />

gewijzigd zijn.<br />

■ de draaibank tussentijds uitgeschakeld is geweest.<br />

Nieuwe start<br />

Kies „Prog – herstart“<br />

Het NC-programma wordt geladen en vertaald.<br />

(Toepassing: start van een NC-programma met<br />

#-variabelen.)<br />

uit DIN PLUS<br />

Kies „Prog – uit DIN PLUS“<br />

Het uit DIN PLUS geselecteerde NC-programma<br />

wordt geladen en vertaald.<br />

■ Als de „revolvertabel“ van het NCprogramma<br />

niet overeenkomt met de<br />

thans geldende tabel, verschijnt er een<br />

waarschuwingsmelding.<br />

■ De naam van het NC-programma blijft<br />

gehandhaafd, totdat er een ander<br />

programma is gekozen - ook wanneer de<br />

draaibank tussentijds uitgeschakeld is<br />

geweest.<br />

Softkeys<br />

Naar „Grafische uitlezing“ omschakelen<br />

Machine-uitlezing omschakelen<br />

Regeluitlezing voor meerdere kanalen instellen<br />

Basisregels (afzonderlijke verplaatsingen) uitlezen<br />

Variabelenuitvoer onderdrukken/toestaan<br />

Programma-afloop regel voor regel instellen<br />

Programmastop bij M01 (Optionele stop)<br />

Zoeken naar startregel uitvoeren<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 41<br />

3.5 Automatisch bedrijf


3.5 Automatisch bedrijf<br />

3.5.2 Zoeken naar startregel<br />

Zoeken naar startregel<br />

42<br />

Zoeken naar startregel activeren<br />

<<br />

Positioneer de cursor op de startregel. (Bij het<br />

zoeken naar de startregel heeft u de beschikking<br />

over softkeys.)<br />

<<br />

de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> schakelt terug naar<br />

automatisch bedrijf en begint met het<br />

zoeken naar de startregel<br />

<<br />

start het NC-programma met de<br />

geselecteerde NC-regel<br />

Zoeken naar startregel zonder vooraf<br />

ingegeven startregel verlaten<br />

■ Kies een „geschikte“ startregel. De <strong>CNC</strong><br />

<strong>PILOT</strong> houdt bij de programmastart met<br />

„Ingegeven startregel“ vanaf het begin<br />

van het programma rekening met de<br />

technologiefuncties – maar voert geen<br />

gereedschapswissel of verplaatsing uit.<br />

■ Kies bij machines met meerdere sledes<br />

voor alle sledes een geschikte startregel,<br />

voordat u op de softkey „Overnemen“ drukt.<br />

Botsingsgevaar<br />

■ Als de startregel een T-functie bevat,<br />

begint de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> met het zwenken<br />

van de revolver.<br />

■ De eerste verplaatsingsfunctie wordt<br />

vanaf de actuele gereedschapspositie<br />

uitgevoerd<br />

Softkeys<br />

Machine-uitlezing omschakelen<br />

Regeluitlezing voor meerdere kanalen instellen<br />

Basisregels (afzonderlijke verplaatsingen) uitlezen<br />

T-nummer ingeven – de cursor wordt op het volgende<br />

T-commando met dit T-nummer gepositioneerd<br />

N-nummer ingeven – de cursor wordt op het<br />

regelnummer gepositioneerd<br />

L-Nummer ingeven – de cursor wordt op de volgende<br />

oproep van een subprogramma met dit T-nummer<br />

gepositioneerd<br />

Zoeken naar startregel uitvoeren<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


3.5.3 Programma-afloop beïnvloeden<br />

Uitschakelniveaus<br />

■ NC-regels die worden voorafgegaan door een<br />

uitschakelniveau, worden bij een actief<br />

schakelniveau niet uitgevoerd.<br />

■ Uitschakelniveaus: 0..9<br />

■ meerdere uitschakelniveaus: als „cijferreeks“<br />

ingeven<br />

■ Uitschakelniveaus uitschakelen: „leeg“ invoerveld<br />

bij „nummer van niveau“<br />

Bediening<br />

Kies menu-item „Afloop – uitschakelniveau“<br />

Geef „Nummer van niveau“ in<br />

Ingegeven aantal stuks<br />

■ Bereik van de telling: 0..9999<br />

■ Aantal stuks = 0: fabricage zonder begrenzing van<br />

het aantal stuks – de teller wordt na elke<br />

programmarun verhoogd<br />

■ Aantal stuks > 0: de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> produceert het<br />

aangegeven aantal stuks – de teller wordt na elke<br />

programmarun verlaagd<br />

■ De telling van het aantal stuks blijft gehandhaafd,<br />

ook wanneer de draaibank tussentijds<br />

uitgeschakeld is geweest.<br />

■ Indien een NC-programma met<br />

„Programmaselectie“ wordt geactiveerd, zet de<br />

<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> de teller van aantal stuks terug.<br />

■ Zodra het ingegeven aantal stuks is bereikt, kunt u<br />

het NC-programma niet meer starten. Kies<br />

„Herstart“, om het NC-programma opnieuw te<br />

starten.<br />

Bediening<br />

Kies menu-item „Afloop – aantal stuks“<br />

Geef aantal stuks in<br />

V-variabelen<br />

■ De dialoogbox „V-variabelen“ is bedoeld voor het<br />

uitlezen en invoeren van variabelen<br />

■ V-variabelen worden aan het begin van het NCprogramma<br />

gedefinieerd. De betekenis wordt in het<br />

NC-programma vastgelegd.<br />

Bediening:<br />

Kies menu-item „Afloop – V-variabelen“ – de <strong>CNC</strong><br />

<strong>PILOT</strong> toont de in het NC-programma gedefinieerde<br />

variabelen<br />

Druk op „Bewerken“, wanneer u een variabele<br />

wilt wijzigen<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Status uitschakelniveaus<br />

Uitlezingsveld<br />

Markeringen:<br />

■ bovenste balk: ingegeven uitschakelniveaus<br />

■ onderste balk: de door „Regeluitvoering“ herkende<br />

uitschakelniveaus (actieve uitschakelniveaus)<br />

Wanneer u uitschakelniveaus in-/uitschakelt, reageert de<br />

<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> na ca. 10 regels (reden: verwerking van NCregels<br />

loopt voor op de uitvoering ervan).<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 43<br />

3.5 Automatisch bedrijf


3.5 Automatisch bedrijf<br />

3.5.4 Correcties<br />

■ Gereedschapscorrecties<br />

Kies „Corr – ger-correcties“<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> voert het „T-Nummer“ en de van<br />

toepassing zijnde correctiewaarden van het actieve<br />

gereedschap in. U kunt een ander T-nummer<br />

ingeven.<br />

Voer de correctiewaarden in<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> telt de ingegeven<br />

correctiewaarden bij de bestaande waarden op.<br />

44<br />

Programma-afloop regel voor regel<br />

Er wordt een NC-functie (een<br />

basisregel) uitgevoerd, daarna gaat de<br />

<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> in de toestand Aanzet-stop.<br />

Met „cyclusstart“ wordt de volgende<br />

NC-functie uitgevoerd, etc.<br />

Optionele stop<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> stopt bij de functie M01<br />

en gaat in de toestand Cyclus-stop.<br />

Met Cyclusstart wordt de uitvoering<br />

van het programma voortgezet.<br />

Voedings-override F% (0% .. 150%)<br />

De override van de geprogrammeerde voeding<br />

geschiedt met de draaiknop (machinebedieningspaneel).<br />

De machine-uitlezing toont de actuele voedingsoverride.<br />

Toerental-override S% (50% .. 150%)<br />

De toerental-override resp. het teruggaan naar het<br />

geprogrammeerde toerental geschiedt met de toetsen<br />

van het machinebedieningspaneel. De machineuitlezing<br />

toont de actuele toerental-override.<br />

Gereedschapscorrecties:<br />

■ zijn actief vanaf de volgende<br />

verplaatsingsfunctie<br />

■worden in de database overgenomen<br />

■kunnen maximaal 1 mm worden<br />

veranderd<br />

Status optionele start<br />

optionele stop uit<br />

optionele start aan<br />

Toetsen voor toerental-override<br />

Toerental op 100% (geprogrammeerde waarde)<br />

Toerental met 5% verhogen<br />

Toerental met 5% verlagen<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


■ Additieve correcties<br />

Kies „Corr – additieve correcties“<br />

Geef het nummer van de correctie in (nummer<br />

901..916) – de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> toont de van toepassing<br />

zijnde correctiewaarden<br />

Voer de correctiewaarden in<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> telt de ingegeven<br />

correctiewaarden bij de bestaande waarden op.<br />

Additieve correcties:<br />

■ worden via „G149 ..“ geactiveerd<br />

■ worden in instelparameter 10 beheerd<br />

■ kunnen maximaal 1 mm worden<br />

veranderd<br />

3.5.5 Standtijdbeheer<br />

Kies „Corr – standtijdbeheer“.<br />

de gereedschapstabel met de actuele<br />

standtijdgegevens wordt getoond<br />

Kies gereedschap<br />

Druk op ENTER om de dialoogbox<br />

„Standtijdbeheer“ te openen<br />

■ Stel „beschikbaarheid“ in – of<br />

■ actualiseer de standtijden met een „nieuwe<br />

snijkant“<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 45<br />

3.5 Automatisch bedrijf


3.5 Automatisch bedrijf<br />

3.5.6 Inspectiebedrijf<br />

U kunt de programma-afloop onderbreken, het<br />

„actieve gereedschap“ inspecteren, corrigeren of van<br />

snijkant verwisselen en het NC-programma bij het<br />

onderbrekingspunt voortzetten.<br />

De inspectiecyclus wordt in onderstaande stappen<br />

uitgevoerd:<br />

programma onderbreken en gereedschap „uit het<br />

materiaal halen“<br />

gereedschap controleren, zo nodig snijkant<br />

vervangenn<br />

gereedschap terugverplaatsen<br />

■ snijkant was o.k.: automatische programmaafloop<br />

voortzetten<br />

■ bij gebruik van een nieuwe snijkant: door<br />

„Aanraken“ de correctiewaarden vastleggen –<br />

daarna de automatische programma-afloop<br />

voortzetten<br />

Wanneer u het gereedschap „uit het materiaal haalt“,<br />

slaat de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> de eerste vijf verplaatsingen op.<br />

Daarbij correspondeert elke verandering van richting<br />

met een verplaatsing.<br />

U kunt het NC-programma vóór het<br />

onderbrekingspunt voortzetten. Hierbij geeft u de<br />

afstand tot het „onderbrekingspunt“ aan. Als de<br />

„afstand“ groter is dan de afstand tussen het begin<br />

van de regel en het onderbrekingspunt, zal de <strong>CNC</strong><br />

<strong>PILOT</strong> bij het begin van de onderbroken NC-regel<br />

doorgaan.<br />

46<br />

■ Tijdens de inspectie kunt u de revolver<br />

zwenken, op de spiltoetsen drukken, etc.<br />

■ Als de revolver gezwenkt is, zorgt het<br />

vrijzetprogramma ervoor dat het „juiste“<br />

gereedschap wordt ingespannen.<br />

■ Kies de correctiewaarden bij vervanging<br />

van de snijkant zodanig, dat het<br />

gereedschap voór het werkstuk tot<br />

stilstand komt.<br />

■ U kunt de inspectiecyclus in de<br />

cyclusstop-toestand met ESC afbreken en<br />

naar „Handbediening“ overschakelen.<br />

Inspectiebedrijf<br />

Programma-afloop onderbreken<br />

<<br />

Kies „Insp(ectie)“<br />

<<br />

Haal het gereedschap met behulp van de jogtoetsen uit het<br />

materiaal.<br />

<<br />

Zwenk de revolver, indien nodig.<br />

<<br />

Inspecteer en vervang de snijkant, indien nodig.<br />

<<br />

Sluit de inspectie af – de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> laadt het<br />

vrijzetprogramma („_SERVICE“).<br />

<<br />

De dialoogbox „Ger-correctie“ wordt geopend. Geef de<br />

gereedschapscorrectie in en sluit met „OK“ af.<br />

Kies bij een nieuwe snijkant de correctiewaarde zodanig, dat het<br />

gereedschap bij het vrijzetten vóór het werkstuk staat.<br />

<<br />

Activeer de spil, indien nodig.<br />

<<br />

start het vrijzetprogramma.<br />

<<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


Inspectiebedrijf – vervolg<br />

Dialoog „Doorstarten bij opnieuw aanlopen ?“ –<br />

Geef Ja/Nee in en druk op „OK“<br />

<<br />

Doorstarten – Ja:<br />

nu volgt de dialoog „Benaderen op<br />

onderbrekingspunt (OP) / vóór onderbrekingspunt“<br />

■ op OP: geen andere dialoog<br />

■ vóór OP: u geeft de afstand aan waarop het<br />

gereedschap vóór het onderbrekingspunt moet<br />

starten (dialoog „Afstand tot het<br />

onderbrekingspunt“)<br />

Het vrijzetprogramma verplaatst het gereedschap<br />

naar het onderbrekingspunt/tot vóór het<br />

onderbrekingspunt en zet de programma-afloop<br />

zonder stop voort.<br />

De inspectiecyclus is afgesloten.<br />

Doorstarten – Nee:<br />

nu volgt de dialoog „Benaderen op<br />

onderbrekingspunt (OP) / vóór onderbrekingspunt“<br />

■ op OP: geen andere dialoog<br />

■ vóór OP: u geeft de afstand aan waarop het<br />

gereedschap vóór het onderbrekingspunt moet<br />

starten (dialoog „Afstand tot het<br />

onderbrekingspunt“)<br />

Het vrijzetprogramma verplaatst het gereedschap<br />

naar/tot vóór het onderbrekingspunt en stopt.<br />

Toepassingsvoorbeeld: snijplaat is vervangen<br />

<<br />

Kies opnieuw „Insp(ectie)“<br />

<<br />

Dialoogbox „Gereedschap aanraken“ wordt<br />

geopend (ter informatie)<br />

<<br />

Wijs het handwiel van de X-/Z-as toe en „raak aan“<br />

<<br />

„Waarde overnemen“ – de per handwiel vastgestelde<br />

correctiewaarden worden overgenomenn<br />

<<br />

de programma-afloop wordt voortgezet<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 47<br />

3.5 Automatisch bedrijf


3.5 Automatisch bedrijf<br />

3.5.7 Regeluitlezing<br />

Regeluitlezing – basisregeluitlezing<br />

De regeluitlezing toont de NC-regels, zoals ze zijn<br />

geprogrammeerd. In de basisregeluitlezing<br />

verschijnen afzonderlijke verplaatsingen – de cycli zijn<br />

„gefragmenteerd“. De nummering van de basisregels<br />

is onafhankelijk van de geprogrammeerde<br />

regelnummers.<br />

De cursor staat in de regeluitlezing en in de<br />

basisregeluitlezing op regel die op dat ogenblik wordt<br />

uitgevoerd.<br />

Kanaaluitlezing<br />

Bij draaibanken met meerdere sledes (kanalen) kunt u<br />

de regeluitlezing voor maximaal 3 kanalen activeren.<br />

48<br />

Basisregel aan/uit<br />

Kanaaluitlezing omschakelen<br />

Telkens wanneer de softkey wordt<br />

ingedrukt, wordt een kanaal<br />

„bijgeschakeld“ - daarna verschijnt<br />

uitsluitend de uitlezing voor een kanaal.<br />

Variabelenuitvoer<br />

Bij „ingedrukte softkey“ kunnen<br />

variabelen worden uitgevoerd (met<br />

PRINTA). Anders wordt de<br />

variabelenuitvoer onderdrukt.<br />

Menu-item „Uitlezing – ...“<br />

■ Lettergrootte: verkleint/vergroot het korps van de<br />

regeluitlezing<br />

■ Controle op belasting – zie „3.7.2 Productie met<br />

controle op belasting“<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


3.5.8 Grafische uitlezing<br />

De „grafische weergave van het automatisch bedrijf“<br />

geeft geprogrammeerde onbewerkte en bewerkte<br />

werkstukken weer en toont de verplaatsingen.<br />

Hiermee kunt u de bewerking op ontoegankelijke<br />

plaatsen controleren, inzicht verkrijgen in de<br />

bewerkingstoestand, etc.<br />

Alle bewerkingen, met inbegrip van freesbewerkingen,<br />

worden in het „rotatievenster“ (XZ-aanzicht)<br />

weergegeven.<br />

Instellingen<br />

Grafische weergave activeren – als de<br />

grafische weergave reeds geactiveerd<br />

is geweest, wordt de weergave aan de<br />

actuele bewerkingstoestand<br />

aangepast.<br />

terug naar regeluitlezing<br />

Lijn: elke gereedschapsverplaatsing<br />

wordt als lijn, gerelateerd aan de<br />

theoretische gereedschapspunt,<br />

weergegeven.<br />

Snijspoor: geeft het vlak dat door het<br />

„snijdende gedeelte“ van het<br />

gereedschap wordt gepasseerd,<br />

gearceerd weer. U ziet het<br />

verspaningsbereik waarbij rekening is<br />

gehouden met de snijgeometrie (zie<br />

„5.1 De bedrijfsmode simulatie“).<br />

Lichtpunt: het witte rechthoekje geeft<br />

de theoretische beitelpunt aan.<br />

Gereedschap: de gereedschapscontour<br />

wordt weergegeven. (Voorwaarde: er<br />

moeten voldoende gegevens in de<br />

gereedschaps-database aanwezig zijn.)<br />

Standaard: bij elke regel-doorschakeling<br />

wordt de complete verplaatsing<br />

weergegeven<br />

Beweging: geeft de verspaning<br />

synchroon met de bewerking weer.<br />

Voorwaarden:<br />

■ geprogrammeerd onbewerkt werkstuk<br />

■ „beweging“ moet aan het begin van<br />

het NC-programma ingesteld zijn<br />

■ bij programmaherhalingen (M99)<br />

start de „beweging“ bij de volgende run<br />

van het NC-programma.<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Softkeys<br />

Terug naar regeluitlezing<br />

Loep activeren<br />

Programma-afloop regel voor regel instellen<br />

Weergave van de verplaatsingen: lijn of (snij)spoor<br />

Gereedschapsweergave lichtpunt of gereedschap<br />

■ „Beweging“ is alleen bij draaibanken met een slede<br />

beschikbaar.<br />

■ Als er geen onbewerkt werkstuk is geprogrammeerd,<br />

wordt uitgegaan van het „onbewerkte werkstuk in<br />

standaarduitvoering“ (regelparameter 23).<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 49<br />

3.5 Automatisch bedrijf


3.5 Automatisch bedrijf<br />

Vergroten, verkleinen, detail van afbeelding<br />

selecteren<br />

Bij het oproepen van de „loep“<br />

verschijnt een „rode rechthoek“ om het<br />

detail van de afbeelding te selecteren.<br />

Detail van afbeelding:<br />

■ vergroten: „PgDn“<br />

■ verkleinen: „PgUp“<br />

■ verschuiven: cursortoetsen<br />

Instellen van loep met touchpad<br />

Voorwaarde: simulatie in „stopstatus“<br />

Positioneer de cursor op een hoek van het detail<br />

van de afbeelding<br />

terwijl u de linkermuisknop ingedrukt houdt, naar de<br />

tegenoverliggende hoek van het detail van de<br />

afbeelding slepen<br />

Rechtermuisknop: terug naar standaardformaat<br />

Standaardinstellingen: zie softkey-tabel<br />

50<br />

Loep verlaten<br />

Na een sterke vergroting kunt u „Werkstuk<br />

maximaal“ of „Werkruimte“ instellen, om vervolgens<br />

een nieuw detail van de afbeelding te selecteren.<br />

Softkeys<br />

Terug naar regeluitlezing<br />

Hiermee worden de laatste vergrotingen/instellingen<br />

opgeheven en wordt de als laatste geselecteerde<br />

standaardinstelling „Werkstuk maximaal“ of<br />

„Werkbereik“ getoond.<br />

Hiermee wordt de laatste vergroting/instelling<br />

opgeheven. U kunt de „Laatste loep“ meerdere keren<br />

gebruiken.<br />

Geeft het werkstuk zo groot mogelijk weer.<br />

Geeft het werkbereik, inclusief werkstukwisselpositie,<br />

weer.<br />

In de dialoogbox „Coördinatensysteem“ stelt u de<br />

„afmetingen“ van het simulatievenster en de positie<br />

van het werkstuknulpunt in.<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


3.5.9 Status meten na bewerking<br />

Selectie: menu-item „Uit(lezing) – PPM-status“<br />

(automatisch bedrijf)<br />

De dialoogbox „PPM info“ geeft informatie over de<br />

status van de meetwaarden en leest de doorgegeven<br />

„resultaten“ uit:<br />

■ koppeling van meetwaarden (komt overeen met<br />

regelparameter 10)<br />

■ Uit: meetresultaten worden onmiddellijk<br />

overgenomen en overschrijven de vorige<br />

meetwaarden.<br />

■ Aan: meetresultaten worden pas overgenomen,<br />

nadat de vorige meetwaarden zijn verwerkt.<br />

■ meetwaarden geldig: status van de meetwaarden<br />

(na overname van de meetwaarden met G915 is de<br />

status „niet geldig“)<br />

■ #939: totaalresultaat van de laatste meting<br />

■ #940..956: de laatste door de meter doorgegeven<br />

meetresultaten<br />

Door op „Init“ te drukken, wordt de verbinding met de<br />

inrichting voor het meten na de bewerking<br />

geïnitialiseerd en worden de meetresultaten gewist.<br />

Via de functie Meten na Bewerking worden de ontvangen<br />

„resultaten“ tijdelijk opgeslagen. De dialoogbox „PPM info“<br />

geeft in #939..956 de tijdelijk opgeslagen waarden weer –<br />

echter niet de variabelen.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 51<br />

3.5 Automatisch bedrijf


3.6 Machine-uitlezing<br />

3.6 Machine-uitlezing<br />

De machine-uitlezing van de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> kan worden<br />

geconfigureerd. U kunt voor elke slede maximaal 6<br />

uitlezingen voor handbediening en automatisch bedrijf<br />

configureren.<br />

52<br />

hiermee schakelt u om naar de<br />

„volgende geconfigureerde uitlezing“<br />

Met de sledeschakelaar schakelt u<br />

naar de uitlezing van de volgende slede<br />

met de spilschakelaar voor uitlezing<br />

van de volgende spil.<br />

De tabel „Uitlezingselementen“ verduidelijkt de<br />

standaarduitlezingsvelden. Andere uitlezingsvelden:<br />

zie „7.3Regelparameters“<br />

U kunt de waarden van de digitale<br />

uitlezing in „uitlezingsmethode“<br />

(machineparameter 17) als volgt instellen:<br />

■ 0: actuele waarde<br />

■ 1: volgfout<br />

■ 2: restweg<br />

■ 3: gereedschapspunt gerelateerd aan<br />

machinenulpunt<br />

■ 4: sledepositie<br />

■ 5: afstand referentienok – nulimpuls<br />

■ 6: nominale positiewaarde<br />

■ 7: verschil gereedschapspunt –<br />

sledepositie<br />

■ 8: nominale IPO-positie<br />

Uitlezingselementen<br />

Digitale uitlezing (uitlezing van actuele waarde)<br />

Afstand gereedschapspunt – werkstuknulpunt<br />

■ Leeg veld: as heeft zich niet naar het referentiepunt verplaatst<br />

■ Letteraanduiding as wit: geen „vrijgave“<br />

Digitale uitlezing (uitlezing van actuele<br />

waarde) C<br />

Positie van de C-as.<br />

■ „Index“: duidt de C-as aan „0/1“<br />

■ Leeg veld: C-as is niet actief<br />

■ Letteraanduiding as wit: geen „vrijgave“<br />

Restwegweergave<br />

Restweg van de actieve verplaatsingsfunctie<br />

■ Balkdiagram: restweg in „mm“<br />

■ Veld linksonder: actuele positie<br />

■ Veld rechtsonder: restweg<br />

T-uitlezing – zonder standtijdbewaking<br />

■ T-nummer actief gereedschap<br />

■ Gereedschapscorrectiewaarden<br />

T-uitlezing – met standtijdbewaking<br />

■ T-nummer van het actieve gereedschap<br />

■ Standtijdgegevens<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


Uitlezingselementen (vervolg)<br />

Gegevens over aantal stuks/stuktijd<br />

■ Aantal bewerkte stukken van deze partij<br />

■ Bewerkingstijd van het actuele werkstuk<br />

■ Totale bewerkingstijd van deze partij<br />

Belastingsuitlezing<br />

Belasting van de spilmotoren/asaandrijvingen,<br />

gerelateerd aan het nominale draaimoment<br />

D-uitlezing – additieve correcties<br />

■ Nummer van de actieve correctie<br />

■ Correctiewaarden<br />

Slede-uitlezing<br />

■ Symbool wit: geen „vrijgave“<br />

■ Cijfer: geselecteerde slede<br />

■ Cyclustoestand: zie tabel<br />

■ Balkdiagram: voedings-override „in %“<br />

■ Bovenste veld: voedings-override<br />

■ Onderste veld: actuele voeding – bij stilstaande slede: ingestelde<br />

voeding (grijze letter)<br />

■ Sledenummer blauw gemarkeerd: bewerking van de achterkant actief<br />

Spiluitlezing<br />

■ Symbool wit: geen „vrijgave“<br />

■ Cijfer in spilsymbool: stand instelling spil/toeren-bereik<br />

■ „H“/Cijfer: gekozen spil<br />

■ Spiltoestand: zie tabel<br />

■ Balkdiagram: toerental-override „in %“<br />

■ Bovenste veld: toerental-override<br />

■ Onderste veld: actueel toerental – bij positieregeling (M19):<br />

spilpositie – bij stilstaande spil: nominaal toerental (grijs)<br />

Vrijgave-overzicht<br />

Toont de vrijgaves voor de maximaal mogelijke 6 NC-kanalen,<br />

4 spillen en 2 C-assen. Vrijgaves zijn (groen) gemarkeerd.<br />

■ Uitlezingsgroep links: „vrijgaves“<br />

F=voeding; D=gegevens; S=spil; C=C-as<br />

1..6: Nummer van de slede/spil, C-as<br />

■ Uitlezingsgroep midden: „status“<br />

Zy – linker uitlezing: cyclus aan/uit<br />

Zy – rechter uitlezing: voeding stop;<br />

R=referentieprocedure; A=automatisch bedrijf;<br />

H=handbediening;<br />

F=vrijzetten (na eindschakelaar passeren);<br />

I=inspectiebedrijf; E=instelschakelaar;<br />

■ Uitlezingsgroep rechts: „spil“<br />

Uitlezing voor „draairichting links/rechts“<br />

beide actief: spilpositionering (M19)<br />

Cyclusstatus (slede-uitlezing)<br />

Automatisch bedrijf – cyclus Aan<br />

Automatisch bedrijf – aanzet stop<br />

Automatisch bedrijf – cyclus Uit<br />

Handbediening<br />

Inspectiecyclus<br />

Machine in de instelbedrijfsmode<br />

Spilstatus (spiluitlezing)<br />

Draairichting van de spil M3<br />

Draairichting van de spil M4<br />

Spil gestopt<br />

Spil in positieregeling (M19)<br />

C-as is „geactiveerd“<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 53<br />

3.6 Machine-uitlezing


3.7 Belastingsbewaking<br />

3.7 Belastingsbewaking<br />

Bij de productie met belastingsbewaking vergelijkt de<br />

<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> de draaimomenten resp. de „bewerking“<br />

van de aandrijvingen met de waarden die tijdens een<br />

„referentieprocedure“ zijn bepaald.<br />

Bij overschrijding van de „draaimoment-grenswaarde 1“<br />

of „bewerkings-grenswaarde“ wordt het gereedschap<br />

als „verbruikt“ aangeduid. Bij overschrijding van<br />

„draaimoment-grenswaarde 2“ neemt de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong><br />

aan dat er sprake is van een gereedschapsbreuk. De<br />

bewerking wordt dan stopgezet (voedingsstop).<br />

Overschrijding van de grenswaarden wordt in de<br />

foutmelding opgenomen.<br />

De belastingsbewaking geeft verbruikt gereedschap<br />

in de „gereedschapsdiagnosebits“ aan. Wanneer u<br />

gebruik maakt van de standtijdbewaking, beheert<br />

de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> het vervangend gereedschap (zie<br />

„4.2.4 Gereedschapsprogrammering“). De<br />

„gereedschapsdiagnosebits“ kunt u ook in het NCprogramma<br />

verwerken.<br />

3.7.1 Referentiebewerking<br />

Bij referentiebewerking (registratie nominale waarde)<br />

worden het maximale draaimoment en de<br />

bewerkingen van iedere bewakingszone, de<br />

referentiewaarden, bepaald.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> voert een referentiebewerking door<br />

wanneer:<br />

■ er geen „bewakingsparameters“ beschikbaar zijn.<br />

■ u in de dialoogbox „Referentiebewerking“ (na de<br />

„programmakeuze“) „Ja“ kiest.<br />

Keuze: „Uit(lezing) – Belastingsbewaking – Uitlezing“<br />

(bedrijfsmode automatisch bedrijf).<br />

Submenu „Registratie nominale waarde“:<br />

■ Menu-item „Curves“<br />

Wijs aan de invoervelden „Curve 1..4“ de<br />

aandrijvingen toe.<br />

Het „uitlezingsraster“ beïnvloedt de nauwkeurigheid<br />

en de snelheid van de uitlezing. Een „klein raster“<br />

vergroot de nauwkeurigheid van de uitlezing<br />

(waarden: 4, 9, 19, 39 seconden per afbeelding).<br />

■ Menugroep „Modus“<br />

■ Lijngrafiek: toont de draaimomenten via de tijdas<br />

54<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Bij belastingsbewaking legt u in het NC-programma bewakingszones<br />

vast en definieert u de te bewaken aandrijvingen (G995). De<br />

draaimoment-grenswaarden in een bewakingszone hebben betrekking<br />

op het maximum draaimoment dat bij de referentiebewerking is<br />

bepaald.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> controleert de draaimoment- en bewerkingswaarden<br />

bij elke interpolatorcyclus en toont de waarden in een tijdraster van<br />

20 msec. De grenswaarden worden uit de referentiewaarden en de<br />

grenswaardefactor (regelparameter 8) berekend. De grenswaarden<br />

kunnen naderhand worden gewijzigd in „Bewakingsparameters<br />

bewerken“.<br />

■ Let erop dat de omstandigheden bij de<br />

referentiebewerking en later bij de productie dezelfde zijn<br />

(voedings- en toerental-override, kwaliteit van het<br />

gereedschap, etc.)<br />

■ Per bewakingszone worden maximaal 4 apparaten<br />

bewaakt.<br />

■ Met „G996 Type belastingsbewaking“ regelt u het<br />

uitschakelen van de ijlgangbanen en de bewaking per<br />

draaimoment en/of bewerking.<br />

■ De grafische en digitale uitlezingen zijn gerelateerd aan<br />

de nominale draaimomenten.<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


■ Balkdiagram: grafische weergave van de<br />

draaimomenten en markering van de piekwaarden<br />

■ Meetwaarden opslaan/niet opslaan<br />

Opslag is een voorwaarde om op een later tijdstip<br />

een analyse van de referentiebewerking te kunnen<br />

uitvoeren. De uitlezing „Gegevens schrijven“ geeft<br />

de instelling aan.<br />

■ Grenswaarden overschrijven/niet overschrijven<br />

Wanneer u de grenswaarden ondanks een nieuwe<br />

referentiebewerking wilt behouden, kiest u<br />

„Grenswaarden niet overschrijven“.<br />

■ Pauze stopt de uitlezing<br />

■ Met Verder wordt de uitlezing voortgezet<br />

■ Auto: terug naar het menu Automatisch bedrijf<br />

Aanvullende informatie<br />

■ Zonenummer: actuele bewakingszone.<br />

Negatief voorteken: het proces wordt niet bewaakt<br />

(voorbeeld: uitschakelen van de ijlgangbanen).<br />

■ Ger.: actief gereedschap<br />

■ gekozen aandrijvingen: de aandrijvingen worden<br />

opgesomd en de actuele draaimomenten worden<br />

getoond.<br />

■ Regeluitlezing<br />

3.7.2 Productie met<br />

belastingsbewaking<br />

De instelling in het NC-programma (G996) bepaalt of<br />

de „Productie met belastingsbewaking“ plaatsvindt.<br />

Draaimomenten en grenswaarden weergeven:<br />

„Uit(lezing) – Belastingsbewaking – Uitlezing“<br />

(automatisch bedrijf).<br />

Submenu „Belastingsbewaking – Uitlezing“:<br />

■ Menu-item „Curves“<br />

Wijs aan de invoervelden „Curve 1..4“ de<br />

aandrijvingen toe.<br />

■ Lijngrafiek: één curve<br />

■ Balkdiagram: max. vier curves<br />

Weergaveraster: zie „3.7.1 Referentiebewerking“<br />

■ Menugroep „Modus“<br />

■ Lijngrafiek Draaimomenten via de tijdas en<br />

grenswaarden tonen – grenswaarden „grijs“: nietbewaakte<br />

zone (uitschakelen van ijlgangbanen).<br />

■ Balkdiagram actuele draaimomenten, de<br />

„bewerkingen“ tot dat moment en alle<br />

grenswaarden van de bewakingszone tonen<br />

■ Pauze stopt de uitlezing<br />

De referentiebewerking wordt niet door de uitlezingen<br />

beïnvloedt.<br />

■ Met Verder wordt de uitlezing voortgezet<br />

■ Auto: terug naar het menu Automatisch bedrijf<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 55<br />

3.7 Belastingsbewaking


3.7 Belastingsbewaking<br />

3.7.3 Grenswaarden bewerken<br />

Met de „bewakingsparameter – editor“ analyseert u<br />

de referentiebewerking en optimaliseert u de<br />

grenswaarden.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> toont in de kopregel de<br />

programmanaam van geladen bewakingsparameters.<br />

KeuzeAnwahl: „Uit(lezing) – Belastingsbewaking –<br />

Bewerken“ (automatisch bedrijf).<br />

Submenu „Bewakingsparameter – editor“:<br />

■ Menu-item „Act(ueel bestand) laden“:<br />

bewakingsparameters van het gekozen NCprogramma.<br />

■ Menu-item „Laden“: de door u gekozen<br />

bewakingsparameters.<br />

■ Menu-item „Bewerken“: hiermee kunt u de<br />

grenswaarden bekijken en bewerken.<br />

■ Menu-item „Referentiewaarden wissen“:<br />

hiermee worden de bewakingsparameters van het<br />

getoonde NC-programma gewist.<br />

■ Auto: terug naar het menu Automatisch bedrijf<br />

Bewerken van de bewakingsparameters<br />

Via de dialoogbox „Belastingsparameters weergeven<br />

en instellen“ worden de parameters van een apparaat<br />

van een bewakingszone beschikbaar gesteld voor<br />

bewerking.<br />

Het balkdiagram geeft alle apparaten van de<br />

bewakingszone weer (brede balk:<br />

vermogenswaarden; smalle balk:<br />

bewerkingswaarden). Het gekozen apparaat wordt<br />

met een kleur aangegeven.<br />

U geeft de bewakingszone in en selecteert het apparaat.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> toont de bijbehorende referentiewaarden,<br />

stelt de grenswaarden „Vermogen“ en „Bewerking“<br />

beschikbaar voor bewerking en toont het gereedschap<br />

(T-nummer) „ter informatie“.<br />

Knoppen van de dialoogbox:<br />

■ Opslaan: hiermee worden de grenswaarden van dit<br />

apparaat in deze zone opgeslagen.<br />

■ Einde (of ESC-toets): de dialoogbox wordt<br />

verlaten.<br />

■ Bestand: schakelt over naar „Lijngrafiek“.<br />

Voorwaarde: de meetwaarden moeten bij de<br />

referentiebewerking zijn opgeslagen.<br />

56<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


3.7.4 Referentiebewerking analyseren<br />

Het draaimoment en de grenswaarden van het<br />

gekozen apparaat worden „in de tijd“ weergegeven.<br />

Grenswaarde „grijs“: niet-bewaakte zone (uitschakelen<br />

van ijlgangbanen).<br />

Naast de grafische weergave toont de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> de<br />

parameters van de cursorpositie.<br />

Keuze: knop „Bestand“ (dialoogbox<br />

„Belastingsparameters weergeven en instellen“)<br />

Submenu „Analyzer (bestandsweergave)“:<br />

■ Menugroep „Positioneer cursor“ – positioneer de<br />

cursor met „pijl naar links/rechts“ of op:<br />

■ begin van bestand<br />

■ begin van volgende zone<br />

■ maximum in de zone<br />

■ Menu-item „Weergave“: selecteer het apparaat in<br />

de dialoogbox „Bestand weergeven“.<br />

■ Menu-item „Instellingen – Zoom“: Stel het<br />

„weergaveraster“ in. (Geringe waarden vergroten<br />

de weergavenauwkeurigheid en verkleinen de<br />

stapgrootte van de cursor.)<br />

De regel onder de grafische weergave toont het<br />

ingestelde raster, het tijdraster van de geregistreerde<br />

meetwaarden en de cursorpositie (gerelateerd aan de<br />

start van de referentiebewerking). Tijd „0:00.00 sec“<br />

= start van de referentiebewerking.<br />

terug naar „Bewerken van de<br />

bewakingsparameters“<br />

3.7.5 Werken met belastingsbewaking<br />

U kunt de belastingsbewaking toepassen, wanneer<br />

de bewerking met een verbruikt gereedschap een<br />

duidelijk hoger draaimoment vereist dan met een nietverbruikt<br />

gereedschap. Dit betekent dat aandrijvingen<br />

die duidelijk aan een belasting onderhevig zijn, moeten<br />

worden bewaakt – meestal de hoofdspil.<br />

Verspaningen met kleine snijdieptes kunnen door de<br />

geringe verandering van het draaimoment slechts in<br />

beperkte mate worden bewaakt.<br />

Een vermindering van het draaimoment wordt niet<br />

geconstateerd.<br />

Vastleggen van de bewakingszones: de referentiewaarden van het<br />

draaimoment zijn gerelateerd aan de grootste draaimomenten van de<br />

zone. Dit betekent dat kleinere draaimomenten slechts in beperkte<br />

mate kunnen worden bewaakt.<br />

Vlakdraaien met constante snijsnelheid: de spil wordt bewaakt<br />

zolang de versnelling 1 mm bedragen<br />

■ bij het insteken moet de snijdiepte > 1 mm bedragen<br />

■ bij het boren in volmateriaal moet de boordiameter 6..10 mm<br />

bedragen<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 57<br />

3.7 Belastingsbewaking


3.7 Belastingsbewaking<br />

3.7.6 Parameters voor belastingsbewaking<br />

Machineparameter „Belastingsbewaking“ (spil: 809, 859, ...; C-as:<br />

1010, 1060; lineaire assen: 1110, 1160, ...):<br />

■ Starttijd bewaking [0..1000 ms] wordt bij „IJlgangbanen<br />

uitschakelen“ verwerkt:<br />

■ Spillen: uit de versnellings- en remcurve wordt een grenswaarde<br />

bepaald. Zolang de nominale versnelling de grenswaarde<br />

overschrijdt, wordt de bewaking uitgezet. Als de nominale<br />

versnelling lager is dan de grenswaarde, wordt de bewaking met de<br />

„starttijd bewaking“ vertraagd.<br />

■ Lineaire en C-assen: na de omschakeling van ijlgang naar<br />

voeding wordt de bewaking met de „starttijd bewaking“ vertraagd.<br />

■ Aantal te middelen tastwaarden [1..50]<br />

Het gemiddelde vermindert de gevoeligheid voor kortstondige<br />

belastingspieken.<br />

■ Max. draaimoment van de aandrijving [Nmm]<br />

■ Reactievertragingstijd P1, P2 [0..1000 ms]: de overschrijding<br />

van draaimoment-grenswaarde 1/2 wordt na overschrijding van tijd<br />

„P1/P2“ gemeld.<br />

Regelparameter 8 „Belastingsbewaking instellingen“<br />

■ Factor draaimoment-grenswaarde 1, 2<br />

■ Factor grenswaarde bewerking<br />

Grenswaarde = referentiewaarde * factor grenswaarde<br />

■ Minimaal draaimoment [% van nominaal draaimoment]:<br />

referentiewaarden onder deze waarde worden tot het „minimale<br />

draaimoment“ verhoogd. Daarmee worden grenswaardeoverschrijdingen<br />

door geringe draaimomentvariaties voorkomen.<br />

■ Max. bestandsgrootte [kByte]: als de gegevens van de<br />

geregistreerde meetwaarden de „maximale bestandsgrootte“<br />

overschrijden, worden de „oudste meetwaarden“ overschreven.<br />

Richtwaarde: een apparaat heeft per minuut programmarun-tijd ca.<br />

12 kByte nodig<br />

Regelparameter 15 „Bitnummers voor belastingsbewaking“:<br />

Wijst de bitnummers die in G995 worden gebruikt, aan de<br />

aandrijvingen („logische assen“) toe.<br />

58<br />

3 Handbediening en automatisch bedrijf


DIN PLUS<br />

4


4.1 De DIN-programmering<br />

4.1 De DIN-programmering<br />

4.1.1 Inleiding<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> ondersteunt de „conventionele DINprogrammering“<br />

en de „DIN PLUS–programmering“.<br />

Conventionele DIN-programmering<br />

U programmeert de bewerking van het werkstuk met<br />

rechtlijnige verplaatsingen en cirkelbogen, en<br />

eenvoudige draaicycli. Voor de conventionele DINprogrammerin<br />

is de „eenvoudige<br />

gereedschapsbeschrijving“ voldoende (zie „4.4.2<br />

Revolver“).<br />

DIN PLUS – Programmering<br />

De geometrische beschrijving van het werkstuk en de<br />

bewerking zijn van elkaar gescheiden. U programmeert<br />

de contour van het onbewerkte en bewerkte<br />

werkstuk en bewerkt het werkstuk met de contourafhankelijke<br />

draaicycli. Bij elke bewerkingsstap (ook<br />

bij afzonderlijke verplaatsingen en eenvoudige<br />

draaicycli) wordt de contourcorrectie uitgevoerd. De<br />

<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> optimaliseert zowel de verspaningen als<br />

de benaderings- en terugtrekbanen (geen lege<br />

snedes).<br />

Afhankelijk van de uit te voeren werkzaamheden en<br />

de complexiteit van de bewerking kunt u beslissen of<br />

u gebruikmaakt van de „conventionele DINprogrammering“<br />

of van de „DIN PLUS-programmering“.<br />

NC-programmadelen<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> ondersteunt de onderverdeling van<br />

het NC-programma in programmadelen. Er zijn ook<br />

programmadelen ten behoeve van instelinformatie en<br />

besturingsgegevens.<br />

NC-Programmadelen<br />

■ Programmakop (besturingsgegevens en<br />

instelinformatie)<br />

■ Gereedschapstabel (revolvertabel)<br />

■ Spanmiddeltabel<br />

■ Beschrijving onbewerkt werkstuk<br />

■ Beschrijving bewerkt werkstuk<br />

■ Bewerking van het werkstuk<br />

Parallel werken<br />

De draaibank kan een ander NC-programma<br />

uitvoeren terwijl u programma's bewerkt en test.<br />

60<br />

Voorbeeld „Gestructureerd DIN PLUS-programma“<br />

PROGRAMMAKOP<br />

#MATERIAAL St 60-2<br />

#INSPAN-DIAMETER 120<br />

#UITSPANLENGTE 106<br />

#SPANDRUK 20<br />

#SLEDE $1<br />

#SYNCHRO 0<br />

REVOLVER 1<br />

T1 ID”342-300.1”<br />

T2 ID”111-80-080.1”<br />

T3 ID”112-16-080.1”<br />

T4 ID”121-55-040.1”<br />

T5 ID”122-20-040.1”<br />

T6 ID”151-600.2”<br />

SPANMIDDEL [ nulpuntverschuiving Z282 ]<br />

H1 ID”KH250”<br />

H2 ID”KBA250-77” Q4.<br />

ONBEW. WERKSTUK<br />

N1 G20 X120 Z120 K2<br />

BEW. WERKSTUK<br />

N2 G0 X60 Z-115<br />

N3 G1 Z-105<br />

. . .<br />

BEWERKING<br />

N22 G59 Z282<br />

N23 G65 H1 X0 Z-152<br />

N24 G65 H2 X120 Z-118<br />

N25 G14 Q0<br />

[Voorboren-30mm-buiten-centrisch-kopvlak]<br />

N26 T1<br />

N27 G97 S1061 G95 F0.25 M4<br />

. . .<br />

EINDE<br />

4 DIN PLUS


4.1.2 DIN PLUS-beeldscherm<br />

1 Menubalk<br />

2 Weergave van geladen NC-programma's –<br />

gekozen programma is gemarkeerd<br />

3 Volledig, dubbel of drievoudig bewerkingsvenster –<br />

gekozen venster is gemarkeerd<br />

4 Contourweergave (of machineweergave)<br />

5 Softkeys<br />

Gelijktijdig bewerken<br />

U kunt maximaal acht NC-programma's/<br />

subprogramma's gelijktijdig bewerken. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong><br />

geeft de NC-programma's naar keuze weer in een<br />

volledig, dubbel of drievoudig venster.<br />

Hoofd- en submenu's<br />

De functies van de DIN PLUS-editor zijn verdeeld over<br />

het „hoofdmenu“ en meerdere „submenu's“. U heeft<br />

toegang tot de submenu's<br />

■ door het desbetreffende menu-item te kiezen<br />

■ door de cursor in het programmadeel te<br />

positioneren<br />

Softkeys<br />

Er zijn softkeys beschikbaar voor het snel<br />

omschakelen naar „naastgelegen bedrijfsmodi“, het<br />

veranderen van bewerkingsvenster en het activeren<br />

van de grafische weergave.<br />

Softkeys<br />

Omschakelen naar bedrijfsmode Simulatie<br />

Omschakelen naar bedrijfsmode TURN PLUS<br />

Van NC-programma veranderen<br />

Van NC-programma veranderen<br />

Van bewerkingsvenster veranderen<br />

Volledig venster instellen (één bewerkingsvenster)<br />

Dubbel of drievoudig venster instellen<br />

Grafische weergave activeren<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 61<br />

5<br />

3<br />

2<br />

4<br />

1<br />

4.1 De DIN-programmering


4.1 De DIN-programmering<br />

4.1.3 Lineaire en rondassen<br />

Hoofdassen: coördinatengegevens van de X-, Y- en Z-as zijn<br />

gerelateerd aan het werkstuknulpunt. Afwijkingen van deze regel<br />

worden aangegeven.<br />

62<br />

Bij negatieve X-coördinaten moet op het volgende<br />

worden gelet:<br />

■ niet toegestaan bij contourbeschrijvingen<br />

■ niet toegestaan voor draaibewerkingscycli<br />

■ de contourcorrectie wordt uitgezet<br />

■ de rotatierichting bij cirkelbogen (G2/G3, G12/G13) moet<br />

handmatig worden aangepast<br />

■ de positie bij de beitelradiuscompensatie (G41/G42) moet<br />

handmatig worden aangepast<br />

C-as: hoekgegevens zijn aan het „nulpunt van de C-as“ gerelateerd.<br />

(Voorwaarde: de C-as is als hoofdas geconfigureerd.)<br />

Bij C-as-contouren en C-as-bewerkingen geldt het volgende:<br />

■ coördinaatgegevens van de voor-/achterkant worden in<br />

cartesiaanse coördinaten (XK, YK) of in poolcoördinaten (X,C)<br />

aangegeven<br />

■ coördinaatgegevens op het mantelvlak worden in poolcoördinaten<br />

(Z, C) aangegeven. In plaats van „C“ kan de „baanmaat CY“<br />

(„manteluitslag“ bij de referentiediameter) worden gebruikt.<br />

Additionele assen (hulpassen): De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> ondersteunt niet<br />

alleen de hoofdassen maar ook<br />

■ U: lineaire as in X-richting<br />

■ V: lineaire as in Y-richting<br />

■ W: lineaire as in Z-richting<br />

■ A: rondas, roteert om X<br />

■ B: rondas, roteert om Y<br />

■ C: rondas, roteert om Z<br />

De additionele assen worden nu in het bewerkingsdeel in de functies<br />

G0..G3, G12, G13, G30, G62 en G701 geprogrammeerd. Een<br />

cirkelvormige interpolatie is alleen in de hoofdassen mogelijk.<br />

Rondassen (als additionele assen) worden in het bewerkingsdeel met<br />

G15 geprogrammeerd.<br />

■ De DIN-editor houdt alleen rekening met de adresletters<br />

van de geconfigureerde assen.<br />

■ De werking van de rondas C is afhankelijk van het feit of<br />

deze als hoofdas of als additionele as is geconfigureerd.<br />

De „C-as-functies“ G100..G113 gelden voor de „hoofdas C“.<br />

Hoofdassen<br />

Lineaire additionele assen<br />

Rondassen als additionele assen<br />

4 DIN PLUS


4.1.4 Maateenheden<br />

NC-programma's kunnen „metrisch“ of „in inches“ worden<br />

geschreven. De maateenheid wordt vastgelegd in het veld „Eenheid“<br />

(zie „4.4.1 Programmakop“). Een eenmaal vastgelegde maateenheid<br />

kan niet meer worden veranderd. Toegepaste maateenheden:<br />

zie „1.4 Basisbegrippen“.<br />

4.1.5 Onderdelen van het DIN-programma<br />

Een DIN-programma omvat de volgende elementen:<br />

■ Programmanummer<br />

■ Programmadeel-aanduidingen<br />

■ NC-regels<br />

■ Commando's voor structureren van programma's<br />

■ Commentaarregels<br />

Het programmanummer begint met „%“ gevolgd door maximaal<br />

8 tekens (cijfers, hoofdletters of ”_”, geen trema) en heeft de extensie<br />

„nc“ voor hoofdprogramma's en „ncs“ voor subprogramma's. Als<br />

eerste teken moet een cijfer of letter worden gebruikt.<br />

Programmadeel-aanduidingen: wanneer u een nieuw DINprogramma<br />

maakt, zijn er al programmadeel-aanduidingen ingevoerd.<br />

Afhankelijk van de uit te voeren werkzaamheden voegt u andere<br />

programmadelen toe of wist u ingevoerde aanduidingen. Een DINprogramma<br />

moet minimaal de programmadeel-aanduidingen<br />

BEWERKING en EINDE bevatten.<br />

NC-regels beginnen met een „N“ die wordt gevolgd door een<br />

regelnummer (maximaal 4 cijfers). De regelnummers hebben geen<br />

invloed op de programma-afloop. Ze dienen om een NC-regel aan te<br />

duiden.<br />

De NC-regels van de programmadelen PROGRAMMAKOP,<br />

REVOLVER en SPANMIDDEL zijn niet opgenomen in de „Organisatie<br />

van regelnummers van de DIN-editor.<br />

Een NC-regel bevat NC-commando'szoals verplaatsings-, schakel- of<br />

besturingscommando's. Verplaatsings- en schakelcommando's<br />

beginnen met „G“ resp. „M“, gevolgd door een cijfercombinatie (G1,<br />

G2, G81, M3, M30, ...) en de adresparameters.<br />

Besturingscommando's bestaan uit „trefwoorden“ (WHILE, RETURN,<br />

..), of uit een letter-/cijfercombinatie.<br />

NC-regels die uitsluitend variabelenberekeningen bevatten, zijn<br />

toegestaan.<br />

In een NC-regel kunnen meerdere NC-commando's worden<br />

geprogrammeerd wanneer niet dezelfde adresletters worden gebruikt<br />

en deze geen „tegenstrijdige“ functionaliteit hebben.<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 63<br />

4.1 De DIN-programmering


4.1 De DIN-programmering<br />

Voorbeelden<br />

■ toegestane combinatie:<br />

N10 G1 X100 Z2 M8<br />

■ niet-toegestane combinatie:<br />

N10 G1 X100 Z2 G2 X100 Z2 R30 – meermaals dezelfde adresletters<br />

of<br />

N10 M3 M4 – tegenstrijdige functionaliteit<br />

NC-adresparameters<br />

De adresparameters bestaan uit 1 of 2 letters, gevolgd door<br />

■ een waarde<br />

■ een rekenformule<br />

■ een „?“ (vereenvoudigde geometrieprogrammering VGP)<br />

■ een „i“ als aanduiding voor incrementele adresparameters<br />

(voorbeelden: Xi..., Ci..., XKi..., YKi..., etc.)<br />

■ een #-variabele (wordt bij de vertaling van het NC-programma<br />

berekend)<br />

■ een V-variabele (wordt bij de uitvoering van commando's<br />

berekend)<br />

Voorbeelden:<br />

■ X20 (absolute maat)<br />

■ Zi–35.675 (incrementele maat)<br />

■ X? (VGP)<br />

■ X#12 (variabelenprogrammering)<br />

■ X{V12+1} (variabelenprogrammering)<br />

■ X(37+2)*SIN(30) (rekenformule)<br />

Programmasprongen en -herhalingen<br />

■ Voor het structureren van programma's kan gebruik worden<br />

gemaakt van programmasprongen, programmaherhalingen en<br />

subprogramma's. Voorbeeld: bewerking van begin/einde van staaf<br />

etc.<br />

■ Uitschakelniveau: beïnvloedt de uitvoering van afzonderlijke NCregels<br />

■ Slede-aanduiding: u wijst de NC-regels aan de slede toe (bij<br />

draaibanken met meerdere sledes).<br />

In- en uitvoer<br />

Met „invoer“ beïnvloedt de machine-operator de uitvoering van het<br />

NC-programma. Met „uitvoer“ informeert u de machine-operator.<br />

Voorbeeld: de machine-operator wordt gevraagd meetpunten te<br />

controleren en correctiewaarden bij te werken.<br />

Commentaar<br />

staat tussen „[...]“. Commentaar staat aan het einde van een NC-regel<br />

of alleen in een NC-regel.<br />

64<br />

4 DIN PLUS


4.2 Informatie over programmering<br />

4.2.1 Gelijktijdig bewerken<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong><br />

■ kan maximaal acht NC-programma's/subprogramma's gelijktijdig<br />

bewerken<br />

■ stelt maximaal drie bewerkingsvensters beschikbaar<br />

Bewerkingsvenster<br />

Dubbel of drievoudig venster instellen: instellen in „Config – Venster –<br />

...“ (hoofdmenu).<br />

NC-programma laden<br />

NC-programma in het volgende vrije venster laden:<br />

Kies „Prog – Laden – Hoofdprogramma/subprogramma“<br />

NC-programma in het gekozen venster laden:<br />

kies en activeer het vrije bewerkingsvenster<br />

kies „Prog – Laden – Hoofdprogramma/subprogramma“<br />

Veranderen van NC-programma en venster<br />

■ cia softkey: zie tabel<br />

■ via touchpad:<br />

■ Van NC-programma veranderen: klik op het NC-programma in de<br />

weergavebalk<br />

■ Van bewerkingsvenster veranderen: klik in het gewenste venster<br />

NC-programma opslaan<br />

■ „Prog – Opslaan“: het NC-programma in het actieve venster wordt<br />

opgeslagen. Het NC-programma blijft in het bewerkingsvenster<br />

staan – u kunt het verder bewerken.<br />

■ „Prog – Opslaan als“: het NC-programma in het actieve venster<br />

wordt onder een nieuwe programmanaam opgeslagen. In de<br />

dialoogbox „NC-programma opslaan“ stelt u in, of het<br />

bewerkingsvenster moet worden gesloten.<br />

■ „Prog – Alles opslaan“: de NC-programma's in alle actieve vensters<br />

worden opgeslagen. De NC-programma's blijven in de<br />

bewerkingsvensters staan – u kunt deze verder bewerken.<br />

4.2.2 Adresparameters<br />

Coördinaten worden absoluut of incrementeel geprogrammeerd.<br />

Wanneer de coördinaten X, Y, Z, XK, YK, C niet worden aangegeven,<br />

worden ze uit de eerder uitgevoerde regel overgenomen (blijft<br />

ingeschakeld tot het moment van uitschakeling).<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> berekent onbekende coördinaten van de hoofdassen<br />

X, Y of Z wanneer u „?“ programmeert (vereenvoudigde<br />

geometrieprogrammering – VGP).<br />

De bewerkingsfuncties G0, G1, G2, G3, G12 en G13 blijven<br />

ingeschakeld totdat ze weer worden uitgeschakeld. Dit betekent dat<br />

de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> de vorige G-functie overneemt wanneer in de volgende<br />

regel de adresparameters X, Y, Z, I of K zonder G-functie zijn<br />

geprogrammeerd. Voorwaarde daarbij is dat absolute waarden als<br />

adresparameters zijn gebruikt.<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Softkeys „Van venster veranderen“<br />

Van NC-programma veranderen<br />

Van NC-programma veranderen<br />

Van bewerkingsvenster veranderen<br />

Volledig venster instellen (één<br />

bewerkingsvenster)<br />

Dubbel of drievoudig venster instellen<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 65<br />

4.2 Informatie over programmering


4.2 Informatie over programmering<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> ondersteunt variabelen en<br />

rekenformules als adresparameters.<br />

Bewerken van de adresparameters<br />

Dialoogbox activeren<br />

Cursor op het invoerveld zetten<br />

■ Waarden ingeven/wijzigen – of<br />

■ Softkey VERDER: oproepen van de „uitgebreide<br />

toevoer“<br />

■ „?“ programmeren (VGP)<br />

■ Omschakelen van „incrementeel naar<br />

absoluut“<br />

■ „Invoer van variabelen“ activeren<br />

4.2.3 Contourprogrammering<br />

De contourbeschrijving van het onbewerkte en<br />

bewerkte werkstuk is voorwaarde voor de<br />

„contourcorrectie“ en de toepassing van<br />

contourspecifieke draaicycli. Bij het frezen en boren<br />

(C- of Y-as) is de contourbeschrijving voorwaarde voor<br />

de toepassing van de bewerkingscycli.<br />

Let op het volgende bij contouren voor de<br />

draaibewerking:<br />

■ Beschrijf de contour „aaneengesloten“.<br />

■ De richting waarin wordt beschreven, is niet<br />

afhankelijk van de bewerkingsrichting.<br />

■ De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> sluit „open“ contouren asparallel.<br />

■ Contourbeschrijvingen mogen niet verder gaan dan<br />

de hartlijn.<br />

■ De contour van het bewerkte werkstuk moet<br />

binnen de contour van het onbewerkte werkstuk<br />

liggen.<br />

■ Bij stafmateriaal moet alleen het voor de productie<br />

van een werkstuk benodigde gedeelte als<br />

onbewerkt werkstuk worden gedefinieerd.<br />

■ Contourbeschrijvingen gelden voor het gehele NCprogramma<br />

- ook wanneer het werkstuk voor<br />

bewerking aan de achterkant wordt omgespannen.<br />

■ In de bewerkingscycli programmeert u<br />

„verwijzingen“ naar de contourbeschrijving.<br />

66<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> toont de „uitgebreide<br />

invoer“ an die voor het invoerveld is<br />

toegestaan.<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

4 DIN PLUS


Onbewerkte werkstukken beschrijft u<br />

■ met „macro G20 voor onbewerkte werkstukken“, indien er sprake is<br />

standaarddelen (cilinders, holle cilinders).<br />

■ met „macro G21 voor gietstukken“, wanneer de contour van het<br />

onbewerkte werkstuk is gebaseerd op de contour van het bewerkte<br />

werkstuk.<br />

■ door afzonderlijke contourelementen (bijv. contouren van bewerkte<br />

werkstukken), wanneer u G20, G21 niet kunt gebruiken.<br />

Bewerkte werkstukken worden met afzonderlijke contourelementen<br />

beschreven. U kunt attributen toewijzen aan contourelementen of aan<br />

de gehele contour. Hiermee wordt dan tijdens de bewerking van het<br />

werkstuk rekening gehouden (bijv. ruwheid, overmaten, etc.).<br />

Bij tussenbewerkingsstappen maakt u hulpcontouren. De<br />

programmering van de hulpcontouren geschiedt analoog aan de<br />

beschrijving van het bewerkte werkstuk. Per HULPCONTOUR kan<br />

een contourbeschrijving worden gemaakt – HULPCONTOUREN<br />

kunnen meerdere keren worden gemaakt.<br />

Contouren voor de C-/Y-asbewerking<br />

Contouren voor het frezen en boren worden in het programmadeel<br />

BEWERKT WERKSTUK geprogrammeerd. De bewerkingsniveaus<br />

worden aangeduid met VOORKANT, VOORKANT Y, MANTEL,<br />

MANTEL Y, etc. Programmadeel-aanduidingen kunnen meerdere keren<br />

worden gebruikt – ook kunnen er meerdere contouren binnen een<br />

programmadeel-aanduiding worden geprogrammeerd.<br />

Maximaal vier contouren per NC-programma<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> ondersteunt maximaal vier contourgroepen<br />

(onbewerkt en bewerkt werkstuk) in een NC-programma.<br />

Met de aanduiding CONTOUR wordt de beschrijving van een<br />

contourgroep gestart. Parameters voor de nulpuntverschuiving en het<br />

coördinatensysteem definiëren de positie van de contour in het<br />

werkbereik. Een G99 in het bewerkingsdeel wijst de bewerking aan<br />

een contour toe.<br />

Contour aanmaken bij simulatie:<br />

Bij simulatie aangemaakte contouren kunt u opslaan en in het NCprogramma<br />

inlezen. Voorbeeld: u beschrijft het onbewerkte en bewerkte<br />

werkstuk en simuleert de bewerking van de eerste opspanning.<br />

Vervolgens slaat u de contour op. Daarbij definieert u een verschuiving<br />

van het werkstuknulpunt en/of een spiegeling. De simulatie slaat de<br />

„aangemaakte contour“ als onbewerkt werkstuk en de oorspronkelijk<br />

gedefinieerde contour van het bewerkte werkstuk op, waarbij<br />

rekening wordt gehouden met de verschuiving en spiegeling.<br />

De via simulatie aangemaakte contour van het onbewerkte en bewerkte<br />

werkstuk leest u in DIN PLUS in (blokmenu – „Contour invoegen“).<br />

Contourcorrectie<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> baseert zich op het onbewerkte werkstuk en houdt<br />

tijdens de contourcorrectie rekening met elke snede en elke cyclus<br />

van de draaibewerking. De „actuele werkstukcontour“ is dan in elke<br />

bewerkingssituatie bekend. Aan de hand van de „gecorrigeerde contour“<br />

optimaliseert de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> de benaderings-/terugtrekbanen. Lege<br />

snedes worden zo voorkomen.<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 67<br />

4.2 Informatie over programmering


4.2 Informatie over programmering<br />

De contourcorrectie wordt ook bij „hulpcontouren“<br />

uitgevoerd.<br />

Voorwaarden voor de contourcorrectie:<br />

■ Beschrijving van onbewerkt werkstuk<br />

■ Voldoende gereedschapsbeschrijving (een<br />

„eenvoudige gereedschapsdefinitie“ is niet genoeg)<br />

De contourcorrectie wordt alleen uitgevoerd voor te<br />

draaien contouren – niet voor C- of Y-as-contouren.<br />

Contourweergave<br />

Tijdens het bewerken toont de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong><br />

geprogrammeerde contouren in maximaal twee<br />

grafische vensters.<br />

■ Keuze van het grafisch venster: hoofdmenu<br />

„Grafisch venster“<br />

■ Terug naar de machine-uitlezing: hoofdmenu<br />

„Grafisch venster – Grafische weergave - UIT“<br />

Grafisch venster activeren of contouren<br />

bijwerken<br />

Aanwijzingen:<br />

■ Het startpunt van de te draaien contour wordt met<br />

een „hokje” aangegeven.<br />

■ Als de cursor op een regel van „onbew. of bew.<br />

werkstuk” staat, wordt het bijbehorende<br />

contourelement rood aangegeven en de<br />

beschrijvingsrichting getoond.<br />

■ Bij de programmering van de bewerkingscycli kunt<br />

u de getoonde contour gebruiken om de<br />

regelverwijzingen te bepalen.<br />

■ Bij de weergave van mantelvlakcontouren baseert<br />

de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> zich op de bodem van het patroon<br />

(referentiediameter bij MANTEL).<br />

4.2.4 Gereedschapsprogrammering<br />

De aanduiding van de gereedschapsplaats wordt door<br />

de machinefabrikant vastgelegd. Daarbij krijgt iedere<br />

gereedschapshouder een uniek T-nummer.<br />

In het „T-commando“ (programmadeel: BEWERKING)<br />

wordt de positie van de gereedschapsopname<br />

geprogrammeerd en daarmee ook de zwenkpositie<br />

van de gereedeschapshouder. De toewijzing van het<br />

gereedschap - de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> kent de zwenkposities<br />

uit het programmadeel REVOLVER of uit de<br />

„gereedschapstabel“, wanneer het T-nummer in het<br />

programmadeel REVOLVER niet gedefinieerd is.<br />

68<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

■ Met toevoegingen aan of wijzigingen in de contouren<br />

wordt pas rekening gehouden nadat GRAFISCHE<br />

WEERGAVE opnieuw is geactiveerd.<br />

■ Voorwaarde voor de „contourweergave” is dat er unieke<br />

NC-regelnummers worden gebruikt!<br />

4 DIN PLUS


Multi-gereedschap<br />

Bij gereedschap met meerde snijkanten wordt het T-nummer gevolgd<br />

door een „. S“.<br />

T-nummer. S S: nummer van de snijkant [0..4]<br />

(0=hoofdsnijkant – kan vervallen)<br />

In het programmadeel REVOLVER definieert u alleen de<br />

„hoofdsnijkant“.<br />

Als een snijkant van het multi-gereedschap is „verbruikt“, markeert de<br />

standtijdbewaking van het gereedschap alle snijkanten als „verbruikt“.<br />

Voorbeelden:<br />

■ T3 of T3.0 – zwenkpositie 3; hoofdsnijkant<br />

■ T12.2 – zwenkpositie 12; snijkant 2<br />

Vervangend gereedschap<br />

Wanneer u gebruik maakt van de standtijdbewaking van het<br />

gereedschap, definieert u een „gereedschapsgroep“. Zodra er een<br />

gereedschap is verbruikt, spant de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> het<br />

„zustergereedschap“ in. Pas als het laatste gereedschap uit de<br />

gereedschapsgroep is verbruikt, stopt de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> de uitvoering<br />

van het programma.<br />

In het programmadeel REVOLVER en in de T-oproepen programmeert u<br />

het „eerste gereedschap“ van de gereedschapsgroep. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong><br />

spant automatisch het zustergereedschap in.<br />

Als onderdeel van de variabelenprogrammering (toegang tot<br />

gereedschapscorrecties of gereedschapsdiagnosebits) adresseert u<br />

ook het „eerste gereedschap“ in de reeks. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> adresseert<br />

automatisch het „actieve gereedschap“.<br />

Vervangend gereedschap definieert u in „Instellen“<br />

(zie „3.3.4 Standtijdbeheer“).<br />

4.2.5 Bewerkingscycli<br />

HEIDENHAIN adviseert u een bewerkingscyclus in de volgende<br />

stappen te programmeren: (zie: „4.18.1 Bewerkingscyclus<br />

programmeren“):<br />

■ Gereedschap inspannen<br />

■ Snijgegevens definiëren<br />

■ Gereedschap voor de bewerkingszone positioneren<br />

■ Veiligheidsafstand vastleggen<br />

■ Cyclusoproep<br />

■ Gereedschap terugtrekken<br />

■ Gereedschapswisselpositie benaderen<br />

Let op: botsingsgevaar!<br />

Let op het volgende wanneer als onderdeel<br />

van de optimalisatie stappen van de<br />

cyclusprogrammering vervallen:<br />

■ Een speciale voeding blijft tot het volgende<br />

voedingscommando geldig (voorbeeld:<br />

nabewerkingsvoeding bij steekcycli).<br />

■ Bij sommige cycli wordt diagonaal naar<br />

het startpunt terugekeerd wanneer u<br />

gebruikmaakt van de<br />

standaardprogrammering (voorbeeld:<br />

voorbewerkingscycli).<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 69<br />

4.2 Informatie over programmering


4.2 Informatie over programmering<br />

4.2.6 NC-subprogramma's<br />

Subprogramma's worden voor de contourprogrammering of<br />

programmering van de bewerking gebruikt.<br />

In het subprogramma zijn overdrachtsparameters als variabele<br />

beschikbaar. U kunt de aanduiding van de overdrachtsparameters<br />

vastleggen (zie „4.16 Subprogramma's“).<br />

In het subprogramma zijn de lokale variabelen #256 t/m # 285 voor<br />

interne berekeningen beschikbaar.<br />

Subprogramma's worden maximaal 6 keer genest. Met „nesten“<br />

wordt bedoeld dat een subprogramma een ander subprogramma<br />

oproept etc.<br />

Als een subprogramma meerdere keren moet worden uitgevoerd,<br />

geeft u in parameter „Q“ de herhalingsfactor aan.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> maakt onderscheid tussen lokale en externe<br />

subprogramma's. Lokale subprogramma's en het NChoofdprogramma<br />

staan in het hetzelfde bestand. Alleen het<br />

hoofdprogramma kan het lokale subprogramma oproepen. Externe<br />

subprogramma's worden in afzonderlijke bestanden opgeslagen en<br />

door willekeurige NC-hoofd- of andere NC-subprogramma's<br />

opgeroepen.<br />

Expertprogramma's<br />

Meestal levert de machinefabrikant op uw machineconfiguratie<br />

afgestemde subprogramma's voor complexe processen. Voorbeeld:<br />

werkstukoverdracht bij de complete bewerking“). Zie<br />

machinehandboek.<br />

4.2.7 Sjabloonbesturing<br />

Als „sjablonen“ worden van tevoren vastgelegde NC-codeblokken<br />

aangeduid, die in het NC-programma worden opgenomen. Dat<br />

betekent minder programmeren en er kan een verregaande<br />

standaardisering worden bereikt.<br />

Sjablonen worden door de machinefabrikant vastgelegd. Of en welke<br />

sjablonen voor uw draaibank beschikbaar zijn, kunt u van de<br />

machinefabrikant vernemen.<br />

4.2.8 Vertaling van NC-programma's<br />

Let er bij de variabelenprogrammering en de operator-communicatie<br />

op dat de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> het volledige NC-programma vóór de<br />

programma-uitvoering vertaalt (zie „3.5 Automatisch bedrijf“).<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> onderscheidt:<br />

■ #-variabelen, die bij de vertaling van het NC-programma worden<br />

berekend<br />

■ V-variabelen, die ten behoeve van de looptijd (d.w.z. bij de uitvoering<br />

van de NC-regel) worden berekend<br />

■ In-/uitvoer tijdens de vertaling van het NC-programma<br />

■ In-/uitvoer tijdens de uitvoering van het NC-programma<br />

70<br />

4 DIN PLUS


4.3 DIN PLUS-editor<br />

Menu-items kiezen<br />

U heeft toegang tot de submenu's<br />

■ door het desbetreffende menu-item te kiezen<br />

■ door de cursor in het programmadeel te positioneren<br />

van het submenu terug naar het hoofdmenu<br />

Bij het oproepen van het meu-item „Geometrie“, „Bewerking“,<br />

„Revolverbezetting“ of „Spannmiddel“ gaat de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> naar het<br />

desbetreffende programmadeel. – Als u de cursor in het<br />

programmadeel ONBEWERKT WERKSTUK, BEWERKT WERKSTUK<br />

of BEWERKING positioneert, gaat de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> naar het<br />

bijbehorende submenu.<br />

NC-regels aanmaken<br />

Het invoegen van nieuwe NC-regels is afhankelijk van het<br />

programmadeel:<br />

■ Nadat de dialoogbox „Programmakop bewerken“ is afgesloten,<br />

maakt de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> automatisch de regels van de programmakop<br />

aan (aanduiding „#“).<br />

■ Met de INS-toets kunt u in de programmadelen REVOLVER en<br />

SPANMIDDEL een nieuwe regel toevoegen.<br />

■ Bij de contourprogrammering, de programmering van de bewerking<br />

en binnen subprogramma's maakt de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> automatisch<br />

nieuwe NC-regels aan. Als alternatief kunt u met de INS-toets NCregels<br />

aanmaken.<br />

De nieuwe NC-regel wordt onder de cursorpositie aangemaakt.<br />

NC-elementen wissen<br />

Cursor op een element van de NC-regel (NC-regelnummer, G- of Mfunctie,<br />

adresparameter, etc.) of op de programmadeel-aanduiding<br />

plaatsen.<br />

Op de DEL-toets drukken. Het door de cursor gemarkeerde NCelement<br />

en alle bijbehorende elementen worden gewist. (Voorbeeld:<br />

als de cursor op een G-functie staat, worden ook de<br />

adresparameters gewist.)<br />

NC-elementen wijzigen<br />

Cursor op een element van de NC-regel (NC-regelnummer, G- of Mfunctie,<br />

adresparameter, etc.) of op de programmadeel-aanduiding<br />

plaatsen.<br />

Druk op ENTER of dubbelklik met de linkermuisknop. De <strong>CNC</strong><br />

<strong>PILOT</strong> activeert een dialoogbox waarin het regelnummmer, het G-/<br />

M-nummer of de adresparameters van de G-functie voor bewerking<br />

worden aangeboden.<br />

Wanneer NC-woorden (G, M, T) worden gewijzigd, activeert de <strong>CNC</strong><br />

<strong>PILOT</strong> bovendien de dialoogbox voor bewerking van de<br />

adresparameters.<br />

Bij programmadeel-aanduidingen kunnen alleen de bijbehorende<br />

parameters worden gewijzigd (voorbeeld: nummer van de revolver).<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Voordat een NC-regel wordt gewist, wordt<br />

eerst ter controle een vraag gesteld.<br />

Afzonderlijke elementen van een NC-regel<br />

– ook G-/M-functies – worden direct gewist.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 71<br />

4.3 DIN PLUS-editor


4.3 DIN PLUS-editor<br />

„Geleide“ of „vrije“ bewerking<br />

U selecteert de NC-functies meestal aan de hand van de menu's en<br />

bewerkt de adresparameters in dialoogboxen. U kunt ook de „vrije<br />

invoer“ (menu-item „Regel“) kiezen en het NC-programma „vrij“<br />

bewerken. De maximale regellengte bedraagt bij de „vrije bewerking“<br />

128 tekens per regel.<br />

Regelverwijzingen<br />

Bij de bewerking van contourspecifieke G-functies (programmadeel<br />

BEWERKING) kunt u omschakelen naar de contourweergave en de<br />

regelverwijzingen uit de getoonde contour kiezen.<br />

G-functies<br />

Die G-functies zijn onderverdeeld in:<br />

■ Geometriefunctiesom de contour van het onbewerkte en<br />

bewerkte werkstuk te beschrijven. Additionele „hulpfuncties“<br />

hebben invloed op de bewerking (overmaten, oppervlaktekwaliteit,<br />

etc.).<br />

■ Bewerkingsfuncties voor het programmadeel BEWERKING.<br />

4.3.1 Hoofdmenu<br />

Menugroep „Prog“ (NC-programmabeheer):<br />

■ Laden – hiermee wordt het opgeslagen NC-programma geladen<br />

de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> toont de NC-hoofd- of subprogramma's<br />

kies het NC-programma<br />

■ Nieuw – maakt een nieuw NC-hoofd- of subprogramma<br />

programmanaam invoeren<br />

hoofd- of subprogramma kiezen<br />

„Programmakop bewerken“ activeren<br />

■ Sluiten – sluit het gekozen NC-programma zonder dat dit wordt<br />

opgeslagen<br />

■ Opslaan – slaat het gekozen NC-programma op – het programma<br />

blijft beschikbaar voor bewerking<br />

■ Opslaan als – slaat het gekozen NC-programma op onder de<br />

opgegeven programmanaam<br />

„Bestand afsluiten/niet afsluiten“: u kunt ervoor kiezen dat het<br />

bewerkingsvenster moet worden gesloten of dat het NCprogramma<br />

voor bewerking beschikbaar moet blijven<br />

„Bestand opslaan als ...“: u voert de programmanaam in<br />

■ Alles opslaan – alle geladen NC-programma's worden opgeslagen<br />

Menugroep „Head“ (NC-programma-header):<br />

■ Programmakop: hiermee wordt de dialoogbox „Programmakop<br />

bewerken“ geactiveerd<br />

■ Revolverbezetting: positioneert de cursor op REVOLVER<br />

■ Spanmiddel: positioneert de cursor op SPANMIDDELEN<br />

72<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Sommige „G-nummers“ worden voor de<br />

beschrijving van het onbewerkte en<br />

bewerkte werkstuk en in het<br />

programmadeel BEWERKING gebruikt. Let<br />

er bij het kopiëren en verplaatsen van NCregels<br />

op dat alleen „geometriefuncties“<br />

voor de contourbeschrijving en alleen<br />

„bewerkingsfuncties“ in het programmadeel<br />

BEWERKING worden gebruikt.<br />

Wanneer u de bedrijfsmode „DIN PLUS“<br />

verlaat, wordt het NC-programma<br />

automatisch opgeslagen. Daarbij wordt de<br />

„oude versie“ van het NC-programma<br />

overschreven.<br />

4 DIN PLUS


Menugroep „Geometrie“ (contourprogrammering):<br />

■ Onbewerkt werkstuk – klauwplaatwerkstuk/<br />

stafmateriaal G20: hiermee wordt een NC-regel in<br />

het programmadeel ONBEWERKT WERKSTUK<br />

aangemaakt, wordt omgeschakeld naar het menu<br />

„Geometrie“ en wordt de dialoogbox<br />

„Klauwplaatwerkstuk cilinder/pijp G20“ geactiveerd.<br />

■ Onbewerkt werkstuk – gietstuk G21: hiermee<br />

wordt een NC-regel in het programmadeel<br />

ONBEWERKT WERKSTUK aangemaakt, wordt<br />

omgeschakeld naar het menu „Geometrie“ en<br />

wordt de dialoogbox „Gietstuk G21“ geactiveerd.<br />

■ Onbewerkt werkstuk - Vrije contour: hiermee<br />

wordt de cursor op het programmadeel<br />

ONBEWERKT WERKSTUK gepositioneerd en naar<br />

het menu „Geometrie“ omgeschakeld.<br />

■ Bewerkt werkstuk: positioneert de cursor op het<br />

programmadeel BEWERKT WERKSTUK en schakelt<br />

om naar het menu „Geometrie“.<br />

Afzonderlijke menu-items:<br />

■ Bewerking: hiermee wordt omgeschakeld naar het<br />

submenu „Bewerking“ en de cursor op BEWERKING<br />

gepositioneerd<br />

■ Paan (programmadeel-aanduidingen) – hiermee wordt<br />

de nieuwe programmadeel-aanduiding ingevoerd<br />

programmadeel-aanduiding kiezen en op RETURN<br />

drukken<br />

de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> voert de programmadeelaanduiding<br />

(op de juiste plaats) in<br />

■ Blok: hiermee wordt omgeschakeld naar<br />

„Blokbewerking“ (zie „4.5.5 Blokmenu“).<br />

Menugroep „Regel“<br />

■ Programmabegin positioneert de cursor aan het<br />

begin van het programma<br />

■ Programma-einde: positioneert de cursor aan het<br />

einde van het programma<br />

■ Zoekfuncties – regel zoeken<br />

Regelnummer invoeren<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> positioneert de cursor op het<br />

regelnummer (indien aanwezig).<br />

■ Zoekfuncties – woord zoeken<br />

NC-woord invoeren (G-functie, adresparameter, etc.)<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> positioneert de cursor op de<br />

volgende NC-regel waarin het gezochte NC-woord<br />

staat. Er wordt vanaf de cursorpositie tot het<br />

programma-einde, en daarna vanaf het<br />

programmabegin gezocht.<br />

■ Stapsgewijs bij de nummering van de NC-regels. De<br />

stapgrootte geldt uitsluitend voor dit NC-programma.<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

DIN PLUS-hoofdmenu<br />

Prog (NC-programmabeheer)<br />

Head: bewerking van NC-programma-header<br />

(programmakop, revolverbezetting, spanmiddeltabel)<br />

Geo: programmering van de contour van het onbewerkte<br />

en bewerkte werkstuk (submenu „Geometrie“)<br />

Bew: programmering van de werkstukbewerking<br />

(submenu „Bewerking“)<br />

Paan: invoegen van programmadeel-aanduidingen<br />

Blok: sprong naar de „blokfuncties“ (blokmenu)<br />

Regel: functies voor het nummeren van de NC-regels,<br />

zoekfuncties en „vrije bewerking“<br />

Configuratie van het DIN PLUS-beeldscherm (met/zonder<br />

bedieningsscherm)<br />

Grafische weergave: instellen van het „grafisch venster“,<br />

in-/uitschakelen van de contourweergave<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 73<br />

4.3 DIN PLUS-editor


4.3 DIN PLUS-editor<br />

■ Regelnummering: de eerste NC-regel krijgt het nummer<br />

„stapgrootte“ – voor elke volgende regel wordt „stapgrootte“<br />

toegevoegd. Regelverwijzingen bij contourspecifieke G-functies en<br />

bij subprogramma-oproepen worden automatisch gecorrigeerd.<br />

Door deze functie verandert de volgorde van de NC-regels niet.<br />

■ Nieuw: vrije invoer<br />

Cursor positioneren<br />

„Nieuw: vrije invoer“ kiezen<br />

NC-regel invoeren<br />

De „nieuwe NC-regel“ wordt onder de cursorpositie geplaatst.<br />

■ Wijzigen: vrije invoer<br />

Cursor op de te wijzigen NC-regel positioneren<br />

„Wijzigen: vrije invoer“ kiezen<br />

NC-regel veranderen<br />

Menugroep „Config(uratie)“:<br />

■ Bedieningsscherm: u selecteert of de bedieningsschermen<br />

(hulpschermen) worden getoond.<br />

■ Venster – volledig venster/dubbel venster/drievoudig venster:<br />

aantal bewerkingsvensters instellen<br />

■ Lettergrootte – kleiner/groter: lettergroote in het<br />

bewerkingsvenster veranderen<br />

■ Lettergrootte – korps aanpassen: lettergrootte voor het<br />

geselecteerde venster in alle bewerkingsvensters instellen<br />

■ Instellingen – Opslaan: de actuele editor-toestand<br />

(vensterinstelling, alle geladen NC-programma's) wordt opgeslagen<br />

■ Instellingen – Laden: de editor-toestand die het laatst is<br />

opgeslagen, wordt geladen<br />

■ Instellingen – Auto-save aan: de actuele editor-toestand bij het<br />

uitschakelen van de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> wordt opgeslagen<br />

■ Instellingen – Auto-save uit: de editor-toestand wordt bij het<br />

uitschakelen van de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> niet opgeslagen<br />

Menugroep „Grafische weergave“:<br />

■ Grafische weergave – AAN: hiermee wordt de Contourweergave<br />

geactiveerd.<br />

■ Grafische weergave – UIT: hiermee wordt de contourweergave<br />

uitgeschakeld en het „machinevenster“ geactiveerd.<br />

■ Venster („Vensterkeuze“): selecteer hier maximaal twee „vensters“.<br />

De contourweergave wordt geactiveerd met „Grafische weergave<br />

AAN“.<br />

74<br />

4 DIN PLUS


4.3.2 Menu „Geometrie“<br />

Het submenu „Geometrie“ bevat G-functies en<br />

„instructies“ van de programmadelen ONBEWERKT<br />

WERKSTUK en BEWERKT WERKSTUK.<br />

Keuze van de G-functies:<br />

■ Het G-nummer is bekend: kies „G“ en geef het<br />

nummer in<br />

■ Het G-nummer is niet bekend:<br />

kies „G“<br />

Druk op softkey „VERDER“<br />

Kies G-functie uit de lijst „G-nummer“<br />

■ „G-menu“: selecteer de G-functie via het menu<br />

Menugroep „Instruc(ties)“:<br />

■ DIN PLUS-woorden – roept de keuzelijst op met:<br />

■ Instructies voor structureren van programma's<br />

■ Instructies voor in-/uitvoer<br />

■ Programmadeel-aanduidingen voor C-/Y-ascontouren<br />

■ Variabelen – Variabele of rekenformule invoeren<br />

■ VOORKANT, MANTEL, ACHTERKANT<br />

Opent de dialoogbox voor invoer van de „positie“<br />

van de contour (referentieniveau/<br />

referentiediameter)<br />

Z-positie/diameter invoeren<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> voegt de programmadeelaanduiding<br />

onder de cursorpositie in.<br />

■ HULPCONTOUR – voegt de programmadeelaanduiding<br />

onder de cursorpositie in.<br />

■ Commentaarregel – Commentaar invoeren. Het<br />

commentaar wordt boven de cursorpositie<br />

aangemaakt.<br />

Afzonderlijk menu-item:<br />

■ Grafische weergave – activeert/actualiseert<br />

contouren in het grafische venster.<br />

Submenu „Geometrie“<br />

G: directe invoer van het G-nummer / oproep van de G-lijst<br />

Rechte: hiermee wordt de G1-Geo-dialoogbox geactiveerd<br />

Crkboog CW, CCW met incrementele of absolute<br />

middelpuntmaat<br />

Vormelementen van de te draaien contour, subprogrammaoproep,<br />

„referentieniveau“ voor kamer/eiland<br />

Attributen (hulpfunties) van de contourbeschrijving<br />

Voorkant: basiselementen, figuren en patronen van de<br />

contour aan de voor- of achterkant (C-as-bewerking)<br />

Mantel: basiselementen, figuren en patronen van het<br />

mantelvlak (C-as-bewerking)<br />

Instructies voor structureren van het programma en<br />

programmadeel-aanduidingen<br />

Grafische weergave: activeert/actualiseert de contour in<br />

de grafische vensters.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 75<br />

4.3 DIN PLUS-editor


4.3 DIN PLUS-editor<br />

4.3.3 Menu „Bewerking“<br />

Het submenu „Bewerking“ bevat G- en M-functies en<br />

andere „instructies“ voor het programmadeel<br />

BEWERKING.<br />

Keuze van de G-functies:<br />

■ Het G-nummer is bekend: kies „G“ en geef het<br />

nummer in<br />

■ Het G-nummer is niet bekend:<br />

kies „G“<br />

Druk op softkey „VERDER“<br />

Kies G-functie uit de lijst „G-nummer“<br />

■ „G-menu“: selecteer de G-functie via het menu<br />

Keuze van de M-functies:<br />

■ Het M-nummer is bekend: kies „M“ en geef het<br />

nummer in<br />

■ „M-menu“: selecteer de M-functie via het menu<br />

Afzonderlijke menu-items:<br />

■ T – Gereedschapsoproep<br />

Programmeer het T-nummer (zie „4.6.7<br />

Gereedschap, correcties“). In een lijst staan de in<br />

het programmadeel „Revolver“ aangegeven<br />

gereedschappen vermeld.<br />

■ F: oproep „G95 – voeding per omwenteling“<br />

■ S: oproep „G96 – snijsnelheid“<br />

Menugroep „Instruc(ties)“:<br />

■ DIN PLUS-woorden – roept de keuzelijst op met:<br />

■ Instructies voor structureren van programma's<br />

■ Instructies voor in-/uitvoer<br />

■ Variabelen – Variabele of rekenformule invoeren<br />

■ / Uitschakelniveau<br />

„Niveau 1..9“ ingeven<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> schrijft het uitschakelniveau vóór<br />

de NC-regel (voorbeeld: /3 N 100 G...)<br />

■ $ Slede<br />

„Sledenummer“ ingeven (u kunt meerdere<br />

sledenummers na elkaar ingeven)<br />

De DIN-editor schrijft de sledenummers vóór de<br />

NC-regel (voorbeeld: $1$2 N 100 G...)<br />

76<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Submenu „Bewerking“<br />

G: directe invoer van het G-nummer of oproep van de Glijst)<br />

G-menu: opent menu's met G-functies<br />

M: directe invoer van het M-nummer<br />

M-menu: opent menu's met M-functies<br />

T: gereedschapsoproep<br />

F: oproep „G95 – voeding per omwenteling“<br />

S: oproep „G96 – snijsnelheid“<br />

Instructies voor structureren van het programma<br />

Grafische weergave: activeert/actualiseert de contour in<br />

de grafische vensters.<br />

4 DIN PLUS


■ L-oproep extern – (zie „4.16 Subprogramma's)<br />

Kies subprogramma en druk op RETURN<br />

„Overdrachtparameters“ ingeven<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> voert de subprogramma-oproep in<br />

■ L-oproep intern – (zie „4.16 Subprogramma's“)<br />

„Subprogrammanaam“ ingeven (regelnummer<br />

waarmee het subprogramma begint)<br />

„Overdrachtparameters“ ingeven<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> voert de subprogramma-oproep in<br />

■ Commentaarregel<br />

Voer het commentaar in – het commentaar wordt<br />

boven de cursorpositie aangemaakt.<br />

■ Keuze van voorbeelden – keuze uit de beschikbare<br />

voorbeelden. Voorwaarde: de machinefabrikant<br />

heeft voorbeelden gedefinieerd<br />

■ Werkschema – „verzamelt“ al het commentaar dat<br />

met „// ...“ begint en plaatst dit vóór het<br />

programmadeel BEWERKING. Zo krijgt u een<br />

overzicht van de functies van het betreffende NChoofd-<br />

of subprogramma.<br />

Menu-item:<br />

■ Grafische weergave – activeert/actualiseert<br />

contouren in het grafische venster.<br />

4.3.4 Blokmenu<br />

U kunt „NC-blokken“ (meerdere opeenvolgende NCregels)<br />

wissen, verplaatsen, kopiëren of tussen NCprogramma's<br />

uitwisselen.<br />

Een NC-blok kan worden gedefinieerd door het begin<br />

en einde van het blok te „markeren“. Daarna kiest u<br />

de „Bewerking“.<br />

Om blokken tussen NC-programma's uit te<br />

wisselen, slaat u het blok op het “klembord“ op.<br />

Vervolgens leest u het blok vanaf het klembord in.<br />

Een blok blijft op het klembord staan totdat het door<br />

een nieuw blok wordt overschreven.<br />

Afzonderlijke menu-items:<br />

■ Begin markeren<br />

Cursor op het „begin van het blok“ positioneren<br />

Op „Beg mark“ drukken<br />

■ Einde markeren<br />

Cursor op het „einde van het blok“ positioneren<br />

Op „Eind mark“ drukken<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 77<br />

4.3 DIN PLUS-editor


4.3 DIN PLUS-editor<br />

Menugroep „Bewerken“:<br />

■ Knippen<br />

■ Slaat het „gemarkeerde“ blok op naar het klembord<br />

■ Wist het blok<br />

■ Kopiëren naar het klembord – kopieert het „gemarkeerde“ blok<br />

naar het klembord<br />

■ Invoegen vanaf het klembord<br />

Cursor op de bestemmingspositie plaatsen<br />

Op „Invoegen vanaf het klembord“ drukken<br />

Het blok wordt dan op de bestemmingspositie ingevoegd<br />

■ Wissen – wist het „gemarkeerde“ blok definitief (wordt niet op het<br />

klembord opgeslagen)<br />

■ Verplaatsen<br />

Cursor op de bestemmingspositie plaatsen<br />

Op „Verplaatsen“ drukken<br />

Het „gemarkeerde“ blok wordt naar de bestemmingspositie<br />

„verplaatst“ en op de huidige positie gewist<br />

■ Kopiëren en invoegen<br />

Cursor op de bestemmingspositie plaatsen<br />

Op „Kopiëren en invoegen“ drukken<br />

Het „gemarkeerde“ blok wordt dan op de bestemmingspositie<br />

ingevoegd (gekopieerd)<br />

Afzonderlijke menu-items:<br />

■ Opheffen – heft markeringen op<br />

■ Contour invoegen – hiermee wordt de contour van het onbewerkte<br />

of bewerkte werkstuk die tijdens de simulatie het laatst werd<br />

aangemaakt, onder de cursorpositie ingevoegd<br />

Als alternatief voor de functies van het blokmenu kunt u de normale<br />

toetscombinaties van WINDOWS voor het selecteren, wissen,<br />

verplaatsen, etc. gebruiken:<br />

■ Selecteren door de cursortoetsen te bedienen, terwijl u de Shifttoets<br />

ingedrukt houdt<br />

■ Ctrl-C: geselecteerde tekst naar het buffergeheugen kopiëren<br />

■ Shift-Del (verwijderen): geselecteerde tekst naar het<br />

buffergeheuegen verplaatsen<br />

■ Ctrl-V: tekst uit het buffergeheugen op de cursorpositie invoegen<br />

■ Del (verwijderen): geselecteerde tekst wissen<br />

78<br />

4 DIN PLUS


4.4 Programmadeelaanduidingen<br />

Een nieuw aangemaakt DIN-programma bevat reeds<br />

programmadeel-aanduidingen. Afhankelijk van de uit<br />

te voeren werkzaamheden voegt u andere toe of wist<br />

u ingevoerde aanduidingen. Een DIN-programma<br />

moet minimaal de programmadeel-aanduidingen<br />

BEWERKING en EINDE bevatten.<br />

4.4.1 PROGRAMMAKOP<br />

In de PROGRAMMAKOP staat:<br />

■ slede: NC-programma wordt uitsluitend op de<br />

aangegeven sledes uitgevoerd (invoer: „$1, $2, ...”)<br />

– geen invoer: het NC-programma wordt op elke<br />

slede uitgevoerd<br />

■ eenheid: maateinheid „metrisch/inch” – geen<br />

invoer: de in regelparameter 1 ingestelde<br />

maateenheid wordt overgenomen<br />

■ De andere velden bevatten organisatorische<br />

informatie en instelinformatie die geen invloed<br />

heeft op de uitvoering van het programma.<br />

De informatie van de programmakop wordt in het<br />

DIN-programma met „#“ aangegeven.<br />

Overzicht programmadeel-aanduidingen<br />

PROGRAMMAKOP<br />

REVOLVER<br />

MAGAZIJN<br />

SPANMIDDEL<br />

CONTOUR<br />

ONBEW. WERKSTUK<br />

BEW. WERKSTUK<br />

HULPCONTOUR<br />

BEWERKING<br />

EINDE<br />

SUBPROGRAMMA<br />

RETURN<br />

voor bewerkingen met de C-as<br />

VOORKANT<br />

ACHTERKANT<br />

MANTEL<br />

U kunt „eenheid“ alleen programmeren, wanneer u bij het<br />

maken van een nieuw PC-programma „Programmakop“<br />

oproept. Op een later tijdstip kunnen geen wijzigingen meer<br />

worden aangebracht.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 79<br />

4.4 Programmadeel-aanduidingen


4.4 Programmadeel-aanduidingen<br />

Vastlegging van de variabelenweergave<br />

Oproep: knop Variabelenweergave in de dialoogbox<br />

„Programmakop bewerken“<br />

In de dialoogbox kunt u maximaal 16 V-variabelen voor<br />

de programmabesturing vastleggen. Tijdens automatisch<br />

bedrijf en bij simulatie kunt u instellen, of de variabelen<br />

bij de uitvoering van het programma moeten worden<br />

opgevraagd. Anders wordt het programma met de<br />

„vooraf ingestelde waarden“ uitgevoerd.<br />

Voor elke variabele legt u vast:<br />

■ variabelennummer<br />

■ vooraf ingestelde waarde (initialisatiewaarde)<br />

■ beschrijving (tekst waarmee deze variabele bij<br />

de uitvoering van het programma wordt<br />

opgevraagd)<br />

De vastlegging van de variabelenweergave is een<br />

alternatief op de uitvoering van de programmering<br />

met INPUTA-/PRINTA-commando's.<br />

4.4.2 REVOLVER<br />

Met REVOLVER x (x: 1..6) wordt de bezetting van de<br />

gereedschapshouder x. vastgelegd. Het<br />

identificatienummer (dialoogbox „Gereedschap“)<br />

voert u direct in of neemt u uit de gereedschapsdatabase<br />

over. U krijgt toegang tot de gereedschapsdatabase<br />

via de softkeys „Typelijst“ of „ID-lijst“.<br />

Als alternatief kunnen gereedschapsparameters in<br />

het NC-programma worden vastgelegd.<br />

Gereedschapsgegevens ingeven:<br />

„Kies Header – Revolverbezetting“<br />

Cursor in het programmadeel „REVOLVER“<br />

positioneren<br />

Op INS-toets drukken<br />

Dialoogbox „Gereedschap“ bewerken<br />

Gereedschapsgegevens wijzigen:<br />

Cursor positioneren<br />

Druk op RETURN of dubbelklik met de<br />

linkermuisknop<br />

Dialoogbox „Gereedschap“ bewerken<br />

Parameters van de dialoogbox „Gereedschap“<br />

■ T-nummer: positie op de gereedschapshouder<br />

■ ID (identificatienummer): verwijzing naar<br />

database – geen invoer: gegevens worden als<br />

„tijdelijk gereedschap“ opgenomen.<br />

80<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Toegang tot de gereedschaps-database via softkey<br />

Gereedschapsparameter bewerken<br />

Gegevens die in de gereedschaps-database zijn<br />

ingevoerd - gesorteerd naar gereedschapstype<br />

Gegevens die in de gereedschaps-database zijn<br />

ingevoerd – gesorteerd naar gereedschapsidentificatienummer<br />

4 DIN PLUS


■ Uitgebreide invoer:<br />

■ Er gelden geen beperkingen voor de toepassing van het gereedschap.<br />

■ Bij de simulatie wordt alleen de snijkant van het gereedschap<br />

getoond.<br />

■ U legt eerst het gereedschapstype vast en bewerkt daarna de<br />

gereedaschapsparameters. De gereedschapsparameters komen<br />

overeen met de eerste dialoogbox van de gereedschaps-editor (zie<br />

„8.1 Gereedschaps-database“).<br />

■ De gegevens worden bij de vertaling van het programma alleen in de<br />

database overgenomen wanneer u het identificatienummer opgeeft.<br />

■ Eenvoudig ger.:<br />

■ Alleen geschikt voor enkelvoudige verplaatsingen en draaicycli<br />

(G0...G3, G12, G13; G81...G88).<br />

■ Er vindt geen contourcorrectie plaats.<br />

■ De beitelradiuscorrectie wordt uitgevoerd.<br />

■ Eenvoudig gereedschap wordt nietin de database opgenomen.<br />

■ Betekenis van de parameters: zie tabel<br />

Eenvoudig gereedschap<br />

Dialoogbox NC-prog. Betekenis<br />

Gereedschapstype WT Gereedschapstype en<br />

bewerkingsrichting<br />

Maat X (xe) X Instelmaat<br />

Maat Y (ye) Y Instelmaat<br />

Maat Z (ze) Z Instelmaat<br />

Radius R (rs) R Beitelradius bij draaigereedschap<br />

Bt.-br. B (sb) B Beitelbreedte bij steekbeitels en<br />

halfronde snijbeitels<br />

Diam. I (df) I Frees- of boordiameter<br />

Voorbeeld: REVOLVER-tabel<br />

REVOLVER 1<br />

T1 ID”342-300.1” [ger. uit de database]<br />

T2 WT1 X50 Z50 R0.2 B6 [eenvoudige gereedschapsbeschrijving]<br />

T3 WT122 X15 Z150 H0 V4 R0.4 A93 C55 I9 K70 [uitgebreide<br />

[gereedschapsbeschrijving – zonder opname in de DB]<br />

T4 ID”Erw.1” WT112 X20 Z150 H2 V4 R0.8 A95 C80 B9 K70<br />

[uitgebreide gereedschapsbeschrijving – met opname in de DB]<br />

. . .<br />

■ Als REVOLVER niet wordt<br />

geprogrammeerd, wordt gebruik gemaakt<br />

van het in de „gereedschapstabel“<br />

ingevoerde gereedschap (zie „3.3.1<br />

Gereedschapstabel instellen“).<br />

■ De namen „_SIM...“ en „_AUTO...“ zijn<br />

gereserveerd voor „tijdelijk gereedschap“<br />

(eenvoudig gereedschap en gereedschap<br />

zonder identificatienummer). De<br />

gereedschapsbeschrijving geldt slechts<br />

zolang het NC-programma voor simulatie<br />

of automatisch bedrijf is geactiveerd.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 81<br />

4.4 Programmadeel-aanduidingen


4.4 Programmadeel-aanduidingen<br />

4.4.3 SPANMIDDEL<br />

Met SPANMIDDEL x (x: 1..4) wordt de bezetting van spil x vastgelegd.<br />

Met de identificatienummers van de klauwplaat, spanklauw en<br />

hulpmiddelen voor opspannen (centerpunt etc.) maakt u de<br />

„spanmiddeltabel“. Deze wordt bij de smiluatie verwerkt (G65).<br />

Spanmiddelgegevens invoeren:<br />

„Kies Header – Spanmiddel“<br />

Cursor in het programmadeel „SPANMIDDEL“ positioneren<br />

Op INS-toets drukken<br />

Dialoogbox „Spanmiddel“ bewerken<br />

SPANMIDDEL-gegevens wijzigen:<br />

Cursor positioneren<br />

Druk op ENTER<br />

Dialoogbox „Spanmiddel“ bewerken<br />

Parameters van de dialoogbox „Spanmiddel“<br />

H: spanmiddelnummer (referentie voor G65)<br />

■ H=1: klauwplaat<br />

■ H=2: spanklauw<br />

■ H=3: hulpmiddel voor opspannen – spilzijde<br />

■ H=4: hulpmiddel voor opspannen – draaibankkopzijde<br />

ID: identificatienummer van het spanmiddel (verwijzing naar<br />

database)<br />

X: spandiameter spanklauwen<br />

Q: spanvorm bij spanklauwen (zie G65)<br />

4.4.4 Contourbeschrijving<br />

CONTOUR<br />

wijst de volgende beschrijving van het bewerkte en onbewerkte<br />

werkstuk aan een contour toe.<br />

Parameters<br />

Q: nummer van de contour – 1..4<br />

X, Z: nulpuntverschuiving (referentie: machinenulpunt)<br />

V: positie van het coördinatensysteem<br />

■ 0: het machinecoördinatensysteem geldt<br />

■ 2: gespiegeld machinecoördinatensysteem (Z-richting<br />

tegengesteld aan het machinecoördinatensysteem)<br />

82<br />

De „spanmiddeltabel“ wordt tijdens de<br />

simulatie geanalyseerd – de tabel heeft<br />

geen invloed op de uitvoering van het<br />

programma.<br />

Voorbeeld: SPANMIDDEL-tabel<br />

SPANMIDDEL 1<br />

H1 ID”KH250”<br />

H2 ID”KBA250-77”<br />

. . .<br />

4 DIN PLUS


ONBEW. WERKSTUK<br />

Programmadeel voor de contour van het onbewerkte werkstuk.<br />

BEW. WERKSTUK<br />

Programmadeel voor de contour van het bewerkte werkstuk. In de<br />

definitie van het bewerkte werkstuk gebruikt u andere<br />

programmadeel-aanduidingen, bijv. VOORKANT, MANTEL etc.<br />

VOORKANT, ACHTERKANT<br />

hiermee worden „contouren aan voor- of achterkant“ aangegeven<br />

Parameters<br />

Z: positie van de contour aan de voor-/achterkant – default: 0<br />

MANTEL<br />

hiermee worden „mantelvlakcontouren” aangegeven<br />

Parameters<br />

X: referentiediameter van de mantelvlakcontour<br />

HULPCONTOUR<br />

hiermee worden andere contourdefinities van de te draaien contour<br />

(tussencontouren) aangegeven.<br />

4.4.5 BEWERKING<br />

Programmadeel voor de bewerking van het werkstuk. Deze<br />

aanduiding moet worden geprogrammeerd.<br />

EINDE<br />

Hiermee wordt het NC-programma beëindigd. Deze aanduiding moet<br />

worden geprogrammeerd, zij vervangt M30.<br />

4.4.6 SUBPROGRAMMA<br />

Wanneer u in een NC-programma (in hetzelfde bestand) een<br />

subprogramma vastlegt, wordt dit aangeduid met SUBPROGRAMMA<br />

gevolgd door de naam van het subprogramma (max. 8 tekens).<br />

RETURN<br />

Hiermee wordt het subprogramma beëindigd.<br />

Gebruik de programmadeel-aanduidingen<br />

(VOORKANT, ACHTERKANT, etc.) als er<br />

meerdere onafhankelijke<br />

contourbeschrijvingen voor de boor-/<br />

freesbewerkingen zijn<br />

Voorbeeld „Programmadeel-aanduidingen in de<br />

definitie van het bewerkte werkstuk“<br />

. . .<br />

ONBEW. WERKSTUK<br />

N1 G20 X100 Z220 K1<br />

BEW. WERKSTUK<br />

N2 G0 X60 Z-80<br />

N3 G1 Z-70<br />

. . .<br />

VOORKANT Z-25<br />

N31 G308 P-10<br />

N32 G402 Q5 K110 A0 Wi72 V2 XK0 YK0<br />

N33 G300 B5 P10 W118 A0<br />

N34 G309<br />

VOORKANT Z0<br />

N35 G308 P-6<br />

N36 G307 XK0 YK0 Q6 A0 K34.641<br />

N37 G309<br />

. . .<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 83<br />

4.4 Programmadeel-aanduidingen


4.5 Geometriefuncties<br />

4.5 Geometriefuncties<br />

4.5.1 Beschrijving van onbewerkt werkstuk<br />

Klauwplaat cilinder/pijp G20-Geo<br />

Contour van een cilinder/holle cilinder<br />

Parameters<br />

X: ■ Diameter cilinder/holle cilinder<br />

■ Diameter van cirkel bij onbewerkt werkstuk met meer zijden<br />

Z: lengte van onbewerkt werkstuk<br />

K: rechter zijde (afstand tussen werkstuknulpunt en rechter zijde)<br />

I: inwendige diameter bij holle cilinders<br />

Gietstuk G21-Geo<br />

Genereert de contour van het onbewerkte werkstuk uit de contour<br />

van het bewerkte werkstuk – exclusief de „equidistante overmaat P”.<br />

Parameters<br />

P: equidistante overmaat (referentie: contour van bewerkt<br />

werkstuk)<br />

Q: boring ja/nee – default: Q=0<br />

■ Q=0: zonder<br />

■ Q=1: met boring<br />

4.5.2 Basiselementen van te draaien contour<br />

Startpunt te draaien contour G0-Geo<br />

Beginpunt van een te draaien contour.<br />

Parameters<br />

X, Z: beginpunt contour (X diametermaat)<br />

84<br />

4 DIN PLUS


Baan in te draaien contour G1-Geo<br />

Parameters<br />

X, Z: eindpunt contourelement (X diametermaat)<br />

A: hoek t.o.v. roterende as – hoekrichting: zie helpscherm<br />

Q: keuze van snijpunt – default: 0. Eindpunt wanneer de baan een<br />

cirkelboog snijdt.<br />

■ Q=0: snijpunt dichtbij<br />

■ Q=1: snijpunt op afstand<br />

B: afschuining/afronding – overgang naar het volgende<br />

contourelement. Programmeer het theoretische eindpunt,<br />

wanneer u een afschuining/afronding aangeeft.<br />

■ B geen invoer: tangentiale overgang<br />

■ B=0: niet-tangentiale overgang<br />

■ B>0: afrondingsradius<br />

■ B


4.5 Geometriefuncties<br />

4.5.3 Vormelementen van de te draaien contour<br />

Insteek (standaard) G22-Geo<br />

Insteek op een asparallel referentie-element (G1). G22 wordt aan het<br />

eerder geprogrammeerde referentie-element toegekend.<br />

Parameters<br />

X: beginpunt bij insteek eindvlak (diameter)<br />

Z: beginpunt bij insteek mantelvlak<br />

I, K: binnenhoek<br />

■ I – insteek eindvlak: eindpunt van insteek (diametermaat)<br />

■ I – insteek mantelvlak: bodem van insteek (diametermaat)<br />

■ K – insteek eindvlak: bodem van insteek<br />

■ K – insteek mantelvlak: eindpunt van insteek<br />

Ii, Ki: binnenhoek – incrementeel (let op voorteken !)<br />

■ Ii – insteek eindvlak: insteekbreedte<br />

■ Ii – insteek mantelvlak: insteekdiepte<br />

■ Ki – insteek eindvlak: insteekdiepte<br />

■ Ki – insteek mantelvlak: eindpunt van insteek (insteekbreedte)<br />

B: buitenradius/afschuining (aan beide zijden van de insteek) –<br />

default: 0<br />

■ B>0: afrondingsradius<br />

■ B0: insteek rechts van referentie-element<br />

■ I


B: buitenradius/afschuining hoek dicht bij startpunt – default: 0<br />

■ B>0: afrondingsradius<br />

■ B0: afrondingsradius<br />

■ P


4.5 Geometriefuncties<br />

Vrijgedraaid gedeelte G25-Geo<br />

Genereert de hieronder vermelde vrijgedraaide gedeeltes op<br />

asparallele contourhoeken. Programmeer G25 na het eerste<br />

asparallele element.<br />

Parameters<br />

H: type draaduitloop – default: 0<br />

■ H=4: draaduitloop vorm U<br />

■ H=0, 5: draaduitloop vorm DIN 509 E<br />

■ H=6: draaduitloop vorm DIN 509 F<br />

■ H=7: draaduitloop DIN 76<br />

■ H=8: draaduitloop vorm H<br />

■ H=9: draaduitloop vorm K<br />

Draaduitloop vorm U (H=4)<br />

Parameters<br />

I: draaduitloopdiepte (radius)<br />

K: draaduitloopbreedte<br />

R: binnenradius (in beide hoeken van de insteek) – default: 0<br />

P: buitenradius/afschuining – default: 0<br />

■ P>0: afrondingsradius<br />

■ P


Draaduitloop DIN 509 F (H=6)<br />

Parameters<br />

I: draaduitloopdiepte (radius)<br />

K: draaduitloopbreedte<br />

R: draaduitloopradius (in beide hoeken van de draaduitloop)<br />

P: dwarsdiepte<br />

W: draaduitloophoek<br />

A: dwarshoek<br />

Wanneer sommige parameters niet worden ingegeven, bepaalt de<br />

<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> de waarden gerelateerd aan de diameter (zie „11.1.3<br />

Draaduitloopparameters DIN 509 F“).<br />

Draaduitloop DIN 76 (H=7)<br />

Parameters<br />

I: draaduitloopdiepte (radius)<br />

K: draaduitloopbreedte<br />

R: draaduitloopradius (in beide hoeken van de draaduitloop) –<br />

default: R=0,6*I<br />

W: draaduitloophoek – default: 30°<br />

Draaduitloop vorm H (H=8)<br />

Parameter<br />

K: draaduitloopbreedte<br />

R: draaduitloopradius<br />

W: insteekhoek<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 89<br />

4.5 Geometriefuncties


4.5 Geometriefuncties<br />

Draaduitloop vorm K (H=9)<br />

Parameters<br />

I: draaduitloopdiepte<br />

R: draaduitloopradius – geen invoer: er wordt geen cirkelelement<br />

gemaakt<br />

W: draaduitloophoek<br />

A: hoek t.o.v. langsas – default: 45°<br />

Schroefdraad (standaard) G34-Geo<br />

Enkelvoudig of aaneengesloten buiten- of binnendraad (isometrische<br />

schroefdraad met fijne spoed DIN 13 Reihe 1). De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong><br />

berekent alle benodigde waarden.<br />

U kunt schroefdraad met elkaar verbinden door meerdere G01/G34regels<br />

na elkaar te programmeren.<br />

Parameters<br />

F: spoed – geen invoer: spoed uit de standaardtabel<br />

Schroefdraad (algemeen) G37-Geo<br />

Hiermee worden de vermelde schroefdraadtypes vastgelegd.<br />

Meervoudig schroefdraad alsmede aaneengesloten schroefdraad is<br />

mogelijk. Schroefdraad wordt aaneengesloten door programmering<br />

van meerdere G01/G37-regels na elkaar.<br />

Parameters<br />

Q: type schroefdraad – default: 1<br />

■ Q=1: isometrische schroefdraad met fijne spoed (DIN 13 Teil 2,<br />

Reihe 1)<br />

■ Q=2: isometrische schroefdraad (DIN 13 Teil 1, Reihe 1)<br />

■ Q=3: isometrische kegeldraad (DIN 158)<br />

■ Q=4: isometrische kegeldraad met fijne spoed (DIN 158)<br />

■ Q=5: isometrische trapeziumdraad (DIN 103 Teil 2,<br />

Reihe 1)<br />

■ Q=6: vlak metr. trapeziumdraad (DIN 380 Teil 2, Reihe 1)<br />

■ Q=7: metrische zaagtanddraad (DIN 513 Teil 2, Reihe 1)<br />

■ Q=8: cilindrische ronde draad (DIN 405 Teil 1, Reihe 1)<br />

■ Q=9: cilindrische Whitworth-draad (DIN 11)<br />

■ Q=10: conische Whitworth-schroefdraad (DIN 2999)<br />

■ Q=11: Whitworth-pijpschroefdraad (DIN 259)<br />

■ Q=12: niet-standaard schroefdraad<br />

■ Q=13: UNC US-schroefdraad met grove spoed<br />

■ Q=14: UNF US-schroefdraad met fijne spoed<br />

90<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

■ Voor G34 of in de NC-regel met G34<br />

moet een lineair contourelement als<br />

referentie-element worden geprogrammeerd.<br />

■ De schroefdraad wordt met G31 bewerkt.<br />

■ U programmeert vóór G37 een lineair<br />

contourelement als referentie-element.<br />

■ De schroefdraad wordt met G31 bewerkt.<br />

■ Bij standaardschroefdraad worden de<br />

parameters P, R, A en W door de <strong>CNC</strong><br />

<strong>PILOT</strong> vastgelegd (zie „11.1.4<br />

Schroefdraadparameters“).<br />

■ Maak gebruik van Q=12, wanneer u<br />

individuele parameters wilt toepassen.<br />

4 DIN PLUS


■ Q=15: UNEF US-schroefdraad met extra fijne spoed<br />

■ Q=16: NPT US-conische pijpschroefdraad<br />

■ Q=17: NPTF US-conische Dryseal-pijpschroefdraad<br />

■ Q=18: NPSC US-cilindrische pijpschroefdraad met<br />

smeermiddel<br />

■ Q=19: NPFS US-cilindrische pijpschroefdraad zonder<br />

smeermiddel<br />

F: Spoed – moet bij Q=1, 3..7, 12 worden opgegeven. Bij andere<br />

schroefdraadtypen wordt F op basis van de diameter bepaald,<br />

wanneer deze niet geprogrammeerd is (zie „ 1.1.5 Spoed“).<br />

P: draaddiepte – alleen bij Q=12 opgeven<br />

K: uitlooplengte (bij schroefdraad zonder draaduitloop) – default: 0<br />

D: referentiepunt (positie van de draaduitloop) – default: 0<br />

■ D=0: draaduitloop aan het einde v.h. referentie-element<br />

■ D=1: draaduitloop aan het begin van het referentie-element<br />

H: aantal gangen – default: 1<br />

A: flankhoek links – alleen bij Q=12 opgeven<br />

W: flankhoek rechts – alleen bij Q=12 opgeven<br />

R: draadbreedte – alleen bij Q=12 opgeven<br />

E: variabele spoed (vergroot/verkleint de spoed per omwenteling<br />

met E) – default: 0<br />

Boring (centrisch) G49-Geo<br />

Afzonderlijke boring met verzinking en schroefdraad op het draaipunt<br />

(voor- of achterkant). De boring G49 maakt geen deel uit van de<br />

contour, maar is een vormelement.<br />

Parameters<br />

Z: positie begin v.d. boring (referentiepunt)<br />

B: boringdiameter<br />

P: boringdiepte (zonder boorpunt)<br />

W: hoek boorpunt – default: 180°<br />

R: verzinkingsdiameter<br />

U: verzinkingsdiepte<br />

E: verzinkingshoek<br />

I: draaddiameter<br />

J: draaddiepte<br />

K: draadaansnijding (uitlooplengte)<br />

F: spoed<br />

V: linkse of rechtse schroefdraad – default: 0<br />

■ V=0: rechtse schroefdraad<br />

■ V=1: linkse schroefdraad<br />

A: hoek (positie van de boring) – default: 0<br />

■ A=0: voorkant<br />

■ A=180: achterkant<br />

O: centreerdiameter<br />

Let op: botsingsgevaar!<br />

De schroefdraad wordt over de lengte van<br />

het referentie-element gemaakt. Zonder<br />

draaduitloop moet nog een lineair element<br />

voor de draadoverloop worden<br />

geprogrammeerd,<br />

■ G49 in het programmadeel BEWERKT<br />

WERKSTUK programmeren (niet in VOORof<br />

ACHTERKANT).<br />

■ De boring G49 met G71...G74 bewerken.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 91<br />

4.5 Geometriefuncties


4.5 Geometriefuncties<br />

4.5.4 Hulpfuncties voor contourbeschrijving<br />

Overzicht<br />

G7 Nauwkeurige stop aan<br />

G8 Nauwkeurige stop uit<br />

G9 Nauwkeurige stop regelgewijs<br />

G10 Beïnvloedt de nabewerkingsvoeding voor de complete contour<br />

G38 Beïnvloedt de nabewerkingsvoeding voor basiselementen<br />

regelgewijs<br />

G39 Alleen voor vormelementen:<br />

■ beïnvloedt de nabewerkingsvoeding<br />

■ additieve correcties<br />

■ equidistante overmaten<br />

G52 Equidistante overmaat – regelgewijs<br />

G95 Legt de nabewerkingsvoeding voor de complete contour vast<br />

G149 Additieve correcties voor de basiselementen van de contour<br />

Nauwkeurige stop aan G7-Geo<br />

Schakelt „nauwkeurige stop” in. Deze functie blijft ingeschakeld,<br />

totdat deze weer wordt uitgeschakeld. De regel met G7 wordt met<br />

„nauwkeurige stop” uitgevoerd. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> start de volgende<br />

regel, wanneer het „tolerantievenster positie“ bij het eindpunt bereikt<br />

is (tolerantievenster: zie machineparameters 1106, 1156, ...).<br />

Nauwkeurige stop uit G8-Geo<br />

Schakelt „nauwkeurige stop” uit. De met G8 geprogrammeerde regel<br />

wordt zonder „nauwkeurige stop” uitgevoerd.<br />

Nauwkeurige stop regelgewijs G9-Geo<br />

„Nauwkeurige stop” voor de NC-regel waarin G9 is geprogrammeerd<br />

(zie ook „G7-Geo”).<br />

Oppervlakteruwheid G10-Geo<br />

Beïnvloedt de nabewerkingsvoeding van de G890.<br />

Parameters<br />

H: type oppervlakteruwheid (zie ook DIN 4768)<br />

■ H=1: algemene oppervlakteruwheid (profieldiepte) Rt1<br />

■ H=2: gemiddelde ruwheid Ra<br />

■ H=3: gemiddelde oppervlakteruwheid Rz<br />

RH: oppervlakteruwheid (µm, inch-modus: µinch)<br />

92<br />

■ G10-, G38-, G52-, G95- en G149-Geo<br />

gelden voor „basiselementen van de<br />

contour“ (G1-, G2-, G3-, G12- en G13-Geo)<br />

– niet voor afschuiningen/afrondingen die<br />

aansluitend op de basiselementen van de<br />

contour zijn geprogrammeerd.<br />

■ De hulpfuncties voor de contourbeschrijving<br />

beïnvloeden de nabewerkingsvoeding van<br />

de cycli G869 en G890 – niet de<br />

nabewerkingsvoeding bij steekcycli.<br />

„Nauwkeurige stop” geldt voor<br />

basiselementen van de contour die met<br />

G890 of G840 worden bewerkt.<br />

Informatie over programmering<br />

■ G10-Geo blijft ingeschakeld, totdat deze functie<br />

wordt uitgeschakeld.<br />

■ G95-Geo of G10-Geo zonder parameter schakelt de<br />

„oppervlakteruwheid” uit.<br />

■ G10 RH... (zonder „H”) overschrijft de<br />

„oppervlakteruwheid” regelgewijs.<br />

■ G38-Geo overschrijft de „oppervlakteruwheid”<br />

regelgewijs.<br />

De „oppervlakteruwheid“ geldt uitsluitend<br />

voor basiselementen van de contour.<br />

4 DIN PLUS


Voedingsreductie G38-Geo<br />

„Speciale voeding” voor de G890.<br />

Parameters<br />

E: Speciale voedingsfactor (0 < E


4.5 Geometriefuncties<br />

Overmaat regelgewijs G52-Geo<br />

Equidistante overmaat waarmee in G810, G820, G830, G860 en G890<br />

rekening is gehouden.<br />

Parameters<br />

P: overmaat (radius)<br />

H: (werking van P) absoluut / additief – default: 0<br />

■ H=0: P vervangt G57-/G58-overmaten<br />

■ H=1: P wordt bij G57-/G58-overmaten opgeteld<br />

Voeding per omwenteling G95-Geo<br />

Beïnvloedt de nabewerkingsvoeding van de G890.<br />

Parameters<br />

F: Voeding per omwenteling<br />

Additieve correctie G149-Geo<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> maakt gebruik van 16 correctiewaarden die niet van<br />

het gereedschap afhankelijk zijn.<br />

De additieve correctie wordt geactiveerd met G149 gevolgd door een<br />

„D-nummer“ (bijvoorbeeld: G149 D901). Met „G149 D900“ wordt de<br />

additieve correctie uitgeschakeld.<br />

Parameters<br />

D: additieve correctie – default: D900 – bereik: 900..916<br />

94<br />

Informatie over programmering<br />

■ G52 werkt regelgewijs<br />

■ G52 wordt geprogrammeerd in de NC-regel met<br />

het contourelement dat moet worden veranderd<br />

■ G50 voor een cyclus (programmadeel BEWERKING)<br />

betekent dat G52-overmaten voor deze cyclus<br />

worden uitgeschakeld<br />

Informatie over programmering<br />

■ G95 blijft ingeschakeld, tot deze functie wordt<br />

uitgeschakeld<br />

■ Met G10 wordt nabewerkingsvoeding G95<br />

uitgeschakeld<br />

■ Oppervlakteruwheid en<br />

nabewerkingsvoeding naar keuze<br />

toepassen.<br />

■ De nabewerkingvoeding G95 vervangt<br />

een in het bewerkingsdeel vastgelegde<br />

bewerkingstoeslag.<br />

Informatie over programmering<br />

■ Additieve correcties gelden vanaf de regel waarin<br />

G149 is geprogrammeerd.<br />

■ Een additieve correctie blijft actief:<br />

■ tot de volgende „G149 D900“<br />

■ tot het einde van de beschrijving van het<br />

bewerkte werkstuk<br />

Let op de beschrijvingsrichting van de<br />

contour!<br />

4 DIN PLUS


4.5.5 Positie van de contouren<br />

Freesdiepte, positie van de contour<br />

Het „referentievlak“ resp. de „referentiediameter“ kan in de<br />

programmadeel-aanduiding worden vastgelegd. De diepte en positie<br />

van een te frezen contour (kamer, eiland) kunnen in de contourdefinitie<br />

worden vastgelegd:<br />

■ met „diepte P“ in de vooraf geprogrammeerde G308<br />

■ alternatief bij figuren: cyclusparameter „diepte P“<br />

Het voorteken van „diepte P“ bepaalt de positie van de te frezen<br />

contour (zie tabel):<br />

■ P0: eiland<br />

Programmadeel P Oppervlak freesbodem<br />

VOORKANT P0 Z+P Z<br />

ACHTERKANT P0 Z–P Z<br />

MANTEL P0 X+(P*2) X<br />

X: referentiediameter uit de programmadeel-aanduiding<br />

Z: referentievlak uit de programmadeel-aanduiding<br />

P: „diepte“ uit G308 of uit cyclusparameter<br />

Contouren in diverse vlakken<br />

Programmering bij hiërarchisch geneste contouren:<br />

■ Met „G308 begin eiland/kamer“ beginnen en met „G309 einde<br />

kamer/eiland“ afsluiten. Met G308 wordt een „nieuw“<br />

referentieniveau/„nieuwe“ referentiediameter vastgelegd:<br />

■ de eerste G308 neemt het in de programmadeel-aanduiding<br />

vastgelegde referentievlak over.<br />

■ met elke volgende G308 wordt een nieuw referentievlak vastgelegd.<br />

Berekening: actueel referentievlak + P (uit de voorgaande G308)<br />

■ met G309 wordt naar het vorige referentievlak teruggeschakeld.<br />

Begin kamer/eiland G308-Geo<br />

Nieuw referentieniveau/nieuwe referentiediameter bij hiërarchisch<br />

geneste contouren aan de voorkant, aan de achterkant of in het<br />

mantelvlak.<br />

Parameters<br />

P: diepte bij kamers, hoogte bij eilanden<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Kamer of eiland<br />

Eilanden: met de vlakfreescycli wordt het<br />

gehele in de contourdefinitie beschreven<br />

vlak gefreesd. Met eilanden die dit vlak zijn<br />

vastgelegd, wordt geen rekening gehouden.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 95<br />

4.5 Geometriefuncties


4.5 Geometriefuncties<br />

Einde kamer/eiland G309-Geo<br />

Einde van een „referentievlak”. Elk met G308 vastgelegd referentievlak<br />

moet met G309 worden afgesloten!<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

4.5.6 Contour voor-/achterkant<br />

Startpunt contour voor-/achterkant G100-Geo<br />

Parameters<br />

X: beginpunt in poolcoördinaten (diametermaat)<br />

C: beginpunt in poolcoördinaten (hoekmaat)<br />

XK, YK: beginpunt in cartesiaanse coördinaten<br />

96<br />

Referentievlak vastleggen<br />

Begin „rechthoek“ met diepte –5<br />

Rechthoek<br />

Begin „volledige cirkel in rechthoek“ met diepte –10<br />

Volledige cirkel<br />

Einde „volledige cirkel“<br />

Einde „rechthoek“<br />

Referentiediameter vastleggen<br />

Lineaire sleuf met de diepte –5<br />

4 DIN PLUS


Baan contour voor-/achterkant G101-Geo<br />

Parameters<br />

X: eindpunt in poolcoördinaten (diametermaat)<br />

C: eindpunt in poolcoördinaten (hoekmaat)<br />

XK, YK: eindpunt in cartesiaanse coördinaten<br />

A: hoek t.o.v. XK-as<br />

B: Afschuining/afronding – overgang naar het volgende<br />

contourelement. Programmeer met het theoretische eindpunt,<br />

wanneer u een afschuining/afronding aangeeft.<br />

■ B geen invoer: tangentiale overgang<br />

■ B=0: niet-tangentiale overgang<br />

■ B>0: afrondingsradius<br />

■ B


4.5 Geometriefuncties<br />

B: afschuining/afronding – overgang naar het volgende<br />

contourelement. Programmeer het theoretisch eindpunt,<br />

wanneer u een afschuining/afronding aangeeft.<br />

■ B geen invoer: tangentiale overgang<br />

■ B=0: niet-tangentiale overgang<br />

■ B>0: afrondingsradius<br />

■ B


Lineaire sleuf voor-/achterkant G301-Geo<br />

Parameters<br />

XK, YK: middelpunt in cartesiaanse coördinaten<br />

A: hoek langsas (referentie: XK-as) – default: 0°<br />

K: sleuflengte<br />

B: sleufbreedte<br />

P: diepte/hoogte – geen invoer: „P“ uit G308<br />

■ P0: eiland<br />

Ronde sleuf voor-/achterkant G302-/G303-Geo<br />

■ G302: ronde sleuf rechtsom<br />

■ G303: ronde sleuf linksom<br />

Parameters<br />

I, J: Krommingsmiddelpunt in cartesiaanse coördinaten<br />

R: krommingsradius (referentie: middelpuntsbaan van de sleuf)<br />

A: hoek beginpunt (referentie: XK-as) – default: 0<br />

W: hoek eindpunt (referentie: XK-as)<br />

B: sleufbreedte<br />

P: diepte/hoogte – geen invoer: „P“ uit G308<br />

■ P0: eiland<br />

Volledige cirkel voor-/achterkant G304-Geo<br />

Parameters<br />

XK, YK: cirkelmiddelpunt in cartesiaanse coördinaten<br />

R: radius<br />

P: diepte/hoogte – geen invoer: „P“ uit G308<br />

■ P0: eiland<br />

G302-Geo<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 99<br />

4.5 Geometriefuncties


4.5 Geometriefuncties<br />

Rechthoek voor-/achterkant G305-Geo<br />

Parameters<br />

XK, YK: middelpunt in cartesiaanse coördinaten<br />

A: hoek langsas (referentie: XK-as) – default: 0°<br />

K: lengte<br />

B: (hoogte) breedte<br />

R: afschuining/afronding – default: 0<br />

■ R>0: afrondingsradius<br />

■ R2)<br />

A: hoek t.o.v. een zijde van de veelhoek (referentie: XK-as) –<br />

default: 0°<br />

K: lengte van zijde<br />

■ K>0: lengte van zijden<br />

■ K0: afrondingsradius<br />

■ R


Rond patroon voor-/achterkant G402-Geo<br />

G402 werkt op de boring/figuur die in de volgende regel is vastgelegd<br />

(G300..305, G307).<br />

Programmeerinstructies<br />

■ Boring/figuur in de volgende regel zonder middelpunt programmeren.<br />

– Uitzondering ronde sleuf: het „krommingsmiddelpunt I, J“, wordt<br />

aan de patroonpositie toegevoegd (zie „4.5.8 Rond patroon met<br />

ronde sleuven“).<br />

■ De freescyclus (programmadeel BEWERKING) roept de boring/<br />

figuur in de volgende regel op – niet de patroondefinitie.<br />

Parameters<br />

Q: aantal figuren<br />

K: patroondiameter<br />

A: starthoek – positie eerste figuur (referentie: XK-as) – default: 0°<br />

W: eindhoek – positie laatste figuur (referentie: XK-as) – default:<br />

360°<br />

Wi: Hoek tussen figuren<br />

V: Richting (oriëntering) – default: 0<br />

■ V=0 – zonder W: opdeling volledige cirkel<br />

■ V=0 – met W: opdeling over langere cirkelboog<br />

■ V=0 – met Wi: voorteken van Wi bepaalt de richting (Wi


4.5 Geometriefuncties<br />

4.5.7 Mantelvlakcontour<br />

Startpunt mantelvlakcontour G110-Geo<br />

Parameters<br />

Z: beginpunt<br />

C: beginpunt (beginhoek)<br />

CY: beginhoek als „baanmaat” (referentie: manteluitslag bij<br />

„referentiediameter”)<br />

Baan mantelvlakcontour G111-Geo<br />

Parameters<br />

Z: eindpunt<br />

C: eindpunt (eindhoek)<br />

CY: eindhoek als „baanmaat” (referentie: manteluitslag bij<br />

„referentiediameter”)<br />

A: hoek (referentie: positieve Z-as)<br />

B: afschuining/afronding – overgang naar het volgende<br />

contourelement. Programmeer met het theoretische eindpunt,<br />

wanneer u een afschuining/afronding aangeeft.<br />

■ B geen invoer: tangentiale overgang<br />

■ B=0: niet-tangentiale overgang<br />

■ B>0: afrondingsradius<br />

■ B


Cirkelboog mantelvlakcontour G112-/G113-Geo<br />

Draairichting: zie helpscherm<br />

Parameters<br />

Z: eindpunt<br />

C: eindpunt (eindhoek)<br />

CY: eindhoek als „baanmaat” (referentie: manteluitslag bij<br />

„referentiediameter”)<br />

R: radius<br />

K: middelpunt (in Z-richting)<br />

W: hoek van het middelpunt<br />

J: hoek van het middelpunt als „baanmaat“<br />

Q: Keuze van snijpunt – default: 0. Eindpunt wanneer de baan een<br />

rechte of een cirkelboog snijdt.<br />

■ Q=0: snijpunt op afstand<br />

■ Q=1: snijpunt dichtbij<br />

B: afschuining/afronding – overgang naar het volgende<br />

contourelement. Programmeer het theoretische eindpunt,<br />

wanneer u een afschuining/afronding aangeeft.<br />

■ B geen invoer: tangentiale overgang<br />

■ B=0: niet-tangentiale overgang<br />

■ B>0: afrondingsradius<br />

■ B


4.5 Geometriefuncties<br />

E: verzinkingshoek<br />

I: draaddiameter<br />

J: draaddiepte<br />

K: draadaansnijding (uitlooplengte)<br />

F: spoed<br />

V: linkse of rechtse schroefdraad – default: 0<br />

■ V=0: rechtse schroefdraad<br />

■ V=1: linkse schroefdraad<br />

A: hoek (referentie: Z-as) – default: 90° = verticale boring<br />

(bereik: 0° < A < 180°)<br />

O: centreerdiameter<br />

Lineaire sleuf in mantelvlak G311-Geo<br />

Parameters<br />

Z: middelpunt<br />

C: middelpunt (hoek)<br />

CY: hoek als „baanmaat” (referentie: manteluitslag bij<br />

„referentiediameter”)<br />

A: hoek langsas (referentie: Z-as) – default: 0°<br />

K: sleuflengte<br />

B: sleufbreedte<br />

P: diepte van de kamer – geen invoer: „P“ uit G308<br />

Ronde sleuf mantelvlak G312-/G313-Geo<br />

■ G312: ronde sleuf rechtsom<br />

■ G313: ronde sleuf linksom<br />

Parameters<br />

Z: krommingsmiddelpunt<br />

C: krommingsmiddelpunt (hoek)<br />

CY: hoek als „baanmaat” (referentie: manteluitslag bij<br />

„referentiediameter”)<br />

R: krommingsradius (referentie: middelpuntsbaan van de sleuf)<br />

A: hoek beginpunt (referentie Z-as)<br />

W: hoek eindpunt (referentie: Z-as)<br />

B: sleufbreedte<br />

P: diepte van de kamer – geen invoer: „P“ uit G308<br />

104<br />

G312-Geo<br />

G310-boring met G71 ...G74 bewerken.<br />

4 DIN PLUS


Volledige cirkel mantelvlak G314-Geo<br />

Parameters<br />

Z: cirkelmiddelpunt<br />

C: cirkelmiddelpunt (hoek)<br />

CY: hoek als „baanmaat” (referentie: manteluitslag bij<br />

„referentiediameter”)<br />

R: radius<br />

P: diepte van de kamer – geen invoer: „P“ uit G308<br />

Rechthoek mantelvlak G315-Geo<br />

Parameters<br />

Z: middelpunt<br />

C: middelpunt (hoek)<br />

CY: hoek als „baanmaat” (referentie: manteluitslag bij<br />

„referentiediameter”)<br />

A: hoek langsas (referentie: Z-as) – default: 0°<br />

K: lengte<br />

B: breedte<br />

R: afschuining/afronding – default: 0<br />

■ R>0: afrondingsradius<br />

■ R2)<br />

A: hoek t.o.v. een zijde van de veelhoek (referentie: Z-as) – default: 0°<br />

K: lengte van zijde<br />

■ K>0: lengte van zijden<br />

■ K0: afrondingsradius<br />

■ R


4.5 Geometriefuncties<br />

Patroon lineair mantelvlak G411-Geo<br />

G411 werkt op de boring/figuur die in de volgende regel is vastgelegd<br />

(G310..315, 317).<br />

Programmeerinstructies<br />

■ Boring/figuur in de volgende regel zonder middelpunt programmeren.<br />

■ De freescyclus (programmadeel BEWERKING) roept de boring/<br />

figuur in de volgende regel op – niet de patroondefinitie.<br />

Parameters<br />

Q: aantal figuren – default: 1<br />

Z: beginpunt<br />

C: beginpunt (beginhoek)<br />

K: eindpunt<br />

W: eindpunt (eindhoek)<br />

Ki: afstand tussen de figuren (in Z-richting)<br />

Wi: hoekafstand tussen de figuren<br />

A: hoek langsas (referentie: Z-as) – default: 0°<br />

R: totale lengte van het patroon<br />

Ri: afstand tussen figuren (patroonafstand)<br />

Rond patroon mantelvlak G412-Geo<br />

G412 werkt op de boring/figuur die in de volgende regel is vastgelegd<br />

(G310..315, 317).<br />

Programmeerinstructies<br />

■ Boring/figuur in de volgende regel zonder middelpunt programmeren.<br />

– Uitzondering ronde sleuf: het „krommingsmiddelpunt I, J“, wordt<br />

aan de patroonpositie toegevoegd (zie „4.5.8 Rond patroon met<br />

ronde sleuven“).<br />

■ De freescyclus (programmadeel BEWERKING) roept de boring/<br />

figuur in de volgende regel op – niet de patroondefinitie.<br />

Parameters<br />

Q: aantal figuren<br />

K: cirkeldiameter<br />

A: starthoek – positie eerste figuur (referentie: Z-as) – default: 0°<br />

W: eindhoek – positie laatste figuur (referentie: Z-as) – default: 360°<br />

Wi: afstand tussen figuren<br />

106<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Bij de programmering van „Q, Z en C“<br />

worden de boringen/figuren gelijkmatig<br />

langs de omtrek verdeeld.<br />

4 DIN PLUS


V: richting (oriëntatie) – default: 0<br />

■ V=0 – zonder W: opdeling volledige cirkel<br />

■ V=0 – met W: opdeling over langere cirkelboog<br />

■ V=0 – met Wi: voorteken van Wi bepaalt de richting<br />

(Wi


4.5 Geometriefuncties<br />

4.5.8 Rond patroon met ronde sleuven<br />

Bij ronde patronen programmeert u de patroonposities, het<br />

krommingsmiddelpunt en de krommingsradius. Met DIN PLUS en<br />

TURN PLUS wordt de positie van de sleuven afhankelijk van het<br />

patroon- en krommingsmiddelpunt berekend:<br />

■ Patroonmiddelpunt = krommingsmiddelpunt en<br />

patroonradius = krommingsradius:<br />

Positie: patroonpositie = middelpunt van middellijn van sleuf<br />

■ Patroonmiddelpunt ≠ krommingsmiddelpunt of<br />

patroonradius ≠ krommingsradius:<br />

Positie: patroonpositie = krommingsmiddelpunt<br />

Voorbeeld middellijn van sleuf als referentie, normale positie:<br />

<br />

<br />

<br />

Voorbeeld middellijn van sleuf als referentie, oorspronkelijke positie:<br />

<br />

<br />

<br />

Voorbeeld krommingsmiddelpunt als referentie, normale positie<br />

<br />

<br />

<br />

Voorbeeld krommingsmiddelpunt als referentie, oorspronkelijke positie<br />

<br />

<br />

<br />

108<br />

„Positie“ van de sleuven (patroondefinitie)<br />

■ Normale positie: de start-/eindhoek gelden ten<br />

opzichte van de patroonposities. (De positiehoek<br />

wordt bij de begin-/eindhoek opgeteld.)<br />

■ Oorspronkelijke positie: de start-/eindhoek gelden<br />

absoluut.<br />

In de onderstaande voorbeelden en afbeeldingen<br />

wordt de programmering van het ronde patroon met<br />

ronde sleuven uitgelegd.<br />

Plaatsing van de sleuven op afstand „patroonradius“<br />

om het middelpunt van het patroon<br />

Alle sleuven liggen op dezelfde positie<br />

(krommingsmiddelpunt = patroonmiddelpunt)<br />

Plaatsing van de sleuven op afstand „patroonradius“<br />

Krommingsradius“ om middelpunt patroon<br />

(middelpunt patroon: X=5; Y=5)<br />

Plaatsing van de sleuven op afstand „patroonradius“<br />

Krommingsradius“ om middelpunt patroon<br />

waarbij de start-/eindhoek wordt gehandhaafd<br />

(middelpunt patroon: X=5; Y=5)<br />

4 DIN PLUS


Voorbeeld middellijn van sleuf als referentie en normale<br />

positie<br />

Voorbeeld krommingsmiddelpunt als referentie en<br />

normale positie<br />

Voorbeeld middellijn van sleuf als referentie en<br />

oorspronkelijke positie<br />

Voorbeeld krommingsmiddelpunt als referentie en<br />

oorspronkelijke positie<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 109<br />

4.5 Geometriefuncties


4.6 Bewerkingsfuncties<br />

4.6 Bewerkingsfuncties<br />

4.6.1 Toewijzing contour – Bewerking<br />

Werkstukgroep G99<br />

Als in een NC-programma meerdere contourbeschrijvingen zijn<br />

vastgelegd (werkstukken), dan wijst u met G99 de „contour Q“ aan<br />

de volgende bewerking toe. De slede-aanduiding vóór de NC-regel<br />

definieert de slede die deze contour bewerkt. Als G99 nog niet<br />

geprogrammeerd is (bij voorbeeld bij de programmastart), dan werken<br />

alle sledes op „contour 1“.<br />

Parameters<br />

Q: werkstuknummer – wordt in CONTOUR vastgelegd<br />

D: spilnummer – spil die het werkstuk houdt<br />

X, Z: nulpuntverschuiving (referentie: machinenulpunt)<br />

4.6.2 Gereedschapsverplaatsing zonder bewerking<br />

IJlgang G0<br />

Het gereedschap verplaatst zich in ijlgang via de kortste weg naar het<br />

„eindpunt X“.<br />

Parameters<br />

X, Z: diameter, lengte eindpunt (X diametermaat)<br />

Gereedschapswisselpositie naderen G14<br />

De slede verplaatst zich in ijlgang naar de gereedschapswisselpositie.<br />

De coördinaten van de wisselpositie legt u in de instelmodus vast.<br />

Parameters<br />

Q: volgorde – default: 0<br />

0: diagonale verplaatsintg<br />

1: eerst in X-, daarna in Z-richting<br />

2: eerst in Z-, daarna in X-richting<br />

3: alleen in X-richting<br />

4: alleen in Z-richting<br />

Met Y-as: zie bedieningshandboek „<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> met Y-as“<br />

110<br />

Programmering X, Z: absoluut, incrementeel of blijft<br />

ingeschakeld tot moment van uitschakeling<br />

Met Y-as: zie bedieningshandboek „<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> met Y-as““<br />

■ De simulatie<br />

– positioneert het werkstuk aan de hand<br />

van de „verschuiving X, Z“<br />

– bepaalt en positioneert de spanmiddelen<br />

aan de hand van het „spilnummer D“ (G99<br />

vervangt niet G65)<br />

■ Programmeer G99 opnieuw, wanneer<br />

het werkstuk aan een andere spil wordt<br />

overgedragen en/of de positie in het<br />

werkbereik verschuift.<br />

4 DIN PLUS


IJlgang in machinecoördinaten G701<br />

De slede verplaatst zich met ijlgang via de kortst mogelijke weg naar<br />

het „eindpunt“.<br />

Parameters<br />

X, Z: eindpunt (X diametermaat)<br />

Met Y-as: zie bedieningshandboek „<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> met Y-as“<br />

4.6.3 Enkelvoudige lineaire verplaatsingen en<br />

cirkelbogen<br />

Rechtlijnige verplaatsing G1<br />

Het gereedschap verplaatst zich lineair met voedingssnelheid naar het<br />

„eindpunt“.<br />

Parameters<br />

X, Z: diameter, lengte eindpunt (X diametermaat)<br />

A: hoek (hoekrichting: zie helpscherm)<br />

Q: keuze van snijpunt – default: 0. Eindpunt wanneer de baan een<br />

cirkelboog snijdt.<br />

■ Q=0: snijpunt dichtbij<br />

■ Q=1: snijpunt op afstand<br />

B: afschuining/afronding – overgang naar het volgende<br />

contourelement. Programmeer het theoretisch eindpunt,<br />

wanneer u een afschuining/afronding aangeeft.<br />

■ B geen invoer: tangentiale overgang<br />

■ B=0: niet-tangentiale overgang<br />

■ B>0: afrondingsradius<br />

■ B


4.6 Bewerkingsfuncties<br />

Cirkelboog<br />

G2, G3 – incrementele middelpuntmaat<br />

G12, G13 – absolute middelpuntmaat<br />

Het gereedschap verplaatst zich in een cirkel met voedingssnelheid<br />

naar het „eindpunt“.<br />

Draairichting: zie helpscherm.<br />

Parameters<br />

X, Z: diameter, lengte eindpunt (X diametermaat)<br />

R: radius (0 < R 0: afrondingsradius<br />

■ B


4.6.4 Voeding, toerental<br />

Toerentalbegrenzing Gx26<br />

G26: hoofdspil; Gx26: spil x (x: 1...3)<br />

De toerentalbegrenzing geldt tot het einde van het programma of<br />

totdat deze door een nieuwe G26/Gx26 wordt vervangen.<br />

Parameters<br />

S: (maximum) toerental<br />

Versnelling (slope) G48<br />

Versneld benaderen en afremmen alsmede maximale voeding<br />

vastleggen. G48 blijft ingeschakeld tot het moment van uitschakeling.<br />

Zonder G48 gelden de parameterwaarden:<br />

■ Versneld benaderen en afremmen: machineparameter 1105, ...<br />

„Versnellen/afremmen lineaire as“<br />

■ Maximale voeding: machineparameter 1101, ... „maximale<br />

assnelheid“<br />

Parameters<br />

E: Versneld benaderen – default: parameterwaarde<br />

F: Versneld afremmen – default: parameterwaarde<br />

H: geprogrammeerde versnelling aan/uit<br />

■ H=0: geprogrammeerde versnelling na volgende verplaatsing<br />

uitschakelen<br />

■ H=1: geprogrammeerde versnelling inschakelen<br />

P: maximale voeding – default: parameterwaarde<br />

Intermitterende voeding G64<br />

Hiermee wordt de geprogrammeerde voeding kortstondig<br />

onderbroken. G64 blijft ingeschakeld, tot deze functie wordt<br />

uitgeschakeld<br />

■ inschakelen: G64 met „E en F” programmeren<br />

■ uitschakelen: G64 zonder parameter programmeren<br />

Parameters<br />

E: pauzetijd (bereik: 0,01s < E < 99,99s)<br />

F: voedingstijd (bereik: 0,01s < E < 99,99s)<br />

Voeding per minuut rondassen G192<br />

Voeding, wanneer een rondas (hulpas) alleen verplaatst wordt.<br />

Parameters<br />

F: voeding per minuut (in °/minuut)<br />

Is S > „absoluut maximumtoerental”<br />

(machineparameter 805, e.v.), dan geldt de<br />

parameterwaarde.<br />

■ Indien P > parameterwaarde, dan geldt<br />

de parameterwaarde.<br />

■ „E, F en P“ zijn gerelateerd aan de X-/Zas.<br />

De versnelling/voeding van de slede is<br />

bij niet-asparallelle verplaatsingen groter.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 113<br />

4.6 Bewerkingsfuncties


4.6 Bewerkingsfuncties<br />

Voeding per tand Gx93<br />

Van de aandrijving afhankelijke voeding gerelateerd aan het aantal<br />

tanden van de frees (x: spil 1...3).<br />

Parameters<br />

F: voeding per tand (mm/tand / inch/tand)<br />

Voeding constant G94 (minutenvoeding)<br />

Niet van de aandrijving afhankelijke voeding<br />

Parameters<br />

F: voeding per minuut (in mm/min / inch/min)<br />

Voeding per omwenteling Gx95<br />

G95: hoofdspil; Gx95: spil x (x: 1...3)<br />

Van de aandrijving afhankelijke voeding<br />

Parameters<br />

F: voeding per omwenteling (in mm/omwenteling / inch/<br />

omwenteling)<br />

Constante snijsnelheid Gx96<br />

G96: hoofdspil; Gx96: spil x (x: 1...3)<br />

Het spiltoerental is afhankelijk van de X-positie van de<br />

gereedschapspunt of de diameter bij aangedreven gereedschap.<br />

Parameters<br />

S: snijsnelheid (in m/min / ft/min)<br />

Toerental Gx97<br />

G97: hoofdspil; Gx97: spil x (x: 1...3)<br />

Constant spiltoerental.<br />

Parameters<br />

S: toerental (in omwentelingen per minuut)<br />

114<br />

De actuele waarde toont de voeding in<br />

mm/omw.<br />

G26/Gx26 begrenst het toerental.<br />

4 DIN PLUS


4.6.5 Beitelradiuscompensatie (SRC/FRC)<br />

Beitelradiuscompensatie (SRC)<br />

Zonder SRC is de theoretische snijkantpunt het referentiepunt voor de<br />

verplaatsingen. Dit leidt bij niet-parallelle verplaatsingen tot<br />

onnauwkeurigheden. Met SRC worden geprogrammeerde<br />

verplaatsingen gecorrigeerd (zie „1.5 Gereedschapsmaten“).<br />

Bij „Q=0“ reduceert SRC de voeding bij cirkelbogen (G2, G3, G12,<br />

G13) en afrondingen, indien de „verschoven radius < oorspronkelijke<br />

radius“. Bij een afronding als overgang naar het volgende<br />

contourelement wordt de „speciale voeding“ gecorrigeerd.<br />

Gereduceerde voeding:<br />

voeding * (verschoven radius / oorspronkelijke radius)<br />

Freesradiuscompensatie (FRC)<br />

Zonder FRC is het middelpunt van de frees het referentiepunt bij<br />

verplaatsingen. Met FRC verplaatst de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> met de<br />

buitendiameter via de geprogrammeerde verplaatsingen (zie „1.5<br />

Gereedschapsmaten“).<br />

Steek-, verspanings- en freescycli bevatten SRC/FRC-oproepen. Als u<br />

deze cycli oproept, moet de SRC daarom uitgeschakeld zijn. – Indien<br />

van deze regel wordt afgeweken, wordt u hierop attent gemaakt.<br />

G40: SRC/FRC uitschakelen<br />

■ de SRC is tot en met de regel vóór G40 actief<br />

■ in de regel met G40 of in de regel na G40 is alleen een rechtlijnige<br />

verplaatsing toegestaan ((G14 is niet toegestaan)<br />

G41/G42: SRC/FRC inschakelen<br />

■ in de regel met G41/G42 of na de regel met G41/G42 moet een<br />

rechtlijnige verplaatsing (G0/G1) worden geprogrammeerd<br />

■ vanaf de volgende verplaatsing wordt rekening gehouden met<br />

SRC/FRC<br />

G41: SRC/FRC inschakelen – correctie van de beitel-/freesradius in<br />

verplaatsingsrichting links van de contour<br />

G42: SRC/FRC inschakelen – correctie van de beitel-/freesradius in<br />

verplaatsingsrichting rechts van de contour<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

Parameters (G41/G42)<br />

Q: bewerkingsvlak – default: 0<br />

■ Q=0: SRC op te draaien vlak (XZ-vlak)<br />

■ Q=1: FRC aan voorkant (XC-vlak)<br />

■ Q=2: FRC op mantelvlak (ZC-vlak)<br />

■ Q=3: FRC aan voorkant (XY-vlak)<br />

■ Q=4: FRC op mantelvlak (YZ-vlak)<br />

H: uitvoer (alleen bij FRC) – default: 0<br />

■ H=0: opeenvolgende gedeeltes die elkaar<br />

snijden, worden niet bewerkt.<br />

■ H=1: de complete contour wordt bewerkt –<br />

ook wanneer gedeeltes elkaar snijden.<br />

O: voedingsreductie – default: 0<br />

■ O=0: voedingsreductie actief<br />

■ O=1: geen voedingsreductie<br />

■ Indien gereedschapsradius ><br />

contourradius, kunnen bij de SRC/FRC<br />

lussen ontstaan. Advies: maak gebruik<br />

van de nabewerkingscyclus G890 /<br />

freescyclus G840.<br />

■ FRK niet bij aanzet naar het<br />

bewerkingsvlak selecteren.<br />

■ Let bij het oproepen van<br />

subprogramma's met „actieve SRC/FRC“<br />

op het volgende:<br />

schakel SRC/FRC<br />

– uit in het subprogramma waarin deze<br />

functie is ingeschakeld.<br />

– uit in het hoofdprogramma, wanneer deze<br />

functie daarin is ingeschakeld.<br />

Basis-werkwijze van de de SRC/FRC<br />

Verplaatsing: van X10/Z10 naar X10+SRK/Z20+SRK<br />

de verplaatsing is met SRC „verswchoven“<br />

Verplaatsing van X20+SRK/Z20+SRK naar X30/Z30<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 115<br />

4.6 Bewerkingsfuncties


4.6 Bewerkingsfuncties<br />

4.6.6 Nulpuntverschuivingen<br />

In een NC-programma kunnen meerdere nulpuntverschuivingen<br />

worden geprogrammeerd. Nulpuntverschuivingen hebben geen<br />

invloed op de onderlinge verhouding tussen de coördinaten<br />

(beschrijving van onbewerkt werkstuk, bewerkt werkstuk en<br />

hulpcontour).<br />

Met G920 worden nulpuntverschuivingen tijdelijk uitgeschakeld – met<br />

G980 worden nulpuntverschuivingen weer ingeschakeld.<br />

Nulpuntverschuiving G51<br />

Verschuift het werkstuknulpunt met „Z“ (of „X“). De verschuiving<br />

heeft betrekking op het werkstuknulpunt dat tijdens instelbedrijf is<br />

vastgelegd.<br />

Het referentiepunt blijft het werkstuknulpunt dat tijdens instelbedrijf is<br />

vastgelegd, ook als G51 meermaals wordt geprogrammeerd.<br />

De nulpuntverschuiving geldt tot het programma-einde of totdat het<br />

door andere nulpuntverschuivingen wordt opgeheven.<br />

Parameters<br />

X, Z: verschuiving (X radiusmaat) – default: 0<br />

Parameterafhankelijke nulpuntverschuiving G53, G54,<br />

G55<br />

Verchuift het werkstuknulpunt met de in de instelparameters 3, 4 en 5<br />

vastgelegde waarde. De verschuiving heeft betrekking op het<br />

werkstuknulpunt dat tijdens instelbedrijf is vastgelegd.<br />

Het referentiepunt blijft het werkstuknulpunt dat tijdens instelbedrijf is<br />

vastgelegd, ook als G53, G54 en G55 meermaals worden<br />

geprogrammeerd.<br />

De nulpuntverschuiving geldt tot het programma-einde of totdat het<br />

door andere nulpuntverschuivingen wordt opgeheven.<br />

116<br />

Een verschuiving in X wordt als radiusmaat aangegeven.<br />

Overzicht<br />

G51 relatieve verschuiving<br />

geprogrammeerde verschuiving<br />

referentie: ingesteld werkstuknulpunt<br />

G53, G54, G55<br />

relatieve verschuiving<br />

verschuiving uit parameters<br />

referentie: ingesteld werkstuknulpunt<br />

G56 additieve verschuiving<br />

geprogrammeerde verschuiving<br />

referentie: actueel werkstuknulpunt<br />

G59 absolute verschuiving<br />

geprogrammeerde verschuiving<br />

referentie: machinenulpunt<br />

4 DIN PLUS


Nulpuntverschuiving incrementeel G56<br />

Verschuift het werkstuknulpunt met „Z“ (of „X“). De verschuiving<br />

heeft betrekking op het werkstuknulpunt dat op dat moment geldt.<br />

Als u G56 meermaals programmeert, wordt de verschuiving altijd bij<br />

het op dat moment geldende werkstuknulpunt opgeteld.<br />

Parameters<br />

X, Z: verschuiving (X radiusmaat) – default: 0<br />

Nulpuntverschuiving absoluut G59<br />

Stelt het werkstuknulpunt in op „X, Z”. Het nieuwe werkstuknulpunt<br />

geldt tot het programma-einde.<br />

Parameters<br />

X, Z: nulpuntverschuiving (X radiusmaat)<br />

Met G59 worden de tot op dat moment geldende<br />

nulpuntverschuivingen (door G51, G53..G55 of G59)<br />

opgeheven.<br />

Contour omklappen G121<br />

Spiegelt en/of verschuift de contour van het onbewerkte en bewerkte<br />

werkstuk. Er wordt ten opzichte van de X-as gespiegeld en in Zrichting<br />

verplaatst. Het werkstuknulpunt wordt niet beïnvloed.<br />

Door toepassing van G121 kan de beschrijving van het onbewerkte en<br />

bewerkte werkstuk worden gebruikt voor bewerking van de voor- en<br />

achterkant.<br />

Parameters<br />

H: spiegelen – standaard: 0<br />

■ H=0: contour verplaatsen – niet spiegelen<br />

■ H=1: contour verplaatsen, spiegelen en richting van de<br />

contourbeschrijving omdraaien<br />

Q: coördinatensysteem spiegelen (richting van de Z-as) –<br />

standaard: 0<br />

■ Q=0: niet spiegelen<br />

■ Q=1: spiegelen<br />

■ Mantelvlakcontouren worden op<br />

dezelfde wijze gespiegeld/verschoven als<br />

te draaien contouren.<br />

■ Hulpcontouren worden niet gespiegeld.<br />

■ Let er bij Q=1 dat het coördinatensysteem,<br />

inclusief de contour, wordt gespiegeld –<br />

H=1 spiegelt alleen de contour.<br />

Z: verschuiving – standaard: 0<br />

D: spiegelen XC/XCR (contouren voorkant/<br />

achterkant spiegelen/verplaatsen) – standaard:<br />

0<br />

■ D=0: niet spiegelen/verplaatsen<br />

■ D=1: spiegelen/verplaatsen<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 117<br />

4.6 Bewerkingsfuncties


4.6 Bewerkingsfuncties<br />

Voorbeeld bewerking aan de achterkant met tegenspil.<br />

■ Overgave van werkstukken met spiegeling van het<br />

coördinatensysteem<br />

118<br />

. . .<br />

N.. G121 H1 Q1 Z.. D1<br />

. . .<br />

■ Overgave van werkstukken zonder spiegeling van het<br />

coördinatensysteem.<br />

. . .<br />

N.. G121 H0 Q0 Z.. D1<br />

. . .<br />

Voorbeeld bewerking aan de achterkant met een spil<br />

Het werkstuk wordt met de hand omgespannnen voor bewerking van<br />

de achterkant.<br />

. . .<br />

N.. G121 H1 Q0 Z.. D1<br />

. . .<br />

4.6.7 Overmaten, veiligheidsafstanden<br />

Veiligheidsafstand G47<br />

Veiligheidsafstand voor de draaicycli: G810, G820, G830, G835, G860,<br />

G869, G890; boorcycli G71, G72, G74 en freescycli G840...G846.<br />

Met G47 zonder parameters worden de parameterwaarden<br />

geactiveerd (bewerkingsparameter 2, ... – veiligheidsafstanden).<br />

Parameters<br />

P: Veiligheidsafstand<br />

Overmaat uitschakelen G50<br />

Schakelt met G52-/G39-Geo vastgelegde overmaten voor de volgende<br />

cyclus uit. Programmeer G50 vóór de cyclus.<br />

G47 vervangt de in parameters of met<br />

G147 vastgelegde veiligheidsafstand.<br />

4 DIN PLUS


Overmaat uitschakelen G52<br />

G52 heeft dezelfde functie als G50! – Gebruik G50.<br />

Parameters<br />

P: Overmaat – wordt niet verwerkt<br />

Veiligheidsafstand G147<br />

Veiligheidsafstand voor de freescycli G840...G846 en de boorcycli<br />

G71, G72, G74.<br />

Parameters<br />

I: veiligheidsafstand freesvlak (alleen voor freesbewerkingen)<br />

K: veiligheidsafstand in aanzetrichting (diepteverplaatsing)<br />

Overmaat asparallel G57<br />

Met G57 worden verschillende overmaten in X en Z vastgelegd.<br />

Programmeer G57 voor de cyclusoproep.<br />

G57 werkt bij de volgende cycli – daarbij worden de overmaten na<br />

uitvoering van de cyclus<br />

■ gewist: G810, G820, G830, G835, G860, G869, G890<br />

■ niet gewist: G81, G82, G83<br />

Parameters<br />

X, Z: overmaat (X diametermaat) – alleen positieve waarden<br />

Overmaat parallel aan de contour (equidistant) G58<br />

Bij G890 is een negatieve overmaat toegestaan. Programmeer G58<br />

vóór de cyclusoproep.<br />

G58 werkt bij de volgende cycli – daarbij worden de overmaten na<br />

uitvoering van de cyclus<br />

■ gewist: G810, G820, G830, G835, G860, G869, G890<br />

■ niet gewist: G83<br />

Parameters<br />

P: overmaat<br />

Als de overmaten met G57 en in de cyclus zijn<br />

geprogrammeerd, gelden de volgende vermaten in de<br />

cyclus.<br />

Als de overmaat met G58 en in de cyclus is<br />

geprogrammeerd, wordt gebruik gemaakt van de<br />

cyclusovermaat.<br />

G147 vervangt de in parameters<br />

(bewerkingsparameter 2, ...) of met G47<br />

vastgelegde veiligheidsafstand.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 119<br />

4.6 Bewerkingsfuncties


4.6 Bewerkingsfuncties<br />

4.6.8 Gereedschap, correcties<br />

Gereedschap verwisselen – T<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> toont in programmadeel REVOLVER de vastgelegde<br />

gereedschapsbezetting. U kunt het T-nummer direct invoeren of uit de<br />

gereedschapstabel kiezen (omschakelen met de softkey VERDER). Zie<br />

ook „4.2.4 Gereedschapsprogrammering“.<br />

(Veranderen van) snijkantcorrectie G148<br />

Met „O“ worden de te verrekenen slijtagecorrecties vastgelegd. Bij<br />

de programmastart en na een T-commando zijn DX, DZ actief.<br />

Parameters<br />

O: keuze – default: 0<br />

■ O=0: DX, DZ actief – DS niet-actief<br />

■ O=1: DS, DZ actief – DX niet-actief<br />

■ O=2: DX, DS actief – DZ niet-actief<br />

120<br />

De steekcycli G860, G866, G869 houden automatisch<br />

rekening met de „juiste“ slijtagecorrectie.<br />

Additieve correctie G149<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> maakt gebruik van 16 correcties die niet van het<br />

gereedschap afhankelijk zijn. Met G149 gevolgd door een „Dnummer“<br />

wordt de correctie ingeschakeld – „G149 D900“ schakelt de<br />

correctie uit.<br />

Parameters<br />

D: additieve correctie – default: D900 – bereik: 900..916<br />

Informatie over programmering<br />

■ De correctie moet worden „uitgestuurd“, voordat deze actief wordt.<br />

Programmeer G149 daarom één regel vóór de verplaatsing waarin<br />

de correctie actief moet zijn.<br />

■ Een additieve correctie blijft actief:<br />

■ tot de volgende „G149 D900“<br />

■ tot de volgende gereedschapswissel<br />

■ programma-einde<br />

Voorbeeld<br />

. . .<br />

N.. G1 Z–25<br />

N.. G149 D901 [correctie activeren]<br />

N.. G1 X50 [correctie „uitsturen“:<br />

positie X50 + correctie]<br />

N.. G1 Z–50 [Contourelement is met<br />

correctie]<br />

N.. G149 D900 [correctie uitschakelen]<br />

. . .<br />

4 DIN PLUS


Verrekening rechter gereedschapspunt G150<br />

Verrekening linker gereedschapspunt G151<br />

Legt bij steekbeitels en halfronde snijbeitels het<br />

werkstukreferentiepunt vast.<br />

■ G150: referentiepunt rechter gereedschapspunt<br />

■ G151: referentiepunt linker gereedschapspunt<br />

G150/G151 geldt vanaf de regel waarin het wordt geprogrammeerd en<br />

blijft actief tot<br />

■ de volgende gereedschapswissel<br />

■ het programma-einde.<br />

Aaneenschakelen van gereedschapsmaten G710<br />

Bij een T-commando vervangt de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> de tot op dat moment<br />

gebruikte gereedschapsmaten door de maten van het nieuwe<br />

gereedschap. Wanneer u met „G710 Q1“ de „aaneenschakeling“<br />

activeert, worden de maten van het nieuwe gereedschap<br />

toegevoegd aan de tot dan toe gebruikte maten.<br />

Parameters<br />

Q: gereedschapsmaten aaneenschakelen<br />

■ Q=0: uit<br />

■ Q=1: aan<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

■ De getoonde actuele waarden zijn altijd gerelateerd aan<br />

de gereedschapspunt die in de gereedschapsgegevens is<br />

vastgelegd<br />

■ Bij toepassing van de SRC moet u na G150/G151 ook<br />

G41/G42 aanpassen.<br />

Toepassingsvoorbeeld<br />

Voor de complete bewerking wordt het aan de<br />

voorkant bewerkte werkstuk door een „roterende<br />

afpak-inrichting“ overgenomen. De bewerking aan de<br />

achterkant vindt plaats met stilstaand gereedschap.<br />

Hiertoe worden de maten van de afpak-inrichting aan<br />

het stilstaande gereedschap toegevoegd.<br />

Voorbeeld „gereedschapsmaten aaneenschakelen“<br />

Roterende afpak-inrichting<br />

Stilstaand gereedschap op gereedschapshouder 2<br />

Voordraaibeitel voor bewerking aan achterkant<br />

Afpak-inrichting verwisselen<br />

Werkstuk van de hoofdspil in de afpakinrichting<br />

overnemen (expertprogramma)<br />

Gereedschapsmaten „aaneensluiten“<br />

Maten van afpak-inrichting aan stilstaand<br />

gereedschap toevoegen<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 121<br />

4.6 Bewerkingsfuncties


4.7 Draaicycli<br />

4.7 Draaicycli<br />

4.7.1 Contourgerelateerde draaicycli<br />

Regelverwijzingen bepalen:<br />

Activeer contourweergave (softkey GRAFISCHE WEERGAVE)<br />

Postioneer cursor op NS/NE en druk op softkey VERDER<br />

Kies contourelement met „pijl naar links/rechts“<br />

Met „PgDn/PgUp“ gaat u van de ene naar de andere contour (ook<br />

contouren aan de voorkant, etc.)<br />

Neem het regelnummer van het contourelement met ENTER<br />

over<br />

Voorbewerken langs G810<br />

Met G810 wordt het met „NS, NE” beschreven contourgedeelte<br />

verspaand. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> herkent aan de hand van de<br />

gereedschapsdefinitie of er sprake is van een buiten- of<br />

binnenbewerking. Met „NS – NE“ legt u de bewerkingsrichting<br />

vast.<br />

Als de te bewerken contour uit slechts één element bestaat, geldt<br />

het volgende:<br />

■ uitsluitend NS geprogrammeerd: Bewerking in de richting<br />

waarin de contour is gedefinieerd<br />

■ NS en NE geprogrammeerd: bewerking tegen de richting in<br />

waarin de contour is gedefinieerd<br />

Het verspaningsvlak wordt eventueel in meerdere zones<br />

onderverdeeld (voorbeeld: bij terugvallende contouren).<br />

De eenvoudigste vorm van programmeren is het opgeven van NS,<br />

NE en P.<br />

Parameter<br />

NS: beginregelnummer (begin van contourgedeelte)<br />

NE: eindregelnummer (einde van contourgedeelte)<br />

P: maximale aanzet<br />

I: overmaat in X-richting (diametermaat) – default: 0<br />

K: overmaat in Z-richting – default: 0<br />

E: insteekaanzet<br />

■ E=0: neergaande contouren niet bewerken<br />

■ E>0: induikvoeding<br />

■ geen invoer: voedingsreductie afhankelijk v.d. insteekhoek –<br />

max. 50%<br />

X: snijkantbegrenzing in X-richting (diametermaat) – default: geen<br />

snijkantbegrenzing<br />

Z: snijkantbegrenzing in Z-richting – default: geen<br />

snijkantbegrenzing<br />

H: vrijzetmethode – default: 0<br />

■ H=0: verspaant na elke snede langs de contour<br />

■ H=1: zet met 45° vrij; contourafronding na de laatste snede<br />

■ H=2: zet met 45° vrij – geen contourafronding<br />

122<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Wanneer op de pijltjestoets omhoog/<br />

omlaag wordt gedrukt, houdt de <strong>CNC</strong><br />

<strong>PILOT</strong> ook rekening met contouren die<br />

niet op het beeldscherm worden<br />

getoond.<br />

Cyclusverloop<br />

1 berekent de te verspanen gedeeltes en de snedeopdeling<br />

(aanzet)<br />

2 zet vanaf het startpunt aan voor de eerste snede<br />

en houdt daarbij rekening met de<br />

veiligheidsafstand (eerst in Z-, dan in X-richting)<br />

3 verplaatst met aanzet naar eindpunt Z<br />

4 afhankelijk van „H“:<br />

■ H=0: verspaant langs de contour<br />

■ H=1 of 2: zet onder een hoek van 45° vrij<br />

5 keert met ijlgang terug en zet voor de volgende<br />

snede aan<br />

6 herhaalt 3...5, totdat „eindpunt X“ is bereikt<br />

7 herhaalt eventueel 2...6, totdat alle te verspanen<br />

gedeeltes zijn bewerkt<br />

8 indien H=1: contour wordt afgerond<br />

9 gaat uit het materiaal zoals in „Q“ is<br />

geprogrammeerd<br />

4 DIN PLUS


A: naderingshoek (referentie: Z-as) – default: 0°/180° (parallel aan<br />

Z-as)<br />

W: uitloophoek (referentie: Z-as) – default: 90°/270° (haaks op Zas)<br />

Q: vrijzetmethode bij cycluseinde – default: 0<br />

■ Q=0: terug naar startpunt (eerst in X-, dan in Z-richting)<br />

■ Q=1: positioneert vóór de gemaakte contour<br />

■ Q=2: zet vrij naar veiligheidsafstand en stopt<br />

V: aanduiding begin/einde – default: 0<br />

Een afschuining/afronding wordt bewerkt:<br />

■ V=0: aan begin en einde<br />

■ V=1: aan begin<br />

■ V=2: aan einde<br />

■ V=3: geen bewerking<br />

■ V=4: afschuining/afronding wordt bewerkt – niet het<br />

basiselement (voorwaarde: contourgedeelte bestaat uit<br />

slechts één element)<br />

D: elementen onzichtbaar maken (beïnvloedt de bewerking van<br />

draaduitlopen, vrijdraaiingen: zie tabel) – default: 0<br />

B: slede-aanloop bij bewerking in 4 assen<br />

■ B=0: beide sledes werken op dezelfde diameter – met<br />

dubbele voeding<br />

■ B0: afstand tot „leidende“ slede (de aanloop). De sledes<br />

werken met dezelfde voeding op verschillende diameters.<br />

■ B0: slede met kleinste nummer leidt<br />

Snijkantbegrenzing: De gereedschapspositie vóór de<br />

cyclusoproep is bepalend voor de uitvoering van een<br />

snijkantbegrenzing, De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> verspaant het<br />

materiaal aan de zijde van de snijkantbegrenzing waar<br />

het gereedschap zich vóór de cyclusoproep bevindt.<br />

Beitelradiuscorrectie: wordt uitgevoerd<br />

G57-overmaat: „vergroot“ de contour (ook<br />

binnencontouren)<br />

G58-overmaat:<br />

■ >0: „vergroot“ de contour<br />


4.7 Draaicycli<br />

Voorbewerken dwars G820<br />

Met G820 wordt het met „NS, NE” beschreven contourgedeelte<br />

verspaand. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> herkent aan de hand van de<br />

gereedschapsdefinitie of er sprake is van een buiten- of<br />

binnenbewerking. Met „NS – NE“ legt u de bewerkingsrichting<br />

vast.<br />

Als de te bewerken contour uit slechts één element bestaat, geldt<br />

het volgende:<br />

■ uitsluitend NS geprogrammeerd: Bewerking in de richting<br />

waarin de contour is gedefinieerd<br />

■ NS en NE geprogrammeerd: bewerking tegen de richting in<br />

waarin de contour is gedefinieerd<br />

Het verspaningsvlak wordt eventueel in meerdere zones<br />

onderverdeeld (bijv. bij terugvallende contouren).<br />

De eenvoudigste vorm van programmeren is het opgeven van NS,<br />

NE en P.<br />

Parameter<br />

NS: beginregelnummer (begin van contourgedeelte)<br />

NE: eindregelnummer (einde van contourgedeelte)<br />

P: maximale aanzet<br />

I: overmaat in X-richting (diametermaat) – default: 0<br />

K: overmaat in Z-richting – default: 0<br />

E: insteekaanzet<br />

■ E=0: neergaande contouren niet bewerken<br />

■ E>0: induikvoeding<br />

■ geen invoer: voedingsreductie afhankelijk v.d. insteekhoek –<br />

max. 50%<br />

X: snijkantbegrenzing in X-richting (diametermaat) – default: geen<br />

snijkantbegrenzing<br />

Z: snijkantbegrenzing in Z-richting – default: geen<br />

snijkantbegrenzing<br />

H: vrijzetmethode – default: 0<br />

■ H=0: verspaant na elke snede langs de contour<br />

■ H=1: zet met 45° vrij; contourafronding na de laatste snede<br />

■ H=2: zet met 45° vrij – geen contourafronding<br />

A: naderingshoek (referentie: Z-as) – default: 90°/270° (haaks op<br />

Z-as)<br />

W: uitloophoek (referentie: Z-as) – default: 0°/180° (parallel aan Zas)<br />

Q: vrijzetmethode bij cycluseinde – default: 0<br />

■ Q=0: terug naar startpunt (eerst in Z-, dan in X-richting)<br />

■ Q=1: positioneert vóór de gemaakte contour<br />

■ Q=2: zet vrij naar veiligheidsafstand en stopt<br />

V: aanduiding begin/einde – default: 0<br />

Een afschuining/afronding wordt bewerkt:<br />

■ V=0: aan begin en einde<br />

■ V=1: aan begin<br />

124<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Cyclusverloop<br />

1 berekent de te verspanen gedeeltes en de snedeopdeling<br />

(aanzet)<br />

2 zet vanaf het startpunt aan voor de eerste snede<br />

en houdt daarbij rekening met de<br />

veiligheidsafstand (eerst in X-, dan in X-richting)<br />

3 verplaatst met aanzet naar eindpunt X<br />

4 afhankelijk van „H“:<br />

■ H=0: verspaant langs de contour<br />

■ H=1 of 2: zet onder een hoek van 45° vrij<br />

5 keert met ijlgang terug en zet voor de volgende<br />

snede aan<br />

6 herhaalt 3...5, totdat „eindpunt Z“ is bereikt<br />

7 herhaalt eventueel 2...6, totdat alle te verspanen<br />

gedeeltes zijn bewerkt<br />

8 indien H=1: contour wordt afgerond<br />

9 gaat uit het materiaal zoals in „Q“ is<br />

geprogrammeerd<br />

Snijkantbegrenzing:<br />

de gereedschapspositie vóór de<br />

cyclusoproep is bepalend voor de<br />

uitvoering van een snijkantbegrenzing.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> verspaant het materiaal<br />

aan de zijde van de snijkantbegrenzing<br />

waar het gereedschap zich vóór de<br />

cyclusoproep bevindt.<br />

Beitelradiuscorrectie: wordt uitgevoerd<br />

G57-overmaat: „vergroot“ de contour<br />

(ook binnencontouren)<br />

G58-overmaat:<br />

■ >0: „vergroot“ de contour<br />


■ V=2: aan einde<br />

■ V=3: geen bewerking<br />

■ V=4: afschuining/afronding wordt bewerkt –<br />

niet het basiselement (voorwaarde:<br />

contourgedeelte bestaat uit slechts één<br />

element)<br />

D: elementen onzichtbaar maken (beïnvloedt de<br />

bewerking van draaduitlopen, vrijdraaiingen:<br />

zie tabel) – default: 0<br />

B: slede-aanloop bij bewerking in 4 assen<br />

■ B=0: beide sledes werken op dezelfde<br />

diameter – met dubbele voeding<br />

■ B0: afstand tot „leidende“ slede (de<br />

aanloop). De sledes werken met dezelfde<br />

voeding op verschillende diameters.<br />

■ B0: slede met kleinste nummer leidt<br />

Toepassing als cyclus met 4 assen<br />

■ Als er met „dezelfde diameter“ wordt gewerkt,<br />

worden beide sledes gelijktijdig gestart.<br />

■ Wanneer er met „verschillende diameters“ wordt<br />

gewerkt, start de „geleide slede“ pas wanneer de<br />

leidende slede „Aanloop B“ heeft bereikt. Deze<br />

synchronisatie vindt bij elke snede plaats.<br />

Elke slede zet met de berekende snijdiepte aan.<br />

In geval van een oneven aantal snedes voert de<br />

„leidende slede“ de laatste snede uit.<br />

Bij een „constante snijsnelheid+ richt zich de<br />

snijsnelheid naar de leidende slede. Het leidende<br />

gereedschap wacht met de terugtrekbeweging op<br />

het volgende gereedschap.<br />

D G22 G23 G23 G25 G25 G25<br />

= H0 H1 H4 H5/6 H7..9<br />

0<br />

1 – – –<br />

2 –<br />

3 – – – –<br />

4 – –<br />

„ “: elementen uitschakelen<br />

Let bij Cycli met 4 assen op identiek gereedschap<br />

(gereedschapstype, beitelradius, spaanhoek, etc.).<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 125<br />

4.7 Draaicycli


4.7 Draaicycli<br />

Parallel aan contour voorbewerken G830<br />

Met G830 wordt het met „NS, NE” beschreven contourgedeelte<br />

parallel aan de contour verspaand. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> herkent aan de<br />

hand van de gereedschapsdefinitie of er sprake is van een buitenof<br />

binnenbewerking. Met „NS – NE“ legt u de bewerkingsrichting<br />

vast.<br />

Als de te bewerken contour uit slechts één element bestaat, geldt<br />

het volgende:<br />

■ uitsluitend NS geprogrammeerd: Bewerking in de richting<br />

waarin de contour is gedefinieerd<br />

■ NS en NE geprogrammeerd: bewerking tegen de richting in<br />

waarin de contour is gedefinieerd<br />

Het verspaningsvlak wordt eventueel in meerdere zones<br />

onderverdeeld (bijv. bij terugvallende contouren).<br />

De eenvoudigste vorm van programmeren is het opgeven van NS,<br />

NE en P.<br />

Parameter<br />

NS: beginregelnummer (begin van contourgedeelte)<br />

NE: eindregelnummer (einde van contourgedeelte)<br />

P: maximale aanzet<br />

I: overmaat in X-richting (diametermaat) – default: 0<br />

K: overmaat in Z-richting – default: 0<br />

X: snijkantbegrenzing in X-richting (diametermaat) – default: geen<br />

snijkantbegrenzing<br />

Z: snijkantbegrenzing in Z-richting – default: geen<br />

snijkantbegrenzing<br />

A: naderingshoek (referentie: Z-as) – default: 0°/180° (parallel aan<br />

Z-as)<br />

W: uitloophoek (referentie: Z-as) – default: 90°/270° (haaks op Zas)<br />

Q: vrijzetmethode bij cycluseinde – default: 0<br />

■ Q=0: terug naar startpunt (eerst in X-, dan in Z-richting)<br />

■ Q=1: positioneert vóór de gemaakte contour<br />

■ Q=2: zet vrij naar veiligheidsafstand en stopt<br />

V: aanduiding begin/einde – default: 0<br />

Een afschuining/afronding wordt bewerkt:<br />

■ V=0: aan begin en einde<br />

■ V=1: aan begin<br />

■ V=2: aan einde<br />

■ V=3: geen bewerking<br />

D G22 G23 G23 G25 G25 G25<br />

= H0 H1 H4 H5/6 H7..9<br />

0<br />

1 – – –<br />

2 –<br />

3 – – – –<br />

4 – –<br />

„ “: elementen uitschakelen<br />

126<br />

■ V=4: afschuining/afronding wordt bewerkt –<br />

niet het basiselement (voorwaarde: contourgedeelte<br />

bestaat uit slechts één element)<br />

D: elementen onzichtbaar maken (beïnvloedt de<br />

bewerking van draaduitlopen, vrijdraaiingen:<br />

zie tabel) – default: 0<br />

Cyclusverloop<br />

1 berekent de te verspanen gedeeltes en de snedeopdeling<br />

(aanzet)<br />

2 zet vanaf het startpunt aan voor de eerste snede<br />

en houdt daarbij rekening met de<br />

veiligheidsafstand<br />

3 voert de voorbewerkingssnede uit<br />

4 keert met ijlgang terug en zet voor de volgende<br />

snede aan<br />

5 herhaalt 3...4 tot het te verspanen gedeelte<br />

bewerkt is<br />

6 herhaalt eventueel 2...5, totdat alle te verspanen<br />

gedeeltes zijn bewerkt<br />

7 gaat uit het materiaal zoals in „Q“ is<br />

geprogrammeerd<br />

Snijkantbegrenzing: de gereedschapspositie<br />

vóór de cyclusoproep is bepalend<br />

voor de uitvoering van een snijkantbegrenzing.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> verspaant het<br />

materiaal aan de zijde van de snijkantbegrenzing<br />

waar het gereedschap zich<br />

vóór de cyclusoproep bevindt.<br />

Beitelradiuscorrectie: wordt uitgevoerd<br />

G57-overmaat: „vergroot“ de contour<br />

(ook binnencontouren)<br />

G58-overmaat:<br />

■ >0: „vergroot“ de contour<br />


Parallel aan contour met neutraal gereedschap G835<br />

Met G835 wordt het met „NS, NE” beschreven contourgedeelte<br />

parallel aan de contour en in twee richtingen verspaand. De <strong>CNC</strong><br />

<strong>PILOT</strong> herkent aan de hand van de gereedschapsdefinitie of er<br />

sprake is van een buiten- of binnenbewerking.<br />

Het verspaningsvlak wordt eventueel in meerdere zones<br />

onderverdeeld (bijv. bij terugvallende contouren).<br />

De eenvoudigste vorm van programmeren is het opgeven van NS,<br />

NE en P.<br />

Parameter<br />

NS: beginregelnummer (begin van contourgedeelte)<br />

NE: eindregelnummer (einde van contourgedeelte)<br />

P: maximale aanzet<br />

I: overmaat in X-richting (diametermaat) – default: 0<br />

K: overmaat in Z-richting – default: 0<br />

X: snijkantbegrenzing in X-richting (diametermaat) – default: geen<br />

snijkantbegrenzing<br />

Z: snijkantbegrenzing in Z-richting – default: geen<br />

snijkantbegrenzing<br />

A: naderingshoek (referentie: Z-as) – default: 0°/180° (parallel aan<br />

Z-as)<br />

W: uitloophoek (referentie: Z-as) – default: 90°/270° (haaks op Zas)<br />

Q: vrijzetmethode bij cycluseinde – default: 0<br />

■ Q=0: terug naar startpunt (eerst in X-, dan in Z-richting)<br />

■ Q=1: positioneert vóór de gemaakte contour<br />

■ Q=2: zet vrij naar veiligheidsafstand en stopt<br />

V: aanduiding begin/einde – default: 0<br />

Een afschuining/afronding wordt bewerkt:<br />

■ V=0: aan begin en einde<br />

■ V=1: aan begin<br />

■ V=2: aan einde<br />

■ V=3: geen bewerking<br />

■ V=4: afschuining/afronding wordt bewerkt – niet het<br />

basiselement (voorwaarde: contourgedeelte bestaat uit<br />

slechts één element)<br />

D: elementen onzichtbaar maken (beïnvloedt de bewerking van<br />

draaduitlopen, vrijdraaiingen: zie tabel) – default: 0<br />

D G22 G23 G23 G25 G25 G25<br />

=<br />

0<br />

H0 H1 H4 H5/6 H7..9<br />

1 – – –<br />

2 –<br />

3 – – – –<br />

4 – –<br />

„ “: elementen uitschakelen<br />

Cyclusverloop<br />

1 berekent de te verspanen gedeeltes en de snedeopdeling<br />

(aanzet)<br />

2 zet vanaf het startpunt aan voor de eerste snede<br />

en houdt daarbij rekening met de<br />

veiligheidsafstand<br />

3 voert de voorbewerkingssnede uit<br />

4 zet voor de volgende snede aan en voert de<br />

voorbewerkingssnede in tegenovergestelde<br />

richting uit<br />

5 herhaalt 3...4 tot het te verspanen gedeelte<br />

bewerkt is<br />

6 herhaalt eventueel 2...5, totdat alle te verspanen<br />

gedeeltes zijn bewerkt<br />

7 gaat uit het materiaal zoals in „Q“ is<br />

geprogrammeerd<br />

Snijkantbegrenzing: de<br />

gereedschapspositie vóór de<br />

cyclusoproep is bepalend voor de<br />

uitvoering van een snijkantbegrenzing.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> verspaant het materiaal<br />

aan de zijde van de snijkantbegrenzing<br />

waar het gereedschap zich vóór de<br />

cyclusoproep bevindt.<br />

Beitelradiuscorrectie: wordt uitgevoerd<br />

G57-overmaat: „vergroot“ de contour<br />

(ook binnencontouren)<br />

G58-overmaat:<br />

■ >0: „vergroot“ de contour<br />


4.7 Draaicycli<br />

Insteken G860<br />

Met G860 wordt het met „NS, NE” beschreven contourgedeelte<br />

axiaal/radiaal verspaand. De te bewerken contour mag meerdere<br />

terugvallende gedeeltes bevatten. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> herkent aan de<br />

hand van de gereedschapsdefinitie of er sprake is van een buitenof<br />

binnenbewerking, of een radiale of axiale insteek.<br />

Berekening van de slede-opdeling (SBF: zie bewerkingsparameter<br />

6): maximale verspringing = SBF * beitelbreedte<br />

Met „NS – NE“ legt u de bewerkingsrichting vast. Als de te<br />

bewerken contour uit slechts één element bestaat, geldt het<br />

volgende:<br />

■ uitsluitend NS geprogrammeerd: Bewerking in de richting<br />

waarin de contour is gedefinieerd<br />

■ NS en NE geprogrammeerd: bewerking tegen de richting in<br />

waarin de contour is gedefinieerd<br />

Het verspaningsvlak wordt eventueel in meerdere zones<br />

onderverdeeld (bijv. bij terugvallende contouren).<br />

De eenvoudigste vorm van programmeren is het opgeven van NS<br />

resp. NS en NE.<br />

Parameter<br />

NS: beginregelnummer (begin van het contourgedeelte – of<br />

verwijzing naar een met G22-/G23-Geo beschreven insteek)<br />

NE: eindregelnummer (einde van het contourgedeelte) – vervalt<br />

als de contour met G22-/G23-Geo is vastgelegd<br />

I: overmaat in X-richting (diametermaat) – default: 0<br />

K: overmaat in Z-richting – default: 0<br />

Q: verloop – default: 0<br />

■ Q=0: voor- en nabewerken<br />

■ Q=1: alleen voorbewerken<br />

■ Q=2: alleen nabewerken<br />

X: snijkantbegrenzing in X-richting (diametermaat) – default: geen<br />

snijkantbegrenzing<br />

Z: snijkantbegrenzing in Z-richting – default: geen<br />

snijkantbegrenzing<br />

V: aanduiding begin/einde – default: 0<br />

Een afschuining/afronding wordt bewerkt:<br />

■ V=0: aan begin en einde<br />

■ V=1: aan begin<br />

■ V=2: aan einde<br />

■ V=3: geen bewerking<br />

E: nabewerkingsvoeding – default: actieve voeding<br />

H: vrijzetmethode bij cycluseinde – default: 0<br />

■ H=0: terug naar startpunt (axiale insteek: eerst in Z-, dan in<br />

X-richting; radiale insteek: eerst in X-, dan in Z-richting)<br />

■ H=1: positioneert vóór de gemaakte contour<br />

■ H=2: zet vrij naar veiligheidsafstand en stopt<br />

128<br />

Cyclusverloop (bij Q=0 of 1)<br />

1 berekent de te verspanen gedeeltes en de snedeopdeling<br />

2 zet vanaf het startpunt aan voor de eerste snede<br />

en houdt daarbij rekening met de<br />

veiligheidsafstand (radiale insteek: eerst in Z-, dan<br />

in X-richting; axiale insteek: eerst in X-, dan in Zrichting)<br />

3 steekt in (voorbewerkingssnede)<br />

4 keert met ijlgang terug en zet voor de volgende<br />

snede aan<br />

5 herhaalt 3...4 tot het te verspanen gedeelte<br />

bewerkt is<br />

6 herhaalt eventueel 2...5, totdat alle te verspanen<br />

gedeeltes zijn bewerkt<br />

7 indien Q=0: wordt de contour nabewerkt<br />

Snijkantbegrenzing: de<br />

gereedschapspositie vóór de<br />

cyclusoproep is bepalend voor de<br />

uitvoering van een snijkantbegrenzing.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> verspaant het materiaal<br />

aan de zijde van de snijkantbegrenzing<br />

waar het gereedschap zich vóór de<br />

cyclusoproep bevindt.<br />

Beitelradiuscorrectie: wordt uitgevoerd<br />

G57-overmaat: „vergroot“ de contour<br />

(ook binnencontouren)<br />

G58-overmaat:<br />

■ >0: „vergroot“ de contour<br />


Insteekcyclus G866<br />

Met G866 wordt een met G22-Geo vastlegde insteek gemaakt. De<br />

<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> herkent aan de hand van de gereedschapsdefinitie of er<br />

sprake is van een buiten- of binnenbewerking, of een radiale of<br />

axiale insteek.<br />

Berekening van de slede-opdeling (SBF: zie bewerkingsparameter<br />

6): maximale verspringing = SBF * beitelbreedte<br />

Parameter<br />

NS: regelnummer (verwijzing naar G22-Geo)<br />

I: overmaat (bij het voorsteken) – default: 0<br />

■ I=0: insteek wordt in één bewerking gemaakt<br />

■ I>0: tijdens de eerste bewerking wordt voorgestoken;<br />

tijdens de tweede nabewerkt<br />

E: stilstandtijd – geen invoer: duur van een spilomwenteling<br />

■ bij I=0: bij elke insteek<br />

■ bij I>0: alleen bij nabewerken<br />

Beitelradiuscorrectie: wordt uitgevoerd<br />

Overmaten: hiermee wordt geen rekening gehouden<br />

Cyclusverloop<br />

1 berekent de snede-opdeling<br />

2 zet vanaf het startpunt aan voor de eerste snede<br />

(radiale insteek: eerst in Z-, dan in X-richting; axiale<br />

insteek: eerst in X-, dan in Z-richting)<br />

3 steekt in (zoals onder „I“ aangegeven)<br />

4 keert met ijlgang terug en zet voor de volgende<br />

snede aan<br />

5 bij I=0: wacht gedurende tijd „E“<br />

6 herhaalt 3...4 tot het te verspanen gedeelte<br />

bewerkt is<br />

7 indien I>0: wordt de contour nabewerkt<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 129<br />

4.7 Draaicycli


4.7 Draaicycli<br />

Steek-/draaicyclus G869<br />

Met G869 wordt het met „NS, NE” beschreven contourgedeelte<br />

axiaal/radiaal verspaand. Door afwisselende insteek- en<br />

voorbewerkingsbewegingen vindt de verspaning met zo weinig<br />

mogelijk vrijzet- en aanzetbewegingen plaats.<br />

De te bewerken contour mag meerdere terugvallende gedeeltes<br />

bevatten. Het verspaningsvlak wordt eventueel in meerdere zones<br />

onderverdeeld.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> herkent aan de hand van de gereedschapsdefinitie<br />

of er sprake is van een radiale of axiale insteek.<br />

Met „NS – NE“ legt u de bewerkingsrichting vast. Als de te<br />

bewerken contour uit slechts één element bestaat, geldt het<br />

volgende:<br />

■ uitsluitend NS geprogrammeerd: Bewerking in de richting<br />

waarin de contour is gedefinieerd<br />

■ NS en NE geprogrammeerd: bewerking tegen de richting in<br />

waarin de contour is gedefinieerd<br />

Afhankelijk van het materiaal, de aanzetsnelheid etc. „kantelt“ de<br />

snede bij de draaibewerking. De aanzetfout die daardoor ontstaat,<br />

kan worden gecorrigeerd met „draaidieptecorrectie R“. De waarde<br />

wordt meestal empirisch bepaald.<br />

Vanaf de tweede aanzetbeweging wordt bij de overgang van de<br />

draaibank- naar de steekbewerking het te verspanen gedeelte<br />

gereduceerd met „verspringingsbreedte B“. Bij iedere volgende<br />

overgang aan deze flank vindt - aanvullend op de verspringing tot<br />

dan toe - een reductie met „B“ plaats. De som van de<br />

„verspringing“ wordt tot 80% van de effectieve beitelbreedte<br />

begrensd (effectieve beitelbreedte = beitelbreedte –<br />

2*beitelradius). De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> reduceert eventueel de<br />

geprogrammeerde verspringingsbreedte. Het restmateriaal wordt<br />

aan het einde van het voorsteken met een steekslag verspaand.<br />

Draaien in één richting (U=1): de voorbewerking vindt plaats in de<br />

bewerkingsrichting „NS – NE“.<br />

De eenvoudigste vorm van programmeren is het opgeven van NS<br />

resp. NS en NE en P.<br />

Parameter<br />

NS: beginregelnummer (begin van contourgedeelte – of<br />

verwijzing naar G22-/G23-Geo-insteek)<br />

NE: eindregelnummer (einde van het contourgedeelte) – vervalt<br />

als de contour met G22-/G23-Geo is vastgelegd<br />

P: maximale aanzet<br />

R: draaidieptecorrectie voor nabewerking – default: 0<br />

I: overmaat in X-richting (diametermaat) – default: 0<br />

K: overmaat in Z-richting – default: 0<br />

X: snijkantbegrenzing (diametermaat) – default: geen<br />

snijkantbegrenzing<br />

Z: snijkantbegrenzing – default: geen snijkantbegrenzing<br />

130<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Cyclusverloop (bij Q=0 of 1)<br />

1 berekent de te verspanen gedeeltes en de snedeopdeling<br />

2 zet vanaf het startpunt aan voor de eerste snede<br />

en houdt daarbij rekening met de<br />

veiligheidsafstand (radiale insteek: eerst in Z-, dan<br />

in X-richting; axiale insteek: eerst in X-, dan in Zrichting)<br />

3 steekt in (steekbewerking)<br />

4 verspaant haaks op de steekrichting<br />

(draaibewerking)<br />

5 herhaalt 3...4 tot het te verspanen gedeelte<br />

bewerkt is<br />

6 herhaalt eventueel 2...5, totdat alle te verspanen<br />

gedeeltes zijn bewerkt<br />

7 indien Q=0: wordt de contour nabewerkt<br />

Voor G869 is gereedschap van het type<br />

26* vereist.<br />

Snijkantbegrenzing: de<br />

gereedschapspositie vóór de<br />

cyclusoproep is bepalend voor de<br />

uitvoering van een snijkantbegrenzing.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> verspaant het materiaal<br />

aan de zijde van de snijkantbegrenzing<br />

waar het gereedschap zich vóór de<br />

cyclusoproep bevindt.<br />

Beitelradiuscorrectie: wordt uitgevoerd<br />

G57-overmaat: „vergroot“ de contour<br />

(ook binnencontouren)<br />

G58-overmaat:<br />

■ >0: „vergroot“ de contour<br />


A, W: beginhoek, vrijzethoek – default: tegen de<br />

insteekrichting in<br />

Q: verloop – default: 0<br />

■ Q=0: voor- en nabewerken<br />

■ Q=1: alleen voorbewerken<br />

■ Q=2: alleen nabewerken<br />

U: draaien in één richting – default: 0<br />

■ U=0: in twee richtingen<br />

■ U=1: in één richting, in contourrichting<br />

H: vrijzetmethode bij cycluseinde – default: 0<br />

■ H=0: terug naar startpunt (axiale insteek:<br />

eerst in Z-, dan in X-richting; radiale insteek:<br />

eerst in X-, dan in Z-richting)<br />

■ H=1: positioneert vóór de gemaakte contour<br />

■ H=2: zet vrij naar veiligheidsafstand en stopt<br />

V: aanduiding begin/einde – default: 0<br />

Een afschuining/afronding wordt bewerkt:<br />

■ V=0: aan begin en einde<br />

■ V=1: aan begin<br />

■ V=2: aan einde<br />

■ V=3: geen bewerking<br />

O: insteekvoeding – default: actieve voeding<br />

E: nabewerkingsvoeding – default: actieve<br />

voeding<br />

B: verspringingsbreedte – default: 0<br />

Bewerkingsinstructies<br />

■ Omschakeling van draaibank- naar<br />

steekbewerking: voordat er wordt omgeschakeld<br />

van draaibank- naar steekbewerking, trekt de <strong>CNC</strong><br />

<strong>PILOT</strong> het gereedschap 0,1 mm terug. Hiermee<br />

wordt een „schuine“ snijkant voor de<br />

steekbewerking rechtgezet. Dit geschiedt<br />

onafhankelijk van „verspringingsbreedte B“.<br />

■ Binnenrondingen en -afschuiningen: afhankelijk<br />

van de breedte van de steekbeitel en de<br />

afrondingsradiussen vinden er voor de bewerking<br />

van de afronding steekslagen plaats waarmee<br />

een „vloeiende omschakeling“ van steek- naar<br />

draaibewerking wordt voorkomen. Op die manier<br />

wordt beschadiging van het gereedschap<br />

voorkomen.<br />

■ Kanten: vrijstaande kanten worden met een<br />

steekbewerking verspaand. Hierdoor worden<br />

„hangende ringen“ voorkomen.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 131<br />

4.7 Draaicycli


4.7 Draaicycli<br />

Nabewerken van de contour G890<br />

Met G890 wordt het met „NS, NE” beschreven contourgedeelte,<br />

inclusief afschuiningen/afrondingen, parallel aan de contour in een<br />

nabewerkingssnede nabewerkt. Draaduitlopen worden bewerkt<br />

wanneer de gereedschapsgeometrie dit toelaat.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> herkent aan de hand van de gereedschapsdefinitie<br />

of er sprake is van een buiten- of binnenbewerking.<br />

Met „NS – NE“ legt u de bewerkingsrichting vast. Als de te<br />

bewerken contour slechts uit één element bestaat, geldt het<br />

volgende:<br />

■ bewerking in de richting waarin de contour is gedefinieerd,<br />

wanneer u alleen NS programmeert<br />

■ bewerking tegen de richting in waarin de contour is<br />

gedefinieerd, wanneer u NS en NE programmeert<br />

Rest-nabewerking activeert u met „Q=4“ (voorbeeld: uitdraaien<br />

met bewerkingsgereedschap in tegengestelde bewerkingsrichting).<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> kent de reeds bewerkte gedeeltes en slaat deze<br />

over. Bij „Q=4“ kunt u de benaderingswijze niet beïnvloeden – de<br />

nabewerkingscyclus genereert de benaderingsbaan.<br />

Bij kleine afschuiningen/afrondingen geldt het volgende:<br />

■ Oppervlakteruwheid of voeding (met G95-Geo) is niet<br />

geprogrammeerd: de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> voert een automatische<br />

voedingsreductie uit. De afschuining/afronding wordt met ten<br />

minste 3 omwentelingen bewerkt.<br />

■ Oppervlakteruwheid of voeding (met G95-Geo) is<br />

geprogrammeerd: geen automatische voedingsreductie<br />

Bij afschuiningen/afrondingen die vanwege hun grootte met ten<br />

minste 3 omwentelingen worden bewerkt, vindt geen<br />

automatische voedingsreductie plaats.<br />

Parameter<br />

NS: beginregelnummer (begin van contourgedeelte)<br />

NE: eindregelnummer (einde van contourgedeelte)<br />

E: insteekaanzet<br />

■ E=0: neergaande contouren niet bewerken<br />

■ E>0: induikvoeding<br />

■ geen invoer: voedingsreductie afhankelijk v.d. insteekhoek –<br />

max. 50%<br />

V: aanduiding begin/einde – default: 0<br />

Een afschuining/afronding wordt bewerkt:<br />

■ V=0: aan begin en einde<br />

■ V=1: aan begin<br />

■ V=2: aan einde<br />

■ V=3: geen bewerking<br />

■ V=4: afschuining/afronding wordt bewerkt – niet het<br />

basiselement (voorwaarde: contourgedeelte bestaat uit<br />

slechts één element)<br />

132<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

G890 Q4 – Restnabewerken<br />

Bij het restnabewerken (G890 – Q4)<br />

controleert de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> of het<br />

gereedschap zonder botsing in de<br />

terugvallende contour kan worden<br />

verplaatst. De gereedschapsparameter<br />

+Breedte dn+ is bepalend voor deze<br />

botsingscontrole (zie „8.1.2 Informatie<br />

over gereedschapsgegevens“).<br />

4 DIN PLUS


Q: benaderingsmethode – default: 0<br />

■ Q=0: automatische keuze – de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> controleert:<br />

– diagonaal benaderen<br />

– eerst in X-, dan in Z-richting<br />

– equidistant rondom de hindernis<br />

– weglaten v.d. eerste contourelementen wanneer<br />

startpositie niet bereikbaar is<br />

■ Q=1: eerst in X-, dan in Z-richting<br />

■ Q=2: eerst in Z-, dan X-richting<br />

■ Q=3: niet benaderen – gereedschap bevindt zich in de buurt<br />

van het beginpunt<br />

■ Q=4: rest nabewerken<br />

H: vrijzetmethode – default: 3<br />

gereedschap zet, tegen de bewerkingsrichting in, onder een<br />

hoek van 45° vrij en verplaatst zich als volgt naar de positie „I,<br />

K”:<br />

■ H=0: diagonaal<br />

■ H=1: eerst in X-, dan in Z-richting<br />

■ H=2: eerst in Z-, dan in X-richting<br />

■ H=3: blijft op veiligheidsafstand staan<br />

■ H=4: geen vrijzetbeweging – gereedschap blijft op<br />

eindcoördinaat staan<br />

X: snijkantbegrenzing (diametermaat) – default: geen<br />

snijkantbegrenzing<br />

Z: snijkantbegrenzing – default: geen snijkantbegrenzing<br />

D: elementen onzichtbaar maken (beïnvloedt de bewerking van<br />

draaduitlopen, vrijdraaiingen: zie tabel) – default: 1<br />

I, K: eindpunt dat bij cycluseinde wordt benadered (I<br />

diametermaat)<br />

O: voedingsreductie – default: 0<br />

■ O=0: geen voedingsreductie<br />

■ O=1: voedingsreductie actief<br />

Combinaties van draaduitlopen kunnen als volgt worden<br />

uitgeschakeld:<br />

D G22 G23 G23 G25 G25 G25<br />

=<br />

0<br />

H0 H1 H4 H5/6 H7..9 K<br />

1 – – –<br />

2 –<br />

3 – –<br />

4 – –<br />

5 – – –<br />

6 – –<br />

7 – – – – – –<br />

„ “: elementen uitschakelen<br />

Snijkantbegrenzing: de<br />

gereedschapspositie vóór de<br />

cyclusoproep is bepalend voor de<br />

uitvoering van een snijkantbegrenzing.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> verspaant het materiaal<br />

aan de zijde van de snijkantbegrenzing<br />

waar het gereedschap zich vóór de<br />

cyclusoproep bevindt.<br />

G57-overmaten: „vergroten“ de contour<br />

(ook binnencontouren)<br />

G58-overmaat:<br />

■ >0: „vergroot“ de contour<br />


4.7 Draaicycli<br />

4.7.2 Eenvoudige draaicycli<br />

Cycluseinde G80<br />

Sluit bewerkingscycli af.<br />

Langsdraaien enkelvoudig G81<br />

Met G81 wordt het contourgedeelte verspaand (voorbewerkt) dat<br />

wordt beschreven met de actuele gereedschapspositie en „X, Z“. Als u<br />

een afschuining wilt maken, stelt u de hoek in met I en K.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> herkent een bewerking aan de binnenzijde/buitenzijde<br />

aan de positie van het eindpunt.<br />

De snede-opdeling wordt zodanig berekend dat een „nadraaisnede“<br />

overbodig is en de berekende aanzet


Kopdraaien enkelvoudig G82<br />

Met G82 wordt het contourgedeelte verspaand (voorbewerkt) dat<br />

wordt beschreven met de actuele gereedschapspositie en „X, Z“. Als u<br />

een afschuining wilt maken, stelt u de hoek in met I en K.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> herkent een bewerking aan de binnenzijde/buitenzijde<br />

aan de positie van het eindpunt.<br />

De snede-opdeling wordt zodanig berekend dat een „nadraaisnede“<br />

overbodig is en de berekende aanzet


4.7 Draaicycli<br />

Contourherhalingscyclus G83<br />

G83 voert de in de volgende regels geprogrammeerde functies<br />

(enkelvoudige verplaatsingen of cycli zonder contourbeschrijving)<br />

meermaals uit. De bewerkingscyclus wordt afgesloten met G80.<br />

Als het aantal benodigde aanzetten in X- en Z-richting verschillend is,<br />

wordt eerst in beide richtingen met de geprogrammeerde waarden<br />

gewerkt. De aanzet wordt op nul gezet wanneer de eindwaarde voor<br />

een bepaalde waarde is bereikt.<br />

Instructies voor het programmeren van G83<br />

■ staat alleen in de regel<br />

■ mag niet met K-variabelen worden geprogrammeerd<br />

■ mag niet worden genest, zelfs niet via de oproep van<br />

subprogramma's<br />

Overmaten:<br />

■ G57-overmaten<br />

■ met deze overmaten met het juiste voorteken wordt rekening<br />

gehouden (daardoor zijn overmaten bij inwendige bewerkingen niet<br />

mogelijk)<br />

■ G58-overmaten: daarmee wordt rekening gehouden als u met SRC<br />

werkt<br />

■ G57- en G58-overmaten blijven na cycluseinde actief<br />

Cyclusverloop<br />

1 begint met de cyclusbewerking vanaf de gereedschapspositie<br />

2 zet met de in „I, K” vastgelegde waarde aan<br />

3 voert de bewerking uit die in de volgende regels is vastgelegd. De<br />

afstand tussen gereedschapspositie en startpunt van de contour<br />

geldt als „overmaat“<br />

4 keert diagonaal terug<br />

5 herhaalt 2...4, totdat het „eindpunt van de contour“ bereikt is<br />

6 keert terug naar het startpunt van de cyclus<br />

Parameters<br />

X/Z: eindpunt contour (X diametermaat) – default: overname van de<br />

laatste X/Z-coördinaat.<br />

I: maximale aanzet in X-richting (radiusmaat) – default: 0<br />

K: maximale aanzet in Z-richting – default: 0<br />

136<br />

■ De beitelradiuscorrectie: wordt niet<br />

uitgevoerd. – De SRC kan met G40..G42<br />

afzonderlijk worden geprogrammeerd.<br />

■ Veiligheidsafstand na elke snede: 1 mm.<br />

Attentie: gevaar van botsing!<br />

Na een snede keert het gereedschap<br />

diagnonaal terug, om voor de volgende<br />

snede aan te zetten. Programmeer, indien<br />

noodzakelijk, een extra ijlgangbaan om<br />

botsing te voorkomen.<br />

4 DIN PLUS


Cyclus draaduitloop G85<br />

Met G85 worden draaduitlopen volgens DIN 509 E, DIN 509 F en<br />

DIN 76 gemaakt. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> bepaalt het draaduitlooptype met<br />

behulp van „K“. Draaduitloopparameters: zie tabel<br />

De voorafgaande cilinder wordt bewerkt, wanneer het gereedschap<br />

op de cilinderdiameter X „vóór“ de cilinder wordt gepositioneerd.<br />

De afrondingen van de draaduitloop worden met radius 0,6 * I<br />

uitgevoerd.<br />

Parameters<br />

X, Z: eindpunt (X als diametermaat)<br />

I: diepte/nabewerkingsovermaat (radiusmaat)<br />

■ DIN 509 E, F: nabewerkingsovermaat – default: 0<br />

■ DIN 76: draaduitloopdiepte<br />

K: draaduitloopbreedte en draaduitlooptype<br />

■ K geen invoer: DIN 509 E<br />

■ K=0: DIN 509 F<br />

■ K>0: draaduitlooplengte bij DIN 76<br />

E: gereduceerde voeding (om de draaduitloop te maken) – geen<br />

invoer: actieve voeding<br />

■ Beitelradiuscorrectie: wordt niet uitgevoerd<br />

■ Overmaten: worden niet verrekend<br />

Draaduitloop volgens DIN 509 E<br />

Diameter I K R<br />

† 18 0,25 2 0,6<br />

> 18 – 80 0,35 2,5 0,6<br />

> 80 0,45 4 1<br />

Draaduitloop volgens DIN 509 F<br />

Diameter I K R P<br />

† 18 0,25 2 0,6 0,1<br />

> 18 – 80 0,35 2,5 0,6 0,2<br />

> 80 0,45 4 1 0,3<br />

Draaduitloophoek bij draaduitloop DIN 509 E en F: 15°<br />

Dwarshoek bij draaduitloop DIN 509 F: 8°<br />

I = draaduitloopdiepte<br />

K = draaduitloopbreedte<br />

R = draaduitloopradius<br />

P = dwarsdiepte<br />

Draaduitloop DIN 76 (draaduitloop)<br />

Draaduitloop DIN 509 E<br />

Draaduitloop DIN 509 F<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 137<br />

4.7 Draaicycli


4.7 Draaicycli<br />

Insteken G86<br />

Met G86 vindt een enkelvoudige radiale en axiale insteek met<br />

afschuiningen plaats. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> bepaalt een radiale/axiale of een<br />

binnen-/buiten-insteek aan de hand van de „gereedschapspositie“.<br />

„Overmaat K“ geprogrammeerd: eerst voorsteken, vervolgens<br />

nasteken (nabewerken)<br />

G86 maakt afschuiningen aan de zijkanten van de insteek. Als u geen<br />

afschuiningen wenst, moet u het gereedschap op voldoende afstand<br />

voor de insteek positioneren. Berekening van de startpositie XS<br />

(diametermaat):<br />

XS = XK + 2 * (1,3 – b)<br />

XK: contourdiameter<br />

b: breedte afschuining<br />

Cyclusverloop<br />

1 berekent de snede-opdeling – maximale verspringing: SBF *<br />

beitelbreedte (SBF: zie bewerkingsparameter 6)<br />

2 verplaatst asparallel met ijlgang naar veiligheidsafstand<br />

3 steekt in - met inachtneming van de nabewerkingsovermaat<br />

4 zonder nabewerkingsovermaat: wacht gedurende tijd „E“<br />

5 keert terug en zet opnieuw aan<br />

6 herhaalt 2...4, totdat de insteek is gemaakt<br />

7 met nabewerkingsovermaat: bewerkt de insteek na<br />

8 keert asparallel met ijlgang naar het startpunt terug<br />

Parameters<br />

X, Z: hoekpunt (X diametermaat)<br />

radiale insteek:<br />

I: overmaat<br />

■ I>0: overmaat (voorsteken en nabewerken)<br />

■ I=0: geen nabewerking<br />

K: insteekbreedte – geen invoer: er volgt een steekslag<br />

(insteekbreedte = gereedschapsbreedte)<br />

axiale insteek:<br />

I: insteekbreedte – geen invoer: er volgt een steekslag<br />

(insteekbreedte = gereedschapsbreedte)<br />

K: overmaat<br />

■ K>0: overmaat (voorsteken en nabewerken)<br />

■ K=0: geen nabewerking<br />

E stilstandtijd (vrijmaaktijd) – default: duur van een omwenteling<br />

■ met nabewerkingsovermaat: alleen bij het nabewerken<br />

■ zonder nabewerkingsovermaat: bij elke insteek<br />

138<br />

■ Beitelradiuscorrectie: wordt uitgevoerd<br />

■ Overmaten: worden niet verrekend<br />

4 DIN PLUS


Cyclus radius G87<br />

Met G87 worden overgangsradiussen voor haakse, asparallelle<br />

binnen- en buitenhoeken gemaakt. De richting wordt afgeleid uit de<br />

„positie/bewerkingsrichting“ van het gereedschap.<br />

Het voorgaande horizontale of verticale element wordt bewerkt als<br />

het gereedschap zich op de X- of Z-coördinaat van het hoekpunt<br />

bevindt, voordat de cyclus wordt uitgevoerd.<br />

Parameters<br />

X, Z: hoekpunt (X diametermaat)<br />

B radius<br />

E gereduceerde voeding – default: actieve voeding<br />

■ Beitelradiuscorrectie: wordt uitgevoerd<br />

■ Overmaten: worden niet verrekend<br />

Cyclus afschuining G88<br />

Met G88 worden schuine kanten voor haakse, asparallelle<br />

buitenhoeken gemaakt. De richting wordt afgeleid uit de „positie/<br />

bewerkingsrichting“ van het gereedschap.<br />

Het voorgaande horizontale of verticale element wordt bewerkt als<br />

het gereedschap zich op de X- of Z-coördinaat van het hoekpunt<br />

bevindt, voordat de cyclus wordt uitgevoerd.<br />

Parameters<br />

X, Z: hoekpunt (X diametermaat)<br />

B breedte afschuining<br />

E gereduceerde voeding – default: actieve voeding<br />

■ Beitelradiuscorrectie:wordt uitgevoerd<br />

■ Overmaten: worden niet verrekend<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 139<br />

4.7 Draaicycli


4.8 Schroefdraadcycli<br />

4.8 Schroefdraadcycli<br />

De slede heeft voor de eigenlijke schroefdraad een bepaalde aanloop<br />

nodig om tot de geprogrammeerde voedingssnelheid te kunnen<br />

versnellen en een uitloop (overloop) aan het einde van de<br />

schroefdraad om de slede af te remmen.<br />

Een te korte aan- of uitloop kan ten koste van de kwaliteit gaan. De<br />

<strong>CNC</strong> geeft in dat geval een waarschuwing.<br />

Schroefdraadcyclus G31<br />

Met G31 wordt met G24-, G34- of G37-Geo vastgelegd enkelvoudig,<br />

aaneengesloten en meervoudig schroefdraad gemaakt.<br />

Buiten- en binnendraad wordt aan de hand van de gereedschapsdefinitie<br />

herkend. De draadsnijgangen worden aan de hand van de<br />

draaddiepte, „aanzetbeweging I“ en „aanzetmethode V“ berekend.<br />

Parameters<br />

NS: regelnummer (verwijzing naar basiselement G1-Geo; aaneengesloten<br />

schroefdraad: regelnummer van het eerste basiselement)<br />

I: maximale aanzet<br />

B, P: aanlooplengte, overlooplengte – geen invoer: lengte wordt aan de<br />

hand van de ernaast liggende draaduitlopen of insteken bepaald.<br />

Draaduitloop/insteek is niet beschikbaar: „schroefdraadaanloop-,<br />

schroefdraaduitlooplengte“ uit bewerkingsparameter 7.<br />

D: snijrichting (referentie: richting van definitie basiselement) –<br />

default: 0;<br />

■ D=0: dezelfde richting<br />

■ D=1: tegengestelde richting<br />

V: aanzetmethode – default: 0;<br />

■ V=0: constante spaandoorsnede bij alle snedes<br />

■ V=1: constante aanzet<br />

■ V=2: met restsnedeopdeling – eerste aanzet = „rest“ van deling<br />

draaddiepte/snedediepte. De „laatste snede“ wordt in 1/2-, 1/4-,<br />

1/8- en 1/8-snede opgedeeld.<br />

■ V=3: aanzet wordt uit spoed en het toerental berekend<br />

H: wijze van verspringing (aanzetbeweging om te zorgen voor een<br />

vloeiend verloop van de draadflanken) – default: 0<br />

■ H=0: zonder verspringing<br />

■ H=1: verspringing vanaf de linkerzijde<br />

■ H=2: verspringing vanaf de rechterzijde<br />

■ H=3: verspringing afwisselend rechts/links<br />

Q: aantal vrijloopbewegingen na de laatste snede (om de snijdruk in<br />

de draadkern te verminderen) – default: 0<br />

C: starthoek (beginpunt van schroefdraad is gedefinieerd ten opzichte<br />

van niet-rotatiesymmetrische contourelementen) – default: 0<br />

140<br />

Let op: botsingsgevaar!<br />

Bij een te grote „overlooplengte P“ bestaat er<br />

botsingsgevaar. De overlooplengte wordt bij de simulatie<br />

gecontroleerd.<br />

Aanlooplengte: BA > 0,75 * (F*S)² / a + 0,15<br />

Uitlooplengte: BE > 0,75 * (F*S)² / e + 0,15<br />

BA: minimale aanlooplengte<br />

BE: minimale uitlooplengte<br />

F: Spoed in mm/omw<br />

S: Toerental in omw/seconde<br />

a, e: Versnelling in mm/s²<br />

(zie „Versnelling regelbegin/regeleinde“ in<br />

machineparameter 1105, ...)<br />

Cyclusverloop<br />

1 berekent de snede-opdeling<br />

2 verplaatst diagonaal met ijlgang naar het „interne<br />

startpunt“ dat volgt uit „aanlooplengte B“ en de<br />

veiligheidsafstand<br />

3 voert een draadsnijgang uit<br />

4 keert met ijlgang terug en zet voor de volgende<br />

snede aan<br />

5 herhaalt 3...4 totdat de schroefdraad is gemaakt<br />

6 voert de lege snedes uit<br />

7 keert naar het „interne startpunt“ terug<br />

Bij meervoudige schroefdraad wordt elke<br />

schroefdraadgang met dezelfde snedediepte<br />

gesneden, voordat er opnieuw wordt aangezet.<br />

■ „Voedingsstop“ werkt aan het einde van<br />

een draadsnijgang.<br />

■ Voedings-override is niet actief.<br />

■ Gebruik de spil-override niet wanneer de<br />

voorsturing is uitgeschakeld!<br />

4 DIN PLUS


Enkelvoudige schroefdraadcyclus G32<br />

Met G32 wordt een enkelvoudige schroefdraad in een willekeurige<br />

richting en op een willekeurige plaats zonder voorsturing gesneden<br />

(langs-, conische of dwarsdraad; binnen- of buitendraad). Met G32<br />

wordt de te snijden schroefdraad bepaald aan de hand van „eindpunt<br />

schroefdraad“, „schroefdraaddiepte“ en actuele gereedschapspositie.<br />

De hoofdbewerkingsrichting van het gereedschap bepaalt of er buitenof<br />

binnendraad wordt gesneden.<br />

Eerste verplaatsing = „rest“ van de deling draaddiepte/snijdiepte<br />

Parameters<br />

X, Z: eindpunt schroefdraad (X diametermaat)<br />

F: spoed<br />

P: draaddiepte<br />

I: maximale snijdiepte<br />

B: restschnedes – default: 0<br />

■ B=0: opdeling van de „laatste snede” in 1/2-, 1/4-, 1/8- en<br />

1/8-snede<br />

■ B=1: zonder restsnede-opdeling<br />

Q: aantal vrijloopbewegingen na de laatste snede (om de snijdruk in<br />

de draadkern te verminderen) – default: 0<br />

K: uitlooplengte aan draadeinde – default: 0<br />

W: kegelhoek (bereik: –45° < W < 45°) – default: 0; positie van de<br />

conische draad ten opzichte van de lengte- of dwarsas.<br />

■ W>0: opgaande contour (in bewerkingsrichting)<br />

■ W


4.8 Schroefdraadcycli<br />

Draad enkelvoudige verplaatsing G33<br />

Met G33 wordt schroefdraad in een willekeurige richting en op een<br />

willekeurige plaats gesneden (langs-, conisch of dwarsdraad; binnenof<br />

buitendraad). Met G33 wordt een afzonderlijke draadsnijgang<br />

uitgevoerd die op de gereedschapspositie begint en bij „X, Z“ eindigt.<br />

(Spil en voedingsaandrijving worden bij de draadsnijgang<br />

gesynchroniseerd.)<br />

Parameters<br />

X, Z: diameter, lengte eindpunt draadsnijgang (X diametermaat)<br />

F: voeding per omwenteling (spoed)<br />

B, P: aanlooplengte, overlooplengte – default: 0 (zie „4.8<br />

Schroefdraadcycli“)<br />

C: starthoek (beginpunt van schroefdraad is gedefinieerd ten<br />

opzichte van niet-rotatiessymmetrische contourelementen) –<br />

default: 0<br />

Q: nummer van de spil<br />

H: referentierichting voor spoed – default: 0<br />

■ H=0: voeding op Z-as (voor langs- en conische draad tot<br />

maximaal +45°/–45° t.o.v. de Z-as<br />

■ H=1: voeding op X-as (voor dwars- en conische draad tot<br />

maximaal 45°/–45° t.o.v. de X-as<br />

■ H=2: voeding op Y-as<br />

■ H=3: baanvoeding<br />

E: incrementele spoed – default: 0<br />

■ E=0: constante spoed<br />

■ E>0: vergroot de spoed per omwenteling met E<br />

■ E


4.9 Boorcycli<br />

Boorcyclus G71<br />

Met G71 worden axiale/radiale boringen met stilstaand of<br />

aangedreven gereedschap gemaakt.<br />

De cyclus wordt gebruikt voor:<br />

■ afzonderlijke boring zonder contourbeschrijving<br />

■ boring met contourbeschrijving (afzonderlijke boring of<br />

gatenpatroon) van de programma-onderdelen:<br />

■ VOORKANT<br />

■ ACHTERKANT<br />

■ MANTEL<br />

Het moment van voedingsreductie is afhankelijk van het type boor:<br />

■ snijplaat- en spiraalboren met een boorhoek van 180°:<br />

reductie bij booreinde – 2*veiligheidsafstand<br />

■ andere boren:<br />

booreinde – aansnijdingslengte – veiligheidsafstand<br />

(aansnijdingslengte = boorpunt; veiligheidsafstand: zie<br />

„bewerkingsparameter 9 boren resp. G47, G147“)<br />

Parameters<br />

NS: regelnummer contour van de boring (G49-, G300- of G310-Geo) –<br />

geen invoer: afzonderlijke boring zonder contourbeschrijving<br />

X, Z: positie, lengte – eindpunt van de axiale/radiale boringen (X<br />

diametermaat)<br />

E: wachttijd in seconden (voor vrijsnijden aan begin van boring) –<br />

default: 0<br />

V: voedingsreductie (50%) – default: 0<br />

■ V=0 of 2: reductie aan begin<br />

■ V=1 of 3: reductie aan begin en einde<br />

■ V=4: reductie aan einde<br />

■ V=5: geen reductie<br />

Uitzondering bij V=0 en V=1: geen reductie bij aanboren bij<br />

snijplaat- en spiraalboren met een boorhoek van 180°<br />

D: terugloopsnelheid – default: 0<br />

■ D=0: ijlgang<br />

■ D=1: voeding<br />

K: terugloopvlak (radiale boringen, boringen YZ-vlak: diametermaat)<br />

– default: naar startpositie resp. op veiligheidsafstand<br />

Cyclusverloop<br />

1 bij „boring zonder contourbeschrijving“:<br />

voorwaarde: de boor moet zich op<br />

veiligheidsafstand voor de boring („startpunt“)<br />

bevinden<br />

bij „boring met contourbeschrijving“:<br />

verplaatst met ijlgang naar het „startpunt“:<br />

■ „K“ niet geprogrammeerd: verplaatst tot<br />

veiligheidsafstand<br />

■ „K“ geprogrammeerd: verplaatst naar positie „K“<br />

en vervolgens op veiligheidsafstand<br />

2 aanboren – voedingsreductie afhankelijk van V“<br />

3 boren met voedingssnelheid<br />

4 doorboren – voedingsreductie afhankelijk van „V“<br />

5 terugtrekken – met ijlgang/voeding, afhankelijk van<br />

„D“<br />

6 terugtrekpositie:<br />

■ „K“ niet geprogrammeerd: terugtrekken naar het<br />

„startpunt“<br />

■„K“ geprogrammeerd: terugtrekken naar positie „K“<br />

■ Afzonderlijke boring zonder<br />

contourbeschrijving: „X of Z” alternatief<br />

programmeren.<br />

■ Boring met contourbeschrijving: „X, Z”<br />

niet programmeren.<br />

■ Gatenpatroon: „NS” heeft betrekking op<br />

de contour van de boring (niet op de<br />

patroondefinitie).<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 143<br />

4.9 Boorcycli


4.9 Boorcycli<br />

Uitboren, verzinken G72<br />

Toepassing van G72: uitboren, verzinken, uitruimen, NC-aanboren of<br />

centreren voor axiale en radiale boringen met stilstaand of<br />

aangedreven gereedschap.<br />

G72 wordt gebruikt voor boringen met contourbeschrijving<br />

(afzonderlijke boring of gatenpatroon) van de programma-onderdelen:<br />

■ VOORKANT<br />

■ ACHTERKANT<br />

■ MANTEL<br />

Parameters<br />

NS: regelnummer contour van de boring (G49-, G300- of G310-Geo)<br />

E: stilstandstijd (voor vrijsnijden aan einde van boring) – default: 0<br />

D: terugloopsnelheid – default: 0<br />

■ D=0: ijlgang<br />

■ D=1: voeding<br />

K: terugloopvlak (radiale boringen, boringen YZ-vlak: diametermaat)<br />

– default: naar startpositie resp. op veiligheidsafstand<br />

144<br />

Cyclusverloop<br />

1 verplaatst, afhankelijk van „K“, met ijlgang naar het<br />

„startpunt“:<br />

■ K niet geprogrammeerd: verplaatst tot<br />

veiligheidsafstand<br />

■ K geprogrammeerd: verplaatst naar positie „K“<br />

en vervolgens op veiligheidsafstand<br />

2 boort met voedingsreductie (50%) aan<br />

3 verplaatst met aanzet tot einde van de boring<br />

4 terugtrekken – met ijlgang/voeding, afhankelijk van<br />

„D“<br />

5 terugtrekpositie is afhankelijk van „K“:<br />

■ K niet geprogrammeerd: terugtrekken naar het<br />

„startpunt“<br />

■ K geprogrammeerd: terugtrekken naar positie „K“<br />

Gatenpatroon: „NS” heeft betrekking op<br />

de contour (niet op de patroondefinitie).<br />

4 DIN PLUS


Draadtappen G73<br />

Met G73 wordt axiale/radiale schroefdraad met stilstaand of<br />

aangedreven gereedschap gesneden.<br />

G73 wordt gebruikt voor boringen met contourbeschrijving<br />

(afzonderlijke boring of gatenpatroon) van de programma-onderdelen:<br />

■ VOORKANT<br />

■ ACHTERKANT<br />

■ MANTEL<br />

Het „startpunt“ wordt uit de veiligheidsafstand en „aanlooplengte B“<br />

bepaald.<br />

Betekenis van „uittreklengte J“: gebruik deze parameter bij spantangen<br />

met lengtecompensatie. De cyclus berekent op basis van de<br />

draaddiepte, de geprogrammeerde spoed en de „uittreklengte“ een<br />

nieuwe nominale spoed. De nominale spoed is iets kleiner dan de<br />

spoed van de draadtap. Bij het snijden van de schroefdraad wordt de<br />

draadtap over een lengte gelijk aan de „uittreklengte“ uit de<br />

klauwplaat getrokken. Deze methode resulteert in een langere<br />

standtijd van de draadtappen.<br />

Parameters<br />

NS: regelnummer contour van de boring (G49-, G300- of G310-Geo)<br />

B: aanlooplengte – default: bewerkingsparameter 7<br />

„Schroefdraadaanlooplengte [GAL]“<br />

S: teruglooptoerental – default: toerental van het draadtappen<br />

K: terugloopvlak (radiale boringen, boringen YZ-vlak: diametermaat)<br />

– default: naar startpositie resp. op veiligheidsafstand<br />

J: uittreklengte bij toepassing van spantangen met<br />

lengtecompensatie – default: 0<br />

Cyclusverloop<br />

1 verplaatst, afhankelijk van „K“, met ijlgang naar het<br />

„startpunt“:<br />

■ K niet geprogrammeerd: verplaatst direct naar<br />

het „startpunt“<br />

■ K geprogrammeerd: verplaatst naar positie „K“;<br />

vervolgens naar het „startpunt“<br />

2 verplaatst met voedingssnelheid over<br />

„aanlooplengte B“ (synchronisatie van spil en<br />

voedingsaandrijving)<br />

3 snijdt de schroefdraad<br />

4 keert, afhankelijk van „K“, met „teruglooptoerental<br />

S“ terug:<br />

■ K niet geprogrammeerd: op „startpunt“<br />

■ K geprogrammeerd: op positie „K“<br />

■ Gatenpatroon: „NS” heeft betrekking op<br />

de contour van de boring (niet op de<br />

patroondefinitie).<br />

■ „Cyclusstop“ werkt aan het einde van<br />

de draadsnijgang.<br />

■ Voedings-override is niet actief.<br />

■ Spil-override niet gebruiken!<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 145<br />

4.9 Boorcycli


4.9 Boorcycli<br />

Draadtappen G36<br />

Met G36 wordt axiale en radiale schroefdraad met stilstaand of<br />

aangedreven gereedschap gesneden. G36 bepaalt aan de hand van X<br />

en Z of er een radiale of axiale boring wordt uitgevoerd.<br />

Benader het startpunt vóór G36. G36 keert na het draadtappen naar<br />

het startpunt terug.<br />

Parameters<br />

X: Diameter – eindpunt axiale boringen<br />

Z: lengte – eindpunt radiale boringen<br />

F: voeding per omwenteling - spoed<br />

Q: spilnummer – default: 0 (hoofdspil)<br />

B: aanlooplengte voor synchronisatie van spil en<br />

voedingsaandrijving (zie G33)<br />

H: referentierichting voor spoed – default: 0<br />

■ H=0: voeding op Z-as<br />

■ H=1: voeding op X-as<br />

■ H=2: voeding op Y-as<br />

■ H=3: baanvoeding<br />

S: teruglooptoerental (hoger toerental) voor de terugtrekbeweging)<br />

– default: toerental gelijk aan dat bij schroefdraad tappen<br />

146<br />

Bewerkingsmogelijkheden:<br />

■ stilstaande draadtap: hoofdspil en<br />

voedingsaandrijving worden gesynchroniseerd.<br />

■ aangedreven draadtap: aangedreven gereedschap<br />

(hulpspil) en voedingsaandrijving worden<br />

gesynchroniseerd.<br />

■ „Cyclusstop“ werkt aan het einde van<br />

een draadsnijgang.<br />

■ Voedings-override is niet actief.<br />

■ Spil-override niet gebruiken!<br />

■ Bij niet-gestuurde gereedschapsaandrijving<br />

(zonder ROD-sensor) is<br />

voedingscompensatie noodzakelijk.<br />

4 DIN PLUS


Diepgatboren G74<br />

Met G74 worden axiale/radiale boringen in meerdere stappen met<br />

stilstaand of aangedreven gereedschap gemaakt.<br />

De eerste boorsnede vindt plaats met de „1e boordiepte P“. Bij elke<br />

volgende boorstap wordt de diepte met „reductiewaarde I“<br />

verminderd, waarbij de waarde niet onder de „minimale boordiepte J“<br />

komt. Na elke boorsnede wordt de boor met „terugloopafstand B“<br />

resp. naar „startpunt boring“ teruggetrokken.<br />

De cyclus wordt gebruikt voor:<br />

■ afzonderlijke boring zonder contourbeschrijving<br />

■ boring met contourbeschrijving (afzonderlijke boring of<br />

gatenpatroon) van de programma-onderdelen:<br />

■ VOORKANT<br />

■ ACHTERKANT<br />

■ MANTEL<br />

Het moment van voedingsreductie is afhankelijk van het type boor:<br />

■ snijplaat- en spiraalboren met een boorhoek van 180°:<br />

reductie bij booreinde – 2*veiligheidsafstand<br />

■ andere boren:<br />

booreinde – aansnijdingslengte – veiligheidsafstand<br />

(aansnijdingslengte = boorpunt; veiligheidsafstand: zie<br />

„bewerkingsparameter 9 boren resp. G47, G147“)<br />

Parameters<br />

NS: regelnummer contour van de boring (G49-, G300- of G310-Geo) –<br />

geen invoer: afzonderlijke boring zonder contourbeschrijving<br />

X, Z: positie, lengte – eindpunt van de axiale/radiale boringen (X<br />

diametermaat)<br />

P: 1e boordiepte<br />

I: reductiewaarde - default: 0<br />

B: terugloopafstand – default: terugloop naar „beginpunt boring“<br />

J: minimale boordiepte - default: 1/10 van P<br />

E: stilstandstijd (voor vrijsnijden aan einde van boring) – default: 0<br />

V: voedingsreductie (50%) – default: 0<br />

■ V=0 of 2: reductie aan begin<br />

■ V=1 of 3: reductie aan begin en einde<br />

■ V=4: reductie aan einde<br />

■ V=5: geen reductie<br />

Uitzondering bij V=0 en V=1: geen reductie bij aanboren bij<br />

snijplaat- en spiraalboren met een boorhoek van 180°<br />

D: terugloopsnelheid en aanzet in de boring – default: 0<br />

■ D=0: ijlgang<br />

■ D=1: voeding<br />

K: terugloopvlak (radiale boringen: diametermaat) – default: naar<br />

startpositie resp. op veiligheidsafstand<br />

Cyclusverloop<br />

1 bij „boring zonder contourbeschrijving“:<br />

voorwaarde: de boor moet zich op<br />

veiligheidsafstand voor de boring („startpunt“)<br />

bevinden<br />

bij „boring met contourbeschrijving“:<br />

verplaatst, afhankelijk van „K“, met ijlgang naar het<br />

„startpunt“:<br />

■ K niet geprogrammeerd: verplaatst tot<br />

veiligheidsafstand<br />

■ K geprogrammeerd: verplaatst naar positie „K“<br />

en vervolgens op veiligheidsafstand<br />

2 aanboren – voedingsreductie afhankelijk van V“<br />

3 boren in meerdere stappen<br />

4 doorboren – voedingsreductie afhankelijk van „V“<br />

5 terugtrekken – met ijlgang/voeding, afhankelijk van<br />

„D“<br />

6 terugtrekpositie is afhankelijk van „K“:<br />

■ K niet geprogrammeerd: terugtrekken naar het<br />

„startpunt“<br />

■ K geprogrammeerd: terugtrekken naar positie „K“<br />

■ Afzonderlijke boring zonder<br />

contourbeschrijving: „X of Z” alternatief<br />

programmeren.<br />

■ Boring met contourbeschrijving: „X, Z”<br />

niet programmeren.<br />

■ Gatenpatroon: „NS” heeft betrekking op<br />

de contour van de boring (niet op de<br />

patroondefinitie).<br />

■ Een „voedingsreductie aan het einde“<br />

vindt uitsluitend plaats bij de laatste<br />

boorstap.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 147<br />

4.9 Boorcycli


4.10 C-as-bewerking<br />

4.10 Bewerking C-as<br />

4.10.1 Algemene C-as-functies<br />

C-as kiezen G119<br />

U maakt gebruik van G119 wanneer er meerdere C-assen zijn en<br />

tijdens de bewerking de actieve C-as wordt veranderd.<br />

G119 wijst de onder „Q“ aangegeven C-as aan de slede toe. Voor de<br />

overdracht van een actieve C-as aan een andere slede moet de<br />

„oude toewijzing“ met G119 zonder Q ongedaan maken.<br />

Parameters<br />

Q: nummer van de C-as – default: 0<br />

■ Q=0: toewijzing van de C-as – slede opheffen<br />

■ Q>0: C-as aan de slede toewijzen<br />

Referentiediameter G120<br />

Met G120 wordt de referentiediameter van het „uitgeslagen<br />

mantelvlak“ vastgelegd. Programmeer G120, wanneer u bij G110...<br />

G113 gebruikmaakt van „CY“. G120 blijft ingeschakeld, tot deze functie<br />

wordt uitgeschakeld<br />

Parameters<br />

X: Diameter<br />

Nulpuntverschuiving C-as G152<br />

Met G152 wordt het nulpunt van de C-as absoluut (referentie:<br />

machineparameters 1005 e.v. „Referentiepunt C-as”) vastgelegd. Het<br />

nulpunt geldt tot het programma-einde.<br />

Parameters<br />

C: hoek van het „nieuwe” C-as-nulpunt<br />

C-as standaardiseren G153<br />

Met G153 wordt een verplaatsingshoek >360° of


4.10.2 Bewerking voor-/achterkant<br />

IJlgang voorkant/achterkant G100<br />

Het gereedschap verplaatst zich met ijlgang via de kortst mogelijke<br />

weg naar het „eindpunt“.<br />

Parameters<br />

X: diameter van het eindpunt<br />

C: hoekmaat van het eindpunt<br />

XK, YK: eindpunt in cartesiaanse coördinaten<br />

Z: eindpunt – default: actuele Z-positie<br />

Programmering<br />

■ X, C, XK, YK, Z: absoluut, incrementeel of blijft<br />

ingeschakeld tot moment van uitschakeling<br />

■ X–C of XK–YK programmeren<br />

Let op: botsingsgevaar!<br />

Bij Bei G100 voert het gereedschap een rechtlijnige<br />

beweging uit. Voor het positioneren van het werkstuk op<br />

een bepaalde hoek kan gebruik worden gemaakt van G110.<br />

Lineair voor-/achterkant G101<br />

Het gereedschap verplaatst zich lineair met voedingssnelheid naar het<br />

„eindpunt“.<br />

Parameters<br />

X: diameter van het eindpunt<br />

C: hoekmaat van het eindpunt<br />

XK, YK: eindpunt in cartesiaanse coördinaten<br />

Z: einddiepte – default: actuele Z-positie<br />

Programmering<br />

■ X, C, XK, YK, Z: absoluut, incrementeel of blijft<br />

ingeschakeld tot moment van uitschakeling<br />

■ X–C of XK–YK programmeren<br />

Cirkelboog voor-/achterkant G102/G103<br />

Het gereedschap verplaatst zich in een cirkel met voedingssnelheid<br />

naar het „eindpunt“.<br />

Draairichting: zie helpscherm<br />

Door het programmeren van „H=2 of H=3“ kunt u lineaire sleuven<br />

met een ronde bodem maken. U legt het cirkelmiddelpunt vast bij<br />

■ H=2: met I en K<br />

■ H=3: met J en K<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Cirkelboog G102<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 149<br />

4.10 C-as-bewerking


4.10 C-as-bewerking<br />

Parameters<br />

X: diameter van het eindpunt<br />

C: hoekmaat van het eindpunt<br />

XK, YK: eindpunt in cartesiaanse coördinaten<br />

R: radius<br />

I, J: middelpunt in cartesiaanse coördinaten<br />

Z: einddiepte – default: actuele Z-positie<br />

H: cirkelvlak (bewerkingsvlak) – default: 0<br />

■ H=0, 1: bewerking van voorvlak (XY-vlak)<br />

■ H=2: bewerking in YZ-vlak<br />

■ H=3: bewerking in XZ-vlak<br />

K: middelpunt (Z-richting) – alleen bij H=2, 3<br />

4.10.3 Bewerking van mantelvlak<br />

IJlgang mantelvlak G110<br />

Het gereedschap verplaatst zich met ijlgang via de kortst mogelijke<br />

weg naar het „eindpunt“.<br />

150<br />

Programmering<br />

■ X, C, XK, YK, Z: absoluut, incrementeel of blijft<br />

ingeschakeld tot moment van uitschakeling<br />

■ I, J: absoluut of incrementeel<br />

■ X–C of XK–YK programmeren<br />

■ „middelpunt” of „radius“ programmeren<br />

■ bij „radius“: alleen cirkelboog


Lineair mantelvlak G111<br />

Het gereedschap verplaatst zich lineair met voedingssnelheid naar het<br />

„eindpunt“.<br />

Parameters<br />

Z: eindpunt<br />

C: hoekmaat van het eindpunt<br />

CY: eindpunt als baanmaat (referentie: manteluitslag bij G120referentiediameter)<br />

X: einddiepte (diametermaat) – default: actuele X-positie<br />

Programmering<br />

■ Z, C, CY: absoluut, incrementeel of blijft ingeschakeld tot<br />

moment van uitschakeling<br />

■ Z–C of Z–CY programmeren<br />

Rond mantelvlak G112 / G113<br />

Het gereedschap verplaatst zich in een cirkel met voedingssnelheid<br />

naar het „eindpunt“.<br />

Draairichting: zie helpscherm<br />

Parameters<br />

Z: eindpunt<br />

C: hoekmaat van het eindpunt<br />

CY: eindpunt als baanmaat (referentie: manteluitslag bij G120referentiediameter)<br />

R: radius<br />

K, W: positie, hoek middelpunt<br />

J: positie middelpunt als baanmaat (referentie: uitgeslagen<br />

mantelvlak bij G120-referentiediameter)<br />

X: einddiepte (diametermaat) – default: actuele X-positie<br />

Programmering<br />

■ Z, C, CY: absoluut, incrementeel of blijft ingeschakeld tot<br />

moment van uitschakeling<br />

■ K, W, J: absoluut of incrementeel<br />

■ of Z–C enK–W of Z–CY en K–J programmeren<br />

■ „middelpunt” of „radius” programmeren<br />

■ bij „radius”: cirkelboog alleen


4.11 Freescycli<br />

4.11 Freescycli<br />

Contourfrezen G840<br />

Met G840 worden figuren of „vrije contouren“ (open of gesloten<br />

contouren) van de programmadelen gefreesd, nabewerkt, gegraveerd<br />

of afgebraamd:<br />

■ VOORKANT<br />

■ ACHTERKANT<br />

■ MANTEL<br />

NS/NE legt het contourgedeelte en de contourrichting vast. Bij<br />

gesloten contouren wordt NE niet geprogrammeerd. Bij een<br />

afzonderlijk contourelement kan de contourrichting worden<br />

omgedraaid door het programmeren van NS en NE.<br />

De freesrichting en de freesradiuscompensatie (FRC) kunnen<br />

worden beïnvloed met „cyclustype Q“, „freeslooprichting H“ en de<br />

draairichting van de frees (zie tabel).<br />

Afbramen<br />

Met G840 wordt afgebraamd, wanneer „afschuiningsbreedte B“ is<br />

geprogrammeerd. „Freesdiepte P“ bepaalt bij het afbramen de<br />

insteekdiepte van het gereedschap – „aanzetbeweging I“ vervalt.<br />

„Voorbewerkingsdiameter J“ (zie afbeelding):<br />

■ open contour – J geprogrammeerd: de contour wordt „rondom“<br />

afgebraamd. Voorwaarde: de diameter van het<br />

afbraamgereedschap is kleiner dan die van het freesgereedschap.<br />

■ open contour – gelijke diameter van afbraam- en<br />

freesgereedschap: J vervalt<br />

■ gesloten contour: de met „cyclustype Q“ geprogrammeerde kant<br />

wordt afgebraamd; J vervalt.<br />

De overige parameters worden meestal op dezelfde wijze<br />

geprogrammeerd als bij het frezen van de contour.<br />

Benaderen en vrijzetten<br />

Bij gesloten contouren is het loodlijnpunt van de gereedschapspositie<br />

naar het eerste contourelement de benaderings- en vrijzetpositie. Kan<br />

er geen loodlijn worden uitgezet, is het startpunt van het eerste<br />

element de benaderings- en vrijzetpositie.<br />

Bij figuren kunt u met „begin/einde element nummer D/V“ het<br />

benaderings-/vrijzetelement selecteren of onderdelen van de figuur<br />

bewerken.<br />

overmaat<br />

Met overmaat G58 „verschuift“ de te frezen contour in de richting die<br />

met „cyclustype“ is vastgelegd. Met „Inwendig frezen“ (gesloten<br />

contour) wordt de contour naar binnen verschoven – met „uitwendig<br />

frezen“ naar buiten. Bij open contouren wordt, afhankelijk van het<br />

cyclustype, de contour naar links of naar rechts verschoven.<br />

152<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Uitvoering van de cyclus<br />

1 de startpositie (X, Z, C) is de positie vóór de cyclus<br />

2 berekent de freesdiepte-aanzetten<br />

3 nadert op veiligheidsafstand en zet voor de eerste<br />

freesdiepte aan<br />

4 freest de contour<br />

5 ■ Bij open contouren en bij sleuven met<br />

sleufbreedte = freesdiameter: zet voor de volgende<br />

freesdiepte aan en freest de contour in omgekeerde<br />

richting.<br />

■ Bij gesloten contouren en sleuven: zet met<br />

veiligheidsafstand vrij, benadert en zet voor de<br />

volgende freesdiepte aan.<br />

6 herhaalt 4...5, tot de complete contour is gefreesd<br />

7 trekt volgens „terugloopvlak K“ terug<br />

■ Bij „cyclustype Q=0“ wordt geen<br />

rekening gehouden met overmaten.<br />

■ Met G57- en negatieve G58-overmaten<br />

wordt geen rekening gehouden.<br />

4 DIN PLUS


Parameter<br />

Q: Cyclustype (= freeslocatie)<br />

■ Q=0: middelpunt van de frees op de contour (zonder FRC)<br />

■ Q=1 – geschlossene Kontur: Innenfräsen<br />

■ Q=1 – open contour: links in bewerkingsrichting;<br />

opeenvolgende gebieden die elkaar snijden worden niet<br />

bewerkt<br />

■ Q=2 – gesloten contour: uitwendig frezen<br />

■ Q=2 – open contour: rechts in bewerkingsrichting;<br />

opeenvolgende gebieden die elkaar snijden worden niet<br />

bewerkt<br />

■ Q=3 (bij open contouren): afhankelijk van „looprichting H<br />

van de frees“ en de rotatierichting van de frees wordt er links<br />

of rechts van de contour gefreesd (zie tabel)<br />

■ Q=4 – gesloten contour: inwendig frezen<br />

■ Q=4 – open contour: links in bewerkingsrichting;<br />

opeenvolgende gebieden die elkaar snijden worden bewerkt<br />

■ Q=5 – gesloten contour: uitwendig frezen<br />

■ Q=5 – open contour: rechts in bewerkingsrichting;<br />

opeenvolgende gebieden die elkaar snijden worden bewerkt<br />

NS: regelnummer – begin contourgedeelte<br />

■ figuren: regelnummer van de figuur<br />

■ „vrije contour“: eerste contourelement (niet het startpunt)<br />

NE: regelnummer – einde contourgedeelte<br />

■ figuren, gesloten contouren: geen invoer<br />

■ open contouren: laatste te frezen contourelement<br />

■ contour bestaat uit slechts één element: invoer vervalt<br />

H: looprichting v.d. frees – default: 0<br />

■ H=0: tegenlopend<br />

■ H=1: meelopend<br />

I: (maximale) aanzetbeweging – default: frezen in een<br />

aanzetbeweging<br />

F: voeding (diepteverplaatsing) – default: actieve voeding<br />

E: gereduceerde voeding voor ronde elementen – default:<br />

actuele voeding<br />

R: radius ingaande/uitgaande boog – default: 0<br />

■ R=0: contourelement wordt direct benaderd; aanzet naar<br />

startpunt boven het freesvlak – daarna verticale<br />

diepteverplaatsing<br />

■ R>0: frees maakt ingaande/uitgaande boog die tangentiaal<br />

op het contourelement aansluit<br />

■ R


4.11 Freescycli<br />

Gesloten contouren<br />

Cyclustype Looprichting van de frees Ger.-draairichting FRC Uitvoering<br />

Contour (Q=0) – Mx03 –<br />

Contour – Mx03 –<br />

Contour – Mx04 –<br />

Contour – Mx04 –<br />

binnen (Q=1) tegenlopend (H=0) Mx03 rechts<br />

binnen tegenlopend (H=0) Mx04 links<br />

binnen meelopend (H=1) Mx03 links<br />

binnen meelopend (H=1) Mx04 rechts<br />

buiten (Q=2) tegenlopend (H=0) Mx03 rechts<br />

buiten tegenlopend (H=0) Mx04 links<br />

buiten meelopend (H=1) Mx03 links<br />

154<br />

4 DIN PLUS


Gesloten contouren<br />

Cyclustype Looprichting van de frees Ger.-draairichting FRC Uitvoering<br />

buiten meelopend (H=1) Mx04 rechts<br />

Contour (Q=0) – Mx03 –<br />

Contour – Mx04 –<br />

rechts (Q=3) tegenlopend (H=0) Mx03 rechts<br />

links(Q=3) tegenlopend (H=0) Mx04 links<br />

links(Q=3) meelopend (H=1) Mx03 links<br />

rechts (Q=3) meelopend (H=1) Mx04 rechts<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 155<br />

4.11 Freescycli


14.11 Freescycli<br />

Kamerfrezen voorbewerken G845<br />

Met G845 worden gesloten contouren en figuren voorbewerkt van de<br />

programma-onderdelen:<br />

■ VOORKANT<br />

■ ACHTERKANT<br />

■ MANTEL<br />

De freesrichting kan worden beïnvloed via de „looprichting van de<br />

frees H“, de „bewerkingsrichting Q“ en de rotatierichting van de frees<br />

(zie tabel G846).<br />

Parameters<br />

NS: regelnummer – verwijzing naar contourbeschrijving<br />

P: (maximale) freesdiepte (aanzet in het freesvlak)<br />

I: overmaat in X-richting<br />

K: overmaat in Z-richting<br />

U: (minimale) overlappingsfactor – overlapping van de freesbanen<br />

(overlapping = U*freesdiameter) – default: 0,5<br />

V: overloopfactor – niet van belang bij bewerkingen met de C-as<br />

H: looprichting v.d. frees – default: 0<br />

■ H=0: tegenlopend<br />

■ H=1: meelopend<br />

F: aanzet (voor diepteverplaatsing) – default: actieve voeding<br />

E: gereduceerde voeding voor ronde elementen – default: actuele<br />

voeding<br />

J: terugloopvlak – default: terug naar startpositie<br />

■ voor- of achterkant: teruglooppositie in Z-richting<br />

■ mantelvlak: teruglooppositie in X-richting (diametermaat)<br />

Q: bewerkingsrichting – default: 0<br />

■ Q=0: van binnen naar buiten<br />

■ Q=1: van buiten naar binnen<br />

Met Y-as: zie bedieningshandboek „<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> met Y-as“<br />

156<br />

Uitvoering van de cyclus<br />

1 de startpositie (X, Z, C) is de positie vóór de cyclus<br />

2 berekent de snede-opdeling (diepteverplaatsingen<br />

freesvlak, diepteverplaatsingen freesdiepte)<br />

3 nadert op veiligheidsafstand en zet voor de eerste<br />

freesdiepte aan<br />

4 freest een vlak<br />

5 verplaatst over de veiligheidsafstand, nadert en<br />

verplaatst voor de volgende freesdiepte<br />

6 herhaalt 4...5, tot het complete vlak is gefreesd<br />

7 verplaatst zich volgens „terugloopvlak J“ terug<br />

Overmaten: hiermee wordt bij G845<br />

rekening gehouden (G57: X-, Z-richting;<br />

G58: equidistante overmaat in het freesvlak).<br />

4 DIN PLUS


Kamerfrezen nabewerken G846<br />

Met G846 worden gesloten contouren en figuren nabewerkt van de<br />

programma-onderdelen:<br />

■ VOORKANT<br />

■ ACHTERKANT<br />

■ MANTEL<br />

De freesrichting kan worden beïnvloed via „looprichting H van de<br />

frees“, „bewerkingsrichting Q“ en de rotatierichting van de frees (zie<br />

tabel hieronder).<br />

Parameters<br />

NS: regelnummer – verwijzing naar contourbeschrijving<br />

P: (maximale) freesdiepte (aanzet in het freesvlak)<br />

R: radius ingaande/uitgaande boog – default: 0<br />

■ R=0: contourelement wordt direct benaderd; de<br />

diepteverplaatsing vindt op het startpunt boven het freesvlak<br />

plaats – daarna vindt de verticale diepteverplaatsing plaats<br />

■ R>0: de frees maakt een ingaande/uitgaande boog, die<br />

tangentiaal op het contourelement aansluit<br />

U: (minimale) overlappingsfactor – overlapping van de freesbanen<br />

(overlapping = U*freesdiameter) – default: 0,5<br />

V: overloopfactor – niet van belang bij bewerkingen met de C-as<br />

H: looprichting v.d. frees – default: 0<br />

■ H=0: tegenlopend<br />

■ H=1: meelopend<br />

F: aanzet (voor diepteverplaatsing) – default: actieve voeding<br />

E: gereduceerde voeding voor ronde elementen – default: actuele<br />

voeding<br />

J: terugloopvlak – default: terug naar startpositie<br />

■ voor- of achtervlak: teruglooppositie in Z-richting<br />

■ mantelvlak: teruglooppositie in X-richting (diametermaat)<br />

Q: bewerkingsrichting – default: 0<br />

■ Q=0: van binnen naar buiten<br />

■ Q=1: van buiten naar binnen<br />

Met Y-as: zie bedieningshandboek „<strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> met Y-as“<br />

Uitvoering van de cyclus<br />

1 de startpositie (X, Z, C) is de positie vóór de cyclus<br />

2 berekent de snede-opdeling (diepteverplaatsingen<br />

freesvlak, diepteverplaatsingen freesdiepte)<br />

3 nadert op veiligheidsafstand en zet voor de eerste<br />

freesdiepte aan<br />

4 freest een vlak<br />

5 verplaatst over de veiligheidsafstand, nadert en<br />

verplaatst voor de volgende freesdiepte<br />

6 herhaalt 4...5, tot het complete vlak is nabewerkt<br />

7 verplaatst zich volgens „terugloopvlak J“ terug<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 157<br />

4.11 Freescycli


4.11 Freescycli<br />

Kamerfrezen<br />

Cyclus Looprichting van de frees Bewerkingsrichting Ger.-draairichting Uitvoering<br />

G845 tegenlopend (H=0) vanaf binnenzijde (Q=0) Mx03<br />

G846 tegenlopend (H=0) – Mx03<br />

G845 tegenlopend (H=0) vanaf binnenzijde (Q=0) Mx04<br />

G846 tegenlopend (H=0) – Mx04<br />

G845 tegenlopend (H=0) vanaf buitenzijde (Q=1) Mx03<br />

G845 tegenlopend (H=0) vanaf buitenzijde (Q=1) Mx04<br />

G845 meelopend (H=1) vanaf binnenzijde (Q=0) Mx03<br />

G846 meelopend (H=1) – Mx03<br />

G845 meelopend (H=1) vanaf binnenzijde (Q=0) Mx04<br />

G846 meelopend (H=1) – Mx04<br />

G845 meelopend (H=1) vanaf buitenzijde (Q=1) Mx03<br />

G845 meelopend (H=1) vanaf buitenzijde (Q=1) Mx04<br />

G846 tegenlopend (H=0) – Mx03<br />

G846 tegenlopend (H=0) – Mx04<br />

G846 meelopend (H=1) – Mx03<br />

G846 meelopend (H=1) – Mx04<br />

158<br />

4 DIN PLUS


4.12 Speciale functies<br />

4.12.1 Spanmiddelen in de simulatie<br />

Spanmiddelen G65<br />

G65 toont de spanmiddelen in de simulatiegrafiek. G65 moet voor elk<br />

spanmiddel afzonderlijk worden geprogrammeerd. G65 H.. zonder X, Z<br />

wist het spanmiddel.<br />

Spanmiddelen worden in de database beschreven en worden in<br />

SPANMIDDELEN (H=1..3) vastgelegd.<br />

Parameters<br />

H: nummer van spanmiddel (H=1..3: verwijzing naar<br />

SPANMIDDELEN)<br />

X, Z: beginpunt – positie van referentiepunt spanmiddel (X<br />

diametermaat) – referentie: werkstuknulpunt<br />

D: spilnummer (referentie: programmadeel „SPANMIDDELEN”)<br />

Q: spanvorm (alleen bij spanklauwen) – default: Q uit het<br />

programmaqdeel „SPANMIDDELEN”<br />

Spanmiddel-referentiepunt<br />

„X, Z“ bepaalt de positie van het spanmiddel in de simulatiegrafiek.<br />

De positie van het referentiepunt is afhankelijk van de spanvorm (zie<br />

afbeelding).<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> „spiegelt“ de spanmiddelen „H=1..3“, wanneer ze<br />

rechts van het werkstuk worden geplaatst.<br />

Informatie over weergave en referentiepunt:<br />

■ H=1 – klauwplaat<br />

■ wordt „open“ getoond<br />

■ referentiepunt X: midden klauwplaat<br />

■ referentiepunt Z: „rechter zijde“ (let op breedte van klauwplaat)<br />

■ H=2 – spanklauw („spanvorm Q“ definieert het referentiepunt en<br />

binnen-/buiten-spannen)<br />

■ positie van het referentiepunt: zie „afbeelding G65“<br />

■ binnen-spannen: 1, 5, 6, 7<br />

■ buiten-spannen: 2, 3, 4<br />

■ H=3 – hulpmiddel voor opspannen (draaibankcenter, centerpunt,<br />

etc.)<br />

■ referentiepunt in X: midden van het spanmiddel<br />

■ referentiepunt in Z: top van het spanmiddel<br />

Programmeer NC-regels met G65 met de<br />

„slede-aanduiding $..“, wanneer uw<br />

machine over meerdere sledes beschikt.<br />

Anders worden de spanmiddelen meerdere<br />

keren getekend<br />

Voorbeeld: uitlezing van spanmiddelen<br />

. . .<br />

SPANMIDDEL 1<br />

H1 ID”KH110” [klauwplaat]<br />

H2 ID”KBA250-77” [spanklauw]<br />

H4 ID”KSP-601N” [centerpunt]<br />

. . .<br />

ONBEW. WERKSTUK<br />

N1 G20 X80 Z200 K0<br />

. . .<br />

BEWERKING<br />

$1 N2 G65 H1 X0 Z-234<br />

$1 N3 G65 H2 X80 Z-200 Q4<br />

. . .<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 159<br />

4.12 Speciale functies


4.12 Speciale functies<br />

4.12.2 Sledesynchronisatie<br />

Er wordt gebruikgemaakt van G-functies voor de synchronisatie<br />

wanneer het werkstuk met meerdere sledes wordt bewerkt. De<br />

synchronisatie vindt plaats door het gezamenlijk starten van NCregels<br />

via „merktekens“ en/of gereedschapsposities.<br />

Eenzijdige synchronisatie G62<br />

De met G62 geprogrammeerde slede wacht totdat „slede Q“ het<br />

„merkteken H“ of het merkteken en de X-/Z-coördinaat heeft bereikt.<br />

Het „merkteken“ wordt met G162 door de andere slede ingesteld.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> werkt met de actuele waardewanneer op de X- of Zcoördinaat<br />

wordt gesynchroniseerd.<br />

Parameters<br />

H: nummer van het merkteken (bereik: 0


4.12.3 Spilsynchronisatie, werkstukoverdracht<br />

Spilsynchronisatie<br />

G720 regelt de overdracht van het werkstuk van de „master- naar de<br />

slave-spil” en synchroniseert functies (b.v. „meer kanten frezen“).<br />

Programmeer het toerental van de master-spil met Gx97 S.. en leg<br />

de toerentalverhouding master-/slave-spil vast met „Q, F”. Een<br />

negatieve waarde voor Q of F zorgt voor een tegengestelde<br />

draairichting van de slave-spil. Gebruik G720 meerdere keren<br />

wanneer meerdere slave-spillen met een master-spil worden<br />

gesynchroniseerd.<br />

Daarbij geldt het volgende: Q * master-toerental = F * slavetoerental<br />

Parameters<br />

S: nummer van de master-spil [1..4]<br />

H: nummer van de slave-spil [1..4] – geen invoer of H=0:<br />

spilsynchronisatie uitschakelen<br />

C: verspringingshoek [°] – default: 0°<br />

Q: master-toerentalfactor – default: 1;<br />

bereik: –100


4.12 Speciale functies<br />

Verplaatsen naar vaste aanslag G916<br />

Met G916 wordt de „bewaking van de verplaatsing“ ingeschakeld.<br />

U verplaatst dan met G1 naar een „vaste aanslag“. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong><br />

stopt de slede zodra de „volgfout“ is bereikt, slaat de positie op en<br />

keert met de +omkeerbaan+ terug, om de spanning te<br />

verminderen.<br />

Toepassingsvoorbeeld<br />

Overname van een voorbewerkt werkstuk met de tweede,<br />

verplaatsbare spil, wanneer de positie van het werkstuk niet<br />

precies bekend is.<br />

In de machineparameters 1012, .. ;1112, 1162, .. wordt vastgelegd:<br />

■ volgfoutgrens (om de vaste aanslaggrens te herkennen)<br />

■ omkeerbaan<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong><br />

■ stelt de voedings-override in op 100%<br />

■ verplaatst naar de vaste aanslag en stopt zodra de „volgfout“ is<br />

bereikt – de resterende verplaatsing wordt gewist<br />

■ slaat de „aanslagpositie“ op in de variabelen V901..V918<br />

■ keert met de „omkeerbaan“ terug<br />

■ bewerkstelligt een „interpreter-stop“<br />

Programmeerinstructies:<br />

positioneer de slede op voldoende afstand voor de „aanslag“<br />

programmeer G916 in G1-verplaatsingsregel<br />

G1 .. als volgt programmeren:<br />

■ eindpositie ligt achter de vaste aanslag<br />

■ alleen een as verplaatsen<br />

■ voeding per minuut moet actief zijn (G94)<br />

162<br />

Vanaf softwareversie 368 650-08 kan de functie<br />

„Verplaatsen naar vaste aanslag“ ook voor de C-as<br />

worden gebruikt.<br />

Afsteekcontrole via volgfoutbewaking G917<br />

De afsteekcontrole dient om botsingen te voorkomen bij niet<br />

volledig uitgevoerde afsteekbewerkingen. G917 „bewaakt“ de<br />

verplaatsing.<br />

Toepassing<br />

■ Afsteekcontrole<br />

U verplaatst het afgestoken werkstuk in richting „+Z“. Als er een<br />

volgfout optreedt, wordt het werkstuk als niet afgestoken<br />

aangemerkt.<br />

■ Controle „afsteken zonder verdikkingen“<br />

U verplaatst het afgestoken werkstuk in richting „–Z“. Als er een<br />

volgfout optreedt, wordt het werkstuk als niet correct<br />

afgestoken aangemerkt.<br />

In de machineparameters 1115, 1165, .. wordt vastgelegd:<br />

■ volgfoutgrens<br />

■ voeding van de „bewaakte verplaatsing“<br />

ZP: eindpositie van het verplaatsingscommando<br />

S: volgfoutgrens<br />

R: omkeerbaan<br />

Voorbeeld<br />

. . .<br />

N.. G94 F200<br />

$2 N.. G0 Z20 [slede 2 voorpositioneren]<br />

$2 N.. G916 G1 Z-10 [bewaking inschakelen,<br />

verplaatsen naar vaste aanslag]<br />

. . .<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

4 DIN PLUS


Programmering van de afsteekcontrole<br />

Werkstuk afsteken<br />

Met G917 de „bewaking van de verplaatsing“ inschakelen<br />

Met G1 het afgestoken werkstuk verplaatsen<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> controleert de „volgfout“ en legt het resultaat vast<br />

in variabele V300<br />

Variabele V300 verwerken<br />

Ervaringswaarden<br />

Met G917 krijgt u goede resultaten als aan de volgende voorwaarden<br />

is voldaan:<br />

■ bij ruwe spanklauwen tot 3000 omw/min<br />

■ bij gladde spanklauwen tot 2000 omw/min<br />

■ spandruk > 10 bar<br />

Afsteekcontrole via spilbewaking G991<br />

De afsteekcontrole dient om botsingen te voorkomen bij niet volledig<br />

uitgevoerde afsteekbewerkingen. Met G991 wordt het afsteken<br />

gecontroleerd door het verschil in toerental tussen de beide spillen te<br />

controleren.<br />

Eerst moeten beide spillen door het werkstuk „krachtgesloten“ met<br />

elkaar worden verbonden. De spillen draaien pas onafhankelijk van<br />

elkaar wanneer het werkstuk is afgestoken. Toerentalafwijking en<br />

bewakingstijd worden in de machineparameters 808, 858, ...<br />

vastgelegd, maar kunnen met G992 worden gewijzigd.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> slaat het resultaat van de afsteekcontrole op in<br />

variabele V300.<br />

In „terugloopbaan R“ legt u vast welke baan moet worden<br />

gecontroleerd en bepaalt u of de afsteekbaan kort voor het<br />

doorsteken) of de terugloopbaan wordt bewaakt (zie afbeelding).<br />

Parameters<br />

R: terugloopbaan (radiuswaarde)<br />

■ geen invoer: het verschil in toerental tussen de synchroon<br />

draaiende spillen wordt (één keer) gecontroleerd<br />

■ R>0: bewaking van de „resterende afsteekbaan“<br />

■ R0,5 mm (om een<br />

controleresultaat te kunnen verkrijgen)<br />

■ bij controle op „afsteken zonder verdikkingen“:<br />

baan < breedte van het afsteekgereedschap<br />

■ resultaat in variabele V300<br />

■ 0: werkstuk is niet gecorrigeerd / niet zonder<br />

verdikkingen afgestoken (volgfout herkend)<br />

■ 1: werkstuk is correct/zonder verdikkingen<br />

afgestoken (geen volgfout herkend)<br />

■ met G917 wordt een „interpreterstop“ gegenereerd<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 163<br />

Vervolg op volgende<br />

bladzijde<br />

Programmeerinstructies:<br />

■ constante snijsnelheid G96 programmeren<br />

■ G991 en G1 (afsteek- of terugloopbaan) in een regel<br />

programmeren<br />

■ resultaat in V300:<br />

■ 0: niet afgestoken<br />

■ 1: afgestoken<br />

■ met G991 wordt een „interpreterstop“ gegenereerd<br />

4.12 Speciale functies


4.12 Speciale functies<br />

Waarden voor afsteekcontrole G992<br />

Met G992 worden de machineparameters „afsteekcontrole“ 808, 858,<br />

... overschreven.<br />

De nieuwe parameters gelden vanaf de volgende NC-regel en blijven<br />

geldig tot ze door een andere G992 of handmatig worden<br />

overschreven.<br />

Parameters<br />

S: verschil in toerental (in omwentelingen per minuut)<br />

E: bewakingstijd (in ms)<br />

4.12.4 Contourcorrectie<br />

Met de volgende G-functies beïnvloedt u de contourcorrectie (zie<br />

„4.10.2 Contourherhalingen“). Voorbeelden: programmaherhalingen<br />

(stafbewerking), programmasprongen etc.<br />

Contourcorrectie opslaan/laden<br />

Parameters<br />

Q: contour opslaan/laden<br />

■ Q=0: opslaan – de actuele contour wordt opgeslagen – de<br />

contourcorrectie wordt niet beïnvloedt<br />

■ Q=1: laden – de opgeslagen contour wordt geladen – de<br />

contourcorrectie wordt met de „geladenen contour” voortgezet<br />

Contourcorrectie G703<br />

De contourcorrectie wordt bij een IF-, WHILE- of SWITCH-instructie<br />

met V-variabelen uitgeschakeld en na ENDIF, ENDWHILE resp.<br />

ENDSWITCH weer ingeschakeld.<br />

Met G703 wordt de contourcorrectie voor de THEN-, ELSE- resp.<br />

CASE-sprong ingeschakeld.<br />

Parameters<br />

Q: contourcorrectie aan/uit<br />

■ Q=0: uit<br />

■ Q=1: aan<br />

K-default-sprong G706<br />

Met G706 wordt bij IF- of SWITCH-instructies met V-variabelen de<br />

„default-sprong“ vastgelegd. De functies van de default-sprong<br />

worden voor het bijwerken van de „technologische gegevens“<br />

gebruikt (gereedschap, gereedschapspositie, contourcorrectie, SRK,<br />

etc.). Na de sprong geldt het resultaat van de „default-sprong“. Zonder<br />

„default-sprong“ zijn de technologische gegevens niet vastgelegd.<br />

Parameters<br />

Q: K-sprong<br />

■ Q=0: geen „default-sprong“ vastgelegd;<br />

■ Q=1: THEN-sprong als „default-sprong“<br />

■ Q=2: ELSE-sprong als „default-sprong“<br />

■ Q=3: actuele sprong als „default-sprong“<br />

164<br />

Programmeer G702 alleen voor een slede<br />

– meestal voor slede 1.<br />

Programmeerinstructies:<br />

Programmeer:<br />

■ G706 Q0, 1, 2: vóór de sprong<br />

■ G706 Q3: aan het begin van de THEN-, ELSE- of<br />

CASE-sprong<br />

4 DIN PLUS


4.12.5 Tussentijds meten<br />

Voorwaarde: schakelende meettaster<br />

De meetresultaten moeten door het NC-programma worden<br />

verwerkt. U kunt gebruik maken van de standtijdbewaking van het<br />

gereedschap wanneer het NC-programma „verbruikt gereedschap “<br />

meldt door het instellen van „gereedschapsdiagnosebit 4 –<br />

gereedschapsslijtage door tussentijds meten van werkstukken“<br />

(zie „4.2.4 Gereedschapsprogrammering“).<br />

Tussentijds meten inschakelen G910<br />

Met G910 wordt de meettaster ingeschakeld en wordt de bewaking<br />

van de meettaster geactiveerd.<br />

Programmeerinstructies:<br />

■ G910 alleen in de NC-regel programmeren<br />

■ G910 blijft ingeschakeld, totdat deze functie wordt uitgeschakeld<br />

■ met G913 wordt de meettaster weer uitgeschakeld<br />

Registratie van actuele waarden bij tussentijds meten<br />

G912<br />

Met G912 wordt de positie van de meettaster in de variabelen V901..<br />

V920 geschreven (zie „4.15.2 V-variabelen“).<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> verplaatst zich naar het meetpunt en stopt wanneer<br />

de meettaster uitwijkt. De resterende verplaatsing wordt gewist. De<br />

reactie op de situatie „taster na verplaatsen van de meetweg niet<br />

geactiveerd“ kunt u beïnvloeden met „foutverwerking Q“.<br />

Parameters<br />

Q: foutverwerking – default: 0<br />

■ Q=0: toestand „cyclusstop“; de fout wordt uitgelezen<br />

■ Q=1: toestand „cyclus aan“; het foutnummer 5518 wordt in<br />

variabele V982 opgeslagen<br />

Tussentijds meten uitschakelen G913<br />

Met G913 wordt de bewaking van de meettaster uitgeschakeld. G913<br />

moet worden voorafgegaan door het „terugtrekken van de meettaster“.<br />

Programmeer G913 alleen in de NC-regel. Met de functie wordt een<br />

„interpreterstop“ gegenereerd.<br />

Bewaking van meettaster uitschakelen G914<br />

Schakel na het uitwijken van de meettaster de bewaking van de<br />

meettaster uit, om terug te trekken.<br />

Meettaster terugtrekken: programmeer G914 en G1 in een NC-regel<br />

NC-Satz<br />

Programmeerinstructies voor tussentijds meten:<br />

positioneer de meettaster op voldoende afstand<br />

voor het „meetpuntt“<br />

G1 .. als volgt programmeren :<br />

■ eindpositie ligt op voldoende afstand achter het<br />

„meetpunt“<br />

■ voeding per minuut moet actief zijn (G94)<br />

Voorbeeld: tussentijds meten<br />

. . .<br />

BEWERKING<br />

. . .<br />

N.. T .. [meettaster verwisselen]<br />

N.. G910 [tussentijds meten activeren]<br />

N.. G0 .. [meettaster voorpositioneren]<br />

N.. G912<br />

N.. G1 .. [met meettaster naderen]<br />

N.. G914 G1 .. [meettaster terugtrekken]<br />

. . .<br />

N.. G913 [tussentijds meten uitschakelen]<br />

. . . [meetwaarden verwerken]<br />

■ X-waarden worden als radiusmaat<br />

gemeten.<br />

■ Van de variabelen wordt ook door de<br />

andere G-functies gebruik gemaakt (G901,<br />

G902, G903 en G916). Let erop dat uw<br />

meetresultaten niet worden overschreven.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 165<br />

4.12 Speciale functies


4.12 Speciale functies<br />

4.12.6 Meten na bewerking<br />

De werkstukken worden buiten de draaibank gemeten en de<br />

„resultaten“ worden naar de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> gezonden. Afhankelijk van<br />

de meetapparatuur worden meetwaarden of correctiewaarden<br />

verzonden.<br />

Wanneer de meetapparatuur een globaal meetresultaat oplevert,<br />

moet de apparatuur op „meetpunt 0“ staan.<br />

De „resultaten“ moeten worden verwerkt door het NC-programma.<br />

Voorbeeld: compensatie van de gereedschapsslijtage door correcties.<br />

U kunt gebruik maken van de standtijdbewaking van het<br />

gereedschap wanneer het NC-programma een „verbruikt<br />

gereedschap“ meldt door het instellen van „gereedschapsdiagnosebit<br />

5 – gereedschapsslijtage door tussentijds meten van werkstukken“<br />

(zie „4.2.4 Gereedschapsprogrammering“).<br />

Meten na bewerking G915<br />

G915 ontvangt actuele meetwaarden van de meetapparatuur en<br />

slaat deze op in variabelen.<br />

Betekenis van variabelen<br />

■ V939: globaal meetresultaat<br />

■ V940 meetstatus<br />

■ 0: geen nieuwe meetwaarden<br />

■ 1: nieuwe meetwaarden<br />

■ V941..V956 (volgens meetpunten 1..16).<br />

Parameters<br />

H: blok<br />

■ H=0: gereserveerd voor andere functies<br />

■ H=1: actuele meetwaarden worden ingelezen<br />

Voorbeeld: meetresultaat als correctiewaarde gebruiken<br />

. . .<br />

BEWERKING<br />

. . .<br />

N2 T1 [contour nabewerken - buiten]<br />

. . .<br />

N49 . . . [einde bewerking werkstuk]<br />

N50 G915 H1 [meetresultaten opvragen]<br />

N51 IF {V940 == 1} [indien resultaten beschikbaar zijn]<br />

N52 THEN<br />

N53 V {D1 [X] = D1 [X] + V941} [meetresultaat voor correctie D1<br />

toevoegen]<br />

N54 ENDIF<br />

. . .<br />

166<br />

De status van de communicatie met de<br />

meetapparatuur voor het meten na de<br />

bewerking en de laatst ontvangen<br />

meetwaarden in de bedrijfsmode Machine<br />

- automatisch bedrijf kan worden<br />

gecontroleerd (zie „3.5.9 Status van meten<br />

na bewerking“).<br />

Analyseer de meetstatus om een dubbele<br />

of verkeerde verrekening van de<br />

correctiewaarde te voorkomen.<br />

Voorbeeld: bewaking gereedschapsbreuk<br />

(bewaking grenswaarde)<br />

. . .<br />

BEWERKING<br />

. . .<br />

N2 T1 [contour voorbewerken - buiten]<br />

. . .<br />

N49 . . . [einde bewerking werkstuk]<br />

N50 G915 H1 [meetresultaten opvragen]<br />

N51 IF {V940 == 1} [indien resultaten beschikbaar zijn]<br />

N52 THEN<br />

N53 IF {V941 >= 1} [meetwaarde > 1mm]<br />

N54 THEN<br />

N55 PRINTA (“meetwaarde > 1mm =<br />

gereedschaps-breuk“)<br />

N56 M0 [geprogrammeerde stop – cyclus uit]<br />

N57 ENDIF<br />

N58 ENDIF<br />

. . .<br />

4 DIN PLUS


4.12.7 Belastingsbewaking<br />

Met de „belastingsbewaking“ wordt de prestatie of de werking van<br />

de aandrijvingen gecontroleerd en wordt deze vergeleken met<br />

grenswaarden die bij de referentiebewerking zijn bepaald.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> houdt rekening met twee grenswaarden:<br />

■ Eerste grenswaarde is overschreden: het gereedschap wordt als<br />

„verbruikt“ aangeduid en de standtijdbewaking zet bij de<br />

volgende programmarun „vervangend gereedschap“ in (zie „4.2.4<br />

Gereedschapsprogrammering“).<br />

■ Tweede grenswaarde is overschreden: de belastingsbewaking<br />

meldt „gereedschapsbreuk“ en stopt de programmarun<br />

(aanzetstop).<br />

Bewakingszone vastleggen G995<br />

Met G995 worden de „bewakingszone“ en de te bewaken assen<br />

gedefinieerd.<br />

■ G995 met parameter: begin van de bewakingszone<br />

■ G995 zonder parameter: einde van de bewakingszone (niet<br />

vereist, wanneer nog een bewakingszone volgt)<br />

Het „nummer van de bewakingszone“ moet binnen het NCprogramma<br />

uniek zijn. Per slede zijn maximaal 49 bewakingszones<br />

mogelijk.<br />

Parameter<br />

H: nummer van de bewakingszone – bereik: 1..999<br />

Q: code voor assen (te bewaken aandrijvingen):<br />

■ 1: X-as<br />

■ 2: Y-as<br />

■ 4: Z-as<br />

■ 8: Hoofdspil<br />

■ 16: Spil 1<br />

■ 128: C-as 1<br />

Tel de codes op als er meerdere aandrijvingen moeten<br />

worden bewaakt. (Voorbeeld: Z-as en hoofdspil worden<br />

bewaakt: Q=12.)<br />

Type belastingsbewaking G996<br />

Met G996 kan de belastingsbewaking tijdelijk worden<br />

uitgeschakeld en het soort bewaking worden gedefinieerd.<br />

Parameter<br />

Q: wijze van vrijschakelen (omvang v.d. bewaking) – default: 0<br />

■ Q=0: bewaking niet actief (geldt voor het complete NCprogramma;<br />

ook eerder geprogrammeerde G995 zijn niet<br />

actief)<br />

■ Q=1: ijlgangbewegingen niet bewaken<br />

■ Q=2: ijlgangbewegingen bewaken<br />

H: bewakingswijze – default: 0<br />

■ H=0: draaimoment- en bewerkingsbewaking<br />

■ H=1: draaimomentbewaking<br />

■ H=2: bewaking van bewerking<br />

Voorbeeld: belastingsbewaking<br />

. . .<br />

BEWERKING<br />

. . .<br />

N.. G996 Q1 H1 [draaimomentbewaking –<br />

ijlgangbanen niet bewaken]<br />

. . .<br />

N.. G14 Q0<br />

N.. G26 S4000<br />

N.. T2<br />

N.. G995 H1 Q9 [hoofdspil en X-as<br />

bewaken ]<br />

N.. G96 S230 G95 F0.35 M4<br />

N.. M108<br />

N.. G0 X106 Z4<br />

N.. G47 P3<br />

N.. G820 NS.. [voedingsbanen van de<br />

voorbewerkingscyclus<br />

bewaken]<br />

N.. G0 X54<br />

N.. G0 Z4<br />

N.. M109<br />

N.. G995 [einde van de bewakingszone]<br />

. . .<br />

De „code voor assen“ wordt in<br />

„bitnummers voor belastingsbewaking“<br />

(regelparameter 15) vastgelegd.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 167<br />

4.12 Speciale functies


4.13 Overige G-functies<br />

4.13 Overige G-functies<br />

Stilstandstijd G4<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> wacht gedurende de tijd „F“ en voert dan de volgende<br />

programmaregel uit. Als G4 samen met een verplaatsing in een regel<br />

wordt geprogrammeerd, geldt de stilstandstijd na afloop van de<br />

verplaatsing.<br />

Parameters<br />

F: wachttijd [sec] – bereik: 0 < F < 99,999<br />

Nauwkeurige stop aan G7<br />

Met G7 wordt „nauwkeurige stop” ingeschakeld. Deze functie blijft tot<br />

het moment van uitschakeling ingeschakeld. Bij „nauwkeurige stop“<br />

start de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> de volgende regel, wanneer het „tolerantievenster<br />

positie“ bij het eindpunt bereikt is (tolerantievenster:<br />

machineparameter 1106 e.v. „Positieregeling lineaire as“).<br />

„Nauwkeurige stop“ werkt op enkelvoudige verplaatsingen en cycli.<br />

De NC-regel waarin G7 is geprogrammeerd, wordt al met een<br />

„nauwkeurige stop“ uitgevoerd.<br />

Nauwkeurige stop uit G8<br />

Met G8 wordt „nauwkeurige stop” uitgeschakeld. De regel waarin G8<br />

wordt geprogrammeerd, wordt zonder „nauwkeurige stop“ uitgevoerd.<br />

Nauwkeurige stop G9<br />

G9 activeert de „nauwkeurige stop” voor de NC-regel waarin deze<br />

geprogrammeerd wordt (zie ook „G7”).<br />

Rondas verplaatsen G15<br />

G15 draait de rondas naar de opgegeven hoek. Tegelijkertijd kunnen de<br />

hoofd- en/of additionele assen rechtlijnig worden verplaatst.<br />

Parameters<br />

A, B: hoek – eindpositie van de rondas<br />

X, Y, Z: eindpunt van de hoofdas (X diametermaat)<br />

U,V,W: eindpunt van de hulpas<br />

168<br />

Programmering van alle parameters:<br />

absoluut, incrementeel of blijft ingeschakeld<br />

tot moment van uitschakeling.<br />

4 DIN PLUS


Converteren en spiegelen G30<br />

Met G30 worden G- en M-functies, alsmede slede- en<br />

spilnummers, aan de hand van conversielijsten<br />

(machineparameters 135 e.v.) geconverteerd. Met G30 worden<br />

verplaatsingen en gereedschapsmaten gespiegeld en wordt het<br />

machinenulpunt asafhankelijk met de ”nulpuntverschuiving”<br />

verplaatst (zie machineparameters 1114, 1164, ..).<br />

Toepassing:<br />

Bij de complete bewerking beschrijft u de volledige contour,<br />

bewerkt u de voorkant, spant u het werkstuk om (met het<br />

„expertprogramma“) en bewerkt u de achterkant. Om ervoor te<br />

zorgen dat de bewerking van de achterkant op dezelfde wijze als de<br />

bewerking van de voorkant kan worden geprogrammeerd<br />

(oriëntatie van de Z-as, rotatierichting bij cirkelbogen, etc.), bevat<br />

het expertprogramma commando's voor conversie en spiegeling.<br />

Parameter<br />

H: tabelnummer<br />

■ H=0: conversie uitschakelen en offset verrekenen<br />

■ H=1..4: conversietabel; bovendien wordt de verschuiving<br />

van het machinenulpunt geactiveerd (machineparameters<br />

1114, 1164, ...)<br />

Q: keuze<br />

■ Q=0: spiegeling van verplaatsing en gereedschap<br />

uitschakelen<br />

■ Q=1: spiegeling van verplaatsing voor aangegeven assen<br />

aan<br />

■ Q=2: spiegeling van gereedschapsmaten voor aangegeven<br />

assen aan<br />

X, Y, Z, U, V, W, A, B, C – askeuze<br />

■ X=0: spiegeling van de X-as uit<br />

■ X=1: spiegeling van de X-as aan<br />

■ Y=0: spiegeling van de Y-as uit<br />

etc.<br />

Veiligheidszone uitschakelen G60<br />

Met G60 wordt de bewaking van de veiligheidszone opgeheven.<br />

Met G60 wordt vóór het te bewaken resp. niet te bewaken<br />

verplaatsingscommando geprogrammeerd.<br />

Toepassingsvoorbeeld:<br />

Met G60 heft u de veiligheidzonebewaking tijdelijk op, om een<br />

centrische doorboring te maken.<br />

Parameter<br />

Q: ■ Q=0: veiligheidszone inschakelen (blijft ingeschakeld totdat<br />

deze functie wordt uigeschakeld)<br />

■ Q=1: beveiligingszone uitschakelen (blijft ingeschakeld<br />

totdat deze functie wordt uitgeschakeld)<br />

■ Q geen invoer: veiligheidszone voor de huidige NC-regel<br />

uitschakelen<br />

■ Verplaatsingen en<br />

gereedschapslengtes in aparte G30functies<br />

spiegelen.<br />

■ Met Q1, Q2 zonder askeuze wordt de<br />

spiegeling uitgeschakeld.<br />

■ U kunt uitsluitend kiezen uit<br />

geconfigureerde assen.<br />

Let op: botsingsgevaar!<br />

■ bij overgang van AUTOMATISCH<br />

BEDRIJF naar HANDBEDIENING blijven<br />

conversies en spiegelingen<br />

gehandhaafd.<br />

■ De conversie/spiegeling moet worden<br />

uitgeschakeld wanneer u na bewerking<br />

van de achterkant de bewerking van de<br />

voorkant opnieuw wilt activeren<br />

(bijvoorbeeld bij programmaherhalingen<br />

met M99).<br />

■ Na een nieuwe programmakeuze is de<br />

conversie/spiegeling uitgeschakeld<br />

(bijvoorbeeld: overgang van<br />

HANDBEDIENING naar AUTOMATISCH<br />

BEDRIJF).<br />

Spil met werkstuk G98<br />

De toewijzing aan de spil is noodzakelijk voor<br />

schroefdraad-, boor- en freescycli, wanneer het<br />

werkstuk zich niet in de hoofdspil bevindt.<br />

Parameter<br />

Q: spilnummer - default: 0 (hoofdspil)<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 169<br />

4.13 Overige functies


4.13 Overige functies<br />

Wachten op tijdstip G204<br />

G204 onderbreekt het NC-programma tot het opgegeven tijdstip.<br />

Parameters<br />

D: tag (D=1..31) – default: eerstmogelijke tijdstip „H, Q“<br />

H: uur (H=0..23)<br />

Q: minuut (Q=0..59)<br />

Nominale waarden actualiseren G717<br />

Met G717 worden de nominale positiewaarden van de besturing<br />

geactualiseerd op basis van de positiegegevens van de assen.<br />

Toepassing:<br />

■ wissen van de volgfout.<br />

■ standaardisatie van de slave-assen na het uitschakelen van een<br />

master-slave-as-koppeling.<br />

Volgfout uitsturen G718<br />

G718 voorkomt dat nominale positiewaarden van de besturing<br />

automatisch worden geactualiseerd op basis van de<br />

aspositiegegevens (b.v. bij het verplaatsen naar de vaste aanslag of<br />

na het intrekken en opnieuw toekennen van de regelaarvrijgave).<br />

Toepassing:<br />

voor het inschakelen van een master-slave-as-koppeling.<br />

Parameters<br />

Q: aan/uit<br />

■ Q=0: uit<br />

■ Q=1: aan, de volgfout blijft opgeslagen<br />

Actuele waarden in variabele G901<br />

G901 brengt de actuele waarden over naar variabele V901.. V920 (zie<br />

„4.15.2 V-variabelen“).<br />

Met de functie wordt een „interpreterstop“ gegenereerd.<br />

Nulpuntverschuiving in variabele G902<br />

Schrijft de verschuiving in Z-richting in de variabelen V901..V920 (zie<br />

„4.15.2 V-variabelen“).<br />

Met de functie wordt een „interpreterstop“ gegenereerd.<br />

Volgfout in variabele G903<br />

Met G903 wordt de actuele volgfout (afwijking van de actuele waarde<br />

van de nominale waarde) in de variabelen V901..V920 geschreven (zie<br />

„4.15.2 V-variabelen“).<br />

Met de functie wordt een „interpreterstop“ gegenereerd.<br />

170<br />

Gebruik G717 en G718 alleen in<br />

„expertprogramma's“ (zie ook<br />

„Inbedrijfstellingshandboek – Realtimekoppelfunctie“).<br />

4 DIN PLUS


Toerentalbewaking regelgewijs uit G907<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> start bewerkingen waarvoor spilrotatie is vereist<br />

wanneer het geprogrammeerde toerental is bereikt. Met G907 wordt<br />

deze toerentalbewaking regelgewijs uitgeschakeld – de verplaatsing<br />

wordt direct gestart.<br />

Programmeer G907 en de verplaatsing in dezelfde NC-regel.<br />

Voedings-override 100% G908<br />

Met G908 wordt de voedings-override bij verplaatsingen (G0, G1, G2,<br />

G3, G12, G13) regelgewijs op 100% ingesteld.<br />

Programmeer G908 en de verplaatsing in dezelfde NC-regel.<br />

Interpreterstop G909<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> bewerkt ca. 15 tot 20 NC-regels „vooraf“. Wanneer<br />

variabelen kort voor de verwerking worden toegewezen, zouden<br />

„oude waarden“ worden verwerkt. Een interpreterstop zorgt ervoor<br />

dat de variabele de „nieuwe“ waarde omvat.<br />

Met G909 wordt de „interpretatie vooraf“ gestopt. De NC-regels t/m<br />

G909 worden uitgevoerd – pas daarna worden de volgende NC-regels<br />

uitgevoerd.<br />

Programmeer G909 alleen of samen met synchroonfuncties in een<br />

NC-regel. (Verschillende G-functies hebben een interpreterstop.)<br />

Voorsturing G918<br />

Met G918 wordt de voorsturing uit- en ingeschakeld. G918 kan voor/<br />

na de schroefdraadbewerking (G31, G33) in een afzonderlijke NC-regel<br />

worden geprogrammeerd.<br />

Parameters<br />

Q: Voorsturing uit/aan – default: 1<br />

■ Q=0: uit<br />

■ Q=1: aan<br />

Spil-override 100% G919<br />

Schakelt de toerental-override uit/in.<br />

Parameters<br />

Q: spilnummer – default: 0<br />

H: type begrenzing – default: 0<br />

■ H=0: spil-override inschakelen<br />

■ H=1: spil-override op 100% – blijft ingeschakeld tot moment<br />

van uitschakeling<br />

■ H=2: spil-override op 100% – voor de actuele NC-regel<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 171<br />

4.13 Overige functies


4.13 Overige functies<br />

Nulpuntverschuivingen uitschakelen G920<br />

Hiermee worden het werkstuknulpunt en de nulpuntverschuivingen<br />

„uitgeschakeld“. Verplaatsingen en digitale uitlezingen zijn gerelateerd<br />

aan het gereedschapspunt – het machinenulpunt.<br />

Nulpuntverschuivingen, gereedschapslengtes<br />

uitschakelen G921<br />

Hiermee worden het werkstuknulpunt, nulpuntverschuivingen en<br />

gereedschapsmaten „uitgeschakeld“. Verplaatsingen en digitale<br />

uitlezingen zijn gerelateerd aan het sledereferentiepunt –<br />

machinenulpunt.<br />

Volgfoutgrens G975<br />

Hiermee schakelt u naar „volgfoutgrens 2“ (zie machineparameter<br />

1106, ..).<br />

G975 blijft ingeschakeld, tot deze functie wordt uitgeschakeld Bij het<br />

programma-einde schakelt de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> naar „standaardvolgfoutgrens“.<br />

Parameters<br />

Q: volgfoutgrens – default: 1<br />

■ H=1: standaard-volgfoutgrens<br />

■ H=2: volgfoutgrens 2<br />

Nulpuntverschuivingen inschakelen G980<br />

Hiermee worden het werkstuknulpunt en alle nulpuntverschuivingen<br />

„ingeschakeld“.<br />

Verplaatsingen en digitale uitlezingen zijn gerelateerd aan de<br />

gereedschapspunt – het werkstuknulpunt met inachtneming van<br />

de nulpuntverschuivingen.<br />

Nulpuntverschuivingen, gereedschapslengtes<br />

activeren G981<br />

Hiermee worden het werkstuknulpunt, alle nulpuntverschuivingen en<br />

de gereedschapsmaten „ingeschakeld“.<br />

Verplaatsingen en digitale uitlezingen zijn gerelateerd aan de<br />

gereedschapspunt – het werkstuknulpunt met inachtneming van<br />

de nulpuntverschuivingen.<br />

172<br />

4 DIN PLUS


4.14 Gegevensinvoer,<br />

gegevensuitvoer<br />

In- en uitvoer van gegevens vindt ook bij de simulatie<br />

plaats. De „V-variabelen“ worden tijdens de simulatie<br />

gesimuleerd. U kunt aan de V-variabelen waarden<br />

toewijzen en op die manier alle sprongen van uw NCprogramma<br />

testen.<br />

4.14.1 In-/uitvoer van #-variabelen<br />

INPUT<br />

Met INPUT programmeert u de invoer van #variabelen<br />

die tijdens de programmavertaling worden<br />

verwerkt.<br />

U legt de „invoertekst“ en het „nummer van de<br />

variabelen“ vast. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> stopt de vertaling bij<br />

INPUT en wacht op de invoer van de waarde van de<br />

variabele.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> toont de invoer nadat het „INPUTcommando“<br />

is beëindigd.<br />

Syntaxis: INPUT (“tekst“, variabele)<br />

PRINT<br />

PRINT voert tijdens de programmavertaling teksten<br />

en waarden van variabelen uit U kunt meerder<br />

teksten en #-variabelen na elkaar programmeren.<br />

Syntaxis: PRINTA(“tekst1“, variabele, “Tekst1“,<br />

variabele, ..)<br />

WINDOW<br />

Met WINDOW (x) wordt een venster met regelaantal<br />

„x“ gemaakt. Het venster wordt bij de eerste in-/<br />

uitvoer geopend. WINDOW (0) sluit het venster.<br />

Het „standaard-window“ bevat 3 regels – u hoeft het<br />

niet te programmeren.<br />

Syntaxis:<br />

WINDOW(aantal regels) – 0


4.14 Gegevensinvoer, gegevensuitvoer<br />

4.14.2 In-/uitvoer van V-variabelen<br />

INPUTA<br />

Met „INPUTA“ programmeert u de invoer van Vvariabelen<br />

die bij de programma-uitvoering (looptijd)<br />

worden verwerkt.<br />

U legt de „ingevoerde tekst“ en het „nummer van<br />

de variabelen“ vast. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> verwacht bij de<br />

uitvoering van dit commando de invoer van de<br />

variabelewaarde. De invoer wordt aan de variabele<br />

toegewezen en de programma-uitvoering wordt<br />

voorgezet.<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> toont de invoer nadat het „INPUTcommando“<br />

is beëindigd.<br />

Syntaxis: INPUTA (“tekst“, variabele)<br />

PRINTA<br />

„PRINTA“ toont tijdens de programma-uitvoering<br />

teksten en waarden van V-variabelen op het<br />

beeldscherm. U kunt maximaal twee teksten en<br />

maximaal twee variabelen opeenvolgend<br />

programmeren. Het maximumaantal tekens<br />

bedraagt 80.<br />

De teksten en variabelenwaarden worden<br />

bovendien op de printer uitgedraaid, wanneer<br />

„Uitdraai aan“ wordt ingesteld (regelparameter 1).<br />

Syntaxis:<br />

PRINTA(“tekst1“,variabele,“tekst1“,variabele“, ..)<br />

WINDOWA<br />

Met „WINDOWA (x)“ wordt een venster met<br />

regelaantal „x“ gemaakt. Het venster wordt bij de<br />

eerste in-/uitvoer geopend. WINDOWA (0) sluit het<br />

venster.<br />

Het „standaard-window“ bevat 3 regels – u hoeft<br />

het niet te programmeren.<br />

Syntaxis:<br />

WINDOWA(aantal regels) – 0


4.15 Programmering van variabelen<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> vertaalt de NC-programma's voordat deze worden<br />

uitgevoerd. Er wordt daarom onderscheid gemaakt tussen twee types<br />

variabelen:<br />

■ #-variabele – verwerking tijdens de NC-programmavertaling<br />

■ V-variabele (of resultaten) – verwerking tijdens de uitvoering van<br />

het NC-programma<br />

De volgende regels gelden:<br />

■ „vermenigvuldiging voor deling“<br />

■ max. 6 niveaus van haakjes<br />

■ integer-variabele (alleen bij V-variabelen): integere waarden van<br />

–32767 .. +32768<br />

■ real-variabele (bij #- en V-variabele): drijvendekommagetallen met<br />

max. 10 posities vóór en 7 posities na de komma<br />

■ de variabelen blijven „gehandhaafd“, ook wanneer de besturing<br />

tussentijds wordt uitgeschakeld<br />

4.15.1 #-variabelen<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> maakt gebruik van toepassingsgebieden op basis<br />

van nummergroepen:<br />

■ #0 .. #29: kanaalafhankelijke, globale variabelen<br />

Zijn voor elke slede (NC-kanaal) beschikbaar. Gelijke<br />

variabelennummers voor verschillende sledes beïnvloeden elkaar niet.<br />

Globale variabelen blijven na het programma-einde bestaan en<br />

kunnen door het volgende NC-programma worden verwerkt.<br />

■ #30 .. #45 niet-kanaalafhankelijke, globale variabelen<br />

Zijn één keer in de besturing beschikbaar. Wanneer het NCprogramma<br />

van een slede een variabele wijzigt, dan geldt dat voor<br />

alle sledes. De variabelen blijven na het programma-einde bestaan<br />

en kunnen door het volgende NC-programma worden verwerkt.<br />

■ #46 .. #50 gereserveerde variabelen voor expertprogramma's<br />

mogen niet in uw NC-programma worden gebruikt.<br />

■ #256 .. #285 lokale variabelen<br />

gelden in een subprogramma.<br />

Parameterwaarden gelezen<br />

Syntaxis: #1 = PARA(x,y,z)<br />

x = parametergroep<br />

■ 1: machineparameter<br />

■ 2: regelparameter<br />

■ 3: instelparameter<br />

■ 4: bewerkingsparameter<br />

■ 5: PLC-parameter<br />

y = parameternummer<br />

z = subparameternummer<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Syntaxis: rekenfunctie<br />

+ optellen<br />

– aftrekken<br />

* vermenigvuldigen<br />

/ delen<br />

SQRT(...) vierkantswortel<br />

ABS(...) absolute factor<br />

TAN(...) tangens (in graden)<br />

ATAN(...) arc tangens (in graden)<br />

SIN(...) sinus (in graden)<br />

ASIN(...) arc sinus (in graden)<br />

COS(...) cosinus (in graden)<br />

ACOS(...) arc cosinus (in graden)<br />

ROUND(...) afronden<br />

LOGN(...) natuurlijke logaritme<br />

EXP(...) exponentiële functie e x<br />

INT(...) decimalen afbreken<br />

alleen bij #-variabelen:<br />

SQRTA(.., ..) vierkantswortel uit (a 2 +b 2 )<br />

SQRTS(.., ..) vierkantswortel uit (a 2 –b 2 )<br />

Programmeer NC-regels met<br />

variabelenberekeningen met de „sledeaanduiding<br />

$..“, wanneer uw draaibank<br />

over meerdere sledes beschikt. Anders<br />

worden de berekeningen meedere keren<br />

uitgevoerd.<br />

Voorbeelden „#-variabele“<br />

. . .<br />

N.. #1=PARA(1,7,3) [leest „machinemaat 1 Z“ in<br />

variabele #1 ]<br />

. . .<br />

N.. #1=#1+1<br />

N.. G1 X#1<br />

N.. G1 X(SQRT(3*(SIN(30)))<br />

N.. #1=(ABS(#2+0.5))<br />

. . .<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 175<br />

4.15 Programmering van variabelen


4.15 Programmering van variabelen<br />

Informatie in variabelen<br />

U kunt de volgende gereedschaps- en NC-informatie uit variabelen<br />

uitlezen. De bezetting van de variabelen #518..#521 is van het<br />

gereedschapstype afhankelijk.<br />

Voorwaarde: de variabele is op basis van de gereedschapsoproep of<br />

het NC-programma „gedefinieerd“.<br />

#-variabele Gereedschapsinformatie<br />

#512 gereedschapstype bestaande uit 3 posities<br />

#513..#515 gereedschapstype 1e, 2e, 3e positie<br />

#516 effectieve lengte (nl) bij draai- en boorgereedschap<br />

#517 hoofdbewerkingsrichting (zie tabel)<br />

#518 nevenbewerkingsrichting bij draaigereedschap (zie<br />

tabel)<br />

#519 gereedschapstype:<br />

■ 14*: 1 = rechtse, 2 = linkse uitvoering (A)<br />

■ 5**, 6**: aantal tanden<br />

#520 gereedschapstype:<br />

■ 1**, 2**: beitelradius (rs)<br />

■ 3**, 4**: tapdiameter (d1)<br />

■ 51*, 52*: freesdiameter voor (df)<br />

■ 56*, 6**: freesdiameter (d1)<br />

#521 gereedschapstype:<br />

■ 11*, 12*: schachtdiameter (sd)<br />

■ 14*, 15*, 16*, 2**: beitelbreedte (sb)<br />

■ 3**, 4**: aansnijdingslengte (al)<br />

■ 5**, 6**: freesbreedte (fb)<br />

#522 gereedschapspositie (referentie: bewerkingsrichting van<br />

het gereedschap)<br />

0: op de contour<br />

1: rechts van de contour<br />

– 1: links van de contour<br />

#523..#525 instelmaten (ze, xe, ye)<br />

#526..#527 positie van het snijkantmiddelpunt I, K (zie afbeelding)<br />

#-variabele NC-informatie<br />

#768..#770 laatst geprogrammeerde positie X (radiusmaat), Y, Z<br />

#771 laatst geprogrammeerde positie C [°]<br />

#772 actieve bedrijfsmode<br />

2: machine; 3: simulatie; 4: TURN PLUS<br />

#774 status SRC/FRC<br />

40: G40 actief; 41: G41 actief; 42: G42 actief<br />

#775 nummer van de geselecteerde C-as<br />

176<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Positie- en meetgegevens zijn altijd<br />

metrisch – ook wanneer een NCprogramma<br />

„in inch“ wordt uitgevoerd.<br />

Hoofd- en nevenbewerkingsrichting<br />

0: niet gedefinieerd<br />

1: + Z<br />

2: + X<br />

3: – Z<br />

4: –X<br />

5: +/– Z<br />

6: +/– X<br />

4 DIN PLUS


#-variabele NC-informatie<br />

#776 actieve slijtagecorrecties (G148)<br />

0: DX, DZ; 1: DS, DZ; 2: DX, DS<br />

#778 maateenheid<br />

0: metrisch; 1: inch<br />

#782 actief bewerkingsvlak<br />

17: XY-vlak (voor- of achterkant)<br />

18: XZ-vlak (draaibewerking)<br />

19: YZ-vlak (bovenkant/mantel)<br />

#783, #785..#786afstand gereedschapspunt – sledereferentiepunt Y,<br />

Z, X<br />

#787 referentiediameter mantelbewerking (G120)<br />

#788 spil waarin het werkstuk is ingespannen (G98)<br />

#790 overmaat G52-Geo<br />

0: geen rekening mee houden<br />

1: rekening mee houden<br />

#791..#792 G57-overmaten X, Z<br />

#793 G58-overmaat P<br />

#794..#795 beitelbreedte in X, Z waarmee het<br />

gereedschapsreferentiepunt bij G150/G151 wordt<br />

verschoven<br />

#796 spilnummer waarvoor als laatste de voeding is<br />

geprogrammeerd<br />

#797 spilnummer waarvoor als laatste het toerental is<br />

geprogrammeerd<br />

4.15.2 V-variabelen<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> maakt op basis van de nummergroepen gebruik van<br />

de volgende waarde- en toepassingsgebieden:<br />

■ real V1 .. V199<br />

■ integer V200 .. V299<br />

■ gereserveerd V300 .. V900<br />

Vragen en toewijzingen:<br />

■ Machinematen lezen/schrijven (machineparameter 7)<br />

Syntaxis: V{Mx[y]}<br />

x = maat: 1..9<br />

y = coördinaat: X,Y,Z,U,V,W,A,B of C<br />

■ externe wisselcodes opvragen<br />

Er wordt naar een bitt van de wisselcode op 0 of 1 gevraagd. De<br />

machinefabrikant legt de betekenis van de wisselcode vast.<br />

Syntaxis: V{Ex[y]}<br />

x = slede 1..6<br />

y = bit: 1..16<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 177<br />

4.15 Programmering van variabelen


4.15 Programmering van variabelen<br />

■ Wissel-codes opvragen<br />

Met de „standtijdbewaking van het gereedschap“<br />

en het „zoeken naar de startregel“ worden<br />

wisselcodes gegenereerd (zie hieronder).<br />

Syntaxis: V{Ex[1]}<br />

x = wisselcode: 20..59, 90<br />

■ 20: de standtijd is verstreken (globale<br />

informatie)<br />

■ 21..59: de standtijd van dit gereedschap is<br />

verstreken<br />

■ 90: zoeken van startregel (0=niet actief;<br />

1=actief)<br />

De wisselcode wijst u aan het gereedschap toe<br />

(„standtijdbeheer“ – bedrijfsmode<br />

handbediening).<br />

■ gereedschapscorrecties lezen/schrijven<br />

Syntaxis: V{Dx[y]}<br />

x = T-nummer<br />

y = lengtecorrectie: X, Y of Z<br />

■ diagnosebits (standtijdbewaking van het<br />

gereedschap) lezen/schrijven<br />

Syntaxis: V{Tx[y]}<br />

x = T-nummer<br />

y = bit: 1..16 (zie tabel)<br />

Wisselcodes en standtijdbewaking van<br />

gereedschap<br />

Als een gereedschap verbruikt is, wordt „resultaat<br />

20“ (globale informatie) en „resultaat 1“<br />

gegenereerd. Aan de hand van „wisselcode 1“ kan<br />

het verbruikte gereedschap worden bepaald. Als<br />

het laatste gereedschap van een<br />

gereedschapsgroep is verbruikt, wordt bovendien<br />

„wisselcode 2“ gegenereerd.<br />

„Wisselcode 1 en 2“ kan afzonderlijk voor elk<br />

gereedschap in de „gereedschapsgroep“ worden<br />

gedefinieerd.<br />

De wisselcodes worden bij het programma-einde<br />

(M99) automatisch teruggezet.<br />

Informatie in variabelen<br />

■ V660: aantal stuks<br />

■ wordt bij de systeemstart op „0“ ingesteld<br />

■ wordt bij het laden van een nieuw NCprogramma<br />

op „0“ ingesteld<br />

■ wordt bij M30 of M99 met „1“ verhoogd<br />

■ V901..V920 worden bij de G-functies G901, G902,<br />

G903, G912 en G916 gebruikt (zie tabel).<br />

178<br />

Vervolg op volgende bladzijde<br />

Als er een gereedschapsgroep is gedefinieerd,<br />

programmeert u het „eerste gereedschap“ bij<br />

„gereedschapscorrectie en -diagnose“. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong><br />

adresseert het actieve gereedschap van de<br />

gereedschapsgroep (zie „4.2.4<br />

Gereedschapsprogrammering“).<br />

Voorbeeld „Diagnosebits“<br />

. . .<br />

N.. V{T10[1]=1} [stelt „standtijd verstreken“ bij<br />

gereedschap 10 – of vervangend gereedschap in]<br />

. . .<br />

Gereedschap diagnosebits<br />

Bit Betekenis<br />

1 ger. verbruikt – geeft de toestand van het gereedschap aan.<br />

„Reden voor stopzetten“: zie bit 2..8<br />

2 vooraf ingestelde standtijd/aantal stuk bereikt.<br />

3 gereserveerd voor „gereedschapslijtage door tussentijds<br />

meten van gereedschap“<br />

4 gereedschapslijtage vastgesteld door tussentijds meten van<br />

werkstuk<br />

5 gereedschapslijtage vastgesteld door na bewerking meten van<br />

het werkstuk<br />

6 gereedschapslijtage vastgesteld door de belastingsbewaking<br />

(grenswaarde 1 of 2 van de „capaciteit“ overschreden)<br />

7 gereedschapslijtage vastgesteld door de belastingsbewaking<br />

(grenswaade van „werk“ overschreden)<br />

8 een „aangrenzende snijkant“ van het multi-gereedschap is<br />

verbruikt.<br />

9 snijkant nieuw ?<br />

12 de reststandtijd van de snijkant bedraagt


■ V921: hoekverspringing bij „G906 Synchroon draaien van<br />

spindel“<br />

■ V922/V923: resultaat bij „G905 C-hoekverspringing“<br />

■ V982: foutnummer bij „G912 Registratie actuele waarde bij<br />

tussentijds meten“<br />

■ V300: resultaat bij „G991 Afsteekcontrole“<br />

Voorbeelden „V-variabele“<br />

. . .<br />

N.. V{M1[Z]=300} [ stelt „machinemaat 1 Z“ in op „300“ ]<br />

. . .<br />

N.. G0 Z{M1[Z]} [verplaatst naar „machinemaat 1 Z“]<br />

. . .<br />

N.. IF{E1[1]==0} [opvragen „externe wisselcode 1 – bit 1“]<br />

. . .<br />

N.. V{D5[X]=1.3} [stelt „correctie X in bij gereedschap 5“]<br />

. . .<br />

N.. V{V12=17.4}<br />

N.. V{V12=V12+1}<br />

N.. G1 X{V12}<br />

. . .<br />

Informatie over interpreterstop (G909)<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> bewerkt ca. 15 tot 20 NC-regels „vooraf“. Wanneer<br />

variabelen kort voor de verwerking worden toegewezen, zouden<br />

„oude waarden“ worden verwerkt. Een interpreterstop zorgt<br />

ervoor dat de variabele de „nieuwe“ waarde omvat.<br />

Met G909 wordt de „interpretatie vooraf“ gestopt. De NC-regels t/<br />

m G909 worden uitgevoerd – pas daarna worden de volgende NCregels<br />

uitgevoerd.<br />

4.15.3 Sprong, herhaling, voorwaardelijke uitvoering<br />

van regel<br />

De „V-variabelen“ worden tijdens de simulatie gesimuleerd. U kunt<br />

aan de V-variabelen waarden toewijzen en op die manier alle<br />

sprongen van uw NC-programma testen.<br />

U kunt maximaal twee voorwaarden koppelen.<br />

Wanneer u sprongen op basis van V-variabelen<br />

programmeert, mogen er geen #-variablen in de<br />

programmasprongen worden gebruikt.<br />

■ De telling van het aantal stuks in V660<br />

wijkt af van de telling van het aantal stuks<br />

in machine-uitlezing.<br />

■ X-waarden worden als radiuswaarden<br />

opgeslagen.<br />

■ Let op het volgende: de functies G901,<br />

G902, G903, G912 en G916<br />

overschrijven de variabelen – ook<br />

wanneer ze nog niet zijn verwerkt!<br />

Bezetting van variabelen V901..V920<br />

X Z Y<br />

slede 1 V901 V902 V903<br />

slede 2 V904 V905 V906<br />

slede 3 V907 V908 V909<br />

slede 4 V910 V911 V912<br />

slede 5 V913 V914 V915<br />

slede 6 V916 V917 V918<br />

C-as 1: V919<br />

C-as 2: V920<br />

■ Programmeer een interpreterstop,<br />

wanneer variabelen of externe<br />

wisselcodes „kort voordat“ de regel<br />

wordt uitgevoerd, veranderen.<br />

■ Door elke interpreterstop wordt de<br />

uitvoeringstijd van het NC-programma<br />

verlengd.<br />

■ Enkele G-functies bevatten de<br />

interpreterstop.<br />

Vergelijkingsoperatoren voor IF... en WHILE..<br />

< kleiner dan<br />

groter dan<br />

>= groter dan of gelijk aan<br />

== Gelijk aan<br />

Voorwaarden koppelen:<br />

AND logische verbinding EN<br />

OR logische verbinding OF<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 179<br />

4.15 Programmering van variabelen


4.15 Programmering van variabelen<br />

IF..THEN..ELSE..ENDIF – Programmasprong<br />

De „voorwaardelijke sprong“ omvat de volgende elementen:<br />

■ IF (als) – gevolgd door de voorwaarde. Bij de „voorwaarde“ staan<br />

links en rechts van de „verhoudingsoperator“ variabelen of<br />

rekenformules.<br />

■ THEN (dan) – wanneer aan de voorwaarde is voldaan, wordt de<br />

THEN-sprong uitgevoerd<br />

■ ELSE (anders) – indien niet aan de voorwaarde is voldaan, wordt<br />

de ELSE-sprong uitgevoerd<br />

■ ENDIF – hiermee wordt de „voorwaardelijke programmasprong“<br />

afgesloten.<br />

Programmeerinstructies<br />

IF kiezen (Menu: „Bewerking – Instructies – DIN PLUS-woorden“)<br />

„Voorwaarde“ ingeven (alleen de noodzakelijke haakjes ingeven)<br />

NC-regels van de THEN- en ELSE-sprong invoegen – de ELSEsprong<br />

kan vervallen<br />

WHILE..ENDWHILE – Programmaherhaling<br />

De „programmaherhaling“ omvat de volgende elementen:<br />

■ WHILE – gevolgd door de voorwaarde. Bij de „voorwaarde“ staan<br />

links en rechts van de „verhoudingsoperator“ variabelen of<br />

rekenformules.<br />

■ ENDWHILE – sluit de „voorwaardelijke programmasprong“ af<br />

NC-regels tussen WHILE en ENDWHILE worden uitgevoerd zolang<br />

aan de „voorwaarde“ wordt voldaan. Als niet aan de voorwaarde<br />

wordt voldaan, gaat de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> verder met de regel na<br />

ENDWHILE.<br />

Programmeerinstructies<br />

WHILE kiezen (menu: „Bewerking – Instructies– DIN PLUSwoorden“)<br />

„Voorwaarde“ ingeven (alleen de noodzakelijke haakjes ingeven)<br />

NC-regels invoegen<br />

180<br />

■ NC-regels met IF, THEN, ELSE, ENDIF<br />

mogen geen andere commando's bevatten<br />

■ Bij sprongen op basis van V-variabelen<br />

of wisselcodes wordt de contourcorrectie<br />

bij de IF-instructie uitgeschakeld en bij<br />

ENDIF weer ingeschakeld. Met G703<br />

wordt de contourcorrectie ingeschakeld.<br />

Voorbeeld:<br />

. . .<br />

N.. IF {E1[16]==1}<br />

N.. THEN<br />

N.. G0 X100 Z100<br />

N.. ELSE<br />

N.. G0 X0 Z0<br />

N.. ENDIF<br />

. . .<br />

■ Vindt de herhaling op basis van Vvariabelen<br />

of wisselcodes plaats, dan<br />

wordt de contourcorrectie bij de WHILEinstructie<br />

uitgeschakeld en bij ENDWHILE<br />

weer ingeschakeld. Met G703 wordt de<br />

contourcorrectie weer ingeschakeld.<br />

■ Wanneer altijd aan de „voorwaarde“ in<br />

het WHILE-commando wordt voldaan, leidt<br />

dit tot een „gesloten programmalus“. Dit<br />

is een veel voorkomende storingsoorzaak,<br />

wanneer met programmaherhalingen<br />

wordt gewerkt.<br />

Voorbeeld:<br />

. . .<br />

N.. WHILE (#4=0)<br />

N.. G0 Xi10<br />

. . .<br />

N.. ENDWHILE<br />

. . .<br />

4 DIN PLUS


SWITCH..CASE – programmasprong<br />

Die „Switch-instructie“ bestaat uit de volgende elementen:<br />

■ SWITCH – gevolgd door een variabele. De inhoud van de<br />

variabele wordt in de volgende CASE-instructies opgevraagd.<br />

■ CASE x – deze CASE-sprong wordt bij de variabelenwaarde x<br />

uitgevoerd. CASE kan meermaals worden geprogrammeerd.<br />

■ DEFAULT – deze sprong wordt uitgevoerd wanneer geen CASEinstructie<br />

met de variabelenwaarde overeenkomt. DEFAULT kan<br />

vervallen.<br />

■ BREAK – sluit de CASE- ofDEFAULT-sprong af<br />

Programmeerinstructies<br />

SWITCH kiezen menu: „Bewerking – Instructies – DIN PLUSwoorden“)<br />

„variabele invoeren (zonder haakjes)<br />

voor iedere CASE-sprong:<br />

CASE kiezen (menu: „Bewerking – Instructies – DIN PLUSwoorden“)<br />

„SWITCH-voorwaarde“ (waarde van de variabele) invoeren<br />

de uit te voeren NC-regels invoegen<br />

voor de DEFAULT-sprong:<br />

de uit te voeren NC-regels invoegen<br />

Uitschakelniveau /..<br />

Een NC-regel die wordt voorafgegaan door een uitschakelniveau<br />

wordt bij actief uitschakelniveau niet uitgevoerd (zie „4.3.3 Menu<br />

Bewerking“).<br />

Uitschakelniveaus worden tijdens „automatisch bedrijf“<br />

(bedrijfsmode Machine) ingeschakeld/uitgeschakeld.<br />

U kunt bovendien gebruikmaken van de uitschakelinterval<br />

(instelparameter 11 „Niveau/uitschakelinterval“). Met een<br />

„uitschakelinterval x“ wordt het uitschakelniveau om de x-keer<br />

ingeschakeld.<br />

Voorbeeld: /1 N 100 G...<br />

„N100“ wordt niet uitgevoerd wanneer uitschakelniveau 1 actief is.<br />

Slede-aanduiding $..<br />

Een NC-regel die wordt voorafgegaan door een slede-aanduiding,<br />

wordt alleen voor de opgegeven slede uitgevoerd (zie „4.3.3 menu<br />

Bewerking“). – NC-regels zonder slede-aanduiding worden op alle<br />

sledes uitgevoerd.<br />

■ Vindt de sprong plaats op basis van Vvariabelen<br />

of wisselcodes, dan wordt de<br />

contourcorrectie bij de SWITCHinstructie<br />

uitgeschakeld en bij<br />

ENDSWITCH weer ingeschakeld. Met<br />

G703 wordt de contourcorrectie weer<br />

ingeschakeld.<br />

■ De variabele waarde moet een<br />

integere waarde zijn - deze wordt niet<br />

afgerond.<br />

Voorbeeld:<br />

N.. SWITCH {V1}<br />

N.. CASE 1 [wordt uitgevoerd bij V1=1]<br />

N.. G0 Xi10<br />

. . .<br />

N.. BREAK<br />

N.. CASE 2 [wordt uitgevoerd bij V1=2]<br />

N.. G0 Xi10<br />

. . .<br />

N.. BREAK<br />

N.. DEFAULT [wordt uitgevoerd als er geen<br />

N.. G0 Xi10 CASE-instructie met de<br />

. . . variabelenwaarde overeenkomt]<br />

N.. BREAK<br />

N.. ENDSWITCH<br />

. . .<br />

Bij draaibanken met één slede of<br />

wanneer er in de „programmakop“ één<br />

slede wordt opgegeven, is een sledeaanduiding<br />

niet noodzakelijk.<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 181<br />

4.15 Programmering van variabelen


4.16 Subprogramma's<br />

4.16 Subprogramma's<br />

Oproep van subprogramma: L”xx” V1<br />

■ L: kenletter voor oproep van subprogramma<br />

■ ”xx”: naam van het subprogramma – bij externe<br />

subprogramma's bestandsnaam (max. 8 cijfers of<br />

letters)<br />

■ V1: code voor extern subprogramma – vervalt bij<br />

lokale subprogramma's<br />

Instructies voor het werken met subprogramma's:<br />

■ Externe subprogramma's staan in een apart<br />

bestand. Ze kunnen door willekeurige<br />

hoofdprogramma's, andere subprogramma's en<br />

door TURN PLUS worden opgeroepen.<br />

■ Lokale subprogramma's staan in het<br />

hoofdprogrammabestand. Ze kunnen uitsluitend<br />

vanuit het hoofdprogramma worden opgeroepen.<br />

■ Subprogramma's kunnen maximaal 6 keer worden<br />

„genest“. Met „nesten“ wordt bedoeld dat in een<br />

subprogramma een ander subprogramma wordt<br />

opgeroepen.<br />

■ Recursies moeten worden vermeden.<br />

■ U kunt in een subprogramma maximaal 20<br />

„overdrachtswaarden“ opnemen. De aanduidingen<br />

(parameter-identificatie) zijn:<br />

LA..LF, LH, I, J, K, O, P, R, S, U, W, X, Y, Z.<br />

In het subprogramma zijn de overdrachtswaarden<br />

als variabelen beschikbaar. De code is: „#__..“<br />

gevolgd door de parameteraanduiding in kleine<br />

letters (bijvoorbeeld: #__la).<br />

U kunt deze overdrachtswaarden bij de<br />

programmering van variabelen in het<br />

subprogramma gebruiken.<br />

■ De variabelen #256..#285 zijn in elk subprogramma<br />

als lokale variabele beschikbaar.<br />

■ Als een subprogramma meermaals moet worden<br />

uitgevoerd, kunt u de herhalingsfactor opgeven in<br />

de parameter „Aantal herhalingen Q“.<br />

■ Een subprogramma wordt afgesloten met<br />

RETURN.<br />

Dialoogteksten<br />

U kunt de parameterbeschrijvingen die voor of na de<br />

invoervelden staan, in een extern subprogramma<br />

vastleggen<br />

De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> stelt de maateenheden van de<br />

parameters automatisch in op „metrisch“ of „inch“.<br />

Maximaal 19 beschrijvingen – de positie van de<br />

parameterbeschrijving in het subprogramma is<br />

willekeurig.<br />

182<br />

De parameter „LN“ is gereserveerd voor de overdracht<br />

van regelnummers. Deze parameter kan bij hernummering<br />

van het NC-programma een nieuwe waarde krijgen.<br />

Parameterbeschrijvingen:<br />

[//] – begin<br />

[pn=n; s=parametertekst (maximaal 16 tekens) ]<br />

[//] – einde<br />

pn: Parameter-identifier (la, lb, ...)<br />

n: conversiecijfer voor maateenheden<br />

■ 0: dimensieloos<br />

■ 1: „mm“ of „inch“<br />

■ 2: „mm/omw„ of „inch/omw“<br />

■ 3: „mm/min“ of „inch/min“<br />

■ 4: „m/min“ of „feet/min“<br />

■ 5: „omw/min“<br />

■ 6: graden (°)<br />

■ 7: „µm“ of „µinch“<br />

Voorbeeld<br />

. . .<br />

[//]<br />

[la=1; s=stafdiam.]<br />

[lb=1; s=startpunt in Z]<br />

[lc=1; s=afschuining/afr. (-/+)]<br />

. . .<br />

[//]<br />

. . .<br />

4 DIN PLUS


4.17 M-functies<br />

Met M-functies wordt de programma-afloop gestuurd en worden de<br />

apparaten van de machine (machinefuncties) in- en uitgeschakeld.<br />

M00 Programmastop<br />

De uitvoering van het programma wordt gestopt – „cyclusstart“ zet<br />

de uitvoering van het programma voort.<br />

M01 Optionele stop<br />

Met de softkey „Optionele stop“ (automatisch bedrijf) kunt u ingeven,<br />

of de uitvoering van het programma bij M01 moet stoppen. Met<br />

„cyclusstart“ wordt de uitvoering van het programma voortgezet.<br />

M30 Programma-einde<br />

M30 betekent „programma- resp. subprogramma-einde“. (M30 hoeft<br />

niet te worden geprogrammeerd.)<br />

Als u na M30 „Cyclusstart“ kiest, wordt het programma vanaf het<br />

begin opnieuw uitgevoerd.<br />

M99 programma-einde met herstart aan begin van programma of<br />

bij opgegeven regelnummer<br />

M99 betekent „programma-einde en herstart“. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> begint<br />

opnieuw met de uitvoering van het programma vanaf:<br />

■ programmabegin wanneer NS niet is ingevoerd<br />

■ regelnummer NS wanneer NS is ingevoerd<br />

Alle functies die blijven ingeschakeld tot het moment van<br />

uitschakeling (voeding, toerental, gereedschapsnummer,<br />

etc.)die aan het programma-einde geldig zijn, gelden ook<br />

als het programma opnieuw wordt opgestart. U moet deze<br />

functies daarom aan het programmabegin of vanaf de<br />

startregel (bij gebruik van M99) opnieuw programmeren.<br />

M97 Synchroonfunctie<br />

Sledes waarvoor M97 is geprogrammeerd, wachten tot alle sledes<br />

deze regel hebben bereikt. Daarna wordt de uitvoering van het<br />

programma voortgezet.<br />

Voor ingewikkelde bewerkingen (b.v. bewerking van meerdere<br />

werkstukken) kan M97 met parameters geprogrammeerd worden.<br />

Parameters<br />

H: Nummer van synchroonteken – de verwerking geschiedt<br />

uitsluitend tijdens de interpretatie van de NC-programma’s<br />

Q: Sledenummer – gebruik de synchronisatie met Q wanneer<br />

synchronisatie met $x niet mogelijk is<br />

D: Aan/uit – default: 0<br />

■ 0: uit – synchronisatie met uitvoeringstijd van het NCprogramma<br />

■ 1: aan – synchronisatie uitsluitend tijdens de interpretatie<br />

van de NC-programma’s<br />

Voorbeeld M97<br />

. . .<br />

$1 N.. G1 X.. Z..<br />

$2 N.. G1 X.. Z..<br />

$1$2 N.. M97 [$1, $2 wachten op elkaar]<br />

. . .<br />

Machinefuncties<br />

De werking van de machinefuncties is afhankelijk<br />

van de uitvoering van de draaibank. In onderstaande<br />

tabel zijn de „meestal“ toegepaste M-functies<br />

opgesomd.<br />

Raadpleeg uw machinehandboek voor<br />

informatie over de M-functies van uw<br />

machine.<br />

M-functies voor programmabesturing<br />

M00 Programmastop<br />

M01 Optionele stop<br />

M30 Programma-einde<br />

M99 NS.. Programma-einde met herstart<br />

M-functies als machinefuncties<br />

M03 Hoofdspil aan (rechtsom)<br />

M04 Hoofdspil aan (linksom)<br />

M05 Hoofdspil stop<br />

M12 Rem hoofdspil aanhalen<br />

M13 Rem hoofdspil afzetten<br />

M14 C-as aan<br />

M15 C-as uit<br />

M19 C.. Spilstop op positie „C“<br />

M40 Spiloverbrenging op 0 instellen<br />

(neutraalstand)<br />

M41 Spiloverbrenging op 1 instellen<br />

M42 Spiloverbrenging op 2 instellen<br />

M43 Spiloverbrenging op 3 instellen<br />

M44 Spiloverbrenging op 4 instellen<br />

Mx03 Spil x aan (cw)<br />

Mx04 Spil x aan (ccw)<br />

Mx05 Spil x stop<br />

M97 Synchroonfunctie<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 183<br />

4.17 M-functies


4.18 Voorbeelden en instructies<br />

4.18 Voorbeelden en instructies<br />

4.18.1 Bewerkingscyclus programmeren<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

4.18.2 Contourherhalingen<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

184<br />

Voorbeeld: typische structuur van een bewerkingscyclus<br />

Nulpuntverschuiving<br />

Toerentalbegrenzing vastleggen<br />

Gereedschapswisselpositie naderen<br />

Gereedschap verwisselen<br />

Technologiegegevens: snijsnelheid<br />

(Toerental); voeding; draairichting<br />

Positioneren<br />

Veiligheidsafstand vastleggen<br />

Cyclusoproep<br />

Indien noodzakelijk: vrijzetten<br />

Gereedschapswisselpositie naderen<br />

Voorbeeld: programmering van contourherhalingen,<br />

inclusief opslaan van de contour<br />

4 DIN PLUS


Contour opslaan<br />

„Qx“ = aantal herhalingen<br />

Opgeslagen contour laden<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 185<br />

4.18 Voorbeelden en instructies


4.18 Voorbeelden en instructies<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

186<br />

Afsteekgereedschap verwisselen<br />

Referentiepunt aan rechter zijde van snijkant positioneren<br />

SKC inschakelen<br />

SKC uitschakelen<br />

Incrementele nulpuntverschuiving<br />

4 DIN PLUS


4.18.3 Complete bewerking<br />

De bewerking van de voor- en achterkant in een NC-programma<br />

wordt als een complete bewerking beschouwd. De <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong><br />

ondersteunt de complete bewerking voor alle gangbare machineontwerpen.<br />

U heeft daarbij de beschikking over functies zoals<br />

gesynchroniseerde overgave van werkstukken bij draaiende spil,<br />

verplaatsen naar een vaste aanslag, gecontroleerd afsteken en<br />

coördinatentransformatie. Dit garandeert een complete bewerking in<br />

een zo kort mogelijke tijd en een eenvoudige programmering.<br />

U beschrijft zowel de te draaien contour, de contouren voor de C-as<br />

(resp. Y-as) als de complete bewerking in een NC-programma. Voor het<br />

omspannen beschikt u over expertprogramma's die rekening houden<br />

met de draaibankconfiguratie. De complete bewerking kan ook<br />

worden toegepast op draaibanken met een hoofdspil.<br />

Basisprincipes<br />

Contouren achterkant C-as: de oriëntatie van de XK-as en dus ook<br />

de oriëntatie van de C-as zijn afhankelijk van het werkstuk. Hieruit<br />

volgt het onderstaande voor de achterkant:<br />

■ oriëntatie van de XK-as: ”naar links” (voorkant: ”naar rechts”)<br />

■ oriëntatie van de C-as: ”rechtsom”<br />

■ rotatierichting bij cirkelbogen G102: ”linksom”<br />

■ rotatierichting bij cirkelbogen G103: ”rechtsom”<br />

Contouren achterkant Y-as: de oriëntatie van de X-as is „afhankelijk<br />

van het werkstuk“. Hieruit volgt het onderstaande voor de achterkant:<br />

■ oriëntatie van de X-as „naar links“ (voorkant: „naar rechts“)<br />

■ rotatierichting bij cirkelbogen G2: „linksom“<br />

■ rotatierichting bij cirkelbogen G3: „rechtsom“<br />

Draaibewerking: de <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> ondersteunt de complete bewerking<br />

met converteer- en spiegelfuncties, zodat het principe<br />

■ verplaatsingen in plus-richting verwijderen zich van het werkstuk<br />

■ verplaatsingen in min-richting gaan naar het werkstuk toe<br />

bij de bewerking aan de achterkant blijven gehandhaafd.<br />

Meestal stelt de machinefabrikant op uw draaibank afgestemde<br />

expertprogramma's beschikbaar voor de overdracht van het<br />

werkstuk.<br />

Voorkant<br />

Achterkant<br />

HEIDENHAIN <strong>CNC</strong> <strong>PILOT</strong> <strong>4290</strong> 187<br />

4.18 Voorbeelden en instructies


4.18 Voorbeelden en instructies<br />

Programmering<br />

Bij de contourprogrammering aan de achterkant moet<br />

rekening worden gehouden met de oriëntatie van de<br />

XK-as (of X-as) en de rotatierichting in het geval van<br />

cirkelbogen.<br />

Zolang u van boor- en freescycli gebruik maakt, hoeft<br />

u bij de bewerking van de achterkant geen rekening te<br />

houden met bijzonderheden, omdat de cycli aan<br />

vooraf gedefinieerde contouren zijn gerelateerd.<br />

Bij de bewerking van de achterkant met de<br />

basisfuncties G100..G103 (resp. G0..G3, G12.. G13<br />

voor de Y-as), gelden dezelfde voorwaarden als bij de<br />

contouren aan de achterkant.<br />

Draaibewerking<br />

In de expertprogramma's voor het omspannen zijn<br />

converteer- en spiegelfuncties opgenomen. Bij het<br />

bewerken van de achterkant (2e opspanning) geldt:<br />

■ + richting: weg van het werkstuk<br />

■ – richting: naar het werkstuk toe<br />

■ G2/G12: cirkelbogen ”rechtsom”<br />

■ G3/G13: cirkelbogen ”linksom”<br />

Complete bewerking met tegenspil<br />

G30: met het expertprogramma wordt de spiegeling<br />

van de Z-as en de conversie van de cirkelbogen (G2,<br />

G3, ..) ingeschakeld. Conversie van de cirkelbogen is<br />

noodzakelijk voor draaibewerking en C-asbewerking.<br />

G121: het expertprogramma verschuift de contour en<br />

spiegelt het coördinatensysteem (Z-as). Voor de<br />

bewerking van de achterkant (2e opspanning) is het<br />

meestal niet noodzakelijk G121 verder te<br />

programmeren.<br />

Complete bewerki