De Avonturen Van Ome Rob 7.0

joshummelen

Lieve oma, opa, mamma, pappa, tante, oom, broer, zus,

neefje, nichtje, vriend of vriendin,

Dit boek is geschreven om Rob en zijn verhalen op een

creatieve manier her te beleven en door te geven. Bij Rob

wist je nooit precies hoeveel van zijn verhalen echt waar

was. Nu hij al een tijdje niet meer bij de levenden hoort,

worden de verhalen over hem ook steeds sterker. Dit houd

je niet tegen, dit boek is juist een omhelzing daarvan.

De ik-figuur in de nog voor te lezen fabels, dat ben jij! Lees

het dus voor alsof jij alles hebt meegemaakt en hebt

opgeschreven voor degene aan wie je het voorleest.

Daarnaast staan er af en toe vragen in voor de luisteraar.

Deze beginnen met een omgekeerd vraagteken. Zo weet je

dat er een interactiemomentje aan zit te komen. Ome Rob

vertelde zijn verhalen met veel geluiden. Deze geluiden

staan aangegeven met een sterretje (*). Doe mij, jezelf en

degene aan wie je het voorleest een lol en maak ze net zo

beeldend als Rob dat deed met zijn verhalen.

Ik hoop dat dit boek vaak wordt gepakt en gaat gelden als

een lievelingsboek voor luisteraars en misschien stiekem

ook wel voor de voorlezers.


In de komende waargebeurde sprookjes kom je allerlei

mensen tegen. Misschien is het handig als je een beetje

weet hoe ze eruit zien! Daarom heb ik hieronder wat

schetsjes gemaakt. Als je zo een beetje kijkt, heb je

misschien al een idee over hoe deze figuren zullen zijn in

de verhalen. ¿Waar houdt Opaatje veel van, denk je? ¿Wat

doet Mamma Joke voor werk? ¿Wat voor kleren heeft

Commando Gerben aan? ¿Waarom staat die vis erbij? Dat

weet ik zelf ook niet. Het leek me gewoon wel geinig.


0.

Toen Ome Rob nog niet eens bestond, hij was toen een

Baby-in-de-buik, maakte hij iets mee wat ik je heel graag

wil vertellen.

Heel-heel-heel soms, als een meisje een vrouw geworden

is, krijgt ze ineens een hele-hele-hele dikke buik.

¿Weet jij wat er uit die dikke ballon kan komen als je heelheel-heel

veel geluk hebt?

Juustem! Een baby! Op 8 maart, negentien-honderd-éénen-negentig

(dat is heel-heel-heel lang geleden), stond er

iets spannends te gebeuren. Mamma Joke lag naast Opaatje

met een dikke toeter in een reusachtig bed, in een piepklein

huisje in Ede-veen. ¿Kun je op de kaart zien waar dat ligt?

Mamma Joke en Opaatje waren een spelshow aan het

kijken op tv. Als je een postduif stuurde met het juiste

antwoord, dan had je gewonnen. Maar de vraag was veel te

moeilijk. “Wat betekent Omelette du fromage in het

Nederlands?”

Maar Mamma Joke keek

maar nauwelijks. Ze wilde

dat haar dikke toeter zou

leeglopen als een ballon.

Dus Mamma Joke drukte

zo hard mogelijk tegen de

bovenkant van haar buik:

*Húúú-Húúú!*

En blazen, zo van: *Pff-

Pff*

En drukken: *Húúú-

Húúú!*

En blazen: *Pff-Pff*.

Toen Mamma Joke haar

nieuwe baby wilde laten

zien aan de andere vier, merkte ze plots *oh!* daar komt

ie!

Mamma Joke kon bijna niet meer, maar hoorde toen ineens

*PLOP!*

De baby had de uitgang gevonden en stak zijn armpjes

eruit. Mamma Joke pakte de armpjes vast en trok de kleine

doerak eruit.

“Wat een lief klein hoopje mensenkind!” fluisterde

Mamma Joke zachtjes tegen de pasgeboren knul.


Toen de baby uit die hele-hele-hele dikke toeter, die helehele-hele

dikke ballon, ach, ik bedoel natuurlijk die helehele-hele

dikke buik was gekropen, begon hij direct te

praten. Eerst konden Opaatje en Mamma Joke hem nog niet

zo goed verstaan. Maar daarna hoorde ze het, hij zei:

“Eierpannenkoek met kaas”.

Mamma Joke sprong op! *Hop!* En rende direct naar de

keuken. Ze kwam terug met een heerlijke kaasomelet. De

baby schudde van nee. “Eierpannenkoek met kaas”, bleef

hij maar zeggen.

“Maar die heb je toch nu?” Vroeg Mamma Joke. De baby

zei niets, behalve “Eierpannenkoek met kaas.”

Toen sprong Opaatje op! *Hop!* Hij pakte vlug een

postduif en knoopte er een briefje aan met

“Eierpannenkoek met kaas”. Opaatje fluisterde in het

duivenoortje “vlieg maar naar de spelshow!” en weg was

de grijze vogel. Een konijntje sprong op tussen het hoge

gras.

Mamma Joke kon haar oren niet geloven. In de spelshow

kwam ineens hun duif binnengevlogen. “Ja!” Schreeuwde

de showmaster. “We hebben een goed antwoord! Omelette

du fromage betekent Eierpannenkoek met kaas. Dus het

Witte Kasteel is van Mamma Joke en Opaatje!”

Iedereen in het piepkleine huis gooide zijn handen in de

lucht. Confetti schoot door de lucht en we are the

champions begon spontaan te spelen. Ze hadden een kasteel

gewonnen!

Opaatje pakte de baby op. Iedereen keek hen aan. “Hij zal

Ome Rob heten.” Zei hij. “Want hij is een grote

verrassing.”

Toen ik dit hoorde, wilde ik het heel graag opschrijven en

aan je voorlezen. ¿Vind je het een mooi sprookje?


3.

Toen Ome Rob al drie jaar was, hij was toen nog maar een

blond blaagje, toen maakte hij iets mee wat ik je heel graag

wil vertellen.

Toen Ome Ben bij zijn ontbijt de krant open sloeg, schrok

hij zich rot: “OORLOG!” Stond er op de eerste pagina.

Je moet weten dat het dorp van Ome Rob lag ingeklemd

tussen Ede en Veen-en-dal. Uit Ede kwamen de Edenaren.

Edenaren zijn dik en sterk. Uit Veen-en-dal komen de

Vandalen. Die zijn dun en slim. De Edenaren en Vandalen

hadden ruzie omdat het mooiste meisje van die streek

gezegd dat ze het liefste een man had die sterk én slim was.

Alle Edenaren waren sterk, maar niemand was slim. En alle

Vandalen waren slim, maar niemand was sterk. Nu waren

ze boos op elkaar geworden, omdat alle groepen zichzelf

het beste vonden. Vanuit Ede kwamen de sterkste Edenaren

en vanuit Veen-en-dal kwamen de slimste Vandalen. Ze

zouden elkaar ontmoeten in het midden: in Ede-veen. Om

precies te zijn bij

het Witte Kasteel,

waar Ome Ben zijn

pap aan het eten

was!

¿Zie je het plaatje

hiernaast? ¿Is dat

een Edenaar of een

Vandaal denk je?

Ome Ben stond

rechtop, liep naar

de klok en luidde

die zodat iedereen

naar beneden

kwam. Ze moesten

samen een plan

maken. Ome Ben

nam het woord:

De Edenaren en

Vandalen komen oorlog voeren bij ons kasteel!” Iedereen

keek verbaasd.

“We moeten ons verstoppen voor de burenruzie,” zei hij

met een plooi tussen zijn ogen. “We moeten een

ondergrondse hut bouwen.” Zei hij, terwijl iedereen hem

sprakeloos aankeek.


“En daarin verstoppelen we Tante Kas, zodat ze geen ruzie

gaan zoeken bij het Witte Kasteel.”

Stilte. Niemand zei iets. Ik hoorde het ploffen van een

kuikentje op zijn buik.

“Ssst!” Zeiden de jongens, terwijl ze een prop papier in de

mond van de spion deden.

“Wat een goed idee!” zei Ome Rob. “Ik ga mee om te

scheppen. Laat mij dat maar doen.” Hij wees op zijn bolle

peuterbuikje.

Ome Rob kroop bij Tante Kas op schoot achter het stuur

van de Duwkar. ¿Zie je hoe gaaf de Duwkar is op het

plaatje? Hopelijk werden ze niet gezien door spionnen van

de Edenaren of de Vandalen. Ome Ben duwde de kar naar

het bos. Midden in het bos stopte Ome Ben de duwkar en

keek om zich heen.

“Zo,” zei hij trots. “En nu graven!”

“Zo, daar krijg je een stijve rug van,” zei Ome Ben en hij

strekte zich uit. Maar wat zag hij daar? Een spion! Een

dikke, sterke. “Gauw!” riep Ome Ben. “De lasso!” Ome

Rob sprong op het dak van de duwkar en liet zich duwen

door Ome Ben, Tante Kas stuurde. Nu waren ze snel en kon

Ome Rob goed mikken. Ene, Tweeje, Hoppa! De lasso

schoot door de lucht *zoef!* en kwam precies om de

hamburgerbuik van de spion heen. “Gevangen!” Riep

Tante Kas.


“Je moet zachtjes doen, straks horen ze je!”

De Edenaar was heel sterk, maar werd zo de kuil in geduwd

door Ome Ben. Ze maakten gauw een dak met gras erop en

klommen naar beneden. Het was aardedonker. Nu kon

niemand Tante Kas ontdekken. Nu moesten ze wachten

totdat de oorlog over was…

Door een spleetje in het dak konden ze een halve maan zien.

Ze fantaseerden over de andere helft, die ze niet konden

zien.

Toen ik dit hoorde, wilde ik het heel graag opschrijven en

aan je voorlezen. ¿Vind je Ome Rob ook niet slim?


4.

Toen Ome Rob alweer vier jaar was, hij was toen nog

steeds een blond blaagje, toen maakte hij iets mee wat ik je

heel graag wil vertellen.

Ome Rob was alweer 1 jaar ouder geworden en nog steeds

zaten Ome Rob, Ome Ben, Tante Kas en de spion uit Edeveen

in de ondergrondse hut. Te wachten. Tot de oorlog

over was. Vandaag waren ze aan het moppentappen. Ome

Rob wist een goeie: “Zegt de één tegen de ander...” Ome

Rob kijkt de kring ernstig rond. “Zegt de ander, twee.”

Een konijntje huppelt over de hut heen.

“Ik snap hem niet,” zegt de spion. Die allang geen prop

meer in zijn mond hoefde.

¿Snap jij hem wel?

Gelukkig wist Ome Rob er

nog één: “Lopen twee oenen

over een landweggetje…”

“Zegt de ene oen tegen de

andere: mag ik in het

midden lopen?” Ome Rob

begint alvast te lachen.

Het blijft verder stil in de

hut. Plotseling begint Ome

Ben te lachen, en harder te

lachen. En nog harder te

lachen. Hij is niet meer te

stoppen. In de hele

omgeving kon je Ome Ben

horen lachen.

“Stil nou!” zei Tante Kas,

die erg bezorgd kijkt. Straks

komen er meer spionnen!

Ome Rob deed de deksel

van de ondergrondse hut

omhoog en… Warempel!

Een dunne, slimme spion! De spion slaat op de vlucht om

door te vertellen aan de Vandalen waar ze zitten! Maar wat

doet Ome Rob? Ome Rob gaat er helemaal niet achteraan

rennen. Hij doet zijn armen over elkaar en steekt zijn neus


in de wind. Ome Rob luistert naar de snelle passen van de

spion. Plotsklaps: *Kláng!* Er klinkt een klap in de verte.

Ome Ruben stopt van schrik met lachen. Ome Rob heeft

goed geluisterd, dus hij weet precies waar het geluid

vandaan kwam. Hij loopt er rustig naartoe, met zijn armen

nog over elkaar geslagen. Daar ziet hij het: een Vandaal in

een klem. Het is een opgedoft dametje.

“Zo.” Zegt Ome Rob brutaal.

“Wil je dat ik je eruit haal?” De spion knikt.

“Dan moet je zo wel een mop vertellen in de hut.” Zegt

Ome Rob en hij meent het serieus.

In de donkere hut is het helemaal stil. De ene spion kijkt de

andere spion vinnig aan. Voor het eerst in de oorlog ziet

een Edenaar een Vandaal. De Vandaal begint te fluisteren:

“Wat krijg je als je een ezel met een schildpad kruist?” De

Vandaal kijkt heel bang.

“Een Edenaar met een helm op.” Zegt ze voorzichtig en

kijkt angstig naar de andere spion.

Het woud stond zwijgend stil.

“Háhaha!” Ome Rob begint te lachen.

“Haháha!” Ome Ben moet er ook van lachen.

“Hahahá!” Ook Tante Kas moet lachen.

Als de spionnen dat zien moeten ze allemaal lachen! Samen

lachen ze zo hard dat alle legers van de Edenaren en de

Vandalen naar de ondergrondse hut komen. Alle legers uit

Ede staan nu tegenover de legers uit Veen-en-dal. Tussen

hen bevindt zich de ondergrondse hut. Ome Rob duwt het

luik omhoog en komt met een rode kop de hut uit gezet. Hij

kijkt de generaals lacherig aan. Dan komt Tante Kas ook

de hut uit. De legers kijken boos en de generaals houden

hun adem in.

Tante Kas klimt op de rug van Ome Ben.

“Lieve legers” begint ze en ze giebelt nog een beetje na.

“Jullie zijn niet beter dan elkaar.” De generaals grijpen hun

zwaarden. “En dat hoeft ook niet.” Zegt Tante Kas, terwijl

Ome Ben onder haar wiebelt. “Want jullie zijn allemaal

grappig.”

Toen was het de beurt aan de Edenaar. “Wat rookt er als

een vulkaan en is eigenlijk veel te grappig om boos op te

zijn?” De dikke Edenaar kijkt eerst heel boos, maar dan

verdwijnt langzaam de gleuf tussen zijn ogen en komt de

zon tevoorschijn. “Een spion van de vandalen!”


Op dat moment komen de spionnen lachend de hut uit en

geven elkaar een high-five. Alle soldaten moeten hard

lachen. En uiteindelijk ook de generaals. Tante Kas komt

van de rug van Ome Ben. Ze geven elkaar een knuffel. Ik

geloof dat het een Teddybeer was.

Iedereen ging naar hun eigen dorp of kasteel. Iedereen keek

naar dezelfde maan. Iedereen was eigenlijk hetzelfde.

Toen ik dit hoorde, wilde ik het heel graag opschrijven en

aan je voorlezen. ¿Vind je Ome Rob ook niet slim?


5.

Toen Ome Rob al vijf jaar was, hij was toen een hele baas,

toen maakte hij iets mee wat ik je heel

graag wil vertellen.

Op een dag was het zo heet dat zelfs het asfalt ervan moest

zweten. Ome Rob zat met de hele familie in de auto.

Opaatje achter het stuur, Mamma Joke daarnaast en Ome

Ben en Ome Jos op de achterbank. De vierkante zwarte

auto was helemaal volgepakt, want er zat zelfs nog iemand

in de kattebak. Dat was Babs. Babs was een kloek en blond

meisje die vrijwel altijd klonk als een woeste Hongaar op

een paard met een sigaar in de mondhoek als hij zich op een

bende spillebeentjes stort. Zo bang als de Romeinen voor

de Hunnen waren, zo leuk vond Ome Rob onze Babs. Heel

erg leuk dus. Ome Rob zat met zijn benen opgetrokken en

zijn middel- en wijsvinger in zijn mond te kijken naar de

kunstjes van Kloeke Babs. Ome Rob aaide zichzelf dan

altijd met een doekje

onder zijn neus. Dat

doekje vond hij heel lief.

Hij had het doekje zelfs

een naam gegeven:

Sacha.

Een van de trucjes van

Kloeke Babs was om

haar haren naar buiten te

gooien door het open

raam. Opaatje reed de

zwarte vierkante auto zo

hard over het zwetende

asfalt dat de haren van

Babs tegen het raam

kletterden. Het was een blonde feestelijkheid.

Dat wilde Ome Rob ook proberen! Hij gooide zijn Sacha

naar buiten om te zien hoe ze tegen het raam zou kletteren.

Maar de Sacha kletterde helemaal niet tegen het raam.

*Zoeff!* Een Sacha zit natuurlijk niet zo vast als de blonde

haren van Kloeke Babs. Dus Sacha was weg! Ome Rob

begon te krijsen als nooit te voren. Maar de zwarte

vierkante auto kon niet stoppen op de zwetende snelweg.


Een hele stortvloed aan tranen kwam uit zijn blonde ogen.

Mamma Joke keerde zich om en zei: “Ome Rob? Sacha

komt naar huis gevlogen, denk ik.” Maar Ome Rob werd

helemaal niet rustiger. Sasha was weg en Ome Rob zou er

nooit meer mee kunnen kroelen!

Sacha was wel weg, maar niet dom! Ze zag de zwarte

vierkante auto uit het zicht verdwijnen. “Há”, dacht Sacha.

“Ik ben misschien wel zacht, wit met blauw en doe normaal

weinig uit mezelf, maar als het echt moet: dan kan ik best

alleen reizen.” Er ging een avontuurlijke rilling door Sacha

heen. “Ik zal voor het donker weer op Ome Rob zijn kussen

liggen!”

Zo ging Sacha op reis, zonder wasverzachter of babyzalfje.

Helemaal alleen. Waar moest ze nu precies heen? Ze kon

de zwarte, vierkante auto niet meer volgen. Gelukkig is er

boven de snelweg voor mensenauto’s een snelweg voor

insecten. Op die insectensnelweg vloog een sprinkhaan.

“Goedemiddag” zei Sacha beleefd. “Goedemiddag doekje”

zei de sprinkhaan. “Weet u waar het Witte Kasteel staat,

mijnheer Sprinkhaan?” Plots keken alle sprinkhanen op de

insectensnelweg om naar Sacha en de sprinkhaan tegen wie

ze het eigenlijk had. Toen begonnen ze allemaal door

elkaar een andere richting op te wijzen. “Het Witte Kasteel

is de derde boom rechts!” “Het Kasteel is waar je duim

links zit!” Sommige sprinkhanen wisten helemaal niet waar

het over ging. “Het Witte Kasteel is vliegend precies even

ver als lopend.” Sacha vond sprinkhanen maar

bemoeizuchtige dieren.

Sacha gaf de moed niet op. Hij pakte zijn telefoon uit zijn

broekzak en belde naar een ander doekje uit de la van Ome

Rob. “Ja?” zei een doekje slaperig. Het was midden in de

nacht in de la. “Ja, hallo met Sacha. Ik weet niet waar ik

ben en ik weet niet waar Het Witte Kasteel is.” “Ben je

verdwaald?” vroeg het slaperige doekje, terwijl ze de slaap

uit haar ogen wreef. “Dan moet je het mierenspoor aan de

kant van de weg volgen.” Sacha hing op zonder gedag te

zeggen en vloog naar beneden.

Ze zag geen mierenspoor. Maar wacht eens even! De

bladeren bewegen! Ja! Als je heel goed en dicht bij de


grond keek, dan kon je ze zien waggelen. Ze zongen erbij:

“3-bier; 3-bier… Zo ijv-rig als een mier!” *haha!* Wat een

dom liedje! Maar het liedje was nog niet afgelopen. “top-1;

top-1… We gaan naar Ede-veen!” *Jippie!* zei Sacha. En

hij volgde het mierenpad.

Mamma Joke en Opaatje zaten nog uren in de warme auto.

En de schattige Ome Rob was helemaal moe van het huilen.

Maar het witte Kasteel kwam nu eindelijk in zicht. De

zwarte, vierkante auto werd voor het Kasteel geparkeerd.

Opaatje nam Ome Rob in zijn armen. Hij had zijn twee

vingers in zijn mond en was al in slaap gevallen. Opaatje

ging de trap op en keek triest. Toen hij Ome Rob’s hoofd

op het kussen wilde leggen, werd Opaatje ineens héél blij.

Want wat lag daar? Sacha! Niet meer zo wit als eerst, maar

wel languit op het kussen. Ome Rob stopte zonder wakker

te worden Sacha onder zijn neus, terwijl Opaatje hem

lekker warm instopte. Sacha en ome Rob waren weer

samen.

Toen ik dit hoorde, wilde ik het heel graag opschrijven en

aan je voorlezen. ¿Vind je Ome Rob ook niet een schat van

een manneke?


6.

Toen Ome Rob alweer zes jaar was, hij was toen een

behoorlijke kwajongen, toen maakte hij iets mee wat ik je

heel graag wil vertellen.

De dichte deur van Ome Rob’s kamer in het Witte Kasteel

ging op een kiertje. Langzaam en doodstil kwam Ome Ben

binnen geslopen. Ome Ben was de grote broer van Ome

Rob en maakte altijd grapjes. Dit maal had hij een emmer

water op zijn hoofd staan. Er was geen een rimpel te zien

op het water, zo zachtjes sloop Ome Rob naar de slapende

Ome Rob. Toen ineens: *Splesh!* Ome Rob werd wakker

gemaakt met water in zijn gezicht. Ome Rob schrok

wakker, stond rechtop met zijn knuistjes voor zijn hoofd:

“Wie komt mij halen?” zei hij luid.

Ome Ben moest ervan lachen.

“Rustig maar, Ome Rob, ik ben het maar.” Ome Rob zag

zijn grote broer en moest hard lachen. Wat was die Ome

Rob geschrokken!

“Luister” zei Ome Ben. “Ik heb toch een verrekijker

gekregen?” vroeg hij.

“Ja, voor je zwemdiploma” zei Ome Rob, alsof hij al uren

wakker was.


Ome Ben ging verder: “Met die verrekijker heb ik bij Het

Kruispunt een vogel in een hoge boom gezien die nergens

heen kan.” Ome Rob keek geschrokken.

“Oh!? Wat heeft ie dan?” Vroeg Ome Rob, met een

druipend nat gezicht. “Dat weet ik niet, maar jij moet het

helpen, want jij kunt beregoed klimmen.” Zei Ome Ben.

Ze maakten zich klaar om te gaan. Oude kleren aan, een

oude doos en een verrekijker mee… En natuurlijk een

hangladder. Ze namen de Duwkar naar Het Kruispunt. “Het

is die boom!” riep Ome Ben uit, terwijl hij de Duwkar in

de goede richting duwde. Bij de boom aangekomen, nam

Ome Rob de hangladder op zijn rug en sprong er direct in.

Ome Rob was een echte slingeraap. Hij slingerde en hij

sprong zijn weg naar boven. “Nog iets omhoog!” Riep Ome

Ben van onderen. Daar! Daar was het nestje waar een

zwarte kraai in zat.

¿Waarom denk je dat die kraai er niet zelf uit kon? Ik zal

het je vertellen. Het had een gebroken vleugel! Ome Rob

maakte de touwladder vast aan een stevige tak en gooide

het naar beneden. Nu kon Ome Ben kijken wat het

probleem was. Hij nam de grote doos mee om de vogel in

te vervoeren. “Fidel” zei Ome Ben toen hij boven was.

“Wat fidel?” zei ome Rob.

“Nou, gewoon, Fidel.” Zei Ome Ben.

“Wat is fidel?” vroeg Ome Rob.

“Zo heet die vogel vanaf nu.” Zei Ome Ben terwijl hij de

kraai in de grote doos deed.

“Ah, zeg dat dan!” Ome Rob moest er een beetje van

lachen. Vage vent, die Ome Ben.

Er gingen weken voorbij. Fidel kreeg elke dag de fles. Hij

kreeg ook schoenen van Ome Rob omdat hij nu niet kon

vliegen. Fidel mocht elke dag op de duwkar. Fidel wilde

helemaal niet weg, maar van Opaatje moest Fidel weer

vrijgelaten worden. Dus op een dag zeiden ze tegen Fidel

dat hij moest gaan vliegen. De vogel sprong op en vloog

omhoog. “Jaaa!!!” riepen Ome Ben en Ome Rob in koor.

“Vlieg maar heel ver weg!” zei Ome Rob. Fidel vloog ver

weg, tot het nog een stipje in de lucht was.

Ome Rob en Ome Ben ploften neer voor de verwarming.

Ze kregen van Mamma Joke lekkere warme

chocolademelk, maar ook daar werden ze niet blij van. Ze

misten Fidel heel erg. Het geven van de fles. En het rijden

met de Duwkar. Zonder Fidel was het maar saai in Edeveen.

Weer gingen er weken voorbij. Maar nu zonder Fidel,

de zwarte kraai.


De dichte deur van Ome Rob’s kamer in het Witte Kasteel

ging op een kiertje. Wie kwam daar binnen geslopen? Ome

Ben! Hij liep op zijn tenen met een emmer rimpelloos water

op zijn hoofd. Ineens: *Splesh!* Ome Rob werd wakker,

sprong op en probeerde zichzelf te verdedigen tegen

aanvallers.

Ome Rob!” zei Ome Ben.

“Fidel is terug!” Ome Ben lachte zijn grote witte tanden

bloot.

De broers gingen vliegensvlug naar beneden. Daar stonden

ze, op de tuintafel, op een rijtje. Fidel; zijn vrouwtje; zijn

oudste zoon; zijn eerste dochter en een baby-kraaitje. Fidel

had zo te zien zijn schoenen niet meer nodig en hij had een

keurige gele stropdas gekregen.

“Bedankt nog hé!” zei Fidel.

“Graag gedaan!” Zei Ome Rob en hij wist dat het waar was.

Soms krijg je vrienden en soms vliegen ze weer weg. En

soms, heel soms, zie je ze later weer terug. Dan is het toch

wel heel bijzonder als je elkaar niet vergeten bent.

Toen ik dit hoorde, wilde ik het heel graag opschrijven en

aan je voorlezen. ¿Vind Ome Rob ook niet een lieve vent?


7.

Toen Ome Rob alweer zeven jaar was, hij was toen een

echte doerak, toen maakte hij iets mee wat ik je heel graag

wil vertellen.

Op een dag lag Ome Rob languit onder zijn Rode

Brommert in de garage van het witte kasteel. De garage was

helemaal donker en er was maar één lamp, die scheen onder

de Rode Brommert. Rob maakte hele ingewikkelde dingen

op de brommer en moest dus even nadenken. En als je na

moet denken, dan kijk je soms even naar buiten. Ome Rob

ook. Dus hij schoof het gordijn weg van het kleine hoge

raampje.

¿Maar wat zag hij?

Het sneeuwde! *Woo-hoo!* Sneeuw! Met z’n duizenden

tegelijk kwamen de witte vlokjes de aarde bestormen.

*Hmmm* dacht Ome Rob. Het sneeuwt dus. Maar ik ben

net zo lekker aan mijn brommer aan het sleutelen. Maar het

sneeuwt wel lekker en misschien is er wel ijs! Maar als ik

zo mijn brommer af heb,

gaat hij wel heel hard!

Ome Rob had een dipje,

een moeilijk moment,

grote twijfel over wat hij

nu moest gaan doen:

spelen in de sneeuw op

het ijs of binnen blijven

en aan zijn Rode

Brommer werken?

Gelukkig kwam Ome

Ben binnen. Ome Ben

was een grote broer van

Ome Rob, met een kale

plek op zijn hoofd en

grote witte tanden. Hij

zag Ome Rob staan,

tussen het raam en zijn

brommer. Dan keek Ome

Rob naar zijn brommer en dan weer naar het raam.

“Hey Ome Rob” zei Ome Ben.

“Ik weet al wat je kunt doen!”

“Nou, wat dan?” Vroeg Ome Rob die hem sip aankeek.

“Je kunt een boek gaan lezen!” Ome Rob keek nog


moeilijker.

“Hoe heet het dan?” Vroeg hij tenslotte.

“Het is een handboek voor hoe je avonturen meemaakt. Het

heet ‘Geen Angst, Geen Onzekerheid.’” Ome Rob keek nu

echt alsof hij de Bof had.

“Broer, dat heb ik toch helemaal nergens voor nodig!” Zei

hij.

“Oh” zei Ome Ben en hij keek een beetje vermoeid en

beschaamd naar het boek. Toen keek hij met blije ogen op.

“Je kunt ook eerst je brommer afmaken en daarna het ijs

op!” zei Ruben tenslotte.

“Rustig maar, ouwe jongen” zei hij.

“Komt goed.” Zo gingen ze samen het ijs op: Ome Rob en

de Rode Brommert. Als dat maar goed gaat! Was het ijs

wel dik genoeg?

Ome Rob was nog maar een paar meter op zijn brommer

het ijs op gereden, of het gekraak begon al. Als Ome Rob

snel genoeg doorreed, dan barstte het ijs alleen achter hem,

“Dat plan is monsterr!” Zei Ome Rob. Zo ging Ome Rob

vliegensvlug aan de gang met de Rode Brommert tot hij

helemaal af was en reuzesnel.

Maar wat deed Ome Rob nu? Hij nam zijn brommer mee

naar buiten om ermee door de sneeuw te sjeezen. *Vrrrr-

Vrrrroeeem!* Rob ging natuurlijk weer veel te hard. Ome

Rob reed over het gras naar de vijver, die helemaal dicht

gevroren was. Er was nog maar één plekje open en dat was

het Eendengat. Daar zwommen de eenden heel hard heen

en weer zodat het niet bevroor. Ome Rob nam de Rode

Brommert en ging zo ver mogelijk van het Eendengat

vandaan. Daar ging hij met zijn brommer op het ijs! Hij gaf

een klopje tegen de benzinetank en een kusje tegen het

stuur.


zodat hij er niet in viel. Overal waar Ome Rob gereden had,

liet hij scheuren in het ijs achter. Nu zelfs ook gaten waar

het water er doorheen gutste. Oh nee! Daar was het

Eendengat. Met een piepende rem, stond Ome Rob zo stil

mogelijk op het dunne ijs.

‘Nu mot ik eg nie meer bewegen.’ Dacht Ome Rob, terwijl

hij zijn adem inhield.

*slik…* Toen kwamen de kraakjes dichter en dichterbij en

er kwamen ook hier en daar kleine scheurtjes in het ijs.

Toen ineens: *KraáaK!* Ome Rob zakte op zijn Rode

Brommert door het ijs heen!

*Oeh!* Wat was dat water koud! Het was minder dan nul

graden. Maar gelukkig kon Ome Rob staan in het water en

kon de Rode Brommert voelen op de bodem. Ome Rob

ging het water niet uit, zonder de Rode Brommert. Hij trok

de brommer met alle kracht die hij in zijn jongensarmen

had eruit. “Kom mee, ouwe jongen, het is daar veel te nat!”

Zei Rob tegen de Rode Brommert.

lekkere warme douche of eerst de Rode Brommert laten

drogen en weer in elkaar zetten? Ome Rob keek

ingewikkeld. De vorige keer dat hij twijfelde ging hij het

allebei doen. Dat pakte niet zo goed uit. Dus Ome Rob ging

in zijn natte pak in de koude garage werken totdat de

brommer goed droog was en zette hem daarna weer in

elkaar. Toen alles klaar was, toen pas nam Ome Rob zelf

een douche.

Toen ik dit hoorde, wilde ik het heel graag opschrijven en

aan je voorlezen. ¿Vind Ome Rob ook niet een stoere vent?

*hááááá*. “Een-twee..” Het lukte! Ome Rob was toen al

echt super sterk. De brommer wilde niet starten, dus Ome

Rob liep naast zijn brommer naar het witte kasteel.

Toen kreeg Ome Rob een dipje, hij had een moeilijk

moment en grote twijfel over wat hij nu moest doen: een


8.

Toen Ome Rob 8 jaar oud was, hij was toen echt een fikse

kwajongen, toen maakte hij iets mee wat ik je heel graag

wil vertellen.

Het was zaterdagmiddag, dus was het tijd voor de Scouting.

Scouting is een hele club jongens die elke week iets gingen

verkennen. Dan een stuk bos, dan een katapult en vandaag:

vuur!

¿Lijkt jou dat ook gaaf, om vuur te gaan verkennen?

Ome Rob fietste naar Het Kruispunt, waar hij af had

gesproken met zijn vriend. Het vriendje heette Ide en was

een hele kleine, maar best dikke, blije knul met

stekeltjeshaar. Kijk maar voorin het boek!

Ome Rob zag Ide al klaarstaan bij Het Kruispunt. Rob

groette als eerste: “Hey trekvogel! Zin om vuur te gaan

verkennen?” schreeuwde hij al van ver. “Ja! Spannend hé!”

Zei Ide, met zijn hamburgerbuik. Het was niet ver fietsen.

Ome Rob en Ide kwamen aan bij het Scoutinggebouw. Dat

was een gebouw in de bomen. De Scouts hadden de alleraller-aller

oudste, hoogste en dikste boom van Ede-veen

gekozen om hun joekel van een boomhuis in te bouwen. Je

kon de stam van de boom nauwelijks meer zien! Overal

waren er planken aan vastgetimmerd. Onder alle takken

hingen kleine hutjes aan dikke, stevige touwen. Aan elk

hutje zat ook een gekleurd vlaggetje.

¿Zie je de vlaggetjes op het plaatje hierboven? Ze hadden

expres geen dak, want Ome Rob en Ide vonden regen

‘lekker fris’.


“Ziezo, aan de slag!” zei Ide hardop en pakte twee kaarsen.

Ze waren in de hut gaan zitten, klaar om vuur te ontdekken.

Ide en Rob staken de kaarsen aan en druppelden het

kaarsvet op de houten lucifers. Van de lucifers maakten ze

een piepklein paleisje. Het kaarsvet zorgde dat alles aan

elkaar vast bleef zitten. Het werden hele mooie gebouwen.

Er zaten ramen in, kleine bijgebouwen voor de paarden en

allerlei piepkleine uitkijktorentjes.

Toen het helemaal af was zei Ome Rob: “zullen we het in

de hens zetten, da’s monster! Of zeg je kaas?” Hij bedoelde

natuurlijk te zeggen: “laten we al de koppen van de lucifers

aansteken, dat vind ik leuk, wat denk jij?”

Ide knikte heftig. Het eerste lucifertje stak de volgende aan

en die weer de volgende *Woosh!* zo ging alles in de fik.

“Heuy!” Riep Ome Rob, terwijl hij een vuist in de lucht

gooide. “Da’s monster, jonge!” Ide’s rode wangen werden

roder dan ooit, ze gloeiden helemaal “da denk”, zei hij

goedlachs.

Maar dit verhaaltje is nog niet afgelopen. Want Ome Rob

had nóg een idee. In het midden van de hut was een stalen

plaat, waar de jongens lekker fikkie op konden steken. Dat

mocht lang niet iedereen zomaar. Maar Ome Rob en Ide

waren beide geslaagd voor een test. Nu hadden ze een

insigne op de mouw van de blouse waar ‘Ketelknaapje’ op

stond. Een sprinkhaan waagte buiten een verre sprong.

Ze maakten een klein vuurtje. Toen pakte Ome Rob een

driepoot die hij erboven zette. In het midden van de

driepoot was een bakje. Als het zo bleef staan, werd dat

bakje heel-heel-heel erg warm. Ome Rob gooide al het

kaarsvet van de paleizen in dat bakje en gooide er ook nog

wat olie bij. Terwijl Ome Rob druk in de weer was, lag Ide

in een hoekje van de hut te schaterlachen met z’n vingertjes

over zijn hamburgerbuikje heen. “Hi-hi! Ha-ha! Dat is echt

gevaarlijk!” zei het ketelknaapje. Ome Rob had zijn brutale

toet staan. Hij wachtte tot het kaarsvet en de olie zo warm

waren dat er bubbeltjes uitkwamen.

“Let op!” zei hij ineens. Ide hield z’n knuistjes voor z’n

ogen. Rob gooide er plots ijskoud water op zodat er een

enorme steekvlam onder het bakje vandaan kwam.

*VLAM!* De steekvlam kwam helemaal tot de tak waar de

hut aan vastgeknoopt zat.

“Allerbarstens!” zei onze Ome Rob “Da’s kicke!”

Ide had het niet meer. “Hi-hi! Ha-ha! Dat is toch hartstikke

gevaarlijk!?” zei hij, terwijl het zweet over zijn vetkuif liep.

“Nog een keer, denk” zei Ome Rob strijdlustig. Hij goot

wat nieuwe olie in het bakje. En een beetje extra kaarsvet

er nog bij.

“Broodje ei met ui” neuriede hij.

“Niet teveel ui, anders proef je de ei niet meer.” Zong hij in

zichzelf.

Het gebeurde wel vaker dat niemand precies wist wat hij

bedoelde.


Ineens gooide Ome Rob een plens ijskoud water op het

bakje zodat er een e-nor-me vlam tevoorschijn kwam.

*fffvvvVLÁM!* De vlam sloeg in de touwen, de touwen

braken door en Rob, Ide en de hele boomhut vielen naar

beneden. *KlaBAM!* De hut stond stil op de grond, onder

de grootste boom van Ede-veen. De hamburgerbuik van Ide

trilde nog een beetje na.

Rob keek omhoog en zag dat zijn hele hut naar beneden

was gekomen. Hij concludeerde “dat moet je ook niet met

touw doen, dat moet je met ijzeren ringen doen!” Ide begon

weer luidop te lachen. Zo werd vuur verkent door de

jongens van de Scouting…

Toen ik dit hoorde, wilde ik het heel graag opschrijven en

aan je voorlezen. ¿Vind jij Ome Rob ook niet een

waaghals?


14.

Toen Ome Rob alweer veertien jaar oud was, hij was toen

een behoorlijke puber, toen maakte hij iets mee wat ik je

heel graag wil vertellen.

Ome Jos had stond recht voor Ome Rob. In zijn ene hand

hield hij een boek, dat heette ‘De Twijfel De Baas’. In zijn

andere hand lag een lag een ticket met ‘Avontuur’ erop

geschreven.

“Kies jij maar,” zei Ome Jos. Ome Rob hoefde niet lang na

te denken en las voor wat er op het ticket stond. ‘Hiermee

kun je met de jongste drie meedoen aan een gevecht-voorde-grap.’

“Wow!” zei Ome Rob. “Vechten-voor-de-grap vind ik

monster, jonge!” Direct ging hij Ome Ben halen.

Al snel stonden De Jongste Drie met blauwe overals en

zwarte maskers op een helling in een bos. Ome Ben was de

oudste, hij had een

geweer met verf erin.

Ome Jos was de

middelste, hij had een

geweer met pindakaas

erin. Ome Rob was de

jongste, hij had een

geweer met poep erin.

Ze keken stoer voor

zich uit naar het

stoplicht in de boom.

Ineens sprong het op

groen en was het

gevecht begonnen. Ze

gingen alle drie een

kant uit. Aan de

andere kant van het

bos was een vlag

verstopt. Die moesten

ze zien te pakken.

Ze slopen voorzichtig

naar de vlag toe. Ome

Ben deed zijn hand

omhoog om naar Ome

Jos te wenken. Dat


etekende dat er een vijand in de buurt was. *Klédder!*

klonk het door het bos. Ome Ben was geraakt door een

spetter verf op zijn hand: hij was af!

“Zo hé!” fluisterde Ome Jos. “Die kunnen goed schieten!”

Ome Rob had hele grote ogen gekregen.

Langzaam kropen de jongens over de grond. Ineens begon

Ome Jos recht boven hem te schieten, want hij dacht dat er

iemand in de boom zat. Maar zijn pindakaas bleef in de

takken hangen. Een bruine klodder met klontjes viel

pardoes naar beneden. Recht op zijn zwarte masker: Ome

Jos was ook af. Helaas Pindakaas! De reiger stond stil

boven het gladde water.

“Doe je stinkmaster maar af,” zei Ome Rob. “Ik heb de

vlag, jullie hebben verloren.”

De drie tegenstanders deden tegelijk hun bruin-zwarte

masker af. Het waren Comando Gerben, Kloeke Babs en

Tante Kas: Hahaha!

Vechten-voor-de-grap is heel leuk, als je er daarna samen

om kunt lachen.

Toen ik dit hoorde, wilde ik het heel graag opschrijven en

aan je voorlezen. ¿Vind je Ome Rob ook niet gevaarlijk

vastberaden?

Nu was alleen Ome Rob nog over. Hij wilde echt niet door

poep geraakt worden! Hij pakte een stuk hout en gooide die

zo ver als hij kon weg. Alle vijanden begonnen op het stuk

hout te schieten. Dat was een goede afleiding! Ome Rob

sprong op en begon te rennen naar de vlag. Terwijl hij rende

schoot hij alle vijanden onder de spetterpoep. Uiteindelijk

pakte hij de vlag en juichte heel blij.

*Whooohooow!* Schreeuwde hij en hij gooide zijn

strontgeweer de lucht in.

De tegenstanders kwamen op hem afgelopen met hun

maskers onder de getverderrie. Ome Ben en Ome Jos

kwamen ook dichterbij.


16.

Toen Ome Rob al zestien jaar was, maakte hij iets mee wat

ik je heel graag wil vertellen. Ome Rob werd toen steeds

groter en sterker. ¿Zie je hem staan op de tekening?

“Laat mij dat maar doen” zei Ome Rob, terwijl hij wees op

een grote hijskraan. Ome Rob werkte bijna elke dag voor

de familie Ten Ham. Hij werkte met boer Dick en boer Wil.

Deze boeren wilden niet dat er ongelukken gingen

gebeuren.

“Kiek wel uut!” Zeiden de boeren tegen Ome Rob.

“Komt goed.” Zei Ome Rob. En het kwam goed.

¿Wist je dat Ome Rob een ziekte had? Ja, hij was eigenlijk

heel erg ziek. Als Ome Rob niet genoeg suiker had gegeten,

dan werd hij duizelig en begon hij te trillen. Deze ziekte het

Suikerziekte. Maar Ome Rob deed net alsof hij niet ziek

was. Zo kon hij bijvoorbeeld wel náár een eiland surfen,

maar kon hij niet meer terug. Dan vond Tante Kas hem

duizelig en bevend op het strand. Of, als de trein niet meer

reed, dan fietste hij gewoon het hele land door, midden in

de nacht. Maar

dan moest hij

wel snel suiker

hebben, want

anders trilde

hij van de fiets

af.

Op een dag

moest Ome

Rob van de

familie Ten

Ham gaten

boren in de

grond. Maar ze

moesten niet te

diep, want

anders zou hij

de

waterleiding

kapot boren.

Ome Rob had

al een poosje

geen suiker

meer gehad en

was een beetje

trillerig. Maar het werk moest wel af.

“Kiek wel uut!” Zei boer Wil nog.


“Komt goed.” Zei Ome Rob.

*Trrr-Trrr!* Ome Rob boorde zo door de vloer heen. Ome

Rob werd helemaal duizelig en liep even weg om wat

suiker te halen. Boer Dick en boer Wil pakten snel een paar

bekertjes water en vulden de gaten, zodat het net leek alsof

Ome Rob een waterleiding kapot had geboord. “Psst, daar

komt Ome Rob!” Zei boer Dick. “Snel weg!” De vis

maakte een rondje in zijn vissenkom.

Ome Rob zag het water in de gaten staan en schrok zich een

ongeluk. ‘Ik heb door de waterleidingen geboord!’ dacht

hij. Ome Rob pakte gauw de waterstofzuiger en ging op

zoek naar het lek. Maar hij vond helemaal niets! ‘Hé! Hoe

kan dat nou?’ dacht Ome Rob.

“Ik zou het echt niet doen hoor.” Zei Ome Rob, die begon

te lachen.

“Ik had jullie horen lachen in het hoekje en ik dacht: die

pak ik terug!”

Toen ik dit hoorde, wilde ik het heel graag opschrijven en

aan je voorlezen. ¿Vind je Ome Rob ook niet een

grappenmaker?

In de hoek van de garage zaten boer Dick en boer Wil te

lachen in het knuistje. Ome Rob pakte een Stenendriller en

zei hardop:

“Ja, nogât! Nu maakt het ook niet meer uit.” En hij zette de

boor aan boven de waterleiding.

Boer Dick en boer Wil kwamen aangerend. Ze riepen luid:

“Nee, niet doen! Het was maar een grapje!”

Maar er was zoveel herrie dat Ome Rob niets hoorde en de

boor ging al naar beneden.

Boer Dick en boer Wil tikte Ome Rob vlug op zijn rug en

vertelden hem dat het een grapje was.

“Ja, nogât.” Zei Ome Rob, die zelf ook geen idee had wat

dat betekende.


19.

Toen Ome Rob al negentien jaar was, maakte hij iets mee

wat ik je heel graag wil vertellen. Ome Rob was toen al

boom van een vent.

In het Witte Kasteel was er een zwarte meneer

binnengewandeld. Tante Kas liep er parmantig naast. Ome

Rob keek op van zijn bank: “Hé Audie!”

“Hé Swa!” Zei de donkere meneer op een trage manier.

De man was het liefje van Tante Kas en daarom De Swager

van Ome Rob. ¿Ingewikkeld hé?

Ome Rob vond het niet alleen ingewikkeld, maar ook raar.

Want hoe kan deze man ineens binnen komen wandelen

met zijn zus. Was De Swager wel goed genoeg voor zijn

zus?

Een witte duif vloog uit het kasteelraam.

“Ik daag De Swager uit voor een wedstrijd.” De Swager

knikte angstig.

Heel Ede-veen liep achter het tweetal aan naar de

Speerbaan. Eerst ging Ome Rob gooien. Hij pakte een

lange, witte speer uit de grond en nam een aanloop… 1..

2… en *zoef!* de speer vloog door de lucht. Wow wat

gooide Ome Rob ver! Wel 14 meter.

Toen was de beurt aan De Swager. Hij pakte een lange,

zwarte speer en gooide hem uit alle macht richting de witte

speer. *zoef!* Maar ineens *rakke-takke-tak!* Ome Rob

schoot met zijn zelfgemaakte luchtbuks de speer zo uit de

lucht. Allemaal zwarte snippers dwarrelden op hen neer.

¿Zie je het plaatje van de luchtbuks?

“Hak um door de midde!” Riep Ome Rob en de mensen uit

Ede-veen klapten hun handen stuk.

Ome Rob bedacht een plannetje en luidde de klok. Iedereen

kwam naar beneden, Tante Kas en De Swager keken

verbaasd.

Deze Swager hier” zei Ome Rob met een grijns op zijn

gezicht. “Die moet bewijzen of hij wel goed genoeg is.”


De Swager slofte achter Ome Rob aan naar de Karbietbaan.

Hier gingen ze proberen om karbiet zo hard mogelijk te

laten ontploffen. Wie de hardste knal had, had gewonnen.

Er stonden twee melkbussen met karbiet klaar. Dit keer

wilde De Swager beginnen. Hij maakte een piepklein gaatje

aan de achterkant en deed de deksel goed dicht. Door het

gaatje stak hij een rotje aan. En: *Klabaf!* Een grote knal

klonk over het weiland. De Swager was tevreden.

*RrR-RrR* Daar kwam een grote giertank aangereden.

Ome Rob wenkte de truck dichterbij.

“Zet hier maar neer.” Zei hij. Hij gooide het karbiet erin,

maakte een gaatje en stak het aan met een grote

vlinderbom. *KlaBAF!* Een enorme ontploffing volgde.

“Da’s monster jonge!” zei Ome Rob en hij grijnsde van oor

tot oor. De mensen uit Ede-veen joelden en gilden.

De Swager keek Tante Kas verdrietig aan, maar hij gaf niet

op. Alle mensen gingen naar het Kippenhok. Het

Kippenhok was enorm groot, donker en het stonk heel

intens. Wie het eerst tien kippen heeft gevangen. De

Swager en Ome Rob gingen tegelijk klaarstaan, ze wachten

op het startschot...

kippen los en ging weer de duisternis in om hem te zoeken.

Ome Rob kwam vlakbij rustig achter een pilaar vandaan.

Hij sloeg De Swager op zijn schouder.

“Ik vind het heel stoer dat je me komt zoeken in dit donkere

stinkhok.” Zei Ome Rob.

“Dat is toch logisch? Je bent de broer van Tante Kas. En ik

houd van Tante Kas!” Zei De Swager.

“Het was allemaal een test.” Zei Ome Rob, iedereen wist

dat, daarom moest iedereen lachen.

“Je bent geslaagd, Swager, nu ben je Tante Kas waard.”

Alle mensen klapten en joelden en alle kippen sprongen

van blijdschap in de lucht.

Toen ik dit hoorde, wilde ik het heel graag opschrijven en

aan je voorlezen. ¿Vind je Ome Rob ook niet een goede

broer?

*Pang!* klonk het in het hok en de jongens renden de

duisternis in. De Swager was als eerste terug en had aan

elke vinger een kip hangen. De mensen klapten en hij

maakte een kleine buiging. Maar waar was Ome Rob nu?

Die had er toch allang moeten zijn? De Swager liet de


20.

Toen Ome Rob twintig jaar was, hij was toen een beetje dik

aan het worden, toen maakte hij iets mee wat ik je heel

graag wil vertellen.

Als de zon schijnt, wordt het lekker warm. Als de zon

korter schijnt, dan valt er sneeuw en wordt het winter. Ome

Jos keek naar Ome Rob, die op de bank lag. Hij had zijn

ogen bijna dicht, maar was te chagrijnig om te gaan slapen.

Ome Rob hield helemaal niet van de winter. Ome Rob hield

van kwallen in zwembroeken gooien; Zeehond spelen en

uit de zeilboot springen, zodat er niemand meer achter het

roer zat en de boot uiteindelijk omsloeg. Rob hield ervan

als iedereen hem watertrappelend zou vragen “¿waarom

deed je dat nou?” ‘Voor de lol’, zou hij denken, maar niks

zeggen, alleen grijnzen.

Vroeger, toen Ome Rob nog een kleine held was, ging hij

een keer op zijn blote voeten door de sneeuw rennen door

heel Ede-veen. Maar nu, in deze lange winter, had Ome

Rob helemaal nergens meer zin in.


Omdat hij een beetje dik aan het worden was, vond Ome

Rob dat hij een stukje moest lopen. Met de grootst

mogelijke moeite strompelde hij uit bed en stapte in zijn

schoenen. Hij wikkelde alleen een sjaal om en ging, zo in

zijn pyjama, het bos in.

Daar liep Ome Rob, met zijn schouders helemaal naar

beneden en zijn neus welhaast op de grond. Ineens schrok

hij op en wreef in zijn ogen. “Wat is dat nou!?” Er stond

een klein mannetje met een roodborstje viool te spelen. Er

zat ook een sprinkhaan op zijn hoge hoed. ¿Zie je de

sprinkhaan zitten? Het mannetje was knettertjesoud. Hij

speelde prachtig viool. Ik denk dat hij dat al deed vanaf dat

hij heel klein was. Ik bedoel: vanaf dat hij heel jong was.

Niet ver achter dit mannetje stond nog zo’n exemplaar. Op

een steen stond hij rustig aan een pijp te lurken en droeg

een uil in zijn rugtas. Ja, echt! Een heuse uil! Beide

mannetjes keken vooral erg tevreden.

Ome Rob was het niet vaak. Maar vandaag was hij jaloers.

¿Weet je wat dat is? Als je iets wilt wat iemand anders

heeft. De ene man was lekker muziek aan het maken en de

andere was wat aan het pijpjepaffen. Het leek er niet op dat

ze vonden dat de winter te lang duurde.

Ome Rob pakte het manneke met de uil op en hield hem

vlak voor zijn neus. “Ben jij nooit droevig?” vroeg hij.

De dwerg blies wat zoete rook in Ome Rob’s kromme

neusje. “Nee, dat lijkt mij zonde van de tijd.” Antwoordde

hij uiteindelijk. “En als ik het onverhoopt toch word, zet ik


een andere hoed op. Ik ruil dan vaak met mijn broer hier.”

Ome Rob trok één wenkbrauw hoog op. “Dus als je niet

vrolijk bent, zet je de hoge hoed van je broer op en dan

word je het vanzelf weer?” Het mannetje knikte. Ome Rob

knikte. Hij zette het mannetje weer op de grond en liep snel

terug naar het Witte Kasteel, want het was eigenlijk wel erg

koud.

In het Kasteel zette hij een oude boerenpet op van Opaatje

en daarna de bolhoed van Ome Ben. Ome Rob begon

voorzichtig te grinniken, want hij leek ineens heel iemand

anders. Daarna deed hij de doek van De Swager om zijn

hoofd. Dat zag er zo grappig uit! Ome Rob was helemaal

alleen en zat in een stapel van gekke hoeden, petten en

hoofddoeken. Hij lachte zich langzaamaan helemaal beter.

Als je je dus een keertje chagrijnig voelt, moet je gewoon

een andere pet opzetten!

Toen ik dit hoorde, wilde ik het heel graag opschrijven en

aan je voorlezen. ¿Vind je Ome Rob ook niet een lieve

vent?


21.

Toen Ome Rob 21 jaar oud was, hij was toen echt een

enorme reus geworden, toen maakte hij iets mee wat ik je

dolgraag wil vertellen.

Ome Rob zat in zijn kamer, voor zijn bed, sip naar de klok

te kijken. Die tikte maar wat rond. *tik-tak-tik-tak* En als

de klok helemaal rond was. (…) Begon die gewoon weer

opnieuw. Dan ging hij gewoon nog een keer het klokje

rond. Altijd maar hetzelfde liedje: *tik-tak-tik-tak*. Maar

als ik hier blijf zitten, dacht Ome Rob, dat gaat de tijd nog

trager en wordt het liedje van de klok nog slomer. Want de

tijd gaat langzaam als het saai is. En beresnel als het heel

leuk is. Ik moet dus iets heel leuks gaan doen! Dacht Ome

Rob.

“Ik wil zo iets leuks gaan doen, dat de tijd er helemaal van

in de war raakt,” zei Rob hardop. Hij sprong op. Hij begon

heen en weer te lopen door de kamer. *Eureka!* Ome Rob

had het! Ik ga racen! En ik ga drinken! En ik ga dansen!

Met De Drie Boeren...

Op de gang kwam hij

Ome Jos tegen.

“Hallo broer” zei hij.

“Hallo Ome Jos” zei

Rob.

“Ik heb een

cadeautje voor je.”

“Oh ja? Wat is het

dan?”

“Het is een boek.”

Zei Ome Jos terwijl

hij zo enthousiast

mogelijk keek.

“Ik lees geen

boeken” zei Ome

Rob.

“Maar dit boek is

anders, Ome Rob...

Dit boek heet Het

Schouderophalen.”

Ome Rob keek Ome

Jos in dezelfde ogen aan. “Dat kan ik toch allang?” Vroeg

hij vervolgens.

Ome Jos keek naar de grond. “Doei, broertje” zei hij nog.

Maar Rob was al weer naar buiten.


Want De Drie Boeren waren snel gekomen, omdat Ome

Rob ze over de telefoon het avontuur van hun leven had

beloofd. Ze gingen met z’n viertjes in een super snelle rode

racewagen zitten. Nu zouden ze het zo leuk gaan hebben,

dat ze de tijd zouden vergeten. En misschien zou de tijd hen

ook wel vergeten...

Ome Rob zei: “Zullen we heel donders hard? Da’s monster,

jonge!” De Drie Boeren vonden het een puik plan. Ze

stonden nog stil voor een smalle, maar wel een hele lange

weg. Ome Rob drukte het gaspedaal zo ver als mogelijk in.

“GroenLinks, GasRechts” zei Ome Rob. De Drie Boeren

hadden wel vaker geen idee waar hij het over had.

*VroemMm* Ze zoefden over de lange en smalle weg. Alle

jongens werden tegen hun stoelen aangedrukt door de

wind. Ze kregen tranen in de ogen van de snelheid. Ome

Rob riep tegen de wind in: “wie komt mij halen!?” ze

gingen harder en harder. *Wéééh! Wéééh!*

Het voorste wiel kwam al een beetje los van de weg, ze

stuiterden, maar Ome Rob was helemaal niet bang.

“Harder! Harder!” riepen De Drie Boeren. En Ome Rob

ging harder.

Ineens kwam ook het achterwiel een klein stukje van de

grond. De klok in het witte kasteel tikte steeds langzamer...

Ome Rob drukte op een geheim knopje onder het stuur,

zodat de vleugels vanonder de deuren tevoorschijn

kwamen, met straalmotoren eraan vast! Met een andere

geheime knop deed Ome Rob ze aan. *Vroets!* klonk het

boven Ede-veen.

“Ik wist niet eens dat dit kon, jonge!” Riep hij uit terwijl

zijn wangen helemaal naar achteren waaiden. Ome Rob en

De Drie Boeren gingen bijna sneller dan de tijd.

Toen ineens, vanuit het niets *POEF!* waren ze

verdwenen. Geen auto meer, alleen maar strak blauwe

lucht. Oh nee! Ze zijn weg! Of niet? Nee, daar aan de hemel

zag ik nog maar twee boeren aan een parachute hangen. Ze

hadden dikke tranen onder hun hangen, want ze konden de

andere jongens niet meer vinden. Ome Rob was

verdwenen! Ze waren per ongeluk buiten de tijd gekomen.


Er waren er nog maar twee over, de andere twee hebben we

nooit meer gevonden. Toen konden ze dus niet meer samen

dansen. Niet meer samen drinken.

Maar Ome Rob en die ene boer: die hebben heel veel

plezier, denk ik. Die vliegen misschien wel nog steeds in

de auto met vleugels rond. Die vliegen misschien wel voor

altijd. Ze worden in ieder geval nooit 22. Je wordt namelijk

nooit ouder als je buiten de tijd bent gekomen. Want de

klok in het Witte Kasteel die zo tikt van *tik-tak-tik-tak,*

die tikt niet meer voor hen. De twee jongens zullen voor

altijd jong blijven.

Toen ik dit hoorde, wilde ik het heel graag opschrijven en

aan je voorlezen. ¿Vind jij het ook niet jammer dat Ome

Rob nu buiten de tijd is?


Ome Rob heeft écht bestaan, dat weet je hoop ik wel. Hij

vertelde altijd hele mooie verhalen. Hij maakte ook heel

wat mee. Natuurlijk niet precies zoals het hier is

beschreven. Ik heb het een beetje overdreven, dat leek me

wel leuk.

Ome Rob moeten we maar niet vergeten. Daarom is het

nu fijn dat er een boek over is. Ik heb hier een foto gestopt

als bewijs dat hij echt Oom was. Hij zit hier met een neefje

van hem. ¿Weet je wie die baby is?

Je hoeft niet bang te zijn dat jij in een auto ook ineens

buiten de tijd vliegt, hoor. Uit dit boek heb je geleerd dat

Ome Rob heel bijzonder is. Dat je maar éénentwintig

wordt, gebeurt ook bijna nooit. Onthoud maar vooral dat

Ome Rob vol verrassingen zat. Van het winnen van het

Witte Kasteel tot het wegvliegen in een rode auto: het was

allemaal onze Ome Rob.

More magazines by this user
Similar magazines