NAV News 98

NAVvzw

navnews

mei - juni 2019 - nr 98

tweemaandelijks tijdschrift (verschijnt niet in juli & augustus)

© Tim Van Wichelen

STRAMIEN, POLO, DMOA en B-ILD aan het feest

Winnaars Jo Crepain Prijzen 2019

14

NIEUWBOUW KLEUTER-

EN BASISSCHOOL

DE OESTER IN GOOIK

BRUT architecture and urban design

(voor THV BRUT+BO+HoeBa)

Fotografie: Steven Neyrinck

V.U.: Kris Baetens, St.-Clarastraat 48, 8000 Brugge - Afgiftekantoor Gent x - erkenningsnummer P802033 - Retouradres: St.-Clarastraat 48, 8000 Brugge - T 050 47 46 67 - F 050 47 46 79


02 editoriaal

NAV bespreekt prioriteiten met Vlaams

minister van Energie Lydia Peeters

© Bart Lasuy

Samen voor meer architecturale en

ruimtelijke kwaliteit

In ons beroep valt kwaliteit te vergelijken met een tamagotchi, zo’n virtueel

kuiken dat bij gebrek aan constante zorg de digitale geest geeft. Op die

nood aan zorg voor architectuur en ruimtelijke planning hebben wij als beroepsvereniging

al tot vervelens toe gewezen. Dikwijls wijzen we daarbij de

gemeenten op hun verantwoordelijkheid omdat zij de hen recent toebedeelde

lokale autonomie onvoldoende verzilveren in een goed gefundeerd

kwaliteitsbeleid. Maar je moet daarvoor over de nodige kennis en middelen

beschikken, luidt dan meestal hun repliek. Kwaliteit is ook geen kwantificeerbaar

gegeven waarop je als lokale overheid een waterdichte motivatie

kunt bouwen als je een vergunningsaanvraag afwijst, volgt steevast als

tweede - valabel - argument. Af en toe kregen we de bal ook keihard teruggeserveerd

en werden we gewezen op banale appartementenarchitectuur

‘waaraan toch ook een ontwerper te pas is gekomen’. Een terechte kritiek,

maar als geen ander beseffen wij: de architect kan adviseren en aanbevelen

wat hij wil, de finale beslissing ligt altijd in andermans handen. Dat architecten

dergelijke opdrachten dan maar moeten weigeren zoals sommigen

suggereren, is jammer genoeg geen optie in de markt waarin we vandaag

opereren en een onaanvaardbaar zwakke positie innemen. Slotsom van de

discussie: lokale overheden en architecten praten hopeloos langs elkaar

heen, en als dat te lang aanhoudt, is het risico verre van denkbeeldig dat we

ons allebei terugtrekken in een egelstelling. Een horrorscenario dat we zeker

willen vermijden.

Maar er gloort hoop aan de horizon. Enkele recente ontwikkelingen stemmen

mij optimistisch. Mits de nodige inspanningen kunnen zij niet alleen

de architecturale en ruimtelijke kwaliteit aanscherpen, maar ook een flinke

impuls geven aan de positie van de architect. Ik heb het meer concreet over

de kwaliteitskamers die enkele intercommunales voor streekontwikkeling in

Oost- en West-Vlaanderen en in Brabant hebben opgezet met de bedoeling

de lokale besturen te versterken, kennis uit te wisselen en de expertise

te vergroten. Een tweede hoopgevende evolutie is dat de mogelijkheid die

de Vlaamse regering een tijdje geleden creëerde om intergemeentelijke

GECORO’s op te richten, daadwerkelijk tot resultaten begint te leiden. Twee

pilootprojecten kunnen alvast rekenen op financiële ondersteuning van de

(vorige) bevoegde minister van Omgeving en zullen de deelnemende gemeenten

extra slagkracht geven bij hun visievorming inzake ruimtelijk beleid

en hun aanpak van concrete projecten. Het is nu aan ons architecten, ruimtelijk

planners en andere experts om voluit onze rol in deze organen op te nemen,

zodat zij uitgroeien tot de platformen van overleg, kennisbundeling en

cocreatie waarvoor we al zo lang pleiten. De tijd voor actie is aangebroken.

Kati Lamens

Nationaal Voorzitter

Netwerk Architecten Vlaanderen

Partners NAV 2019

@NAVarchitecten

www.nav.be/opinie

De afgelopen maanden kwamen tienduizenden op straat om

aandacht te vragen voor de klimaatdoelstellingen. Maar met het

energieconsulentenproject is NAV, met de steun van het Vlaams

Energieagentschap, al een tiental jaar voortrekker voor de reductie

van de C02-uitstoot van onze gebouwen. Gedurende die jaren zijn

de energie- of epb-eisen voor onze gebouwen almaar verstrengd en

complexer geworden. De energieconsulent van NAV staat paraat om

de architecten daarvan op de hoogte te houden en bij te staan in de

toepassing ervan.

NAV organiseerde in dat kader maar liefst 379 opleidingen en verwelkomde er 31.875 deelnemers. NAV beantwoordde

tevens zo’n 4.750 helpdeskvragen van architecten. Zo’n 1.288 artikels informeerden architecten

over de recentste evoluties of de oplossing voor ontwerpvraagstukken. Tijdens de Renovatiedag bracht

NAV dat werk nog eens onder de aandacht bij Vlaams minister van Energie Lydia Peeters. (De ontmoeting

vond plaats vóór de Vlaamse verkiezingen op 26 mei. Bij het ter perse gaan, op 7 juni, was er nog geen

nieuwe Vlaamse regering gevormd.) Het vroeg niet alleen aandacht voor het vele werk dat de afgelopen

jaren al is verzet, het besprak er ook de aandachtspunten voor het toekomstige EPB-beleid.

NAV vraagt hierbij aandacht voor een flexibelere epb-regelgeving die meer ruimte laat voor het ontwerp,

en vraagt ook aandacht voor het betaalbaar houden van energiebewust bouwen. Daarnaast moet de

epb-regelgeving in haar berekeningen ook meer rekening houden met de werkelijke waarden, eerder dan

de theoretische uitkomsten van een computermodel. Ten slotte wijst NAV er ook op dat een doeltreffend

klimaatbeleid in de toekomst ook andere parameters in rekening moet brengen dan enkel het energieverbruik

van de woning, want ook het gedrag van de gebruikers, vb. op het vlak van mobiliteit, heeft een

grote impact.

Continu bijscholen en informeren

De epb-eisen verstrengen stapsgewijs al gedurende meer dan 10 jaar, en het aantal parameters wijzigt.

Zo houden architecten bij het ontwerp tegenwoordig niet langer rekening met een K-peil en een nettoenergiebehoefte

voor ruimteverwarming. Voortaan gaat het over het S-peil, naast een E-peil, een aandeel

hernieuwbare energie en eisen rond oververhitting en ventilatie en de U-max waarden van vloer, muur- en

dakisolatie. Daarnaast is de bestemming van belang en onderscheidt men nieuwbouw, renovatie én ingrijpende

energetische renovatie. Kortom, de EPB-regelgeving mag best complex en uitgebreid genoemd

worden en het continu bijscholen en informeren van architecten is dan ook noodzakelijk.

Reële, blijvende nood

Met het energieconsulentenproject komt NAV al een tiental jaar deze nood tegemoet en dit via infosessies,

opleidingen, workshops, pockets, artikels en tools. Zo bracht NAV eind 2018 nog de EPB-wijzer uit. Die

tool vat de wettelijke epb-eisen per jaartal samen voor élke mogelijke aard der werken sinds de start in

2006. Ook m.b.t. de toekomstige eisen in 2019, 2020, 2021 en de langetermijndoelstellingen in 2050 licht

de wijzer al een tip van de sluier. Daarnaast helpt de tool de architect om keuzes te maken naar gelang

het gebouwtype, het E-peil en de hernieuwbare energie, rekening houdend met de doelstellingen van

het bouwproject.

Vlaams minister van Energie Lydia Peeters bezocht tijdens de Renovatiedag een doorgedreven energetische

renovatie van AVENIRarchitecten in Hasselt.

Hoofdredacteur: Pieter De Groote, pdg@nav.be

Administratieve zetel: Willebroekkaai 37, 1000 Brussel, tel. 02 212 26 99, fax 02 400 71 72

Retouradres: Sint-Clarastraat 48, 8000 Brugge, tel. 050 474 667, fax. 050 474 679

Lay-out: FCOmedia, Marieke Veys

Druk: Drukkerij Pattyn - Afgiftekantoor Gent x, erkenningsnummer P802033

NAV News werd geseald in composteerbare bio-folie, gemaakt van maïs, en CO²-neutraal verstuurd door

Nevelland i.k.v. het GREENPOST-programma van Bpost.

NAV en zijn auteurs kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de inhoud van de teksten, de interpretatie

ervan, of eventuele onjuiste gegevens. Wet- en regelgeving veranderen snel. De mogelijkheid bestaat

dat tekst-elementen al door nieuwe wetgeving of besluiten achterhaald zijn. We excuseren ons hiervoor.

© Luc Roymans


actua 03

“We moeten ruimtelijk rendement verder inbedden in onze bouwcultuur”

Het verhogen van het ruimtelijk rendement moet de norm worden in Vlaanderen. De website

www.ruimtelijkrendement.be wil met goede voorbeelden inspiratie bieden aan ontwikkelaars, architecten,

omgevingsambtenaren of bouwheren die dagelijks bezig zijn met bouwprojecten. Door kwaliteitsvol te

verdichten en functies te verweven wordt bijkomende ruimte inname vermeden.

Vlaanderen wil ruimtelijk rendement verder inbedden

in onze bouwcultuur. Dat is nodig want

het ruimtebeslag in Vlaanderen bedraagt ondertussen

33 procent. Het gaat om de ruimte die we

in Vlaanderen innemen voor huisvesting, handel

en industrie, transport en recreatie. Ook tuinen,

parken, voetbalpleinen enz. maken daar deel van

uit. Het verhogen van het ruimtelijk rendement

betekent dat we meer gaan doen met het al ingenomen

ruimtebeslag. Dat kan door meer activiteiten

op eenzelfde oppervlakte te organiseren zonder

afbreuk te doen aan de leefkwaliteit, en dat

op de best gelegen plaatsen. Dat gebeurt door te

kiezen voor de meest geschikte combinatie van

intensivering, verweving, hergebruik en tijdelijk

ruimtegebruik.

De website www.ruimtelijkrendement.be beschrijft

uitvoerig tien voorbeeldprojecten waarbij

sprake is van kwalitatieve verdichting, verweven

van functies, hergebruik enz. Het gaat bijvoorbeeld

om cohousing met 22 woningen (Sint-

Niklaas), renovatie tot een collectief woon-en

werkproject (Antwerpen), transformatie van een

oud industriegebied (Hasselt), wonen in een herbestemde

school (Westvleteren) of een mix van

verschillende functies (Leuven). Elk project wordt

geïllustreerd met foto’s en een filmpje. De projecten

liggen verspreid over Vlaanderen. De website

zal de komende jaren verder aangevuld worden

met nieuwe inspirerende voorbeelden van ruimtelijk

rendement.

Vlaams minister Koen Van den Heuvel: “De strategische

visie van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen

streeft er naar om de verdere inname van

ruimte tegen 2040 naar 0 ha per dag te herleiden.

Het verhogen van ruimtelijk rendement vormt één

van de hoofdlijnen binnen die visie. De nieuwe

website www.ruimtelijkrendement.be toont alvast

aan dat er op het terrein vele mogelijkheden zijn

van slim, creatief en kwalitatief ruimtegebruik.”

i

www.ruimtelijkrendement.be

© Patrick Vanhopplinus

De nieuwe website van het Vlaams Departement

Omgeving werd voorgesteld door Vlaams minister

van Omgeving Koen Van den Heuvel in basisschool

GIBO Mariaburg in Brasschaat, waar naar een

ontwerp van abv+architecten boven de nieuwe

school 26 duplexwoningen werden gebouwd. V.l.n.r.

NAV-voorzitter Kati Lamens, directeur Kris Baetens,

Vlaams minister Koen Van den Heuvel en architect

Johan Seliaerts van abv+architecten.

7.000 toekomstige verbouwers op pad tijdens

de Renovatiedag

De 21ste editie van de Renovatiedag in mei heeft 7.000 toekomstige

verbouwers op de been gebracht. Goed voor in totaal zo’n 23.000

bezoeken aan 70 inspirerende renovatieprojecten. De grote

belangstelling bewijst dat Vlamingen graag goed voorbereid te werk

gaan, een must voor een geslaagd renovatieproject. Dat beaamde

ook Vlaams minister van Energie Lydia Peeters tijdens een bezoek

aan een deelnemende ingrijpende energetische renovatie van

AVENIRarchitecten in Hasselt.

Wie verbouwplannen koestert, zakte massaal af

naar de verschillende deelnemende projecten.

Bezoekers kregen niet alleen de kans om inspiratie

op te doen, ze konden ook een gesprek

aanknopen met de architect en de bewoners.

7.000 verbouwers in spe – zo’n 1.000 bezoekers

meer dan de vorige editie - kregen uit de eerste

hand te horen hoe ideeën zijn omgezet naar de

praktijk, welke technieken zijn toegepast en hoe

de samenwerking met de bouwpartners verliep.

Kortom: hoe uitgeleefde panden werden omgetoverd

tot gebouwen met een ziel.

Inhaalbeweging

Onder de deelnemende architecten is op te meten

dat renovatieopdrachten een belangrijk aandeel

blijven vormen in hun portfolio. Meer dan

58% van de ééngezinswoningen in Vlaanderen

dateert immers van voor 1970. En tegen 2050 wil

de Vlaamse Overheid dat elk huis en elk appartement

even energiezuinig is als een energetisch

performante nieuwbouwwoning. Dat betekent

dat we voor een forse inhaalbeweging staan. “Ik

stel vast dat de Vlaming bij een renovatie nu sneller

de link legt met het energiezuiniger maken

van zijn woning”, aldus Vlaams minister van Energie

Lydia Peeters. “Maar goede voorbeelden zijn

hierbij heel belangrijk. Op de Renovatiedag kan

iedereen met eigen ogen vaststellen dat energetisch

renoveren een pak haalbaarder is dan misschien

eerst gedacht.”

Renoveren op eigen ritme

Langs de zijde van de verbouwers kan je niet om

de trend van gefaseerd bouwen heen. Hierbij is

een masterplan onontbeerlijk. Zo’n plan bevat

een duidelijk einddoel en een bindende chronologie.

Voor een optimaal rendement moeten de

verschillende fases technisch op elkaar afgestemd

worden.

©Luc Roymans

Rondleiding in een ingetogen authentieke woning

uit 1900 met een verrassend open en nieuw verhaal

met grote glaspartijen aan de achterzijde van

Studio Segers Architecten uit Maaseik.

Wijzigingen Onroerend Erfgoeddecreet 2019

Er zijn dit en de komende jaren tal van wijzigingen in de

Erfgoedregelgeving. Zo wordt de bekrachtiging van archeologienota’s

vanaf april vervangen door een meldingsplicht.

De belangrijkste wijzigingen aan het Onroerenderfgoedbesluit

zijn:

• De erkenningen van onroerenderfgoedgemeenten,

intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten

en onroerenderfgoeddepots

worden fusievriendelijker.

• De erkenning van archeologen krijgt een onderverdeling

in twee types: een eerste type erkenning

voor archeologen die alle vormen van

archeologisch onderzoek mogen uitvoeren en

een tweede type erkenning voor archeologen

die enkel vooronderzoeken zonder ingreep in

de bodem mogen uitvoeren en daar archeologienota’s

over mogen melden. Zo zullen er

meer archeologen in aanmerking komen voor

een erkenning.

• De bekrachtiging van archeologienota’s wordt

vervangen door een meldingsplicht.

• Het aantal vrijstellingen van archeologisch

vooronderzoek wordt uitgebreid.

• De gevallen waarbij een beheersplan een voorwaarde

is voor het bekomen van een premie,

worden beperkt. De verplichting geldt enkel

nog bij premie-aanvragen voor UNESCO-Werelderfgoed,

beschermde stads- en dorpsgezichten,

landschappen en archeologische sites,

en voor meerjarige subsidieovereenkomsten.

• De onderzoekspremie voor de opmaak van een

beheersplan verdwijnt.

• De erfgoedpremie van 80 % verdwijnt, de

60%-categorie, vandaag beperkt tot ZEN-erfgoed

en onderwijsgebouwen wordt verruimd

met beschermde gebouwen die bestemd zijn

voor een erkende eredienst, beschermde goederen

met een publieksfunctie in eigendom

van een gemeente, autonoom gemeentebedrijf,

OCMW, welzijnsvereniging of een sociale

huisvestingsmaatschappij, open erfgoed en

opengestelde, maalvaardige molens.

• Aanvullende premies van 10 procent zijn mogelijk

voor voorbeeldige beheerders en voor

vzw’s die het herstel en beheer van beschermd

erfgoed tot doel hebben.

• De premie voor buitensporige opgravingskosten

krijgt een verhoging tot 80%. Er komt bovendien

een nieuwe premie voor verplicht uit

te voeren archeologisch vooronderzoek met

ingreep in de bodem.

Wanneer zijn welke wijzigingen in werking getreden?

De wijzigingen zijn gefaseerd in werking getreden,

enerzijds op 1 januari 2019, anderzijds op

1 april 2019. Ook de beslissingsboom van het

Agentschap Onroerend Erfgoed is geüpdatet.

i

www.nav.be/kennis

NAV Belangenbehartiging

NAV-directeur Kris Baetens

verzorgt de belangenbehartiging

voor architecten in naam

van meer dan 3 000 leden. Wilt

u iets melden? tel. 02 212 26

99 of info@nav.be


04 interview

© DMOA

“Wij creëren hoop bij conflicten”

Benjamin Denef van Maggie Program, duurzame shelters voor humanitaire doeleinden

In het dagelijkse leven is Benjamin Denef mede-zaakvoerder van DMOA Architecten in Heverlee. Maar minstens even

bezield is hij bezig met Maggie Program, de humanitaire non-profit vleugel van DMOA. De Maggie ziet eruit als een

tent, maar heeft alle voordelen van een duurzaam gebouw. Ze staat op 2 dagen recht en gaat 15 jaar mee. En kan

dus perfect gebruikt worden in conflictgebieden als opvangplaats, ziekenhuis of school.

Ik ontmoet Benjamin op het kantoor van DMOA.

Een prachtig gebouw, opgetrokken in stampbeton,

makkelijk bereikbaar met de wagen of openbaar

vervoer. Binnenin mooie lichtrijke ruimtes,

duurzame materialen en een prachtig zicht op

Leuven. Via ingebouwde sensoren reageert de

gevel bovendien op het wandeltempo van voorbijgangers

met geluid. Uitgetest en goed bevonden.

Een contrast met de werkomstandigheden

in landen zoals Kameroen of Noord-Irak, waar

Benjamin straks naartoe trekt. De Maggie zal er

dienen als educatief centrum voor Yezedi-kinderen

met een oorlogstrauma.

“Het verschil is inderdaad groot en confronterend.

Zoals de armoede in Kameroen bijvoorbeeld. Of

de corruptie bij de douane in sommige landen.

Of de gruwelverhalen die we ongetwijfeld in Irak

zullen horen. Maar tegelijk treft het me steeds

weer om te zien hoe je ondanks oorlog, armoede

of conflicten gewoon via bijvoorbeeld Whatsapp

vlot kan samenwerken met lokale partners.”

SPOORLOOS IN DE JUNGLE

“Maar het is niet altijd gemakkelijk om in dergelijke

landen te werken, dat is een feit. Er kan ook

gewoon zoveel mislopen. Geld dat je niet op tijd

bijeen krijgt, een container die ergens vast zit, onveilige

situaties… Ik kan daarvan wakker schrikken

’s nachts.”

“Of constant mee bezig zijn, zoals tijdens ons project

in Kameroen (de Maggie is daar een internaat

om zo ver wonende kinderen kans op onderwijs

te geven, red.). Hoewel we de Maggies twee

maanden ervoor met de container opstuurden,

waren die nog steeds niet ter plaatse. Eerst stond

container geblokkeerd omdat de transporteur

enkele formaliteiten was vergeten te regelen. Dan

was de vrachtwagen plots spoorloos in de jungle.

Blijkbaar wou de chauffeur een kortere weg nemen

met hellingen die de plotse regen onberijdbaar

maakte. Alle communicatie was verbroken. Ik

zat toen net in Griekenland met mijn gezin, maar

met mijn hoofd zat ik in Kameroen. Tot onvrede

van mijn reisgezellen (lacht). Ik heb echt een traan

van opluchting gelaten toen de container er was.”

DE ANDERE BART PEETERS

Hoewel Benjamin en zijn team nu veel voldoening

halen uit Maggie en echt overtuigd zijn van

hun meerwaarde, was het zeker niet vanaf het

begin de bedoeling om naast het architectenbureau

met humanitaire projecten bezig te zijn. “Wel

staan we altijd open voor nieuwe initiatieven.

De ingebouwde xylofoon in onze gevel bijvoorbeeld,

of de muurschildering buiten. Als we iets

tof vinden, dan gaan we ervoor. Los van het feit

of er return is voor ons kantoor of niet. Dat was

met Maggie ook zo. Het was Bart Peeters (niet de

zanger, wel een naamgenoot, red.) die ons triggerde

om iets te doen voor de miljoenen vluchtelingen

die hij via Artsen zonder Grenzen in de

tentenkampen zag.”

“Maar het project vlotte niet. Ondanks ons innovatieve

concept en een aantal awards (waaronder

de Belgian Building Award, red.) konden we

nergens een eerste pilootproject starten met een

grote ngo. We zijn dan zelf fondsen gaan verzamelen

bij tal van Belgische bedrijven en serviceclubs

en via samenwerking met kleinere lokale

ngo’s zijn we dan toch van start gegaan. Het sociaal

engagement leeft meer en meer bij bedrijven.

Opmerkelijk is dat tal van baksteenfabrikanten

ons project in Irak steunen, terwijl geen enkele

baksteen in de Maggie steekt.”

“Een piste waar we nu aan denken is om Maggie

in te zetten voor commerciële projecten in België.

De opbrengst vloeit dan terug naar onze humanitaire

projecten. Denk maar aan een Maggie als

tijdelijk klaslokaal voor een scholen met plaats

tekort, of als stockageruimte voor aannemers of

voor een pop-upshop… ”

“Maggie heeft ons kantoor zeker beïnvloed. Zo

zijn we meer opgeschoven in de richting van productontwikkelaar.

Overheden schakelen ons in

voor advies rond duurzaam en circulair bouwen,

we zitten samen met baksteenproducenten over

nieuwe, meer duurzame technieken om te bouwen…

Zoiets zou zonder Maggie nooit gebeurd

zijn.”

EEN TENT MET EEN VERHAAL

“Jammer genoeg krijgen we nog steeds moeilijk

voet aan wal bij de grote ngo’s zoals de VN-Vluchtelingenorganisatie

of het Rode Kruis. Ergens begrijp

ik dat wel, want zij moeten miljoenen mensen

tegelijk een oplossing kunnen bieden. Dus

kiezen ze sneller voor de grote spelers die meteen

grootschalige kwalitatieve oplossingen kunnen

bieden. Waar wij wel vernieuwend zijn, is dat we

contracten afsluiten met lokale aannemers. Waarmee

we meteen ook voor lokale tewerkstelling

zorgen.”

“Wij willen een echte game changer zijn in sociaal

ondernemerschap. Door onze samenwerking

met lokale ngo’s en bedrijven, maar zeker ook

door onze innovatie. De Maggie bestaat uit duurzame,

circulaire materialen en is zo ontwikkeld

dat ze 15 jaar meegaat. Maar zelfs dan hoeft het

niet te stoppen. Wie wil, vervangt de zeilen door

bakstenen of planken en je hebt meteen een degelijk

gebouw. De structuur kan namelijk eeuwig

meegaan.”

“Wij creëren hoop bij conflicten. De Maggie is

gewoon veel meer dan een tent, het is een verhaal.

Een van Belgische bedrijven die sponsoren,

van samenwerking met lokale ngo’s en bedrijven

en van vrijwilligers binnen en buiten DMOA die

wekenlang keihard werken. En de Maggie is echt

een shelter. Mensen vinden er warmte, gezelligheid,

onderdak, ontspanning, veiligheid en sociaal

contact. Ik kan niet wachten tot ik in Irak ben om

ons nieuwe project te realiseren. Als de container

tenminste op tijd door de douane geraakt.”

Redactie: Sanderijn Vanleenhove (Federatie Vrije Beroepen)

© DMOA

© DMOA

© Studio Dann

Dit artikel verscheen eerder in ‘De vrije Beroeper’, een

krant voor de UNIZO/Federatie Vrije Beroepen-leden

met een vrij beroep.

i

www.maggie-program.org


nav werkt 05

NAV werfbezoeken

De afgelopen maanden bood NAV haar leden de kans om

verschillende interessante werven te bezoeken: het Wintercircus

(01) in Gent, de Handelsbeurs (02) in Antwerpen, de

projectontwikkeling Nieuw Zuid (03) in Antwerpen, en het

nieuwe diensten- en cultuurcentrum (04) in Deinze.

01

© Arnout Fonck

© Evi Polak

02

© Evi Polak

© Evi Polak

03

© Evi Polak

© Evi Polak

04

© Arnaud Tandt

Ontwerpen van karaktervolle gevelbekleding en toch

prestatiegericht?

In het kader van de nieuwe STS 71.2 “Systemen voor de buitenisolatie van gevels” organiseerde

NAV deze info-avonden voor 400 architecten. Aan de hand van een aantal concrete

cases werd onder meer de vereenvoudiging geïllustreerd die de STS biedt in de selectie van

materialen. Tevens werden de aandachtspunten in de toepassing van gevelbekledingssystemen

op bestaande gebouwen belicht. Deze info-avonden vonden plaats i.h.k.v. het project

ETICS iv, met steun van VLAIO.

Asbest

Alles wat een architect moet weten omtrent de

problematiek van asbest kwam tijdens deze opleiding

aan bod. Ruim 230 aanwezigen kregen uitleg

over o.a. het herkennen van asbest, het wetgevend

kader en hoe als architect in de praktijk om

te gaan met asbest.

Lezing Naad(loos)

© Evi Polak

© Evi Polak

Tijdens deze lezingen voor 460 architecten

gingen modejournaliste

en auteur Veerle Windels, architect-ontwerper

Bart Lens, landschapsarchitect

Christian Vermander,

ir.-architect Jasper Stevens en

ir.-architect Karel Verstraeten op

zoek naar de ideale scherpte van

de naad: minimalistisch of net uitvergroot

tot ornament?

Werken met

loontrekkenden

Circulair en veranderingsgericht bouwen

Als startschot voor het project ‘Circulair en veranderingsgericht bouwen’,

waarrond NAV de komende 2 jaar zal werken, werd een infosessie gegeven

over dit topic. Er werd aan ruim 300 aanwezigen verduidelijkt welke basisconcepten

er bestaan en voor welke uitdagingen we in de toekomst staan.

Het aantal architectenbureaus dat de

voorkeur geeft aan architecten-medewerkers

in vast dienstverband, zit in de

lift. Er rijzen dan ook steeds meer vragen

over dit thema, die tijdens deze cursus

behandeld werden.

i www.ateliercirculair.be

2019

nav.be/agenda

©DAPh

Bits & Bytes

Tijdens de IT-beurs ‘Bits & Bytes’, waar verschillende partners hun digitale

tools voor het architectenkantoor voorstelden, werden twee seminaries

gegeven over de concrete toepassing van GDPR en cyberveiligheid

binnen het architectenkantoor.

Hans Wynant

Hans Wynant is coördinator

beweging bij NAV.


12 actueel

Nieuwe technologieën, producten en inzichten voor een duurzame

herstelling van betonstructuren

In de media staan er tegenwoordig regelmatig berichten over de

falende Belgische betonnen infrastructuur. Men stelt inderdaad

situaties vast waar de toestand van het (gewapend) beton

zware hinder en zelfs gevaar kan inhouden voor de gebruikers en

omstaanders en waar bijgevolg een dringende interventie nodig is.

Van vele betonnen structuren is de ontwerplevensduur

overschreden, was het ontwerp,

de uitvoering en het gebruik van materialen

ontoereikend voor wat betreft de duurzaamheid,

en is het onderhoud en de monitoring

beperkt of (in vele gevallen) onbestaand. Men

kan dus verwachten dat het aantal opdrachten

voor betonherstel in de nabije toekomst enkel

zal stijgen. Ook bij renovatieprojecten waar in

eerste instantie geen uiterlijke problemen zijn

met de betonstructuur, dienen er naargelang

de situatie herstellingen, beschermingen of

verstevigingen uitgevoerd te worden. Zelfs bij

nieuwbouwprojecten komt regelmatig een

deel betonherstel ijken.

Van de 4.300-tal algemene aannemersbedrijven

(KMO’s, exclusief éénmanszaken), hebben

slechts een 5 % ‘betonherstel’ onder hun

hoofdactiviteiten staan. Ook architectenkantoren

zijn vaak minder vertrouwd met het voorschrijven

van betonherstel. Nochtans worden

deze ‘minder-ervaren’ bedrijven tegenwoordig

praktisch allemaal met renovatieprojecten en

dus betonherstel geconfronteerd. Ze zijn zich

van het belang van de te volgen herstelstrategie

en van de recente ontwikkelingen niet

altijd of slechts beperkt bewust, waardoor ze

nog vaak geconfronteerd worden met een

suboptimaal resultaat, snel falende herstellingen,

onvoorziene omstandigheden tijdens

de uitvoering, geschillen en financiële fiasco’s,

die de reeds beperkte winstmarges sterk onder

druk zetten.

Een betonherstelling bestaat in grote lijnen uit

volgende fasen:

• de diagnose van de toestand van de betonconstructie

• de selectie van de herstelmethode(n)

• de uitvoering van de herstellingswerken.

De kwaliteit en de duurzaamheid van de uiteindelijke

herstelling hangen in grote mate af

van de goede benadering en uitvoering van

elk van deze fasen afzonderlijk, maar ook van

hun onderlinge afstemming. Om een duurzaam

en kwalitatief resultaat te verkrijgen en

falende herstellingen te vermijden dient de

kennis van de betrokken architecten en aannemers

hieromtrent verhoogd te worden.

Hiertoe werd een VIS-trajectIV opgestart. Door

middel van een doorgedreven collectieve aanpak

via de sectorfederaties, die partner zijn in

dit project, zal de beschikbare kennis tot bij

© Kozymeii Kong - Pexels

de betrokken bedrijven gebracht worden. Zo

worden er praktische artikels gepubliceerd,

typebestekken opgesteld, informatiesessies,

roadshows, werfbezoeken en demodagen georganiseerd,

enz. Check zeker de projectwebsite

voor meer informatie en om op de hoogte

te blijven van de geplande activiteiten.

i

www.duurzaam-betonherstel.be

Verbouwing Brusselse WTC-torens:

hergebruik van 95% van de materialen

De Vlaamse overheid heeft de overheidsopdracht voor werken

betreffende het ontwerpen, bouwen en de terbeschikkingstelling

van een gebouw voor de Vlaamse overheid in Brussel aan

Befimmo gegund. Het Brusselse architectuurbureau 51N4E

zal in samenwerking met Jaspers-Eyers en l’AUC het project

ontwerpen.

Het innovatieve project, dat de naam “ZIN in

No(o)rd” draagt, heeft als ambitie de emblematische

WTC I en II torens in het hart van de

Noordwijk te hergebruiken. In plaats van een

eenvoudig hergebruik van het bestaande gebouw,

voegt het ontwerp een nieuwe dimensie

toe door de torens te verbinden met een

nieuw volume van 14 verdiepingen met dubbele

hoogte. Hierdoor ontstaat een nieuwe

conditie voor een gemengde invulling, met

een nieuwe manier van werken, appartementen,

een hotel, sport- en vrijetijdsinfrastructuur,

commerciële ruimtes en veel groen. Ook de

relatie met de stad is totaal herdacht, met een

open gelijkvloerse verdieping, die uit meerdere

adressen bestaat, en een meervoudige relatie

met de stad en de publieke ruimte ontwikkelt.

Met dit nieuwe flexibele concept, wordt

een nieuwe standaard gezet voor gemengde

grootschalige gebouwen in Europa.

Hybride gebruik

Het project zet radicaal in op hergebruik, niet

enkel door het bestaande gebouw te beschouwen

als een materialenbank, maar ook door

een vernieuwend architectuurconcept. Door

slim in te spelen op de bestaande randvoorwaarden

en door deze aan te vullen met een

aantal strategische ingrepen en een toekomstgerichte

visie, ontstaat een robuust gebouw

dat zich ook in de toekomst flexibel zal kunnen

aanpassen aan een wijzigend gebruik. Door de

toevoeging van een nieuw volume met dubbelhoge

plafondhoogtes, door het voorzien

van verschillende circuits van circulatie met

meerdere toegangen, en door het activeren

van de stedelijke ruimte, al was het een gedeelde

lobby, ontstaat een complex dat niet

voor één type gebruik bedacht is, maar door

de tijd heen zal kunnen evolueren.

Na hun selectie hebben de architecten een

werkplek opgezet op een van de verdiepingen

van de WTC I toren, die ze toen samen met verschillende

andere actoren tijdelijk gebruikten,

om het project “on site” te ontwikkelen met de

verschillende partners en deskundigen. Tegelijkertijd,

en dankzij de grote investering van

LabNorth1, werden in 2018 verschillende initiatieven

genomen om alle mogelijkheden van

de Noordwijk te verkennen. Dit was een belangrijke

proefperiode voor de introductie van

nieuwe soorten toepassingen in de buurt, die

geleidelijk de mogelijkheden van gemengd en

hybride gebruik aantonen. Hoewel ze kwetsbaar

zijn, kunnen deze initiatieven de basis vormen

voor een andere toekomst voor de buurt.

Ongeveer 3.900 Vlaamse ambtenaren zullen

in « ZIN in No(o)rd » een nieuwe, inspirerende

en duurzame werkplek vinden, gericht op het

idee van uitwisseling en flexibiliteit. De kantoorruimtes

bieden de mogelijkheid om elkaar

te ontmoeten en samen te werken in een

groene en gezonde werkomgeving met gevarieerde

sferen. De appartementen op de site

zullen verhuurd worden en een vernieuwend

concept is gepland voor het hotel, in samenwerking

met een gespecialiseerde operator.

“Ongezien voorbeeldproject”

“Dit is een echt voorbeeldproject, op een ongeziene

schaal. Het bestaande gebouw is de

grondstof voor het nieuwe project: 68% wordt

hergebruikt in het project zelf. Als je de recyclage

op zich bekijkt wordt het gebouw tot 95%

gerecycleerd. Voorbij die cijfers, laat het project

ook zien hoe het circulaire denken de manier

verandert waarop je architectuur concipieert.

Door de grote maatvoering kan het gebruik

in de toekomst evolueren: het vernieuwde

project is robuust in de tijd, door de opbouw

en dimensionering, door de verschillende circulatiemogelijkheden

en door relatie met de

stad. Door het inbrengen van groen wordt het

ook een gezonde en aantrekkelijke bestemming.

Die diversiteit aan condities maakt van

het gebouw een vat van mogelijkheden voor

een open en circulaire toekomst.” Johan Anrys,

mede-oprichter van 51N4E. Redactie: 51N4E


Lerend Netwerk

Hoe Circulair Bouwen vertalen naar jouw architectenkantoor?

# 8 maandelijkse bijeenkomsten // oktober 2019 t.e.m. mei 2020 // Brussel – Gent

CONCEPT

Met dit nieuw Lerend Netwerk brengen NAV en VUB architecten

met interesse in circulair en veranderingsgericht bouwen samen.

NAV creëert met Atelier Circulair een omgeving waar ruimte

is voor ervaringsuitwisseling van inzetbare praktijkinformatie.

In een open sfeer is het mogelijk om eigen ervaringen af te

toetsen met deze van collega’s. In 8 sessie gaan we o.a. na welke

ontwerpkeuzes onze materialenimpact werkelijk verkleinen, en

hoe collega-architecten praktische problemen reeds hebben

omgezet in innovatieve oplossingen.

METHODIEK

Het Lerend Netwerk Atelier Circulair is een uniek concept waarbij

vaste groepen architecten elkaar gedurende 8 opeenvolgende

maanden ontmoeten. Elk atelier staat een thema en gastspreker

die vertrouw is met de praktijk op het programma. Hier geen

ruimte voor een ex cathedraverhaal. Wel een uitwisseling van

ervaringen, gedachten, vragen en informatie.

ERVARINGEN DEELNEMERS

EERDERE LERENDE NETWERKEN

“Er worden heel wat boeiende ervaringen gedeeld, zaken die ik

meteen kan toepassen op m’n eigen praktijk. Een boeiende groep

mensen waar we elk onze ervaringen en vragen konden op tafel

leggen en delen met iedereen.”

“Goede groepsspirit met collega’s, open gesprekken over concreet

toepasbare issues.”

“De ervaringen van collega-architecten zijn onbetaalbaar en de sfeer

is perfect voor kruisbestuiving!”

INFO EN

INSCHRIJVEN

www.ateliercirculair.be

ms@nav.be

02 212 26 99

Met AR-CO

wint u aan zekerheid

Sinds 1962 staat de coöperatieve

verzekeringsmaatschappij AR-CO ten dienste

van de ontwerpers in de bouwsector en dekt

al uw projecten, van de kleinste tot de meest

ambitieuze, in België en wereldwijd (*)

*behalve USA en Canada.

l www.ar-co.be M info@ar-co.be J 02 538 66 33

AR-CO cvba – NBB/FSMA 0330 - RPR 0406.067.338. Tasson-Snelstraat 22, 1060 Brussel. Bij K.B. erkende verzekeringsmaatschappij

Takken : 13 K.B. 4/7/1979 – 9 en 16 K.B. 14/7/1989. VDV 13-16 in LU 22/08/1995 en VDV 13 in FR 20/05/2005


08 ik vraag het aan

©Elnur / Shutterstock.com

De autonomie van architectuur vs

het engagement van ruimtelijk ontwerpers?

Sofie De Caigny (VAi) aan ir.-arch. emeritus hoogleraar André Loeckx (KULeuven)

De ontwerpen van de Brits-Iraakse architect Zaha

Hadi behoorde, tot een nieuwe golf van autonome

architectuur. Foto: het Heydar Aliyev Centre in het

Azerbeidzjaanse Baku.

Sofie De Caigny: “Het besef groeit bij de publieke

opinie dat we voor grote maatschappelijke transities

staan die allemaal een sterke ruimtelijke component

hebben. Mijn indruk is dat de autonomie

van de architectuur en het groeiend maatschappelijk

engagement van ruimtelijke ontwerpers

niet in spanning ten opzichte van elkaar moeten

staan, maar elkaar net kunnen versterken. Ik heb

jou mogen kennen als iemand die deze twee aspecten

van de architectuur steeds ondersteund

en gestimuleerd heeft. Ik ben benieuwd naar

jouw visie hierop en vraag me af welke raad je ons

architecten en schrijvers over architectuur, hierin

kan geven.

André Loeckx: “Oei Sofie, jouw vraag is best ‘het

vragen waard’; een beetje zwaar dat wel: ‘maatschappelijke

transities’, ‘autonomie van de architectuur’,

‘maatschappelijke engagement’... Het zijn

termen waaraan je de saga van heel de twintigste

eeuwse architectuur kan ophangen. Termen ook

die redelijk helder schijnen maar bij nader inzicht

eerder rizomatisch spinrag dan paradigmatische

labels blijken te zijn.

Voor mij was, in het begin van de jaren zeventig,

het opnieuw aan de orde stellen van ‘de autonomie

van de architectuur’ een ware revelatie in de

barre tijden van het uitdoven van het Team-Ten

modernisme, van de sociologische hetze tegen

‘de onmenselijkheid van de architectuur’, van de

participatiegolf die de architectuurscène overspoelde.

Hoe helder klonk de term ‘autonomie’ in

de neo-realistische en neo-rationalistische toonaarden

van Rossi en Grassi. Hoe gretig ontdekten

we de typo-morfologie: Muratori, Quatremère

de Quincy, Panerai en Castex, Fortier. Het leek

een theoretische lifeline in postmoderne tijden

waarin oliecrisissen de bouwopdrachten deden

opdrogen en grote verhalen niet meer mochten

van postmoderne filosofen. Ons eigen ARAU en

‘la Reconstruction de la Ville Européenne’ leken

zowaar de verzoening van sociologie en architectuur

in te luiden en zich als alternatief aan te

dienen voor de ondraaglijke lichtheid van ‘les

Nouveaux Plaisirs d’ Architecture’ die het olijke

kapitalistisch postmodernisme van Jencks en Graves

achterna liepen. Autonomie en maatschappelijk

engagement: zo verschillend en zo krachtig

als ‘accord d’écarts’(Kristeva). Maar Grassi maakte

plaats voor Léon Krier, Rossi ging global en ‘ la

Reconstruction de la Ville Européenne’ ontaardde

in vastgoedbanaliteit. Postmodernisme werd volgens

Koolhaas de geijkte stijl van de generieke

stad en haar productiewijze: in het beste geval

‘decorated shed’ (Venturi). De architectuur ruilde

haar autonomie, haar eigenzinnigheid, haar resiliëntie

voor het gestaag spijzigen van de opdrachtenportefeuille.

Niet dat er geen weerstand door

het autonome meer geboden werd: daar zorgden

architecten zoals Kollhoff, Moneo, Siza en vele anderen

wel voor. Maar de paradigmatische drive

was er uit. Geen nood: een nieuwe golf autonomie

kwam aangerold. Getalenteerde architecten

zoals Eisenman, Tschumi, Hadid vonden esthetische

inspiratie in suprematisme, constructivisme

en avantgarde modernisme, die ze kruidden met

intrigerende concepten à la carte, geplukt uit de

Franse kritische filosofie van Derrida, Foucault,

Deleuze. Met de cultuur- en maatschappijkritische

lading van het Franse denken hadden de

‘kritisch-autonome’ ontwerpers het evenwel

moeilijk. Meermaals raakte hun architectuur verstrikt

in pogingen om kritische filosofie te vertalen

in een hypergesofistikeerde architectonische

vormgeving, ter vervanging van maatschappelijk

engagement. Mary McLeod veegde Eisenman en

co publiek de mantel uit: hun deconstuctivistische

obsessie met ‘het andere’ maakte het architectuurdenken

blind voor de architectuurnoden

van zoveel concrete ‘anderen’ daarbuiten, op

straat: vrouwen, kinderen, migranten, kleurlingen,

armen... Ten einde raad werd op de Angelsaksische

architectuurscène dan maar ‘de postkritische

periode’ afgekondigd. Bevrijd van kritische ballast

en gerustgesteld door Fukuyama’s ‘einde van de

geschiedenis’ (en dus van de maatschappelijke

strijd), put een schare ontwerpers en schrijvers

gretig inspiratie uit de verwikkelingen van de systeemtheorie

of uit de toolboxen van de digitale

revolutie en schaart zich met optimisme achter

de beloften van een neoliberale wereldorde. Voor

anderen is de geschiedenis niet ten einde maar

is dit geen tijd voor grote historische veranderingen

of zijn deze in elk geval buiten het bereik

van de architectuur. Met professionele toewijding

verkennen zij de mogelijkheden van een pragmatisch

reformisme, voelen daarbij geen behoefte

aan filosofische rugdekking of verwijzen uit de

verte naar filosofieën die meer op de haalbaarheid

van maatschappelijk resultaat betrokken

zijn, zoals het Pragmatisme van Dewey en Rorty.

Architectonisch pragmatisme impliceert niet zich

neerleggen bij vastgoed middelmaat; maar het

is evenminin gediend met kritische charges verbeeld

in extreme architectuur. En dan zijn er de architecten,

pragmatici of niet, die bewogen raken

door de klimaatcatastrofe en resoluut gaan voor

duurzaamheid. Ze zijn steeds talrijker en zoeken

hun weg door een indrukwekkende hoeveelheid

data, duiding en debat ter zake.

En bij ons? Bij ons lijken de wisselvalligheden

van de internationale architectuurscène minder

indruk te maken op het architectuurdenken

en de architectuurpraktijk. Het defilé van de hits

en de sterren van de architectuur blijft iets voor

tentoonstellingen of gastoptredens. Ligt het aan

Geert Bekaert die er in slaagde de architectuur ‘for

the better and the worse’ te koppelen met de gemeenplaats?

De gemeenplaats als gewone plaats

en plaats van het gewone, van de dingen en de

mensen zoals ze zijn. Je hoeft maar een blik te

werpen op de tweejaarlijkse oogst van de Jaarboeken

Architectuur Vlaanderen: ‘Architectuur

op Maat’, ‘Architectuur Middenin’... De jaarboeken

lezen als een kroniek van de betrekkingen

- aftastende, intieme, dagelijkse, terughoudende

- tussen autonoom kunnen en maatschappelijke

gevoeligheid. Zachte autonomie evenwel en onderhuidse

maatschappelijke interesse, geen radikale

architectuurtaal, geen scherp maatschappelijk

engagement.

Zoals dat vaak het geval is met historische excursies,

draagt mijn kleine kroniek van de paringsdans

tussen autonomie en maatschappelijk

engagement weinig bij tot een beter inzicht. Zou

een theoretische insteek meer opleveren? Ik betwijfel

het: theoretische pogingen tot duiding

verdwalen al gauw in een labyrint van betekenissen.

Wat wordt bedoeld met ‘de autonomie van

de architectuur’? Is dat het onzegbare van de

architectuur als kunst? Heeft dat te maken met

het eigene van de architectonische vormgeving?

Slaat autonomie op de typologie als ‘Dictionnaire

de l’Architecture’? Staat autonomie voor de eigen

disciplinaire geschiedenis? Slaat de autonomie op

de eigenheid van het bouwen of op deze van de

gebouwde ruimte? Of gaat het over de relatieve

autonomie van de gebouwde vorm ten overstaan

van functie en gebruik? Of duidt autonomie op

het eigen besloten netwerk van vertogen en media,

ontwerpers en critici, schrijvers en lezers, producers

en influencers?

Met de term ‘maatschappelijk engagement’ is het

niet veel beter gesteld. Over welke maatschappelijke

kwesties gaat het? Gaat het over verantwoordelijk

omgaan met immer schaarse middelen?

Gaat het over actieve solidariteit met zorgbehoevenden

in precaire woonsituaties? Gaat het over

rechtvaardige verdeling van ruimtelijke kwaliteiten

en over de beschikbaarheid van noodzakelijke

voorzieningen? Gaat het om het recht op schoonheid

en kwaliteit in precaire buurten? Gaat het

over wonen en ruimtegebruik door verschillende

groepen van bewoners en gebruikers? Gaat het

over exclusieve toeëigening van ruimte, over gentrification

en over het onbetaalbaar geworden

wonen? Gaat maatschappelijk engagement over

participatie en beslissingsbevoegdheid omtrent

ruimtelijke ingrepen? Gaat het over het publieke

belang, over de publieke ruimte, over de beeldkwaliteit

ervan? Over veiligheid op straat? Over de

verstoorde balans tussen de publieke, de private

en de collectieve ruimte? Viseert maatschappelijk

engagement de impact van de ontwikkelaars? Of

deze van de regelgevers, de beleidsmakers, de

bestuurders? Gaat het over ecologie en klimaat?

Over de rechten van een volgende generatie? En

over welke soort en welke gradatie van engagement

gaat het? Algemene interesse en empathie

voor maatschappelijke noden? Weigeren van

opdrachten met negatief maatschappelijk effect?

Ruimte afdwingen in onderwijs, onderzoek, vakkringen

en populaire media voor stevig denkwerk

en debat omtrent ruimtelijke-maatschappelijke


Natuurlijk ventileren

een verademing

TOT-27

E-peil punten

kwesties? Professionele expertise in het ontwerpproces

doen gelden omtrent specifieke ruimtebehoeften en ruimtegebruiken

van diverse groepen ruimtegebruikers? Advocacy

voor zwakkere, minder mondige belanghebbenden

in de plannings- ontwerp- en bouwopdracht? Inzet voor

effectieve participatie? Actieve deelname aan politieke organisaties

en burgerbewegingen die opkomen voor ruimtelijk-maatschappelijke

kwesties?

En wat antwoorden op de hierboven gestelde vraag over de

relatie tussen autonomie en maatschappelijk engagement

als noch een kroniek noch een duiding van de begrippen

voldoende houvast bieden? Verder dan enkele persoonlijke

posities kom ik helaas niet.

1] Alvast leer ik uit de kroniek van pakweg een halve eeuw

architectuurperikelen die ik van veraf of van nabij meemaakte

dat autonomie en maatschappelijk engagement steeds

samen voorkomen maar dat deze coëxistentie zich op heel

verschillende manieren kan voltrekken: van bittere tegenstelling

tot perfecte synergie.

2] Autonomie en maatschappelijk engagement zijn twee

verschillende dimensies van de architectuur die elk een eigen

logica , een eigen rizoom van betekenissen en praktijken,

een eigen spectrum van waarden en eigen wijzen van

ontwikkeling hebben. Beide of een van beide miskennen

doet afbreuk aan de architectuur.

3] Zowel autonomie als maatschappelijk engagement openen

een waaier van zinvolle betekenissen en praktijken.

Maar voor mij maakt ‘arbeid aan de vorm’ (planopbouw,

tektoniek, materialisatie, beeldkwaliteit etc) in elk geval deel

uit van de kern van de autonomie en heeft maatschappelijk

engagement een programmatische en een activistische

lading die verder gaan dan interesse voor het sociale in de

gebouwde ruimte en bij het ontwerpen.

4] In recente vertogen en praktijken merk ik een verschuiving

naar meer aandacht voor processen, organisatiestructuren

en maatschappelijke randvoorwaarden, ten nadele

van de arbeid aan de vorm. En dit terwijl de inzet van de

opdracht en het harde spel van het projectproces juist behoefte

hebben aan adequate, gevatte, wervende, innoverende

vormgeving.

5] Nagenoeg alle prangende maatschappelijke kwesties

hebben een ruimtelijke dimensie. En wanneer dergelijke

kwesties aan de orde zijn in de ontwerpopdracht denk ik

dat de stelling van Bekaert omtrent het samenspel van gemeenplaats

en poëzie ontoereikend wordt en dat een radicaler

engagement nood heeft aan een radicaler beroep op

de autonomie.

6] Of het de logische lijn van mijn vertoog ten goede komt,

weet ik niet, maar tot slot wil ik stellen dat de beste bijdrage

die ontwerpers kunnen bieden aan een radicaler maatschappelijk

engagement bestaat uit een doorgedreven

arbeid aan de vorm. ‘Arbeid’ die volop steunt op wat de architectuurdiscipline

in haar bewogen geschiedenis aan inzichten

en cases verzameld heeft. ‘Vorm’ die sterk genoeg is

om zich als actor te affirmeren op de scène van belangrijke

ruimtelijke-maatschappelijke kwesties zoals klimaatherstel,

herverdeling, versterking van de democratie, fier en open

burgerschap.

Opgetekend door Staf Bellens

CHECK MY

STORY ABOUT

INDOOR AIR

QUALITY

www.worldofoxygen.com

Een gezonde en comfortabele leefomgeving in combinatie met een laag

energieverbruik dankzij een evenwichtige combinatie van basisventilatie,

ventilatieve koeling en buitenzonwering.

No more

space to insulate

Ultradunne vacuümisolatie veilig beschermd

door harde PIR-platen voor platte daken en terrassen

Met zijn extreem thermisch isolatievermogen van 0,006 W/mK in de kern en maximale

dikte van amper 45 mm, is Deck-VQ ® dé oplossing voor het isoleren van platte daken en

terrassen waar de ruimte om te isoleren beperkt is. Performant isoleren zonder moeite,

het kan.

Voor meer informatie kunt u terecht op www.recticelinsulation.be

of volg #spacetoinsulate

Porotherm D r y fi x

Plug & Spray

Sneller, beter en efficiënter bouwen

Wienerberger introduceert met Porotherm D r y fi x

een baanbrekende techniek voor bouwen met PLS

lij mstenen. Met de Porotherm Dryfi x extra spuitbus kan

het voortaan nog sneller, beter en effi ciënter.

André Loeckx

© Studio Dann

Sofie De Caigny

Aannemer Jelle Bekaert

(Algemene Bouwwerken

Jelle Bekaert)

Drie maal tij dswinst

Jelle Bekaert ziet nog voordelen: “In de overgang naar de winter

kan het plots gaan vriezen en dan worden de werken stilgelegd.

Nu kan er tot -5°C verder gewerkt worden. Met warme

handschoenen natuurlij k.”

“Bij de opstart moet geen lij m meer gemaakt worden.

Geen rolbakken die steeds opnieuw gevuld moeten worden.

Dat betekent een behoorlij ke tij dswinst en ook werkcomfort.

Moet er even gepauzeerd worden, even de spuitmond reinigen

met Dryfix cleaner en je doet gewoon verder, zonder tij dverlies.

Plug & Spray…”

En er is nog tij dswinst, zegt Jelle Bekaert: “Geen afwas meer

op het einde van de dag en minder materiaal op te bergen.

Afwassen doen we alleen nog thuis, na het avondeten.”

Geïnteresseerd om een gecertifi ceerde Porotherm D ryfi x aannemer te worden?

Voor meer info contacteer ons: T 056/24 96 27, opleidingen@wienerberger.com

www.porotherm.be


10 interview

© Miles Fischler

“Men noemt ons wel eens beleidsfluisteraars”

Roeland Dudal – Architecture Workroom Brussels

Architecture Workroom Brussels bestaat tien jaar. In die tijd evolueerde het tot een

think-and-do-tank voor innovatie binnen de architectuur, stedenbouw en andere aan de

ruimtelijke ontwikkeling gelinkte disciplines. We hadden met hen een gesprek over de –

noodzakelijk – veranderende rol van de architect.

We ontmoeten Roeland Dudal op een warme lentedag

enkele maanden voor de verkiezingen – het

rekeningrijden beheerst even het nieuws. Het kantoor

van Architecture Workroom Brussels bevindt

zich tijdelijk in de Guimardstraat, na een verblijf in

de WTC I-toren waar ze de culturele manifestatie

You Are Here organiseerden. Roeland Dudal kijkt

echter uit naar het nieuwe kantoor waar ze binnen

enkele maanden willen intrekken, liefst opnieuw

in de Noordwijk: “minder corporate en dichter bij

de actie”. ‘Brussels’ in Architecture Workroom Brussels

verwijst immers niet enkel naar de werkplek,

de locatie van het kantoor, maar ook naar hun

voornaamste laboratorium: de stadsregio Brussel.

Roeland Dudal: “Joachim Declerck en ik hebben

in 2008 Architecture Workroom bedacht als een

culturele werkplaats voor architectuur en stedenbouw.

We positioneerden ons toen mentaal in de

driehoek tussen de meer klassieke cultuurhuizen,

het beleid en de reguliere ontwerppraktijk. Met

steun van de culturele overheid konden we aan

de slag als producent van culturele ruimte via

tentoonstellingen, seminaries, lezingen, debatten

en het maken van publicaties. Onze missie was

om de positie van de architect in de samenleving

opnieuw te bevragen omdat we het gevoel

hadden dat de bijdrage van de architect aan het

maatschappelijk debat en aan de bouwproductie

relatief beperkt was. Bij de oprichting kregen

we steun van een aantal Brusselse architecten

als stichtende leden, omdat ze onze overtuiging

deelden dat het debat over architectuur en de

relatie tussen architectuur en de stad Brussel als

laboratorium onvoldoende ruimte kreeg. Gaandeweg

is Architecture Workroom uitgegroeid tot een

heel hybride organisatie waar we naast cultuurproductie

met subsidies, ook actief op zoek gaan

naar andere contexten om samen met ontwerpers

en experten nieuwe thema’s op de publieke

en beleidsagenda te krijgen. Dat gebeurt via beleidsvoorbereidend

ontwerponderzoek waarin

we met andere ontwerpers innovatieve modellen

voor architectuur en stedenbouw ontwikkelen.

We zijn een ontwerppraktijk die niet bouwt, maar

dat staat helemaal niet gelijk met een ontwerppraktijk

die zich zou beperken tot theoretische

modellen. Er zit een soort drang in om impact te

hebben op de gebouwde realiteit. Toch tekenen

we zelden in op klassieke architectuuropdrachten,

01 02

maar willen we liever deelnemen aan processen

die tot nieuwe ontwerpopgaves leiden of waarbij

de ontwerpvraag in vraag gesteld kan worden,

processen die architectuur mogelijk maken.”

Bieden architectuurwedstrijden

architecten ook niet de mogelijkheid om

de opgave in vraag te stellen?

Roeland Dudal: “Er zijn veel situaties waar de

architect de capaciteit heeft om niet alleen het

antwoord maar ook de vraag op zich te ontwerpen

en in vraag te stellen. In een veranderende

maatschappij veranderen de ontwerpopgaves.

Als de manier waarop we denken te moeten wonen

wijzigt, dus zal de vraag naar een woning

ook moeten veranderen. De organisatie van een

reguliere ontwerppraktijk laat heel vaak niet toe

om de vraag in vraag te stellen. Als je bijvoorbeeld

in een publieke aanbesteding de vraag niet beantwoordt,

voldoe je niet aan het bestek van de

procedure. Het is dus in vele gevallen om economische,

procedurele of strategische redenen niet

mogelijk om de vraag in vraag te stellen, hoezeer

daar soms ook aanleiding toe is. Via ontwerpwedstrijden

kan je daar een klein beetje op inbreken.

Het is ook één van onze hoofdmissies geweest

om net die contexten te creëren waar dit – veel

meer dan anders – mogelijk wordt. Het kader van

een cultureel project of een tentoonstelling rond

een bepaald thema biedt de uitgelezen kans voor

architecten om aan agenderend ontwerpend

onderzoek te doen. In die culturele vrije ruimte

kunnen ze, los van economische of wetgevende

bezwaren, met voorstellen komen die eigenlijk

eerder een nieuwe vraag aanreiken dan wel de

oplossing bieden. Dat werd door de sector vrij

snel gewaardeerd en de ruimte die we maken om

via ontwerponderzoek tot betere architectuur te

komen is eigenlijk één van de kerntaken van de

Architecture Workroom geworden.”

Als u over de sector spreekt, bedoelt u

waarschijnlijk de architecten. Beseffen

de opdrachtgevers ook dat ze een

begeleider bij het proces kunnen

gebruiken?

Roeland Dudal: “Het speelt inderdaad niet alleen

aan de ontwerpende kant. Het is zeker en misschien

zelfs nog meer aan de opdrachtgevende

kant dat je vaststelt dat mensen wel snappen dat

ze buiten de business as usual om zouden moeten

kunnen, maar dat het systeem waarbinnen ze

werken dat niet toelaat. Meestal hebben bepaalde

overheidspartijen weliswaar hun eigen sectorale

doelstellingen in het vizier, maar zijn ze niet in

staat meerwaarde te creëren via wisselwerking

met andere sectoren. We zijn ervan overtuigd dat

het ontwerpdenken in staat is om mensen rond

de tafel te verzamelen. Door gezamenlijk te tekenen

wat elke partij apart als ambities en doelstellingen

heeft, ontstaat vaak een gedeelde figuur

waardoor mensen gaan beseffen dat ze elkaar

eerder nodig hebben dan dat hun belangen tegenstrijdig

zouden zijn.”

Roeland Dudal: “Dankzij onze ervaringen tijdens

de manifestatie You Are Here, in 2018 in Brussel

naar aanleiding van de architectuurbiënnale van

Rotterdam IABR-2018+2020 The Missing Link, beseffen

we dat om de economische, ecologische

en solidariteitsdoelstellingen te halen de samenleving

tegelijkertijd een systeem- en een gedragsverandering

nodig heeft. Zie het thema mobiliteit.

We weten bijna allemaal – zeker beleidsmakers

zijn ervan overtuigd – dat de afhankelijkheid

van de individuele wagen het mobiliteitsysteem

letterlijk vastgereden heeft. De publieke ruimte

in de stad wordt voor 70 à 80% ingepalmd door

auto’s die ofwel stilstaan omdat ze 95% van de tijd

geparkeerd zijn, ofwel omdat ze in de file staan.

Dat is niet langer houdbaar. We moeten dringend


interview 11

naar een model waar we meer mobiliteit in de

stad kunnen organiseren met minder voertuigen,

met gedeelde voertuigen en een vorm van multimodaliteit,

en met aandacht voor de verschillende

snelheden van mobiliteit. Die objectieven zijn gekend.

Jammer genoeg, hoe hard we het daar ook

over eens zijn, moeten beleidsmakers toegeven

dat ze niet goed weten hoe we nu van het huidige

systeem naar die nieuwe toekomst geraken.

Als je hen vraagt hoe we die dominante wagens

stap voor stap uit het straatbeeld kunnen krijgen,

dan vinden ze het moeilijk, want ze durven niet

aan de gratis parkeerplaats voor de deur van de

individuele autobestuurder te raken. Hetzelfde

zien we bij de discussie rond het rekeningrijden.

Als de politiek er iets probeert aan te doen, lopen

ze zich snel vast. De maatschappij zit op vele

thema’s gevangen in een patstelling. Daar ligt een

kans voor architecten, want het probleem is dat

de mensen die het moeten gaan doen niet kunnen

verbeelden wat de kwaliteiten zijn van een

eventuele gedragsverandering en hoe de stad

eruit zou kunnen zien als effectief de helft van

de publieke ruimte teruggewonnen wordt om er

speelpleinen, groenruimte, fietspaden en tracés

voor openbaar vervoer in aan te leggen. Mensen

weten heel goed wat ze zouden verliezen bij

zo’n transitie, maar niet altijd wat ze erbij kunnen

winnen. Architecten en stedenbouwkundigen

hebben wel die capaciteiten om te verbeelden

wat we met die ruimte zouden kunnen doen, en

daarmee misschien wel een belangrijke hefboom

in handen om het draagvlak te creëren voor zo’n

systeemverandering.”

Stel dat dit een oproep is voor

architecten. Hoe kunnen ze hieraan

bijdragen? Weinig bureaus zitten in jullie

positie.

Roeland Dudal: “Het is niet evident voor de architectuurpraktijk

om die rol op te nemen. Die is er

niet op georganiseerd, economisch niet, en eigenlijk

ook niet op het vlak van expertise. Het is zeker

niet zo dat dit een rol kan zijn voor de architect

alleen. We stellen wel vast dat er een nieuw soort

praktijk ontstaat waar architecten deel van kunnen

gaan uitmaken, waarbij het vormgeven van

de samenleving een maatschappelijke beweging

wordt samen met andere actoren. Die actoren

kunnen heel divers zijn, van privaatontwikkelaars

over publieke actoren tot burgers. Vorig jaar ontstond

er in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen

een publiek debat over luchtkwaliteit

en verkeersveiligheid rond scholen, aangestuurd

door verontwaardigde ouders van leerlingen die

er school lopen. Door die ouders uit te nodigen

samen met architecten en experten aan de slag te

gaan in workshops binnen de tentoonstelling You

Are Here, konden zij uiteindelijk zelf met concrete

ideeën naar lokale beleidsmakers, schooldirecties

en bevoegde instanties stappen. Als er vandaag

15 scholen zijn waar ze van onderuit aan die

schoolomgeving werken, volgend jaar misschien

150 en binnen twee jaar 1500 dan hebben we op

zoveel plaatsen tegelijk een verandering in werking

gezet dat automatisch het plan voor schone

lucht in onze steden gerealiseerd zal worden, niet

van bovenaf, maar van onderuit. Diezelfde dynamiek

zie je ook bij Ringland. Bij het mobiliseren

van actoren en belangenorganisaties rond grote

maatschappelijke transities heb je veel baat bij

de verbeeldingskracht van de ontwerppraktijk ter

ondersteuning van het creëren van een draagvlak

en het blootleggen van kansen voor oplossingen.”

Hoe kan je toch van bovenaf impact

hebben? De politiek lijkt zich soms

minder bewust van de expertise van

architecten, waarop ze een beroep

kan doen. Het is jullie wel al gelukt om

enkele deuren open te duwen.

Roeland Dudal: “We hebben inderdaad beseft

dat er niet alleen sociale en maatschappelijke,

maar ook beleidsinnovatie nodig is. Er zijn wel

eens stemmen in de sector die ons beleidsfluisteraars

noemen, die door in te breken op de voorliggende

beleidsvragen eigenlijk de beleidsmakers

opvoeden over welke keuzes ze kunnen maken in

functie van het maatschappijbeeld dat ze willen

realiseren. Ik wil hier terugkomen op het basisidee

van de ‘workroom’: de vrije denkruimte. Je ziet dat

het beleid in het huidige systeem zich onvoldoende

snel kan vernieuwen en dus is er een bypass

nodig om aan te tonen dat er een systeemfout

zit tussen uitdagingen en de oplossingen die het

systeem nu kan aanreiken. Vaak gebruiken wij de

culturele setting als bypass, zoals het creëren van

een werkruimte – de letterlijke vertaling van workroom

– in een tentoonstelling, waarbij je partijen

uitnodigt om los van hun dagelijkse manier van

werken die uitdagingen te benaderen. Van daaruit

ontstaan vaak nieuwe inzichten en nieuwe praktijken

die eenmaal terug in de beleidscontext leiden

tot andere keuzes dan diegene die voorlagen.”

Niet alleen de politiek, maar ook de

bouwsector heeft last van traagheid. In

de manier waarop we ons in de sector

organiseren zit er weinig innovatie. Jullie

behoren tot een kleine groep bureaus

die een stap hebben gezet in een nieuwe

vorm van organiseren.

Roeland Dudal: “Onze bouwpraktijk is heel sterk

georganiseerd volgens normen en verantwoordelijkheidsstructuren.

De bouwsector, in de betekenis

van het samenspel tussen architect, aannemer,

materialenproducent, klant of gebruiker

en andere actoren, loopt heel vaak vast in zijn

klassieke manier van werken, terwijl voor sommige

doelstellingen net heel wat vrijheid en experimenteerruimte

mogelijk zou moeten zijn.

Het verduurzamen van een gebouw op het vlak

van energie moet bijvoorbeeld verder gaan dan

het eindeloos isoleren, wat een heel simplistisch

antwoord is op een veel complexer probleem. Een

ander voorbeeld is de manier waarop een jonge

architectuurpraktijk als BC Architects niet alleen

architecten en stedenbouwkundigen zijn, maar

nu ook bezig zijn met het heruitvinden en produceren

van materialen die honderd procent hernieuwbaar

zijn. Ze maken leemstenen van samengestampte

en gedroogde aarde die niet verlijmd

of gebakken zijn. Als je zo’n muur niet meer nodig

hebt kan je die perfect teruggeven aan de aarde.

Daarvoor hebben ze een praktijk opgezet waarbij

ze tegelijkertijd ontwerper, aannemer en materialenproducent

zijn, iets wat eigenlijk volgens de

wet van 1939 verboden is. De inzichten die bij BC

Architects ontstaan zijn heel rijk en dwingen ons

als ontwerppraktijk om naar andere samenwerkingen

te gaan en dat soort regels te gaan herzien in

functie van het veel meer benutten van de rol die

de architect kan hebben in dat soort processen.”

Vandaag zien we soms meer

innovatie bij ontwikkelaars dan

architectenbureaus, ook omdat zij er

de financiële ruimte voor hebben. Zo

trekken zij expertise binnen en ontstaat

het risico op termijn dat de rol van de

architect zal uitgehold worden.

Roeland Dudal: “Algemeen is het zo dat in de

maatschappij technologische vernieuwing veel

sneller gaat dan maatschappelijke vernieuwing.

In de bouwpraktijk zie je dat promotoren zich

razendsnel bijscholen om veel beter gewapend

te zijn voor de uitdagingen die op ons afkomen.

De sociaal-maatschappelijke innovatie die nodig

is om binnen een project ook winsten en

meerwaarde voor iedereen te creëren gaat veel

trager. We zien dat architecten vanwege de sectorrealiteit

en economische druk heel weinig

ruimte binnen het eigen bureau kunnen maken

om ook aan ontwerp- en praktijkvernieuwing te

doen, naast alle technologische innovatie die zij

moeten verwerken. Dat is zeker problematisch en

zorgt ervoor dat ze niet de capaciteit hebben om

hun rol in vol ornaat te spelen. Ik denk dat daar

potentieel ook een zoektocht inzit over hoe je een

ontwerpbureau organiseert en positioneert in de

markt van de ontwerpopgaves. Waarbij we ons inderdaad

moeten hoeden voor te nauwe marges,

want anders hol je alleen maar achter de feiten

aan en kun je niet de volle troeven van het ontwerpen

inzetten.”

De 23ste verdieping van de WTC-I toren werd tijdens

You Are Here, omgetoverd tot World Transformation

Center, een gedeelde werkruimte voor maatschappelijke

en ruimtelijke innovatie. © Tim Van de Velde

03 04

01. Werksessie van het participatief traject Air

for Schools waar ouders samen met ontwerpers

de schoolomgeving hertekenen voor een betere

luchtkwaliteit.

02. De maquette is het resultaat van de typologische

verkenning voor het energie-efficiënt ontwerp

van een nieuwbouwtoren door CIVIC Architects in

het kader van IABR–Atelier Rotterdam.

03. Gezamenlijke lunch tijdens de wekelijkse publieke

rondleidingen.

04. In de thematische kamer ‘WATER’ wordt de

wateropgave inzichtelijk gemaakt van de schaal

van de woning (maquette rechts) tot de schaal van

de wereld (wereldkaart en wereldbol).

05. De kaart van ‘Vlaanderen, meest verharde

oppervlakte van Europa’ komt aan bod tijdens een

rondleiding in de thematische kamer ‘FRAGMENTS’.

06. De maquette brengt het werk van burgerinitiatief

BYE BYE Kleine Ring samen met het werk van

de onderzoekers van de Masterclass Zoom In Zoom

Out: het Hypercentrum van Brussel: van piétonnier

naar stadsproject, BCO-BSI en perspective.brussels.

i

www.architectureworkroom.eu

Arnaud Tandt

Ingenieur-architect

Arnaud Tandt is freelance

redacteur van NAV.

05 06

instagram.com/

arnaudtandt


12 publiredactioneel

Wet Peeters en Wet Ducarme: een stand van zaken

Op 25 april ll. is in de federale Kamer een tweede wet goedgekeurd die een verzekeringsplicht oplegt

voor bepaalde bouwpartners. De Wet Ducarme zal vanaf 1 juli 2019 naast architecten ook andere

dienstverleners verplichten om hun burgerlijke beroepsaansprakelijkheid te verzekeren. Het gaat daarbij

om o.a. landmeters-experten, veiligheids- en gezondheidscoördinatoren… Het is een aanvulling op de Wet

Peeters-Borsus, die al sinds 1 juli vorig jaar van kracht is en vooral voor aannemers en stabiliteitsbureaus

geldt. Hierna leest u de visie van verzekeraar AR-CO op deze recente evoluties.

ONTSTAANSGESCHIEDENIS

Tijdens een periode van 11 jaar, van 1 juli 2007

t.e.m. 30 juni 2018, konden architecten hun fantastische

maar ook zo risicovolle beroep uitoefenen

in de zekerheid dat ze voor het overgrote

deel van deze risico’s over een toereikende verzekeringsdekking

beschikten. Met de komst van de

wet Peeters-Borsus werd deze verplichting sedert

1 juli 2018 echter afgeschaft!

De bestaande situatie van alle lopende polissen

voor architecten werd verlengd tot op de volgende

vervaldag, in de praktijk tot eind 2018. Maar

vanwege het uitblijven van een tweede ‘aanvullende’

wet, die de wettelijke verzekeringsplicht

voor (o.a.) architecten opnieuw moest invoeren,

was er sedert 1/1/2019 een echt vacuüm ontstaan.

Zo komt het dat de Orde van Architecten geconfronteerd

werd met situaties waarbij bepaalde

architectenkantoren zonder verzekeringsdekking

kwamen te zitten. Dit botst met de deontologische

verzekeringsplicht, die door de Orde onveranderd

is gelaten. Het in de wet voorziene Tarificatiebureau

is op heden nog niet operationeel,

waardoor hier geen oplossing kan worden aan

gegeven.

WET DUCARME

Goed een jaar later kwam er dan toch de noodzakelijke

aanvullende tweede wet, de zogenaamde

wet Ducarme. Het Federaal parlement stemde op

24 april 2019 de wet betreffende de verplichte

verzekering van de beroepsaansprakelijkheid

voor alle ontwerpers en dienstverleners in de

bouwsector. De Wet moet nog door de Koning

getekend worden en gepubliceerd. Maar vanaf 1

juli 2019 treedt hij in werking.

Waar de Wet Peeters de verzekeringsplicht uitbreidde

tot aannemers van de gesloten ruwbouw

en stabiliteitsbureaus maar die beperkt tot de

tienjarige aansprakelijkheid voor woningbouw,

legt deze tweede wet, de Wet Ducarme, de verplichting

op aan elke professioneel die ‘intellectuele

of hoofdzakelijk immateriële prestaties

verricht’ om zijn burgerlijke beroepsaansprakelijkheid

in het kader van onroerende werken in België

(met uitzondering van de tienjarige aansprakelijkheid)

te verzekeren

Standpunt NAV: Belangrijke stap richting

gelijkschakeling verzekeringsplicht voor alle

bouwpartners

NAV is tevreden dat deze noodzakelijke aanvulling op de

Wet Peeters-Borsus, die al sinds 1 juli vorig jaar van

kracht is, eindelijk een feit is. Toch dient in de toekomst het

onevenwicht tussen de verzekeringsplicht voor aannemers

enerzijds en die voor dienstverleners (waaronder architecten)

anderzijds verder te worden weggewerkt.

Vanwege de toenemende complexiteit van bouwprojecten en het steeds breder wordend

wetgevende kader, blijkt dat het beroep en de rol van architect steeds meer deel gaan uitmaken

is van een multidisciplinaire aanpak, waardoor architecten almaar vaker omringd worden

door een groeiend aantal adviseurs, al of niet met een erkend statuut.

Hierbij stellen we vast dat sommige raadgevers verzekerd zijn, zij het soms onvoldoende, maar

anderen helemaal niet. Om een einde te maken aan deze situatie en om veel eigenaars te behoeden

voor grote teleurstellingen was een verzekeringsplicht voor alle dienstverleners nodig.

NAV is daarom tevreden met het goedgekeurde wetsvoorstel. De nieuwe wet voorziet in een

verplichting voor alle intellectuele beroepen in de bouwsector om hun burgerlijke aansprakelijkheid

te verzekeren wanneer zij aan de slag gaan in project van onroerende werken.

Bijkomende stappen nodig

Voor NAV betekent deze wet een essentiële stap voorwaarts in het nemen van verantwoordelijkheid

voor alle betrokken dienstverleners in de bouw en dus voor de bescherming van

de consument. Deze nieuwe wet moet het complement vormen met de zogenaamde Wet

Peeters, die de discriminatie die architecten ondergingen in het kader van de tienjarige aansprakelijkheid,

gedeeltelijk heeft gecorrigeerd.

Het is echter duidelijk dat er nog steeds een principiële discriminatie bestaat tussen de dienstverleners

in de bouw (waaronder de architecten) en de aannemers die slechts gehouden zijn

hun 10-jarige aansprakelijkheid te verzekeren. NAV is van mening dat er bijkomende stappen

nodig zijn om ook de aannemers een gelijke verzekeringsplicht op te leggen.

Daarnaast vindt NAV het jammer dat de Wet Peeters beperkt blijft tot de 10-jarige aansprakelijkheid

en dan nog enkel in de woningbouw. Ook de controleplicht voor de architect ten

aanzien van de attesten van de aannemer blijft een pijnpunt.

Algemeen gejuich op de parlementaire banken,

maar is dat gejuich terecht?

DOEL VAN DEZE WETTEN?

Met deze tweede wet wordt een aanvulling gerealiseerd

op de Wet Peeters. Zij is het sluitstuk

van de hervorming waarmee ministers Peeters

en Ducarme een oplossing hebben willen geven

aan de in 2007 uitgesproken ‘discriminatie’ door

het Grondwettelijk Hof, die vooral het ontbreken

van een gelijkaardige verzekeringsplicht voor de

andere bouwactoren betrof. Daarenboven stellen

de ministers dat de hoofdreden de verbetering

van de bescherming van de consument-bouwheer

is.

De verzekeringsplicht werd uitgebreid naar alle

dienstverleners in het bouwgebeuren: op zich

een goede zaak. Dit valt samen met de tendens

waarbij de opdracht van de architect dikwijls beperkt

is tot de gesloten ruwbouwopdracht. Een

gegeven dat met de uitspraak van het Hof van

Cassatie van 9 januari 2017 m.b.t. deze verplichte

tussenkomst van de architect er niet minder zal

op worden. Dit zogenaamde ‘tegelarrest’ stelt dat

de wettelijke tussenkomst van de architect zich

mag beperken tot de gesloten ruwbouwwerken.

Daarom leggen heel wat andere beroepen zich

op deze afwerkingsmarkt toe. Een verplichte verzekering

voor deze actoren is dan ook een terechte

beslissing in het belang van de consument.

TOENEMENDE COMPLEXITEIT

In deze ogenschijnlijk eenvoudige wetten zit een

enorme complexiteit. Het gevaar bestaat hierin

dat men er te snel zou in berusten. Twee wetten

kunnen nu eenmaal de indruk wekken dat alles

nu beter geregeld is dan in 1 wet, maar niets is

minder waar.

De opdeling van de risico’s in tienjarige aansprakelijkheid

voor woningbouw enerzijds en de

burgerlijke beroepsaansprakelijk anderzijds zorgt

voor veel complexiteit. We zullen steeds meer

worden geconfronteerd met situaties waarbij

meer partijen aantreden, omringd door verschillende

verzekeraars en bovendien met wisselende

dekkingsbedragen en uitsluitingen. Deze toenemende

complexiteit wordt de grote uitdaging

voor de toekomst. Niet enkel voor de totaalverzekeraars,

maar vooral voor de architecten. Zij

worden in bepaalde gevallen al snel met verschillende

verzekeraars geconfronteerd, met een

toenemend risico op een niet gedekte schade

waarvoor ze de eigen verdediging zullen moeten

organiseren.

Een tweede opmerking is dat de te verzekeren

bedragen in beide wetten ogenschijnlijk werden

gelijkgesteld aan de bedragen die reeds lang golden

in de zogenaamde Wet Laruelle. Maar is dat

ook zo in werkelijkheid?

WORDT DE CONSUMENT ER BETER VAN?

Neen, we stellen vast dat de verzekeraar zich voor

de tienjarige aansprakelijkheidsdekking tevreden

heeft gesteld met de dekking van de heropbouwwaarde

van het goed voor gebouwen met een

waarde lager dan 500.000 euro. Deze uitgeholde

dekking tot de heropbouwwaarde zorgt ervoor

dat de consument-bouwheer sneller zal moeten

gaan aankloppen bij de aansprakelijke actor zelf,

met het risico op insolvabiliteit. Iedereen weet dat

bij een ernstige schade (vb. instorting) de schade

aangericht aan de buurpanden en derden niet

meer binnen het verzekerde bedrag zullen vallen.

De omschrijving van het bouwwerk is evenmin

erg duidelijk: in hoofdzaak dienstig voor bewoning

in België. Partieel beroeps en bewoning is

al af te wegen. Studentenkoten, kloosters en assistentiewoningen

bij een woonzorgcentrum zijn

uitgesloten, net zoals alle andere bouwwerken.

De Wetgever heeft dus blijkbaar de bescherming

van de consument wel in gedachten gehad, maar

bij de uitwerking ervan is deze consument nu

veel minder beschermd dan voorheen.

EN DE ARCHITECT?

De wetgever heeft helemaal niet stilgestaan bij

de situatie van de architect. Deze is immers bij de

strikte toepassing van de wet heel wat slechter af

dan voorheen. Het is dus uitermate belangrijk dat

u zich hier als architect bewust van bent. Bij relatief

kleine opdrachten (denk aan rijwoningen in

oude stadskernen) schuilt immers een groot gevaar

op schade die de gewaarborgde bedragen

al snel overstijgt. Om die reden ook stelt AR-CO al

jarenlang als standaard een veel hogere dekking

voor dan wettelijk is opgelegd.

Niet alleen het gewaarborgde bedrag kan sterk

ontoereikend zijn. Daarnaast heeft de wetgever in

tal van uitsluitingen voorzien. Een belangrijk deel

van de vroegere dekking, namelijk de tienjarige

aansprakelijkheid voor niet-woongebouwen, is

niet meer opgenomen! Als uw verzekeraar deze

wetten strikt toepast, dan weet u zich in veel van

deze gevallen nauwelijks verzekerd. De bouwheer

zal het graag horen.

De huidige evolutie beschermt uw patrimonium

als architect onvoldoende. Laat ons dus even stilstaan

bij de in de wetten voorziene uitsluitingen.

Enkele wettelijke

uitsluitingsmogelijkheden

• De vijfde uitsluiting in de tienjarige aansprakelijkheidswet

Peeters is onthutsend! Als er zich

een schade aandient m.b.t. een onderdeel

waarvan tijdens de werf of oplevering al sprake

was geweest dan kan deze simpelweg worden

uitgesloten van dekking. M.a.w. als u als professioneel

handelend architect uw job goed uitoefent

en in uw werfverslagen of de oplevering

reeds melding maakte van een probleem dat

finaal tot een schadegeval zou leiden tijdens de

tienjarige aansprakelijkheidsperiode, dan staat

u in de kou en mag u zelf opdraaien voor de

schade, meer zelfs, dan mag u ook voorzien in

uw eigen verdediging. Verzekeraars die dergelijke

uitsluitingen quasi ‘achteloos’ mee in hun

voorwaarden opnemen, hebben niet direct de

bescherming van de verzekerden voor ogen.

• Bij de tienjarige aansprakelijkheid is er ook

geen tussenkomst meer voor lichamelijke

schade, noch voor zuiver immateriële of esthetische

schade noch voor schades onder 2.500

euro (geïndexeerd loopt dit bedrag nu al op tot

ruim 3.150 euro).

• Als u tijdens de ontwerpfase of bij uitvoering

geconfronteerd wordt met een budgetoverschrijding,

dan zal u zich ook niet meer verzekerd

weten voor deze schade!


publiredactioneel 13

Noteer dus dat er in sommige schadegevallen helemaal

geen dekking meer zal zijn. Om die reden

is het uitermate belangrijk om de inhoud en de

uitsluitingen in uw polis uit te pluizen, te vergelijken

en dan te kiezen. Er is een steeds verder uithollende

erosie van de dekkingen ingezet.

Niet zelden gaat deze beperktere dekking dan

ook nog gepaard met een bijpremie. Dit blijft tegenstrijdig.

AR-CO heeft – volledig in overeenstemming met

haar coöperatieve gedachte – ervoor gekozen

om haar verzekerden de meest optimale dekking

te blijven bieden gelijk aan deze van de Wet Laruelle

en dat bovendien tegen een lagere premie

voor heel wat van haar verzekerden. Daarmee

roept AR-CO concreet een halt toe aan de voortschrijdende

verschraling van jullie bescherming.

Daikin warmtepompen!

voor een duurzame toekomst

Steven

Daelman

Arch. Steven Daelman is uitvoerend

bestuurder bij verzekeringscoöperatieve

AR-CO

Van kleine woningen tot grote kantoorruimtes

Daikin biedt de ruimste keuze aan oplossingen voor verwarming en koeling voor alle toepassingen en persoonlijke voorkeuren. Of u nu een

woning bouwt, een winkel inricht of een hotel renoveert, we hebben producten voor verwarming en koeling die aan de behoefte van uw

klant tegemoetkomen.

www.daikin.be • 0800 840 22

Wienerberger introduceert Passaqua,

de waterpasserende kleiklinker

In het marktsegment van hoogwaardig

bestratingsmateriaal was er vraag naar kleiklinkers

voor een waterdoorlatende verharding. Passaqua werd

ontwikkeld door Wienerberger en zorgt ervoor dat water

lokaal kan infiltreren in de bodem.

Dankzij de waterpasserende kleiklinkers infiltreert het regenwater op een natuurlijke wijze

in de bodem. Daardoor blijft de grondwatervoorraad beter op peil en wordt het overstromingsrisico

ingeperkt.

Passaqua met slimme afstandshouders

Passaqua is een strengpers kleiklinker met afstandhouders voor voegen van 6 mm breed.

De kleiklinker zelf laat het water niet door, maar laat het “passeren” via de bredere voegen.

Het voegaandeel van een verhardingsproject met Passaqua is zo ongeveer 10% van de

totale oppervlakte. Dat is minimaal vereist voor een waterdoorlatende verharding.

De Passaqua kleiklinkers zijn verkrijgbaar in 4 kleuren. Passaqua heeft een authentieke

uitstraling en wordt met de jaren mooier. Dankzij de waterpasserende voeg vloeit het

water snel weg. Daardoor is er minder kans op de groei van algen, mossen en onkruid in

de voegen. De combinatie van de intrinsieke duurzaamheid, de esthetische kwaliteiten en

de waterpasserende eigenschappen zijn de belangrijkste troeven.

Van terras tot openbare ruimte

De Passaqua is bijzonder geschikt voor terrassen en opritten van particuliere woningen en

verkavelingen, verharde evacuatiewegen voor de brandweer en verhardingen van openbare

ruimtes zoals parkings, pleinen, voet- en fietspaden…

i

www.wienerberger.be

Omgebouwde koten Willy Van Der Meeren:

Circulair (ver)bouwen zonder compromissen

Wetenschappers van de VUB renoveerden recent acht

van de befaamde studentenkoten op de campus van de

Vrije Universiteit Brussel in Etterbeek, enkel en alleen

met herbruikbare bouwmaterialen die later in een ander

gebouw geïnstalleerd kunnen worden. Het resultaat van dit

ambitieuze project is het gloednieuwe ‘Circular Retrofit Lab’.

Vijftien organisaties in zeven landen deden

onderzoek naar circulaire bouwmethodes

en businessmodellen met fondsen van het

Europese Horizon 2020-project. Voor het

Circular Retrofit Lab deed het team van VUBprof.

Niels De Temmerman – bestaande uit

Stijn Brancart, Stijn Elsen, Wesley Lanckriet,

Anne Paduart en Jeroen Poppe – in eerste

instantie onderzoek naar circulaire bouwmethodes

-en systemen. Die kennis pasten

ze toe tijdens de renovatie van de studentenkoten,

waarbij enkel bouwmaterialen

gebruikt zijn die demonteerbaar, omkeerbaar

en herbruikbaar zijn. Het is de eerste

keer dat in Europa zo’n circulair renovatieproject

succesvol wordt uitgevoerd. Het

Circular Retrofit Lab zal in eerste instantie

dienst doen als uithangbord voor circulair

bouwen en als eventruimte, maar kan ook

voor andere doeleinden gebruikt worden:

“Het volledige concept van het Circular Retrofit

Lab vertrekt vanuit het veranderingsgericht

bouwen: het Lab kan ooit terug dienst doen

als studentenkot, of als studeerruimte, laboratorium,

leslokaal of zelfs een ecologisch gastenverblijf.

De tijd dat 1 gebouw 1 functie had

is voorbij. Dit pilootproject bewijst ook dat de

vooroordelen die nog vaak heersen rond circulair

bouwen onterecht zijn: deze nieuwe, innovatieve

systemen bieden even veel kwaliteit,

comfort en (architecturale) vrijheid als traditionele

bouwsystemen en -methodes.” aldus prof.

Niels De Temmerman.

Met steun van de bouwwereld

Voor de realisatie van dit project, sloeg de

VUB ook de handen in elkaar met verschillende

partners uit de bouwwereld. Concreet

werd de façade gebouwd met een modulair

systeem van prefab gevelpanelen ontwikkeld

door Reynaers Aluminium, Beneens

en Jonckheere Projects. Voor het interieur

van het Circular Retrofit Lab gebruikten de

onderzoekers een droogvloersysteem met

afwerking van Tarkett en vier verschillende

binnenwandsystemen ontwikkeld door

Saint-Gobain, Systimber, Geberit en Juu-

Noo – respectievelijk een demonteerbaar

wandsysteem, een wandsysteem met houten

balken, een modulaire bouwkit en een

snel verplaatsbaar en aanpasbaar klittenbandsysteem.

Slimme technieken voor de

verwarming, verlichting en watervoorzieningen

van het Circular Retrofit Lab werden

dan weer ontwikkeld door bedrijven zoals

Jaga, Bao Living, Zehnder en de VUB spinoff

Lumency. Algemeen aannemer Groep

Van Roey leidde de coördinatie van het volledige

project in goede banen, Kaderstudio

en MK Engineering hielpen met het architecturale

ontwerp en de technieken.


14

© Tim Van Wichelen

Juryrapport

Laat los, die bescheidenheid

Als de laureaten van de Jo Crepain Prijzen indicatief zijn

voor onze sector dan mogen we op beide oren slapen.

Zelden hebben we zoveel inspirerende voorbeelden van

goed gerunde architectenbureaus met verfrissende

ideeën ontdekt als in deze editie.

Als de laureaten van de Jo Crepain Prijzen indicatief

zijn voor onze sector dan mogen we op beide

oren slapen. Zelden hebben we zoveel inspirerende

voorbeelden van goed gerunde architectenbureaus

met verfrissende ideeën ontdekt als

in deze editie.

Het spreekt voor zich dat de jury en NAV erg

blij zijn met deze vaststelling. Bij de opstart van

de Jo Crepain Prijzen in 2012 – ondertussen zijn

we met deze tweejaarlijkse traditie al aan de 3de

editie toe – was het er ons als initiatiefnemers immers

om te doen om aan de hand van lichtende

voorbeelden te bewijzen dat goed ondernemerschap

en creatief meesterschap hand in hand

kunnen gaan. We zijn dan ook maar wat blij dat

die bewijsvoeringen deze editie sterker zijn dan

ooit. Met dit juryrapport lichten we u graag toe

waarom we dat vinden.

JO CREPAIN PRIJS VOOR BELOFTEVOL

STARTEND ARCHITECTENBUREAU 2019

Pas vijf jaar geleden opgericht door vier prille

dertigers kenmerkt het Gentse net architectuur

zich door een stevige ambitie en dito groei. Het

blinkt uit in ontwerpkracht, de gedrevenheid om

te onderzoeken en het in vraag stellen van conventionele

bouwsystemen. Ze voeren testen uit

met mini-warmtenetten, proberen de gebouwschil

te reduceren, gebruiken gevelstenen om

een dragende steense muur mee op te bouwen

of draaien uitvoeringsvolgordes om. Ook hun

groepswoningenbouwprojecten, waarbij ze de

strikte opdeling tussen appartementen en grondgebonden

woningen verlaten, vormen een mooi

voorbeeld.

Het wemelt van de ideeën bij m u r m u u r, zowel

op architectuur- als op ondernemingsvlak. Van bij

de start in Ronse – later kwam er een bijhuis in

Gent – is er veel aandacht geweest voor de efficiëntie

van hun processen en voor het uitwerken

van een duidelijke visie, eigen expertises en unieke

tools, zoals zelfgeschreven tijdsregistratiesoftware.

Het bureau is in volle evolutie en vertoont

durf, zo blijkt ook uit het project Familia, een herontwikkeling

van een cinemacomplex in Ronse

tot kantoren en appartementen. Het project zal in

de toekomst ook het hoofdkantoor van m u r m u

u r huisvesten. Het project is gestart als een eigen

ontwikkelingsproject van twee van de vennoten

met twee andere private partijen, van de aankoop

van de grond tot en met de bouwaanvraag. Later

in het proces werd Groep Monument betrokken

voor de financiering en ontwikkeling van de overige

units van het gebouw.

Het meeste indruk maakte echter B-ILD uit Brussel.

Het bureau van zaakvoerder Kelly Hendriks

lijkt van de drie genomineerden de meest comfortabele

spreidstand te hebben gevonden tussen

architecturale vrijheid van denken enerzijds

en een nuchtere bedrijfsvoering met een klantgerichte

visie anderzijds. Vernieuwend is het financiële

rendement dat per project open besproken

wordt met het volledige kantoor, in functie van

het inzicht bieden aan en responsabiliseren van

medewerkers. Het bureau durft daarnaast moeilijk

te doen en heeft een duidelijke visie over

waar het naartoe wil. De eerste tien jaar heeft

het gewerkt aan het uitbouwen van een mooie

portfolio, een opdracht die goed gelukt is en die

hen ook contacten buiten de landsgrenzen heeft

opgeleverd. Hoewel de weg ernaartoe nog niet

helemaal duidelijk is, wil het bureau de komende

tien jaar grotere projecten kunnen aannemen,

omdat dit een nog professionelere aanpak mogelijk

maakt. Daarvoor zal het kantoor meer medewerkers

moeten aannemen. De jury is er van

overtuigd dat dit bureau een erg mooie toekomst

staat te wachten en kent het daarom de Jo Crepain

Prijs 2019 voor Beloftevol Startend Architectenbureau

toe.

© Tim Van Wichelen © Tim Van Wichelen © Tim Van Wichelen

B-ILD uit Brussel won de Prijs voor Beloftevol Startend Architectenbureau. Van de drie genomineerden lijkt B-ILD

de meest comfortabele spreidstand te hebben gevonden tussen architecturale vrijheid van denken enerzijds en

een nuchtere bedrijfsvoering met een klantgerichte visie anderzijds. Het bureau durft moeilijk te doen en heeft

een duidelijke visie over waar het naartoe wil. De jury is ervan overtuigd dat dit bureau een erg mooie toekomst

staat te wachten.

DMOA ging met de prijs voor Innovatief Architectenbureau tot en met 10 medewerkers aan de haal. De

circulaire shelter Maggie is waarschijnlijk hun meest mediagenieke project, maar onder de motorkap van dit

bureau zit véél paardenkracht. Het bureau houdt ervan risico’s te nemen, maar is nooit roekeloos. Dankzij een

uitgekiende bedrijfsstructuur zal het bureau ook de volgende jaren volop kunnen inzetten op innovatie.

Bij de kantoren met meer dan 10 medewerkers was POLO Architects aan het feest. Veel kilometers op de teller,

maar toch blijven vernieuwen: dat is het adagium. Centraal in een innovatieve interne structuur staat POLO

LABS, dat verantwoordelijk is voor o.a. het ontwerpend onderzoek en de link met de academische wereld.


15

DO 22 JUNI

DO 22

© Tim Van Wichelen

© Tim Van Wichelen

De Carrièreprijs was voor STRAMIEN. De jury kent de Prijs uitdrukkelijk toe aan het hele bureau. Toch kunnen we ook de individuele verdienste van de dit jaar afscheidnemende vennoten Peter Vermeulen en Peter Leroy niet negeren.

Zij hebben immers een grote hand gehad, zowel in hoe de opvolging van het kantoor is geregeld als bij grote maatschappelijke debatten zoals RINGLAND.

JO CREPAIN PRIJS VOOR INNOVATIEF

ARCHITECTENBUREAU < 10

MEDEWERKERS 2019

Het Antwerpse architectuur- en onderzoeksatelier

RE-ST werd in 2010 opgericht door Tim Vekemans

en Dimitri Minten met de bedoeling om

“het architectenberoep door te denken”. Want

wat RE-ST architecten nog? Deze parafrase, gebaseerd

op een publicatie van Geert Bekaert uit

1968, is voor dit bureau nog steeds brandend

actueel als centrale vraag bij hun onderzoeksactiviteiten.

Hun ‘praktijk van het bouwen’ – zeg maar

de architectuurafdeling – hebben ze immers uitgebreid

met een ‘praktijk van het niet-bouwen’.

Door telkens uit te gaan van de maximale ruimtelijke

opportuniteiten van het bestaande patrimonium,

zoeken ze tactieken voor ruimtelijke

oplossingen zonder nieuwe ruimte in te nemen.

Het bureau beschikt bovendien over een onmiskenbaar

fingerspitzengefühl om dit discours te

laten doordringen door een goed uitgekiende

communicatie.

Het Gentse TRANS van Bram Aerts en Carolien

Pasmans gooit sinds de oprichting in 2011 hoge

ogen met vernieuwende oplossingen, zowel

typologisch, constructief als procesmatig. Architectuur

en stedenbouw worden daarbij vaak

aan elkaar verbonden. In Gent werd een ‘Urban

Factory’ gerealiseerd, Ryhove, dat het tot op de

shortlist voor de Mies van der Rohe Award 2019

schopte. TRANS is een sterke pleitbezorger van

de maakindustrie in de stad, met naast Ryhove

ook de UCO site en het Balenmagazijn in Gent als

recente realisaties. Het bureau zet daarnaast hard

in op samenwerkingsmodellen, zoals de ‘grondcoalitie’.

Dat concept heeft collectiviteitswinsten

bij omvangrijke gebiedsontwikkelingen tot doel:

een model waarin diverse grondeigenaars, overheden,

particulieren, … samenwerken om perceelsoverschrijdende

ambities waar te maken,

zonder te raken aan het individuele eigendomsrecht.

TRANS helpt ten slotte mee de barrières

tussen academische wereld en praktijk doorbroken

door mee hun schouders te zetten onder een

Academisch Ontwerp Bureau i.s.m. de KULeuven

Faculteit Architectuur Sint-Lucas Gent.

Van de drie genomineerden vond de jury echter

het Leuvense DMOA het meest veelzijdige

en uitgebalanceerde bureau. De Maggie, de circulaire

shelter die het tot in het MOMA in New

York schopte en uitmondde in een non-profit

spin-off, duikt momenteel op in Zuid-Kameroen,

Noord-Irak, Bangladesh, Kenia en Tanzania. Dit

project staat momenteel hoog op de agenda

bij dit bureau en is waarschijnlijk ook hun meest

mediagenieke project, maar onder de motorkap

van dit bureau zit véél paardenkracht. Zo heeft

OVAM DMOA aangesteld als expert voor studies

rond brownfields en blackfields, met circulaire

stedenbouw en architectuur als centraal uitgangspunt.

Het bureau is ook onderzoekspartner

bij diverse andere proefprojecten in verband

met circulair bouwen. DMOA zit op de grens van

productontwikkeling en architectuur en dat is

net de plaats waar innovatieve oplossingen met

betrekking tot het circulaire bouwen te vinden

zijn. DMOA meent dat er nood is aan modulaire

systeembouw, waarbij het nuttig is om over het

bouwen van een woning na te denken alsof het

een product is. Het bureau houdt er dan wel van

risico’s te nemen om onbetreden paden te kunnen

betreden, maar is nooit roekeloos. Een uitgeschreven

bedrijfsstructuur van bij het de start

van het bureau, een duidelijke opdeling van de

verschillende activiteiten in spin offs, een volgehouden

nacalculatie en een interne structuur die

de afgelopen jaren verder op punt is gezet, zorgen

er bovendien voor dat zaakvoerders Matthias

Mattelaer en Benjamin Denef ook de volgende

jaren volop zullen kunnen inzetten op innovatie.

De unieke cocktail van engagement, toekomstvisie

en ondernemingszin maken van dit bureau de

verdiende winnaar Jo Crepain Prijs voor Innovatief

Architectenbureau < 10 medewerkers 2019.

JO CREPAIN PRIJS VOOR INNOVATIEF

ARCHITECTENBUREAU ≥ 10

MEDEWERKERS 2019

Bij de genomineerden in deze categorie is de

schaalgrootte en de leeftijd van elk bureau erg

verschillend, maar op het vlak van innovatie zijn

ze sterk aan elkaar gewaagd. Zo trekt OYO Architects

uit Gent voluit de kaart van stedelijke transformatie,

cocreatie en internationalisering, met

projecten in maar liefst 9 talen. De ambitie blijkt

uit de snelle groei – 8 jaar na de start telt het bureau

25 werknemers – en de hoge innovatiegraad

in de ontwerpen. Het bureau bulkt van de ideeën

en etaleert veel energie en is in die zin erg beloftevol.

Volgens de jury kan OYO nog meer vruchten

plukken van het beschikbare talent indien het

verder aandacht schenkt aan het doseren van dit

alles, een besef dat ook bij de zaakvoerders lijkt

te leven.

Als winnaar kiest de jury in deze categorie voor

POLO Architects uit Antwerpen. Kan een bureau

met de meeste kilometers op de teller en de

meeste medewerkers aan boord ook het innovatiefst

zijn? Dit bureau, in 2015 doelbewust van

naam veranderd van ‘Poponcini & Lootens’ naar

‘POLO’, bewijst dat het kan. Het bureau groeide

op korte tijd van een 60-tal naar een 100-tal medewerkers

en maakte er een erezaak van om geen

medewerkers te laten gaan, ook niet in economische

crisistijden. De laatste jaren werd er gewerkt

aan een transformatie van de interne organisatie.

Om in het fel gegroeide kantoor toch een dynamiek

te behouden, creëerde POLO units van 10

à 12 medewerkers die elk als een architectenbu-

Duurzaamheid is het kernwoord bij B-architecten

reau fungeren, met de nodige onderlinge dialoog

uit Antwerpen, en dat op drie niveaus.

NAV

Niet

enveloppe

en

170x170

kruisbestuiving

pms.indd

van

1

dien. Via celdeling kan het

alleen de projecten moeten immers duurzaam bureau zo verdere groei makkelijk aan. Centraal in

zijn, B-architecten maakt er ook een erezaak van die structuur staat POLO LABS, dat verantwoordelijk

om ook het sociale oogpunt niet uit het oog te

is voor de haalbaarheidsstudies, de wedstrij-

verliezen. Dat doet het bureau door goede doelen

den, het ontwerpend onderzoek en de link met

te steunen, maar ook door zich met succes de academische wereld. De organisatiestructuur

te mengen in het maatschappelijk debat d.m.v. heeft zijn efficiëntie bewezen. Dit gekoppeld aan

publicaties, het zetelen in kwaliteitskamers… Een het engagement van beide heren in het onderwijs

derde duurzame aspect ligt in de eigen onderneming

en de beroepsvereniging en de duidelijke

(lees: de medewerkers). Vanuit een interne visie op de toekomst van het beroep als ruimtelijk

noodzaak en mede op vraag van die medewerkers

strateeg, maken van POLO een terechte winnaar

heeft het bureau de afgelopen jaren erg hard in deze categorie.

getimmerd aan een organisatie met zelfsturende

teams met veel autonomie, met een erg duidelijke

JO CREPAIN CARRIÈREPRIJS 2019

structuur op verschillende niveaus en erg

veel aandacht voor het welzijn van de medewerkers.

De finaliteit van die transitie lijkt de jury nog

in ontwikkeling, maar de omslag die reeds is gemaakt

is indrukwekkend.

© Tim Van Wichelen

Voor de Jo Crepain Carrièreprijs koos de jury dit

jaar voor STRAMIEN uit Antwerpen. De bekroning

is tweeledig in die zin dat innovatie al sinds

oudsher in het DNA van het bureau vervat zit,

bijvoorbeeld op het NAV vlak van enveloppe bouwteams, 170x170 nieuwe pms.indd 1

woonvormen, het studiewerk naar de overkapping

van de Antwerpse ring… Dat DNA wordt

op een organische manier doorgegeven door het

goed voorbereid ingroeien van telkens nieuwe

generaties vennoten. De jury kent de Prijs uitdrukkelijk

toe aan het hele bureau, zoals ook in de

andere categorieën ook het geval is. Toch kan de

jury ook de individuele verdienste van de dit jaar

afscheidnemende vennoten Peter Vermeulen en

Peter Leroy niet negeren. Zij hebben immers een

grote hand gehad, zowel in hoe de opvolging is

geregeld als bij grote maatschappelijke debatten

zoals RINGLAND. Ook toonden ze engagement

voor hun sector door kennis door te geven aan

collega’s of representatiefuncties op te nemen.


16 kennis

SPEELPLAATS DE FONTEIN

concept

© Architectenbureau Kristof De Lange

In dit ontwerp werd extra aandacht besteed aan een

duurzame, milieubewuste opbouw .

Bovendien bevat de speelplaats nu een uitdagende mix

aan speelactiviteiten, zoals kruiptunnels, een

blotevoetenpad, klimpalen en een speelse waterpomp.

Door het contact met het groen wordt buitenspelen extra

gestimuleerd.

01

Onthardingsprojecten: best practices

Voormalig minister van Omgeving, Natuur en Landbouw Joke Schauvliege

voorzag in 2018 en 2019 telkens vijf miljoen euro voor initiatieven die

ontharding van de bodem (het wegnemen van beton, asfalt of gebouwen)

stimuleren. Een tweede projectoproep werd onlangs (15 mei) afgesloten.

We inspireren aan de hand van vier best practices.

De Vlaamse Regering zet fors in op het klimaatrobuuster en leefbaarder

maken van onze regio en nabije omgeving, alsook het

versterken van de lokale of bovenlokale open ruimte. Het Departement

Omgeving lanceerde verleden en dit jaar de projectoproep

‘Proeftuinen ontharding’ met de bedoeling initiatieven en inspanningen

rond ontharding te stimuleren en ondersteunen. NAV deed

eind vorig jaar een oproep inzake gerealiseerde voorbeelden. We

selecteerden uit de inzendingen vier inspirerende projecten.

SPEELPLAATS OMGETOVERD TOT

AVONTUURLIJKE GROENE OASE

De bestaande speelplaats van basisschool De

Fontein in Sint-Niklaas was oorspronkelijk een

klassieke speelplaats in betonklinkers. Op initiatief

van de school en oudervereniging kwam het

idee om de speelplaats (1.400 m²) open te breken

en om te toveren tot een groene oase van 800

m² met leuke speelhoeken en verborgen plekjes.

Ook enkele ouders staken de handen uit de mouwen

om mee te werken aan de uitvoering.

De speelplaats bevat nu een uitdagende mix van

speelactiviteiten zoals kruiptunnels, een blotevoetenpad,

klimpalen en een speelse waterpomp.

Architectenbureau Kristof De Lange besteedde in

het ontwerp van het concept extra aandacht aan

een duurzame, milieubewuste opbouw. De doordachte

plantenkeuze en onderhoudsvriendelijke

De doordachte plantenkeuze en onderhoudsvriendelijke

materialen zorgen voor een langetermijngerichte valpartij’ of het watercircuit waarmee

bestaande kinderen circulatie kunnen van spelen. en naar

materialen zorgen voor een duurzame ,lange termijn

inrichting. Er werd geopteerd voor gerichte inheemse, inrichting. De

de klaslokalen wordt niet gehinderd. Ook is er de ruimte

voor een speelplaats geschikte beplanting en robuuste

plantensoorten aangezien de activiteiten omgeving georganiseerd van de kunnen refter worden. valt wordt opge-

Het regenwater dat op het dak

voorzien voor een heuse buitenklas, waar aangepaste

rond de planten intensief wordt belopen door vangen in een ondergrondse ton

de kinderen. De keuze werd ook bepaald in functie

van de hoogtes zodat toezicht mogelijk blijft. water stroomt vervolgens langs

van 4.000 liter. Het opgepompte

Door de recuperatie van de betonklinkers van de een uitgeholde boomstam naar

bestaande speelplaats werd een oerdegelijk materiaal

hergebruikt voor de nieuwe zitbanken. De wordt opgevangen en terug naar

beneden, waar het op het einde

stenen banken zijn goedkoop en vragen zo goed de regenton gaat.

als geen onderhoud.

De bestaande circulatie van en naar de klaslokalen

wordt niet gehinderd. Er is ook ruimte voorzien

voor een buitenklas, waar aangepaste activiteiten

georganiseerd kunnen worden. Door het contact

met het groen wordt buitenspelen extra gestimuleerd.

Een eyecatcher is de ‘boomstamwater-

01. Op initiatief van de school en oudervereniging

kwam het idee om de speelplaats open te breken en

om te toveren tot een groene oase van 800 m² met

leuke speelhoeken en verborgen plekjes.

02. De speelplaats bevat een uitdagende mix van

speelactiviteiten zoals kruiptunnels, een blotevoetenpad,

klimpalen en een speelse waterpomp.

Architectenbureau De Lange bv ovv bvba

Sint-Gillisbaan 16 9100 Sint-Niklaas

03 .296 67 68 - www.kristofdelange.be

Pagina 2/2

© Architectenbureau Kristof De Lange

© Architectenbureau Kristof De Lange

© Jessy van der Werff

02 07


kennis 17

GROENE RUSTPLAATS IN HET HART

VAN DE STAD

1010 architecture urbanism stond in samenwerking

met Infrabureau Demey in voor het ontwerp

van het vernieuwde de Coninckplein in Roeselare.

Het plein aan de Sint-Amandskerk was voorheen

volledig verhard in kasseistenen en deed dienst

als parking. Vooraleer de stad met de feitelijke

heraanleg kon starten, werd er een archeologisch

onderzoek uitgevoerd aan de hand van proefsleuven.

Hierbij werden geen archeologische vondsten

ontdekt. Het plein werd vervolgens omgevormd

tot een groene ontmoetingsplek met een

grasplein en extra bomen in het hart van de stad.

Van de totale oppervlakte (4.930 m²) werd 1.444

m² onthard. De zitbanken nodigen uit tot rusten

of keuvelen onder de grote platanen die een extra

buffer vormen tegen het autoverkeer dat voortaan

rond het plein wordt geleid. Het vernieuwde

plein is nu ook een locatie voor kleinere evenementen

op maat.

Roeselare is met dit onthardingsproject niet aan

zijn proefstuk toe. De stad legt bij de heraanleg

van het openbaar domein de focus op extra vergroening.

Er wordt onder meer op toegezien dat

de opvang van hemelwater bij afstroom van verhardingen

terechtkomt in bestaande of nieuwe

groenzones en wadi’s. Waar mogelijk worden

bestaande ongebruikte verhardingen omgezet

in extra waterdoorlatende groenzones die zowel

een functionele als een esthetische meerwaarde

hebben. Andere gerealiseerde voorbeelden zijn

de TRAX omgevingsaanleg (100% beton omgezet

naar 50% groen), de vergroening van het centrum

van Beveren (uitbraak bestaande verharding en

omvorming tot nieuwe groenzone), de heraanleg

van de Expo-parking en het zwembad Schiervelde

(omvorming van volledig verdichte parking

tot groene parking met hagen, bomen en waterdoorlatende

grasdallen) en het Marie-Louise De

Meesterplein (omzetten van 100% verharding

naar extra groenzones). Naar de toekomst staat

het promoten en ondersteunen van vergroening

van speelplaatsen op het programma.

03

03. Het de Coninckplein was voorheen volledig verhard in kasseistenen en deed dienst als parking. Van de

totale oppervlakte (4.930 m²) werd 1.444 m² onthard, waardoor het plein nu een plaats van ontmoeting en

beleving is.

© Stad Roeselare

HIGHTECH IN WILDE BLOEMENWEIDE

SVR-ARCHITECTS ontwierp in opdracht van ontwikkelaar

Biovest Bioscape in Zwijnaarde een

nieuwe campus voor een tiental biotechbedrijven.

Het architectenbureau mocht het project

ontwerpen vanaf haalbaarheid en stedenbouwkundig

plan tot en met de inrichting van de labo’s

voor de huurders.

Van het vroegere laagbouwconglomeraat werd

één gebouw behouden en grondig gerenoveerd.

De terreinoppervlakte bestaat nog steeds uit

04

© SVR-ARCHITECTS

05

12.400 m², de footprint van de bebouwing werd

in vergelijking met vroeger praktisch gehalveerd

(6.000 m² = 48%, momenteel 3.100 m² = 25%).

Daar waar de bruto vloeroppervlakte vroeger

10.000 m² bedroeg is dit nu 16.500 m².

Bioscape werd eind verleden jaar officieel geopend.

Met een knipoog naar de Amerikaanse

universiteitscampussen is Bioscape een echt ‘life

science park’ met ongeveer 16.200 m² laboruimte,

waar dagelijks bijna 500 medewerkers hun talenten

ontplooien.

© SVR-ARCHITECTS

Bioscape omvat vier hoogtechnologische

labo-gebouwen die rond

een centraal plein georganiseerd

zijn. Op die manier rendeert de verharding

zowel als toegang als ontmoetingsruimte.

Er is ook een afzonderlijk parkeergebouw

voorzien onder 2.000 m² groendak. Het

groen park is zichtbaar vanaf de kruising E19xE40

in het industriepark Zwijnaarde. Uitgevoerd in zilverkleurig

aluminium en glas, staan de vier asymmetrisch

ingeplante individuele gebouwen met

vier tot zes bovengrondse verdiepingen middenin

een zee van wilde bloemen. Het ‘hoofd’ van elk

gebouw, met daarin de inkom, de faciliteiten en

de trap, geeft uit op een ruim plein, voorzien van

grote tegels met gras tussenin. Het achterliggend

‘lichaam’ met de labo’s en de kantoren, is telkens

volledig omgeven door groen, met korenbloemen

en papavers tot dicht tegen de muren en ramen.

De campus is ontworpen als een doorwaadbaar,

transparant geheel, omgeven door een wilde

bloemenweide, hoge grassen en jonge bomen.

Tussen de gebouwen in zorgen wadi’s voor verfrissing

en voor een ecologische waterhuishouding.

Het overtollige regenwater wordt ter plaatste

geïnfiltreerd in de bodem in wadi’s vol water

06

minnende plantengroei.

Hoewel architectuur, aanleg en beplanting de

campus een duidelijke identiteit geven, zorgen

de vijvers, de bomen en de hoge grassen tussen

de gebouwen voor een zekere privacy voor elke

onderneming.

04. Uitgevoerd in zilverkleurig aluminium en glas,

staan de vier individuele gebouwen met vier tot zes

bovengrondse verdiepingen middenin een zee van

wilde bloemen.

05. De campus is ontworpen als een doorwaadbaar,

transparant geheel, omgeven door een wilde

bloemenweide, hoge grassen en jonge bomen.

06. Inplantingsplan Bioscape

RIJKSWACHTKAZERNE WORDT

COHOUSINGPROJECT

POLYGOON Architectuur realiseerde in samenwerking

met Jouri De Pelecijn een onthardingsproject

waarbij een rijkswachtkazerne in Deurne

werd herbestemd tot cohousingproject. Hierbij

werd doordacht gebruikgemaakt van de oorspronkelijke

structuren.

De vraag kwam van vier bevriende gezinnen die

een samenwoonproject voor ogen hadden. Hierbij

werden de volgende vereisten vooropgesteld:

op fietsafstand van het stadscentrum, gemeenschappelijke

functies en een gedeelde tuin, voldoende

behoud van de privacy. De bestaande

situatie omvatte 892,69 m² (inclusief kelder en

garages), de nieuwe 1.033,71 m² (inclusief kelder

en uitbreiding).

De voormalige rijkswachtkazerne werd omgevormd

tot vier gelijkwaardige gezinswoningen.

Er werd een extra scheidingsmuur geplaatst die

de oorspronkelijke middelste travee doormidden

snijdt. Hierdoor kon de binnenindeling en karakteristieke

baksteenarchitectuur van de voorgevel

behouden worden. Om de vier woningen een

gelijkaardige oppervlakte te geven, kregen de

buitenste units een extra uitbouw op de eerste

verdieping.

De tuin en fietsberging worden gedeeld. De kelder

onder het oorspronkelijke volume werd ingericht

als gemeenschappelijke wasplaats.

Het terrein was oorspronkelijk voor meer dan de

helft bebouwd en verhard. Tijdens de verbouwing

werden de garages die op de oorspronkelijke binnenkoer

stonden afgebroken, de verhardingen en

parkeerplaatsen voor een groot stuk vervangen

door groen, en werd er compact uitgebreid in

houtskeletbouw. De woningen kregen een grote

gemeenschappelijke tuin van ongeveer 1.000 m²

en twee gemeenschappelijke voortuinen (met

in het midden een beperkte verharde zone voor

autodelen), waardoor de buurt een groen uitzicht

kreeg. De bewoners kijken nu vanuit de eetkamers

uit op de tuin, wat een verademing is in het

drukke Deurne. Voor de herbestemming was de

ruimte aan de straatkant bestraat en diende ze als

parkeerplaats. Doordat de huidige bewoners aan

autodelen doen kwam er plaats vrij om de troef

van de Zuidgerichte ligging uit te spelen.

08

07. Naast de grote gemeenschappelijke woning

kregen de woningen twee gemeenschappelijke

voortuinen met in het midden een beperkte verharde

zone voor autodelen.

08. De woningen kregen een grote gemeenschappelijke

tuin van ongeveer 1.000 m² en twee gemeenschappelijke

voortuinen, waardoor de buurt een

groen uitzicht kreeg.

i

www.omgevingvlaanderen.be/ontharden

Tilly

Baekelandt

© Wouter Struyf

Tilly Baekelandt (Baekelandt

Writings) is freelance journaliste

gespecialiseerd in bouw, architectuur,

opleiding en onderwijs.


18 kennis

Pleisterwerken: vóór of na de dekvloer?

Pleisterwerken vinden traditioneel plaats na de installatie van de

leidingen, kanalen en elektriciteitskabels en vóór de uitvoering van de

vloeropbouw. De plafonneerders stellen zich evenwel de vraag of de

fasering van de werken niet gereorganiseerd moet worden om beter

te beantwoorden aan de nieuwe bouwmethoden en -eisen.

Enkele nodige aanpassingen

De laatste jaren moesten de bouwprocessen en

-technieken aangepast worden om rekening te

houden met de energie- reglementeringen – onder

meer inzake de luchtdichtheid van gebouwen

– en om nieuwe technologieën te integreren.

Vroeger moesten er voor de speciale technieken

immers enkel waterleidingen en elektriciteitskabels

in de vloer voorzien worden. Tegenwoordig

komen daar onder meer ook vloerverwarmingsbuizen,

ventilatiekanalen en kabels voor domotica

bij.

In bepaalde situaties zou het interessant kunnen

zijn om de fasering van de werken te reorganiseren.

De tabel geeft een overzicht van de risico’s die

gepaard gaan met de traditionele fasering en met

twee alternatieve faseringen. Ter vereenvoudiging

werd er geen rekening gehouden met de eerste

fase, namelijk de plaatsing van de speciale technieken.

Een andere oplossing bestaat erin om de

speciale technieken tussen de pleisterwerken en

de isolatie van de vloer uit te voeren. Deze variant

komt in dit artikel evenwel niet aan bod.

Voor- en nadelen van een reorganisatie van de

werken

Zoals in de tabel weergegeven wordt, zijn het

risico op vallen en op het beschadigen van de

verschillende op de vloer aanwezige speciale

technieken de voornaamste nadelen van de traditionele

fasering. Wanneer de afwerkingen (bv. binnenschrijnwerk

en vensterbanken) aangebracht

zijn, moet de plafonneerder bovendien vaak een

tweede keer tussenkomen om de deuken die veroorzaakt

werden door de verschillende bouwberoepen

te herstellen en bij te werken. Hoewel dit

ook het geval is bij de andere faseringen, is het

risico op beschadigingen hier wel kleiner omdat

er na de pleisterwerken minder interventies vereist

zijn.

We willen eraan herinneren dat een langdurige

blootstelling van een materiaal aan vocht

(ook luchtvochtigheid) aanleiding kan geven tot

schimmelontwikkeling, een aantasting van het

oppervlak of – in extreme gevallen – een beschadiging

van de bepleistering. De problemen die te

wijten zijn aan het feit dat er bij de uitvoering en

de droging van de dekvloer veel vocht vrijkomt,

kunnen vermeden worden door te opteren voor

de eerste alternatieve fasering, omdat de pleisterwerken

hierbij als laatste uitgevoerd worden.

Indien men voor een van de twee alternatieve

faseringen kiest, moet de plafonneerder rekening

houden met een aantal nogal ongewone moeilijkheden

en voorzorgen. Het betreft hier voornamelijk

beschermingsmaatregelen die genomen

moeten worden om de vloeropbouw niet te

beschadigen of te bevuilen. Zo zouden er onder

de poten van de steigers drukverdeelplaten aangebracht

moeten worden om te vermijden dat

het oppervlak van de dekvloer beschadigd zou

raken (alternatief nr. 1) of dat het voor de isolatie

gebruikte gespoten polyurethaan doorponst zou

worden (alternatief nr. 2). Om de dekvloer niet te

bevuilen (bv. afzettingen en stof ) en de hechting

van de latere afwerking niet in het gedrang te

brengen, moet er ook een dekzeil voorzien worden.

Bij de eerste alternatieve fasering moet er voor de

dekvloer een zekere droogtijd in acht genomen

worden alvorens met de pleisterwerken aan te

vangen en dit, om te vermijden dat het oppervlak

van de dekvloer beschadigd zou raken. Volgens

de TV 189 is de stapeling van materiaal en materieel

bij cementgebonden dekvloeren toegelaten

na 15 dagen (7 dagen bij anhydrietgebonden

dekvloeren), voor zover dit goed verdeeld gebeurt

en er geen puntbelastingen optreden. Een

volledige ingebruikname is mogelijk na 28 dagen

(15 dagen bij anhydrietgebonden dekvloeren).

Voorafgaandelijke voorwaarden

Alvorens de plafonneerder de werken aanvat,

moet de opdrachtgever hem alle nuttige aanduidingen

verschaffen in verband met het te bepleisteren

oppervlak. Dit wordt bepaald door rekening

te houden met de dikte van de verschillende lagen

(egalisatie, isolatie, dekvloer, afwerking) en de

eventuele aanwezigheid van een vochtscherm.

Het is niet toegelaten om dit scherm te overbruggen

met een capillair materiaal (bv. een gipsgebonden

bepleistering). Dit risico is relatief beperkt

Aanzienlijke obstructie van de vloer tijdens de

pleisterwerken.

bij het eerste alternatief.

Aangezien de luchtdichtheid bij muren uit metselwerk

gewaarborgd wordt door de binnenbepleistering,

moet men de continuïteit van het

luchtscherm aan de muurvoeten en ter hoogte

van de doorboringen doorheen de gebouwschil

(warmwaterverdeelleidingen, verwarmingsleidingen

en collectoren) verzekeren. De TV 255 reikt

hiervoor verschillende oplossingen aan. Dit punt

moet – ongeacht de fasering – in aanmerking genomen

worden bij de coördinatie van de werken.

Wat de voorbereidende werkzaamheden en de

randvoorwaarden voor de pleisterwerken betreft,

stellen de TV’s 199 en 201 een aantal specifieke

aanbevelingen voor die in acht genomen moeten

worden wanneer men voor een van de twee alternatieve

faseringen opteert.

Coördinatie en voorzorgsmaatregelen

Men kan verschillende faseringen overwegen die

elk hun voor- en nadelen hebben. Deze moeten

geval per geval beoordeeld worden. Over het algemeen

dient men er evenwel op toe te zien dat

de verschillende bouwberoepen goed gecoördineerd

worden.

Redactie: M. Lignian, ing., hoofdadviseur, afdeling

Technisch advies, WTCB

Risico’s die gepaard gaan met de verschillende faseringen (schaal van 0 tot 3, van minst tot meest risicovol).

Circulaire economie en milieu top of mind bij Derbigum

Bij Derbigum, de Belgische

fabrikant van bitumen

dakbanen, staan circulaire

economie en zorg voor het

milieu sterk in zijn bedrijfs-

DNA ingeschreven.

Koen Sneiders, Recycling & waste expert bij

Derbigum vertelt: “Toen Derbigum in 1999 op

zijn productiesite in Perwez de eerste versie van

de “Macalusor” installeerde, was dit oorspronkelijk

met de bedoeling om voor het productieafval

een economisch verantwoorde oplossing te

bieden. Tot dan werd immers alle productieafval

van afgewerkte dakbanen, bij gebrek aan alternatieve

oplossingen, noodgedwongen richting

stortplaats afgevoerd. De Macalusor liet toe het

productieafval opnieuw te verwerken in nieuwe

dakbanen, zonder kwaliteitsverlies.”

De eerste stap in duurzaam denken en doen

was gezet. Een visie die zich door de jaren heen

verder zou ontwikkelen en die al snel resulteerde

in het behalen van een ISO 14001-certificaat

en de EMAS-norm. Deze evolutie betekende

ook het ontstaan van een compleet nieuw

gamma waarin gerecycleerd materiaal is verwerkt:

de Derbigum® NT-dakbanen. Hierin

vindt men de toplaag Derbigum® NT, welke

vandaag 25% gerecycleerd materiaal bevat, en

de onderlaag Derbicoat® NT, die 30% gerecycleerd

materiaal bevat.

Herbestemming is ook circulair

De dakbanen van Derbigum hebben een bewezen

levensduur van 40 jaar, zelfs meer in

praktijk. Bij een herbestemming van een bestaand

gebouw (industrieel of ander) is het

niet steeds noodzakelijk om het dak of de waterdichting

te vervangen: indien, na een grondige

dakinspectie, blijkt dat de dakbedekking

nog in orde is, kan de bestaande dakbaan als

onderlaag dienen voor een nieuwe, bijkomende

dakopbouw, volgens de in voege zijnde

normen.

Om de eindklant mee in het circulair traject

te krijgen, stelt Derbigum ondertussen ook,

voor bepaalde werven met de

Derbigum NT-producten, een

terugnamecertificaat voor. Met

deze werkwijze garandeert Derbigum

aan zijn klant de volledige

terugname van de bitumineuze

roofing wanneer het dak, aan het

einde van zijn levensduur, gerenoveerd

wordt en het nodig is

om de bestaande dakbanen van

het dak halen.

Zuiver water recupereren

Een plat dak is perfect geschikt voor de recuperatie

van regenwater mits het bekleed is met

de juiste dakbedekking. Regenwater is echter

pas herbruikbaar als het ook van goede kwaliteit

is. Daarom heeft Derbigum zich toegelegd

op de ontwikkeling van een bitumen dakbaan

speciaal voor de recuperatie van regenwater :

Derbigum® Aquatop.

Deze bitumen dakbaan is aan de bovenkant

voorzien van een acrylcoating die de opvang

van regenwater, afkomstig van het dak, perfect

toelaat. De tegenhanger van het WTCB in

Duitsland, het MFPA in Leipzig (Gesellschaft für

Materialforschung und Prüfungsanstalt für das

Bauwesen Leipzig mbH), heeft hier trouwens

onderzoek naar gedaan en een certificaat uitgereikt.

Hierin wordt bevestigd dat het regenwater

afkomstig van deze daken pH-neutraal is

en dus uitstekend hergebruikt kan worden.

i

www.derbigum.be


ecensie 19

Dierendonckblancke: Selected Works 2007-2019

De eerste monografie over

het Gentse architectenbureau

Dierendonck Blancke is een

must-read.

Het boek verscheen gelijktijdig met de opening

van de overzichtstentoonstelling in BOZAR. In

2009 waren de Gentse architecten daar al eerder

te gast binnen de NICHE-reeks met een maquette

van het gemeenschapscentrum in Avelgem. Met

dit project raakten ze niet alleen bekend bij een

breder publiek, maar ook ondergetekende leerde

hen toen kennen. Het gebouw verrees immers

quasi in de tuin van het ouderlijke huis. De wedstrijd,

georganiseerd door Anno ’02, werd door

Dierendonckblancke architecten gewonnen samen

met Stefaan Onraet, Tom Callebaut en Jonas

Desmyter. Het gemeenschapscentrum, na voltooiing

Spikkerelle gedoopt naar een personage van

Stijn Streuvels, werd ingepland op de rand tussen

de dorpskern en de Scheldemeersen, naast een

imposante neogotische kerk. De architecten stapelden

het programma met de theaterzaal boven

de foyer en de polyvalente ruimte. De betonnen

sokkel, met naast de polyvalente ruimte ook een

jeugdhuis met verzonken buitenruimte, werd in

de helling geschoven. Deze geste resulteerde in

een kubus die als vreemd element kon opboksen

tegen de kerk. In het wedstrijdontwerp opende

de foyer zich naar het centrum, met grote glazen

gevelvlakken en de oplopende onderzijde van de

theaterzaal als uitnodigend gebaar. De rest van het

volume werd in deze ontwerpfase met baksteen

bekleed. Mede om budgettaire redenen slonken

in het uiteindelijke ontwerp de vensteropeningen

en werd de kubus bekleed met wit geprofileerd

staal. De zaal draaide ook van richting, waardoor

de onderliggende foyer vandaag uitkijkt over het

meersenlandschap. Zijn we altijd eerder een koele

minnaar van de metalen huid geweest, dan valt er

op het schema niets af te dingen. De helderheid

van de opbouw met de stapeling van het programma

en de ontdubbeling van de buitenmuur

voor de verticale circulatie en om akoestische redenen

bleek bijzonder genereus. De dubbelhoge

polyvalente ruimte krijgt veel daglicht door de glazen

wanden aan de hoger gelegen foyer en kantoorzone,

zoals te zien op de iconische foto door

Kristien Daem van gepensioneerden die in de

“fuifzaal” petanque spelen op banen in kunstgras.

Het oeuvre van Dierendonckblancke architecten

ontwikkelde zich de afgelopen tien jaar op

dezelfde bedachtzame wijze. Hun werk onopvallend

noemen is een stap te ver, maar de rode folly

bovenop een Gentse burgerwoning is bijna een

aberratie in hun oeuvre, ook al werkt het op die

plek. Hun gebouwen laten zich opmerken zonder

alle aandacht op te eisen, van inplanting tot in de

materiaal- en detailbeheersing. Alles binnen hun

ontwerpen klopt: prikkelend zonder ooit te irriteren.

De presentatie in het boek en op de tentoonstelling

getuigt van dezelfde bescheiden nuchterheid.

Het boek documenteert vijftien projecten

met plannen en foto’s. Alle projecten worden in

hun afgewerkte staat getoond, want zelfs die in

uitvoering worden met puntgave maquettes gepresenteerd.

De maquette van het schitterende

woonproject Condor – met een zilvermetalen

huid – bracht ons op de tentoonstelling zelfs in

lichte vervoering. Die keuze voor de presentatie

valt te begrijpen, maar toch is het jammer dat het

ontstaansproces hiermee volledig weggesaneerd

wordt. Schijnbaar achteloos lijken deze perfect

uitgewerkte en gedoseerde projecten uit het niets

ontstaan te zijn. Dit is niet alleen een smeekbede

om een inkijk te krijgen in de rommeliger kant van

de praktijk – zelfs de proefmaquettes uitgestald op

de tentoonstelling waren bijna té perfect – maar

het project in Avelgem leert dat hun schema’s

doorheen de transformaties alleen maar sterker

worden. Misschien dat ook deze zijde van hun verhaal

in een volgend boek belicht kan worden. Vandaag

biedt het boek misschien geen inkijk in de

genese, maar wel ruimschoots in de realisatie van

hun schitterende ontwerpen en daarom alleen als

is dit boek – zeker voor wie de tentoonstelling gemist

heeft – een must-read.

Dierendonckblancke: Selected Works 2007-

2019, Lisa De Visscher & Iwan Strauven (ed.), BOZAR

BOOKS, A+ Architecture in Belgium en Verlag der

Buchhandlung Walther König, 2019, 240 p.

Redactie: Arnaud Tandt

Warmteterugwinapparaten:

hun prestaties op de proef gesteld

Naast vraaggestuurde ventilatie is balansventilatie met

warmteterugwinning een van de meest courante technieken ter

beperking van warmteverliezen door ventilatie. Het rendement van

de gebruikte warmtewisselaar heeft evenwel een grote invloed op de

globale prestaties van dit ventilatietype. Welk rendement mag men in

werkelijke omstandigheden verwachten?

Het principe van een balansventilatiesysteem berust

op een volledig mechanische luchttoevoer

en -afvoer (systeem D volgens de norm NBN D 50-

001). Vermits deze systemen doorgaans uitgerust

zijn met een warmtewisselaar, spreekt men ook

van warmteterugwinningssystemen.

De aan de vochtige ruimten onttrokken warme

lucht wordt gebruikt om de verse buitenlucht

door middel van een warmtewisselaar voor te

verwarmen. Deze voorverwarmde verse lucht

wordt vervolgens in de droge ruimten van het

gebouw geblazen. Dankzij deze techniek worden

de warmteverliezen door de ventilatie beperkt en

het energieverbruik voor de verwarming verminderd.

Een andere techniek die hier courant voor

toegepast wordt, is de vraaggestuurde ventilatie.

Temperaturen die gedurende een week aan de in- en uitgangen van

een van de beproefde installaties gemeten werden.

Het rendement van de warmteterugwinapparaten

kan bepaald worden door in gestandaardiseerde

omstandigheden laboratoriumproeven

uit te voeren. Het WTCB heeft op zijn beurt het

rendement van meerdere warmteterugwinapparaten

in werkelijke omstandigheden in situ kunnen

meten.

Beoordeling van de prestaties

De globale energieprestaties van het ventilatiesysteem

kunnen beoordeeld worden op het niveau

van:

• het rendement van de ventilatiegroep zelf:

kunnen de in-situresultaten vergeleken worden

met de resultaten van de laboratoriumproeven?

• de globale efficiëntie: welke elementen hebben

een invloed op de prestaties van de volledige

installatie?

In situ gemeten rendement van de ventilatiesystemen

De grafiek op de volgende pagina geeft de temperaturen

weer die gedurende een week aan de

in- en uitgangen van een van de beproefde systemen

gemeten werden. Hieruit blijkt dat het op

basis van deze temperaturen berekende rendement

gedurende de betreffende periode relatief

constant blijft: het bedraagt 80 % (tegenover 84 %

in het laboratorium). Het verschil is dus vrij klein.

Voor het merendeel van de in de meetcampagne

bestudeerde ventilatiegroepen ligt het rendement

tussen de 70 en de 90 %. Over het algemeen

leunen de in-situresultaten dicht aan bij deze die

in het laboratorium gemeten werden. De lange

versie van dit artikel zal hier dieper op ingaan.

Factoren die de globale efficiëntie van het systeem

beïnvloeden

De globale efficiëntie van de warmteterugwinning

is niet beperkt tot het thermische rendement

van het warmteterugwinapparaat. Hieronder

worden enkele essentiële factoren besproken

die een rechtstreekse invloed kunnen hebben op

de prestaties en dus ook op de energiebesparing

op gebouwniveau.

- Onbalans tussen de afvoer- en toevoerdebieten

Naarmate de onbalans tussen de afvoer- en toevoerdebieten

toeneemt, vermindert het rendement.

Als het rendement van een warmtewisselaar

in balans 80 % bedraagt en de onbalans

tussen de debieten 20 % (bv. 200 m³/h bij de

afvoer en 250 m³/h bij de inblazing), zal het uiteindelijke

in-siturendement gelijk zijn aan 64 %.

Bijgevolg is het aangeraden om de afvoer- en

toevoerdebieten bij het ontwerp op elkaar af te

stemmen en de initiële balans tussen beide te

verzekeren door de debieten bij de indienststelling

correct af te stellen (zie TV 258). Om deze

balans ook op termijn te behouden, worden

bepaalde ventilatiesystemen uitgerust met een

automatisch regelsysteem, dat bovendien gevaloriseerd

wordt in de EPB-berekening (zie www.

epbd.be en de lange versie van dit artikel).

- Isolatie van bepaalde luchtkanalen

Door ‘koude’ kanalen doorheen verwarmde ruimten

of ‘warme’ kanalen doorheen niet-verwarmde

ruimten te laten passeren, vermindert de globale

efficiëntie van de warmteterugwinning. Zo kan

een 3m lang, niet-geïsoleerd kanaal met een diameter

van 200 mm in een typische installatie (debiet

van 250 m³/h) 10 % van de terug te winnen

energie verloren doen gaan.

Bijgevolg is het ten stelligste aangeraden om bepaalde

kanalen te isoleren. In de TV 258 worden

hiervoor enkele praktische oplossingen aangereikt.

De technische specificaties STS P 73-1 beschrijven

op hun beurt verschillende isolatieklassen

en de bijbehorende isolatiediktes.

- Luchtdichtheid van de kanalen

De aanwezigheid van lekken impliceert dat een

deel van de voorverwarmde lucht buiten het beschermde

volume van het gebouw verloren kan

gaan en/of dat de luchtverversing in bepaalde

ruimten niet gewaarborgd is. Het is dus eveneens

noodzakelijk om luchtdichte kanalen aan te wenden.

Ook hiervoor worden er praktische oplossingen

voorgesteld in de TV 258.

- Beschermingssystemen tegen bevriezing

De warmtewisselaar wordt door middel van bijvoorbeeld

een bypass of een verwarmingsweerstand

beschermd tegen bevriezing. Deze bescherming

kan evenwel de globale efficiëntie van

het systeem lichtjes doen dalen. In een regio met

een gemiddeld klimaat wordt dit rendementsverlies

op jaarbasis op ongeveer 5 % geschat.

Redactie:

S. Pecceu, ir., projectleider, laboratorium Verwarming

en ventilatie, WTCB

S. Caillou, dr. ir, adjunct-laboratoriumhoofd, laboratorium

Verwarming en ventilatie, WTCB

Via de WTCB-Mail blijft u op de hoogte van de

verschijning van de lange versie van dit artikel:

WTCB-Dossiers 2019/2.10


20 kennis

© WTCB

Herziening van de TV 215: veranderingen op til voor het dampscherm

Door de vele evoluties in het domein van de platte daken

drong de herziening van de TV 215 zich op. Vermits

deze herziening bijna afgewerkt is, kunnen we reeds een

tipje van de sluier oplichten, meer bepaald omtrent het

hoofdstuk over het dampscherm. Welke nieuwigheden

zult u hierin terugvinden?

Noot: Dit artikel heeft voornamelijk betrekking op

warme daken en omkeerdaken. Het gaat dus niet

dieper in op specifieke configuraties zoals compactdaken

(zie de WTCB-Dossiers 2012/2.6).

FUNCTIE VAN HET DAMPSCHERM

De functiebeschrijving van het dampscherm

werd bijgewerkt door onder meer:

• zijn rol als luchtscherm te benadrukken en te

wijzen op de mogelijks aanzienlijke vochttoevoer

ten gevolge van een gebrekkige luchtdichtheid

• de aspecten met betrekking tot het gebruik

van het dampscherm als tijdelijk afdichtingsmembraan

tijdens de werken te ontwikkelen,

vermits deze situatie vaak voorkomt en veelal

bepalend is voor de keuze en de uitvoering van

het dampscherm. Zo zijn polyethyleenfolies

en louter met een glasvlies gewapende membranen

op een ondergrond van geprofileerde

staalplaten niet geschikt voor dit gebruik

• de compartimentering van de isolatie te detailleren

(d.w.z. de verdeling van deze laag in

compartimenten door de dakafdichting en het

dampscherm met elkaar te verbinden, teneinde

de omvang van een eventuele infiltratie te

beperken). Naast het klassieke compartimenteringsschema

voor twee verenigbare materialen,

zal het herziene hoofdstuk ook schema’s

bevatten voor twee onverenigbare materialen

(zie afbeelding 1) en voor de compartimentering

van een tweelaagse isolatie (zie afbeelding

2). Om de efficiëntie van de compartimentering

te verbeteren, willen we eraan herinneren

dat het aange raden is om deze op de asbuiltplannen

aan te duiden en maatregelen te

treffen om eventuele waterlekken op te sporen

(zie TV 229, bijlage 4).

EIGENSCHAPPEN VAN HET

DAMPSCHERM

Ook de fysische eigenschappen van de materialen

komen in de herziening aan bod, te beginnen

met de toelichting van enkele noties die vaak een

zekere verwarring zaaien, zoals:

• de coëfficiënt voor de waterdampdiffusieweerstand

µ

• de diffusiedikte µd (of Sd)

• de gecorrigeerde diffusiedikte (µd)corr (ook

wel de equivalente diffusiedikte genoemd (µd)

eq), die rekening houdt met de invloed van de

uitvoering.

De herziening van de TV 215 vermeldt enkele

µ- en µd-waarden voor gebruikelijke materialen.

Het is evenwel moeilijk om de (µd)corr-waarde

van een uitgevoerd product te bepalen. Zo kan

een onderbreking (bv. doorboring door een bevestiging

of plooi in een overlapping) bij gebruik

van een polyethyleenfolie of andere dunne membranen

aanleiding geven tot een groot verschil

tussen de µd- en de (µd)corr- waarde. Om deze

reden zal een polyethyleenfolie maximaal tot de

dampschermklasse E2 (5 m ≤ (µd)corr < 25 m)

kunnen behoren, zelfs wanneer ze over een hoge

µd-waarde beschikt. Bij bitumineuze materialen is

het verschil tussen de µd- en de (µd)corr-waarde

in principe kleiner.

KWALITEIT VAN HET DAMPSCHERM

Wat de kwaliteit van het dampscherm betreft,

geeft tabel 14 van de huidige TV 215 een overzicht

van de voor warme daken te gebruiken

dampschermklassen (E1 tot E4) in functie van de

eigenschappen van de dakvloer en de binnenklimaatklasse.

Deze tabel kan gebruikt worden als

alternatieve oplossing voor meer gedetailleerde

berekeningen. Voor gebouwen waar de jaarlijkse

gemiddelde dampdruk groter is dan 3.000 Pa

is het evenwel aangeraden om sowieso over te

gaan tot een dergelijke berekening.

Voormelde tabel is gebaseerd op berekeningen

volgens de Glasermethode. In het kader van de

herziening van de TV 215 werd hij echter aangepast

op basis van dynamische berekeningen.

Verder werden de rekenhypothesen bijgeschaafd

om beter te beantwoorden aan de werkelijkheid

(bv. een plat dak, beschaduwd door een naar het

noorden gerichte muur, die zich dus ten zuiden

van het dak bevindt, in plaats van een dak met

een helling van 45° met een noordelijke oriëntatie).

Er werd beslist om de aanbevelingen enkel

aan te passen wanneer ze strenger mochten blijken

dan de geldende.

Voor houten dakvloeren of dakvloeren uit geprofileerde

staalplaten bleken de dynamische

berekeningen iets minder streng te zijn. Bijgevolg

werd er hiervoor geen enkele wijziging aangebracht

in de tabel.

Voor dakvloeren uit ‘nieuw’ beton (of nieuwe cementgebonden

afschotlagen die een zekere hoeveelheid

bouwvocht kunnen bevatten) leverden

de dynamische berekeningen voor de binnenklimaatklassen

I tot III en een dampscherm van de

klasse E3 (25 m ≤ (µd)corr < 200 m) condensatiehoeveelheden

van iets meer dan 200 g/m² op, zoals

tegenwoordig aanbevolen wordt. Theoretisch

impliceert dit dat men een dampscherm van de

klasse E4 ((µd)corr ≥ 200 m) zou moeten toepassen.

Men zou in dit geval echter ook kunnen blijven

gebruikmaken van een dampscherm van de

klasse E3 aangezien:

• de maximale condensatiehoeveelheid slechts

lichtjes overschreden wordt (ongeveer 250 g/

m² aan condensaten)

• de toepassing van een µd-waarde van 100 m

(tussenliggende waarde) dichter aanleunt bij

de werkelijkheid dan de ondergrens van 25m

• de impact van een eventuele (zwakke) condensatiehoeveelheid

waarschijnlijk kleiner zal

zijn, gelet op de huidige isolatiediktes.

Voor de binnenklimaatklasse IV blijft een dampscherm

van de klasse E4 van toepassing.

Voor dakvloeren uit ‘droog’ beton (renovatie) stelt

een voetnoot in tabel 14 dat er voor de binnenklimaatklassen

I tot III geen dampscherm voorzien

hoeft te worden. Uit de dynamische berekeningen

is evenwel gebleken dat men in aanwezigheid

van een binnenklimaatklasse III en een isolatie

uit minerale wol de voorkeur dient te geven

aan een dampscherm van de klasse E1. Bijgevolg

is het aangeraden om in het geval van een dakvloer

uit droog beton en een binnenklimaatklasse

III voortaan een dampscherm van deze klasse toe

te passen. Verder werden er maar weinig wijzigingen

aangebracht in de tabel.

In de rest van de tekst werden er wel nog een aantal

aanpassingen doorgevoerd. Zo werd er een

korte beschrijving van de intussen verschenen

zelfklevende dampschermen en hygrovariabele

dampremmen toegevoegd. Voor meer details

verwijzen we naar de herziene TV die binnenkort

zal verschijnen.

Compartimentering indien de dakafdichting en het dampscherm

onverenigbaar zijn.

Compartimentering van een tweelaagse isolatie.

Redactie: E. Noirfalisse, ir., laboratoriumhoofd, laboratorium

Isolatie- en dichtingsmaterialen, WTCB

Tilmans, ir., laboratoriumhoofd, laboratorium Hygrothermie,

WTCB.


Euromaf_277x190_20190508.qxp_Opmaak 1 8/05/19 14:26 Pagina 1

U de CREATIVITEIT,

wij uw BIJSTAND en ZEKERHEID,

samen de grootste PROFESSIONALITEIT!

Gyproc®

De sterkste gipsplaat.

Getest door experts.

.

www.gyprochabito.be


22 kennis

01

Cohousing: Hoe pak je het aan?

Het aantal cohousingprojecten zit in de lift en alle indicaties suggereren dat

deze vorm van wonen een blijver is. Maar hoe pakt u een cohousingopdracht

aan? We legden de vraag voor aan enkele collega’s die de stap al hebben gezet

en bundelden hun ervaringen en tips in twee afleveringen. In onze vorige editie

spitsten we ons toe op de contractuele, administratieve en uitvoeringsaspecten.

Deze keer gaan we dieper in op het ontwerp, de groepsdynamiek en op vragen

rond de betaalbaarheid, impact en toekomstverwachtingen.

We kregen input van volgende ontwerpers:

- ingenieur-architect Xavier Avontroodt, partner van Stramien,

een bureau dat in Vlaanderen al vele jaren de kar van

cohousing trekt;

- architect Lode Goethals van BAST architects & engineers,

gespecialiseerd in bio-ecologisch bouwen;

- ingenieur-architect Erik Vandenpoel van BOGDAN & VAN

BROECK, het bureau dat momenteel in Gent het grootste

cohousingproject van Vlaanderen realiseert in samenwerking

met drie cohousinggroepen en een wijkgezondheidscentrum.

HOE VERHOUDT DE ARCHITECT ZICH

TOT DE GROEP?

Xavier Avontroodt: “Indien nodig moet je de

groep wijzen op ontwerpprincipes die het samenwonen

bevorderen, om te vermijden dat je

een veredeld samenwonen krijgt dat ver af staat

van het concept cohousing, maar waarin louter

02

03

het tuinhuis en de wasruimte worden gedeeld.

Een basisprincipe is dat de gemeenschappelijke

leefruimte, meestal de keuken, heel gemakkelijk

bereikbaar is, beter zelfs dan de eigen voordeur.

Zo wakker je het gebruik van die ruimte als hart

van de gemeenschap aan. Als er familieleden op

bezoek komen, moet het een evidentie zijn dat je

hen in de gemeenschappelijke ruimte opwacht

en dat die mensen rechtstreeks naar daar komen.

De inplanting van die ruimte vergt de nodige

aandacht. Vorig jaar bezocht ik in Berlijn een

Baugruppe die van een restruimte een gemeenschapslokaal

had gemaakt. Omdat die ruimte

verkeerd georiënteerd was, werkte dat absoluut

niet.”

Lode Goethals: “Normaal verloopt het overleg

via een of meerdere door de groep afgevaardigde

personen. Veelal werkt dat heel goed. Wanneer

de dynamiek van een groep dan toch eens

niet goed zit , voel je dat meteen. De communicatie

is niet helder, beslissingen blijven uit, men

komt terug op al genomen beslissingen. Op dat

ogenblik moet je tijdig op tafel durven te kloppen

en het thema bespreekbaar maken. Degene

die de groep vertegenwoordigt, moet dan zijn/

haar verantwoordelijkheid nemen. Tijdens de

persoonlijke gesprekken met de bewoners over

de inrichting van hun eigen woning moet je een

scherp onderscheid maken tussen de individuele

en de gemeenschappelijke doelen, en duidelijk

afbakenen wat je taak precies inhoudt.”

Erik Vandenpoel: “Wij hebben de bewoners

van bij de eerste pennentrek bij het project Bijgaardehof

betrokken. In samenspraak met alle al

gekende deelnemers werd een programma van

eisen opgesteld, dat reikte van de constellatie en

inplanting van de gebouwen tot de keuze van

materiaalpaletten en een beeldkwaliteitsplan.

Op basis daarvan hebben wij het masterplan

gemaakt. Zo krijg je een breed gedragen project.

Het vergt een fikse tijdsinvestering en herpositioneert

ook onze rol als ontwerpteam. We hebben

de grote lijnen van het project uitgezet en werden

daarvoor sterk gestuurd door het karakter en

de diversiteit van de groep.”

HOE BELANGRIJK IS NAAST

HET SOCIALE HET ECOLOGISCH

ENGAGEMENT?

Xavier Avontroodt: “Dat vormt dikwijls een essentieel

onderdeel van een cohousingproject.

Ik denk dan onder meer aan deelauto’s en hernieuwbare

energie. Dikwijls zie je dat groepsleden

elkaar daarin aanporren. Een deelnemer met specifieke

kennis die dat weet over te brengen, kan

de anderen er toe overhalen om een stap verder

te zetten. Alleen blijven de financiële consequenties

dikwijls een hinderpaal. Infrastructuur delen is

goed voor de portemonnee, maar zelfs dan blijven

bv. warmtepompen met grondboringen erg

duur.”

Lode Goethals: “De cohousinggroep van Drongen

klopte bij ons aan omdat zij iets verder wou

gaan op ecologisch vlak. Wij hebben de traditionele

betonplaat die een grote CO2-voetafdruk

heeft, vervangen door een opbouw uit glasschuimgranulaten

en een randfundering. Verder

hebben we geen regenwateraansluiting op de

straat doordat we alles op eigen terrein infiltreren.

We werken met een houtskeletstructuur, waar

mogelijk nagroeibare isolatie, een gevel van in

thermisch verduurzaamd hout en keramische tegels

en dakpannen. De verharding beperken we

tot het hoogst noodzakelijke. De woningen hebben

een balansventilatie en geo-warmtepompen.”

Erik Vandenpoel: “In Bijgaardehof kozen de

groepen bewust voor een hemelwaterneutrale

en gasvrije site en een hoogperformante, bijna

energieneutrale nieuwbouw. De energie voor de

ruimteverwarming en het sanitair warm water

wordt opgewekt door een BEO-veld, waarvoor

een vijftigtal boringen nodig waren. Het voordeel


08

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19

kennis 23

van een project met een dergelijke omvang is dat

die kost wordt gedeeld. Er komen ook zonnepanelen,

maar de totale oppervlakte is bescheiden

omdat er vrij veel terrassen en dakterrassen zijn.

In middelhoogbouw blijft de voor zonnepanelen

beschikbare oppervlakte altijd een uitdaging.

Het regenwater wordt hoofdzakelijk voor de toiletten

gerecupereerd en de putten hebben een

overstort naar een centrale wadi in de binnenhof.

Een overstort naar de stadsriolering was verplicht,

maar eigenlijk overbodig omdat alles is gedimensioneerd

op hergebruik. De materialenkeuze gebeurde

zo ecologisch mogelijk in samenspraak

met de opdrachtgevers. Er is geopteerd voor een

flexibele structuur met een kader in betonbouw,

terwijl alle isolatie en afwerkingsmaterialen een

prima duurzaamheidsprofiel hebben. Omdat er

veel moest worden gesloopt, hebben we in het

lastenboek opgenomen dat de aannemer voor

een aantal bouwelementen een inventaris van

herbruikbare materialen moet opstellen. Die kunnen

dan circulair opnieuw worden toegepast in

de gemeenschappelijke delen of verkocht op de

tweedehandsmarkt.”

01. In Stene (Oostende) ging Cohousing Boldershof

in zee met Stramien (i.s.m. LMS Vermeersch bvba)

om 11 eengezinswoningen en 8 appartementen te

realiseren, en een historische hoeve om te vormen

tot een gemeenschapshuis in een gemeenschappelijke

tuin.

02. Vlakbij het station en de dorpskern van Wijgmaal

ontwikkelt Stramien in opdracht van Wijg&Co

een cohousingproject voor 33 gezinnen. Naast een

mix van eengezinswoningen, appartementen en

studio’s komt er een gemeenschappelijk paviljoen.

03. Nieuwmoer Kalmthout: In 2016 won Stramien

de ontwerpwedstrijd die de sociale huisvestingsmaatschappijen

De Ideale Woning en Arro

Antwerpen hadden uitgeschreven voor een groene

wijk in het centrum van het dorp. De komende jaren

komen daar 100 sociale woningen, verdeeld over zes

woonerven waar zaken gemeenschappelijk worden

gedeeld.

04. BOGDAN & VAN BROECK realiseert in samenwerking

met LAND landschapsarchitecten op de voormalige

bedrijfssite van Malmar in Sint-Amandsberg

het cohousingproject Bijgaardehof. Opdrachtgevers

zijn de cohousinggroepen Wijgaard, Spore en Biotope,

het wijkgezondheidscentrum Kappellenberg

en de overkoepelende organisatie waarbinnen de

partners de centrale hof, de parking, de tuinmuren

en een atelier delen.

05. Haringrokerij: In 1988 vormden zes gezinnen,

onder wie dat van Peter Vermeulen van Stramien en

Ringland, een oude haringrokerij aan het Antwerpse

Zuid om tot een woonproject. © Stramien.

04

MAAKT COHOUSING BOUWEN

BETAALBAARDER?

Xavier Avontroodt: “Cohousing is geen financiële

wonderoplossing, tenzij je de strategie van de sociale

huisvesting hanteert en iedereen exact dezelfde

oplossingen biedt. Maar in een groep heb

je altijd meer bemiddelde mensen die andere

keuzes maken. Omdat de aannemer daardoor uiteindelijk

met allemaal verschillende woningen zit,

zal hij voor bv. het gipskarton niet de laagst mogelijke

prijs aanrekenen. Zoals ik daarnet al aangaf,

maakt delen ook niet alle oplossingen haalbaar.

De meerkost voor een warmtepomp met grondboringen,

vergeleken met de klassieke gasketel,

moet gespreid worden over het totale aantal

vierkante meter. Omdat cohousers normaal kleiner

wonen, kan die meerkost per vierkante meter

zwaar doorwegen.”

Lode Goethals: “Betaalbaarheid is vandaag zelden

de reden om in cohousing te stappen. Je ontmoet

daar vooral een middenklassepubliek van

tweeverdieners. Dankzij de gemeenschap krijg je

wel veel terug voor je investering. Kinderen hebben

er een grote tuin, de levenskwaliteit is beter.

Voor wie die gemeenschappelijke delen geen

meerwaarde hebben, is cohousing echter weinig

interessant.”

Erik Vandenpoel: “Als je cohousing vergelijkt

met een klein appartement, is het niet goedkoper.

Maar die vergelijking loopt mank. Naast hun

woning krijgen de bewoners in Bijgaardehof een

heleboel gedeelde zaken ter beschikking: logeerkamers,

een ruim speellokaal voor de kinderen,

een grote gemeenschappelijke ruimte, een atelier

om te klussen, verschillende soorten tuinen met

zelfs een daktuin met een dakserre voor groenteteelt

in een van de groepen. Als je dat optelt, kom

je uit bij het comfort van een vrijstaande woning,

waar die extra zaken een groot deel van de tijd

onbenut blijven. In Bijgaardehof krijg je zo kwaliteitsvol

wonen met een sociaal engagement in

een stedelijke context. Vanuit die optiek krijg je bij

cohousing meer waar voor je geld.”

WAT HEBT U UIT DE PROJECTEN

GELEERD?

Xavier Avontroodt: “Heel belangrijk in cohousing

is voldoende privacy, bv. in de vorm van een terras

waar je je kan terugtrekken. Gelijkheid is ook een

essentieel gegeven. Niemand mag het gevoel

krijgen dat hij in een resthoekje wordt gedrumd.

Eventueel moet iedereen wat inleveren om tot

een gelijke verdeling te komen, wat natuurlijk

niet gemakkelijk is. Verder moet je attent zijn voor

deelnemers die alleen op hun ding focussen.

Eerst komt de groep, dan pas het individuele belang.

Indien nodig moet je als architect de leden

daarop wijzen.”

Lode Goethals: “Cohousers moeten concurreren

met commerciële ontwikkelaars. Daardoor moeten

ze zich dikwijls tevreden stellen met percelen

die een promotor niet interesseren omdat

ze moeilijker te ontwikkelen zijn. Dat vergt meer

ontwerpkracht van de architect. Verder moet je

evenveel aandacht besteden aan de privacy als

aan het gemeenschappelijke, anders is cohousing

niet duurzaam als samenlevingsmodel. Uiteindelijk

is het geen commune, maar eerder een goed

nabuurschap waar je net iets meer moet overeenkomen

dan gebruikelijk omdat je zaken deelt.”

Erik Vandenpoel: “Dikwijls wordt onderschat in

welke mate architectuur de dirigent is van sociale

interactie. Wij moeten zorgen voor een correct

evenwicht tussen cohesie, dé kracht van

cohousingprojecten, en privacy. Mensen ontmoeten

elkaar, delen auto’s, infrastructuur en objecten,

zorgen voor de kinderen van anderen, oefenen

samen een hobby uit. De architectuur moet

dat faciliteren. Zo is iedere voordeur via een buitencirculatie

vrij toegankelijk en vlot bereikbaar.

Daardoor moet je niet eerst een inkomhal passeren

en zie je de buren thuiskomen, de kinderen

spelen et cetera, wat de sociale cohesie verhoogt.

Bovendien zorgen glazen voordeuren ervoor

dat je, als je passeert, ziet of er iemand thuis is.

De buitentrappen en passerellen zijn voldoende

ruim bemeten om als ontmoetingsplek te kunnen

fungeren. De site, in feite een soort eilandje in de

stad, wordt doorwaadbaar, zodat wandelaars in

het stadspark gerust even een toertje over de binnenhof

kunnen maken.”

IS COHOUSING EEN BLIJVER?

Wie cohousing zegt, denkt meteen aan Denemarken.

Daar is deze woonvorm goed ingeburgerd.

Harde cijfers ontbreken, maar de onderzoekers

Peter Jakobsen en Henrik Gutzon Larsen* citeren

bronnen die gewagen van 1% tot 5% van de

Deense bevolking. Volgens een infografiek (2015)

van de grote Britse verzekeringsmakelaar Towergate

Insurance** zou zelfs 8% van de Deense gezinnen

in cohousinggroepen wonen. Hoe zien de

architecten dat in ons land evolueren?

Xavier Avontroodt: “Cohousing is een blijver en

er zullen steeds meer projecten komen, maar de

markt is niet klaar om er een standaard van te maken.”

Lode Goethals: “Cohousing is een van de modellen

voor de toekomst, maar voor een beperkt

publiek. Waardevoller dan het woonaspect vind

ik het achterliggende overlegmodel, dat je attitudes,

skills en een open mind voor nieuwigheden

bijbrengt die je ook elders kunt gebruiken:

op het werk, in de ouderraad, in je onmiddellijke

omgeving. Dat model is geen exclusiviteit van cohousing,

maar is er zeker mee vergroeid. ”

Erik Vandenpoel: “Cohousing en misschien nog

meer coliving vormt een valabel alternatief voor

iedere woonvorm, zeker voor de vrijstaande woning

die vanuit duurzaamheidsoverwegingen

geen toekomst meer heeft, en biedt als surplus de

sociale interactie. Maar het is niet voor iedereen

weggelegd. Er blijven ook vragen. Wat als mensen

verhuizen of de gezinssamenstelling wijzigt? Een

interessante denkpiste is het inruilen van medeeigendom

voor coöperatieve aandelen. We hopen

dat de overheid de werking daarvan zal vergemakkelijken

en progressief zal ondersteunen.”

*Peter Jakobsen & Henrik Gutzon Larsen (2018):

An alternative for whom?

The evolution and socio-economy of Danish cohousing,

Urban Research & Practice, DOI:

https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/175

35069.2018.1465582

**Community 2.0: is cohousing the future of urban

design’ (2015): https://www.towergateinsurance.

co.uk/commercial-property-insurance/

is-cohousing-the-future

Staf Bellens

05

Staf Bellens (CD Media

Productions) is freelance

journalist gespecialiseerd

in bouw, renovatie,

architectuur en wonen in

de brede betekenis.


24 kennis

Hoe dimensioneer ik mijn sanitairwarmwaterproductie-installatie?

Het is niet zo eenvoudig om een sanitairwarmwaterproductieinstallatie

correct te dimensioneren. Zo moet men enerzijds het

gewenste comfort en het verbruik van de gebruikers verzekeren,

waardoor er vaak overgedimensioneerd wordt. Anderzijds wordt het

steeds belangrijker om energiezuinige installaties te ontwerpen, wat

dan net weer een zo nauwkeurig mogelijke dimensionering vereist.

Types sanitairwarmwaterproductie

We onderscheiden twee types sanitairwarmwaterproductie:

• productie in doorstroom, waarbij het warme

water ogenblikkelijk aangemaakt wordt en niet

opgeslagen wordt. Dergelijke installaties worden

gedimensioneerd op basis van het piekdebiet,

dat afhankelijk is van het gebouwtype

en de erin aanwezige sanitaire uitrusting, en

vereisen hogere vermogens dan de toestellen

met opslag

• productie met opslag of accumulatie. Dergelijke

installaties zijn voorzien van een geïntegreerde

of afzonderlijke opslagtank, waardoor

ze een lager vermogen vergen om eenzelfde

verbruik te dekken. Deze toestellen worden gedimensioneerd

op basis van het gebouwtype,

de erin aanwezige sanitaire uitrusting en het

aantal personen dat de installatie zal gebruiken.

Aangezien dit aantal vaak varieert tijdens

de levensduur van de installatie, is het aangewezen

om een schatting te maken van de

maximale bezetting (bv. op basis van het aantal

slaapkamers in de woning).

Te gebruiken dimensioneringsmethoden

Tot voor kort bestond er in België geen norm voor

de te gebruiken dimensioneringsmethode. Eind

2017 kwam daar verandering in met de publicatie

van de norm NBN EN 12381-3. Aangezien de in

deze norm vermelde standaardwaarden echter

niet altijd tot een nauwkeurige dimensionering

leiden, moet de norm aangevuld worden met een

nationale bijlage.

In afwachting van deze bijlage kunnen de installaties

gedimensioneerd worden volgens:

• de norm DIN 1988-300 voor de productie van

sanitair warm water in doorstroom. Een recente

WTCB-meetcampagne heeft immers aangetoond

dat de volgens de methode uit deze

norm berekende piekdebieten voor appartementsgebouwen

het dichtst aanleunen bij de

effectief gemeten debieten (zie de WTCB-Dossiers

2013/3.14). Deze norm voorziet vrij hoge

piekdebieten en vermogens voor eengezinswoningen.

De volgens de norm NBN EN 12831-

3 berekende piekdebieten liggen evenwel nog

veel hoger

• de norm DIN 4708-2 voor de productie van sanitair

warm water met opslag. De methode uit

deze norm is tot op heden van toepassing in

Duitsland en wordt ook in België courant gebruikt.

PV-curven voor eengezinswoningen

Om een sanitairwarmwaterproductie-installatie

te dimensioneren, moet men het vereiste nuttige

vermogen (P) van het productietoestel (d.i.

de hoeveelheid warm water die per tijdseenheid

door de installatie afgegeven wordt) en eventueel

het nuttige volume (V) van een boiler (*) (d.i.

het volume dat steeds op temperatuur gehouden

wordt) bepalen. Alle combinaties van vermogen

en volume die voldoen om aan één bepaalde sanitairwarmwatervraag

te beantwoorden, vormen

samen een PV-curve (zie afbeelding). Dergelijke

curven kunnen gebruikt worden om het vermogen

voor de productie van sanitair warm water af

te stemmen op het vermogen dat nodig is voor

ruimteverwarming en dit, door het opslagvolume

aan te passen. Op die manier wordt de ketel niet

overge- dimensioneerd.

Op basis van de normen DIN 4708-2 en DIN 1988-

300 werden er PV-curven berekend voor eengezinswoningen

met een standaarduitrusting (één

tot zes slaapkamers, één badkamer met een douche

of bad en een wastafel en één gootsteen in

de keuken) en een watertemperatuur van 60 °C.

De PV-curven vermelden:

• het nuttige vermogen voor de productie van

sanitair warm water in doorstroom (bolletje op

de verticale as in de grafiek)

• het nuttige vermogen in functie van het nuttige

boiler- volume en het aantal slaapkamers.

Wanneer het snijpunt van het nuttige vermogen

en het nuttige volume zich in de grafiek op een

PV-curve bevindt, is het toestel goed gedimensioneerd

om in de sanitairwarmwatervraag van

de betreffende woning te kunnen voorzien. Als

het erboven ligt, is het overgedimensioneerd en

omgekeerd. De methode uit de norm DIN 4708-2

werd bovendien geëxtrapoleerd naar grotere volumes

om bijvoorbeeld ook toegepast te kunnen

worden op warmtepompen met een beperkt vermogen

(zie stippellijnen).

PV-curven voor een eengezinswoning met één badkamer en voor water op 60 °C.

Omzetting naar reëel vermogen en volume

Het nuttige boilervolume moet omgerekend

worden naar het reële boilervolume, rekening

houdend met de plaats van de temperatuursensor

die de inschakeling van de waterverwarming

bedient. Zo moet het nuttige volume van een

boiler waarbij de temperatuursensor zich in het

midden bevindt en waarvan enkel de bovenste

helft continu op temperatuur gehouden wordt,

verdubbeld worden om tot het reële volume te

komen.

Het nuttige vermogen dient bovendien nog vermeerderd

te worden met de stilstandsverliezen

(defaultwaarde uit bijlage B van de norm NBN EN

12381-3 of productspecifieke waarden uit de Ecodesigngegevens)

en eventueel met de continue

distributieverliezen van een circulatiesysteem.

Volgende stappen

Momenteel wordt er voor de opstelling van de

nationale bijlage bij de norm NBN EN 12381-3

nog onderzocht of men kleiner kan dimensioneren

zonder aan comfort in te boeten. Hierbij

worden ook de ontwikkelingen in het buitenland

op de voet gevolgd. Tot nog toe werden er echter

ook in onze buurlanden nog geen nationale bijlagen

gepubliceerd.

(*) De term ‘boiler’ (letterlijk toestel voor de productie

van warm water of verwarmingsketel)

wordt in België soms verkeerdelijk gebruikt in de

zin van reservoir of opslagtank.

Redactie: B. Bleys, ir., laboratoriumhoofd, laboratorium

Watertechnieken, WTCB

REKENVOORBEELD

We gaan uit van een eengezinswoning met

drie slaap¬kamers. Om deze woning te verwarmen,

is er een nuttig vermogen van 10

kW nodig. In de grafiek kan men aflezen dat

dit vermogen ook volstaat voor de productie

van sanitair warm water, voor zover er geen

circulatieleidingen voor sanitair warm water

zijn en men een boiler plaatst met een nuttig

volume van 75 l. Indien men opteert voor een

boiler waarbij de temperatuursensor zich in

het mid¬den bevindt, is er een reëel volume

van 150 l vereist.

Deck-VQ ® vacuümisolatie voor appartement in Sint-Idesbald

De terrassen van het appartementsgebouw ‘residentie Bellevue’

in Sint-Idesbald zijn gerenoveerd en duurzaam geïsoleerd met de

nieuwe Deck-VQ ® vacuümisolatiepanelen van Recticel Insulation.

Lieven Claus (Dakwerken Bruneel): “Voor dit

project in Sint-Idesbald plaatsten we Deck-VQ®

vacuümisolatie van Recticel Insulation, geleverd

via Defrancq. Met een warmtegeleidingscoëfficiënt

(lambda) van 0,006 W/mK in de kern

(VIP) – de beste prestaties op de markt – en

een beperkte dikte van 45mm was het al mogelijk

om een R D

-waarde van 5,00 m²K/W te bereiken.

Bovendien biedt de Deck VQ® oplossing

een uitstekende bescherming van het vacuüm

isolatiepaneel (kortweg VIP) door middel van

hoge densiteit PIR-platen, wat een extra zekerheid

biedt tijdens de installatie. De panelen zijn

beschikbaar in verschillende standaardafmetingen

waarmee Recticel voor ons een legplan

op maat uittekende. De Deck-VQ® panelen zijn

te verwerken zoals een standaard PIR-isolatiepaneel.

Ze laten zich eenvoudig verlijmen op

de ondergrond met een PU-kleefschuim. Op

de Deck-VQ® panelen kunnen de meeste dakdichtingen

(kunststof of bitumenbaan) worden

toegepast. Door de ‘omkasting’ is de fragiele vacuümisolatie

veilig beschermd en is schade bij

het plaatsen zo goed als uitgesloten.”

De innovatieve ultradunne Deck-VQ® VIP-panelen

zijn dé oplossing voor het isoleren van

platte daken en terrassen waar de ruimte om te

isoleren beperkt is. Recticel Insulation maakt altijd

een legplan op maat voor een eenvoudige

montage. Hiertoe bestaan Deck-VQ® isolatiepanelen

in 4 formaten. De ultradunne

Deck-VQ® panelen zijn

een snelle en kostenefficiënte oplossing

omdat er geen structurele aanpassingen

nodig zijn bij de renovatie van terrassen

en platte daken. Het resultaat is een eersteklas

isolatie die u heel wat voordelen biedt bij de

uitvoering van diverse dakdetails zoals bij de

toegangsdeur tot het terras. De Deck-VQ® panelen

hebben een dikte van amper 45 mm

met een VIP-kern van 25 mm. Deze VIP heeft

een warmtegeleidingscoëfficiënt van 0,006 W/

mK, de laagste op de markt.

Deck-VQ®: specificaties

• Thermische prestaties van de VIP-kern:

0,006 W/mK

• Druksterkte: ≥ 150 kPa

• Treksterkte: ≥ 80 kPa

• Brandgedrag: Euroclass E

• Certificaties: ETA 18/0846

• Standaardafmetingen: 600 × 1200 mm,

300 × 1200 mm, 600 × 600 mm,

300 × 600 mm

• Thermische prestaties van Deck-VQ®:

Dikte R D

-waarde

45 mm 5,00 m²K/W

60 mm 7,50 m²K/W

i

www.recticelinsulation.be


nieuw

De ‘My Protect’-tool vereenvoudigt de verzekeringsadministratie

en controletaak attesten woningbouw

voor architecten

Persoonlijke

service

in complexe

verzekeringen

Tel. (+32) 2 411 41 14 • www.protect.be

Protect is een Belgische nicheverzekeraar in de bouwwereld.

We zijn gespecialiseerd in het verzekeren van de beroepsaansprakelijkheid

van architecten en ingenieurs. In deze sector zijn we dé referentie.

Daarnaast geniet je als verzekerde bij Protect van:

> permanente juridische bijstand door onze studiedienst

> opleiding en preventie

> je eigen ‘My Protect’-omgeving op onze website

> onze persoonlijke aanpak en gespecialiseerd beheer

Wij helpen je graag!

Ontdek op www.protect.be wat wij voor jou kunnen doen en hoe

we jouw werk kunnen verlichten. Of beter nog: kom eens langs

in ons kantoor in Brussel, of bel voor een afspraak in je eigen kantoor.

Verzekeringsonderneming toegelaten onder codenummer 1.009

Tuinscherm

Neighbours®

NIEUW

Gepatenteerd montagesysteem.

Fabrikant van gevelbekleding, gevelbekledingen tuinafsluiting en terrassen & terrassen in hout

Fabricant de bardages et terrasses en bois

Woodface® Padoek

Selected by

Kortrijk

Architect: Bontinck architecture and engineering

Project: Take Off Brantsandpatents

Free Willy®

• Originele, unieke,

architecturale concepten

• Grote keuze in

houtsoorten en profielen

• Sterke technische ondersteuning

W.R. Ceder met geïntegreerde verdoken ventilatieopeningen.

Project : L-door Sectionaal poorten

Doorniksesteenweg 202

8580 Avelgem, België

Bezoek onze

toonzaal – expopark

en ontvang een gratis inspiratiebox

Tel.: +32 (0)56 96 71 40

info@outdoorwoodconcepts.be

www.outdoorwoodconcepts.be


26 helpdesk

Het gebeurt regelmatig dat er architectenwedstrijden

01worden georganiseerd voor het ontwerp van bepaalde

bouwwerken. Er wordt hiervoor door de organisator een bestek

uitgeschreven met de wedstrijdvoorwaarden (men moet bijvoorbeeld

rekening houden met specifiek omschreven stedenbouwkundige

voorwaarden), waaraan men zich verplicht moet houden. Wat zijn

de btw-gevolgen van de deelname aan een wedstrijd door een

deelnemende architect?

Eerst en vooral moet hier een onderscheid worden

gemaakt tussen een wedstrijd waar geen of

wel een inleg moet voor worden betaald door de

architect.

In het eerste geval is er, volgens de btw-wetgeving,

geen sprake van een “prijskamp”. Onder

prijskamp wordt verstaan alle spelen, competities

of wedstrijden, onder welke benaming ook,

waarbij de deelnemers, om kans te maken op

een prijs of premie, een creatieve bijdrage moet

leveren, zoals het aanleveren van een ontwerp.

Wanneer de deelname aan de wedstrijd dan tot

gevolg zou hebben dat er tussen de winnende

architect en de organisator van de wedstrijd een

contract tot stand komt waarbij de winnaar een

vergoeding krijgt, moet er op deze vergoeding

btw worden afgedragen. De architect heeft voor

de organisator een dienst (maken van een ontwerp)

verricht in ruil voor een vergoeding. Over

deze dienstprestatie moet btw worden afgedragen

wanneer de architect gewone btw-plichtige

is (en bijvoorbeeld geen kleine ondernemer),

aangezien de “gewone” btw-spelregels hier van

toepassing zijn.

Wanneer de deelnemende architect echter wel

een inleg moet betalen voor deelname aan de

wedstrijd, gaat het om een “prijskamp”, waarbij

moet onderzocht worden of de btw-vrijstelling

van artikel 44, §3, 13° Wbtw moet worden toegepast.

Wanneer de prijskamp tot gevolg heeft dat er

tussen de winnaar(s) en de organisator een contract

tot stand komt, is de bovenvermelde btwvrijstelling

niet van toepassing op de vergoeding

die door de organisator hiervoor wordt betaald

aan de architect. Op deze vergoeding zal in principe

btw moeten worden afgedragen door de

btw-plichtige architect.

De vergoeding die de organisator van een architectenwedstrijd

uitkeert aan de deelnemers van

de wedstrijd wiens ingezonden ontwerpen aan

de opgelegde eisen voldoen, is dan weer van

btw vrijgesteld wanneer er geen overeenkomst

tot stand komt. Er wordt dan een vergoeding betaald

wegens deelname aan een prijskamp, wat

expliciet wordt vrijgesteld van btw. Het is bovendien

aannemelijk dat hieronder ook de vergoeding

valt voor de onkosten die werden gemaakt

in het kader van de uitvoering van de opdracht.

De btw-wetgeving heeft het over “de vergoeding

die wordt uitgekeerd”. Hieronder kan ook de vergoeding

voor de onkosten vallen.

Wanneer de uitkering van de vergoeding echter

tot gevolg heeft dat de organisator rechten op

de bekroonde ontwerpen verkrijgt, gaat het om

de prijs voor een dienstprestatie, ongeacht of de

organisator al dan niet het ontwerp zal verwezenlijken.

Er zal dan ook in principe btw moeten

worden afgedragen door de btw-plichtige architect.

Wanneer uit de overeenkomst zou blijken dat de

deelnemer zijn auteursrecht overdraagt aan de

organisator, dan moet worden nagekeken of de

btw-vrijstelling voor contract van uitgave eventueel

van toepassing is of het verlaagd btw-tarief

van 6%.

Ik heb met de bouwheer een contract met een

02ereloonbepaling op basis van een procent op de

uitvoeringskost. Nu wil de bouwheer geen inzicht verschaffen in de

kosten en stelt zelfs dat hij het ereloon maar wil betalen op een deel

van de bouwkosten. Hoe kunnen we hierop reageren?

In deze wordt het ereloon van de architect blijkbaar

berekend op de waarde van de bouwwerken.

Zonder kennis te hebben van de overeenkomst

die tussen partijen is afgesloten, zie ik niet in waarom

de bouwheer plots slechts een ereloon wenst

te betalen berekend op een deel van de globale

waarde van de bouwwerken.

Op de bouwheer rust (zoals op elke contractspartij)

de verplichting om de overeenkomst tussen

partijen uit te voeren te goeder trouw en de uitvoering

van de overeenkomst mogelijk te maken.

Gelet op de afspraken tussen partijen lijkt het in

deze noodzakelijk dat alle nuttige documenten zoals

offertes en facturen door de bouwheer worden

voorgelegd om het ereloon te kunnen berekenen.

Wanneer de bouwheer dit niet doet, dient de architect

hem dienaangaande per aangetekend

schrijven formeel in gebreke te stellen en hem aan

te manen om de nodige documenten voor te leggen.

Daarbij dient tevens benadrukt te worden dat

het ereloon wordt begroot op de globale waarde

van de bouwwerken en niet op slechts een deel

daarvan. Blijft de bouwheer weigeren dan kan

de architect overgaan tot de ontbinding van de

overeenkomst waarbij een schadevergoeding kan

gevorderd worden. De ontbinding van de overeenkomst

is een manier om een overeenkomst te

beëindigen wegens een contractuele wanprestatie

van de tegenpartij. Zulke ontbinding kan gerechtelijk

of buitengerechtelijk gebeuren. Het is

alleszins noodzakelijk dat een dossier wordt opgebouwd

waaruit blijkt dat de bouwheer in gebreke

blijft en dat de architect terecht tot de ontbinding

wil overgaan.

Daarnaast kan aan de rechter worden gevraagd

dat hij de bouwheer beveelt om alle nuttige stukken

voor te brengen teneinde te totale bouwkost

te kunnen berekenen.

Mr. Joris Wouters, GSJ advocaten

03

Hoe moet de “oppervlakte” berekend worden bij

het verlaagd btw-tarief? Is dit de bewoonbare

oppervlakte? Of de totale vloeroppervlakte met inbegrip van

zolders, kelders...? Bruto of netto?

Als de oppervlakte van het oude gedeelte

groter is dan de helft van de woning na

de uitvoering van de werken, dan is er nog

steeds sprake van een verbouwing en blijft

het verlaagd tarief van toepassing. Is dit niet

het geval, dan moet er met 21% btw worden

gefactureerd. Het betreft hier de vloeroppervlakte.

Die moet worden gemeten vanaf en

tot de buitenkanten van de opgaande muren.

Er moet bovendien rekening worden

gehouden met de totale oppervlakte van

ieder vlak gedeelte, dus ook met ‘verloren’

oppervlakte, zoals onder een schuin dak.

Ook de oppervlakte van bergruimte, kelder,

zolder en in- of aangebouwde garage moet

mee in aanmerking worden genomen.

Leslie Rottiers, SBB Adviseurs & Accountants

Wat zijn de verantwoordelijkheden bij een melding van werken

04waarvoor een architect vereist is? Is de opvolging van

deze werken dan ook door de architect uit te voeren? Wat met de

10-jarige aansprakelijkheid?

Het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei

2003 bepaalt welke handelingen zijn vrijgesteld

van de medewerking van de architect. Overeenkomstig

artikel 1/1, 1° van dit Besluit moet men

verplicht beroep doen op een architect voor constructieve

wijzigingen. Daarnaast bepaalt het Besluit

van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 de

meldingsplichtige handelingen. In deze gevallen

volstaat het dat de werken gemeld worden aan

het College van Burgemeester en Schepenen

en is geen stedenbouwkundige vergunning vereist.

Op basis van deze twee Besluiten zal aldus

bepaald moeten worden of 1) er beroep moet

worden gedaan op een architect, en 2) een stedenbouwkundige

vergunning moet worden

aangevraagd of dat een melding van de werken

voldoende is.

In het geval dat er constructieve wijzigingen worden

uitgevoerd waarvoor geen stedenbouwkundige

vergunning vereist is (vb. in het geval dat er

geen functiewijziging wordt doorgevoerd en het

aantal wooneenheden niet wordt gewijzigd) en

er verplicht beroep moet worden gedaan op een

architect, lijkt dezelfde verantwoordelijkheden op

de architect te rusten als bij werken waarvoor een

bouwvergunning nodig zijn.

De tienjarige aansprakelijkheid van artikelen

1792 en 2270 B.W. kan in principe ook bij de meldingsplicht

van toepassing zijn, doch zal worden

gekeken moeten worden of de concrete werken

onder de toepassingsvoorwaarden van artikelen

1792 en 2270 B.W. vallen. Overeenkomstig artikel

1729 B.W. en artikel 2270 B.W. zijn de aannemer

en de architect gedurende tien jaar aansprakelijk

voor het geheel of gedeeltelijk tenietgaan

van een gebouw door een gebrek in de bouw.

Onder de tienjarige aansprakelijkheid vallen de

overeenkomsten die architecten sluiten met hun

opdrachtgever met het oog op de oprichting van

een gebouw of een groot werk. Onder gebouw

kan worden verstaan : ‘elke materiële constructie

die vast in de grond wordt geplaatst met duurzame

materialen’. Dat de tienjarige aansprakelijkheid

ook van toepassing is op een ‘groot werk’

vindt zijn oorsprong in artikel 2270 B.W., welke

bepaalt dat ‘architecten en aannemers ontslagen

zijn van hun aansprakelijkheid met betrekking

tot de grote werken die zij hebben uitgevoerd

of geleid’. Met grote werken heeft de wetgever

van 1804 blijkbaar niet gedacht aan uitrustingsgoederen

of onderdelen van een gebouw, maar

aan belangrijke bouwkundige werken, die niet

per se ‘gebouwen’ hoeven te zijn in de normale

betekenis van het woord, zoals bijvoorbeeld een

weg, een brug,… Toch heeft de rechtspraak in de

loop van de jaren het begrip ‘groot werk’ ruimer

geïnterpreteerd en uitgebreid tot de onderdelen

of uitrustingsgoederen van het gebouw. Onder

een groot werk kan dan ook worden verstaan ‘de

belangrijke onderdelen van een gebouw, namelijk

de werken die noodzakelijk of essentieel zijn

voor een gebouw en waarvan de stevigheid en

de duurzaamheid slechts door het verstrijken van

een zeker tijdsverloop kan blijven en waarvan de

stevigheid gedurende ten minste tien jaren mag

worden beschouwd’. Niettegenstaande de 10-jarige

aansprakelijkheid doorgaans betrekking lijkt

te hebben op de werken waarvoor een stedenbouwkundige

vergunning vereist is en niet op de

eerder beperkte werken waarvoor een melding

volstaat, kan het m.i. niet uitgesloten worden dat

voor zulke werken de 10-jarige aansprakelijkheid

in het gedrang komt. Dit zal evenwel steeds in

concreto, afhankelijk van de concrete omstandigheden,

moeten worden onderzocht. In geval van

betwisting zal de rechter hierover, geval per geval,

oordelen.

Mr. Lotte Bertjens, GSJ advocaten

Melanie

Vercruysse

Arch. Melanie Vercruysse is

energieconsulent en adviseur

van de studiedienst van NAV.

U kan bij haar terecht voor alle

vragen i.v.m. epb.

U kan haar bereiken via

energieconsulent@nav.be

Julie Alboort

Ir.-arch. Julie Alboort is

coördinator van de

studiedienst van NAV.

U kan haar bereiken via

helpdesk@nav.be

Sofie Demon

Arch. Sofie Demon is adviseur

van de studiedienst van

NAV. U kan haar bereiken via

helpdesk@nav.be


MEESTERLIJK

MAATWERK

Door te investeren in innovatie en vakmanschap kiest

Pouleyn als familiebedrijf resoluut voor expertise en

toewijding. Pouleyn is voor u de perfecte partner in uw

out-of-the-box project. Uw klassevol en tijdloos design kan

in samenwerking met Pouleyn uitgebouwd worden tot een

architecturaal pareltje, waar warmte en esthetiek hand in

hand gaan met functionaliteit.

WWW.POULEYN.BE

RAMEN - DEUREN - POORTEN

Geen speeltijd

voor de architect!

Verzekeringsprofessionals

ten dienste van

bouwprofessionals

De nieuwe wetgeving op de verzekering van de tienjarige

aansprakelijkheid voor de residentiële projecten krijgt nu pas

daadwerkelijk haar consequenties in de praktijk:

Uw polis werd aangepast, maar was de doorgevoerde

premieverhoging wel noodzakelijk voor uw dossier?

Op de werf wordt u geconfronteerd met aannemers

die niet verzekerd zijn, wat met de controleplicht?

Hoe verloopt de verzekeringsaangifte en de aanvraag

van de attesten per werf?

Is een globale polis aan te bevelen?

Relevante vragen waarmee wij u graag verderhelpen. Als gespecialiseerd makelaar

staan wij onze klanten bij om klaarheid te brengen. Uw creativiteit en onze expertise

voor een zorgeloos verloop. Samen met u om mooie projecten te realiseren.

CEA BELGIUM

Notarisstraat 66 B-1050 Brussel T +32 (0)2 761 94 00 F +32 (0)2 761 94 01

info@cea-belgium.be www.cea-belgium.be FSMA : 00000740


viega.be/Over-ons

© Photo: Allianz Arena München Stadion GmbH

MODERNE ARCHITECTUUR

VOOR DE BELANGRIJKSTE

90 MINUTEN VAN DE WEEK.

En een buisleidingsysteem dat elke dag

in de hoogste klasse speelt.

In de voetbaltempel van München zorgt in totaal 8.000 meter Sanpress ervoor dat overal en altijd onberispelijk

drinkwater ter beschikking is. Het buisleidingsysteem van roestvrij staal zorgt niet alleen voor optimale stroomen

hygiënekenmerken, maar blinkt ook uit door zijn extreem lange levensduur en rendabele arbeidskosten.

Viega. Connected in quality.

Allianz Arena, München, Duitsland

More magazines by this user
Similar magazines