februari(pdf, 2 MB) - UWV

uwv.nl

februari(pdf, 2 MB) - UWV

Een driemaandelijkse uitgave van UWV

Nummer 1 februari 2009

Recessie:

crisis op de arbeidsmarkt

Mobiliteitscentra blijken succesvol

Elco Brinkman: ‘Bouw moet blijven opleiden’


Onderzoek Interview

Praktijk

Ook in laagconjunctuur vinden

veel mensen ander werk

Het investeren in ‘van werk naar werk’

en competenties van werknemers is de

beste remedie voor economische neergang,

zo wijst onderzoek in opdracht

van de RWI uit.

En verder...

07 Gastschrijver

De werkloosheidsuit-

kering als investeringsproject

De werkloosheidsuitkering is veel meer

dan een uitkering. Het is een investeringsproject

in menselijk kapitaal.

10 Praktijk

Bouw tussen twee vuren

Jaren werkte de bouw aan zijn imago op

de arbeidsmarkt. Nu er weer klappen

dreigen, wil de sector de lange termijn

niet uit het oog verliezen.

11 Trend

Arbeidsmarkt

en economie

De arbeidsmarkt voelt de eerste

gevolgen van de economische crisis.

UWV WERKbedrijf verwacht dit jaar

460.ooo werklozen.

2 UWV Arbeidsmarkt Journaal

4 7 18

‘Gevolgen crisis

zijn ongelijk verdeeld’

De Tilburgse professor Ruud Muffels

adviseert de Europese Commissie over

arbeidsmarkt en sociale zekerheid. Het

Nederlandse systeem kent te veel outsiders,

vindt hij. Mede door de Flexwet.

16 Focus

De omslag in beeld

De krapte op de arbeidsmarkt neemt

fors af. Dat begon eind 2008. De langdurige

werkloosheid nam nog wel af.

Maar er komen nieuwe werklozen bij.

20 Onderzoek

Vacatures in Nederland

Al stelden werkgevers hun eisen bij, de

afgelopen hoogconjunctuur heeft de

kansen van sommige groepen nauwelijks

verbeterd. Met uitzondering van ‘allochtone’

Nederlanders.

22 Gastschrijver

Niet opnieuw

Jan Luiten van Zanden is hoogleraar

Economische Geschiedenis. Hij voorziet

moeilijke jaren, maar geen jaren dertig.

Mobiliteitscentra

nemen rol WTV over

Werktijdverkorting ving de eerste

recessiegevolgen op. Om werknemers

inzetbaar te houden is meer nodig.

Mobiliteitscentra blijken succesvol.

24 Boekrecensie

Orde in de chaos

Binnenkort verschijnt Het hervormingsmoeras

van de verzorgingsstaat: veranderingen

in beleid en organisatie van de

sociale zekerheid en de arbeidsvoor-

ziening, 1980-2008.

25 Achtergrond

Taskforce DeeltijdPlus

Weinig werkgevers bespreken met hun

werknemers wat de mogelijkheden van

deeltijdwerk zijn.

27 Column

‘Crisis’ betekent

beslissingen nemen

De Nederlandse polder dreigde te verzanden

in een discussie over ontslagrecht.

Maar nu zien we toch tekenen

van echte vernieuwing.


Colofon

Tegenwind

De gevolgen van de economische crisis voor de arbeidsmarkt tekenen zich steeds scherper

af. In oktober vorig jaar is de daling van het aantal werkzoekenden tot stilstand gekomen

en sindsdien gaat de curve weer omhoog. In verschillende sectoren zijn collectieve ontslagen

bijna wekelijks aan de orde. Hoe lang de economische crisis zal duren en tot hoever

de gevolgen zullen reiken, is nog volop onderwerp van speculatie. Maar we weten nu al

genoeg om maatregelen te nemen die de schade zullen beperken.

Ook bij de huidige economische tegenwind zijn er nog veel werknemers die van baan wisselen.

Die dynamiek moeten we zo veel mogelijk benutten om de juiste persoon op de juiste

plaats te krijgen. Maar ook om werkloosheid te voorkomen en nieuwe kansen te creëren voor

werkzoekenden. Er zijn nog steeds veel vacatures en in enkele sectoren is zelfs nu nog sprake

van krapte. Door de vergrijzing groeit de beroepsbevolking nog maar mondjesmaat. Zodra er

weer sprake is van enige groei, zal die krapte snel toenemen. Dat moment hoeven we niet af

te wachten. Het is belangrijk om de mobiliteit van werknemers – binnen sectoren maar ook

tussen sectoren – te stimuleren en te ondersteunen. Her-, om- en bijscholing van werknemers

moeten we afstemmen op de kwaliteiten en vaardigheden waar werkgevers nu en in de

nabije toekomst om verlegen zitten.

Als we economisch gezien de wind mee hebben en als de arbeidsmarkt bruist, is het zaak om

de arbeidsmobiliteit te bevorderen. Alleen dan kunnen werkgevers immers al hun vacatures

vervullen. Als het economisch zwaar weer is, als de arbeidsmarkt hapert, moeten we hetzelfde

doen. Van werkgevers, van werknemers en van werkzoekenden mogen we verwachten

dat ze bereid zijn om voortdurend in zichzelf te investeren, de markt te verkennen en daarin

nieuwe kansen te ontdekken of te creëren. UWV WERKbedrijf kan daarin een belangrijke

ondersteuning bieden.

Economische krimp leidt onvermijdelijk tot verlies van banen. Maar het is geen natuurramp

die we alleen maar over ons heen kunnen laten komen. Een arbeidsmarkt waarin de

betrokken partijen alert reageren op nieuwe ontwikkelingen, met vraaggerichte scholing

dreigende werkloosheid vóór zijn en nieuwe kansen weten te benutten; zal een bijdrage

leveren aan het herstel van die economie.

Dr. Joop Linthorst, voorzitter Raad van Bestuur UWV

Jaargang 9, nummer 1, februari 2009

Arbeidsmarkt Journaal is bestemd voor bestuurders, managers, beleidsmakers, onderzoekers en andere professionals

werkzaam op het terrein van de arbeidsmarkt. Arbeidsmarkt Journaal verschijnt 4 maal per jaar.

Eindredactie Petra van der Meer (e-mail Petra. vanderMeer-01@uwv.nl) in samenwerking met Hesp & Robroek Journalistieke

Producties | Redactie Ronald van Bekkum, Bart Crouwers, Peter Hilbers, Bas Kamps, Hans Leijte, Petra van der Meer, Frank

Robroek, Arie Vreeburg | Medewerkers aan dit nummer Peter Hamers, Rob de Krieger, Bernard van Lammeren, Peter van

Leeuwen, Hans Leijte, Karin Pilgram, Elke van Riel, Rik van Schagen, Arie Vreeburg, Menno de Vries, Ton Wilthagen, Jan Luiten

van Zanden | Redactie-adres UWV, Corporate Communicatie, Postbus 58285, 1040 HG Amsterdam.

Abonnementenadministratie / Adreswijziging Arbeidsmarkt Journaal wordt gratis verspreid door UWV.

U kunt zich aanmelden als abonnee of adreswijzigingen doorgeven via arbeidsmarktjournaal@uwv.nl

Vormgeving SUM=printmanagement | Productiebegeleiding SUM=printmanagement | Omslagfoto Nationale Beeldbank

Alles uit deze uitgave mag worden overgenomen, echter uitsluitend met bronvermelding. ISSN 1569-4550 |

© UWV, Amsterdam

UWV Arbeidsmarkt Journaal 3


Foto: Flip Fransen (H.H.)

Onderzoek | Arbeidsmobiliteit

Ook in laagconjunctuur vinden veel mensen ander werk

Van de ene baan naar de andere

De huidige crisis is van een andere orde dan recente recessies. Dat neemt niet weg dat er lessen te trekken zijn uit

eerdere ervaringen. Uit onderzoek blijkt dat er ook in laagconjunctuur heel veel mensen zijn die een andere baan weten

te vinden, zonder een tussenliggende periode van werkloosheid. Deze baan-baanmobiliteit is het hoogst bij jongeren en

hoger opgeleiden. Maar ook het beleid van sociale partners maakt verschil.

Rob de Krieger en Peter van Leeuwen

Op verzoek van de Raad voor Werk en

Inkomen (RWI) deed TNO Kwaliteit van

Leven onderzoek naar arbeidsmobiliteit,

en meer in het bijzonder ‘baan-baanmobiliteit’.

Hoeveel mensen verwisselen

de ene baan voor de andere, en waarmee

hangen zulke bewegingen samen? Het

onderzoek geeft inzicht in mobiliteit

over sectorale en regionale grenzen heen.

Ook werpt het licht op het verband met

economische conjunctuur.

De term baan-baanmobiliteit geeft aan

dat de focus is gericht op werkzame

personen die van baan wisselen. Niet

4 UWV Arbeidsmarkt Journaal

meegenomen zijn toetreders tot de

arbeidsmarkt (schoolverlaters, werklozen

of immigranten) en personen die

de arbeidsmarkt verlaten (pensioen en

emigratie).

Uit het onderzoek blijkt dat de meest

mobiele werknemers relatief jong en

hoger opgeleid zijn. Daarmee zijn ze

het spiegelbeeld van de groep werkzoekenden

in de bestanden van de ‘SUWIketen’,

ofwel mensen die een beroep

doen op de sociale zekerheid. Uit het

RWI-onderzoek De lange weg naar

werk ( 2008) blijkt dat het daar dikwijls

gaat om oudere werknemers met een

geringe opleiding.

Verkeer tussen sectoren

Werknemers in de sectoren landbouw,

bouw en onderwijs zijn naar verhouding

het minst mobiel, werknemers

in de financiële sector en in de overige

dienstverlening het meest. Het ligt in

de aard van de uitzendsector dat die het

hoogste aandeel in de baan-baanmobiliteit

heeft (45%).

Als we kijken naar de baan-baanmobiliteit

tussen sectoren, dan blijkt dat er


in de meeste dienstensectoren (detailhandel,

toerisme en ICT uitgezonderd)

meer mensen bij komen dan er vertrekken

(we noemen dat een positief mobiliteitssaldo).

Hetzelfde geldt in sectoren

als onderwijs, de zorg en het openbaar

bestuur. In de landbouw en vrijwel alle

industriële sectoren is het saldo juist

negatief: meer uitstroom dan instroom.

Dit duidt op een verdere ‘verdienstelijking’

van de economie.

Baanwisselingen waarbij iemand de

ene sector verruilt voor een andere zien

we vooral tussen verschillende dienstensectoren,

zoals de schoonmaak, de

horeca, de detailhandel, de zakelijke

dienstverlening en het uitzendwezen.

Verder vindt intersectorale mobiliteit

vooral plaats tussen ‘aanpalende’ sectoren

waar min of meer dezelfde competenties

worden gevraagd. Voorbeelden

hiervan zijn gezondheidszorg en welzijn,

de financiële sector, de zakelijke

dienstverlening en de ICT.

De minste intersectorale mobiliteit

doet zich voor van en naar de sectoren

onderwijs en openbaar bestuur. De

nadruk ligt daar meer op baanwisselingen

binnen de eigen sector (intrasectorale

mobiliteit). Het betreft hier ook

relatief grote sectoren.

Vrouwen stappen minder

over naar een andere

sector dan mannen

Vrouwen zijn vaker dan mannen binnen

een sector mobiel. Mannen maken

vaker de overstap naar een andere.

Hoger opgeleiden zijn mobieler dan

lager opgeleiden, zowel binnen hun

eigen sector als over sectorgrenzen

heen. Het wisselen van sector neemt af

als mensen ouder worden.

Verkeer tussen provincies

Baan-baanmobiliteit vindt meer plaats

binnen provincies dan tussen provincies.

Interregionale baan-baanmobiliteit,

voor zover die plaatsvindt, brengt

geen grote verschuivingen tussen provincies

teweeg. Het aandeel van de

interregionale baan-baanmobiliteit in

de totale baan-baanmobiliteit neemt

licht toe in Flevoland, Gelderland,

Utrecht en Noord-Holland. Het neemt

af in Groningen, Drenthe en Zeeland.

Interregionale mobiliteit is er vooral

tussen ‘buurprovincies’ (van Friesland

naar Groningen en Noord-Holland,

van Limburg naar Noord-Brabant en

van Zeeland naar Zuid-Holland en

Noord-Brabant). De provincies met de

meeste inwoners en de meeste banen

zijn ook de populairste bestemmingsprovincies.

In aflopende volgorde zijn

dat Zuid- en Noord-Holland, Noord-

Brabant en Gelderland.

Ook in laagconjunctuur

Zeker in de huidige economische

omstandigheden is het van belang om te

bezien wat de invloed van de conjunctuur

is. In de jaren waarop het onderzoek

van TNO betrekking heeft, volgt

de baan-baanmobiliteit de conjunctuur

met enige vertraging. In laagconjunctuur

zijn werknemers minder geneigd,

en hebben ze vaak ook minder de kans,

om op zoek te gaan naar een andere

baan, binnen of buiten het bedrijf of de

instelling waar ze werkzaam zijn. Als

ze dat wel doen, vinden ze relatief vaak

nieuw werk in een andere sector.

In een tijd van economische groei zien

we het omgekeerde. Dan is het aandeel

van de intersectorale mobiliteit in

de totale mobiliteit over het algemeen

kleiner. De mate waarin deze ontwikkelingen

zich voordoen, verschilt wel

per sector.

Het TNO-onderzoek laat zien dat ook

in tijden van economische teruggang

sprake blijft van baan-baanmobiliteit.

In figuur 1 is de economische groei

in de jaren 1986-2006 weergegeven.

Daaruit blijkt dat er in 2002 sprake was

van een laagconjunctuur. Figuur 2 laat

zien dat in dat jaar toch nog een niet

onaanzienlijke baan-baanmobiliteit

was: 1,4 miljoen baanwisselingen. Ook

in een periode van laagconjunctuur

blijven zich vacatures voordoen, en

bovendien worden niet alle sectoren in

gelijke mate getroffen door een economische

neergang. Figuur 2 laat ook zien

Betere cijfers nodig

TNO maakt voor dit onderzoek vooral

gebruik van gegevens van het Centraal

Bureau voor de Statistiek (SSB-banenbestand

over de jaren 2002-2005) en

van de Organisatie voor Strategische

Arbeidsmarktonderzoek (Arbeidsaanbodpanel

over de jaren 1986-2006).

Het bleek dat er hiaten zijn in onze

kennis van arbeidsmobiliteit en dat de

wel beschikbare gegevens niet altijd

snel en makkelijk toegankelijk zijn.

De RWI zal dan ook in contact treden

met het CBS om te bezien welke

verbeteringen mogelijk zijn. Onder

andere is behoefte aan een koppeling

tussen het SSB-banenbestand van

CBS (banen naar sector en beroep) en

de bestanden over ontslagen (en ontslagaanvragen)

van UWV WERKbedrijf

en zo mogelijk ook kantonrechters.

dat de baan-baanmobiliteit groeit als

de economie begint aan te trekken. Het

aantal baanwisselingen nam in 2002

toe tot ruim 2 miljoen.

Ontslagaanvragen

Het onderzoek van TNO geeft geen

inzicht in hoe het op de arbeidsmarkt

gegaan is met werknemers die als gevolg

van een ontslag gedwongen mobiel

geweest zijn. Om daar zicht op te krijgen

is een koppeling nodig tussen het

SSB-banenbestand van het CBS enerzijds

en ontslag(aanvragen)bestanden

anderzijds. Die koppeling heeft in dit

onderzoek niet plaatsgevonden. Maar

het onderzoek vertelt ons wel iets over

de relatie tussen de conjunctuur en het

aantal ontslagaanvragen. Als we figuur

3 vergelijken met figuur 1, dan blijkt

voor de periode van de laagconjunctuur

van 2002 dat de piek van de ontslagaanvragen

zo’n twee jaar na het dieptepunt

van de economische crisis ligt. Bij

een economische teruggang vindt een

afbouw plaats van de ‘flexibele schil’

in personeelsbestanden van bedrijven

(uitzendkrachten en werknemers met

een tijdelijke arbeidsovereenkomst).

UWV Arbeidsmarkt Journaal 5


Onderzoek | Arbeidsmobiliteit

Figuur 1

Economische groei, 1986-2006

5%

4,5%

4%

3,5%

3%

2,5%

2%

1,5%

1%

0,5%

0%

1986

1988

1990

Figuur 2

Aantal mobiliteitsbewegingen in 2002-2005

2.500.000

2.000.000

1.500.000

1.000.000

500.000

0

Maar verder proberen de sociale partners

in sectoren vaak om gedwongen

ontslagen zo lang mogelijk te voorkomen

en de negatieve effecten van een

neerwaartse conjunctuur op te vangen.

Bijvoorbeeld door in sociale plannen

afspraken op te nemen over ‘van werk

naar werk’-activiteiten (VWNW). Pas

als deze maatregelen geen effect (meer)

hebben, volgen in de regel ontslagaanvragen.

In de periode van de laagcon-

6 UWV Arbeidsmarkt Journaal

1992

1994

1996

2002 2003 2004 2005

Cijfers op basis van het SSB-banenbestand van het CBS

Figuur 3

Ingediende ontslagaanvragen (aantal x1000)

100

90

80

70

60

50

40

30

20

10

0

1995 1997 1999 2001 2003 2005 2007

Bij CWI

Bij Kantonrechter

1998

2000

2002

2004

2006

junctuur van 2002 lag het hoogtepunt

van de ontslagaanvragen daardoor in de

jaren dat de conjunctuur zich al weer in

een opgaande richting bewoog.

Crisis met tempo

Zal nu ook in de huidige economische

crisis sprake zijn van een ontwikkeling

die vergelijkbaar is met het in figuur 3

geschetste beeld? Voor de beantwoording

van deze vraag moet in de eerste

plaats worden geconstateerd dat de

economische crisis van dit moment, die

gepaard gaat met een financiële crisis en

een crisis op de aandelenmarkten, van

een geheel andere orde is dan de conjuncturele

terugval in 2002. Er was toen

veel meer sprake van een geleidelijke

conjuncturele verslechtering. Nu kunnen

we spreken van een crisis met een

tempo en een intensiteit die we lang niet

hebben gezien.

De komende tijd zal de werkloosheid

zeker oplopen. Het recentelijk toegenomen

aantal aanvragen voor een werkloosheidsuitkering

is daarvan een eerste

teken. Voor het tempo waarin deze ontwikkeling

zich zal voltrekken, is het van

belang dat op dit moment vorm wordt

gegeven aan gezamenlijke, op elkaar

afgestemde en elkaar ondersteunende

arbeidsmarktactiviteiten. Activiteiten van

werkgevers en werknemers in bedrijven

en instellingen die met de gevolgen van

de economische crisis worden geconfronteerd,

van werkgevers- en werknemersorganisaties

op het landelijke en het

sectorale niveau, en van publieke en private

partijen en van de overheid.

Naast een tijdelijk gebruik van werktijdverkorting

maakt een gerichte inzet

op VWNW-activiteiten (via onder

meer publiek-private mobiliteitscentra)

een belangrijk onderdeel van deze

activiteiten uit. Daarmee kan worden

bewerkstelligd dat werknemers die in

een bepaalde sector hun baan dreigen te

verliezen niet in een uitkeringssituatie

terechtkomen, maar kunnen doorstromen

naar sectoren waar zich (bijvoorbeeld

door uittreden van oudere werknemers)

baanopeningen blijven aandienen.

In gevallen dat het ontslag van

werknemers onvermijdelijk is, worden

onder meer door UWV WERKbedrijf

activiteiten ondernomen om ze binnen

een periode van zes maanden weer aan

de slag te hebben. Ofwel omdat bemiddeling

naar een nieuwe baan heeft

plaatsgevonden, ofwel omdat een reintegratietraject

is ingezet.

Rob de Krieger en Peter van Leeuwen zijn

werkzaam bij de Raad voor Werk en

Inkomen (RWI)


Foto’s: Persbureau van Eijndhoven

Intervieuw | Ruud Muffels

Ruud Muffels: ‘Flexwet vervangen door nieuw type contract voor iedereen’

Betere aansluiting onderwijs op

arbeidsmarkt, maar hoe?

Werktijdverkorting was het eerste instrument waar het kabinet naar greep toen de

eerste gevolgen van de recessie zich aandienden. Het instrument past perfect in

ideeën over een ‘transitionele arbeidsmarkt’. Maar volgens Ruud Muffels, een van de

Tilburgse hoogleraren die daar veel over publiceren, moet er veel meer gebeuren.

Bernard van Lammeren

De eerste berichten over werktijdverkorting

herinnerden Ruud Muffels aan

2002. ‘De Brabantse maakindustrie zag

de orders met 20 tot 30 procent dalen,

en toog naar minister De Geus met het

verzoek om werktijdverkorting toe te

passen. Die regeling bestond al, maar

alleen voor individuele gevallen. Mijn

collega-hoogleraar Ton Wilthagen en

ik maakten als wetenschappers deel uit

van de delegatie. De Geus had ook een

aantal hoogleraren economie van stal

gehaald, en die vonden dat je de markt

zijn werk moest laten doen. De Geus

was daarnaast bang voor een collectieve

regeling. Geen steun dus. Terwijl wij

geen slechte bedrijven overeind wilden

houden. We wilden goede bedrijven

door een moeilijke periode heen helpen,

zodat ze geen werknemers de WW

in hoefden te sturen die ze zelf net hadden

opgeleid en die ze kort daarop misschien

weer nodig hadden.’

Muffels beaamt: de recessie van nu

‘Prioriteit moet zijn om mensen

te laten instromen op de arbeidsmarkt,

en daarna te blijven

zorgen voor opleiding’

is iets anders. ‘Ik denk dat het herstel

niet voor medio 2011 in zicht zal zijn.’

Daarom is werktijdverkorting maar een

deel van het antwoord. Maar het geeft

wel de richting aan waarin we het volgens

hem moeten zoeken: ‘We hebben

het altijd over werk en werkloosheid,

maar waarom zou er niet iets tussenin

kunnen bestaan?’

Hij vindt het wel jammer dat er nog

weinig is te vernemen over de scholingsinspanningen

waarvoor een periode

van werktijdverkorting gebruikt

zou moeten worden. Het pleidooi van

Mariëtte Hamer, fractievoorzitter van de

PvdA in de Tweede Kamer, om daarvoor

de reserves van de sectorfondsen voor

opleiding en ontwikkeling aan te spreken,

is Muffels uit het hart gegrepen.

UWV Arbeidsmarkt Journaal 7


Intervieuw | Ruud Muffels

Over Ruud Muffels

Ruud Muffels is opgeleid als macro-econoom en nu hoogleraar Arbeidsmarkt

en Sociale Zekerheid aan de faculteit sociale wetenschappen van de Universiteit

van Tilburg. Tot 1 januari was hij verbonden aan de OSA, de Organisatie voor

Strategisch Arbeidsmarktonderzoek. Samen met Ton Wilthagen en Jan van

Ours gaf Muffels de aanzet tot ReflecT, Institute for Flexicurity, Labour Market

Dynamics and Social Cohesion. ReflecT presenteerde zichzelf eind januari met

een internationale conferentie met sprekers als minister Donner en Europees

Commissaris Vladimír Špidla. De conferentie wil een bijdrage leveren aan een

Europees sociaal model, als alternatief voor het liberaal-Angelsaksische.

8 UWV Arbeidsmarkt Journaal

Lat steeds hoger

De theorie van de transitionele arbeidsmarkt

zegt dat er te veel belemmeringen

bestaan om overgangen te maken tussen

scholing, werk, zorg en rusten. Die overgangen

zijn er wel, maar ze zijn te veel

eenrichtingsverkeer. De markt functioneert

daardoor veel minder goed dan

zou moeten, wat bijvoorbeeld blijkt uit

een hoog percentage moeilijk vervulbare

vacatures. De oorzaken liggen niet

alleen in de arbeidsmarkt, maar ook in

ons onderwijs- en opleidingssysteem

en ons stelsel van sociale zekerheid.

Samen met zijn collega Ton Wilthagen

heeft Muffels veel bekendheid gegeven

aan de term flexicurity, ofwel manieren

om de arbeidsmarkt flexibeler te maken

met behoud van sociale bescherming.

Daarmee trokken de Tilburgse hoogleraren

de aandacht van de Europese

Commissie. ‘We zitten meer in Brussel

dan hier’, zegt Muffels.

De econoom onderschrijft de kritiek dat

Nederland wel flexibiliteit kent, maar

dat de lasten daarvan eenzijdig verdeeld

zijn. ‘Er zijn veel werknemers die

van de ene in de andere onzekere baan

terechtkomen: de zogeheten dead end

jobs. Dat heeft veel te maken met scholing.

Het lukt gewoon niet om iedereen

te scholen op het niveau van de vereiste

startkwalificaties. ROC’s zitten daarmee

echt in hun maag. Mijn stelling is dat we

op de eerste plaats moeten zorgen dat

mensen in ieder geval de arbeidsmarkt

binnen kunnen stromen. En daarna dat

ze geschikte vormen van opleiding en

training blijven vinden. Dat moet een

van de centrale doelstellingen zijn van

employability- en flexicuritybeleid.

Met elke recessie worden de problemen

van laaggeschoolden groter, de lat komt

steeds hoger te liggen. Terugleiden naar

Ruud Muffels: ‘Dat ROC’s

en re-integreerders met

de handen in het haar zitten,

ligt niet aan hen’


de arbeidsmarkt, als ze eenmaal werkloos

zijn, lukt slecht. Iedereen die betrokken

is bij re-integratie zit ook met de handen

in het haar. Die moeilijkheden liggen

niet aan hen, ze zitten in ons systeem.

Ik voorzie dat er véél meer duale opleidingstrajecten

nodig zijn, arbeidspools

en andere vormen om werken en opleiden

te combineren en af te wisselen.’

Schotten

In verlaging van het minimumloon ziet

Muffels geen heil. ‘Ik ben het eens met

Kleinknecht (hoogleraar Economie van

Innovatie aan de TU Delft, red.): dat winnen

we nooit. We kunnen beter inzetten

op hoogwaardige arbeid.’ Ook fiscale

prikkels hebben volgens hem beperkt

nut. ‘Het probleem zit er niet in dat mensen

te weinig prikkels krijgen to make

work pay. Daar is het beleid al sinds jaar

en dag op gericht en de achterstand waarop

werkloosheid mensen zet, is al vrij

groot. Om die nog veel groter te maken

lijkt me niet haalbaar en ongewenst. Het

echte probleem zit in de aansluiting tussen

wat gevraagd wordt en wat mensen

aanbieden. Dat heeft te maken met kwalificatie,

en ook met zaken als etniciteit,

leeftijd en geslacht. We noemen dat statistische

discriminatie: mensen vallen af

vanwege vermeende tekortkomingen

die er vaak in de praktijk niet zijn. De

Nederlandse arbeidsmarkt is vergeleken

met andere best selectief.’

Segmentatie op de arbeidsmarkt is een

thema waar Muffels veel vergelijkend

onderzoek naar deed. ‘De meest gesegmenteerde

arbeidsmarkten vind je in

Zuid-Europa, en daar bedoel ik mee:

werkgevers willen best investeren in

mensen op hun interne arbeidsmarkt,

maar staan erg kritisch tegenover buitenstaanders.

De arbeidsmarkten van

de VS, het Verenigd Koninkrijk en in

mindere mate Ierland zijn het minst

gesegmenteerd: flexibeler, met minder

schotten maar ook minder zekerheid.

Duitsland, Nederland en Frankrijk zitten

er tussenin.’

Make transitions pay; maak overgangen

aantrekkelijk, dát is de richting

waarin Nederland en Europa het volgens

Muffels moeten zoeken. Zijn voor-

beeld is Denemarken, waar het beleid

niet is gericht op baanzekerheid, maar

op werkzekerheid. Wie in Denemarken

geen baan heeft, wordt door de overheid

geholpen tot hij er een heeft. ‘Gebrek

aan mobiliteit is een van de grootste

problemen van onze arbeidsmarkt.

Denemarken heeft altijd juist een grote

mobiliteit gehad, ook in tijden van crisis.

De verklaring is dat de mensen daar niet

bang zijn om risico’s te nemen. Ze hebben

vertrouwen in hun werkgever en in

hun overheid.’

Verschil verkleinen

Muffels en Wilthagen zijn op dit

moment druk bezig met onderzoek

naar transities tussen de verschillende

domeinen in de levens van mensen. De

overheid kan daar veel aan verbeteren:

‘De huidige levensloopregeling is voor

lagere inkomens te beperkt. Vijftien

procent van je besteedbaar inkomen

opzijleggen voor later is voor hen niet

interessant. Lans Bovenberg (hoogleraar

economie in Tilburg, red.) was de

bedenker van de levensloopregeling en

lid van de commissie-Bakker. Hij heeft

voorgesteld om werkbudgetten in te

voeren die mensen echt in staat stellen

om te sparen voor verlof, vervroegde

uittreding of scholing. Hoe je dat precies

inricht, individueel of collectief,

moeten we aan de sociale partners overlaten.

Maar ik zeg wel: we moeten die

mogelijkheid niet alleen aan de insiders

op de arbeidsmarkt aanbieden, maar

ook aan de outsiders. Ik vind dat de

sociale partners daarvoor verantwoordelijkheid

moeten nemen. Het verschil

tussen vaste en flexibele krachten moet

kleiner worden.’

Op de vraag of hij van de Flexwet afwil,

zegt Muffels: ‘Ja. We moeten naar een

nieuw type arbeidscontract voor iedereen,

met meer zekerheid voor de een en

minder zekerheid voor de ander. In de

commissie-Bakker is de verantwoordelijkheid

voor een soepele overgang

naar ander werk een beetje naar de

werkgever geschoven, die moet mensen

een half jaar in dienst houden voor

ontslag aan de orde is. Daarmee ben je

er niet, zeker niet in een recessie. Maar

niemand durft nog te praten over het

arbeidscontract als zodanig.’

Muffels vindt dat het nieuwe arbeidscontract

voor iedereen, dat voor de huidige

waaier aan contractvormen in de

plaats moet komen, werkgever én werknemer

moet verplichten tot investeringen

in employability. Hij is het eens met

Hein Knaapen, HR-manager van KPN

en tot voor kort columnist van dit blad,

dat de commissie-Bakker werknemers

hierin te veel ontziet.

‘We moeten naar meer

zekerheid voor de een

en minder zekerheid

voor de ander’

Aan de andere kant mogen werkgevers

zich ook wel achter de oren krabben,

vindt hij. ‘Die hebben heel veel laten

liggen, met hun opleidingsbeleid en

hun traditionele wervings- en selectiebeleid.’

Om een voorbeeld gevraagd: ‘Ik

zie geen enkele economische rechtvaardiging

om niet in ouderen te investeren.

En dan bedoel ik niet slechts scholen,

maar ook andere carrièremogelijkheden

aanbieden. Uit onderzoek blijkt

dat hiermee de inzetbaarheid sterk kan

worden bevorderd.’

Het pleidooi van zijn Amsterdamse collega

Paul de Beer om in de huidige crisis

weer gewoon terug te vallen op het

middel van vervroegde uittreding snapt

hij wel, maar de redenering erachter is

hem te mechanisch. ‘De Beer vertrouwt

erop dat wanneer de bevolking weer gaat

krimpen, je dat wel weer oplost met

meer innovatie. Maar of dat lukt, is niet

zo vanzelfsprekend. De vraag is ook of je

de mensen wel hebt, op de arbeidsmarkt

van nu, om die innovatie te bewerkstelligen.

Daarom moeten we investeren

in employability en zorgen voor andere

loopbaanperspectieven voor werknemers.

Daarmee kunnen bedrijven hun

mensen beter aan zich binden. Nederland

heeft in dat opzicht een voordeel, want

we hebben veel grote en middelgrote

bedrijven waarin mensen mogelijkheden

hebben om zich te ontplooien.’

UWV Arbeidsmarkt Journaal 9


Foto: Ron Hendriksen

Praktijk | Arbeidsmarkt bouw

Investeren in nieuwe instroom blijft

door vergrijzing noodzakelijk

Bouw stelt zich in op

vertrek van 20.000 mensen

Van den Berg-Jansen en Brinkman (Bouwend Nederland): niet alleen tijdelijke maatregelen

De bouw zit tussen twee vuren. Er dreigen grote klappen, juist nu de sector

erin is geslaagd zijn aantrekkelijkheid op de arbeidsmarkt te vergroten. Nieuwe

mensen moeten behouden worden, anders komen ze niet snel terug. Sterker:

er moet opgeleid blijven worden.

Hans Leijte

‘Het heeft jaren geduurd om mensen

geïnteresseerd te krijgen voor de bouw,

bijvoorbeeld met de campagne The

Skyline is Yours. Nu orders uitblijven

heb je snel zo’n 20.000 man minder

aan het werk, onder wie mensen die

net zijn opgeleid of in dienst zijn genomen.

Dat zou erg triest zijn. Mensen

die de bouw verlaten, krijg je meestal

niet meer terug.’ Aan het woord is Joba

van den Berg-Jansen, directeur Sociale

Zaken van Bouwend Nederland. Samen

met oud-minister en CDA-politicus

Elco Brinkman spreekt ze namens ruim

5000 bedrijven.

De bouwsector biedt werk aan een half

miljoen mensen. Met een omzet van

10 UWV Arbeidsmarkt Journaal

56,6 miljard zijn zij goed voor 6 procent

van het bruto binnenlands product.

Aan het belang van de sector zal

niets veranderen. Maar de dip waarin de

sector nu dreigt terecht te komen kan

wel grote gevolgen hebben.

Brinkman benadrukt dat de sector beslist

geen behoefte heeft aan subsidiëring

door de overheid. De bouw in Nederland

staat op eigen benen en dat moet zo blijven.

‘Wel vind ik het zorgelijk dat we nu

al enkele maanden met de overheid over

tijdelijke maatregelen praten. We hoeven

niet de gehele woningbouw te herzien.

Maar laten we eens beginnen met

garantieregelingen op het gebied van het

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

en hypotheken, en verlaging van de

BTW. Het kabinet kan ook een handje

helpen door goedkope leningen te verstrekken

om energiemaatregelen voor

bestaande woningen te nemen.’

Weinig marges

Half januari hadden enkele tientallen

bouwbedrijven een beroep gedaan op

de tijdelijke regeling werktijdverkorting

(WTV), zowel grote als kleine.

Dat het er weinig zijn, komt volgens

Bouwend Nederland doordat de sector

nog op oude orders teert. De maatregel

komt voor de bouw eigenlijk te vroeg.

Joba van den Berg: ‘Samen met de bonden

maken we ons echt zorgen dat er

de komende tijd minder gebouwd gaat

worden. Normaal bouwen we 80.000

nieuwe woningen per jaar. Dit aantal

dreigt nu tussen de 50- en 60.000 uit

te komen.’ Midden januari werd met de

bonden nog gesproken over een plan

om de klappen op te vangen.

Ook al lijkt het op roeien tegen de

stroom in, Bouwend Nederland zet

alles op alles om ervoor te zorgen dat

er geïnvesteerd blijft worden in het

opleiden van nieuwe mensen. Want als

de bouw inderdaad aan de vooravond

staat van een massaontslag van 20.000

mensen, dan zullen er daar veel bij zijn

die tegen hun pensioen lopen. Bij een

nieuwe opleving van de economie keren

zij niet meer terug in het arbeidsproces.

Daarom moet er niet op opleidingen

worden bezuinigd. Met het opleiden

van een vakbekwame medewerker in

de bouw is drie tot vijf jaar gemoeid.

Brinkman benadrukt dat de bouwsector

veel meer is dan ‘beton storten of asfalt

strijken’. Van al het werk gebeurt slechts

15 procent op de bouwplaats, voornamelijk

in de vorm van assemblage. De

meeste productiewerkzaamheden worden

in fabrieken gedaan.

Maar werken op voorraad blijft moeilijk

in de bouw. Brinkman hoopt dan

ook dat de overheid opdrachten naar

voren haalt, liefst op korte termijn.

Een andere reden is dat veel bedrijven

krap gefinancierd zijn, ze kunnen weinig

opvangen. Blijven orders uit, dan

dienen de gevolgen zich snel aan.


Trend | Arbeidsmarkt en economie

UWV verwacht dit jaar 460.000 werklozen

Arbeidsmarkt merkt gevolgen

economische crisis

Het wordt steeds duidelijker dat

de kredietcrisis wel als financiële

crisis begon, maar gevolgen krijgt

voor de reële economie. De omslag

begon zich al voor de jaarwisseling

af te tekenen. Aan de hand van een

aantal indicatoren kijken we naar de

gevolgen voor de arbeidsmarkt. 2009

wordt een moeilijk jaar.

Arie Vreeburg

Onrust in de economie meten we met

verschillende indicatoren. Een belangrijke

financiële indicator vormen de

beurskoersen. Bedrijven die zijn opgenomen

in de AEX-index verloren in

2008 ongeveer de helft van hun waarde.

Beurskoersen lopen meestal een

half tot een heel jaar vooruit op economische

ontwikkelingen.

Ook de indicator ‘economische groei’

toont een omslag naar laagconjunctuur.

De omvang van de economische activiteiten

– gemeten als groei van het bruto

binnenlands product van jaar op jaar

– was in het derde kwartaal van 2008

1,8 procent hoger dan in dezelfde periode

een jaar ervoor. Dit is duidelijk lager

dan in de afgelopen jaren. Kijken we

van kwartaal op kwartaal, dan groeit de

Nederlandse economie zelfs al een half

jaar niet meer. Overigens is de omvang

van de economische activiteiten eerder

tot een historisch hoogtepunt gestegen.

Arbeidsmarkt slaat om

Hetzelfde beeld zien we bij de banen. Het

aantal banen in Nederland was nog nooit

zo hoog, maar de groei werd elk kwartaal

minder. In het derde kwartaal van 2008

was het aantal banen 1,4 procent hoger

dan een jaar daarvoor. Als we kijken naar

de ontwikkeling van het aantal banen

Figuur 1

AEX index

800

700

600

500

400

300

200

100

0

1jan 95

1jan 96

1jan 97

1jan 98

1jan 99

Figuur 2

Bruto binnenlands product

6%

5%

4%

3%

2%

1%

0%

-1%

1995

1996

Groei BBP

1997

1998

1999

1jan 00

2000

1jan 01

2001

1jan 02

2002

Groei BBP van kwartaal tot kwartaal

Figuur 3

Ontstane vacatures per kwartaal (x1000)

350

300

250

200

150

100

50

0

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

1jan 03

2003

2004

1jan 04

2004

2005

1jan 05

2005

2006

1jan 06

2006

1jan 07

2007

2007

1jan 08

2008

2008

UWV Arbeidsmarkt Journaal 11


Trend | Arbeidsmarkt en economie

Figuur 4

Ontslagvergunningen per maand

2.500

2.000

1.500

1.000

500

0

jan 07

feb

mrt

apr

mei

jun

12 UWV Arbeidsmarkt Journaal

jul

Ontslagvergunningen totaal

aug

sep

okt

van kwartaal op kwartaal dan groeit het

aantal banen nauwelijks meer.

Het aantal vacatures bij bedrijven en

overheid was in het derde kwartaal van

2008 nog hoog, ongeveer evenveel als

in 2007. Het aantal ontstane vacatures

– een graadmeter voor de dynamiek

op de arbeidsmarkt – was iets minder

groot . In de eerste negen maanden van

2008 ontstonden er 5 procent minder

nieuwe vacatures dan in dezelfde periode

van 2007.

Dat de vraag naar arbeid zich minder

gunstig ontwikkelt, is ook zichtbaar bij

een andere belangrijke conjunctuurindicator.

Het aantal uitzenduren, zoals

gemeten door het Centraal Bureau voor

nov

dec

jan 08

feb

mrt

apr

Bedrijfseconomische oorzaak

Figuur 5

Toename banen en beroepsbevolking (x 1000)

300

200

100

0

-100

-200

2002

1e kw

2002

3e kw

2003

1e kw

Toename banen

2003

3e kw

2004

1e kw

2004

3e kw

2005

1e kw

2005

3e kw

Toename beroepsbevolking

2006

1e kw

2006

3e kw

mei

jun

2007

1e kw

jul

aug

sep

2007

3e kw

okt

2008

1e kw

nov

dec

2008

3e kw

de Statistiek (CBS), groeide nog. Kijken

we echter naar het seizoengecorrigeerde

cijfer, dan daalde dat aantal in het derde

kwartaal van 2008, voor het eerst in vier

jaar. Cijfers van de Algemene Bond van

Uitzendondernemingen (ABU) duiden

al sinds begin 2008 op een daling van

het aantal uitzenduren. Het ABU-cijfer

dekt ongeveer 60 procent van de markt.

Een andere belangrijke conjunctuurindicator

is het aantal mensen dat ontslagen

wordt. Ontslag gebeurt veelal op basis

van wederzijds goedvinden, via de kantonrechter

of UWV WERKbedrijf. Uit

recente cijfers van UWV WERKbedrijf

lijkt het aantal ontslagvergunningen de

laatste maanden toe te nemen. Overigens

is het aantal ontslagvergunningen door

UWV WERKbedrijf verleend maar een

klein deel van het totaal aantal beëindigde

arbeidsrelaties. Bijvoorbeeld veel

dienstverbanden eindigen met wederzijds

goedvinden.

In het aanbod van arbeid is een geleidelijke

omslag zichtbaar. De beroepsbevolking

groeide nog, maar minder snel.

In de periode september-november

2008 was de omvang van de beroepsbevolking

1,6 procent groter dan een jaar

ervoor. Deze groei werd veroorzaakt

door toename van de participatiegraad.

De groei van de beroepsbevolking was

lager dan de groei van het aantal banen.

De discrepantie tussen vraag en aanbod

op de arbeidsmarkt komt tot uitdrukking

in het aantal niet-werkende werkzoekenden

(nww). Dit aantal daalde

nog tot ver in 2008. Eind 2008 is het

aantal nww met 417.000 ongeveer 9

procent lager dan een jaar daarvoor.

Maar ook hier zien we het beeld van

een langzamere daling, en een neiging

naar een omslag aan het eind van het

jaar. Het aantal nww steeg in november

en december voor het eerst in jaren.

Minder banen

Cruciaal voor de arbeidsmarkt is het

vertrouwen in de veerkracht van de

Nederlandse economie. Wat deze

indicator betreft zijn de tekenen uitgesproken

ongunstig. Consumenten

zijn al meer dan een jaar negatief. Dit

zorgt ervoor dat consumenten minder

snel geld zullen gaan uitgeven.

Ondernemers in de industrie zijn tot de

zomer van vorig jaar positief gestemd

geweest, maar in september en oktober

sloeg de stemming radicaal om. In

december verslechterde het vertrouwen

verder met 11 punten; de grootste

afname sinds het CBS dit vertrouwen

meet. Hierdoor komt eind 2008 het

vertrouwenscijfer uit op -20,1. Dit is

verreweg de laagste stand ooit gemeten.

In januari 2008 stond de indicator nog

op een dikke plus van 9,5, de hoogste

waarde ooit. Medio 2005 was de laatste

keer dat consumenten én producenten

pessimistisch waren.


1) Mutatie in volume (gecorrigeerd voor prijsveranderingen)

2) Laatste cijfer: driemaandelijks gemiddelde september-november 2008 (CBS)

De meest recente prognoses van het

Centraal Planbureau (CPB) gaan uit van

een krimp van de Nederlandse economie

in 2009 met driekwart procent. Deze

terugval van de economische bedrijvigheid

treedt voor het eerst in dertig jaar

op. Belangrijk daarbij is dat het wereldhandelsvolume

dat relevant is voor de

Nederlandse export in 2009 voor het

eerst sinds 1975 daalt (- 2,75%). De

exportsectoren krijgen het daardoor

extra moeilijk. De ongunstige economische

ontwikkelingen leiden met een

zekere vertraging tot aanpassingen op

de arbeidsmarkt. De verwachting is dat

in 2009 het aantal banen (in fulltimeeenheden)

afneemt met bijna 1 procent

(50.000 fulltime eenheden). Het totaal

aantal banen blijft dus, na verwerking

van afbraak en creatie van banen, in 2009

voor 99 procent op peil. Maar de daling

van de werkgelegenheid is niet evenredig

gespreid over de verschillende secto-

Figuur 6

Vertrouwenscijfers per maand

Producentenvertrouwen

25

20

15

10

5

0

-5

-10

-15

-20

-25

Tabel 1

Kerncijfers ontwikkelingen economie en arbeidsmarkt

% mutaties t.o.v. 1 jaar eerder

2007-4 2008-1 2008-2 2008-3 2008-4 2007-4 2008-1 2008-2 2008-3 2008-4

Vraagkant

BBP mld. euro 148,6 146,3 149,6 143,2 4,1 3,3 3,0 1,8 (1)

Banen x 1.000 7.867 7.881 8.005 8.001 2,6 2,2 2,0 1,4

Ontstane vacatures x 1.000 260 275 287 263 5,7 -6,1 -5,0 -3,3

Index uitzenduren 135 124 136 139 8,4 7,3 7,1 3,0

Faillissementen 864 845 865 939 -6,8 -8,5 -0,1 0,4

Aanbodkant

Beroepsbevolking (CBS) x 1.000 7.600 7.653 7.713 7.767 7.730 1,1 1,6 1,4 1,2 1,6 (2)

Werkloos - CBS x 1.000 301 336 310 284 280 -20,2 -16,2 -10,4 -13,4 -8,5 (2)

Niet werkend - NWW x 1.000 458 441 420 409 417 -17,4 -18,7 -15,9 -13,4 -9,0

Werkloosheidspercentage CBS % 4,0 4,4 4,0 3,7 3,6 (2)

NWW-percentage % 6,0 5,8 5,4 5,3 5,4

1996

juni

1998

juni

Producentenvertrouwen

2000

juni

2002

juni

Consumentenvertrouwen

ren. Vooral de industrie en de bouwnijverheid

liggen in de vuurlinie.

De beroepsbevolking neemt nog maar

beperkt toe. Per saldo verwacht het

CPB in 2009 een toename van de werkloosheid

met 50.000 personen, ofwel

17 procent. Ook het aantal vacatures

zal dalen. Daarmee wordt de spanning

op de arbeidsmarkt kleiner en

maakt de krapte op de arbeidsmarkt in

2008 plaats voor een meer ontspannen

arbeidsmarkt. Het wordt voor werkgevers

makkelijker om te voorzien in de

personeelsbehoefte.

De werkloosheid gaat in 2009 dus stijgen.

UWV WERKbedrijf berekende in

november dat het aantal nww in 2009

oploopt naar vermoedelijk 460.000 personen

(tegenover 417.000 eind 2008).

Arie Vreeburg is

beleidsmedewerker Arbeidsmarkt

bij UWV

2004

juni

2006

juni

2008

juni

50

40

30

20

10

0

-10

-20

-30

-40

-50

Consumentenvertrouwen

Ondernemers

somber

De stemming onder MKB-

ondernemers is in korte tijd volledig

omgeslagen. Was vorig jaar nog bijna

driekwart positief over de economische

situatie, in september 2008 was

tweederde negatief.

Nadat het aantal werknemers in 2007

nog groeide met 94.000, nam het in

2008 nog maar met 39.000 toe. Voor

2009 wordt zelfs uitgegaan van een

daling, met 17.000. Vooral sectoren

als de industrie, de detailhandel en

de horeca hebben het moeilijk. Deze

prognose is afgegeven in september.

Inmiddels is het economisch beeld

verder verslechterd.

Uit de nieuwe conjunctuurenquête

COEN blijkt dat het sentiment eind

2008 in een aantal sectoren van de

zakelijke dienstverlening nog relatief

gunstig is. Maar de industrie, vervoerssector

en de bouwnijverheid

liggen duidelijk in de vuurlinie.

MKB, Vertrouwen mkb-ondernemers

in economie volledig omgeslagen,

11 september 2008

KvK, Conjunctuur-enquête Nederland,

eerste meting, 4e kwartaal 2008

UWV Arbeidsmarkt Journaal 13


Arbeidsmarktontwikkelingen

Arbeidsmarktontwikkelingen

Figuur 1

Instroom, uitstroom en aantal NWW, december 2008*

De arbeidsmarkt voelt de eerste effecten van de kredietcrisis. In oktober werd het laagste aantal

niet-werkende werkzoekenden (nww) gemeten: 408.000. Dit was zelfs lager dan het dal in de vorige

hoogconjunctuur in 2001. In november en december loopt het aantal nww echter weer op. Met name

in december liep het aantal ingestroomde werkzoekenden snel op, terwijl de uitstroom achterbleef.

55.000

50.000

45.000

40.000

35.000

30.000

25.000

20.000

15.000

10.000

5.000

0

Figuur 2

Krapte op de arbeidsmarkt per RPA

De krapte op de arbeidsmarkt is in de

laatste twee maanden van 2008 vrijwel

verdwenen. Aan het einde van 2007

was er nog sprake van een (zeer)

krappe arbeidsmarkt in maar liefst

vijftien regio’s. Aan het eind van 2008

zijn alleen de Zeeuwse en Oost-Brabantse

arbeidsmarkten nog (zeer) krap

te noemen. In alle regio’s is de krapte

ten opzichte van een jaar geleden

afgenomen: het aantal openstaande

vacatures nam af, terwijl tegelijkertijd

het aantal kortdurend niet-werkende

werkzoekenden toenam.

14 UWV Arbeidsmarkt Journaal

jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan

563.047 563.047

zeer krap

krap

gemiddeld

ruim

zeer ruim

558.264 558.264

542.486 542.486

525.534 525.534

511.901 511.901

499.431 499.431

496.501 496.501

486.022 486.022

472.455 472.455

Krapte op de arbeidsmarkt

december 2007

2007 2008

468.702 468.702

466.437 466.437

Grafiek 3

aantal

NWW

totale

instroom

Krapte op de arbeidsmarkt

december 2008*

totale

uitstroom

feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec*

457.981 457.981

458.055 458.055

453.559 453.559

441.012 441.012

435.244 435.244

424.764 424.764

420.023 420.023

421.047 421.047

412.632 412.632

408.997 408.997

408.073 408.073

409.784 409.784

416.891 416.891


Kerngegevens werkloosheidsontwikkeling

Niet-werkende werkzoekenden naar kenmerk en regio

Totaal NWW

Geslacht

Mannen

Vrouwen

Leeftijd

Tot 23 jaar

23 t/m 39 jaar

40 jaar en ouder

Beroepsgroep

Productie/onderhoud

Transport/opslag

Verkoop/bedienend/commercieel

Verzorgend/heelkundig

Beveiliging/politie/militair

Administratief/beleidsadviserend

Onderwijs/onderzoek/creatief

Leiding/bestuurders

Onbekend

Opleidingsniveau

Bo

Vmbo

Mbo/havo/vwo

Hbo

Wo

Onbekend

Duur niet werkend

Korter dan 6 maanden

6 tot 12 maanden

1 tot 3 jaar

3 jaar of langer

Provincie

Groningen

Friesland

Drenthe

Overijssel

Flevoland

Gelderland

Utrecht

Noord-Holland

Zuid-Holland

Zeeland

Brabant

Limburg

Grote steden

Amsterdam

Rotterdam

Den Haag

Utrecht

Rest van Nederland

Bron: UWV WERKbedrijf; aantallen x 1000

* Voorlopige cijfers

Aantal ultimo kwartaal, mutaties in % t.o.v. 1 jaar eerder

2007-4

2008-1 2008-2

458

216

242

18

138

302

195

30

48

67

5

59

24

6

25

119

139

138

44

17

0

102

51

121

184

22

20

16

32

12

51

26

73

101

8

58

39

37

36

18

9

358

-18

-20

-17

-29

-26

-13

-15

-22

-21

-16

-24

-21

-21

-17

-6

-19

-23

-22

-25

-10

-28

-32

-6

-18

-19

-19

-18

-20

-17

-21

-16

-17

-15

-22

-19

-10

-10

-19

-21

-19

441

206

235

18

132

291

188

29

46

66

5

56

23

5

23

117

133

132

42

17

0

106

48

110

178

21

19

15

31

11

50

25

71

97

8

56

38

36

34

18

9

345

-19

-20

-17

-26

-25

-15

-16

-22

-21

-17

-23

-21

-20

-19

-8

-20

-23

-23

-23

-4

-25

-35

-11

-21

-20

-20

-19

-20

-17

-22

-16

-19

-16

-21

-17

-11

-14

-23

-22

-20

420

194

226

17

126

277

178

27

44

66

4

53

22

5

21

117

125

122

40

16

0

102

52

98

168

20

17

14

28

11

47

23

73

92

7

52

36

39

33

16

8

324

-16

-17

-15

-19

-19

-14

-13

-19

-19

-10

-19

-19

-17

-16

-5

-19

-20

-19

-19

9

-14

-35

-14

-18

-19

-18

-18

-18

-15

-21

-7

-17

-19

-19

-16

4

-14

-23

-19

-18

mutaties in % t.o.v. 1 jaar eerder

409

189

220

17

123

269

173

26

42

65

4

52

22

5

19

115

120

118

40

16

0

103

54

91

160

19

16

14

28

10

46

22

72

89

7

51

34

39

31

16

8

315

2008-3

-13

-14

-13

-7

-14

-13

-11

-16

-16

-6

-18

-17

-15

-13

-3

-17

-17

-16

-14

17

-6

-33

-16

-15

-17

-14

-15

-15

-14

-18

-3

-15

-18

-16

-15

7

-14

-18

-16

-15

417

200

217

18

128

271

180

28

44

65

4

52

21

5

17

115

120

125

40

16

0

119

58

87

153

20

18

15

29

11

46

22

72

88

7

53

36

39

30

16

7

325

minder dan -15 -15 tot 0

2008-4*

-9

-8

-10

2

-7

-10

-8

-5

-9

-3

-12

-11

-11

-6

-3

-14

-9

-9

-7

17

13

-28

-17

-10

-11

-9

-9

-4

-10

-16

-1

-13

-14

-9

-8

5

-18

-15

-15

-9

2

6

-1

4

4

1

4

9

3

0

4

0

-4

4

0

1

6

1

0

16

6

-5

-5

5

9

6

5

7

0

-3

0

-1

4

4

5

0

-6

0

-4

3

Percentage van

beroepsbevolking

5,4

4,6

6,4

2,6

4,3

6,7

8,9

8,7

3,8

4,8

3,3

3,7

2,3

2,0

28,8

8,3

3,7

2,7

1,7

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

7,8

6,0

6,6

5,5

6,0

5,0

3,7

5,6

5,4

4,1

4,6

7,1

10,0

11,0

7,0

5,0

4,9

0 tot 10

10 of meer

UWV Arbeidsmarkt Journaal 15


Focus | Trends in 2008

Krapte neemt af

Omslag arbeidsmarkt begon eind 2008

De arbeidsmarkt vertoonde eind 2008 de eerste gevolgen van de economische terugslag. De werkgelegenheid groeide

nog steeds, maar het groeitempo werd steeds lager. Het aantal openstaande vacatures steeg in de eerste helft van 2008

ook nog, maar in de tweede helft zette de daling in.

Menno de Vries

De economische groei, die vorig jaar

nog 4,1 procent bedroeg, zal naar verwachting

negatief worden. Vooral de

export van goederen en diensten loopt

terug. Daarnaast groeien de consumentenbestedingen

steeds langzamer.

Ondanks de vele negatieve berichten

werden er in 2008 nog veel banen

gecreëerd. Vergeleken met 2007 groeide

de werkgelegenheid met 108.000

banen. Met name in de sectoren zakelijke

dienstverlening en handel kwamen

er veel nieuwe banen bij. De

banengroei in deze sectoren stokte in

het derde kwartaal echter wel. In de uitzendbranche,

de horeca, de landbouw

en het openbaar bestuur waren er zelfs

iets minder banen dan een jaar eerder.

De toegenomen vraag naar werknemers

heeft ertoe geleid dat meer mensen zich

hebben aangeboden op de arbeidsmarkt.

In een jaar tijd nam de omvang

van de beroepsbevolking met 91.000

toe. Maar net als bij de werkgelegenheid

neemt ook het groeitempo van de

beroepsbevolking af.

Kanteling

Als we naar de jaarcijfers kijken, dan

lijkt de situatie op de arbeidsmarkt nog

gunstig. De werkgelegenheid is gegroeid

en het aantal werkzoekenden zonder

baan (niet-werkende werkzoekenden,

nww) is historisch gezien laag. Toch

zien we eind 2008 een kanteling op de

arbeidsmarkt. Er komt een einde aan de

robuuste groei van de werkgelegenheid

en de beroepsbevolking groeit minder.

In 2008 wordt de daling omgebogen in

een stijging van het aantal nww.

De omslag op de arbeidsmarkt wordt

nog markanter zichtbaar in de krapte-

16 UWV Arbeidsmarkt Journaal

indicator. Deze indicator geeft een beeld

van de krapte op de arbeidsmarkt door

te kijken naar het aantal openstaande

vacatures bij UWV WERKbedrijf per

kortdurend werkzoekende (minder

dan zes maanden werkloos).

In de eerste tien maanden van 2008

kon de arbeidsmarkt nog worden getypeerd

als krap. In november en december

nam de krapte echter zeer snel af.

De instroom van nww nam toe, terwijl

het aantal openstaande vacatures dat

bij UWV WERKbedrijf werd gemeld,

Figuur 2

Krapte op de arbeidsmarkt

0,9

0,8

0,7

0,6

0,5

0,4

0,3

0,2

0,1

0,0

jan

feb

mrt

apr

mei

jun

jul

aug

sep

okt

nov

dec

jan

feb

mrt

apr

mei

jun

jul

aug

sep

okt

nov

dec

jan

feb

mrt

apr

daalde. Dit laatste wordt niet alleen

verklaard door de economische teruggang,

maar ook doordat werkgevers aan

het eind van het jaar in de regel minder

vacatures plaatsen dan gebruikelijk,

vanwege de vakantieperiode.

Ondanks de recente toename van het

aantal nww is er nog altijd sprake van

een behoorlijke daling ten opzichte van

vorig jaar. Eind 2008 kwam de teller

uit op 416.891. Dit is een afname van

41.090 (-9%) ten opzichte van een jaar

Figuur 1

Ontwikkeling van het aantal niet-werkende werkzoekenden (NWW)

1.000

900

800

700

600

500

400

300

200

100

0

1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008

zeer krap

krap

gemiddeld

ruim

zeer ruim

2004

2005

mei

jun

jul

aug

sep

okt

nov

dec

jan

feb

mrt

apr

2006

mei

jun

jul

aug

sep

okt

nov

dec

jan

feb

mrt

apr

2007

mei

jun

jul

aug

sep

okt

nov

dec

2008


Figuur 3

NWW naar werkloosheidsduur

200

180

160

140

120

100

80

60

40

20

0

eerder. Het nww-percentage (aantal

ingeschreven nww als percentage van

de beroepsbevolking) is daarmee gezakt

van 6,0 procent naar 5,4 procent.

Met name het aantal langdurig werk-

Figuur 5

NWW-percentage per provincie

NWW-percentage

0 tot 6 maanden 6 tot 12 maanden 1 tot 2 jaar 2 tot 3 jaar 3 jaar of langer

December 2007

Figuur 4

NWW naar leeftijdsklasse

180

160

140

120

100

80

60

40

20

0

7% of meer

6% tot 7%

5% tot 6%

tot 5%

December 2008


Foto: Koen Verheijden (H.H.)

Praktijk I Mobiliteitscentra

Werktijdverkorting geen blijvend antwoord op de crisis

Mobiliteitscentra nemen

rol WTV over

De regeling werktijdverkorting – die loopt tot 1 maart – is bedoeld om bedrijven te helpen bij het opvangen van de

eerste schokgolf van de crisis en om de inzetbaarheid van hun medewerkers te behouden met scholing en detachering.

Voor die laatste doelstelling is nu ook een structurele oplossing gekomen: mobiliteitscentra.

Peter Hamers

Tot en met 31 december 2008 kregen

164 bedrijven toestemming om gebruik

te maken van de tijdelijke regeling werktijdverkorting

(WTV). Daarna werd de

regeling nog tweemaal verlengd, tot

uiteindelijk 1 maart. Minister Donner

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

hoopt met deze regeling te voorkomen

dat bedrijven overhaast werknemers

ontslaan. Ze moeten bij hun aanvraag

onder meer vertellen welke concrete

afspraken zij hadden gemaakt over scho-

18 UWV Arbeidsmarkt Journaal

ling van hun werknemers tijdens de

periode van werktijdverkorting. De regeling

is immers niet bedoeld om normale

bedrijfsrisico’s op te vangen, maar om de

inzetbaarheid van werknemers te behouden

en te vergroten.

Voor die laatste doelstelling zijn inmiddels

ook mobiliteitscentra opgericht.

Vooral in regio’s waar het aantal ontslagen

als gevolg van de kredietcrisis snel

stijgt, en bij bedrijven waar de economische

terugval niet tijdelijk is. De centra

zijn bedoeld om ontslagen te voorkomen

en om werknemers die overbodig zijn

een plek in een ander bedrijf te bezorgen.

Daarbij wordt de hulp ingeroepen van

publieke en private partijen. De mobiliteitscentra

hebben ook een rol voor de

werknemers die nog in een WTV-regeling

zitten.

UWV WERKbedrijf (voorheen CWI)

heeft de taak de mobiliteitscentra op te

zetten, in nauw overleg met sociale partners

en lokale en regionale overheden.


Minister Donner tijdens de opening

van het Mobiliteitscentrum in

Eindhoven. Links van hem Oscar

van Herpen, vestigingmanager

van UWV WERKbedrijf, en rechts

Rob Schwillens, landelijk projectleider

Mobiliteitscentra

Het heeft al flink wat ervaring opgedaan

met mobiliteitscentra. Succesvolle projecten

liepen en lopen bij NedCar, Cordis,

TNT Post, ING Retail en in de thuiszorg.

Voor zorg behouden

Door de vercommercialisering is in de

thuiszorg veel mobiliteit ontstaan. In het

Mobiliteitscentrum Thuiszorg (MCT) zijn

de volgende partijen bij elkaar gebracht:

VWS, SZW, UWV WERKbedrijf, ActiZ,

BTN, Calibris, CNV Publieke Zaak,

Abvakabo FNV, VNG, Unie: Zorg en

Welzijn en RegioPlus. De coördinatie

wordt verzorgd door Jeanette Kruger van

UWV WERKbedrijf. Als manager stuurt

zij de staf en veertien MCT-coördinatoren

in heel Nederland aan.

Het hoofddoel van het MCT is om binnen

de projectperiode 80 procent van

de met werkloosheid bedreigde werknemers

in de thuiszorg van werk naar werk

te bemiddelen, zodat zij geen beroep

hoeven te doen op een WW-uitkering.

Kruger: ‘Daartoe informeren en adviseren

wij werknemers en werkgevers

in de thuiszorg over de gevolgen van de

Wet maatschappelijke ondersteuning

voor arbeidsmarkt en werkgelegenheid.

We begeleiden al ontslagen en ook

met ontslag bedreigde werknemers in

de thuiszorgsector. We verbeteren de

loopbaanperspectieven en kansen op

werk in de zorgsector en bevorderen de

inzetbaarheid van de werknemers door

gecoördineerde inzet en het gebruik van

competentieprofielen, portfolio’s, duale

trajecten, scholingsmiddelen en andere

re-integratie-instrumenten. Het voorkomen

van ontslag door het bemiddelen

van werk naar werk staat hierbij steeds

centraal. Het is de bedoeling dat niemand

buiten de boot valt. We willen alle

medewerkers behouden voor de thuiszorg.

Bij de WTV worden in principe

dezelfde instrumenten gebruikt als bij de

al bestaande mobiliteitscentra, maar het

is misschien moeilijker en ingewikkelder

omdat er meer partijen, meer sectoren

en meer bedrijven bij betrokken zijn.

Maar nogmaals, de setting is hetzelfde:

korte lijnen en proactief handelen. Het

landelijk dekkend netwerk van diensten

en dienstverlening voor werkgevers en

werknemers bestaat al.’

Bemiddeling van werk

naar werk behield

werknemers voor de zorg

Het MCT is druk bezig en volgens Jeanette

Kruger zijn de resultaten tot nu toe goed.

‘Bij de 11 instellingen waarbij sprake is

van bemiddelings- of opleidingsactiviteiten

zijn of waren 3170 arbeidsplaatsen

in gevaar. De activiteiten leidden in meer

dan 2000 gevallen tot behoud van werk,

waarvan 1600 in de thuiszorg, 600 in de

zorg en 70 buiten de zorg.‘

Voldoende vacatures

Een ander voorbeeld is het mobiliteitscentrum

voor Cordis, producent van

medische hulpmiddelen als katheters en

stents. Het centrum is opgericht om de

gevolgen op te vangen van de sluiting van

de Nederlandse vestiging van het bedrijf.

Hierbij werkt UWV WERKbedrijf

samen met vijf commerciële bureaus,

universiteiten en ROC’s. Projectleider

Kim Heijnen legt uit dat de kosten voor

het centrum betaald worden uit het sociaal

plan. ‘Het personeel heeft zelf gekozen

voor deze aanpak, uit vrije wil, niet

uit dwang. Wij willen alle 586 mensen

weer aan het werk krijgen. Tot nu toe is

dat bij bijna 40 procent gelukt; we gaan

door tot 31 december 2009. Voor sommige

werknemers is het makkelijk om

tot een match te komen. Voor anderen is

niet de baan te vinden die ze graag willen.

In overleg zoeken we dan iets anders wat

bij de persoon past. Alles is gericht op het

krijgen van werk. Met de kredietcrisis

wordt het wel spannend. Nu staan er nog

voldoende vacatures open, maar binnenkort

wordt het wellicht lastiger.’

Heijnen vindt een mobiliteitscentrum

een uitstekend instrument. ‘Alle dienstverlening

die bedrijven in huis hebben,

kunnen we inzetten. We kopen overal in

en kunnen dus overal en altijd maatwerk

leveren. Het concept werkt echt!’

Vooral scholing

Uit de eerste ervaringen van de mobiliteitscentra

met werknemers die werktijdverkorting

hebben gekregen, blijkt

dat de meeste bedrijven inzetten op

scholing. Volgens landelijk projectleider

Mobiliteitscentra Rob Schwillens is

dat ook wel logisch. ‘De meeste werknemers

hebben een à twee dagen in de

week WTV gekregen. Het is niet eenvoudig

om deze mensen voor deze beperkte

periode elders te detacheren. Zo hebben

1100 medewerkers van ASML in

Eindhoven voor 30 procent WTV. Het

valt niet mee om deze werknemers gedurende

zes weken 30 procent van de week

op een andere plek onder te brengen.

Scholingstrajecten, vooral ook intern,

lukken wel, waardoor de inzetbaarheid

van deze mensen wordt vergroot.’

UWV Arbeidsmarkt Journaal 19


Onderzoek | Vacatures in Nederland 2008

Weinig bedrijven anticiperen op vergrijzing

Krappe arbeidsmarkt in 2008

In 2008 waren veel vacatures moeilijk te vervullen. Het aantal allochtonen dat

een baan vond, steeg spectaculair. Een derde van de bedrijven waarin over

enkele jaren forse personeelstekorten dreigen, trof maatregelen. Dit zijn enkele

conclusies uit het onderzoek Vacatures in Nederland 2008.

Karin Pilgram

Ecorys voerde het onderzoek uit in

opdracht van CWI, sinds 1 januari

UWV WERKbedrijf. Het geeft aan dat

in het afgelopen jaar 1.352.000 vacatures

ontstonden en 1.039.000 vacatures

vervuld werden. Ook blijkt dat vacatures

in 2008 146 dagen openstonden

tegen 128 in 2007. Het aandeel moeilijk

vervulbare vacatures nam nog iets

toe, van 39 naar 40 procent.

Naar verwachting zal de arbeidsmarkt

in 2009 als gevolg van de kredietcrisis

omslaan. De eerste signalen waren in

2008 al zichtbaar. Zo zagen we eind

2008 het aantal niet-werkende werkzoekenden

(nww) weer toenemen en

daalde het aantal nieuwe vacatures in

de periode juli 2007-juni 2008 met

2,4 procent.

Wat opvalt, is dat in die periode meer

ouderen werk vonden. Het aantal aangenomen

personen in de categorie 40-54

Figuur 1

Aangenomen personen naar leeftijd, 2008

20 UWV Arbeidsmarkt Journaal

17%

50%

2%

jaar steeg met 11 procent tot 176.000

en het aantal aangenomen 55-plussers

met 10 procent tot 22.000. Het aandeel

van 55-plussers in het totaal aantal aangenomen

personen bleef met 2 procent

echter laag. De kans van een werkloze op

een baan neemt af naarmate hij ouder is

– daarin is ook het afgelopen jaar nauwelijks

verbetering opgetreden.

Verdringing blijft

Ook voor laagopgeleide werklozen

is de kans op het vinden van werk in

2008 klein gebleven. Dit geldt vooral

voor ongeschoolde werklozen (maximaal

basisonderwijs). Zij worden ook

veelal verdrongen door personen die

wel scholing hebben genoten.

In tijden van krapte stellen werkgevers

hun opleidingseisen naar beneden bij.

Terwijl de vraag naar mensen met een

vmbo- of mbo-opleiding afnam en

31%

Jonger dan 25 jaar 25-39 jaar 40-54 jaar

55 jaar en ouder

er ook minder mensen werden aangenomen

die deze opleidingen hadden

genoten, nam de vraag naar ongeschoold

personeel met 13 procent toe,

tot 182.000. Daar staat echter tegenover

dat slechts 81.000 vacatures ook

daadwerkelijk werden vervuld door

personen met maximaal een basisopleiding.

Dat betekent dat 100.000 kansen

voor ongeschoolden niet werden

benut, omdat werkgevers bij het aannemen

van personeel blijkbaar toch

de voorkeur gaven aan iemand die

een vervolgopleiding heeft genoten.

Ondanks de krappe arbeidsmarkt blijft

er nog steeds sprake van een grootschalige

verdringing van ongeschoolden

door geschoolden.

Allochtonen ontdekt

Onder invloed van de krappe arbeidsmarkt

hebben werkgevers in 2007

ontdekt dat jong en goed opgeleid personeel

onder allochtonen nog in voldoende

mate voorhanden is. Dat had

tot gevolg dat het aantal allochtonen

dat in 2007 een baan vond spectaculair

steeg: met 89 procent. In 2008 daalde

het aantal aangenomen allochtonen

weliswaar met 7 procent, maar dat is

toch minder dan de gemiddelde daling

van het totaal aantal aangenomen personen,

die 12 procent bedroeg.

Kans werkloze gedaald

Bij de in 2008 aangenomen personen

ging het in 20 procent van de gevallen

om mensen die in de periode daarvoor

werkloos waren. In 2007 was dat nog

25 procent en in 2006 29 procent. Het

grootste deel van de aangenomen personen

bestaat net zoals in voorgaande

jaren uit baanwisselaars (61%). Het aan-


deel van schoolverlaters nam toe van

7 procent in 2007 naar 11 procent in

2008. Bekend is dat schoolverlaters zich

in een periode van hoogconjunctuur

eerder aanbieden op de arbeidsmarkt, in

plaats van door te studeren.

Web verdringt advertenties

Vacatureadvertenties zijn in 2008 als

belangrijkste wervingskanaal verdrongen

door eigen websites van bedrijven.

Voor het eerst worden meer vacatures op

de eigen website van bedrijven geplaatst

dan er personeelsadvertenties worden

geplaatst. Het marktbereik van ‘eigen

website’ steeg van 17 procent in 2007

naar 34 procent in 2008, dat van advertenties

nam af van 42 tot 28 procent.

Het werven van personeel via de eigen

website past in een trend waarin vacatures

steeds vaker zonder intermediair

worden vervuld. In 2003 werd 40 procent

van de vacatures vervuld zonder

tussenkomst van een intermediair en

nu is dat 51 procent. Het belang van

werving via de eigen website wordt nog

eens onderstreept door het feit dat 50

procent van deze vacatures moeilijk vervulbaar

was. Alleen bij vacatures die via

het voormalige CWI zijn vervuld, was

het aandeel moeilijk vervulbare vacatures

vergelijkbaar (49%).

Moeilijk vervulbaar

Uit een aantal indicatoren blijkt dat de

arbeidsmarkt ook in 2008 is verkrapt. Zo

nam het aandeel (zeer) moeilijk vervulbare

vacatures toe van 38,5 procent in

2007 naar 39,7 procent in 2008. Ook de

vacatieduur (de tijd dat vacatures blijven

openstaan) steeg van 128 kalenderdagen

in 2007 naar 146 kalenderdagen in

2008. Als een vacature langer openstaat,

is dat een indicatie dat deze moeilijk vervulbaar

is. Als hun aantal toeneemt, is

dat een signaal dat de arbeidsmarkt krapper

wordt: werkgevers kunnen vacatures

steeds moeilijker vervullen. Veruit de

belangrijkste reden waarom vacatures

volgens werkgevers moeilijk te vervullen

zijn, is het gebrek aan sollicitanten.

In 2008 gaf 55 procent van de werkgevers

dit antwoord tegen 52 procent in

2007 en 40 procent in 2006. Bedrijven

hadden in 2008 vooral moeite om hoger

Tabel 1

Vervulde vacatures en aangenomen personen naar kenmerk

Aantal (x 1.000) % Mutatie Aandeel

2008 2007 2008 2007

Gevraagde opleiding

Maximaal basisopleiding 182 161 13% 17% 14%

Vmbo 162 229 -29% 16% 19%

Havo, vwo 17 43 -60% 2% 4%

Mbo 368 407 -10% 35% 34%

Hbo, wo

Opleiding aangenomen kandidaat

311 343 -9% 30% 29%

Maximaal basisopleiding 81 68 19% 8% 6%

Vmbo 190 227 -16% 18% 19%

Havo en vwo 35 71 -51% 3% 6%

Mbo 385 412 -7% 37% 35%

Hbo en wo

Leeftijd

348 404 -14% 34% 34%

Jonger dan 25 jaar 325 335 -3% 31% 28%

25-39 jaar 516 670 -23% 50% 57%

40-54 jaar 176 158 11% 17% 13%

55 jaar en ouder

Etniciteit

22 20 10% 2% 2%

Niet-etnische minderheid 900 1.034 -13% 87% 87%

Wel etnische minderheid 139 149 -7% 13% 13%

w.v. Marokkanen 31 37 -16% 3% 3%

w.v. Turken 36 41 -12% 3% 4%

w.v. Surinamers en Antillianen 20 27 -26% 2% 2%

w.v. overig

Arbeidsmarktpositie voor de baan

52 44 18% 5% 4%

Had een baan 633 729 -13% 61% 62%

Nee, zat zonder werk 207 292 -29% 20% 25%

Nee, was schoolverlater 113 84 35% 11% 7%

Nee, hoofdtaak is student 86 77 12% 8% 7%

Totaal vervulde vacatures 1.039 1.183 -12%

Tabel 21

Moeilijk vervulbare vacatures

Aantal (x 1.000) Aandeel % Mutatie

2008 2007 2008 2007

(Zeer) moeilijk vervulbaar 413 456 39,7% 38,5% -9,0%

Niet moeilijk/niet makkelijk vervulbaar 188 326 18,1% 28,0% -42,0%

(Zeer) makkelijk vervulbaar 438 401 42,2% 33,9% 9,0%

Totaal 1.039 1.183 100% 100% -12%

Tabel 31

Percentage moeilijk vervulbare vacatures naar functie en opleiding

2008 2007

Functie Agrarisch personeel 24 24

Productiepersoneel 36 24

Technisch en bouwpersoneel 65 71

Transportpersoneel 38 50

Winkelpersoneel 27 12

Horecapersoneel 49 34

Administratief en commercieel personeel 31 41

Verzorging en (para)medisch personeel 41 48

Onderwijzend personeel 26 24

Overig personeel 35 30

Gevraagde opleiding Max. basisonderwijs 32 29

Vmbo 36 33

Havo, vwo 24 30

Mbo 37 39

Hbo, wo 46 49

UWV Arbeidsmarkt Journaal 21


Onderzoek | Vacatures in Nederland 2008

opgeleid personeel te vinden. Zo’n 46 procent van de vacatures

voor hoger opgeleiden werd in 2008 door werkgevers als

moeilijk vervulbaar bestempeld. Naar functie bekeken was

het lastig om vacatures te vervullen voor bouw- en technisch

personeel, horecapersoneel en verzorgend- en (para)medisch

personeel. Maar ook het aantrekken van productiepersoneel

kostte de werkgevers in 2008 veel meer moeite dan in 2007.

Figuur 2

Aandeel makkelijk en moeilijk vervulbare vacatures,

naar leeftijd aangenomen persoon

55 jaar en ouder

40-54 jaar

25-39 jaar

< 25 jaar

Kans voor ouderen

Moeilijk vervulbare vacatures blijken voor ouderen overigens

een goede kans om toch nog aan werk te komen. Zo blijkt het

grootste deel (64 procent) van de in 2008 aangenomen 55plussers

aangesteld te zijn op moeilijk vervulbare vacatures.

Werkgevers proberen op allerlei manieren hun moeilijk vervulbare

vacatures toch vervuld te krijgen. In 21 procent van

de gevallen stellen ze hun eisen bij. Aanpassing van opleidingseisen

is de belangrijkste maatregel. In 32 procent van

de gevallen zien we andere maatregelen, van werving onder

nieuwe doelgroepen tot bij- of omscholing van de aan te

nemen personen.

Opvang vergrijzing

Ongeveer de helft van de bedrijven heeft 55-plussers in dienst.

27 procent van deze bedrijven verwacht dat er binnen twee jaar

problemen zullen ontstaan bij het vervullen van de vacatures

die oudere werknemers achterlaten. Bedrijven in de agrarische

sector (50%), de bouw (41%) en de industrie (34%) scoren

wat dit betreft het hoogst. Ruim een derde heeft plannen voor

tegenmaatregelen. Om- en bijscholen van zittend personeel

wordt hierbij het vaakst genoemd (30%). Een maatregel die

steeds vaker wordt genoemd, is extra beloning van werknemers

die na de pensioengerechtigde leeftijd door blijven werken.

Het rapport Vacatures in Nederland 2008 kan

gedownload worden via www.werk.nl of besteld worden

via cwi@pondres.nl, onder vermelding van CWI330.

Karin Pilgram is beleidsmedewerker Arbeidsmarkt

bij UWV

22 UWV Arbeidsmarkt Journaal

0% 20% 40% 60% 80% 100%

% makkelijk vervulbaar

% moeilijk vervulbaar

Gastschrijver I Jan Luiten van Zanden

Moeilijke

jaren, maar

geen jaren

dertig

Foto: Jeannette Schols

Er zijn prachtige foto’s

van. Mannen in lange rijen

voor de kantoren van de

steun, met allemaal een

pet op. Of, in even lange

rijen maar dan met een

hoed op, voor een bank – een echte ‘bankrun’. De depressie

van de jaren dertig heeft sterke beelden opgeleverd – en het

gevoel ‘dat nooit weer’. Tal van landen voerden wetgeving in

om het ongebonden kapitalisme aan banden te leggen.

Staan wij aan de vooravond van een depressie zoals in de

jaren dertig? De toestand op de arbeidsmarkt is in elk geval

radicaal anders. In de jaren dertig verwerkte Nederland de

gevolgen van geboortegolven van de eerste decennia van de

eeuw, terwijl verbeteringen in de gezondheidszorg de sterfte

enorm hadden doen dalen. Het waren de jaren van de zeer

grote gezinnen, wat leidde tot een explosieve groei van het

arbeidsaanbod. Want veel jongeren gingen al rond hun zestiende

de arbeidsmarkt op. Tegelijkertijd rukte het kostwinnersmodel

nog steeds op , het waren vrijwel alleen mannen

in die lange rijen. Maar per saldo groeide de beroepsbevolking

snel, waardoor de depressie meteen leidde tot massawerkloosheid.

De situatie nu is heel anders. De afgelopen jaren zagen we

vooral een afname in de groei van de beroepsbevolking,

door vergrijzing. Mede door het succes van de Nederlandse

‘jobmachine’ was gebrek aan (vooral hooggeschoold)

personeel een steeds groter probleem. Opvoering van de

arbeidsparticipatie van vrouwen en vijftigplussers werd het

motto. De arbeidsmarkt botste daarmee tegen de grenzen

van de demografie, waar de depressie in de jaren dertig juist

door de bevolkingsgroei verergerd werd. Ook het grote en

nog steeds sterk groeiende aanbod van parttimers maakt

onze arbeidsmarkt heel anders. In de jaren dertig betekende

werkloosheid van de kostwinner bijna altijd armoede. Nu

zijn de risico’s beter gespreid.

Dat betekent niet dat we lichtvaardig moeten doen over de

sociale gevolgen van de kredietcrisis, er liggen zonder twijfel

moeilijke jaren voor ons. Maar die zullen vermoedelijk niet

meer de plaatjes opleveren die we ons nog van de jaren

dertig herinneren. En misschien zal er daardoor ook minder

aanleiding zijn om de bakens echt te verzetten en opnieuw

te pogen het kapitalisme te breidelen.

Jan Luiten van Zanden is hoogleraar Economische Geschiedenis

aan de Universiteit van Utrecht en senioronderzoeker van

het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis


Recent verschenen

Meer vermoedens

dan overtredingen

Regioplan onderzocht de effectiviteit

van het beleid voor werknemers

uit de MOE-landen, de nieuwe

EU-lidstaten in Midden- en

Oost-Europa. Het gaat om de ervaringen

van werkgevers in het werken

met werknemers uit deze landen

en om arbeidsvoorwaarden,

huisvestingsvoorwaarden en controle

op de naleving hiervan. De

overheid wil voldoende garanties

creëren voor een verantwoorde

situatie na de invoering van het

vrije verkeer van werknemers,

mede met het oog op de toekomstige

openstelling van de grenzen

voor Roemenen en Bulgaren. Van

belang is ook inzicht te krijgen in

de ontwikkelingen op de arbeids-

Werkende Wajongers

Het aantal jongeren dat de Wajongregeling

instroomt, neemt snel toe

terwijl de uitstroom naar werk nog

zeer beperkt is. Voor het ministerie

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

onderzocht Research voor

Beleid zeventien succesvolle cases

waarin samenwerking van schoolbegeleiders,

coaches en jonggehandicapten

wél leidde tot werk.

Doel van het onderzoek was te

zien hoe sommige jonggehandicapten

succesvol de overstap van

het bijzonder onderwijs naar een

(aangepaste) baan maakten. Hoe

hebben zij de bestaande belemmeringen

overwonnen en wat

waren de omstandigheden waardoor

zij, in tegenstelling tot vele

anderen, die stap konden zetten?

Het onderzoek was geïnitieerd

door het ministerie van SZW

omdat het aantal jongeren dat de

Wajong-regeling instroomt snel

toeneemt en de uitstroom naar

werk nog zeer beperkt is.

Nieuwe grenzen,

oude praktijken

Recent onderzoek door Research

voor Beleid laat zien dat het aantal

malafide bemiddelaars in de uitzendbranche

de afgelopen twee jaar

ongeveer gelijk is gebleven. Meer

dan de helft van alle arbeidsmigranten

die werkzaam zijn als uitzendkracht

wordt bemiddeld door een

malafide uitzendbureau. Hun aantal

markt sinds de openstelling voor

werknemers uit MOE-landen.

Uit het onderzoek blijkt dat het

percentage geconstateerde overtredingen

beperkt is. Maar uit de

gesprekken met sociale partners

en werkgevers blijkt dat er meer

vermoedens van niet-naleving van

wetgeving en de cao zijn dan op

basis van het Arbeidsinspectiemeldpunt

kan worden vastgesteld.

Vooral in arbeidsvoorwaardelijke

sfeer (betaling volgens cao, werktijden

en pensioenafdracht) zijn er

bedrijven die de cao niet naleven.

De Europese grenzen verlegd: evaluatie

flankerend beleid vrij verkeer

van werknemers MOE-landen |

N. van den Berg, M. Brukman,

C. van Rij | Amsterdam, Regioplan

Beleidsonderzoek | 2008 | 96 p. |

Regioplan-publicatie; 1626

Door te kijken en te leren van succesvolle

cases probeerde men het

beleid rondom de regeling aan te

passen. De enorme betrokkenheid

van ouders, jongeren en begeleiders

zorgt ervoor dat deze bijzondere

jongeren een prima plek hebben

gevonden in de maatschappij.

Dit onderzoek was slechts een van

de onderzoeken die de minister

heeft laten verrichten over deze

problematiek. De minister heeft

bezuinigd op de Wajong-regeling

zonder dat er mogelijkheden voor

verruiming van werkgelegenheid

worden geboden. De voorgenomen

bezuiniging op de uitkering is

door politieke druk van de baan.

Hobbels en kruiwagens, Knelpunten

en succesfactoren bij de overgang

van school naar werk door

Wajongers | R.C. Bakker MSc,

S.M. De Visser MA Hons, J.H. van

Velzen Ph.D, M.C.C. van Haeften BA

MSc, Drs. M.W.H. Engelen |

Research voor Beleid 2008 | 53p |

Research voor Beleid | B3414

is wel gestegen van 80.000 naar

meer dan 100.000 personen per jaar.

De Polen (80.000) vormen nog

steeds de grootste groep, daarnaast

zijn er redelijk veel Bulgaren en

Roemenen (15.000). De Stichting

Naleving CAO voor Uitzendkrachten

(SNCU) heeft inmiddels 2,6 miljoen

euro aan boetes opgelegd aan

bureaus die de cao overtraden. De

onderzoekers geven aan dat de uitzendbranche

zelf, maar ook de overheid

en inleners een grote rol kun-

Handhaving

tegen het licht

De Inspectie Werk en Inkomen

onderzocht de werking van preventieve

handhaving door CWI (nu

UWV WERKbedrijf), UWV, SVB en

gemeenten en hoe preventieve

handhaving zich verhoudt tot

repressieve handhaving. De inspectie

heeft interviews afgenomen bij

een breed scala aan medewerkers

van de bestuursorganen en burgers

met verschillende uitkeringstypen.

Het onderzoek beperkt zich tot de

WIA, WW, WWB en AOW. Uit het

onderzoek blijkt dat zowel uitvoerders

als uitkeringsgerechtigden

veel waarde hechten aan voorlichting

in de vorm van een persoonlijk

gesprek, ondersteund door informatie

op papier. Maatwerk vinden

Inzicht in de gevolgen

van offshoring voor

werknemers

Offshoring is de verplaatsing van

productie naar een ander land. Het

kan daarbij gaan om verplaatsing

naar een buitenlandse productiefaciliteit

die onderdeel is van hetzelfde

concern (captive offshoring)

of om uitbesteding aan

een derde partij in een ander land

(offshore outsourcing). In dit rapport

worden de gevolgen van offshoring

beoordeeld voor individuele

werknemers in het land van

waaruit de productie wordt verplaatst.

Meer in het bijzonder

wordt gekeken naar veranderingen

in de arbeidssituatie van individuele

Nederlandse werknemers die

hun baan zijn kwijtgeraakt in een

offshoring bedrijfstak. Daarbij

wordt gelet op het verlies van

baan, de werkloosheidsduur en de

kans op het vinden van een nieuwe

baan. De loonniveaus vóór en na

het vinden van een nieuwe baan

nen spelen bij het oplossen van deze

problemen. De overheid zou beter

moeten handhaven en zwaardere

boetes uitdelen. Inleners zouden

meer verantwoordelijk moeten worden

gesteld.

Onderzoek naar malafide bemiddelaars

op de arbeidsmarkt: eindrapport

| H. de Bondt, D. Grijpstra |

Zoetermeer, Research voor Beleid |

2008 | 59 p. | Research voor Beleid;

B3432

ze niet alleen belangrijk bij voorlichting,

maar ook bij controles en

bij sancties. Om ervoor te zorgen

dat mensen regels naleven is het

belangrijk dat ze op de hoogte zijn

van hun rechten en plichten en van

eventuele sancties bij niet-naleving.

Voorlichting is dan ook een belangrijk

instrument bij fraudepreventie.

Ook van controleactiviteiten door

de uitkeringsinstanties blijkt een

preventieve werking uit te gaan.

Handhaving: Preventie boven

repressie – opvattingen van uitvoerders

en uitkeringsgerechtigden over

handhaving in het stelsel voor werk

en inkomen | Inspectie Werk en

Inkomen | Den Haag, IWI | 2008 |

30 p. | Rapporten | IWI; R08 | 10 |

ISBN 978-90-5079-216-5 | ISSN

1383-8733

worden met elkaar vergeleken, en

beoordeeld wordt of de nieuwe

baan in dezelfde of in een andere

bedrijfstak is als de oude baan.

Offshoring en de werknemer |

A. Heyma, J. Theeuwes | SEO economisch

onderzoek, Amsterdam |

2008 | 62 p. | SEO-rapport; 2007-

94-A | ISBN 978-90-6733-447-1

UWV Arbeidsmarkt Journaal 23


Foto: Robert Rizzo (H.H.)

Boekrecensie | Ontwikkeling arbeidsvoorziening

Een chaotische geschiedenis,

ordelijk verteld

Bernard van Lammeren

Binnenkort verschijnt het boek Het hervormingsmoeras

van de verzorgingsstaat:

veranderingen in beleid en organisatie

van de sociale zekerheid en de

arbeidsvoorziening,1980-2008. Goed

getimed, voor een boek dat beschrijft

hoe de sociale verzekeringen en de

arbeidsvoorziening zich sinds 1980

hebben ontwikkeld. We maken immers

net de fusie van UWV en CWI mee. Dat

lijkt een logisch sluitstuk van een ontwikkeling

die eigenlijk geen andere uitkomst

kon hebben. Lijkt, want als er iets

is wat de auteurs duidelijk maken, dan

is het dat de voorgeschiedenis talloze

kronkelpaden heeft bewandeld en dat

er genoeg momenten waren waarop het

heel anders had kunnen lopen.

De auteurs brengen meer dan een feitenrelaas.

Zeker, ze vertellen ordelijk na

wat er allemaal is gebeurd sinds 1980,

toen de sociale verzekeringen nog helemaal

gericht waren op het correct overmaken

van uitkeringen en ‘activerend

arbeidsmarktbeleid’ nog een onbeken-

24 UWV Arbeidsmarkt Journaal

de term was. De nasleep van de tweede

oliecrisis (1979) zou die ontwikkeling

gauw genoeg op gang brengen, maar

wat hebben we sinds die tijd wel niet

allemaal voorbij zien komen? Wie kan

nog navertellen hoe we van de oude

bedrijfsverenigingen, via hoogoplopende

debatten over marktwerking, toch

ineens tot een overkoepelend UWV

gekomen zijn? En hoe uit de oude ambtelijke

GAB’s, via een tripartiet Centraal

Bestuur voor de Arbeidsvoorziening,

CWI is voortgekomen?

Dit en nog veel meer wordt in dit boek

op een rij gezet, en dat maakt het op

zichzelf al tot een goede aanschaf. Maar

het legt ook uit wat er mankeert aan

twee logisch lijkende manieren om

er tegenaan te kijken. Het denkbeeld

dat ontwikkelingen zich ‘rationeel’

voltrekken, waarbij ‘het beste idee

wint’, houdt het kortst stand. Maar

ook het minder naïeve denkbeeld dat

de geschiedenis het product is van een

soort institutionele logica schiet tekort.

Er zijn weliswaar hele perioden waarin

de dingen zich ontrolden zoals je zou

verwachten, bij een gegeven belangenconstellatie.

Toch deden zich wel

degelijk trendbreuken van de eerste

orde voor, waarbij machtige partijen

van hun institutionele basis worden

beroofd: de invloed van de sociale partners

werd sterk beperkt. In de sociale

zekerheid door de vervanging van de

bedrijfsverenigingen door het UWV,

en in de arbeidsvoorziening met het

opdoeken van het tripartiete CBA.

De auteurs demonstreren hoe de chaostheorie

de tekortkomingen van de

andere twee benaderingen kan overstijgen.

Daarin is veel plaats voor personen

die op beslissende momenten

hun kans grijpen om een wankel evenwicht

in hun voordeel te doen omslaan.

Bijvoorbeeld door het probleem te herformuleren

en daarvoor steun te mobiliseren.

De auteurs beschrijven zulke

momenten herkenbaar. Vooral de jaren

negentig waren er rijk aan. En vooral het

woord marktwerking is daarbij diverse

keren van inhoud veranderd.

Die beschrijvende stukken hadden best

uitvoeriger gemogen. Maar dat heb je

met interessante geschiedenissen: ze

smaken altijd naar meer. En misschien

zit een vervolg er ook wel in. Wie dit

verhaal uit heeft, ziet geen enkele reden

meer waarom de geschiedenis in 2009

voltooid zou zijn.

Nicolette van Gestel, Paul de Beer en Marc

van der Meer, Het hervormingsmoeras van

de verzorgingsstaat: veranderingen in

beleid en organisatie van de sociale zekerheid

en de arbeidsvoorziening, 1980-2008.

Amsterdam/Nijmegen, Amsterdam

University Press 2009


Achtergrond | Deeltijdwerk

‘Weinig werkgevers praten met hun werknemers over deeltijdwerk’

Taskforce wil dat deeltijders

meer gaan werken

In de jaren negentig nam de werkgelegenheid in de horecabranche fors toe.

De recessie gooit nu even roet in het eten, maar naar verwachting zal de

werkgelegenheid zich weer positief ontwikkelen als de economie aantrekt.

De bedrijfstak zet de komende jaren in op meer scholing en opleiding om het

grote aantal ongediplomeerde medewerkers terug te dringen. ‘We willen de

bekwaamheden van onze werknemers verzilveren.’

Elke van Riel

‘Nederland kent een hoge arbeidsparticipatie,

maar vrouwen werken slechts

weinig uren. Dat betekent dat veel talent

onbenut blijft’, zegt organisatieadviseur

Martijn de Wildt. De Taskforce

waarvan hij deel uitmaakt startte op 1

april 2008 en wil vrouwen met kleine

deeltijdbanen (minder dan 25 uur per

week) stimuleren meer te werken. Dat

is niet alleen nodig om vergrijzing en

ontgroening het hoofd te bieden, maar

ook om de economische zelfstandigheid

van vrouwen te vergroten.

Kansen

Veel vrouwen in kleine deeltijdbanen

geven aan dat ze vijf uur per week

meer willen werken, zo blijkt uit het

afgelopen november verschenen rapport

Verdeelde tijd van het Sociaal

en Cultureel Planbureau (SCP). De

Taskforce heeft berekend dat hiermee

ruim een half miljoen voltijdbanen

kunnen worden ingevuld. Daarvoor

moet wel het nodige veranderen.

Martijn de Wildt,

organisatieadviseur en

Taskforcelid: veel talent

blijft onnodig onbenut

‘Flexibiliteit in werktijden en carrièrepatronen

is van groot belang’, zegt De

Wildt, directeur/mede-eigenaar van

organisatieadviesbureau Qidos en expert

op dit gebied. ‘Nu wordt van werknemers

verwacht dat ze voor hun vijfenveertigste,

dus in de spitsuurtijd van hun

leven, carrière maken. Maar de periode

tussen 25 en 45 jaar is even lang als de

periode tussen 45 en 65 jaar. Daar liggen

veel kansen. In die spitsuurperiode zouden

ouders van jonge kinderen beiden

vier dagen kunnen werken.’

Debat

De Taskforce wil bovenal een maatschappelijk

debat aanjagen. De Wildt

is teleurgesteld in de mannen van zijn

generatie. ‘Nog altijd geven veel mannen

aan dat parttime werken niet kan in hun

baan, vooral in de commerciële sector.

Vervolgens hebben ze wel tijd om een

intensieve cursus van een dag per week

te doen.’ Zelf heeft hij twee jonge kinderen

(acht maanden en bijna drie jaar).

Hij werkt veertig uur per week, maar is

iedere maandag thuis. Zijn vrouw, ook

organisatieadviseur, is twee dagen thuis

en werkt 32 uur. Ze werken regelmatig

’s avonds, ’s ochtends vroeg, of in het

weekend. De Wildt pleit ervoor om

meer te denken in termen van klussen

en minder in termen van aanwezigheid.

Maar hij realiseert zich dat dit voor

hoogopgeleiden makkelijker is en dat

iedere situatie om zijn eigen oplossing

vraagt. ‘Wanneer aanwezigheid op de

werkvloer vereist is, zoals in de thuiszorg,

kun je mensen invloed geven op

hun roosters. KLM doet dat. Ikea laat leidinggevende

functies als duobaan vervullen.

Ook mogen medewerksters hun

zwangerschapsverlof met twee maanden

onbetaald verlengen.’

Het werkplan Een en één is drie, dat de

Taskforce in juli publiceerde, bevat

voorstellen over onder meer flexibilisering

van werktijden, zelfroosteren en

telewerken. Er komen pilots in bedrijven,

belastingmaatregelen om meer

werken aantrekkelijker te maken en

een webwijzer waarmee mensen kunnen

uitrekenen wat dat oplevert. De

Wildt: ‘We gaan ook onderzoek doen,

onder meer in de sectoren onderwijs en

zorg. Hier wordt veel parttime gewerkt

en ontstaat de komende jaren grote

krapte. Werkgevers blijken echter nog

weinig met hun huidige werknemers

om de tafel te gaan zitten om antwoord

te krijgen op de vraag: wat heb je nodig

om meer uren te gaan werken?’

UWV Arbeidsmarkt Journaal 25


Foto: Nationale Beeldbank

Trend | Onderzoek besproken

Schoolverlaters tevreden

over richting

Jaarlijks voert het Researchcentrum

voor Onderwijs en Arbeidsmarkt

(ROA) samen met DESAN Research

Solutions een onderzoek uit onder

recente schoolverlaters en pas afgestudeerden.

Daarbij worden vragen gesteld

over hoe de schoolverlaters het gevolgde

onderwijs beoordelen, in welke

banen ze terechtkomen, welke carrièreperspectieven

ze zien en dergelijke. Dit

geeft een beeld van hoe de gevolgde

scholing aansluit op de arbeidsmarkt.

Er deden 38.000 schoolverlaters mee.

Van de tien gediplomeerden vinden er

vier dat de opleiding een goede basis

biedt om te starten op de arbeidsmarkt.

Dit percentage stijgt naarmate het

onderwijs hoger wordt: van 24 procent

bij het vmbo tot 60 procent voor

het wetenschappelijk onderwijs (wo).

Bij de vraag of de opleiding een goede

basis biedt voor het verder ontwikkelen

van kennis en vaardigheden, antwoordt

58 procent bevestigend. 40 procent

vindt dat de docenten niet streng waren

en meer dan een derde van de schoolverlaters

vindt de examens niet pittig

genoeg.

26 UWV Arbeidsmarkt Journaal

Veruit de meeste schoolverlaters van het

voortgezet onderwijs stromen door naar

een vervolgopleiding. 60 procent van

hen kiest voor een studie die qua richting

in het verlengde ligt van de eerder gevolgde

opleiding. Van de gediplomeerden die

gaan werken heeft ongeveer driekwart

een baan op minimaal het eigen opleidingsniveau.

Bijna zeven op de tien gediplomeerden

heeft een baan in de eigen of

verwante opleidingsrichting.

De gemiddelde werkloosheid anderhalf

jaar na het behalen van het diploma is

afgenomen van 6 procent vorig jaar naar

4 procent nu. Ongeveer 7 procent van de

gediplomeerden is direct na het behalen

van het diploma vier maanden of langer

werkloos. Deze intredewerkloosheid

is het hoogst onder afgestudeerden van

het hoger onderwijs. Van alle werkzame

respondenten zou 78 procent weer

voor dezelfde richting kiezen. Later zal

het ROA een rapport publiceren over

schoolverlaters zonder diploma.

ROA, Schoolverlaters tussen onderwijs

en arbeidsmarkt 2007, ROA-R-2008/3,

september 2008

EU levert

Nederlanders

geld op

Door het vrije verkeer binnen de

Europese Unie (EU) van goederen,

diensten en kapitaal worden de kosten

van grensoverschrijdende economische

transacties verminderd. Daardoor

neemt de toegang voor bedrijven tot de

internationale economie toe en groeit de

buitenlandse handel. Dit leidt tot meer

productiviteit en groei. Zo betekent

de toegenomen openheid een grotere

markt. Bovendien worden bedrijven

onderworpen aan meer concurrentie.

Een grotere marktschaal geeft ook prikkels

om te investeren in onderzoek en

ontwikkeling. Dit leidt tot meer innovatie

en technologische vooruitgang.

Door de invoering van de Europese

interne markt is de handel substantieel

toegenomen. Het Centraal Planbureau

heeft berekend dat het bruto binnenlands

product in de Europese Unie met

2 tot 3 procent extra is gegroeid, als

gevolg van de Europese interne markt.

Voor Nederland is de bijdrage zelfs

dubbel zo hoog. Volgens het CPB zijn

vooral de export, de import en de buitenlandse

investeringen fors gestegen

door de interne markt. Zo wordt 18

procent van de goederenexport toegeschreven

aan de interne markt. De

effecten voor de handel in diensten is

met 5 procent een stuk lager.

Uiteindelijk rekent het CPB voor dat

‘Europa’ voor 4 tot 6 procent meer

inkomsten zorgt. Dit komt globaal

overeen met 1500 tot 2200 euro per

jaar per hoofd van de bevolking. Het

CPB tekent daarbij aan dat de stimulerende

effecten nog niet zijn uitgewerkt.

De arbeidsmarkt wordt hierdoor

natuurlijk beïnvloed. Onze banengroei

is deels afhankelijk van de Europese

interne markt.

CPB, The internal market and the Dutch

economy, CPB-document 168,

september 2008


Foto: Istock

Vooral onderwijs en

overheid vergrijzen

De beroepsbevolking vergrijst. Tussen 2001 en 2007

steeg de gemiddelde leeftijd met 1,6 jaar tot bijna 40 jaar.

Hiervoor zijn twee oorzaken. De eerste is demografisch.

Tussen de Tweede Wereldoorlog en het begin van de

jaren zeventig werden veel kinderen geboren, gemiddeld

240.000 per jaar. In de jaren erna waren het er zo’n

180.000. Die eerste groep behoort nu tot de oudere leeftijdscategorieën.

De tweede oorzaak is dat na de Tweede Wereldoorlog

de arbeidsdeelname van ouderen decennialang afnam.

Hierdoor werd de gemiddelde leeftijd van de beroepsbevolking

lager. Sinds de jaren negentig is de arbeidsparticipatie

van ouderen weer toegenomen. Pensioenregelingen

werden versoberd en vervroegd pensioen werd ontmoedigd.

Het beleid van de overheid om de arbeidsparticipatie

van ouderen te verhogen leidt tot een meer vergrijsde

beroepsbevolking.

In veertien onderscheiden bedrijfstakken varieert de

gemiddelde leeftijd van de beroepsbevolking van 32,5

(uitzendkrachten) tot 43,4 jaar (onderwijs). Een verschil

van ruim tien jaar. In het onderwijs is bijna een op de vijf

werkenden 55 jaar of ouder. Een andere bedrijfstak met

veel ouderen is het openbaar bestuur.

Als we kijken naar het tempo van vergrijzing, dan blijkt

de vergrijzing van uitzendkrachten nog het snelst te gaan.

Tussen 2001 en 2007 neemt de gemiddelde leeftijd bij

uitzendkrachten toe met 2,7 jaar. Van alle bedrijfstakken

gemiddeld is de groei 1,6 jaar. Ondanks de snellere stijging

bij uitzendkrachten blijft dit wel de categorie met de laagste

gemiddelde leeftijd. Beroepen die het meest vergrijzen

zijn boer, taxichauffeur, beleidsambtenaar ruimtelijke ordening

en welzijn, docent klassieke talen, godsdienst en cultuur.

Van de tien meest voorkomende beroepen zijn docent

basisonderwijs en boekhouder het meest vergrijsd.

CBS, Vergrijzing van bedrijfstakken en beroepen, in

Sociaaleconomische trends, 3e kwartaal 2008

Column I Ton Wilthagen

Crisis

betekent

beslissingen

nemen

Het is crisis in Nederland en

de komende maanden zal

dit nog duidelijker worden,

zeker op de arbeidsmarkt.

Hoewel ik mij terdege realiseer

dat veel mensen te kampen

krijgen met onzekerheid, zijn aan deze crisis ook positieve

kanten te ontdekken. Het woord crisis komt uit het Grieks en

betekent eigenlijk ‘beslissend moment’. Mijn stelling is dat we in

Nederland op het gebied van de modernisering van het arbeidsmarktbeleid

de laatste jaren niet tot beslissingen hebben kunnen

komen en dat de crisis ons nu dwingt dat wel te doen.

De belangrijkste uitdaging voor het arbeidsmarktbeleid

is gelegen in het bieden van werkzekerheid aan iedereen.

Werkzekerheid omschrijf ik als de zekerheid om aan het werk

te komen, aan het werk te blijven en jezelf te kunnen verbeteren

op de arbeidsmarkt. Werkzekerheid is iets anders dan baanzekerheid:

de zekerheid van dezelfde baan bij dezelfde werkgever.

Die laatste zekerheid is tegenwoordig minder makkelijk te

bieden. Enerzijds omdat de ontwikkeling van de economie, de

vraag naar arbeid en de werkgelegenheidsstructuur niet over

lange tijd te voorspellen zijn; anderzijds omdat de bevolkingssamenstelling

en de voorkeuren van mensen aan forse verandering

onderhevig zijn. Het is daarom cruciaal dat mensen en

bedrijven over een groot aanpassingsvermogen beschikken.

Wat betreft mensen zijn drie zaken essentieel: mentaliteit,

capaciteiten en faciliteiten. Mensen moeten zich erop gaan

instellen dat zij op de arbeidsmarkt meer moeten gaan bewegen.

Maar daartoe moeten mensen wél de capaciteiten ontwikkelen

en de faciliteiten aangeboden krijgen. Er is dringende

behoefte aan vooruitziend personeels- en opleidingsbeleid en

aan arbeidsmarktinstituties die systematisch werkzekerheid

bevorderen. Mensen moeten zich blijvend kunnen ontwikkelen

en als het nodig is tijdig naar een andere functie of baan kunnen

overstappen, binnen of buiten het bedrijf of de eigen sector. De

afgelopen jaren is het niet gelukt om veel vorderingen te maken

in het bouwen van werkzekerheidsystemen. De noodzaak werd

onvoldoende ingezien en de ‘polder’ verzandde bovendien in

een veel te enge discussie over het ontslagrecht. Nu zien we

echter de opkomst van mobiliteitscentra, hernieuwde aandacht

voor het belang van scholing en arrangementen voor de overstap

naar een andere baan. Hoewel daarmee het bouwwerk

zeker niet af is, levert de crisis ons in ieder geval meer besliskracht

en een aantal bouwsteentjes op.

Ton Wilthagen is hoogleraar institutionele en juridische aspecten van

de arbeidsmarkt en directeur van het onderzoeksinstituut ReflecT

aan de Universiteit van Tilburg. Hij verzorgt in 2009 deze column.

UWV Arbeidsmarkt Journaal 27


Nieuws | UWV WERKbedrijf

Jetta Klijnsma opent UWV WERKbedrijf

Staatssecretaris Jetta Klijnsma (SZW) gaf op woensdag 7 januari tijdens een

werkbezoek aan de vestiging van Werkplein in Delft het officiële startschot

van UWV WERKbedrijf.

UWV WERKbedrijf is het onderdeel

van UWV waar arbeidsbemiddeling en

re-integratie bij elkaar komen. In UWV

WERKbedrijf zijn vanaf 1 januari 2009

de activiteiten van CWI (Centrum voor

Werk en Inkomen) en de re-integratieactiviteiten

van UWV gebundeld.

UWV WERKbedrijf is het trefpunt

voor werkzoekenden en werkgevers.

Werkgevers vinden hier informatie en

ondersteuning bij het zoeken naar gekwalificeerd

personeel. Werkzoekenden worden

ondersteund bij het vinden van werk.

Totdat zij weer aan het werk zijn, kunnen

werkzoekenden bij UWV WERKbedrijf

terecht voor het aanvragen van een uit-

Dertig nieuwe mobiliteitscentra

28 UWV Arbeidsmarkt Journaal

kering (WW, WWB). Voor werkgevers

behandelt de organisatie ontslagvergunningen

en tewerkstellingsvergunningen.

‘In samenwerken zijn we goed, daarin

schuilt onze kracht’, verklaarde Klijnsma

in haar toespraak. ‘Juist in deze economisch

turbulente tijden is het belangrijk

om samen te blijven werken aan de versterking

van de economische structuur.

Mensen die nu aan de kant staan, moeten

aan de slag. Er zijn ondanks de economische

terugval ook nog steeds veel vacatures.

En degenen die onverhoopt hun

baan verliezen, mogen we niet aan hun

lot overlaten maar moeten we zo snel

mogelijk begeleiden naar ander werk.’

Werkgevers die hun orderportefeuille door de crisis zien teruglopen,

kunnen tot 1 maart 2009 bijzondere werktijdverkorting (WTV) aanvragen.

UWV WERKbedrijf richt versneld dertig mobiliteitscentra in om medewerkers

te begeleiden bij scholing of vervangend werk, onder meer in Eindhoven,

Groningen, Rotterdam, Helmond, Zwolle en Enschede.

WTV is een tijdelijke maatregel van

het Ministerie van Sociale Zaken en

Werkgelegenheid om haastige massaontslagen

te voorkomen. Werknemers gaan

voor beperkte duur in de WW. De uren

waarvoor ze in de WW zitten, moeten ze

besteden aan scholing of detachering. Op

deze manier behouden bedrijven ervaren

Foto: Koen Verheijden (H.H.)

werknemers en draaien ze bij een aantrekkende

vraag snel weer op volle toeren.

Een mobiliteitscentrum is een samenwerking

van UWV WERKbedrijf met

bijvoorbeeld gemeenten, ondernemers

en onderwijs. Welke partijen hierin met

UWV WERKbedrijf participeren is afhankelijk

van de regionale behoefte van

Klijnsma vindt ‘Werkplein’ een goede

naam voor de locaties waar werkgevers

en werkzoekenden terechtkunnen

werkgevers. Bedrijven kunnen bij een

mobiliteitscentrum ondersteuning krijgen

bij opleidingen of detacheringsmogelijkheden

voor werknemers. Wanneer

werkgevers gebruikmaken van de tijdelijke

WTV-regeling zoekt het mobiliteitscentrum

oplossingen om personeel aan

ander werk te helpen of te scholen. Wie

een beschikking heeft voor het toepassen

van WTV kan gebruikmaken van de

dienstverlening van de mobiliteitscentra.

UWV WERKbedrijf opende in januari

ook een Coördinatiecentrum Mobiliteit

(CCM) in Zeist. Het CCM biedt landelijke

ondersteuning bij de aanpak van

werktijdverkorting en mobiliteit, vergaart

kennis en expertise en wisselt deze uit. Zo

verzamelt het CCM alle informatie over

sectoren of branches die mogelijkerwijs

assistentie nodig hebben. Sectoren of

branches waar massaontslagen dreigen,

kunnen terecht bij het CCM.

Als u vragen heeft over de tijdelijke

WTV-regeling, dan kunt u bellen met

het Klantcontactcentrum van UWV,

tel. 088-898 20 08. Meer informatie

vindt u ook op werk.nl.

Foto: Hilz & Verhoef (H.H.)

More magazines by this user
Similar magazines