amsterdam%20waterbestendig

progressieven

amsterdam%20waterbestendig

N.A.P.

+20

+10

0

-10

-20

-30

-40

Amsterdam

Waterbestendig


Voorwoord

Water is verbonden aan de stad Amsterdam. De stad dankt haar naam aan de rivier

de Amstel met de hierin gelegde Dam, haar oorsprong, haar ontwikkeling en haar

uitzonderlijke en indrukwekkende verschijning. Niet voor niets is de unieke structuur

van de grachtengordel uitgeroepen tot Unesco werelderfgoed.

Tegelijk is het water ook een verborgen wereld, subtiel geregeld met gemalen en

sluizen, veelal geruisloos, zonder dat iemand het in de gaten heeft.

Totdat het regent, hard regent. Opeens staan straten blank, staan we in files op de

snelwegen en we zien dat ons watersysteem een wezenlijk onderdeel is van ons

dagelijks leven.

Het watersysteem van Amsterdam is op orde. We hebben het waterbeheer goed

georganiseerd en over het algemeen voldoet het systeem en doet het wat verwacht

wordt: voldoende aan- en afvoer, schoon water, veilig tegen overstromingen. Dit

aanvaarden we als een vanzelfsprekendheid, terwijl er, vaak ongezien, keihard aan

gewerkt wordt.

Maar er komt meer werk aan. Klimaatsverandering en de ambitie om onze stad

verder te verdichten en stedelijker te maken zetten druk op het watersysteem en de

veiligheid. Dit vraagt om op maat gesneden maatregelen en nieuwe ideeën om nog

slimmer ruimte te bieden aan de ontwikkeling van de stad èn dit in samenhang te

ontwikkelen met een robuust watersysteem.

De publicatie “Amsterdam Waterbestendig” gaat ons daarbij helpen: het geeft

inzicht in hoe Amsterdam zich in nauwe samenhang met het water heeft ontwikkeld,

en hoe deze sporen nog steeds zichtbaar zijn in de stad, en vaak zelfs nog gebruikt.

Het geeft inzicht in hoe het “verborgen” watersysteem eigenlijk werkt. En het maakt

duidelijk voor welke (water-) opgave wij als Amsterdam staan als het klimaat verandert

en de stad verder ontwikkeld. Deze inzichten zullen ons helpen bij het ook in de

toekomst op orde houden van het watersysteem.

Het gaat hierbij niet alleen om “problemen oplossen” maar ook om een opgave die

kansen biedt nieuwe kwaliteiten toe te voegen, en verbinding te leggen met andere

opgavennet zoals we de afgelopen 700 jaar deden. Het is daarmee niet alleen een

verantwoordelijkheid van de waterbeheerder, maar van iedereen die werkt aan de

ontwikkeling van de stad.

Carolien Gehrels Wethouder Water

Maarten van Poelgeest Wethouder Ruimtelijke Ordening en Klimaat

3


Inhoud

0 Inleiding 06

1 Van moeras tot metropool 10

2 Het systeem boven water 24

3 De stad ontwikkelt, het klimaat verandert 36

4 Samenvatting 50

4


0 Inleiding

6

N.A.P.


+20

+10

0

- 10

- 20

- 30

- 40

In samenwerking met de omliggende gemeenten wil Amsterdam zich verder

ontwikkelen tot een concurrerende, duurzame metropool op Europese schaal,

de Metropoolregio Amsterdam. Om zich te kunnen blijven positioneren als

een veilige en aangename vestigingsplaats staat de kernstad voor een aantal

uitdagende opgaven met het oog op de komende klimaatverandering. Voor een

succesvolle aanpak is een goede afstemming tussen de ruimtelijk-economische

ontwikkelingen en het watersysteem essentieel.

7


Achtergrond

Stadsuitbreidingen en waterbeheer gaan in Amsterdam al eeuwenlang samen. Dat

moest ook wel, want de stad is niet op de meest gunstigste locatie gebouwd. Vanaf

het moment dat de dam in de Amstel werd aangelegd, werden maatregelen genomen

om wonen en werken in een moerasgebied mogelijk te maken.

Vaak was de aanpak goed en profiteren we nog steeds van de investeringen die de

afgelopen 700 jaar zijn gedaan, zoals de ophoging van de binnenstad. Soms werd

te laat ingegrepen omdat er geruzied werd over verantwoordelijkheden voor dijkonderhoud;

omdat men onverschillig stond tegenover de gevolgen van de turfwinning;

of omdat in uitbreidingsplannen te weinig ruimte werd gemaakt voor de afwatering.

De consequenties waren aanzienlijk, vooral omdat men toen ook te maken had met

zeespiegelstijging en bodemdaling.

Aanleiding

Wat de gevolgen van de komende klimaatsveranderingen precies gaan inhouden

weten we niet. De richting is wel duidelijk en vrijwel onbetwist: de zeespiegel zal

stijgen, er zal meer en vaker neerslag vallen, maar evengoed zullen langere perioden

van droogte en hitte voorkomen. In welke mate en wanneer dat gaat gebeuren is

nog onzeker. Dat ook deze keer weer maatregelen op kleine en grote schaal nodig

zijn, is evident. En gezien de intensievere benutting van stad en ommeland en de

economische betekenis ervan zijn de opgaven urgenter dan ooit. De Deltacommissie

heeft in september 2008 onder voorzitterschap van de heer Veerman haar advies

uitgebracht over de wijze waarop Nederland ingericht kan worden, zo dat het ook op

de zeer lange termijn klimaatbestendig is. Dat wil zeggen, veilig tegen overstromingen

en een aangename plaats om in te leven zonder natte voeten te krijgen.

8

Metropoolregio Amsterdam


Voor de gemeente Amsterdam was het advies van de Deltacommissie aanleiding de

gevolgen van klimaatverandering voor de Metropoolregio Amsterdam in kaart te

brengen en als gemeente een standpunt in te nemen over de benodigde adaptatiemaatregelen

en hoe dit te bereiken. Het resultaat hiervan is op 18 november 2008

besproken in B&W na een presentatie van de heer Veerman. Daarna is in overleg met

wethouder Ruimtelijke Ordening & Water, Maarten van Poelgeest, besloten verder te

werken aan het programma Amsterdam Waterbestendig. Deze publicatie is daar een

onderdeel van.

Doel van deze publicatie

De Metropoolregio Amsterdam is op dit moment een veilige en waterbestendige

metropool. Door verandering van het klimaat en door stedelijke verdichting komt

deze bestendigheid onder druk te staan. Om een water- en klimaatbestendige

metropool te behouden is het nodig de bewustwording ten aanzien van waterbestendigheid

en de kennis hierover binnen de Amsterdamse diensten te vergroten.

Het moet vanzelfsprekender worden bij ruimtelijke ontwikkelingen waterbestendigheid

mee te nemen als een van de uitgangspunten. Deze publicatie geeft inzicht

in de vraagstukken die er spelen, de achtergronden en de mogelijke ingrepen die

nodig zijn.

De vraagstelling luidt:

Hoe zijn de ruimtelijk-economische ontwikkelingen en de ontwikkelingen in het watersysteem

met elkaar verweven? Welke aanpassingen zijn in Amsterdam nodig om

de gevolgen van de klimaatverandering te beperken zodat stad en regio zich kunnen

blijven ontwikkelen als veilige en aangename vestigingsplaats? En in welke mate

kunnen de aanpassingen bijdragen aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit?

Leeswijzer

Het eerste deel beschrijft vanuit de historische context de ontwikkeling van de stad

en het waterbeheer: van de eerste dijkaanleg en het leggen van dammen om het

buitenwater te beheersen, tot de zorg om drinkwaterkwaliteit en de noodzaak van

ophoging voor de stadsuitbreidingen. Het geeft inzicht in de samenhang tussen de

stedelijke ontwikkelingen en het watersysteem.

In deel 2 staat beschreven hoe het watersysteem van de stad- en Amstelboezem onder

normale omstandigheden werkt en hoe Amsterdam en de regio op dit moment

beschermd zijn tegen overstromingen. De specifieke functie van het doorspoelen

van de grachten komt aan bod, maar ook incidenten als hoogwaterbemaling en ‘de

zomer van 2003’ en problemen als paalrot en grondwateroverlast.

Het derde deel behandelt de klimaatopgave die ruimtelijke ontwerpers samen met

waterbeheerders moeten oppakken om een kwalitatief goede ruimtelijk-economische

ontwikkeling van de metropoolregio Amsterdam in balans te houden met een,

ook op termijn, optimaal functionerend watersysteem.

9


1 Van moeras tot metropool

10

N.A.P.


+20

+10

0

- 10

- 20

- 30

- 40

Amsterdam is gebouwd op palen, wie weet dat niet? Minder bekend is dat

de ondergrond waar de palen op rusten lang geleden is gevormd toen klimaatveranderingen

zorgden voor afwisselende perioden van temperatuur- en

zeespiegelstijging en extreme kou. Die ondergrond en de invloed van het water

zijn cruciaal geweest voor de vorming van de stad. Tot ongeveer het jaar 1000

overheersten natuurlijke processen. Daarna hebben door de mens bepaalde

factoren ten behoeve van inrichting en gebruik een belangrijke stempel gedrukt

op de ontwikkeling van het watersysteem.

11


De periode tot 1250

Het Oer-IJ en de ontginning van het veenmoeras

Na de laatste ijstijd had het landschap in West–Nederland een subarctisch karakter

waar invloeden van wind en water elkaar afwisselden. Grote oppervlakken werden,

door afwezigheid van vegetatie, met dekzanden bedekt. Als de zee vrij spel krijgt,

wordt klei afgezet en het bekken dat later het Oer-IJ ging heten gevuld met water.

Toen de kustlijn zich weer sloot, zag het landschap er moerasachtig uit dat verder

bestond uit een klein merencomplex dat door de Romeinen Lacus Flevo werd

genoemd. Door de afslag van oevers ontwikkelt het zich tot het grotere Aelmere. Op

het land vormde zich, door de hoge grondwaterstanden, veen. Tussen de metershoge

veenkussens liep een stelsel van riviertjes, veenstroompjes en beekjes. Een

daarvan, de Aemstelle, stroomde noordwaarts richting het Oer-IJ.

Vanaf de 10de eeuw groeide de bevolking en was er meer landbouwgrond nodig.

Dat was de start van de Grote Ontginning die door de bisschoppen van Utrecht en

graven van Holland werd georganiseerd. De klimaatsomstandigheden waren gunstig,

het was warm en droog waardoor er verdroging van de bovenste laag veen optrad.

Om de grond te kunnen gebruiken voor landbouw was ontwatering noodzakelijk, er

werden sloten gegraven. Eén van de gevolgen van de ontwatering was het steeds

verder inklinken van de bodem waardoor de natuurlijke afwatering in gevaar kwam.

De situatie verergerde toen vanaf de 12de eeuw weer een klimaatsverandering

optrad. De zeespiegel steeg, duindoorbraken volgden en stormvloeden sloegen

in de periode tussen 1150 en 1300 grote stukken veen weg en veranderden kleine

veenstromen in omvangrijke meren (o.a. de Purmer, de Schermer en de Beemster).

Het binnenmeer Aelmere, en daarmee het IJ, kwam tijdens de Allerheiligenvloed

in 1170 via het Marsdiep in verbinding te staan met de zee, werd zout en heette

voortaan Zuiderzee.

Om zich tegen het zeewater te beschermen en permanente bewoning van het

gebied mogelijk te maken, werd een begin gemaakt met de aanleg van dijken met

grond uit de omgeving. De afgegraven grond en het wegzakkende veengebied

veranderde geleidelijk aan in een polderlandschap.

Na de aanleg van de Westfriese Omringdijk werd de Waterlandse Zeedijk, die ten

noorden van Monnickendam begon en doorliep tot Oostzaan, voortgezet langs

12

De situatie rond 1250: bedijking en afdamming

De ligging van het bekken van Amsterdam

Veenmoeras

Nieuwerdammerdijk. Een van de oudste dijken van Amsterdam (tekening G. Batteu)


het IJ richting de duinen. Omdat het IJ, door de verbinding met de zee grote eb

en vloed verschillen kende, werd aan het begin van de 13de eeuw op de zuidelijke

oever van de zeearm vanaf het Spaarne de Spaarndammerdijk aangelegd en in het

oosten de Zee Dyck (Diemerzeedijk).

De periode 1250-1750

De dam in de Amstel

Met de waterstaatkundige ontwikkelingen in de 13de eeuw werd het fundament

voor het beheer van de waterhuishouding gelegd. Naast de aanleg van de dijkringen

was het afdammen van waterlopen die in directe verbinding met de zee stonden

vanaf de 13de eeuw een belangrijke volgende stap in de waterbeheersing: de dijken

vormden zich tot één geheel. Zo werd de Zaan aan de zuidzijde afgesloten met de

Hoge- of Zaandam en de Krommenije met de Nieuwendam. Bij de dammen waar

tol betaald moest worden, ontstonden agrarische nederzettingen zoals Ilpendam,

Uitdam, Nieuwendam en Edam en ten zuiden van het IJ Spaarndam.

De situatie in de periode 1250-1750: droogmakerijen en aanleg nieuwe waterwegen Overslag van de goederen op de Dam rond 1650

Hoe de Spaarndammerdijk in het westen en de Diemerzeedijk aan de oostkant in de

beginfase precies aansloten op de bedijking van de Amsteloevers is niet bekend.

Op de westelijke Amsteloever lagen terpen die zich aaneenregen tot een dijk, de

Nieuwendijk waar de eerste bewoning plaatsvond. Later werd ook de oostoever (de

huidige Warmoesstraat) bewoond. In de monding van de Amstel, het huidige Damrak

- een ‘rak’ is een recht stuk water - kwam de eerste zeehaven. Het Rokin - Rak-in

of binnenrak -, aan de landzijde van de dam, werd een binnenhaven en de dam (later

de Dam) die aanvankelijk alleen een spuisluis had, fungeerde als overslagpunt voor

goederen.

Tijdens de eerste uitbreiding van de nederzetting, die later zou uitgroeien tot de

kernstad van de Metropoolregio Amsterdam, ontstond de huidige Zeedijk. Vanaf de

Dam liep de dijk via de Warmoesstraat en vervolgens de Zeedijk naar de Waag, de

voormalige Sint Anthoniespoort. Voorbij deze poort ging de dijk (de St. Anthonis

Dyck) verder via de Houtenwaal en Zeeburg naar de Diemerzeedijk.

Het beschermingsniveau van de dijken was relatief, want veelvuldig teisterden zware

stormvloeden stad en ommeland en werden in de dijken gaten geslagen of braken

door. Als gevolg van de St. Elizabethsvloed in 1421 ontstond het Nieuwe Diep en

vergrootte het Diemermeer zich tot Watergraafsmeer. Elke generatie had minstens

13


één keer in haar leven te maken met zo’n overstroming en de herstelwerkzaamheden

aan de dijken waren kostbaar.

Het gevaar van overstromingen kwam toen uitsluitend vanaf de Zuiderzee. Het peil

van de Amstel was juist lager komen te liggen dan het zeewater en in het Amstelgebied

waren voldoende bergingsmogelijkheden. De rivier mondde niet uitsluitend

in het IJ uit, maar stroomde ook via de Watergraafsmeer en de Ilpenslotersluis, die

in 1413 was aangelegd voor een betere afwatering en via het veengebied aan de

oostzijde van de stad (later de Lastage) naar zee.

Pas later, in de 17de eeuw, besloot het stadsbestuur naar aanleiding van de overstroming

van 1675, hoogwaterkeringen aan te leggen op zeedijkhoogte. Burgemeester

Johannes Hudde, die behalve bestuurder ook waterbouwkundige was, had onderzocht

dat het gemiddelde vloedpeil van het IJ bijna gelijk lag aan het Amsterdams

Peil. De definitieve hoogte van de zeedijk werd vastgesteld op ‘negen voet en vijf

duim’ boven Amsterdams Peil (AP +2,67m). De definitieve hoogwaterkering liep via

de Spaarndammerdijk, Haarlemmerdijk, de Nieuwe Brugsluis, de tegenwoordige

Prins Hendrikkade, de Hoogte Kadijk en de Zeeburgerdijk naar de Diemerzeedijk.

Zowel de Oostelijke als de Westelijke eilanden, toen nog volledig werkgebieden,

bleven buitendijks. Ook de Haarlemmer Houttuinen kregen, op verzoek van de

bewoners overigens, niet de maximale bescherming. Met hun sterke handelsgeest

zagen ze een dijk als ernstige belemmering voor de aan- en afvoer van goederen en

namen een overstroming zo nu en dan, voor lief.

Water, vuur en de pest

Rond de Warmoesstraat en Nieuwendijk werden de sloten uitgediept tot grachten.

De grond die vrij kwam werd aan de binnenzijde tot een wal opgeworpen: de

Oudezijds Voorgburgwal en de Nieuwezijds Voorburgwal. De wallen waren naast

het houden van droge voeten ook bedoeld voor de versterking van de stad tegen

vijandige troepen. In 1385 worden de Oudezijds en Nieuwezijds Achterburgwal

gegraven en wordt de drassige grond tussen de burgwallen opgehoogd. Binnen 25

jaar was dit gebied volgebouwd en telde Amsterdam ongeveer 3000 inwoners. De

stad is al gauw weer te klein en een nieuwe uitleg vindt plaats door het graven van

de Cingel (nu Singel) en de Kloveniersburgwal in 1437.

Aan de IJ-zijde wordt buitendijks land aangeplempt voor de expanderende havenen

scheepsindustrie. Het gebruik van teer en pek binnen de stadsgrens was te

14

Amsterdam in 1544, kaart van Cornelis Anthonisz

De Amstelsluizen in 1693


gevaarlijk geworden wat leidde tot de ingebruikneming van de Lastage, het buitendijkse

moerasgebied tussen de huidige Geldersekade en Oude Schans.

Voor de versterking van de dijken en de bouw van huizen gebruikte men hout dat uit

de Oostzeelanden werd aangevoerd. Omdat de meeste huizen rieten daken hadden,

was, naast de dreiging van overstromingen, brandgevaar een bron van zorg. In 1452

brak er zo’n enorme stadsbrand uit dat tweederde van de bebouwing in de as werd

gelegd. Het bestuur besloot dat huizenbezitters voortaan hun huizen aan de zijkanten

met baksteen moesten bekleden. En in plaats van met riet, mochten daken alleen

bedekt worden met leien of dakpannen.

De zware stenen waren een belasting voor de ondergrond wat leidde tot verzakkingen.

Aanvankelijk werd dat opgelost door onder de gebouwen wilgenmatten aan te

leggen, zodat de huizen ‘dreven’ op de natte veenlaag. Maar naarmate de huizen in

omvang toenamen, was dat niet langer voldoende. Aan het einde van de zestiende

eeuw ging men op grote schaal palen van grenen- en dennenhout gebruiken.

In diezelfde periode werd gestart met de aanleg van Uilenburg, Rapenburg en

Valkenburg om de scheepsbouw en de havenactiviteiten meer ruimte te geven. De

drie buitendijkse eilanden werden aan het begin van de zeventiende eeuw gebruikt

voor de opslag van hout en voor de scheepswerven van de VOC, maar bleken al

gauw weer te klein.

Behalve pakhuizen en kaden was er vraag naar woningen. Amsterdam barstte uit

haar voegen en telde aan het begin van de Gouden Eeuw 100.000 inwoners. Eerst

werd de bestaande stad verdicht en vanaf 1612 vond de zogenaamde Derde Uitleg

plaats. Het betrof naast de aanleg van de grachtengordel en de Jordaan het aanplempen

van de Westelijke eilanden (Bickers-, Realen- en Prinseneiland) en later de

Oostelijke (Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg).

De slappe ondergrond vereiste, dat ook deze uitbreiding volgens een integraal

plan werd aangepakt. Van te voren moest duidelijk zijn hoeveel de stadsbevolking

zou toenemen, daarop werd de omvang van de uitbreiding gebaseerd. In een

veengebied kon namelijk geen sprake zijn van een ongecontroleerde stedelijke

ontwikkeling. Er moest opgehoogd worden, grachten en sloten gegraven voor de

ontwatering en molens en sluizen gebouwd om de waterhuishouding op orde te

houden. Het water(systeem) was een essentieel, zo niet bepalend onderdeel van het

ruimtelijke planvormingsproces.

Kattenburgerplein tijdens overstroming in 1775

Vanaf de Brouwersgracht werd het grachtenstelsel gegraven tot aan de huidige

Leidsegracht. In afwijking van het bestaande slotenpatroon werden de rooilijnen voor

(dwars)straten en (zij)grachten vastgelegd. De grond die bij het graven vrij kwam

werd gebruikt voor de ophoging van de gebieden tussen de grachten tot drie voet

boven stadspeil. Aan de grachten kwamen vooral “schoone woningen ende huysen

voor den rentenieren ende andere vermogende luyden”. In de tussenliggende

straten vestigden zich veel winkeliers. Voor de verversing van het water werden verbindende

grachten aangelegd, zoals de Leliegracht en de Leidsegracht. De Jordaan,

bestemd voor minder welgestelden werd nauwelijks opgehoogd. Dat hoogteverschil

is nog steeds te voelen als je bijvoorbeeld van de Prinsengracht de Elandsgracht af

fietst. In plaats van een straten- en grachtenplan werd hier het bestaande agrarische

verkavelingpatroon gevolgd, sommige paden verdwenen, andere werden verbreed

en sloten verder uitgediept tot grachten. Vanaf de tweede helft van de negentiende

eeuw, zijn zes van de elf grachten in de Jordaan weer gedempt. Aanvankelijk vanwege

gezondheidsredenen, maar later zijn door de opkomst van het landverkeer

zo’n zeventig grachten in de stad verdwenen.

15


Paden en sloten, de basis voor de verkaveling van de

Jordaan

16

De gouden bocht in de Herengracht. De bomen zijn

op het schilderij weggelaten. (Berkheyde 1671)

De grachtengordel werd na 1663

doorgetrokken tot de Amstel. De rijkdom van de stad kwam hier terug in de architectuur

en de openbare ruimte. Er werden bomen aangeplant om het leefklimaat voor

de rijke kooplieden nog enigszins aangenaam te maken. De waterkwaliteit was er

de laatste tweehonderd jaar namelijk niet op voorruit gegaan. De open riolen gaven

stankoverlast en de pest die sinds 1450 al regelmatig voorkwam, nam in de zeventiende

eeuw epidemische vormen aan. Door de toestroom van immigranten leefden

tegen het einde van Gouden Eeuw al 200.000 mensen in Amsterdam. Daarna vlakt

de bevolkingsgroei, als gevolg van politieke spanningen binnen Europa, af.

Het laatste deel van de Derde Uitleg, voorbij de Muidergracht, is dan niet meer

nodig voor woningbouw. De uitbreiding bleek twee eeuwen voldoende te zijn om in

de woningbehoefte te voorzien.

De “vuile teringstad”

In 1400 was het grachtenwater nog van goede kwaliteit en diende als grondstof voor

de bierbrouwerijen die zich vestigden aan de Bierkaai, tussen het Oudekerksplein en

de Pijlsteeg. Er werd riviervis gevangen en de verpachting van de grachten was een

bron van inkomsten voor de stad.

Op dat moment was het doorspoelsysteem van de grachten simpel. Bij eb werden

zowel de Damsluis als de Oudezijds Kolksluis en de Oude Haarlemmersluis opengezet,

zodat het vuile grachtenwater kon worden afgevoerd op het IJ, bij vloed gingen

ze dicht om het brakke IJ-water buiten de stad te houden. Vanaf de Amstel stroomde

schoon water de grachten in.

De kwaliteit ging echter zichtbaar achteruit naarmate de bevolking toenam. Afval van

huishoudens en bedrijven, dode beesten, mest en slachtafval, alles werd in het IJ, de

Amstel en de grachten gestort. De bierbrouwers waren genoodzaakt het water uit

het Haarlemmermeer te halen. Bewoners plaatsten regenbakken en vingen het water

op uit de dakgoten. Er stonden hoge straffen op wildplassen en het bevuilen van het

grachtenwater. Maar dit alles kon niet verhinderen dat keizer Karel V Amsterdam in

1540 links liet liggen en doorreisde naar Haarlem waar het drinkwater beter was.

Er werden regels opgesteld voor het ophalen van huisvuil. Vervuilende beroepen als

leerlooiers en lakenververs kregen te maken met strenge eisen. Huiden mochten

alleen in de buitenste grachten worden geweekt. De lakenververij werd geconcentreerd

om de verspreiding van giftige stoffen in het drinkwater zoveel mogelijk te

beperken.

De Goudsbloemgracht is in 1854 gedempt en kreeg de naam Willemsstraat


Een emmertje water uit de gracht De IJsbreker, in de 17e eeuw de plek waar de

waterboten de stad in kwamen

De maatregelen hielpen echter niet bij “t suyverhouden van het costelijcke stadswater”

en ziekten grepen om zich heen. Bewoners bezweken aan loodvergiftigingen als

gevolg van het drinken van opgevangen regenwater en werden ziek van gesmolten

ijswater. De bevolkingsgroei, die toch al in het slop zat door de economische achteruitgang,

kwam tot stilstand.

De verzilting speelde ook een rol bij de vervuiling van het grachtenwater. Al sinds de

13de eeuw was onder invloed van de Zuiderzee het IJ-water gaan verzilten. Door de

bloeiende handel voeren schepen af en aan naar de pakhuizen aan de grachten en

kreeg het brakke water via de sluizen kans door te dringen tot aan de landbouwgronden

van Ouderkerk. Ook de vele doorbraken in de Diemerzeedijk droegen bij aan de

verzilting van het agrarische achterland.

Het doorspoelen van de grachten werd steeds lastiger, het brakke water stroomde

minder goed terug naar het IJ, waardoor de grachten vuiler werden en dichtslibden.

De bouw van de Grimnessesluis en de Osjessluis waardoor twee boezems ontstonden,

één aan de Oude en één aan de Nieuwe Zijde, zorgde ervoor dat het vuile

grachtenwater van het schone Amstelwater werd gescheiden.

Elke nieuwe uitbreiding van de stad had tot gevolg dat het watersysteem aangepast

moest worden. Met de stadsuitbreidingen vanaf 1550 werd het nog ingewikkelder,

er werden twee boezems toegevoegd aan het systeem die ook weer van elkaar

gescheiden werden met sluizen. Totdat er na de aanleg van de grachtengordel en

de Jordaan zeven gescheiden systemen in de stad bestonden die er echter niet voor

konden zorgen dat de waterkwaliteit verbeterde. Het verversen van het stadswater

moest anders.

Onder leiding van burgemeester Hudde werd in 1670 eerst het Amstelsluizencomplex

(bij Carré) gebouwd en vervolgens stappen ondernomen om de verschillende

systemen in de stad op één niveau te brengen. De Nieuwe Vaart werd door het

buitendijkse gebied verlengd tot Zeeburg en diende voor de afvoer van het vuile

stadswater.

De kwaliteit van het grachtenwater was helaas niet voldoende om Amsterdam van

drinkwater te voorzien. Het werd door de aanleg van de ’s Gravelandsevaart, Muidertrekvaart,

en Weespertrekvaart in de jaren dertig en veertig van de 17de eeuw

met waterboten uit ’t Gooi gehaald. In de winter als de Amstel bevroren was, werd

door de bierbrouwers een ijsbreker ingezet die lag afgemeerd voor de herberg de

IJsbreker. Pas in 1850 wordt door het bestuur de beslissing genomen om de stad van

duinwater te voorzien. Amsterdammers konden toen drinkwater kopen. Per emmer

moest een cent betaald worden. In 1886 kwam er een gemeentelijk waterbedrijf.

In de 20ste eeuw werd Rijnwater de ‘grondstof’ van het Amsterdamse drinkwater

dat in de bodem van de Amsterdamse Waterleidingduinen infiltreert en weer wordt

teruggewonnen via een drainagesysteem en open kanalen. De tweede bron is opkwellend

grondwater uit de Bethunepolder bij Loosdrecht. Om van dit water schoon

en veilig drinkwater te maken, wordt het water in een aantal stappen gezuiverd.

Zand- en turfwinning veranderen het landschap

Naast drinkwater importeerde Amsterdam op grote schaal zand en turf uit de regio.

Voor de ophoging van de grote stadsuitbreidingen werd het afgraven van de strandwallen

vanaf 1650 in de Duin- en Bollenstreek systematisch aangepakt. Het vervoer

vanuit de duinen met platte schuiten verliep via nieuw gegraven lange vaarten.

Vóór de 17de eeuwse stadsuitbreidingen, hadden sinds 1400 vanuit de Naardense

zeehaven via de Zuiderzee al kleine zandtransporten naar Amsterdam plaatsgevonden.

Die zeehaven verzandde en als alternatief werden de Gooise trekvaarten in

gebruik genomen. De trekschuiten met zand uit de regio namen op de terugweg de

stadstront mee die gebruikt werd voor de bemesting van de landgoederen. De regio

leverde ook de brandstof: de Amsterdammers kwamen de winter door met de best

denkbare turf die er was, die uit de omgeving van Uithoorn en Waverveen. Ook de

opkomende ‘industrieën’ in de stad de steenbakkerijen, blekerijen en bierbrouwerijen

werden zo voorzien in hun energiebehoefte.

17


De turfwinning aan de westkant van de stad, in de regio Haarlemmermeer, was

lucratieve handel, maar richtte onomkeerbare schade aan het landschap aan.

Door het afgraven en wegbaggeren van het veen gecombineerd met golfafslag

en slechte bedijking verdwenen vooral aan de noord- en oostkant van het oude

Haarlemmermeer hele stukken land. In de 16de eeuw waren dorpen als Vijfhuizen,

Nieuwerkerk en Rijk al in de golven verdwenen. Het oude Haarlemmermeer, het

Leidsemeer en Spieringmeer voegden zich na hevige stormen samen tot het nieuwe

Haarlemmermeer. Hierbij ging de belangrijkste verbinding over land tussen Haarlem

en Amsterdam via Sloten verloren, waarna nog slechts de route via de slingerende

Spaarndammerdijk overbleef.

De beide steden besloten dat er een trekvaart aangelegd moest worden. Trekschuiten

werden, in de periode voor de komst van de spoorwegen, gezien als een

betrouwbare, comfortabele en regelmatige vorm van transport. De Haarlemmertrekvaart

werd in 1632 in gebruik genomen. Halverwege de beide steden (bij Halfweg)

was de trekvaart onderbroken door de sluizen van het Hoogheemraadschap van

Rijnland, waar het water uit het Haarlemmermeer naar het IJ werd gesluisd. Hier

stapten de passagiers over van de Amsterdamse op de Haarlemse trekschuit en vice

versa.

Om de dreiging van het water tegen te gaan en in de behoefte van landbouwgrond

te voorzien - het graan uit de Oostzeelanden was moeilijk verkrijgbaar door de

Pools-Zweedse conflicten - werd tussen 1612 en 1630 de drooglegging grootschalig

aangepakt. De investeringen waren mogelijk door het vele geld dat verdiend

werd in de handel. Onder leiding van Jan Adriaanszoon Leeghwater ontstaan de

droogmakerijen in Noord-Holland, Leeghwater adviseerde bij de drooglegging van

het Bijlmermeer en het Watergraafsmeer en pleitte voor het droogmaken van het

Haarlemmermeer, dat pas twee eeuwen later zou plaatsvinden.

Het droogmaken van de grote meren zoals de Beemster, en de Schermer had echter

verstrekkende consequenties voor de waterbeheersing. Men realiseerde zich dat

de landaanwinning de waterbergende capaciteit van de boezemwateren ernstig

verkleinde en extra belast werd door de vele windmolens die er bij kwamen. Hierop

werden maatregelen getroffen die de afwatering moesten verbeteren. Zo werd

onder andere de Nauernasche Vaart aangelegd.

18

De grote droogmakerijen van de17e eeuw: De Beemster, Purmer, Wormer en Schermer


De periode 1750-1900

Van west naar oost; van oost naar west

Door de toenemende aanslibbing en verzanding van de haven, het IJ en de Nieuwe

en Oude Waal klaagden schippers en eigenaren van de scheepswerven over de

slechte bevaarbaarheid van de waterwegen. De haven die via de Zuiderzee met

de Noordzee was verbonden werd steeds ondieper. Zonder grote aanpassingen

kon Amsterdam geen bruikbare zeehaven blijven. Koning Willem I had aanvankelijk

plannen om het IJ door middel van een dijk af te sluiten van de Zuiderzee. Hiertegen

kwam veel verzet en als alternatief werd het Noordhollandsch Kanaal in 1824 gegraven

en tien jaar later werden twee dijken aangelegd om de Oostelijke en Westelijke

Het Haarlemmermeer en het IJ, links boven de Landengte waar de trekvaarten van Amsterdam en Haarlem

samenkomen.

Eilanden te beschermen: de Oosterdoksdijk en de Westerdoksdijk. Deze moesten

ook de doorstroming van het IJ verbeteren en de verzanding tegengaan. In Noord

ontstonden door aanplemping met havenslib en droogmaking aan weerszijden van

de oude landtong Volewijck, de Buiksloterham (1832-1851) en de Nieuwendammerham

(1879). Aanvankelijk werd de landaanwinning gebruikt voor landbouw, later

vooral voor industriële activiteiten.

Door de toenemende afmetingen van de schepen waren de sluizen en de vaardiepte

in het Noordhollandskanaal al gauw te klein om aan de eisen te voldoen. Dit werd

opgelost door de aanleg van het Noordzeekanaal in de periode 1865-1876. In feite

werd het IJ voor een groot deel ingepolderd en werd alleen het laatste stuk, de

duinen bij Velsen, doorgegraven. De negen zijkanalen dienden voor de afwatering en

de scheepvaart van de Zaan, het Spaarne en de Nauernasche Vaart. Bij de uitmonding

van het kanaal op de Noordzee werden sluizen aangelegd. Aan de oostkant

van Amsterdam werd het met de Zuiderzee in open verbinding staande IJ afgesloten

door de aanleg van de Oranjesluizen (1872), zodat tussen deze sluizen en die van

IJmuiden één waterpeil kon worden gehandhaafd.

Door de bouw van de Oranjesluizen werden de grachten afgesloten van het getij.

Parallel aan de Nieuwe Vaart werd het Lozingskanaal gegraven om een betere peil

De situatie in de periode 1750-1900: inpoldering van het IJ en het Haarlemmermeer

19


Verversing van de grachten door eb en vloed van de Zuiderzee

beheersing te krijgen. In 1879 werd het stoomgemaal Zeeburg in gebruik genomen

en verandert de richting van de verversing van de grachten. Niet meer van west naar

oost met de ebstroom mee, maar kunstmatig van oost naar west. Via het Noordzeekanaal

stroomt het water vervolgens naar zee (zie deel 2 Het systeem boven water).

Het belang van goede ophoging

Vanaf het begin maakte de lage ligging van de stad het noodzakelijk dat er werd

opgehoogd. Van die maatregel profiteert de stad nog steeds, veel buurten waaronder

de binnenstad liggen boven NAP.

De ophoging gebeurde enerzijds door het uitgraven van grachten waarna het sterk

veen- en kleihoudende zand werd gebruikt voor de opwerping van wallen. Anderzijds

breidde de stad zich uit door het aanplempen van eilanden.

Soms bleef de ophoging beperkt omdat het te duur werd zoals in de Jordaan of

omdat gebieden oorspronkelijk alleen voor havenactiviteiten werden gebruikt zoals

Uilenburg en de Oostelijke en Westelijke eilanden. De ophoging van de drassige

buitendijkse Lastage werd aanvankelijk verboden. Het gebied dat door de havenindustrie

in gebruik was genomen, was voor vijandelijke troepen gemakkelijk bereikbaar.

Het stadbestuur liet de bebouwing buiten de stadsmuur afbreken om het

20

schootsveld te verruimen. Ophogen werd verboden om het zware geschut van de

vijand geen kans te geven.

De groeiende welvaart ten gevolge van de industriële revolutie na 1870 betekende

een “tweede Gouden Eeuw”. Het oostelijke havengebied werd aangelegd om de

nieuwe groei aan havenactiviteiten op te vangen. En op een aangeplempt eiland dat

de stad van het IJ scheidde, startte de bouw van het Centraal Station dat in 1889

gereed kwam.

De bevolking nam explosief toe van 225.000 in 1850 naar 408.000 in 1890. Voor het

eerst sinds eeuwen had Amsterdam weer behoefte aan nieuwe woningen en trad

men met de bouw van nieuwe uitbreidingswijken zoals de Pijp, de Dapperbuurt, de

Kinkerbuurt en de Staatsliedenbuurt buiten de 17de eeuwse stadsgrenzen van de

Singelgracht.

Het gebied ten zuiden van de oude stad tussen de Amstel en de Boerenwetering

was dun bebouwd. Er waren tuinders, veehouderijen en enkele uitspanningen. Aan

de Zaagmolensloot (nu Albert Cuypstraat) stonden de houtzaagmolens voor de

bloeiende houtindustrie. Hier begon vanaf 1870 de systematische uitbreiding van de

stad.


Aanvankelijk waren er pretentieuze plannen met een ruime opzet, veel groen, villa’s

en een stratenpatroon vergelijkbaar met die van Parijs en Wenen. De gemeente

keurde het plan van Van Niftrik echter af.

Uiteindelijk werd gekozen voor het Plan Kalff dat eenvoudiger van opzet was en het

oorspronkelijk slotenpatroon volgde. De straten werden aangelegd op de smalle

gedempte poldersloten. Bomen en plantsoenen werden niet aangelegd. Er werd

wel aan ophoging gedacht, maar het materiaal dat gebruikt werd bestond uit puin

en huisafval. Door de goedkope manier van bouwen (o.a. matig heien) en ophogen

verzakten op verschillende plekken de woningen nog voordat ze bewoond waren. De

huidige grondwaterproblemen komen vooral in deze 19de eeuwse gordel voor.

Specifieke problemen betreffen de zogenoemde polderrioleringsgebieden zoals op

plekken in de voormalige Overamstelpolder, rond het Vondelpark en in delen van

de Pijp en Oud-West. Het zijn gebieden die bij het ophogen van het omringende

poldergebied niet of in beperkte mate mee zijn opgehoogd en waar het open water

is vervangen door zogenoemde polderriolen. In de Watergraafsmeer zijn alleen de

sloten vervangen door een riool en daar rondom is helemaal niet opgehoogd.

Polderriolen op particulier terrein dienden om de binnenterreinen te ontwateren en

om het grond- en regenwater af te voeren. Regelmatig zijn er ook vuilwaterlozingen

op aangesloten. De polderriolen in de binnenterreinen zijn nu met een leeftijd van

zo’n 90 jaar aan het eind van hun levensduur en vaak in slechte staat. Daardoor komt

veel (grond)wateroverlast voor. Daarnaast ontstaat in een aantal gevallen risico op

gezondheidsproblemen wanneer bij hevige regenval rioolwater uit het reguliere

riool in het polderriool terugstroomt. Een belangrijk deel van de polderriolen moet

hersteld of vervangen worden door een nieuw robuust systeem.

Integrale ophoging (bij nieuwbouw) door de gemeente vond pas plaats na de

invoering van het erfpachtstelsel in 1896. Aanvankelijk gebeurde dit met baggerspecie,

zoals in de Vogelbuurt en de Van der Pekbuurt, maar vanaf circa 1925 werd,

voor onder andere de aanleg van de Rivierenbuurt, schoon zand zonder klei en slib

gebruikt.

De oudere delen van Amsterdam zijn opgehoogd tot boven boezempeil, zoals de

grachtengordel. Het straatniveau moest minimaal NAP +0,5 meter zijn, een ontwateringsdiepte

groter dan 0,9 meter - ervan uitgaande dat de houten paalkoppen dan

voldoende onder water staan - was ideaal. In het centrum is de minimale ontwateringsdiepte

in het algemeen groter dan 0,9 meter. Maar onder andere in Amsterdam-

Noord, Oud-West, de Indische Buurt, de Watergraafsmeer en de Bijlmermeer zijn

grondwaterstanden geconstateerd die hoger komen dan 0,5 meter onder maaiveld.

Kaart ophogingen in Amsterdam

Zaagmolensloot in 1880, later de Albert Cuypstraat

21


De periode 1900-1965

Het AUP en de Afsluitdijk

Al omstreeks 1900 waren er plannen om de verschillende randgemeenten van

Amsterdam (Watergraafsmeer, Sloten, en delen van Westzaan, Zaandam, Oostzaan,

Diemen en Ouder- en Nieuwer-Amstel) te annexeren. In 1921 was het zover: het

grondgebied werd vier keer zo groot en het aantal inwoners nam toe tot ongeveer

680.000. Ransdorp, Holysloot en Durgerdam sloten zich in 1921, als gevolg van de

opgelopen schade na de stormvloed van 1916, vrijwillig bij Amsterdam aan.

In de Watergraafsmeer (NAP-5,40m) was op polderpeil gebouwd en het stadsbestuur

vreesde waterstaatkundige problemen. Voor integrale ophoging was echter geen

geld waardoor het grondwaterpeil op nauwelijks een halve meter onder maaiveld

ligt.

Amsterdam groeide steeds verder het polderland in. Sinds de jaren veertig werd de

stedelijke bebouwing nog aanzienlijk uitgebreid. Met de aanleg van de Afsluitdijk

in 1932 nam de kans op overstromingen af, de Zuiderzee werd het IJsselmeer. Het

integraal ophogen tot boven boezempeil heeft men toen verlaten. Men ging uit van

een drooglegging van 1,2 à 1,3 meter ten opzichte van het polderpeil (in plaats van

NAP +0,5m.) en een slootafstand van 400 meter. De gewenste ophoging tot het

traditionele boezempeil is ook in verband met de hoge kosten teruggebracht. De

Westelijke Tuinsteden hebben daarom een polderpeil met een veel groter wateroppervlak

dan in het oorspronkelijke ontwerp aangegeven was.

De nieuwe woongebieden werden gepland volgens het Algemeen Uitbreidingsplan

(AUP) aan de west- en zuidkant van de stad: Slotermeer, Geuzenveld, Slotervaart,

Overtoomse Veld, Osdorp en Buitenveldert. Een klein deel van het plan werd nog

voor de oorlog uitgevoerd, het grootste deel erna. Het oude agrarische polderland

werd bouwterrein en er kwam een zandlaag op. Het in de zeventiende eeuw drooggelegde

Slotermeer werd weer water en voor zandwinning uitgediept tot Sloterplas.

Ook het bestaande Nieuwe Meer ten zuiden van Sloten werd sterk uitgebreid ten

behoeve van de zandwinning.

De uitbreiding van de stad raakte vanaf de jaren zestig in een stroomversnelling. Het

bouwen in polders vond ook plaats in Noord en in Zuidoost. Zo startte vanaf 1964

de bouw van Nieuwendam-Noord, Buikslotermeer-Noord en de Banne Buiksloot.

Voor de bereikbaarheid en de groei van het wegverkeer werden later de Coentun-

22

nel (1966) en de IJ-tunnel (1968) aangelegd. De verkeersdoorbraken in de Prins

Hendrikkade en eerder al in de Oosterdoksdijk (door de aanleg van het Amsterdam-

Rijnkanaal) hadden tot gevolg dat de waterkering sinds de maatregel van Hudde

weer verder landinwaarts kwam te liggen.

Ondanks dat het overstromingsgevaar aanzienlijk was afgenomen, kreeg de stad in

1960 nog één keer te maken met een overstroming. De aanleiding was echter een

gesprongen waterleiding waardoor de dijk, ter hoogte van Zijkanaal H bezweek en

Tuindorp Oostzaan onderliep. De overstroming, verdreef 15.000 inwoners uit hun

huizen.

Na de watersnoodramp in 1953 zijn de huidige veiligheidsnormen voor overstromingskansen

vastgesteld (zie deel 2 Het systeem boven water). De werkelijke kans

op een doorbraak hangt niet alleen af van de belasting door golven en waterstand,

maar waarschijnlijk nog wel meer van de sterkte en stabiliteit van de dijken. Naar

aanleiding van de kadebreuk bij tuindorp Oostzaan is de Technische Adviescommissie

voor de Waterkeringen in het leven geroepen om te onderzoeken hoe de

Nederlandse dijken ervoor staan. De onzekere factor is niet, zo laat toetsing van de

Nederlandse dijken zien, de hoogte, maar de sterkte. Dat de kwetsbaarheid van met

name veenkaden niet onderschat moet worden, blijkt ook vandaag de dag. In 2003

begaf de dijk bij Wilnis het als gevolg van uitdroging.

Kometensingel onder water na overstroming van Tuindorp Oostzaan in 1960


De periode na 1965

Water als vestigingsfactor

Na zeven eeuwen van een sterk op elkaar afgestemde ontwikkeling, is het nauwelijks

voor te stellen dat er een periode is geweest waarin die integrale benadering van

het stedelijke systeem en het watersysteem niet vanzelfsprekend was. Het op orde

hebben van de waterhuishouding werd lange tijd ingegeven door praktische overwegingen,

het houden van droge voeten en het economisch functioneren van de

stad, en later ook vanwege de esthetische betekenis, waardoor Amsterdam talloze

fraaie bruggen bezit en de representatieve waarde van de Gouden Bocht ongekend

hoog is. De wisselwerking hield in dat de twee systemen zich voortdurend aan elkaar

moesten aanpassen.

Vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw raakte het leven met water echter volledig

op de achtergrond. Het water verloor zijn transportfunctie ten gunste van

het landverkeer, tientallen grachten werden gedempt en problemen met de waterhuishouding

werden langs civieltechnische weg opgelost. Water verdween uit het

stedenbouwkundig ontwerp.

Toevallig of niet, ook het stedelijke leven raakte in verval. Mensen trokken decennia

lang de stad uit. Pas vanaf eind jaren tachtig sloeg de suburbanisatie om en werd het

centrumstedelijk wonen in Amsterdam weer ontdekt. Grote delen van de binnenstad

kregen een opknapbuurt en monofunctionele werkgebieden transformeerden tot

hippe gemengde woonwerkmilieus. Het water en de schoonheid ervan kwamen weer

terug op de tekentafel! Enerzijds kwam de nadruk te liggen op wonen, werken en

recreëren aan het water met de bouw van 18.000 woningen op eilanden – in plaats

van een polder- in het IJmeer en de transformatie van de IJ-oevers. Anderzijds maakt

de huidige problematiek zoals bodemdaling in combinatie met de toenemende

hevigheid van regenbuien en grotere pieken en dalen in de rivierafvoeren duidelijk

dat rekening houden met water in een stedelijk ontwerp van een waterstad altijd

noodzakelijk blijft.

In deel 2 wordt de werking van het watersysteem in detail uitgelicht. Het gaat zowel

over de bescherming tegen overstroming van de metropoolregio Amsterdam als

over de functie wateraan- en afvoer door de boezemsystemen.

De situatie in de periode na 1965

Water als recreatieve functie, zeilen langs het Java-eiland

23


2 Het systeem boven water

24

N.A.P.


+20

+10

0

- 10

- 20

- 30

- 40

Eeuwen van waterbeheersing en stedelijke ontwikkeling hebben een complex

watersysteem opgeleverd dat nu, enkele knelpunten uitgezonderd, op orde is en

voldoende capaciteit heeft om ernstige wateroverlast te voorkomen. Het water

is ook het visitekaartje van de stad, geeft plezier en het gebruik ervan zal nog

verder toenemen. Maar hoe goed zijn we beschermd tegen overstromingen?

En wat is het resultaat van de eeuwenlange wisselwerking tussen watersysteem

en stedelijke ontwikkeling? Wat is de samenhang tussen grachten-, boezem- en

polderwater, de Amstel, het gemaal Zeeburg, droogmakerijen en IJmuiden?

25


De onderdelen van het waterhuishoudkundige

systeem

Het hoofdwatersysteem

De waterhuishouding van Nederland bestaat uit verschillende watersystemen die

elkaar sterk beïnvloeden. Het water dat via de rivieren ons land binnenkomt, wordt

samen met het regenwater afgevoerd naar zee. In de hogere delen van Nederland

stroomt het regenwater vanzelf boven- en ondergronds af naar lager gelegen gebieden.

Hier bevinden zich de kwelgebieden waar het grondwater zich beweegt in de

richting van het oppervlak(tewater). Om het water uit Laag Nederland af te voeren

zijn in de loop der tijd allerlei hulpmiddelen (stuwen, sluizen, gemalen, dammen en

dijken) ingezet om dit voor elkaar te krijgen.

Het hoofdwatersysteem van rivieren, kanalen en meren is verbonden met een

stelsel van regionale kanalen en beken, sloten en grachten. Er vindt voortdurend

uitwisseling plaats en ingrijpen in het één heeft weer gevolgen voor de ander. De

afvoer van het rivierwater via de Rijn, IJssel en Waal wordt voor een groot deel van

het jaar zo geregeld en verdeeld dat er voldoende water in de rivieren en kanalen

(zoals het Amsterdam-Rijnkanaal en het Noordzeekanaal) staat voor de scheepvaart

en voldoende water wordt aangevoerd naar de meren (het IJsselmeergebied) voor

drinkwater, koelwater en water voor natuur- en landbouwgebieden. Daarnaast moet

voorkomen worden dat er te veel water op één punt komt en lager gelegen gebieden

dreigen te overstromen.

De Metropoolregio Amsterdam staat onder invloed van twee belangrijke onderdelen

van het hoofdwatersysteem: het Amsterdam Rijnkanaal/Noordzeekanaal en het

IJsselmeergebied. De twee systemen zijn van groot belang voor het functioneren van

de regionale waterhuishouding. Polders malen er via de boezems op uit; in droge

perioden kan water worden ingelaten voor de verschillende watervragende functies;

het zoete water is ook nodig om zout opkwellend grondwater te bestrijden en het

zoute water dat via IJmuiden binnenkomt niet te ver te laten doordringen.

De systemen worden in dit hoofdstuk op hoofdlijnen beschreven. De details over het

functioneren komen in het volgende hoofdstuk aan de orde.

26

Het Amsterdam-Rijnkanaal en het Noordzeekanaal

De kanalen zijn in eerste instantie aangelegd voor de scheepvaart tussen IJmond

en Duitsland. In de loop van de tijd is echter de waterhuishouding een steeds

belangrijkere rol gaan spelen. Op het kaartje is te zien wat het stroomgebied is

van dit systeem. Het groene gebied watert direct af, het gele kan via de inlaat bij

Schellingwoude (Oranjesluizen) indirect ook via het Noordzeekanaal afwateren. Het

systeem wordt gemiddeld voor 60 procent gevoed door regionaal water, dus via de

waterschappen (het groene gebied). Het water wordt naar zee afgevoerd met behulp

van de spuisluis en het gemaal IJmuiden.

In droge perioden kan via de sluizen bij Wijk bij Duurstede water worden aangevoerd.

De hoeveelheid hangt sterk af van wat er bij Tiel uit de Waal kan worden

ingelaten, omdat het water uit de Neder-Rijn nodig is om de waterstand stroomafwaarts

op peil te houden. De hoeveelheid die uit het IJsselmeer wordt aangevoerd,

hangt sterk af van het Markermeerpeil.

Dwarsdoorsnede ontwikkeling van het landschap in oostwest richting (bron: H+N+S)


Aan het Amsterdam-Rijnkanaal wordt ook water onttrokken, deels voor de regionale

watervoorziening, deels voor de drinkwatervoorziening. Ook dan moet rekening

worden gehouden met de vaarwegdiepte van het kanaal.

Het afwateringsgebied van de Noorzeekanaal/Amsterdam-Rijnkanaal boezem

Het water dat voor de bereiding van Amsterdams drinkwater bij Nieuwegein (uit het

Lekkanaal) en bij Loenen (naast voeding uit de Bethunepolder) aan het kanaal wordt

onttrokken, wordt getransporteerd naar de Amsterdamse Waterleidingduinen waar

het infiltreert in de bodem en weer wordt teruggewonnen. Het kanaalwater wordt

ook gebruikt voor de koeling van de energiecentrales in Utrecht, Amsterdam en

Velsen. Het geloosde koelwater mag daarbij niet te warm worden, omdat dit schadelijk

is voor de ecologie.

De scheepvaartfunctie van de kanalen heeft tot gevolg dat bij de sluizen in IJmuiden

per jaar zo’n 40.000 schepen worden geschut. Bij het schutten dringt zeewater het

watersysteem binnen en levert een zoutgradiënt op van IJmuiden tot aan het begin

van het Amsterdam-Rijnkanaal. Het Noordzeekanaal heeft hierdoor ecologisch

gezien een bijzonder karakter. Omdat er aan het Amsterdam-Rijnkanaal een innamepunt

voor drinkwater is gelegen, mag de zouttong niet te ver doordringen. Als

het Markermeerpeil het toelaat, wordt bij Schellingwoude zoet water ingelaten om

het zoute water tegen te houden. Het water van het Amsterdam-Rijnkanaal wordt

in tijden van langdurige droogte ook nog gebruikt om verzilting van polders in

Zuid-Holland tegen te gaan. In dat geval is de zouttong zo ver de Nieuwe Waterweg

ingetrokken dat het water van de Hollandsche IJssel te brak is om voor doorspoelen

te kunnen gebruiken.

Het IJsselmeergebied

Het watersysteem van IJsselmeer, Markermeer/IJmeer en Randmeren is het grootste

zoetwaterbekken van West-Europa. De stroomgebieden van de IJssel, de Overijsselse

Vecht en de Eem voeren hun water af op het IJsselmeer. Van april tot en met

september is het streefpeil op de meren NAP -0.20 m, terwijl de rest van het jaar

NAP -0.40 m wordt aangehouden. In extreme situaties kan door harde wind de

waterspiegel van het Markermeer zo scheef komen te staan dat het peil een meter

variërert.

Het Markermeer loost zijn overtollige water in de winter overwegend op het IJsselmeer,

maar in de zomer, als het Markermeerpeil 20 cm hoger staat dan het Noordzeekanaal

gaat het merendeel westwaarts om het Noordzeekanaal door te spoelen.

Ongeveer 20% van het water, dat door het Noordzeekanaal stroomt, wordt via de

inlaatsluis in Schellingwoude vanaf het Markermeer/IJmeer ingelaten. In de winterperiode

zijn de streefpeilen van het Markermeer en het Noordzeekanaal gelijk, zodat

inlaten slechts af en toe mogelijk is. Het zoutgehalte van het Markermeer wordt in

deze periode dan ook regelmatig hoger dan de nagestreefde 150 mg/l, maar dit

levert geen problemen op, omdat het dan geen groeiseizoen is.

In het voor- en najaar wisselt de afvoerrichting al naar gelang het weer en het

waterpeil. Overtollig IJsselmeerwater wordt via de sluizen bij Den Oever en Kornwerderzand

op de Waddenzee geloosd.

In tijden van droogte levert het IJsselmeer belangrijke hoeveelheden water aan

Friesland, Groningen en de kop van Noord-Holland, maar ook aan grote delen van

Drenthe en het noordwesten van Overijssel. Bij Muiden en Zeeburg wordt water uit

27


het Markermeer ingelaten om respectievelijk de Vecht en enkele polders van water

te voorzien en de Amsterdamse grachten door te spoelen.

Dijkringgebieden

Om Nederland te beschermen tegen overstroming vanuit zee, de grote rivieren en

het IJsselmeer is het land opgedeeld in 57 dijkringgebieden die omgeven zijn door

primaire waterkeringen, zoals dijken, duinen, hoge gronden en constructies voor het

waterbeheer, de sluizen en gemalen. Elke dijkring heeft een beschermingsniveau

tegen mogelijke overstroming, uitgedrukt in een overschrijdingskans. De Amsterdamse

regio wordt tegen het zee- en rivierwater beschermd door de duinen, de

keringen/sluizencomplex bij IJmuiden, de dijken langs het Markermeer/IJmeer, de

Oranjesluizen en de Lekdijk. De opgehoogde haventerreinen, de keringen langs het

Noordzeekanaal en Amsterdam Rijnkanaal, de Waterlandse zeekering en de Amsterdamse

stadskering zorgen voor een 2de verdedigingslinie.

Amsterdam bevindt zich in drie dijkringgebieden: dijkring 13 en 14 respectievelijk

ten noorden en ten zuiden van het Noordzeekanaalgebied en daartussen dijkring 44

waarbinnen de IJ-oevers liggen. De laatste heeft een overschrijdingskans van 1:1250,

terwijl deze voor de rest van de metropoolregio 1:10.000 is. Een overschrijdingskans

van 1:10.000 wil zeggen dat de kans dat er een waterstand optreedt die zo hoog is

waartegen de dijk niet bestand is, eens in de 10.000 jaar voorkomt. Overigens zijn de

meeste dijken extra hoog aangelegd, waardoor het nog niet vanzelfsprekend is dat

er dan ook daadwerkelijk een overstroming optreedt.

De huidige veiligheidsnormen voor overstromingskansen zijn vastgesteld na de ramp

in 1953, gebaseerd op te verwachten economische schade en maatschappelijke

ontwrichting. Sindsdien is het geïnvesteerde vermogen in woningen, infrastructuur

en openbare gebouwen verveelvoudigd en is de economische activiteit fors

toegenomen. De analyse van kosten en baten van het krijgen (en behouden) van een

bepaald veiligheidsniveau is daarom aan actualisering toe. Dit wordt in het kader van

het Deltaprogramma verder uitgewerkt.

De dijkringgebieden bevatten een groot aantal polders die omgeven zijn door dijken.

Deze regionale keringen beschermen ons tegen overstroming van bijvoorbeeld

de Amstel, Gaasp en de Ringvaart van de Haarlemmermeer. Voor regionale keringen

zijn er vijf beschermingsniveaus, variërend van 1: 1000 jaar voor stedelijke gebieden

tot 1:10 jaar voor grasland. De beschermingsniveaus voor de regionale keringen

worden vastgesteld door de provincie.

28

b d

Dijkringgebieden in de regio Amsterdam

Veiligheidsnorm per dijkring

1/10.000 per jaar

1/4.000 per jaar

1/2.000 per jaar

1/1250 per jaar

1/250 per jaar

Primaire waterkeringen

per categorie

a

c

b

d

Het regionale systeem

Amsterdam en omgeving ligt op een knooppunt van hoofd- en regionale watersystemen:

het Markermeer/IJmeer, Amsterdam-Rijnkanaal, Noordzeekanaal en enkele

boezemsystemen waaronder de Amstellandboezem. Het regionale watersysteem

bestaat uit een samenhangend netwerk van keringen en boezem- en polderwateren,

die onderling met elkaar verbonden zijn door middel van sluizen, stuwen en

gemalen. Ook het hoofdwatersysteem en het regionale systeem staan op diverse

plaatsen in verbinding met elkaar. Enerzijds watert het regionale systeem af op het

hoofdwatersysteem (bij een neerslagoverschot), anderzijds kan het regionale systeem

worden gevoed door het hoofdsysteem (aanvoer in tijden van neerslagtekorten).

Het ingelaten water dient verschillende functies. De belangrijkste is peilhandhaving

om inklinking van de veenpakketten te voorkomen. Verder wordt het gebruikt voor

doorspoeling om een goede waterkwaliteit te waarborgen.

Polders en boezems

Een boezem is een stelsel van sloten, meren, kanalen en plassen die met elkaar in

verbinding staan en waar naar een bepaald vast peil gestreefd wordt. De boezem

vangt het water op uit de omliggende polders en voert het af richting zee of het

IJsselmeer.

Een polder is een gebied dat lager ligt dan het omringende water en waarvan de waterstand

kunstmatig geregeld wordt. Het is een waterstaatkundige eenheid omgeven


door een waterkering en heeft verbinding met het boezemwater via poldergemalen

die het overtollige water (neerslag en kwel) op het boezemstelsel uitmalen. Het

waterpeil in de boezemwateren is hoger dan in de polderwateren. Een tekort aan

water in de polders wordt aangevuld vanuit de boezem.

De regio Amsterdam bestaat voor een groot deel uit polders die ontstaan zijn door

droogmaking (Haarlemmermeer, Beemster), indijking (delen van het Havengebied)

en ontginning (de veenpolders). De meeste polders zijn (voormalige) veengebieden

die in de loop der eeuwen steeds lager zijn komen te liggen, vaak tot enkele meters

beneden zeeniveau. Dit is het gevolg van turfwinning, inklinking en de afbraak van

veen door ontwatering (zie deel 1 Van moeras tot metropool). Droogmakerijen zijn

in de loop der tijd drooggelegde meren en plassen met een kleiige ondergrond.

Ze liggen doorgaans dieper dan de meeste polders en zijn vaak omringd door een

ringvaart (boezem) en een ringdijk (boezemkade).

Het unieke van de boezemsystemen in de Amsterdamse regio is dat ze in principe

met elkaar in open verbinding staan. Als het nodig is worden ze afgesloten door

middel van sluizen en (nood)keringen.

In de Amsterdamse regio zijn de volgende boezemsystemen met deels verschillende

waterpeilen te onderscheiden:

Amstellandboezem (waterpeil NAP -0.40m); onderdeel daarvan is de stadsboezem

Amsterdam (waterpeil NAP -0.40m);

Rijnlandboezem (waterpeil NAP -0.60m);

Waterlandse boezem (waterpeil NAP -1.50m NAP);

Markermeer/IJmeer (waterpeil: zomer NAP -0.20m, winter NAP -0.40m);

Amsterdam-Rijnkanaal en Noordzeekanaalboezem (waterpeil NAP -0.40m).

Systematische voorstelling polder en boezem

Het Amsterdamse grondwater

Naast het oppervlaktewater en de daarmee samenhangende waterbodems, speelt

ook het grondwater een belangrijke rol in het systeem. Als het regent, infiltreert

het regenwater in de bodem en stijgt de grondwaterstand in het ophoogmateriaal.

Hierdoor treedt grondwaterstroming op. Het grondwater stroomt dan als gevolg

van een drukverschil naar het open water of een ander ontwateringmiddel zoals

drains, of naar de diepere bodemlagen. De snelheid is afhankelijk van de grootte van

het drukverschil en de doorlatendheid van het materiaal. Zand is goed doorlatend,

klei en veen zijn slecht doorlatend. Bij verdamping gebeurt het omgekeerde: de

grondwaterstand zakt. In het algemeen bereikt de grondwaterstand aan het einde

van de winter de hoogste stand en aan het einde van de zomer de laagste stand.

Infiltratie is, bij hevige buien, op veel plekken in Amsterdam problematisch door

de hoge grondwaterstand. Water dat op hoger gelegen delen is geinfiltreerd en

door de slecht doorlatende laag is gepasseerd, heeft een grotere stijghoogte. Door

drukverschil treedt het diepe grondwater als kwel aan de oppervlakte.

Voor de grondwaterzorg in Amsterdam is vooral de horizontale (freatische) stroming

in de top van het bodemprofiel (ophoogmateriaal) van belang. De freatische grondwaterstand

in het stedelijk gebied wordt niet alleen bepaald door hydrologische

factoren (neerslag, verdamping, kwel en infiltratie), maar vaak nog meer door allerlei

andere factoren zoals een sterk heterogeen bodemprofiel (door menselijk ingrijpen),

doorsnijding van het gebied met slecht doorlatende barrières (zoals parkeergarages,

funderingen, kelderconstructies, damwanden, kademuren e.d.), lekkages van waterleidingen

of regenpijpaansluitingen, lekke riolen, bouwputbemalingen en grondwateronttrekkingen.

Door een te grote of geforceerde onttrekking en afvoer van grondwater kan

grondwateronderlast ontstaan dat tot schade aan funderingen leidt, zoals paalrot

en verzakkingen. Tegenwoordig is paalrot een probleem dat zich voordoet in de

Amsterdamse buurten rond de oudere, niet opgehoogde stadsparken.

Andersom kan bijvoorbeeld te dichte bebouwing ondergronds de afstroming

van grondwater belemmeren, hetgeen juist voor grondwateroverlast zorgt. De

voornaamste oorzaak van de grondwateroverlast in de Watergraafsmeer is de grote

kweldruk die door de nabijheid van de ringvaart en het grote hoogteverschil met

het omliggende gebied zoals de overgang naar Diemen (opgehoogd veengebied,

NAP +1m) ontstaat. Ook in gebieden waar in het verleden gebrekkig of met slechte

materialen is opgehoogd is sprake van grondwateroverlast zoals water in kruipruimten,

natte kelders, vochtige begane grondruimten of drassige tuinen.

29


Dit is bijvoorbeeld het geval in de 19e eeuwse gordel en in de diepe polders (Water-

graafsmeer en Buikslotermeer).

Stedelijk afvalwater

Het water dat in woningen gebruikt wordt voor douchen, (af)wassen, koken en

consumptie en in bedrijven voor een groot aantal verschillende processen wordt via

het riool afgevoerd. De riolering is het totaal van buizen, putten, pompen en duikers

dat nodig is om het afvalwater naar een rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI) te

brengen. De huidige installatie in Amsterdam West zuivert 70% van al het afvalwater

van Amsterdam en heeft een inwonersequivalent van 1,1 miljoen. Dit betekent dat

de RWZI het afvalwater van 1,1 miljoen inwoners zuivert. Dit afvalwater, dat ook wel

‘influent’ wordt genoemd, komt via een 42 kilometer lange ring van rioleringsbuizen

om het oude centrum van de stad bij de RWZI terecht.

Het riool wordt echter niet alleen gebruikt om afvalwater te transporteren. Ook

overtollig regenwater wordt via het riool afgevoerd. De neerslag wordt dan tot het

afvalwater gerekend. De neerslag kan samen met het verontreinigde drinkwater

afgevoerd worden (dit wordt een gemengd rioolstelsel genoemd) of apart (gescheiden

rioolstelsel).

Bij het gemengde rioolstelsel, zoals in het centrum van Amsterdam, worden zowel

het regenwater als het door mensen gebruikte en verontreinigde drinkwater in het

zelfde stelsel opgevangen en afgevoerd naar de RWZI, waar het wordt gereinigd.

Een nadeel van dit stelsel is dat het soms bij veel regen de grote hoeveelheid water

niet aan kan en overbelast wordt. Het riool kan dan overstromen, waarbij het verontreinigde

water bijvoorbeeld terecht kan komen in sloten of kelders doet onderlopen.

Om dit te voorkomen zijn er In Amsterdam verspreid over de stad 40 bergbezinkbassins

ondergronds aangelegd die tijdens hevige regen een tijdelijk teveel aan

afvalwater kunnen op vangen. Moet dan tóch nog worden overgestort (omdat

zelfs het bassin nog te klein blijkt), dan stort alleen het minst vervuilde deel van het

water over, omdat de vervuiling grotendeels is bezonken. Na de regenbui wordt het

bassinwater weggepompt naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie en worden bassin

en leiding schoongespoeld. De Amsterdamse riolering is echter voor het grootste

deel (circa 75%) gescheiden: één voor afvalwater en één voor het relatief schone

regenwater.

30

Dat deel van het regenwater dat in het riool verdwijnt, wordt samen met het afvalwater

afgevoerd naar de rioolwaterzuivering, de rest wordt via regenwaterriolering of

via goten op maaiveld naar het oppervlaktewater of infiltratievoorzieningen geleid.

Legenda

gescheiden oppervlak

gemengd oppervlak

Situatie rioolsysteem in Amsterdam

nooduitlaat op oppervlaktewater

Gemengd rioolsysteem

Gemengd riool

Neerslag

Neerslag

Afvalwater

Schoon water

Gemaal

Principe van gemengd en gescheiden rioolsysteem

Neerslag

Zuivering

(RWZI)

Uitlaat op oppervlaktewater

Gescheiden rioolsysteem

Regenwaterriool

Neerslag

Afvalwater

Vuilwaterriool Gemaal

Schoon water

Zuivering

(RWZI)


RDING

ie wordt het water

emaakt, door een

lk te verwijderen.

urt in onthardingsgevuld

zijn met

oor natronloog

toe te voegen,

allisatieproces

e kalk zich op de

. Zo vormen zich

e korrels. De

et water wordt

tot 8,4 °D of 1,5

liter. Minder kalk

belangrijk, omdat:

ke waterontharr

niet nodig zijn;

n de laagste

smiddel volstaat;

ter met een hogere

ad) kan worden

rd, waardoor loden

eidingen minder

etast en er dus

eze metalen in

ter en het riooltkomen.

er onthard is,

graad van het

eerd met zoutde

koolfilters (zie

chermen tegen

lkafzetting.

HCI

(zoutzuur)

11

Het drinkwatersysteem

granaatzand

Waternet zorgt er voor dat huishoudens en bedrijven in en om Amsterdam jaarlijks

9

over 90 miljoen kubieke meter drinkwater kunnen beschikken. Het drinkwater wordt

op twee locaties geproduceerd: 10 in Leiduin (70%) 12 en Weesperkarspel 13 (30%). Het

water dat in Leiduin wordt gezuiverd wordt bij Nieuwegein door de N.V. Water-

NaOH

14

transportmaatschappij Rijn-Kennemerland (WRK) aan het Lekkanaal ontrokken en

daar voorgezuiverd. Het gefilterde water wordt door pompen naar het Provinciaal

Waterleidingbedrijf marmerkorrels Noord-Holland, water een aantal O industriële afnemers en naar de

2

lucht

Amsterdamse 10 KOOLFILTRATIE Waterleidingduinen 11 SPOELWATER­ getransporteerd. Tijdens het zuiveringsproces

12 LANGZAME

14 TRANSPORT

BEHANDELING

ZANDFILTRATIE

EN DISTRIBUTIE

controleert Om de resterende Waternet schadelijke voortdurend De spoelwaterbehandeling de hoort kwaliteit. De laatste zuiveringsstap is de Op een gemiddelde dag pro-

bestanddelen uit het water te niet bij het hoofdproces van de langzame zandfiltratie. Het duceert de vestiging Leiduin

De halen, duinen past Waternet vormen tweetraps een drinkwaterbereiding; natuurlijke het fysieke is een water barrière stroomt met voor een lage de bacteriën 180.000 kubieke en meter virussen,

water.

koolfiltratie toe. In de nauwe secundair proces. Spoelwater snelheid door een filterbed van Op een warme zomerdag kan

die poriën nog van in kooldeeltjes het voorgezuiverde worden komt vrij als de snelfilters rivierwater en aanwezig fijn zand. Dit filter houdt zijn. de In het de duin productie bevindt oplopen tot wel zich een

deze bestanddelen uit het water koolfilters met lucht en water laatste zwevende deeltjes tegen 240.000 kubieke meter. On-

enorme afgevangen strategische en door bacteriën, zoetwatervoorraad worden schoongespoeld. Met van die vrijkomen 2 tot uit 3 de maanden, koolfilters. geveer die 70% aangesproken

daarvan gaat door

die aan het koolfiltermateriaal veertien speciale dynamische De belangrijkste functie van de grote transportleidingen naar

zijn gehecht, afgebroken. Een zandfilters maakt Waternet het langzame zandfiltratie is echter Amsterdam, waarna het via

kan worden als de aanvoer van kwalitatief goed water niet mogelijk is. Op een

gram kool heeft een oppervlak spoelwater geschikt voor herge- het afvangen van bacteriën en reservoirs of rechtstreeks naar

van bijna een voetbalveld groot. bruik in het zuiveringsproces. andere ziekteverwekkers. Het de inwoners wordt gedistri-

gemiddelde dag produceert de vestiging Leiduin 180.000 kubieke meter water. Op

Door de biologische activiteit in Deze manier van recycling is niet eindproduct is helder, lekker en bueerd. De rest van het water

de filters is het zuurstofverbruik alleen efficiënt, maar voorkomt gezond drinkwater!

uit Leiduin gaat direct naar

een met warme name in de zomermaanden zomerdag ook kan dat het de milieu productie wordt belast oplopen tot wel 240.000 de inwoners kubieke van de gemeente meter.

groot. In de zomer wordt het met een grote stroom afvalwater. 13 OPSLAG

Heemstede en naar de water-

Ongeveer filtraat met zuurstof 70% verrijkt. daarvan Vóór gaat het filter door wordt een grote kleine transportleidingen naar leidingbedrijven Amsterdam, PWN en waarna

Met natronloog vindt een cor- hoeveelheid ijzerchloride aan Het drinkwater is nu klaar voor Dunea.

het rectie via van reservoirs de zuurgraad plaats, of rechtstreeks het water toegevoegd, naar waarna de inwoners consumptie. Waternet wordt slaat het gedistribueerd.

om te voorkomen dat het water

het leidingnet aantast.

De koolfilters worden regelma-

slib

water

(terug naar 7)

zand

de door coagulatie gevormde

vlokjes worden afgevangen in

een zandfilter. Het zand in dit

FeCl 3

op in twee dubbele drinkwaterreservoirs

die samen ruim dertien

duizend kubieke meter wa-

Voor tig met de water productielocatie en lucht gespoeld filter wordt Weesperkarspel door een luchtpomp ter (Amsterdam kunnen opslaan. Deze Zuidoost) opslag is het kwelwater

om verstopping te voorkomen. in beweging gehouden en ge- is nodig omdat mensen overdag

Het vuile water wordt naar de reinigd. Het schone spoelwater veel drinkwater gebruiken en

uit de Bethunepolder bij Maarssen de belangrijkste grondstof voor de bereiding

spoelwaterverwerking afge- gaat vervolgens terug naar de ’s nachts juist weinig. Dankzij

voerd, gereinigd en naar het verdeelbak van de snelfilters en de reservoirs kan de productie

van begin het van het drinkwater. nazuiveringspro- De komt polder daar weer is in het een hoofddrooggelegde

constant worden gehouden plas en waarin is het water vanuit de

ces teruggevoerd. Na 2 ½ jaar proces terug.

er altijd lekker en betrouwbaar

omgeving gaat het koolfiltermateriaal spontaan tij- omhoog kwelt. Eind jaren drinkwater. 80 van de vorige eeuw was de vraag

delijk terug naar de leverancier

naar om te schoon worden gereactiveerd. drinkwater zo groot dat het drinkwaterbedrijf de productiecapaciteit

moest uitbreiden. In die tijd zijn voorzieningen aangelegd om ook het water uit het

Amsterdam-Rijnkanaal (ARK) als grondstof voor de bereiding van drinkwater in te

kunnen zetten. Het ARK-water wordt aan het einde van het Waterleidingkanaal aan

het Bethunewater toegevoegd.

De voorzuivering van het ruwe water gebeurt op de vestiging Loenderveen, van

daaruit wordt het naar Weesperkarspel (Amsterdam Zuidoost ) getransporteerd voor

de nazuivering.

Waternet gebruikt voor de levering van het drinkwater in en om Amsterdam zeven

distributiepompen en een leidingnet met een totale lengte van ongeveer tweeduizend

kilometer.

NaOH

Alkmaar

Alkmaar

Noordhollands

Duinreservaat

Noordhollands

Duinreservaat

(PWN)

(PWN)

Jan Lagrand

Jan Lagrand

Westerhout

Westerhout

Haarlem

Vogelenzang Haarlem

Vogelenzang

Amsterdamse

Watereiding-

Amsterdamse

Watereidingduinenduinen Leiden

Leiden

distributiegebied

distributiegebied

leveringsgebied

leveringsgebied

pompstation

pompstation

drinkwater

drinkwater

voorgezuiverd water

voorgezuiverd water

Drinkwatersysteem regio Amsterdam

WRK

WRK

Zaanstad

Zaanstad

Amsterdam

Amsterdam

WRK

WRK

Nieuwegein

Nieuwegein

Hoorn

Hoorn

Markermeer

Markermeer

Weesperkarspel

Weesperkarspel

Princes Juliana

Princes Andijk Juliana

Andijk

Hilversum

LoenderveenHilversum

Loenderveen Loosdrechtse plassen

Loosdrechtse plassen

Bethunepolder

Bethunepolder

Utrecht

Utrecht

Ir. Cornelis

Biemond Ir. Cornelis

Biemond

Lek

Lek

Enkhuizen

Enkhuizen

Almere

Almere

TECHNISCHE GEGEVENS:

VAN DUINWATER TOT KRAAN WATER

1 INNAME VAN RIVIER WATER

• Ruwwateronttrekking Q max.=25.200 m 3 /h

• Ruwwaterpompstation WRK I en II:

- 2 x 1.200 m 3 /h (50 kPa)

- 2 x 2.400 m 3 /h (50 kPa)

- 2 x 2.700 m 3 /h (50 kPa)

- 4 x 3.100 m 3 /h (50 kPa)

• Grondwaterwinning:

- 16 diepe winputten (totale capaciteit:

5.000 m 3 /uur)

- Vergunning: 3 Mm 3 /jaar

2 COALGULATIE

• 3 coalgulatiesecties en 6 vlokvormingskelders

(18,30 x 16,60 x 4,10 m)

- Verblijftijd: ca. 20 minuten

- Diameter roerwerken: 3,50 m met

instelbaar toerental (0 - 4 omw./min)

• 3 bezinkbassins (afmeting 300 x 120

x 2,50 m)

• Dosering:

- IJzerchloride: 2,5 - 3,5 mg/l

- Natronloog: 10 - 15 mg/l

3 SNELLE ZANDFILTRATIE

• WRK I

- Aantal filters: 40

- Filteroppervlak: 54 2 m per filter

- Filtratiesnelheid: 5 m/h (maximaal)

• Pompen:

- 2 x 2.400 m 3 /h (230 kPa)

- 2 x 3.000 m 3 /h (315 kPa)

- 2 x 3.600 m 3 /h (420 kPa)

- 2 x 4.200 m 3 /h (550 kPa)

- 2 x 4.800 m 3 /h (750 kPa)

• WRK II

- Aantal filters: 40

- Filteroppervlak: 54 2 m per filter

- Filtratiesnelheid: max. 5 m/h

• Pompen:

- 2 x 2.400 m 3 /h (200 kPa)

- 2 x 3.000 m 3 /h (315 kPa)

- 2 x 3.600 m 3 /h (420 kPa)

- 2 x 4.200 m 3 /h (600 kPa)

- 2 x 4.800 m 3 /h (750 kPa)

4 TRANSPORT

• Transportleidingen (totale lengte 213 km):

• WRK I, Nieuwegein – Vogelenzang lengte:

54 km, diameter: 1.500 mm

• WRK II, Nieuwegein –Vogelenzang

lengte: 50 km, diameter: 2 x 1.200 mm

• WRK II, Vijfhuizen – Vogelenzang

lengte: 12 km, diameter: 1.200 mm

5 INFILTRATIE

• 5 infiltratiegebieden, totale oppervlak

ca. 975 hectare

• 40 infiltratiegeulen

Infiltratiecapaciteit: max. 10.000 m 3 /h

- Min. verblijftijd: 60 dagen, gem.

verblijftijd: 90 dagen

- Strategische zoetwatervoorraad: 2-3

maanden

6 WINNING

­ 9 km drains (ontwerpcapaciteit: 10 m 3 /m)

- Win- voorraadkanalen

- Freatische wincapaciteit: max. 10.000 m 3 /h

- 240 diepewinputten (totale

win capa citeit: 4.000 m 3 /h)

31

• Pompstation Oost

- 2 pompen: 1 x 400

1 x 600 m 3 /h

• Pompstation Boog

- 2 pompen à 210 m

• Pompstation Oran

(totale capa citeit: 1

- 4 toerengeregelde

(4.000 m 3 /h per s

7 SNELLE ZAND

• Leiduin 1: 40 filters

• Leiduin 2: 16 filters

­ Filtratiesnelheid: g

­ Filterspoeling: luch

en water: max. 35

8 OZONISATIE

• 5 doseer­/contact

• Contacttijd: 15 min

• Ozondosis: min. 0,3

• Ozonproductie uit

5 ozongeneratoren

9 ONTHARDING

• Pelletreactoren: 12

hoogte 9,5 m, cap

• Dosering: Natronlo

• Entmateriaal: gran

10 KOOLFILTRAT

• Aantal koolfilters:

2 e trap: 20 filters

• Filteroppervlak: 58

• Filterbedhoogte: 2

• Filtratiesnelheid: m

• Filterspoeling: luch

min. 20 m/h - 40

• Koolhandling: 4 st

ma tische kooltrans

capa citeit: kool 25

11 SPOELWATER

• 14 DynaSandfilters

- Vlokmiddel: ijzerclo

mg/l spoelwater

• Slibopslag en ontw

velden, totaal oppe

12 LANGZAME Z

- Leiduin 1: 7 stuks à

8 stuks a 1.000 m

- Leiduin 2: 10 stuks

• Filtratiesnelheid: m

13 OPSLAG

• Twee drinkwaterres

- Leiduin 1: 5.000 m

- Leiduin 2: 8.400 m

14 TRANSPORT

• Twee drinkwaterpo

- Leiduin 1: 4 toeren

pompen: à 3.000

- Leiduin 2: vaste po

1 x 2.100 m³/h (30

1 x 800 m³/h (150

• 5 toerengeregelde

2 x 3.100 m³/h (3

1 x 950 m³/h (550

1 x 1.260 m³/h (33

1 x 350 m³/h (420


Hoe functioneert het watersysteem?

Normale afvoer van boezem- en polderwater

Regenwater dat in de landelijke en stedelijke polders valt, wordt in sloten en vaarten

verzameld en naar de boezem gepompt. De stadsboezem van Amsterdam is van

belang voor de kwantitatieve waterhuishouding van zowel de binnenstad als voor

het ten zuiden van Amsterdam gelegen boezemgebied. Het stroomgebied van de

Amstel watert af via de Amstel, die als een ‘snelweg’ voor de waterafvoer functioneert.

Vanuit de Amstel komt het water via de grachten van Amsterdam op het IJ.

Vandaar stroomt het water via het Noordzeekanaal richting zee. Bij normale omstandigheden,

dat wil zeggen bij normale waterpeilen, functioneert dit watersysteem als

één geheel.

Het afvoeren van al dat water naar zee kan op twee manieren. De waterstand op

zee is hiervoor bepalend. Is de waterstand lager dan die op het Noordzeekanaal,

dan gaat de spuisluis bij IJmuiden open en kan het water onder vrij verval weglopen

naar zee. Dat is goedkoop want het kost geen energie. Bij een gewone spui wordt

tweemaal per dag water afgevoerd. In normale omstandigheden is dat voldoende.

Bij vloed of bij westenwind staat de Noordzee te hoog om te kunnen spuien. Dan

32

Gemaal Zeeburg

Normale afwateringssituatie

in Amsterdam

Geopende sluis

Gesloten sluis

Gemaal Zeeburg

Hoogwaterbemaling

Geopende sluis

Gesloten sluis

moet het gemaal in werking worden gesteld. De spuisluis kan maximaal 500 m3/s

afvoeren en de zes pompen van het gemaal hebben een gezamenlijke capaciteit van

260 m3/s. Hiermee is het het grootste gemaal van Europa

Hoogwaterbemaling en calamiteitenberging

Hoogwatersituaties in het boezemsysteem komen alleen voor door een combinatie

van veel neerslag in het stroomgebied en hoge waterstanden op de Noordzee,

waardoor niet kan worden gespuid bij IJmuiden. Een dergelijke situatie kan bijvoorbeeld

optreden, als aanhoudende harde tot stormachtige noordwestenwind voor

opstuwing van het zeewater zorgt en bij gelijktijdige heftige neerslag de watermassa’s

niet tijdig genoeg via de gemalen bij IJmuiden afgevoerd kunnen worden

naar de Noordzee en via gemaal Zeeburg bij Amsterdam en de sluizen bij o.a.

Muiden naar het IJsselmeer. Daarnaast heeft de wind een belangrijke invloed op de

waterstanden in het gebied zelf. Bij harde wind uit noordwestelijke richting ontstaan

in de Amstellandboezem en het zuidelijk deel van het Amsterdam-Rijnkanaal nog

hogere waterstanden als gevolg van opwaaiing. Gevolg is, dat het waterpeil in de

Amstel zo hoog komt, dat veel laaggelegen en dichtbevolkte polders aan de Amstel

kunnen overstromen: onder meer de bebouwde kommen van Uithoorn, Mijdrecht,

Watergraafsmeer de Bijlmer, Bullewijk en Amstelveen.


Uitgangspunt is dat het watersysteem op orde is voor gebeurtenissen die zich tot

gemiddeld 1:100 jaar kunnen voordoen. Wanneer deze extreme situatie optreedt,

moeten noodmaatregelen worden genomen. Bij een peil van NAP -0,20 m op het

Noordzeekanaal kan het boezemsysteem van Amstelland-West afgescheiden worden

van het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal door alle sluizen en keringen

van het IJfront (sluizen en keringen tussen de Amsterdamse stadsboezem en het IJ)

en het Amsterdam-Rijnkanaalfront te sluiten en het gebied volledig door het gemaal

Zeeburg te bemalen. Zeeburg maalt dan uit op het IJmeer/Markermeer. Dit komt

hooguit eens in de 1 á 2 jaar voor.

Als deze maatregel niet werkt of onvoldoende helpt, moet gezocht worden naar

waterberging binnen of buiten het systeem. Wanneer deze capaciteit niet wordt

gevonden, neemt de kans op een overstroming vanuit de boezem snel toe. Om die

reden zijn afspraken gemaakt dat in een dergelijke extreme situatie het overtollige

water naar een “calamiteitenpolder” wordt gepompt. Polder De Ronde Hoep is voor

deze functie aangewezen.

De kwetsbaarheid van het watersysteem van Amstelland voor wateroverlast heeft te

maken met een combinatie van factoren:

grote afstanden tot de gemalen (lange kanalen) die een goede afvoer moeilijk

maken;

een flessenhals (bruggen, obstakels in krappe watergangen) in de Amsterdamse

stadsboezem;

geringe mogelijkheden voor peilverschillen, waardoor de bergingscapaciteit in de

boezem zelf beperkt is.

De afvoercapaciteit van het systeem is steeds verder toegenomen, onder andere

door (uitbreiding van) het gemaal bij IJmuiden en gemaal Zeeburg. Omdat de

rest van het watersysteem niet is of kon worden aangepast, onder andere door de

aanwezigheid van monumentale bruggen en nauwe watergangen in de stadsboezem

waarin veel woonboten liggen, ondervindt het water veel weerstand die een goede

afvoer belemmert. Dit betekent dat de bergingscapaciteit afneemt en bovenstrooms

geregeld hoge waterstanden voorkomen.

Het verbeteren van de doorvoercapaciteit (breedte en diepte van het profiel) zijn

nodig om de hoge waterstanden bovenstrooms te beperken en voor het optimaal

benutten van gemaal Zeeburg. Het is ook van belang voor tijdelijke (piek)berging,

met name in die delen van de stad waar vrijwel geen ander water aanwezig is. Ook

dat betekent dat het water vrij moet worden gehouden van belemmeringen.

Gemaal Zeeburg

Waterverversing

Geopende sluis

Gesloten sluis

Verversing van de grachten

In het verleden toen Amsterdam nog in directe verbinding met de Zuiderzee stond,

vond de verversing van de grachten op natuurlijke wijze plaatst door eb en vloed (zie

deel 1 Van moeras tot metropool). Sinds de aanleg van de Oranjesluizen moest het

doorspoelen anders geregeld worden. Het gemaal Zeeburg is zes jaar na de Oranjesluizen

aangelegd voor de afvoer van het water én om IJmeerwater in te laten om de

grachten door te spoelen wanneer het zuurstofgehalte te laag is. Bij het doorspoelen

wordt er zoveel mogelijk gebruik gemaakt van ‘natuurlijk verval’: als het water op het

IJmeer 20 tot 25 cm hoger staat dan in de stad, kunnen de grachten worden ververst

met vrije instroom zonder dat bij gemaal Zeeburg gepompt hoeft te worden. Tijdens

het doorspoelen worden een aantal sluizen langs het Amstel- en IJ-front gesloten.

In de kwalitatieve waterhuishoudkundige situatie van het stadsboezemgebied is ook

het een en ander veranderd. De grachtengordel is van riolering voorzien en daardoor

is minder intensieve verversing nodig. In de winter niet meer zeven, maar twee keer

per week. ‘s Zomers worden de grachten vier keer per week doorgespoeld. Sinds

januari 2010 wordt als proef alleen gespoeld als zuurstofmetingen aangeven dat dit

nodig is. Daardoor is er nog nauwelijks gespoeld in 2010.

33


Te veel en te weinig: de huidige

wateropgaven

Vasthouden, bergen en afvoeren

Wateroverlast is niet levensbedreigend, maar kan wel vervelend zijn en veel schade

en/of hinder veroorzaken als water gebouwen instroomt. Water op straat is tot op

zekere hoogte aanvaardbaar, zolang het maar geen gevaarlijke situaties oplevert. De

overlast wordt veroorzaakt door hevige neerslag die in korte tijd valt, door grondwater

of door een niet goed functionerende riolering. De werkelijke oorzaak in stedelijk

gebied is, dat het bergen van regenwater minder makkelijk gaat door intensiever

grondgebruik en een toename van verharding van openbare en privéruimten. In

kwelgebieden wordt het probleem bovendien versterkt, doordat het water hier ook

nog eens van onderaf komt.

De Amsterdamse riolering is ontworpen op een extreme bui die eens in de twee

jaar voorkomt. Als je een bui met een herhalingstijd van vijf jaar in je systeem wilt

houden, moet het riool zo groot worden dat het de vraag is of de kosten dan nog

opwegen tegen de vermeden schade. Het lijkt dan efficiënter om de schade te

beperken door maatregelen te treffen in de inrichting van de openbare ruimte of op

gebouwniveau.

De trits vasthouden, bergen en afvoeren

34

Op rijksniveau heeft de Commissie Waterbeheer in de 21ste eeuw, geadviseerd de

wateroverlast in een watersysteem aan te pakken door het volgen van de drietrapsstrategie

vasthouden-bergen-afvoeren. In het Nationaal Bestuursakkoord Water

hebben alle partijen deze aanpak onderschreven. Daarvoor worden in stedelijk

gebied zowel boven- als ondergronds infiltratievoorzieningen aangebracht. De mogelijkheden

worden bepaald door de beschikbare ruimte, het ruimtegebruik en de

ondergrond. Van daaruit infiltreert het langzaam in de bodem of wordt het tijdelijk

geborgen en op een gunstiger moment afgevoerd naar het oppervlaktewater. Een

voorbeeld is de toepassing van waterdoorlatende verharding. Hierbij kan het water

door de voegen van de bestrating infiltreren in de ondergrond. Dit wordt in nieuwe

woonwijken zoals op IJburg toegepast. Onder parken en sport- en speelvelden

kan door middel van infiltratiekratten veel water opgevangen worden. In de Watergraafsmeer

wordt gekeken of dit meegenomen kan worden bij de omzetting van

sportvelden naar kunstgras. In alle toepassingen is het belangrijk dat het water via,

niet al te veel omwegen, naar de voorziening wordt geleid en niet belemmerd wordt

door obstakels.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad moet de toename van de belasting van het

oppervlaktewater bij elk project worden gecompenseerd door de initiatiefnemer.

Als vuistregel geldt dat het gebied 10 % oppervlaktewater moet hebben. Vanwege

de complexiteit van de huidige ontwikkelingen, zowel in ruimtelijke inrichting als in

tijd, is het soms lastig om per individuele ontwikkeling of per gebouw een passende

watercompensatie te realiseren. Een systeem waarmee de bergingsvraagstukken op

een hoger schaalniveau (bijvoorbeeld voor meerdere (deel)projecten tegelijk) kunnen

worden opgelost is dan nodig. Daarnaast is het gewenst het proces van dempen,

verharden en compenseren overzichtelijker te maken voor wat betreft planning,

mogelijkheden, en verantwoordelijkheden. Om deze zaken een plek te geven,

ontwikkelen de waterbeheerders en DRO gezamenlijk een Watercompensatiebank.

Een voorbeeld waar dit principe wordt toegepast is te vinden op de Zuidas. De

verdichting van de Zuidas levert een flinke waterbergingsopgave op. Ter voorkoming

van wateroverlast binnen en buiten de Zuidas is het stand-still principe uitgangspunt.

Dit betekent dat in de trits vasthouden, bergen en afvoeren allereerst maximaal

ingezet wordt op het vasthouden van het gevallen regenwater op kavelniveau, bijvoorbeeld

door groene daken en waterpartijen (waterneutrale kavels). Voor berging

vormt een robuust netwerk van waterlopen de basis waarop aangetakt kan worden.

In dit netwerk is de positie van het Dok belangrijk. Berging in alternatieve vormen is


dus noodzakelijk: water onder sportvelden, in of op parkeergarages, in de openbare

ruimte, daktuinen of -vijvers. Deze noodzaak kan tot één van de visitekaartjes van de

Zuidas gemaakt worden, een voorbeeld van hoe in een hoogstedelijke omgeving de

groeiende wateropgave opgelost wordt door het zichtbaar maken van water.

“De zomer van 2003”

Naast wateroverlast komen er ook perioden van extreme droogte voor. Het

Amsterdam-Rijnkanaal speelt een belangrijke rol in de aanvoer van water voor de

regio Utrecht en Zuid-Holland in perioden van droogte. Het water van het kanaal

wordt dan getransporteerd naar de Hoogheemraadschappen De Stichtse Rijnlanden,

Rijnland en Delfland. Hiermee worden deze gebieden van zoet water voorzien, terwijl

ze anders in droge perioden afhankelijk zouden zijn van verzilt water uit bijvoorbeeld

de Hollandsche IJssel.

In de droge zomer van 2003 is extra zoet water vanuit het Markermeer via de

zogenaamde Tolhuissluisroute naar het Hoogheemraadschap van Rijnland gevoerd

om in het tekort aan zoet water te voorzien, zodat kon worden voorkomen, dat

door de droogte onherstelbare schade zou optreden. Aanvoer van zoet water via

deze route, vanuit het Markermeer/IJmeer via het bestaande boezemsysteem (o.a.

de Amsterdamse stadsboezem), is kostbaar en door de relatief lange afstand niet

de meest effectieve manier. Het is zelfs ongewenst, omdat een zwaarder belast

boezemsysteem een plotselinge periode van heftige neerslag dan niet snel genoeg

verwerken.

Soms houdt een droogteperiode zo lang aan, dat het niet langer mogelijk is om alle

functies te bedienen. Dan moet er worden gekozen: wie of wat heeft prioriteit bij

de verdeling van het schaarse rivierwater? Als een dergelijke situatie zich voordoet

treedt de verdringingsreeks in werking. Daarin is bepaald in welke volgorde het

schaarse water aan de gebruikers wordt toebedeeld. Na aanleiding van de droogte

in 2003 is de volgorde (die in 1976 is vastgelegd) geactualiseerd waarbij rekening

is gehouden met regionale omstandigheden en meer aandacht voor de belangen

van natuur en de energievoorziening. In 2003 deden zich problemen voor met

thermische verontreiniging in het Amsterdam-Rijnkanaal/Noordzeekanaalgebied. De

koelwatervoorziening van de energiecentrales kwam door de geringe aanvoermogelijkheden

in gevaar.

In de geactualiseerde reeks zijn de belangen van de energievoorziening en die van

de veengebieden (en veenkades) een categorie hoger geplaatst. Het peil van de

vaarwegen en havens is in tijden van waterschaarste de laatste zorg (categorie 4).

Wordt het nog ernstiger dan valt de beschikbaarheid van water weg voor de land- en

tuinbouw met kapitaalintensieve gewassen en de industrie die veel proceswater verbruiken

(cat.3). Het water dat er dan nog is, wordt ingezet voor drinkwaterbereiding

en de energievoorziening (categorie 2) Uiteindelijk blijven alleen de belangen van de

eerste categorie over: veiligheid en het voorkómen van onomkeerbare schade.

Maatregelen tegen te veel en te weinig water zijn in een sterk verstedelijkte regio

als de Amsterdamse metropool nu al aan de orde. In de toekomst als klimaatveranderingen

doorzetten, zijn aanpassingen aan het watersysteem en het stedelijke

systeem net als in het verleden gebeurt is, nodig, zodat beide optimaal kunnen

blijven functioneren. In deel 3 De stad ontwikkelt, het klimaat verandert, worden de

opgaven behandelt waar Amsterdam de komende decennia voor staat.

In augustus 2003 brak de ringdijk bij het Utrechtse Wilnis door

35


3 De stad ontwikkelt, het klimaat

36

verandert

N.A.P.


+20

+10

0

- 10

- 20

- 30

- 40

Inzoomend op de stedelijke ontwikkeling en het watersysteem zien we de

afgelopen decennia twee belangrijke trends opkomen die de ruimtelijke inrichting

in sterke mate (gaan) bepalen: de intensivering van stedelijke activiteiten en

veranderingen van het klimaat. Voor de Metropoolregio Amsterdam is het van

levensbelang dat het een vooraanstaande positie blijft innemen in de

wereldeconomie. De Structuurvisie is er duidelijk over: Amsterdam moet in 2040

economisch sterk en duurzaam zijn. Voor een duurzame stad moeten we onder

andere anticiperen op klimaatverandering.

37


Economisch sterk en duurzaam

Kenniseconomie en de rol van de stad

Van oudsher gaat er van steden een enorme aantrekkingskracht uit. Mensen trekken

naar de stad op zoek naar werk, opleiding of plezier. De laatste twee decennia is de

nadruk in een aantal steden in de wereld op de kenniseconomie komen te liggen.

In uiteenlopende sectoren, van zakelijk tot creatief en van medisch tot technisch, is

kennis inmiddels de belangrijkste productiefactor geworden. Het belang van grote

bedrijven is relatief kleiner geworden, die van kleinschalige initiatieven des te groter.

De vormgeving van de stad, en de ruimtelijke ontwikkelingen zullen zich hier naar

voegen.

De kenniseconomie is een interactie- en uitwisselingseconomie die vooral in steden

kans van slagen heeft. Steden bieden op een relatief klein oppervlak verschillende

milieus waar die interactie en uitwisseling van kennis kan plaatsvinden. Die milieus

moeten wel van hoogwaardige kwaliteit zijn en uitmunten in diversiteit. Divers in

voorzieningenaanbod, woningaanbod, fysieke ruimten en mensen. Niet alle steden

voldoen aan deze voorwaarde, Amsterdam komt dicht in de buurt.

De stad heeft eeuwenlang gefunctioneerd als plek waar kennis over allerhande zaken

werd uitgewisseld. Een industriestad is het nooit geworden, een kennisstad daarentegen

zal het blijven, mits de kwaliteit van het stedelijk leven op orde blijft, zodat

mensen en bedrijven zich hier willen blijven vestigen.

Het wonen, werken en recreëren raakt in een op kennis gebaseerde economie steeds

meer met elkaar verweven. Op hetzelfde grondgebied neemt het aantal activiteiten

toe. Daarom is het noodzakelijk om het grondgebruik in de stad te optimaliseren,

onder meer via verdichting. Enerzijds slaagt de verdichtingopgave alleen als er

hoogwaardige woon- en werkmilieus worden gemaakt. Anderzijds is voor een stevige

concurrentiepositie van de kenniseconomie het vergroten van een kwalitatief aanbod

aan stedelijke milieus onmisbaar.

Naast intensivering van het grondgebruik in de stad leidt de strijd om de schaarse

ruimte tot menging van functies door monofunctionele gebieden te transformeren

naar gemengd stedelijk milieu. Verdichting van de metropool mag het leefklimaat

echter niet aantasten. De lucht, de bodem en het water kunnen schoner, de stad

groener, stiller en energiezuiniger. Voor een duurzame stad moeten we ook anticiperen

op de veranderingen die zich in het klimaat voordoen.

38

Intensivering en transformatie

De Metropoolregio Amsterdam wil zich ontwikkelen tot een concurrerende Europese

metropool in 2040. Intensivering van woon- en werkgebieden met behoud van het

landschap vormt daarbij een belangrijk uitgangspunt. Voor Amsterdam betekent

dit een opgave om voor 2030 circa 50.000 en tot 2040 mogelijk 70.000 woningen

binnen de contouren van het bestaand stedelijk gebied toe te voegen.

In de structuurvisie voor Amsterdam vinden de ruimtelijke ingrepen de komende

decennia plaats in een viertal ‘bewegingen’: de uitbreiding van het centrum, in het

metropolitane landschap, aan het waterfront van het IJ en in de zuidflank van de stad

(van Zuidas tot Zuidoost).

De uitbreiding van het centrum manifesteert zich het sterkst via het grote aantal

extra woningen dat zal worden gebouwd in wijken die nu nog als ‘tuinstedelijk’ of als

monofunctioneel werkgebied bekend staan, maar in de nabije toekomst deel gaan

uitmaken van het (hoog)stedelijke centrumgebied. Tot de locaties behoren de zone

tussen de Ring-west en het Ringspoor, Buitenveldert Noord, het Gooiseweg-tracé en

Zeeburgereiland.

De ontwikkeling van Overhoeks is het eerste transformatieproject in een lange reeks

die de noordelijke IJ-oevers zal veranderen. Binnen afzienbare tijd zullen NDSM,

Buiksloterham en de Houthavens aan de zuidkant ontwikkeld worden. In de scenario’s

voor Havenstad zijn eveneens stedelijke woningbouwopgaven opgenomen.

Langs de oostelijke IJ-oevers ligt het accent de komende jaren vooral op de waterrecreatie,

daarna is het mogelijk dat ook hier transformatie kan plaatsvinden.

Stedelijke bedrijvigheid


Verstedelijkingsopgave

De 2e fase van IJburg met de realisatie van 9000 woningen vormt het sluitstuk van

het Waterfront in het IJmeer.

In de Zuidflank vinden grote fysieke veranderingen plaats zoals de uitbreiding van

Schiphol, de ontwikkeling van de Zuidas, de intensivering van de Zuidoostlob (waaronder

de verdichtingopgave in de Bijlmer en de transformatie van de werkgebieden

Amstel I, II en III), de verdere verstedelijking van Buitenveldert en de verfraaiing van

de koppen van de Amsterdamse Bosscheg en de Amstelscheg. De omgeving van het

AMC breidt zich uit met het Medical Business Park. En in de Watergraafsmeer zorgen

ontwikkelingen rond het Amstelstation en in Sciencepark en de herstructurering van

woonbuurten voor verder intensivering van de stedelijke ruimte.

De infrastructuur gaat mee in de verstedelijkingsopgave met onder andere een

verbreding van A10, A1 en A2, mogelijk een tunnelvariant voor de A6/A9, verlaging

van de Gooiseweg, een spoorwegverdubbeling naar Utrecht en een nieuwe verbinding

naar IJburg

Aangezien er binnen de verdichtingsopgave weinig mogelijkheden zijn voor hoogbouw,

wordt er steeds meer naar de ondergrond gekeken. Met name binnen de

Ring is dat het geval. Er wordt gebouwd aan de Noord-Zuidlijn en kansen voor extra

verblijfsruimten liggen onder de winkelstraten zoals het Damrak, Rokin, P.C. Hooftstraat

en Ferdinand Bolstraat.

Alle toevoegingen in de boven- en ondergrond hebben enorme consequenties

voor het water. Bovengronds doorsnijden infrastructuur en bebouwing gebieden,

waardoor water lange afstanden af moet leggen om de boezem te bereiken. Ondergronds

ontstaan eveneens belemmeringen waardoor in het ene gebied grondwateroverlast

ontstaat als gevolg van grondwaterblokkades elders.

Hoewel geen twijfel bestaat over de noodzaak van verdichting, is aanpassing van de

ruimtelijke ingrepen aan het watersysteem onontkoombaar. Omgekeerd is het een

uitdaging het watersysteem goed te laten functioneren in een intensiverende metropool.

Met de klimaatverandering voor de deur wordt deze opgave nog urgenter.

Verandering van het klimaat

Zeespiegelstijging spreekt tot de verbeelding en is het overheersende kader geworden

in het denken over klimaatverandering. Hierbij wordt als eerste gedacht aan

problemen aan de kust: het risico op het doorbreken van duinen en dijken, waardoor

het land achter de duinen overstroomt. Het werkelijke klimaatvraagstuk is echter vele

malen complexer. Het kan namelijk ook warmer worden, heet zelfs en gedurende

lange perioden droog blijven. Maar het kan ook heftig en langdurig regenen wat

lokaal tot wateroverlast leidt en, gecombineerd met toenemende afvoeren van de

Rijn, tot wateroverlast benedenstrooms. En door de stijging van de zeespiegel rukt

het zoute water op richting essentiële drinkwaterbronnen.

De veranderingen in het klimaat hebben invloed op de ruimtelijke inrichting en het

gebruik van het stedelijk systeem en het watersysteem. Voor een aantal zaken is snel

en adequaat handelen noodzakelijk, zoals bescherming tegen overstromingen, maar

de klimaatverandering biedt ook aanknopingspunten voor een nieuwe ruimtelijke

strategie. Hitte is vervelend, maar water toevoegen in de openbare ruimte en een

groene aanplant, juist op plekken die sterk ‘versteend’ zijn, zorgt voor een kwaliteitsimpuls.

De behoefte aan meer ruimte voor de opvang en afvoer van extra water

moet samengaan met verbeteringen aan te krap gedimensioneerde watersystemen,

maar levert ook een bijdrage aan het versterken van de beleving en gebruiksmogelijkheden

van het water. Water is ook fun en biedt kansen voor nieuwe woonmilieus,

ander vormen van toerisme en innovaties op het gebied van water- en hittebestendig

39


ouwen en duurzaam materiaalgebruik. De verandering van het klimaat vraagt ook

om vergaande keuzen van sectoren als land- en tuinbouw: is verplaatsing van de

bollen- en bomenteelt aan de orde en gaan we andere producten eten? Kortom, op

alle terreinen van de ruimtelijke ordening heeft klimaatverandering invloed.

40

Amsterdam Klimaatbestendig

Wat zijn de opgaven?

Het ontwerpen van een klimaatbestendige stad die robuust, maar tegelijkertijd

flexibel is en samengaat met een leefbare aantrekkelijke stad, is geen gemakkelijke

opgave, aangezien het achterliggende probleem nog altijd als weinig concreet wordt

ervaren. De urgentie is er echter wel degelijk, zeker als meegenomen wordt dat

nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen het ruimtegebruik voor vele decennia vastleggen.

Politieke lef is nodig om over de bestuurlijke waan van de dag uit te stappen, met

onzekerheid om durven te gaan en investeringen voor de volgende generaties te

doen.

Het in balans brengen van de ruimtelijke ontwikkelingen en het watersysteem vergt

het nodige aanpassingsvermogen van beide kanten. De wateropgave en de ruimtelijke

opgave zijn voor een groot deel met elkaar verweven, aanhaken op transformatieprocessen

en meeliften op trends bieden de meeste kansen. Fundamentele

keuzen zijn noodzakelijk, want de stad ontwikkelt en nieuwe contouren en richtingen

worden nu bepaald. Bij klimaataanpassing is het de kunst de balans te zoeken tussen

mondiale klimaatwijzigingen en lokale effecten op de leefomgeving.

Amsterdam gaat de komende decennia werken aan de volgende opgaven:

Bescherming tegen overstroming

Omgaan met wateroverlast

Omgaan met watertekort

Omgaan met temperatuurstijging

Bescherming tegen overstroming

Als gevolg van klimaatverandering treden zeespiegelstijging, zwaardere stormen en

hogere piekafvoeren van rivierwater op. Daarnaast zal sprake zijn van meer regenval,

maar ook perioden van uitzonderlijke droogte.

De huidige primaire keringen zijn berekend op extreme hoogwatersituaties die

gemiddeld 1 keer in de 10.000 voorkomen. Om Nederland beter te beschermen

tegen het water uit het hoofdwatersysteem heeft de Deltacommissie voorgesteld

het veiligheidsniveau van alle dijkringen met een factor 10 te verhogen (zie deel 2

Het systeem boven water). In het Nationaal Waterplan staat dat in 2011 de nieuwe

norm per dijkringgebied wordt gedefinieerd (principebesluit) en dat hierover in


Veiligheidsnormen in de omgeving Amsterdam

2017 een definitief besluit wordt genomen. In Amsterdam vindt een aantal grootschalige

ruimtelijke ontwikkelingen plaats (o.a. transformatie van de IJ-oevers van

haven- in woongebieden, IJburg 2e fase en de verbreding van de noordelijke ring

A10), bovendien staat de stad gesteld voor een verdere verdichtingsopgave. Bij

deze ontwikkelingen zou je nu al graag de mogelijkheden en keuzes van de nieuwe

veiligheidsbenadering in beeld brengen.

Het waterveiligheidsbeleid is gebaseerd op een risicobenadering. Het voorkómen

van een overstromingsramp (preventie) behoudt de allerhoogste prioriteit en krijgt

vorm met een zandige kust en een ruim rivierbed, in combinatie met sterke dijken,

duinen, dammen en stormvloedkeringen. In het kader van het Deltaprogramma

wordt op basis van een kosten-batenanalyse en een analyse van de slachtofferrisico’s

onderzocht of aanpassing van de huidige veiligheidsnormen en dijkringindeling wenselijk

is. Ook de vorm waarin de normen worden vastgelegd (als overschrijdingskans

zoals in het huidige systeem of als overstromingskans) staat ter discussie.

Het Nationaal Waterplan stelt dat niet alleen aandacht nodig is voor het voorkómen

van overstromingen (preventie), maar ook voor het beperken van de gevolgen van

een mogelijke overstroming. Zorgvuldige ruimtelijke inrichting kan slachtoffers en

schade bij overstromingen beperken. Overstromingsrisico’s gaan daarom een sterkere

rol spelen bij afwegingen in de ruimtelijke planning. Ook voor de leefbaarheid

van onze delta op lange termijn zijn slimme locatiekeuzes en duurzame inrichting

van kwetsbare gebieden noodzakelijk. De rentabiliteit en de haalbaarheid van de

De IJoevers maken onderdeel uit van dijkring 44, het gebied buiten de stadkering

maatregelen voor deze opgave wordt groter als ze ook bijdragen aan andere (water)

opgaven en urgente gebiedsontwikkelingen.

Ondanks de forse inzet op het voorkómen van overstromingen en zorgvuldige

ruimtelijke inrichting kan een overstroming, klein of grootschalig, een bedreiging

vormen. Een goede (organisatorische) voorbereiding is essentieel om efficiënt te

kunnen handelen bij een eventuele overstromingsramp. Door de grotere nadruk

op ruimtelijke inrichting en rampenbeheersing krijgen ook andere partijen dan de

waterbeheerders een duidelijke verantwoordelijkheid voor waterveiligheid.

De regio Amsterdam wil samen met het rijk de mogelijkheden van een nieuwe

veiligheidssystematiek voor het stedelijke gebied onderzoeken. Versterking van

de kering bij IJmuiden en versterking van de noordelijke Lekdijk bieden weliswaar

de meest adequate bescherming tegen overstromingen vanuit zee en rivier, maar

Amsterdam vindt dat ook het eigen, regionale systeem op orde moet zijn. Juist in

de meest kwetsbare gebieden zoals de diepe polders en de IJ-oevers vindt sterke

verstedelijking plaats. Door excessieve regenval of juist lange perioden van droogte

kunnen dijken falen en polders vanuit de boezem worden overstroomd. Gemeten

naar het (toekomstig) aantal inwoners en de investeringen in deze gebieden is dat

een risico.

41


Om de Amsterdamse regio te beschermen zijn de volgende maatregelen aan de

orde:

Het versterken van de stadskeringen en de Waterlandse kering

Het op hoogte brengen van de nieuwbouwgebieden aan de IJ-oevers en in het

IJmeer

42

Het beschermen van de kwetsbare polders

1. De stadskering (Haarlemmerdijk, Zeedijk, Zeeburgerdijk) en de Waterlandse

kering (Schellingwouderdijk, Nieuwendammerdijk en Buiksloterdijk) zorgen er samen

met de Oranjesluizen, de dijken langs het Noordzeekanaal en de sluizen van IJmuiden

voor dat Amsterdam niet overstroomt. De stadskering is echter sinds de robuuste

maatregelen van Hudde (vanaf 1681) landinwaarts verschoven door aanplemping

van land en verkeersdoorbraken in de oorspronkelijke dijk (zie deel 1 Van moeras

tot metropool). Inmiddels liggen de keringen zowel aan de noord- als de zuidkant in

een dichtbebouwd en sterk verstedelijkt gebied. Aanpassingen en versterkingen zijn

vanwege die ligging en vanwege de cultuurhistorische waarde bijna onmogelijk. De

keringen zijn hoog genoeg, maar de sterkte is lastig te meten. De historische sluizen

die er onderdeel van uitmaken vormen een zwakke schakel. Het sluiten gebeurt

handmatig en is tijdrovend en de exacte sterkte is moeilijk te bepalen.

Integrale ophoging van de gehele transformatiezone van de noordelijke IJ-oevers

is een mogelijk alternatief voor dat deel van de Waterlandse kering ten noorden

van het IJ. Op de zuidelijke IJ-oever kan wanneer de keringen niet meer voldoen,

gedacht worden aan de realisatie van een alternatieve kering met de spoordijk als

basis.

2. De IJ-oevers liggen binnen dijkring 44 waarvan het beschermingsniveau (1:1250)

lager is dan van het omliggende gebied. In het nationale traject om tot nieuwe veiligheidsnormen

te komen wordt onderzocht of aanpassing van de dijkring nodig is. Als

het huidige beschermingsniveau gehandhaafd blijft, dan zal de transformatieopgave

van de IJ-oevers hier rekening mee moeten houden en zijn ruimtelijke maatregelen

nodig om de gevolgen en risico’s van een calamiteit te beperken. Door dijkring 44

op te waarderen naar 1:10.000 is aangepast bouwen waarschijnlijk alleen nodig voor

kwetsbare functies. Mogelijk is het zelfs beter dat de verschillende dijkringen geïntegreerd

worden.

In het IJmeer wordt volop gebouwd aan de eerste fase van IJburg. De tweede fase

staat in de planning. Het woongebied van de IJburgers wordt geheel omringd door

water. De nieuwe eilanden van IJburg komen integraal op voldoende hoogte te

liggen (in plaats van een laagliggende polder met een ringdijk). Dit betekent aan de

ene kant een betere bescherming tegen overstromingsgevaar en anderzijds meer

contact met het water vanaf het eiland. Om de bewoners nu en in de toekomst te

beschermen, zijn de waterkeringen zodanig aangelegd dat de kans op overstromen

slechts eens in de 4000 jaar is. Op IJburg is in de eerste fase ruimte gereserveerd

voor een peilstijging van 0,8 m. In het kader van het Nationaal Waterplan is besloten

dat het peil van het IJmeer/Markermeer niet meestijgt met de peilstijging van het

(noordelijke) IJsselmeer. De peilen worden te zijner tijd losgekoppeld. Hierdoor

blijven de gevolgen van een eventuele calamiteit beperkt. Voor de eilanden van de

tweede fase is de noodzaak om met de peilstijging rekening te houden door het

kabinetsbesluit komen te vervallen. Geen peilstijging is gunstig voor de kosten van

IJburg 2e fase, omdat minder opgehoogd hoeft te worden en/of minder oppervlakte

hoeft te worden gereserveerd voor toekomstige verhoging en versteviging van de

kering. Dit komt ten goede van de inrichting en de ruimtelijke kwaliteit. Uit oogpunt

van robuustheid is het wel noodzakelijk om voldoende veiligheidsmarge in te

bouwen.

3. Naast onderzoek naar het veiligheidsniveau van dijkring 44 pleit de gemeente

Amsterdam voor een onderzoek om het Amsterdam-Rijnkanaal opnieuw te compartimenteren

ter afwenteling van overstromingsgevaar vanuit de Lek. De schuif die er

in zat, is ten behoeve van de scheepvaart verwijderd. Maar als rivierafvoeren gaan

toenemen, is het mogelijk dat bij een doorbraak van de Lekdijk, onder andere delen

van de Zuidoostlob en de gehele Watergraafsmeer kunnen overstromen. De kans

dat dit gebeurt, mag dan wel klein zijn, de gevolgen zijn groot. Niet alleen preventie

is noodzakelijk, om de gevolgen van een overstroming zoveel mogelijk te beperken

is het van wezenlijk belang dat kwetsbare infrastructuur en voorzieningen (ziekenhuizen,

energiecentrales, datacentra, aan– en afvoerwegen) op voldoende hoogte

liggen. In de Watergraafsmeer ligt bijvoorbeeld de mondiale internethub SARA.

Om deze vraagstukken verder vorm te geven, gaat de gemeente een risicokaart

opstellen met overstromingsdiepten en -snelheden, de ligging van kwetsbare

infrastructuur analyseren en in dit kader richtlijnen opstellen voor nieuwe stedelijke

ontwikkeling. Dit gebeurt in de vorm van een gebiedspilot meerlaagsveiligheid die

onderdeel uitmaakt van het Deltaprogramma.


Omgaan met wateroverlast

Een klimaatbestendige Metropool vergt niet alleen maatregelen tegen overstromingen.

De zeespiegelstijging is niet het enige waar we mogelijk mee te maken krijgen.

Extreme weercondities vragen ook om omgang met heftige neerslag. Het vasthouden

en bergen van water in de bodem en in open water wordt lastiger, naarmate de

stad meer verdicht, verharding van privé en openbare ruimten toeneemt en ruimte

in het oppervlaktewater beperkt is. Als het vaker en harder gaat regenen ontstaan er

problemen met de berging- en afvoercapaciteit van het oppervlaktewatersysteem en

de riolering. De knelpunten hebben betrekking op ofwel de regenwaterafvoer, ofwel

het grondwater, ofwel het hydraulisch functioneren van het systeem. Om wateroverlast

zoveel mogelijk te beperken, zal aan de volgende opgaven gewerkt moeten

worden:

Door een combinatie met zeespiegelstijging wordt de afvoercapaciteit van

IJmuiden beperkt. Spuien is op den duur niet meer mogelijk en de gemaalcapaciteit

zal ook afnemen door een groter wordend verschil met de zeespiegel. De

opgave is de afvoercapaciteit van IJmuiden op peil te houden of de gevolgen te

beperken;

De afvoercapaciteit van de boezem (i.c. de route naar gemaal Zeeburg) zal

verbeterd moeten worden;

Het vinden van voldoende spons- en bergingsmogelijkheden in stedelijk gebied is

nodig om water in gebouwen (kelders) te vermijden en langdurig water op straat

te voorkomen.

De maatregelen die Amsterdam gaat nemen, hebben betrekking op de in het

Nationaal Bestuursakkoord Water afgesproken trits “vasthouden-bergen-vertraagd

afvoeren”. Bij de aanleg van nieuwe en beheer van bestaande voorzieningen wordt

steeds een onderscheid gemaakt in voorzieningen die te maken hebben met het

stedelijke afvalwater, hemelwater en het grondwater. De komende jaren zal aanleg

van riolering plaatsvinden in nieuwbouwgebieden. Hierbij wordt waar mogelijk

gebruik gemaakt van nieuwe, innovatieve technieken. Bodemdaling wordt steeds

belangrijker en heeft een belangrijke invloed op het functioneren van de riolering.

De problemen met de polderriolen moeten in 2015 definitief zijn opgelost. Maatregelen

om grondwaterproblemen te vermijden zijn locatieafhankelijk en hebben

betrekking op integraal ophogen van het maaiveld, grondverbetering of bouwkundige

aanpassingen (hoogteligging begane grond, kruipruimtes, etc.). Bovendien is

een andere kijk op ondergronds bouwen nodig.

Groene gevel als waterberging

De inzet voor bestaand stedelijk gebied is om in iedere geval de afvoer van regenwater

te vertragen. Bij nieuwbouw of verbouw zorgen particulieren voor een berging

van circa 10-20 mm neerslag, bijvoorbeeld door de toepassing van groene daken.

Alleen in de tuinsteden is infiltratie een reële mogelijkheid. Voor alle andere gebieden

is afvoer van het hemelwater naar oppervlaktewater het uitgangspunt.

In het verstedelijkte centrum binnen de Ring dragen groene daktuinen, vegetatiedaken,

regentonnen, onverharde binnenterreinen allemaal bij aan het vasthouden en

vertraagd afvoeren van regenwater en zorgen indirect voor een verbetering van het

woonklimaat en de microfauna. Het stimuleren ervan is een kwestie van veel geduld

en communicatie met particuliere eigenaren.

In de openbare ruimte kan gemeente Amsterdam veel zelf doen. Zo zorgen stoepranden

in het straatprofiel ervoor dat wegen tijdelijk regenwater kunnen bergen. In

de binnenstedelijke winkelstraten is dit problematisch. Aanvankelijk lagen de entrees

van panden hoger dan het straatprofiel, inmiddels zijn de meeste gelijkvloers aan

43


Ruimte voor bomen en waterberging

gelegd waardoor de bergingsmogelijkheden zijn afgenomen. Een slimme inrichting

moet hier de wateroverlast in de toekomst beperken.

Waar de reguliere inrichting nogal eens tekort schiet, zijn innovatieve maatregelen

om water te bergen, vast te houden en af te voeren nodig. Een voorbeeld van

meervoudig grondgebruik is het creëren van waterberging onder de openbare weg,

onder parkeerterreinen en sport- en speelvelden.

Dit betekent maatwerk, want 100 meter verder kan de boven- en ondergrondse

situatie weer anders zijn. De “Puccinimethode” is een Amsterdamse standaard voor

de inrichting van de openbare ruimte die zo langzamerhand steeds meer wordt

toegepast. Door de methode waterbestendig te maken kan regenwater op kleine

schaal geborgen worden en wordt de wateropgave meer zichtbaar in de stedelijke

omgeving. Waterbestendig, door gebruik van waterdoorlatende materialen, door

gebruik van de juiste beplanting en bergingsmogelijkheden als fonteinen en

water(speel)pleinen. De Rode Loper, maar ook de Wibautstraat zijn plekken waar de

zichtbaarheid van de wateropgave gunstig kan uitpakken voor de ruimtelijke beleving

en kwaliteit. Hoewel er voldoende innovatieve maatregelen zijn om Amsterdam

44

regenwaterbestendig te maken, laat de toepassing, vanwege onduidelijkheden over

beheer en kosten, nog wel eens op zich wachten. Daarom is het programma ‘Amsterdam

Rainproof: klaar voor de bui’ opgestart. In dit programma wordt uitgewerkt hoe

Amsterdam in de (nabije) toekomst met regenwater wil omgaan om zo wateroverlast

zo veel mogelijk te beperken.

De stad buiten de ring en het landelijk gebied bestaan voornamelijk uit polders. Bij

langdurige en heftige regenval is de bodem snel verzadigd en verzamelt het water

zich in het oppervlaktestelsel, van sloten vaarten en plassen. Daar waar het kan, zal

het oppervlaktestelsel extra capaciteit moeten krijgen om de klimaatsverandering bij

te benen, door verbreding van sloten, baggeren en het wegnemen van knelpunten

in het afvoersysteem. Ook de aanleg van natuurvriendelijke en ecologische oevers

creëert meer waterberging.

In de stedelijke polders met weinig oppervlaktewater en veel verhard oppervlak

is het woekeren met voldoende ruimte voor water. Naast het verbeteren van de

capaciteit van het boezemsysteem zijn aan de rand van de stad bergingsgebieden

gewenst voor de opvang van water. Maar meestal kan dat niet, omdat daarmee het

bergingsprobleem afgewenteld wordt en het stedelijk boezemsysteem nog meer

wordt belast. Natuurlijk is meer oppervlaktewater nodig om verdichting te compenseren,

maar de grootste opgave ligt ook hier in de spons- en bergingsmaatregelen

en het oplossen van hydraulische knelpunten.

Het afvoeren van water in polders is lastig, omdat de weg naar een gemaal vaak

lang is en profielen van watergangen smal, waardoor de doorvoercapaciteit wordt

beperkt. Een gevolg is dat de sloten bij het gemaal nagenoeg droog staan, terwijl

midden in de polder het water tot de slootrand komt en het maaiveld inundeert.

Dit probleem speelt ook op hoger schaalniveau, in de boezem van Amstelland. Het

gemaal in Zeeburg heeft een grote capaciteit en blijft noodzakelijk voor de hoogwaterbemaling

van de Amstel- en stadsboezem. Enkele bottlenecks, met name in de

binnenstad van Amsterdam, staan deze efficiënte afvoer in de weg (zie deel 2 Het

systeem boven water). Door slechte afvoer kan het water stroomopwaarts stijgen en

worden verstedelijkte polders bedreigt met overstroming. In de laagste gedeelten

van de veenweidegebieden zijn de waterstanden in de natte perioden van het jaar in

de huidige situatie al hoog. Extra neerslag kan dan niet of nauwelijks worden geborgen.

Hoewel het gebruik, veenweide, dus grasland, hoge waterstanden relatief goed

verdraagt, wordt het bij grote en langduriger wateroverlast (vooral in het voorjaar)


op langere termijn de vraag in hoeverre dit gebruik economisch rendabel is en de

huidige gebruiksfuncties gefaciliteerd kunnen blijven worden.

Omgaan met watertekort

Hogere temperaturen en veranderende neerslagpatronen leiden, in de zomermaanden,

tot toenemende watertemperaturen en drogere omstandigheden die van

invloed zijn op de beschikbaarheid van zoet water en op de kwaliteit van het water.

De droogte is het gevolg van een toename van de verdamping en van het optreden

van meer en langduriger perioden zonder neerslag.

De mate waarin dergelijke periodes met minder neerslag optreden, is vooral afhankelijk

van wijzigingen in de luchtcirculatiepatronen waar ons land in de toekomst

(mogelijk) mee wordt geconfronteerd.

De droogte zal belangrijke gevolgen hebben voor uiteenlopende vormen van

gebruik. Lagere waterstanden op de rivieren verminderen de bevaarbaarheid. In de

zomer van 2003 kon op de Waal (de belangrijkste vaarweg van West-Europa) alleen

in het midden van de vaargeul gevaren worden. Als lage waterstanden door droogte

vaker gaan voorkomen heeft dat verstrekkende consequenties voor de economische

ontwikkeling van West-Nederland.

In de zone rond het Amsterdam-Rijnkanaal en het Noordzeekanaal wordt op verschillende

plekken water ingenomen voor de elektriciteitsproductie. In 2003 werd

op de lage watertoevoer gereageerd door het opzetten van de waterpeilen in de

kanalen (inlaat vanuit de Lek) en het uitmalen via IJmuiden. Dit zorgde voor continue

stroming van het water, waardoor de koelwaterproblematiek onder controle kon

blijven. De vraag is of dit in de toekomst nog kan als de beschikbaarheid van water

verder afneemt. Bestaande en nieuwe bedrijvigheid zullen hier rekening mee moeten

houden. Ook intensieve, hoogwaardige teelten (glastuinbouw, bollenteelt, tuinbouw

en boomkwekerijen en boomgaarden) zullen relatief grote negatieve gevolgen

ondervinden van de toenemende droogte.

Een toename van droogte draagt (extra) bij aan de inklinking van de veengebieden,

waardoor de bodem nog sneller daalt en landschappelijke en ecologische waarden

worden bedreigd.

Door de droogte zal er minder zoet water beschikbaar zijn om de verziltende

regionale systemen door te spoelen. Zeewater komt onder andere via de sluizen bij

IJmuiden het land binnen. Daardoor is het water van het Noordzeekanaal brak. Voor

een deel is verzilting en een hoog zoutgehalte van nature aanwezig in een aantal

diepe polders in West-Nederland. Het zoute grondwater dat onder druk naar boven

komt wordt zoute kwel genoemd. Eén van de meest toegepaste oplossingen om

verzilting te bestrijden, ondermeer om agrarisch gebruik voort te kunnen zetten, is

doorspoelen met zoet rivierwater. Noord-Holland ten noorden van het Noordzeekanaal

gebruikt grote hoeveelheden Markermeerwater voor het doorspoelen en op

peil houden van het watersysteem. Ook de Amsterdamse grachten worden doorgespoeld

met water vanuit het Markermeer/IJmeer. De gevolgen van de proef die nu

loopt om alleen te spoelen als zuurstofmetingen dat nodig achten, moeten nog in

beeld worden gebracht.

Door een stijgende zeespiegel zal het zoute water zich verder stroomopwaarts

verplaatsen en via de waterinlaatpunten ook de boezem en de daarmee verbonden

polders verzilten. In theorie zal er naarmate de verzilting toeneemt, meer doorgespoeld

moeten worden. Maar dit zet de zoetwatervoorziening in het westen van

Nederland nog meer onder druk. Nu wordt bij de verdeling van het schaarse rivierwater

bepaald in welke volgorde het schaarse water aan de verschillende gebruikers

wordt toebedeeld (zie deel 2 Het systeem boven water). Het gaat een probleem

worden als in de toekomst droge perioden (zoals in 2003) langer gaan duren en er

minder zoet rivierwater beschikbaar is. Uiteindelijk is het een kwestie van accepteren

en zal het nodig zijn om over te gaan op minder zoutgevoelige soorten zowel in de

land- en tuinbouw als voor de aanplant van stedelijk groen en op gebruiksfuncties

die minder zoet water vragen.

Het IJsselmeer, de nationale regenwaterton

45


Waterberging op particulier terrein

De Deltacommissie adviseert om het IJsselmeer in de toekomst te benutten als

nationale regenton om over voldoende zoet water te kunnen beschikken. Om het

IJsselmeer als zoetwatervoorraad te gebruiken, is een peilverhoging nodig en

aanpassingen in het watersysteem in de regio om grote fluctuaties mogelijk te maken

en te zorgen dat er voldoende ruimte blijft voor berging en afvoer van piekbuien.

Sinds de aanleg van de Afsluitdijk is de getijdendynamiek weg uit de voormalige

Zuiderzee. Het peilbeheer is voor het IJsselmeer kunstmatig en wordt door Rijkswaterstaat

uitgevoerd door bij sluizen water te spuien of in te laten. Vanaf de aanleg

van de Houtribdijk geldt dat beheer apart ook voor het compartiment Markermeer/

IJmeer. De streefpeilen in beide meren, het IJsselmeer en Markermeer/IJmeer, zijn

nu nog identiek.

Bij het huidige, tegennatuurlijke peil staat het water hoog in de zomer (NAP -0,20m)

en laag in de winter (NAP-0,40m). Vanwege de aanvoer van smeltwater zou hoger

in de winter en heel erg hoog in het voorjaar normaal zijn. Ook zou normaal, dus

46

natuurlijk, zijn dat het peil vervolgens in de zomer naar beneden zakt, omdat de

aanvoer minder is en er verdamping optreedt. Dit natuurlijk peilverloop zou het

beste voor de natuur in het gebied zijn.

Dat kunstmatige peil is er echter niet voor niets. In de winter is het peil uit oogpunt

van veiligheid zo laag mogelijk waardoor er ruimte wordt gecreëerd voor wat er

eventueel via de piekafvoer van de IJssel aan water bijkomt. Daarnaast stuwt de wind

bij zware storm het water op waardoor de dijken het zwaar te verduren hebben. Ook

op zee kan het in die tijd flink waaien. Bij een noordwestenstorm en springvloed is

spuien (bij de Afsluitdijk) bijvoorbeeld soms zelfs onmogelijk, terwijl de aanvoer van

water via de IJssel wel doorgaat. In die situatie is de extra ruimte voor water nodig.

Voor het vergroten van de zoetwatervoorraad en een verbetering van de ecologische

ontwikkeling wordt veel verwacht van een seizoensgebonden peil: wel laag in de

winter, maar het peil eerder in het voorjaar opzetten (i.p.v. maart al in februari wanneer

de kracht van stormen afneemt) en meer ruimte voor peil uitzakken in de zomer

naar een lager peil in het najaar. Een helemaal natuurlijk peilverloop is niet mogelijk

vanwege de veiligheid in de winter en de zoetwatervoorziening in de zomer. Het is

wel zaak op te letten dat vrachtschepen in sluizen niet vast gaan lopen, dat funderingen

niet worden aangetast en dat er nog steeds water ingelaten kan worden in

Noord-Holland. Stijging of daling van het peil kan hinder geven aan een klein deel

van de recreatievaart, feitelijk alleen aan boten met de hoogste masten en grootste

diepgang.

Als structureel wateraanvoer vanuit het IJsselmeergebied wenselijk wordt, is een

geschikte route nodig waarlangs het water naar West-Nederland wordt getransporteerd

zonder dat dit tot problemen leidt. In de droge zomer van 2003 is de

‘Tolhuissluisroute’ gebruikt voor het transport van zoet water uit het IJsselmeer naar

het westen van het land, maar die kan niet permanent functioneren als aanvoerroute,

omdat dan de afvoer van water vanuit de Amstel- en stadsboezem onmogelijk wordt

en de scheepvaart in Amsterdam langdurig gestremd wordt. Een onderzoek, vanuit

waterbeheer en ruimtelijke ordening, naar alternatieve mogelijkheden voor doorvoer

van water is nodig. En dan nog is het de vraag of het voldoende is. Hierin zullen

scherpe keuzes gemaakt moeten worden welke gebieden en functies meer zout kunnen

verdragen of dat functies moeten veranderen. Het besluit, welke gebieden meer

zelfvoorzienend moeten worden en welke functies (bepaalde natuurgebieden die


Bomen zorgen voor verkoeling

Bewoners hebben behoefte aan meer waterrecreatie plekken

gevoelig zijn voor zout water) zoet water blijven krijgen, wordt nationaal afgewogen

en in 2015 genomen.

De huidige drinkwaterproductie heeft potentie voor optimalisatie. Het productieproces

functioneert goed, maar aanpassingen zijn nodig om in de toekomst voldoende

en betaalbaar water te kunnen blijven leveren. Met de combinatie van brakke kwel

wordt het productiesysteem meer flexibel en klimaatrobuust. Dat is nodig, omdat

de belangrijkste zorg voor het drinkwater de waterkwaliteit van de Rijn is bij lage

afvoeren.

In stedelijk gebied is het zoetwatertekort aanleiding voor onderzoek of in plaats

van het schone IJsselmeerwater, brak IJ-water een goed alternatief is voor het

doorspoelen van de grachten. Een ander gevolg van langdurige droogte is dat het

grondwaterpeil kan dalen als de verdampingsverliezen niet worden aangevuld vanuit

het oppervlaktewater. Daardoor kunnen de koppen van de houten funderingpalen in

de oudere stadsdelen droog komen te staan. Het is mogelijk dat droge zomers vaker

gaan voorkomen en de houten funderingen op den duur vervangen of geïmpregneerd

moeten worden door beton, maar dat is een lastige en prijzige opgave gezien

de vele monumenten die de stad telt. Door de gedifferentieerde bodemopbouw is

nog onduidelijk hoe groot het probleem precies is. Van belang is hier meer grip op

te krijgen en in kaart te brengen waar het probleem zich, naast de gebieden rond de

oude stadsparken, voordoet. Slimme manieren om grondwaterpeil te beïnvloeden en

op een andere manier funderen zijn oplossingsrichtingen.

Omgaan met temperatuurstijging

In de discussie over klimaatverandering is het verschijnsel urban heat island nog een

vrij onbekend verschijnsel. In een stad is het door de concentratie van activiteiten

en verkeer altijd warmer dan in het landelijke gebied. In 2009 gaven metingen in

Amsterdam en Rotterdam overdag een temperatuurverschil aan van 7°C. Dit komt

omdat in steden meer verhard oppervlak aanwezig is waardoor er minder verdamping

plaatsvindt; er is minder wind die voor afkoeling van gebouwen zorgt en het

zonlicht wordt in steden door asfalt en bebouwing meer geabsorbeerd dan in de omliggende

gebieden. Uit onderzoek is bekend dat het vaker en langdurig voorkomen

van hitte een steeds groter probleem wordt voor de gezondheid met vroegtijdige

sterfte, ziekte en arbeidsuitval als meest in het oog springende symptomen.

Amsterdam ligt in de invloedssfeer van de zeewind, dichtbij open water en heeft

veel groen en water binnen de stadsgrenzen waardoor het hitte-eilandeffect hier nu

47


nog vrij beperkt is. Bomen in straten en parken hebben een verkoelend effect: door

de schaduwvorming is de temperatuur onder bomen lager en ze absorberen minder

zonlicht dan bijvoorbeeld asfalt.

Door hogere temperaturen als gevolg van klimaatsverandering neemt het aantal

extreem warme dagen toe. In sterk versteende gebieden binnen de metropool zal

tijdens warme zomers de vraag naar verkoeling toenemen en in het algemeen de

behoefte om gebouwen hittebestendig te maken.

Maatregelen om (nieuwe) gebouwen hittebestendig te maken (en gebruik van

airconditioning te voorkomen) variëren van groene daktuinen en gevels en materiaal

dat minder warmte absorbeert tot lichte dakbedekkingen en aanpassingen die

natuurlijke ventilatie bevorderen. En op bouwblokniveau zorgen onderbrekingen van

de gevel voor een betere windcirculatie.

Parken, groene pleinen en terrassen met bomen zullen intensiever worden gebruikt

en de betekenis van groen en water in de directe woonomgeving wordt nog belangrijker

bij de woonlocatiekeuze. Groene steden scoren niet voor niets hoog als het

gaat om locatiekeuze van bedrijven en bewoners.

Een visie op groen en blauw in de stad is hard nodig, want het zijn dé oplossingen

voor de omgang met hitte. Groen en water in privé en openbare ruimten is van

wezenlijk belang voor een aangenaam leefmilieu. Groene daken kunnen enerzijds

ingezet worden voor waterberging en houden in warme perioden de hitte buiten.

De diepe stadplassen en het IJ vormen een belangrijke bron van verkoeling voor de

stadsbewoners. Het water is koel en door de grote open ruimte is op hete dagen

hier vaak nog net een zuchtje wind te vinden. Toegankelijkheid en inrichting van

de openbare oevers en het water kan op veel plekken beter zonder dat dit grote

investeringen vergt. Op eenvoudige wijze zijn zitsteigers, waterstoepen en kleine

strandjes aan te brengen waardoor het verblijf in de stad ook gedurende de zomermaanden

plezierig is.

In de 19e eeuwse gordel is relatief weinig water te vinden, terwijl het percentage

verhard oppervlak hier hoog is. Het toevoegen van oppervlaktewater is vanwege

de beperkte ruimte niet realistisch. Het plaatsen van bedriegertjes of waterspuwers,

speelbadjes en waterspeelplekken, is wel mogelijk en maakt van de openbare ruimte

een aangename en aantrekkelijke plek.

48

Als het langere perioden erg warm wordt, zal de behoefte aan zwemwater toenemen,

tegelijkertijd zal de watertemperatuur toenemen wat een bedreiging is voor

de kwaliteit (algengroei, botulisme) en kan leiden tot gezondheidsrisico’s. Waar

het water stilstaat ligt stankoverlast op de loer, zowel in kleine als in grote wateren.

Voldoende doorstroming en natuurlijke oevers zijn maatregelen die de kwaliteit van

het water op peil houden.

Tijdens de zomer in 2003 mochten elektriciteitscentrales geen (opgewarmd)

koelwater lozen in verband met gevaar voor thermische verontreiniging van het

oppervlaktewater. Ondertussen is de norm verruimd, maar dit kan op termijn één van

de grootste vraagstukken in de regio worden.

Organisatie van het waterbeheer in de

regio Amsterdam

Watercyclus

In de zogenoemde watercyclus (drinkwatervoorziening, afvalwaterinzameling- en

transport, afvalwaterzuivering, oppervlaktewater- en grondwaterbeheer) zijn verschillende

partijen betrokken, met elk hun eigen taken en verantwoordelijkheden.

Rijkswaterstaat, waterschap en hoogheemraadschap

Waterschappen, hoogheemraadschappen en Rijkswaterstaat zijn de waterbeheerders.

Zij voeren het beheer over de kwantiteit (droge voeten) en kwaliteit van het

oppervlaktewater. Bij grote wateren, zoals rivieren, de zee en belangrijke kanalen, is

Rijkswaterstaat de waterbeheerder. In de regio Amsterdam worden het Noordzeekanaal

en het gemaal in IJmuiden beheerd door Rijkswaterstaat Noord-Holland, het

Amsterdam-Rijnkanaal door Rijkswaterstaat Utrecht en het IJmeer/Markermeer door

Rijkswaterstaat IJsselmeergebied. De overige regionale wateren, waar o.a. ook de

grachten van Amsterdam onder vallen en gemaal Zeeburg worden beheerd door de

waterschappen. Het beheer van de kleinere wateren, vijvers en plassen is de verantwoordelijkheid

van de gemeente.

Waterschappen zorgen voor droge voeten (bescherming tegen overstromingen),

peilbeheer, waterkwaliteit, het zuiveren van afvalwater en vaarwegbeheer. Amster-


Legenda

boezem

afroer

Rijkswaterstaat Noord Holland

Organisatie van het waterbeheer

IJmuiden

Hoogheemraadschap Rijnland

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht

Rijkswaterstaat Utrecht

Rijkswaterstaat

IJsselmeergebied

Waterschap

Zuiderzeeland

dam ligt in het beheergebied van twee waterschappen: Waterschap Amstel, Gooi en

Vecht (AGV) en Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Verreweg

het grootste deel van de Amsterdamse regionale wateren is in beheer van AGV.

HHNK beheert regionale wateren in het noorden van Amsterdam

Provincie Noord-Holland

De Provincie is verantwoordelijk voor diepe grondwateronttrekkingen en beheert

een aantal vaarwegen. Daarnaast toetst zij het waterbeleid van de waterschappen.

Ook kan zij taken van de waterschappen vaststellen en veranderen.

Gemeente Amsterdam

De gemeente Amsterdam is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport

van afvalwater in de stad. Het gaat hier om het rioolwater dat afkomstig is van huizen

en bedrijven. De gemeente voert het beheer en onderhoud aan de riolering uit.

De gemeente is echter niet alleen verantwoordelijk. Huiseigenaren zijn zelf verantwoordelijk

voor hun eigen aansluiting op het openbare riool. Vanaf het aansluitpunt

op het gemeentelijk riool neemt de gemeente de verantwoordelijkheid over. Het

rioolwater wordt via een netwerk van buizen en pompen naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie

(RWZI) gepompt. De RWZI valt onder de verantwoordelijkheid van het

waterschap of het hoogheemraadschap.

De gemeente heeft, op grond van de Wet gemeentelijke watertaken ook een zorgplicht

voor het grondwater en het hemelwater in de stad. Dit laatste houdt in dat de

gemeente zorgt voor de afvoer van regen en smeltwater naar het oppervlaktewater

of naar de riolering. De zorgplicht voor grondwater betekent niet dat de gemeente

aansprakelijk is voor grondwaterproblemen, maar wél aanspreekbaar.

De beleidskaders van de gemeente staan in het Plan gemeentelijke watertaken.

Waternet

De Gemeente Amsterdam en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht hebben hun

uitvoerende taken op het gebied van water ondergebracht bij Waternet. Waternet is

het eerste bedrijf in Nederland dat zich richt op de hele watercyclus, van drinkwater

tot afvalwater. Waternet is een uitvoerende organisatie. In het hele werkgebied zorgt

Waternet voor:

productie en levering van drinkwater (in een 9-tal gemeenten)

riolering en schoonhouden van de grachten (gemeente Amsterdam)

zuivering van afvalwater

schoon oppervlaktewater

de bescherming van het gebied tegen overstroming

het juiste waterpeil in rivieren, meren, grachten en sloten

bevaarbaar houden van watergangen

Waternet wordt bestuurd door de gemeente Amsterdam en het Waterschap Amstel,

Gooi en Vecht (AGV). Zij scheppen de voorwaarden waaronder Waternet goed kan

functioneren.

Het werk- en verzorgingsgebied van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht omvat

de gemeente Amsterdam en een groot gebied in de provincie Utrecht en Noord-

Holland. Er wonen en werken ongeveer 1,2 miljoen mensen.

49


4 Samenvatting

50

N.A.P.


+20

+10

0

- 10

- 20

- 30

- 40

De Metropoolregio Amsterdam is een veilige en waterbestendige regio. De

manier waarop de stad in de loop van de tijd in wisselwerking met het water is

ontstaan en ontwikkeld, maken het tot een robuuste stad. Nieuwe ontwikkelingen,

behoeften en technieken hebben steeds opnieuw geleid tot aanpassingen

van de stad en het watersysteem. Klimaatverandering en een verdere verdichtingsopgave

in de stad vragen opnieuw om bijstelling.

51


Inleiding

Het klimaat verandert, waardoor de zeespiegel stijgt en rivieren in bepaalde perioden

meer water af zullen voeren. Hierdoor neemt het risico op overstromingen toe.

Bovendien zullen er vaker intensieve regenbuien optreden, die lokaal moeilijk zijn op

te vangen en tot wateroverlast en schade kunnen leiden. Maar ook langere periodes

van droogte en hitte kunnen het stedelijke leefklimaat onaangenaam maken en

zorgen voor verlaging van de grondwaterstand.

Tegelijkertijd zal de stad in toenemende mate transformeren en verder verdichten.

Er zullen meer woningen op het zelfde oppervlak verrijzen, er zal meer in de ondergrond

gebouwd worden en de buitenruimte zal intensiever worden gebruikt. Ook

deze ontwikkelingen zullen het watersysteem onder druk zetten. Daarom moeten er

nieuwe oplossingen worden gevonden voor bijvoorbeeld voldoende waterberging

en een adequaat grondwaterpeil.

Er zijn een groot aantal klimaatopgaven die pas op termijn echt gaan spelen, maar

nu al aandacht en oplossingsrichtingen vragen. De specifieke ligging van de Metropoolregio

Amsterdam op een knooppunt van watersystemen zorgt in combinatie

met de economische bedrijvigheid en het gunstige investeringsklimaat voor een

complexe opgave. Het betreft de sterkst groeiende regio van Nederland waar grote

investeringen gedaan worden.

Voor de regio is het van groot belang dat de verschillende opgaven in samenhang

beschouwd worden. Er liggen volop kansen om klimaatbestendigheid te realiseren

in specifieke waterprojecten, maar aanhaken bij lopende ruimtelijke processen biedt

veel meer en bovendien meer robuuste en efficiënte mogelijkheden.

Het watersysteem

De Metropoolregio Amsterdam is een waterknooppunt. Op deze plek komen het

hoofdwatersysteem (IJsselmeergebied, Amsterdam-Rijnkanaal/Noordzeekanaal) en

de regionale systemen (stadsboezem, Amstellandboezem) bij elkaar. Bijzonder is

dat de Amstellandboezem in open verbinding staat met het Amsterdam-Rijnkanaal

en het Noordzeekanaal. Voor Amstelland is de Amstel de snelweg die overtollig

water uit de polders en veenweidegebieden dwars door de stad afvoert naar het IJ.

52

Vandaar stroomt het richting IJmuiden waar het water gespuid of uitgemalen wordt

op de Noordzee.

In normale omstandigheden lijkt het vanzelfsprekend dat in alle componenten het

water staat op het peil dat we willen en dat het stroomt waar het moet stromen.

Maar in periodes van veel neerslag in eigen land en de bovenstroomse buurlanden,

of tijdens langdurige periodes van droogte, moet er voortdurend aan de ‘knoppen’

worden gedraaid om alle met water verbonden belangen te kunnen blijven dienen.

De regio ligt in dijkring 13, 14 en 44. De veiligheidsnorm van dijkring 44, waarin de

Noordzeekanaalzone en dus ook de IJ-oevers zijn gelegen, is vele malen lager dan

die van de omliggende dijkringen. Dit gebied transformeert in snel tempo van voormalig

havengebied in gemengd stedelijk woongebied. De primaire keringen (de sluis

bij IJmuiden, de Oranjesluizen tussen IJ en IJmeer, de dijken lang het Markermeer/

IJmeer en de keringen langs de Lek) bepalen voor een belangrijk deel de veiligheid

van de regio. Andere waterkeringen en kunstwerken beschermen tegen overstromingen

van regionale wateren of werken als 2e verdedigingslinie bij een overstroming

vanuit de grote wateren. Veel van deze keringen liggen midden in stedelijk gebied

en zijn volledig bebouwd zoals de Amsterdamse stadskering.

De wateropgaven

Met het oog op de toekomstige ontwikkelingen is het van belang te weten waarom

zaken geregeld zijn zoals ze zijn geregeld en de aspecten te kennen die nauw met de

waterverdeling verbonden zijn, zoals veiligheid, wateroverlast, watertekort, droogte

en verzilting. Evenzo is het van belang te weten waar de schoen wringt en welke

knelpunten we kunnen verwachten als de klimaatverandering doorzet. Een integrale

benadering van de vraagstukken vanuit de watersector en de ruimtelijke ordening

gezamenlijk is essentieel.

De opgaven zijn als volgt:

Bescherming tegen overstroming

Om Amsterdam te beschermen tegen overstromingen moeten de primaire keringen

mogelijk worden versterkt om te kunnen voldoen aan de nieuwe veiligheidsnormen.

De vraag is welke regionale keringen (onder andere de westelijke kering van het

Amsterdam-Rijnkanaal) en sluizen nu en de toekomst niet voldoen aan de veiligheids-


normen. Welke beschermingsmaatregelen zijn nodig voor de gebieden buiten de

stadskeringen? Zijn andere maatregelen dan hogere dijken mogelijk zoals ophoging

van de IJ-oevers afdoende en hoe kan het spoortalud als alternatief bijdragen aan de

bescherming van de binnenstad?

Omgaan met wateroverlast

Het beperken van de wateroverlast kan in de eerste plaats door zoveel mogelijk

water vast te houden en te bergen door op lokaal niveau meer open water te creëren

en het realiseren van bergingsvoorzieningen in het straatprofiel, op daken en onder

sportvelden en parken.

Zorgvuldige omgang met de ondergrond is essentieel om grondwateroverlast te beperken.

De ruimte daarvoor is, zeker in de bestaande stad beperkt. Daarnaast moeten

de hydraulische knelpunten (bruggen, woonboten) in het watersysteem worden

opgelost waardoor de afvoercapaciteit verbetert. Niet alle wateroverlast is echter te

voorkomen. In de toekomst zal tijdelijke wateroverlast op straat een kwestie zijn van

acceptatie. Op den duur zal door zeespiegelstijging het gemaal in IJmuiden minder

goed functioneren. Hierdoor zullen ook in de boezem van het Noordzeekanaal en de

stadsboezem grotere fluctuaties optreden. Een deel kan het systeem zelf opvangen,

mogelijk met kleine aanpassingen. Behoud en verbetering van de afvoer bij IJmuiden

en de alternatieve afvoerroute naar het IJmeer (via gemaal Zeeburg) blijft van groot

belang om extreme situaties het hoofd te bieden.

Omgaan met watertekort

Voor de zoetwatervoorziening wordt het IJsselmeer in perioden van langdurige

droogte nog belangrijker. Een goede aanvoerroute naar West-Nederland waarvan de

waterbeheertechnische, ruimtelijke en economische consequenties zijn te overzien

wat betreft kosten is er nog niet. Om ecologie en de zoetwatervoorziening van het

Markermeer/IJmeer in balans te houden wordt gestreefd naar een seizoensgebonden

peil. Het meestijgen van het Markermeerpeil met die van het IJsselmeer is,

conform het kabinetsbesluit, niet aan de orde.

Door de druk op de zoetwatervoorraad is minder water beschikbaar voor het doorspoelen

van het watersysteem. Verzilting zal in sommige gebieden en voor sommige

gebruiksfuncties in zekere mate geaccepteerd gaan worden. Voor de doorspoeling

van de grachten is brak IJ-water een mogelijk alternatief.

In stedelijk gebied is aandacht nodig voor grondwateronderlast (met paalrot als

gevolg). Bouwen in de ondergrond kan leiden tot zowel grondwateronderlast als

overlast, met grote gevolgen, en moet om die reden zorgvuldig gedaan worden.

Door langdurige droogte en een snellere bodemdaling als gevolg wordt de landschappelijke

waarde van de veenweidegebieden aangetast als er geen maatregelen

worden genomen.

Omgaan met temperatuurstijging

Hogere temperaturen en verdere verstening kan het urban heat island –effect

versterken. Het reeds aanwezige open water (IJ, grachten) als openbare ruimte kan

verkoeling bieden. Daar waar nodig kunnen verdere aanpassingen van openbare

ruimten (parken, pleinen, terrassen, stadstranden) door toevoeging van water en

groen voor afkoeling en beschutting zorgen. Het belang van bomen, groene gevels

en daktuinen leveren ook een positieve bijdrage aan de vermindering van het aantal

hitte-eilanden. Aandacht is nodig voor de waterkwaliteit en de koelwaterproblematiek

van energiecentrales.

Amsterdam staat voor een forse opgave. Deels maakt de wateropgave van Amsterdam

onderdeel uit van een veel groter geheel. Deze zullen in nationaal verband

worden opgepakt waaraan het (rijks-) Deltaprogramma hier onder meer uitvoering

aan zal geven. Voor een ander deel staat Amsterdam in samenwerking met de regionale

waterbeheerders zelf aan de lat. De opgaven worden binnen het programma

Water Bestendig Amsterdam uitgewerkt. De ontwikkelingen in het verleden geven

ons hierbij een voorsprong op andere steden. Het concept van de compacte stad

verhoudt zich echter niet noodzakelijkerwijs goed met waterbestendigheid. Slimme

oplossingen en combinaties en een vooruitziende blik zijn nodig om zowel de stad te

ontwikkelen zoals we dat willen, als deze ook waterbestendig te houden. Ruimtelijke

ontwikkeling en waterbestendigheid gaan hierbij hand in hand.

53


Literatuur

Blauw, M., Een buur van formaat. Twintigste-eeuws waterbeheer in Amsterdam-West.

In: Tijdschrift voor waterstaatgeschiedenis 12 (2003).

Dam, Petra J.E.M. van, ‘De tanden van de waterwolf: de rol van de turfwinning bij

het ontstaan van het Haarlemmermeer in de vijftiende eeuw’, Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis

5 (1996), p. 81-91.

Danner, H.S., ‘Droogmakerijen in de zeventiende eeuw’, In: J.J.J.M. Beenakker

en H.S. Danner (red.), Strijd tegen het water: het beheer van land en water in het

Zuiderzeegebied, Zutphen: Walburg Pers, 1992, p. 45-61, 103-104.

De Bosatlas van ondergronds Nederland, Noordhoff Uitgevers Groningen, 2009.

Drimmelen, C. van en R. Koeze, ‘De waterbestendige stad’, 2010.

Drimmelen, C. van en R. Koeze ‘Meerlaagsveiligheidsbenadering toegepast op de

regio Amsterdam’ Plan van aanpak 20 januari 2010.

Groen, J.A. jr., ‘Een cent per emmer. Het Amsterdamse drinkwater door de eeuwen

heen’. Gemeentewaterleidingen, 1978.

Hogenes, C.A.G., Costelijck stadswater: geschiedenis van de Amsterdamse waterhuishouding

in vogelvlucht, Amsterdam: Riolering en Waterhuishouding, 1997.

Kort, J.C., ‘Landverlies aan de noordzijde van de Haarlemmermeer voornamelijk in

de vijftiende en zestiende eeuw’, Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis 6 (1997),

p. 1-7.

Krook, Wiard, ‘Historische watersnoodrampen in het Amstelland: dijkdoorbraken in

Diemen’, Historische Kring Diemen 11 (2001) nr. 2, p. 13-16.

Langelaar, M., ‘De trekvaarten tussen Amsterdam, Muiden en Naarden’, Tussen Vecht

en Eem 14 (1996), p. 87-92.

54

Leenders, K.A.H.W., ‘De interactie tussen mens en natuur in de strijd om land en

water in het zuiden van Holland, 1200-1650’, Holland 36 (2004), p. 142-161.

Lutgert, José, De Waterlandse Zeedijk: de geschiedenis van een oude zeedijk in

Amsterdam-Noord, Amsterdam: Stichting Historisch Centrum Amsterdam-Noord,

1994.

Ontwerp Structuurvisie. Amsterdam 2040 Economisch sterk en Duurzaam. Gemeente

Amsterdam, januari 2010.

Plan Amsterdam, Amsterdam Waterbestendig, nr. 2 2008, Dienst Ruimtelijke Ordening,

gemeente Amsterdam.

Randstad in Zicht. Lange termijn perspectieven voor water en ruimtelijke ontwikkeling

in de Randstad ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-Generaal Water

en Rijkswaterstaat, 2008.

Rooijen, J. van, ‘De drooglegging van Amsterdam. Een onderzoek naar gedempt

stadswater’, 1995 (Stageverslag voortgezet doctoraal Geografie van Stad en Platteland.

Bureau Monumentenzorg Amsterdam).

Sitvast, J., ‘Turfsteken in de Bovenkerkerpolder en de Legmeer’, Amstel Mare.

Tijdschrift van de Vereniging Historisch Amstelveen 3 (1992) nr. 2, p. 12-17; nr. 3/4, p.

38-46.

Sterk Water. Waterpilot Zuidoostlob, Dienst Ruimtelijke Ordening en Waternet, 2009

Van duinwater tot kraanwater in 14 stappen. Waternet

Waterhuishouding en waterverdeling in Nederland, ministerie van Verkeer en

Waterstaat, Directoraat-Generaal Water en Rijkswaterstaat, Waterdienst, 2009

Website Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad


Colofon

Amsterdam Waterbestendig is een publicatie in het kader van het Programma

Amsterdam Waterbestendig van de gemeente Amsterdam. Waternet en de Dienst

Ruimtelijke Ordening coördineren het programma. Het programma levert een

bijdrage aan het NieuwAmsterdamsKlimaat.

Tekst en research

Mariëtte van Baaren

Lay-out en tekenwerk

Femke Haccou, Ronald Rijntjes

Met dank aan

Hanneke Cusell, Paulien Hartog, Kees Hogenes, Rob Koeze, Martine Lodewijk,

Maarten Ouboter, Jeroen Ponten (Waternet)

Auke Brouwer, Ed Buijs, Errik Buursink, Camiel van Drimmelen, Hans Kaljee, Geert

Timmermans, Pim Vermeulen (Dienst Ruimtelijke Ordening)

Peter Beuse (Rijkswaterstaat Noord-Holland)

Beeldmateriaal

Beeldbank Amsterdam

Beeldbank Noord-Holland

Beeldarchief Waterschap Amstel, Gooi en Vecht

Beeldbank Amsterdam Historisch Museum

Bureau Monumenten en archeologie, Gemeente Amsterdam

Contactpersonen Programma Amsterdam Waterbestendig

Camiel van Drimmelen (Dienst Ruimtelijke Ordening)

c.vandrimmelen@dro.amsterdam.nl

Rob Koeze (Waternet)

rob.koeze@waternet.nl

Drukwerk

Zwaan printmedia

10 september 2010

56

More magazines by this user
Similar magazines