01.08.2013 Views

WERKBOEK BOUWSTENEN 3/3 - TU Delft

WERKBOEK BOUWSTENEN 3/3 - TU Delft

WERKBOEK BOUWSTENEN 3/3 - TU Delft

SHOW MORE
SHOW LESS

You also want an ePaper? Increase the reach of your titles

YUMPU automatically turns print PDFs into web optimized ePapers that Google loves.

<strong>WERKBOEK</strong><br />

<strong>BOUWSTENEN</strong> 3/3<br />

Noord-Holland 2040<br />

Analyses en verkenningen


<strong>WERKBOEK</strong><br />

PERSPECTIEVEN<br />

<strong>BOUWSTENEN</strong> 3/3<br />

Noord-Holland 2040<br />

Analyses en verkenningen<br />

24 maart 2009<br />

Uitgave: Provincie Noord-Holland<br />

Inhoud & productie: Ontwerpteam Structuurvisie Noord-Holland<br />

Met medewerking van: Steffen Nijhuis, Egbert Stolk, Akkelies van Nes - <strong>TU</strong> <strong>Delft</strong><br />

webpagina: www.noord-holland.nl/structuurvisie<br />

mail: structuurvisie@noord-holland.nl


4 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


VOORWOORD<br />

Voorwoord<br />

De komst van de nieuwe Wet Ruimtelijke Ordening op 1 juli<br />

2008 verplicht overheden tot het opstellen van een structuurvisie.<br />

Uit deze visie moet blijken wat hun belangen zijn<br />

en welke instrumenten zij inzetten om deze te realiseren. De<br />

provinciale rol verandert hiermee van toetsende naar ontwikkelende.<br />

Voor de provincie is de structuurvisie de wettelijke<br />

opvolger van het streekplan. Het provinciebestuur zal met de<br />

Structuurvisie Noord-Holland haar visie geven op de ruimtelijke<br />

ontwikkeling van Noord-Holland en de opgaven die<br />

daarbij horen.<br />

Om uiteindelijk tot een structuurvisie te komen, worden een<br />

aantal stappen doorlopen:<br />

De eerste stap bestaat uit het formuleren van provinciale<br />

belangen, het verzamelen van wensen en verlangens van<br />

andere partijen en het verzamelen van inhoudelijke bouwstenen.<br />

Het resultaat van deze stap is vastgelegd in het document<br />

‘Provinciaal Belang’ en drie delen van het Werkboek<br />

Bouwstenen:<br />

Deel 1. ‘Basisgegevens’ bevat ruimtelijk gegevens, uiteenlopend<br />

van huidig beleid op verschillende schaalniveaus<br />

tot prognoses en trends. Daarnaast wordt ook een aanzet<br />

gegeven tot het formuleren van de opgaven en kansen voor<br />

de toekomst. Deze informatie is per beleidsthema weergeven<br />

en overwegend aangeleverd door de verschillende beleidssectoren<br />

binnen de provincie.<br />

Deel 2. ‘Communicatietraject en externe input’ met de resultaten<br />

van Regiotafels, Dream Your Dreams Karavaan en<br />

ingezonden wensen en verlangens van verschillende partijen<br />

buiten de provincie, zoals gemeenteambtenaren, burgers,<br />

bestuurders en projectontwikkelaars.<br />

Deel 3. ‘Analyses en Verkenningen’ met ruimtelijke verkenningen<br />

van verschillende (urgente) maatschappelijke onderwerpen<br />

die niet in andere verkenningen zijn opgenomen.<br />

Daarnaast zijn door GS een aantal actuele ruimtelijke onderwerpen<br />

verkend in Collegeverkenningen en heeft de Provinciaal<br />

Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit (PARK) ‘salons’ georganiseerd;<br />

discussies met sleutelfiguren uit de provincie over<br />

actuele ruimtelijke thema’s. De resultaten hiervan worden<br />

eveneens als bouwstenen beschouwd.<br />

De tweede stap is het maken van vier ruimtelijke perspectieven<br />

voor Noord-Holland. De perspectieven geven elk een<br />

specifieke vertaling van de ruimtelijke opgaven weer (zoals<br />

benoemd in de werkdocumenten bouwstenen) in een samenhangend<br />

ruimtelijk toekomstbeeld voor de provincie.<br />

Doel is om met de perspectieven de bestuurlijke en maat-<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

schappelijke discussie te ondersteunen over:<br />

• de afweging van provinciale belangen;<br />

• de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van de provincie.<br />

De aan de hand van deze discussie gemaakte keuzes worden<br />

in de derde stap vertaald in een ontwerp-structuurvisie.<br />

Deze digitale structuurvisie zal voldoen aan de nieuwe wettelijke<br />

standaarden voor digitale uitwisseling. De (ontwerp-)<br />

structuurvisiekaart bevat de ruimtelijke hoofdstructuur die de<br />

provincie Noord-Holland nastreeft. In thematische kaartlagen<br />

wordt de visie in verschillende thema’s uiteengelegd en<br />

worden de basiskwaliteiten benoemd. De visie gaat vergezeld<br />

van een uitvoeringsprogramma en instrumentarium,<br />

waarmee de realisatie wordt geborgd. De structuurvisie zal<br />

worden opgeleverd als een interactieve kaart in een webomgeving,<br />

waaraan verschillende kaartlagen, instrumenten en<br />

toelichtende teksten zijn gekoppeld.<br />

5<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Noord-Holland 2009<br />

6 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


INHOUDSOPGAVE<br />

Inhoudsopgave<br />

Voorwoord 5<br />

Inhoudsopgave 7<br />

1 Inleiding 9<br />

2 Knooppunten en netwerken 11<br />

2.1 OV-systeem en knooppuntontwikkeling 11<br />

2.1.1 Analyse op basis van het knoop-plaats model van Bertolini 11<br />

2.1.2 Analyse van geselecteerde knooppunten op basis van de Spacemate methode 21<br />

2.1.3 Space Syntax typologie stationsomgevingen 23<br />

2.2 Economie en netwerken 27<br />

2.2.1 Economische structuur 27<br />

2.2.2 Bereikbaarheid op basis van net werkreistijd 33<br />

2.2.3 Bereikbaarheid op basis van Space Syntax 39<br />

2.2.4 Confrontatie van de twee modellen 57<br />

3 Klimaatverandering 61<br />

3.1 Waterveiligheid en kansen voor recreatie 61<br />

3.2 Duurzame energie 65<br />

4 Kwalitatieve woningbouwopgave 69<br />

4.1 Topwoonmilieus 69<br />

4.2 Dorps-DNA 77<br />

5 Landschap en recreatie 93<br />

5.1 Kansen voor verbreding landbouw 93<br />

5.2 Vraag en aanbod van recreatie 99<br />

5.3 Regionaal recreatief netwerk 101<br />

6 Het visuele landschap 105<br />

6.1 Ruimtelijke kwaliteit in Noord-Holland 105<br />

6.2 Landschapstypen als basis 105<br />

6.3 Landschapsfysiognomie is cruciaal 106<br />

6.4 Openheid als maat 107<br />

6.5 Karakteristieke openheid per landschapstytpe 112<br />

6.6 Typeren van de ruimtevorm 115<br />

6.7 Verschijningsvorm van de ruimte 117<br />

6.8 Visuele verstedelijking 123<br />

7 Ruimtelijke hoofdstructuur 129<br />

Bijlagen 131<br />

Bijlage 1 Collegebrede verkenningen 131<br />

Bijlage 2 PARK-salons 132<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

7<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Document<br />

Document<br />

Onderwerpen<br />

Onderwerpen<br />

Knooppunten,<br />

Knooppunten,<br />

economie en<br />

economie en<br />

netwerken<br />

netwerken<br />

Klimaat en energie<br />

Klimaat en energie<br />

Kwalitatieve<br />

Kwalitatieve<br />

woningbouwopgave<br />

woningbouwopgave<br />

Landschap, landbouw<br />

Landschap, landbouw<br />

en recreatie<br />

en recreatie<br />

DUURZAAM RUIMTEGEBRUIK<br />

DUURZAAM RUIMTEGEBRUIK<br />

KLIMAATBESTENDIGHEID<br />

KLIMAATBESTENDIGHEID<br />

RUIMTELIJKE KWALITEIT<br />

RUIMTELIJKE KWALITEIT<br />

Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Analyses en verkenningen<br />

Analyses en verkenningen<br />

OV-systeem en knooppunt-<br />

OV-systeem en knooppuntontwikkelingontwikkeling<br />

Economische structuur<br />

Economische structuur<br />

Bereikbaarheidsanalyses<br />

Bereikbaarheidsanalyses<br />

Duurzame energie<br />

Duurzame energie<br />

Waterveiligheid en kansen voor<br />

Waterveiligheid en kansen voor<br />

recreatie<br />

recreatie<br />

Top woonmilieus<br />

Top woonmilieus<br />

Dorps-DNA<br />

Dorps-DNA<br />

Kansen voor verbreding<br />

Kansen voor verbreding<br />

landbouw<br />

landbouw<br />

Vraag en aanbod van recreatie<br />

Vraag en aanbod van recreatie<br />

Regionaal recreatief netwerk<br />

Regionaal recreatief netwerk<br />

Het visuele landschap<br />

Het visuele landschap<br />

8 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Collegebrede verkenningen PARK-salons<br />

Collegebrede verkenningen PARK-salons<br />

Hoogbouw<br />

Hoogbouw<br />

Risco’s bij de bundeling van<br />

Risco’s bij de bundeling van<br />

functies<br />

functies<br />

Kenniseconomie<br />

Kenniseconomie<br />

Dragers voor het landschap<br />

Dragers voor het landschap<br />

Verkenning circuit Zandvoort<br />

Verkenning circuit Zandvoort<br />

Energielandschappen<br />

Energielandschappen<br />

Costa Hollanda<br />

Costa Hollanda<br />

Kansen met krimp<br />

Kansen met krimp<br />

Werklandschappen<br />

Werklandschappen<br />

Vernieuwing agrarische sector<br />

Vernieuwing agrarische sector<br />

Krimp en dorpsuitbreidingen<br />

Krimp en dorpsuitbreidingen<br />

Het Metropolitane landschap<br />

Het Metropolitane landschap<br />

Het Blauwe Hart<br />

Het Blauwe Hart<br />

Kustvisie met de badplaatsen<br />

Kustvisie met de badplaatsen


INLEIDING<br />

1 Inleiding<br />

In het Werkboek Bouwstenen 3/3, ‘Analyses en Verkenningen’<br />

zijn een aantal ruimtelijke analyses en verkenningen<br />

opgenomen over onderwerpen die actueel zijn en die in de<br />

structuurvisie zeer waarschijnlijk aan de orde zullen komen.<br />

De analyses en verkenningen richten zich vooral op de samenhang<br />

tussen verschillende beleidsthema’s. De gekozen<br />

onderwerpen sluiten aan op de overkoepelende belangen<br />

voor de provincie; duurzaam ruimtegebruik, klimaatbestendigheid,<br />

ruimtelijke kwaliteit.<br />

De analyses in hoofdstuk 2 richten zich vooral op duurzaam/<br />

zuinig ruimtegebruik en dan met name in de relatie tussen<br />

het netwerk van (OV-)infrastructuur en de potenties voor een<br />

optimale benutting daarvan voor ruimtelijke en economische<br />

ontwikkelingen. In paragraaf 2.1 is onderzocht welke mogelijkheden<br />

er zijn voor verdichting en benutting van bestaande<br />

en nieuwe stations en (OV-)railinfrastructuur. In paragraaf 2.2<br />

wordt de relatie onderzocht tussen de economische structuur<br />

van de provincie en de bereikbaarheid via het wegennetwerk.<br />

Vanuit deze analyse kunnen enerzijds nieuwe initiatieven<br />

worden getoetst aan de kansen en bedreigingen vanuit de<br />

bereikbaarheid. Anderzijds kunnen onderbenutte mogelijkheden<br />

van het infrastructuurnetwerk voor ruimtelijke en economische<br />

ontwikkelingen in beeld worden gebracht.<br />

In hoofdstuk 3 worden ruimtelijke opgaven verkend die voortvloeien<br />

uit de klimaatverandering (belang: klimaatbestendigheid).<br />

Paragraaf 3.1 behandelt het veiligheidsvraagstuk in<br />

relatie tot kansen voor recreatie. In paragraaf 3.2. worden de<br />

kansen voor duurzame energieopwekking in de provincie in<br />

beeld gebracht.<br />

De hoofdstukken 4, 5 en 6 gaan in op enkele aspecten van<br />

ruimtelijke kwaliteit.<br />

Hoofdstuk 4 gaat in op de kwalitatieve woningbehoefte, waarbij<br />

in paragraaf 4.1 de ruimtelijke en landschappelijke kansen<br />

voor topwoonmilieus worden verkend. Dit is een belangrijke<br />

opgave vanuit de ontwikkeling van de Metropoolregio Amsterdam.<br />

Paragraaf 4.2 gaat vervolgens in op de behoefte aan<br />

dorpse en landelijke woonmilieus in relatie tot kwaliteit en<br />

identiteit van de Noord-Hollandse landschappen. Waar liggen<br />

de kansen en bedreigingen?<br />

In hoofdstuk 5 wordt de relatie tussen landschap en recreatie<br />

onderzocht: in relatie tot de landbouwhoofdstructuur (5.1),<br />

vanuit de (stedelijke) vraag en het aanbod (5.2) en in relatie<br />

tot het regionale recreatieve netwerk (5.3).<br />

Hoofdstuk 6 ‘het visuele landschap’ behandelt het begrip<br />

ruimtelijke kwaliteit van Noord-Hollandse landschappen aan<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

de hand van een wetenschappelijke analyse van de begrippen<br />

‘openheid’ en ‘visuele beleving’. Deze worden in verband<br />

gebracht met de landschappelijke opbouw van Noord/Holland<br />

en de Noord/Hollandse landschappen.<br />

Deze analyse kan een handvat bieden voor de provinciale<br />

sturing op ruimtelijke kwaliteit.<br />

Tot slot is in hoofdstuk 7 de huidige ruimtelijke hoofdstructuur<br />

van de provincie in beeld gebracht. Deze kaart vormt de<br />

ruimtelijke onderlegger voor de structuurvisiekaart, waarop<br />

de door de provincie nagestreefde hoofdstructuur voor de<br />

toekomst zal worden weergegeven.<br />

De analyses en verkenningen in dit deel 3/3 van het werkboek<br />

bouwstenen bieden, samen met de collegeverkenningen,<br />

‘Salons’ van de Provinciaal Adviseur Ruimtelijke<br />

Kwaliteit (PARK) en de delen 1/3 en 2/3 van het werkboek<br />

bouwstenen de inhoudelijke basisinformatie voor het opstellen<br />

van de structuurvisie.<br />

In de tabel op de pagina hiernaast is aangegeven wat de samenhang<br />

is tussen de overkoepelende provinciale belangen,<br />

belangrijke onderwerpen en de verschillende onderzoekssporen:<br />

Werkboek Bouwstenen 3/3, Collegeverkenningen en de<br />

PARK-salons.<br />

9<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Afbeelding 2.1: Model van Bertolini<br />

Afbeelding 2.2: Aantallen in- en uitstappers<br />

per jaar per station.<br />

10 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Afbeelding 2.3: Op- en afritten van snelwegen in de nabijheid (2 km)<br />

van een station.


KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

2 Knooppunten en netwerken<br />

De analyses in dit hoofdstuk richten zich op de relatie tussen<br />

het netwerk van (OV-)infrastructuur en de potenties voor een<br />

optimale benutting daarvan voor ruimtelijke en economische<br />

ontwikkelingen. Deze analyse sluit hiermee aan bij het overkoepelende<br />

provinciale belang ‘Duurzaam Ruimtegebruik’.<br />

In paragraaf 2.1 is onderzocht welke mogelijkheden er zijn<br />

voor verdichting en benutting van bestaande en nieuwe stations<br />

en (OV-)railinfrastructuur.<br />

In paragraaf 2.2 wordt de relatie onderzocht tussen de<br />

economische structuur van de provincie en de bereikbaarheid<br />

via het wegennetwerk. Vanuit deze analyse kunnen<br />

enerzijds nieuwe initiatieven worden getoetst aan de kansen<br />

en bedreigingen vanuit de bereikbaarheid. Anderzijds kunnen<br />

onderbenutte mogelijkheden van het infrastructuurnetwerk<br />

voor ruimtelijke en economische ontwikkelingen in beeld<br />

worden gebracht.<br />

2.1 OV-systeem en knooppuntontwikkeling<br />

De opgave van stedelijke intensivering en verdichting en het<br />

optimaal benutten van het openbaar vervoer komen bij elkaar<br />

in de stationsomgeving. In deze paragraaf worden de ruimtelijke<br />

ontwikkelingsmogelijkheden onderzocht op en rond<br />

bestaande stations in de provincie Noord-Holland. Dit gebeurt<br />

op basis van drie methodieken die in afzonderlijke paragrafen<br />

behandeld worden:<br />

1. het knoop-plaats model; biedt inzicht in ontwikkelingsmogelijkheden<br />

van zowel het knooppunt als het netwerk;<br />

2. Space-mate methode; biedt gedetailleerder inzicht in<br />

bebouwingsdichtheid van het stedelijke gebied binnen een<br />

straal van 800 meter van een aantal geselecteerde stations.<br />

Niet alleen kwantitatief maar ook kwalitatief;<br />

3. Space syntax typologie stationsomgevingen: is gebruikt<br />

als aanvulling op de methode van Bertolini om de verschillende<br />

stations te typeren door kenmerken van de positie in<br />

het infranetwerk toe te voegen.<br />

De methodiek is ook toepasbaar bij het onderzoek naar eventuele<br />

nieuwe stations.<br />

Knooppunt<br />

Een knooppunt is een multimodaal transferpunt in het netwerk<br />

van collectief en individueel vervoer, gecombineerd met<br />

een ruimtelijke concentratie van functies en activiteiten en<br />

gericht op het optimaliseren van ontmoeting, zowel in economische<br />

als in sociale zin. In deze analyse zijn alleen stations<br />

geanalyseerd.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Uitgangspunten<br />

Primair invloedsgebied: 800 meter rond treinstations (loopafstand)<br />

Hoge dichtheden: uitleglocaties: minimaal 52 wo/ha, binnenstedelijk:<br />

minimaal 80 wo/ha voor woongebied, 250<br />

werknemers per ha voor kantoorgebied, 80 woningen en 160<br />

werknemers per ha voor gemengd gebied<br />

Doelen<br />

• Het onderling vergelijkbaar maken van stationsomgevingen<br />

met behulp van een typologie<br />

• Het in beeld brengen van kansen voor het toevoegen van<br />

programma rond stations op basis van het profiel van de<br />

knoop.<br />

• Het in beeld brengen van kansen voor netwerkverbetering<br />

• Het in beeld brengen van potentiële locaties voor hoogbouw<br />

rond knooppunten<br />

Door de verschillende relaties tussen ruimte en netwerk<br />

in kaart te brengen en ze als kansen voor ontwikkelingen<br />

expliciet te maken ontstaat een sterk instrument voor ontwikkeling.<br />

2.1.1 Analyse op basis van het knoop-plaats<br />

model van Bertolini<br />

Dit model maakt inzichtelijk hoe infrastructuur en verstedelijking<br />

op de knooppunten beter op elkaar kunnen worden<br />

afgestemd. In deze analyse wordt het knoop-plaats model<br />

van Bertolini gebruikt om aan de hand van de bereikbaarheid<br />

en de mogelijkheden voor verstedelijking van knooppunten te<br />

bepalen bij welke knooppunten stedelijke ontwikkelingen het<br />

beste plaats kunnen vinden.<br />

Volgens Bertolini wordt de toegankelijkheid, de mate waarin<br />

interactie mogelijk is, van een knooppunt bepaald door twee<br />

componenten, de knoopwaarde en de plaatswaarde.<br />

11<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Legenda<br />

Dichtheid van regionaal vervoer<br />

Afbeelding 2.4: Dichtheid van regionaal vervoer (bussen, metro,<br />

sneltram) in de nabijheid van treinstations.<br />

Aantal inwoners<br />

Afbeelding 2.6: De hoeveelheid personen woonachtig in de nabijheid<br />

van treinstations.<br />

12 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Aantal arbeidsplaatsen<br />

Afbeelding 2.5: De hoeveelheid werkzame personen in de nabijheid<br />

van treinstations.<br />

Afbeelding 2.7: Aantal voorzieningen in de nabijheid van treinstations.


Knoopwaarde<br />

De eerste component is de bereikbaarheid van het knooppunt<br />

via het netwerk van vervoersverbindingen. De plaats<br />

van het knooppunt in het netwerk bepaalt voor hoeveel<br />

mensen het knooppunt bereikbaar en dus toegankelijk is. Dit<br />

is een maat voor het potentieel van interacties dat mogelijk<br />

is op het knooppunt. De bereikbaarheid van het knooppunt<br />

wordt de knoopwaarde genoemd<br />

De knoopwaarde of netwerkwaarde van knopen kan gemeten<br />

worden aan de hand van het niveau en de intensiteit<br />

van de ov-dienstregeling die op de knoop geboden wordt,<br />

maar tevens aan de hand van de bereikbaarheid over de<br />

weg. Elke aansluiting van de stations op een openbaar<br />

vervoerssysteem wordt apart gewaardeerd. Het openbaar<br />

vervoer bestaat uit de HSL, intercity’s, snel- en stoptreinen,<br />

metrolijnen en streekbussen. Ook de autobereikbaarheid, het<br />

aantal snelwegafslagen binnen een straal van 800 m, wordt<br />

meegewogen.<br />

Plaatswaarde<br />

De tweede component die de toegankelijkheid van een<br />

knooppunt bepaalt, is de intensiteit en de diversiteit van activiteiten<br />

op het knooppunt. Deze component beschrijft dus de<br />

mate waarin het potentieel aan interactie op een knooppunt<br />

gerealiseerd wordt. Bertolini noemt dit de plaatswaarde.<br />

Om de relatie tussen de twee componenten inzichtelijk te<br />

maken heeft Bertolini deze in een diagram weergegeven. De<br />

plaats van het knooppunt in de grafiek geeft aan in hoeverre<br />

deze bovenmatig goed ontsloten dan wel qua stedelijk programma,<br />

inwoners en arbeidsplaatsen, onderontwikkeld is.<br />

In deze analyse is het model van Bertolini vrij toegepast. Voor<br />

de vervoerswaarde zijn de parameters regionaal vervoer,<br />

afstand tot snelweg en aantal in en uitstappers gebruikt. Voor<br />

de plaatswaarde zijn werkdichtheid, woondichtheid en voorzieningendichtheid<br />

gebruikt.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

13<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Afbeelding 2.8: Resultaten analyse.<br />

14 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Conclusies en aanbevelingen<br />

- Sterk bovenmatig ontwikkelde stations zijn Muiderpoort en<br />

Den Helder. Dit betekent een relatief hoge dichtheid aan<br />

wonen, werken en voorzieningen in de nabijheid van het<br />

station ten opzichte van het vervoer (auto, bus, trein).<br />

- Sterk ontsloten stations zijn Amsterdam Sloterdijk, Schiphol,<br />

Amsterdam Bijlmer en Hoofdorp. Hier is relatief veel vervoer<br />

ten opzichte van wonen, werken en voorzieningen.<br />

- Het model kan gebruikt worden om station en stationsomgevingen<br />

ten opzichte van elkaar te profileren en op basis<br />

daarvan verder te ontwikkelen.<br />

Afbeelding 2.9: Resultaten analyse.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

15<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Afbeelding 2.10: Stationstypering, op basis van de analyse.<br />

16 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Op basis van het knooppunten diagram is een typering van<br />

de stations mogelijk, zie afbeelding 2.11. Er is een onderverdeling<br />

gemaakt in lokale stations, regionale stations, transfer<br />

stations en grootstedelijke stations.<br />

lokaal<br />

regionaal<br />

Afbeelding 2.11: Onderverdeling in stationstypering, op basis van de analyse.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

transfer<br />

grootstedelijk<br />

17<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


lokaal<br />

Stations lokaal --> Regionaal<br />

Station Score op ruimte<br />

1 Anna Pauwlona 1<br />

2 Den Helder Zuid 6<br />

3 Overveen 7<br />

4 Castricum 8<br />

5 Uitgeest 11<br />

6 Heerhugowaard 26<br />

Stations transfer --> Grootstedelijk<br />

Station Score op ruimte<br />

1 Duivendrecht 17 (65 ha)<br />

2 Hoofddorp 21 (56 ha)<br />

3 Amsterdam Sloterdijk 35 (30 ha)<br />

4 Amsterdam Lelylaan 51 (8 ha)<br />

regionaal<br />

transfer<br />

Afbeelding 2.12: Verandering van de typering van het station door de verhoging van de knoopwaarde.<br />

Afbeelding 2.13: Toevoegen van woningbouw verhoogt de knoopwaarde.<br />

(Bron plannen van gemeenten: monitor woningbouwcapaciteit Noord-Holland 2008)<br />

18 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

grootstedelijk<br />

Plannen van gemeenten om woningbouw toe te voegen<br />

rondom stations<br />

Station Aantal Type station Score<br />

woningen op ruimte<br />

Zaanstad 2699 regionaal 47<br />

Beverwijk 370 regionaal 34<br />

Hoorn 888 regionaal 53<br />

Anna Paulowna* 265 lokaal 1<br />

Den Helder 436 regionaal 52<br />

Heerhugowaard* 1036 lokaal 26<br />

Enkhuizen 225 lokaal 41<br />

Obdam 748 lokaal 4<br />

Heemstede- Aardenhout 577 lokaal 20


Wanneer woningbouw, voorzieningen of werklocaties toegevoegd<br />

worden aan stations die relatief bovenmatig ontsloten<br />

zijn stijgen zij in knoopwaarden. Dit betekent dat door het<br />

toevoegen van woningbouw stations van het type transfer,<br />

grootstedelijk worden. Of lokale stations, regionaal worden<br />

(zie afbeelding 2.12).<br />

Door de open ruimte rondom stations te bepalen kan een<br />

rangorde aangeven worden voor alle stations. In afbeelding<br />

2.13 zijn de stations weergegeven die in potentie kunnen<br />

groeien van lokaal naar regionaal en van transfer naar grootstedelijk.<br />

Een station als Anna Pauwlona heeft de meeste<br />

open ruimte en kan, volgens de grafiek, groeien naar een<br />

regionaal station. Duivendrecht is een transfer stations met<br />

de meeste open ruimte.<br />

In afbeelding 2.13 is weergegeven wat de huidige plannen<br />

zijn van verschillende gemeentes om woningbouw toe te<br />

voegen rondom stations.<br />

Het blijkt dat de regionale stations door toevoeging van<br />

woningbouw niet verschuiven naar een ander type (grootstedelijk)<br />

station. Hiervoor zal ook de vervoerswaarde omhoog<br />

moeten.<br />

Conclusies en aanbevelingen<br />

De stations met de meeste potentie voor groei van lokaal<br />

naar regionaal, als er gekeken wordt naar ruimte voor woningbouw,<br />

zijn:<br />

• Anna Pauwlona<br />

• Den Helder Zuid<br />

• Overveen<br />

• Castricum<br />

• Uitgeest<br />

• Heerhugowaard<br />

De stations met de meeste potentie voor groei van transfer<br />

naar grootstedelijk, als er gekeken wordt naar ruimte voor<br />

woningbouw, zijn:<br />

• Duivendrecht<br />

• Hoofddorp<br />

• Amsterdam Sloterdijk<br />

• Amsterdam Lelylaan<br />

Voor de stations Anna Paulowna en Heerhugowaard geldt dat<br />

er ook al plannen voor woningbouw zijn.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

19<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


0,8<br />

0,7<br />

0,6<br />

0,5<br />

0,4<br />

0,3<br />

0,2<br />

0,1<br />

0<br />

0,8<br />

0,7<br />

0,6<br />

0,5<br />

0,4<br />

0,3<br />

0,2<br />

0,1<br />

0<br />

GSI<br />

GSI<br />

1Ams<br />

t e l<br />

Amst e l<br />

1<br />

Grootstedelijk Centrum<br />

Amsterdam Amstel<br />

0,6<br />

0,5<br />

0,5<br />

0,4<br />

0,4<br />

0,3<br />

0,2<br />

0,1<br />

0,1<br />

0<br />

0<br />

FSI<br />

1<br />

1 Amse l<br />

Amse l<br />

20<br />

18<br />

16<br />

14<br />

12<br />

10<br />

8<br />

6<br />

4<br />

2<br />

0<br />

OSR<br />

1<br />

1<br />

Ams t e l<br />

Amst e l<br />

compactheid bebouwingsdichtheid openheid<br />

compactheid bebouwingsdichtheid openheid<br />

Afbeelding 2.14: Amsterdam Amstel (grootstedelijk knooppunt)<br />

Castricum<br />

Castricum<br />

compactheid bebouwingsdichtheid openheid<br />

compactheid bebouwingsdichtheid openheid<br />

Afbeelding 2.16: Castricum<br />

Grootstedelijk Centrum<br />

Amsterdam Amstel<br />

20 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

0,6<br />

FSI<br />

20<br />

18<br />

16<br />

14<br />

12<br />

10<br />

8<br />

6<br />

4<br />

2<br />

0<br />

OSR<br />

0,8<br />

0,8<br />

0,7<br />

0,7<br />

0,6<br />

0,6<br />

0,5<br />

0,5<br />

0,4<br />

0,4<br />

0,3<br />

0,3<br />

0,2<br />

0,2<br />

0,1<br />

0,1<br />

0<br />

0<br />

GSI<br />

GSI<br />

1 Anna Pouwlona<br />

Anna Pouwlona<br />

Lokaal<br />

Lokaal<br />

knooppunt<br />

knooppunt<br />

Anna Paulowna<br />

Anna Paulowna<br />

0,6<br />

0,6<br />

0,5<br />

0,5<br />

0,4<br />

0,4<br />

0,3<br />

0,3<br />

0,2<br />

0,2<br />

0,1<br />

0,1<br />

0<br />

0<br />

FSI<br />

FSI<br />

1<br />

Anna Pauwlona<br />

Anna Pauwlona<br />

20<br />

20<br />

18<br />

18<br />

16<br />

16<br />

14<br />

14<br />

12<br />

12<br />

10<br />

10<br />

8<br />

8<br />

6<br />

6<br />

4<br />

4<br />

2<br />

2<br />

0<br />

0<br />

OSR<br />

OSR<br />

1 Anna Pauwlona<br />

Anna Pauwlona<br />

compactheid bebouwingsdichtheid openheid<br />

compactheid bebouwingsdichtheid openheid<br />

Afbeelding 2.15: Anna Paulowna (lokaal knooppunt)<br />

0,8<br />

0,8<br />

0,7<br />

0,7<br />

0,6<br />

0,6<br />

0,5<br />

0,5<br />

0,4<br />

0,4<br />

0,3<br />

0,3 0,2<br />

0,2<br />

0,1<br />

GSI<br />

GSI<br />

0,1 0<br />

Annapalouwna Sloterdijk Amstel<br />

0<br />

Annapalouwna Sloterdijk Amstel<br />

1<br />

Amsterdam Sloterdijk<br />

Amsterdam Sloterdijk<br />

0,6<br />

0,5<br />

0,5<br />

0,4<br />

0,4<br />

0,3<br />

0,3<br />

0,2<br />

0,2<br />

0,1<br />

FSI<br />

0,1<br />

0<br />

Annapalouwna Sloterdijk Amstel<br />

0<br />

Annapalouwna Sloterdijk Amstel<br />

compactheid bebouwingsdichtheid openheid<br />

compactheid bebouwingsdichtheid openheid<br />

Afbeelding 2.17: Amsterdam Sloterdijk<br />

0,6<br />

FSI<br />

1<br />

16<br />

16<br />

14<br />

14<br />

12<br />

12<br />

10<br />

10<br />

8<br />

8<br />

6<br />

6<br />

4<br />

42<br />

OSR<br />

OSR<br />

20<br />

Annapalouwna Sloterdijk Amstel<br />

0<br />

Annapalouwna Sloterdijk Amstel<br />

1


2.1.2 Analyse van geselecteerde knooppunten<br />

op basis van de Spacemate methode<br />

Om de bebouwingsdichtheid van het stedelijke gebied binnen<br />

een straal van 800 meter (de directe invloedsfeer) rond<br />

een station te beschrijven, wordt de Spacemate methode<br />

gebruikt. Hierbij wordt gebruik gemaakt van aspecten als<br />

compactheid, bebouwingsdichtheid en openheid.<br />

De Spacemate is een instrument dat ingezet kan worden<br />

bij het formuleren van zowel kwantitatieve als kwalitatieve<br />

uitgangspunten bij herstructurering van bestaande gebieden<br />

of nieuwbouwplannen. De Spacemate maakt een koppeling<br />

tussen dichtheid (kwantiteit) en leefmilieus, bebouwingstypologieën<br />

en de mate van stedelijkheid (kwaliteit).<br />

De mate van stedelijkheid wordt gekoppeld aan kwantificeerbare<br />

parameters. Deze parameters zijn FSI ( Floor Space<br />

Index), GSI (Ground Space Index) en OSR (Open Space<br />

Ratio). De FSI geeft de dichtheid aan onafhankelijk van de<br />

programmatische invulling. Dit in tegenstelling tot het uitdrukken<br />

van de dichtheid in het aantal woningen per hectare.<br />

De GSI geeft het bruto vloeroppervlak ten opzichte van het<br />

grondoppervlak weer, oftewel de verhouding tussen bebouwde<br />

en onbebouwde ruimte. De OSR geeft de hoeveelheid<br />

open ruimte op maaiveld per vierkante meter vloeroppervlak<br />

weer. De OSR-waarde is een indicatie voor de druk op de<br />

open ruimte.<br />

De grootstedelijke knoop Amsterdam Amstel is als voorbeeld<br />

genomen van hoge bebouwingsdichtheid rondom een<br />

station. De lokale knoop Anna Paulowna is als voorbeeld<br />

genomen van lage bebouwingsdichtheid rondom een station.<br />

De verschillende Spacemate parameters zijn onder de kaart<br />

uitgezet.<br />

Voor twee stations (Castricum en Amsterdam Sloterdijk) zijn<br />

deze parameters bepaald en uitgezet ten opzichte van Amsterdam<br />

Amstel en Anna Paulowna.<br />

Conclusies en aanbevelingen<br />

Station Amsterdam Sloterdijk heeft een relatief lage bebouwingsdichtheid<br />

en een relatief hoge compactheid. Station<br />

Castricum heeft een vergelijkbare bebouwingsdichtheid<br />

tegenover een lagere compactheid. Castricum heeft daar in<br />

tegen natuur binnen de nabijheid van het station, dit maakt<br />

de beschikbare ruimte voor woningbouw lager.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

21<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Afbeelding 2.19: Space syntax typologie stationsomgevingen.<br />

22 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


2.1.3 Space Syntax typologie stationsomgevingen<br />

Egbert Stolk, Akkelies van Nes - <strong>TU</strong> <strong>Delft</strong><br />

Met behulp van space syntax is een aanvulling gemaakt op<br />

basis van de positie in het netwerk. De vier space syntax<br />

maten (zie paragraaf 2.2.3 over space syntax) zijn hiervoor<br />

samengevoegd en er is een voorstel gedaan voor een typologie<br />

van de stationsomgevingen, bestaande uit 5 typen. Deze<br />

typering vormt een aanvulling op het knoop-plaatsmodel,<br />

waarin de vorm van het stratenpatroon geen directe indicator<br />

is.<br />

Geen enkele typering is eenduidig en absoluut, er zijn altijd<br />

grensgevallen die binnen meerdere typen zouden kunnen<br />

vallen. Met dit in het achterhoofd is er gekomen tot de volgende<br />

5 typen:<br />

Maximaal verbonden (3 stuks)<br />

Deze stations hebben zowel een hoge regionale als lokale<br />

bereikbaarheid. Ze zijn goed bereikbaar zowel per auto als<br />

te voet. Deze stations zijn de centrale stations van de grotere<br />

steden. In Noord-Holland zijn er drie van dit type: Amsterdam<br />

Centraal, Alkmaar Centraal en Haarlem.<br />

Regionaal verbonden, lokaal geïsoleerd (8 stuks)<br />

Deze stations hebben een hoge regionale bereikbaarheid,<br />

maar zijn lokaal lastiger te bereiken. Over het algemeen liggen<br />

ze in de overgangsgebieden: aan de randen van steden,<br />

nabij bedrijven/industriegebieden, en op relatief korte afstand<br />

van snelwegen. Voorbeelden zijn: Schiphol, Hoofddorp, Alkmaar<br />

Noord en Diemen.<br />

Goed verbonden, niet te voet (22 stuks)<br />

Hoge regionale en lokale bereikbaarheid. Lastig per voet te<br />

bereiken vanuit de omgeving. Deze stations zijn veelal aan<br />

randen van verstedelijking te vinden, of naast wijken uit de<br />

jaren 60/70/80 - met een relatief grote autoafhankelijkheid.<br />

Voorbeelden zijn: Zaandam, Amsterdam Lelylaan, Beverwijk,<br />

Nieuw Vennep en Castricum.<br />

Lokaal goed, regionaal minder (6 stuks)<br />

Een hoge lokale bereikbaarheid, goed te voet te bereiken en<br />

veelal in de nabijheid van lokale centra gelegen. De regionale<br />

bereikbaarheid is minder goed, dit wordt in hoge mate<br />

bepaald door de geografische ligging van de stations. De<br />

meeste van deze stations liggen in het oostelijk en westelijk<br />

deel van de provincie. Voorbeelden zijn Den Helder, Hilversum<br />

en Enkhuizen.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Slecht verbonden (14 stuks)<br />

Alles laag: zowel lokaal, regionaal, lastig te voet te bereiken.<br />

Deze stations hebben een veelal afgelegen ligging. Voorbeelden<br />

zijn Den Helder Zuid, Weesp en Naarden-Bussum.<br />

23<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


jke locaties voor<br />

eid van hoogbouw<br />

lokale context is<br />

Noord-Holland zijn<br />

de stations in<br />

fweging:<br />

r (laagbouw)<br />

e context<br />

toelaat, is<br />

m van compacte<br />

tations van<br />

eesp.<br />

on beperkt is en<br />

mma wenselijk,<br />

de kaart zetten.<br />

onderdeel is van<br />

it op bestaande<br />

Hoogbouw reëel<br />

- OV hubs met hoge knoopwaarde<br />

- Hoge plaatswaarde<br />

- Beperkte ruimte, grootschalig<br />

programma<br />

- Weinig gevoelige context Den Helder<br />

Hoogbouw een kans<br />

- Regionale knoop met hoge<br />

knoopwaarde<br />

- Hoge plaatswaarde, weinig<br />

ontwikkeld<br />

- Beperkte ruimte in stedelijke<br />

context<br />

- Context laat vorm van hoogbouw<br />

toe<br />

Verdichting kansrijk<br />

- Kleinere stations met redelijke<br />

knoopwaarde<br />

- Plaatswaarde laag<br />

- Voldoende ruimte in<br />

stationsomgeving<br />

- Of/en gevoelige context<br />

(binnenstad)<br />

Hoogbouw niet reëel<br />

- Kleine stations met zeer lage<br />

knoopwaarde<br />

- Lage plaatswaarde<br />

- Onvoldoende aanleiding voor<br />

verdichting<br />

Zandvoort<br />

24 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Zaandam<br />

Alkmaar<br />

Schiphol Amsterdam Zuid<br />

Amsterdam<br />

Hoorn<br />

Hilversum<br />

Afbeelding 2.18: In de collegeverkennning ‘Hoogbouw in Noord-Holland’ is op basis van de analyse in het knoop-plaatsmodel<br />

(paragraaf 2.1.1.) onderzocht welke rol hoogbouw kan spelen bij verdichtingsopgaven rond stations. In paragraaf<br />

6.8 ‘visuele verstedelijking’ wordt dit in verband gebracht met de ruimtelijke kwaliteit en openheid van de Noord-Hollandse<br />

landschappen.<br />

Bron: Hoogbouw in Noord-Holland, Zandbelt&vandenBerg 2008


Conclusies en aanbevelingen<br />

• Op basis van de analyse kan geconcludeerd worden dat<br />

er genoeg ruimte rondom stations in Noord-Holland is om<br />

een belangrijk deel van de woningbouwopgave voor de<br />

toekomst uit te kunnen voeren. Verder onderzoek, waarbij<br />

de context per locatie uitvoerig bekeken wordt, is nodig.<br />

• Rond een aantal multimodale knooppunten, met zowel<br />

een goede autobereikbaarheid als ontsluiting via het<br />

OV-netwerk, liggen kansen voor stedelijke ontwikkeling,<br />

bijvoorbeeld rond station Amsterdam Sloterdijk, Amsterdam<br />

Lelylaan, Duivendrecht, Diemen en Hoofddorp.<br />

• Wonen en werken toevoegen aan transferstations (bv.<br />

Sloterdijk) is mogelijk. Hierdoor verschuiven deze stations<br />

van transfer naar grootstedelijk centrum.<br />

• De verschillende typen stationslocaties vragen om<br />

verschillende typen oplossingsrichtingen. Het is goed<br />

om daarbij te bedenken dat niet elke karakteristiek kan<br />

worden verbeterd; een perifere geografische ligging<br />

(bijvoorbeeld aan de kust of het eind van een schiereiland)<br />

heeft bijna per definitie een minder goede regionale<br />

bereikbaarheid tot gevolg. Toch kan bijvoorbeeld door<br />

subtiele aanpassingen in het lokale stratenpatroon de<br />

stationsomgeving worden verbeterd.<br />

• Door woningbouw en bedrijven toe te voegen aan een<br />

aantal stations verschuiven deze van lokale betekenis<br />

naar regionale betekenis.<br />

• Alleen toevoegen van wonen en werken aan stations is<br />

niet voldoende. De vervoerwaarde van de stations zal<br />

ook omhoog moeten (vaker treinen, betere aansluiting op<br />

regionaal vervoer).<br />

• De combinatie van de twee typeringen van stations op<br />

basis van het knoop-plaatsmodel van Bertolini en op<br />

basis van de space syntax methode geeft een goed beeld<br />

van de potenties en beperkingen van de verschillende<br />

stationsomgevingen. Deze gegevens kunnen worden<br />

gebruikt bij het vaststellen van de opgave voor de stationsomgevingen;<br />

ze kunnen dienen als hulpmiddel in het<br />

ontwerpproces, of als evaluatie-criterium achteraf.<br />

• Conclusies uit collegebrede verkenning ‘Hoogbouw in<br />

Noord-Holland’:<br />

Stationsomgevingen vormen kansrijke locaties voor<br />

stedelijke verdichting. De bruikbaarheid van hoogbouw<br />

verschilt echter van plek tot plek. De locale context is<br />

daarbij een belangrijke factor. Voor de stations in stedelijke<br />

centra geldt de volgende afweging:<br />

1. Wanneer er voldoende ruimte voor (laagbouw)<br />

verstedelijking aanwezig is, of de context eenvoudigweg<br />

geen hoogbouw toelaat, is verdichting effectiever<br />

in de vorm van compacte laagbouw. Voorbeelden<br />

zijn de stations van Hilversum, Uitgeest, Hoorn<br />

en Weesp.<br />

Bron: Hoogbouw in Noord-Holland, Zandbelt&vandenBerg 2008<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

2. Als de ruimte rondom een station beperkt is en een<br />

stevig woon- of werkprogramma wenselijk, dan kan<br />

hoogbouw zo’n plek op de kaart zetten. Voorwaarde<br />

is dat de hoogbouw onderdeel is van een gemengd<br />

milieu, dat aansluit op bestaande structuren in de<br />

omgeving.<br />

Bronnen<br />

Bakel van, M. 2001. Stedelijke ontwikkeling van knooppunten<br />

in de Deltametropool. Afstudeerscriptie. Universiteit Utrecht,<br />

Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen<br />

Bertolini, L. Sustainable urban mobility, an evolutionary approach.<br />

Universiteit van Amsterdam<br />

Bertolini, L. 1999. Spatial development patterns and public<br />

transport, the application of an analytical model in the Netherlands.<br />

Planning research, Vol. 14, No.2, 199-210<br />

Nes, A., Stolk, E., Nijhuis, S. 2008. Bereikbaarheid en ruimtelijke<br />

ontwikkeling. Space syntax als basis voor bereikbaarheidsanalyses.<br />

<strong>TU</strong> <strong>Delft</strong>, Bouwkunde, afdeling Urbanism<br />

Provincie Zuid-Holland, platform Zuidvleugel. 2003. De Stedenbaan.<br />

Zandbelt&vandenBerg. 2008. Hoogbouw in Noord-Holland,<br />

Collegebrede verkenning als input voor de structuurvisie.<br />

Haarlem, Provincie Noord-Holland.<br />

25<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


26 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

<br />

Resultaten<br />

Uit het rapport: “De economische hittekaart van Nederland: Waar de economie va<br />

bureau Louter valt op te maken dat het bij het stimuleren van de regionale bijdrage<br />

economische groei vooral gaat om economische 25m stuwende sectoren. Het betreft hi<br />

waarvan het economisch functioneren en/of de vestigingsplaatskeuze niet hoofdza<br />

regionaal bevolkingsdraagvlak wordt bepaald. Het vestigingspatroon wijkt af van w<br />

bevolkingomvang valt te verwachten. De sector media is geconcentreerd in Hilvers<br />

merendeel van de financiële instellingen 25m zit in Amsterdam Zuid-Oost. In Noord-Hol<br />

banen dan inwoners in de zuidelijke regio’s terwijl in de noordelijke regio’s de werk<br />

de beroepsbevolking.<br />

Andere typen bedrijvigheid zijn sterk gekoppeld aan lokaal/ regionaal bevolkingsdr<br />

hiervan zijn: detailhandel, zorg, basis en voortgezet onderwijs. Iedere stad of dorp<br />

voorzieningenniveau waarvan de omvang bepaald wordt de drempelwaarde van de<br />

1500 m<br />

Met behulp van deze tweedeling kunnen zijn de hittekaarten in te delen in twee ca<br />

Afbeelding 2.20: Rastergrootte en zoekafstand.<br />

zijn hiervoor de kaarten uit paragraf 5.1 gebruikt.<br />

Regionaal stuwende sectoren Lokale/Regionale sectoren<br />

Industrie Detailhandel<br />

Logistiek Bouwnijverheid<br />

Financiële instellingen Zorg<br />

Zakelijke dienstverlening Melkveehouderij<br />

Kenniseconomie Groothandels<br />

Media<br />

Logistiek<br />

Akkerbouw<br />

Bloembollen<br />

Opengrondstuinbouw<br />

Glastuinbouw<br />

Afbeelding 2.21: Tweedeling hittekaarten.<br />

Conclusies<br />

Wanneer we kijken naar de regionaal stuwende factoren blijkt dat de regio Amster<br />

(vooral in de tertiaire sector) verreweg het belangrijkste werkgebied van Noord-Ho<br />

vormige structuur te ontdekken die loopt van Amsterdam, Zaandam via Haarlem la<br />

Belangrijke redenen voor dit patronen zijn: ruimtelijk beleid, bereikbaarheid, de lig<br />

Noordzeekanaal en regionale verschillen in de beroepsbevolking. Bij de landbouw z<br />

kavelgrootte vaak bepalend voor de opgetreden structuren. Voorbeelden hiervan z<br />

akkerbouw.<br />

Uit de kaarten valt op te maken dat het wenselijk is specifiek ruimtelijk beleid per s<br />

stimuleren van lokaal/regionale sectoren volstaat generiek beleid voor heel Noordstimuleren<br />

van kenniseconomie beleid specifiek gericht moet zijn op stedelijke cen


2.2 Economie en netwerken<br />

Bereikbaarheid en economische ontwikkeling zijn onlosmakelijk<br />

met elkaar verbonden. In deze paragraaf wordt de relatie<br />

onderzocht tussen de economische structuur van de provincie<br />

en de bereikbaarheid via het wegennetwerk. Allereerst is<br />

in paragraaf 2.2.1 onderzocht hoe de economische sectoren<br />

verdeeld zijn over de provincie. Dit is in beeld gebracht door<br />

middel van ‘hittekaarten’. Vervolgens is in paragraaf 2.2.2 de<br />

bereikbaarheid van Noord-Holland op basis van netwerkreistijd<br />

onderzocht (isochronenmethode) en in paragraaf 2.2.3<br />

met behulp van de space syntax. In beide paragrafen is dit in<br />

verband gebracht met de hittekaarten uit paragraaf 2.2.1.<br />

Vanuit deze analyses kunnen enerzijds nieuwe initiatieven<br />

voor economische ontwikkelingen worden getoetst aan de<br />

kansen en bedreigingen vanuit de bereikbaarheid. Anderzijds<br />

kunnen onderbenutte mogelijkheden van het infrastructuurnetwerk<br />

voor ruimtelijke en economische ontwikkelingen in<br />

beeld worden gebracht.<br />

2.2.1 Economische structuur<br />

Noord-Holland kent een grote diversiteit aan economische<br />

sectoren. De verspreiding en intensiteit binnen de provincie<br />

verschilt sterk per sector. Deze analyse brengt de regionale<br />

verschillen in economie in kaart en toont per sector de<br />

concentratiepunten van economische activiteiten. Voor het<br />

maken van deze analyse is gebruik gemaakt van twee verschillende<br />

bronnen: Het Landelijk Informatiesysteem Arbeidsplaatsen<br />

(LISA) en het PROSU. Via het LISA bestand zijn op<br />

adresniveau alle banen ingedeeld naar sectoren in Noord-<br />

Holland (met uitzondering van de landbouw) beschikbaar.<br />

PROSU bevat op adresniveau de kenmerken van agrarische<br />

bedrijven.<br />

Opgave<br />

Onderzoek naar de stuwende en verzorgende economische<br />

sectoren in Noord-Holland.<br />

Doel<br />

Het in beeld brengen van concentratiepunten van economische<br />

activiteiten per sector.<br />

Methodieken<br />

Doordat van alle bedrijven en agrarische ondernemingen de<br />

exacte locatie beschikbaar is, kan uitgerekend worden in wat<br />

voor omgeving het bedrijf zich bevindt. Hierdoor kan inzichtelijk<br />

gemaakt worden of bedrijven binnen een bepaalde sector<br />

geclusterd voorkomen of dat zij over heel Noord-Holland<br />

verspreid zijn.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Door de provincie in te delen in vlakken van 25 bij 25 meter<br />

ontstaat een provinciedekkend raster. Vervolgens wordt binnen<br />

een straal van 1500 meter van dit raster de hoeveelheid<br />

arbeidsplaatsen of NGE´s berekend. De keuze van de afstanden<br />

hangt af van de schaal waarop de analyse plaatsvindt.<br />

De waarde binnen de cirkel wordt vervolgens toegekend<br />

aan het vlak uit het raster. Na het berekenen van alle rasters<br />

ontstaat zo een kaartbeeld dat de economische intensiteit<br />

weergeeft. Zie ook ter verduidelijking figuur 2.20.<br />

Het LISA bestand toont op de kaart de dichtheid van het aantal<br />

arbeidsplaatsen, bij het PROSU is de Nederlandse grootte<br />

eenheid (NGE) gebruikt. Dit is een economische maatstaf,<br />

die elke 2 jaar wordt herzien. De normen worden berekend<br />

voor de rubrieken uit de Landbouwtelling die de bedrijfsomvang<br />

bepalen. Bij de kaarten is een simpele legenda gebruikt<br />

omdat de waarden achter de kaart niet noodzakelijk zijn voor<br />

de interpretatie. Het gaat namelijk niet om de omvang of ontwikkeling<br />

van de werkgelegenheid maar om de geografische<br />

spreiding over de provincie.<br />

Resultaten<br />

Uit het rapport: ‘De economische hittekaart van Nederland:<br />

Waar de economie van Nederland groeit’ van bureau Louter<br />

valt op te maken dat het bij het stimuleren van de regionale<br />

bijdrage aan de nationale economische groei vooral gaat<br />

om economische stuwende sectoren. Het betreft hier typen<br />

bedrijvigheid waarvan het economisch functioneren en/of de<br />

vestigingsplaatskeuze niet hoofdzakelijk door het lokaal/ regionaal<br />

bevolkingsdraagvlak wordt bepaald. Het vestigingspatroon<br />

wijkt af van wat op basis van bevolkingsomvang valt te<br />

verwachten. De sector media is geconcentreerd in Hilversum/<br />

Aalsmeer en het merendeel van de financiële instellingen zit<br />

in Amsterdam Zuid-Oost. In Noord-Holland als geheel zijn<br />

er meer banen dan inwoners in de zuidelijke regio’s terwijl in<br />

de noordelijke regio’s de werkgelegenheid achterblijft bij de<br />

beroepsbevolking.<br />

Andere typen bedrijvigheid zijn sterk gekoppeld aan lokaal/<br />

regionaal bevolkingsdraagvlak, voorbeelden hiervan zijn: detailhandel,<br />

zorg, basis en voortgezet onderwijs. Iedere stad of<br />

dorp heeft een bepaald basis voorzieningenniveau waarvan<br />

de omvang bepaald wordt door de drempelwaarde van de<br />

bevolking.<br />

Met behulp van deze tweedeling zijn de hittekaarten in te delen<br />

in twee categorieën (zie afbeelding 2.21). Voor landbouw<br />

zijn hiervoor de kaarten uit paragraaf 5.1 gebruikt.<br />

27<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Alle banen (behalve landbouw)<br />

Veel banen liggen in stedelijk gebied. Amsterdam en Schiphol vormen de belangrijkste<br />

concentratiegebieden.<br />

Industrie<br />

Corus is met afstand de grootse werkgever in de industrie. Ook de Zaanstreek, Alkmaar,<br />

Hoorn, Amsterdam en de Waardenpolder zijn concentratiegebieden.<br />

28 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Alle landbouwbedrijven<br />

Concentraties van landbouwbedrijven met de hoogste waarde in NGE liggen rond Aalsmeer,<br />

ten zuiden van Den Helder, rond Heemskerk, ten noorden van Heerhugowaard en<br />

in de regio West-Friesland.<br />

Groothandel<br />

Het merendeel van de groothandel zit in de omgeving Amsterdam, Schiphol.


Conclusies en aanbevelingen<br />

Wanneer we kijken naar de regionaal stuwende factoren<br />

blijkt dat de regio Amsterdam voor veel sectoren (vooral in<br />

de tertiaire sector) verreweg het belangrijkste werkgebied<br />

van Noord-Holland vormt. Ook is een L-vormige structuur te<br />

ontdekken die loopt van Amsterdam, Zaandam via Haarlem<br />

langs de kust naar Alkmaar.<br />

Belangrijke redenen voor dit patronen zijn: ruimtelijk beleid,<br />

bereikbaarheid, de ligging van Schiphol/Noordzeekanaal en<br />

regionale verschillen in de beroepsbevolking. Bij de landbouw<br />

zijn grondsoort en kavelgrootte vaak bepalend voor de<br />

opgetreden structuren. Voorbeelden hiervan zijn bollenteelt<br />

en akkerbouw.<br />

Uit de kaarten valt op te maken dat het wenselijk is specifiek<br />

ruimtelijk beleid per sector te voeren. Voor het stimuleren van<br />

lokaal/regionale sectoren volstaat generiek beleid voor heel<br />

Noord-Holland terwijl voor het stimuleren van kenniseconomie<br />

beleid specifiek gericht moet zijn op stedelijke centra.<br />

Bronnen<br />

Bureau Louter. 2002. De economische hittekaart van Nederland.<br />

Waar de economie van Nederland groeit. <strong>Delft</strong>.<br />

Lisa<br />

Prosu<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

29<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Detailhandel<br />

De detailhandel lijkt qua spreiding op de bevolkingsdichtheid, waar veel mensen wonen<br />

zijn ook veel voorzieningen. De stadscentra zijn duidelijk te herkennen.<br />

Financiële instellingen<br />

Opvallend is de concentratie van financiële werkgelegenheid in Amsterdam Zuidoost. Er<br />

werken hier meer mensen dan op de Zuid-As.<br />

30 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Logistiek<br />

Logistieke bedrijven zitten vooral in de buurt van Amsterdam en zijn geconcentreerd rond<br />

de ring A-10. Vooral veel taxibedrijven zijn in Amsterdam gevestigd.<br />

Zakelijke dienstverlening<br />

Amsterdam vormt het centrum van de zakelijke dienstverlening, vooral in het centrum en<br />

rondom de stations Sloterdijk en Amstel is veel werkgelegenheid.


Bouwnijverheid<br />

De bouw kent veel concentratiegebieden op bedrijventerreinen aan de rand van steden.<br />

Ook in Edam-Volendam zijn veel banen in de bouwsector te vinden.<br />

Media<br />

Hilversum, het centrum van Amsterdam en Aalsmeer vormen de mediahotspots van<br />

Noord-Holland.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Kenniseconomie<br />

De kenniseconomie is sterk geconcentreerd in Amsterdam (Centrum, Zuid). Opvallend is<br />

het Energie Centrum Nederland in Petten<br />

Zorg<br />

Deze kaart toont de ligging van grote zorginstellingen in vooral stedelijke gebieden.<br />

31<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


32 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


2.2.2 Bereikbaarheid op basis van netwerkreistijd<br />

Steffen Nijhuis - <strong>TU</strong> <strong>Delft</strong><br />

Bereikbaarheid is een noodzakelijke voorwaarde voor de<br />

locatiekeuze voor veel regionale functies zoals kantoren<br />

en (winkel)voorzieningen (bestemmingslocaties). Gebieden<br />

binnen de onderzochte regio met een relatief goede bereikbaarheid<br />

zijn dus potentiële locaties voor deze functies.<br />

Bereikbaarheid wordt bepaald door de karakteristiek van een<br />

locatie: de geografische positie, de plek binnen het netwerk<br />

van infrastructuur en de actieradius van de bevolking.<br />

Bereikbaarheid wordt hier gedefinieerd als: ‘bereikbaarheid<br />

heeft betrekking op de ruimte waarbinnen een verzameling<br />

personen is gesitueerd, die vanuit hun herkomstlocaties een<br />

bepaalde activiteitenplaats tegen acceptabele tijdskosten als<br />

bestemming kunnen kiezen’ (Dijst, 1995).<br />

Doel<br />

Het in beeld brengen van de potentiële bereikbaarheid van<br />

willekeurige bestemmingsplekken op basis van netwerkreistijd.<br />

Met andere woorden: wat is de locatiewaarde op basis<br />

van bereikbaarheid, of wat zijn de meest centrale plaatsen in<br />

de regio op basis van netwerkreistijd? Goede autobereikbaarheid<br />

of centrale ligging in het autonetwerk is een belangrijke<br />

vestigingslocatie voor bedrijvigheid.<br />

Methode<br />

Bereikbaarheid op basis van netwerkreistijd, of kortweg het<br />

cumulatieve isochronenmodel, is gebaseerd op een theorie<br />

ontwikkeld door Jacobs en Klaassen (2000, 2001) en Uum<br />

en Nijhuis (2003) en is verder ontwikkeld en geoperationaliseerd<br />

met behulp van Geografische Informatie Systemen,<br />

of kortweg GIS (Nijhuis, 2007). De methode gaat uit van<br />

bestemmingsplekken (activiteitenconcentraties) waarvan de<br />

potentiële bereikbaarheid uitgedrukt wordt in relatieve scores<br />

op basis van netwerkreistijd. Het geeft een beeld van de locatiewaarde<br />

op basis van bereikbaarheid. Het is een praktische<br />

methode waarmee verschillen in bereikbaarheid binnen de<br />

regio zichtbaar gemaakt kunnen worden en potentiële vestigingslocaties<br />

in beeld worden gebracht.<br />

Uitgangspunten<br />

Modal split<br />

Bij de gehanteerde methode staat de bereikbaarheid per auto<br />

centraal, omdat dit in Nederland verreweg de belangrijkste<br />

modaliteit is. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat modal split<br />

voor woon-werkverkeer de auto ongeveer 60% is, tegenover<br />

ongeveer 3,5% trein en 2% overig openbaar vervoer (zie<br />

o.a. Schwanen et al., 2004). Het gebruik van het openbaar<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

vervoer ten opzichte van de auto is dus verwaarloosbaar.<br />

Gemiddelde reistijd<br />

Het isochronenmodel gaat uit van het bereik binnen 30 minuten<br />

netwerkreistijd vanuit belangrijke herkomstlocaties zoals<br />

steden en dorpen. Dit is gebaseerd op de veronderstelling<br />

dat reistijd belangrijker is dan reisafstand (zie o.a. Hajer et al.<br />

2000). De gemiddelde reistijd is afhankelijk van de capaciteit<br />

van de wegen en de gemiddelde rijsnelheid die behaald<br />

kan worden. Uit onderzoek blijkt dat men gemiddeld 25 - 35<br />

minuten met de auto reist om op het werk te komen. Voor<br />

winkelen is dat gemiddeld 15 minuten (zie o.a. Schwanen,<br />

2003). Belangrijke bestemmingsplekken zijn plaatsen die<br />

een regionale functie vervullen zoals steden waar men werkt<br />

en gaat winkelen. Maar ook grotere dorpen die een lokale<br />

verzorgende functie hebben. Het zijn de plaatsen waar men<br />

de dagelijkse boodschappen doet.<br />

Techniek<br />

Het cumulatieve isochronenmodel is een op GIS gebaseerd<br />

model waarbij de potentiële bereikbaarheid van een willekeurige<br />

bestemmingsplek in het stedelijk systeem wordt<br />

geanalyseerd en weergegeven door vanuit elke belangrijke<br />

herkomstlocatie isochronen van netwerkreistijd te berekenen,<br />

deze te stapelen en te voorzien van een relatieve score uitgedrukt<br />

in procenten (ordinale schaal). De volgende stappen<br />

worden daarbij doorlopen:<br />

1) Het gemodelleerde autonetwerk wordt afgeleid van het<br />

Nationaal Wegen Bestand van Rijkswaterstaat. Hierbij<br />

is per wegvak aangegeven wat de gemeten gemiddelde<br />

snelheden zijn.<br />

2) Op basis van de gemiddelde snelheid (gemeten gemiddelde<br />

rijsnelheden per wegvak) worden (netwerk) isochronen<br />

berekend voor 30 minuten vanuit de belangrijkste<br />

herkomstlocaties.<br />

3) Door deze individuele isochronen te stapelen (cumulatieve<br />

isochronen) krijgt elke plek in de regio een bereikbaarheidsscore.<br />

Hoe meer isochronen overlappen, hoe hoger<br />

de bereikbaarheidsscore, hoe beter bereikbaar.<br />

4) Als laatste stap in deze calculatie worden alle berekende<br />

bereikbaarheidsscores ten opzichte van elkaar gepositioneerd<br />

door de hoogste berekende waarde (ordinale<br />

schaal). Het resultaat is een gewogen bereikbaarheidswaarde<br />

uitgedrukt in percentages (relatieve waarde). Hoe<br />

hoger de percentages, hoe beter bereikbaar.<br />

33<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


34 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Confrontatie met de economische hittekaart<br />

Om enig idee te krijgen hoe verschillende locaties op dit<br />

moment worden gebruikt, in termen van economische activiteit<br />

in relatie tot bereikbaarheid, is de bereikbaarheidkaart<br />

geconfronteerd met verschillende economische hittekaarten.<br />

Een belangrijke maat voor economische activiteit is werkgelegenheid<br />

uitgedrukt in hoeveelheid arbeidsplaatsen. Bij de<br />

indeling in economische sectoren zijn de categorieën van<br />

Bureau Louter (2002) gebruikt. Zij maken onderscheidt tussen<br />

regionaal-stuwende sectoren en regionaal-verzorgende<br />

sectoren. Regionaal-stuwende sectoren zijn: industrie,<br />

distributie-activiteiten, kennisdiensten en land- en tuinbouw.<br />

Regionaal-verzorgende sectoren zijn bijvoorbeeld consumentendiensten<br />

en non-profitvoorzieningen.<br />

Wat opvalt is vooral de sterke correlatie tussen kennisdiensten<br />

en autobereikbaarheid.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

35<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


36 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Conclusies en aanbevelingen<br />

De gebieden die het best bereikbaarheid zijn en dus een<br />

hoge (potentiële) waarde hebben als vestigingslocatie, zijn:<br />

• A10-zone zuid met Amsterdam-Zuidoost (Arena), en de<br />

Amsterdam-Zuidas;<br />

• A10-zone noord met o.a. Amsterdam-Oostzanerwerf, Amsterdam-Tuindorp<br />

Oostzaan en Amsterdam-Nieuwendam;<br />

• A8-zone met Zaandam en Oostzaan;<br />

• A7-zone met o.a. Purmerend-west, Zuidoostbeemster,<br />

Middenbeemster en Hoorn;<br />

• A9-zone met Uitgeest, Castricum, Heiloo en Alkmaar;<br />

• A22-zone met Beverwijk en Velserbroek;<br />

• A208-zone met Santpoort-Noord en Haarlem;<br />

• A1-zone met Muiden, Weesp en Naarden;<br />

Uiteraard zijn veel van deze locaties al in ontwikkeling als<br />

bedrijventerrein, kantorengebied of woongebied. Toch is het<br />

zaak de kaart nog eens kritisch te beschouwen op mogelijke<br />

potentiële vestigingslocaties en deze verder te ontwikkelen;<br />

en daarmee de potenties van de plek te benutten. Het is<br />

daarbij wel belangrijk om vraagstukken van ruimtelijke kwaliteit<br />

(impact op waardevolle landschappen etc) zwaar te laten<br />

meewegen.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Bronnen<br />

Bureau Louter. 2002. De economische hittekaart van Nederland.<br />

Waar de economie van Nederland groeit. <strong>Delft</strong>.<br />

Dijst, M. 1995. Het elliptisch leven. Actieruimte als integrale<br />

maat voor bereik en mobiliteit. Modelontwikkeling met als<br />

voorbeeld tweeverdieners met kinderen in Houten en Utrecht.<br />

Utrecht/<strong>Delft</strong>, Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap/Faculteit<br />

Bouwkunde Technische Universiteit <strong>Delft</strong>.<br />

Geografische Studies 196.<br />

Hajer, M. & W. Zonneveld. 2000. Spatial Planning in the<br />

Network Society. Rethinking the Principles of Planning in the<br />

Netherlands. European Planning Studies 8 (3); 337-355<br />

Jacobs, M. 2000. Multinodal Urban Structures. A comparative<br />

analyses and strategies for design. <strong>Delft</strong>, <strong>Delft</strong> University<br />

Press. Transformations 3.<br />

Uum, E. van & S. Nijhuis. 2003. De regio in lagen: Lagenbenadering<br />

als ontwerpmethode voor het instrument VPR.<br />

Amsterdam, SenterNovem/ROA/DRO.<br />

Klaasen, I.T. & M. Jacobs. 1999. Relative location value<br />

based on accessibility: application of a useful concept in<br />

designing urban regions. Landscape and Urban Planning 45<br />

(1999); 21-35<br />

Nijhuis, S. 2007. Locatiewaarde op basis van bereikbaarheid<br />

en GIS. Een beknopte toelichting op het model. <strong>TU</strong> <strong>Delft</strong>.<br />

Ongepubliceerd<br />

Schwanen, T. 2003. Spatial Variations in Travel Behavior and<br />

Time Use. The role of urban form and sociodemographic factors<br />

in individuals’ travel and activity patterns in the Netherlands.<br />

Dissertatie Universiteit Utrecht.<br />

Schwanen, T., M. Dijst and F.M. Dieleman. 2004. Policies<br />

for Urban Form and their Impact on Travel: The Netherlands<br />

Experience. Urban Studies 41 (3).<br />

37<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Configuratie<br />

Een eenvoudige nederzetting<br />

Achterstraat<br />

Achterstraat<br />

niet gepland<br />

Hoofdstraat<br />

De axiale kaart van de publieke ruimte<br />

niet gepland<br />

De theorie van natuurlijk bewegende<br />

economische processen<br />

Hoofdstraat<br />

Zijstraat<br />

Zijstraat<br />

Beweging<br />

Configuratie<br />

Configuratie<br />

Configuratie<br />

Aantrekking<br />

Een eenvoudige nederzetting<br />

Een eenvoudige De publieke nederzetting ruimte<br />

Een eenvoudige nederzetting<br />

Achterstraat<br />

Achterstraat<br />

Achterstraat<br />

De axiale kaart van de publieke ruimte<br />

De axiale kaart van de publieke ruimte<br />

Axiale integratie analyse<br />

De axiale kaart van de publieke ruimte<br />

Achterstraat<br />

Achterstraat<br />

Back street<br />

Achterstraat<br />

38 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

1<br />

niet gepland<br />

niet gepland<br />

niet gepland<br />

Configuratie<br />

niet gepland<br />

niet gepland<br />

Politieke en<br />

niet gepland<br />

organisatorische<br />

beperkingen<br />

Beweging<br />

Beweging<br />

Beweging<br />

not planned<br />

Aantrekking<br />

Aantrekking<br />

planned<br />

Aantrekking<br />

De publieke ruimte<br />

De publieke ruimte<br />

Globale functieverdeling De publieke ruimte bouwblokken<br />

Axiale integratie analyse<br />

Axiale integratie analyse<br />

Axiale integratie A analyse<br />

D<br />

Beweging<br />

Politieke en<br />

Politieke en<br />

organisatorische<br />

organisatorische<br />

Politieke Aantrekking en<br />

beperkingen<br />

beperkingen organisatorische<br />

beperkingen<br />

De theorie van natuurlijk bewegende<br />

Hoe politieke en organisatorisch<br />

De theorie van natuurlijk<br />

Hoe<br />

bewegende<br />

politieke en organisatorische het natuurlijke<br />

Hoe politieke en organisatorische he<br />

economische processen<br />

lokatie-proces kunnen dominere<br />

economische De theorie processen van natuurlijk bewegende<br />

lokatie-proces kunnen domineren<br />

lokatie-proces Hoe politieke kunnen en organisatorisch<br />

domineren<br />

economische processen<br />

lokatie-proces kunnen dominere<br />

Zijstraat<br />

Zijstraat<br />

Zijstraat<br />

Hoofdstraat<br />

Hoofdstraat<br />

Hoofdstraat<br />

Configuratie<br />

Configuratie<br />

Configuratie<br />

Publiek gebouw<br />

Winkels<br />

Woningen<br />

45¡<br />

B 75¡<br />

0.5<br />

0.8<br />

1.0<br />

0.8<br />

0.5<br />

0.8<br />

0.8<br />

1<br />

0.5 0.8<br />

0.5<br />

0.5<br />

0.2<br />

Zijstraat 0.0<br />

Zijstraat<br />

Zijstraat Side street<br />

Back street<br />

Back street<br />

Back Hoge street integratie<br />

Hoofdstraat<br />

Main street<br />

Hoofdstraat<br />

1<br />

Hoofdstraat<br />

Lage integratie<br />

Legenda<br />

0.2<br />

0.2<br />

0.2<br />

0.2<br />

0.0<br />

0.0 0.0<br />

'Hoe<br />

'Hoekgewichten' Side street 0.0 'Hoekge<br />

Side street<br />

'Hoe<br />

Side street<br />

Hoge integratie<br />

Main street Hoge integratie<br />

1<br />

Main street<br />

Hoge integratie<br />

Main street<br />

Lage integratie<br />

1<br />

Lage integratie<br />

Legenda Lage integratie<br />

Legenda<br />

Legenda<br />

C<br />

not planned<br />

not planned<br />

not planned<br />

planned<br />

planned<br />

planned<br />

Globale functieverdelin<br />

Globale functieverdeling bou<br />

Globale functieverdeling<br />

A<br />

D<br />

A<br />

A<br />

D 45¡<br />

D


2.2.3 Bereikbaarheid op basis van Space<br />

Syntax<br />

Egbert Stolk, Akkelies van Nes - <strong>TU</strong> <strong>Delft</strong><br />

Doel<br />

Het doel van de methode space syntax is inzicht krijgen<br />

in de manier waarop het stratenpatroon van invloed is op<br />

uiteenlopende menselijke activiteiten, variërend van sociaaleconomische<br />

patronen tot aan verkeerskundige patronen.<br />

Door inzicht te krijgen in deze wisselwerking kan de methode<br />

bijdragen aan een sociale, economische en kwalitatief hoogstaande<br />

leefomgeving.<br />

Methode<br />

Space syntax is de verzamelnaam voor een set methoden en<br />

technieken waarmee ruimte geanalyseerd kan worden. Voor<br />

de provincie is deze ‘ruimte’ beschreven door middel van een<br />

zogenaamde ‘axiale’ kaart. Deze axiale kaart bestaat uit de<br />

minimale set aan zichtlijnen (en hun verbindingen) waarmee<br />

de ruimte beschreven kan worden. Deze kaart lijkt op een<br />

soort verkeerskaart, maar dan opgebouwd uit zichtlijnen in<br />

plaats van wegdelen. De resultante is een kaart van het straten/verkavelings<br />

patroon welke met behulp van speciale software<br />

op verschillende aspecten kan worden geanalyseerd.<br />

Een voorbeeld van een axiale kaart is hiernaast te zien.<br />

Bij space syntax wordt door middel van de software kenmerken<br />

van de axiale kaart in beeld gebracht. Er wordt al zo’n 25<br />

jaar onderzoek gedaan naar en met deze methode, die zijn<br />

oorsprong kent in Engeland. Dit onderzoek is gestart vanuit<br />

de architectonisch/stedenbouwkundige hoek maar heeft<br />

zich sindsdien sterk verbreed naar andere disciplines zoals<br />

economie, verkeerskunde, criminologie, psychologie, archeologie,<br />

sociologie en antropologie. In deze 25 jaar is er veel<br />

empirische data verzameld waarmee de correlatie tussen<br />

meeteenheden uit de analyse en uiteenlopende ruimtelijke<br />

ontwikkelingen kan worden getoond.<br />

Uitgangspunten<br />

In essentie draait een space syntax analyse om de mate<br />

waarin de axiale met elkaar verbonden zijn. Axiale lijnen kunnen<br />

heel goed verbonden zijn met andere lijnen (de lijn is dan<br />

‘goed geïntegreerd’) of juist niet (de lijn is dan ‘sterk gesegregeerd).<br />

Indien een lijn goed geïntegreerd is kun je deze<br />

met relatief weinig hoekveranderingen in je route bereiken.<br />

In de meest recente modellen wordt ook rekening gehouden<br />

met de hoek waaronder de lijnen elkaar kruisen en ook de<br />

metrische afstanden, een gedetailleerde beschrijving hiervan<br />

kan worden gevonden in Hillier et al (2007).<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

39<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


REGIONALE POTENTIES<br />

De logica van het regionale netwerk<br />

• Laat zien waar de regionale centra zijn;<br />

• Geeft een indicatie van de aantrekkingskracht<br />

voor auto-gebaseerde winkelcentra/megamalls;<br />

• Laat het gebied zien met de hoogste en meest<br />

logische bereikbaarheid voor de gehele regio;<br />

• Laat zien welke plekken geschik zijn voor<br />

industriële activiteiten.<br />

ACTIERADIUS SCHAAL 800 METER<br />

• Laat zien hoe vitaal de diverse stedelijke/<br />

dorpse kernen zijn binnen een radius van 800<br />

meter;<br />

• Laat de lokale potentie zien van diverse centra<br />

en subcentra;<br />

• Laat zien hoe toegankelijk een centrum is voor<br />

lokale klanten te voet.<br />

40 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

LOKALE POTENTIES<br />

De logica van het lokale netwerk<br />

• Laat zien waar de meest vitale lokale centra<br />

zijn;<br />

• Laat zien waar de meest levendige en toegankelijke<br />

winkelstraten zijn;<br />

• Laat de potentie zien voor lokale winkelcentra.<br />

ACTIERADIUS SCHAAL 9000 METER<br />

• Laat de regionale hoofdcentra zien (veelal goed<br />

toegankelijk per trein, tram, bus of auto).


Techniek<br />

De recente ontwikkelingen in computer hard- en software<br />

maken analyses op een grote schaal mogelijk; de hier gepresenteerde<br />

axiale kaart voor de provincie bevat zo’n 100.000<br />

zichtlijnen, die binnen een relatief korte tijd zijn door te rekenen<br />

(variërend van een half uur tot enkele dagen afhankelijk<br />

van de soort analyse).<br />

De software geeft door middel van kleuren aan in welke mate<br />

de lijn verbonden is met andere lijnen. Op deze manier kan in<br />

een oogopslag gezien worden waar de meest geïntegreerde<br />

(en veelal vitale) en gesegregeerde straten (en veelal afgelegen)<br />

zijn gelegen. De rode lijnen zijn de meest geïntegreerde<br />

lijnen en de blauwe de meest gesegregeerde.<br />

Opbouw van de analyse<br />

Om te komen tot betekenisvolle analyses die voor nietexperts<br />

kunnen worden begrepen is er gekozen voor een<br />

viertal relevante legenda-eenheden; (1) Regionale potenties;<br />

(2) Lokale potenties; (3) Actieradius schaal R=800 meter en<br />

(4) Actieradius schaal R=9000 meter. Tezamen vormen deze<br />

eenheden een zogenaamd ‘Ruimtelijk Potentie Profiel’ - een<br />

typering van de kwaliteit van een locatie.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

41<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


42 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Regionale potenties<br />

De kaart met regionale potenties brengt een aantal minder<br />

een meer opvallende zaken aan het licht. Het snelwegennetwerk<br />

rondom Amsterdam, Haarlem en Schiphol heeft de<br />

hoogste integratiewaarde. Deze wegen zijn rood op de kaart.<br />

Dit houdt in dat wanneer je van de ene plek naar een willekeurige<br />

andere plek gaat de kans het groot is dat je een van<br />

deze wegen neemt in vergelijking met de andere wegen in de<br />

regio. Hierdoor is het gebied romdom deze rode wegen aantrekkelijk<br />

voor bedrijvigheid en voor bijvoorbeeld megamalls.<br />

Wat verder opvalt:<br />

• Het centrum van de provincie is Amsterdam; de ringweg<br />

en de omliggende snelweg, gevolgd door de zone<br />

rondom Haarlem - Alkmaar en de A4-as van Amsterdam<br />

richting Rijnland.<br />

• Op regionaal schaalniveau zijn Texel en Den Helder sterk<br />

gesegregeerd.<br />

• Een aantal (potentiele) ontwikkelingsassen voor economische<br />

activiteit: (1) Amsterdam richting Haarlem; (2)<br />

Haarlem richting Alkmaar; (3) Amsterdam -> Zaandam -><br />

Purmerend.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

43<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


44 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Lokale potenties<br />

In de kaart met lokale potenties komen de diverse stads en<br />

dorpscentra sterk naar voren ten opzichte van het overige<br />

netwerk. Dit overige netwerk heeft een (donker) blauwe<br />

kleur, de meest vitale centra hebben een rood/oranje/gele<br />

kleur. Onderzoek heeft uitgewezen dat dit type analyse (in<br />

technische termen: zowel angulair als metrisch) een sterke<br />

correlatie heeft met voetgangers- en fietsstromen in verstedelijkte<br />

gebieden. Bovendien is het een sterke indicator voor de<br />

vitaliteit van de hoofdroutes.<br />

Wat verder opvalt:<br />

• In grote steden als Amsterdam en Haarlem springen de<br />

belangrijkste winkelstraten eruit; deze zijn rood/geel.<br />

• In kleinere dorpen zijn deze vitale wegen licht blauw of<br />

turquoise, zoals is te zien bij Den Burg op Texel of Purmerend.<br />

• De Haarlemmermeer heeft zowel regionaal als lokaal<br />

potentie voor economische activiteiten.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

45<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


46 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Actieradius straal 800 meter<br />

De actieradius - schaal 800 meter laat de vitaliteit van diverse<br />

locale centra zien binnen loopafstand. Met behulp van deze<br />

analyse, waarbij de metrische afstand wordt meegenomen,<br />

kan de vitaliteit van diverse lokale gebieden, centra, subcentra<br />

en buurten worden verhelderd. In vele Vinex-wijken en<br />

naoorlogse wijken komt de mate van lokale potentie voor winkelactiviteit<br />

naar voren. In bijvoorbeeld het noordelijke deel<br />

van de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam is er een hoge<br />

potentie om een vitaal centrum te creëren. Desalniettemin,<br />

wordt een dergelijk proces geblokkeerd door de bebouwingstypologie<br />

- flats met ingangen die afgekeerd liggen van de<br />

meest vitale straten.<br />

Deze analyse is tevens bruikbaar voor het analyseren van<br />

de potenties voor de positionering van treinstations. Indien<br />

een straat gelegen naast een station een hoge waarde (rood)<br />

heeft, dan vormt dit een belangrijke voorwaarde voor het<br />

genereren van lokale economische vitaliteit op loopafstand<br />

van het station. Een belangrijk kenmerk van oude historische<br />

steden is dat deze een hoge waarde heeft - veelal in de buurt<br />

van de treinstations. Deze gebieden zijn dan ook ontstaan<br />

in een tijd waarin de modaliteit lopen dominant was, deze<br />

gebieden hadden dan ook primair tot doel de voetgangers<br />

te bedienen. Voorbeelden hiervan zijn Haarlem, Amsterdam,<br />

Alkmaar, Enkhuizen en Hilversum. Bij overstapstations ontbreekt<br />

veelal een dergelijk netwerk.<br />

Wat verder opvalt:<br />

• Elke lokale stads/dorps-centrum licht op.<br />

• Het is de enige analyse waarbij het stadscentrum van<br />

Amsterdam oplicht. Het staat bekend vanwege de overwegend<br />

toeristische activiteiten.<br />

• De meest toegankelijke centra voor voetgangers zijn:<br />

• Het historische centrum van Amsterdam, Haarlem en<br />

Alkmaar.<br />

• Enkhuizen, Hilversum, Naarden, Bussum.<br />

• Alle overige centra zoals die van Zaandam en Den Helder,<br />

lichten in verschillende mate op.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

47<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


48 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Actieradius straal 9000 meter<br />

Indien we de metrische afstand verhogen van 800 meter<br />

naar 9000 meter (9 km) springen de routes eruit die door of<br />

tussen de meest belangrijke verstedelijkte gebieden liggen<br />

(‘stadregionale verbindingen’). Veelal komen de meest vitale<br />

regionale wegen naar voren. Deze wegen trekken in potentie<br />

bezoekers aan vanuit de gehele stad of regio, wat is terug te<br />

zien in het type bedrijvigheid langs deze routes. Voorbeelden<br />

zijn de Pijp (Amsterdam) en het centrum van Haarlem. Het<br />

centrum van Haarlem, bijvoorbeeld, is zeer vitaal op deze<br />

schaal en op de schaal van 800 meter. Het bediend dus zowel<br />

klanten uit de directe buurt, alsook uit een groter gebied.<br />

Het is de enige locatie waar beide waarden hoog zijn. Het<br />

heeft dan ook een levendig stadscentrum met uiteenlopende<br />

winkels, bedrijvigheid en dienstverlening.<br />

Wat verder opvalt:<br />

• De hoofdweg richting Den Helder.<br />

• De hoofdweg tussen Alkmaar centrum en de noordelijk<br />

gelegen suburbane centra.<br />

• De verbindingen tussen Haarlem-Alkmaar; Amsterdam-<br />

Alkmaar en H’sum-Naarden-Bussum.<br />

• De ringweg van Amsterdam en de radiale straten richting<br />

het stadscentrum.<br />

• De hoofdwegen van Enkhuizen.<br />

• De overige kleine stadscentra lichten in het geheel niet<br />

op, wat duidt op een laag regionaal bereik en een slechte<br />

toegankelijkheid voor (regionale) klanten.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

49<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Ter illustratie: vier steden<br />

Om een idee te geven hoe de space syntax kaarten te lezen<br />

op een stedelijk niveau is er nader ingezoomd op een viertal<br />

steden: Amsterdam, Den Helder, Haarlem en Purmerend.<br />

Bij elk van de analyses zijn de meest opvallende aspecten<br />

benoemd.<br />

Amsterdam<br />

Het oude historische centrum komt alleen duidelijk naar<br />

voren in de ‘actieradius schaal 800 meter’, in het toeristische<br />

centrum van Amsterdam. Het meest vitale centrum is de<br />

Pijp - zie de ‘actieradius 9000 meter’ kaart. De Zuidas en het<br />

oostelijke deel van de ringweg in Amsterdam is het meest<br />

centraal gelegen in de provincie en de radiale wegen van de<br />

ringweg richting het oude centrum zijn de meest vitale winkelstraten<br />

van de hele regio.<br />

Regionale centraliteiten Lokale centraliteiten<br />

Actieradius schaal 800 meter Actieradius schaal 9000 meter<br />

50 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

}Ruimtelijk<br />

Potentie<br />

Profiel


Den Helder<br />

In alle analyses, behalve de ‘actieradius schaal 800 meter’,<br />

zijn de waarden laag in Den Helder. De centrale winkelstraat<br />

en de hoofdroutes lichten op in de ‘actieradius schaal 800<br />

meter’ kaart. De regionale potenties zijn voornamelijk gelegen<br />

langs de hoofdwegen in het zuidelijke rand van de stad.<br />

Hier zijn enkele bedrijven gevestigd. Den Helder’s centrum<br />

bediend voornamelijk klanten vanuit de eigen stad en passanten<br />

tussen het station en de veerboot naar Texel.<br />

Regionale centraliteiten Lokale centraliteiten<br />

Actieradius schaal 800 meter Actieradius schaal 9000 meter<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

51<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Haarlem<br />

Haarlem scoort, net als Amsterdam, hoge waarden in alle vier<br />

de analyses. In contrast met Amsterdam, hebben de centrale<br />

straten zowel een hoge integratie op een laag als op een<br />

hoog schaalniveau. De regionale centraliteit ligt in het oostelijke<br />

deel van het centrum, terwijl de ‘actieradius schaal 9000<br />

meter’ langs de hoofdroutes ligt die door het stadscentrum<br />

lopen. Daarbij hebben de straten in het stadscentrum zeer<br />

hoge waarden voor de ‘actieradius schaal 800 meter’. Dit resulteert<br />

in een grote variatie aan winkelaanbod, keuzeaanbod<br />

en vele typen bedrijvigheid op loopafstand. Men zou kunnen<br />

zeggen dat dit het meest succesvolle lokale stedelijke centrum<br />

van de provincie is. De Vinex-wijken in het zuid-oosten<br />

van de stad hebben zeer lage waarden voor zowel de lokale<br />

integratie als voor de ‘actieradius schaal 800 meter’ analyses.<br />

Regionale centraliteiten Lokale centraliteiten<br />

Actieradius schaal 800 meter Actieradius schaal 9000 meter<br />

52 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Purmerend<br />

Purmerend bestaat grotendeels uit moderne geplande<br />

naoorlogse woonwijken. Het heeft een zeer klein historisch<br />

centrum. De meeste van de bewoners gaan dagelijks naar<br />

Amsterdam voor hun werk. Op een regionale schaal heeft<br />

Purmerend een goede toegankelijkheid op de westelijke<br />

snelwegen. Er zijn diverse potenties voor de plaatsing van<br />

regionale centra en auto-gebaseerde winkelcentra. Lokaal<br />

en op de actieradius schaal 9000 meter zijn de waarden zeer<br />

laag. Vinex-wijken in het algemeen blijken zeer lage waarden<br />

te hebben in de lokale integratie-analyse. Vinex-wijken<br />

nodigen dus niet uit tot een levendig straatbeeld. Een beperkt<br />

aanbod van winkelactiviteiten versterkt en ondersteund dit.<br />

Veel Vinex-wijken worden dan ook gezien als slaapsteden.<br />

Regionale centraliteiten zijn te vinden rondom de kruising van<br />

de snelwegen en de hoofdroutes richting deze ‘new town’.<br />

Regionale centraliteiten Lokale centraliteiten<br />

Actieradius schaal 800 meter Actieradius schaal 9000 meter<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

53<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


54 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Conclusies<br />

• De ruimtelijke analyse van de provincie laat duidelijk<br />

zien dat Amsterdam het meest vitale centrum is op alle<br />

schaalniveaus.<br />

• Echter, Haarlem is het enige centrum waar de bereikbaarheid<br />

voor lokale klanten alsook voor regionale klanten<br />

zeer hoog is. Haarlem heeft dan ook een grote variatie<br />

aan winkels en bedrijven in een gebied vergeleken met<br />

Amsterdam en Alkmaar.<br />

• In Amsterdam en Alkmaar zijn de regionale goed bereikbare<br />

assen op andere plekken gelegen dan de lokale<br />

vitale centra.<br />

• Texel is in alle opzichten sterk gesegregeerd, met uitzondering<br />

van het centrum van den Burg, welke een hoge<br />

waarde heeft voor voetgangers (actieradius schaal 800<br />

meter).<br />

Bronnen<br />

Hamers, D. and Nabielek, K., 2006, Bloeiende Bermen.<br />

Verstedelijking langs de snelweg, Ruimtelijk Planbureau, NAI<br />

Uitgevers, Rotterdam.<br />

Hillier, B., Turner, A., Yang, T., and Park H.T., 2007, Metric<br />

and Topo-geometric properties of urban street networks, in:<br />

Kubat, A. (ed.), 2007, Proceedings Space Syntax, 6th International<br />

Symposium, Istanbul Technical University, Istanbul.<br />

Hillier, B. and Iida, S., 2005, ‘Network effects and psyychological<br />

effects: a theory of urban movement’ in: van Nes, A.<br />

(ed.), Proceedings Space Syntax, 5th International Symposium,<br />

<strong>TU</strong>-<strong>Delft</strong>.<br />

Hillier, B., 1999, ‘Centrality as a process: accounting for<br />

attraction inequalities in deformed grids’, Urban Design International<br />

(1999) 4 (3&4), 107-127.<br />

Hillier, B., Penn A, Banister D, and Xu J, 1998, ‘Configurational<br />

modelling of urban movement network’, Environment<br />

and planning B. Planning and Design, 1998, volume 25, p.<br />

59 - 84.<br />

Hillier, B., 1996, Space is the Machine, Cambridge University<br />

Press, Cambridge.<br />

Hillier, B., Penn, A., Hanson, J., Grajewski, T. and Xu, J.,<br />

1993, ‘Natural movement: or, configuration and attraction in<br />

urban pedestrian movement’, Environment and Planning B:<br />

Planning and Design, 1993, volume 20, 29 - 66.<br />

Van Nes, Akkelies, 2008, ‘Configurative methods in urban<br />

studies’, Techne Press, Amsterdam (forthcoming)<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

55<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Space Syntax. Isochronen.<br />

Spacesyntax. Isochronen.<br />

56 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


2.2.4 Confrontatie van de twee modellen<br />

Steffen Nijhuis, Egbert Stolk, Akkelies van Nes - <strong>TU</strong> <strong>Delft</strong><br />

Complementair<br />

Onderstaande analyses laten de complementariteit van<br />

beide modellen zien. Space syntax gaat over de logica van<br />

het netwerk en biedt zodoende argumenten voor toekomstige<br />

ingrepen. Op basis van de huidige situatie brengt het<br />

isochronenmodel in beeld hoe het nu functioneert, en wat de<br />

potenties zijn binnen deze situatie. Beide modellen kunnen in<br />

samenhang worden ingezet als ontwerpondersteuning.<br />

Voorbeeld bij ‘Kennisdiensten’<br />

De lijn Schiphol-Beverwijk heeft volgens de logica van het<br />

netwerk een hoge potentie, maar de huidige bereikbaarheid<br />

laat echter te wensen over (in termen van capaciteit en reistijd).<br />

Het ligt voor de hand dit trace nader te onderzoeken.<br />

Voorbeeld bij ‘Regionaal Verzorgend’<br />

Uit de analyse blijkt dat Volendam een sterke correlatie kent<br />

tussen tussen bereikbaarheid en lokale voorzieningen. De<br />

positie in het regionale netwerk maakt dat deze kern met<br />

name lokaal verzorgend is. De attactiviteit als toeristentrekpleister<br />

compenseert de slechte bereikbaarheid.<br />

Conclusies en aanbevelingen<br />

De getoonde analyses laten de complementariteit van beide<br />

modellen zien. Space syntax gaat over de logica van het<br />

netwerk en biedt zodoende argumenten voor toekomstige<br />

ingrepen. Het isochronen-model laat zien hoe het netwerk<br />

nu functioneert in termen van bereikbaarheid op basis van<br />

netwerkreistijd en wat de potenties daarvan zijn voor bijv. allocatie<br />

van woon- en werkmilieus. Beide modellen kunnen in<br />

samenhang worden ingezet als ontwerpondersteuning door<br />

ingrepen door te rekenen op de gevolgen. Hierbij kan bijvoorbeeld<br />

gedacht worden aan de analyse van de inpassing van<br />

nieuwe infrastructuur.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

space syntax<br />

thematische<br />

analyses<br />

netwerkreistijd<br />

57<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


58 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Algemene conclusies en aanbevelingen hoofdstuk 2<br />

Dit hoofdstuk geeft een beeld van de netwerken en economische<br />

structuur van Noord-Holland. Tussen de economische<br />

structuur en de economische netwerken bestaat een sterk<br />

verband. Bereikbaarheid is namelijk vaak een van de belangrijkste<br />

factoren voor bedrijven bij het maken van een locatiekeuze.<br />

De economische structuur is zo deels een resultaat<br />

van het onderliggende netwerk. Dit is inzichtelijk gemaakt<br />

door het combineren van bereikbaarheid en de verschillende<br />

hittekaarten.<br />

Door wijzigingen aan te brengen in het netwerk kan de economische<br />

structuur worden beïnvloed. Het verhogen van OV<br />

frequenties of het verdichten rondom stations kan bijvoorbeeld<br />

de plaats- en knoopwaarde verhogen. Aanpassingen<br />

in het wegennetwerk kunnen leiden tot een verhoging van de<br />

bereikbaarheid op basis van netwerkreistijd. Deze wijzigingen<br />

dragen bij aan de aantrekkelijkheid van een locatie.<br />

Taak voor de provincie ligt in het aanwijzen van de locaties<br />

waar het bestaande netwerk moet worden aangepast. Alle<br />

drie de netwerkanalyses bieden hier handvatten voor. Met het<br />

knoop- plaatsmodel kan bijvoorbeeld bepaald worden welke<br />

transferstations in aanmerking komen voor het verhogen van<br />

de plaatswaarde. Door het combineren van de space syntax<br />

en de netwerkreistijd is het mogelijk locaties in beeld te<br />

brengen waar de werkelijke bereikbaarheid achterblijft bij de<br />

theoretische bereikbaarheid. Deze locaties komen in aanmerking<br />

voor infrastructurele maatregelen.<br />

Een andere interessante uitkomst van de space syntax<br />

methode zijn locaties waar de economische ontwikkeling achterblijft<br />

bij wat op basis van de bereikbaarheid te verwachten<br />

is. Sommige van deze locaties scoren slecht op bereikbaarheid<br />

op basis van netwerkreistijd, maar er zijn ook locaties<br />

waar de economie om andere redenen nog niet volledig<br />

is ontwikkeld. Deze locaties zijn zeer interessant voor een<br />

nadere analyse.<br />

Van belang is wel om hierbij onderscheid te maken tussen<br />

economische sectoren en schaalniveaus. Economische<br />

sectoren zijn op te splitsen in twee categorieën: regionaal<br />

stuwend en lokaal/regionaal voorzienend. Voor de eerste<br />

categorie is vooral de regionale/landelijke bereikbaarheid<br />

essentieel. Bedrijven in deze sectoren zijn niet gebonden aan<br />

lokaal draagvlak maar maken hun locatiekeuzes op basis<br />

van andere factoren waaronder bereikbaarheid. Voor lokaal<br />

regionaal voorzienende sectoren is de lokale bereikbaarheid<br />

veel meer van belang. Bedrijvigheid zal zich clusteren op<br />

goed lokaal bereikbare locaties.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Advies voor verder onderzoek is het combineren van de<br />

verschillende methodes en het meer in detail onderzoeken<br />

van locaties die in aanmerking komen voor bereikbaarheidsverbetering.<br />

Door het toepassen van de diverse analyses<br />

kan beleid zo meer sectorspecifiek en locatiegericht worden<br />

opgesteld.<br />

59<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


60 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


KLIMAATVERANDERING<br />

3 Klimaatverandering<br />

Klimaatverandering staat de laatste jaren nationaal en internationaal<br />

hoog op de politieke agenda. In dit hoofdstuk wordt<br />

een aantal ruimtelijke opgaven verkend die voortvloeien uit<br />

de klimaatverandering en aansluiten bij het belang klimaatbestendigheid.<br />

Paragraaf 3.1 behandelt het veiligheidsvraagstuk<br />

in relatie tot kansen voor recreatie. In paragraaf 3.2.<br />

worden de kansen voor duurzame energieopwekking in de<br />

provincie in beeld gebracht.<br />

3.1 Waterveiligheid en kansen voor recreatie<br />

Door de klimaatverandering stijgt de zeespiegel en ontstaat<br />

een grotere variatie in rivierafvoeren. Dit zal op de lange<br />

termijn grote gevolgen hebben voor de samenleving. Om<br />

goed voorbereid te zijn, moeten we onze waterkeringen<br />

versterken en de inrichting van ons land aanpassen. Daarom<br />

is het belangrijk om een lange termijn visie op te stellen voor<br />

de toekomst van Nederland en over te gaan tot actie. Als<br />

eerste stap heeft het kabinet een Deltacommissie ingesteld,<br />

de commissie Duurzame Kustontwikkeling, met de opdracht<br />

zich te buigen over de bescherming van de Nederlandse kust<br />

en het achterland op de lange termijn vanuit een integrale<br />

benadering.<br />

Natuurlijk houdt de klimaatverandering niet alleen bedreigingen<br />

in, maar biedt het ook nieuwe perspectieven. In onderstaande<br />

tekst worden de aanbevelingen van de Deltacommissie<br />

die betrekking hebben op Noord-Holland aangestipt<br />

en een voorbeeld gegeven van de klimaatverandering als<br />

kans in plaats van louter bedreiging.<br />

Advies Deltacommissie voor Noord-Holland<br />

‘De Deltacommissie is door de regering gevraagd advies uit<br />

te brengen over de bescherming van Nederland tegen de<br />

gevolgen van klimaatverandering. Daarbij gaat het om de<br />

vraag hoe Nederland zo ingericht kan worden dat het ook<br />

op de zeer lange termijn klimaatbestendig is, veilig tegen<br />

overstromingen, en een aantrekkelijke plaats is en blijft om te<br />

leven; wonen, werken, recreëren en investeren.’ (Deltacommissie,<br />

2008)<br />

In het onderzoek van de Deltacommissie is waterveiligheid<br />

bekeken in samenhang met andere functies zoals wonen,<br />

werken en recreatie. Ze gaan uit van extreme verwachtingen<br />

en raden aan rekening te houden met een zeespiegelstijging<br />

van 0,65 tot 1,30 meter in 2100 en van 2 tot 4 meter in 2200.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

De commissie heeft, op basis van haar toekomstvisie tot na<br />

2100, 12 aanbevelingen geformuleerd voor de korte en middellange<br />

termijn. Voor Noord-Holland zijn de volgende aanbevelingen<br />

het meest van toepassing en beknopt opgeschreven<br />

(Deltacommissie, 2008):<br />

- De huidige veiligheidsniveaus van alle dijkringen moeten<br />

voor 2050 met een factor 10 verbeterd worden. Na 2050<br />

moeten de veiligheidsniveaus met regelmaat geactualiseerd<br />

worden.<br />

- De keuze van wel of geen nieuwbouw op fysisch ongunstige<br />

locaties moet gebaseerd zijn op een kosten-batenanalyse.<br />

Hierin moeten huidige en toekomstige kosten<br />

voor alle partijen zijn berekend. De kosten als gevolg van<br />

lokale besluiten moeten niet op een andere bestuurslaag<br />

of de samenleving als geheel worden afgewenteld, maar<br />

gedragen worden door degenen die ervan profiteren.<br />

- Nieuwe ontwikkelingen in buitendijkse gebieden mogen<br />

de afvoercapaciteit van de rivier en toekomstige peilopzet<br />

van meren niet belemmeren. Bewoners/gebruikers zijn<br />

zelf verantwoordelijk voor het treffen van gevolgbeperkende<br />

maatregelen. De overheid heeft een faciliterende rol<br />

op het gebied van voorlichten, informeren en waarschuwen.<br />

- Bouwen met de natuur. Voor de kust van Zeeland, Holland<br />

en de Waddeneilanden wordt de kustveiligheid op<br />

orde gehouden door het suppleren van zand, eventueel<br />

met verlegging van de stroomgeulen. De suppleties moeten<br />

zodanig worden uitgevoerd dat de kust de komende<br />

eeuw kan aangroeien. Dit levert grote maatschappelijke<br />

meerwaarde op.<br />

- Het peil van het IJsselmeer wordt met maximaal 1,5 m<br />

verhoogd. Daarmee kan tot na 2100 onder vrij verval<br />

worden gespuid op de Waddenzee. Het peil van het<br />

Markermeer wordt niet verhoogd. Het IJsselmeer behoudt<br />

zijn strategische functie als zoetwaterreservoir voor<br />

Noord-Nederland, Noord-Holland en, vanwege de dieper<br />

indringende zouttong in de Nieuwe Waterweg, voor West-<br />

Nederland.<br />

Kortom directe, grote ruimtelijke gevolgen zijn het verhogen<br />

van dijken, het bewuster omgaan met de keuze van nieuwbouwlocaties,<br />

zandsuppletie voor de kust en de verhoging<br />

van het IJsselmeerpeil met 1,5 meter. Dit zal vergaande<br />

gevolgen hebben voor de toekomst van Noord-Holland. Als<br />

we bijvoorbeeld naar het aspect van het bouwen op fysieke<br />

ongunstige locaties kijken valt op dat een groot deel van het<br />

stedelijk gebied beneden zeepeil en/of op slappe bodem ligt<br />

of gepland is. Moet dit in de toekomst anders of kiezen we<br />

bewust voor de risico’s die hieraan verbonden zijn?<br />

61<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Strandhokjes<br />

Strandhokjes PLUS<br />

Faciliteiten<br />

Strandpaviljoens/zomerboulevard<br />

Activiteiten/evenementen<br />

Natuurontwikkeling<br />

Bron: Bosch Slabbers 2007<br />

62 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Uitzichtpunten<br />

Kamperen<br />

Binnenduinrand<br />

Energiewinning<br />

Klimduin<br />

Recreatief netwerk<br />

Bezoekerscentrum


Maar deze aanbevelingen brengen niet alleen kosten en<br />

beperkingen met zich mee. Ze kunnen in samenhang met<br />

andere functies worden bekeken en zo aangegrepen worden<br />

als kans. Zandsuppletie voor de kust biedt bijvoorbeeld veel<br />

mogelijkheden voor recreatie en natuurontwikkeling.<br />

Zandsuppletie als kans<br />

Het ontwerpbureau Bosch Slabbers heeft een studie gedaan<br />

naar de mogelijkheden voor het combineren van recreatieve<br />

functies met kustversterking, zoals zandsuppletie. Zij maken<br />

een onderscheid tussen kustverbreding door het aanleggen<br />

van strand of van duinen.<br />

Mogelijkheden strand voor de deur:<br />

• Strandhokjes<br />

• Strandhokjes PLUS<br />

• Faciliteiten (toiletten, douche)<br />

• Strandpaviljoens/zomerboulevard<br />

• Activiteiten/evenementen<br />

Mogelijkheden duin voor de deur:<br />

• Natuurontwikkeling<br />

• Uitzichtpunten<br />

• Kamperen<br />

• Binnenduinrand<br />

• Energiewinning<br />

• Klimduin (à la Schoorl)<br />

• Recreatief netwerk (fiets, voet en ruiter)<br />

• Bezoekerscentrum natuur/duurzame energie<br />

Deze mogelijke ontwikkelingen dragen niet alleen bij aan een<br />

impuls voor recreatie en toerisme in samenhang met kustversterking,<br />

maar zouden ook een onderdeel kunnen zijn van<br />

een breder plan van kustverbetering op het vlak van ruimtelijke<br />

kwaliteit. De ondertussen breed erkende dreiging van<br />

verloedering van de badplaatsen kan gekeerd worden door<br />

een totaalvisie voor de Noord-Hollandse kust te ontwikkelen,<br />

waarin de eigen identiteit van de badplaatsen een basis<br />

vormt voor de verbetering van het imago en de ruimtelijke<br />

kwaliteit.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Conclusies en aanbevelingen<br />

1. Kustverbreding zou moeten worden aangegrepen als<br />

kans om de regio ruimtelijk en economisch te versterken<br />

en badplaatsen een kwaliteitsimpuls en eigen profiel te<br />

geven.<br />

2. De beoogde peilstijging van 1.5 meter van het IJsselmeer<br />

heeft grote gevolgen voor de voormalige Zuiderzeesteden<br />

Enkhuizen en Medemblik. De Provincie zal voor de gehele<br />

Zuiderzeekust een visie moeten ontwikkelen, waarbij<br />

wordt ingespeeld op de peilstijging van het IJsselmeer en<br />

tegelijkertijd de identiteit van de Zuiderzeesteden behouden<br />

blijft.<br />

3. Het overstromingsrisico moet niet alleen als beperking<br />

maar ook als ruimtelijke opgave beschouwd worden (het<br />

vormgeven van de spanning tussen veiligheid en leefbaarheid).<br />

Zo ontstaan er kansen om wonen, werken en<br />

recreëren in, op en aan het water te realiseren. Tevens is<br />

het een kans om kwaliteiten van het landschap te versterken.<br />

Als contramal van de verstedelijking in de metropoolregio<br />

Amsterdam kan de wateropgave een belangrijke<br />

kwaliteitsimpuls geven aan het landelijke gebied.<br />

Bronnen<br />

Bosch Slabbers (2007), presentatie Zwakke schakels -<br />

ideeën 6 november 2007, Ontwerpateliers Kust op kracht,<br />

Kop van Noord-Holland.<br />

Bosch Slabbers (2007), presentatie Zwakke schakels - ontwerpoplossingen<br />

13 november 2007, Ontwerpateliers Kust<br />

op kracht, Kop van Noord-Holland.<br />

Deltacommissie (2008), Samen werken met water: een land<br />

dat leeft, bouwt aan zijn toekomst, bevindingen van de Deltacommissie<br />

2008, Hollandia Printing, Heerhugowaard.<br />

63<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


3.2 Duurzame energie<br />

Door de klimaatverandering en het schaarser worden van<br />

fossiele brandstoffen is het noodzakelijk om de mogelijkheden<br />

voor duurzame energie in de toekomst zoveel mogelijk<br />

te benutten. In deze studie is alle beschikbare informatie<br />

(rapporten en kennis) over duurzame energie binnen de<br />

provincie verzameld en gecombineerd in een kansenkaart.<br />

Het geeft een globaal overzicht van potentiële locaties voor<br />

verschillende vormen van duurzame energie van geothermie<br />

tot windenergie en van osmose tot restwarmtebronnen.<br />

Doel<br />

Met de beschikbare gegevens binnen de provincie is<br />

gekeken waar grootschalige kansen liggen voor duurzame<br />

energie. De resulterende kaart laat een globaal overzicht zien<br />

per energiesoort. Het gaat hierbij zowel om opwekking van<br />

elektriciteit als om benutting van warmtebronnen. Warmtekoudeopslag<br />

en biovergisting zijn buiten beschouwing gelaten,<br />

omdat dit op lokale schaal kan plaatsvinden en dus op<br />

heel veel plaatsen in de provincie kan worden toegepast.<br />

De kaart is samengesteld uit op het moment beschikbare informatie<br />

en geeft geen perfect afgewogen en compleet beeld<br />

weer, maar een globale indicatie van de duurzame energiekansen<br />

in de provincie. Daarnaast is informatie gebruikt van<br />

verschillend detailniveau en van verschillende bronnen. Niet<br />

alle informatie is dus even betrouwbaar.<br />

Toelichting kaart<br />

Met behulp van geothermie kunnen woningen, bedrijventerreinen<br />

en glastuinbouw van warmte worden voorzien. De locaties<br />

op de kaart waar gebruik zou kunnen worden gemaakt<br />

van geothermie zijn gebaseerd op een recent onderzoek<br />

van Grontmij (2008). Verschillende randvoorwaarden zijn<br />

hierin meegenomen, zoals bodemgeschiktheid (voor zover<br />

bekend), minimaal benodigde areaal van woningen, bedrijventerreinen<br />

en glastuinbouw om aan de minimaal benodigde<br />

warmtevraag te voorzien en de financiële haalbaarheid. De<br />

aangegeven locaties hebben potentie, maar of het werkelijk<br />

mogelijk is om daar gebruik te maken van geothermie zou<br />

nader onderzocht moeten worden en hangt natuurlijk ook af<br />

van de houding en welwillendheid van betrokken partijen.<br />

Op basis van een studie van Bosch Slabbers (2008) naar<br />

de landschappelijke geschiktheid van Noord-Holland voor<br />

windenergie zijn drie grote zoekgebieden voor windenergie<br />

aangegeven in de Kop van Noord-Holland. Hier is in vergelijking<br />

met het zuiden van de provincie veel ruimte voor de<br />

plaatsing van (grootschalige) windenergieclusters. Daarnaast<br />

leent de landschappelijke structuur van de polders zoals het<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Wieringermeer hier zich uitermate voor. In het onderzoek van<br />

Bosch en Slabbers wordt onder andere aangegeven welke<br />

plaatsingsstrategie past bij welk landschapstype.<br />

Een kanttekening is dat bij het opstellen van een windenergievisie<br />

niet kan worden uitgegaan van een blanco start.<br />

Vooral in het Wieringerrandmeer staan al vele windturbines.<br />

Het huidige bestand windturbines moet als uitgangspunt<br />

worden genomen.<br />

De potentiële restwarmtebronnen en de straal van hun mogelijke<br />

afzetgebied zijn gebaseerd op een onderzoek van DHV<br />

(2008). Om te zien wat de kansen daadwerkelijk zijn, zou<br />

deze informatie gecombineerd moeten worden met potentiële<br />

afzetlocaties (bijvoorbeeld waar woningbouwplannen<br />

zijn). Daarnaast moeten geschiktheid en haalbaarheid nader<br />

onderzocht worden.<br />

De mogelijkheden voor de overige energiesoorten, namelijk<br />

zon, osmose, getijde-energie en warmte uit asfalt, zijn niet<br />

direct gebaseerd op bestaande onderzoeken. Op de kaart<br />

zijn slechts indicatief plekken aangewezen op basis van huidige<br />

ideeën. Zonne-energie is bewust in het stedelijk gebied<br />

geplaatst met het oog op meervoudig ruimtegebruik.<br />

Conclusies en aanbevelingen<br />

• De huidige kaart geeft een zeer globaal beeld van de<br />

kansen voor duurzame energie in Noord-Holland. Om<br />

een meer concreet beeld te krijgen van de mogelijkheden<br />

en onmogelijkheden voor de toekomst is meer gedegen<br />

onderzoek noodzakelijk.<br />

• Hoe de ontwikkeling van de verschillende energievormen<br />

zal verlopen is moeilijk te voorspellen, daarom is het belangrijk<br />

om een flexibele toekomstvisie te maken waarbij<br />

ingespeeld kan worden op onverwachte ontwikkelingen.<br />

• De provincie moet een keuze maken hoe zij wil inzetten<br />

op duurzame energie. Welke rol neemt de provincie<br />

en wat verwacht zij van anderen? Welke doelen moeten<br />

bereikt worden binnen welke termijn? Ligt de nadruk op<br />

grootschalige initiatieven of kleinschalige? En welke vormen<br />

van energie zijn het belangrijkste?<br />

De ontwikkeling van duurzame energie hangt nauw samen<br />

met de ruimtelijke inrichting en kan een grote invloed<br />

hebben op de ruimtelijke kwaliteit en met name openheid<br />

van landschappen (zie hoofdstuk 6). Daarom moeten binnen<br />

de structuurvisie ook uitspraken worden gedaan over<br />

de toekomst van duurzame energie in Noord-Holland.<br />

Daarnaast kunnen in het uitvoeringsprogramma verschillende<br />

projecten worden opgenomen om richting te geven<br />

aan de gewenste ontwikkeling in samenhang met het<br />

landschap en ruimtelijke kwaliteit.<br />

65<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


66 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Bronnen<br />

DHV Groep B.V. (2008), Restwarmtebenutting in de provincie<br />

Noord-Holland: op weg naar een duurzame provincie, Haarlem:<br />

Provincie Noord-Holland.<br />

Grontmij (2008), Geothermie in Noord-Holland: inventarisatie<br />

van locaties voor toepassing van geothermische energie,<br />

Haarlem: Provincie Noord-Holland.<br />

Bosch Slabbers (2008), presentatie 3 september 2008: voortgangsoverleg<br />

van Windvisie Noord-Holland: een onderzoek<br />

naar de landschappelijke geschiktheid van Noord-Holland<br />

voor windenergie, Haarlem: Provincie Noord-Holland.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

67<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


68 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

4 Kwalitatieve woningbouwopgave<br />

Vanuit zowel de bevolkingsprognoses (op termijn: krimp in<br />

het noorden van de provincie) als de visie over de ontwikkeling<br />

van de Metropoolregio Amsterdam (concurreren op<br />

kwaliteit) komt er steeds meer aandacht voor de kwalitatieve<br />

woningbouwopgave. In dit hoofdstuk wordt nader onderzocht<br />

welke opgave hierbij buiten het stedelijk gebied aan de orde<br />

is. In paragraaf 4.1 worden o.a. op basis van bereikbaarheid,<br />

landschappelijke kwaliteiten en natuurontwikkeling de ruimtelijke<br />

kansen voor topwoonmilieus verkend, een belangrijke<br />

opgave vanuit de ontwikkeling van de Metropoolregio Amsterdam.<br />

In paragraaf 4.2 wordt vervolgens ingegaan op de<br />

behoefte aan dorpse en landelijke woonmilieus in relatie tot<br />

kwaliteit en identiteit van de Noord-Hollandse landschappen.<br />

Waar liggen de kansen en bedreigingen?<br />

4.1 Topwoonmilieus<br />

Met het Ontwikkelingsbeeld Noordvleugel 2040 is een metropolitane<br />

strategie neergelegd om de internationale concurrentiepositie<br />

van de Metropoolregio Amsterdam te behouden<br />

en te versterken. Daarbij is het aantrekken van hoogopgeleiden<br />

en economisch draagkrachtigen uit het buitenland<br />

erkend als voorwaarde. Om deze mensen aan te trekken<br />

en vast te houden zijn meer metropolitane topwoonmilieus<br />

nodig. In vergelijking met andere Europese metropolen heeft<br />

de Metropoolregio Amsterdam hierin - met name buiten het<br />

stedelijk kerngebied - weinig aanbod. In deze analyse worden<br />

potenties voor topwoonmilieu’s buiten het stedelijk gebied<br />

onderzocht. In opdracht van de provincie heeft het ontwerpbureau<br />

LA4Sale een beknopte studie gedaan naar potentiële<br />

locaties voor metropolitane landelijke topwoonmilieus op<br />

basis van luchtfoto’s.<br />

Naast deze vraag naar metropolitane topwoonmilieus spelen<br />

in het landelijke gebied een aantal ontwikkelingen die van<br />

grote invloed zijn op de ruimtelijke inrichting. Enerzijds is er<br />

sprake van schaalvergroting en industrialisatie, anderzijds<br />

van schaalverkleining en verbreding. Ook stoppen boeren op<br />

bepaalde plaatsen met hun bedrijfsvoering.<br />

Dit kan een bedreiging zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van<br />

het landelijke gebied. Zo vinden bijvoorbeeld ad hoc uitbreidingen<br />

plaats van agrarische bedrijven met megaschuren in<br />

het open landschap, komt er agrarische bebouwing vrij dat<br />

kan leiden tot leegstand en verpaupering in gebieden met<br />

krimp, en verdwijnt de agrarische beheerder van het bij de<br />

recreant zo geliefde kleinschalige agrarische en/of natuurlijke<br />

landschap.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

De introductie van nieuwe woonmilieus kan een oplossing<br />

bieden voor een deel van deze problemen en voorkomen<br />

dat de ruimtelijke kwaliteit wordt aangetast of zelfs een extra<br />

impuls krijgt. Vrijkomende agrarische bebouwing kan leiden<br />

tot het ontstaan van een nieuw woonlandschap en nieuwe<br />

landgoederen kunnen het landschapsbeheer en de realisatie<br />

van nieuwe natuur op zich nemen. Daarmee leveren ze meteen<br />

een bijdrage aan de EHS-doelstellingen en de recreatievoorziening.<br />

In dit hoofdstuk volgt een korte analyse naar de mogelijkheden<br />

voor verschillende typen nieuwe woonmilieus in<br />

Noord-Holland. De studie van LA4Sale is als uitgangspunt<br />

genomen.<br />

Doel<br />

Het maken van een kansenkaart met potentiële locaties en<br />

zoekgebieden voor verschillende typen nieuwe woonmilieus.<br />

Deze nieuwe woonmilieus kunnen niet alleen een bijdrage<br />

leveren aan de vraag naar wonen in het groen en metropolitane<br />

topwoonmilieus voor expats, maar dragen tegelijk bij<br />

aan het behoud van de ruimtelijke kwaliteit in een veranderend<br />

landelijk gebied en aan de realisatie van nieuwe natuur.<br />

Daarbij is het belangrijk dat er een symbiose plaatsvindt<br />

tussen de woonmilieus en het landschap. Dit betekent dat<br />

de ontwikkeling niet alleen geen schade toebrengt aan het<br />

landschap, maar er zelfs een bijdrage aan levert. Dit zal<br />

onder andere resulteren in de verbetering van de ruimtelijke<br />

kwaliteit. Hoe deze symbiose ontstaat en wanneer deze<br />

overgaat in commensalisme of zelfs parasitisme zou nader<br />

onderzocht moeten worden. Bij deze analyse gaan we hier<br />

niet verder op in.<br />

Toelichting kaart<br />

Voor de studie naar de mogelijkheden voor nieuwe metropolitane<br />

landelijke topwoonmilieus heeft LA4Sale drie criteria<br />

gehanteerd: bereikbaarheid, hinder en kwaliteit. Voor de<br />

bereikbaarheid is een maximale afstand van 1 uur reistijd<br />

met de auto vanaf Amsterdam gehanteerd. Met hinder wordt<br />

bedoeld dat woonmilieus bijvoorbeeld niet binnen de geluidscontouren<br />

van Schiphol liggen of naast een energiecentrale,<br />

maar dat een ‘schone’ omgeving een voorwaarde is. Tot slot<br />

moet de locatie ook ‘mooi’ zijn. De woningen moeten van<br />

topkwaliteit zijn, maar ook het landschap waar ze in staan. Dit<br />

heeft een kaart opgeleverd met locaties die volgens<br />

LA4Sale op het eerste gezicht potentie hebben om ontwikkeld<br />

te worden tot een topwoonmilieu.<br />

69<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


70 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Deze topwoonmilieukaart is in deze analyse verder aangescherpt<br />

en aangevuld. Ten eerste is er een selectie gemaakt<br />

uit de potentiële topwoonmileus van LA4Sale van locaties die<br />

50% of meer kans hebben om met de auto vanuit Amsterdam<br />

centrum in 30 minuten bereikt te worden. Aangenomen is<br />

dat de meeste mensen die in Amsterdam werken niet meer<br />

dan een half uur reizen buiten de metropool willen wonen.<br />

De landelijk gemiddelde reistijd naar het werk in Nederland<br />

is ook 30 minuten. Voor de selectie is de isochronenkaart uit<br />

hoofdstuk 2 ‘Knooppunten en netwerken’ gebruikt.<br />

Deze landelijke topwoonmilieus zijn aangevuld met zoekgebieden<br />

voor nieuwe landgoederen en woonlandschappen.<br />

Onder een nieuw landgoed wordt verstaan: ‘Een functionele<br />

eenheid, bestaande uit bos of andere natuur al dan niet met<br />

agrarische gronden met een productiedoelstelling. Vormen<br />

van bos- en landbouw kunnen onderdeel uitmaken van de<br />

bedrijfsvoering. Voorwaarde voor het stichten van een nieuw<br />

landgoed is dat er minstens 90% voor het publiek toegankelijke<br />

nieuwe natuur gerealiseerd moet worden.’<br />

Nieuwe landgoederen kunnen in principe overal ontwikkeld<br />

worden, behalve in weidevogelgebieden en in open grootschalig<br />

landschap, omdat deze nieuwe woonmilieus de openheid<br />

van het landschap zullen aantasten.<br />

Doorslaggevend in de overweging tot het ontwikkelen van<br />

nieuwe landgoederen is de positieve bijdrage die het landgoed<br />

levert aan de ruimtelijke kwaliteit c.q. de realisering van<br />

de natuur- en landschapsdoelstellingen. Bij de realisatie van<br />

nieuwe landgoederen wordt landschaps- en natuurontwikkeling<br />

en -beheer overgelaten aan particulier initiatief. Daarbij<br />

moet maatschappelijke meerwaarde en particulier voordeel<br />

met elkaar in evenwicht zijn.<br />

Een nieuw landgoed grenst bij voorkeur aan zowel een stedelijk–<br />

(bebouwde kom) als een natuurgebied. Het landgoed<br />

dient op die manier enerzijds als uitloopgebied voor de inwoners<br />

van de stad en anderzijds als buffer voor de aanwezige<br />

grotere natuurgebieden.<br />

Potentiële locaties voor nieuwe landgoederen in Noord-Holland<br />

zijn geselecteerd door te kijken naar waar nog opgaven<br />

liggen voor de realisatie van nieuwe natuur binnen de EHS.<br />

Dat de locatie niet in een beschermd vogelweidegebied ligt,<br />

is een voorwaarde.<br />

Woonlandschappen zijn hier gedefinieerd als landschappen<br />

waarvan de agrarische functie terugloopt en waar zich daarvoor<br />

in de plaats nieuwe woonvormen ontwikkelen. Uitgangspunt<br />

bij de ontwikkeling is het behoud en/of versterking van<br />

de landschappelijke en cultuurhistorische karakteristieken.<br />

De ontwikkeling van cultuurlandschap naar woonlandschap<br />

kan stap voor stap via een autonome ontwikkeling plaatsvin-<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

den, maar ook meer gepland/projectmatig en speelt zich af<br />

op verschillende schaalniveaus. In deze analyse is alleen de<br />

potentie van lokaal niveau onderzocht. Vrijkomende agrarische<br />

bebouwing is in dit licht een kans.<br />

De hittekaart over potentiële verbreding van landbouw uit<br />

hoofdstuk 5 ‘Landschap en recreatie’ is hiervoor gebruikt. Het<br />

is aangenomen dat in gebieden met potentie voor verbreding<br />

ook de dreiging van bedrijfsbeëindiging het grootst is, omdat<br />

er vaak verbreed wordt om het hoofd boven water te houden.<br />

Daarmee is de kans op vrijkomende agrarische bebouwing<br />

in deze gebieden dus het grootst. Dit geldt vooral voor de<br />

regio’s West-Friesland en Waterland. Om verpaupering van<br />

gebieden met leegstaande bebouwing te voorkomen, kan het<br />

creëren van een woonlandschap een oplossing zijn en zelfs<br />

een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit opleveren.<br />

71<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


G<br />

72 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

X<br />

C<br />

D<br />

A<br />

B<br />

E<br />

F<br />

H<br />

I J<br />

W<br />

L<br />

K<br />

V<br />

O<br />

R<br />

Q<br />

S<br />

U<br />

M<br />

N<br />

P<br />

T


Typering topwoonmilieus door middel van space syntax<br />

Egbert Stolk, Akkelies van Nes - <strong>TU</strong> <strong>Delft</strong><br />

Er is een kort onderzoek gedaan naar de voorstellen van<br />

LA4Sale voor de locatie van nieuwe topwoonmileus. Het doel<br />

is te onderzoeken welke lokale en regionale bereikbaarheidsprofielen<br />

de locaties hebben, gezien in combinatie met de<br />

ligging van stations en bestaande vitale stedelijke centra. Een<br />

ander doel hierbij is om richting te geven aan de ontwerpuitdagingen<br />

per type locatie, bezien vanuit het perspectief dat<br />

er gestreefd zou kunnen wordt naar voetgangersvriendelijke<br />

& vitale straten - waarbij een al te hoge auto-afhankelijkheid<br />

wordt geminimaliseerd. Voor een gedetailleerd overzicht<br />

wordt verwezen naar de bijlage van het rapport ‘Bereikbaarheid<br />

en ruimtelijke ontwikkeling, space syntax als basis voor<br />

bereikbaarheidsanalyse’.<br />

TYPE 1: D H K M N S U X<br />

• Deze voorgestelde woongebieden zijn niet goed verbonden<br />

met bestaande centra en infrastructuur.<br />

• Er is sprake van een slechte regionale bereikbaarheid,<br />

deze gebieden zijn gelegen aan de rand van de provincie.<br />

• Negatief gezegd: deze locaties dragen bij aan ‘sprawl’ in<br />

het landelijk gebied.<br />

• Ondersteund een auto-afhankelijke leefstijl, wat onwenselijk<br />

is volgens ‘Kyoto’.<br />

• Als er stedelijke uitbreidingen worden gepland, kunnen<br />

deze het beste een hoge dichtheid aan (straten)netwerk<br />

hebben en een voldoende hoge bevolkingsdichtheid<br />

waarmee een lokaal centrum een bestaansrecht kan hebben.<br />

• Voorbeelden van dit type gebieden zijn de gebieden<br />

langs/in de duinen en de gebieden ver buiten de bestaande<br />

steden, dorpen en stadscentra.<br />

TYPE 2: A B C P<br />

• Deze voorgestelde woongebieden liggen op korte afstand<br />

van bestaande dorpen en stadscentra.<br />

• Er is sprake van een goede lokale bereikbaarheid maar<br />

een slechte regionale bereikbaarheid.<br />

• Deze gebieden kunnen een ondersteuning vormen voor<br />

de bestaande dorps- en stadscentra.<br />

• De uitdaging is om een stratenpatroon te maken wat op<br />

een lokale schaal goed verbonden is in combinatie met<br />

een goed openbaar vervoerssysteem richting de bestaande<br />

dorpen en stadscentra.<br />

TYPE 3: E F G<br />

• Vanuit een duurzaamheidsgedachte zijn deze locaties<br />

‘invuloefeningen’, welke een lineair groeipatroon ondersteunen.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

• Er is sprake van een hoge lokale en regionale bereikbaarheid.<br />

• Het zijn de meest duurzame gebieden om te ontwikkelen,<br />

door hun goede verbinding met bestaande infrastructuur.<br />

• Ontwikkeling van deze gebieden draagt bij aan de bestaande<br />

dorps en stadscentra door het toevoegen van<br />

lokaal draagvlak voor bestaande winkelstraten en centra.<br />

• Het voegt potentiële reizigers toe die het openbaar vervoerssysteem<br />

kunnen ondersteunen<br />

TYPE 4: I J O Q<br />

• Een hoge regionale bereikbaarheid, maar niet verbonden<br />

met een bestaand dorp of stadscentrum.<br />

• De uitdaging ligt in het voldoende dicht zijn van het stratenpatroon<br />

en een voldoende inwoneraantal om lokale<br />

nieuwe stadscentra te ondersteunen.<br />

TYPE 5: V W<br />

• Deze centra liggen naast bestaande verstedelijking en<br />

zijn zodoende veelal goed aangesloten op het regionale<br />

netwerk.<br />

• De uitdaging is om ze te verbinden met het bestaande<br />

lokale stratenpatroon om te voorkomen dat deze wijken<br />

gesegregeerd komen te liggen, zoals het geval is bij vele<br />

Vinex-wijken, of slaapsteden.<br />

TYPE 6: L T R<br />

• Deze categorie bestaat uit de overige locaties, die niet<br />

goed in een van de bovenstaande vijf typen vallen.<br />

• Gebied L heeft een hoge regionale bereikbaarheid, maar<br />

is slecht verbonden met bestaande lokale dorpen/steden<br />

en stadscentra.<br />

• Gebied R heeft zowel een hoge lokale als regionale bereikbaarheid,<br />

maar veroorzaakt een hoge mate van autoafhankelijkheid.<br />

De uitdaging ligt hier in een lokaal goed<br />

verbonden stratenpatroon, op loopafstand van dit gebied.<br />

• Gebied T heeft een hoge regionale bereikbaarheid,<br />

gelegen naast een gebied met een hoge ‘actieradius<br />

schaal 800 meter’, terwijl het een lage lokale integratie en<br />

een lage waarde voor de ‘actieradius schaal 9000 meter’<br />

heeft. Deze waarden kunnen worden verbeterd door een<br />

goed verbonden lokaal netwerk met een goede voetgangersbereikbaarheid.<br />

De sleutel hier is een fijnmazig<br />

stratenpatroon voor een gemengd gebruik.<br />

73<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


G<br />

74 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

X<br />

1<br />

3<br />

C<br />

2<br />

D<br />

1<br />

A<br />

B<br />

E<br />

3<br />

F<br />

H<br />

2<br />

1<br />

2<br />

3<br />

I J 4<br />

W<br />

5<br />

4<br />

L<br />

K<br />

6<br />

1<br />

V<br />

O<br />

R<br />

5<br />

4<br />

Q<br />

6<br />

S<br />

1<br />

4<br />

U<br />

1<br />

M<br />

N<br />

1<br />

1<br />

P<br />

T<br />

2<br />

6


Conclusies en aanbevelingen<br />

• Het ontwikkelen van topwoonmilieus, landgoederen en<br />

woonlandschappen kan een middel zijn om de ruimtelijke<br />

kwaliteit in het veranderende landelijke gebied te behouden.<br />

Dit moet echter wel goed doordacht en met verstand<br />

van zaken gebeuren, anders dreigt juist het gevaar van<br />

dichtslibbing van het landschap. Instrumenten als beeldkwaliteitsplan<br />

en visueel-ruimtelijke effect analyse kunnen<br />

hierbij helpen.<br />

• Nieuwe woonmilieus in het landelijke gebied kunnen<br />

bijdragen aan de vraag naar wonen in het groen en de<br />

metropolitane strategie van de Metropoolregio Amsterdam.<br />

Bovendien kan de ontwikkeling aan andere (zachte)<br />

functies, zoals natuur en recreatie, worden gekoppeld,<br />

zodat deze een positieve impuls krijgen.<br />

• Topwoonmilieu’s moeten op korte reistijd van het stedelijk<br />

kerngebied liggen om aantrekkelijk te zijn. De modellen<br />

uit hoofdstuk 2 (isochronenmodel paragraaf 2.2.2 en<br />

space-syntax paragraaf 2.2.3) kunnen hierbij behulpzaam<br />

zijn.<br />

• In deze analyse worden een aantal potentiële locaties en<br />

zoekgebieden aangeduid voor nieuwe woonmilieus die op<br />

het eerste gezicht geschikt lijken. Meer gedegen onderzoek<br />

is echter nodig om vast te stellen of dit daadwerkelijk<br />

zo is en of er op andere locaties misschien ook kansen<br />

zijn. Verder moet ook nader onderzocht worden hoe een<br />

symbiose tussen woningbouw en landschap bereikt kan<br />

worden.<br />

• Uit de analyse van de voorgestelde topwoonmilieus van<br />

LA4Sale met space syntax blijkt dat voor de allocatie van<br />

toekomstige topwoongebieden, de gebieden van het type<br />

3 tot de meest duurzame keuze behoren. Ze hebben zowel<br />

lokaal als regionaal hoge integratie, ze zijn gelegen in<br />

de buurt van bestaande steden, dorpen en stadscentra en<br />

zijn in potentie voetgangersvriendelijk. Deze nieuwe gebieden<br />

zullen de vitaliteit van de bestaande lokale centra<br />

ondersteunen. Bovendien kunnen ze bijdragen aan een<br />

duurzaam verstedelijkingspatroon welke een openbaar<br />

vervoerssysteem kan ondersteunen.<br />

• De analyse van de topwoonmileus kan worden aangevuld<br />

met Nieuwe Landgoederen en Woonlandschappen; ook<br />

zou het goed zijn de typen nader invulling te geven aan<br />

de hand van een aantal case-studies.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Bronnen<br />

LA4Sale. 2008. Ontdekkingstocht: nieuwe metropolitane<br />

landelijke topwoonmilieus in de Metropoolregio Amsterdam.<br />

Amsterdam<br />

Nes, A., Stolk, E., Nijhuis, S. 2008. Bereikbaarheid en ruimtelijke<br />

ontwikkeling. Space syntax als basis voor bereikbaarheidsanalyses.<br />

<strong>TU</strong> <strong>Delft</strong>, Bouwkunde, afdeling Urbanism<br />

75<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


76 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


4.2 Dorps-DNA<br />

De afgelopen jaren is een groeiende vraag te zien naar<br />

dorpse en landelijke woonmilieus. Hieraan wordt op dit moment<br />

nauwelijks voldaan. De vraag komt vanuit de stedeling,<br />

maar ook vanuit de mensen die nu al in een dorp wonen.<br />

Door de beperkte groeimogelijkheden kunnen veel jongeren<br />

geen plek vinden in het dorp waar ze zijn opgegroeid. Ook<br />

voor ouderen is er vaak weinig geschikte woningbouw te vinden.<br />

Manieren om antwoord te geven op deze woningvraag<br />

zijn bijvoorbeeld het bouwen van nieuwe woonlandschappen<br />

met een dorps karakter of het uitbreiden en inbreiden van<br />

bestaande dorpen. De leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit<br />

van de dorpen zouden hierbij een belangrijk aandachtspunt<br />

moeten zijn.<br />

Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een bedreiging vormen<br />

voor de ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de dorpen.<br />

Bij uitbreidingsplannen worden karakteristieke, streekeigen<br />

dorpsstructuren, ‘het dorps-DNA’, maar zelden als drager<br />

gebruikt. De ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de<br />

regio’s dreigt hiermee verloren te gaan, waardoor een toenemende<br />

eenvormigheid van de leefomgeving ontstaat.<br />

Daarnaast geldt dat nieuwe woningbouw die nauwelijks<br />

aansluit op de eigenheid van het dorp en zich afkeert van<br />

het landschap, leidt tot ‘harde’ dorpsranden die vanuit het<br />

omliggende landschap een rommelig beeld opleveren. Reden<br />

te meer om een visie te ontwikkelen op de groei van dorpen<br />

en kleine kernen. De vraag is niet tot hoever dorpen mogen<br />

groeien, maar op de wijze waarop.<br />

De behoeftevraag en de dreiging van verrommeling en verlies<br />

van identiteit zijn redenen om in deze studie aandacht te<br />

besteden aan de dorpen in Noord-Holland. Door onderzoek<br />

te doen naar de ruimtelijke structuur en het ontstaan ervan<br />

worden aanknopingspunten geboden voor de ontwikkeling<br />

van dorpen.<br />

Hier wordt echter alleen aandacht besteed aan de familiekenmerken<br />

van dorpen, dus tot welke typologie een dorp<br />

behoort. Daarnaast bestaan er ook unieke kenmerken voor<br />

een dorp die bij de ruimtelijke ontwikkeling zouden moeten<br />

worden meegenomen. Dit zou dan, mocht het van toepassing<br />

zijn, in een vervolgonderzoek verder moeten worden uitgewerkt.<br />

Opgave<br />

Dit is een beknopte studie naar de verschillende dorpstypologieën<br />

in Noord-Holland om zo handvatten te kunnen bieden<br />

voor de ruimtelijke ontwikkeling van dorpen op basis van de<br />

bestaande ruimtelijke structuur, zodat de identiteit behouden<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

en/of versterkt wordt. Het gaat hierbij dus alleen om de relatie<br />

tussen woningbouw, cultuurhistorie en landschap. Onderwerpen<br />

als de sociaaleconomische vitaliteit en bereikbaarheid<br />

van dorpen worden niet besproken.<br />

Nederzettingsvormen algemeen<br />

Het grootste deel van de oude Noord-Hollandse dorpen zijn<br />

te kenschetsen als wegdorpen. Ze zijn nog te vinden in het<br />

lage deel van de provincie, slechts onderbroken door droogmakerijen.<br />

Hierin zijn nieuwe polderdorpen gebouwd, die in<br />

de meeste gevallen ook een weg als centrale as hebben.<br />

Een aparte factor in Noord-Holland was de bloei van handel<br />

en industrie, waardoor de oude weg- en dijkdorpen, vooral<br />

in het gebied rond de Zaan, uitgroeiden tot grote vlekken.<br />

Afwijkende dorpstypen liggen in hoofdzaak aan de randen<br />

van de provincie: de esdorpen in het Gooi; de dorpen van de<br />

geestrand en duinzomen en de dorpen op de oude eilanden<br />

Texel, Wieringen en Marken.<br />

Noord-Hollandse dorpstypologieën per landschapstype<br />

Vrijwel heel Noord-Holland is het resultaat van een lange<br />

geschiedenis van ontginnen, omdijken, aandijken, droogmaken<br />

en inpolderen. Het merendeel van de dorpen in Noord-<br />

Holland vindt haar ontstaan in het agrarisch gebruik van<br />

de grond. De vorm van deze dorpen hangt daardoor nauw<br />

samen met de wijze waarop men oorspronkelijk het land in<br />

gebruik nam. Zo ontstonden in het Gooi brinkdorpen te midden<br />

van engen en heiden. Op de strandwallen ontstonden<br />

nederzettingen rond de geesten (geestdorpen) en in de poldergebieden<br />

kwamen lint- en dijkdorpen voor die samenhangen<br />

met de opstrekkende verkavelingswijze. De bebouwing<br />

op Marken is geconcentreerd op terpen (werven). Opvallend<br />

zijn de verschillen tussen de dorpsvormen op het oude land<br />

en die in het planmatig ingerichte nieuwe land. De dorpen in<br />

het nieuwe land vertonen eenzelfde planmatigheid in opzet.<br />

Ze liggen op voor de hand liggende plaatsen als centrale<br />

kruisingen van wegen of bij de toegangen tot het oude land.<br />

(Bosch en Slabbers, 2006)<br />

In onderstaande tekst zijn per landschapstype de dorpstypologieën<br />

beschreven. Daarnaast zijn verschillende voorbeelden<br />

gegeven van dorpstypen door middel van een uitsnede<br />

uit de historische en topografische kaart en uit een luchtfoto.<br />

Hierdoor wordt een duidelijk beeld geschept van de oorspronkelijke<br />

structuur van een dorp en wat er nu nog van over is<br />

gebleven. De dorpssoorten van de Noordzeekust en voormalige<br />

Zuiderzeekust zijn ook beschreven.<br />

77<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


HISTORISCHE KAART LIMMEN<br />

HISTORISCHE KAART DEN HOORN<br />

78 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

TOPOGRAFISCHE KAART LIMMEN LUCHTFOTO LIMMEN<br />

TOPOGRAFISCHE KAART OOSTEREND LUCHTFOTO OOSTEREND<br />

TOPOGRAFISCHE KAART DEN HOORN LUCHTFOTO DEN HOORN<br />

TOPOGRAFISCHE KAART DEN BURG LUCHTFOTO DEN BURG


Geestdorpen in het strandwallen en -vlaktenlandschap<br />

De dorpen<br />

De geestranddorpen (Heemstede, Haarlem, Bloemendaal,<br />

Santpoort, Velsen, Beverwijk, Heemskerk, Castricum,<br />

Limmen, Egmond Binnen, Egmond aan de Hoef, Bergen,<br />

Schoorl en Groet) liggen vrijwel allemaal op de geesten,<br />

de oude strandwallen die door hun hogere ligging vanouds<br />

voor bebouwing gebruikt zijn. De lager gelegen delen van<br />

het gebied – de strandvlaktes die tussen de geesten in<br />

liggen – zijn in gebruik als weiland, soms als bollenland.<br />

De bebouwing is er schaars. Het gemeenschappelijke kenmerk<br />

van deze dorpen is hun ontwikkeling in de lengterichting<br />

op de oude strandwallen. De aanwezigheid van oude<br />

kastelen, meestal in de lagere gronden (vergelijk de ligging<br />

van de kastelen in de dorpen langs de Utrechtse heuvelrug)<br />

en de jongere buitenplaatsen, meestal op de hogere<br />

gronden, is in ieder dorp terug te vinden. In de dorpen<br />

rondom Haarlem zijn, ingesloten tussen de nieuwere bebouwing,<br />

deze elementen nog wel aanwezig: Heemstede<br />

met kasteel en buitenplaatsen, Velsen met drie buitenplaatsen<br />

op een rij, Bloemendaal en Santpoort. (Steegh,1976)<br />

Limmen is een voorbeeld van een geestdorp. Op de topografische<br />

kaart is de oorspronkelijke structuur nog goed te<br />

zien. Op de noord-zuid lopende geest liggen enkele parallelle<br />

wegen waarvan de wegen aan de rand van de geest<br />

het oudste zijn. (Haartsen e.a., 2000)<br />

Het landschap<br />

Dit landschap ligt direct achter de jonge duinen en kent<br />

een bescheiden reliëf. Het bestaat uit parallel aan de kust<br />

verlopende stroken van hoger gelegen, droge en zandige<br />

strandwallen (oude duinen), van elkaar gescheiden door<br />

lager gelegen, natte en venige strandvlakten.<br />

De strandwallen behoren tot de eerste gebieden die in<br />

Noord-Holland werden bewoond. Men vestigde zich op de<br />

randen van deze hoge gronden en startte van daaruit de<br />

ontginning van het aangrenzende gebied. Men combineerde<br />

akkers op de strandwallen (geesten) met graslandgebruik<br />

in de lagere, vochtige strandvlakten. Bij de ontginning<br />

van de strandvlakten stuitte men op natuurlijke obstakels,<br />

als geulen, kreken en stroomwallen. Met de verkaveling<br />

en de waterhuishouding moest hier op worden ingespeeld.<br />

Hiermee ontstond een onregelmatig verkavelingspatroon.<br />

(Bosch en Slabbers, 2006)<br />

De strandwallen vormen langgerekte, vaak verdichte zones<br />

met bos, landgoederen en buitenplaatsen en stedelijke<br />

bebouwing. Ook de hoofdroutes volgen de strandwallen.<br />

Vooral in het zuiden hebben veel afgravingen plaatsge-<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

vonden en is een zanderijenlandschap ontstaan, veelal<br />

begrensd door steilranden. Deze gronden zijn veelal in<br />

gebruik voor bollenteelt en tuinbouw. De strandvlakten zijn<br />

meer open ruimten met groene randen en een nat karakter<br />

(als gevolg van de veengrond met veenstromen, maar<br />

ook als gevolg van kwel). In de voormalige binnendelta bij<br />

Heemskerk zijn in de strandvlakten geulen en wallenpatronen<br />

herkenbaar. Delen van de strandvlakten zijn omgezet<br />

(dieper liggende zandlaag naar oppervlakte gebracht),<br />

waarmee ze geschikt werden voor de bollenteelt. (Bosch<br />

en Slabbers, 2006)<br />

Terpdorpen in het keileemlandschap<br />

De dorpen<br />

De eilanden Texel en Wieringen worden gekenmerkt door<br />

esachtige dorpen op zeeklei. Ze vertonen met hun typische<br />

kerkringen (te zien in Oosterend op Texel) overeenkomst<br />

met de dorpen op de Zeeuwse eilanden. Deze dorpen vallen<br />

onder de benaming terp-esdorpen. Het dorp Den Hoorn<br />

op Texel heeft meer het karakter van een terp-dijkdorp,<br />

waarbij de oude haven door latere inpolderingen niet meer<br />

te herkennen is. (Steegh,1976)<br />

Den Burg is qua structuur een unieke kern in het keileemlandschap<br />

van Noord-Holland. Het heeft twee rondlopende<br />

straten, die als ringen rond het centrum liggen. De binnenste<br />

ring zou volgens sommigen teruggaan op een burcht<br />

uit de Vikingtijd, de buitenste geeft de ligging aan van een<br />

omwalling uit de 14de eeuw. (Haartsen e.a., 2002)<br />

Het landschap<br />

De keileembulten van Texel en Wieringen zijn opduikingen<br />

in de gestuwde pleistocene ondergrond. Deze hoger<br />

gelegen gronden zijn al vroeg ontgonnen en kennen een<br />

kleinschalige opbouw. Kenmerkend zijn het glooiend<br />

reliëf, de onregelmatige wegstructuren en verkavelingen,<br />

het kleinschalige, historische karakter en de ruimtelijke<br />

verdichting. Ook kenmerkend zijn de tuunwallen (gestapelde<br />

grasplaggen), die bij gebrek aan sloten de scheiding<br />

vormden tussen de graslandpercelen. (Bosch en Slabbers,<br />

2006)<br />

Het keileemgebied van de Hooge Berg maakt deel uit van<br />

het Waddeneiland Texel. Het keileemgebied van Wieringen<br />

is in zijn geheel een voormalig eiland. Het eilandkarakter is<br />

duidelijk herkenbaar:<br />

- Door het contrast met het omringende natuurlandschap<br />

(Texel) of het nieuwe land (Texel en Wieringen).<br />

- Doordat de randen als dijken (Wieringen) of steilranden<br />

markante begrenzingen vormen.<br />

79<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


HISTORISCHE KAART SINT MAARTENSBRUG<br />

HISTORISCHE KAART ANNA PAULOWNA<br />

HISTORISCHE KAART MIDDENBEEMSTER<br />

80 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

TOPOGRAFISCHE KAART SINT MAARTENSBRUG LUCHTFOTO SINT MAARTENSBRUG<br />

TOPOGRAFISCHE KAART MIDDENMEER LUCHTFOTO MIDDENMEER<br />

TOPOGRAFISCHE KAART ANNA PAULOWNA LUCHTFOTO ANNA PAULOWNA<br />

TOPOGRAFISCHE KAART MIDDENBEEMSTER LUCHTFOTO MIDDENBEEMSTER


Brug-, kruis- en vaartdorpen in het aandijkingenlandschap<br />

De dorpen<br />

In 1597 is de Zijpe- en Hazepolder bedijkt en kon het voor<br />

landbouw worden ingericht. In de lengterichting van de polder<br />

werden afwateringskanalen gegraven en wegen aangelegd.<br />

Loodrecht hierop kwamen wegen die de verbinding tussen<br />

het ‘oude’ West-Friesland verbonden met het duingebied<br />

in het westen. Op de kruispunten van deze wegen liggen<br />

de dorpen, langs de wegen en kanalen staan de markante<br />

stolpboerderijen. Sint Maartensbrug is een voorbeeld van een<br />

brugdorp in de Zijpe- Hazepolder. (Haartsen e.a., 2002)<br />

In andere polders zijn overeenkomende dorpen te vinden<br />

zoals het kruisdorp Middenmeer in de Wieringermeer en<br />

vaartdorp Anna Paulowna in de Anna Paulowna Polder.<br />

Het landschap<br />

Aandijkingen zijn aangeslibde zand- en slibplaten langs de<br />

oorspronkelijke kustlijn, die vanaf de aangrenzende hogere<br />

gronden zijn ingedijkt en zo zijn toegevoegd aan het land.<br />

Deze gebieden zijn als geheel ingericht, vaak grootschalig,<br />

geometrisch en open. De opeenvolgende aandijkingen zijn<br />

duidelijk herkenbaar in het landschap. De oudste aandijkingen<br />

liggen als schillen tegen het oude land aan, de latere<br />

aandijkingen, zoals de Wieringermeer, hebben geen duidelijke<br />

gerichtheid. Aan de westzijde is er een contrastrijke<br />

overgang naar de duinen. De dijken en hoofdwatergangen<br />

vormen een robuuste hoofdstructuur. Plaatselijk zijn er sterke<br />

contrasten tussen de geometrische inrichting en de natuurlijke<br />

kreekrestanten. (Bosch en Slabbers, 2006)<br />

Kruisdorpen in het droogmakerijenlandschap<br />

De dorpen<br />

Een herinnering aan de Gouden Eeuw bewaart Noord-<br />

Holland in de grote inpolderingen van de binnenmeren, een<br />

onderneming waarvoor met name de stad Amsterdam het<br />

handelskapitaal beschikbaar stelde. De Beemster (1612) is<br />

van de oude meren het eerst drooggelegd, al snel gevolgd<br />

door de Schermer, de Purmer en de Wormer en de polder<br />

van Heerhugowaard. Dit landaanwinningproces, dat begon<br />

met de inpoldering van de Zijpe in 1599, werd pas voltooid<br />

met de droogmaking van de Haarlemmermeer (1852) en de<br />

inpoldering van het IJ in 1877. De dorpen die in deze polders<br />

werden gebouwd zijn steeds geheel geometrisch van aanleg,<br />

in overeenstemming met de stedenbouwkundige idealen<br />

van de renaissance. Het mooie, duidelijk als poldercentrum<br />

gebouwde dorp, Midden Beemster is in Nederland het best<br />

bewaarde voorbeeld van een dergelijk nieuw gesticht dorp.<br />

Hoofddorp in de Haarlemmermeer laat zien dat er in de vorige<br />

eeuw, zonder nieuwe ideeën, in de 17e eeuwse traditie<br />

werd voortgebouwd. (Steegh,1976)<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Het landschap<br />

Droogmakerijen worden gevormd door een drooggelegd binnenwater/meer,<br />

omsloten door een ringvaart en een ringdijk.<br />

Deze gebieden zijn als entiteit drooggemaakt en ingericht,<br />

vaak grootschalig, geometrisch en open. Ze worden gekenmerkt<br />

door hun diepe ligging ten opzichte van het aanliggend<br />

veenpolderlandschap/bovenland. Enig reliëf wordt soms<br />

gevormd door de mee-ingepolderde stukken veenland.<br />

De verschillende droogmakerijen kennen allen hun eigen<br />

kenmerkende interne structuur. Men herkent de Beemster<br />

aan haar opbouw in volkomen vierkanten, men herkent de<br />

Wijde Wormer aan haar spiegelsymmetrische opbouw enzovoorts.<br />

De droogmakerijen vormen door de mens gemaakte, rationeel<br />

ingerichte landschappen, vaak met een hoge cultuurhistorische<br />

waarde. De geometrische verkavelings- en ontsluitingsstructuur<br />

en het functionele watersysteem zijn nog altijd<br />

bepalend voor het grondgebruik en de ruimtelijke ontwikkeling.<br />

(Bosch en Slabbers, 2006)<br />

De ringdijken en ringvaarten laten de oorspronkelijke natuurlijke<br />

meervorm zien en geven een fraai contrast met de<br />

geometrisch indeling. (Bosch en Slabbers, 2006)<br />

De Gooise esdorpen en het stuwwallenlandschap<br />

De dorpen<br />

Van de Gooise esdorpen (Hilversum, Bussum, Laren, Blaricum<br />

en Huizen) is met name het oude centrum van Blaricum<br />

nog mooi bewaard gebleven. Ook hier zijn echter de oude<br />

dorpsessen, evenals bij de andere dorpen, sinds het einde<br />

van de vorige eeuw met buitenhuizen en villa’s volgebouwd.<br />

Hetzelfde is gebeurd met de gemeenschappelijke weidegronden<br />

die deze dorpen in het aangrenzende lage land bezaten<br />

(de Gooise Meent westelijk van Eemnes). Het agrarisch<br />

karakter van de Gooise dorpen is daarmee grotendeels<br />

verdwenen. Van de Gooise heidevelden bleef slechts dat ten<br />

noorden van het gehucht Crailo over. De dorpen zelf zijn zeer<br />

ruim van aanleg en lijken van alle Nederlandse esdorpen nog<br />

het meest op de beroemde Drentse voorbeelden. Alleen de<br />

indeling van hun cultuurland, met de grote gemeenschappelijke<br />

weidegronden, wijkt sterk af van de overige esdorptypen.<br />

De oude dorpsbrinken komen in het dorp Laren nog<br />

het best tot hun recht en kunnen een vergelijking met die<br />

van het Drentse Zuid Laren doorstaan. In de andere dorpen<br />

zijn ze verworden tot winkelpleinen. Aan de randen van het<br />

Gooi verdienen enkele dorpen een speciale vermelding,<br />

allereerst het dorpje Muiderberg, dat aan de rand van een<br />

oude zandopduiking is gebouwd. Het is in Nederland het<br />

enige brink-esdorp dat tevens zeebadplaats was. Het andere<br />

vermeldenswaardige dorp is het vier km lange, een km brede<br />

’s Graveland. Dit dorp, waarin enkele fraaie buitenplaatsen<br />

81<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


HISTORISCHE KAART LAREN<br />

HISTORISCHE KAART BARSINGERHORN<br />

HISTORISCHE KAART BROEK OP LANGEDIJK<br />

HISTORISCHE KAART KOLHORN<br />

82 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

TOPOGRAFISCHE KAART LAREN LUCHTFOTO LAREN<br />

TOPOGRAFISCHE KAART BARSINGERHORN LUCHTFOTO BARSINGERHORN<br />

TOPOGRAFISCHE KAART BROEK OP LANGEDIJK LUCHTFOTO BROEK OP LANGEDIJK<br />

TOPOGRAFISCHE KAART KOLHORN LUCHTFOTO KOLHORN


liggen, is een gevolg van de groei van Amsterdam. Het zand<br />

dat voor de aanleg van de grachtengordel van Amsterdam<br />

nodig was heeft men op deze plaats van de Gooise heuvelrug<br />

afgegraven. De stichting van het dorp valt dan ook in het<br />

midden van de 17e eeuw te plaatsen. (Steegh, 1976)<br />

Het landschap<br />

De Gooise stuwwal vormt de oostelijke hoge rand van de<br />

provincie. Dit landschapstype bestaat uit hogere zandgronden<br />

met afwisselend bos en heide, en een gedifferentieerde<br />

overgangszone naar de aanliggende veengebieden en het<br />

Gooimeer. Het gebied is uitgesproken rijk aan reliëf.<br />

Het Gooi is vanouds een aantrekkelijk woongebied. Op de<br />

hogere gronden liggen kernen als Bussum, Blaricum, Hilversum<br />

en Huizen. Dit waren van oorsprong brinkdorpen met<br />

een radiale structuur. Rond de dorpen kwamen omvangrijke<br />

akkercomplexen tot stand (engen). De graslanden (meenten)<br />

lagen op grotere afstand in de lage delen. De heidevelden<br />

dienden voor het weiden van schapen, die iedere avond op<br />

stal werden gezet en die de mest leverden voor de akkers.<br />

Door het steeds weer opbrengen van deze mest, vermengd<br />

met strooisel van de hei, werden de engen opgehoogd en<br />

verkregen zij hun karakteristieke bolle vorm. Plaatselijk zijn<br />

nog engrestanten herkenbaar.<br />

In de 17e en 18e eeuw hebben zich op de hogere gronden<br />

landgoederen en buitenplaatsen ontwikkeld, zoals Gooilust.<br />

Aan het eind van de negentiende eeuw en het begin van<br />

de twintigste eeuw hebben zich bij de kernen uitgestrekte<br />

villagebieden ontwikkeld, soms door verkaveling van oudere<br />

landgoederen.<br />

Aan het verblijf temidden van de bossen en heideterreinen<br />

werd een heilzame werking toegedacht. In het Gooi ontstonden<br />

herstellingsoorden en sanatoria. Het sanatorium Zonnestraal<br />

(architect Jan Duiker) vormt hiervan, als exponent van<br />

de Nieuwe Zakelijkheid, een architectonisch uniek voorbeeld.<br />

In de Gooizoom zijn gronden afgezand ten behoeve<br />

van de uitbreiding van de Amsterdams grachtengordel. Dit<br />

heeft geleid tot het ontstaan van de buitenplaatszone van<br />

‘s-Graveland. Dit vormt een gaaf historisch-landschappelijk<br />

ensemble van lanen, bossen, parken, landhuizen, zichtassen<br />

en zanderijvaarten. (Bosch en Slabbers, 2006)<br />

In de Middeleeuwen werd het Gooi vrijwel geheel ingericht<br />

voor de landbouw. De oorsprong werd gelegd voor de dorpen<br />

die we ook nu nog – in sterk uitgegroeide vorm – aantreffen.<br />

Er werden boerderijen gebouwd op plaatsen die nu de centra<br />

van de Gooise steden vormen, gegroepeerd rondom een<br />

brink. In de kern van Laren is de brink bewaard gebleven.<br />

Een brink is een langgerekte driehoek, van waaruit een pad<br />

de heide oploopt. Deze ruimte werd vroeger gebruikt om de<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

schapen bijeen te drijven voor of na een wandeling naar de<br />

heidevelden, waar de schapen gingen grazen.<br />

Bij de dorpen lagen de zogeheten engen: aaneengesloten<br />

bouwlandcomplexen waar de boeren uit het dorp hun akkers<br />

hadden. De engen waren geen gemeenschappelijk bezit:<br />

iedere boer had zijn eigen akkers. Vaak waren dit kleine,<br />

smalle percelen. De engen zijn vrijwel geheel verdwenen ten<br />

behoeve van woningbouw, alleen de eng van Huizen is nog<br />

goed als zodanig te herkennen – net als het strookvormige<br />

karakter van de percelering.<br />

Op de hoogste delen van het gebied, die het minst vruchtbaar<br />

waren en dus het minst interessant voor de landbouw,<br />

was het oorspronkelijke bos al in de Late Middeleeuwen verdwenen,<br />

om plaats te maken voor uitgestrekte heidevelden<br />

waar de herders hun schaapskudden weidden.<br />

Het laatste onderdeel van de agrarische bedrijfsvoering<br />

wordt gevormd door de maatlanden of meenten: laaggelegen<br />

graslanden die als weiland of hooiland werden gebruikt. Deze<br />

meenten waren gemeenschappelijke gronden.<br />

In de 19de eeuw begon de stedelijke ontwikkeling. Hilversum<br />

groeide uit tot de grootste stad van het Gooi, maar ook de andere<br />

Gooise dorpen kregen een belangrijke stedelijke impuls.<br />

Het is duidelijk dat deze ontwikkeling een grote verandering<br />

van het oorspronkelijke landschap tot gevolg heeft gehad.<br />

De engen en de meenten zijn bijna geheel volgebouwd; de<br />

heidevelden van weleer zijn voor een deel bewaard gebleven<br />

en voor een ander deel in villaparken veranderd. (Haartsen<br />

e.a., 2000)<br />

Weg-/lintdorpen in het oude zeekleilandschap<br />

De dorpen<br />

Het gebied binnen de oude Westfriese zeedijk heeft in<br />

historische tijden ingrijpende veranderingen ondergaan.<br />

Na de verovering op het gebied door de Hollanders op de<br />

West-Friezen veranderde het landschap van aanzien. Het<br />

veroverde gebied werd opnieuw gekoloniseerd. De zogenaamde<br />

wegdorpen werden zijn hiervan overgebleven. In<br />

deze dorpen is het voorkomen van de typische Westfriese<br />

stelphoeves opvallend. Ze liggen vooral in het westen van het<br />

gebied, met een grote concentratie in de buurt van Schagen.<br />

De woonheuvels zijn opgeworpen vanaf ongeveer 800<br />

na Chr. en men is er mee doorgegaan tot in de 13e eeuw.<br />

(Haartsen e.a., 2001)<br />

Opmerkelijk zijn in het noorden van de provincie de plaatsnamen<br />

eindigend op -horn. Barsingerhorn, Tuitjehorn en het<br />

oude visserhaventje Kolhorn. Deze wijzen op oude schiereilanden<br />

en landtongen, die door latere bijdijkingen verdwenen<br />

zijn. (Steegh, 1976)<br />

83<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


HISTORISCHE KAART DEN ILP<br />

HISTORISCHE KAART GROOTSCHERMER<br />

HISTORISCHE KAART OUDEKERK AAN DE AMSTEL<br />

84 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

TOPOGRAFISCHE KAART DEN ILP LUCHTFOTO DEN ILP<br />

TOPOGRAFISCHE KAART GROOTSCHERMER LUCHTFOTO GROOTSCHERMER<br />

TOPOGRAFISCHE KAART ANKEVEEN LUCHTFOTO ANKEVEEN<br />

TOPOGRAFISCHE KAART OUDEKERK AAN DE AMSTEL LUCHTFOTO OUDEKERK AAN DE AMSTEL


Barsingerhorn is met zijn lange smalle bebouwingslint heel<br />

kenmerkend voor dorpen in West-Friesland. Het is een wegdorp.<br />

Broek op Langedijk is een voorbeeld van een dijkdorp.<br />

Kolhorn heeft zijn bestaan te danken aan de overslag van<br />

goederen. Hier lag een sluis die de verbinding vormde tussen<br />

de Westfriese wateren en de Zuiderzee. (Haartsen e.a.,<br />

2001)<br />

Het landschap<br />

In het pleistoceen bestonden grote delen van Noord-Holland<br />

uit wadvlakten, doorsneden door kreken. Na de laatste IJstijd<br />

ontwikkelde zich op deze kleibodem een veenkussen. In de<br />

9e en 8e eeuw voor Christus woonde men in dit gebied, dat<br />

regelmatig te kampen heeft met wateroverlast, op terpen. Om<br />

het water buiten te sluiten werd het gebied in de 11e en 12e<br />

eeuw omdijkt. Aan het begin van de 13e eeuw is de dijkring<br />

gesloten. Nog altijd vormt de Westfriese Omringdijk de markante<br />

begrenzing van het oude zeekleigebied.<br />

Nadien is het veen, door klink en oxidatie, weer verdwenen<br />

waardoor het onderliggende landschap weer aan de oppervlakte<br />

kwam. De voormalige kreken laten zich nu herkennen<br />

als relatief hoog gelegen stroomruggen. De voormalige<br />

wadvlakten vormen nu de laag gelegen en overwegend open<br />

kommen. Met het inklinken, of zelfs verdwijnen, van het veen<br />

kwamen ook de oude huisterpen weer aan de oppervlakte.<br />

Doordat het gebied is ontgonnen als veengebied, kent het<br />

ook de ruimtelijke karakteristieken van een veengebied, met<br />

langgerekte lintdorpen, een regelmatige, opstrekkende verkaveling<br />

en veel sloten, vaarten en tochten om het water af te<br />

voeren/op te slaan. Door herverkaveling is de oorspronkelijke<br />

structuur van het landschap plaatselijk ingrijpend veranderd<br />

en is een veel grootschaliger structuur ontstaan. (Bosch en<br />

Slabbers, 2006)<br />

Weg- dijk- en weteringdorpen in het veenpolderlandschap<br />

De dorpen<br />

In de laagveenontginningen zijn de dorpen direct langs<br />

een weg of dijk gebouwd. Vele van deze dorpen zijn sterk<br />

gegroeid als gevolg van de bloei van handel in de Gouden<br />

Eeuw. De uitbreiding van de bebouwing vond op drie manieren<br />

plaats:<br />

1. op oude weide-eilanden (Graft, de Rijp en Krommenie);<br />

2. door verdere lintbebouwing langs de lengte-as (Wormer,<br />

Westzaan en Krommenie);<br />

3. bij een nog verder gaande groei, zoals in de al vroeg geïndustrialiseerde<br />

Zaanstreek, werden de dorpen binnendijks<br />

verder uitgebreid langs oude sloten en binnenweggetjes.<br />

Van de dorpen die in hoofdzaak door koophandel in de Gouden<br />

Eeuw groot zijn geworden, zijn o.a. te noemen de Rijp,<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Schermerhorn, het door kaashandel opgekomen Oosthuizen<br />

en vooral het dorp Broek in Waterland. Nadat het oude Broek<br />

door brand verwoest werd, is het vanuit de oude kerk nieuw<br />

uitgelegd langs de oude waterwegen en het Havenrak. Het<br />

is met zijn fraaie boerderijen en schippershuizen, één van de<br />

gaafst bewaarde vissersnederzettingen. Overige typerende<br />

dorpen zijn het wegdorp Den Ilp, dijkdorp Grootschermer en<br />

‘Weteringdorp’ Ankeveen.<br />

Het landschap<br />

De veenpolders bestaan uit onvergraven veen dat overwegend<br />

in gebruik is als grasland. De veengebieden kennen<br />

een vlakke ligging en een zeer open karakter. Hierbinnen vormen<br />

de lange bebouwingslinten belangrijke ruimtevormende<br />

elementen.<br />

De ontginningswijze van de veengebieden wordt veelal<br />

gekenmerkt door een lange ontginningsas langs een natuurlijk<br />

of gegraven water langs een weg. Loodrecht op de<br />

ontginningsas zijn evenwijdig sloten gegraven, waarmee een<br />

strookvormig verkavelingspatroon is ontstaan. De bebouwing<br />

is gesitueerd langs de ontginningsas, waardoor langgerekte<br />

streekdorpen zijn ontstaan. Veel huizen zijn gebouwd van<br />

hout. Klei was weinig voorhanden en hout verzakte minder<br />

snel op de drassige bodem dan steen.<br />

Op deze algemene ontginningswijze zijn talrijke varianten.<br />

Het verkavelingspatroon varieert van zeer regelmatig tot zeer<br />

onregelmatig terwijl meestal ook is ingespeeld op specifieke<br />

omstandigheden ter plaatse, zoals de aanwezigheid van<br />

veenstromen en meren. Daarbij is er onderscheid in de mate<br />

van waterrijkdom. (Bosch en Slabbers, 2006)<br />

De meeste veenpolders zijn aanvankelijk ingericht als vaarpolders,<br />

waarbij de landbouwgronden alleen over het water<br />

bereikbaar waren. Na een ingrijpende herinrichting zijn vrijwel<br />

alle gronden over de weg ontsloten. In Waterland komen nog<br />

waterrijke vaarpolders voor. Dit vormen de meest water- en<br />

natuurrijke veengebieden met een deels gave historische verkaveling<br />

en open karakter. (Bosch en Slabbers, 2006)<br />

Het veenpolderlandschap wordt gekenmerkt door een afwisseling<br />

van land en water. Dit heeft ook zijn weerklank in de<br />

geschiedenis. In sommige perioden lag het accent op landbouw<br />

in andere tijden op de visserij en zeevaart. Daardoor<br />

zijn er kenmerkende, langgerekte agrarische dorpen met<br />

grote open graslanden zoals Den Ilp en Purmerland, maar<br />

ook markt- en havenplaatsen. Soms liggen de havens zelfs<br />

midden in het land, zoals Graft en De Rijp. (Haartsen e.a.,<br />

2001)<br />

85<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


86 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Typologie kustplaatsen PARK.


Kruispunt- dijk- en oeverwaldorpen in het veenrivierenlandschap<br />

De dorpen<br />

De Vecht maakt deel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.<br />

Langs de rivier liggen diverse forten die de droge ‘accessen’<br />

vanuit het Gooi moesten verdedigen. Aan de veenrivieren<br />

hebben zich steden en plaatsen ontwikkeld als Amsterdam<br />

(dijk-damstad), Ouderkerk aan de Amstel (oeverwaldorp),<br />

Weesp (dijkdorp) en Muiden (kruispuntdorp). (Bosch en Slabbers,<br />

2006)<br />

De boeren vestigden zich aan de rand van het klei-op-veengebied.<br />

Er werden boerderijen gebouwd langs de rivier en<br />

langs de polderkaden, waardoor een langgerekte bebouwing<br />

is ontstaan. Het middengedeelte van de polders bleef onbebouwd.<br />

De situatie is in de loop van de eeuwen nauwelijks<br />

gewijzigd. (Haartsen e.a., 2000)<br />

De Amstel is een voorbeeld van een rivier waarlangs een ijl<br />

bebouwingslint is ontstaan. Hier en daar vinden we er (restanten<br />

van) historische buitenhuizen en (heren)boerderijen.<br />

Aan weerskanten van de Vecht strekken zich uitgestrekte<br />

polders uit. Daarnaast is een aantal kernen ontstaan op de<br />

oeverwallen. Oudekerk aan de Amstel is een voorbeeld van<br />

zo’n oeverwaldorp. (Haartsen e.a., 2000)<br />

Het landschap<br />

Een landschap als het veenpolderlandschap, maar doorsneden<br />

door veenrivieren. Langs deze veenrivieren zijn meer<br />

zandige oeverwallen afgezet. Aangrenzend liggen kommen<br />

met klei- en veengronden. De kommen manifesteren zich<br />

nog altijd als open grasland, de smalle oeverwallen zijn sterk<br />

verdicht. De veenrivieren vormen lange tijd de belangrijke<br />

vervoersaders. Van oudsher hebben de meeste ontwikkelingen<br />

zich op de zandige oevers geconcentreerd. Door de<br />

goede bereikbaarheid, grondslag en de nabijheid van Amsterdam<br />

hebben zich langs deze rivieren landgoederen ontwikkeld<br />

die bijvoorbeeld de Amstel en de Vecht een bijzondere<br />

allure geven.<br />

Noorderzeekust<br />

Aan de Noordzeekust liggen na een smalle strook strand de<br />

jonge duinen. Dit is een direct aan zee gerelateerd, reliëfrijk<br />

zandlandschap. Door wind en golfwerking heeft dit gebied<br />

een dynamisch karakter. De duinen worden gevormd door<br />

hoge, droge zandruggen, vaak begroeid met helmgras. De<br />

kustlijn en de duinen hebben een primaire functie als zeekering<br />

en als natuurgebied.<br />

Een deel van de duinen is van antropogene oorsprong. Zij<br />

zijn ontstaan door opstuiving voor een door de mens gevormde<br />

zanddijk. Dit betreft de duinen tussen Camperduin en<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Callantsoog, tussen Callantsoog en Den Helder en tussen De<br />

Koog en De Cocksdorp.<br />

De binnenduinranden van de oude duingebieden kennen<br />

een lange bewoningsgeschiedenis. In de duinzoom liggen<br />

steden, dorpen, villaparken, landgoederen, buitenplaatsen en<br />

gezondheidscentra. (Bosch en Slabbers, 2006)<br />

Door de PARK (Provinciaal Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit) is<br />

een onderverdeling gemaakt van de dorpen in de kuststrook<br />

aan de hand van hun (oorspronkelijke) functie: havenplaats,<br />

badplaats en kustplaats. Op bijgevoegde afbeelding is de<br />

verdeling voor Noord-Holland zichtbaar. De ruimtelijke kenmerken<br />

van deze dorpen worden niet beschreven.<br />

Zuiderzeekust<br />

De Zuiderzeekust van Noord-Holland is geen landschapstype.<br />

Hiermee wordt een smalle strook land langs de voormalige<br />

Zuiderzee bedoeld die de kustplaatsen (waaronder<br />

V.O.C.-steden) verbindt. De kust bestaat voor een groot deel<br />

uit een dijk.<br />

De plaatsen aan deze kust hebben van oorsprong een sterke<br />

relatie met het water. In de Gouden Eeuw waren Enkhuizen,<br />

Medemblik en Hoorn belangrijke handelsplaatsen. Andere<br />

plaatsen, zoals Volendam, waren vooral gericht op de visserij.<br />

Na het ontstaan van het IJsselmeer door afsluiting van<br />

de Zuiderzee in 1932, is de visserij grotendeels verdwenen.<br />

Vanaf de jaren ’50 van de vorige eeuw heeft de recreatieve<br />

sector een sterke ontwikkeling doorgemaakt. Veel bezoekers<br />

komen af op de historische kernen, maar ook op de mogelijkheden<br />

tot waterrecreatie. Afgezien van enkele vissersboten<br />

liggen de havens nu vol met plezierjachten. De waterrecreatie<br />

houdt de eeuwenoude relatie tussen de stad en het water<br />

in stand. (Luitwieler, 2007)<br />

Verschillende typen Zuiderzeeplaatsen zijn te onderscheiden<br />

(Luitwieler, 2007):<br />

- Stadsfront: de stedelijke bebouwing grenst aan het water.<br />

- Dijk: de stad ligt van het water gescheiden door een dijk.<br />

87<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Uitwerking Middenbeemster.<br />

Uitwerking Middenbeemster.<br />

88 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Uitwerking ‘Bouwen voor Waterland 2020’.


- Haven: de stad is als het ware achter de haven gebouwd.<br />

- Kanaal: de stad is via een kanaal verbonden met het<br />

water. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen kanalen<br />

die door bebouwd (industrie) of onbebouwd gebied<br />

lopen.<br />

Hoorn en Enkhuizen zijn voorbeelden van een<br />

stadsfrontplaats. Medemblik ligt achter een dijk. Marken,<br />

Monnickendam en Volendam zijn havenplaatsen en Edam ligt<br />

aan een kanaal.<br />

Voorbeelduitwerking Middenbeemster<br />

Het ontwerpbureau LA4Sale heeft in 2002 een ‘Kookboek<br />

voor kleine kernen’ gemaakt, waarin zij een nieuw beleid<br />

lanceerden voor de ontwikkeling van kleine kernen op basis<br />

van landschappelijke en dorpskarakteristieken. Het rapport<br />

geeft inzicht in de mechanismen die de ontwikkeling van een<br />

kleine kern bepalen, formuleert uitgangspunten die bruikbaar<br />

zijn bij ontwikkeling en geeft aanbevelingen voor een kleine<br />

kernenbeleid. Daarnaast is een testcase uitgewerkt waarbij<br />

verschillende ontwikkelingsmodellen voor Grootschermer zijn<br />

uitgewerkt.<br />

Voorbeelduitwerking ‘Bouwen voor Waterland 2020’<br />

In 2004 heeft hetzelfde bureau LA4Sale een verkenning<br />

gedaan voor ‘Bouwen voor Waterland 2020’. Het onderzoek<br />

is een verkenning naar de alternatieve invulling van het<br />

woningbouwprogramma voor de regio Waterland. De vraag<br />

hierbij was hoe woningbouw vanuit een landschappelijk en<br />

cultuurhistorisch perspectief kan bijdragen aan de identiteit<br />

en ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Om op deze vraag<br />

greep te krijgen is inzicht gegeven in de specifieke kenmerken<br />

van elke identiteit. Hiervoor zijn de korrels en structuren<br />

zowel op de schaal van het hele gebied als per dorp in kaart<br />

gebracht.<br />

Per dorpstype wordt zo een profiel geschetst en een strategie<br />

voorgesteld voor de ontwikkeling van het dorp. Hierin spelen<br />

zowel de familiekenmerken van de bebouwingsstructuur als<br />

de unieke eigen kenmerken een grote rol. Hiernaast staan<br />

enkele voorbeelden van deze strategieën.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Conclusies en aanbevelingen<br />

1. De behoefte aan dorpse woonmilieus moet in regionale<br />

woonvisies worden vertaald in een evenwichtig aanbod<br />

van alle dorpse woonvormen (van dorps naar meer<br />

landelijk) voor zowel de lokale bevolking als mensen van<br />

buiten.<br />

2. De provincie Noord-Holland heeft een grote verscheidenheid<br />

aan dorpen met verschillende structuren gebaseerd<br />

op het landschap en oorspronkelijke functie (agrarisch,<br />

handel of visserij), vooral veel lintbebouwing. Velen dorpen<br />

zijn in de afgelopen eeuw sterk gegroeid en hebben<br />

(deels) hun oorspronkelijke structuur en identiteit verloren.<br />

Dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. Willen<br />

we dit in de toekomst voorkomen en de verschillende<br />

karakteristieken behouden en/of versterken dan moet bij<br />

de eventuele uitbreiding of inbreiding de oorspronkelijke<br />

structuur van een dorp en zijn omgeving als uitgangspunt<br />

worden genomen. Historische kaarten, topografische<br />

kaarten en luchtfoto’s vormen een goede basis om de<br />

karakteristieken te herkennen. Daarnaast zijn er al veel<br />

studies gedaan die als hulpmiddel kunnen dienen voor<br />

het ontwerp van zo’n ontwikkeling.<br />

3. Het regionale woonbeleid voor de dorpen en kleine<br />

kernen binnen de Provincie Noord-Holland moet voorzien<br />

in het waarborgen van ruimtelijke variatie en identiteit<br />

(ruimtelijke kwaliteit) van de dorpen. Dit kan niet alleen<br />

door middel van het programmeren van de woningbouw<br />

met behulp van contouren. Dit impliceert vaak dat nieuwe<br />

dorpsuitbreidingen als concentrische ringen zo compact<br />

mogelijk rond de dorpskernen ontwikkeld zouden<br />

moeten worden. Dorpsuitbreidingen vragen om maatwerk<br />

dat tegemoet komt aan de specifieke eigenheid en<br />

identiteit van het dorp. De ontwikkeling van dorpen zou<br />

daarom moeten aansluiten op de karakteristieken van<br />

de historisch gegroeide dorpsstructuur, bewoningsvorm<br />

en landschappelijke context. Om aanknopingspunten te<br />

kunnen bieden voor een dergelijke ruimtelijke ontwikkeling<br />

biedt een historisch geografisch dorpentypologie in<br />

de vorm van een atlas een goede basis. Hierin dienen<br />

ook goed onderbouwde, ruimtelijk verantwoorde bebouwingsprincipes<br />

per dorpstype opgenomen te worden. Het<br />

wordt aanbevolen om deze atlas te ontwikkelen en in het<br />

uitvoeringsprogramma van de structuurvisie op te nemen.<br />

4. Bouwen met behoud van identiteit staat niet gelijk aan<br />

bouwen met behoud van de ruimtelijke verschijningsvorm.<br />

Een dorp is niet alleen een ruimtelijk fenomeen in<br />

het landschap, het is ook een leefgemeenschap waarin<br />

mensen wonen en werken. Ruimtelijke verandering hoort<br />

daarbij. Een studie naar de sociaaleconomische vitaliteit<br />

van dorpen zou een waardevolle aanvulling zijn op de<br />

historisch geografische dorpentypologie.<br />

89<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


90 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


5. De verkenning ‘Bouwen voor Waterland’ is een goed<br />

voorbeeld van het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit<br />

en identiteit van het landschap en de dorpen daarin. Deze<br />

studie zou in de overige regio’s van Noord-Holland ook<br />

gedaan moeten worden.<br />

Bronnen<br />

Bosch Slabbers tuin- en landschapsarchitecten. 2004.<br />

Beleidskader Landschap en Cultuurhistorie Noord-Holand.<br />

Haarlem, Provincie Noord-Holland<br />

Haartsen, A. e.a. 2000. De cultuurhistorie van Kennemerland,<br />

Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Holland. Haarlem,<br />

Provincie Noord-Holland<br />

Haartsen, A. e.a. 2000. De cultuurhistorie van Gooi- en<br />

Vechtstreek, Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Holland.<br />

Haarlem, Provincie Noord-Holland<br />

Haartsen, A. e.a. 2001. De cultuurhistorie van West-Friesland,<br />

Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Holland. Haarlem,<br />

Provincie Noord-Holland<br />

Haartsen, A. e.a. 2001. De cultuurhistorie van Waterland en<br />

Zaanstreek, Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Holland.<br />

Haarlem, Provincie Noord-Holland<br />

Haartsen, A. e.a. 2002. De cultuurhistorie van de Kop van<br />

Noord-Holland en Texel, Cultuurhistorische waardenkaart<br />

Noord-Holland. Haarlem, Provincie Noord-Holland<br />

Heun, G. 2008. Over Boeren en Buren, ontwikkelingsvisie<br />

voor de Venen. <strong>Delft</strong>, Afstudeerproject Master Urbanism <strong>TU</strong><br />

<strong>Delft</strong><br />

H&S adviseurs en universiteit van Amsterdam . 2005. Vitaal<br />

platteland, vitale kleine kernen, evaluatie in het kader van de<br />

Nota Ruimte. Echt<br />

LA4Sale. 2002. Kleine kernen kookboek, Amsterdam<br />

LA4Sale. 2004. Bouwen voor Waterland 2020. Haarlem,<br />

Provincie Noord-Holland<br />

Luitwieler, F. 2007. Historische IJsselmeersteden: thuishavens<br />

voor modern watertoerisme. Wageningen, Wageningen<br />

Universiteit<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Marlet, G. & Woerkens, C. van. 2005. Atlas voor gemeenten.<br />

De 50 grootste gemeenten van Nederland op 40 punten<br />

vergeleken. Utrecht<br />

Nieuwe kijk op oude dorpen. 2005. www.denieuwekijk.nl<br />

Regionaal Plan 2005 – 2020. 2005. Stadsregio Arnhem –<br />

Nijmegen, Provincie Gelderland, Nijmegen/Amsterdam<br />

Steegh, A. 1976. Kleine monumenten atlas van Nederland,<br />

666 nederzettingen in kaart. Zutphen<br />

Thissen, F. & Droogleever Fortuijn, J. 1998. Artikel: van autonoom<br />

dorp naar woondorp. Noorderbreedte 1998, jaargang<br />

22, Thema ‘Dorpslandschappen Deel 2’<br />

91<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Agrarisch grondgebruik in kaart (situatie 2007)<br />

Het netto landbouwareaal bedraagt in 2007: 132.000 hectare.<br />

Ruim de helft van het totaal oppervlak van de provincie Noord-Holland (61% van het landoppervlak, 57% van het totaal oppervlak) is in agrarisch gebruik. In bovenstaande afbeelding is<br />

te zien hoe het grondgebruik ruimtelijk is verdeeld. Wat opvalt is het grote contrast tussen het zuiden en het noorden van de provincie. In het zuiden is een hoge concentratie bebouwing<br />

te zien met weinig ruimte voor landbouw, al ligt hier wel de belangrijke greenport Aalsmeer. Het noorden heeft daarentegen een overwegend agrarisch karakter, met in sommige gebieden<br />

een duidelijke specialisatie: bollenteelt in het Noordelijk Zandgebied, akkerbouw in de Wieringermeer, groenten vooral in West-Friesland en het Geestmerambacht en grondgebonden<br />

veehouderij in Laag-Holland. Ander gebieden hebben een meer gemengd karakter, zoals Texel en de oude droogmakerijen.<br />

92 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

5 Landschap en recreatie<br />

Het landschap is grotendeels vormgegeven door boeren.<br />

De agrarische sector verandert, de verstedelijking rukt op.<br />

Hierdoor verandert het landschap. Tegelijkertijd vergrijst de<br />

samenleving. Daarmee neemt de vraag naar ruimte voor de<br />

besteding van vrije tijd toe. Deze ruimtevraag wordt nog eens<br />

versterkt doordat de behoefte aan rust in de hectische metropool<br />

toeneemt. Het open en landschappelijke gebied voorziet<br />

hierin. De vraag is hoe veranderingen in de landbouw<br />

(schaalvergroting enerzijds en verbreding anderzijds) gecombineerd<br />

kunnen worden met de steeds grotere behoefte<br />

aan recreatiemogelijkheden en hoe tegelijkertijd een impuls<br />

gegeven kan worden aan de ruimtelijke kwaliteit van het landschap.<br />

In paragraaf 5.1 wordt de relatie tussen landschap en<br />

recreatie in relatie tot de landbouwhoofdstructuur onderzocht.<br />

In paragraaf 5.2 wordt gekeken naar de afstemming tussen<br />

vraag en aanbod van recreatiegebieden en in 5.3 wordt de<br />

toegankelijkheid van het landschap onderzocht.<br />

5.1 Kansen voor verbreding landbouw<br />

Landbouw speelt een belangrijke rol in Noord-Holland. Het<br />

grootste deel van het oppervlak is agrarisch en de landbouw<br />

is een belangrijke stuwende sector. Het economisch<br />

perspectief voor de landbouw is echter onzeker als gevolg<br />

van internationale marktontwikkelingen, landbouwbeleid van<br />

de Europese Unie en het milieu- en mestbeleid. Naast een<br />

groot aantal bedrijven, dat hun bedrijfsvoering beëindigt of<br />

verbreedt, zijn er ook vitale landbouwbedrijven die behoefte<br />

hebben aan groei wat betreft grondareaal, gebouwen en productie.<br />

Verbreding zoals recreatie, verwerking en/of verkoop<br />

van landbouwproducten aan huis, stalling van paarden of<br />

caravans, productie van energie, therapeutische zorg, en natuur-<br />

en landschapsbeheer, is niet voor elke boer op elke plek<br />

in de provincie een mogelijkheid. De vraag is welke gebieden<br />

in Noord-Holland mogelijkheden bieden om in de toekomst<br />

onbeperkt te boeren en waar kansen liggen voor verbreding<br />

van de bedrijfsvoering.<br />

Opgave<br />

De analyse geeft inzicht in de ruimtelijke verdeling (structuur)<br />

van de verschillende agrarische sectoren. Daarnaast toont<br />

deze analyse waar in Noord-Holland kansen liggen voor<br />

grootschalige productie en waar verbreding van landbouw<br />

de komende jaren zal kunnen gaan plaatsvinden. Als laatste<br />

is de potentie tot verbreding in relatie tot recreatie nader<br />

uitgewerkt.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Methodiek<br />

Analyse op basis van PROSU gegevens<br />

Uitgangspunt vormt de dataset van Prosu. Prosu is een agrarische<br />

database met op adresniveau informatie over type bedrijf<br />

en overige bedrijfsinformatie zoals het NGE (Nederlands<br />

Grootte Eenheid). De NGE is een economische maatstaf, die<br />

elke 2 jaar wordt herzien. De normen worden berekend voor<br />

de rubrieken uit de Landbouwtelling die de bedrijfsomvang<br />

bepalen.<br />

De NGE wordt gebruikt om hittekaarten te berekenen. De<br />

hittekaart is een dichtheidskaart. Het gaat om NGE per oppervlakte<br />

eenheid. In dit geval hectares. Iedere cel in de kaart<br />

(celgrootte is 50 meter bij 50 meter) geeft de dichtheid weer<br />

in NGE per hectare.<br />

Door bedrijfstype te groeperen (bijvoorbeeld alle akkerbouwers)<br />

ontstaan kaarten waarin de gebieden zichtbaar worden<br />

waar akkerbouw plaatsvindt. Daarin zijn de rode gebieden de<br />

gebieden met grootste bedrijfsomvang.<br />

Toekomst perspectief kleinschalige landbouw<br />

Ongeveer 20% van de bedrijven doet aan enige vorm van<br />

verbreding. Natuurbeheer is met meer dan 10% van alle bedrijven<br />

de belangrijkste activiteit. Op Texel en in Laag Holland<br />

is verbreding relatief belangrijker dan in andere regio’s. Op<br />

Texel ligt de nadruk op agrarisch natuurbeheer, recreatie en<br />

de verkoop aan huis. In Laag-Holland is agrarisch natuurbeheer<br />

veruit de belangrijkste vorm van verbreding<br />

Conclusies<br />

• De gebieden die in Noord-Holland mogelijkheden bieden<br />

voor landbouwproductie zijn te vinden in de regio’s Kop<br />

van Noord-Holland, West-Friesland en voor een deel in<br />

de regio Alkmaar (het Geestmerambacht en het Altongebied)<br />

en in Amstel-Meerlanden rond Greenport Aalsmeer.<br />

• Gebieden waar grote kans is op verbeding bevinden zich<br />

in Laag-Holland, op Texel, in delen van Noord-Kennemerland,<br />

Zuid-Kennemerland en West-Friesland.<br />

• Kansen voor verbreden richting recreatie zijn er vooral ten<br />

noorden van Amsterdam en dicht tegen de oost en west<br />

grens van de provincie. Vooral in het noordelijk midden<br />

van de provincie is die kans kleiner omdat de mogelijkheden<br />

voor recreatie daar minder zijn.<br />

Bronnen<br />

Lei en Prosu<br />

93<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


94 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Akkerbouw<br />

Akkerbouw vindt voornamelijk plaats op de kleigronden in de droogmakerijen: de Wieringermeer, de<br />

Haarlemmermeer en in mindere mate de droogmakerijen in Laag-Holland. Ook op Texel is akkerbouw van<br />

belang. De Wieringermeer is het belangrijkst, met ruim de helft van de 33.100 ha akkerbouw in de provincie.<br />

Bollenteelt<br />

Noord-Holland is het belangrijkste productiegebied van bloembollen in Nederland. Binnen Noord-Holland<br />

zijn de meeste bloembollenbedrijven gevestigd in de Kop van Noord-Holland (56% van totaal ha), West-<br />

Friesland (29% van totaal ha) en Noord-Kennemerland (9%). Ook op Texel speelt de bloembollenteelt een<br />

relatief belangrijke rol. De belangrijkste gewassen zijn tulpen, lelies, narcissen en hyacinten.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Melkveehouderij<br />

Ongeveer 5% van de Nederlandse melkveehouderij bevindt zich in Noord-Holland. De meerderheid van de<br />

melkveebedrijven bevindt zich in Laag-Holland en West-Friesland, maar is in alle regio’s van belang.<br />

Opengrondstuinbouw<br />

Noord-Holland is na Noord-Brabant de grootste producent van opengrondsgroenten in Nederland, met 18%<br />

van alle bedrijven in deze sector en 22% van het areaal. In Noord-Holland worden voornamelijk kool, peen<br />

en sla verbouwd en weinig aardbeien en peulvruchten. De belangrijkste regio voor deze sector is West-<br />

Friesland, met daarnaast een aanzienlijke concentratie in het Geestmerambacht. Ook in de Wieringermeer,<br />

de Haarlemmermeer en het gebied ten westen van Heemskerk is de groenteteelt van belang.<br />

95<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Glastuinbouw - totaal<br />

De glastuinbouw kent 2 kerngebieden: in het zuiden Greenport Aalsmeer (sierteeltcluster) en in het noorden<br />

de zogenaamde Glasdriehoek, die bestaat uit het Altongebied bij Heerhugowaard (sierteelt en glasgroenten),<br />

Grootslag in West-Friesland (glasgroenten) en Agriport A7 in de Wieringermeer (glasgroenten). Agriport<br />

A7 is niet te zien in deze kaart omdat deze nieuwe bedrijven in 2007 nog niet zijn meegeteld.<br />

Glastuinbouw - groente<br />

De bestaande glasgroentebedrijven in Noord-Holland zijn qua grootte gelijk aan het Nederlandse gemiddelde<br />

van 2 ha. Qua productiecapaciteit zijn ze echter relatief klein: 148 nge, ten opzicht van een landelijk<br />

gemiddelde van 410 nge. De verwachting van de markt is dan ook niet bijzonder gunstig. Of deze sector<br />

concurrerend kan blijven is in grote mate afhankelijk van technische en organisatorische innovaties. Agriport<br />

A7 kan de ongunstige toekomstverwachting van deze sector iets bijstellen. Hier vestigen zich vooral grote<br />

bedrijven van minimaal 20 ha, tegenover de bestaande bedrijven van gemiddeld 3,4 ha. Dit gebied is een<br />

overloopgebied voor het Westland, Zuid-Holland, waar men met ruimtegebrek kampt.<br />

96 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Glastuinbouw - bloemen<br />

Bereikbaarheid is voor de glastuinbouw van groot belang. Behalve de functie van Schiphol voor de<br />

bloemenketen is ook vervoer over de weg een aandachtspunt, zowel voor Aalsmeer als voor het noorden.<br />

Binnen de Greenport Aalsmeer zal de bedrijvigheid zich in toenemende mate richten op de meest kennisintensieve<br />

activiteiten: dienstverlening, handel, logistiek en veredeling. Deze ontwikkeling is afhankelijk<br />

van de toekomst van Schiphol: wanneer de mogelijkheden van vervoer van snijbloemen door de lucht<br />

worden beperkt zal dit ook de doorvoerfunctie van de Greenport aantasten. In de Noordelijke glasdriehoek<br />

is voorlopig voldoende ruimte voor productie.<br />

Landbouw productie vanaf 70 NGE


Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

97<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


98 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Inclusief RODS: Recreatie om de Stad


5.2 Vraag en aanbod van recreatie<br />

Het landelijk gebied verandert. Schaalvergroting in de<br />

landbouw, aanleg van infrastructuur en verstedelijking hebben<br />

ervoor gezorgd dat wandelpaden verdwenen zijn en<br />

daarmee de toegang en de beleving van het landschap sterk<br />

zijn verminderd. Deze ontwikkelingen leiden tevens tot het<br />

verdwijnen van stille gebieden, terwijl de behoefte aan een<br />

toegankelijk landschap met openheid, rust, schoonheid en<br />

karakter juist sterk is toegenomen. Om de belevings- en<br />

gebruikswaarde van het landelijk gebied voor alle inwoners<br />

van de provincie Noord-Holland te vergroten heeft de aanleg<br />

van groen in en om de stad een impuls nodig. Daarbij gaat<br />

het niet alleen om de aanleg van groen maar ook om de<br />

aanpassing van bestaand groen. De urgentie is groot omdat<br />

de recreatiedruk op natuurgebieden toeneemt en de (her)<br />

ontwikkeling van groen achterblijft bij de verstedelijking.<br />

Opgave<br />

Het in beeld brengen van de vraag naar recreatie.<br />

5.2 Vraag en aanbod van recreatie<br />

Inleiding<br />

Het landelijk gebied verandert. Schaalvergroting in de landbouw, aanleg van infrastructuur en<br />

verstedelijking hebben ervoor gezorgd dat wandelpaden verdwenen zijn en daarmee de toegang en<br />

de beleving van het landschap sterk zijn verminderd. Deze ontwikkelingen leiden tevens tot het<br />

verdwijnen van stille gebieden, terwijl de behoefte aan een toegankelijk landschap met openheid, rust,<br />

schoonheid en karakter juist sterk is toegenomen. Om de belevings- en gebruikswaarde van het<br />

landelijk gebied voor alle inwoners van de provincie Noord-Holland te vergroten heeft de aanleg van<br />

groen in en om de stad een impuls nodig. Daarbij gaat het niet alleen om de aanleg van groen maar<br />

Doel<br />

Afstemmen ook recreatievraag om de aanpassing van bestaand groen. De urgentie en is groot aanbod: omdat de recreatiedruk op natuur en landschaps-<br />

natuurgebieden toeneemt en de (her)ontwikkeling van groen achterblijft bij de verstedelijking.<br />

Opgave<br />

ontwikkeling Het in in beeld brengen de van nabijheid de robuuste groenstructuren van in en om de stad. de stad.<br />

Het in beeld brengen van kansen voor versterking en nieuwe recreatiegebieden in en om de stad.<br />

Doel<br />

Afstemmen recreatievraag en aanbod: natuur en landschapsontwikkeling in de nabijheid van de stad.<br />

Methodiek<br />

Methodiek1.<br />

Vraag en aanbod- analyse<br />

Vraag en aanbod- analyse.<br />

Aanbod Vraag<br />

Afwegingmethodiek<br />

Ruimtelijke analyse<br />

Resultaat<br />

Met behulp Resultaat van een ruimtelijke afwegingsmethodiek is de<br />

Groenstructuren in en om de stad vervullen belangrijke functies. Niet alleen voor ecologie en<br />

landschap, maar ook als een rustgevend tegenwicht voor de drukke stad. Er zijn tekorten aan<br />

vraag naar fiets recreatie in Noord-Holland in kaart gebracht.<br />

Hiervoor is gebruik gemaakt van bewonersdichtheid. Op<br />

dezelfde wijze zijn de mogelijkheden voor fietsen (aanbod) in<br />

kaart gebracht. Hiervoor is de opvangcappaciteit voor fietsen<br />

per grondgebruik bepaald. Door deze twee kaarten met elkaar<br />

te confronteren ontstaat een vraag en aanbod kaart.<br />

Resultaat<br />

Groenstructuren in en om de stad vervullen belangrijke functies.<br />

Niet alleen voor ecologie en landschap, maar ook als<br />

een rustgevend tegenwicht voor de drukke stad. Er zijn tekorten<br />

aan recreatief groen en de ontwikkeling van recreatief<br />

groen blijft achter bij de verstedelijking. Vooral de gebieden<br />

grenzend aan de stad, zoals de scheggen in Amsterdam,<br />

bieden mogelijkheden om te functioneren als zogenaamde<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

stadsparken. Door in deze stadsrandgebieden prioriteit te geven<br />

aan landschapsontwikkeling krijgen deze gebieden met<br />

voorrang een kwaliteitsimpuls. In die delen van het landelijk<br />

gebied die verder van de stad liggen en waar de landbouw<br />

niet langer dominant is, zal de bijdrage aan rust en stilte meer<br />

gecombineerd kunnen worden met natuur(beleving).<br />

Conclusies en aanbevelingen<br />

1. In de stedelijke gebieden in het zuiden van Noord-Holland<br />

is de vraag naar recreatie het grootst.<br />

2. Dit kan maar gedeeltelijk worden ondervangen door versterking<br />

van de groen structuur rondom de stad (RODS).<br />

3. De versterking van de groenstructuur rondom de stad<br />

resulteert in een robuustere structuur waardoor de druk op<br />

deze ruimte in balans blijft.<br />

99<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


100 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Afbeelding 5.1<br />

Afbeelding 5.2


5.3 Regionaal recreatief netwerk<br />

Kernkwaliteiten landschap:<br />

Natuurlijke kwaliteit: bodem, reliëf, aardkunde, water, flora en fauna<br />

Culturele kwaliteit & identiteit: cultuurhistorie<br />

Gebruikskwaliteit: (recreatieve) toegankelijkheid, bereikbaarheid en meervoudig ruimtegebruik,<br />

aanwezigheid toeristisch – recreatieve voorzieningen<br />

Belevingskwaliteit: ruimtelijke afwisseling, informatiewaarde, contrast met stedelijke omgeving,<br />

groen karakter, rust, ruimte, stilte en donkerte<br />

Bij brede groepen in de samenleving en nagenoeg alle leeftijdgroepen<br />

is in het dagelijks leven grote behoefte aan stilte<br />

en rust, ook wel onthaasting of vertraging genoemd. Mensen<br />

zoeken dit vooral in de natuur en het landschap. Zo’n 90<br />

procent van de mensen geeft aan rust en ontspanning heel<br />

belangrijk te vinden en verwacht van de overheid deze rust<br />

en stilte zoveel mogelijk te bevorderen (Stichting Natuur en<br />

Milieu 2002). Wandelen en fietsen zijn veruit favoriet. Naast<br />

natuurgebieden zijn ook ouderdom, cultuurhistorische relicten,<br />

uitzichtpunten en onverharde paden onderdeel van het<br />

netwerk om te onthaasten. Ook de omvang telt: als het gaat<br />

om rust vinden is groter vaak beter. Het is van belang deze<br />

behoefte aan vertraging of onthaasting zoveel mogelijk te accommoderen<br />

in de nabijheid van de woonomgeving.<br />

Opgave<br />

Het in beeld brengen van de recreatieve hoofdstructuur van<br />

Noord-Holland.<br />

Het in beeld brengen van kansen voor nieuwe attractieve<br />

fietsroutes.<br />

Doelen<br />

Het in beeld brengen van mogelijkheden voor het versterken<br />

van recreatieve netwerken.<br />

Het ontwikkelen van een prioritair recreatieve routestructuur<br />

op provinciale schaal.<br />

Benadering<br />

Als voorbeeld dient het Regionalpark Frankfurt RheinMain<br />

in Duitsland. Regionalpark RheinMain rond Frankfurt is<br />

een ruimtelijk concept waarbij landschapsontwikkeling en<br />

–bescherming en recreatieve ontsluiting hand in hand gaan.<br />

Dit gebeurt door de ontwikkeling van: een recreatief routenetwerk,<br />

een robuuste groenstructuur en daarmee samenhangende<br />

recreatieve ‘hotspots’ zoals kleine parken, monumenten,<br />

waterbronnen en uitkijktorens. Het park voorziet in<br />

de grote behoefte aan recreatiemogelijkheden en beschermt<br />

ecologische en landschappelijke waarden. Lokale initiatieven<br />

krijgen regionale samenhang door deze in te bedden in de<br />

regionale parkstructuur.<br />

Resultaat<br />

De hoeveelheid vrije tijd van de beroepsbevolking neemt<br />

af. De (culturele) betekenis van vrije tijd neemt toe, net<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

als het geld dat hieraan wordt besteed. Niet-werkenden,<br />

vooral gepensioneerden hebben veel vrije tijd. Het aantal<br />

gepensioneerden zal meer dan verdubbelen en dus zal hun<br />

vraag naar ruimte en tijd voor de besteding van hun vrije tijd<br />

toenemen. Om in Noord-Holland in te kunnen spelen op deze<br />

vraag is het van belang goed toegankelijke en aantrekkelijke<br />

landschappen te ontwikkelen. Wandel- en fietspaden die de<br />

groengebieden en recreatieterreinen, zoals parken, sportterreinen<br />

en volkstuinen, met elkaar en met de stad verbinden<br />

zijn essentieel. Daarnaast moet ook de kwaliteit van het<br />

landschap, de cultuurhistorische attracties en de recreatieve<br />

infrastructuur verbeteren. In deze analyse wordt de recreatieve<br />

hoofdstructuur in beeld gebracht aan de hand van<br />

diverse cultuurhistorische en attractieve elementen en wordt<br />

aangegeven waar verbetering van de routestructuur rondom<br />

deze elementen zou kunnen plaatsvinden.<br />

In de analyse is allereerst onderscheid gemaakt tussen recratieve<br />

elementen en routes.<br />

Recreatieve elementen<br />

De volgende elementen zijn onderscheiden:<br />

1. Attracties, bijvoorbeeld de Kaasmarkt in Alkmaar en de<br />

Zaanse Schans.<br />

2. Musea.<br />

3. Provinciale monumenten die een recreatieve waarde hebben,<br />

bijvoorbeeld molens, kastelen, kloosters, landgoederen<br />

en ruines.<br />

4. Rijksmonumenten die een recreatieve waarde hebben,<br />

bijvoorbeeld molens, kastelen, kloosters, landgoederen<br />

en ruines.<br />

5. Historische molens.<br />

Wanneer bovenstaande lagen over elkaar worden geprojecteerd<br />

ontstaat het beeld van afbeelding 5.1.<br />

Routes<br />

De volgende lijnobjecten zijn onderscheiden:<br />

1. fietsknooproutes<br />

2. LF fietsroutes<br />

Wanneer bovenstaande lagen over elkaar worden geprojecteerd<br />

ontstaat het beeld van afbeelding 5.2.<br />

101<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Afbeelding 5.3<br />

Afbeelding 5.5<br />

102 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Afbeelding 5.4<br />

Afbeelding 5.6


Cultuurhistorische geschiedenis beleefbaar maken<br />

Gaafheid, samenhang, ouderdom en cultuurhistorische<br />

elementen dragen bij aan de beleving van natuur- en recreatiegebieden<br />

en versterken de kwaliteit van de leefomgeving.<br />

Oude landschappen dragen bij aan deze behoefte en zijn<br />

daarmee uiterst waardevol en cruciaal voor de kwaliteit van<br />

de omgeving. Een middel om de kwaliteit van de leefomgeving<br />

te verhogen, en tegelijkertijd de identiteit van Noord-Holland<br />

te kunnen waarborgen en benutten, is het versterken en<br />

in het landschap weer zichtbaar maken van cultuurhistorische<br />

patronen, relicten en objecten.<br />

Tegelijk zien we de trend om de landschapsbeleving van de<br />

recreant te versterken door het weer zichtbaar maken van<br />

oude landschapselementen. Zo worden oude restanten van<br />

verdedigingswerken opgeknapt, zoals de forten van de Stelling<br />

van Amsterdam. Door cultuurhistorie te koppelen aan<br />

het recreatief netwerk van fiets- en wandelpaden wordt de<br />

historische beleving en bewustwording mogelijk en wordt het<br />

gevoel van identiteit versterkt.<br />

Attractieve fietsroutes<br />

Veel inwoners van Noord-Holland maken gebruik van het<br />

buitengebied om fietsend een ommetje te maken. Hiervoor<br />

zijn routes nodig. Concreet betekent dit de ontwikkeling van<br />

een fijnmazig toegankelijk netwerk van fietspaden met daaraan<br />

verbonden plekken om te verblijven. Dit betekent in veel<br />

gevallen bestaande fiets- en wandelpaden verbinden, maar<br />

ook nieuwe ontwikkelen. Dit kan bijvoorbeeld door de beschrijving<br />

en thematisering van routes. In afbeelding 5.3 zijn<br />

de bestaande fietsroutes aangeven die relatief veel cultuurhistorische<br />

elementen doorkruisen, deze routes zijn geschikt<br />

voor thematisering.<br />

Conclusies en aanbevelingen<br />

• Uit afbeelding 5.1 zijn duidelijk gebieden te onderscheiden<br />

met een hoge dichtheid aan recreatieve objecten en<br />

gebieden met een lage dichtheid.<br />

• Opvallend is een hoge dichtheid in het zuiden van Noord-<br />

Holland en een lage dichtheid in het noorden van Noord-<br />

Holland.<br />

• Thematisering van bestaande fietsroutes is goed mogelijk<br />

in de gebieden met een hoge dichtheid aan recreatieve<br />

objecten. Een voorzet hiervoor is uitgewerkt in de afbeelding<br />

5.3 en 5.4.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

103<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


104 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


HET VISUELE LANDSCHAP<br />

6 Het visuele landschap<br />

Steffen Nijhuis - <strong>TU</strong> <strong>Delft</strong><br />

Ruimtelijke kwaliteit staat hoog op de politieke agenda. Het<br />

is echter een niet onomstreden begrip omdat er verschillende<br />

interpretaties aan worden gegeven. Om het concreet<br />

handen en voeten te geven wordt in dit hoofdstuk het begrip<br />

ruimtelijke kwaliteit gekwantificeerd aan de hand van een<br />

wetenschappelijke analyse van de begrippen ‘openheid’ en<br />

‘visuele beleving’. Deze worden in verband gebracht met de<br />

landschappelijke opbouw van Noord-Holland en de Noord-<br />

Hollandse landschappen.<br />

De volgende aspecten worden behandeld:<br />

1. Analyse van de landschappelijke vorm:<br />

• mate van openheid of schaaluitersten in het landschap:<br />

schaal van het landsdeel (§ 6.3);<br />

• karakteristieke openheid per landschapstype: schaal van<br />

de landschappelijke eenheid (§ 6.4);<br />

• typeren van de ruimtevorm: schaal van de visueel-ruimtelijke<br />

eenheid (§ 6.5);<br />

2. Analyse van de landschappelijke verschijningsvorm:<br />

• zichtbaarheid van de ruimte: schaal van de visueel-ruimtelijke<br />

eenheid (§ 6.6);<br />

• visuele verstedelijking: lokale en regionale schaal (§ 6.7);<br />

Deze analyse kan een handvat bieden voor de provinciale<br />

sturing op ruimtelijke kwaliteit.<br />

6.1 Ruimtelijke kwaliteit in Noord-Holland<br />

Wat is ruimtelijke kwaliteit? De algemene visie is dat ruimtelijke<br />

kwaliteit is opgebouwd uit de drie Vitruviaanse waarden:<br />

gebruikswaarde (Utilitas) , belevingswaarde (Venustas) en<br />

toekomstwaarde (Firmitas). Deze kunnen verder uitgewerkt<br />

worden met andere aspecten van ruimtelijke kwaliteit: economische<br />

doelmatigheid, sociale rechtvaardigheid, ecologische<br />

duurzaamheid en culturele identiteit (Hooijmeijer et al. 2000).<br />

De Provincie Noord-Holland hanteert de volgende definitie:<br />

kwaliteit = identiteit = landschap + cultuurhistorie. Dit houdt in<br />

dat landschap en cultuurhistorie in de visie van de provincie<br />

essentieel zijn voor de identiteit van gebieden en verdere<br />

ontwikkeling daarvan (De Vreeze, 2007). De studies ‘Identiteit<br />

Noord-Holland Noord’ (LA4Sale, 2003) en ‘Bouwen voor<br />

Waterland 2020’ (LA4Sale, 2004) zijn exemplarische voorbeelden<br />

van uitwerkingen van deze opvatting.<br />

Als beleidsinstrument voor het waarborgen van ruimtelijke<br />

kwaliteit bij nieuwe ontwikkelingen buiten de bebouwde kom<br />

is het opstellen van een beeldkwaliteitplan verplicht gesteld<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

als onderbouwing van bestemmingsplannen en artikel 19<br />

procedures. Deze beeldkwaliteitplannen zijn primair een<br />

planvorminginstrument: zij moeten ervoor zorgen dat bij<br />

beleidskeuzen die in bestemmingsplannen en projectplannen<br />

worden gemaakt, ruimtelijke kwaliteit voldoende gewicht<br />

krijgen. Het is een strategisch beeldkwaliteitplan op structuurniveau.<br />

Het ‘Beleidskader voor Landschap en Cultuurhistorie’<br />

(Bosch Slabbers, 2006) is vertrekpunt voor het opstellen van<br />

beeldkwaliteitplannen en toetsingskader voor binnenkomende<br />

beeldkwaliteitplannen. Benoeming en beschrijving van<br />

landschaptypen (of identiteiten) spelen een centrale rol in de<br />

definitie van ruimtelijke kwaliteit.<br />

6.2 Landschapstypen als basis<br />

Landschapstypen vormen de ruggengraat van het hiervoor<br />

beschreven beleid en toetsingskader voor ruimtelijke kwaliteit.<br />

Elk landschapstype heeft zijn eigen specifieke ruimtelijke<br />

vormkenmerken. Landschap is in die zin een geheel<br />

van totaaleigenschappen die niet te verklaren zijn uit de<br />

eigenschappen van de samenstellende delen. Op basis van<br />

die totaaleigenschappen kan onderscheid worden gemaakt<br />

tussen verschillende landschapstypen. Landschapstypen zijn<br />

dus in principe een vormanalyse van het landschap. Waarbij<br />

de vorm van het landschap is te beschouwen als de intermediair<br />

tussen de perceptie en de vorming van het landschap;<br />

zie afbeelding 1 (Wassink, 1999).<br />

Bij een landschapstypologie kan een landschap worden<br />

beschreven in termen van (Berendsen, 2000):<br />

1) een bepaald uiterlijk (fysiognomie): het visuele landschap;<br />

2) een bepaalde structuur en ontwikkeling: de ruimtelijke<br />

opeenvolging en de genetische successie (fysische geografie,<br />

historische geografie, bodemkunde, etc.);<br />

3) een interne samenhang tussen de landschapsfactoren<br />

(biologie, fysische geografie, milieukunde, etc.)<br />

De gehanteerde landschapstypering in het beleidskader<br />

(Bosch Slabbers, 2006) is een typering en beschrijving met<br />

het accent op structuur en ontwikkeling van het landschap.<br />

Gangbare maten om deze aspecten te kwantificeren zijn:<br />

mate van authenticiteit (gaafheid) en mate van natuurlijkheid<br />

(ecologische waarde). Het hanteert daarmee een historischgeografische<br />

en fysisch-geografische beschrijving van het<br />

landschap waar visuele aspecten impliciet worden meegenomen.<br />

De veronderstelling is dat het visuele landschap an sich<br />

gezien wordt als een moeilijk te objectiveren aspect (meten)<br />

en daarom niet of nauwelijks geëxpliciteerd wordt.<br />

105<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Afbeelding 6.1: Relatie tussen vorming, vorm en perceptie van het landschap.<br />

Afbeelding 6.2: Tendens naar de vorming van middenschalige ruimten.<br />

(bron: Piket et al., 1987)<br />

106 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

6.3 Landschapsfysiognomie is cruciaal<br />

Het visuele landschap zou een cruciale rol moeten spelen<br />

in het definiëren en toetsen van ruimtelijke kwaliteit. Visuele<br />

perceptie (gewaarwording en waarneming) vormt namelijk<br />

de basis voor waardering en beleving van landschappen. Uit<br />

onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat visueel-ruimtelijke kenmerken<br />

of beeldaspecten van het visuele landschap belangrijke<br />

basiskwaliteiten zijn van landschapsbeleving, waaronder<br />

(Coeterier, 2000):<br />

- Eenheid: het landschap als geheel, zijn eigenheid en<br />

duidelijkheid in karakter en begrenzing;<br />

- Ruimtelijkheid: het ruimtelijke patroon of de ruimtelijke<br />

organisatie, de ruimtelijke lay-out;<br />

- Uiterlijke verschijningsvorm: het geheel van zintuiglijke<br />

indrukken waar het ‘zien’.<br />

Het visuele of zichtbare landschap wordt gedefinieerd als: het<br />

totaalbeeld gevormd door de aan het aardoppervlak zichtbare<br />

verschijnselen. Andere termen die gehanteerd worden zijn:<br />

verschijningsvorm, fysiognomie, landschapsbeeld of visueelruimtelijke<br />

kenmerken van het landschap. Visueel-ruimtelijke<br />

kenmerken van het landschap kunnen met behulp van<br />

landschapsbeeldkartering of landschapfysiognomie in beeld<br />

worden gebracht en gekwantificeerd. Bij de landschapsbeeldkartering<br />

worden de visuele kenmerken van het studiegebied<br />

beschreven en op kaart voorgesteld. Het betreft een objectieve<br />

beschrijving van de perceptuele eigenschappen, meestal<br />

beperkt tot de visueel-ruimtelijke kenmerken (De Veer, 1977;<br />

De Veer et al., 1977).<br />

In het navolgende worden enkele handvatten geboden om<br />

grip te krijgen op het visuele landschap in termen van theorie,<br />

methode en techniek. In deze studie wordt een expertbenadering<br />

gehanteerd waarbij verschillende methoden van<br />

landschapsfysiognomisch onderzoek een rol spelen. Het<br />

meten van ruimte met behulp van Geografische Informatie-<br />

Sytemen (GIS) staat hierbij centraal. Daarbij wordt onderscheidt<br />

gemaakt in de analyse van de landschappelijke vorm<br />

en analyse van de landschappelijke verschijningsvorm. De<br />

verschijningsvorm is de wijze waarop de vorm van een landschap<br />

aan een beschouwer verschijnt. Hierbij spelen naast<br />

vorm ook andere visuele waarnemingscondities een rol zoals:<br />

waarnemingspositie (hoogte en afstand), kijkrichting en atmosferische<br />

omstandigheden. Deze aspecten bepalen welke<br />

vormen worden waargenomen.


De volgende aspecten worden behandeld:<br />

1. Analyse van de landschappelijke vorm:<br />

- mate van openheid of schaaluitersten in het landschap:<br />

schaal van het landsdeel (§ 6.4);<br />

- karakteristieke openheid per landschapstype: schaal van<br />

de landschappelijke eenheid (§ 6.5);<br />

- typeren van de ruimtevorm: schaal van de visueel-ruimtelijke<br />

eenheid (§ 6.6);<br />

2. Analyse van de landschappelijke verschijningsvorm:<br />

- zichtbaarheid van de ruimte: schaal van de visueel-ruimtelijke<br />

eenheid (§ 6.7);<br />

- visuele verstedelijking: lokale en regionale schaal (§ 6.8);<br />

6.4 Openheid als maat<br />

Het visuele landschap bestaat uit een veelheid van zichtbare<br />

verschijnselen die het landschapsbeeld vormen. Daardoor<br />

lijkt het haast onmogelijk in deze beelden ordening aan te<br />

brengen. Toch bestaat er een zekere karakteristieke ordening<br />

van landschapelementen die het mogelijk maakt landschapsbeelden<br />

systematisch te benoemen en te ordenen. Die ordening<br />

kan men onder een meer algemene noemer brengen,<br />

zoals openheid (Piket et al., 1987). Openheid kan worden<br />

opgevat als een afgeleide van de concrete, genoemde<br />

verschijnselen of landschapselementen. Elk gebied heeft zijn<br />

eigen karakteristieke verhouding van open en dicht en kan<br />

daarom worden gebruikt om landschapstypen te beschrijven<br />

in mate van openheid. Openheid is in die zin een synthese<br />

begrip. In landschapsfysiognomische zin is er sprake van<br />

ruimte of openheid wanneer abrupt oprijzende elementen<br />

zoals bomen, huizen, dijken, etc. (visuele grenzen) boven<br />

ooghoogte van waarnemer over een zeker oppervlak afwezig<br />

zijn. Dus, wanneer het landschap ‘leeg’ of ‘open’ is (De<br />

Veer, 1977). Een methode voor het meten van openheid is<br />

de rastermethode. Deze is toegepast op het landschap van<br />

Noord-Holland.<br />

Rastermethode (grid landscape surveys):<br />

Het doel is het visualiseren en kwantificeren van landschapsfysiognomische<br />

ruimte waarmee de mate van openheid<br />

en schaalkenmerken van landschapstypen in beeld wordt<br />

gebracht. Hiervoor wordt de rastermethode gebruikt. Hierbij<br />

worden in een ten opzichte van het landschap liggend raster<br />

van vierkanten metingen verricht waarmee de verhouding<br />

openheid – dichtheid met behulp van Geografische Informatie<br />

Systemen (GIS) wordt gekwantificeerd en gevisualiseerd. Zie<br />

Nijhuis (2009) voor verdere toelichting op de methode.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Het landschap van Noord-Holland wordt gekenmerkt door<br />

schaaluitersten; van grootschalige open gebieden in de Wieringermeer<br />

en Schermer tot kleinschalige gesloten gebieden<br />

met veel groene opgaande elementen zoals het Gooi en<br />

gebieden met een stedelijk karakter. Zie afbeeldingen 6.3,<br />

6.4, 6.5 en 6.6. Uit onderzoek naar schaalkenmerken van het<br />

zichtbare landschap blijkt dat de diversiteit van ruimteklassen<br />

afneemt (afbeelding 6.2). Er is een algemene tendens naar<br />

de vorming van middenschalige ruimtes zichtbaar. Dus vooral<br />

de kenmerkende zeer open ruimten staan onder druk voor<br />

verdergaande verdichting. Deze ontwikkeling heeft tot gevolg<br />

dat kenmerkende schaalverschillen steeds minder bijdragen<br />

tot de identiteit van verschillende landschapstypen.<br />

CONCLUSIE 1: GROOTSTE OPEN RUIMTEN VEILIG-<br />

STELLEN<br />

De mate van openheid kan op de schaal van de provincie objectief<br />

worden geanalyseerd en gevisualiseerd met de rastermethode.<br />

Hiermee kunnen de kenmerkende schaaluitersten<br />

van het landschap in beeld gebracht worden. De algemene<br />

tendens naar de vorming van middenschalige ruimten heeft<br />

een nivellerende werking op kenmerkende schaalverschillen<br />

die bijdragen tot de identiteit van verschillende gebieden met<br />

een open karakter. Dus vooral gebieden met een open en<br />

zeer open karakter behoeven extra bescherming voor verdergaande<br />

visuele verdichting.<br />

Aanbeveling: de grootste open ruimten beleidsmatig beschermen<br />

voor verdere visuele verdichting. Uit de analyse is<br />

goed te herleiden om welke gebieden het gaat, maar verdere<br />

precisering is noodzakelijk om tot aanwijzing van de meest<br />

waardevolle, karakteristieke (zeer) open grootschalige gebieden<br />

over te gaan.<br />

107<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Afbeelding 6.3: Schaaluitersten in het landschap (openheid).<br />

108 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Afbeelding 6.4: Karakter opgaande elementen.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

109<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Afbeelding 6.5: Selectie van op en zeer open gebieden (excl. grote open wateren).<br />

110 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Afbeelding 6.6: Selectie van de fysiognomisch ruimte met een oppervlakte > 100 ha.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

111<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Afbeelding 6.7: Historisch-geogragische landschapstypen van Noord-Holland.<br />

Afbeelding 6.8: Schaalkenmerken per landschapstype.<br />

(Bron: <strong>TU</strong> <strong>Delft</strong> 19.09.2008)<br />

112 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

6.5 Karakteristieke openheid per landschapstytpe<br />

Omdat openheid kan worden opgevat als een afgeleide van<br />

de concrete, genoemde verschijnselen of landschapselementen<br />

wordt nu ingegaan op de karakteristieke verhouding van<br />

open en dicht per landschapstype. Deze directe koppeling<br />

met de landschapstypen maakt een kwalitatieve invulling van<br />

het begrip openheid mogelijk op de schaal van landschappelijke<br />

eenheden. De landschappelijke vorm wordt daarmee<br />

niet alleen beschreven in termen van ruimtelijke structuur of<br />

ontwikkeling maar ook in termen van landschapsfysiognomie.<br />

De indeling in landschapstypen uit het ‘Beleidskader voor<br />

Landschap en Cultuurhistorie’ (Bosch Slabbers, 2006) is<br />

hierbij de leidraad (afbeelding 6.7).<br />

Een kwantitatieve typering van openheid per landschapstype<br />

is te zien in afbeelding 6.8 waarbij opvalt dat het Aandijkingenlandschap<br />

als meest open getypeerd kan worden en<br />

het Stuwwallenlandschap het meest gesloten. Ook andere<br />

landschapstypen kennen een grote mate van openheid, zoals<br />

bijv. het Veenpolderlandschap, Droogmakerijenlandschap,<br />

Keileemlandschap en het Jonge duinlandschap. In het onderstaande<br />

overzicht wordt een poging gedaan een karakterschets<br />

per landschapstype te geven in termen van openheid.<br />

Strandwallen en –vlaktenlandschap<br />

Duinlandschappen. Gesloten tot open landschap, duinen en<br />

natuurlijke begroeiing en bollenteelt. Kustduinen, strand en<br />

kalklloos en kalkrijk duinzand.<br />

Mate van openheid: van uiterst open tot uiterst gesloten<br />

Bebouwingskarakteristiek: geconcentreerd<br />

Jong Duinlandschap<br />

Duinlandschappen. Gesloten tot open landschap, strand en<br />

duinen met natuurlijke begroeiing.<br />

Voormalige strandvlakten en strandwal, vervlakte duinen en<br />

kalkrijk duinzand.<br />

Mate van openheid: matig open tot zeer open<br />

Keileemlandschap<br />

Landschappen van de lage zandopduikingen (Wieringen,<br />

Texel). Open en vlak landschap. Stuwwal met keileem.<br />

Mate van openheid: matig open tot open (half-open)<br />

Bebouwingskarakteristiek: geconcentreerd; o.a. kop-halsromp<br />

Aandijkingenlandschap<br />

Grootschalige zeekleipolders en jonge droogmakerijen (Zijpe,<br />

Wieringermeerpolder). Open en vlak, bouwland. Getij-afzet-


tingsvlakte, kalkarme zandgrond, lichte en zware oude klei en<br />

terpen.<br />

Mate van openheid: zeer open<br />

Bebouwingskarakteristiek: verspreid; stolp/modern<br />

Oude Zeekleilandschap<br />

Kleinschalige zeekleipolders. Half-open landschap,<br />

overwegend vlak met tuinbouw, gras- en bouwland.<br />

Kreekruggen(West-Friesland), ontgonnen veenvlakte, oude<br />

en jonge zeeklei en terpen.<br />

Mate van openheid: matig open tot open (half-open)<br />

Bebouwingskarakteristiek: lineair (oostelijk deel), gevarieerd<br />

(westelijk deel); stolp<br />

Droogmakerijenlandschap<br />

Landschappen van de oude droogmakerijen (Beemster,<br />

Purmer, Schermer, Haarlemmermeer, etc.). Open en vlak<br />

landschap, grasland en water. Getijafzettingsvlakten, oude<br />

zeeklei en ontgonnen veenvlakten.<br />

Mate van openheid: open tot zeer open<br />

Bebouwingskarakteristiek: gevarieerd; stolp/modern<br />

Stuwwallenlandschap<br />

Zandlandschappen (het Gooi). Gesloten en heuvelachtig<br />

landschap, bos; plaatselijk open door heide, stuifzand of<br />

uitzicht. Stuwwal, spoelzandwaaier, kalkrijke zanden en jonge<br />

zeeklei.<br />

Mate van openheid: gesloten tot zeer gesloten<br />

Bebouwingskarakteristiek: gevarieerd<br />

Veenrivierenlandschap<br />

Rivierlandschappen (Utrechtse Vecht, Ronde Hoep, Bloemendalerpolder,<br />

etc.). Open en vlak landschap, grasland.<br />

Rivieroeverwallen, riviereninversierug, ontgonnen veenvlakte<br />

en bosveen.<br />

Mate van openheid: matig open tot zeer open<br />

Bebouwingskarakteristiek: lineair; hallehuis<br />

Veenpolderlandschap<br />

Veenweidelandschappen (Noord-Hollands veenweidegebied<br />

en Noord-Hollands Plassengebied). Open en vlak landschap,<br />

grasland, water en natuurlijke begroeiing. Veenrestanten,<br />

deels getij afzettingsvlakte en kraggeland.<br />

Mate van openheid: zeer open (plassengebied: gevarieerd)<br />

Bebouwingskarakteristiek: lineair; stolp/gevarieerd<br />

Hoewel het in grote lijnen wel mogelijk is landschapstypen<br />

te karakteriseren naar openheid, maken de verschillen in<br />

(verschijnings)vorm van de ruimte binnen de gekozen landschapstypering<br />

het moeilijk openheid sec als een kwalitatieve<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

maat te gebruiken. Vooral op een lager schaalniveau of ordeningsniveau<br />

is dit een probleem. Een laag ordeningsniveau<br />

biedt betere mogelijkheden om de driedimensionale aspecten<br />

van ruimte te analyseren en te beschrijven (Wassink, 1999).<br />

Zoals gezegd is openheid op te vatten als een afgeleide van<br />

de landschapselementen. Daarbij is het speciaal van belang<br />

of deze landschapselementen ruimtebegrenzend zijn of niet.<br />

Tot de ruimtebegrenzende elementen worden gerekend alle<br />

lijn- en vlakvormige landschapselementen die boven ooghoogte<br />

reiken. Dit zijn dus onder andere bossen, houtwallen,<br />

bebouwingslinten, dorpen, steden en dijken. Ook het<br />

(natuurlijke) reliëf speelt in deze ruimtevorming mee, namelijk<br />

door het creëren van uitzichten op relatief hoge punten in het<br />

landschap. Ligging en dichtheid van de ruimtebegrenzende<br />

elementen bepalen de openheid van het Noord-Hollandse<br />

landschap. Daarom moet fysiognomische ruimte (openheid)<br />

op een lager ordeningsniveau ook beschreven worden in<br />

termen van compositie van de ruimtevormende elementen en<br />

de ruimtevorm. Typering van de visueel-ruimtelijke eenheden<br />

naar ruimtevorm binnen de verschillende landschappen is<br />

hierbij de sleutel.<br />

CONCLUSIE 2: KENMERKENDE OPENHEID LAND-<br />

SCHAPSTYPEN WAARBORGEN<br />

Kenmerkende verschillen in mate van openheid dragen<br />

bij tot de identiteit van de verschillende landschapstypen<br />

van Noord-Holland. Er zijn relatief veel landschappen met<br />

een open karakter en deze karakteristieke openheid moet<br />

gewaarborgd worden. Deze openheid kan zowel kwantitatief<br />

als kwalitatief worden beschreven. De verschijningsvorm<br />

van de open ruimte kent echter grote verschillen binnen de<br />

landschapstypen. Op een lager ordeningsniveau is typering<br />

van de ruimtevorm (openheid) binnen de landschapstypen<br />

een mogelijke kwalitatieve uitwerking om de kenmerkende<br />

openheid preciezer te analyseren en te beschrijven.<br />

Aanbeveling: waar openheid kenmerkend is voor het landschapstype,<br />

deze waarborgen door kwantitatieve en kwalitatieve<br />

eisen te stellen aan verdichting. Verdere studie naar<br />

de relatie tussen de mate van openheid en de (verschijnings)<br />

vorm van de ruimte is noodzakelijk: het typeren van de ruimtevorm<br />

is daarbij een uitgangspunt.<br />

113<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Afbeelding 6.9: Vijf ruimtetypen.<br />

(bron: Wassink 1999)<br />

Afbeelding 6.10: Alzijdig begrensde ruimten in de Beemster.<br />

Afbeelding 6.11: Tweezijdig begrensde ruimte in de Wijde Wormer. Afbeelding 6.12: Gedeelde ruimte rondom Schermerhorn.<br />

Afbeelding 6.13: Continue ruimte ten westen van Alkmaar. Afbeelding 6.14: Geen ruimte, maar massa in de bossen van het Gooi.<br />

114 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


6.6 Typeren van de ruimtevorm<br />

De vorm van het landschap kan ook worden geanalyseerd<br />

op basis van de ruimtes zoals die worden gevormd door de<br />

landschapselementen. Aspecten die hierbij een rol spelen<br />

zijn o.a. de vorm en maat van de ruimte en de begrenzing<br />

van de ruimte. Het beschrijven en typeren van de ruimte<br />

vinden op een laag schaalniveau of ordeningsniveau plaats.<br />

Een laag ordeningsniveau biedt betere mogelijkheden om de<br />

driedimensionale aspecten van ruimte te analyseren en te<br />

beschrijven. Indien de ruimte op een hoger ordeningsniveau<br />

wordt geanalyseerd, zoals in de voorgaande paragraaf is,<br />

heeft dit meestal betrekking op de patroonmatige aspecten<br />

van de ruimte.<br />

Voor het typeren van de ruimte zijn verschillende indelingen<br />

mogelijk. Hier wordt mutatis mutandis de indeling en wordt<br />

de beschrijving van Wassink (1999) gevolgd. Hij komt tot 5<br />

ruimtetypen, zie afbeelding 6.9:<br />

- alzijdig begrensde ruimten;<br />

- tweezijdig begrensde ruimten;<br />

- gedeelde ruimten;<br />

- continue ruimten;<br />

- geen ruimte, massa;<br />

Alzijdig begrensde ruimten zijn aan alle zijden begrensd.<br />

Hierdoor zijn alzijdig begrensde ruimten naar binnen gekeerd<br />

en zetten ze aan tot rust. De essentie van alzijdig begrensde<br />

ruimten is dat er sprake is van een `binnen’ en een ‘buiten’<br />

en dat de grens tussen binnen en buiten eenduidig vast ligt.<br />

Alzijdig begrensde ruimten komen worden ook wel ‘Static<br />

Spaces’ of ‘Space contained’ genoemd. Een voorbeeld<br />

hiervan is de Beemster in het Droogmakerijenlandschap (zie<br />

afbeelding 6.10).<br />

Tweezijdig begrensde ruimten hebben als kenmerk dat ze<br />

langgerekt zijn en dat het begin en eind van de ruimten veelal<br />

niet vanaf een positie is te overzien. Hierdoor zetten tweezijdig<br />

begrensde ruimten aan tot beweging en zijn derhalve<br />

naar buiten gekeerd. Bij tweezijdig begrensde ruimten ligt de<br />

grens tussen binnen en buiten wel vast in de breedterichting,<br />

maar niet in de lengterichting. Tweezijdig begrensde ruimten<br />

worden ook wel ‘dynamic spaces’ genoemd. Een voorbeeld<br />

hiervan is de Wijde Wormer in het Droogmakerijenlandschap<br />

(zie afbeelding 6.11).<br />

Gedeelde ruimten hebben als kenmerk dat de ruimte in<br />

twee delen wordt opgesplitst. Hierdoor is er geen sprake van<br />

een binnen en een buiten, maar in feite ontstaat aan beide<br />

zijden van de ruimtevormende elementen een ruimte die aan<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

een zijde wordt begrensd. Gedeelde ruimten worden ook wel<br />

‘space devided’ genoemd, of ‘einseitig gefaßter Raum’. Een<br />

voorbeeld hiervan is het landschap rondom Schermerhorn in<br />

het Veenpolderlandschap (zie afbeelding 6.12).<br />

Het kenmerk van continue ruimten is dat de ruimtevormende<br />

elementen de ruimte niet begrenzen. De aanwezige<br />

landschapselementen liggen als losse elementen in een<br />

continue ruimte. Continue ruimten worden ook wel ‘vagues’<br />

of ‘diffuser Raum’. Rondom de afzonderlijke volumes kunnen<br />

wel gepolariseerde ruimten ontstaan die ‘space attracted’<br />

worden genoemd. Een voorbeeld hiervan is het gebied ten<br />

westen van Alkmaar in Strandwallen en –vlaktenlandschap<br />

(zie afbeelding 6.13).<br />

Tenslotte zijn er situaties te onderscheiden waarbij sprake<br />

is van geen ruimte, maar massa. Dergelijke situaties komen<br />

bijvoorbeeld voor als het landschap bedekt is met bos. Uiteraard<br />

is dit afhankelijk van het ordeningsniveau waarop het<br />

landschap wordt beschouwd. Wordt namelijk in detail naar<br />

een bosgebied gekeken dan blijkt dat er paden door het bos<br />

lopen en dat er open ruimtes in het bos voorkomen. Voorbeelden<br />

hiervan zijn te vinden in de bossen van het Gooi; het<br />

Stuwwallenlandschap (zie afbeelding 6.14).<br />

Het typeren van de ruimtevorm is een goed hulpmiddel om<br />

de visueel-ruimtelijke karakteristieken binnen de landschapstypen<br />

nader te duiden en deze instrumenteel te maken voor<br />

verdere ruimtelijke ontwikkelingen.<br />

CONCLUSIE 3: TYPEREN VAN DE RUIMTEVORM ALS<br />

KWALITEITSWAARBORG<br />

Op een laag ordeningsniveau is een nadere typering van de<br />

ruimtevorm binnen de landschapstypen een goede mogelijkheid<br />

om openheid kwalitatief te beschrijven en preciezer te<br />

duiden. Het karakter van de open ruimte wordt dan beschreven<br />

in termen van de vorm, maat en begrenzing van<br />

de ruimte. Deze ruimtetypen kunnen gebruikt worden als<br />

uitgangspunt voor verdergaande ruimtelijke ontwikkelingen.<br />

Zo kan bij het bouwen van woningen, natuurontwikkeling, etc.<br />

(‘verdichting’) de kenmerkende visueel-ruimtelijke opbouw<br />

van het landschap gewaarborgd worden.<br />

Aanbeveling: nader uitwerken typering van de ruimtevorm<br />

per landschapstype als kwalitatieve uitwerking van het begrip<br />

openheid of fysiognomische ruimte. Deze typering kan een<br />

belangrijk uitgangspunt zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en<br />

daarmee een integraal onderdeel zijn van het toetsingskader<br />

van het beeldkwaliteitplan.<br />

115<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Afbeelding 6.15: Van topografie naar (visuele)barriere-model naar viewshed.<br />

Afbeelding 6.16: Viewshed met fotografisch panorama.<br />

116 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


6.7 Verschijningsvorm van de ruimte<br />

De verschijningsvorm is de wijze waarop de vorm van een<br />

landschap aan een beschouwer verschijnt. De visuele ruimte<br />

is dus anders dan de fysieke ruimte. Niet alleen de driedimensionale<br />

aspecten van de ruimtevorm spelen hierbij een<br />

rol. Ook visuele waarnemingscondities zoals: waarnemingspositie<br />

(hoogte en afstand), kijkrichting en atmosferische<br />

omstandigheden zijn cruciaal. Deze aspecten bepalen welke<br />

vormen daadwerkelijk worden waargenomen.<br />

Bij methoden die betrekking hebben op het analyseren van<br />

de verschijningsvorm van het landschap speelt de positie<br />

van de waarnemer een belangrijke rol. De verschijningsvorm<br />

van de ruimte kan op verschillende manieren plaatsvinden,<br />

Dijkstra (1991) onderscheid drie manieren:<br />

- Analyse vanaf waarnemingspunten;<br />

- Analyse vanaf routes;<br />

- Analyse van gebieden;<br />

Een belangrijke methode waarmee de verschijningsvorm van<br />

de ruimte in de huidige situatie of een toekomstige situatie<br />

kan worden geanalyseerd is de zichtveldmethode.<br />

Zichtveldmethode (viewsheds):<br />

Het doel is de verschijningsvorm en zichtbaarheid van de<br />

landschapsfysiognomische ruimte te analyseren en in beeld<br />

te brengen. Hiervoor wordt Geografische Informatie Systemen<br />

(GIS) gebruikt waarbij het zichtveld van een waarnemer<br />

vanaf verschillende standpunten kan worden geanalyseerd.<br />

De analyse van het visuele landschap vanaf waarnemingspunten<br />

kan betrekking hebben op de gehele 360 graden van<br />

de kijkcirkel of op een deel daarvan. Er wordt dus berekend<br />

welk deel van de kijkcirkel zichtbaar is. Het gedeelte dat in<br />

een blik wordt overzien, wordt isovist of viewshed genoemd.<br />

Zie afbeelding 15 en 16. Kijkhoek, kijkafstand en ooghoogte<br />

kunnen daarbij worden ingesteld. De volgende uitgangspunten<br />

zijn daarbij belangrijk: kijkhoogte 1.60 meter boven maaiveld.<br />

Als kijkhoek wordt 360 graden aangehouden, vanuit elk<br />

punt is in de rondte gekeken. Als kijkafstand is 4800 meter<br />

(maximale zichtbaarheid bij ooghoogte 1.60 meter) aangehouden<br />

waarbij opgemerkt moet worden dat 1200 meter<br />

de stereografische kijkgrens is, wat inhoud dat de mens tot<br />

1200 diepte kan waarnemen, daarna vloeit alles samen. Zie<br />

Nijhuis (2009) voor verdere toelichting op de methode.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

117<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Afbeelding 6.17: Zichtbaarheidsanalyse vanaf een route door een lintdorp.<br />

118 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Door gebruik van de zichtveldmethode kan de verschijningsvorm<br />

van het landschap objectief in beeld gebracht worden;<br />

vanuit het perspectief van de beschouwer. Het accent ligt op<br />

het ‘meetbare’ deel van de visuele perceptie waarbij algemene<br />

opvattingen over subjectieve waardering een belangrijke<br />

rol spelen.<br />

Door toepassing van deze methode krijgt men inzicht in<br />

het verschil tussen de fysieke vorm en de waargenomen<br />

vorm. Een voorbeeld is de verschijningsvorm van de landschappelijk<br />

ruimte ten noorden of zuiden van het lintdorp<br />

Berkhout-Westeinde (zie afbeelding 6.17). Qua ruimtevorm<br />

zou dit gebied getypeerd kunnen worden als een tweezijdig<br />

begrensde ruimte. Wat impliceert dat het begin en het eind<br />

van de ruimte niet vanaf een positie kan worden overzien.<br />

De simulatie toont aan dat vanuit de dorpsweg (waarneming<br />

vanaf een route) de ruimte niet in een oogopslag kan worden<br />

gezien en dat de maximale zichtbaarheid van de visuele<br />

openheid verderop in het landschap plaatsvindt. De bebouwing<br />

benadrukt dit zelf nog eens omdat het werkt als een<br />

coulisse. In de nabijheid van het bebouwingslint gebieden zijn<br />

delen ‘niet zichtbaar’ en spelen dus nauwelijks een rol in het<br />

ervaren van openheid.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

119<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Afbeelding 6.18: Relatieve zichtbaarheid in de Schermer (vlakdekkend).<br />

120 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Bij een vlakdekkende analyse van de Schermer blijken er ook<br />

grote verschillen te zijn in de zichtbaarheid van de visuele<br />

ruimte, zie afbeelding 6.18 en 6.19.<br />

Deze en andere eigenschappen van de visuele ruimte kunnen<br />

benut worden bij toekomstige ontwikkelingen, zonder<br />

daarbij de kenmerkende verschijningsvorm van de open<br />

ruimte te veronachtzamen. Vanuit dit perspectief kan de<br />

visuele impact van nieuwe ingrepen op de verschijningsvorm<br />

van de ruimte gesimuleerd worden. Ook kunnen op basis<br />

hiervan visueel-ruimtelijke ordeningsprincipes of ontwerpprincipes<br />

ontwikkeld worden die als leidraad kunnen dienen bij<br />

woningbouw, natuurontwikkeling, etc.<br />

CONCLUSIE 4: VERSCHIJNINGSVORM VAN DE RUIMTE<br />

ALS ONTWERPMIDDEL<br />

De verschijningsvorm van de fysiognomische ruimte aan<br />

de beschouwer van het landschap kan worden gesimuleerd<br />

met de zichtveldmethode. Dit is belangrijk omdat de fysieke<br />

ruimte anders is dan de visuele ruimte. De positie van de<br />

beschouwer is belangrijk en het zichtveld kan worden geanalyseerd<br />

vanaf specifieke punten, routes en gebieden. Op<br />

een laag ordeningsniveau is het daarmee mogelijk de wijze<br />

waarop de vorm van het landschap aan de beschouwer verschijnt<br />

te analyseren en te beschrijven. Ook kunnen toekomstige<br />

(ontwerp)ingrepen worden doorgerekend op hun visuele<br />

impact (visual impact assessment).<br />

Aanbeveling: verder onderzoek is noodzakelijk naar de<br />

relatie tussen verschijningsvorm van de ruimte en de ruimtevorm.<br />

Dit resulteert in visueel-ruimtelijke ordeningsprincipes<br />

die sturing kunnen geven aan toekomstige ontwikkelingen<br />

zoals bijvoorbeeld woningbouw en natuurontwikkeling. Verder<br />

zou ‘visual impact assessment’ deel moeten uitmaken van<br />

toekomstige planvorming als integraal onderdeel van het<br />

beeldkwaliteitsplan.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Afbeelding 6.19: Zichtbaarheidsanalyse vanaf een willekeurig standpunt.<br />

121<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Afbeelding 6.20: Visuele impact zendmast Hilversum.<br />

122 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


6.8 Visuele verstedelijking<br />

De term visuele verstedelijking wordt gebruikt voor het<br />

verschijnsel dat in niet-stedelijke gebieden de stad wel<br />

zichtbaar is. Strikt genomen gaat het om het proces waarbij<br />

deze zichtbaarheid ontstaat, maar veelal wordt ook het<br />

resultaat van dit proces met de term aangeduid (De Veer,<br />

1978). Visueel verstedelijkte gebieden zijn in het algemeen<br />

open van karakter en in de buurt van de stad of in metropolitane<br />

gebieden gelegen. Het kunnen zowel agrarische<br />

gebieden, open water of heide zijn. Er is in toenemende mate<br />

sprake van visuele verstedelijking. Oorzaken hiervoor zijn de<br />

toenemende fysieke verstedelijking (opdringen, d.w.z. langer<br />

worden van de stadsrand) en vooral de veranderingen in de<br />

opbouw van de stad en de stadsrand. Hoogbouw, industrie<br />

en zendmasten zijn hiervan een belangrijke voorbeelden (zie<br />

afbeelding 6.20).<br />

De visuele verstedelijking van het landschap wordt meestal<br />

als ongewenst beschouwd. Resultaten uit omgevingspsychologisch<br />

onderzoek benadrukken de weerstand tegen het<br />

‘zien van de stad in het landschap’. Andere studies tonen aan<br />

dat stadsranden en hoogbouw een rol een kunnen spelen<br />

in de identiteit van gebieden (bijv. metropolitane parken),<br />

of als landmark kunnen functioneren. Denk maar aan de<br />

alom gewaardeerde dorpsgezichten van de lintdorpen die<br />

een integraal onderdeel zijn van het Veenweidelandschap,<br />

of historische stadsgezichten. Mits goed gepositioneerd en<br />

ontworpen kunnen ze dus ook een positieve bijdrage leveren<br />

aan het landschap in termen van identiteit en oriëntatie in tijd<br />

en ruimte. Daar waar visuele verstedelijking afbreuk doet aan<br />

de waardering van het landschap kan gedacht worden aan<br />

verschillende vormen van afscherming met bijv. beplanting,<br />

maar ook hier moet aan ontworpen worden.<br />

Er zijn verschillende methoden voorhanden om de visuele<br />

verstedelijking of visuele invloedssfeer van de stad te<br />

analyseren. Hier wordt ook de zichtveldmethode gehanteerd<br />

(zie voorgaande paragraaf). Criteria daarbij zijn aard, lengte,<br />

hoogte en ligging van gebouwen, de ruimtelijke schaal van<br />

het omringende landschap, het reliëf en de maximale afstand<br />

(drempel) tot waar de gebouwen als duidelijk zichtbaar worden<br />

ervaren.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

123<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Afbeelding 6.21: Visuele impact van hoogbouw in Noord-Holland.<br />

124 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


Hoogbouw in Noord-Holland<br />

Door het open karakter van de landschappen in Noord-Holland,<br />

heeft hoogbouw een grote visuele impact. Hoe hoger de<br />

hoogbouw, hoe groter de impact. Dat betekent niet dat hoogbouw<br />

onwenselijk of onmogelijk is. Hoogbouw kan bepaalde<br />

plekken markeren, en aldus dienen als landmark net zoals<br />

markante kerktorens, schoorstenen e.d. Hoogbouw kan in<br />

het landschap een belangrijke rol vervullen als oriëntatiepunt<br />

in tijd en ruimte. Het kan ook de identiteit van een landschap<br />

versterken. Vooral aan de randen van de zogenaamde Metropolitane<br />

Parken kunnen ze het karakter van deze gebieden<br />

versterken; ze functioneren als regionale landschapsparken<br />

met een accent op het recreatief gebruik. Voorbeelden<br />

van gebieden waar dit een rol speelt zijn de Amstelscheg<br />

met het Arena-gebied, de Omval en de Zuidas. Maar ook<br />

delen van Waterland, het zuidelijk deel van Laag Holland<br />

etc. Ook aan de kust kan hoogbouw dienen als landmark,<br />

zoals in Zandvoort. Voor een analyse van de visuele impact<br />

van de bestaande hoogbouw in Noord-Holland, zie afbeelding<br />

6.21. Voor de posities en hoogte van de hoogbouw is<br />

gebruik gemaakt van de studie ‘Hoogbouw in Noord-Holland’<br />

(Zandbelt&vandenberg, 2008).<br />

Hoogbouw kan een positieve bijdrage leveren aan het karakter<br />

van het landschap als er is nagedacht over de positionering<br />

en de robuustheid van de hoogbouw. Want hoogbouw is<br />

niet overal een toevoeging aan het landschap. Vooral in gebieden<br />

waar geen sprake is van een metropolitaan karakter<br />

zoals in de kop van Noord-Holland en in het gebied van de<br />

Schermer, Beemster en Zeevang zal hoogbouw afbreuk doen<br />

aan de waardering van deze karakteristieke landschappen.<br />

Zie ook de analyse van de visuele impact van de geplande<br />

hoogbouw (afbeelding 6.22) op basis waarvan men zich kan<br />

afvragen in hoeverre de geplande hoogbouw het karakter<br />

van het omringende landschap versterkt of daar juist afbreuk<br />

aan doet.<br />

Voor een visie op hoogbouw in Noord-Holland<br />

wordt verwezen naar ‘Hoogbouw in Noord-Holland’<br />

(Zandbelt&vandenberg, 2008). Zij doen een aantal aanbevelingen,<br />

waaronder:<br />

- aan de randen van de zogenaamde Metropolitane Parken<br />

is hoogbouw een middel om de ervaring van die parken te<br />

versterken;<br />

- behoud de openheid van beschermde landschappen en<br />

bouw aan de randen van die gebieden niet hoger dan de<br />

boomgrens.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

125<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Afbeelding 6.22: Visuele impact van bestaande en geplande hoogbouw in Noord-Holland.<br />

126 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


CONCLUSIE 5: HOOGBOUW ALS KANS EN BEDREI-<br />

GING VOOR HET VISUELE LANDSCHAP<br />

Visuele verstedelijking van het landschap kan positief en<br />

negatief ervaren worden. Mits goed gepositioneerd en<br />

ontworpen kunnen stadsranden en hoogbouw bijdragen<br />

aan de identiteit van het landschap en oriëntatie in tijd en<br />

ruimte. Verrommeling van stadsranden is een belangrijk<br />

thema wat extra aandacht behoeft. Hoogbouw is een actueel<br />

onderwerp waar studie naar wordt verricht. Belangrijk daarbij<br />

is dat eventuele voorstellen voor hoogbouw ook geanalyseerd<br />

worden op hun visuele impact door wetenschappelijk<br />

verantwoorde simulatie. De zichtveldmethode kan hierin een<br />

belangrijke rol spelen.<br />

Aanbeveling: beschermen van kwetsbare open landschappen<br />

tegen visuele verstedelijking (hoogbouw en stadsranden).<br />

Een nadere wetenschappelijke onderbouwing op hoe<br />

en waar, binnen de metropolitane gebieden, hoogbouw<br />

functioneel kan zijn in versterking van het karakter van het<br />

gebied en oriëntatie in tijd en ruimte. Dit is te beschouwen als<br />

een nadere precisering en onderbouwing van de voorhanden<br />

zijnde visie. Verder is ‘visual impact assessment’ van geplande<br />

hoogbouw en woningbouw noodzakelijk om de gewenste<br />

en ongewenste visuele effecten in beeld brengen. Dit zou<br />

integraal onderdeel moeten uitmaken van het toetsingskader<br />

voor ruimtelijke kwaliteit.<br />

Bronnen<br />

Bosch Slabbers. 2006. Beleidskader voor Landschap en<br />

Cultuurhistorie. Haarlem, Provincie Noord-Holland<br />

Coeterier, J.F. 2000. Hoe beleven wij onze omgeving? Resultaten<br />

van 25 jaar omgevingspsychologisch onderzoek in stad<br />

en landschap. Wijchen, Peter Tychon.<br />

Dijkstra, H. 1991. Het visuele landschap. Onderzoek naar de<br />

visuele kwaliteit van landschappen. Landschap 8 (3); 157-<br />

175<br />

Dijkstra, H. & J. van Lith-Kranendonk. 2000. Schaalkenmerken<br />

van het landschap in Nederland. Monitoring Kwaliteit<br />

Groene Ruimte (MKGR). Wageningen, Alterra (rapport nr. 40)<br />

Hooimeijer, P., H. Kroon & J. Luttik. 2001. Kwaliteit in meervoud.<br />

Conceptualisering en operationalisering van ruimtelijke<br />

kwaliteit voor meervoudig ruimtegebruik. Gouda, Habiforum.<br />

LA4Sale. 2003. Identiteit Noord-Holland Noord. Haarlem,<br />

Provincie Noord-Holland<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

LA4Sale. 2004. Bouwen voor Waterland 2020. Haarlem,<br />

Provincie Noord-Holland<br />

Nijhuis, S. 2009. Fysiognomie van het landschap. Landschapsbeeldkartering<br />

met Geografische InformatieSytemen<br />

(GIS). <strong>TU</strong> <strong>Delft</strong> (in voorbereiding)<br />

Nijhuis, S. 2009. Mapping architectonic structures with GIS.<br />

Rotterdam, 010 publishers. (forthcoming)<br />

Palmer, J.F. & J. Roos-Klein Lankhorst. 1998. Evaluating visible<br />

spatial diversity in the landscape. Landscape and Urban<br />

Planning 43; 65-78<br />

Piket, J.C., J.T.R. Kalkhoven, A.A. de Veer & W. Vos. 1987.<br />

Landschap. Onder redactie van Stichting wetenschappelijke<br />

atlas van Nederland. deel 16, Atlas van Nederland in 20<br />

delen. ’s-Gravehage, Staatsuitgeverij.<br />

Veer, A.A. de & P.A. Burrough. 1978. Physiognomic landscape<br />

mapping in the Netherlands. Landscape Planning 5;<br />

45-62<br />

Veer, A.A. de, A. Buitenhuis & H. van der Loo. 1977. Vergelijking<br />

van Nederlandse methoden van landschapsbeeldkartering<br />

en hun toepassingsmogelijkheden. Wageningen, Pudoc<br />

Veer, A.A. de. 1977. De ruimtelijke classificatie van het<br />

Nederlandse landschap. KNAG Geografisch Tijdschrift (XI) 2;<br />

98-109<br />

Veer, A.A. de. 1978. Visuele verstedelijking. KNAG Geografisch<br />

Tijdschrift (XII) 3; 281-282<br />

Vreeze, N. de. (red.) 2007. LandschapNH. Over de regie van<br />

functieveranderingen en bouwactiviteiten in het landelijk gebied<br />

van Noord-Holland. Alkmaar, WZNH adviescommissies<br />

voor ruimtelijke kwaliteit.<br />

Wassink. W. Th. 1999. Beekdallandschappen. Een morfologisch<br />

onderzoek in de zandgebieden van Nederland. Wageningen,<br />

Landbouwuniversiteit (dissertatie)<br />

Zandbelt&vandenberg. 2008. Hoogbouw in Noord-Holland.<br />

Collegebrede verkenning als input voor de structuurvisie.<br />

Haarlem, Provincie Noord-Holland<br />

127<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


128 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3


RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR<br />

7 Ruimtelijke hoofdstructuur<br />

De provinciale ruimtelijke hoofdstructuur bestaat uit netwerken<br />

en gebieden, die voor het ruimtelijke beeld en het functioneren<br />

van Noord-Holland van grote betekenis zijn. Zij vormen<br />

een samenhangend geheel en bepalen de visuele beleving<br />

en daarmee de identiteit van Noord-Holland. De droogmakerijen<br />

zijn bijvoorbeeld een belangrijke verschijning in de<br />

provincie die bijdraagt aan de Noord-Hollandse identiteit.<br />

Deze ruimtelijke hoofdstructuur bevat alleen grootschalige<br />

elementen van provinciaal en regionaal niveau.<br />

Toelichting kaart<br />

De ruimtelijke hoofdstructuur kan uiteen gelegd worden<br />

volgens de drie-lagenbenadering. De eerste laag bevat de<br />

natuurlijke ondergrond, hierin staan onderwerpen als bodem,<br />

water en landschap centraal. In Noord-Holland zijn het palet<br />

aan landschappen, de waterstructuur met het Noordzeekanaal,<br />

het Noord-Hollands kanaal, de Noordzee en het<br />

IJsselmeer en IJmeer/Markermeer belangrijke kenmerken.<br />

Daarnaast speelt cultuurhistorie een grote rol met de Stelling<br />

van Amsterdam, de Nieuw Hollandse Waterlinie, grote<br />

dijkelementen zoals de Westfriese Omringdijk, de historische<br />

binnenstad van Amsterdam en de andere historische steden.<br />

De volgende laag bestaat uit netwerken en knooppunten.<br />

Schiphol en de internethub in Amsterdam zijn voorbeelden<br />

van belangrijke knooppunten. Treinstations, punten waar<br />

infrastructuur op elkaar aansluit (afslagen van snelwegen)<br />

zijn knooppunten van een lager schaalniveau. Het spoor<br />

en de snelwegen vormen het hoofdtransportnetwerk van<br />

Noord-Holland. Rond deze netwerken en knooppunten vindt<br />

de stedelijke ontwikkeling van woon- en werkgebieden vooral<br />

plaats.<br />

De laatste laag geeft het occupatiepatroon weer. Van oudsher<br />

zijn nederzettingen vooral ontstaan op de hoge delen van<br />

Noord-Holland: de strandwallen en stuwwal. Dit heeft geresulteerd<br />

in de verstedelijking van het Gooi en de kustzone.<br />

Nu ligt de nadruk nog steeds in het zuiden van de provincie<br />

met Amsterdam als groot kerngebied. Een duidelijke verstedelijkingsband<br />

is zichtbaar vanaf de Haarlemmermeer langs<br />

de kust tot aan Heerhugowaard en Lange dijk.<br />

Het Noorden is aanzienlijk minder dicht verstedelijkt. De<br />

laatste decennia is de bebouwing in West-Friesland wel sterk<br />

toegenomen in zeer verspreide vorm. Dit heeft een versnipperd<br />

beeld tot gevolg.<br />

Tot deze laag behoren eveneens de economische kerngebieden,<br />

zoals de Zuidas, het havengebied en het centrum van<br />

Amsterdam, het bollengebied in de Kop, Agriport A7 en de<br />

Greenport Aalsmeer.<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

Conclusies en aanbevelingen<br />

De provinciale ruimtelijke hoofdstructuur bestaat uit de belangrijkste<br />

structuren, netwerken, gebieden en knooppunten<br />

van de provincie. Ze vormen samen een geheel.<br />

Deze huidige hoofdstructuur vormt de basis voor ruimtelijke<br />

ontwikkeling in Noord-Holland en is daarmee de ruimtelijke<br />

onderlegger voor de structuurvisiekaart. Op deze kaart wordt<br />

de gewenste toekomstige ruimtelijke hoofdstructuur weergegeven.<br />

Voor alle veranderingen in de kaart moeten keuzes<br />

gemaakt worden. Wat willen we behouden en wat willen we<br />

ontwikkelen? En wat is de rol van de provincie hierin?<br />

129<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


BIJLAGEN<br />

Bijlagen<br />

Bijlage 1 Collegebrede verkenningen<br />

Collegebrede Verkenningen<br />

Ter informatie als input voor de structuurvisie zijn er vanuit<br />

het college een reeks verkenningen uitgezet. Deze collegebrede<br />

verkenningen hebben de volgende producten opgeleverd:<br />

• Costa Hollanda (onderzoek)<br />

• Krimpkansenkrant (krant over kansen met krimp)<br />

• Dragers voor het Noordhollandse landschap<br />

(onderzoek)<br />

• Duurzame energieoplossingen vereisen ruimtelijke<br />

sturing (onderzoek)<br />

• Quick scan kenniseconomie in Noord-Holland<br />

(onderzoek)<br />

• Verkenning naar de mogelijke verplaatsing van het<br />

circuit Zandvoort naar Den-Helder (onderzoek)<br />

• Hoogbouw in Noord-Holland (onderzoek)<br />

• Risico’s bij de bundeling van functies (film)<br />

Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

131<br />

1.<br />

INLEIDING<br />

2.<br />

KNOOPPUNTEN EN<br />

NETWERKEN<br />

3.<br />

KLIMAATVERANDERING<br />

4.<br />

KWALITATIEVE<br />

WONINGBOUWOPGAVE<br />

5. 6.<br />

LANDSCHAP EN<br />

RECREATIE<br />

HET VISUELE<br />

LANDSCHAP<br />

7.<br />

RUIMTELIJKE<br />

HOOFDSTRUC<strong>TU</strong>UR


Bijlage 2 PARK-salons<br />

Provinciaal Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit (PARK)<br />

Miranda Reitsma is voor 2 jaar, tot voorjaar 2009, aangesteld<br />

als Provinciaal Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit (PARK) van<br />

de provincie Noord-Holland. Ze heeft als taak gevraagd en<br />

ongevraagd advies uit te brengen aan Gedeputeerde Staten<br />

over de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit is de manier<br />

waarop landschap en bebouwing worden beleefd.<br />

De positie van de Provinciaal Adviseur is bijzonder, omdat ze<br />

geen deel uitmaakt van de provinciale organisatie. Daardoor<br />

kan ze autonoom adviseren. Waar nodig zal Miranda<br />

optreden als boegbeeld van de provincie als het gaat om de<br />

ruimtelijke kwaliteit. Bij die gelegenheden draagt ze uit welke<br />

rol de provincie speelt en benadrukt ze het belang en de<br />

zichtbaarheid van de provincie.<br />

Advies over de structuurvisie<br />

Begin 2009 heeft de provincie Noord-Holland een nieuwe<br />

Structuurvisie. Op verzoek van gedeputeerde Ton Hooijmaijers<br />

heeft Miranda Reitsma in het afgelopen voorjaar<br />

een aantal salons georganiseerd - besloten bijeenkomsten<br />

met specialisten uit het vak. Deze salons waren bedoeld als<br />

voeding voor het denken over de Structuurvisie. Wat is er in<br />

Noord-Holland uit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit aan de<br />

hand en wat kan de provincie daaraan doen? Wat vindt zijn<br />

neerslag in de structuurvisie?<br />

De volgende thema’s zijn in de salons de revue gepasseerd:<br />

- het Metropolitane landschap;<br />

- het Blauwe Hart;<br />

- vernieuwing van de agrarische sector;<br />

- krimp en dorpsuitbreidingen;<br />

- de kustvisie met de badplaatsen;<br />

- werklandschappen.<br />

Van deze salons zijn journalistieke verslagen gemaakt. Ze<br />

vormen de basis van het advies dat zij aan GS heeft uitgebracht<br />

over de structuurvisie.<br />

De kern van het advies<br />

Grote delen van Noord-Holland zijn gaaf. Tenminste, nu nog<br />

wel. Tegelijkertijd staat het landelijke gebied onder druk van<br />

verstedelijking. Veranderingen gaan snel, soms ook slordig.<br />

Mensen hebben moeite om veranderingen bij te houden en<br />

te accepteren. Dit vertaalt zich in een publiek debat over<br />

‘verrommeling’. Het landschap is van oudsher gevormd door<br />

de boeren, maar de agrarische sector verandert zelf nu ook<br />

132 Structuurvisie Noord-Holland - Werkboek Bouwstenen 3/3<br />

ingrijpend. Veranderingen tegenhouden is in deze tijd geen<br />

optie.<br />

De kern van het advies is om veranderingen aan te grijpen<br />

als een impuls voor verbetering. En om deze verbeteringen in<br />

te passen op regionaal niveau, langs de lijnen van het betreffende<br />

landschap om zo versnippering te voorkomen. Met<br />

grote aandacht voor de waarden die het Noord-Hollandse<br />

landschap heeft: openheid, licht, stilte en de wind in je haar.<br />

Het advies en de salonverslagen zijn in een boekje gepubliceerd.


Uitgave: Provincie Noord-Holland<br />

webpagina: www.noord-holland.nl/structuurvisie<br />

mail: structuurvisie@noord-holland.nl

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!