nen Student

digital.amsab.be

nen Student

2

KOEKOEK

EEN SCHITTEREND HOFBAL

TE BRUSSEL

Deze titel is niet van ons, we knipten

hem uit DE STANDAARD, die begint

aan grootspraak te doen sinds

twee van zijn bazen in de regeering

zetelen.

In werkelijkheid was het hofbal een

zeer bescheiden onderneming, zooais

het past in deze slechte tijden van

krisis en bezuinigingen. En er zou

zelfs dit jaar weer geen hofbal zijn

gehouden, ware het niet dat de koning

aan al zijn trouwe onderdanen

gelegenheid heeft willen geven hun

staatsiekleeren uit de kas te halen om

er de lucht van de motbollen te laten

uitwaaien.

De kleederen die men er te zien

kreeg, waren dan ook krisistolletten.

De koning en prins Leopold droegen

hun kakipak van alle dagen, voor 't

profijt, natuurlijk. De koningin had

het toilet van voor vijf jaar, dat toen

tot aan de knieën reikte en dat gelukkig

voorzien was van eéh breeden

zoom, die nu is uitgelaten. Prinses

Astrid, die in gezegenden toestand verkeert

en wiens eenvoudigen levenswandel

reeds dikwijls werd geloofd, verscheen

in een -ewoon peignoir. Zooveel

ongekunsteldheid deed sommige

dames van aandoeningen de tranen

in de oogen krijgen.

De andere dames hadden hun oude

kleeden verlengd met een goedkoop

satrjntje of een boord van een oud

gordijn. De heeren waren ook niet ten

achter gebleven in zuinigheid en sommigen

hadden de spaarzaamheid zelfs

zoover gedreven dat zU verschenen

met het stijve hemd en den kol die

reeds voor het vorige hofbal haddtn gediend.

Niemand wilde zich immers

blcot stellen aan eenige berisping van

den minister van Financiën, die zün

mannen had aangesteld om te waken

dat hier het slechte voorbeeld der verkwisting

niet zou gegeven worden.

Sommigen hadden zelfs hoegenaamd

geen kol aan, maar dat was nadat zij

het buffet hadden bezocht en door

de lakeien voorzichtig waren neergezet

op den rand van het trottoir voor

het koninklijk paleis.

Wat het buffet betreft, ook daar

was rekening gehouden met de instrukties

van het ministerie van Financiën.

Er was droge haring met

rogge brood, snrot met patatten in kazakken

en rolmops met pistolets. Er

waren ook twee dozijn broodjes met

hesp voor de hooge gasten: maar er

was spuitwater in overvloed en ook

geuze lambiek, van zeer ouden datum

bezorgd door de welwillende bemiddeling

van Herman Teirllnck.

De geuze lambiek was feitelijk de

eenige weelde van dit bal, waardoor

de koninklijk familie cn de aristocra­

tie aan de werkloozen andermaaj hebben

bewezen dat men niet moet werken

en grof geld uitgeven om zich

deftig te amuseeren.

Andere berichten

Zelden heeft men zulken toeloop van

volk gezien aan het Hof als voer het

laatste bal.

Waarschijnlijk is deze groote bijval

uit te leggen door de ekonomische krisis.

Op zulke bijeenkomsten is er namelijk

een banket, en een kosteloos

maal is in deze zware tijden niet te

versmaden.

Laat ons onmiddelijk verklaren dat

de toiletten van een echt koninklijke

pracht waren. Voor onzen smaak waren

echter de koninklUkste juist deze

die bijna niet bestonden. Wij hebben

daar een paar ruggen en het tegenovergestelde

gezien, waarvoor wü zouden

toestemmen patriot te worden.

De tconeelschikking was door Teirlinck

geregeld. De koning droeg een

driehoekig kroontje dat zeer prettig

aandeed, en de koningin straalde van

tienduizend elektrische lampen, die in

de paarlen van haar halssnoer op zeer

behendige wüze waren aangebracht.

Jan Grauls, die een stem heeft welke

rapper over den Oceaan gaat dan

Lindbergh, riep de namen van de aankomende

gasten. De politiebrigade die

op dat geroep was toegesneld van den

post der Groote Markt, moest onverriohterzake

terug keeren.

Wat ons betreft, wü hebben met voldoening

vastgesteld dat alles in het

Vlaamsch gebeurde; wij getuigen het

op ons eere woord, voor zoover wü dat

hebben. Inderdaad, den ganschen

avond en naoht hebben wü bü een

poezelig gravinnike gezeten dat onze

taal machtig was en wij hebben dan

ook den Vlaamschen leeuw uitgehangen

tot in de vroege ïurkens.

— Hoe durft gü nog op zee varen wanneer al uw familieleden er den

deed vonden?

— Waar zy'n de uwe gestorven?

— In hun bed.

— Hoe durft gü nog in een bed slapen!


Abonnement i Jaar fr. S85.f.;

Abonnement maanden r. 13.61'

Abonnement » maanden fr. 6.8S

Postrheckrekenlng «Het l.lcht» n. 5673*

HUMORISTISCH WEEKBLAD van VOORUIT

^ • • « • • • • • • • • • • • « • r a B n B H B i

Redaktie : 64, St. Pietersnieuwstraat, Gent — Telefoon 157.40

Verschijnt den Donderdag — 0.50 fr. per nummer

Nummer 40 - Derde Jaargang - 1 Februari 1934

Onze galerij van beroemde en beruchte mannen

HENRI VAN DAELE

Als ge naar den besten dictionnair

van de wereld grijpt en ge

zoekt naar de definitie van «echte

Gentenirre» dan zult ge er naast

lezen : Henri Van Daele. Een betere

uitleg bestaat er overigens

niet. Misschien prijkt er zijn beeltenis

bij : een klein, bollig, joviaal

baasken met dikken, lachenden

kop en met die heldere platvette

stem, die klinkt als de klokke

Roeland zelve.

Maar daar we de boekenkennis

schuwen zijn we op ontdekkingstocht

geweest naar den Ouden

Brusseüchen Weg te Gentbrugge,

waar we Henri in lijf en beenen

zouden aantreffen. Hier woont hij

in een kraaknet, eenvoudig en gezellig

werkershuisje. De bescheidenheid,

het feit dat een paar

stommeriken hem vroeger hebben

tegengewerkt en dat de baard- en

brilintellektueelen hem doodzwegen,

omdat ze niet veel van zijn talent

en zijn psychologische opmerkingsgaven

snapten, zijn daar een

beetje de schuld van. Doch Henri

is er des te gelukkiger om.

'k Heb giene «Villa Pattat»

nuudig en al ben ik «Den bloedvriend

van den keunink» niet,

mijn stukken hên nog alle dagen

sukses en dat is uuk iets wirdü

zegt hij, ons in zijn keuken binnenleidend.

— Drijnkt gij nen dreupel ?

vraagt hij.

— Neen, merci.

— Allez moedere, schijnkt er

mij tons uuk maar iene, besluit

maar dadelijk onze logische gastheer.

We laten de glaasjes klinken en

het interview is meteen ingezet.

— 'k Leve kik hier tusschen

mijne popegaai, mijn duiven, kanariveugéls

en bliekskens... begint

Van Daele.

Zijn papegaai, «kootje», is zijn

beste vriend en zijn ergste vijand.

Hij vliegt rond in de keuke.i

en aast op alle papiertjes, manuskripten

en boeken, die hij steeds

ongenadig vaneen pikt. Ge zult

bijvoorbeeld zelden een brief ontvangen

van Henri, waar zijn papegaai

niet eens zijn bek heeft ingezet.

Ook in onze konversatie

roert hij af en toe eens zijnen

snavel.

— Vertel ons iets over uwe kinderjaren,

Henri.

— 't Es al van in 1877 dak-ik

hier rondluupe. We waaren mee

acht kinders. Zeven zeuns en ien

dochter. Mijn voader was nen

roare schacht. Binst den dag was

hij meneer en 's avonds schoolmiester

op d'avondschole. Hij was

uuk toonielmiester in den Laurentskring

en lierdege ons kinderrollekens.

— Ja, ja!... (Dat is de papegaai)

.

— En hoe steldet gij het op

school?

— Op de Muideschool was 'k altijd

den ierste. Frans Van der

Heggen en Jules De Backer kunnen

't nog getuigen.

— Ja, ja!...

— Tot mijn elf jaar ging ik

naar 't schoole, 'k werd dan kopermouleur,

maor 'k was te veel

syndikalist in d'uugen van den patruun

en ik krege mijn zantse... Al

mijn kameraoten gijngen seffens

in staakijnge. Da was nen tijd!

— En hoe werd dit konflikt opgelost?

— 'k Wildege zelve nie mier

weerkieren noar den atelie en 'k

zettege mij aan 't schrijven van

liedjes en revuen veur de Vooruit.

Maar standvastig studeerdige 'k

en ontwikkelde mij, zuudat de welweters,

die ierst mee Van Daele

lachtegen omdat hij gien korrékt

Nederlandsch en kost, weldra van

een kale reis thuis kwamen. Ik

sprak mijn taal zoo beschaafd als

een onderwijzer, zooals ge thans

zelf vaststellen kunt en zoo ge

lust hebt uw interview in het

Fransch of Engelsch voort te zetten,

moet ge u niet geneeren : ik

kan u vlot te woord staan...

Terwijl we zoo te praten zitten,

is «kootje» ongemerkt onze druppels

genaderd en heeft er zich

eens flink aan te goed gedaan.

— Ja, ja!... Ja, ja!... acht hij

in zijn zottigheid.

— Sakkerzuu, straks ès mijn

paopegaoi weere zuu zat of een

mussche! vloekt Van Daele, terwijl

hij de glaasjes* door andere

vervangt en ze opnieuw vult.

— Uw eerste jaren als revueschrijver

waren zeker lastig?

— Ik heb er nog geschreven op

behangpapier, om geld te sparen.

Het was Edward Anseele, aan wien

ik onzeglijk veel te danken heb,

die mij steeds inspireerde. Hl}

stond me bij met raad en daad.

Ik speelde in den Multatulikring,

bekwaamde me meer en meer in

de tooneelsveelkunst en schreef

tenslotte zelf een heele serie stukken.

Maar de tijd van «Hedde 't

vast hen», «Ferrer», «De Tjakke»,

enz. is lang voorbij.

— Een triomf tijd?

— 'k Wil het gelooven, de studenten

sloegen ons té Leuven met

ons stuk «Ferrer» ")ijna dood...

— Hoeveel stukken schreeft ge

reeds?

— Wel een honderd vijftig en 'ft

ben nog aan 't einde van mij»

Latijn niet.

— Dat verdient een dekoratie!

— Men heeft er mij een wete»

op te solferen ook. Kom maar eenS

kijken.


En terwijl we de mooie, blauwe

dekoratie van «ridder in de orde

van Leopold II» gaan bewonderen,

een onderscheiding die hij

dubbel en dik heeft verdiend wegens

zijn ontelbare belanglooze

medewerkingen aan liefdadigheidsfeesten,

drinkt «kootje» weer

onzen Schiedam uit.

Als we terug in de keuken komen

hangt de papegaai als een

heilige geest rond te zweven «au

ralenti».

— Ja, ja!... orakelt hij verder.

Henri Van Daele merkt het niet

eens, hij is aan "t vertellen, hij

toetert ons zijn gansch verleden

voor oogen : een leven van strijd

en werken. Meer dan 3o jaren

leeft hij dag in dag uit met de

eenige bekommering : zijn stukken.

Gedurende den dag schrijft

monteert en repeteert hij ze, 's

avonds speelt hij en 's nachts fantaseert

en schept hij. Het is als

een obsessie geworden en nu heeft

Mj rust noodig.

ttij weet dit. Hij is er toe besloten.

Maar zal hij het doen?

Nog ieder jaar levert hij geregeld

4 nieuwe stukken. Men speelt

ze in Minard te Gent en' in de

Folies Bergère te Brussel voor

bomvolle zalen. Ze houden het er

weken en maanden achtereen op

het programma uit en worden

steeds gaarne terug gezien.

— Maar zeg ons eens, Henri, wie

heeft er U, — buiten Anseele —

nog veel geholpen?

— Cyriel Buysse! Ik heb het

steeds als de grootste eer beschouwd,

samen met hem Uzeken

voor het tooneel te hebben bewerkt.

En de groote, nederige artist uit

het werkmanshuisje van den

Ouden Brussëlschen Weg vertelt

ons in ontroerende en dankbare

bewoordingen zijn eerste ontmoetingen

met den grootsten Vlaamschen

romanschrijver en met diens

zuster. Loveling-Buysse was voor

hem een moreele steun van de

grootste waarde. Hij was de intellektueel

naast den kunstenaar.

Henri voelde het en kende van

toen af maar één ambitie meer in

zijn vrije uren : dien man geestelijk

benaderen, zich opwerken. Nu

nog leert hij. En hij zal het blijven

doen, zoolang hij leeft.

— Onze artisten, ik bedoel vooral

onze tooneelspelers, zegt ons

Van Daele, hebben een tekort aan

algemeene onticikkeling. Alle dagen

ondervind ik dat!

We hebben ook dien indruk en

we aarzelen zelfs niet er bij te

voegen dat, hadde Van Daele de

gelegenheid gehad hoogere kursussen

te volgen in plaats van van

jongs af voor zijn brood te moeten

wroeten en hadde hij geleefd te

Parijs, te Berlijn of in een andere

grootstad, hij thans zeker een

wereldberoemdheid zou genieten.

Alhoewel hij sedert tientallen jaren

het sukses op zijn weg vond

en zijn stukken in het Fransch

vertaalde, is hij echter zijn taal,

zijn klasse, zijn geboortestad getrouw

gebleven.

— Waaraan werkt ge thans,

Henri?

— Kom mee naar 't schotelhuis

ik zal het u laten zien. Daar, tusschen

een stel blinkende kastrollen,

kiest de schrijver er zich eene

uit. Hij licht de schijf af... en

waar anders de lekkere Gentsche

hutspot te dampen ligt, liggen nu

volgeschreven blaadjes papier.

— Hier kan kootje ze niet van

een stekken, lacht Van Daele. Ik

wil u wel het onderwerp verklappen,

voegt hij er aan toe, maar ge

moet het voor u houden. Zeg aan

de lezers van Koekoek dat ik binnenkort

een groote operette speel

«De moderne Boer», dan weten ze

toch iets...

Als we terug in de keuken koinen

heb ik nog juist den tijd mijn nota's

te redden uit den bek van een

zatten papegaai, die blijkbaar niet

wü, dat ik voor zijn baaske reklame

maak Op 't half verscheurde

lijstje lees ik nu nog

een deel van Van Daele's werken:

De Kaasbaron, Het oorlogskindeken

(geschiedkundig drama). Een

half huis te huur, Uzeken, Geschied

van Taofel en bedde, Toone

hé 't mülioen, Villa Pattat, Ne

vrije apotheker, Jan Schapevel, 't

Lustig weeuwirke, De Hertefritter,

Ne vieze patriot, Treezeke Barrevoets,

Rond de kisse mee spelden.

Lotje of de mislukte revue, Hebt

g' al een certificaat, Een eiwe okkaozie,

De bloedvriend van de

koning, Het Testament van Bar-

KOEKOEK

bara Baert, De filmster, Een

schuunmoeder uit de duust, Hitier,

't Mirakel van Gent, enz.

Ge ziet, hoe ouder Henri wordtin

jaren, hoe jonger zijn hart en

hoe vruchtbaarder zijn geest. Hij

heeft in zijn vak, in zijn kunst

een behendigheid en een meesterschap

gekregen, die velen hem benijden

mogen. Over zijn stukken

zelf moeten we maar één ding zeggen:

als ge ze zien wilt, neem dan

uw kaarten acht dagen op voorhand!

Anders geraakt ge in den

Minard niet binnen.

Alvorens we den héld onzer beroemde

galerij hébben verlaten,

hébben we hem tenslotte nog over

zijn liefdeleven geraadpleegd.

— Moest gij de waarheid wete,

ge zoedt mij een zantsewolle geven...

stoeft hij.

— Ja, ja!... (de papegaai krabt

zich achter zijn oor en).

— Is het waar Henri, dat, toen

Frans Demey eens in het cirkus

een proloog voordroeg, en daar

tusschen 't volk uw koeke-tiene

bemerkte, hij het er maar uitflapte

van «loetje, ge moet nie ongerust

zijn, Henrietse ès hier al!»

— Chut! Z'ès daorü...

— Drijnkte nog nen dreupel?

vroeg zijn charmante huisvrouw,

binnenkomend.

— Merci, madam, kootje is al

zat genoeg!

Allez Henri, houd u kloek en

schrijf en wrijf er nog maar vele

jaren op los!

Salut en duizend keeren merci,

niet alleen voor den Schiedam,

maar ook voor het feit, dat ge

midden de zwarte krisismiserie bij

uw volk er nog het lachen, het

verzet en den moed in houdt!

Een teekening, die geen verklaring vereischt. -

.(uit «Neuer Vorwarts»)V


KOEKOEK

VAN DAELE-ANEKDOOTJES

Voor den oorlog in den ouden goeden

tijd, vertoefde Heniri Van Daele

eens met zün Mietje te Rijsel. Hij was

daar metaalbewerker maar ten gevolge

eener krisis viel hij werkloos. Wat

nu gedaan? Er was slechts één uitweg

om niet van honger om te komen:

naar Gent terugkeeren.

Maar hoe? Wie zou de centen voor

de reis bezorgen?

Onze revueschrijver zat nu eens leelrjk

in nesten.

— We gaan hier nu van honger sterven,

meende Mietje.

— Neen kind, g- met uw laatste duiten

wat peper en zout en wat grauw

papier koopen...

— Waarom?

— Ge zult het zien.

Mietje wist wiet wat ze denken moest

van dien onbegrijpelrjiken praat. Had

Henrietje het nu in zijnen kop gestoken?

Enfin, het meisje deed wat hij bevolen

had.

Een uur later stond Van Daele op

de markt te Rijsel... een zonderling

poeder te verkoopen tegen de motten!

Hij verkocht de grauwe pakjes als

broodjes!

Vlug had hij aldus veel centen verdiend.

— Kom Mietje, sprak hij dan, we

moeten er rap van onder trekken of

onze klanten slaan ons anders nog

dood... als ze van ons peper-en-zout

proeven!

• » »

Henri was met den Multa naar Antwerpen

getrokken waar ze met «Allerzielen»

den eersten prijs wegkaapten.

's Avonds, in 't hotel, was 't souper

en Van Daele moest liedjes zingen.

Om een zijner zangen met het noodige

decorum te omlijsten haalde onze

held de slip van zijn hemd te voorschijn

en streek er mostaard aan.

En of hij sukses had!

Maar 's anderendaags kwam Mietje

natuurlijk altes te weten.

Resultaat Henri moest plechtig zijn

ontslag indienen bij den MultatuMkring...

Twee dagen nadien speelde hrj natuurlijk

weer mee...

* * *

Henri had eens 10 fr. ontleend aan

zijn goeden vriend Prosper (Van Overberghe).

Op een Zondag kwam hü met zün

Mietje een café binnen, waar Prosper

gezeten was naast een mooi meisje.

De schuldenaar liep dus regelrecht

den wolf in den muil.

Nauwelüks zat Van Daele neer of

Prosper kwam naar hem toe en fluisterde

hem in 't oor:

— Zeg Henri, geef mij eeijs vlug

mün 10 frank weer, 'k zou met mün

lieveken paling willen gaan eten...

Een oogenblik kreeg Van Daele alle

kleuren: Hoe zou hü uit de schande

geraken? Hü had geen geld om die

schuld te vereffenen!

Maar plots bedacht hü zich en kalm,

met een breed gebaar, en vrü luid antwoordde

hü:

— Tien frank? Och, ik wil wel...,

beste vriend! Allez Mietje, kunt ge

hem eens 10 frank leenen? Help hem

eens uit den nood...

Aldus geschiedde...

Henri, toen hij op de Vnjdagmarkt

woonde, schreef daar zün stukken

plat op den grond liggend...

Hü zwom letterlyk in zün handschriften.

Maar dit belette niet dat hü, niettegenstaande

hü meestal op zün buik

voortwentelde, toch eens in een naald

trapte.

's Namiddags zat hij schier te huilen

met zijn sterk omwonden been:

net een oorlogsinvalide.

Een vriend kwam hem bezoeken.

— Wat scheelt er? vroeg deze.

— In een naald getoapt...

— Bezie hem daar nu eens zitten,

kruidje roer-mij-niet spotte op ongepaste

wijze Marie.

Maar slecht bekwam het haar want

hare Heniri snauwde haar terug:

— Wa wete gij daorvan... O, ziere

dat da doet! Zie, 'k zoe nog liever zes

kieren in 't kinderbedde komen dan

in ien naaide té terten!

Hij heeft gelukkig in de volgende jaren

noch het een noch het ander gedaan...

• • *

Onze held kent niet alleen Nederlandsen,

Pransch en Engelsch maar

heeft ook Duitsch willen leeren.

't Was rond de jaren 1906, toen hij

de lessen in Duitsch in «Ons Huis»

op de Vrijdagmarkt zou volgen. Maar

ge moest uw eigen grammaire koopen

en uw eigen inktpot meebrengen...

Van Daele — met zün groote

artisten-negligentie — vergat echter

zün Inktpot te stoppen, stak hem zoo

maar in zün zak bij zün spraakkunst

en kwam natuurlijk gelijk een halven

neger op de Vrijdagmarkt aan...

Sedertdien kocht hij zich geen nieuwe

spraakkunst meer en is dus ook in

de taal van Goethe en Hitier niet zoo

goed thuis als in die an Mark Twain

en Bernard Shaw.

• * •

Henri' heeft veel waterkens doorzwommen.

Hü heeft eens in Noord-

Frankrijk een kind uit het water gehaald,

te Gent op de Graslei eens

par erreur zün eigen hond gered (die

beter dan hijzelf zwemmen kon) en

tenslotte te Eekloo in een poel eens

meuleken-draaien geleerd aan 20 Jon­

gens, die in hun zwembroek p van

de danige leute!

Enfin, nu nog ls hü een «as» al

mag hü niet verward worden met wat

men noemt «een onder duiker».

• • •

Er is ook niemand die beter aan de

trapéze kan merken. Voor 't eerst

kreeg men hem aldus te bewonderen

in de rol van een onderpastoor, die in

de revue «Och hiere, dat ezelken!» —

te Léde-berg de vooroefeningen deed

voor een zoogezegde groep patronageturners.

Het ongeluk wilde, dat, toen Henri

met zijn hoofd naar omlaag hing, hü

er mee in zün omgeslagen soutane

vemestelde en het publiek voor zün

centen nogal eenige waar te zien

kreeg...

• • *

Het volgende moet er zün goedhartigheid

laten uitschijnen:

Van Daele had aan zün vriend Van

Overbengfne, bij diens huwelük, een

bruidstruik beloofd.

Hij kwam er inderdaad mee voor de

pininen, acht maanden na hiet huwelijk...

op een goeden middernacht!...

• * *

Henri wilde malgré tout eens den

zoon van een züner vrienden — die

uit Amerika overgekomen was — te

zijnent te gast hebben.

Hij deed het onmogelüke tot de zoon

in kwestie eindelijk bij hem kwam

logeeren en drie weken lang mocht

slapen in... een koffer, ...'n stuk decor

uit «In Holland geïnterneerd»!

• « •

Eens trof men Van Daele aan, bezig

met letters te branden, door middel

van een gloeienden stoofhaak, in zün

tafel.

— Wat beteekenen die initialen?

— Dat moet mij bestendig herinneren

aan een jongen, wien ik werk heb

beloofd! — was het antwoord. Zoo

zachtaardig, vrijgevig en goed, zoo

vergeetachtig is onze kunstenaar ook.

Hij had eens een neger opgenomen

uit de Senegaleezen-sektie der beruchte

tentoonstelling van 1913 te Gent. Hü

ging er mee dineeren, samen met een

vriend, maar merkte bij zün drukke

praten niet eens, dat hü al de porties

van het bedeesde zwartje mee opat en

achteraf dus nog een maal moest laten

bestellen voor den «echten» figurant

uit «Wit of zwart».

Zoo zijn er honderden anefcdootjes

te vertellen over dezen man, die

ondanks harde tüden en zwarte dagen

steeds de prediker is geweest van gezonde

leute en fünen humor. Uit al

deze vertelseïkens komen zijn gebreken

naar voren, die hem, zonderling genoeg,

nog sympathieker maken dan hij

eigenlijk reeds is en hem ons toonen

als een edel karakter en als het prototype

van den echten Gentenaar.

5


6 - KOEKOEK

Een Vlaamsch

Leeuwke

Opgedragen aan «Het Laatste Nieuws»

(1909)

1.

Ne lieuw geluk den diene

Hé nog nooit iemand geziene,

Geluk een serpantine

Krijnkelt hij overal deur,

Tot zelfs hij monseigneur.

Hij. ès gedekoreerd,

Iets dat hem hiel charmeert,

Van Leopold, zoo gruut,

Die kreeg hij zelfs 'ne puut

Es 't er ien prinske ziek,

HU en wil giene blek,

Veur al de gruute Jans

Doet hU den lieuwendans;

Maar aan den werkersstand

Trokt hU al menigen tand.

HU maakt zelfs uiterst tam

Onderkruipersreklaam.

Es zUn daad niets veurnaams,

Het es toch al in 't vlaamsch.

Op onzen schepenraad

Die es 't hij veural kwaad,

Goed dat hU niet en büt,

Maar hU die grolt altUd:

REFREIN

ZU zullen hem niet temmen.

Den fleren Vlaamschen Leeuw,

Zoolang de leeuv kan klauwen. -

Zoolang hU tanden heeftl

*

'nen Student

i.

Ja, ouders lief, gU liet mU hier

[studeeren,

•t Es al elf Jaar, veur 't lieren van dokrteur:

Maar geluuf mU. om tot daar te

[arriveere

Es 't nen embras, ja, net is ien slameur

'k Zuip eiken dag, ja, zonder arreteeren

En jonge meiskes brenge 'k 'thuufd

[op hol.

In kaberdoeskes gu 'k rmj amuzeere.

Goe'e studente doen dat allemol.

Daarom zUngt blij met mij:

«Vive les étudlants pèr-mère.

REFREIN

Vive les étudlants,

Al moest er 't laatste stoelken aan.

Sieske wordt toch ne man.

On 's en fou a-ri-ke-di-ki-ki-rère,

On s'en fou a-ri-ke-di-ki-kl!

n

In 't politie* die durf 'k mU uuk stelle,

Tc Roep al van buiten «en bas la calot»

Meê mijne stok die ben 'k uuk 'ne felle.

En 'k draai er meê, ja, zust gel Uk ne zot

Ruiten, cafés, hê 'k al kapot gesmeter.

Ik hê zelfs al in 't Rolleke gezeten.

El Ja, w'hieten wU da studentenlol.

Goeie studenten doen dat allemol.

Daarom zUngt blU met mU:

«Vive les étudlants pèr'-mère».

REFREIN

m.

De zesde kier, oh nie 't en ès gien

[schande.

Dat ik in 't doen van mUnen examUn.

Azuu maar altUd 'n viel deur de mande

Ten naaste kier zal 't wel in orde zUn

Zend maar veel geld, al was het laatste

[beetse

G'hêt toch 'ne zeun in de gentsche

[uugeschool,

Hedde ne mier, vraagt er nog wat aan

[peetse

Goe êwers die doen da toch allemol.

Daarom zijngt blij met mU:

«Vive les étudiants pèr'-mère».

REFREIN

üit «DE TSAKKE»

door Henri Van Daele

De vooruitgang

der wetenschap

HET «SYNTHETISCH

BIEFSTUK»

In Amerika is men er eindelUk in

geslaagd het «synthetisch biefstuk» te

vervaardigen.

Iedereen weet ongeveer wat een biefstuk

ls, maar een «synthetisch biefstuk»

dat is een ander paar mouwen.

In wetenschappelüke taal uitgedrukt

ziet de naam van dit biefstuk er ongeveer

als volgt uit:

rm 365

a2 bz X k: Jr.o

p 5d

Ge zult met ons moeten bekennen

dat het niet smakelUker kan. En ook

niet eenvoudiger.

i-m

— Garcon geef mU .een a2 bz! !

a. u. b.! p

Zooals ge 't zelf direkt in uw kUkers

hebt. heeft zulk biefstuk uitstaans

met ongeveer alles wat g maar

denken kunt: met de chemie, de

balistiek, de regel van drie en zelfs

van meer, het blmetal'sme, de kosmische

poëzie, en andere cyclonale

hersenstoringen.

Het ls overigens een volkomen verkeerd

idee bU de meeste menschen,

van bU het woord biefstuk aan een

stuk geroosterd vleesch te gaan denken.

Hebben wU binst den oorlog geen

afkooksel van eikels gedronken en onze

nijp niet gestopt met tabak die op de

boomen eroeide? En was er ook maar

iemand die Mj het verorberen van dez?

produkten, aan koffie of aan Semols

is gaan denken?

Het «synthetisch -.iefst* -

zal ln

den handel gebracht worden onder den

vorm van pillen. Te verkrijgen in alle

goede apotheken

De waarheid over

de dienstweigeraars

In flamingantische en socialistische

bladen is den laatsten tüd heel wat

nonsens verteld over de slechte behandelingen

waarvan de dienstweigeraars

zoogezegd het slachtoffer zouden geworden

zUn in de Belgische gevangenissen.

Naar aanleiding van de behandeling

van zün begrooting heeft de minister

van Justitie dienaangaande klaren

wün geschonken.

Indien wU goed hebben begrepen,

is het om ze nog beter te kunnen behandelen

dat de regeering aan de

dienstweigeraairs de voordeelen weigert

van het politiek regiem. Het is

dan ook te veronderstellen lat de

dienstweigeraars van deze nog grootere

voordeelen misbruik hebben gemaakt

en zich aan overdaad hebben

schuldig gemaakt, niet zoozeer omdat

zij honger hadden, maar puur om den

Belgiek te klooten, dat wil het zoo leelUk

moeten zeggen, waardoor zU andermaal

hun slechte inborst en hun

anti-vaderlandsche bedoelingen hebben

bloot gegeven.

Als er dienstweigeraars zUn die niettegenstaande

deze overdaad aan voedsel

en goede behandelingen mager zijn

geworden, getuigt zulks niet tegen het

regiem, maar tegen de hun eigen verdorven

natuur, want het is een algemeen

erkend feit dat men slechte varkens

niet vet kan mesten.

Ten slotte zUn er dienstweigeraars

gestorven. Maar dat bewUst niets tegen

het gevangenisregiem. want toen

zij de gevangenis verlieten leefden zU

nog. Het eenige wat men den gevangenisbestuurders

kan ten laste leggen

is misschien juist het feit van ze te

hebben naar huis gestuurd. Er is ook

geklaagd over de gevangenis dokters,

die verkeerde inlichtingen zouden verstrekt

hebben over de patiënten. Hier

ook treft niemand een blaam dan de

dienstweigeraars zelf, die zich hebben

verstout ziek te zijn in strijd met het

advies van de gevansjenisdokters en

zich aldus hebben schuldig gemaakt

aan ernstige inbreuk op de tucht.

Het is hun trouwens slecht bekomen,

want ze zijn aan hun ongehoorzaamhe'd

bezweken.

De minister zei niet dat er hier immanente

rechtvaardigheid was gebeurd,

maar iedereen begreep het zoo.

ERNEST CLAES

Het is toekomende week de beurt

aan Ernest Cla'es, den bekenden

Vlaamschen schrijver, om in onze

galerij van beroemde en beruchte

mannen zijn zaligheid te krijgen.

De auteur van «De Witte» is voldoende

bekend om hier in deze

aankondiging meer te moeten zeggen.


1

KOEKOEK 7

Ons dagelijksch

verhaal

van alle weken

MADAME DE POMPADOUR

Meneer en madam Pompwinckel

hadden het groot lot gewonnen en waren

dus verplicht hun oude gewoonten

vaarwel te zeggen en een nieuw leven

aan te vangen, op ruimeren leest geschoeid.

— We zouden moeten beginnen met

naar den Franschen theater te gaan,

oordeelde Madam Pompwinckel na

eenige dagen studie.

Zoo gezegd, zoo ?edaan.

Een Parüsche troep voerde juist Madame

de Pompadour op. Het echtpaar

Pompwinckel, dat geen wcord Fransch

begreep zoo groot als een huis, zat

op de balkonzetels zijn oogen den kost

te geven.

— 't Is heel schoon, zei meneer,

maar 't is spijtig dat we daar niets

kunnen van meedragen. Stel u voor

dat de geburen ons morgen eens explikatie

vragen, we zullen niet eens

weten te vertellen wie die ' ladame de

Ponpandoer was.

— Vraag het ne keer aan dien heer

die naast u zit, fluisterde madam

Pompwinckel harren man in het oor.

Pompwinckel trok zijn stoute schoenen

aan:

— Zoude gij mij rsoms niet kunnen

zeggen, vriend, wat voor een schepsel

dat die Madam de Pompandour eigenlijk

was?

— Madame de Pompadour? Dat was

een rococococotte!

— Hoeda?

— Een ro-co-co-co-cotte! herhaalde

de aangesproken heer.

— Tja! zei Pompwinckel onthutst.

— Ewel vroeg Madam, wa zegt

hij?

— O! sprak Pompwinckel, geen

moyen van diene vent te verstaan, 't

is nen hakkelaar...

— Kon ik nu maar eens achter mijn

©oren krabben, dan zou ik tenminste

eens na kunnen denken hoe ik hier

weg kan komenI

.(Judge)

DE TAAL DER

VRUCHTEN

Het «NIEUWS VAN DEN DAG»

ontziet zelfs de dccden niet meer om

er lollekens rond te verkoopen. Zoo

lezen we b.v. in het blad van verleden

Zondag volgende titel:

DOOD VAN LORD

HALIFAX

De oudste peer van

Engeland

We verwachten dat, bij het afsterven

van de nazaten van dien peerlord.

«Het Nieuws van den Dag» met

volgende opschriften zijn artikelen zal

opluisteren:

DOOD VAN LORD

IRWIN

De rijpste banaan

van 't land

• • •

DOOD VAN EEN

NICHT VAN LORD

HALIFAX

De fijnste pruim

van Engeland

• •»

EEN ACHTER­

NEEFJE VAN LORD

HALIFAX

DOODGEBOREN

Het jongste appelmoes

van het Britsche Rijk

Maar het zou ons dan ook met verwonderen

moesten eens of morgen de

Engelsche bladen weerwraak nemen en

bij den zedelijken dood van den redakteur

van Lord Halifax' Brueselsch

doodsberichtje schrijven:

OP PENSIOEN­

STELLING VAN EEN

MEDEWERKER VAN

« HET NIEUWS VAN

DEN DAG »

De schoonste mespel

yan België

Het nieuwe

programme van

de regeering

SindB de samenstelling van de regeering

werd gewijzigd en twee oude

ministers werden vervangen door twee

nieuwe, is het ook onontbeerlijk dat

een nieuw programma wordt opgemaakt.

We vernemen dat men daaraan

reeds had gedacht en dat het eerste

punt van dat nieuwe programma reeds

werd besproken op den laatsten kabinetsraad.

De beslissing genomen in

verband met de radio bewijst dat de

regeering besloten is het niet te laten

bij woorden maar spoedig tot daden

te willen overgaan.

Wat is er inderdaad logischer als

de radiolezingen moeilijkheden verwekken,

dan dat men ze afschaffe?

Op dien ingeslagen weg zal de regeering,

nu ze door toevoeging van

nieuw bloed werd verjongd VASTBETA- -

den voortgaan.

Het is gebleken dat er de laatste

maanden ook enkele moeilijkheden

zijn ontstaan betreffende de belastingen.

Sommige GTOEPEERINGEN zooais de

pasteibakkers en de autobusuitbaters

zijn zelfs in de straat gedaald om te

protesteeren. De regeering is met van

plan zulke buitensporigheden nog langer

te dulden en zal bij de minste herhaling

daarvan de belastingen eenvoudig

weg afschaffen.

Een sterke regeering is het inderdaad

aan zichzelf verplicht te zorgen

dat er orde heersche op elk gebied,

daarom zal zij regeeren met een sterke

hand. En minister Devèze is vast besloten

bij de minste wanordelijkheid

die de socialistische jonge wachten nog

durven verwekken rond de kazernen

ook het leger af te schaffen.

We vernamen eveneens dat burgemeester

Max het energiek voorbeeld

zal volgen en van zoodra er nog eenmaal

moeilijkheden worden uitgelokt

met de politie door fascistische betoogers

of tegenbetoogers hij de politie

vlakaf zal afschaffen.

— Dus ge houdt meer van Jan dan

van mü?

— Ja... ziet ge... hü heeft een soldatenkostuum

aan,.,, .

(Marius)


8 KOEKOEK

En de politiekommissarfssen

?

«HET LAATSTE NIEUWS» bevatte

vóór een paar dagen volgende

advertentie:

BELANGRIJKE FIRMA

Oliën en vetten voor automobielen

en nijverheidsdoeleinden

vraagt:

Goed, werkzaam ten vlijtig

vertegenwoordiger

Potverdorie! En de politiekommlssarissen?

Tellen ze niet meer

mee?

Schoone spreuken

Het is Guido Gezelle, als we ons

niet bedriegen, die eens geschreven

heeft:

De Vlaamsche tale ls wonderzoet,

Voor die haar geen geweld

en doet!

Dat is in de redaktie van «DE

TIJD»-«HET VOLK» niet op een

blauwen steen gevallen en in een

dichterlijke reminiscentie schrijven

ze:

Het Vlaamsche volk is koeksgoed

Voor die het geen geweld

en doet!

Leve ons schoon, braaf Vlaamsch

volk, dat is als koekegoed!

't Is waarschijnlijk daarmee, dat

de vrouwen zoo gaarne gezien worden

door de mannen. En omgekeerd.

Wat de schoonmoeders betreft,

we hebben aan «Het Volkske»

nadere Inlichtingen gevraagd.

Vroege liefde

Wat vinde gij van Marietje, die

aan haar liefsten Jan volgend

brief ken schrijd, dat we uit «HET

HANDELSBLAD» overnemen:

LIEFSTE JAN,

Ik ben reeds in het bezit van

het interessante en leerzame

album om de plaatjes die in...

zitten, in te plakken.

Gij bewaart ze ook wel voor

mij hé?

Eeuwig ben ik je dankbaar,

je teergeliefd,

MARIETJE.

We veronderstellen, dat Jan en

Marietje nog zeer jong zijn, maar

het deftig-katholieke «Handelsblad»

moedigt algelijk een beetje

yroeg de liefde aan.

vam ons

VAM AflOfcRtrl

Een laffe aanval

«DE GENTENAAR» meldt volgende

heuglijke tijding — die alle

serieuze menschen ten zeerste zal

plezier doen, — evenwel met een

zekeren nijd, waartegen we ten

krachtigste protesteeren:

ONDERSCHEIDING. — Baron

Cartier de Marchienne,

Belgisch gezant te Londen,

werd ingewijd tot ridder der

Ronde Tafel.

Dit gebeurde natuurlijk in

den loop van een banket, te

zijner eere ingericht.

Natuurlijk! Natuurlijk in den

loop van een banket! Natuurlijk!

Is dat zoo «natuurlijk» voor «De

Gentenaar»? We protesteeren tegen

dien onderduimschen aanval, die

de ridders der Ronde Tafel in het

algemeen en onzen ambassadeur in

het bizonder wil treffen in hun

gastronomische geneugten!

Steltloopen

't Is altijd gevaarlijk op stelten

te loopen als ge 't zonder stelten en

met uw bee-nen alleen kunt gedaan

krijgen.

Te Utrecht is verleden week een

jongetje, dat op stelten liep, uitgegleden,

in een vaart terecht gekomen,

en verdronken.

We vernamen zulks in «DE

TELEGRAAF», die in zijn titel

schreef:

JONGEN VERDRONKEN

TE UTRECHT

Bij steltloopen uitgegleden.

«Morning Post» dringt aan

op erkenning.

Dat de «Morning Post» op erkenning

aandringt, is niet het minst

geheimzinnig.

KLEINE VERGISSING

VREEMDELING — Dit is dus hier

een «Inrichting tot genezing van

drankzuchtigen» ? Ik dacht het al,

toen ik dien dikken heer met dien roeden

neus voor het open raam zag

staan.

PORTIER. — Sst! ssst! mijnheer,

dat is onze... direkiteurj.

Volg dan een raad !

De «GAZETTE VAN GENT»

schrijft lederen dag:

Hebt gij reeds ons blad aan

uw buurman laten lezen?

Een onzer medewerkers heeft de

«Gazette van Gent» aan zijn buurman

gegeven. Hij wilde eens den

goeden raad van de oude tante volgen.

En twee minuten later lag hij

te midden van de straat. Blijft nu

te zien, wie door de rechtbank zal

veroordeeld worden: de buurman

of de «Gazette van Gent».

Hitier en Wilhelm II

«HET NIEUWS VAN DEN DAG»

geeft zijn lezers een historisch artikel

over Hitier en Wilhelm II, dat

wij niet voor ons alleen willen houden:

Eens dat de klucht zoo verre

ging, heeft Hitier, die voor niemand,

en in het bijzonder niet

voor den verwaanden Wilhelm

buigen wil, er kort spel mede

gemaakt. Op zijn bevel werd

een nieuwe inrichting: «De

Keizerlijke beweging» ontbonden;

en zonder er doekjes rond

te winden, liet hij aan Wilhelm

van Hohenzollern weten dat

deze te kiezen had: of wel te

blijven als houthakker in het

kasteel van Doorn, of wel als

eenvoudig burger en niet als

Keizer, in Duitschland te wonen.

En er werd hem nog aan

het verstand gebracht, dat hij

zelfs als gewoon burger ongewenscht

was.

De verslagenheid van den ex-

Keizer bij het vernemen van

die ongunstige mare, steeg ten

toppe. En ten zelfder tijde begon,

klaarblijkelijk op kommando

van Hitier, in de Duitsche

dagbladen een verwoede

aanval tegen hem en tegen den

Keizerlijken troon. De aanhangers

van Wilhelm werden er

gelijk gesteld met de kommunisten,

tegen welke een onverbiddelijke

oorlog dient gevoerd

te worden!

Nog eens, droomen ls bedrog:

en zonder hoop op een

beter lot, zal Wilhelm van Hohenzollern

te Doorn moeten

blijven. Het is wel besteed.

Onze geestdrift is bij 't lezen van.

dit proza niet minder «ten toppe»

gestegen»


KOEKOEK 9

M. PONCELET opent de vergadering

te 2 uur.

VOORZITTER. — Mijne Heeren,

een weekblaadje...

BALTHAZAR. — Koekoek!

VOORZITTER. — Juist. Koekoek

brengt ons elke veek een verslag van

de Kamer, dat ik voor de aardigheid

eens heb laten vertalen

M. BORGINON. — Dat is het nadeel

van geen Vlaamch te kennen. Gij

zoudt het alle weken kunnen lezen.

M. DELILLE. — Lees liever 't Getrouwe

Maldegem, dat is veel plezanter

en het is zonder opzet,-

VOORZITTER. — Laat mrj voortgaan.

Ik vind het Kamerverslag in

Koekoek veel minder plezierig dan het

echt Kamerverslag.

BALTHAZAR. — Ik vraag het

woord. Koekoek kan eenvoudig zoo

plezant niet zijn als het officieele verslag,

want de lezers zouden het niet

meer gelooven. Stel u voor, mijnheer

de voorzitter, dat wij in Koekoek een

redevoering geven van M. Heyman, de

lezers zouden zioh dood vervelen; of

dat wij een geheele redevoering van

Fieuillien geven, de lezers zouden twee

dagen lang geen goesting meer hebben

ln hun eten.

M. MERGET. — Men had toch het

een en ander kunnen putten uit mijn

redevoering over de begrooting van

posterijen.

VOORZITTER. — Laat nog eens

hooren.

M. MERGET. — Ik zei het volgende:

Ik wensch hulde te brengen aan het

postbestuur: de samenhoorigheid, de

waardigheid, de bezuinigingsgeest

waarmede dat bestuur bezield is, zijn

tot over onze grenzen bekend.

HUYSMANS. — Ha ha! Zeer goed.

MATHTEU. — Ja, tot in Congo.

GAST («een weinig» bijziende). —

fin waar schoot ge dit beestje, zeg?

CEverybody's).

Toen ik daar was kreeg ik brieven uit

België en de negerbriefdrager was niet

weinig fier. De wereld ziet verwonderd

onze telgen, pardon, onze postzegels.

M. MERGET. — Ik heb ook vroolijke

dingen gezegd over het examen.

Er zijn uitstekende beambten die veel

ondervinding hebben, en aan wien

men een letterkundig werk oplegt over

de opstijging van professor Piccard in

de stratosfeer!

MINISTER VAN CAUWELAERT.

— Dat is met het oog op de luchtpost.

ANSEELE. — En om brieven te

brengen naar Onze Lieve Vrouw van

Beauraing.

M. HORRENT. — En ik zou toch

ook wat meer de eer van Koekoek

moeten krijgen.

BALTHAZAR. — Van u zouden wij

een film moeten maken.

UYTROEVER. — Een klankfilm. In

een, twee drie zijt gij geen volksvertegenwoordiger

meer.

M. HORRENT. — Dat is een beleediging!

UYTROEVER. — Geenszins De direkteurs

van Hollywood zouden hier

onmiddellijk verschijnen en u tegen

goud aanwerven voor een komieke rol.

't Zou rap gedaan zijn met Charlot en

andere triestige lollekesheeren.

DIERKENS. — Voor een film onder

den titel «De liberale Brabanconne»

zoudt gij onzen naam ver over de grenzen

dragen.

VOORZITTER. — Mijne Heeren,

laat ons vroolljik zijn,- maar onze

werkzaamheden toch niet in het belachelijke

trekken.

M. BOVESSE. — Juist. Ik zal zorgen

voor den ernst.

HUYSMANS. — En voor de liefdescènes.

M. BOVESSE. — Gij, gij zijt jaloerser»,

omdat ik handkusjes geworpen

heb naar uw gewezen minnares

Van Cauwelaert.

HUYSMANS. — Ge moogt ze hebben.

M. BOVESSE. — Mijn bedoelingen

zijn zuiver. Ik zal met Franc ine trouwen.

M. DE BROQUEVTLLE. — Ik beloof

het U. Gij zult introuwen in onze

ministerieele familie, als ge wel leert

en braaf zijt.

M. JENTSSEN. — En ik?

M. MARCEL. — Achter mij!

M. MUNDELEER. — Ik ben hier

ook nog.

M. DE BROQUEVILLE. — Er is

voor allen plaats. Maar op orde, mijne

heeren, en een beetje geduld.

KOOR DER REVOLUTIONNAIRE

LIBERALEN. — WÜ zyn bereidt.

MISSIAEN. — Waarom zouden de

liberalen niet in blok in de regeering

worden opgencmen? Zoo zouden wij

een homogeen katholieke regeering

hebben.

M. JANSON. — Ik heb den weg getoond.

M. MARCEL JASPAR. — Moeten

wij ons bekeeren om minister te worden?

VANDERVELDE. — Niet bekeeren.

U alleen maar een klein beetje omkeeren.

M. MARCEL. — Dan is 't goed. En

als de socialisten aan het bewind komen,

dan zullen wij ons een klein

beetje naar den anderen kant keeren.

M. PONCELET. — Het volgende

punt aan de dagorde is het parlementair

onderzoek.

M. MARCEL. — Ai! Ai! Wat nu gedaan?

Zouden we die zaak niet in der

minne kunnen regelen?

ANSEELE. — Gij moet kiezen.

M. MARCEL. — Wel, ik zal een verklaring

afleggen. Ik ben voor het parlementair

onderzoek, dat noodig is;

maar ik ben er ook tegen omdat het

gevaarlijk is.

M. DE BROQUEVTLLE. — Het is

vooral gevaarlijk. Men zou de schoonste

namen van het vaderland door de

modder sleuren. Het geloof in de vaderlandsliefde

van onze grootste patriotten

zou aan 't wankelen gebracht

worden. Wij zullen dat niet dulden!

De mannen die hier ^e schandalen

willen doen uitbarsten moeten maar

doen zooals ik en detektieveromans lezen.

Dan zal hun verlangen gestild

worden.

M. LIPPENS. — Zeer goed. Men

moet ons wat gerust laten in ons werk.

M. DEVEZE. — Zeer goed. Wij hebben

geen kontrole noodig om het va»

derland te redden.

CONSULT

— lederen morgen een kwartier

Zweedsche gymnastiek.

— Hm! dat is erg vermoeiend, dokter...

enfin, ik zal het wel door mijn

kamerdienaar laten doen...

(Marius).


10 KOEKOEK

Brieven van Pierken

DE NATTUURFERSCHGUNSELS

DE WIN r

De wint is eene van de scgoonste

ferooverinchen van de raenschgeleike

geest. Hü doe de mooles drajen, blaast

de loobalen op en de padden uit de

faalbelkes die zoo dikke wille zün of

nen os. De wint is geleik den Eilichen

Geest, hü blaast geleik da them invalt

uit toosten, uit tnoorden of uit alle

tweeje tegeleik zooda tonmocheleik ist

Van zünen alibibi op te maaken in

geval van misdaat. Ge peist somweilen

kelk Pieroo, gaa daar van agter den

hoek gaan koomen maar tons koomt

hü zuust van tenden de straat en adzuzee

uwe nieuwen hoet is tgaan

zechen.

Tis altU* ezoo mee de menschgeleike

uitfindlnchen, de trüns loopen neffest

de roete en de flieohmaksienen ulder

früns en werke niet. Anfü'n moesten

de münschgen ales kunen ei. nooit

den bal nemeer mislaan tot wa zouwde

de pasters en de goodeleike foorzienichelt

noch diene? Daarbei froecher in

den ouwde tüt als de münschgen nog

zelve uldere wint moeste maaken en

geen andere waapes bezaten om ulder

teege de füjant te ferdeedechen geleik

ln de boeken van Peelick Temmerman

ginget took al nie feel beeter. Twaaren

jij ook altüt dedie die de meeste wint

ferkochte die tferste spronge. G'eb gü

wel te doen als gegü wint teegen ebt

moede gü nie probeere, noch ln tpooletiek,

noch in tmuuziek, noch in tsportiek,

noch ln t'artestiek, tis al jan mün

kloefen en of dade gü u staale spierkragt

meet op de pieete, in tparlement

ln den akademie of ln t'inkterlekteweel

leeven als gegü tferstant nie en ebt

van uwen essansenbak mee wint te

vullen falde gü ooveral in panne en in

schgande. Om de münschgen van in

ulder prile kinderjaaren fertrcuwt te

maaken met teerste en tfoornaamste

der nattuurfersohgünsels beginen de

opvoerders mee ulder van in de wiech

een poose wintoolle op te gieten opdat

ze laater folkoomen in staat zouwde

zün van de zwaare lasten op ulder

schgouwders te beuren die ferbonde

zijn aan het beroep van wintblaas da

door ale eeuwen heen sterk gegeert

is geweest en selfs door de kriezls is

gespaart gebleeve geworden. Als de

wintblaas de jaare van tferstant berü'kt

eeft treet hü in den hegt mee een

wintblaas van tfrouveleik geslagt beigenaamt

wintjufer, waarop du. deeze

laatste dan gewoonleik mee een wintel

voor de pinne koomt die op zünen toer

als hü wel leert en braaf is, deselfde

groote maneuvers ferrigt en züne natte

fincher omooch steekt om te zien hoe

laat da tis en van waar da de wint

koomt. En alzoo bleif* de weerelt foortdraajen

tot grooter f.eucht en deucht

van de kwiestenbiebeis en tot spüt van

wie tbenüt. De wint is nie aleen oorzaak

van de fooruitganch van tmünschgeleik

geslagt, zooals ge ziet, maar

hij is ook nog een dankbaar foorwerp

voor dedie die in de gaazet en in de

raadiejom tweer moete foorspellen.

Mee een beetse oefeninch ebde daljeur

die kunst rap in u keikexs. Als ge beifeurbeelt

tsaavonts Vuiskcmt en tslot

zit op of u eeten is \an de stoof weer

naar de kelder geferhulst dan moochde

er zeeker van zün da de wint ferkeert

zit en dater een sle'tolnale stoorinch

op wech is, zoodat tfoorzigtich is van

u schgoenen uit te speelen en op de

lozeerkaamer te gaan slaapen.


12

DE ZIEK

Een boertje woonde aan de grens,

Die Duitschland scheidt van 't schoone Polen.

Hij had een koe, zijn hartewensch,

En vaagde aan de rest zijn zolen.

Maar zeekren dag werd deze koe

Door ziektekiemen overvallen.

En 't arme boertje wist niet hoe

Hij helpen moest in zoo'n gevallen.

Er woonde op het Poolsch gebied

Een arts voor 't vee met groote kunde.

In Duitschland komen mocht hij niet,

Hoezeer hij ook zijn bijstand gunde.

En ook de zieke koe, helaas,

Kon 't grondgebied niet overschrijden.

De wetten zijn soms dom en dwaas

In deze idiote tijden.

Waar moest ons boertje nu naar toe \

Hij kon dat stukje vee niet derven

En zonder hulp zou vast de koe

Weldra aan hare ziekte sterven.

EH REN GE RICHT

lOHNAHGELECENHEHEN

Dat willen ze door het korporatisme!

.(«Arbeiterzeitung», Weenen).

KOEKOEK

Berijmde schelmerijen (106)

E KOE

Toen kreeg de boer een goed idee.

Hij heeft zijn koetje vastgenomen

En trok ze naar den grenspaal mee

En deed daar ook den veearts komen.

Hij zette toen zijn zieke beest

Met d'eene helft alreeds in Polen ;

Terwijl de andre helft, ja 't meest,

In Duitschland bleef lijk 't was bevolen.

En eens het onderzoek gedaan,

Om vast te stellen wat er deerde ;

Toen ging het dier weer anders staan,

Zoodat 't zijn gat naar Polen keerde.

Zoo kon de man der wetenschap

Dan ook de ziektekiemen vinden

En zei aan 't arme boertje rap :

« 't Is nutteloos u op te winden. >

Hij schreef een passend middel vooi

En zei : «Het is iets uitgelezen. »

De boer betaalde en ging door.

De koe was kort nadien genezen !

Als w'een schaap zien

door dezes konfrater

FERDI

Als w'een schaap zien gaan w'aan 't

En ik ook, 't is te verstaan [Wetten

'k Moet mij dan aan 't dichten zetten

Ai kost ieder vers m'een traan

'k Weet niet hoe dit dier beschrijven

't Is niet als de stier, de koe,

G'onderscheidt hier man' noch wijven

G'hebt slechts wol en wat ragout...

'k Weet niet wat het meest te loven

Zijn gedrag, zijn sohrandren kop?

'k Weet niet... 'k sta daar zelf zoo

Vergelijken gaat niet op.. [boven

Neen ik ben iets heel bijzonders

Geen matrashaar en geen lam

Ook al kan ik — alle donders! —

Dienst doen voor ressort of ram

'k Ben het arme zondeboksken

't Zwarte, dat geen geitje geert...

'k Moet gebaren steeds van dok6ken

Ook als me de Koekoek scheert...

't Schaap heeft echter achterbouten

*k Troost mij dus met mijn gigot

En spot men met dezes fouten

'k Antwoord slechts: mijn konte piro!

FERDI.


KOEKOEK *

Oproer te Gent onder de figuratie

van het monument der gebroeders

Hubertus en Johannes Van Eyck

Verhaal door SINT BAVO

VIII.

— Meneer Olaus, riep de boerin, die

met heur spade op het hoeksken van

Claus's vestingmuurken staat, wat zou

er gaande zrjn!?... Kijk ne keer wat 'n

volk langs alle wegen naar hier komt

gestroomd!

— Wel, Triene, 'k zit er zelf aan te

peinzen, antwoordde Claus, niettegenstaande

zrjn baronsohap, haar in

dezelfde eenvoudige boerentaal,

— 't Is misschien voor den velodroom,

meenden de twee knapen van

het gezin.

— Wat zou het, weersprak Tiste,

die op den anderen hoek staande, het

sap van zijn tabakspruim voor zich uitspeekte.

Ik geloof dat het werkstakers

zijn, want er zijn gendarms bij.

De koeien begonnen te loeien.

— De beesten zien 't ook wel dat er

Iets ongewoons op gang is! beweerde

hij.

— Seezes God! al dat volk komt op

ons erf af! stotterde Triene verbauwereerd.

't Schijnt dat ze het van ons

moeten hebben!

— Ja, meneer Claus, sprak Tiste op

zijn beurt, ze kijken allemaal naar u!

— Wel, Tiste het doet me plezier,

zei Claus, hoe meer zielen, hoe meer

vreugd, als ze mijn doening maar niet

overhoop zetten.

— Ze komen misschien een serenade

brengen dacht Triene.

— Hebben ze u soms in nen hoogeren

adeldom verheven meneer Claus?

vroeg Tiste.

— Neen, Tiste, glimlachte Claus, ze

moeten mij niet hooger verheffen, 'k

zit nu al hoog genoeg!

— 't Is toch voor ons, riep Triene

met meer scherpte in haar geluid, 'k

heb het wel gepeinsd!

— Ja, moeder, riepen de beide

knapen, we zijn al heelemaal ingesloten!

— Dat is wel de prachtigste viziete

die mij ooit is te beurt gevallerr.!

meende Claus. Ik zou haast denken

dat de koristen van het Pransch theater

er bij zijn, of mogelijk ook de leden

van den Marxkrirjg in samenwerking

met de zangmaatschappij De Vereenigde

werklieden waartoe het plan

De Man aanleiding geeft... Ze zingen

alsof het voor een concours ware...

Opeens steeg er iets als een vliegmachine

de lucht in, echter zonder

motorgeronk.

— Kijk eens, moeder, wat een reuzenvogel!

riepen de jongens.

— Dat is geenen vogel, beweerde

Tiste, dat is ... 't is van alles maar

geenen vogel!...

— 't Is ne mensch met vleugels!

riep Triene.

En iedereen stond in bewondering te

kijken naar de schoone, sierlijke vlucht

van het praohtwezen dat daar was opgestegen.

— O! sprak Claus verbaasd, ik heb

al veel schoons in mijn leven gezien,

maar zoo iets prachtigs leb ik nog

nooit te aanschouwen gekregen!

— Hij daalt op ons neer! riepen de

kinders verschrikt zich half bukkend.

— Past op! gilde Triene. Maar de

engel Gabriel kwam statig op den

bovenrand van het achter Claus half

cirkelvormig opgetrokken muurtje terecht.

Claus die het schouwspel bewonderend

had gade geslagen, zei nu:

— Ha! nu zie ik wie dat is: de engel

Gabriel!

— Zooals u zegt, meester Olaus,

sprak de engel. Ik heb de eer u te

melden dat uwe kunstbroeders Hubertus

en Johannes Van Eyck er aan gehouden

hebben u een bezoek te komen

brengen, en een beroep wenschen

te doen op uw alom gekende

gastvrijheid. Kijk, daar zijn zij reeds

aan den voet van uw domein. Te

uwer eere klinke dit bazuingeschal!

En meteen blies de engel een fanfare.

Een groote, indrukwekkende stilte

kwam over de menigte. Claus die was

opgestaan zag nu voor hein de gebroeders

Van Eyck. Hij legde penseel

en palet op den grond, nam zijn hoed

af en sprak zichtbaar ontroerd:

— Groote voorzaten, geëerde kunstbroeders,

ik ben hoogst verrast u aan

mijn nederig plaatsje te mogen zien

en ik grroet beiden met allen eerbied.

Waaraan heb ik de eer en het groot

genoegen van uw bezoek te danken?...

Mijn jongere kunstbroeder vriend

Claus, zei Johannes Van Eyok, veroorlooft

ons allereerst u met de volle

oprechtheid van ons gemoed u warm

de hand te drukken.

— Weest hartelijk welkom op dit

podium, mün broeders! zei Olaus

plechtig...

De gebroeders Van Eyck bestegen

het verhoog en daar drukten de prinsen

der schilderkunst elkaar innig de

hand.

Deze plechtigheid werd door hoerageroep

der menigte en engel Gabriël's

bazuingeschal begeleid. Johannes Van

Eyck nam daarna het woord:

— Waarde Gilde broeder Claus, het

zal ook u wel niet onbekend gebleven

zün, dat wü door een massa bestweters

en kwakzalvers op ons terrein gehinderd

en getergd worden: Het spreekwoord

zegt dat: wanneer de meid van

den paster zich het recht aanmatigt

de mis te doen, de wereld dan op

haar einde loopt». En inderdaad, veel

gaat er ten onder omdat er ten huldigen

dage talxü'ke individuei. zün die

de hand slaan aan instellingen en

zaken waarvan zij niet het geringste

begrip hebben. Zü ondermünen het

heele kunstgebouw dat de groote

geniale meesters hebben opgericht, om

het, zü het dan niet inééns dan toch

na bepaalden tüd met zekerheid neer

te halen. Van deze vandalen, deze

moreele moordenaars, wordt nergens

voldoende gewag gemaakt, uü zün als

het ware onaanstastbaar, omdat, volgens

wat wü de Wet noemen, Kunst

een publiek eigendom is waarvan

iedereen bezit mag nemen, of ze verwurgen.

Maar nu wü men nog verder

gaan en onze scheppingen ja, zelfs ons

bestaan in twijfel trekken, ons ontnemen

wat we schiepen, ons verdrijven

van den grond dien wij beploegden en

in waarde deden stijgen. Wat men

mijn broeder wil aandoen...

— Is dit dan waarlük ernst? viel

Claus Johannes in de rede.

— Ja, en wel zóó dat onze getrouwen,

zelfs het volk met ons in opstand

kwamen. Wü hebben uit protest onze

eere-plaats verlaten! Zonder mijn

broeder kom ik daar nooit meer terug,

dat zweer ik!

— En wü zijn getrouwen, voegde

Tseef er aan toe, blüven aan de züde

der gebroeders Van Eyck! Daarom verzoek

ik u beleefd, meester Claus, mij

voor een oogenblik slechts, het woord

te willen verleenen.

— Spreek vrü uit, goede man, zei

Claus.

— Zoudt gü bereid zijn de gebroeders

Van Eyck en ons voor enkelen tüd

de noodige gastvrijheid te verleenen?

Hoe klein de plaatsruimte ook wezen

mag, wü zullen ons wel schikken tot

het oogenblik waarop wü een uitweg

zullen gevonden hebben.

— Waarde kunstbroeders en vrienden,

ik ben geen redenaar, slecht*

een schilder. Mün antwoord zult ga

zeker wel kunnen raden... Ik zal het

aldus samenvatten.

(Wordt voortgezet)


14

KOEKOEK

Uit het leven van den Platte

Dat was zoo een gewoonte van den

Platte.

Hij was een verwoed kaartspeler.

Al wat hij zei, kwam vaak op het

kaartspel neer. Ik bedoel daarmede

dat hij zijn dagelijksche praatjes

doorspekte met uitdrukkingen ontleend

aan het nobele kaartspel...

Als hij zoo bijvoorbeeld te veel tad

gegeten, dan zei hij :

— Ik pas.

Als hij op een nieuwe meid verliefd

was, heette het:

— Herten haas is troef.

Als hij een oud makker ontmoette

en die lei het er op aan om van den

Platte een pint los te maken, dan zei

de Platte zoo langs zijn neus weg :

— Ik ben al kontent dat ik solo -

'an

gaan.

Was er een weduwe die hem terloops

haar nood klceg, dan troostte

hij illico :

— Ik ga mee!

Maar nu had hij op zekeren da?

een fijne geurige mammezel aan c'.on

haak geslagen.

Het was eigenlijk een oud leelijk

spook, maar opgepopt, en met veel

lood.

De Platte vaarde er wel bij. Hij

mocht ze gezelschap houden in theater

en bioskoop, hij ging er mee eten

ln restaurants, enz.

Maar begrijpelijk : hij moest Lijn

drinkgeld verdienen. Dat wil zeggen :

hij moest de mammezel ook involgen

in heur andere fantasietjes.

Nu moet ik zeggen, de juffer in

kwestie had wel al wat flesch, ze was

niet van de netsten, maar duivels ze

had een temperament zooals weinigen.

Potvernondie, de Platte wis er

van mee te spreken. Er waren morgenden

dat hij opstond en de wereld

onder zijn blik wegschemerde, zoo

flauwtjes stond hij op zijn pikkels,

zoo serieus was hij vermoeid.

Dat begon zün keel uit te hangen

ondanks al de voordeelen aan deze

kombinatie verbonden.

Door haar omgang met den Platte

had de mammezel in zekeren zin ook

enkele van zijn slagwoorden overgenomen

en al kon ze niet kaarten, ze

begon te klappen gelijk een ware

kaartspeelster.

Op zekeren avond waren de beide

kompanen wat vroeger naar bed gegaan

dan naar gewoonte.

Eerst had de juffer zoo al een en

ander verteld over haar jeugd die,

«ooals ge licht vermoeden kunt, ver

achter haren rug lag. De Platte luisterde

maar met een half oor, hij had

toah zoo'n helschen vaak, hij was

van plan om eens duchtig door te

maffen zonder een vin te verroeren.

Ik zeg vin : en ge zult het me niet

euvel nemen, daar de Platte in deze

omstandigheid de rol van een visch

speelde wiens naam in het Pransch

ook wel eens gegeven wordt aan sommige

manspersonen...

Ten slotte zei de mammezel :

— Nu, wat is er ventje, ge blijft

zoo koud?

— 't Is precies geen weer om

te zweeten, weerde de Platte af,

nurksch.

— Ja, maar, lieveling...

Ze bezigde nog een heelen hoop lieve

wcorden, maar het baatte niet.

De Platte deed of hij er niet bij

was. In het einde uit zijn humeur,

beet hü haar toe :

— Al wat ge wilt, hoor, morgen.

Maar voor vandaag pas ik.

Toen barstte de juffrouw in tranen

los en tusschen haar snikken door

stamelde ze :

— HU past. En ik heb zün kaart gezien

: hy heeft een abondance...

In de stad, dat merkte de ouwe

mammezel spoedig, was de omgeving

voor den Platte gevaarlük. De verleiding

was te groot. Ze had er den

Platte weten toe over te halen buiten

te gaan wonen. Ze had er een villa

gehuurd die eigenlük een tweewoonst

uitmaakte met een ander buitentje.

Het was te laat voor het mensch

zich had rekenschap gegeven naast

wie of ze woonde.

Want in het huis naast haar villa,

daar hield zich een oud heertje op

met een jonge vrouw. En deze laatste

was een bloem van een kind.

De buurvrouw had ook dra een

oogje geslagen op haar buurman, den

Platte, die er schitterender voorstond

dan ooit. Hü stak in de kleeren als

een diamantslijper in den goeden tüd

en doordat hü zUn bezigheid nogal

vond, was hü wat afgemagerd, zoodat

hij een uiterst slank voorkomen had.

Enfin, die twee zaten meer in den

hof dan strikt noodzakelük was.

Het oude heertje was een spraakzaam

ventje, en die maakte dan wel

eens een praatje met de oude juffer

welke de Platte gezelschap hield. Er

ontstonden drukke betrekkingen tusschen

de beide gezinnen. Wat gebeuren

moest gebeurde, zooals in den

BUbel of in een ander serieus boek

geschreven staat.

Het oude heertje van naast de deur

had een pracht van een hond. Een

Mechelsohe schaper. Het was een verstandig,

afgericht dier. Die hond was

de trots van het oude heertje.

Op zekeren keer stonden de beide

buren weer een praatje met elkaar te

maken. Het oude heertje had zUn

hond naast zich. Dadely'k begon hü

den lof te zingen van het brave dier.

— Ja, Meneer zei hij, mün hond is

buitengewoon slim. Stel u voor, hij

moet maar eens aan iets geroken hebben,

ik stop het weg, zonder dat hü

kan zien waar ik het verberg en op

een twee drie heeft hU het verborgen

voorwerp opnieuw te pakken.

— Kurieus, zei de Platte.

— Wil u eens even zien? vroeg het

oude heertje.

— Ja, zei de Platte om het ventje

plezier te doen.

— Geef me uw jas.

De Platte deed zUn jas uit.

Het oude heertje liet den hond aan

de jas rieken.

Daarop zei het ventje :

— Ga nu de jas maar ergens ln

huis verbergen.

De Platte verdween met zUn jas.

Een paar minuten later was hU terug.

De oude heer zond den hond naar

binnen.

Intusschen vroeg hU aan den Platte:

— Ge hebt uw jas toch niet te hoog

weggehangen?

— Neen. Ik heb hem op een stoel

gelegd in uw slaapkamer.

Pardaf, daar was de hond al terug.

Maar hemel wat had die in zUn muil?

Het oude heertje floot op het d.er

dat buiten adem toegesneld kwam.

Hij had de broek van zUn meesteres

meegebracht.

— Kurieus, zei de Platte, een beetje

uit zUn lood geslagen.

Waarop het ventje bitsig :

— Ja, kurieus, en hü had toch goed

geroken, daar ben ik zeker van.

's Anderendaags hing er voor het

raam van het oude meneerken een

plaatje. Wat er opstond? Huis te

huur.

Twee dagen later zei de mammezel:

— Lieveling, er komt een oom van

me uit Wiggelghem. Een oude rüke

boer. We zullen er een toertje mee

maken in de stad.

De oude oom kwam. Een gierigaard

eerste klas. Hü had nog nooit in een

auto gezeten, vertelde hü.

Nu meest hü een taxi in.

Het drietal reed naar de stad.

De oude oom was niks op zün gemak.

— Als die kerel ons maar niet verongelukt,

jammerde hü voortdurend.

— Geen kwestie van, suste de

Platte.

Maar in de stad gekomen, na een

poosje was het ventje niet meer *«

houden.

— Ik wil er uit, jammerde hü.

— Maar waarom toch, com?

— Die chauffeur is zat.

— Waar haalt ge dat?

— KUk zelf. De zon schünt en telkens

als we aan den hoek van een

straat komen steekt die chauffeur zün

arm uit den wagen om te zien of het

nog niet aan het regenen ls.


8)

KOEKOEK

JOZEF RECHT

r Jozef Recht trok de dekens over zijn

hoofd, maar de obsessie verdween niet.

Hij dook onder Lijn hoofdkussen, maar

zün geweten achtervolgde hem nog.

HU stak zijn wijsvinger in zijn ooren.

maar het hielp niet. Ten einde raad

richtte hij zich ixalf op en gaf er zich

nu voor het eerst duidelijk rekenschap

van, dat aan de deur vin zijn slaapkamer

werd geklept.

— Binnen riep hij.

Daar zijn deur nooit op slot was,

trad Martha Vonoke zonder aarzelen

binnen. Zij was de dochter van de

hospita en verder ook nog slank,

blond, negentien jaar en meer dergelijke

dingen.

Het was haar nog gebeurd, dat zij

op het onverwachts in de kamer van

Jozef Recht binnen kwam, maar toch

begon hi) te blozen. De menschen die

het kwaad kennen blozen inderdaad.

Martha Vonoke bloosde niet. Er lag

integendeel een lieflijke straling over

haar wezen.

— Mijnheer Recht, sprak ze, ik moet

u geluk wenschen.

Hij keek haar verbaasd aan. Hij

wist dat het zün verjaardag niet was.

— Gij weet het wel... zei ze.

— Tk weet waarachtig van niets.

— Wel ja, gij zijt ridder ln de Leopoldsorde.

Het bloed sloeg hem naar de slapen.

Men had het hem dus gelapt. Waarschijnlijk

zat Alida daar tusschen, en

hij dacht reeds hoe hij zich cp haar

wreken kon.

Martha die zijn verlegenheid merkte,

schreef dat toe aan een overdreven

nederigheid. En daar zij nog altijd

straalde meende Reoht dat hij toch

iets moest zeggen.

— Ach, wat beteekent dat! stamelde

hij.

— Tk weet n!et wat het beteekent,

zegde zij, maar het zal wol iets bekekenen.

— Niks, zei hij kortaf.

— O, lachte zij ongeloovlg, als het

niets beteekende zou het niet in de

gazet staan. Ik heb het aan mrjna gezegd.

— Wat hebt ge gezegd.

— Wel, zij beweert altijd, dat er

niets goeds van u te verwachten is,

tenzij dat gij geregeld de huur betaalt,

maar nu heb ik haar de gazet onder

den neus geduwd.

Jozef Recht was getroffen door zooveel

onschuld, en cm haar niet te

ontgoochelen, zei hij:

— Dan zoudt ge mij ook wel een kus

mogen geven.

Zonder aarzelen stapte zij naar zijn

bed toe, en kuste hem op de wangen,

EEN NORMAAL MENSCH

Hij had zijn arm om haar middel gelegd

en een oogenblik vroeg hij zich

af of hij niet bezwijken zou. Maar dan

liet hij haar los, verschrikt over zijn

schandelijke bedoelingen. Er was zulk

een kinderlijke vreugde in geheel haar

houding, dat het zonde zou geweest

zijn te zondigen.

— Dank u, zei hij eenvoudig, het is

meer dan ik verdien.

En terwijl ze vertrok ze hij hoe

haar stap aarzelde.

— Hebt gij misschien nog iets te

vragen, riep Recht haar achterna.

Nu was zU toch rood van verlegenheid.

— Ja, zei ze, ls het waar, dat gij...

zult trouwen.

Jozef Recht was uit zijn bed gesprongen.

— Excuseer mijn pijam.., riep hrj

uit, maar wie heeft u dat wijs gemaakt.

— Mama, zei Martha, zij zegt dat

gij een crapuul zijt indien ge met spoedig

trouwt met die vrouw die hier

reeds eeniae keeren ls geweest. En

aangezien ik geloof dat gij geen crapuul

zijt, geloof ik dat ge zult trouwen.

— Indien ik moest trouwen omdat

een vrouw op mijn kamer komt, lachte

Recht na, dan zou ik ook met u

moeten trouwen.

— O...

— En waarom niet? vroeg Recht,

die genoegen begon te vinden ln het

spelletje.

— Omdat mama zegt, dat gij onbetrouwbaar

zijt.

— Uw moeder heeft waarachtig

geen hoog denkbeeld van mij.

— Maar ze houdt toch van u, zei

Martha nog terwijl ze nu ineens haastig

de kamer verliet.

Jozef Recht kleedde zich aan. Er

gistten wraakplannen in zijn hoofd.

• • •

Toen hij dienselfden avond Alida

Sohoeppe ontmoette vroeg hij haar dadelijk

mee naar huis. De vrouw zou

zeker gemerkt hebben, dat hij opgewonden

en koleirig was, als ze zelf met

zoo somber was gestemd geweest.

Op zijn kamer gekomen, liet hij Alida

een oogenblik alleen en daalde

weer de trappen af. Een ijseiijk voornemen

dreef hem. Hij wilde Alida op

heeterdaad van overspel doen betrappen

en haar met schande wegjagen.

Dat zou naar leeren samenspannen

met haar bloedigen echtgenoot tegen

haar rechtzinnigen minnaar.

Jozef Recht klopte aan bij zijn hospita.

Het was Martha die opende: zij

verborg haar vreugde met:

15

— Kom binnen, zei ze, moeder is niet

thuis en ik zat juist zoo moederziel alleen.

— Ik heb geen tijd, s,prak hij. Bc

moet u om een dienst \erzoeken.

Straks, over een kwartier of een half

uurtje zal ik op den vloer kloppen. Als

gij dat hoort wilt ge dan naa boven

loopen en onmiddellijk mijn kamer

binnen komen? Ik zal u iets belangrijks

te toonen hebben.

— Wel zeker, zei ze, maar waarom

moet lk wachten Waarom kan ik nu

niet onmiddellijk mee gaan.

— Tk moet de zaken eerst nog regelen.

Geduld. Gij zult beloond zijn.

En met een boosaardige vreugde

trok Recht weer naar zijn kamer.

— Zoo, alles is ln orde, sprak hl).

Alida zweeg.

— A propos, hernam Recht, ik ben

ridder in de Leopolsorde.

Ze scheen het met te hooren.

— Tk ben gedecoreerd, herhaalde

hij vinmig, en lk heb u hartelijk te

danken!!

— O, ge moet mij niet danken. Het

ls Sohoeppe die alles geregeld heeft.

— Ja, ja spotte Recht, hij regelt alles.

Zelfs het doen en laten van zijn

vrouw.

Zij keek hem aan tlsof hij uren van

haar verwijderd was. Zichtbaar waren

haar gedachten elders.

— Waarop wacht ge? vroeg Recht.

— Tk weet niet waarop ik wacht...

— Ik vraag u waarop ge wacht om

u uit te kleeden?

Zij keek de kamer rond.

— Ik ben blij dat ik hier ben, zei ze

droomend. Hier voel ik mij thuis. Tk

ben hier veilig en rustig.

Toen zij te bed lag sprak zij voort,

meer tot zichzelf dan tot Recht.

— 'k Wilde wel, dat ik bij Schoeppe

niet meer moest terug keeren. Ik kan

den man niet meer uitstaan. Hij ls

altijd bezig met rekeningen, olie, dekoraties

en geld. Wat hebt ge nog aan

zulk een man!

— Wel, een paar duizend frank per

dekoratie hebt gij er aan.

Maar Alida scheen nog altijd den

schamperen toon van Recht niet te

vatten. Hij begon er aan te twijfelen

of Alida werkelijk wel samenspande

met Schoeppe voor zrjn oplichterswerk.

En ineens barstte Alida in snikken

uit:

— Neen, ik houd het met uit. Hj|

i6 een ploert van een ventl

En zij wierp rich met zulk geweld

om den hals van Recht, dat deze ach»

terult viel en bijna het nachttafeiltjf

deed kantelen.

(VERVOLGT).


16 KOEKOEK

Humor van anderen

More magazines by this user
Similar magazines