Untitled - Stichting Papua Erfgoed

papuaerfgoed.org

Untitled - Stichting Papua Erfgoed

HANS VAN ASSUMBURG:

TOURNEE

Een boeiende roman over Nieuw-Guinea

Door middel van deze goed geschre-

ven roman maken we kennis met een

ons totaal onbekende wereld en met de

toestanden in het oerwoud van Nieuw-

Guinea, een landstreek, waar de wester-

se beschaving nog niet is doorgedron-

gen. - .

We worden geconfronteerd met de oer-

krachten der schepping en vinden daarin

verloren Evert Caldenhove, een jonge

Nederlander.

Hij is aangesteld als assistent van het

Hoofd Plaatselijk Bestuur, Jaap van

Weghen, en als zodanig wijken zijn

levenservaringen wel heel sterk af van

die, waaraan hij op huize „Caldenhove"

en in Amsterdam gewend raakte.

De tochten door de rimboe, de heidense

dansen, de vijandelijkheden, de primi-

tieve staat van de bevolking, de voor

een jonge, onervaren Nederlander vrij-

wel onoverkomelijke moeilijkheden —

bijzonder suggestief en boeiend wordt

ons dit alles verteld.

Het is dan ook een roman met vele span-

nende, aangrijpende momenten, waaruit

wij leren welk een grote taak Neder-

land nog in Nieuw-Guinea heeft te ver-

vullen.

G. F. CALLENBACH N.V.

NIJKERK


TOURNEE


HANS VAN ASSUMBURG

TOURNEE

G. F. CALLENBACH N.V. - UITGEVER - NIJKERK


Het schrijven van dit boek werd mij mogelijk gemaakt

door mijn vriend Bram van Echt, die mij de gegevens er

voor verstrekte. Voor zijn hulp en medewerking zeg ik

hem hierbij van harte dank.

H. v. A.


EERSTE HOOFDSTUK

I

In het breed-uitwaaierende licht van de morgenzon lag de Jautefabaai;

het water rimpelloos en heldergroen tot in de schemer van de

gele zandbodem, waarop hier en daar rotsblokken lagen, omwuifd

door de lange, strelende vingers der wieren. Links en rechts waren

de hellingen als een donkergroene, bijna zwarte omlijsting van de

spiegel van de baai. Langs de oevers, scherp afstekend tegen de

donkere bebossing der heuvels, stonden enkele palmen, rank en

slank als met zichzelf ingenomen ballerina's. De hemel was fletsblauw

met aan de horizon wat rosse wolkenvlagen; het ijle dons uit

het bed van de jonge dag. Ondanks het vroege uur brandde de zon

al fel op het landschap, schel blikkerend op de waterspiegel, heetwasemend

op de dichte bebossing van de heuvels.

Een smalle, lange vlerkprauw voer de spiegel van de baai aan

scherven. De primitief versierde boeg, vlammend-gele buik van

een hagedis, wier vraatzuchtig-woeste kop hoog boven het water

oprees, trok een gouden V en waar de pagaai met korte, driftige

slagen door het water stampte, sloeg het zonlicht in duizenden

fonkelende diamantjes, streelend langs de boorden van het wankele

vaartuig.

Hoog op de op het vlondertje van de prauw gestapelde barang —

gedeukte, roestige blikken, kartonnen dozen omwikkeld met oude

legerzeiltjes, rugzakken en koppels, alles bijeengebonden door ruw-

7


harde boomvezels tot pakken van ruim twintig kilo — zat Evert

Caldenhove, aspirant-controleur bij het Binnenlands Bestuur. Hij

staarde naar de brede rug van Polisie Arnold, die voor op de smalle

vlerkprauw was gezeten, met de tenen van zijn blote voeten om de

rand van de uitgeholde boomstam geklemd.

Polisie Arnold was niet de eerste de beste en hij accentueerde zijn

waardigheid van politieman met een zware, Amerikaanse helm, welke

hij, niet achtend op de brandende zon, op zijn zwarte kroeshaar

had hangen. Op zijn rug bungelde een lichte karabijn en in het

achterzakje van zijn verschoten khaki-broekje stak een patroonhouder

met daarnaast een paar, in een flard krantenpapier gerolde,

plukken inlandse touwtjestabak.

Evert Caldenhove keek naar de regelmatige bewegingen, waarmee

de Papoea de korte pagaai door het water schepte en hij zag het

rollen van de spierbundels over de schouderbladen. Hij had een

droog-kleverig gevoel in zijn mond en de punt van zijn tong

schrijnde van de scherpe tabak, die hij zojuist gerookt had. Hij verlangde

naar een teug koel water. Hij boog zich wat voorover en

stak zijn hand in het lauwe zeewater en liet het tot boven zijn pols

spoelen. Zijn lange, licht behaarde armen waren bedekt met fijne

pareltjes zweet en hij voelde hoe het langs zijn nek in straaltjes zijn

open shirt binnenliep.

Evert Caldenhove voelde zich onzeker en dat zou hij voor geen

geld ter wereld aan anderen hebben durven toegeven. In zijn herinnering

trachtte hij het ogenblik te achterhalen, waarop zijn leven

een zodanige wending had genomen, dat de reeks van de daarop

volgende gebeurtenissen logisch beredeneerd kon worden tot op

het moment, dat hij transpirerend en dorstig, op de bultige barang

gezeten, in een prauw door Polisie Arnold over het spiegelgladde

water van de Jautefa-baai werd gepagaaid. Hij geloofde, dat als hij

dat ogenblik op heterdaad zou kunnen betrappen, de zin van de

situatie, waarin hij verkeerde, voor hem begrijpelijk zou worden.

8


Er was zeker zo'n moment geweest, dat buiten hem om over dingen

besliste, welke hij in de verste verte nooit geambieerd had. Ergens

in zijn verleden was dus iets voorgevallen, waardoor hij nu

aspirant-controleur bij het B.B. van de onderafdeling Hollandia was

geworden en dat, terwijl hij tot voor twee maanden over Nieuw-

Guinea gedacht noch gesproken had. Tenminste niet in de zin van:

„Daar zou ik wel eens heen willen!"

Maar hij zat er. Levensgroot in een prauw en op weg naar kampong

Nafri, van waaruit hij zijn eerste tournee als B.B.-ambtenaar

door de oetan zou ondernemen met als eindpunt kampong Waris.

Een beetje komisch was de situatie wel. Voor zover hij zich herinneren

kon, had Evert Caldenhove zijn leven lang een vergeefse

strijd tegen het avontuur gevoerd. In zijn diepste wezen had hij een

afschuw van alles, wat hevig en emotioneel was, maar hij was er

nimmer in geslaagd zijn leven zo in te richten, dat aan zijn verlangens

naar een rustig, normaal burgermansbestaan tegemoet

werd gekomen. Dat hij geen ridder van de droevige figuur was geworden,

was te danken aan het gemak, waarmee hij zich wist aan

te passen. Hij verbeet zijn angst en zijn afschuw, trad snel en doortastend

op ten einde zich zo spoedig mogelijk te bevrijden van de

situatie, welke hij niet gezocht, laat staan gewenst had. Dit had

hem echter in brede kring de naam bezorgd een man te zijn, die

niet voor één gat te vangen was.

„Evert Caldenhove?" zeiden ze. „O die! Dat is een ijskouwe!"

Zijn uiterlijk weersprak zijn ongewilde faam van Draufganger niet.

Hij was groot en breed van gestalte. Hij had een vierkante, zongebruinde

kop met golvende, donkerblonde haren en scherpe,

grijze ogen. Zijn kin was breed, agressief bijna. Alleen zijn mond

was wat week en vrouwelijk van lijn.

„Die mond heb je van je moeder," placht zijn vader altijd te

zeggen. „De rest heb je van mij." De oude heer Caldenhove was

heel trots op zijn oudste zoon, die zo in alles zijn evenbeeld leek.

9


Hijzelf deed niets liever, dan woeste ritten op een paard maken

door de uitgestrekte bossen rond „Caldenhove", het fraaie buiten

aan de noordrand van de Veluwe, dat door de bewoners van

het nabijgelegen dorpje „het kasteel" genoemd werd. En 's winters

jaagde hij met zijn vrienden en zakenrelaties. Tot zijn veertigste

jaar was de oude heer een vermetel alpinist geweest en niets en

niemand kon hem weerhouden, als hij in het voorjaar naar Zwitserland

of Zuid-Duitsland reisde, om, tezamen met beroemde gidsen,

gedurfde bergtoeren te ondernemen.

Evert's vader vermoedde niets van de innerlijke strijd, die zijn zoon

telkenmale moest leveren als hij voor de een of andere onmogelijke

situatie kwam te staan. Het kwam eenvoudig niet bij hem op er ook

maar één ogenblik aan te twijfelen of Evert evenveel plezier had

in gewaagde ondernemingen als hijzelf. Evert leek op hem en daarmee

basta. Maar Evert zelf wist wel, dat hij zijn angst en zijn afkeer

van het emotionele bij zijn moeder kon terugvinden. Zijn moeder

was een lieve, zachte vrouw, die de roekeloosheden van haar

man een huwelijk lang met een bevende glimlach om haar mond

had aangezien. Zij was dolblij, dat de jaren haar echtgenoot op

den duur weerhielden van veel wat haar vroeger de doodsschrik

op het lijf gejaagd had. Zij genoot van de rust, die er langzamerhand

voor in de plaats kwam. Haar tijd was eindelijk gekomen.

Zij kon nu voor hem zijn wat zij al die jaren verlangd had

te kunnen zijn, maar waartegen zijn bruisende vitaliteit zich altijd

had verzet.

De oude heer Caldenhove leerde op zijn beurt het genoegen van de

huiselijkheid kennen en hij moest toegeven, dat het rustig thuiszitten,

een sigaar roken, een kleine wandeling door het bos of een

visite bij de notaris of de burgemeester ook zijn goede kanten had.

Nu zijn lichaam de inspanningen van vroeger niet langer kon

dragen, richtte zich zijn belangstelling geheel en al op zijn beide

zoons. Zijn drie dochters interesseerden hem slechts in zoverre, als

10


zij in verband met schoonzoons gebracht moesten worden; als dat

maar flinke kerels waren, die een goed glas wijn of een spannende

jachtpartij konden waarderen, was het hem goed. De rest was zaak

voor zijn vrouw, vond hij. Zijn beide zoons echter bekeek hij met

heel andere ogen. Hij vond, dat Evert het meest op hem leek en

daarom had hij een groot zwak voor hem. De jongste daarentegen,

die de fijne lichaamsbouw van zijn moeder had, stelde hem hevig

teleur. Karel ging theologie studeren en werd dominee in een klein

Fries dorpje. De oude heer wist niet goed hoe hij het had. Hoewel

hij een gelovig man was en trouw de dienst in het dorpskerkje bijwoonde,

lag het ambt van predikant zover buiten zijn gedachtensfeer,

dat hij het zijn jongste zoon bijna kwalijk nam. Evert daarentegen

kwam geheel en al tegemoet aan het beeld, dat hij zich van

een ideale zoon had gevormd. En het waren de omstandigheden,

die er voor zorgden, dat Evert in zijn ogen die voortreffelijke zoon

bleef.

De eerste maal, dat Evert bewust de confrontatie met het avontuur

beleefde, was in zijn zevende jaar. Hij was door zijn grootmoeder,

die in Amsterdam aan een der grachten woonde, te logeren gevraagd.

Zijn vader zou hem met de auto wegbrengen, maar op het

laatste ogenblik was daar iets tussen gekomen en de oude heer

Caldenhove had Evert zonder meer op de trein gezet. „De groeten

aan oma! Goeie reis, jong!" Hij was in Amsterdam aangekomen en

niet, zoals zijn moeder vreesde, in Maastricht of Groningen. Maar

tijdens de reis en toen hij kleintjes het Centraal Station uitstapte en

overweldigd werd door de drukte van het verkeer in de stad, werd

de aversie tegen het avontuur in hem geboren en tegelijkertijd ook

het besef van de onafwendbaarheid. Zijn trots verzette er zich echter

tegen ooit zijn gevoelens te laten blijken. Hij leerde zijn angst

en zijn afkeer maskeren met voorgewende onverschilligheid en met

een manier van doen als sprak eigenlijk alles vanzelf. Hij zocht het

avontuur nimmer, maar hij was er zich van bewust, dat het altijd

11


op de loer lag om hem te overrompelen. De meest alledaagse

dingen eindigden bij hem dikwijls in hevige gebeurtenissen. Hij

werd voorzichtig en trachtte tevoren te peilen of er in een bepaalde

daad mogelijkheden voor emotionele belevenissen verborgen zaten.

Het had geen zin dit te doen, want op de een of andere manier

wist het avontuur hem toch weer te vangen. Zijn vader was opgetogen

en zijn moeder bezorgd; hijzelf in het begin gealarmeerd,

later berustend. Zo verkreeg hij de roep nergens voor terug te deinzen,

hoewel hij in werkelijkheid gevecht op gevecht met zichzelf

moest leveren om de situaties de baas te blijven. Na zijn gymnasiumtijd

ging hij indologie studeren in Amsterdam, meer omdat

zijn vader er geestdriftig voor was, dan hijzelf. Het was de eerste

keer in zijn leven, dat hij bewust toegaf aan iets, waarvan hij tevoren

wist, dat het het loerende avontuur een kans zou geven. Zelf

was hij liever letteren gaan studeren. Deze studie had zijn belangstelling

en hij geloofde er zich een rustiger bestaan mee te scheppen

dan met indologie. De Meidagen van 1940 vielen als stenen in

de vijver van zijn leven. Hij weigerde, uit solidariteit met zijn vrienden

en studiegenoten, de studenten-verklaring te tekenen en dook

onder bij een goede kennis van zijn vader, die een klein buiten

ergens in Drente bewoonde. De bezetting was voor hem een openlijke

uitdaging van het avontuur, maar hij keerde zich af en sleet

zijn dagen met lezen en studeren. Totdat hij op een avond de

dominee van het naburige dorp een vriendendienst meende te bewijzen,

door hem te helpen een paar zware pakken kranten naar

een boerderij in de buurt te brengen. Een half jaar later was hij op

weg naar Engeland, dwars door België en Frankrijk; één lange

tocht vol adembenemende belevenissen met de ruige muur der

Pyreneeën als sluitstuk. Via Spanje naar Engeland. Een jaar later

werd hij ingedeeld bij de jachtvliegers, die na een succesvolle strijd

om Brittannië de eskaders bommenwerpers op hun dood- en verderfbrengende

tochten naar Duitsland escorteerden. Na de be-

12


vrijding werd hij driemaal gedecoreerd en hij schaamde zich diep,

omdat hij al die tijd bang was geweest, verschrikkelijk bang. Maar

het avontuur was onafwendbaar.. .

Na zijn demobilisatie hervatte hij met een zucht van verlichting

zijn studie, vastbesloten deze zolang mogelijk te rekken. Indologie

scheen met de onzekere toestanden in Indonesië een vrijbrief voor

verdere emoties. Het lukte hem aardig dat lanterfanten, hoewel

zijn vader het met lede ogen aanzag. Een zoon, die de eeuwige

student ging uithangen, beviel hem niet. Hij trachtte Evert met alle

mogelijke argumenten te bewegen wat meer haast achter zijn

studie te zetten, maar de verwarde sfeer in het na-oorlogse Europa

zette weinig kracht aan zijn woorden bij.

Toen ontmoette Evert op een toneelvoorstelling, die de studenten

ten bate van de kankerbestrijding hadden georganiseerd, Heleen

Geraerds. Zij studeerde rechten. Zij was klein en tenger van postuur,

donker van uiterlijk met grote, bruine ogen, een kleine, rode

mond en een matbleke teint. Zij had iets kwijnends zoals een tere,

kostbare orchidee. Zij was langzaam in haar bewegingen op een

charmant-verveelde manier en zij sprak steeds op gedempte toon

als deed een te hard geluid haar onzegbaar veel pijn. Zij kleedde

zich met uiterste zorg en verfijnde smaak.

De eerste ontmoeting met Heleen Geraerds ervoer Evert Caldenhove

als een openbaring. Hij verliefde zich in het mysterie van het

emotieloze, dat rond deze jonge vrouw waarde en hij werd bezield

van een hartstochtelijk verlangen haar aan zich te binden. Haar

gracieuze apathie was als een stil, peilloos diep meer, waarin hij

zich wilde baden. Hij maakte haar het hof en na enkele maanden

reeds vroeg hij haar zijn vrouw te willen worden. Zij accepteerde

zijn aanzoek met dezelfde onverstoorbare rust als waarmee zij zich

zijn attenties liet welgevallen.

Hij stelde haar voor, zo spoedig mogelijk na de verloving te gaan

trouwen. Hij wilde, dat zij beiden hun studies zouden afbreken en

13


op „Caldenhove" gaan wonen, waar zij van dat ogenblik af een

rustig buitenleven zouden leiden.

Met verwondering, even kenbaar aan het nauw merkbaar fronsen

van haar fijne wenkbrauwen, luisterde zij naar zijn plannen en

toen hij was uitgesproken en op haar antwoord wachtte, wees zij

het voorstel zonder meer van de hand. Zij wilde wel buiten wonen,

maar zeker niet in Nederland. Haar hele leven lang had zij het

vochtige, kille klimaat van het land verfoeid. Door zijn indologische

studie had hij het in zijn hand, haar mettertijd een woonplaats aan

te bieden, waar zij niet het grootste deel van het jaar hoefde te

rillen van kou. Bovendien was zij helemaal niet van zins haar eigen

studie af te breken. Zij wilde wel verloven, maar met trouwen zou

zij zeker wachten totdat zij haar meesterstitel had behaald.

Haar woorden waren een streep door zijn rekening. Zij kwamen er

op neer, dat, als het hem inderdaad ernst was met zijn aanzoek, hij

moest zorgen zo spoedig mogelijk zijn studie te voltooien. Dan zou

hij moeten solliciteren bij het departement met het verzoek mettertijd

te worden uitgezonden, waarna hij dan gelegenheid zou hebben

haar komst voor te bereiden en zijn proefschrift te schrijven.

Misschien was dat het ogenblik geweest, waarop hij een andere

weg had moeten inslaan. Hij stond op een tweesprong en hij koos

de weg, waar hij aan het einde Heleen Geraerds meende te vinden.

Hij vond Nieuw-Guinea ...

Hij studeerde binnen het jaar af en kreeg een plaats op het

departement in afwachting van het ogenblik, waarop men hem zou

uitzenden. Hij dacht aan Curagao en Heleen Geraerds zei: „Het

waait daar nogal, geloof ik."

Zijn vader had zijn verloving met Heleen Geraerds zonder veel

geestdrift begroet. Het enige lichtpunt, dat hij in de situatie vermocht

te ontdekken, was het feit, dat Evert zijn slabakkerij aan de

universiteit had laten varen en zich, waar het de keuze van zijn

werk betrof, gelukkig weer een echte zoon van de oude Caldenhove

14


toonde. Maar voor de rest was zijn aanstaande schoondochter hem

weinig sympathiek. „Het is een saai wezen!" zei hij ronduit. „Het is

een plant, als je het mij vraagt. Zij lééft niet, zij vegeteert!"

Ook Evert's moeder bleek, tot zijn niet geringe verbazing, weinig

ingenomen te zijn met zijn verloofde. Zij zei het hem wel niet in

zoveel woorden, maar het was aan haar te merken. Zij bleven op

een afstand, niet alleen met Heleen, maar ook met haar familie.

Heleen's vader was chirurg, een deftig, enigszins plechtstatig man

en haar moeder was een klein, schuw en verlegen vrouwtje. Haar

beide broers waren als de vader en haar jonger zusje was een

mager, spichtig kind, dat in tranen uitbarstte als men haar onderzoekend

aankeek, waarna zij stampvoetend de kamer uitrende.

Het was bij een paar beleefdheidsbezoeken gebleven.

„Je moet het me maar niet kwalijk nemen, jong," zei de oude heer

Caldenhove, „maar voor mijn plezier ga ik niet in de kelder zitten

als ik een sigaar wil roken."

Toen, volkomen onverwachts, was het bericht gekomen, dat hij

naar Nieuw-Guinea zou worden gezonden als aspirant-controleur

bij het B.B. van de onderafdeling Hollandia. Voor de zoveelste

maal in zijn leven had het avontuur hem weten te overrompelen en

weer voerde hij een verbeten strijd tegen zijn angst voor het ongewisse.

Heleen Geraerds keek een ogenblik heel bedenkelijk, toen zij het

nieuws hoorde. „Je kunt waarschijnlijk overplaatsing vragen als je

er een tijdje hebt gezeten," zei ze en daarmee was voor haar de

kwestie opgelost. Zij wist van Nieuw-Guinea precies evenveel als

iedere andere Nederlander en dat was heel weinig.

Zijn vader was opgetogen. „Precies iets voor jou, jong!" riep hij uit.

„En je komt niet terug voor je minstens een stam koppensnellers

gepacificeerd hebt!"

Zijn moeder omringde hem met alle mogelijke zorgen en attenties.

Hij werd er bijna verlegen onder. De laatste week voor zijn vertrek

15


was hij op „Caldenhove" en iedere avond als hij naar bed ging,

kwam zij hem „even onderstoppen", zoals zij dat met een verlegenverontschuldigende

glimlach zei. De laatste nacht, dat hij op „Caldenhove"

sliep, ging zij op de rand van zijn bed zitten en schreide

even. Daarna gaf zij hem een klein, in marokijnleer gebonden

zakbijbeltje.

„Vergeet Hem nooit, Evert!" fluisterde zij, terwijl zij hem welterusten

kuste.

Die middag had zijn vader de paarden gezadeld en zij hadden

samen een lange rit door de bossen gemaakt. Het was koud, mistig

herfstweer, de lucht was vol rinse geuren van rottende bladeren.

Zij zwegen en luisterden naar het doffe stampen van de paardehóeven

op de zachte bosgrond. Wiegend deinden zij mee met de

paardelijven en boven het driftige knikken van de hoofden met de

gespitste oren staarden zij voor zich uit. Zijn vader maakte slechts

één opmerking. „Dat van die koppensnellersstam was natuurlijk

maar een grapje van me, jong! Je snapt me wel."

Heleen was ook een paar dagen op „Caldenhove" geweest. Tot

grote verontwaardiging van zijn moeder en onthutste verbazing

van zijn vader bleek zij haar dictaatcahiers te hebben meegebracht

en iedere dag had zij een paar uur gestudeerd.

Evert was haar daar dankbaar voor geweest. Haar onverstoorbaarheid

egaliseerde zijn angst en het was hem mogelijk zijn houding

van „waar-maken-jullie-je-toch-druk-over" te hervinden. Per slot

van rekening was er weinig verschil tussen een jongetje van zes

jaar, dat op zijn dooie eentje naar Amsterdam reist en een jonge

man, die per K.L.M, naar Nieuw-Guinea vliegt. Als je het op de

keper beschouwde, was de laatste zelfs in het voordeel.

Zijn vader bracht hem met de wagen naar Schiphol. Het afscheid

van zijn moeder was kort. Het had geen zin er een drama van te

maken.

„Je hebt het bijbeltje, jongen," zei ze. „Goede reis en... en laat

18


gauw eens wat van je horen!" Toen was zij het huis in gevlucht.

De oude heer Caldenhove reed als een razende Roeland naar

Amsterdam. Er was geen reden voor, want ze zouden ook met een

matig gangetje ruimschoots op tijd komen. Maar het was zo zijn

manier om iets af te reageren. Hij had zich op Schiphol zover herwonnen,

dat hij Evert gewoon de hand kon drukken. „Schrijf maar

eens gauw, jong! En laat je niet kisten!"

Het vertrek was een droom. Heleen was er, rustig en onaangedaan

als altijd; een oase temidden van de nerveuze vrienden, die allemaal

waren komen opdagen om hem vaarwel te zeggen. Hij drukte

handen, handen, handen. Hij zag gezichten, gezichten, gezichten.

Hij zei dwaze, nietszeggende dingen op andere dwaze en nietszeggende

dingen. En al die tijd was het of hij ergens buiten zichzelf

stond en een lange, breedgeschouderde jongeman zag staan in

een uniform, waarop trots een gouden streep rond de epauletten

spande.

Ten laatste bleven alleen zijn vader en Heleen over.

„Nou!" zei de oude heer Caldenhove schor. „Nou!"

De zakelijke luidsprekersstem van de omroepster waarschuwde, dat

het tijd werd naar de douane te gaan.

Toen sloeg Heleen Geraerds haar armen om zijn hals. „En als het

klimaat er niet helemaal is zoals in Nice, is het ook niet zo erg,"

fluisterde zij in zijn oor. „Ik kom toch, Evert!"

En het was het allerergste moment, toen hij tranen in Mar ogen

zag.

Hij was in Hollandia aangekomen, waar men hem met gemengde

gevoelens ontving. Niemand begreep, waarom hij zo plotseling

naar Nieuw-Guinea was gedirigeerd en niemand had een bericht

van zijn komst gestuurd. Hij kwam letterlijk en figuurlijk uit de

lucht vallen. Bestuursambtenaren konden ze echter altijd gebruiken,

maar omdat hij zo'n baroe 1 was, wisten ze de eerste weken

1 Nieuweling.

17


niet goed, wat ze met hem zouden beginnen. Hij moest eerst maar

eens inburgeren, vonden zij en bij werd assistent van het H.P.B. *

van Kota Baroe, Jaap van Weghen.

Van het eerste ogenblik af, waarop Evert met Van Weghen kennis

maakte, wist hij een vriend gevonden te hebben. Van Weghen was

een grote, breedgeschouderde man van achter in de twintig. Hij

had een wilskrachtig-intelligent gezicht, waarin twee donkere,

bijna zwarte ogen stonden, waar gouden vonkjes doorheen schoten,

als had hij voortdurend binnenpretjes. Hij was jaren geleden vanuit

Parijs naar Boven-Digoel vertrokken, waar hij zich had ontpopt

als een fantastisch oetanloper. Hij had een beruchte koppensnellersstam

onder bestuur gebracht en was, korte tijd voor Evert's

aankomst op Nieuw-Guinea, naar Hollandia overgeplaatst. Hij leefde

daar betrekkelijk in een geestelijk isolement. De mensen van

Kota Baroe waren over het algemeen wel geschikte orangs 2 , maar

de belangstelling ging meestal niet veel verder dan het dagelijkse

werk. Er waren enkele vrouwen, die heimwee hadden, doch haar

verlangen richtte zich voornamelijk op het comfort, dat zij in Holland

gewend waren geweest en dat zij op Nieuw-Guinea zo node

misten. De blanke gemeenschap van Kota Baroe speelde onder

elkaar het bittere spel der surrogaten en voor velen was het contact

met de Europese culturele wereld langzamerhand verloren gegaan»

Er was een wat duf-burgerlijke interesse voor in de plaats gekomen.

Van Weghen speelde het spel mee, met overgave zelfs, doch altijd

met dat kleine tikje ironie, dat het spel nog juist scheidde van de

ernst. Hij was misschien meer Parijzenaar dan Nederlander in zijn

denken. In hem leefde de Europese geest nog wezenlijk, tastbaar

bijna in zijn schier eindeloze alleenspraken, als hij 's avonds met

Evert achter een glas bier zat.

Het was het plan, dat Evert met Van Weghen op tournee zou gaan

1 Hoofd Plaatselijk Bestuur.

2 Mensen.

18


door het Zuidelijke District. Daar was al sinds jaren geen bestuursambtenaar

geweest en het werd tijd, dat daar een inspectie-tocht

werd ondernomen. Het zou tegelijk een prachtige vuurdoop voor

Evert zijn.

Van Weghen verheugde er zich op, weer eens, op echt ouderwetse

manier, een paar weken oetan te trappen. Een welkome afwisseling

in de dagelijkse kantoorsleur. Maar toen het ogenblik van vertrek

was aangebroken, kwamen er een paar spoedzaken voor hem om

af te handelen en hij besloot, dat Evert hem dan maar vooruit

moest reizen. „Je zult wel moeten," zei hij, „want we hebben de

kampongs al eeuwen geleden bericht gestuurd, dat we in aantocht

zijn en het is al een paar maal gebeurd, dat er zo'n vijftig koelies

vergeefs zes dagen door de blubber hebben lopen zwoegen om

toean H.P.B, op te halen. Dat moet nu voorkomen worden."

„Maar het is toch waanzin," had Evert zwakjes geprotesteerd. „Ik

ken het land niet en ik heb nog nooit van mijn leven een stap in de

rimboe gezet!"

Van Weghen had maar wat zitten grinniken. „Voor ons allemaal is

het eens de eerste keer geweest, peer. Het zal wel wennen. En hulp

krijg je onderweg in de kampongs wel. Ze lopen daar hun benen

onder hun je-weet-wel vandaan als ze maar denken een wit voetje

bij je te kunnen halen."

En zo was Evert Caldenhove, met zijn tournee-barang en Polisie

Arnold, in een wankele vlerkprauw gestapt op weg naar kampong

Nafri.

Hij voelde zich onzeker, omdat zijn afkeer van het avontuur onverminderd

was, maar hij zou zijn tong liever hebben afgebeten, dan

zijn onzekerheid ooit tegenover anderen te bekennen. Onzeker zijn

was een luxe, welke hij zich af en toe permitteerde als hij alleen

was. Hij was weer echt het jongetje van zes, dat door zijn vader

op de trein wordt gezet: „Goeie reis, jong! En doe de groeten aan

oma!"

ia


II

Polisie Arnold draaide zich om, een brede grijns rond zijn blauwgrijze

lippen. Hij wees recht vooruit. „Kampong Nafri!" zei hij met

zijn schorre stem.

Evert zag enkele hutten, op hoge palen in het water gebouwd,

langs de oever staan. Op het strand ontwaarde hij enige Papoea's,

die kennelijk de aankomst van de prauw stonden af te wachten. Zij

hadden voor deze bijzondere gelegenheid een broekje en een jasje

aangetrokken.

Evert ging rechtop zitten en veegde met zijn zakdoek over zijn

bezwete voorhoofd. Zijn onzekerheid, zijn gedachten aan Heleen,

aan zijn ouders, aan Van Weghen, het kantelde allemaal uit zijn

bewustzijn weg. Kampong Nafri bleef over.

Kampong Nafri... Bamboehutten, die de indruk wekten in een

voortdurende, wiebelende beweging te zijn. Het waren architectonische

dwaasheden, zoals ze daar op de dunne, lange palen boven

het spiegelende water stonden. Op de oever wachtte een tiental

mannen.

Polisie Arnold pagaaide de prauw snel en handig naar de oever en

sprong een paar meter van het strand overboord om het vaartuig

naar de kant te trekken. De Papoea's schoten naderbij en hielpen

Evert uitstappen.

In de kampong was het stil. Vrouwen lagen naakt en roerloos voor

de openingen der hutten op de grond. Zij sliepen of deden alsof.

Een kind hief even nieuwsgierig het hoofd op, maar drukte zich

meteen weer plat tegen de bodem. Behalve de tien, die hem opgewacht

hadden, en bij wie zich de korano met enkele dorpsnotabelen

bevond, zag Evert geen mannen. Een bang voorgevoel

bekroop hem. Hij keek de korano strak aan.

„Er zouden twintig dragers zijn," zei hij streng.

Er waren er maar zeven, die een eindje verderop zaten te wachten.

20


„Waar zijn de anderen?"

De korano wuifde met zijn hand in de richting van de hellingen.

„Weg, toean."

Evert liep het huis van het kamponghoofd binnen en liet zich in

een van de twee rieten stoelen zakken, die het huis rijk was. Het

was er schemerig en benauwd. Er hingen lange, verkleurde slierten

guirlandes en rood-wit-blauwe vlaggetjes met trieste feestelijkheid

langs de lage zoldering. Tegen de wanden waren hier en daar foto's

bevestigd, uit de tijd toen Hollandia door de Amerikanen bezet

was. Een paar Papoea's bleven voor de deuropening staan en keken

nieuwsgierig naar binnen. Een rauwe schreeuw van Polisie Arnold

riep hen weg naar het strand, waar zij de barang uit de prauw

moesten helpen lossen.

Evert veegde opnieuw zijn bezwete voorhoofd af. Hij strekte zijn

benen en staarde naar de punten van zijn schoenen. „Lekkere

boel!" zei hij halfluid. „Zo schieten we wel op!" Hij knipte misnoegd

met zijn vingers. Toen stond hij op en liep naar de deuropening,

waar hij staan bleef, kijkend naar de sjouwende mannen

bij de prauw op het strand. — Twintig pakken, dacht hij. — Zeven

dragers ... Dat zijn er dertien te weinig. Van Weghen zei nog, dat

het rotjongens waren hier in Nafri.

Hij trok zijn schouders op en haalde een pakje sigaretten uit

zijn zak. Hij keerde zich om en liep terug naar de rieten leunstoel,

die hard kraakte toen hij er zich in liet neervallen. Hij stak een

sigaret op en blies de rook in een felle, blauwe pluim naar het

lichtgat van de deur. — Teruggaan naar Kota Baroe en het morgen

nog eens proberen? De korano zijn huid vol schelden en hem

dreigen met alles wat maar verschrikkelijk is als hij niet zorgt, dat

er morgen twintig dragers staan aangetreden?

Hij overwoog het even, maar de gedachte lokte hem niet aan. Hij

had met Van Weghen gewed om een fles goede wijn, dat hij niet

binnen de twee maanden zou terugkomen, geen groenkoorts zou

21


krijgen en zeker niet gek zou worden. Het was niet zozeer die

weddenschap, die hem deed aarzelen naar Hollandia terug te keren

als wel de gedachte, dat hij dan morgen weer opnieuw zou moeten

beginnen, weer opnieuw zijn angst zou moeten overwinnen. Zijn

eerste tournee was aangevangen. Hij zat in Nafri. Het was niet ver,

goed, maar het was een begin. Teruggaan betekende een nederlaag,

ook al had hij zo'n prachtige verontschuldiging aan de dertien

dragers, die het vertikt hadden klaar te staan om voor tachtig cent

per dag door de blubber van de oetan te sjouwen met twintig kilo

op hun nek.

— Verder gaan dus?

Hij stond weer op en liep naar buiten.

De barang lag nu netjes opgestapeld op het strand. Twintig grote

pakken. Geen vrachtje, dat je voor het gemak maar even onder je

arm meeneemt.

Hij smeet met een driftig gebaar zijn sigaret op de grond en zette

er zijn hak op. Toen liep hij met grote passen naar het kamponghoofd

toe, die met Polisie Arnold bij de barang stond. De anderen

zaten een paar meter verder op hun hurken en staarden voor zich

uit als ging de hele kwestie hun niets aan.

„Wanneer komen die dertien kerels terug?" vroeg hij op scherpe

toon, toen hij vlak voor het kamponghoofd stond.

De man week verschrikt een pas achteruit. „Morgen, toean!" zei hij

zwakjes. „Morgen zeker!"

Evert wendde zich tot Polisie Arnold. „We gaan verder. Trommel

die zeven bij elkaar. De barang wordt overgepakt. Alleen het hoognodige

wordt meegenomen." Abrupt draaide hij zich weer om naar

de korano. „En die dertien lammelingen volgen morgen, begrepen?

Met de pakken, die we in het kamponghuis zullen achterlaten. Er

hangt wat boven je hoofd als het niet gebeurt."

„Saja, toean! Saja..."

Het werd passen en meten. De volgorde van de dragers moest wor-

22


den herzien. Met zeven man begon je niet veel. Polisie Arnold had

er meer kijk op en met zijn adviezen lukte het ten laatste. Meer

hoofdbrekens kostte het, een keuze te maken welke barang kon

worden achtergelaten en welke moest worden meegenomen. De

petroleum en de schoolschriften voor de missiepost in Wembi

mochten onder geen beding blijven liggen. Ze zaten er om te springen.

De contactgoederen waren voor het ogenblik van minder belang.

Het was zijn plan een paar dagen in Wembi te blijven. In die tijd

konden de dertien deserteurs wel zijn aangekomen met de pakken,

die hij in Nafri moest achterlaten. De proviand baarde weer grote

zorgen. Er waren geen blikjes om de rantsoenen voor de komende

dagen in over te pakken. Na veel passen en meten werd ook hier

een oplossing voor gevonden.

Het zweet stroomde Evert tappelings langs zijn gezicht, toen hij,

na een uur, eindelijk het sein voor vertrek kon geven. De zeven

koelies stonden bepakt klaar en Polisie Arnold gooide zijn karabijn

over zijn schouder. Hij grijnsde naar Evert, die op dat moment het

allerliefste bij de dertien pakken in het kamponghuis was gaan

zitten om uit te rusten ...

23


TWEEDE HOOFDSTUK

I

1 ussen de Jautefa-baai en het eigenlijke oerbos lagen de steile

heuvels, bedekt met leemachtige, rode aarde, begroeid met laag

struikgewas, waaraan scherpe dorens haakten. De grond, nog wasemend

van de regens der laatste weken, was glad en vettig. Dikke,

rode leemklompen bleven log en zwaar aan de schoenzolen klonten.

Onbarmhartig fel brandde de zon boven het landschap in een

enorme, alles omvamende hitte.

Op handen en voeten kroop Evert Caldenhove tegen de hellingen

op. Hij gleed, struikelde, viel een paar meter terug, hees zich

verder op, schramde zijn armen, wondde zijn handen en krampte

zijn spieren samen om een houvast, een klein steunpunt in de botervette

leembodem. Voor hem uit klom Polisie Arnold en achter hem,

in verspreide orde, klommen de zeven dragers. Zij hadden, zo

gauw zij kampong Nafri verlieten, hun broeken en jasjes uitgetrokken

en zij liepen naakt, op een vies, voddig schaamdoekje na.

De rauwe kreten, waarmee zij elkaar aanriepen, snerpten hoog door

de zinderende hitte. Zij hadden de barang met een reep boomschors

om hun voorhoofd gebonden. De twintig kilo zware vrachten

rustten op hun gespierde nekken en ruggen.

De enige gedachte, waarvan Evert zich bewust was, terwijl hij

hijgend voortzwoegde, was: niet achterblijven, in vredesnaam niet

achterblijven! Het enige gevoel, dat hem beroerde, was jaloezie, als

hij de lange, forse gestalte van Polisie Arnold voor zich uit zag

24


lopen met het gemak als wandelde hij op een goed aangelegde

weg.

Langzamerhand werden de struiken hoger en hoger. Zij werden

bomen. Het brandende zonlicht werd dampende schaduw. Zonder

dat zij het ogenblik, waarop het gebeurde, konden betrappen, betraden

zij het eigenlijke oerwoud. Zij werden verzwolgen in een

oceaan van groen. Het licht was vaal en flets, zoals dat zijn kan in

een kamer aan de zonzijde, waar groene lancaster-gordijnen voor

de ramen zijn neergetrokken. Het zingen der ontelbare vogels en

het snerpend tjirpen van de krekels vloeide samen tot één groot,

schel geluid. Na een kwartier was het zo met zijn indrukken vervlochten,

dat hij het nauwelijks nog hoorde, evenmin als hij zich

nog langer bewust was van de enige en overheersende kleurimpressie:

groen, groen, groen ...

De vurige nijptang van de zon, die zijn zwoegend lichaam in een

felle greep had gehouden, verloor haar kracht tegen de groene

schemer boven zijn hoofd. Het lopen viel hem nu makkelijker, al

had hij nog moeite genoeg Polisie Arnold bij te houden.

Van Weghen had hem verteld van een journalist, een nogal zwaarlijvig

man, die Nieuw-Guinea was komen bezoeken. Hij wilde met

alle geweld het rimboekruisje achter zijn naam hebben. Zij hadden

hem toen naar een tam stukje bos ergens langs de weg tussen

Hollandia-stad en de haven gebracht. Voor het begin wilden zij het

hem niet al te moeilijk maken.

De man had zich met veel moeite een paar honderd meter door de

oetan geworsteld en was toen plotseling stil blijven staan. „Is het

verderop precies zo?" had hij gevraagd. Ze moesten dat toegeven.

Per slot van rekening zijn alle bomen eender. De journalist was

direct teruggekeerd. „Dan heb ik het wel gezien," had hij gezegd.

Van Weghen vertelde dit verhaal luid-lachend als was het een

goede mop, maar Evert had de bewering van de journalist nog niet

zo onredelijk gevonden. „Het is toch waar!" had hij gezegd. „Een

25


oom is een boom en een heleboel bomen bij elkaar zijn een bos en

als het een beetje wild en woest door elkaar groeit, heb je een

rimboe."

Maar Van Weghen had zijn hoofd geschud. „In wezen had die

man natuurlijk gelijk," zei hij. „Het ging hier niet over de vraag:

heb ik een rimboe gezien, doch: heb ik de rimboe ervaren. Dat is

heel wat anders. Ervaren kun je een rimboe alleen als je dagen, ja,

weken aan één stuk in het oerbos rondzwerft, als je de eenzaamheid

leert begrijpen, als het groen van de bomen je langzamerhand

tot een obsessie wordt, als je denkt, dat er geen einde en geen begin

meer aan de oetan is. Dan... Die journalist ziet nu de rimboe

als iets. Het is geen iets, het is wel degelijk een persoonlijkheid,

waarmee je moet leren vechten, dikwijls tot je er bij in elkaar dreigt

te zakken. Sommigen verliezen de strijd."

Aan die woorden van Van Weghen moest Evert Caldenhove denken,

toen hij bijna op de hielen van Polisie Arnold over boomwortels

stapte, door struikgewas waadde en slingerplanten opzij

duwde.

— Dit is pas het begin, dacht hij.

Ze bereikten een grote, open plek in de oetan, schurftig kaal temidden

van de overvloedige groei.

Polisie Arnold bleef even staan. „Kampong Cosso!" zei hij, wijzend

naar de open plek.

Evert herinnerde zich de naam. Van Weghen had hem de plaats

aangeduid op zijn tournee-route. Vroeger was hier een kampong

geweest. De bewoners waren door oorlogzuchtige stammen verdreven

en het dorp was vervallen tot een dode plaats, tussen muren

van groen. De oetan sloop van alle kanten naderbij en stak haar

groene klauwen uit. Mettertijd zou niemand meer precies kunnen

zeggen waar kampong Cosso gestaan had. Mettertijd... Het bos

kende geen tijd.

„Voorbij Cosso beginnen de sago-moerassen," zei Polisie Arnold,

26


terwijl hij verder liep, de kleine vlakte over, het bos weer in.

Het pad werd smaller tot het nauwelijks breed genoeg was om

twee voeten naast elkaar te zetten. Het was geen pad, het was een

platgetrapte streep grond, die met grillige bochten tussen knoestige

boomstronken, struikgewas en stekelige sago-palmen door slingerde.

De bodem was grijze, stinkende, kleffe modder, die in dikke

koeken aan de schoenen vastklontte. Onder de modder lagen de

hinderlagen van half-weggerotte boomwortels en takken en enorme

flarden van bladeren. De struiken en slingerplanten vlochten naar

boven een dicht, groen kleed, tot aan de toppen der bomen, die

hoog en onzichtbaar door het dikke bladerendak adem stonden te

happen om te ontkomen aan de wurgend benauwde vochtigheid

aan hun voeten. Het licht was nu niet meer dan een vals-gekleurde

schemer. Een schemer, die, zoals Evert zich voorstelde, over de

aarde zou strijken bij de Jongste Dag; onheilspellend en onwerkelijk.

De modder zoog-slurpte bij iedere moeizame stap, die hij deed.

Rond zijn schoenen vormde zich een dikke brei-klomp, die aankoekte

tot een bonk, als de vormloze poot van een reusachtige

olifant. De modder kroop langs zijn benen omhoog, langs zijn

broek tot aan zijn middel en met het slijmerige water, waarover

duizenden zwarte muskieten in pijlsnelle, korte vluchten heen en

weer schoten, drong de brij door zijn schoenen en zijn broek heen.

Zij beet zich vast op zijn bezwete huid, die korrelig was van het

zout. Eerst was zij nat en hard, met grote, langzaam aandikkende

koeken, daarna ging zij ondraaglijk schrijnen, branden en jeuken.

Evert Caldenhove voelde de modder komen, langzaam en onweerstaanbaar.

Hij kon er zich niet tegen verzetten. Hij kon zich niet

met één machtige beweging bevrijden van de opsluipende brij, die

zijn lichaam begon te overdekken en hem vervulde met een zeurend

pijngevoel. De modder kwam en hij ging er in ten onder. Hij

werd er door vervormd tot een grijze massa drek, voortzwoegend

27


in de tijdloosheid van de oerstof. In het begin was er nog slechts

één gedachte: verder! verder! Later werd ook dit vonkje bewustzijn

achterhaald en ingekoekt door de modder. Hij was een wezen, dat,

zonder het te beseffen, voortploeterde. Er was geen oerbos meer,

geen groen, geen hemel, geen zon, geen morgen, geen middag, geen

avond, geen... wereld meer. Er waren geen muskieten, die snerpende

woede-aanvallen op hem ondernamen. Er waren geen dikke,

kleverige vliegen, die rond zijn gezicht zoemden en bij tientallen

tegelijk op zijn wenkbrauwen en oogleden neerstreken, nauwelijks

verjaagd door de reflex-beweging van zijn bemodderde hand. Er

was slechts modder, dikke, vette modder, waarin zijn voeten decimeters

wegzakten. Er was slechts vallen, glijden, weer overeind

krabbelen, met handen tasten naar een steunpunt, een houvast

in een wereldwijde modderstroorn. Hij veranderde in een varken,

knorrend en wroetend, doch zonder de wellust voor de drek,

waarin hij voortstrompelde. Bij iedere stap voorwaarts groeide de

modder in haar vreselijke tegenwoordigheid, tot zij na uren een

gruwelijk monster was geworden, over wiens lichaam hij rondstapte,

telkens aangegrepen door zijn zuigende, borrelende tentakels.

De tijd kantelde weg in de eeuwigheid. De tijd stond roerloos,

ver en spottend met een tot modder verworden mensenkind.

Alles had zijn zin verloren. Er was geen Polisie Arnold meer, die

voor hem uit liep. Er waren geen dragers meer, die achter hem

aankwamen, hoorbaar door klappen als pistoolschoten, waarmee de

blikken van de barang tegen elkaar sloegen. De meters, die hem

van hen scheidden, waren uitgegroeid tot een ontzaglijke, niet meer

te meten afstand. Dat hij zich voortsleepte, was het meesterschap

van zijn onderbewustzijn. Zijn wil en energie waren allang weggegleden

in de zompige, kleffe modder. De mens in hem was

ondergegaan in het moeras, het dier bleef in leven. Het dier

worstelde voort, meter na meter, uur na uur ...

28


II

I oen was er plotseling het wonder van de open plek, wijd en

groen met kniehoog, nat gras, waarin millioenen diamantjes tintelden

onder het laaiende zonnelicht. Een wonder, dat hij niet direct

in zijn geheel vermocht te overzien en te aanvaarden. Hij deed nog

een paar moeizame stappen en liet zich toen als een blok neervallen.

Hij sloot de ogen. Nooit zou hij meer overeind komen. Maar

de zon brandde op zijn languit liggend lichaam en zoog het water

uit de modder, die hem overdekte; harde, trekkende kleiplakken

achterlatend. Langzaam keerde het denken in hem terug en met

het denken het leven. Nog wist hij nauwelijks, dat Polisie Arnold

zich over hem heenboog en hem een veldfles tussen de tanden

stak. Het water kolkte in een koele stroom over zijn slijmerige tong

en langs zijn verdroogd verhemelte tot in zijn brandende keel.

Werktuiglijk slikte hij, een beetje verbaasd kijkend naar het donkere

gezicht, dat boven hem was.

„Het is avond, toean," zei Polisie Arnold.

Het was avond.. .

Er waren een morgen en een middag aan voorafgegaan, geen tijdloos

zijn en ondergaan in een onafzienbare modder-zee. De tijd was

barmhartig en wilde weer terugkeren tot Evert Caldenhove. Hij

wilde zich laten vangen in het woord „avond".

Avond... De zon ging onder, betekende dat. Het zou nacht worden.

De aarde draaide haar baan door het universum.

Er was een aarde. Er was een zon. Er was een dag. Er was tijd.

Evert richtte zich moeizaam overeind. De droog geworden modder

brak korstig over zijn hele lichaam. De modder was bleek-grijze

schurft.

„Dit is bivak Sekanto, toean," zei Polisie Arnold.

Er was niet alleen tijd, maar ook plaats. Bivak Sekanto aan de

29


Sekanto-rivier. De modder was niet eindeloos dus en ook niet onoverwinnelijk.

Hij krabbelde omhoog en strompelde door het gras naar de kali,

het tweede wonder, dat hem geschonken werd. De rivier stroomde,

breed en kolkend, vanuit de groene muur van de oetan, tussen

hoge oevers. Donkerbruin water met flarden spierwit schuim.

Evert stond aan de oever en staarde naar de kali. Het was hem als

slurpte hij met zijn brandende blik het water in. Toen begon hij

met langzame, bijna automatische bewegingen zijn kleren los te

knopen. De eerste laag schurft gleed van hem af en viel met doffe

geluiden op de grond. Toen sprong hij in de rivier.

Het koele water omvatte hem. Het streelde langs zijn lichaam, het

overspoelde hem, drong zich in hem. Hij werd één met het water.

Hij zwom met langzame slagen. Het was bijna een wellust. Het

water werd meer dan water. Hij zwom een voorzichtige schoolslag,

een vreemde dankbaarheid voor het water; een crawl was te ruw,

te autoritair. Het water was goed, het was troostend, balsemend,

verkwikkend. Ket water werd een grote, allesbegrijpende vriend,

beschermend en oppermachtig, machtiger dan de modder, die hij

met zachte vingers van zijn lichaam weekte.

Een nieuwe mens kroop na een kwartier het water uit en begon

zich af te drogen met de handdoek, die Polisie Arnold voor hem

had klaargelegd. Er waren schone kleren, een hemd, een broek en

een paar sokken. Hij trok ze aan, genietend van de weelde van al

dit zuivere, dit soepele en fris-warme.

Aan de hemel begon bleek-vaal de avond te komen.

De dragers waren begonnen het posthuis aan de Sekanto-rivier in

orde te brengen. Er brandde al een vuurtje en in een keteltje, dat

aan een stok boven de vlammen bungelde, dampte het water voor

de koffie. Onder het lage atapdak zaten de koelies op hun hurken

bijeen; een donkere massa mensenlijven in de schemer. Zij draaiden

30


pikzwarte, inlandse tabak in gedroogde pisangbladeren tot vormloze

strootjes.

In de hut had Polisie Arnold een hangmat met een klamboe tussen

de palen gespannen. Op de vloer lag een deken, waarop Evert zich

met een zucht van welbehagen liet neervallen. Uit zijn rugzak

haalde hij een pakje sigaretten. Met een gloeiende spaander zoog

hij het vuur in de tabak en inhaleerde diep.

De avond was koel. Uit de oetan slopen de schaduwen van de nacht

tot aan de kleine vuurtjes, welke door de Papoea's buiten waren

aangelegd. Zij kookten de rijst voor Evert, het water aandragend

in de bladschede van een niboeng-palm. Zij roosterden hun sago in

een pisangblad boven het vuur.

Na het eten lag Evert Caldenhove languit op de deken en staarde

naar de duisternis, die zich boven zijn hoofd al tussen het riet genesteld

had. De wereld was stil geworden, het hoge dreinen van

de myriaden krekels was een deel van die stilte, het zachte ruisen

van de kali verdiepte haar. De hitte van de dag was teruggeweken

tot onder de bomen van de oetan, waar de lucht nog trilde en de

damp vochtig-warm te broeien hing. Over de vlakte, tot aan de

rivier, streek echter een zachte, koele wind. De rooksliertjes van de

vuurtjes kringelden omlaag en kropen aarzelend over de grond

tussen het gras. De reuk van het smeulende hout was prikkelend.

De nacht kwam plotseling van over de oetanrand de vlakte in vallen,

snel zijn zwarte sluier wevend, kleine openingen latend voor

de aarzelende vuurtjes en de zachte, gele lichtplek van het walmend

oliepitje, dat Polisie Arnold boven de hangmat had gehangen.

De dragers zaten buiten rond de vuurtjes en praatten met fluisterende,

donkere stemmen. Af en toe klaterde een lach op, kinderlijk

luid. Dan viel de rust weer rond hun goedig brommend babbelen.

Evert klom in zijn hangmat onder de klamboe, die hij half open

liet om de as van zijn sigaret te kunnen wegtippen. Hij slingerde

licht heen en weer, een zacht wiegen op tijd en rust. Hij was dood-

31


moe en hij verlangde slechts één ding: zo spoedig mogelijk in slaap

te vallen. Maar de slaap scheen weggezogen te zijn in de brij van

de sago-moerassen. Hij was klaar wakker, zijn hoofd héél licht als

een ballonnetje en ergens in zijn hersens zeurde een zachte hoofdpijn.

Hij lag geheel ontspannen, doch de spierbundels in armen,

benen en rug trokken pijnlijk. Zij waren zwaar en keihard. Zijn

bloed sloeg er met korte, driftige slagen tegenaan.

Hij gooide zijn sigaret op de vloer en zag het puntje beneden zich

gloeien tot het in een zwakke sprankeling van vonkjes stierf. Langzaam

trok hij zijn klamboe dicht.

— Slapen, dacht hij. — Ik moet slapen. Morgenochtend moet ik

verder kunnen.

Hij sloot zijn ogen.

— In een hangmat hangen. Slaap je niet, dan rust je toch, zou

moeder zeggen,

Hij zag haar plotseling zitten, klein en tenger in de grote leunstoel

bij de haard. Het lamplicht streelde over haar zilverwitte haar. Een

boek lag open op haar schoot, haar fijn gevormde, blanke handen,

waarover heel licht-blauw de aderen liepen, rustten op de leuning.

— Slaap je niet, dan rust je toch...

Zijn vader zat tegenover haar en rookte een sigaar. Zijn fors, wilskrachtig

gezicht, met de geweldige Bismarck-snor, stond nadenkend.

Hij hoorde hoe de tak van de grote kastanjeboom, die

vlak bij het venster van de zitkamer stond, zachtjes tegen het raam

tikte. Zijn vader had die tak willen afzagen, maar het was er nooit

van gekomen. Misschien was hij bang het zachte, geheimzinnige

tikken tegen het venster te moeten missen. Misschien was hij het

vergeten en hoorde hij het niet meer, zoals je een geluid, dat dagelijks

om je heen is, niet meer hoort.

— Dan rust je toch.. .

Heleen zat op haar kamer en schreef met fijne, spitse letters in een

cahier. Boeken lagen rondom haar. Haar gezicht stond strak en

32


aandachtig. Haar fijne wenkbrauwen trilden even mee met de

halen en lussen van de letters, die zij precieus op het papier

tekende. Ik heb gehoord, zei Heleen, dat het op Curacao nogal

waait. Van Nieuw-Guinea had zij niets gehoord, anders had zij misschien

gezegd: ik heb gehoord, dat een mens er langzamerhand

verandert in een varken. Ze zei echter wel, dat zij komen zou, ook

als het klimaat niet met de Cöte d'Azur te vergelijken was. Er is

geen enkele vergelijking mogelijk, dat moet ik haar schrijven.

— Slaap je niet...

Het werd winter op „Caldenhove". Er zou sneeuw vallen. Sneeuw.

Wat is sneeuw? Modder? Ik dacht, dat het 's winters modderig was

op de wegen rond „Caldenhove", maar dat woord duidt het begrip

niet meer aan. Modderig... Er is geen vergelijking mogelijk.

— Dan... rust... je...

De slaap had zich eindelijk uit de sago-moerassen weten los te

worstelen en zweefde het bivak binnen, drong door de klamboe

heen en legde een hand op zijn voorhoofd.

— Ik... moet... Heleen... schrijven, dacht hij nog. Met een

glimlach stak hij zijn hand onder de opgerolde deken onder zijn

hoofd, waar het bijbeltje lag, dat zijn moeder hem voor zijn vertrek

had gegeven. Hij streelde het zachte leer van het bandje. — Er...

is geen ... vergelijking... geen vergelijking... mogelijk...

Hij geeuwde.

— Dan ... rust... je... toch...

Toen viel hij in een diepe, grondeloze slaap.

Buiten lagen de Papoea's rond de vuurtjes. Af en toe gooide er een

wat droge takken in de vlammen. Zij knetterden zachtjes. De rook

kringelde zoetjes de duisternis in. Rondom het bivak stond de

nacht, zwart en verstild, boven alle dingen en geluiden...

33


III

1 oen hij de volgende morgen wakker werd, aarzelde het eerste

licht in het oosten, boven de oetan. Hij keek op zijn horloge. Het

was nog geen vijf uur. Van buiten kwam de pittige, donkere geur

van koffie. Hij richtte zich op en maakte zijn klamboe open. Zijn

spieren en gewrichten waren pijnlijk stijf. Wat houterig liet bij zich

uit de hangmat vallen, geeuwde, krabde zich door zijn haren en

liep naar buiten. Daar zat Polisie Arnold bij een der vuurtjes koffie

te zetten. Zijn zwarte gezicht stond somber en dreigend en toen hij

Evert ontwaarde, sprong hij haastig op.

„De dragers zijn weggelopen, toean."

Evert moest daar eens even over nadenken. Hij ging op een der

blikken van de barang zitten en keek naar zijn blote tenen, die hij

op en neer liet wippen tussen de riempjes van zijn sandalen. „Wanneer?"

vroeg hij. Als deed het er wat toe of hij precies op de hoogte

gesteld werd van de tijd, waarop die kerels van Nafri er tussenuit

geknepen waren. Van Weghen had hem gewaarschuwd. „De kust-

Papoea's zijn grondig verpest door de Amerikanen, die hier tijdens,

de oorlog hebben rondgezworven," had hij gezegd, „en Nafri is de

beroerdste kampong van de hele kust."

„Vannacht, toean."

Polisie Arnold schonk een beker koffie voor hem in.

Voorzichtig slurpte Evert van de gloeiend hete vloeistof. „Mooie

bende!" zei hij toen. Hij wist, dat er een stel dragers uit Kota Baroe

was vertrokken met meel voor de missie in Arso. Als hij goed

rekende, moesten ze vandaag het Sekanto-bivak passeren. Er zat

niet veel anders op dan te blijven wachten tot ze kwamen opdagen,

dan konden ze het meel in het posthuis laten staan en zijn barang

verder pikoelen. Er zat zowaar nog een goede kant aan deze tegenslag.

Een dagje lanterfanten was nog niet zo gek na de vermoeienis

van de vorige dag, die met de nachtrust nog lang niet uit zijn,

34


otten was verdwenen. Hij vertelde Polisie Arnold wat hij besloten

had.

De Papoea knikte ernstig en begon een strootje te rollen. Halverwegen

hield hij op en stak een wijzende arm uit. „Toean!"

Evert wendde zich om en bij de hangbrug, die over de kali was gespannen,

stonden drie Papoea's.

Polisie Arnold sprong overeind en riep hen aan, schorre, langgerekte

kreten uitstotend. Het antwoord werd teruggeschreeuwd.

„Het zijn er drie van Arso, toean, op weg naar Kota Baroe."

De drie mannen liepen met lange, lenige passen over de zwiepende

brug naar het bivak.

— Ze kunnen mooi voor postillon d'amour spelen, dacht Evert met

een grijns. — Een net briefje aan Van Weghen, dat hij die kerels in

Nafri de wacht moet aanzeggen...

De drie dragers waren in het bivak aangekomen. Zij knoopten de

repen boombast los, waarin hun barang hing en gingen zwijgend

op hun hurken rond het vuurtje zitten. Zij rolden een pisangblad

open en haalden er een brok sago uit, dat zij langzaam boven de

vlammen roosterden. Met een parang hakte een van hen een klapper

open. Het oude, vezelige vlees verdeelde hij in drie gelijke

stukken.

Evert dronk een tweede beker koffie en ging daarna naar binnen

om zijn sigaretten te halen. — Dat wordt slabakken vandaag, dacht

hij en hij was er niet rouwig om.

De zon kroop langzaam boven de toppen van de bomen uit. Uit de

oetan vlaagden zware geuren van groen en bomen en de grond

rond het bivak begon te dampen. Ijle nevelslierten zweefden boven

het natte gras. Toen schreeuwde, ergens diep in het bos, een vogel

hoog en schel. Een andere antwoordde en weer een en weer een.

De stem van de oetan zong luider en luider. De krekels vielen in,

zinderend tjirpend met lange rollers, plotseling eindigend in een

korte, hoge triller. De dag was geboren ...

35


Evert rekte zich uit. Hij koesterde zich in de koelte van de morgen,

die hem deed denken aan een lentedag in Holland. De jonge zon,

de zachte nevel, het natte gras, de vogels en het tere blauw van de

hemel boven hem. Toen schroefde hij zijn vulpen los en begon zijn

briefje aan Van Weghen te schrijven.

„Beste Jaap, die kerels van Nafri blijken er vannacht vandoor

gegaan te zijn. We zitten nu moederziel alleen bij de Sekanto. Kun

jij daar eens wat aan doen, minstens zorgen, dat er zo spoedig mogelijk

een nieuw stel komt, niet zo beroerd als wat ik van de korano

heb meegekregen. Overigens is de koffie warm en de hemel als in

de Mei van Gorter."

Een kwartiertje later verdwenen de drie dragers in de oetan, richting

Kota Baroe. Als alles meeliep, zou Van Weghen de volgende

dag het briefje in zijn bezit hebben. Dat het kamponghoofd van

Nafri een warm uurtje te wachten stond, vervulde Evert met een

diepe voldoening.

Er zat nu niet veel meer op dan wachten op de dingen, die komen

zouden. Polisie Arnold slingerde zijn karabijn over de schouder en

kondigde niet zonder snoeven aan, een vogel te zullen schieten,

waarna hij met vlugge tred in de oetan verdween.

Evert keek hem glimlachend na. — De opschepper, dacht hij. — Het

zal me benieuwen. Enfin, hij komt op een plezierige manier de tijd

door, misschien is het wel de roep van het bos, die hij niet weerstaan

kan.

Hij zocht een gemakkelijk plaatsje uit onder het atapdak en ging

zitten. Hij leunde tegen een paaltje en verdroomde een uurtje. Het

was een rustig zitten, waarbij gedachten zwierden en zwenkten als

vlugge vogels, heen en weer, zonder dat hij de moeite nam er één

te vangen.

In de oetan groeide het leven naar de volle dag toe. Het zingen der

vogels, het tjirpen der krekels en het kletteren der harde, brede

36


palmbladeren, bewegend in de zachte wind, werd steeds luider.

Het was of er telkens een regenbui in harde druppels op de bladeren

ranselde.

Kota Baroe lag ver achter hem, zó ver, dat het vreemd was te denken

aan een stad, aan huizen, straten, mensen, auto's ... Het sagomoeras

lag er tussen en het had de verbinding afgesneden. De verschrikkingen

van de vorige dag, toen hij voortploeterde in de

oceaan van modder, kon hij zich nauwelijks nog voor de geest

halen. In ieder geval was het maar een zwakke voorstelling van wat

hij doorgemaakt had, precies als kiespijn, die je je nooit in de volle

narigheid meer kon herinneren.

Nog twee dagmarsen was het tot Arso en daarna nog een dag tot

Wembi. Driemaal zou hij eeuwigheden moeten doorworstelen, eenzaam

temidden van een groep dragers, die zijn eenzaamheid niet

ophieven, doch accentueerden. Driemaal zou hij worden overspoeld

door de tijdloosheid. Driemaal zou hij mijlen schier ondoordringbare

oetan, modder, rottende plantenresten en hitte ontmoeten.

En toch kwam het hem voor, als waren die drie dagen gemakkelijker

door te komen dan de dag van gisteren. Hij wist nu

wat hem te wachten stond. Hij wist nu, dat na uren zwoegen en

ploeteren het mens-dier rust kreeg en weer geheel en al mens kon

worden in het koele kali-water, in de schemer van het bivak, in de

koelte van de avond, in de bittere aroma van de kokende koffie en

in de zoete geur van een sigaret. Hij trachtte zich voor te stellen

hoe het thuis was op dit ogenblik, maar een blik op zijn polshorloge

leerde hem, dat zijn fantasie weinig spectaculair kon zijn. Het was

tien uur in de morgen en zijn ouders en Heleen in Holland lagen

nu zeker nog onder de wol. Holland werd een klein, zacht

droompje. Het was niet eens moeilijk, je voor te stellen, dat het niet

bestond. Maar toch wist hij, dat het eens weer realiteit zou worden,

dat hij er weer middenin zou staan en dat de oetan dan in een

37


familie-album zou worden opgeborgen: ja, toen heb ik eens een

maandje of wat in de wildernis gezeten.. .

In de toekomst een herinnering en nu... een mensenleven hoog,

breed en diep. Het volume van zijn bestaan ...

IV

legen de middag waren ze er plotseling.Niemand had hen zien

komen, geen geluid hadden zij gemaakt, toen zij met hun zevenen

uit de oetan te voorschijn kwamen en het bivak betraden. Zij zetten

hun barang op de grond en gingen zwijgend op hun hurken zitten.

Het waren de dragers, die de dag tevoren met het meel voor de

missie van Arso uit Kota Baroe waren vertrokken.

Tot grote vreugde van Evert bleek het, dat zij het meel in Nafri

hadden achtergelaten en daar een deel van de barang, die hij in

het kamponghuis had moeten laten staan, hadden meegenomen. Hij

vroeg de mannen wat zij in Nafri hadden gezien. Zij wisten hem

niet veel te vertellen. De kampong was uitgestorven, er waren

geen mannen, 's Nachts hadden zij echter wel de gedroste dragers

ontmoet, die gezegd hadden, dat zij waren teruggestuurd.

Evert was geërgerd over de huichelachtige manier van doen, waarvoor

Nafri in de loop van de jaren een beruchte naam had gekregen.

De korano had staan buigen en knikken, maar daarbij was

het gebleven: geen man in heel Nafri dacht er aan de barang uit

het kamponghuis naar Wembi te pikoelen. Hij hoopte, dat Van

Weghen tijd en gelegenheid zou vinden onverwachts in Nafri te

verschijnen, om er als een oud-Germaanse dondergod het kamponghoofd

te vertellen, waar het precies op stond. Na zo'n bezoekje van

het H.P.B, ging het wel weer voor een paar maanden. Maar het

waren beroerlingen en het zouden wel beroerlingen blijven. Nafri

was de zwakke plek van de hele tournee naar Waris.

38


De Papoea's zeiden, dat ze direct door wilden lopen tot aan de

Isobo-rivier, een paar uur in zuidelijke richting. Zij zouden dan de

volgende avond in Arso aankomen.

Het was een redelijk verlangen, maar het plaatste Evert voor een

nieuw probleem: er zou barang moeten worden achtergelaten. En

dat betekende, dat hij weer een uurtje kon passen en meten, pakken

en binden, vóór de zeven beschikbare mannen het hoognodige

konden vervoeren. Daarbij wist hij niet goed wat hij moest doen

als alles in kannen en kruiken was. Polisie Arnold zat nog steeds

ergens in de oetan en trachtte een vogel onder schot te krijgen.

Wanneer hij terug zou keren, was een open vraag. Het enige wat er

op zat, was, de dragers vooruit te sturen met de opdracht het bivak

aan de Isobo-kali in gereedheid te brengen. Hij moest wachten op

Polisie Arnold en daarbij wist hij niet, of hij de overgebleven

barang zomaar aan de Sekanto kon achterlaten. Van Weghen had

hem hierover nooit iets gezegd. Hij had de echte angst van de

Nederlander om ergens iets onbeheerd te laten staan.

De zeven Papoea's verdwenen even later in de oetan. De oudste gaf

hij zijn jungle-karabijn met drie patronen, in de hoop, dat de knaap

een varken zou neerleggen. De man was zo trots als een pauw en

hij schreed met grote, bedaarde passen voor de andere zes uit, de

zwiepende hangbrug over. De bomen verborgen hen voor zijn blik.

Nog een paar minuten hoorde hij het geluid van hun rauwe stemmen,

toen stierf het weg, opgenomen in de groene stilte van de

oetan.

Het duurde nog wel een uur voor een schel gefloten Amerikaans

jazzdeuntje de komst van Polisie Arnold aankondigde. Hij kwam

uit het bos te voorschijn met het air van een gevierd acteur, die op

het punt staat het publiek weer eens te laten genieten van zijn

kunst. De helm hing achter op zijn hoofd, de karabijn hield hij losjes

in de handen. Een brede grijns blonk rond zijn mond, waar de

tanden fel-wit glommen. „Tida boeroeng!" zei hij achteloos. „Geen

39


vogel gevangen!" Hij luisterde aandachtig naar wat Evert hem vertelde

en lachte zorgeloos, toen deze hem sprak van zijn bezorgdheid

over de barang, die zij zouden moeten achterlaten. „Niemand

zal de barang aanraken, toean," zei hij en daarna hurkte hij bij het

vuur, viste er een stuk zwart verbrande sago uit en begon te eten,

Zijn dikke hangwangen zwabberden op en neer bij de heftige maalbewegingen

van zijn kaken.

V

Jntet waren enkele uren, die hem nog van de weldadige rust in het

bivak aan de Isobo-rivier scheidden. Het was echter één geweldige

rijstebrij-berg van vette, stinkende modder, maar er liep iets, wat in

de verte op een pad geleek, tussen de bomen door. Een ervaren

oetan-loper kon, zonder al te veel in een van boven tot onder met

modder bedekt wezen te veranderen, de afstand afleggen door onafgebroken

van boomwortel op boomwortel te springen.

Polisie Arnold liep voor Evert uit en deed het hem met benijdenswaardig

gemak voor. In het begin was het een prettige bezigheid.

Het deed Evert denken aan een spelletje uit zijn jeugd:

over alle plassen springen, steeds van het droge naar het droge.

Het springen werd echter al spoedig een bijna ondraaglijke kwelling.

Hij had nog niet geleerd, bij iedere sprong mee te geven. Telkens

bonkte hij met zijn volle gewicht en zijn volle voetzool op de

smalle, stakige boomwortels. Het begon te branden, te schrijnen en

ten slotte schier gek-makend te jeuken. Hij trachtte zijn taktiek te

veranderen door te proberen op zijn tenen terecht te komen, maar

de zolen van zijn schoenen waren vet en glibberig van de modder

en hij gleed, met een kletsende slag, languit in de stinkende brij.

Het koeken en korsten van de modder begon weer sarrend over

zijn lichaam te kruipen.

40


Het was een verademing als het pad dwars dooi een poel liep. Het

water, koel en helder, reikte dan tot aan zijn middel. Het verfriste

hem en hij verlangde een paar tellen te kunnen blijven staan, maar

de myriaden muskieten, die over het stille water heen en weer schoten,

zorgden, dat het alleen bij een verlangen bleef.

Een ondraaglijke dorst begon hem te kwellen en hij verwenste het

ogenblik, dat de zeven dragers bij de Sekanto-rivier in de oetan

waren verdwenen, want onder de barang, die zij nu uren voor hem

uit naar het Isobo-bivak sjouwden, was ook zijn veldfles. Hij probeerde

zijn dorst te ontkennen, trachtte tevergeefs aan iets anders

te denken dan aan een slok koel water, maar ten laatste schreeuwde

hij naar Polisie Arnold, die een paar meter voor hem uitliep.

„Drinken?" vroeg deze hoofdschuddend. „Drinken is niet goed,

toean." Uit het achterzakje van zijn verrafeld khaki-broekje viste

hij een klein flesje, schroefde het open en schudde wat van de

inhoud op Evert's uitgestoken hand. „Zout is goed, toean."

Verbaasd en teleurgesteld tegelijk keek Evert naar de zoutkristallen

in zijn handpalm.

„Eten, toean!" drong Polisie Arnold aan.

Evert trok een vies gezicht.

„Zout is goed!" zei Polisie Arnold weer en om meer overtuigingskracht

aan zijn woorden bij te zetten, schudde hij zelf wat zout

in zijn hand, at het op, smakte met zijn lippen en wreef over zijn

buik.

Aarzelend bracht Evert zijn hand naar zijn mond en gooide toen

het zout met een korte beweging op zijn tong. Hij staarde verwonderd

naar het lachende gezicht van de Papoea. Hij proefde het

zout niet en zijn dorst was veel minder. Zijn lichaam had bij het

transpireren zoveel zout verloren, dat de behoefte de vieze smaak

neutraliseerde. Het was een openbaring voor hem.

Tegen de avond bereikten zij het bivak aan de Isobo-kali, waar de

dragers alles in gereedheid gebracht hadden. De oudste was met

41


Evert's karabijn de oetan in getrokken om een varken te schieten,

waarvan zij de sporen onderweg hadden ontdekt. De vreugde over

de volbrachte tocht en de rust, die voor hem lag, deden veel van

Evert's vermoeidheid verdwijnen en in minder dan geen tijd stond

hij aan de rand van de rivier, gereed om een verre duik in het water

te nemen.

De Papoea's begonnen verschrikt te schreeuwen en maakten met

hun armen wijde, happende bewegingen, als stelden zij dieren

voor, die met bloeddorstige muilen hun prooi verscheurden. Er

zaten ontelbare krokodillen in de kali, vertelden zij.

Teleurgesteld week Evert terug. Het was een geduchte tegenvaller

en een beetje landerig waste hij zich, door water over zich heen te

gooien met een blik. De Papoea's spoelden hun vuile goed in de

rivier. Zij zaten langs de oever met vertrokken angst-gezichten, hun

voddige doeken met voorzichtig uitgestoken arm door het water

halend, gereed, om bij de minste of geringste beweging in de geheimzinnige

diepte van de rivier weg te springen.

Evert trok schone kleren aan en voelde zich behaaglijk, na de

modder van de oetan.

Toen viel, vlakbij, een schot, gedempt als de plof van een champagne-kurk.

De dragers kakelden opgewonden en wezen op de

oetan, waaruit even later de oudste drager, aan wie Evert zijn karabijn

had geleend, te voorschijn kwam. Hij holde met een triomfantelijke

grijns op zijn gezicht het bivak binnen, schreeuwend, dat

het hem gelukt was een „babi besar" te schieten.

„Een varken! Een varken!" De mannen waren wild en twee renden

er direct met hem terug de oetan in om het dier op te halen. De

anderen kwamen druk in de weer. Zij kapten jonge bomen, trokken

met hun tanden de bast los en scheurden deze in lange, taaie

vezels, waarmee zij hangmatten tussen de bomen spanden. Zij

haalden in holle palmstengels water, zochten, krakend en brekend

in de oetan, naar droog brandhout en verzamelden bundels blade-

42


en, die zij in bamboe-kokers persten en daarna in het vuur te

koken hingen.

Onder rauwe kreten, als messen kervend door de bezonken rust van

de late namiddag, werd een kleine zeug uit de oetan gedragen en

neergelegd op een bed van pisangbladeren. Het dier lag, donker

en een beetje afstotend, in de verstarde houding van een plotselinge,

krimpende dood, temidden van de mannen. De oudste, de

man, die het dier geschoten had, hakte met enkele flinke meshouwen

de kop van de romp. De ogen kierden glazig en wezenloos,

als sliep het dier nog en kon het ieder ogenblik ontwaken. Met

brede halen van de parang werd het lichaam opengesneden. Flabberend

puilden de ingewanden naar buiten en slibberden over de

pisangbladeren, onmiddellijk overdekt met een zwarte, wriemelende

koek van duizenden vliegen. De achterbouten en een lap van

de ribben werden losgehakt en verdwenen met spieren, beensplinters

en het vel, waaruit de borstelige, zwarte haren vijandig

opstaken, in een ijzeren pot met water, die inmiddels boven een

vuur te koken was gehangen.

Vijf dragers kwamen in aanmerking voor de verdeling van de rest

van het varken. De twee anderen waren van kampong Scofro, in

het district Wembi, waar het aan getrouwde mannen verboden was

varkensvlees te eten. Zij verdwenen met Evert's karabijn en twee

kogels de oetan in om te trachten een kroonduif of een casuaris te

verschalken.

De resten van het varken werden in stukken gescheurd en in gelijke

brokken onder de vijf mannen verdeeld. Zij draaiden hun

vleeshompen in pisangbladeren en legden ze in het vuur om ze te

laten roosteren. De oudste drager knauwde grommend aan de gebrande

kop, het vlees, de botten en het vel vermalend tussen zijn

sterke tanden. Behaaglijk slurpte hij van de grauwe hersenmassa.

Het vlees, dat nauwelijks tijd kreeg door te koken, was taai als leer.

43


Zij scheurden het met hun tanden vaneen. Het water, waarin de

brokken gekookt waren, was echter zacht en soepel als een goede

bouillon. Het eten van de dragers had iets roofdierachtigs: vol

overgave, geheel en al opgaande in het object, dat zij met hun

vingers grepen en met hun tanden vaneen scheurden, zacht grommend,

ergens achter in hun keel. Evert keek er gefascineerd naar. —

Zij eten totaal, dacht hij. — En het is toch geen vreten.

Het was bijna geheel donker toen de twee mannen uit kampong

Scofro uit de oetan terugkeerden, zonder iets geschoten te hebben.

Zij gingen bij het vuur zitten en roosterden stukken sago.

Evert bleef nog even buiten om een sigaret te roken, daarna klom

hij in zijn hangmat en schoof zijn klamboe dicht. Hij was moe en

verlangde te slapen. Toch was die vermoeidheid anders dan de dag

tevoren. Misschien had het te maken met het feit, dat hij vandaag,

op zijn zwoegend ploeteren door de modder, geen ogenblik de normen

en verhoudingen uit het oog had verloren. Er was een dag geweest

en er was tijd, zodat hij morgen, middag, avond en nacht bewust

had kunnen leven. Hij had de dingen opgemerkt, zoals ze

waren, niet vergroot in overspannen fantasie: de bomen, de wortels,

de modder, het stinkende water, de muskieten en de groene schemer

van het oerwoud met de gillende zang van de vogels en de

krekels. Hij vond het een winst, die hij boeken mocht en die hij

meende te kunnen aflezen in de zo geheel andere vermoeidheid,

welke hij nu voelde. Hij was dus bezig zich over te schakelen. Vroeger

was voorbij. Vroeger was Evert Caldenhove de zoon van de

eigenaar van „het kasteel", zoals ze in het dorp zeiden. De Evert

Caldenhove, die door zijn vader beschouwd werd als zijn evenbeeld

in alles, was uitgeschakeld. Er was een mens overgebleven,

die langzaam zou moeten leren wat het betekende eenzaam in het

oerbos te leven. Die zou moeten begrijpen, dat hij die eenzaamheid

alleen maar op zichzelf zou kunnen afreageren en dat hij in dit

44


proces de krankzinnigheid slechts zou kunnen bevechten, door

boven zichzelf uit te groeien.

„Er kunnen je in de rimboe maar twee dingen overkomen," had

Van Weghen gezegd. „Je wordt gek of je groeit ver boven jezelf,

boven je alledaagse niveau uit."

Evert Caldenhove lag aan die woorden te denken, terwijl de nacht

zich langzaam rond hem legde tot de duisternis volledig was.

— Zo moet het zijn om in een doodkist te liggen, peinsde bij. — Zo

geheel en al ingepakt en met duisternis rondom en de druk van het

hele universum op het nietige zijn van een dood lichaam ...

Maar het donker bleef doortrokken van de gil der krekels, golvend

als een branding aan een steile rotskust, steeds terugkerend met

nieuwe kracht en woede, daarna zuchtend weg-ebbend in de oneindigheid

van de oceaan...

Voor het eerst tijdens zijn tournee vouwde Evert Caldenhove zijn

handen. — Je wordt gek, dacht hij, — of je groeit ver boven je alledaagse

niveau uit... Kan ik dat alleen dragen? Onze Vader, die in

de hemelen zijt, geheiligd worde Uw Naam...

VI

1 n de gloeiende hitte van de middag bereikten ze op de vierde dag

kampong Wembi, die hoog op de kop van de eerste heuvels na

Arso lag. De heuvels klommen tot voorbij de Australische grens op

tot een machtig bergmassief.

Over de oetan, die er van de heuvel af uitzag als een enorm veld

met boerenkool, droeg het donkere, zware geluid van de tong-tong.

De kampongbewoners hoorden het geluid en begrepen de boodschap:

„De toean uit Kota Baroe is gekomen!" En zij haastten zich

van tussen de bomen, vanuit de hutten, vanachter de sago-palmen

vandaan naar de open plek, op de hoogste heuvel, waar het post-

45


huis stond. Een kip kakelde schel en verschrikt. Een hond jankte

klaaglijk. Een kind blèrde even fel op en werd dadelijk gesust.

Langs de hemel trokken lange, zilveren wolkenslierten traag tot aan

de horizon. De tong-tong gonsde rhythmisch over de kampong en

de slagen dreven weg van de heuvel en vielen in het zwijgende

groen van de oneindige oetan ...

46


DERDE HOOFDSTUK

I

Jivert liep de laatste helling naar het posthuis van Wembi op. De

eigenlijke kampong lag in een dal tussen sagopalmen. Op de platte

kop van de heuvel stonden alleen de officiële gebouwen: het posthuis,

het bureau van de schrijver en de politiepost. Er was een vers

voetpad gekapt en er lagen kleine, dwarsliggende boomstammetjes

als treden; een lange trap tot aan de top van de heuvel, waar de

schrijver een erepoort had opgericht. Evert keek met enige verbazing,

vermengd met geamuseerdheid, naar het bouwwerk, dat als

een primitieve triomfboog de toegang tot het erf tussen de bestuursgebouwen

afsloot. Het was een hut van boomvezels, versierd

met sinaasappelachtige vruchten, een kroon van papaja's, waarboven

een groot, houten kruis was bevestigd. Onder de kroon en

het kruis hing een bord, waarop in stijve, onhandige letters het

woord „WELKOM" geschilderd was. Boven van de heuveltop

rolden langgerekte, melancholieke fluittonen omlaag.

Evert bereikte de erepoort. Hij stond even stil, trok zijn vechtpetje

recht op het hoofd, sloeg langs zijn bemodderde kleren en stampte

met zijn voeten, even grinnikend om dat dwaze gebaar van voetenvegen-voor-j

e-binnenkomt. Toen duwde hij de lange rietslierten,

die als een gordijn in de poort omlaag hingen, opzij en betrad het

erf. Hij voelde weer diezelfde rust en zekerheid, welke hij gekend

had in het Sekanto-bivak, toen hij na zijn bad in de rivier langzaamaan

was bijgekomen van zijn vreselijke worsteling door de

sago-moerassen.

47


Het erf tussen de bestuurshutten was schoongeveegd en hard aangestampt

door de regens van de laatste weken. Midden op het plein

stond een lange, dunne boomstam, waaraan een gescheurde en

door de zon uitgebleekte rood-wit-blauwe vlag roerloos omlaag

hing. Voor het posthuis stonden de schrijver en de dorpsnotabelen.

Aan de uiterste rand van het erf was de kampongbevolking bijeengetroept;

de mannen vooraan, de vrouwen naar achteren, wat

schuw in de struiken, die het erf omzoomden. Kinderen hingen op

haar rug en verscholen zich verschrikt, zodra Evert zijn blik in hun

richting wendde.

Een kort, hard bevel klonk over het pleintje, een geslaagde imitatie

van de schreeuwende commando's der Jappen tijdens de bezetting.

De twee man sterke politie presenteerde het geweer.

De schrijver trad naar voren om Evert te verwelkomen. Hij was

een Papoea van het Sentani-meer, die lange tijd met de beschaving

in contact was geweest. Hij droeg zijn officiële uniform, een licht

khaki-kleurig costuum met een nauw gesloten boord. Op zijn borst

hing, trots aan een rood-wit-blauw lintje, het insigne van de kankerbestrijding

te pronken. Het was voor hem een ontzagwekkend

teken van zijn waardigheid. Het onderscheidde hem van alle

andere kamponghoofden. Hij boog, met een brede, diepe glimlach

over zijn zwarte gezicht. Onwennig schudde hij Evert's uitgestoken

hand en zei, langzaam en moeizaam zoekend naar iedere lettergreep:

„Roe... .den... .dag.... me... .neeg.... tot.... uw....

diens...."

Daarna was het de beurt aan de kepala en de korano, de toean uit

Kota Baroe te begroeten. Zij traden naderbij, tipten van een meter

afstand even aan Evert's hand en trokken zich toen met verlegen

lachjes terug.

De schrijver liep naar de tong-tong, een meterlange, uitgeholde

boomstam, die aan de takken van een djoeroekboom hing. Hij

sloeg. Drie korte slagen. Daarna een lang aangehouden roffel. Dan

48


weer drie korte slagen. Het doffe geluid rommelde over het pleintje,

steeg omhoog en duikelde over de struiken de hellingen van de

heuvel af naar beneden. Toen begonnen van alle kanten de fluiten

weer te roepen in lange, zwaarmoedige tonen. Het deed Evert denken

aan een polder in Holland, waar, tegen de avond, de koeien

bijeengedrongen aan het hek staan, loeiend en in ongeduld wachtend

op de melkers.

Door de erepoort kwamen twee mannen geschreden, een grote,

breedgeschouderde pater in het bruine habijt der Franciscanen en

een lange, slanke Papoea, de goeroe.

De pater liep op Evert toe en stelde zich voor: „Akkermans, in de

wandeling pater Piet!" en hij zond Evert een geweldige knipoog

toe, waarna hij zich naast hem opstelde. De goeroe drukte met een

vage glimlach Evert's hand. Hij had het smalle gezicht van de

Papoea's der Kei-eilanden. Hij ging naast de pater staan.

Toen kwam door de erepoort de schooljeugd van Wembi marcheren,

telkens drie kinderen in keurig gelid naast elkaar. Zij droegen

voddige hemdjes, die de vale kleur van jutezakken hadden. Om

hun hals hingen snoeren kleine, kleurige kraaltjes. De meisjes hadden

ijzerdraadjes door de oorlelletjes gestoken, sommige — de gelukkigen

— een veiligheidsspeld. Zij hadden allemaal gemillimeterd

kroeshaar. Hun lichaampjes waren overdekt met grote, donkere

builen, die waren veroorzaakt door inbrandingen in de huid. Zij

stelden zich voor de vlaggemast op, dicht op elkaar gedrongen,

dood-verlegen met schuin gebogen kopjes wegkijkend over hun

smalle schoudertjes.

De goeroe trad naar voren en stak zijn hand op. Aarzelend, hier en

daar even vals uitschietend met hoge, schelle stemmetjes, zetten de

kinderen het Wilhelmus in. De Maleise tekst was nagenoeg onverstaanbaar

in het onregelmatige zingen. Evert verstond de woorden:

„Wilhelmus van Nassouwe" en „Hispanje", de rest ging onder in

49


het triïïend-onzekere gezang der kinderen. Maar de melodie was

dezelfde, ernstig en gedragen.

Hij stond rechtop en stram, eenzaam in het midden van het pleintje.

Zijn saluerende hand, aan de klep van zijn verschoten vechtpetje,

trilde. Het was hem als liepen er stralen ijswater langs zijn

rug. Zijn ogen stonden wijd open en staarden brandend voor zich

uit. Zijn tanden knauwden op zijn droge, korstige lippen. In zijn

hart schrijnde een zacht heimwee, dat aanzwol tot een pijn, heen

en weer golvend tussen ontroering en verlangen. Door een zacht

waas van tranen, dat hij trachtte te verbijten, zag hij de ernstige

gezichtjes der kinderen. Hij zag de grote hapbewegingen van hun

mondjes, de toegewijde ernst, om zoveel mogelijk geluid voort te

brengen, in hun donkere oogjes. Hij zag de corrigerende hand van

de goeroe, als deze zich vooroverboog om de maat van het lied te

achterhalen en terug te brengen. Hij zag de fletse, verschoten kleuren

van de vlag, lang en slap neerhangend langs de dunne boomstam.

Het rood, het wit, het blauw. Het blauw was maar juist iets

donkerder van toon dan het ijsblauw van de hemel, die boven de

wereld spande. En al die tijd stond hij daar alleen, omspoeld door

de melodie van het grootse Wilhelmus. Hij verlangde hartstochtelijk,

dat de kinderen zouden blijven doorzingen. Hij was blij met

het volgende couplet; zij moesten doorzingen...

Het Wilhelmus bouwde voor hem de wereld, die hij verlaten had.

Het Wilhelmus was Holland en Europa samen. Het Wilhelmus was

Londen onder de ban van de V 1, het was de cockpit van zijn jager,

het was een brandende Duitse stad beneden hem, het was de

vurige komeet van een neerstortende Messerschmidt, het was het

Damplein vol juichende mensen, het was een oud, trots gelaat van

een dappere Koningin...

Het Wilhelmus was zijn hele leven en als de kinderen zouden ophouden

met zingen, zou een gordijn voor dat leven vallen en hij

50


zou gruwelijk eenzaam zijn, midden op dat pleintje voor het posthuis

in kampong Wembi.

Maar het Wilhelmus was ook: „Mijn schilt ende betrouwen, zijt Gij

o God mijn Heer... Op U zo wil ick bouwen, verlaet mij nimmermeer!"

Schilt...

Betrouwen...

Toen de stilte na het tweede couplet over de kinderen viel, stond

er een nieuwe Evert Caldenhove en hijzelf wist het nauwelijks. Het

was alleen maar, dat hij niet zo eenzaam was, als hij gemeend had

te zullen zijn ...

II

JTT.et leven in Wembi was als een eentonig voortkabbelende rivier.

De dagen kantelden onopvallend de eeuwigheid in, zoals een vogel,

die over de oetan vliegt en zich in langzame glijvlucht in het bos

neerlaat.

Vanaf de heuvel, waarop de bestuurshutten gebouwd waren, keek

men uit over de eindeloze boes-boes tot aan een verre horizon,

waar donkerblauw en nevelig de bergen torenden. Ver weg in het

noorden lag Hollandia. Vanuit Wembi kon men duidelijk de scherpe

bergtop van de Skyline onderscheiden. Het leek Evert eeuwen

geleden, dat hij daar eens op een avond met Van Weghen heen

gereden was, een gebraden kip en een fles niet al te slechte

Cantenac achter in de wagen. Zij waren in een opgewonden,

rumoerige stemming geweest en hadden, vals en schreeuwerig,

sentimentele liedjes zitten galmen. Bijna op de top hadden ze de

jeep langs de weg gezet en waren in het schemerduister gaan picknicken,

net zolang tot de Cantenac op was en de beentjes van de

kip links en rechts over de rotsen verspreid lagen. Daarna hadden

ze dwaas gedaan, als gekken krijgsdansen uitgevoerd rond een

oude bergstok van Van Weghen en buiten adem waren ze ten slotte

51


In de jeep gevallen om onder het zingen van plantation songs de

helling naar Kota Baroe weer af te zeulen. Het was een rare, en

toch ook weer ontroerende avond geweest. Zij hadden het gevoel

als waren ze twee kwajongens, die appelen uit de boomgaard van

de boer stalen, terwijl ieder ogenblik de hond kon opdagen om hun

een lap uit de broek te scheuren. Het was hun afweer geweest

tegen de wat saaie burgerlijkheid van Hollandia.

Als Evert naar de Skyline keek, moest hij altijd aan die avond denken.

In een rechte lijn lag de berg nauwelijks zestig kilometer van

hem verwijderd en als het wekelijkse K.L.M.-toestel voor de landing

in Hollandia zijn wijde boog beschreef, kon hij het geluid van

de zilveren vogel in Wembi horen. Vliegen was het hoogstens een

kwartier naar Kota Baroe, maar langs de begane grond, moeizaam

worstelend door het groen en de modder, waren het vier dagen.

Viermaal tien helse uren, eindeloze uren. En Hollandia leek zo uit

de verte een metropolis; onwezenlijk, verder van zijn voorstellingsvermogen

verwijderd dan de Middeleeuwen. Hij had immers de

grens overschreden...

Het posthuis was een nogal gammel geval, hoewel het bij gelegenheid

van de aangekondigde komst van het H.P.B, enkele maanden

geleden was herbouwd. Het stond op palen, ongeveer een halve

meter boven de grond en als men over de losliggende boomstammetjes

door de vijf vertrekken liep, zwiepte het gevaarlijk

heen en weer. Buiten het huis was een met atap afgeschut mandihok,

waar een grote ton boordevol water stond, dat iedere dag door

koelies uit de kali beneden aan de heuvel werd gedragen in kleine

emmertjes van de schede van de niboeng-palm. De schrijver, die

zich de huizen in Hollandia herinnerde, had in het posthuis een

overvloed van vensters laten aanbrengen en zo stak het schril af

tegen de behuizingen van de kampongbewoners, in wier lage,

rieten hutten geen lichtstraaltje binnendrong. Het atapdak bood

een goede bescherming tegen de middaghitte en tegen de koele,

52


hoge bergwind, die er 's avonds woei. Rond het huis bloeiden dikke

trossen paarse klaver. Rond het pleintje, waar de struiken een

meter verder overgingen in de eeuwige oetan, strengelden zich

schuchter papaja en djoeroek. De bomen klapperden de hele dag

met hun bladeren, als ontlastten zich steeds weer regenbuitjes.

Over de grond en langs de bamboewanden marcheerden meterslange

kolonnes mieren, terwijl de gehele ruimte vervuld was met

het brommend gonzen van ontelbare vliegen.

Evert voelde zich volkomen rustig en tevreden. Hij zetelde in het

posthuis boven de oetan uit, tegen het randje van de blauwe hemel

en hij bekommerde zich minder om stoffelijke zaken dan ooit tevoren.

Hij nam onbewust revanche op het mens-dier, dat zich door

de oetan en de moerassen een weg had moeten vechten. Hij at

iedere dag de eentonige maaltijden. Afwisseling in het voedsel was

niet mogelijk, omdat de barang uit Nafri, waarbij de voornaamste

levensmiddelen waren gepakt, nog steeds niet was komen opdagen.

Hij leefde van rijst, gekookt in water en van sajoer, welke

door de Papoea's in het bos werd gezocht. Het was een smakeloos,

klonterig eten, dat op slecht gekookte spinazie leek. Hij had nu een

bediende, Hermannus genaamd, die iedere morgen al vroeg de

oetan in trok in de hoop een vogel te schieten. Meestal kwam hij

met een kroonduif thuis, die hij aan stukken sneed en boven het

vuur roosterde.

Wembi had weinig aan te bieden. Het was maar een arme karnpong.

Er waren geen klappers, er was geen kasbi en slechts weinig

sago. De zwerfkippen, die zich maar zelden in de omgeving vertoonden,

legden geen eieren. Er groeiden echter wel massa's rode

papaja's, die een zacht, flauw smakend vruchtvlees hadden, maar

sappig waren als rijpe meloenen. Evert had een voortdurend

hongergevoel. Het deerde hem echter weinig. Te zeer was hij geabsorbeerd

door de rust, die rondom en in hem was.

Pater Piet woonde op een der andere heuvels. Vanuit het posthuis

53


kon Evert diens huis zien schemeren tussen het groen van de

bomen. Iedere dag, tegen het middaguur, liep Evert zijn heuvel af

en klauterde de helling van de missie op. Pater Piet, een goedige

Brabander, afkomstig — zo hij zelf zei — uit de kampong Ulvenhout

bij Breda, noemde Evert's dagelijkse bezoek: „Efkes buurte!"

Zij konden goed met elkaar opschieten. De pater had een gulle,

aanstekelijke lach, die hij om de haverklap door de kampong liet

daveren en hij wist op een humoristische en tegelijk leerzame wijze

van het leven in Wembi te vertellen. Zijn district was groot en

pater Piet was eigenlijk doorlopend op reis van de ene plaats naar

de andere. Hij zei, wat Evert ook al van diverse zendelingen aan

de kust had gehoord: „De oogst is groot, maar de arbeiders willen

niet best komen hier." Hij zei het met stille weemoed en zachte

spijt in zijn stem.

Evert geloofde in het begin, dat pater Piet een afweer tegen zijn

eenzaamheid zou kunnen zijn, maar tot zijn verwondering bleek

hem, dat hij weinig behoefte aan diens gezelschap had. Vanzelfsprekend

was het plezierig iedere middag een uurtje te kletsen

over alles en nog wat: over het nest van een metselbij tegen de

band van een wetboek; over de boter, die nog maar steeds in Nafri

wachtte op het ogenblik, tot het de heren daar zou believen de

barang naar Wembi te pikoelen; over de djongos van de missiestatie,

die met een zware malaria-aanval op bed lag, of over de

korano, die iedere morgen zonder mankeren om een nieuw broekje

kwam zaniken... Maar in wezen was het allemaal zo onbelangrijk.

Het hele gesprek was hij al vergeten, voor hij in het posthuis was

teruggekeerd. Zijn dagen gleden voorbij, ongestoord en met een

diepe vrede vervuld.

— Zo moeten, dacht hij, — kluizenaars en monniken leven.. .

Wanneer hij 's morgens tegen vijven opstond en zich huiverend

onder het koele water stond te mandiën, was de dag nog maar

nauwelijks in het oosten aan de kim verschenen.

54


Hij at zijn bord droge rijst en dronk zijn hete koffie nog voor de

zon boven de oetan was uitgestegen.

Om zeven uur kwamen de eerste mensen met hun klachten en verlangens;

meestentijds nutteloze kletspartijen, die tot aan de middag

duurden. Daarna trok hij naar pater Piet, rookte een sigaret met

hem en maakte een praatje. Terug bij het posthuis bracht hij de

dag verder door met lezen of brieven schrijven. De brieven zouden

mettertijd wel naar Kota Baroe worden gebracht. Het was niet belangrijk

te weten wanneer ze gepost konden worden. Het schrijven

was een heerlijke ontspanning, die zijn bezonken leven in Wembi

accentueerde. Urenlang kon hij ook voor het posthuis zitten uitkijken

over de oetan. De wind en de wijdte namen bezit van hem,

spoelden hem schoon, tot zijn gedachten als dansende vlinders heen

en weer fladderden, nutteloos, maar schoon. Evert Caldenhove hervond

in deze grote teruggetrokkenheid zichzelf. Hij wikkelde zijn

eigen ik langzaam en voorzichtig los uit de cocon, waarin de tot

camouflage en maskerade dwingende wereld hem al die jaren had

weten in te spinnen. Hij hoefde niets meer te camoufleren, niets te

maskeren, want de wereld lag ver, ver weg en er waren geen

mensen.

Soms kwam hem de mens als een vijand voor, een geheimzinnige

vijand, die achter de bergen in het noorden woonde en daar naar

hartelust konkelde en intrigeerde. Evert bevrijdde zich van zijn

camouflagehuid en hij groeide zo, weerloos en eerlijk, hoger en

hoger, tot hij zijn gezicht ophief naar de hemel en zacht bij zichzelf

de Naam riep van Hem, voor Wiens aangezicht hij zich nu wilde

stellen.

God...

Er waren geen mensen meer en hij was blij, dat er vier dagtnarsen

tussen hem en de wereld lagen. Er waren alleen Papoea's, primitieve

wezens, uit een oerwereld opgedoken. Zij kwamen naar hem

kijken als naar een god op een gouden troon. Zij staarden naar hem

55


met dezelfde hunkerende nieuwsgierigheid in hun blikken als een

vrouw, die voor de etalage van een bontwinkel staat en even de

prijzen vergeten kan. De Papoea's stonden de hele dag in een wijde

kring rondom hem heen en staarden... Zij brachten hem ook de

enkele vruchten, die de kampong opleverde en zelfs éénmaal een

ei, de grootste kostbaarheid van hun dagelijks, armoedig bestaan.

Urenlang keken zij naar hem, zonder iets te zeggen, alleen een

flauwe, verbaasde glimlach rond hun mond en een nimmer wijkende

eerbied in hun ogen.

Kort na zes begon het donker te worden. Evert bleef dan nog een

half uurtje zitten bij het flauwe, walmende licht van een vetpotje.

Zijn stallantaarn was bij de barang in Nafri en hij behielp zich met

een jampotje, waarin een pitje op dikke, stroperige olie dreef. Bij

dit onzekere licht trok het leven zich terug tot binnen de dansende

schijn van het primitieve lampje. De Papoea's, die op de drempel

van de voorgalerij zaten, zag hij niet meer. Hij hoorde soms een

zacht gerucht als een van hen een beweging maakte. Dan ging hij

slapen, langzaam wegglijdend in een droomloze rust, waaruit hij

de volgende morgen verkwikt ontwaakte ...

III

xdet kantoor van de schrijver was een kleine, wrakke bamboehut

met twee van boven tot onder beschimmelde krot-kamertjes. Aan

de wand van het ene vertrekje hingen verregende flarden van

oude bekendmakingen en het portret van de koningin, dat door de

vocht bijna geheel was weggevreten. Er stond een wankele tafel,

waarop naast een penhouder zonder pen een flesje rode inkt stond.

Er lag nog een grote stapel papieren, waarvan niemand zeggen kon

waartoe hij diende. In het andere vertrekje was het aardedonker.

Er hing een bedompte, vunze lucht. Spinnen hadden er met luguber

geduld eindeloos lange, slijmerige draden doorheen geweven en

56


langs de wanden en over de vloer krioelde het ongedierte. Er stonden

twintig Japanse geweren zonder grendels, keurig in het gelid

opgesteld, als stonden zij in het gewerenrek van een kazerne. De

kolven waren overdekt met een wollig-witte schimmel-vegetatie en

de roest had zich diep in de lopen gevreten. Zij hadden eens toebehoord

aan een groep Jappen, die na de landing van de Amerikanen

in Hollandia door de oetan tot op Waris waren teruggetrokken.

De Yanks zetten een prijs op hun hoofden en van dat ogenblik af

waren de Papoea's in beweging gekomen. Zij waren geluidloos en

onzichtbaar met hun slachting begonnen, sluipend door het oerwoud

met in hun gespierde handen hun boog en hun lange pijlen

met de verschrikkelijke weerhaken. De uitgeputte, verspreide eenheden

der Jappen waren een gemakkelijke prooi. De oetan verstikte

groen en zwijgend de doodsrochel van de kleine, gele mannen.

Jaren later vond men nog overal in de rimboe half-vergane

uitrustingsstukken en de macabere grijnslach van de gebleekte

schedels. Hun geweren werden door de Papoea's gebruikt, maar de

munitie raakte spoedig op en één voor één belandden de wapens

in het kantoor van de schrijver, waar zij langzaam wegrotten en

wegroestten.

De eerste morgen na zijn aankomst in Wembi was Evert van het

posthuis naar het kantoor van de schrijver gelopen, waar voor de

deur al een tiental Papoea's te wachten stond om hun verlangens

en moeilijkheden kenbaar te maken. De schrijver zat breeduit op

de enige stoel, die het kantoor rijk was, achter de wankele tafel.

Het flesje inkt stond open, de penhouder zonder pen lag op de gewichtig

uitziende stapel papieren. Hij was werkelijk een indrukwekkend

man, breed, groot en dik en hij bezat een enorme, pikzwarte

hangsnor, waarop hij, als hij opgewonden werd, heftig

knauwde.

Het kantoor was echter zo donker en het stonk er zo walglijk, dat

57


Evert rechtsomkeert maakte en ogenblikkelijk het besluit nam zitting

te houden op de voorgalerij van het posthuis.

„Het is in zoverre al een voordeel, dat je hier bent," zei pater Piet,

„omdat de schrijver nu voor zijn fatsoen wel verplicht is van zeven

tot twee kantoor te houden. Dat ongeluk verdiende zijn tachtig

gulden in de maand al te gemakkelijk met lanterfanten en mensen

uitzuigen. Hij heeft te veel geleerd aan de kust."

Evert wilde dit maar niet voetstoots aannemen, doch het bleek al

spoedig, dat pater Piet geen al te gekleurde voorstelling van zaken

had gegeven. De schrijver had jarenlang aan de kust gewoond en

hij had daar veel, maar weinig goeds, opgestoken van de Ambonese

bestuursambtenaren. Van Weghen had hem voor zijn tournee wel

het een en ander verteld over de situatie, die na de oorlog was

ontstaan.

De Ambonezen en ook enkele Javanen, Keiëzen en Menadonezen

namen na de verdrijving van de Jappen vrijwel alle posten van bestuursassistenten,

politie en onderwijzers in.

De houding van deze heren, behoudens enkele zeer loffelijke uitzonderingen,

was in hoge mate kwetsend voor het langzaamaan

ontwakende zelfbewustzijn van de Papoea. Zij zagen diep op hem

neer, beschouwden hem nauwelijks nog als een mens. „Papoea

bodoh!" zeiden ze minachtend en de uitdrukking „Papoea binatang!"

lag hun in de mond bestorven.

Dit had uiteraard niets met rassen-discriminatie te maken, doch was

gevolg van de lage ontwikkeling der ambtenaren. De enkele goedontwikkelde

Indonesiërs, die bij het gouvernement werkten, behandelden

de inheemse bevolking nooit neerbuigend en uit de

hoogte. De meesten van de ambtenaren, die in hun manier van doen

„kolonialer" waren dan welke Europeaan ook, waren Ambonezen.

Het verzet tegen deze groep groeide aan de noordkust uit tot een

felle haat. Een geluk bij een ongeluk was, dat de Papoea's zich

alleen tegen de actuele bedrijvers van het kwaad keerden en niet

58


tegen de hoofdschuldige, het gouvernement, dat door gebrek aan

controle, ontbreken van belangstelling en onkunde, de misstanden

in de hand had gewerkt. Het waren deze ambtenaren, die onder

de Japanse bezetting afvallig werden en met de Jappen heulden

tegen de Nederlanders, tegelijk de Papoea's onderdrukkend waar

zij maar konden. Na de bezetting waren het de Papoea's, die van

het teruggekeerde Nederlandse bestuur verwachtten, dat het met

alle macht de misstanden uit de weg zou helpen, de ontrouwe

ambtenaren ontslaan en er andere, beter voor hun taak berekende

krachten voor in de plaats zou stellen.

„De Papoea's zijn intelligent," had Van Weghen gezegd. „Zij kunnen

— en het is bewezen — zelf de verschillende bestuursposten innemen,

maar de opvoeding en ontwikkeling van dit land en dit volk

dient eerst in verticale richting te worden aangepakt en stevig

ook!"

Maar ook op dit gebied was de oogst groot en lieten de arbeiders

zich niet zien ...

De schrijver van Wembi had de methoden van de Ambonezen

goed afgekeken. Hij kende de term „herendiensten" bijzonder goed.

Pater Piet vertelde, dat de familie van de schrijver aan het Sentanimeer

een huis had gebouwd en dit had laten doen door de mannen

van Wembi, die door de schrijver voor dit karwei eenvoudigweg

werden opgeroepen, zonder dat zij ooit één cent vergoeding voor

hun arbeid ontvingen. Zelfs hun voedsel kwam voor hun rekening.

Voor „toean controleur" sloofde hij zich natuurlijk enorm uit. Hij

wilde een zo goed mogelijke indruk maken, maar de kampongbewoners

waren allesbehalve over hem te spreken. Toen Evert

voorzichtig zijn voelhorens uitstak, stootte hij echter op een muur

van stilzwijgen. Geen van de Papoea's had de moed, openlijk met

klachten naar voren te komen. Zij waren bang, dat Evert met de

schrijver onder één hoedje speelde en wat zou er met hen gebeuren

als Evert weer vertrokken was? Evert zelf wist, dat na zijn vertrek

59


alles weer in de oude banen zou worden teruggeleid. Niemand zou

zich iets van zijn bevelen aantrekken. De schrijver knikte op alles

ijverig ja, maar als hij bij zijn volgende tournee over een paar jaar

terugkwam, zou hij alles nog in dezelfde toestand aantreffen.

Evert werd hier geconfronteerd met de ontzaglijke en allesoverheersende

problemen van tijd en afstand, die te groot waren voor

het handjevol blanken, dat vertwijfeld vocht voor het land en zijn

bevolking. Hij begreep nu ook de bittere glimlach van Van

Weghen, als die sprak over dit of dat gebied, „dat onder bestuur

gebracht was". Het betekende niet veel meer, dan dat er posten

waren gevestigd, waar mensen als de schrijver van Wembi ongestoord

konden doen en laten wat zij wilden, terwijl eenmaal in de

twee of drie jaar een controleur uit Kota Baroe op zijn tournee de

posten kon inspecteren. De zendelingen en missionarissen vormden

de enige, werkelijke voorposten, maar ook zij waren te gering in

getal, hoewel groot in hun bergen-verzettend geloof.

Evert begreep nu ook de onwil der Papoea's om in te gaan op de

toenadering van Indonesische zijde. Van die kant hadden zij niet

veel meer te verwachten dan uitbuiting en onderdrukking. Het

land zou onder hun bestuur in minder dan geen tijd terugvallen

naar de periode, waarin helaas nog een groot gedeelte verkeerde:

het stenen tijdperk. De ontwikkeling van Nieuw-Guinea vereiste

enorme kapitaal-investeringen, die echter — ondanks de geringe

mogelijkheden van het land in vergelijking met Indonesië — mettertijd

economisch verantwoord zouden blijken te zijn. Veel meer

echter dan de materiële zijde van het probleem drukte de ideële

kant op het bestuur, dat, juist nu de Papoea's in hun ontwakend

zelfbewustzijn zich tot de Nederlanders om hulp wendden, voor de

schier bovenmenselijke taak werd gesteld, met een minimum aan

middelen en mensen een maximum aan gebied en bevolking te

helpen op de lange weg naar grotere ontwikkeling en beschaving.

Zo zat Evert iedere morgen om zeven uur achter de tafel op de

60


voorgalerij van het posthuis te wachten op de klanten, die echter

niet in groten getale kwamen opdagen. De belangstelling op de

publieke tribune was groot: een groep kampongbewoners zat urenlang

zwijgend gehurkt bij de voorgalerij, met intense belangstelling

kijkend naar alles wat Evert deed. De meeste gevallen werden door

de schrijver ter tafel gebracht. Hij deed dit met pathetische gebaren

en een stortvloed van woorden, terwijl hij, om aan zijn woorden

kracht bij te zetten, „officiële stukken" voorlegde, welke bij

nadere beschouwing onooglijke vodjes papier bleken te zijn, waarop

met potlood enige onleesbare krabbels stonden.

Het enige geval, waaraan Evert met een glimlach kon terugdenken,

was de kwestie van de Papoea Ivanus, een jongeman van even

twintig jaar, die door de missie was opgevoed en van een naam was

voorzien. Ivanus was afkomstig van kampong Yetti, enige uren

gaans van Wembi verwijderd.

Het ongeluk wilde, dat Ivanus geen zusters had, terwijl er in zijn

hele familie geen ongetrouwde meisjes beschikbaar waren. De adat

in de streek bezuiden Hollandia, tot aan de grens van het onder

bestuur gebrachte gebied, schreef voor, dat een Papoea, die wilde

trouwen, de familie van zijn vrouw een zuster in ruil moest aanbieden,

zodat deze als vrouw kon worden bestemd voor een der

mannelijke leden van die clan. Bezat hij geen zuster, of was het

hem onmogelijk een vrij meisje in zijn familie te vinden, dan zat er

niets anders op dan ongetrouwd te blijven tot het einde van zijn

dagen of, en daar kwam het meestal op neer, om de kampong te

verlaten. Van Weghen had Evert voor diens vertrek deze adatgebruiken

haarfijn uitgelegd en hem op het hart gedrukt alle overtredingen,

die hem zouden worden voorgelegd, met veel souplesse

en met de wijsheid van een Salomo te behandelen.

En nu stond daar Ivanus voor de tafel onder beschuldiging, zo

deelde de schrijver met plechtige omhaal van woorden mee, het

ongehuwde meisje Rosalia uit de kampong Wembi geschaakt te

61


hebben. Hij was met haar naar Yetti vertrokken, waar pater Piet

hen in het huwelijk had verbonden.

Het geval was al een paar maanden oud, maar het had voor behandeling

op de komst van een bestuursambtenaar uit Kota Baroe

moeten wachten.

Pater Piet, mede schuldig aan deze door de adat gewraakte gang

van zaken, werd als getuige gedagvaard.

Evert begon met hem een sigaret aan te bieden, dit als bewijs van

vertrouwen tegenover de kampongbewoners, die de behandeling

van deze kwestie met meer dan gewone belangstelling volgden. De

schrijver bleek brutaal genoeg, om zonder veel plichtplegingen

ook in Evert's sigaretten te graaien. Hij deelde er zelfs royaal een

paar uit aan de achter hem staande politiemannen.

„Geachte controleur," begon pater Piet in het Nederlands, „ik heb

Ivanus de raad gegeven dat meisje te gappen en er als de wind mee

vandoor te gaan. Wat had jij in vredesnaam gewild, dat hij anders

gedaan zou hebben? Een man alleen is ook niet alles. Enfin, daar

kun jij beter over oordelen dan ik."

„Dus jij hebt die twee harten aaneen gesmeed, geschakeld en verbonden

in lief en leed?" vroeg Evert glimlachend.

Pater Piet hield zijn hoofd scheef. „Zo'n beetje wel," gaf hij toe.

„Ze zaten naast elkaar op mijn schooltje. Zij zullen elkaar af en

toe wel eens vriendelijk hebben aangekeken, lijkt me zo. Je weet

hoe dat met dat grut gaat, nietwaar. Toen Ivanus, een maand of

wat geleden, bij mij zijn nood kwam klagen over het feit, dat hij

geen zussen of nichten in voorraad had, heb ik hem geadviseerd

Rosalia zonder meer achterover te drukken en met haar naar Yetti

te gaan, waar ik de twee geliefden in alle eer en deugd heb getrouwd.

Hij heeft er een aardig huis gebouwd en ze stellen het best

samen."

Evert kreeg na verder onderzoek de indruk, dat de schrijver de hele

kwestie administratief weer eens behoorlijk op de spits had ge-

62


dreven. De familie van het meisje bleek zich allang bij de situatie

te hebben neergelegd. Alleen voor de vorm en de adat werd genoegdoening

gevraagd voor de maagdenroof, dat wil zeggen,

Ivanus zou de bij een huwelijk gebruikelijke bruidsschat moeten

betalen.

Evert ging recht doen. Hij trok zijn voorhoofd in diepe rimpels, als

peinsde hij ernstig over de moeilijke kwestie. Het was doodstil. De

Papoea's voor de galerij zaten roerloos en gespannen. De schrijver

fixeerde hem met zijn grote, zwarte ogen.

Evert begon te spreken. Hij berispte Ivanus, want hij had er verkeerd

aan gedaan een vrouw te stelen. In plaats van naar de missie

te gaan, had hij zijn moeilijkheden aan het bestuur moeten voorleggen,

desnoods in Kota Baroe...

Pater Piet zat minzaam te knikken. Hij kon een hatelijkheidje, in

alle vriendschap toegegooid, naar waarde schatten.

„Maar," vervolgde Evert, „dat heeft Ivanus niet gedaan en nu de

zaken zijn, zoals ze zijn, is er weinig meer aan te veranderen."

Hij veroordeelde de jonge Papoea tot het betalen van de gebruikelijke

bruidsschat aan de familie van zijn vrouw.

De zaak was hiermee afgedaan.

Ivanus glunderde als had hij een groot geschenk ontvangen. Hij

boog diep en liep achteruit de voorgalerij af, waar hij verdween in

het opgewonden gedrang van de kampongbevolking, die de uitspraak

met voldoening begroette.

De schrijver knikte als een wijze man, die het altijd wel heeft geweten

...

Wanneer Evert 's middags weer alleen was, vroeg hij zich wel eens

af of het resultaat van zijn werk in Wembi de moeite van een

tournee eigenlijk wel loonde. Aan de andere kant zag hij wel in,

dat hij hier niet klaarkwam met de gewone normen van bestuursvoering.

Alle lijvige handboeken, die hij jarenlang aan de universiteit

had versleten, kon hij met een gerust hart als museumstukken

63


in zijn boekenkast zetten. De gevallen, die hij in Wembi te behandelen

kreeg, weken zo af van de standaard-gevallen in de

.andere delen van de archipel, dat hij er alleen met begrip en

respect voor de adat niet mee kwam. In zijn ogen waren het

futiliteiten, waarover de Papoea's zich druk maakten, doch de

realiteit was, dat het voor hen zaken van leven en dood waren. Ingewikkelde

problemen, welke zij niet vermochten op te lossen en

waarvan zij het oordeel van toean controleur met diepe eerbied

aanvaardden.

Zo leerde hij iedere morgen op de voorgalerij recht te spreken,

wijs en ernstig en met de bedachtzaamheid van een oud man. Het

recht was geen dode letter. Het recht liet zich niet vangen in een

paragraaf. Het recht moest worden veroverd en er was begrip en

liefde voor nodig, veel liefde ...

En de schrijver zat al die tijd naast hem, nam ongevraagd sigaretten

uit zijn pakje en tekende met zijn potlood houterige lettertekens

op een vies velletje papier.

IV

Jrater Piet vertrok naar zijn missie in Yetti, waar hij een paar

weken zou blijven.

Evert besloot verder te gaan. Hij zou de Bedeog-kali in zuidelijke

richting opvaren met een prauw. Hij had het bericht ontvangen,

dat de nog onontdekte stammen der berg-Papoea's, achter het gebied

van de Pami's, contact met het bestuur zochten. Het lag buiten

zijn tournee-schema, maar hij meende, dat het geen kwaad kon

eens die richting uit te trekken, te meer daar hij nog geen enkel

bericht gekregen had, dat er op wees, dat Van Weghen eindelijk

ook naar het zuiden kwam afzakken.

De heenreis zou vijf dagen duren.

Toen hij Wembi verliet, had hij het gevoel als nam hij afscheid van

een dorp en van een huis, waar hij jarenlang gewoond had...

£4


VIERDE HOOFDSTUK

I

Van hoog uit de bergen kwam het water van de kali omlaag razen.

Sissend sprong het door de slingerende bochten van de rivier, kolkte

in felle golven door de rechte stukken en bruiste woedend rond

en om de enorme rotsblokken, die nors en massief uit de ondiepe

bodem optorenden. De kali flitste tussen de oetan door als de

zilveren streep van de bliksem tegen de nachthemel. Langs de hoge

oevers stonden de roerloos-groene muren der bomen, tientallen

meters hoog. De gillende stem van de kali sloeg er duizendvoudig

weerkaatst tegen stuk. De bomen bogen zich boven het water naar

elkander toe, vergeefs trachtend een tunnel van ondoordringbaar

groen te vlechten. Een brede strook moesten zij openlaten voor de

zon, die als een brandend ravijn van licht op het water neerstortte,

het in het midden van de dag verschroeiend tot een verzengend

hete vuurpijl.

Evert Caldenhove was met drie dragers in een kleine prauw de

Bedeog opgevaren in de richting van kampong Almin. Daar wilde

hij de tocht over land voortzetten ten einde te trachten contact op

te nemen met de berg-Papoea's. Hij had niet veel barang meegenomen,

slechts het allernoodzakelijkste had hij in drie kleine

pakken bijeen gebonden. Hij leefde van rijst en verder van wat zijn

dragers in het bos vonden. Dat waren meestal bladeren, die in een

holle stengel boven het vuur gekookt werden, een laf bijgerecht

65


voor de toch al zo smakeloze rijst. Er was geen tijd de oetan in te

trekken om een vogel of een varken te schieten. De kali bond hen,

van het eerste ochtendgloren tot aan de schemer van de snel vallende

avond, met wrede en niets ontziende heerszucht aan zich

vast. Slechts met de uiterste krachtsinspanning slaagden zij er in

dagelijks de uitgepaalde acht kilometer af te leggen. Zelden gebeurde

het, dat zij een honderd meter konden prauwen. De rotsblokken

en de stroomversnellingen maakten dit onmogelijk. Meestentijds

stonden de drie dragers tot aan hun middel in het kolkende

water, sjorden, sleepten en worstelden om de prauw over de gevaarlijkste

plekken heen te trekken. Dikwijls was het water sterker

en sloeg de smalle, wankele prauw op drift, als een dor blad meegevoerd

op de golven, tot zij krakend vastliep in een bocht. Duizend

meter per uur was de hoogste snelheid, die zij in het razende

water konden bereiken.

Na twee dagen probeerde Evert of het mogelijk was zich langs de

oever door de oetan een weg te banen, maar er was een schier ondoordringbare

rimboe van struiken en doornige klimplanten. Iedere

meter moest met de parang worden schoongekapt en toen hij, een

uur lang hijgend en transpirerend, dodelijk vermoeid, nauwelijks

vijftig meter was gevorderd, keerde hij mismoedig naar de prauw

terug.

De uren smolten tot een traag stromende brij van tijd. De zon

vlijmde meedogenloos en etste zijn lichaam. Zijn ogen, voortdurend

in een beschermende spleet saamgetrokken, krampten pijnlijk. Het

bewustzijn van het zien ebde langzaam weg bij iedere hamerslag

van het bloed tegen de binnenkant van zijn schedel. Zijn denken

verzandde in hitte en tijd. In elkaar gedoken zat hij op het vlondertje

van de prauw, zijn handen klemmend om de rand geslagen, om

het schokken en wentelen van het vaartuig op te vangen. Zijn voetzolen

schenen één te worden met de randen van de prauw. Zijn

voeten werden logge blokken cement, zonder gevoel, slechts die-

66


nend als ballast voor zijn lichaam, in het reddend gevoel van evenwicht

bewaren. Soms, als hij zo uren gezeten had, geloofde hij, dat

de zon en het vuur, dat van het water sloeg, hem in die houding

hadden vastgebakken, lugubere ceramiek van het oerwoud. Dan

hees hij zich moeizaam overboord in het water en waadde achter

de prauw aan. Het water bracht een ogenblik verkoeling, het drong

door zijn doorgezwete kleren tot op zijn huid en spoelde het

korstige zout weg, maar dan begon het lauw te worden en het

maakte zijn kleren tot natte, broeierige lappen, die aan zijn lichaam

gingen kleven als oud verband op een open, etterende wond. Dan

klauterde hij weer op het vlondertje en ging weer onder in een tijd,

die hem het soelaas van geheel en al stil te staan weigerde. Soms

verlangde hij naar de sago-moerassen. Daar was de tijd verdwenen

en daar was ook nog lichamelijke inspanning geweest. Hier was

het alleen maar zitten en wachten, verlammend wachten tot de zon

achter de oetan was weggedoken en het avond was geworden, het

sarrende bewijs, dat de tijd toch nog leefde.

De drie dragers waren teruggekeerd tot de oerstaat: bosmensen

met een weergaloos instinct. Zij werkten de uren door en vielen

s avonds in het primitieve bivak, na wat schamel eten, als blokken

op de grond in een bodemloze slaap. Zij spraken op een hele dag

nauwelijks tien woorden. Evert Caldenhove, toean controleur uit

Kota Baroe, bestond voor hen niet meer. Hij was een onderdeel van

de prauw, die zij om de een of andere reden, waarover zij nimmer

bleken na te denken, over de Bedeog de bergen in moesten trekken.

Evert trachtte zich iedere avond moed in te spreken met het

praatje, waar grote mensen kleine kinderen mee zoet houden: nog

zoveel nachtjes slapen en dan... Iedere dag telde immers af.

ledere dag waren zij acht kilometer dichter bij Almin. Maar hij had

opgehouden te geloven, dat deze tocht ooit eindigen zou. Zijn verstand

zei hem, dat de afstand tussen Wembi en kampong Almin

vijf dagen was, veertig kilometer, weinig meer dan honderd uren.

67


Maar de oetan sloeg over hem neer en veegde alle redelijkheid met

haar groene bezem uit zijn denken.

En de zon brandde een pad van vuur in de gillende kali. De zon

schroeide zijn hersenen weg, een holle schedel latend, waarin het

groen begon te vegeteren, te woekeren, steeds verder en verder,

zijn hele lichaam vullend, sluipend in zijn bloed, meedreunend in

de hartslag, dik en traag opbonkend naar zijn slapen. Het groen

overmeesterde hem. Hij meende het te proeven, bitter als gal, op

zijn leren tong. Hij geloofde het groen te ruiken als enige bestaande

geur op de gehele wereld. Hij hoorde het groen in het zachte geschuifel

van de wind door de druipende, groene watervallen der

zwijgende bomen langs de oevers. Ten laatste was hij het Groen

zelf, het Groen in de gedaante van een mens, in elkaar gedoken op

het vlondertje van een wankele prauw. Het Groen at en dronk en

strompelde af en toe door het klamme water. Het Groen werd langzaam

geheel en al uitgevreten door de zon en de vuurstreep van

het water, dat zo scherp leek als het lemmet van een parang ...

II

1 egen de avond van de vijfde dag bereikten zij, onder de treiterende

spotlach van de tijd, kampong Almin. Het waren enkele hutten,

die, op wankele palen van een meter hoogte, boven de grond

heen en weer wiegden, dicht langs de oever van de Bedeog. De

kampong was bijna verlaten. De vrouwen en kinderen hadden zich

bij het naderen van de prauw verscholen en Evert ontmoette slechts

drie mannen, die als bewaking waren achtergebleven. Het waren

vriendelijke, wat schuwe mensen, kleiner van postuur dan de kust-

Papoea's. Zij hadden een opvallend Semietisch uiterlijk, dat het

sterkst tekende in de scherp gebogen neus en de gedrongenheid,

waarmee het hoofd op de schouders stond. Hun naakte lichamen

68


waren overdekt met getatoueerde figuurtjes, een wirwar van

cirkels, driehoeken en golflijntjes; simpele uitingen van hun sierkunst.

Door hun lange, uitgezakte neusvleugels staken bruinachtige

varkenstanden, die in een gat in het neusbeen rustten. In

de lange oorlellen hingen kleine, gebleekte vogelbeentjes. Zij hadden

kleine, op peren gelijkende peniskokers, geel van kleur en versierd

met grillige, zwart-ingebrande arabesken. Met een dunne

boomvezel was de koker om hun middel en tussen hun benen bevestigd

en als zij zich bukten, sloeg hij met een zacht, hol geluid

tegen de onderbuik. Het demonische in hun verschijning werd verzacht

tot een wat macabere zin voor opschik, door het schuwhartelijke

van hun optreden. Zij kwamen onmiddellijk aandragen

met kasbi, kleine sajoerstengels en een stuk zwart gebrand varkensvlees.

Evert kende hun taal niet en hij kon zich slechts verstaanbaar

maken met een overvloed van gebaren en de enkele woorden, die

de drie dragers van Wembi konden begrijpen en vertalen.

Het bleek, dat alle andere mannen het bos waren ingetrokken om

voedsel te verzamelen voor een groot dansfeest, dat over een paar

maanden zou plaats hebben.

Hij zat met hen rond een klein, rokerig vuurtje in een hut, die vlak

bij de kali stond. In de schemer van de vallende avond was het

moeilijk alles goed te onderscheiden. Aan de zoldering hingen een

paar bogen en pijlen, langs de wanden stonden pakken natte sago

in bladeren verpakt. Er hing een zware, penetrante geur van verbrand

varkensvlees en ongewassen mensenlij ven.

Een voor een kwamen nu ook de vrouwen naderbij. Zij droegen

allen een kind met een paar boomvezels tegen het lichaam gebonden.

De gezichten en halzen waren, tot aan de slappe, uitgezakte

borsten, overdekt met ineengestrengelde tatoueringen. Het

menselijke werd er door teruggedrongen in de zwarte fonkelblik

van hun ogen. In het dichte, hooggroeiende kroeshaar staken over-

69


al kleine stukjes riet. Zij waren naakt op een klein, van bruingeworden

rietvezels gevlochten schaamschortje na. De kinderen

hadden dikke, gezwollen buikjes. De beentjes waren dun en stakig

als van oedeemlijders en de meesten waren overdekt met een witte,

schilferige cascado-schimmel.

De vrouwen stonden zwijgend bijeen voor de deuropening en zij

namen het laatste licht van de trage avond weg, die de smalle

Tdoof, in de oetan boven de kali, dichttrok met duisternis.

Evert wrong met langzame gebaren en moeilijke slikbewegingen

wat rijst naar binnen. Hij voelde geen honger en hij meende, dat

het oververmoeidheid was, maar toen hij zijn hangmat naast de

rook van het vuurtje spande, werd hij duizelig en hij wist, dat hij

ziek geworden was. Hij liet zich naast het vuur vallen en staarde

misselijk in de flakkerende vlammetjes, even zijn ogen dichtknijpend

tegen de scherpe rook. Toen vlijmde er een scherpe kramp

als een mes door zijn onderlichaam. Alles begon te draaien voor

zijn ogen en aan zijn oren zoemde een zachte bromtoon. Zijn keel

klemde dicht, zijn maag schokte en wrong zijn mond open in grote,

krampende braakbewegingen. Hij krabbelde overeind en liep gebogen,

graaiend met zijn handen naar steun, het deurgat uit. Hij

viel, meer dan hij liep, de tien treden van het wrakke trapje af. Een

dikke, gonzende tros vliegen wolkte om hem heen en de lucht was

vol van in snelle, gierende vluchten heen en weer schietende,

zwarte muskieten.

— Dysenterie, dacht hij en hij draaide het woord een tijdje in zijn

gedachten om en om, als een kind, dat met zijn verjaardag een

kleurige bal ten geschenke heeft gehad. — Dy... sen... te... rie...

Het was een lichtvoetig, bijna vrolijk woord.

— En ik heb geen enkele obat, behalve wat kinine ...

Hij strompelde terug naar de hut, naar het rokerige vuurtje, naar

de maskergezichten der Papoea's, als vreselijke droOmgestalten

rondom hem in het flakkerend schijnsel van de vlammen.

70


Met de galgenhumor, welke zieke mensen op de rand van een volledige

ineenstorting soms kenmerkt, hield hij een telling bij van de

keren, die hij krimpend van pijn naar buiten strompelde. Na de

twee-en-dertigste maal, toen de morgen vaal boven de oetan begon

te trekken, was alle vermoeidheid uit hem verdwenen en er was een

trillende slapte voor in de plaats gekomen, waartegen hij weerloos

was. Zijn armen en benen waren vreemde, niet meer bij zijn

lichaam horende uitsteeksels geworden. Hij ademde, zonder dat hij

frisse lucht kreeg. Het zien van een homp koude, droge rijst bracht

hem voor de drie-en-dertigste maal buiten, waar hij zich zonder

meer van het trapje liet vallen. Later slurpte hij traag een blikje

met groentewater leeg en binnen vijf minuten was hij het al weer

kwijt. Hij lag ineengezakt in zijn hangmat en zijn blik beet zich

vast in het kleine, zeildoeken afdakje er boven. De vlammen van

het vuurtje en het licht van de komende dag deden groteske schaduwen

voor hem dansen. Hij staarde naar het schimmenspel boven

zijn hoofd, rusteloos en spottend, een gruwelijke danse macabre

van uit de oetan aansluipende geesten en demonen.. .

Zijn vader zei: „Karel, ga jij eens voor mij naar de zolder en haal

mijn ski-schoenen, wil je." Maar Karel dook weg achter moeders

leunstoel en moeder stuurde haar zachte glimlach naar het spottende

gezicht van vader. „Je moet dat kind niet zo plagen," zei ze.

„Je weet, dat hij bang is."

„Haha!" riep vader. „Karel is bang. Hij is een echte kakkebroek!

Evert, jij bent tenminste een kerel, haal jij die schoenen dan maar!"

En Evert ging de kamer uit, rechtop, om te laten zien, dat hij geen

vrees had, maar met de angst als een dikke krop in zijn keel. Hij

liep door de donkere gangen van „Caldenhove" en hij stampte

flink hard, omdat er al die tijd Iemand achter hem aankwam en die

IEMAND wilde hem dwingen hard te lopen. De angst vervulde

hem en sloeg uit hem. De zolder was groot, wijd en donker. Een

71


gebint kraakte plotseling. Hij dwong zich, met de uiterste wilskracht,

zich niet te haasten. Haasten was verkeerd. Haasten gaf die

IEMAND gelegenheid op hem te vallen en iets vreselijks met hem

te doen. Zo liep hij naar beneden, steeds langzamer lopend nu hij

de veilige huiskamer weer dichterbij voelde komen. Het was een

verschrikkelijke overwinning op de angst en op de IEMAND, die

hij bijna tastbaar in zijn nek voelde ademen ...

Evert keek naar het grauwe zeil van de hangmat. De schaduwen

dansten. „Ik ben," zei hij hardop, „Evert Caldenhove, assistentcontroleur

bij het Binnenlands Bestuur en in Kota Baroe zitten ze

te wachten tot ik terugkom vóór de tijd. Maar ze kunnen barsten!"

Hij begon te vechten met het bewustzijn. „Ik ga verder!" zei hij.

„De bergen in! Dat moet! Maar nu kan ik niet!"

Hij richtte zich half overeind in zijn hangmat, maar er was geen

kracht in hem en hij zakte terug...

Heleen zat tegenover hem in een laag fauteuiltje. Zij leunde achterover,

haar hoofd rustend tegen een antimakassar. Evert had een

gruwelijke hekel aan antimakassars. Deze was heel groot en blinkend

wit, een aureool rond Heleen's donkere, bijna zwarte haren.

„Het waait nogal op Curacao," zei Heleen langzaam. „Dat heb ik

gehoord van iemand, die er geweest is."

„Ja," zei Evert, „dat kan heel goed zijn. Passaatwinden zijn dat,

geloof ik."

..Ik houd helemaal niet van wind," zei Heleen. „Mijn neus gaat er

altijd zo van schilferen, het is geen gezicht."

„Maar ik ga helemaal niet naar Curagao," zei Evert. „Ik denk er

niet aan. Ik ga op tournee naar Waris."

„Ik weet niet of ik je tot zover volgen kan," zei Heleen, „maar als

het klimaat er is, zoals in Menton, wil ik er graag over denken."

72


„Er waaien niet zulke winden als op Curacao," zei Evert, „dus je

neus zal er niet schilferen."

„Er is over te denken," zei Heleen en de antimakassar groeide uit

tot een groot, verblindend wit wiel.

„Je neus schilfert er niet!" schreeuwde Evert tegen het licht in. „Je

schilfert zelf, je valt uiteen in milliarden kleine schilfertjes!"

„Ik zal toch van je houden," zei Heleen, middenin het licht van de

antimakassar, „ook al ben je niet veel meer dan een schilfertje,

Evert..."

Het was dag geworden en buiten blonk weer het scherpe mes van

de kali in de brandende zon. — En toch moet er iets gebeuren,

dacht hij. — Ik geef het niet op! Nooit!

Hij riep de drie Papoea's van kampong Almin bij zich en begon

langzaam en omslachtig uit te leggen waarvoor hij gekomen was.

Hij vocht, terwijl hij sprak en bewegingen maakte, met zijn duizeligheid.

De mannetjes stonden hem met angstige gezichten aan te staren.

Zij volgden ieder gebaar dat hij maakte en plukten de woorden van

zijn droge, koortsige lippen. In hun donkere schitteroogjes lag iets

van de uitdrukking, die je ook in de ogen van een Fransman kunt

opmerken als je hem in Parijs naar de weg vraagt en de taal slecht

spreekt. Ten laatste knikten zij ten teken dat zij hem begrepen

hadden en voerden met lenige, kleine beweginkjes een pantomime

op, waarin zij zijn verhaal opnieuw vertelden.

Toen duurde het nog wel een half uur voor hij hun aan het verstand

had gebracht, dat twee van hen de bergen moesten intrekken om

de kamponghoofden der berg-Papoea's op te halen. — Het contact

moet tot stand worden gebracht, dacht hij koppig. Hij gaf de

mannetjes zeven dagen tijd om de opdracht uit te voeren. Hij stak

zijn twee handen omhoog, zeven vingers opstekend.

73


Zij begonnen ijverig te tellen, maar zij kwamen er niet uit en terneergeslagen

keken zij hem hulpeloos aan.

Evert nam een touwtje en legde er zeven knopen in. Als de zon

achter de oetan was verdwenen, moesten ze een knoop losmaken,

dan was er een dag voorbij. Op de avond van de zevende knoop

moesten zij weer terug zijn in kampong Almin.

Zij begonnen te lachen en knikten blij. Zij waren als kinderen, die

er eindelijk in geslaagd zijn de moeilijke som zonder rest uit te

rekenen.

Evert liet zich uit zijn hangmat zakken en kroop op handen en

voeten naar de deuropening, waar hij zich aan de post ophief. Hij

keek de twee mannen na, die zonder voorbereidselen en alleen met

pijl en boog gewapend de oetan inliepen en verdwenen.

Het bos stond hoog, in een halve cirkel, rond de kampong. Het

leek of het slechts even diep hoefde ademhalen om de hutten met

één beweging van haar groene muren de kali in te vegen. Er zou

geen kampong Almin meer zijn, het zou onmogelijk zijn te weten,

dat er ooit een kampong Almin geweest was.

Hij wilde alles, wat hij met zijn zintuigen kon waarnemen, beredeneren

en het een vastomlijnde plaats in zijn gedachten geven,

maar het ontglipte hem. Er was geen enkele zekerheid. „Ik moet

nadenken," zei hij hardop. „Luister, Evert Caldenhove, je hebt

twee mannen de bergen in gestuurd en zij zullen zeven dagen wegblijven.

Zeven dagen zul je moeten wachten." Hij zweeg om het

effect van zijn luidop uitgesproken woorden te overdenken, maar

zijn hersenen reageerden niet meer. Hij was zichzelf niet, maar

iemand anders. Hij was in het lichaam van een vreemde man.

„Zeven dagen!" schreeuwde hij wanhopig. „Zeven dagen!"

Hij keek op zijn polshorloge.

Het was stil blijven staan op kwart over vier...

Zijn vader stak een sigaar op en blies een kringetje naar bét

74


plafond. „Dominee had een bijzondere preek vanmiddag," zei hij

goedkeurend. Zijn moeder glimlach La naar Van Weghen, die op

zijn horloge zat te kijken.

„Gaat u om kwart over vier weg?" vroeg zij.

„Ja," zei Van Weghen, „je wordt hier gek of je stijgt boven jezelf

uit en ik moet dat in zeven dagen voor elkaar zien te krijgen."

„Zeven dagen," zei zijn vader, „daar had dominee het over. God

schiep de hemel en de aarde in zes dagen en de zevende rustte Hij."

„En de mens," zei Van Weghen, „wordt weer dier als hij in het

groen gekleed wordt."

„Wat vreemd," zei zijn moeder peinzend, „en dat allemaal in zeven

dagen?"

„Nee," antwoordde Van Weghen, „niet in zeven dagen, maar om

kwart over vier."

„Ik begrijp u niet," zei zijn vader, „maar de sigaar is goed. Gaat u

morgenmiddag mee op de varkensjacht?"

„Ik heb geen korreltje rijst meer in huis!" riep zijn moeder verschrikt.

„Dat is niet zo erg," meende Van Weghen. „Als u zeven knopen in

een touwtje legt, heeft u over zeven dagen rijst en varkens, behalve

als de klok stilstaat."

„En Evert dan?" vroeg zijn vader bezorgd.

Van Weghen begon verschrikkelijk hard te lachen. „Evert bestaat

toch niet!" gilde hij, zich op de dijen slaande van plezier. „Die

moet nog geschapen worden om kwart over vier!"

De drie dragers uit Wembi brachten hem naar zijn hangmat terug,

waar hij in een lichte slingering tussen hemel en aarde hing. Hij

werd zijn eigen pendule...

Tussen zijn dromen in telde hij de uren aan de verschuivende

schaduwen op de wanden.

75


III

In de middag van de tweede dag trok de hemel boven de bergen

langzaam dicht; een vuil-grijze hemel, welke zich verdichtte tot een

dreigend zwarte wolkenmassa. De zon blikkerde vals en zwakte

haar licht af tot zij was als een omfloerste lantaarn aan een lijkwagen.

De wind stak op en sloeg hard over de toppen der bomen.

Het water van de Bedeog raasde en kolkte. In de oetan krijsten

verschrikte vogels, de gilstemmen der kakatoes priemden er schel

bovenuit.

De dragers uit Wembi kwamen verschrikt de hut binnenrennen,

waar Evert slap en willoos de uren hing te verslingeren. Zij

schreeuwden verward door elkaar. Er was een bandjir boven in de

bergen losgebarsten.

Het woord bandjir viel als een steen in het wereldwijde, luchtledige

van zijn bewustzijn en raakte ergens heel diep in hem het

mensdier, dat met de instinctieve vezels van het zelfbehoud aan

het leven gebonden was. Hij liet zich uit zijn hangmat vallen en

strompelde naar buiten.

Voor de hut stonden de vrouwen met de enig overgebleven man

van kampong Almin en keken angstig naar hem op. Toen begonnen

zij met drukke, van vrees vervulde gebaren naar de hemel boven

de bergen te wijzen. Dikke, inktzwarte wolk-massieven rolden over

de bergtoppen naar beneden.

Evert zag het. Hij rook, meer dan hij begreep en overzag, het gevaar.

Het gevaar bracht de verbinding tussen gedachten en daad

in hem tot stand. Hij richtte zich op, zijn dysenterie vergetend, zich

met één ontzaglijke beweging losscheurend van de apathie, die

hem de laatste dagen had weten te overmeesteren.

Er was iets te doen!

God Zelf zond hem, in de eeuwigheid van de zeven dagen, de

daad. Evert Caldenhove werd opnieuw door Hem geschapen.

76


Met de drie dragers uit Wembi en de man uit Almin sjorde hij het

onhandelbare gevaarte van de prauw, die aan een dunne boomvezel

gebonden in de kali lag, de hoge oever op en bond het vaartuig

muurvast tussen de hutten van de kampong. Daarna gaf hij het

bevel, dat de vrouwen zoveel mogelijk droog hout moesten verzamelen

en in de hutten bergen.

Toen was er niets meer te doen dan wachten.

De regen kwam...

Een golvende donder over de oetan, een enorme stortvloed, welke

op de aarde neerranselde en haar weg scheen te spoelen. De hut,

waarin Evert tegen de wand gehurkt zat, werd geïsoleerd door het

water, hij was een vreemd diertje in een rieten cocon middenin een

gigantisch aquarium. De hut kromp ineen onder de razende stortzeeën

van de regen. Zij zwiepte heen en weer op haar gammele

onderstel van palen en kraakte in al haar voegen.

De regen viel.

Uur na uur.

De aarde werd gepijnigd en gemarteld, spoelde weg in vlagen

gierend schuim. De oetan hijgde en kreunde. Bomen spleten met de

knallende donder van wild vurend geschut. Zij werden ontworteld,

sloegen om, grepen zich vast aan andere bomen. Struiken, groen,

jonge sago-palmen, velden kasbi... ze werden meegesleurd in de

draaikolk van de bandjir, die raasde en tierde in een hysterische

bezetenheid. Een surrealistisch dansfeest van louter krankzinnigen!

Het was nu helemaal donker geworden. De wolken veegden over

de toppen der bomen, de regen werd een muur, die, als een enorm,

ondoorzichtbaar matglas, rond alles en alle dingen stond.

De Bedeog-kali huwde met de bandjir in een razende bruiloftsdans;

zwart schuimend water, dat steeds hoger steeg.

Evert zag het water komen. Drie meter oever en daarna werd het

een zee, die de kampong en de oetan inbruiste. Het water steeg.

Het trapje van zijn hut verdween in het wielende water.

77


Toen sprong de angst in hem los. Hij liet zich op de grond vallen,

languit, het hoofd in zijn armen begraven. Hij snikte. „Moeder!"

De bandjir raasde zijn donderend antwoord.

„Vader!"

De hut bewoog heen en weer als door een enorme hand bewogen.

„Heleen!"

De storm loeide met lang aangehouden huilen en rukte aan het

atapdak.

Hij groef zijn nagels in de voegen tussen de bamboe. Hij drukte

zijn lichaam tegen de grond en de wand, vechtend tegen zijn waanzinnige

verlangen het allemaal op te geven, naar buiten te gaan en

zich in de bandjir te storten om meegesleurd te worden naar een

bandeloze eeuwigheid.

Zijn angst stond levensgroot over hem heengebogen en trok een

kille vinger langs zijn ruggegraat.

„Help!" schreeuwde hij. „Moeder! Vader! Heleen! God!"

En het antwoord kwam uit de donder van de bandjir tot hem met

een luide, vragende stem, waarvan de woorden hem vertrouwd in

de oren klonken.

„Waar waart gij toen Ik de aarde grondde . ..?"

De pijn in zijn buik begon weer als vuur te branden. Het hielp hem

om bij bewustzijn te blijven, want hij luisterde ...

„Zijt gij gekomen tot de schatkamers der sneeuw en hebt gij de

schatkamers van de hagel gezien, die ik ophoud tot de tijd der benauwdheid,

tot de dag van de strijd en de oorlog? Waar is de weg,

waar het licht verdeeld wordt en de oostenwind zich verstrooit op

de aarde? Wie deelt voor de stortregen een waterloop uit, en een

weg voor het weerlicht van de donder? om te regenen op het land,

waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is; om de

woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der

grassprietjes te doen wassen. Heeft de regen een vader? of wie

baart de druppelen van de dauw? Uit wiens schoot komt het ijs

78


voort? En wie baart de rijm van de hemel? Als met een steen verbergen

zich de wateren en het vlakke van de afgrond wordt omvat

..."

„Ja ..." kreunde hij en de tranen gleden over zijn wangen. „Ja ..."

IV

ilen nauwelijks zichtbare regenzon aarzelde de volgende morgen

aan de schoongestormde lucht. De kampong was veranderd in een

grote modderpoel. De zwarte, vette aarde was bedekt met een

dikke laag slib en lag opengewoeld en geslagen als na een urenlange

beschieting met granaten. Rotsblokken, boomstronken en afgerukte

takken maakten de paadjes tussen de hutten nagenoeg onbegaanbaar.

Pijlsnel stroomde de Bedeog tussen zijn oevers. Het water siste een

bruisend lied, als waren er geen nacht en bandjir geweest. De muskieten

snierpten laag over het spattende water. Uit de oetan klonk

de monotone koorzang der krekels. Hoog op het dak van een hut

zat een verregende haan, die zijn schor kraaien in flarden de lucht

instootte. De prauw hing scheef tussen de hutten als was zij uitgeput

van haar strijd tegen het woedende water, dat 's nachts aan

haar getrokken en geduwd had.

Evert zat in de deuropening van zijn hut. Het licht was balsemend

na de infernale duisternis en de nachtmerries van de bandjir-nacht.

Het vuur van de dysenterie vrat in zijn ingewanden. Hij zag de

prauw hangen en hij wist, dat zij naar de kali zou moeten worden

teruggebracht. Hij tilde zichzelf heen over de willoosheid, die hem

weer dreigde te besluipen en riep de mannen bijeen. Het verbaasde

hem, dat hij nog lopen kon, zijn lichaam voelde hol en leeg als een

slappe ballon, alleen de pijn trok er met langzame messen doorheen.

Met z'n vijven maakten zij de koorden los, waarmee de

79


prauw lag vastgebonden en zij begonnen te trekken en te slepen.

Na de eerste tien centimeter was er echter geen wrikken of bewegen

meer aan; het vaartuig zoog zich vast in de modder en

iedere ruk, die zij gaven, deed het dieper wegzinken.

Er waren twee mogelijkheden: wachten tot de grond weer hard geworden

zou zijn of een geul graven naar de oever, waar zij de

prauw doorheen zouden kunnen trekken. Evert besloot tot het

laatste. Hij geloofde iets van zekerheid terug te vinden in het beeld:

prauw in de kali. Het was een verbinding met de wereld, die achter

hem lag.

Zij begonnen te graven. Er waren drie parangs en een leeg tournee-blik

en de afstand tot aan het water bedroeg ruim twintig

meter. De parang hakte een scheur in de vette modder. Rauwe,

zwarte handen met afgescheurde nagels krabden de grond weg in

grote, dikke kluiten. Evert schepte met het tournee-blik. Hij werd

drijfnat van het zweet, dat in zijn kleren vastklitte. Hij trok zijn

hemd uit en even later zijn broek. Naakt werkte hij naast de vier

Papoea's. Zijn rode, koortsige huid werd zwart van de aarde. Zijn

ontstoken oogranden begonnen te steken van de modder, die er

aan vastkoekte. Het zand knarste tussen zijn tanden en hij proefde

de lauw-zoete smaak van het modderwater. Hij hield zich overeind

aan het tournee-blik, wendde zijn lichaam aan de automatische

slingering van scheppen, oprichten, weggooien, tot hij niet meer

wist wat hij deed.

Eerst laat in de middag was de geul gereed. De prauw werd met

vereende krachten naar de rivier gesleept. Het was als een te water

lating van een nieuw schip. Hij keek het na toen het van de oever

afschoof en met een plons in het water dook. Een der Papoea's

bond de boot vast aan een overhangende tak.

Toen was er geen kracht meer in hem en hij moest ondersteund

worden, terwijl hij naar zijn hut terugkroop.

— Nu is het weer goed, dacht hij moe. — Nu is alles weer goed. De

80


prauw ligt in het water. Ik kan nog terug naar Wembi... straks.

Ik heb de bandjir overwonnen met Gods hulp.

Hij vouwde zijn zwarte modderhanden en bad. Zijn gezicht was

een griezelig verwrongen kleimasker. Zijn naakte lichaam was de

aarde zelf. Als hij op dat ogenblik gestorven was, zou hij gegaan

zijn met een diepe, allesverterende vrede in zijn hart. Er waren

geen mensen meer, geen oetan en geen kali. Er was alleen nog

maar een wezen, waarin de oervlam van de schepping flakkerde:

Evert Caldenhove, de naakte mens met aarde overdekt. Hij was

nu volslagen alleen in een wereld, die woest en ledig was als op de

eerste scheppingsdag. Hij had zijn ik overgegeven aan Hem, Die

hem in de bandjir-nacht gevraagd had waar hij was, toen Hij de

aarde grondvestte.

Toen kwam de slaap in een diepe bewusteloosheid.

V

Jlen van de drie dragers uit Wembi trok hem heen en weer. Hij

reisde langzaam terug naar de werkelijkheid en staarde in het

zwarte, uitdrukkingloze gezicht boven hem.

„Nog geen mannen!" zei de koelie in gebrekkig Maleis. Hij hief

zijn armen in een uiterst gebaar van machteloosheid omhoog en

schudde heftig zijn hoofd. „Al zeven dagen, toean!"

Evert hees zich met moeite overeind. Zijn benen waren dik opgezwollen

en hingen als loodzware gewichten aan zijn lichaam. Hij

zag met walging, dat zij van boven tot onder waren overdekt met

vuurrode, korstige zweren. — Wondkoorts, dacht hij en het woord

echode tegen de binnenkant van zijn schedel, waar de donder van

zijn jagend bloed bonkte en hamerde. — Wondkoorts ...

Hij kon niet lopen en liet zich naar de deuropening van de hut

dragen. Beneden hem stond de hele kampong-bevolking aangetreden.

De mannen van Almin waren tijdens zijn bewusteloosheid,

81


die hij op geen tijd kon meten, uit de oetan teruggekomen. De

beide Papoea's, die hij de bergen had ingezonden om het contact

met de daar wonende primitieven op te nemen, waren er echter

niet bij. Niemand wist iets te vertellen over hen.

Een van de Wembi-dragers had op de avond van hun vertrek

eveneens een touw met zeven knopen gemaakt en als Evert hem

moest geloven, waren die zeven dagen nu verstreken. „Zon achter

oetan weg, ik losmaken knoop, toean!"

Zeven dagen ...

Waren er inderdaad zeven dagen voorbij getrokken? Had zijn bewusteloosheid

dan vijf dagen en vijf nachten geduurd?

Klonk daar hoog boven hem in de oetan niet de schelle spotlach

van de tijd, die hem neersmakte in iets, wat zonder begin en zonder

einde bleek te zijn? Of was het een koningskakatoe, die klapwiekend

de kali overvloog?

Een touw met zeven knopen...

Hij ondervroeg de mannen met steeds eendere vragen, doch zij

schudden hun hoofd en haalden hun schouders op. Ten slotte begonnen

zij op hun vingers te tellen.

„Een ... twee ... drie ... dagen, toean. Weet niet." Zij keken

hem verlegen aan.

„Oh!" riep Evert. „Oh! Mijn God!" Het was de schreeuw van de

mens, die spitsroeden liep tussen leven en dood.

— Blijven betekent zelfmoord.. . zelfmoord... zelfmoord ...

Teruggaan heeft ook geen zin ...

De koorts kwam weer opzetten. De koorts stuwde visioenen van

dood en verkommering naar zijn fantasie. Iedere dood was een

rust...

Er klonk een andere stem, heel zwak tussen zijn overspannen verbeeldingen

door: „Terug naar Wembi! Daar zijn mensen, die je

kunnen verstaan. Je zult contact hebben met Kota Baroe! Ga terug!

Ga terug! Terug! TERUG!! TERUG!!"

82


Voor hij weggleed in een nieuwe bewusteloosheid, zei hij met

dikke tong: „Terug... naar... Wembi..."

De dragers brachten hem naar het vlondertje van de prauw en

toonden hem met de barang en al vast aan de bamboe. Hij was een

groot, slap, naakt lichaam. Zijn hoofd bungelde heen en weer op

zijn rugzak. Zijn handen hingen naar beneden, sleepten door het

water.

De dragers sprongen in de prauw en pagaaiden met razendsnelle

slagen over het woelige water van de Bedeog stroomafwaarts naar

Wembi.

Evert Caldenhove lag bewusteloos op het vlondertje gebonden.

Het was alsof er een dode vervoerd werd...

83


VIJFDE HOOFDSTUK

I

Xivert Caldenhove lag met wijd-open ogen in de donkerte van de

nacht te staren. Zacht heen en weer schommelend hing hij in zijn

hangmat in het posthuis van Wembi, op de grens tussen slaap en

ontwaken. Van ergens ver weg uit de nacht rondom hem bonsde

een dof, donker geluid, dat zich in hem drong en zich omvormde

tot een lichte, van de werkelijkheid doorweven droom.

De droom reisde vele jaren met hem terug naar zijn jeugd. Hij lag

boos en teleurgesteld in zijn bed, omdat hij niet had mogen opblijven.

Het was Koninginnedag en 's middags had hij het versierde

en bevlagde dorp gezien, samen met zijn moeder en zijn broer

Karel. Er was zelfs een kermis: een draaimolen, een zuurkraam en

een schiettent, bonte paleizen, die in zijn ogen uit het sprookjesboek

waren weggelopen om het dorp te betoveren. Hij voelde,

meer dan hij wist, dat de avond een hoogtepunt zou zijn. Dan zou

alles uitbarsten in een luide hartstochtelijkheid van kleur, licht en

muziek. Hij wilde het zien en ondergaan, doch zijn ouders oordeelden

hem te jong en brachten hem op de gewone tijd naar bed.

Daar lag hij, vechtend met zijn tranen van onmachtige woede. Heel

uit de verte drong het geluid van de dorpsharmonie tot hem door,

als een rhythmische spot in de doffe slagen van de Turkse trom...

Boem ... Boem... Boem ... Boem...

84


De droom zonk weg. Hij was nu klaar-wakker. Het doffe dreunen

van de verre trom bleef. Hij luisterde gespannen en toen hoorde

hij, tussen het bonken door, af en toe de verwaaide klanken van

langgerekte kreten.

Hij ging rechtop zitten en liet zich uit zijn hangmat zakken. Op de

tast schuifelde hij tot op de voorgalerij, waar de koelte van de

nacht zacht te huiveren hing op een vlagend windje. Hij ging aan

de trap zitten, zijn voeten op de bovenste trede, zijn handen om

zijn knieën geslagen. Hij luisterde naar het dreunen van de trommen,

dat nu duidelijker te horen was en naar de kreten in rauwe,

kort afgebroken stoten er tussendoor krijsend.

Het geluid was hem vreemd, maar hij kende de herkomst er van.

Op een dagmars ten zuiden van Wembi vierde kampong Kombjeti

zijn jagesfeest, dat de joeskwanto van Kombjeti had uitgeschreven,

omdat de weinige geboorten en de slechte oogsten zorgen gingen

baren.

Hij glimlachte en rekte zich uit. — Maandagmorgen ga ik verdery

dacht hij. — Naar Waris ... via Kombjeti; het kan jaren duren voor

ik weer in de gelegenheid kom zo'n feest te zien. Het kan best. Ik

bepaal mijn eigen tempo, langzaam aan, dan breekt het lijntje niet.

Als ik hier blijf zitten wachten tot Van Weghen eindelijk komt opdagen,

moet ik met hem verder trekken en dan ben ik binnen twee

dagen buiten adem. Dat hijs ik niet...

Hij voelde zich weer gezond, in ieder geval lichamelijk in staat de

tournee voort te zetten. Hij kon zich nog maar nauwelijks voorstellen,

dat het al bijna een maand geleden was, dat de drie dragers

hem van Almin naar Wembi brachten. Tussen kampong Almin en

het ogenblik, waarop hij in Wembi eindelijk ontwaakte uit de

razende ijlkoortsen, die zijn lichaam doorschokten, lag een volslagen

niets.

De verhalen, welke pater Piet en de mantri van Wembi hem vertelden

over de veertien dagen, waarin zij wanhopig voor zijn leven

85


hadden gevochten, sloegen de brug over de peilloos diepe rivier

van bewusteloosheid.

Als een dode was hij door de drie koelies de kampong binnengedragen.

Zijn benen waren opgezwollen als werd hij door

«lefantiasis geteisterd en zij waren bedekt met vuurrode koortszweren.

Pater Piet, die op zijn missie in Yetti was, werd gewaarschuwd

en holde in een ijltempo dwars door de oetan naar Wembi,

waar hij Evert ijlend in het posthuis aantrof. Hij schreeuwde met

krijsende kreten en begon dan te lachen als een waanzinnige. Er

waren perioden van urenlange, diepe bewusteloosheid. Gelukkig

had de mantri van Wembi obat voor hem. Wembi was een hoofdplaats

en de mantri was in staat hem met cibazol-injecties te behandelen.

Als de cibazol er niet geweest was, hadden ze hem naar

Kota Baroe moeten pikoelen en dat zou hij nooit overleefd hebben.

De kampongbevolking leefde mee.

„De arme stumpers waren als de dood, dat je het niet zou halen,"

vertelde pater Piet. „Ze waren bang, dat als de toean van Kota

Baroe in hun kampong zou sterven, zij naderhand straf-expedities

te duchten zouden hebben. Of zij het konden helpen, dat jij zo ongelofelijk

stom bent geweest op een onverantwoordelijke manier

naar Almin te reizen! Ik heb geprobeerd het de mensen uit hun

hoofd te prateni, maar zij waren niet te overtuigen." Het was ontroerend

geweest. Zij waren komen aandragen met alles wat zij

maar missen konden en meer dan dat: eieren, kippen, sago-koeken

en keihard gebrand varkensvlees. Zij brachten het met een vreemde

mengeling van vrees en werkelijk meeleven met de toean, die zo

door de boze geest der ziekte bezeten was.

Evert ervoer deze stemming, toen hij, na twee weken, voor het

eerst buiten kwam en gedurende de zonne-uren door de kampong

wandelde. De mensen groetten hem verlegen, nog steeds met iets

van schuwe eerbied, maar met werkelijke vreugde in de glimlach

rond hun mond. Zij stonden bijeengetroept voor de lage opening

86


van hun bamboehutten. Magere scharminkels van honden slopen

om hen heen of joegen achter een verschrikt kakelende kip aan.

Als hij voorbij was, voelde hij, hoe ze hem nakeken, hun blik brandend

op zijn rug.

De dagen waren lang en doordesemd van een diepe, zalige rust.

De zon brandde van 's morgens vroeg tot 's avonds laat boven de

bergen, op de eindeloze boerenkoolzee van de oetan. De regen

bleef uit. Men kon zich niet herinneren, dat het ooit zo lang achtereen

droog geweest was. Het was een geschenk van de Hemel zelf.

De droogte koesterde hem en slurpte de koorts uit zijn lichaam. De

regen zou zijn herstel hebben vertraagd.

Een maand lang was hij nu reeds in Wembi. Een maand vertraging

op zijn tournee-schema. Nee, hij moest nu niet langer talmen. Hij

was weer sterk genoeg om verder te lopen en hij wilde Van

Weghen, als hij zou komen, in Waris ontmoeten en niet halverwegen

in Wembi. Waris betekende een overwinning, Wembi was

een halve nederlaag.

In het oosten begon de dag bleek te trekken aan de horizon boven

de oetan. Op de heuvel, tegenover die waarop het posthuis stond,

werd op een gong geslagen; een hoge, zinderende klank, die door

de prille morgen rolde. Pater Piet wekte zijn leerlingen op naar de

Zondagsdienst te komen. Even later klonk het zachte rumoer van

pratende stemmen van hen, die langs de heuvel van de missie

omhoog klommen en nog weer later, toen het geluid der stemmen

was weggestorven, begon een wankel zingen te rijzen en te dalen

in een monotone beurtzang. De dienst was begonnen.

— Het is Zondag vandaag, dacht Evert en hij stelde zich voor, hoe

zijn ouders door de bossen rond „Caldenhove" naar het dorp

liepen om ter kerke te gaan. — Altijd lopen, nooit met de wagen.

Naar een kerk hoor je te lopen, zei moeder altijd en het moest wel

heel slecht weer zijn als vader de wagen uit de garage haalde.

Hij stond op en ging naar binnen, waar hij het bijbeltje opensloeg,

87


dat zijn moeder hem op de dag voor zijn vertrek uit Holland had

gegeven. Hij las er vaker in dan hij ooit vroeger in Holland in de

bijbel gelezen had. — Het is vreemd, dacht hij, maar het zegt me

hier meer, of is het zoals pater Piet laatst zei, toen ik hem daar

over sprak? Is de eenzaamheid als een dokter, die het klankbord

van onze ziel groter maakt? Horen wij Gods Stem beter in de stilte,

dan in het rumoer van het dagelijkse, comfortabele leven?

Hij keek neer op de bladzijden, die waren opengevallen en las ...

„Alles heeft een bestemde tijd en alle voornemen onder de hemel

heeft zijn tijd. Er is een tijd om geboren te worden en een tijd om

te sterven, een tijd om te planten en een tijd om uit te roeien! Een

tijd om te doden en een tijd om te genezen, een tijd om af te breken

en een tijd om te bouwen. Een tijd om te wenen en een tijd

om te lachen, een tijd om te kermen en een tijd om op te springen.

Een tijd om stenen weg te werpen en een tijd om stenen te vergaderen.

Een tijd om te omhelzen en een tijd om ver te zijn van

omhelzen. Een tijd om te zoeken en een tijd om verloren te gaan,

een tijd om te bewaren en een tijd om weg te werpen. Een tijd om

te scheuren en een tijd om toe te naaien, een tijd om te zwijgen en

een tijd om te spreken. Een tijd om lief te hebben en een tijd om

te haten, een tijd van oorlog en een tijd van vrede..."

Hij keek op en ontmoette de brede, vlammende waaiers goud en

rood van de opgaande zon achter de bergen.

„Wat voordeel heeft hij, die werkt van hetgeen hij bearbeidt?"

vroeg de Prediker en hij vervolgde met goede, vertroostende wijsheid:

„Ik heb gezien de bezigheid, die God aan de kinderen der

mensen gegeven heeft om zich daarmee te bekommeren..."

— Hij heeft ons het ambacht gegeven, het ambt en het beroep,

dacht Evert ontroerd. — Onze handen construeren, onze geest beredeneert

en denkt uit, onze voeten wandelen over de aarde of

strompelen door de moerassen van de oetan. Het is allemaal bezigheid,

die God ons gegeven heeft, opdat wij ons daar om zouden

88


ekommeren. Prachtig woord is dat eigenlijk ... bekommeren. Het

drukt een liefdevolle zorg uit, die wij dienen te bezitten...

En de Prediker vervolgde: „Hij heeft ieder ding schoon gemaakt op

zijn tijd, ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat een

mens het werk dat God gemaakt heeft kan uitvinden van het begin

tot het einde toe ..."

II

's Middags dineerde Evert op de missie-statie bij pater Piet. Het

werd een uitgebreid etentje, dat zij zelf, gniffelend als twee uitgelaten

kwajongens, bereidden. Zondags stuurde de pater zijn

djongos het bos in om met zijn kameraden op te trekken en zij hadden

het rijk alleen. Het was plezierig zo'n beetje te kokkerellen,

hoewel Evert ernstige bezwaren had tegen de grote hoeveelheden

lissa en lombok, die de pater door het eten werkte. „Mijn maag

brandt af," beweerde hij, maar pater Piet bulderde zijn bezwaren

weg. „Rijst moet gekruid zijn!" riep hij uit. „Neem van mij aan,

manneke, binnenkort eet je Spaanse peper of het een snoepje is."

De tafel werd feestelijk gedekt met een van de twee beddelakens,

die de missie rijk was en die werden bewaard voor de hoge, kerkelijke

omes, die wel eens een enkele maal hun eerwaarde neuzen

naar Wembi kwamen uitsteken. In plaats van de blikjes van alle

dag kwamen er schalen en borden van aardewerk op tafel; een

echt servies met rode en blauwe bloemetjes.

„Da's 'n cadeautje van ons moeder uit kampong Ulvenhout bij

Breda," zei pater Piet glunderend. „Ze heeft er nog twee schone

bloemvazen bij gepakt voor de kerk. Zeg niet, dat ik geen verwend

mens ben. Ga zitten, peer, en laat het je goed smaken."

Na het eten gingen ze op de voorgalerij zitten met hun koffie.

Pater Piet deed heel geheimzinnig met een blikje, dat hij uit de

89


la van zijn bureau haalde. „Ook van ons moeder!" zei hij, triomfantelijk

twee in plastic-kokertjes verpakte sigaren omhoog stekend.

„Toe maar, het kan niet op," zei Evert verrast.

Zij zaten naast elkaar in hun stoelen geleund en zogen tevreden

aan hun sigaren. De rust van de middag zweefde in het blauw van

de rookslierten rond hun hoofden.

„Ik ga morgen verder," zei Evert plotseling. Hij moest er toch eens

mee voor de dag komen. „Eerst naar Kombjeti. Ik wil dat jagesfeest

wel eens zien. Het Bestuur is er glad tegen en voor ze het

helemaal verbieden, wil ik de kans toch nog even waarnemen."

Pater Piet wendde zijn gezicht niet naar hem toe. Hij bleef voor

zich uit zitten kijken. „Je kunt niet gek worden wanneer je wilt,"

zei hij ten slotte. „Daar staat een tijd voor, als ik het wel heb. Je

kunt beter hier blijven, Evert, nog wat aansterken en zo..."

„Net als Hans en Grietje bij de heks," grinnikte Evert, ondanks

zichzelf een beetje gepikeerd over het woord „aansterken".

„Bedankt!" zei pater Piet, even met zijn vingers tegen zijn slapen

tikkend. „Ik weet, dat ik niet van de schoonsten ben, maar een

heks is me toch te grijs."

Evert lachte en zei: „Ik voel me weer helemaal fit."

Pater Piet haalde zijn schouders op. „Je moet het natuurlijk zelf

weten, maar je bent volslagen idioot als je het doet."

Evert ging rechtop zitten. „Nou moet je eens goed luisteren," zei

hij, de pater strak aankijkend. „Je bent, zolang ik hier was, als een

vader voor me geweest. Dat mag gerust wel eens gezegd worden.

Maar ik begrijp werkelijk niet waarom ik gek ben als ik morgen

doortippel. Stel je nou eens voor, dat Van Weghen plotseling kwam

opdagen, dan moest ik evengoed verder. Nee, ik kan het beter op

mijn eentje doen. Ik kan dan mijn eigen tempo bepalen. Een dagje

rustig lopen en ik ben in Kombjeti. Zou ik daar uitgeput aankomen,

dan kan ik er altijd een dag of wat blijven hangen om weer

bij te komen, zeg nou zelf."

90


Pater Piet trok zijn wenkbrauwen op. „Ik heb het allang afgeleerd

iemand, die eigenwijs is, tot andere gedachten te brengen. In jouw

plaats wachtte ik nog een weekje, maar je moet het natuurlijk zelf

weten. Als jij wat in je hoofd hebt..."

„... heb ik het niet in mijn schoenen," zei Evert tevreden.

Het liep al tegen donker, toen hij afscheid nam van pater Piet, de

vrolijke, vaderlijke vriend, de onvermoeibare zwoeger in de wijngaard,

die de Here hem te verzorgen had aangewezen. „En doe

de groeten aan de concurrentie," zei hij lachend, „vergeet ze niet,

Evert. Vooral aan dominee Paalman, da's een reuze geschikte peer

en we hebben wat afgelachen samen, toen ik hem een paar maanden

geleden in Kota Baroe trof."

Evert liep langzaam tussen de kamponghuizen door, de heuvel van

de missie af en klom naar boven, naar het posthuis, waar Papoea

Poesjie de barang voor de tournee al bijna had ingepakt. Een week

geleden had Evert zijn bediende Hermannus naar zijn kampong

teruggestuurd, omdat hij hele dagen in de oetan zat en er nooit was

als Evert hem nodig had. Hij had het, zoals pater Piet het uitdrukte,

wel van eieren gemaakt. Hermannus was half-huilend en

met een boos, donker gezicht de oetan ingelopen, terug naar Arso.

De zwaarste straf was wel, dat hij nu zijn plaats op de politieschool

in Kota Baroe verbeurd had en het was Hermannus' grootste

ambitie geweest daar ooit te komen. Poesjie, zijn opvolger, was een

beste jongen; goedig, wat dom en langzaam, maar uiterst gewillig.

Evert geloofde, dat hij het met Poesjie voor de rest van de tournee

best zou kunnen stellen.

III

1 ot Wembi was er iets geweest, wat met wat goede wil en fantasie

een weg genoemd kon worden. Voorbij Wembi, in de richting van

Kombjeti, kon zelfs de verbeeldingrijkste optimist geen weg ont-

91


dekken. Waar zij over liepen was een Papoea-pad, niet meer dan

een platgetrapte streep gras en struiken, die zich tussen de bomen

en over de boomwortels slingerde, door kali's liep, opkroop tegen

steile hellingen langs en over enorme rotsblokken, die er lagen als

had een reuzenhand hen in een woede-aanval als dobbelstenen op

de wereld geworpen. Naar Kombjeti was het een onafgebroken beklimmen

van bergen, gevolgd door levensgevaarlijke afdalingen

langs gladde, algenbegroeide rotsen, met de volgende, nog hogere

berg als een dreigende schaduw voor zich.

Evert liep, zoals hij van plan was geweest te lopen: rustig en langzaam.

Hij had uitgerekend, dat hij in dit tempo, met rustpauzen om

het uur, voor donker in Kombjeti zou aankomen. Er was geen

enkele reden om zich te haasten. Trouwens, daar waren de berghellingen

te steil en het Papoea-pad te onbegaanbaar voor. Het was

een uitputtend klimmen over gladde, natte boomstronken en hoge

rotsblokken, wier scherpe kanten hem zijn handen en knieën pijnlijk

verwondden.

Toch ervoer hij het vermoeiende klimmen en het uiterst gevaarlijke

afdalen als een bevrijding na de nachtmerrie van de wondkoortsen,

de wurgende angst-nachten en de tomeloze bandjir in

kampong Almin. Hij had nu weer een doel voor ogen. Het was het

positieve, na het wachten op herstel in Wembi.

Met een grijns van spot dacht hij aan de woorden van pater Piet:

„Je moest maar hier blijven om aan te sterken!" — Hij zal bedoeld

hebben: om vetgemest te worden.

Ja, de inspannende activiteit van de bergtocht was heerlijk. De

uren vlogen voorbij en de vermoeienissen wogen maar half zo

zwaar als vroeger.

Toen hij aan de vlakke oever van de Deoer-kali halt hield voor het

middagmaal, ontdekte hij, dat zijn rechterschoen van de hak tot

aan het puntje van zijn zool gescheurd was. Het ongelijke bergterrein,

met de afschuwelijk scherpe rotsblokken, was zelfs te veel

92


voor stevige schoenen als de zijne. Hij zat er een tijdje mee in zijn

hand en verwisselde ze toen, met een zucht, voor een paar linnen

sluipschoenen. — Nu kan ik net zo goed op mijn blote voeten gaan

lopen, dacht hij en hij hoopte vurig, dat ze het toch nog even zouden

uithouden. Er zat anders niet veel meer op dan zich tot Waris

te laten dragen.

— Maar als dat de enige tegenslag is tot Kombjeti, mag ik niet

mopperen, dacht hij, terwijl hij, aan de bruisende kali gezeten, de

sago-koekjes, geweekt in klappermelk, verorberde. — Helemaal

zonder narigheid zal het wel niet lukken.

Hij merkte, dat hij zich het gematigde pessimisme van een ervaren

oetanloper reeds eigen begon te maken.

Na het eten ging hij verder, de kali over, de zoveelste berghelling

op. Hij vorderde sneller dan hij dacht en ruim drie uur voor zijn

berekening bereikte hij Kombjeti.

Hij werd opgewacht door de korano, een oude man met een pokdalig

gezicht en ruwe, grijze baardstoppels rond de kin. Hij had

een lange, puntige neus, die bijna zijn bovenlip raakte. Hij sprak

geen woord Maleis. Poesjie werd er bij geroepen om als tolk op te

treden, doch met diens geringe talenkennis en langzaam begrip

duurde het geruime tijd, voor Evert en de korano enigermate van

elkanders bedoelingen op de hoogte waren. De korano bracht hem

naar het posthuis, dat op een afgelegen heuvel was gebouwd. Het

was een wrakke bamboehut, die aan alle kanten kraakte en kreunde

als stond zij op het punt van instorten. Het mandihok zakte in

elkaar, zodra Evert het betrad. Het water moest door de vrouwen

van de kampong de heuvel op worden gebracht in kleine bademmers.

Het was vies, stinkend, grijs water. Van enige verfrissing

bij het baden was geen sprake.

Evert stond voor het posthuis en rookte een sigaret. De heuvel,

waarop hij stond, lag laag in een nauwe ring van hoge, dicht beboste

bergen. De toppen staken in dichte, laaghangende wolken-

93


massa's, die in slierten de hellingen afrolden en als zwevende, witte

gewaden boven de bomen hingen.

Beneden in de kampong krijste een kind...

IV

JVombjeti danste ...

Maanden tevoren waren de mannen van de kampons? de bossen ingetrokken

om eten te verzamelen voor het feest. Sago-palmen vielen

onder het kappend geweld van hun scherpe bijlen krakend

door de oetan en wilde varkens zakten dof-rochelend door hun

voorpoten en stierven onder de snelle flits van pijlen. Het voedsel

werd de kampong ingedragen en opgetast. Sago-koeken en hompen

gebrand varkensvlees, het eten voor de genodigden — en wee hem,

die het wagen durfde geen acht op een uitnodiging te slaan! — en

de kampongbevolking.

Het terrein voor het heilige huis, een paar honderd meter buiten de

kampong gelegen, werd schoongekapt en aangestampt. Dagenlang

bonsden de stampers tussen de uitgespreide benen der vrouwen,

totdat de bodem zo hard als gebakken leem was geworden.

Onder het stampen door hadden zij, met schuwe eerbied en vrees

in hun ogen, gezien hoe de mannen rond het sacrale huis een pagger

van sago-bladeren hadden opgetrokken. Zij wisten het: achter

deze beschutting maken de mannen zich gereed voor de dans. In

de dans zullen zij niet langer onze mannen zijn, doch jiemsa, de

geesten van onze voorvaderen. Vloek en dood komen over ons, zo

wij hen als mannen en niet als geesten herkennen. Onze mannen

worden jiemsa, hadden zij gepeinsd, — jiemsa of jejonggoewai,

aofrai of janges, dansende geesten in ons midden. Dat de vruchtbaarheid

over ons komen moge...

Kombjeti danste...

94


De schelle, krijsende kreten van de dansenden stegen omhoog,

boven de bomen uit tegen de bergen op. Zij weerkaatsten in duizenden

echo's.

„Wah ... Wah ... Wah ..."

De donkere tonen der kaio foef, de dikke, houten fluiten, pijpten

dof de ondertonen, de trommen dreunden in eindeloze rhythmiek.

Het golfde bonzend door de kampong. Uren achtereen, van het

ogenblik dat het licht nog nauwelijks aan de oosterkim geboren

was, tot ver voorbij de schemer, als de duisternis in kille kou de

hitte van de dag had weggespoeld. Uren achtereen, weken aan één

stuk, één ononderbroken rhythme, uit de diepste diepten der oerinstincten

opstijgend en naar buiten berstend in een schier nimmer

eindigende orgie van gebaar en klank.

Kombjeti danste...

Mensen werden tot geesten, angstaanjagend in de grimmige maskering

van hun lichamen, uitbundig getooid met de felle kleuren

van duizenden vogelveren. Rondom stond de eeuwig groene muur

van de oetan, mysterieus reliëf verlenend aan de demonie van haar

wezen. De geesten dansten de eeuwenoude passen, die ziekte, dood

en onvruchtbaarheid verbeeldden in duivelse bedreigingen. Zij waren

het tot leven gewekte oerwoud.

Kombjeti danste ...

In lange rijen stonden de mannen naast elkaar. Op het hoofd een

lange rotanstok, omwonden met de zwarte, harige veren van de

casuaris, gekroond met de wit-gele, gouden schoonheid van de

staart van de paradijsvogel, de boeroeng koening, de koningsvogel

van de oetan. Daar omheen een raam van rotan, waaraan het hele

weergaloze kleurenpalet van Nieuw-Guinea's vogelwereld bloosde,

afgestoken met lange haneveren, omzoomd met snoeren oranje

kaibons en djoeroeks. Aan de uiteinden hingen in zware trossen de

dikke veren der kroonduiven en jaarvogels.

Kombjeti danste...

95


De gezichten der mannen waren verborgen achter de van touw

gevlochten maskers, bizar beschilderd in een bonte wirwar van

kleuren en lijnen. Dikke snoeren vruchten hingen aan de hals, langs

het lichaam, tot op de borst, die, zoals het hele lichaam, met rode

en zwarte ruiten, verdeeld met witte strepen, was beschilderd. Om

het middel spande een nauw snoer van schelpen en varkenstanden,

waar onder het dansen de kleurig beschilderde peniskoker met

droge, korte tikjes tegenaan stootte. Van de armen hingen, in brede

gordijnen, lange grasvezels omlaag. De benen en armen waren

overal omspannen door banden met varkenstanden en belletjes en

schelpjes. Het maakte een tinkelend geluid, dat in zijn massa juist

niet teloor ging in de orgie van lawaai rondom.

Kombjeti danste...

De demonen sprongen, hoog opverend, van het ene been op het

andere. Ze maakten drie passen voor- en drie passen achteruit en

sprongen weer, terwijl zij zich omdraaiden. Zij kreten hoog-gillend

en zonder enige afwisseling: „Wah ...! Wah...! Wah ...!", een

monotoon krijsen op het primitieve leitmotiv van het ongebonden

bosleven.

Kombjeti danste...

De vrouwen dansten in twee rijen voor en achter de mannen mee.

Zij waren on versierd. Zij droegen alleen een schaamschortje en in

•de oren lange varkenstanden en benen ringen. Op iedere rug

bengelde een stokje, dat met een vezel aan het voorhoofd was vastgebonden.

Aan het stokje waren veren, tanden en belletjes bevestigd,

die heen en weer wipten en tinkelden in de eentonige

cadans van het bewegende lichaam. De hoofdvrouw hield een doek

boven haar hoofd als afweermiddel tegen de bedreigingen der

demonen, die op haar aan dansten. Zij mochten hun eigen mannen

niet herkennen. Zij zouden aan stukken worden gescheurd en hun

lichaamsdelen zouden worden verspreid, als zij ook maar met het

geringste teken lieten blijken, dat zij wisten, wie er achter de af-

$6


grijselijke maskers verborgen zaten. Zij trachtten de geesten te verdrijven

en dansten, terwijl zij lange, harde schreeuwen de lucht instootten.

Kombjeti danste...

Tussen de dansers zwermden kleine, pikzwarte varkentjes, de

jongen van de voor het feest geschoten moederdieren. Kinderen

hingen aan de lichamen der moeders vastgebonden en werden gezoogd,

terwijl de vrouwen extatisch de dansbewegingen maakten.

Urenlang dansten zij zonder ophouden en zonder een spoor van

vermoeidheid, zonder afwisseling van thema, zonder variaties.

„Wah...! Wah...! Wah...!"

Evert Caldenhove onderging de dans-orgie der Papoea's in het

begin met de nieuwsgierige belangstelling van een toerist, die

Marken of Volendam een bezoek brengt. Later werd hij gegrepen

door de demonie van de beweging en het rhythme en ten slotte

werd het een obsessie voor hem.

Hij zat aan de rand van het dansterrein en hij had het gevoel of de

satan zelf rond hem sloop. In onderbewuste afweer tekende hij

met een rotanstokje een cirkel rond zich in de aarde. Hij zat in die

cirkel als op een eiland in een woedende oceaan. De dansers merkten

hem niet op. Zij zagen hem wel, maar hij was hun volkomen

onverschillig. De dans doorschokte hun lichamen, deed hen rijzen

tot ongekende hoogten van extase. De aarde zelf scheen te bewegen,

de oetan rondom trilde groen, de hemel golfde als vervuld

van een compacte massa duivels en demonen, zwierend en

zwaaiend op de cadans van het eeuwige rhythme. Het was een

heksensabbat.

Het boeiende in het schouwspel, de kermesse héroique, zoals bij

het in het begin had opgevat, maakte plaats voor een benauwenis,

die hem ten slotte op de vlucht dreef.

Hij sliep slecht die nacht, telkens opschrikkend uit zijn slaap,

97


direct weer overvallen door het gillen der dansers en het eentonige

pijpen van de kaio foef. Hij verzette zich drie dagen lang tegen de

macht van het rhythme en besloot toen hals-over-kop te vertrekken.

Er lagen nog enkele zware dagmarsen vóór hem naar Waris.

Maar Kombjeti bleef dansen ...

98


ZESDE HOOFDSTUK

I

X oen hij 's morgens om zes uur bij de barang voor het posthuis

stond, gereed om te vertrekken, was er geen drager te bekennen.

In de kampong, op de heuvel tegenover hem, raasde het dansfeest,

het posthuis omspoelend met de eindeloze golfslag van het hoogopgierend

„Wah ...! Wah...! Wah...!"

Er trok een boze rimpel tussen zijn wenkbrauwen en hij gaf Poesjie

bevel de kampong in te gaan om de dragers op te halen. Hij keek

de jongen na, toen deze zich langs de heuvelhelling omlaag repte

en ging op een barang-blik zitten. Hij stak een sigaret op, maar

na een paar trekken gooide hij haar weg. — Niet roken, dacht hij.

— Direct zit ik in de bergen achter mijn adem.

Hij had wel gemerkt, dat het roken invloed had op het tempo,

waarmee hij liep en het had hem veel wilskracht gekost het te beperken

tot een paar sigaretten 's avonds, als hij in het bivak was

aangekomen. Vooral 's morgens was het niet gemakkelijk. Aan de

ene kant was het een gewoonte en aan de andere kant vond hij het

prettig op zijn nuchtere maag, met langzame trekken, van zijn

sigaret te genieten.

Poesjie kwam naar boven klauteren. Hij keek als een angstige hond,

die een pak slaag verwacht. Hij meldde met een zacht, benepen

stemmetje, dat de dragers nog lagen te slapen.

99


Evert sprong op. „Heb je ze dan niet uit hun bed getrapt?" riep hij

boos.

„Ze waren moe, toean. Zó moe. Ze hebben gedanst..."

„Niks mee te maken!"

Evert deed een stap vooruit. „Haal de korano! Direct!"

Poesjie maakte zich als een haas uit de voeten.

— Dat ook nog, dacht Evert wrevelig, terwijl hij zich weer op het

barang-blik liet zakken. — De heren liggen nog op één oor, moe van

het dansen ...

„Wah...! Wah...! Wah...!" dreunde het uit de kampong.

Het geluid ergerde hem ineens, het wekte zelfs weerzin in hem op.

De korano kwam buiten adem de heuvel ophollen.

„Toean..."

Evert stond op. „Waar zijn die snertkerels?" schreeuwde hij en hij

hield zijn horloge onder de neus van de korano. „Halfzeven is het!

Zie je het? Halfzeven!"

De korano knikte ijverig, hoewel hij in zijn leven nog nooit een

horloge had gezien, laat staan dat hij wist wat het was. Hij kroop in

zijn schulp voor de woedende blik van Evert. Hij kende de toean

niet meer terug, nu hij diens vriendelijke glimlach miste. De dragers

waren er niet, ja, dat was vervelend. Met een vergoelijkend

gebaar legde hij bei zijn handen tegen zijn wang en knikte zijn

hoofd opzij. „Koelie tidoer," zei hij langzaam. „Mwrrrrrr...

Mwrrrrrr..." Hij snorkte. „Dansa... dansa!" voegde hij er nog

verduidelijkend aan toe.

„Ga ze halen!!" bulderde Evert en tegelijkertijd had hij het idee,

dat hij zich op een geweldige manier stond aan te stellen. Die opgeschroefde,

kunstmatige woede ging hem niet goed af. Ergens in

hem verzette er zich iets tegen. „Je speelt maar behoorlijk op je

poot," had Van Weghen gezegd. „Als je je als een halve zachte gedraagt,

zien ze dat heus niet als een te waarderen vriendelijkheid

van jouw kant, maar als een teken van zwakheid. Denk daar aan,

100


als je niet halverwege in de oetan wilt blijven steken om te verkommeren!"

Het was misschien wel zo. Zelfs de zachtzinnige pater

Piet moest af en toe met enige verheffing van stem spreken als hij

iets gedaan wilde hebben. Maar ideaal vond Evert het niet.

„Het zijn geschikte jongens," had Van Weghen gezegd, „maar ze

hebben de kuren van kinderen en zonder koloniaal op te treden

moet je ze af en toe wel laten weten, dat je er ook nog bent. Kijk,

je kunt het die lui niet uitleggen, dat je hier niet bent gekomen om

van ze te profiteren. Mijn hemel! Profiteren kun je overal ter

wereld beter doen dan op Nieuw-Guinea. Wij hebben hier een

taak. Een hele bevolking dient uit het stenen tijdperk naar boven

gehaald te worden en zachte heelmeesters maken stinkende

wonden."

Terwijl de korano, gevolgd door Poesjie, de heuvel afholde om de

dragers, die tot diep in de nacht hadden gedanst en nu doodop op

hun tampatjes lagen te snorken, te porren, ging Evert ondanks alles

glimlachend zitten. De situatie, waarin hij verkeerde, deed hem

denken aan een zijner kennissen, die eens zijn zoontje behoorlijk

onder handen had genomen, omdat hij op straat was blijven spelen,

in plaats van naar huis te komen voor het avondeten. — Het zijn

kinderen, dacht hij. — En je kunt van ze gaan houden, beweerde

pater Piet. Alleen liefde kan hier iets bereiken, zei hij. Liefde betekent

ook strengheid op zijn tijd. Er is zo ontzettend veel van ze

te maken...

De dragers kwamen langzaam de heuvel op en stonden even later

voor hem met wezenloze slaapgezichten. Hij zag wel in, dat het

weinig zin zou hebben de kerels nog eens extra de huid vol te

schelden. Zwijgend wees hij op de barang.

Zij bukten zich en bonden de pakken met de vezelbanden rond hun

voorhoofd op hun rug en liepen in ganzepas achter elkaar de

oetan in.

De korano stond er bij met een uitdrukkingloos gezicht. Hij was

101


met zijn gedachten bij het feest, dat met onverminderde geestdrift

verder ging. Het was meer plicht, dan vriendelijkheid, dat hij bij

Evert's vertrek aanwezig was.

Evert liep met Poesjie achter de dragers aan het smalle modderpad

op de oetan in. Hij had nog geen honderd meter gelopen toen hij

iemand achter zich aan hoorde komen. Hij stond stil en draaide

zich om. Even later dook er een Papoea-meisje uit het groen op. De

meisjes uit de kampong kreeg hij weinig te zien, omdat zij door de

ouders tot haar huwelijk binnenshuis worden gehouden en alleen

buiten mogen voor wat licht werk.

Het meisje boog even schuchter in zijn richting, schoof toen schuw

langs hem heen naar Poesjie en sprak met hem in een dialect, dat

voor Evert alleen maar uit medeklinkers scheen te bestaan. Zij gaf

de jongen een pakje geroosterde bananen en sago-koekjes in bladeren

verpakt, en rende toen als een hinde terug de oetan door

naar de kampong. Af en toe kreet zij luid en doordringend en

Poesjie antwoordde, ook toen zij allang niet meer te horen was.

Evert liep verder. Hij lachte naar zijn bediende. „Was datje vrouw,

Poesjie?" vroeg hij, maar hij kreeg slechts een vreemd, halfverlegen

lachje ten antwoord.

— Van de liefde en het huwelijk van de mensen hier zal ik wel

nooit veel leren begrijpen, dacht hij. — Misschien zie ik alleen de

dingen, zoals ze door de adat bepaald zijn, maar in het wezenlijke

dring ik niet door.

Hij herinnerde zich een gesprek, dat hij eens, op een avond in Kota

Baroe, met Van Weghen had gehad. „Dat zijn dingen, waar je

eenvoudig niet achter kunt komen," zei hij. „Je moet begrijpen, dat

wij met de Papoea alleen maar goed van gedachten kunnen wisselen

als het over zuiver materiële dingen of uiterlijke verschijningsvormen

gaat. De diepste gedachten en gevoelens zijn niet uit te

drukken, omdat... zij die zelf niet kennen, althans zich niet gerealiseerd

hebben. Wij komen er in de toekomst ook niet achter.

102


Zodra de Papoea meer ontwikkeld is geworden en zijn denkwijze

zich op westerse wijze oriënteert, gaat het contact met zijn lagerontwikkelde

stamgenoten verloren. Hij kan zich dan niet meer

voorstellen hoe hij vroeger over liefde dacht, waarschijnlijk omdat

hij er in wezen nooit werkelijk bij stilstond. Er valt dus, als je het op

de keper beschouwt, niet over te redeneren, Evert. De subtiliteit

van het begrip liefde is alleen te vangen en te verwoorden als wij

het beredeneren vanuit het standpunt en de mentaliteit van de

mens, die het betreft. Wij kunnen de gedachtengang van een

Papoea, over alles wat met de aantrekkingskracht der mensen te

maken heeft, niet volgen. Aan de andere kant zou ik niet zomaar

klakkeloos willen aanvaarden, dat het bij hen zuiver en alleen op

instinct berust. Het dierlijke van de geslachtsdrift, gericht op de

instandhouding van de soort, is het niet alleen. Het is meer, maar

wij weten niet hoeveel meer..."

Dat had Van Weghen gezegd. Daarnaast stond de adat, die bij

het huwelijk werd gevolgd.

Als het meisje geslachtsrijp is, wordt zij door haar familie in optocht

naar het huis van haar toekomstige man gebracht. Zij loopt

dan diep gebogen aan de hand van haar moeder of een oudere

vrouw en wordt langs een achter-ingang het huis binnengebracht,

waar zij in een donker kamertje wordt opgesloten. In het hoofdvertrek

vindt de maaltijd plaats. Het gewone voedsel komt op tafel,

zij het dan in wat grotere hoeveelheden dan gewoonlijk. Daarna

vertrekt de familie weer, het meisje met zich meenemend. Het

huwelijk is dan voltrokken, dat wil zeggen, administratief. De geslachtsdaad

volgt pas weken later. Dan komen vrouwen uit de

kampong naar het huis van het meisje en vragen haar mee te gaan

het bos in om hout te sprokkelen. Het meisje weet tevoren wat er

gaat gebeuren, want ergens onderweg zit de man tussen de struiken

verborgen. Als zij voorbijkomt, springt hij te voorschijn en sleurt

103


haar met zich mee de oetan in. De vrouwen rennen giechelend

terug naar de kampong.

„En hoewel een man, die genoeg heeft van zijn vrouw, haar zonder

meer kan ruilen voor een andere uit de kampong, komt overspel

nagenoeg niet voor," zei Van Weghen. „Overspel wordt met de

dood gestraft. De schuldigen worden doorzeefd met pijlen, waarna

hun lijken de oetan worden ingesleept. Worden er mannen of

vrouwen ziek, dan laten zij hen links liggen. Sterven zij, dan is het

goed. Worden ze beter, dan is het ook best. Ik ben geneigd dit niet

als harteloosheid of onverschilligheid te brandmerken. De ziekte is

een boze geest en de mens, die er door wordt bezeten, moet het

maar alleen tegen hem uitvechten. Daar mogen de anderen zich

niet mee bemoeien. Kijk, Evert, je ziet dus wel, dat je uit deze

dingen moeilijk het liefdegevoel, dat wij kennen en hoogachten,

kunt peuren, hoewel je het daarentegen niet zou mogen ontkennen."

En Poesjie schreeuwde door de oetan en van ergens ver weg in de

richting van Kombjeti antwoordde een meisje, dat hem achterna

was gelopen om hem haar kleine geschenk te geven.

II

xien uur voor het bivak Meor viel de eerste regen. Evert had hem

al van ver horen aankomen; een zacht bruisen als van een verre

kali. De toppen van de bomen begonnen te wiegen en te kreunen in

de aanwakkerende wind. Het licht, het groene, schemerachtige

licht, dat door de bladerenmuur boven zijn hoofd wist door te

dringen, verkilde en tussen de bomen en de struiken wrong zich

een dikke, grijze nevel, laag dampend over de vochtige grond.

En plotseling was de regen er. Hij viel niet. Hij was overal en uit

alle richtingen. Hij kwam uit het oerbos zelf. De nevel verdichtte

104


zich tot water, zwaar en dik, dat gierde uit de toppen der bomen

en uit de ondoordringbare struiken aan de voet en langs de stammen

van de bosreuzen. De regen scheen uit de grond op te springen

uit duizenden bronnen.

De bergen leken onherbergzamer en ruiger dan ooit tevoren. De

bladeren van de bomen lagen in een meterdikke brij op de grond te

rotten en maakten het lopen tot een vallend glibberen van de ene

boomwortel naar de andere. Evert remde de vaart van zijn vallen

aan takken en boomstammen. Handen en voeten moest hij gebruiken

om bij het naar boven klauteren niet uit te glijden en neer

te storten in diepe afgronden. Hij vorderde slechts een paar honderd

meter per uur. Het afdalen was nog verschrikkelijker. De

borrelende bladerenbrij bood geen enkel houvast aan de voeten.

Het enige wat hij kon doen, was vallen van boom tot boom, van

struik tot struik, zijn lichaam openschrammend en kneuzend aan

scherpe doornen en hard hout.

In de dalen stortten zich de berg-kali's met donderend geweld

langs en over de rotsblokken naar beneden. Een landschap van een

ruige, woeste schoonheid, zó groots, dat Evert zich nauwelijks kon

voorstellen, dat een mens zich ooit hier gewaagd zou hebben.

Maar de dragers, die voor hem uitsjouwden, zochten zeker hun

weg en zij zagen paden, zo klein als het nauw zichtbare spoor van

een bosdier.

Toen de regen begon te vallen, verhoogden zij het tempo. Bij de

afdalingen renden zij de hellingen af met een gemak en een

souplesse, welke Evert hun benijdde. Zij wilden zo spoedig mogelijk

bivak Meor bereiken. Daar vielen zij uitgeput op de grond,

gooiden de barang van hun schouders en rolden dikke, vormloze

strootjes van boven een vuurtje gedroogde bladeren. Zij hijgden

en kreunden alsof zij nooit weer overeind wilden komen.

Evert kwam als laatste binnen met Poesjie achter zich aan. Hij

snakte naar adem van het harde lopen. Het water had hem door-

105


weekt en het spoot tussen de voering van zijn kleren door in dunne,

kleffe straaltjes. De hitte hing broeierig te vechten tegen de regen.

Hij ging zitten en keek naar de lucht, die loodgrijs en zwaar boven

hem hing. Het was duidelijk, dat de regen nog uren zou aanhouden.

De dragers kwamen hem vragen of ze de nacht in het bivak mochten

doorbrengen om de volgende morgen via Ampas naar Merren

door te trekken. Een kort ogenblik dacht hij er over, aan hun verzoek

gevolg te geven. Het was nog een vermoeiende tocht naar

Ampas, urenlange klim- en daalpartijen en dat onder een steeds

harder neerstromende regen. Maar toen zei hij bars, dat hij meteen

doorging naar Merren. De dragers begonnen te mopperen en zelfs

Poesjie kwam vragen of bij niet op zijn besluit wilde terugkomen,

maar Evert schudde koppig zijn hoofd. Ze zouden direct doorlopen

naar Ampas en vandaar naar Merren. Per slot van rekening was

het de schuld van de dragers zelf, dat ze moe waren. Als ze niet tot

diep in de nacht hadden gedanst, zouden ze nu fit geweest zijn. Hij

wilde er geen rekening mee houden.

„Maar ze hebben nog niet gegeten vanmorgen, toean," zei Poesjie.

„Dan eten ze maar hier en dan komen ze ons maar achterna. Ik ga

verder!" zei Evert wrevelig. — En je bent een lekkere doordrijver,

dacht hij er achteraan. — Het is niet verstandig om die lui hier

achter te laten. Tussen Meor en Ampas ligt een terreintje, waar je

bleek van om je neus wordt, daar heeft zelfs pater Piet een heilig

ontzag voor. Als ik nou doorloop, heb je kans, dat ze me kalm in de

steek laten.

Hij kwam in zoverre op zijn besluit terug, dat hij de dragers gelegenheid

gaf eerst goed te eten. Maar daarna trokken ze verder,

ze konden op hun kop gaan staan.

Kampong Meor bestond uit zes hutten, die op de grond waren gebouwd.

Het Bestuur had bevolen alle hutten op palen te bouwen,

maar in Meor, waar hooguit zestig Papoea's woonden, was men

106


daar nooit aan toe gekomen. Evert ontmoette de korano, een schrale

man, wiens enige kennis van het Maleis bleek te bestaan uit een

paar maal herhaald: „Selamat hari, toean," zodat de conversatie

binnen de minuut doodviel.

Na drie kwartier kwamen de dragers overeind, nog moe en niet

uitgeslapen, maar tenminste verzadigd. Evert trok met Poesjie achter

hen aan de kali door en liep door het regengordijn de eerste

helling op. Het was vier uren lopen van Meor naar Ampas en er

was geen levende ziel te bekennen. Niets wees op de aanwezigheid

van mensen, behalve het smalle, nauwelijks te onderscheiden

paadje, dat in de grilligste bochten door het terrein slingerde.

Hij kwam slechts langzaam vooruit, maar hij zag in, dat als hij zijn

tempo opvoerde, hij deze urenlange marteling onmogelijk zou kunnen

volhouden. Hij trachtte tijd en vermoeidheid te bevechten door

zich te verbeelden, dat Heleen uit Holland was gekomen en in

Kota Baroe op hem wachtte.

De Amerikanen hadden in Kota Baroe huizen gebouwd, houten

keten met een geprojecteerde levensduur van twee jaar; typische

geringschatting van een in overvloed levend volk voor het materiaal,

want de huizen stonden er nog steeds. Het was Evert opgevallen,

dat zo'n primitieve behuizing met wat eenvoudige middelen

bewoonbaar en gezellig gemaakt kon worden. Het zachte,

vriendelijke licht van een schemerlamp, een paar gemakkelijke

rotanstoelen, vrolijk-frisse gordijntjes, een aardig pulletje met bloemen

... het verried de zorgende hand van een vrouw. Zo'n huisje

werd een oase van rust en intimiteit. Hij meesmuilde bij de gedachte,

dat zijn verlangen naar rust de eerstvolgende jaren belichaamd

zou zijn in zo'n houten keetje, waarbinnen hij vergeten

kon, dat hij maandenlang gevochten had met de barnende krachten

ener verlaten en woeste natuur. Hij verlangde naar een klamboekamer,

naar een taf ellaken, helder wit voor het ontbijt gespreid en

hij stelde zich voor, dat hij eten zou van echte borden en drinken

107


uit echte kopjes. Het gedeukte etensblik en de veldfles waren er

iedere keer weer even zovele bewijzen van hoever hij van de beschaving

verwijderd was. Hij had er zich op betrapt, dat hij in de

kleine dingen, zoals scheren en wassen en het gebruik van een lepel

bij het eten, vocht tegen de degeneratie van het oerwoud. Hij wist,

dat er niet veel voor nodig was te zakken tot het peil, waarop voor

de oorlog zoveel kolonialen terecht waren gekomen, die ten slotte

apathisch op de rand van de kampong te leven kwamen. De gedachte

aan Kota Baroe, dat hem nu voorkwam als een hypermoderne

stad met alle mogelijk denkbare luxe en oomfort, was

zijn wapen tegen het verpauperen. Maar hij had ook geleerd, dat

een man met weinig tevreden kan zijn: een bed om op te slapen,

een etensblik als bord, een veldfles als beker en een sigaret van inlandse

tabak, dikwijls in gewoon schrijfpapier gedraaid. Hij had de

kleine vreugde leren smaken, die een kop gloeiend hete koffie zonder

melk en suiker hem gaf en hij voelde zich 's avonds, als hij na

het wassen een schone, maar bijna tot de draad versleten broek

aantrok, in gala.

Hij begon zich af te vragen of hij, na zijn terugkeer in Kota Baroe,

de dingen, die hij vroeger als vanzelfsprekend had aanvaard, zou

gaan her-waarderen en op hogere waarde schatten. Waarschijnlijk

zou hij dat in het begin doen, maar later, als het gewone leven hem

weer in zijn sleur meesleepte, zou het vervlakken en dan ... zou

hij weer heimwee krijgen naar de oetan.

Evert Caldenhove begon zich te realiseren, dat het bestaan van

controleur bij het Binnenlands Bestuur hem danig in zijn ban begon

te krijgen. Het zou meer worden dan een tournee door de

binnenlanden.

Het oerwoud, de mensen, die er hun primitieve existentie hadden

en de enorme mogelijkheden, die er waren, fascineerden hem. Hij

zou een leven krijgen, dat in werkelijkheid tournee was. Een kringloop

van beschaving naar de rimboe, van rimboe naar beschaving

108


en beide zouden de rust en de zekerheid van zijn bestaan uitmaken.

Toen hij ten slotte drijfnat neerzakte op het bivak Ampas, was hij

niet zo uitgeput als hij gevreesd had, na de verhalen van pater Piet

over het terrein, dat hij achter de rug had. Het was hondenweer,

maar tot zijn eigen verbazing had hij nog energie genoeg om na

een korte rust door te trekken naar Merren. De slechte toestand,

waarin het bivak van Ampas verkeerde, werkte wel aan dat besluit

mee. De hut, waarin hij een onderkomen zocht, was zo lek als een

mandje. Het water droop aan alle kanten door de atap heen.

Tot Merren was het drie kwartier, maar hij rende en sprong door

de gutsende regenvlagen en haalde het binnen een half uur.

III

De regen loeide oorverdovend door de avond en overstemde de

koorzang der krekels en vermengde zich met het donderend bruisen

van de Pambar-kali, die over de aarde golfde, het oerbos spoelend

in een schuimende vloed.

Maar in het bivak zelf was het droog. Het overhangende dak bood

voldoende beschutting tegen de vlagende regen en de wanden van

pisangbladeren en bamboe hielden de gierende wind verre.

Evert's drijfnatte kleren hingen over een balk te drogen en werden

stijf en grijs-grauw van de opdrogende modder.

Hij had zich gewassen in de kali en als een uitdaging naar de gutsende

regen een smetteloos-witte broek aangetrokken. Zijn rijst

hing te pruttelen in een potje boven het vuur, dat hij vlak naast

zijn hangmat had laten aanleggen, omdat de ene deken, waarover

hij beschikte, te weinig beschutting bood tegen de koude, die verraderlijk

met de regen en de wind meegolfde.

De dragers zaten in de bijgebouwen. Hij kon de gebogen, zwarte

109


silhouetten van hun lichamen zien afsteken tegen de flakkerende

lichtschijn van het vuurtje, waar omheen zij gezeten waren.

De regen, die met kletterend lawaai op het atapdak neerranselde,

kreeg nu iets gezelligs, iets troostends. Het dak en de wanden van

de hut bouwden zich rondom hem en het water streek er overheen,

de intimiteit van het vertrek verdichtend tot een behaaglijk vertoeven.

Evert lag met gesloten ogen, zich koesterend aan de

warmte van het vuur. Hij hoorde het zachte gekletter van eetgerei,

waarmee Poesjie bezig was en hij verbeeldde zich in een gemakkelijke

fauteuil te zitten. Vlak naast hem brandde de haard...

Hij was in de kamer, die hij tijdens zijn studententijd in Amsterdam

had bewoond. Een grote kamer op de vierde verdieping van een

oud grachtenhuis. Hij lag lui met zijn benen over de rand van de

fauteuil en rondom hem was een zachte warmte met de geur van

zoete tabak. Buiten was de regen, het leven van de stad dempend,

met als enige speelsheid in het gestage vallen van het water het

tintelende spel van plenzende waterdroppels in het donkere grachtenwater,

waar de weerschijn der lantaarns duizenden malen werd

gebroken en vervormd tot grillige lijnen en punten. Het was heerlijk

zo te zitten in een van regen vervulde avond. Hij hing, zonder

gedachten, in zijn stoel en luisterde naar de geluiden.

Soms kon hij plotseling oprijzen, zijn jas aantrekken en met een

oude hoed achter op zijn hoofd gedrukt de deur uitlopen, de regen

in, de grachten langs helemaal tot aan het IJ, waar de beslotenheid

van de stadsregen plaats maakte voor de ruwe, uit de vlakke polder

aanbolderende wind, die hem de regen recht in het gezicht woei

met duizend speldeprikken.

Soms ook ging hij naar Heleen en haalde haar op voor een wandeling.

Dan liepen zij samen door de natte avond, dicht langs de

huizen, die hoog en donker boven hen oprezen. In het donker

waren de huizen anders dan overdag. Des avonds waren zij in

zichzelf gekeerd, besloten en vol zwarte afweer. En toch leefden er

110


achter hun muren mensen. Het was prettig te fantaseren, wie er

woonden en de kaleidoscoop van hun levens te verzinnen.

Zaterdagsavonds stonden de werkers van het Leger des Heils bij de

Westerkerk. De regen deed hen donker glimmen. Hun zingende

stemmen klonken hoog en ijl door de natte avond. Het koper van

hun muziekinstrumenten vlamde kil in het licht van de straatlantaarns.

Een langsgierende tram duwde hun gezang weg in het

ratelen van de wagens. De takken van de bomen dropen met uitgespreide

vingers boven hen. De duisternis onder de bomen sloeg

dood tegen de hoge muren van de kerk.

De regen viel...

De regen bracht Evert terug naar het bivak Merren. — Morgenochtend

om vijf uur vertrek ik met mijn zeven dragers, dacht hij. —

De laatste etappe naar Waris ...

Dat was de werkelijkheid, maar de regen vlaagde hem heen en

weer in de tijdloosheid van verleden naar heden en weer terug. Hij

lag languit achterover in zijn hangmat en hij liet zich meevoeren in

een behaaglijke willoosheid. Het verleden was nog nooit zo sterk

aan hem opgedrongen als nu. Van het ogenblik af, dat hij de tournee

begon, was het verleden iets onwerkelijks geweest, iets, waarvan

hij zich nauwelijks kon voorstellen, dat het ooit een realiteit in

zijn leven geweest was.

— Misschien is het een teken, dat ik de oetan de baas ben gebleven,

peinsde hij. — Ik herleef als Evert Caldenhove, die vroeger in Holland

woonde en een eigen omgeving had en tegelijk ben ik Evert

Caldenhove, het eilandje middenin een eindeloze oetan-oceaan. Ik

sta op de drempel tussen wereld en oer-natuur en ik keer terug

naar het verleden, naar de werkelijkheid van een eigen, vertrouwd

leven. Doe ik dit om mijn eenzaamheid af te reageren? Is het een

reactie op de vermoeienissen van de afgelopen uren, waarin ik over

berghellingen glibberde? Of is het een begin naar mijn eigen evenwicht,

dat balanceert tussen wereld en oetan? Groei ik boven beide

111


uit...? Keer ik als mens terug naar mijn geestelijk niveau, zoals de

kompasnaald zich steeds naar het noorden keert?

De regen bruiste op het atapdak en hij liep door de stad met opgeslagen

kraag, de handen diep in de zakken van zijn regenjas en

zijn pijp, met af en toe een waaiende vonk, in zijn mond.

De trams waren broeierig; er hing een muffe stank van natte

regenkleren. De mensen hadden bleke gezichten en starende ogen.

Uit de kroegen schetterde muziek. De verlichte winkel-etalages

weerkaatsten rood, groen en helder wit op de natte trottoirs. Een

hoge lichtreclame trilde over het asphalt. Langs hem heen liepen

de duistere gestalten van mensen, sommige als grote vleermuizen

onder zwarte parapluies. Een ver carillon rinkelde natte klanken

over de verregende stad, die was uiteengevallen in duizenden

aparte wereldjes, gescheiden door de regen, die ruiste ...

Poesjie stond voor hem met een kop gloeiende koffie. De schakel

met het verleden brak in een nieuwe, oorverdovende roffel van het

water op het dak van het posthuis in bivak Merren.

De nacht hing dik, log en nat over de wereld...

IV

JEvert schrok wakker. Hij ging rechtop zitten. Onafgebroken bulderde

de regen rond de hut. Het was koud. Hij huiverde onder

zijn deken. Zijn vuurtje was uitgegaan en het vertrek was vol

schimmige schaduwen, waarvan hij zich verbeeldde, dat zij bewogen

als hij er lang naar keek. Hij liet zich uit zijn hangmat zakken

en schuifelde naar de deur. Buiten lagen de vuurtjes van de

dragers onder het afdak na te gloeien in zachte sprankelingen rood

vuur. Vlak voor de galerij hoorde hij een zacht kraken. Er bewoog

zich daar iets. Voorzichtig liep hij verder, totdat hij bijna de regenvlagen

middenin zijn gezicht voelde. In het bijna uitgedoofde vuur

112


lag een varken. Het nam in de halve duisternis enorme afmetingen

aan. Het was een kolos van een zwijn, zacht neerliggend in de

warmte van het stervende vuur.

Evert draaide zich om en zocht in het posthuis op de tast zijn

karabijn en kwam terug naar de voorgalerij. Hij wipte de veiligheidspal

om. Het tintelde in zijn bloed, toen hij het geweer ophief

en aanlegde. Hij kon de kop van het varken niet onderscheiden en

hij besloot snel twee kogels na elkaar af te vuren. Zo'n kans kreeg

hij niet iedere dag. Hij spreidde zijn benen om stevig te staan op

het doorzwiepende bamboe van de voorgalerij.

De haan sloeg over met een droog, tikkend geluidje. Verder gebeurde

er niets.

Het varken stoof overeind, rende log een twintig meter, draaide

zich toen om en knorde boos.

Evert beet zijn tanden op elkaar en vuurde weer, maar ook de

tweede patroon weigerde. — Nat geworden! dacht hij teleurgesteld

en holde naar binnen om Poesjie's geweer te pakken, een onhandelbaar

gevaarte uit de tijd van de Jappen.

De jongen werd wakker en volgde hem naar buiten, maar toen hij

opnieuw aanlegde, drukte Poesjie de loop omlaag. „Tida tembak,

toean!" siste hij verschrikt. „Niet schieten! Het is het varken van

de korano."

Het varken knorde misnoegd, liet zich in de modder zakken en

werd één met de duisternis.

Evert staarde zijn bediende een ogenblik verbluft aan en begon

toen te lachen. „Ben ik even blij, dat mijn karabijn weigerde!" riep

hij, Poesjie een kletsende klap op diens schouder gevend. „Daar

had ik morgen een keet mee gekregen van heb-ik-jou-daar!"

Poesjie verstond er niets van, maar hij grinnikte of hij het grapje

door had. Hij legde het vuur opnieuw aan en omdat het toch bijna

morgen was, kookte hij meteen maar koffie.

Evert slurpte behaaglijk van de warme vloeistof. Hij luisterde naar

113


de regen en glimlachte. Vandaag zou de laatste etappe beginnen

met Waris als eindpunt. — Ik hoop niet veel, dacht hij, — maar nou

mag Van Weghen eindelijk wel eens komen opdagen ...

Het was of de oetan voor dit laatste traject nog eens al haar krachten

verzamelde. De uren naar Waris schenen even zovele eeuwigheden

te zijn. De berghellingen waren steil, spiegelglad van modder

en rottende bladeren. Bomen en struiken hadden zich tot een

schier ondoordringbaar massief ineengestrengeld. De rivieren

waren kolkende razernijen, zodat Evert en Poesjie zich aan elkaar

moesten vastklampen, om niet door de kokende golven te worden

meegesleurd en te pletter geslagen te worden tegen de enorme

rotsblokken, die zwart en vijandig uit het ziedende schuim oprezen.

Eerst tegen de avond bereikte hij Waris, een kampong van tien

armelijke hutten. De bewoners waren niet te ontdekken. Evert

veronderstelde, dat zij de oetan waren ingetrokken om eten te

zoeken.

Het land was zeer arm, sago groeide er bijna niet, kasbi en kladdi

kwamen bijna niet voor en uren van de kampong verwijderd hadden

de mensen hun primitieve kebons, waaruit maar een karige

oogst te halen viel.

Voor het posthuis zittend keek hij uit over de donker beboste

berghellingen. In de dalen steeg de nevel uit de oetan op. Het

waren net kleine meertjes in de eindeloosheid van het groen. De

schemer trok langs de kleuren en verfletste ze tot onduidelijke

nuances tussen zwart en grijs.

In een jampotje had hij wat olie gegoten en er een pitje in gezet.

Het was een primitief, vies-walmend lichtje. Het wierp lange,

dansende schaduwen. Zelf was hij als een groot, donker dier, ineenkrimpend

en weer oprijzend, op de wand geprojecteerd. Hij zat

zijn dagrapport te schrijven op een tournee-blik, dat als lessenaar

dienst deed. Hij had een hekel aan het dagrapport, omdat het hem

114


ambtenaar maakte in de droge, zakelijke zinnen van zijn relaas.

Hij mocht niet de sfeer van het land in het rapport leggen, slechts

nuchtere, zakelijk vastgestelde feiten.

De bewoners van de kampong waren teruggekeerd. Buiten in de

nacht speelde er een op een fluit; een zacht, rillend toontje, dat

door de nacht aarzelde en met nauw waarneembare stootjes werd

opgedreven tot een weemoedig melodietje. Voor het posthuis liep

een Papoea-politie heen en weer met rhythmische voetstappen.

De avondhemel, die uit de dalen optrok, slierde door de kampong,

huiverend kil als een lange, witte doodswade.

Evert zat voorovergebogen te schrijven. Zijn pen kraste op het

papier. Hij bouwde korte zinnen. Feiten. Tussen de feiten lagen

werelden...

De prauw met Polisie Arnold, die hem over de Jautefa-baai gepagaaid

had...

De sago-moerassen...

Pater Piet...

Wembi... Het Wilhelmus van de schoolkinderen. ..

De Bedeog-kali tot kampong Almin...

De razende bandjir...

De koortsen...

De genezing en een sigaar in een plastic-kokertje, gestuurd door

een moeder uit kampong Ulvenhout, ergens in Brabant...

Kombjeti danste. ..

De bergen ...

De regen ...

De maanden vol angst, pijn en zweet. Stukgelopen voeten en opengeschramde

armen en benen. Hitte en honger. Dorst en eenzaamheid.

De strijd van een man, die de oetan bevocht en de baas bleef,

omdat hij niet versaagde en omdat hij zijn zaak op God gericht had,

Die hem nabij was als de wanhoop en de nood tot aan zijn

koortsige lippen reikten.

115


Er zat een andere man in het posthuis van Waris dan uit Kota

Baroe vertrokken was. Hij was mager geworden en er waren

scherpe lijnen opzij van zijn neusvleugels. Ouder was hij geworden

en zijn lichaam was getaand door de altijd brandende zon.

Hij bouwde de korte zinnen van zijn rapport aaneen tot een logisch

geheel, maar zijn gedachten zwierven weg. Zij wiekten met een

brede vleugelslag over de wereld en daalden neer in de oetan. Het

oerbos was de grote vloek, maar tegelijkertijd de grote zegening in

zijn leven. Hij wist, dat hij zich nimmer uit zijn ban zou kunnen en

willen bevrijden...

116


ZEVENDE HOOFDSTUK

I

„.... In Menton wil ik een huis boven op de rotsen," zei Heleen,

haar fijne wenkbrauwen optrekkend.

„Ja," zei Van Weghen, „met veel oetan er omheen, lieveling."

Evert wilde roepen, dat het geen manier was van Van Weghen, zo

tegen Heleen te praten en bovendien had hij een huis van het

Amerikaanse leger gekregen.

„Helemaal vol met bloemen en gordijnen," zei hij moeilijk pratend.

Zijn keel zat dicht en hij moest de woorden wringen. „Maar het

giet er altijd pijpestelen," zei Van Weghen, „soms ouwe wijven,

maar die heten eigenlijk bandjirs."

Heleen pakte een geweer en richtte op een groot varken, dat met

zijn poten over elkaar aan tafel zat.

„Het ketst toch!" riep Van Weghen. „Alle patronen zijn kletsnat en

het varken is de korano van Waris. Schiet dan! Schiet dan! Schiet

dan!!!!!"

„Nee!" schreeuwde Evert, overeind schietend. De hangmat bewoog

wild schommelend heen en weer en hij moest zich vastgrijpen om

niet over de rand te duiken. Zijn bloed bonsde aan zijn slapen van

de schrik en hij liet zich voorzichtig achterover zakken en keek

naar het donkere, zeildoeken afdakje boven zijn hoofd.

— Wat een krankzinnige droom, dacht hij. — Het afdakje mag ik

wel eens laten vernieuwen als ik in Kota Baroe terug ben. Het zit

117


vol met barsten. Net landkaarten ... Frankrijk... En daar...

ja... de laars van Italië...

Hij grinnikte, klaar wakker nu, en trachtte zich uit te rekken, maar

zijn hangmat was te klein. Met een zwaai wipte hij over de rand

op de grond. Het posthuis wiebelde heen en weer door de plof,

waarmee hij op de bamboestammetjes van de vloer terechtkwam.

— Alles zo gammel als wat, dacht hij, zijn armen boven zijn hoofd

rekkend en een paar diepe kniebuigingen makend. Zijn gewrichten

kraakten. — Je wordt zo stijf als een plank in die hangmat. Ik kan

beter een nieuwe zien te organiseren als ik terug ben. Eentje, die

bij mijn lengte past. In dit kreng hebben vroeger waarschijnlijk

alleen Amerikanen van een bijzonder klein formaat kunnen maffen.

Pygmee-Amerikanen bijvoorbeeld.

Aan een touw, dat dwars door het vertrek gespannen was, hingen

zijn kleren. Hij ging er wijdbeens, zijn handen in de zij, vóór staan

en inspecteerde zijn garderobe. — Vandaag een beetje netjes, Evert,

dacht hij. — Je bent in Waris en je moet je stand ophouden. Die

sokken daar, die witte broek en dat shirt... ja, dat ziet er nog een

beetje toonbaar uit.

Met zijn handdoek over zijn schouder slenterde hij op zijn sloffen

naar het mandihok. Het koele water verdreef de laatste slaap en

opgefrist kwam hij terug. Voor het posthuis stonden een paar

Papoea's. Zij salueerden overdreven stram en bogen daarna diep

voorover, toen hij voorbijliep. Het waren de korano's van de kampongs

in de omgeving van Waris, die hun opwachting kwamen

maken. Zij waren pontificaal uitgedost met hun speciale, door het

Bestuur verstrekte pakkian: tot op de draad versleten Amerikaanse

veldkleding en een vechtpetje of een Australische zonnehoed.

Evert maakte op zijn dooie gemak toilet. Het was prettig er de tijd

voor te nemen. Goed gewassen en geschoren voor de dag komen,

betekende voor hem nu meer, dan vroeger al het geval geweest

was. In de oetan was het een vastgrijpen aan uiterlijke dingen, die

118


ergens met een verre beschaving in verband stonden.

In het kleine, met riet afgeschoten vertrekje naast het zijne maakte

Poesjie het ontbijt klaar: de koffie en de gekookte rijst met een

papaja. Evert ging zitten eten. Buiten stonden de mannen en keken

zwijgend toe. Zij stonden roerloos en wachtten.

De regen had 's nachts opgehouden te vallen en de vroege zon

streek over de oetan, die op de bergen aan de horizon diep-blauw

opkleurde als een voortzetting van de hemel. Voor het posthuis

klapte lui een grote, rood-wit-blauwe vlag in de zachte morgenwind

heen en weer. Een haan kraaide en liep daarna met heerszuchtige

stappen achter een paar kippen aan. Rondom de kampong

lag het struikgewas en het onkruid in een lichte nevel, die langzaam

optrok.

Evert schoof zijn etensblik weg en wenkte de korano's naderbij te

komen.

Aarzelend klommen zij het trapje op en traden binnen. Zij bleven

in een rijtje voor hem staan. De schrijver van Waris trad naar

voren. Hij maakte een verpieterde indruk; halfnaakt met een gescheurd

broekje en een bovenlichaam bedekt met modder en vuil.

Hij stond te trillen op zijn benen en in zijn ogen blonk een bijna

dierlijke angst.

Evert had de avond tevoren al gehoord, dat de schrijver in de richting

van kampong Waine was vertrokken, ten einde te trachten

een bestuurspost te vestigen bij de daar wonende wilde Papoea's.

Evert's aankomst in Waris was zo snel en zo volkomen onverwachts,

dat niemand er eigenlijk iets van had geweten voor hij de

kampong binnenkwam. Hij meende nu, dat men de schrijver

's nachts in allerijl had laten terughalen en dat de man nu stond te

beven van angst, omdat Evert hem niet op zijn standplaats had

aangetroffen.

Evert wilde hem op zijn gemak stellen. Hij was helemaal niet van

plan de schrijver hard te vallen. Integendeel, het was in de man te

119


prijzen, dat hij op eigen initiatief het binnenland, waar nog geen

blanke ooit een voet had gezet, had willen onderzoeken en — zij

het dan provisorisch — onder bestuur brengen.

De schrijver begon hakkelend te spreken. Hij zocht naar zijn woorden,

maar al spoedig ging het gemakkelijker, te meer omdat toeanoontroleur

hem met zijn innemendste glimlach bleef aankijken.

Evert luisterde aanvankelijk met weinig interesse. Hij had zijn

herinneringen aan de schrijver van Wembi en hij verwachtte een

stroom van verhalen over futiliteiten. Maar plotseling nam het verhaal

van de schrijver een wending, zo onverwachts, dat Evert met

een ruk rechtop ging zitten. Zijn bloed begon sneller te stromen.

Dit was niet het gewone verhaaltje. Dit was iets anders. Het was

bittere ernst. Er voer een dreiging door de oetan; de Wainernensen

waren in oorlog met de Waris-Papoea's.

En de schrijver vertelde...

II

LJe korano's van de kampongs Epmi en Maisink uit het Warisgebied

waren ongeveer twee weken geleden, vergezeld van vijftien

mannen uit de kampongs, naar het Waine-gebied vertrokken.

Waine was rijk. Er groeiden klappers en sago-palmen in overvloed.

Het Waris-gebied was arm, het bezat alleen wat kasbi en de sagopalm

wilde er niet best wassen.

De mannen waren, beladen met geschenken en wat hun armelijke

kebons opleverden, naar Waine gegaan. Zij wilden ruilen. Zij hadden

tien stenen bijlen bij zich. Dat was hun grootste rijkdom, want

wil de adat niet, dat een man, die trouwen gaat, eerst twee bijlen

aan de ouders van zijn uitverkorene schenkt? Tien stenen bijlen

hadden die van Waris in hun barang, de waarde van vijf vrouwen

en de waarde van de jarenlange arbeid om het keiharde berggraniet

te slijpen en te polijsten tot vlijmscherpe bijlen, die een

120


mensenleven meekonden. Tien dolken hadden zij, lange vlijmscherpe

dolken, vervaardigd van botten van de casuaris. Een geoefend

krijger kon er met één stoot een mens mee doden. Versierselen

droegen zij mee voor de mannen van Waine: lange

casuaris-nagels om door de oorlellen te steken; ronde snijtanden

van het wilde zwijn om te dragen bij feestelijke gelegenheden,,

krijgshaftig door het neusbeen gestoken; huiden van de koeskoes;

een geroosterde varkenskop en grillig beschilderde peniskokers.

Ja, de mannen van Epmi en Maisink kwamen niet met lege handen.

Zij hadden behalve de ruilhandel nog een doel, dat belangrijker

was, hoewel zij er zeker pas het laatst mee voor de dag zouden

komen. Zij wilden vriendschapsbanden aanknopen met die

van Waine. Hun eigen kampongs waren door de jarenlange uitwisseling

van vrouwen zó met elkaar vermaagschapt geraakt, dat

er nieuw bloed moest komen. Zij hoopten op de stammen van het

Waine-gebied.

Zwaar beladen trokken zij de oetan in. Alle voortekenen waren

gunstig. De regens hadden opgehouden te vallen en reeds de eerste

dag schoten zij een groot varken. Zij sneden het aan stukken, roosterden

het vlees boven het vuur en pakten de grootste en beste

hompen als geschenken voor die van Waine bij hun barang.

Zij overnachtten in de oetan, vlochten van bladeren een kleine beschutting

en wreven wat droog hout tot een vuurtje. Zij zaten tot

laat rond de vlammen en spraken van hun verwachtingen. Hun

kampongs lagen hoog in de bergen en zij werden minder geteisterd

door de boze geest der malaria-ziekte dan de warmer gelegen

kampongs in het noorden. Er stierven minder kinderen en zij hadden

veel huwbare meisjes. Wel waren zij nimmer grote vrienden

van de Waine- en Punda-Papoea's geweest. Spraken de overleveringen

niet van talrijke, bloedige oorlogen? Maar de laatste

tien jaren was het rustig gebleven; van enig contact in vijandige of

vriendschappelijke zin was geen sprake geweest.

121


Zij liepen de volgende dag verder en zongen hun liederen, vreemde,

monotone melodieën, waarop zij zelf de woorden maakten.

„Parangs voor Waine

Parangs voor Waine

Parangs voor Waine

De hoedjan verschuilt

zich

achter de bergen

in de wolken

Parangs voor Waine

zij hebben mannen

en vrouwen

en sago

Parangs voor Waine

voor Waine

voor Waine..."

De avond van de derde dag bereikten zij de Tjanti-kali, waar zij

hun bladerenhut vlochten en zich voorbereidden op de volgende

dag. Reeds in de morgen zouden zij in Waine aankomen.

Zij bliezen de kaio foef met lange, zwaarmoedige tonen en stootten

harde, gillende kreten uit. Zij sloegen op de luchtwortels van de

ijzerhoutboom en staken een blad van de ijzerhoutboom in hun

haren. De ijzerhoutboom was een goede boom. Zijn hout was sterk

en van een enkele stam konden zij een hut bouwen. Lang geleden

was er een oude vrouw gestorven. Haar geest woonde in de ijzerhoutboom

en in nachten, waarin de maan was opgegeten en de

oudere mensen de oetan in waren, kwam zij naar de kampong en

deed goed aan de kinderen. Een blad van de ijzerhoutboom zou

een zending voorspoedig maken ...

De zon was nog maar juist gerezen uit het bed van de morgen-

122


stond, toen die van het Waris-gebied kampong Waine betraden.

De mannen zaten bijeen op de vergaderplaats, de vrouwen en

kinderen waren niet te zien. Zij waren misschien in de hutten, misschien

in de oetan, want die van Waine hadden ook hun overleveringen,

die vertelden van de rooftochten der Waris-Papoea's,

waarbij zij waren uitgemoord, hun vrouwen verkracht of meegenomen

en hun kampongs tot de grond toe verwoest.

Die van Waine waren grote, sterke mannen. Zij zaten hoogopgericht

op de vergaderplaats. In hun haren staken de kleurige

veren van vogels uit de oetan. Hun pijlen waren scherp van punt

en voorzien van weerhaken. Hun bogen groot en sterk gesneden en

getooid met de kleine veertjes van de neushoornvogel, wiens brede

vlucht en kracht in boog en pijlen moesten overvloeien. Die van

Waine kenden geen vrees. Zij hadden geen schilden om hun krachtige

lichamen te dekken. Zij hadden de ondoordringbare oetan als

hun schild en zij kenden paden langs iedere boom en rond ieder

rotsblok. Zij klommen in bomen als hun vijanden naderden en

overvielen hen zo.

Maar nu kwamen de mannen van Epmi en Maisink uit het Warisgebied

en die van Waine wachtten op hun boodschap.

De afgezanten gingen zitten en legden hun pijlen en bogen achter

zich neer ten teken, dat zij zonder kwade bedoelingen gekomen

waren en begonnen de onderhandelingen.

De mannen van Waine begrepen, dat zij in het voordeel waren,

anders waren die van het Waris-gebied niet drie dagen komen

lopen en zij sloegen hooghartig het eerste aanbod over de goederenruil

van de hand. Wat wilden de mannen van Epmi en Maisink?

Hadden de Waine-Papoea's zelf niet alles in overvloed?

Zwierven er geen talloze varkens door de oetan? Legden de

casuarissen niet hun reusachtige eieren? Waren er op nog geen zes

uur van de kampong verwijderd geen sago-palmen, meer dan zij

ooit zouden kunnen bewerken? Staken de klapperbomen niet hun

123


ijle kronen hoog boven de hutten naar de strak-blauwe lucht? Wat

wilden de mannen van Epmi en Maisink eigenlijk?

De mannen van Epmi en Maisink staarden enigszins onthutst naar

de zwijgende, norse gezichten van de Waine-mannen en trokken

zich toen terug om over de weigering te beraadslagen. Zij moesten

die van Waine zoveel mogelijk toegeven. Er moest vriendschap gesloten

worden, want het voornaamste doel van hun reis was immers

de uitwisseling der huwbare meisjes.

Zij keerden terug naar de Waine-Papoea's, die waren blijven zitten

als ging het hun eigenlijk niet aan. Hun bogen en pijlen lagen

onder het bereik van hun handen. Om hun gespierde linkerbovenarmen

droegen zij vlijmscherpe casuarisdolken in een brede, rieten

band gestoken. Zij legden bladeren in het vuur te drogen en begonnen

daarna rustig en onaangedaan strootjes te rollen.

De zon bereikte haar hoogste stand. De onderhandelingen liepen

traag voort. De korano's van Epmi en Maisink werden onrustig.

Zij zagen aan de horizon in het zuiden grote, donkere wolkenmassa's

opstuwen. Er stond regen in de lucht geschreven, een boos

voorteken, dat hun angst aanwakkerde. Zij drongen hun ontsteltenis

terug en spraken verder, langzaam en zoekend naar woorden,

want hun taal was niet rijk. Zij legden de bijlen voor zich neer en

streken met hun hand over het gepolijste graniet. Zij haalden hun

vingertoppen langs het scherp van de snede en keken naar de

dunne straaltjes bloed, die uit hun vlees naar buiten drongen. Het

waren goede, sterke bijlen. Mannen van Waine, ziet onze bijlen!

Zij trokken de grote hompen varkensvlees uit de pisangbladeren te

voorschijn en schoven ze in de richting van de Waine-mensen.

Mannen van Waine, ziet dit vlees van de sterke babi!

Zij speelden met de varkenstanden en de casuarisnagels en lieten

ze voor zich op de grond rollen. Mannen van Waine, ziet de opschik,

die wij voor u meebrachten uit onze kampongs! Mannen van

Waine, het is alles voor u, geeft ons sago!

124


Eindelijk stond een van de Waine-Papoea's op en haalde uit zijn

hut een pak sago. Hij legde het neer en trok een tweede homp

varkensvlees naar zich toe.

Die van het Waris-gebied schudden heftig hun hoofden en

schreeuwden met schelle, verontwaardigde stemmen over zulk een

ongehoord hoge eis.

De onderhandelingen liepen weer dood. Het bieden en loven begon

opnieuw. Traag kropen de uren voorbij.

Ten slotte was men zover gekomen, dat er een groep van Waine de

oetan introk om pakken sago te halen. De zon daalde in de middag

en het was omstreeks drie uur. Die van het Waris-gebied

hadden nog steeds niet gegeten. Zij waren dat wel gewend in de

armoede van hun landstreek, maar vlak voor hun ogen zaten de

Waine-Papoea's en deden zich te goed aan dikke, brijïge pepeda

en sago-koekjes in klappermelk geweekt. Zij waren ontzet over

zoveel openlijk ten toon gespreide ongastvrijheid.

Geen van de mannen, die in die middag op de vergaderplaats van

Waine bijeenzaten, zou hebben kunnen zeggen hoe de onenigheid

ontstond. Zij was er. Plotseling. Volkomen onverwachts. Overrompelend

snel. Misschien waren de mannen van Epmi en Maisink

wrevelig geworden over de slecht lopende onderhandelingen;

misschien wantrouwden die van Waine hun bezoekers. Wie zal het

zeggen...

Maar zij gingen elkander te lijf. Eerst met de vuisten, harde, doffe

slagen op lichamen, later met de vlijmscherpe steek van de

casuarisdolken.

De kepala van Maisink, Bras, een reusachtige Papoea, die bij vroegere

rooftochten een gevreesd oorlogsleider was geweest, een man

even over de veertig, zwaar gebouwd met dijbenen als boomstammen

en dikke spierbundels, rollend over armen, schouders en

rug, greep het eerst naar zijn pijl en boog.

Dat was het teken.

125


Toen de eerste pijl van Bras uit zijn boog snorde en insloeg in de

borst van een Waine-man, vervaagden met één slag alle gedachten

aan onderhandelingen, alle plannen, alle verwachtingen. De pijl

sloeg in de borst van de man en het bloed sijpelde langs diens

achterover zakkend lichaam. Het bloed sijpelde ... Het trok een

grillige, rode weg over het zwarte vlees. Het bloed ... Het bloed...

Het bloed van de Waine-man drong in de blikken van die van het

Waris-gebied en begon te branden in hun hersenen. Er knapte iets

en er barstte een wilde golf van tomeloze vernielzucht naar buiten.

Het bloed was rood en de haat was rood.

Zij stonden één moment bewegingloos onder de enorme naar buiten

berstende spanning in hun bloed en toen schreeuwden zij met

een groot en machtig geluid.

Zij sprongen opzij en verborgen zich achter en tussen de hutten

van de kampong, vanwaar zij hun pijlen lieten flitsen van de strakgespannen

pees.

Zij schreeuwden in een overweldigend gevoel van bevrijding en

geluk, een bijna zinnelijke gewaarwording van bloed, dat hamerde

in hun lichaam, een bandeloos en zinneloos uitleven van een diep

in hun hart barnende moordzucht.

Hun lichamen spanden zich, veerkrachtig en soepel als tijgers voor

hun sprong. Het zweet stroomde langs hun lijven, hun ogen waren

wijd opengesperd en het bloed brandde in hun extatische blikken.

Zij zagen de geschenken, die zij hadden meegebracht, niet meer.

Zij zagen slechts die van Waine en hun pijlen flitsten, hun stemmen

krijsten hoog en gillend, soms krampend in hun keel, wild en ongetemd.

De demonen van de oetan stortten zich uit de muur van

groen en vereenzelvigden zich met de glimmende, zwarte lichamen,

die dansten en sprongen, knielden en slopen. Zij vlogen op elkaar

in en staken en sloegen, schoten en trapten. Zij waren reuzenherten,

krakend met de geweien tegen elkaar als in de bronsttijd.

De oetan verhief haar stem. De vogels begonnen te schreeuwen.

126


De kakatoes vlogen gillend boven de vergaderplaats heen en weer.

Kamponghonden huilden en jankten met lange, jammerende uithalen.

De wind stak op en joeg gierend door de bomen, langs de

hemel trokken pikzwarte wolken, torenend hoog het naderende

onweer. Achter de bergen dreunde de donder...

Zes mannen van Waine werden neergepijld. Zij lagen neer, de

lichamen in een groteske kramp, middenin de sprong gevangen

door de dood. Opengereten buiken met puilende ingewanden, half

weggeschoten schedels, de hersenen klontend op het bloed van de

gescalpeerde hoofdhuid. Zes mannen ...

Toen klonk vanuit de oetan het woedende brullen van de mannen,

die waren uitgestuurd om de verborgen sago op te halen en die nu

door het bos renden om hun stamgenoten te helpen.

Die van Epmi en Maisink hoorden het razende huilen der Waine-

Papoea's snel naderen. Zij staakten het gevecht, bukten zich, grepen

stukken brandend hout en wierpen die in de hutten. Daarna

renden zij de oetan in. Zij zagen niet meer hoe het vuur langs de

gaba-gaba omhoogkroop, hoe dikke, vettige rookwolken over de

vergaderplaats walmden, hoe felle, hoge vlammen opschoten en de

kampong van Waine in lichterlaaie zetten. Zij stormden voort, het

brullen van de razende Waine-mannen als een vreselijke kreet om

wraak in hun oren. Enkelen van hen waren gewond aan armen en

benen. Afgebroken pijlen staken met de weerhaken in het vlees en

het bloed stroomde uit de wonden. Zij voelden geen pijn. Zij

waren bezeten van een wilde vreugde, de oermensen, die eindelijk

zichzelf weergevonden hadden in de satanische wellust van moord

en brandschatting.

Zij liepen de hele nacht door het oerbos. Zij vertraagden hun passen

niet, kenden geen vermoeidheid en vonden in het aardedonker

met hun nachtogen een zekere weg tussen bomen en struiken, over

luchtwortels en rotsen, langs berghellingen en door kolkende kali's.

Het onweer barstte over hen los met ongebreidelde kracht. Bomen

127


werden ontworteld en vielen met donderend geweld door de oetan.

De regen raasde neer, de grond veranderend in een kokende en

borrelende moddermassa. Maar die van het Waris-gebied renden

voort, schreeuwend en gillend door de inktzwarte nacht, mensgeworden

magiërs, huilend en bezwerend de boze geesten, die in

het natuurgeweld aanstoven en rondom hen dansten. De Waine-

Papoea's konden hen niet meer volgen. Het krijsen van hun stemmen

vervaagde en stierf ten slotte geheel weg.

Laat in de avond van de tweede dag bereikten zij de kampongs

Epmi en Maisink.

De kampongs vierden feest. De zes gedode mannen van Waine

moesten worden weggedanst, opdat hun kwade geesten de kampongs

niet zouden overvallen en rampspoed brengen. Alle weerbare

mannen stroomden samen, hun vrouwen en kinderen meebrengend.

De varkens werden geslacht en gebraden. Het voedsel

werd opgegeten en toen het verzwolgen was, werden de vrouwen

en kinderen de oetan in gezonden om meer te zoeken. De mannen

hadden geen tijd daarvoor. Zij bekommerden zich niet om het

eten. Zij dansten. Zij dansten de oeroude zegedans. Zes vijanden

waren verslagen. Zes vijanden lagen op de aarde, getroffen door de

dodelijke flits van hun snelle pijlen.

Zij dansten...

Papoea Bras was de grote held van de dans. Zijn stem bulderde

luider dan die van de anderen. Zijn lichaam sprong hoger. Zijn

dans was feller en uitdagender. En als de anderen vermoeid raakten,

danste hij verder. Hij was de koning der demonen. De kaio

foefs loeiden zwaarmoedig, dagen en nachten lang. De bergen

bogen zich over naar de melodie en droegen haar verder dan het

Waris-gebied. Verder, veel verder, opdat een ieder zou weten, dat

er in Epmi en Maisink nog mannen woonden ...

In Waine smeulde de haat. Voor iedere gesneuvelde man moesten

twee koppen vallen. De haat groeide in de harten van die van

128


Waine, tot zij bonsden van ondraaglijke spanning. Overal in het

gebied stroomden de mannen naar Waine. Zij waren beschilderd

met de kleuren van de oorlog, het rood van het bloed, het zwart

van de dood. De gezichten waren bedekt met een dikke laag modder,

opdat zij gelijk zouden zijn aan de oetan. Zij sneden hun pijlen,

kerf den de weerhaken, spanden de bogen en slepen hun casuarisdolken.

De haat groeide... Twaalf koppen zouden er worden gesneld!

Twaalf! Voor iedere dappere Waine-krijger twee laffe

Waris-honden!

De lijken van de zes gesneuvelde mannen werden opgehangen in

het kerwari-huis, het heilige huis van de kampong, waar alleen de

mannen toegang hadden. Onder de dode lichamen brandden vuurtjes.

Het vlees werd langzaam van de beenderen geroosterd.

De kampongbevolking zat rond het vuur, de vrouwen weeklaagden

dagen en nachten achtereen in een langgerekt huilen als van honden,

die de kop opheffen naar de volle maan.

De mannen huilden niet. Boven de smart stond bloedrood de haat.

In het Waine-gebied golfde één kreet: „Oe wa loe wellü!"

Oorlog!

Wraak!

Dood!

Brand en vernieling!

Wraak! Wraak!!

De oetan sidderde. De aarde beefde.

„Oe wa loe wellü! Oe wa loe wel!!!"

III

JVlaiwe Aande, de schrijver van Waris, wist niets van wat er in

Waine gebeurd was, anders was hij er niet heen getrokken met de

bedoeling er een bestuurspost te vestigen. Maiwe Aande was niet

129


van de streek, hij kwam uit de buurt van de Vogelkop, waar hij

tijdens de beginperiode van de Amerikaanse bezetting als korporaal

bij het Papoea-bataljon dienst had gedaan. Een grote groep

Papoea's had zich meester weten te maken van geschut en wapens

en wilde er een opstand tegen de Nederlanders mee beginnen.

Maiwe Aande had de zijde van de laatsten gekozen en met controleur

Meeghuis de opstand onderdrukt. Het was geen probleem

geweest de rust en de orde weer te herstellen, want toen Meeghuis

zich moederziel alleen en ongewapend temidden van de oproerlingen

begaf en hun luidkeels de huid vol vloekte, gingen ze halsover-kop

aan de haal, hun stellingen en wapens achterlatend. „Ik

geloof," zei Meeghuis later, „dat ik het van angst in mijn broek gedaan

heb, maar dat kon ik die kerels niet laten merken."

De raddraaiers werden voor een paar maanden opgeborgen en

keerden daarna als ontwikkelde mannen en toegewijde onderdanen

naar hun kampongs terug.

Maiwe Aande was als schrijver in Waris geplaatst. Hij was een opvallende

figuur, want hij liep altijd gekleed rond. Zijn trots waren

een paar Amerikaanse, vetleren schoenen, die hem echter te klein

waren, zodat hij de veters er uit had moeten trekken.

Niemand in Waris had het in zijn hoofd gehaald Maiwe Aande van

de gebeurtenissen in Waine op de hoogte te stellen. Hij was een.

vreemdeling en een bestuursman. Hij zou zeker Kota Baroe gewaarschuwd

hebben en nu konden de Papoea's van het Warisgebied

duizendmaal onder bestuur gebracht zijn, en al verrichtten

zij zonder tegenstribbelen de herendiensten, die de schrijver van

hen vergde, zij waren en zij bleven inboorlingen, wier harten sneller

gingen kloppen, toen zij hoorden van de heerlijke moordpartij,

in Waine. Zij zouden wel wijzer zijn om de kampongs Epmi en

Maisink te verraden! Wat er in Waine gebeurd was, herinnerde hen

aan de roemruchte tijden van weleer, toen hun rooftochten zich

uitstrekten tot Merren, Ampas en zelfs Meor, waar zij kampongs in

130


and staken en vrouwen roofden. De bloedwraak mocht bijgelegd

zijn, de oude vechtersnatuur leefde op bij het horen van de slachting

in Waine. Menige oude man, bij wie de herinnering aan vroegere

tochten nog levend was, streek met zijn oude vingers nadenkend

langs de scherpe pijlpunten en schudde dan bedroefd het

hoofd...

Nee, zij zouden de schrijver van Waine niet wijzer maken. Als de

oorlog in Waine ter ore zou komen aan het Bestuur in Kota Baroe,

werd immers alles bedorven met een patrouille van de politie.

En Maiwe Aande schreef dagelijks zijn rapporten. Hij schreef met

grote, moeizame lettertekens iedere dag, dat er niets bijzonders te

melden viel. En op zekere dag voegde hij er aan toe, dat hij het

plan had naar het zuiden te trekken om in Waine, twee dagreizen

van Waris, een bestuurspost te vestigen.

Maiwe Aande was een ambitieus man ...

Hij vertrok met de korano van Waris en een groot aantal dragers

naar Waine. De zware hoedjan bemoeilijkte het lopen en zo bereikte

hij pas de derde morgen na zijn vertrek kampong Waine,

waar hij door een vijftigtal tot de tanden bewapende mannen, die

hun lichamen met de rood-zwarte kleuren van de oorlog beschilderd

hadden, werd opgewacht. Zij stonden voor hem, een

lange, zwijgende muur van mannen. Zij hielden hun boog in de

vuist geklemd, dikke pijlenbundels hingen aan hun zij.

De schrijver van Waine zag hierin niets bijzonders. Hij vermoedde,

dat de Papoea's van Waine via andere wegen van zijn komst op de

hoogte waren gebracht en het was in die streken de gewoonte, als

een vreemdeling zich in het gebied waagde, dat hij werd begroet

(als vijand of als vriend) door alle weerbare mannen uit de omgeving,

die naar de hoofdplaats kwamen.

De mannen van Waine zagen, dat de schrijver van Waris niet met

kwade bedoelingen gekomen was. Hij had weliswaar zes man

politie bij zich, die oude Japanse geweren droegen, waarvan de

13L


gebarsten kolven met ijzerdraad bijeengehouden werden, maar dat

zei hun niets. Het geweer kenden zij niet, zij telden de sterkte aan

mannen en het was geruststellend, dat zij verre in de meerderheid

waren.

Maiwe Aande kende de taal van Waine niet. Hij moest zich verstaanbaar

maken via een tolk, de korano van Waris. Hij liet de

mannen van Waine zeggen, dat er een grote tijd voor hun kampong

was aangebroken. Het bestuur van de blanda's zou zich in Waine

vestigen! Zij zouden een school en een goeroe krijgen. Een school,

waarheen zij hun kinderen zouden kunnen zenden, opdat zij de

wijsheid zouden drinken als de kebon de regen, die uit de hemel

valt. Een goeroe, die hun kinderen de wijsheid der blanda's zou

meedelen. Maar er was meer! „Mannen van Waine, de blanda's

zullen u voortaan beschermen tegen de aanvallen uwer vijanden!"

Die van Waine hoorden hem aan. Zijn woorden zeiden hun niets.

Wat een school was, wisten zij niet en wijsheid bezaten zij. Waren

er geen wijze mannen in hun midden? En zouden de blanda's hen

voortaan beschermen tegen de aanvallen van hun vijanden? Welnu,

dat de schrijver van Waris wete, dat de mannen van Waine

in staat waren iedere vijandige daad te beantwoorden en afdoende

te bestraffen!

„Oe wa loe well!"

Tegen Maisink.

Tegen Empi!

Twaalf koppen zouden worden gesneldl Twaalf koppen voor de

zes vermoorde krijgers van Waine!

Maar zij spraken die gedachten niet hardop uit. Wie was die man,

die grote woorden sprak over wijsheid en bescherming? Toch niet

meer dan een vreemde! Nee, vertrouwen konden zij hem niet schenken.

Vertrouwen moest verdiend worden.

Maiwe Aande bracht geschenken voor de dappere mannen van

Waine mee. Ziet, mannen van Waine, ik breng u twaalf bijlen!

132


Bijlen, zoals de blanda's maken. Wat betekenen uw stenen bijlen

vergeleken bij de ijzeren, die ik u ten geschenke geef?

Hij liet de lemmeten in de zon blinken en maakte er houwende

bewegingen mee. Hij wees op de stenen bijlen en schudde verachtelijk

het hoofd. Daarna reikte hij een ijzeren bijl over aan het

kamponghoofd en beduidde hem, dat hij er mee in het hout van

een boom moest kappen. Toen stootten de mannen van Waine kreten

van verbazing uit. Enkele slagen deed het kamponghoofd en

reeds was er een diepe snede in de stam.

Maiwe Aande glimlachte tevreden en schonk een nieuw wonder

aan de mannen van Waine. „De geest van het vuur laat zich moeilijk

vangen," sprak hij. „Gij wrijft lange tijd het droge hout tegen

elkaar voor gij er een kleine vonk aan kunt ontlokken. Welnu..."

Hij schrapte een lucifer aan. Het mirakel van de vlam wrong zich

langs het dunne houtje.

De mannen van Waine gierden hoog en luid hun verbazing uit. Zij

grepen de lucifers, die de schrijver van Waris hun gaf en streken de

vlammetjes met een kleine beweging aan het stokje. Zij bouwden

een stapeltje hout en het vuur vrat zich langs de dorre takken omhoog.

Wonderen!

O, vreemdeling, die ons spreekt van het bestuur der blanda's. Gij

zijt welkom met uw wonderen. Zie, wij leggen onze wapens achter

ons neer.

Maar Maiwe Aande had nog meer in zijn barang. Hij deelde zakspiegeltjes

rond en de mannen van Waine zagen tot hun schrik

zichzelf. Zij waren niet langer één, doch twee. Een angstaanjagende

persoonlijkheidsvermeerdering, waaraan de dappersten pas na

geruime tijd durfden wennen. Zij dansten een nieuwe dans, kijkend

in hun eigen blik...

De schrijver van Waris deelde tabak uit. Grote, kleurige pakken uit

de enorme Amerikaanse voorraden in Hollandia. De tabak was in

133


de loop der jaren duf geworden. De kust-Papoea's wilden ze niet

meer roken en verkozen hun eigen, geuriger en zwaarder tabakken

boven de smakeloze, muffe Amerikaanse mixture en shag. Doch de

mannen van Waine zagen de doosjes, waarin de tabak verpakt was:

fel-gekleurd met op ieder pakje een onwerkelijk mooi meisje.

„Dill's best since 1848", stond er boven geschreven, en opzij vertelde

de fabrikant: „a fragant, smooth and natural tasting smoking

tobacco for pipes", mysterieuze tekens van een andere, grootse

wereld, waaruit de vreemdeling naar Waine was gekomen! Zij

trokken de bandjes met „Free of tax. For use only of U.S. military

or naval forces in Alaska and Hawai" van de pakjes en borgen ze

voorzichtig en eerbiedig in hun nokkis, de kleine, gevlochten tasjes,

die zij om hun hals droegen en waarin zij hun kostbaarheden bewaarden:

een varkenstand, een nagel van een casuaris, tabaksbladeren

en een stukje hout van de goede ijzerhoutboom ...

De schrijver zag de grote vreugde en verbazing van de Waine-

Papoea's. Zij kwamen aandragen met hun eerbewijzen. Zij brachten

hem voedsel: warme, stijve pepeda van de beste sago bereid, jonge,

malse klappers en een grote homp van een varkensbil, het vlees,

waarvan anders alleen het kamponghoofd mag eten. Hij zag hun

gulle hartelijkheid en hij wist, dat hij aan Kota Baroe zou rapporteren,

dat zijn zending een succes geweest was. In Waine zouden

een schrijver en een paar inlandse polisie's kunnen worden gedetacheerd.

De zon daalde reeds naar de avond, toen de mannen van Waine in

hun dankbare eerbied voor de vreemdeling, die hen had overladen

met wonderbaarlijke geschenken, hem de geschiedenis van de

moord op de zes dappere krijgers door de mannen van Epmi en

Maisink vertelden.

Maiwe Aande rees verschrikt overeind en vloekte luid. Epmi en

Maisink vielen onder zijn bestuursgebied. In feite lagen zij dagen

ver van Waris verwijderd, maar de blanda's in Kota Baroe zouden

134


hem verantwoordelijk stellen voor het gebeurde. Vloek over Epmi

en Maisink, die door de schone ambities van Maiwe Aande, schrijver

van Waris, zo'n ruwe streep hadden getrokken! Maar misschien

was er nog iets te redden als hij zijn zending in Waine tot een

schitterend einde bracht. „Waar zijn de zes mannen, die onder de

pijlen van de rovers uit Epmi en Maisink gevallen zijn?" vroeg hij.

Die van Waine brachten hem naar het kerwari-huis, waar de lijken

van de vermoorden hingen te verschrompelen. Als het vlees aan

hun beenderen verrot was, zouden zij de beenderen in het vuur

zwart branden en ze daarna ophangen aan de donkere, vervuilde

wanden van het kerwari-huis, naast de beenderen van hun voorvaderen.

Zo wilde het de adat.

Het kerwari-huis stond in het centrum van de kampong. Het was

een hut, gebouwd van gaba-gaba en een dak van atap, door de zon

verschroeid tot een bruinachtig grijs. Het kerwari-huis was het

heilige huis. Het bestond uit twee vertrekken. Voor de vrouwen

was het kerwari-huis taboe. De mannen mochten alleen het eerste

vertrek betreden, enkele vierkante meters groot, met langs de wanden

lage baleh-baleh's. In de schemer kon men vaag aan het

plafond de zwarte doodsbeenderen zien hangen, macabere gestalten,

verstard in een lugubere dodendans. Spinnen hadden er

door de jaren heen een zacht waas van webben omheen geweven.

Alleen de korano van Waine en de kepala, adathoofd en oorlogsleider,

vergezelden de schrijver van Waris naar het tweede vertrek.

Daar hingen de zwart geblakerde koppen van geschoten mannelijke

zwijnen en aan het dak de beenderen der gestorven kepala's

en korano's en in het gevecht gevallen mannen. Het was een dicht

bos van beenderen en schedels, want Waine had vele oorlogen gekend

en vele krijgers moesten worden beweend, voordat hun gebeente

in het kerwari-huis werd opgehangen. Eén wand was leeg,

op een paar verdorde, verdroogde voorwerpen na, die in het mid-

135


den van de wand hingen. Het waren de testikels van een varken,

want het geloof van de mensen van Waine zegt, dat de mens van

het varken afstamt. Het varken is immers het grootste en het kostbaarste

dier uit hun streken. De Waine-krijger, die in de oetan een

varken schiet, mag niet van het vlees eten, omdat anders de boze

geesten uit het lichaam van het dier bezit van hem, de moordenaar,

zullen nemen. En verstrengelt het geloof zich niet op een vreemde

wijze met het reële vechten voor het bestaan, als de vrouwen in

tijden van hongersnood eerder een big, dan hun eigen kind zullen

zogen?

Maiwe Aande was een man, die jarenlang met de blanda's in contact

had gestaan. Hij had kennis gemaakt met hun wereld en hij

was de levensbeschouwing en het primitieve bijgeloof van zijn volk

reeds lang vergeten. Hij probeerde in zijn levenswijze op de blanke

te lijken en hij voelde zich ver verheven boven de gewone Papoea.

Maiwe Aande kon lezen en schrijven.

Maiwe Aande droeg een broek, een khaki-hemd en leren schoenen.

Maiwe Aande kon een auto besturen.

Maiwe Aande had een vulpenhouder, die weliswaar stuk was, maar

toch als een sieraad in het borstzakje van zijn hemd stak.

Maiwe Aande had zich van zijn eigen volk afgekeerd. Hij was er

van vervreemd, hij aanvaardde zijn volk niet meer, wilde het ook

niet.

Maiwe Aande was in wezen een vijand van zijn volk.

Maiwe Aande was de gelovige, die zijn geloof de rug toekeert en

het daarna verafschuwt en aanvalt, omdat hij er de diepten en de

zwakten van heeft leren kennen.

Maiwe Aande was bezield van één ideaal: alles moest zo snel mogelijk

worden aangepast aan de normen en leefwijze, die hij in

Kota Baroe had leren kennen. Hij had daarbij geen geduld, omdat

hij geen begrip had.

Toen hij de lijken van de zes vermoorde Waine-krijgers in het

136


kerwari-huis zag, herinnerde hij zich een bepaling, dat een dode in

de grond moest worden begraven. Een dode mocht niet worden

uitgedroogd en de beenderen mochten niet worden zwartgeblakerd.

Dat was een bepaling, die in Kota Baroe was uitgevaardigd.

Maiwe Aande draaide zich om en beval zijn polisie's achter het

kerwari-huis een diepe kuil te graven.

De mannen van Waine begrepen het bevel van de vreemdeling

niet. Het was iets vreemds. Een kuil graven? Maar had de vreemdeling

hen niet overladen met weldaden en geschenken? Het was

goed wat hij beval.

De mannen van Waine grepen hun nieuwe bijlen en hielpen de

polisie's de harde grond open te hakken. Het werd een grote kuil,

een gapende wonde in moeder aarde, donker en diep.

De schrijver van Waine knikte, ten teken dat het goed was en beval

toen, dat de lijken van de zes vermoorde mannen in de kuil gelegd

zouden worden.

De mannen van Waine stonden verstard. In hun hart zwol afgrijzen

en woede om zoveel openlijke minachting voor hun dappere doden.

Waren zij dan honden? De vreemdeling was een man met vriendelijke

daden, maar met een hart vol vergif. Wat betekenden nu de

bijlen, de lucifers, de spiegeltjes en de tabak tegenover zulk een

afgrijselijke belediging? Een dof gemompel van woede steeg in

hun midden op.

Maiwe Aande hoorde het niet. Hij stond in diepe, gezapige tevredenheid

toe te kijken hoe de polisie's de lijken snel met zand bedekten.

Het was goed wat hij gedaan had en zijn toeans in Kota

Baroe zouden vergeten, dat Epmi en Maisink hadden gedood en

geroofd. Hij richtte zich op. Hij zou zijn ordenend werk vervolmaken.

„Werp het vuur in het kerwari-huis!" beval hij de polisie's.

De vlammen lekten langs de gaba-gaba tot aan het atapdak. Rook

137


kringelde omhoog en plotseling loeide een hoge, gele vlam naar de

hemel. Het heilige huis van Waine brandde.

De vlam, die uit het dak van het kerwari-huis naar boven schoot,

sloeg over op de harten van de mannen van Waine. Een wilde, alles

verterende haat maakte zich van hen meester. De wraak, die bloedrood

in de vlammen flakkerde, overspoelde alle andere gevoelens.

Zes mannen waren gedood. Een vreemdeling had hen in de aarde

geworpen als waren zij verachtelijke honden. Wraak! Wraak!

„Oe wa loe well! Oe wa loe wellü"

De mannen van Waine stortten zich naar voren. Pijlen werden op

de strakgespannen boogpezen gelegd. Een dof brullen steeg uit hun

kelen op.

De schrijver van Waris zag het en het was alsof de hele wereld op

hem neerstortte. Razend snel trok hij zich met zijn polisie's terug

in twee kamponghutten en beval, schor van angst en ellende, het

vuur te openen.

Maar de mannen van Waine kenden het geweer niet. Zij renden

onbeschermd vooruit, de kreet om wraak gillend opstotend naar

de hemel.

De polisie's, die hun geweren nooit anders gebruikten dan om er

mee over de schouder te lopen en het bij bijzondere gelegenheden

te presenteren, wisten niets van vuurspreiding af. Zij schoten de

ene kogel na de andere af, als het maar veel lawaai maakte. Zorgvuldig

richten deden zij niet. Doch de mannen van Waine waren

talrijk en zij stroomden als één man naar de hutten, waarin de

vijandige vreemdelingen verborgen waren. Bij tientallen werden

zij weggemaaid. Over de lijken van hun stamgenoten renden zij

verder en slaagden er in de twee hutten van elkaar te isoleren,

waardoor het de schrijver van Waris onmogelijk werd gemaakt zich

onder dekking van het geweervuur in de oetan terug te trekken. De

polisie's zaten in de ene hut en de schrijver met twee met pijl en

boog bewapende dragers in de andere.

138


De polisie's, die het hachelijke van de situatie inzagen, sloegen de

achterkant van hun hut open en vluchtten de oetan in. Dit was een

geluk voor Maiwe Aande, want de woede van de mannen van

Waine concentreerde zich op de polisie's, die schietend en

schreeuwend de muur van groen indoken. Hij sloop, gevolgd door

de twee dragers, de hut uit en verdween in de oetan. Hij rende als

een bezetene. Het was een wedloop met de dood, die achter hem

aan kwam, gedragen op de ontzettende kreet: „Oe wa loe wellü

Oe wa loe wellü!"

Hij was een opgejaagd dier en de oetan, waarin hij geboren en getogen

was, nam wraak op de afvallige Maiwe Aande, die zich voor

vijftig gulden per maand verkocht had aan de blanda's en die het

liefst niet herinnerd werd aan de tijd, dat hij in het oerbos leefde.

De oetan was er plotseling levensgroot en overweldigend. De oetan

stak haar doomige lianenvingers naar Maiwe Aande uit en trok

met wilde rukken zijn hemd en broek aan flarden. De oetan kleedde

hem uit en hij was naakt en onbeschermd, weerloos tegen een

vijand, die vroeger — lang geleden — zijn vertrouwde vriend geweest

was. De oetan zoog met haar zompige modder de schoenen

van zijn voeten. Toen was Maiwe Aande een mensdier, in het

luchtledige zwevend tussen twee levens. Het leven, dat hem had

voortgebracht en waaraan hij was ontgroeid en waaraan hij in

hoogmoedige verachting was vervreemd; en het leven, dat niet het

zijne kon worden, maar waarnaar hij haakte met een groot,

ambitieus verlangen en dat hem nu alleen liet, zonder bescherming.

Als een verslagene, voor wie de duimen omlaag wijzen.

Zijn lichaam werd geschramd en opengehaald. Het bloedde uit talloze

wonden. Zijn voeten schaafden op het rotsachtige bergterrein

tot open, bloederige klompen, waarin de pijn zo snerpte, dat zij gevoelloos

werden.

Maiwe Aande rende verder. Hij lette niet op richting of paden. Hij

rende, hijgend en met zijn bloed steeds harder bonzend aan zijn

139


slapen. Hij voelde de vermoeidheid trekken in zijn spieren. Een

verlammende pijn remde zijn bewegingen. Hij keek door een rood

waas en ten laatste liet hij zich vallen. Hij kon niet meer. Hij verborg

zijn hoofd in zijn armen en drukte zich tegen de grond. Hij

verlangde, dat de aarde zich openen zou, dat er duisternis rondom

hem zijn zou, dat hij niets meer weten zou.

De avond viel en het was donker geworden, toen hij zich langzaam

oprichtte. De twee dragers zaten op hun hurken naast hem en

staarden hem zwijgend met grote, wijd-open angstogen aan. Maiwe

Aande voelde de koude van de nacht zijn lichaam doorhuiveren.

Hij zou een vuurtje hebben willen aanleggen, maar hij durfde niet.

De mannen van Waine slopen door de oetan en een lichtschijnsel

zou hem kunnen verraden. Hij had de wraakzucht in het wit van

hun ogen zien vlammen.

De nacht kroop traag voorbij. De nacht had duizenden angsten

meegebracht. De krekels snierpten, de kikkers rochelden, tezamen

een muur van geluid, waarachter de mannen van Waine dichterbij

slopen, hun pijlen op de bogen, gereed om te schieten. De nachtwind

beroerde de struiken en de bomen, zij werden vervuld van

onhoorbaar aansluipende mannen. De boomstammen veranderden

in Waine-Papoea's. Het zachte vezelen van de wind door de takken

was het geruis van plotseling overeind springende vijanden.

De schrijver van Waris meende van alle kanten de kreet „Oe wa

loe well!" te horen aangolven. Het water in de kali, dichtbij, ruiste

de wraakroep. Een nachtvogel gilde hem schril door de oetan. Hij

kromp ineen. Hij was de angst zelf geworden. De gestalten van de

bomen en de bergen groeiden tot aan de hemel en daarna stortten

zij zich om Maiwe Aande neer, gillend en schreeuwend met een

infernale woede.

De nacht scheen voor eeuwig over de wereld te liggen.

In de morgen zond hij de twee dragers uit om de polisie's te zoe-

140


ken. Hij bleef achter, verborgen in het struikgewas, koud, hongerig

en doorhuiverd van een grenzenloze angst, die nergens door een

weerstand tegemoet kon worden getreden. Eerst laat in de middag

keerden de dragers terug met een groep uitgeputte polisie's, die

aan de pijlenregen der Waine-Papoea's waren ontkomen. Zij trokken

direct verder naar het noorden, in een wijde boog om het

Waine-gebied heen. In de avond van de volgende dag waren zij

tot op drie uren van Waris gevorderd. Hier durfden zij voor het

eerst een vuurtje te maken en zij aten uitgehongerd van de taaie,

donkerrode vleeslappen van een oude casuaris, die een van de

polisie's had weten neer te leggen.

De schrijver herademde. Hij begon, stukje bij beetje, zichzelf terug

te vinden. Hij werd weer Maiwe Aande, de schrijver van Waris.

Maar tegelijkertijd met het hervinden van zijn waardigheid en

persoon sloop een nieuwe, wurgende angst zijn hart binnen. De

toeans in Kota Baroe zouden van dit avontuur horen. Dit kon niet

geheim blijven. Hun toorn zou zich over zijn hoofd uitstorten.

Maiwe Aande zou worden afgezet als schrijver en hij zou terugkeren

naar de Vogelkop, waar hij de rest van zijn leven zou moeten

slijten als een Papoea, gewoon, zoals de anderen, in de kampong.

De morgen van de zesde dag brak aan en zij braken op voor de

laatste etappe. Moeizaam strompelden zij over de bergrug, die hen

nog van Waris scheidde, heen. En daar viel het nieuws als een

enorme hamerslag op de schaduw van wat eens Maiwe Aande geweest

was: toean controleur uit Kota Baroe zat in het posthuis van

Waris.

Neergebogen in zijn ellende kwam hij aan het hoofd van zijn

polisie's de kampong binnen. Hij richtte zijn aarzelende schreden

naar het posthuis. Hij voelde hoe de blikken van de kampongbewoners

op hem gericht waren.

Zij zwegen...

141


De stilte was als een bol van fijn geblazen glas rond de aarde.

Toean controleur zat in het posthuis.

Er spande een gouden streep rond de epauletten van zijn hemd.

Toean controleur wenkte hem.

Maiwe Aande schuifelde naar voren en sprak...

142


ACHTSTE HOOFDSTUK

I

Jtlvert Caldenhove had gespannen naar het relaas van de schrijver

geluisterd. Soms had hij een paar gebeurtenissen nog eens laten

vertellen. De polisie's, die voor de deuropening bijeendrongen,

vielen de schrijver af en toe in de rede, schel schreeuwend en verward

dooreen roepend, maar met een snauw legde Evert hun het

zwijgen op.

Toen de schrijver zweeg en zich het zweet van het voorhoofd

veegde, viel er een diepe stilte in het vertrek. De stilte groeide uit

tot een geweldig klankbord, waartegen het kloppen van zijn hart

en het zachte ruisen van zijn adem werd weerkaatst en duizendvoudig

versterkt. Evert voelde de blikken van de schrijver, de

korano's en de polisie's op zich gevestigd. Zij verwachtten van hem

het verlossende woord. Maar hij sprak het niet. Zijn gedachten

maakten woeste salto's mortales aan de trapeze van zijn bewustzijn.

Hij zag alles zeer scherp. Hij zag de fijne, kringelende rook van de

sigaret tussen zijn vingers. Hij zag de bloedige schrammen op de

armen en benen van de schrijver van Waris. Hij zag de verdroogde

modder tussen de tenen van een der korano's koeken. Hij zag de

roestvlekken op de geweerlopen van de polisie's. Hij zag de zonovergoten

plek voor het posthuis, waar een bonte haan triomfantelijk

de kippen opzat. Hij zag de ochtendnevel over de oetan, als

een groot, spiegelblank meer. Hij zag die ene boom, vlak tegenover

143


de deuringang, oprijzend uit de mist, ijl tegen de bijna wit-blauwe

lucht afsteken, ragfijn in de tekening van stam, takken en bladeren

als een oude Japanse prent op zachte zijde geschilderd.

Poesjie kwam het vertrek binnen. Hij wilde hem iets vragen, maar

de woorden bevroren op zijn lippen toen hij Evert's blik ontmoette

en hij sloop weg.

Evert Caldenhove zwaaide mee met de acrobatiek van zijn gedachten

en hij trachtte ze terug te brengen op het platform van de

werkelijkheid door te spreken.

„Dit is verschrikkelijk," zei hij.

De schrijver boog zich naar voren om te trachten hem te verstaan,

maar de taal was hem vreemd.

„Dit is rampzalig," ging Evert verder. „Dit is een zwijnenkeet, waar

ik geen raad mee weet. Waarom is die lamstraal van Van Weghen

niet komen opdagen? Die zit op zijn achterste te luibakken in Kota

Baroe en laat mij alleen de boel opknappen."

De schrijver kuchte. Het klonk als een krakend pistoolschot.

Evert schrok. „Laat ik niet gaan zitten kankeren," zei hij. „Van

Weghen kan er per slot van rekening ook niets aan doen." Hij ging

rechtop zitten, streek met zijn vingers zijn haren achterover, zette

zijn vechtpetje op en sloeg toen zacht met zijn vlakke hand op de

tafel. „Schiet maar op," zei hij hard tegen Maiwe Aande. „Zie dat

je wat op je verhaal komt." Hij maakte een vegende beweging met

zijn hand. „Allemaal d'r uit hier! Vort! Vanmiddag om vier uur zijn

jullie hier terug, de korano's, de polisie's en jij ook, schrijver!"

Zij herademden als was met de plotselinge activiteit een loden last

van hun schouders gevallen. Zij drongen het vertrek uit naar buiten,

waar de kampongbevolking hen opwachtte in een geroezemoes

van praten en vragen, schreeuwen en joelen.

Evert zag hen gaan en hij was blij alleen te zijn. Hij zat rechtop en

bewegingloos; alleen zijn rechterhand, die zijn vulpen omklemde,

maakte kleine, schrijvende bewegingen. Hij tekende zorgvuldig

144


grote H's op een velletje papier. Hij maakte er krulletjes aan en de

krulletjes werden cijfers: 8.... 1 7 5.,.. 0 Het was

het telefoonnummer van Heleen. De H was van Heleen. Heleen

zat voor hem op de galerij van het posthuis in Waris en zij keek

hem rustig aan. Haar gezicht was van een diepe, bezonken rust,

als bij een madonna van de Primitieven. Alleen haar fijne wenkbrauwen

trilden een beetje.

Heleen's gestalte vervaagde en hij zat weer alleen in het posthuis.

De zorgvuldig getekende H's met het telefoonnummer lagen onder

zijn vingers. Hij verfrommelde het blaadje en gooide het op de

vloer, bukte zich toen, raapte het weer op en stak het in zijn zak.

Zijn bewegingen waren mechanisch. Hij greep een voddige doek

en begon de vliegenstrontjes van het tournee-blik te poetsen. Hij

maakte er figuurtjes van als ogen van dobbelstenen. Hij was een

trage, zoekende slaapwandelaar. Zijn gedachten zwierven onvatbaar

ergens ver van hem verwijderd door de kosmos en het was

onmogelijk ze te ordenen en saam te voegen tot een logisch geheel.

De tijd sloop op kousenvoeten voorbij...

Na het middageten kroop hij in zijn hangmat, zijn handen onder

zijn hoofd gevouwen. Boven hem kroop een trage spin langs de

zoldering, liet zich onverwachts een paar centimeter zakken en

koorddanste toen over een onzichtbaar draadje door de ruimte.

Evert keek naar de spin en hij moest zich beheersen niet te krabben

aan de rode muskietenbeten op zijn armen. Hij hoorde zijn polshorloge

vlak bij zijn oor tikken. Het werden dreunen, die in zijn

hoofd sloegen als hamerslagen.

Zo was het vroeger eens geweest, vlak voor zijn doctoraal. Hij was

volkomen leeggezogen. Hij wist niets meer, alleen het weten van

het met weten gonsde door een luchtledig in zijn hersenen. In hem

klom de wanhoop langzaam langs het touw van zijn zenuwen. Hij

was doodmoe. Hij verlangde te liggen en te slapen. Hij wilde niet

meer denken en hij kon niet meer denken. Er was alleen maar

145


leegte! Leegte! Leegte!! En buiten zijn kamer draaide de wereld

gewoon door. Hij hoorde auto's toeteren. Hij hoorde de hese roep

van een voddenkoopman. Een melkboer rinkelde met flessen

onder zijn raam. Een straatjongen schreeuwde. Iemand floot schel

een Schlager. Op de straat liepen de mensen voorbij, kleine, rennende

insecten met dunne beentjes en nerveuze beweginkjes. De

zon spiegelde in het donkere grachtwater en de huizen kaatsten

hun doorleefde beeltenis in een groen, mysterieus waas. Hij had

nog één uur tijd. Nog één uur en dan zouden kille mannen komen

om zijn hersenen bloot te leggen. Zij hadden slimme, venijnige

lachjes rond hun dunne lippen. „U moet het over drie maanden

maar weer eens proberen," zouden zij zeggen en zijn feestelijk rokcostuum

werd een begrafenisdracht.

Hier in Waris, nog een uur vóór de korano's, de polisie's en de

schrijver zich bij hem zouden melden, was het precies eender.

— Ik moet wat doen. Ik moet iets beslissen! Er is nog een uur! Dan

moet er een besluit genomen zijn ...

Hij beet het glazuur van zijn tanden en dacht... dacht...

II

i^lokslag vier uur kwam Maiwe Aande met de korano's en de

polisie's naar het posthuis. Evert hoorde hen al van ver aankomen.

Zij liepen in een strakke, gescandeerde pas, als militairen, die op

mars zijn. Hij keek pas op, toen de schaduwen van de aangetreden

mannen over de bamboestammetjes van de voorgalerij vielen.

Langzaam stond hij op. — Nu moet ik laten merken, dat ik een besluit

genomen heb, dacht hij. — Ik weet nog op geen stukken na

wat ik beginnen moet.

Hij begon te spreken, langzaam en nadrukkelijk en al sprekende

hervond hij zijn zekerheid en kalmte. Het plan groeide met zijn

woorden mee.

146


„Morgenochtend om zes uur zijn jullie allemaal hier present," zei

hij. „De korano van Waris zorgt voor vijftien koelies. Zie, dat je

voldoende eten meeneemt, want geduvel over het voedsel kunnen

we onderweg niet hebben. Wij vertrekken naar Waine."

De schrijver knikte nadrukkelijk. „Er zijn veel mannen in Waris,"

zei hij, groeiend in zelfbewustzijn. „Zij willen allen mee. Het zijn

goede mannen, toean. Zij kunnen vechten!"

„Hou jij je bek!" snauwde Evert. „Prent één ding goed in je stomme

hersens, schrijver. Er wordt niet gevochten! Je hebt al genoeg in de

soep getrapt. Je kunt er op rekenen, dat je een zware pijp zult

roken, dat beloof ik je."

Maiwe Aande kroop in zijn schulp. Hij schrompelde in elkaar tot

een zielig hoopje mens.

„En jullie houden allemaal je mond dicht tegen iedereen!" ging

Evert verder. „Begrepen? Niemand heeft er iets mee te maken. Als

ik ontdek, dat een van jullie zijn bek niet heeft gehouden, sla ik 'm

persoonlijk zijn hersens in. Nou ingerukt!"

De mannen salueerden. Zij stonden overdreven stram in de houding.

De taal, die Evert over hun hoofd had losgelaten, was de taal,

die zij verstonden en respecteerden. Het prestige was ongeschokt.

Zij marcheerden tevreden en gerustgesteld naar de kampong terug.

Evert Caldenhove stond op de voorgalerij en keek hen na. — Dus

nou zit ik er aan vast, dacht hij. — Morgen vertrek ik naar Waine

en ik zal eens zien of er vrede te sluiten is. Als het allemaal op niets

uitloopt, moet er een strafpatrouille volgen en daar voel ik weinig

voor. Die knapen in Waine zullen er de dupe van zijn. Bij tientallen

worden ze neergeknald en dat allemaal voor een kwestie, waarin

zij op slot van zaken niet eens de grootste bokken hebben geschoten.

Hij zuchtte en ging langzaam naar binnen.

— Rechtvaardigheid is maar een wankel begrip als het gepaard

gaat met prestige, dacht hij moe. — Als we de zaak laten lopen,

147


zitten we binnen een maand middenin een enorme roof- en moordorgie.

Nee, als mijn pogingen tot verzoening geen succes hebben,

moeten we wel hardhandig optreden. Maar het is evengoed zuur

voor die van Waine.

Hij ging zitten en sloeg zijn dagrapport open.

— Maar als er een strafexpeditie van komt, moet Jaap dat maar opknappen,

dacht hij opstandig. — Ik heb me al meer dan genoeg uitgesloofd.

Het is zijn afdeling en ik ben niet meer dan een hulpievooruit.

Als hij niet komt opdagen, is het mij ook goed, dan moeten

ze in Kota Baroe maar zien hoe ze de zaak verder regelen. Ik ga

morgen naar Waine kijken of er met die kerels te praten valt. Méér

doe ik zeker niet. Enfin, ik zal Jaap een soeratje sturen, dan weet

hij tenminste wat er aan de hand is. Als hij nog één gram hersens

in zijn hoofd heeft, zit hij binnen twee weken hier.

Hij staarde naar de blanke bladzijden van het cahier, dat voor hem

lag en plotseling voelde hij een grote weerzin in zich opkomen.

— Ik ben het zat, dacht hij. — Meer dan zat. Ik moet iets gaan

doen, wat niets met mijn werk te maken heeft.

Hij glimlachte, ondanks alles. — Ik zou vanavond wel eens naar het

Concertgebouw kunnen gaan...

Bijna werkelijk zag hij het voor zich. De grote zaal, gevuld met

stille, aandachtige mensen, opgenomen in golven muziek, zwellend

•en dalend, hen optillend en meevoerend ver, ver buiten de enge

begrenzing van de vier zaalwanden. Hij hóórde de muziek en hij

neuriede haar zachtjes voor zich uit. De negende van Beethoven.

— Waarom de negende? vroeg hij zich af, maar toen hij met grote

stappen het posthuis uitliep naar buiten, zong hij zacht voor zich

heen: „Alle Menschen werden Brüder..."

Poesjie stond in de keuken te knoeien met een paar grote, bloederige

vleeshompen.

Evert bleef staan. „Wat heb je daar?" vroeg hij.

„Polisie Loeka heeft een babi en een casuaris in de oetan ge-

148


schoten, toean," antwoordde de bediende trots. „Hier is het kakld

van de casuaris en de schouder van het varken. Banjak babi, toean,

banjakka!"

— Geen Concertgebouw vanavond, dacht Evert en hij grinnikte.

„Geef maar eens hier," zei hij, opgewekt ineens en hij nam de

parang uit Poesjie's handen. „Vlees uitbenen is ook een verzetje,"

zei hij hardop. „En het Concertgebouw is aardig, behalve als je in

de pauze moet gaan stompen en slaan om een kopje koffie te kunnen

krijgen." Hij sneed het vlees in gelijke lappen en hakte de botten

en de pezen er uit. Het was een zwaar en warm werk, maar het

eiste al zijn aandacht. Het was al bijna donker toen hij veertien,

tamelijk nette varkenslapjes op een rijtje naast elkaar had liggen.

Het vervulde hem met trots. Hij strooide er overvloedig zout overheen

en Poesjie legde ze op een stapel, stampte ze dicht op elkaar

en pakte ze toen in een rieten zak, die hij stevig met boomvezels

dichtbond. Evert keek er sceptisch naar en vroeg zich af hoelang

het vlees te eten zou zijn. Hij waste zorgvuldig het bloed en het

vet van zijn handen.

De middag was voorbijgevlogen. De tijd was barmhartig voor de

mens, die een bezigheid onder handen nam. De avond kapselde het

posthuis in zijn fluwelen kleed van duisternis.

Hij at bij het walmende licht van zijn oliepitje en begon daarna, in

een opwelling van overmoed, aan een brief voor Heleen. Hij

schreef met korte, droge zinnetjes, maar hij had het gevoel, dat

Heleen, terwijl hij haar schreef, steeds verder van hem afdreef. In

hem openbaarde zich een onmacht, welke hij tevoren niet bij zichzelf

had opgemerkt, waarschijnlijk omdat hij nooit zo ingespannen

bezig was geweest een brug te slaan van de oetan naar Amsterdam.

Hij legde zijn pen neer en leunde achterover tegen de bamboewand

van het vertrek. „Het gaat niet," zei hij halfluid. „Er zijn

twee werelden, gescheiden door een afstand van lichtjaren..."

149


Hij legde de brief aan Heleen opzij en begon een nieuwe: „Beste

vader en moeder..." Verder kwam hij niet. — Wat zou ik moeten

schrijven? vroeg hij zich af. — Beste ouders, ik maak het goed en ik

ben op tournee. Ik zit nu in Waris ... Waris? Waris? Is het vreemder

te schrijven: ik zit nu op Mars en morgen tippel ik door naar

Mercurius? Het Hoofd van het Plaatselijk Bestuur is naar me

onderweg. Hij woont op de maan, beste ouders ...

Zorgvuldig legde hij de beide brieven op elkaar en borg ze in zijn

portefeuille. Hij schudde het hoofd. — Misschien, als ik in Kota

Baroe terug ben, dacht hij.

Toen begon hij de barang bij elkaar te zoeken, die hij de volgende

morgen op zijn tocht naar Waine wilde meenemen. Zijn kleren,

wat eten, zijn tabak en... ja, je kon niet weten, zijn junglekarabijn.

Hij klom in zijn hangmat en rookte nog een sigaret. Toen

trok hij de ritssluiting van zijn klamboe dicht en ging op zijn zij

liggen. Hij sliep onmiddellijk.

III

De ochtendkoelte hing tintelend fris over de wereld, toen Evert

de slaapstille kampong verliet. Een paar meter achter hem liepen

de schrijver en de korano van Waris, een tiental polisie's en twintig

dragers. De koelies hadden hun pijl en boog mee willen nemen,

maar Evert had het kortaf snauwend verboden. Hij was vastbesloten

het conflict met de Waine-Papoea's niet met nog een paar

nieuwe vechtpartijen uit te breiden.

Hij liep gemakkelijk, met grote, veerkrachtige passen. Hij was in

een stemming om luidop te zingen. De steile berghellingen verhinderden

dat, doch in zijn hart zong hij met lange, sentimentele

uithalen: „Aan de voet van die ou... .we Wester.... Heb ik vaak

150


in gedachten gestaaaaaanü" En met een kwajongensachtige glimlach

zong hij het in het platste Amsterdams, dat hij zich maar kon

voorstellen.

Een koude nevel slierde rondom hem uit de grond op in grijze en

lichtgroene slingers. Het aarzelende morgenlicht van de zon kleurde

ze in prachtige schakeringen van rood, geel, groen, blauw en

violet, als waren het grote, glazen stuiters, waar binnenin een wonderlijke

kleurenpracht geblazen was. Ergens zongen de heldere,

melodieuze trillers van de paradijsvogel. Een kakatoe schreeuwde

schaterend. Voor zijn voeten ritselden kleine, schrikachtige, bruine

slangetjes en hagedissen over de grond vliegensvlug weg in het

beschermende struikgewas. De voortdurende zang der krekels

spoelde tussen aarde en hemel.

Ondanks de frisse morgenlucht had hij zijn shirt uitgetrokken en

liep hij in zijn hemdje. Het zweet stroomde tappelings langs zijn

hals over zijn borst en armen, doch hij merkte het nauwelijks op.

Achter hem was het rumoer van de polisie's en de dragers.

De morgen ging snel voorbij. Zij volgden voor een groot deel de

kali Fwoe, een breed en snelstromend water, dat tot aan hun

knieën reikte. Het spoelde hitte en vermoeidheid weg.

Tegen de middag hielden ze hun eerste pauze. Dicht langs de

oever van de rivier zaten zij onder hoge, langzaam heen en weer

wuivende klapperpalmen. Een van de dragers klauterde langs de

dunne stam omhoog en smeet tientallen noten omlaag, die de

anderen met hun parang openhakten.

Het klapperwater klokte zoet en koel over zijn tong en langs zijn

verhemelte. Honger had hij niet, maar voor het genoegen van de

dragers, die zich zoveel moeite gaven, at hij een paar sago-koekjes,

welke hij lang in de klappermelk weekte. Hij deelde sigaretten uit

en hij wist voldoende zelfbeheersing op te brengen om zelf niet te

roken.

Even over halfvier in de middag bereikten zij kampong Burbo, een

151


lege plek in de oetan. Jaren geleden was Burbo door de bewoners

van Waris uitgemoord en platgebrand. Het dorp was nimmer herbouwd.

Aan de rand van de oetan stonden een paar bouwvallige

hutten, waar Evert met de dragers een bivak inrichtte. Toen dook

hij in de kali en ging daarna languit op een deken liggen, omhoog

kijkend naar de effen, blauwe hemel. Hij voelde zich diep tevreden

en in staat de inspanningen van de tocht de baas te blijven. Hij

zou nog uren hebben kunnen doorlopen, maar hij wilde de morgen

van de derde dag in Waine aankomen. In geen geval mocht hij het

risico nemen daar tegen de avond van de tweede dag aan te komen.

In hem was niets meer van de besluiteloze verwarring van de

vorige dag, toen Maiwe Aande hem het verhaal van Waine had gedaan.

Zijn gedachten waren helder en overzichtelijk. Het besluit

naar Waine te gaan om te proberen daar de vrede te herstellen, was

het duwtje, dat hij nodig had om over het dode punt van zijn

aversie tegen alles wat hevig en emotioneel was heen te komen.

Hij kroop die avond vroeg onder zijn klamboe, maar hij bleef nog

urenlang wakker liggen in een behaaglijk rusten, volkomen ontspannen

en in diepe tevredenheid met de wereld. Het geluid der

krekels zwol in de groeiende nacht. De vogels trokken zich terug in

de grote stilte tussen de takken en bladeren der bosreuzen. Het

gebabbel der dragers verstomde. Alleen de vuurtjes stuurden nog

wat dunne, kringelende rooksliertjes omhoog uit de gloeiende as.

Tegen de avond van de tweede dag was hij tot op vijf kilometer

van Waine gevorderd. Het terrein was aanmerkelijk zwaarder geworden.

De kali's waren bijna ondoorwaadbaar door de vele rotsblokken

en scherpe riffen en langs de oevers lag een vette, decimeters

dikke modderlaag. Een ogenblik dacht hij erover verder te

trekken om nog dichter bij Waine te komen, maar het had geen

zin. Hij wilde in ieder geval zorgen fris en uitgerust in Waine te

arriveren om, als de toestand daar precair was, genoeg reserves te

hebben om snel in de oetan terug te trekken.

152


In het bivak riep hij de korano, de schrijver en de polisie's bij

zich en deelde hun het plan de campagne voor de volgende ochtend

mee. Het was tamelijk eenvoudig. Een van de polisie's zou ongewapend

naar Waine lopen, terwijl de anderen hem in de rug dekten.

Die polisie moest de kepala van Waine vertellen, dat er een

blanke gekomen was om vrede te sluiten. Die blanke had geen

kwade bedoelingen. Hij bood hun geschenken aan en hij zou zorgen,

dat er koelies kwamen om hun verwoeste kerwari-huis opnieuw

op te bouwen. Vrede wilde de blanke, geen oorlog ...

Als de zending van de polisie met succes bekroond was, zou Evert

zelf te voorschijn komen en de kampong binnengaan.

De schrijver, de korano en de polisie's moesten onder alle omstandigheden

op de achtergrond blijven. Evert wilde niet het risico

lopen, dat de woede der Waine-Papoea's opnieuw zou losbarsten.

Hij wist heel goed, wat hij riskeerde. Hij accepteerde het echter

met de Stoïcijnse kalmte van een soldaat, die in de oorlog een

vreemd huis binnentreedt, niet wetend of de vijand er een hinderlaag

gelegd heeft. Hij wilde, hoe dan ook, het conflict met Waine

in der minne schikken. Hij wist, dat als hij niet zou slagen, het vuur

van de oorlog door de oetan zou slaan. Aan de hemel zou, rood als

bloed, de wraak geschreven staan.

„Oe wa loe wellü"

Evert speculeerde op het element der verrassing. In het uiterste

geval zou hem dat in de gelegenheid stellen terug te trekken. Hij

had de polisie's achter de hand. Het enige, waarover hij zich werkelijk

zorgen maakte,was, dat de mannen zich niet zouden kunnen

beheersen en zonder zijn bevel af te wachten een lustig knalpartijtje

zouden beginnen. Hoewel de Papoea's op pijl en boog

meesters waren, konden ze met een geweer nauwelijks een olifant

op tien meter afstand raken. Maar het knallen van de schoten zou

al erg genoeg zijn om de woede der Waine-mensen in nog grotere

hevigheid te ontketenen.

153


Hij dreigde met de verschrikkelijkste straffen als één van de

polisie's de treurige moed zou hebben een schot buiten zijn medeweten

te lossen.

IV

liet oerbos was vervuld met de geluiden van de dieren en het

geruis van de wind door de boomtoppen. Maar het was of het geluid

een onderdeel was van de stilte, die samengeperst onder het

groene bladerdak hing te groeien tot een schier ondraaglijke

spanning.

Zij lagen nu op nog geen kwartier afstand van Waine en waren de

kampong zo stil en behoedzaam mogelijk genaderd. Evert hoopte,

dat die van Waine er geen lucht van zouden krijgen met hoe weinig

manschappen hij was. Hij had ruim een uur geleden de polisie

naar Waine gestuurd om zijn boodschap aan de kepala te zeggen,

maar zij kregen geen enkel teken, dat er op wees, dat de polisie was

geslaagd in zijn zending. Het tegenovergestelde was ook niet het

geval, doch het uitblijven van enig bericht deed de ongerustheid in

zijn hart groeien.

Hij lag in het groen gedoken, zijn blik op zijn polshorloge gevestigd,

waar de secondenwijzer driftig de tijd wegtikte. Zijn oren

stonden wijd open en vingen ieder geluid in zijn omgeving op. Het

wachten duurde eeuwigheden, die hij trachtte te begrenzen in

kleine weddenschappen met zichzelf: over vijf minuten komt de

polisie terug met het bericht of Waine vrede wil of niet. Telkens

vijf minuten, telkens een eeuwigheid. Maar de polisie kwam niet.

Ten laatste kon hij de spanning niet langer verdragen. Hij richtte

zich op. Voorzichtig kroop hij naar de korano van Waris, die een

paar meter opzij van hem in het struikgewas verborgen zat. „Jij

blijft hier, korano," zei hij, „met de dragers." Hij trommelde de

polisie's bij elkaar. „Op honderd meter achter mij aan!" beval hij.

154


„En wee je gebeente als één van jullie het hart in zijn lijf heeft een

schot te lossen zonder dat ik daarvoor het teken geef!"

De mannen knikten, ten teken dat zij hem begrepen hadden.

Voorovergebogen sloop hij daarna in de richting van de kampong.

Zijn slappe, linnen sluipschoenen maakten nauwelijks geluid. Hij

hoorde zijn eigen, zware ademhaling en voelde het bonzen van zijn

bloed in zijn lichaam. Zijn ogen knepen zich tot spleten en begonnen

te branden van het ingespannen turen. Het groen van de

oetan, rondom hem, stond bewegingloos.

De spanning, die in hem groeide, ontlaadde zich plotseling in een

dwaze gedachte, waarom hij grinniken moest. — Stel je voor, dacht

hij, — dat die lui direct de kampong uit komen rennen en zeggen:

wij spelen lekker niet meer mee, want jullie doen vals ...

Toen zag hij plotseling Waine liggen, gebouwd op een klein

plateau tegen de berghelling. Een verzameling rieten hutten, die

op de grond waren gebouwd, niet op palen, zoals in het onder bestuur

staande gebied gebruikelijk was. Hij sloop tussen de bomen

door tot aan de bosrand, waar hij de vooruitgezonden polisie vond.

Hij hurkte naast de man neer. „En?"

De Papoea haalde moedeloos zijn schouders op en wees voor zich

uit.

Van de bosrand naar de kampong was nog ongeveer dertig meter,

een groot, open stuk, waarop de zon ongenadig brandde. Bij de ingang

van Waine was een manshoge borstwering van pisangbladeren,

doorvlochten met stukken hout, boomschors en lianen opgetrokken.

Evert zag de borstwering zachtjes bewegen. Hij vermoedde een

groot aantal krijgers achter de primitieve beschutting. Er kwam

een droog gevoel in zijn mond. Hij slikte moeilijk. In zijn buik

krampte even een felle steek. Hij haalde diep adem. Toen richtte

hij zich op en liep tussen de bomen door, het open stuk voor de

kampong op. Het was, als zag hij zichzelf lopen: een kleine figuur

155


tegen de hoge oetan-muur, onder de oneindige hemelkoepel. Hij

werd fel beschenen door het genadeloze zonlicht. Hij had de sensatie,

weerloos te zijn.

Op een zes meter van de bosrand bleef hij staan. Hij stond rechtop,

zijn handen slap langs zijn lichaam hangend. De open vlakte tot

aan de kampong scheen uit te groeien tot een onafzienbaarheid.

Hij was daar middenin, eenzaam, het centrum van een absolute

verlatenheid. De stilte hing loodzwaar om hem heen. Hij voelde het

gewicht van het grote zwijgen op zich drukken, zwaarder en zwaarder,

tot hij er door verpletterd dacht te worden. De vlakte werd een

oceaan en hij veranderde in een eiland. De stilte duurde voort,

klemmend als een klauw rond zijn keel.

Er gebeurde nog maar steeds niets.

Niets...

Stilte...

Hij kreeg een waanzinnige aandrang om te schreeuwen, dwars

door de stilte heen.

Maar er gebeurde niets...

Zijn keel werd in een ijzeren band saamgesnoerd. Hij opende zijn

mond, maar zijn ademhaling was zelfs geen geluid meer. In zijn

nek begon een trilling, die voortkroop over zijn rug tot aan zijn

benen. Hij voelde kil zweet uit zijn oksels langs zijn lichaam druipen.

En op dat ogenblik wilde hij zich omdraaien en wegrennen,

de oetan in. De oetan was een vriend voor hem. Hij zou verlost

zijn van de obsessie van stilte en ruimte. Hij werd aangegrepen

door een wilde paniek en met het uiterste van zijn wil dwong hij

zich te blijven staan.

— Er moet iets gebeuren! God! Laat er iets gebeuren!

Toen snorde vanachter de borstwering een pijl door de lucht met

een zacht, zoemend geluid. Tok! Hij stak tien meter voor hem in de

grond.

Hij zag de pijl trillen in de aarde en hij deed een stap naar voren.

156


Hij zag wel, dat het een pijl was, maar het drong niet helemaal tot

hem door, overweldigd als hij was door een grote vreugde, omdat

er eindelijk iets gebeurd was.

— Een pijl steekt in de grond. Zie, de punt is rood van geronnen

bloed. Het is een pijl van de wraak, gedoopt in het bloed der gesneuvelde

mannen van Waine...

Een wolk van pijlen golfde op hem toe en roffelde voor hem in de

aarde. Het bracht hem tot de werkelijkheid terug. — Ik sta buiten

het bereik van hun pijlen, dacht hij. — Zij dragen hooguit vijftien

meter.

Hij bleef staan. Minutenlang. — Krankzinnig, dacht hij, — dat ik

hier blijf staan. Ik behoorde weg te lopen, te schieten. In ieder geval

behoorde ik iets te doen. Maar ik doe niets. Ik blijf staan, alsof

het allemaal een droom is, die ik vlak voor het ontwaken beleef en

waarvan ik al half en half overtuigd ben, dat hij niet echt is. Direct

word ik wakker...

Toen schrijnde de teleurstelling in hem, dat er geen vrede zou zijn

met Waine. — Ik sta hier als de kepala van de blanda's uit Kota

Baroe, dacht hij. — De oorlogsleider. Het moet oorlog zijn. Wat

dacht ik een paar dagen geleden? Rechtvaardigheid is een wankel

begrip als zij in aanraking komt met prestige...

De krijgers van Waine kwamen achter de borstwering vandaan en

renden op hem toe.

— Nu is het werkelijk oorlog, dacht hij. Hij hief zijn arm op en

schreeuwde een kort, hard bevel naar de polisie's aan de bosrand.

Hij liet zich plat op de grond vallen en robde naar de oetan terug.

De polisie's zaten in een lange rij op een knie en schoten op de

aanstormende mannen van Waine. Zelfs voor de slechtste schutter

was de kans op een misser uiterst gering, zó compact was de massa

der gillende en schreeuwende Papoea's.

„Oe wa loe wellü"

Vier ... zes ... negen... tien... twaalf mannen van Waine tuimel-

157


den met vreemd vertrokken gezichten op de grond, het lichaam

nog gekromd in de woede-sprong. De anderen vluchtten in paniek

terug achter de borstwering, vanwaar zij als razenden pijlen bleven

afschieten in de richting van de oetan.

Evert krabbelde overeind. „Terugtrekken!" beval hij met scherpe

stem. „Twee aan twee. Tussenruimte dertig meter. Ijltempo naar

het bivak. Wachten tot ik kom."

De polisie's trokken af. Twee aan twee verdwenen zij in de oetan.

Evert vuurde met zijn karabijn hoog in de lucht. De vlakte lag als

een laaiend vuur tussen hem en de barricade, waarachter de mannen

van Waine verborgen waren. In het vuur lagen de doden...

Hij bleef alleen achter, starend naar de stille lichamen voor de

borstwering en toen draaide hij zich om en volgde de laatste twee

polisie's. ledere tien meter stond hij stil en schoot een kogel door

het bladerdak van de oetan.

De mannen van Waine bleven achter hun borstwering en schoten

hun pijlenwolken vijftien meter ver over de vlakte.

In het bivak vond hij de mannen terug. Er ontbrak er niet een. In

aller ijl braken zij op en begonnen de terugtocht. Evert was de

laatste. Hij wilde eventueel de eerste stoot opvangen, een paniek

onder de dragers was wel het laatste wat hij wenste.

Maar die van Waine kwamen niet. Zij zaten achter hun palissade

en verwachtten een overval. Zij begrepen niets van die plotseling

ingetreden stilte. Zij staarden over de vlakte naar de oetan. Maar

het bleef stil.

De stilte was angstaanjagend. Zij bevochten de stilte en loeiden

hun strijdkreet. „Oe wa loe wellü"

Evert Caldenhove hoorde de kreet achter zich aan door de oetan

golven en hij versnelde het tempo. Zij renden bijna ...

Voor het invallen van de duisternis, de volgende dag, bereikten zij

Waris. Hij riep de mannen bijeen en beval hun over het gebeurde

158


te zwijgen, maar hij wist, dat het een vergeefse poging was het losgebrande

vuur tegen te houden.

„Oe wa loe wellü"

De oetan ten zuiden van Waris was in opstand.

Evert Caldenhove erkende zijn nederlaag.

Hij liep langzaam en alleen de berg op naar het posthuis ...

V

Jbvert liet de duisternis het posthuis binnensluipen en hij deed

geen moeite met wat schamel licht de nacht terug te dringen. Hij

zat op een tournee-blik, zijn hoofd tussen zijn handen. Voor het

posthuis liep een Papoea-polisie heen en weer. Hij telde de stappen.

Tien passen heen... Tien passen terug... Toen hij opkeek, zag

hij het vurige puntje van het strootje, dat de man rookte. Een

rossige streep door het duister.

Hij keerde de gebeurtenissen van de afgelopen dagen om en om in

zijn gedachten, tevergeefs zoekend naar een oplossing. Aan rechtvaardiging

durfde hij helemaal niet denken. Zuiver zakelijk geredeneerd

kon hij zeggen: het conflict in Waine kan uitgroeien tot een

volledige opstand, waarbij alle kampongs in het Waine- en Warisgebied

betrokken zijn. Er volgt een eindeloze moord- en roofpartij.

Het zal het leven van duizenden kosten. Ik moet daartegen optreden,

ook al kost het een paar doden.

Hij was opgetreden en het had twaalf doden gekost. Nu martelde

hij zijn geest met de vraag: had dit voorkomen kunnen worden?

Waren er nog andere mogelijkheden geweest? Heb ik werkelijk

het uiterste beproefd?

Hij voelde zich niet langer de zelfbewuste Evert Caldenhove, de

man, die maandenlang strijd had geleverd met de oetan en haar de

baas was gebleven. Hij was weer de baroe, de nieuweling...

159


Maar wat had het voor zin zich dit af te vragen? In het zuiden

klonk de oorlogskreet der Waine-Papoea's.

„Oe wa loe wellü"

Hij zou steeds luider klinken tot de oetan er geheel van vervuld

raakte. Hij moest deze toestand onder ogen zien en er iets tegen

ondernemen.

— God! dacht Evert Caldenhove, — ik ben een baroe, ik weet het.

Gij hebt het mij weer eens doen voelen. Ik ben een baroe in de

oetan en een baroe in het leven. Gij hebt mijn overmoed neergeslagen

en het is goed, dat Gij dit gedaan hebt...

Hij stond op en liep naar buiten, naar de voorgalerij. De nacht lag

als een dikke deken over de wereld. Evert Caldenhove hief zijn

hoofd op naar de hemel. — Mijn vader heeft eens gezegd, dat vele

mensen alleen maar bidden als ze in de penarie zitten, dacht hij.

— Ik ben één van die mensen, geloof ik...

Toen stak hij zijn oliepitje aan en pakte zijn brieventas. Hij legde

een velletje papier voor zich op een tournee-blik, schroefde zijn vulpen

los en begon met felle, bijna driftige bewegingen te schrijven.

„Beste Jaap! Het is nu werkelijk de hoogste tijd, dat je komt opdagen.

In Waris is de schrijver zo stom geweest op een verkenningstocht

in Waine de hele boel in de fik te jagen. De hel is

losgebarsten. Ik ben er persoonlijk heengegaan om de zaak te

sussen, maar ze ontvingen mij met pijlen. Er is van onze kant geschoten.

In Epmi en Maisink rommelt het. Die knapen daar blijken

een rooftocht naar Waine te hebben gemaakt. Zes koppen werden

gesneld.

Ik zal twee weken op je wachten hier. Als je er dan nog niet bent,

zit er voor mij niets anders op dan terug te gaan. Ik kan hier op

mijn eentje niet veel uitrichten. Ik had graag, dat je bij de ouwe

het zenden van een patrouille bepleit. Als hij die niet stuurt, zitten

we hier met onoverzienbare narigheid. Ik kan het niet tegenhouden.

Saluut"

160


Hij legde zijn vulpen neer en las het briefje nog eens over. Het was

misschien een beetje onsamenhangend, niets voor een ambtenaar,

van wie verwacht wordt, dat hij op ordelijke wijze verslag uitbrengt.

Maar zo ordelijk was de situatie, waarin hij verkeerde, ook

niet. Morgen zou hij een polisie met het soeratje naar Kota Baroe

sturen. Als alles meeliep, kon hij over twaalf dagen antwoord

hebben.

Hij vouwde het briefje op, schroefde zijn vulpen dicht en stopte

haar in zijn borstzak. Toen stond hij op, het wild-flakkerende olielampje

van het tournee-blik pakkend. Hij ging naar binnen en

kroop in zijn hangmat.

Twaalf dagen. ..

Twaalf dagen moederziel alleen in de oetan.

Twee dagreizen naar het zuiden donderde het „Oe wa loe well!!"

Twaalf dagen...

Alleen?

— Als de mensen in de penarie zitten, zei vader... Ik geloof, dat

ik zo'n mens ben...

161


NEGENDEHOOFDSTUK

I

De nieuwe dag was nauwelijks tien uren oud, toen Evert de wurgende

verveling en het afmattende wachten, waarin hij twaalf

dagen en twaalf nachten in het posthuis van kampong Waris zou

moeten doorbrengen, levensgroot voor ogen stonden. Er was maar

één mogelijkheid om in de tijd, dat hij op Van Weghen's antwoord

wachten moest, niet mataglap te worden: hij moest iets doen. Hij

moest iets ondernemen, waardoor zijn innerlijke spanning zou worden

afgereageerd. Hij wilde niet, dat de eenzaamheid hem weerloos

zou vinden, uitgehold door het nietsdoen en de suggestie van

het eeuwige groen der oetan rondom hem.

Voor het avond was, had hij zijn besluit genomen. Hij zou de volgende

morgen, vergezeld van een polisie, zeven dragers en de oude

Papoea Faroka als gids, vlak langs de Australische grens in zuidoostelijke

richting trekken om contact op te nemen met de Punda-

Papoea's, die daar in het dichtbevolkte berggebied woonden.

Nooit tevoren had een blanke een voet in deze streken gezet. De

Punda's leefden tamelijk geïsoleerd op een plateau bij de Siwobergen.

Wat de kampongbewoners van Waris, die heel zelden met

hen in aanraking kwamen, wisten te vertellen, was, dat zij blijkbaar

ruilhandel dreven met Waine. Uit de verhalen van de oude

Faroka kreeg Evert de indruk, dat de Punda-Papoea's weliswaar

162


schuwe, doch zeker geen kwaadaardige mensen waren. Hij vond

het bericht over een ruilhandel met Waine heel belangrijk. Misschien

had hij nu de oplossing voor het probleem van de dreigende

oorlog in zijn vingers. Wellicht zou het mogelijk blijken de Punda's

als bemiddelaars met Waine te gebruiken. In ieder geval wilde hij

poolshoogte nemen en daarna de zaak aan Van Weghen overlaten.

Het was twee dagreizen ver naar de streken der Punda's. De bergen

rijden zich tot lange ketens aaneen, hoger en hoger. Het kwam

Evert voor, als was dit gebied woester en onherbergzamer dan het

bergterrein in het noorden. Hoog in het bergland bemoeilijkte deijle

lucht het lopen, maar de bodem bood, met zijn hardlemen:

onderlaag, gelukkig voldoende steun om gemakkelijker vooruit te

komen dan in de streek vóór Waris.

Evert liep uitsluitend op de aanwijzingen van de oude Faroka, die

zonder aarzelen een weg zocht door de schier ondoordringbare

oetan, over de barre rotsmassieven en door bruisende, wielende

kali's, die met donderend geraas van de bergen stroomden. Het was

een groots landschap van ongebreidelde oer-natuur.

Eerst laat in de middag van de tweede dag, toen zij, volgens

Faroka, nog slechts enkele uren van Punda verwijderd waren, sloegen

zij een eenvoudig bivak op tegen een berghelling. Hij trok

Faroka's woorden in twijfel, want hij kende het verwarde begrip,

dat een Papoea van tijd heeft. Hij ging vroeg slapen, voelde zich

merkwaardig rustig. Hij had zich vast voorgenomen, zich geen

zorgen voor de tijd te maken. Tweemaal had hij nu een poging

ondernomen zijn tournee te bekronen met een contact met nog niet

onder bestuur gebrachte stammen. Tweemaal was het op een mislukking

uitgelopen. In Almin waren het de bandjir en de wondkoortsen

geweest; in Waine de opgezweepte wraakzucht van de beledigde

en getergde Papoea's. Punda was de derde poging.

— Driemaal is scheepsrecht, dacht hij glimlachend. — Ik hoop, dat

het ook het recht van de oetan is ...

163-


II

.Taroka bleef staan en boog zich voorover. Zijn ogen speurden

langs de grond. Toen wees hij naar een paar afgebroken takjes, die

tussen het gras lagen. „Hier liepen die van Punda, toean," fluisterde

hij.

Evert knikte. Hij kon onmogelijk in die paar takjes het spoor van

een mens ontdekken, maar hij wist, dat hij in dit opzicht verre in

de schaduw bleef van de oude man, die zijn hele leven in de oetan

had doorgebracht en ieder geluid, iedere beweging, ieder spoor op

de grond onmiddellijk thuis wist te brengen. Voor alle zekerheid

gebood hij Poesjie en de dragers, een flink eind achter te blijven.

Met Faroka en de polisie trok hij langzaam en geruisloos sluipend

verder.

De oude man bevroor plotseling in zijn stap. Het was zo onverwachts,

dat Evert, die vlak achter hem liep, tegen hem opbotste.

Faroka hief zijn hoofd op. Hij stond recht overeind en iedere vezel

van zijn lichaam was gespannen. De aderen tekenden zich als

dunne, smalle koorden af in de huid van zijn magere nek. Met een

knokige vinger wees hij de oetan in.

Evert luisterde. Van heel ver uit het oerbos klonk een dof, regelmatig

kloppen. Het deed hem denken aan de specht, die in het

park rond „Caldenhove" met zijn scherpe snavel tegen de stam

van een boom hamerde.

Uiterst voorzichtig slopen de drie mannen verder, dichter naar het

geluid, dat spoedig duidelijker te horen was. De polisie vezelde

Evert in het oor, dat daarginds iemand bezig was met sagokloppen.

Zij konden nu niet ver meer van kampong Punda verwijderd

zijn.

Zij bereikten een kleine, open plek in het bos. Een jonge Papoea

zat met de rug naar hen toe in een opengespleten sago-stam de

sago te kloppen. Met vlugge, harde slagen liet hij zijn stamper, die

164


van twee saamgebonden stenen bijlen vervaardigd was, in het

zachte merg van de palm neerkomen. Het geluid van de stamper

verhinderde hem de drie mannen te horen.

Evert zat ineengedoken tussen de struiken. Hij moest ten koste van

alles voorkomen, dat de jongen er verschrikt vandoor zou gaan. Hij

zou ongetwijfeld de kampong alarmeren en in dat geval was de

kans niet gering, dat hij een leeg dorp zou aantreffen. Hij besloot

de jongen gevangen te nemen en hem als gids en tegelijkertijd als

lokaas mee naar Punda te voeren. Hij beduidde de polisie wat hij

van plan was door een vlug spel van gebaren, dat de man snel

begreep.

Toen sprongen zij onverwachts de struiken uit en vielen boven op

de jonge Papoea, voor deze de kans had om te kijken. De jongen

kromp ineen van schrik, rolde zich toen op tot een harde kluwen

van louter spieren en trachtte zich met een ruk van zijn belagers te

bevrijden. Zij hielden hem echter stevig vast en toen hij Evert zag,

begon hij ineens hard te gillen en sloeg wild om zich heen.

In de oetan ritselden takken.

Evert draaide zich bliksemsnel om, greep zijn karabijn, gereed om

te schieten. In de struiken langs de rand van de open plek stond

een vrouw. Haar ogen waren groot, starend van schrik en ontzetting.

Zij uitte een kreet en dook vliegensvlug terug in de

struiken.

Evert hoorde haar wegrennen. Een ogenblik dacht hij er over haar

na te gaan, maar de oetan was zo dichtbegroeid, dat het onbegonnen

werk was. Het was nu in ieder geval uitgesloten, dat hij

kampong Punda bij verrassing zou kunnen binnenkomen. Hij

wendde zich tot de gevangene, die sidderend over zijn hele lichaam

bij een boom gehurkt zat, stevig vastgebonden door de polisie.

Evert ging naast hem zitten. Hij sprak geen woord en bewoog zich

niet. De minuten druppelden voorbij. Hij zweeg en zat naast de

165


jonge Papoea, wie de angst vertrokken op het gezicht getekend

stond.

Na een minuut of tien haalde Evert een brok lempeng uit zijn zak,

reikte de polisie een stuk toe en begon toen zelf met rustige, weloverwogen

bewegingen een sigaret te rollen. Hij gaf de sigaret aan

de jongen, die hem aannam, maar er roerloos mee in zijn hand bleef

zitten. Evert rolde een tweede sigaret, die hij in zijn mond stak.

Hij schrapte toen met een langzaam gebaar een lucifer aan.

De jongen kromp even ineen van schrik en keek toen met grote,

verbijsterde ogen naar het doosje, dat Evert in zijn hand hield.

Evert blies de lucifer uit, schrapte een nieuwe aan en zoog het

vuur in de tabak. Hij blies een grote rookwolk voor zich uit en stak

toen de brandende lucifer naar de jongen, die aarzelend, meer uit

angst dan bewust, begon te roken.

Daarna was het weer stil.

Evert tuurde naar het vuurpuntje van zijn sigaret. Hij wist voor het

ogenblik niet veel beters te doen, dan te proberen de jonge Papoea

uit kampong Punda op zijn gemak te stellen. Hij probeerde kringetjes

te blazen, maar het lukte niet.

Poesjie en de koelies waren inmiddels ook aangekomen en staarden

met onverholen verbazing naar toean-controleur, die roerloos onder

een boom naast een jonge Papoea een sigaret zat te roken.

Evert stond op en hing zijn karabijn over zijn schouder. Hij gaf het

bevel verder te lopen, naar kampong Punda. Voorop liep Faroka en

achter hem de polisie met de jongen, die weliswaar iets van zijn

angst verloren bleek te hebben, maar er niettemin duidelijk op uit

was bij de eerste de beste gelegenheid, welke zich zou voordoen,

de benen te nemen. Evert, die vlak achter hem liep, had het in de

gaten en hij was op zijn hoede. Poesjie en de dragers volgden op

twintig meter.

Het was nog ongeveer een uur tot kampong Punda. Zij liepen langzaam,

omwonden door de zwachtels van de grote stilte in de oetan.

166


— Het is paradoxaal, dacht Evert. — Ik hoor de kakatoes

schreeuwen en de krekels oorverdovend tjirpen. De bladeren der

bomen klapperen tegen elkaar als de wind er langs vaart. Duizenden

vogels zingen. En toch voel ik dit als een grote stilte. Misschien

komt het, omdat deze wildernis een volstrekte eenheid in organismen

is. Misschien ontbreekt er een klankbord. Misschien is het

alleen maar de eenzaamheid, die uit al deze geluiden opstijgt en

een beklemmende stilte bouwt...

Kampong Punda lag hoog op een bergplateau. Het dorp bestond

uit een tiental hutten, die langs een smal, in de oetan gekapt

paadje stonden. De hutten waren op lage, aarden terpen gebouwd.

Zoals Evert wel verwacht had, was Punda, nadat de vrouw gillend

de oetan was ingevlucht, volkomen verlaten. Hij wijdde nu al

zijn aandacht aan de jongen. Hij moest zijn vertrouwen winnen

voor er van enig contact met hem of met zijn stamgenoten sprake

zou kunnen zijn.

De dragers brachten de barang naar hem toe en hij begon uit te

pakken. Hij stapelde de geschenken rondom zich op en hij voelde

zich een ogenblik als Sinterklaas.

Dit was een kritiek ogenblik. Hij zat gehurkt naast de contactgoederen,

trillend van spanning. Als de jongen nu vluchtte, zou

alle moeite tevergeefs geweest zijn en kon hij opnieuw beginnen.

Maar hij moest het proberen, het was zijn enige mogelijkheid. Hij

kon buitendien de jongen moeilijk gevangen blijven houden. Als

hij zou moeten bemiddelen tussen hem en de gevluchte kampongbewoners,

moest hij dat in volle vrijheid doen.

Evert legde een bijl voor hem neer, nadat hij met gebaren had proberen

uit te leggen, waartoe hij diende.

De jongen nam de bijl op en liet het staal vonken in de zon. Toen

stond hij op en begon er als een razende mee tegen de stammen

van jonge papaja-boompjes te beuken. Hij uitte opgewonden kreten

bij het zien van de diepe, blanke snede in het hout. Hij hield op, de

167


ijl in zijn vuist langs zijn lichaam houdend. Hij keek van de bijl

naar Evert en van Evert naar de bijl. In zijn geest botsten op dat

ogenblik twee werelden: de eeuwenoude wereld, waarin hij met

beide voeten geworteld stond en de andere, onvermoede wereld,

die honderden kilometers verder in het oerwoud tot een grens was

gekomen. Toen kwam hij aarzelend, bijna schoorvoetend, naderbij

en hurkte naast Evert neer.

Evert's handen beefden van zenuwachtige blijdschap. Hij wist niet

hoe snel hij de andere contact-goederen te voorschijn zou halen. Hij

gaf... lucifers, parangs, spiegeltjes ... De wonderen hielden niet

op en de jongen reageerde als het kind, dat op Sinterklaasmorgen

bij de haard staat te dansen naast de welgevulde schoen.

Toen Evert alle meegebrachte artikelen voor de jongen had neergelegd

en diens vreugde en opwinding in wat kalmer water waren

weggeëbd, trachtte hij hem aan zijn verstand te brengen, dat hij

nu de andere mensen van de kampong moest gaan halen. De oetan

omvatte kampong Punda en Evert voelde, meer dan hij het wist,

dat van uit het groen tientallen ogen op hem gevestigd waren en

dat even zovele pijlen op de gespannen boogpees stonden, klaar

om op hem af te snorren als hij een verkeerde beweging maakte.

Dit intuïtieve weten maakte alles onwerkelijk. Het kwam hem voor

als speelde hij zelf niet mee, doch als zat hij het op een afstand

rustig aan te kijken. Hij voelde geen angst.

Het duurde geruime tijd, voor de jongen begreep wat hij bedoelde.

Toen hij eindelijk opstond, gaf Evert hem wat van de contactgoederen

mee en keek hem na, terwijl hij langzaam en treuzelend

wegliep naar de oetan. Onverwachts, als moest hij zich vermannen,

verdween.hij in de groene struiken.

Evert stond op en drentelde wat heen en weer bij de barang. Hij

keek goedkeurend naar Poesjie en de dragers, die zich, als was het

allemaal heel gewoon, bij een der hutten hadden teruggetrokken.

168


Zij zaten rond een vuurtje en tooden niet de minste zenuwachtigheid.

Hij ging weer zitten. Hij kon nu niets meer doen dan wachten.

Hij was nu niet meer bij machte iets aan de situatie te veranderen.

Hij had zijn hoogste troeven op tafel gegooid: ijzeren voorwerpen

en lucifers. Hij moest afwachten hoe de mannen van Punda daarop

wilden reageren.

Het was heel logisch geredeneerd: rustig afwachten. Maar zijn

zenuwen waren tot het uiterste gespannen. Hij stak een sigaret op,

maar na een paar trekken gooide hij haar op de grond. Hij spitste

zijn lippen om een deuntje te fluiten, maar hij deed het niet. Hij

haalde uit zijn rugzak het bijbeltje, dat zijn moeder hem gegeven

had, maar de woorden waren samengesteld uit letters en de letters

wilden geen woorden worden en de woorden waren geen zinnen

tezamen. Hij stopte het boekje weer terug. Hij leunde tegen een

barang-blik en wachtte. Het allerliefst was hij opgestaan en de

oetan ingetrokken om te kijken waar de jongen gebleven was. Maar

dat kon hij niet doen. Hij moest wachten...

Drie lange, eindeloos lijkende uren kropen voorbij.

Toen hoorde hij achter zich in de oetan geritsel en gekraak van

struiken en takken.

Evert richtte zich langzaam op.

Uit het bos kwam een groep mannen te voorschijn, dicht opeen gedrongen,

de kampong binnen.

Evert Caldenhove stond op...

III

IJ.et was een vreemd schouwspel, een massief van opeengedrongen,

zwarte lichamen, dat langzaam naderbij kwam en op

enkele meters afstand van Evert staan bleef. Evert liep langzaam,

bijna voetje voor voetje, op de mannen toe. Hij keek hen recht in

169


het gezicht en toen hij vlak bij hen was, greep hij een van hen bij

de hand en schudde die glimlachend heen en weer.

De man vertrok zijn gezicht in een bijkans panische angst, maar de

glimlach op Evert's gezicht was geruststellend en zijn schrik bedaarde;

een brede lach brak rond zijn blauw-grijze lippen.

Die lach was een teken.

De anderen barstten plotseling los in een pandemonium van

schreeuwen, lachen en gillen. Zij dromden rond Evert en bekeken

hem van onder tot boven. Zij verbaasden zich over zijn khakishorts

en zijn witte hemd. Zij streken over zijn haren, die, na de

maanden in de oetan, zo lang als het haar der Javaanse bedjahrijders

geworden waren. Zij betastten zijn armen en benen, knepen

er in en wreven er over en al die tijd kakelden zij opgewonden in

een taaltje, waar hij tittel noch jota van begreep.

Evert maakte zich los uit de kring en drentelde naar de barang,

waar hij neerhurkte. De mannen van Punda volgden zijn voorbeeld.

Hij begon zijn geschenken uit te delen. Hij gaf met gulle handen en

met een grote vreugde in zijn hart.

De mannen aanvaardden zijn gaven met verrukte kreten. Sommigen

konden zich niet langer bedwingen en dansten.

De blanke man was gekomen.

Hij had bijlen geschonken.

Scherper dan de bijl uit het graniet,

dat jarenlang geslepen wordt.

Hij had het vuur geschonken,

verborgen in een kleurige doos.

Hij had de spiegel geschonken,

het schone, blinkende wonder,

twee waren zij geworden.

Een der oudste mannen nam Evert's hand en strooide wat as in de

naar boven gekeerde palm. Daarna wreef hij zijn eigen hand aan

170


eide kanten door de as. Het was een gebaar van vrede en vriendschap.

De Punda-Papoea's waren stevig gebouwde kerels, hoewel zij kleiner

van postuur waren dan die aan de kust. Hun gezichten waren

niet onvriendelijk, niet verminkt door tatoueringen. Sommigen

droegen hun haar hoog, omwonden met de bruine huid van een

koeskoes; anderen hadden het in kleine bosjes bijeen gehouden met

vezels, zodat zij het uiterlijk hadden van een vrouw met papillotten

in het haar. Hun neusbeen en oorlelletjes waren niet doorboord.

Velen droegen als versiering een uit bamboe gesneden kam opzij in

het haar. Hun armen waren overdekt met kleine gezwellen van opzettelijk

aangebrachte brandwonden. Om hun hals en over hun

borst hingen lange snoeren van kleine varkens- en hondetanden en

glazuurachtige pitten, die zij beschilderd hadden. Om de linkerbovenarm

droegen zij nauwe, enkele centimeters brede rotanbanden,

waarin zij hun casuarisdolk gestoken hadden. Verder droegen

zij geen kleding of versiering, behalve een peniskoker of een

klein schaamschortje van dunne, rafelige boombast vervaardigd.

Hun pijlen waren aan de punt gespleten en versterkt met een botje

van de lau-lau. De pijlpunten waren voorzien van talloze kleine

weerhaakjes en de schachten waren versierd met heel kleine vogelveertjes.

De meeste mannen waren gladgeschoren. Evert ontdekte

later, dat zij zich schoren met een messcherp gesneden bamboesplinter.

De Punda's leden blijkbaar niet aan framboesia en cascado, want

bij geen der mannen was een spoor van die gevreesde ziekten te

bekennen. Zij verspreidden echter wel een zware, weeë lichaamsgeur,

die werd veroorzaakt doordat zij zich van boven tot onder

insmeerden met grauwe modder als bescherming tegen de

muskieten, waarmee zij in dit bergland lang niet zo geplaagd werden

als in het drassige kustgebied.

Het duurde geruime tijd voor Evert de vrouwen te zien kreeg. Zij

171


werden in de hutten of in de oetan verborgen gehouden. Toen

enkelen zich in zijn nabijheid waagden, bleken het bijna allemaal

oudere vrouwen te zijn: magere, lelijke schepsels met brede, platte

neuzen en dikke lippen. Zij waren naakt, op een schaamschortje na,

dat van dunne touwtjes gemaakt was; aan de voorkant enkel en

aan de achterkant driedubbel gevouwen. Zij droegen als versiering

snoeren van varkens- en hondetanden.

De avond viel over kampong Punda en Evert ging er over denken

een bivak op te slaan. Omdat hij zich aan de Punda's alleen door

gebaren verstaanbaar kon maken, ging hij languit op de grond liggen

en wees toen naar een der hutten.

De Papoea's begrepen zijn bedoeling en lachten, verheugd knikkend

en gebarend. Zij namen hem mee naar binnen. Het was een

kleine ruimte, waar hij nauwelijks rechtop kon staan. Er hing een

vale, benauwde schemer en het vertrekje was vervuld van de zware

geur van ongewassen mensenlijven en de prikkelende rook van een

vuurtje, dat zij in het midden van de hut aanlegden.

Het hoofdvoedsel van de Punda's was pepeda, de dikke, smakeloze

sago-pap. Zij kookten de pepeda met water in tassen van de bast

van de sago-palm. De tassen waren natuurlijk niet vuurvast, doch zij

maakten een aantal stenen wit-gloeiend in het vuurtje, haalden ze

er uit met behulp van lange, houten pincetten en lieten ze in de tas

met water zakken. Zij deden dit totdat het water door de hitte der

gloeiende stenen begon te koken. Bij de pepeda aten zij kasbi,

kladi en batates, die zij in het vuur roosterden, en pisangs.

Evert bemerkte tot zijn verbazing, dat, hoewel de streek rond

Punda rijk aan klappers was, er geen werd gegeten. Hij kreeg er

ook geen aangeboden. Later hoorde hij, dat er eens, jaren en jaren

geleden, zolang geleden, dat niemand zich die tijd kon herinneren,

een man was, die heel hoog in de bergen woonde. Op zekere dag

vloog hij door de lucht boven het landschap en hij liet op de plek,

waar naderhand Punda werd gebouwd, een groot aantal klapper-

172


doppen vallen. Uit die klapperdoppen ontstonden de Punda-

Papoea's en de klapper was sindsdien een heilige vrucht, waarvan

men slechts mocht eten bij gelegenheid der dansfeesten, die tweeof

driemaal per jaar werden gehouden.

De kasbi en de kladi en de batates, die Evert bij de pepeda kreeg

aangeboden, hadden de Punda's zelf verbouwd in hun primitieve

kebons, die er echter beter verzorgd uitzagen dan in het onder bestuur

staande Waris. De Punda's hadden er namelijk een manshoge

borstwering omheen gebouwd als bescherming tegen de wilde

varkens, die in groten getale door de oetan zwierven.

Het was een overvloedig maal, dat de Punda's Evert Caldenhove,

toean-controleur uit Kota Baroe, met een hartveroverende blijdschap

voorzetten. Er was vlees van de casuaris, het varken en de

kroonduif. Er waren taaie bouten van de jaarvogel en de kakatoe

en zij schoven hem zelfs de ongeveer tien centimeter lange, gebrande

aardratten toe.

„Eet, blanke, eet!"

Maar Evert bedankte voor dit laatste gerecht, voorgevend meer

dan voldoende gegeten te hebben. Hij wreef met een verheerlijkt

gezicht over zijn buik, schudde zijn hoofd en klakte met zijn tong.

De Punda's klapten als blije kinderen in hun handen.

De blanke was verzadigd ...

IV

De volgende morgen ontwaakte Evert met een groot gevoel van

diepe tevredenheid. Zelfs de gedachte aan het conflict in Waine

was niet in staat zijn blijde stemming te bederven. Het was alsof er

een zorgeloze vacantiedag voor hem lag. Goeie morgen, Evert!

Lekker geslapen? Goeie morgen, schemer van de komende dag!

Goeie morgen, bamboe-wanden en atapdak! Goeie morgen, bomen

173


uiten, roerloos in de ochtendkoelte! Goeie morgen, heel mooie

wereld! Goeie morgen!

Voor het eerst tijdens zijn tournee had hij de overtuiging iets bereikt

te hebben. Kampong Punda was hem in vrede en vriendschap

tegemoet getreden. Kampong Punda, waar nimmer tevoren een

blanke geweest was...

Hij ging op zijn rug liggen, zijn armen onder zijn hoofd en schommelde

zachtjes heen en weer, nog wat na-soezend van de diepe

slaap, welke hem eindelijk de ontspanning had gebracht, die hij, na

de gebeurtenissen der afgelopen dagen, zo van node had.

Poesjie was al op.

Evert zag diens vlugge, donkere gestalte buiten voor de hut heen

en weer lopen, bedrijvig doende met koffiezetten. In een plotseling

verlangen vertroeteld te worden speelde hij een ogenblik met de

gedachte Poesjie zijn koffie „op bed" te laten brengen. Maar het

was te dwaas. Poesjie zou stom-verbaasd zijn en daarna angstig

vragen of toean ziek was geworden.

— In Kota Baroe zal ik er toch eens ernstig werk van gaan maken,

dat ik een huis krijg, dacht hij, terwijl hij zich uit zijn hangmat liet

zakken. — Als Heleen dan overkomt, kan zij mij 's morgens thee op

bed brengen ...

Hij begon hard te lachen.

„Met beschuitjes!" riep hij en toen hij naar buiten liep, maakte hij

er een liedje van. „Thee met beschuitjes! Thee met beschuitjes op

bed, op bed! O, wat is dat een pret, een pret!!"

Poesjie grinnikte om toean-controleur, die in zijn gestreepte pyama

een paar danspassen maakte en zich toen proestend en snuivend

begon te wassen.

De koffie was gloeiend en het strootje een welverdiende luxe, die

hij zich nu wel kon veroorloven, omdat hij het plan had nog een

dag in Punda te blijven, voor hij naar Waris zou terugkeren.

Na zijn ontbijt wandelde hij, omringd door uitbundig babbelende

174


mannen en schreeuwende kinderen, door de kampong. De mannen

toonden hem trots hoe zij al aan het werk waren met de bijlen en

de messen, die hij hun gegeven had. Hij knikte goedkeurend en

voelde zich plezierig.

In een boom zag hij een tas hangen, die zachtjes heen en weer

bengelde in de wind, die koel vanuit het zuiden waaide. Hij vroeg,

wat die tas te betekenen had, maar niemand kon het hem uitleggen,

de gebarentaal schoot tekort.

Evert maakte de tas open en schrok. Hij zag een naakt kindje,

nauwelijks twee weken oud.

Poesjie, die naast hem stond, knikte en sprak een woord uit, dat

loodzwaar en somber op zijn zonnige stemming viel: „Suangi..."

Suangi...

Suangi was iemand uit de kampong, die niemand bij name kende.

Suangi's voetsporen beïnvloedden het leven in het dorp.

Suangi is de demon van het ingewikkelde natuurgeloof der

Papoea's.

Suangi's voetsporen schrijven een vreselijke taal: ziekte en dood,

geboorte en huwelijk, offerfeesten en de dans worden er door bepaald.

Suangi had geschreven:

„Man, aan wie reeds twee kinderen

door de geest van de dood

werden ontnomen,

offer het derde kind,

opdat de geest van de dood

zich verzoene met u

en uw vrouw

en opdat

het vierde kind leve..."

175


Evert haalde voorzichtig het kind uit de tas en gaf het aan de

moeder terug. De vrouw boog en glimlachte. Zij ging er mee naar

haar hut. Evert zag haar na en hij wist, moedeloos opeens, dat, na

zijn vertrek, het kind weer in de tas gehangen zou worden, totdat

het verhongerd zou zijn.

Suangi...

Als er iemand ziek is, komt de kepala aandragen met de gorakka,

een knolgewas, dat als een al-medicijn wordt gebruikt. De mannen

en vrouwen van de kampong kauwen de gorakka tot een pap en

spuwen deze over de zieke uit. Daarna begeven zij zich naar de

plek, waar de zieke voor het laatst gezond gezien is en roepen luidkeels

zijn naam, opdat de verdwaalde, gezonde geest de weg naar

de hut van de zieke zal terugvinden.

Suangi...

Als de zieke sterft, zoeken zij in de omgeving van zijn huis naar

voetsporen.

Suangi schrijft:

„Wiens voetsporen gij

zult vinden, bezit

de gezonde geest

van de gestorvene

en hij zal sterven

met hem..."

De voetsporen wijzen altijd iemand aan, die niet in de kampong

woont en hij wordt vermoord.

Suangi...

In het neven-gebouwtje van het boedjanghuis trof Evert een paar

dode Punda-Papoea's aan. De lijken lagen op baleh-baleh's uitgestrekt.

Onder de lichamen brandden kleine, rokerige vuurtjes.

Als de lijken begonnen te rotten, zette men er tassen met sago

onder, zodat het lijkenvocht in de sago druppelde.

176


Suangi schreef:

„Eet van deze sago,

opdat de kracht

en de geest

van de dode

in u overgaan."

Het duurde meestal maanden voor de lijken geheel verdord en uitgedroogd

waren. Daarna werden zij naar een geheime plaats in de

oetan gebracht en begraven onder rotsblokken.

Evert huiverde. Hij herinnerde zich echter het gedrag van Maiwe

Aande in Waine en de gevolgen van diens ingrijpen op de adat van

de Papoea's daar.

— Begrip, dacht hij. — Begrip en liefde ... Zullen wij er in slagen

deze mensen op te heffen uit afgronden van bijgeloof en geestelijke

slavernij? Zal het ons lukken van deze mensen, die ook onze broeders

en zusters zijn, gelukkige, vrije mensen te maken?

Deze gedachten tilden hem ver uit boven de zakelijke nuchterheid,

waarmee hij als B.B.-ambtenaar zijn rapporten zou moeten

schrijven.

— Het is gemakkelijk een land te bezitten, dacht hij. — Maar het

is moeilijk een land te besturen. Het recht om een land te bezitten

kunnen wij alleen dan verwerven, als wij alles in het werk stellen

het goed te besturen en als wij van het begin af bereid zijn het

mettertijd, als onze opvoedende taak beëindigd is, terug te schenken

aan de bewoners. Wij bezitten het eigenlijk niet, wij hebben

het in leen gekregen van Hem, die het hele universum in de holte

van Zijn hand omvat houdt. Hij verwacht van ons, dat wij nuttige

dienstknechten zullen zijn en woekeren met de talenten, die Hij ons

ter hand stelde. De rente zal worden bijgeschreven aan de vrede

en het geluk der mensen ... Wij mogen deze ontzaglijke lening niet

177


in de grond van onze luiheid en onverschilligheid begraven ...

Twee dagen later besloot Evert naar Waris terug te keren. Hij

wilde de komst van Van Weghen afwachten. Van Jaap zou het afhangen

of hij binnenkort weer naar Punda zou teruggaan.

Alle kampongbewoners deden hem uitgeleide. Hun angst was geheel

verdwenen. Er waren vreugde en dankbaarheid voor in de

plaats gekomen. De mannen sloegen hun arm om zijn schouders en

spraken druk tegen hem, hun woorden begeleidend met brede armgebaren.

Zij brachten Evert weg tot aan de rand van de oetan, in de nabijheid

van de plek, waar hij een paar dagen tevoren de jongen gevangen

had genomen.

Verder gingen zij niet.

Hun isolement was volkomen. Zij voelden geen behoefte te ontdekken

wat er aan de andere kant van de bergen lag. Zij waren

tevreden met hun eigen, kleine wereld.

De terugreis naar Waris verliep snel. In nauwelijks twee dagmarsen

bereikte hij de kampong, waar nog geen bericht van Van

Weghen was ontvangen.

Het was even een teleurstelling voor hem, maar hij bedacht toen,

dat het onmogelijk was zo vroeg al antwoord op zijn briefje te

hebben.

„Wachten ..." zei hij, het posthuis binnentredend. „Wachten ..."

De tijd viel log en zwaar over hem heen ...

178


TIENDE HOOFDSTUK

I

Uit de oetan, beneden aan de heuvel waarop kampong Waris

gebouwd was, klonk een droog, hard schot. Het geluid rolde tegen

de helling op en verwaaide in de lucht. Een seconde viel de stem

van de oetan stom in een diepe, onwezenlijke stilte, daarna golfde

het lawaai der krekels en vogels en het zachte suizen der eeuwige

bergwind weer over de kampong. Het was alsof het schot de middag

in tweeën scheurde.

Evert Caldenhove, die in zijn hangmat de uren van de dag lag te

verdromen in een afmattend wachten op het ogenblik, dat hij bericht

uit Kota Baroe zou hebben, richtte zich langzaam op. Hij had

het schot gehoord, maar het had nauwelijks een reactie in hem

opgewekt. Het wachten van de laatste dagen had hem in een toestand

gebracht, zwevend tussen droom en werkelijkheid en het

geluid van het schot was in het wereldwijde vacuüm van zijn denken

gevallen en pijlsnel verdwenen, zodat hij zich moest afvragen

of hij het werkelijk gehoord had, of dat het een suggestie was, een

gevolg van urenlange, martelende wensdromen.

Hij liet zich uit zijn hangmat zakken en slenterde traag naar buiten.

Hij bleef voor het posthuis staan en keek om zich heen, maar alles

was nog precies zoals hij het kende, zoals het fotografisch scherp

in zijn herinnering stond geëtst. Een ogenblik was hij geneigd te

179-


geloven, dat alles verbeelding geweest was, toen Poesjie plotseling

naast hem opdook. Hij begreep nu, dat het schot werkelijk gelost

moest zijn. De polisie's zaten in de bijgebouwen. Geen van hen was

de oetan ingetrokken in de hoop een varken of een casuaris te schieten.

Er bleef dus maar één mogelijkheid over: Jaap van Weghen

was, tegen alle verwachting in, toch komen opdagen. Hij had het

schot gelost beneden aan de voet van de heuvel, waar de kali

stroomde. Dat betekende, dat het nog hooguit een kwartier duren

kon voor hij boven was.

Evert keek op zijn horloge. Het was zeven minuten voor vier. Het

was de elfde dag, nadat de polisie met zijn soeratje naar Kota

Baroe gelopen was. Van Weghen was dus in aller ijl vertrokken. Hij

had er nauwelijks vijf dagen over gelopen ...

Van Weghen's komst werkte als een anti-climax. Een gevoel van

landerige onverschilligheid steeg in hem op. Maandenlang had hij

op Jaap's komst zitten wachten en dikwijls had hij zijn nagels verbeten

van zenuwen, maar nu het ogenblik er was, kon hij zich niet

tot enige geestdrift opwerken. Het was vreemd... En tegelijkertijd

was er in zijn hart toch een schrijnende pijn, die de tranen achter

zijn ogen deed branden. Hij wilde vloeken en schreien tegelijkertijd.

— Waarom ben ik niet razend blij? vroeg hij zich af, terwijl hij

gedachteloos in zijn zak tastte en een brok lempeng te voorschijn

haalde en er een vormloze sigaret van draaide. — Als Jaap nou

maar goeie sigaretten bij zich heeft. Voor mijn part desnoods die

afgrijselijke Signet-stinkstokken. Alles beter dan dat inlandse

bocht...

Hij stak het strootje tussen zijn lippen en joeg er de brand in.

— Kan ik niet aan wat beters denken dan aan sigaretten?

Het gevoel, dat hem vervulde, herinnerde hem aan zijn jeugd.

Toen hij een jaar of zeven was, hadden zijn ouders hem beloofd,

dat zij hem om klokslag twaalf met Oudejaar uit zijn bed zouden

halen, zodat hij het nieuwe jaar zou kunnen horen. Dagenlang had

180


hij er zich op verheugd, maar toen het ogenblik gekomen was en

zijn vader hem wakker maakte, had hij geweigerd zijn bed uit te

komen. Het was heerlijk, dat zijn vader gekomen was, maar hij was

bang, dat de rest een teleurstelling zou worden.

„Volkomen gek ben ik!" zei hij hardop tegen Poesjie, die hem nietbegrijpend

aankeek. „Ik zou moeten springen en dansen van

plezier, omdat Jaap eindelijk gekomen is en ik sta hier te dreinen

als een kind."

Achter zich hoorde hij vlugge voetstappen. De schrijver kwam hard

aanrennen. „Toean!"

„Het is toean H.P.B. uit Kota Baroe," zei Evert kort. „Trommel de

polisie's bij elkaar. Over een half uur voor het posthuis aantreden."

De schrijver was al weg. Hij was sinds zijn blunder in Waine onder

een hoedje te vangen.

„En ik waarschuw je, dat je de zaak voor elkaar hebt!" riep Evert

hem na. Het was overbodig dit te zeggen, maar hij had plotseling

behoefte aan actie. Het zou de tijd, die hem nog scheidde van het

ogenblik, dat Van Weghen uit de oetan te voorschijn kwam, gemakkelijker

doen voorbijgaan. „En loop jij naar beneden!" beval

hij Poesjie. „Toean H.P.B, tegemoet."

De jongen rende weg en verdween in het groen van de oetan, de

heuvel af.

Evert liep naar de voorgalerij van het posthuis en nam een grote

slok lauwe koffie uit zijn veldfles. Hij veegde met zijn hand een

paar tabakskruimels van de wankele tafel, legde een stapel

papieren recht en verzette het blikje met bloemen. — Ik lijk wel

een vrouw, die nog gauw even wat aan de kamer doet, als de bezoekers

al op de stoep staan, dacht hij geërgerd. — Net of Jaap hier

naar de bloemetjes komt kijken.

Toen hoorde hij uit de oetan het geluid van stemmen naderen.

Voetstappen vertrapten krakend het dorre hout. Tournee-blikken

tikten tegen elkaar. Een hoog schel fluitje klonk; op het randje van

181


dissonanten floot het een melodietje: „Douce France, cher pays de

mon enfance..."

Evert tuitte zijn lippen. Hij wilde terugfluiten, maar hij kon het

niet. Hij gaf een harde, boze trap tegen de bamboewand van het

posthuis.

Tussen het struikgewas van het bergpad trad een hoge, brede

figuur naar voren.

Evert haalde diep adem en liep de voorgalerij af, Van Weghen, het

Hoofd van het Plaatselijk Bestuur in Kota Baroe, tegemoet.

II

,,.Laten we niet gaan Stanley en Livingstonen!" riep Van Weghen

hem toe. Zij stonden vlak tegenover elkaar en met één greep lagen

hun handen ineen. „Kerel!" zei Jaap. „Kerel! Je weet niet half hoe

blij ik ben, dat ik eindelijk heb kunnen komen."

Evert wilde iets zeggen, precies op diezelfde joviaal-hartelijke toon,

maar hij kon geen woord uitbrengen. Hij zou het allerliefste in

huilen zijn uitgebarsten. Hij raasde in zichzelf de ontroering weg.

„Ha, die Jaap!" Dat was alles wat hij zeggen kon. En nog eens:

„Ha, die Jaap!"

„Ik heb zitten springen om je achterna te komen," zei Van Weghen,

terwijl ze samen naar het posthuis liepen. „Enfin, dat weet je zelf

ook wel. Maar er kwamen alle mogelijke klusjes tussen. Da's weer

een ander verhaal. Zeg, ik wilde me eerst mandiën en daarna een

stukje eten. Ik ben bek-af van die vijf dagen rennen."

„Wil ik graag geloven," zei Evert glimlachend. Hij draaide zich om

naar Poesjie en beval hem zeep, handdoeken en kleren voor toean

H.P.B, gereed te leggen.

„Maar eerst een sigaret," zei Van Weghen. Hij haalde een pakje uit

zijn zak en presenteerde Evert.

182


„Goeie!" zei Evert dankbaar. „Man, als je Signet meegebracht had,

was ik je evengoed nog om je nek gevallen." Hij inhaleerde gulzig

en liet de rook langzaam en genietend zijn neusgaten uitstromen.

Naast elkaar gingen ze op de rand van de voorgalerij zitten. De begroeting

was nu voorbij, de ontroering weggeschreeuwd in joviale,

kwajongensachtige opmerkingen.

Evert bekeek Van Weghen van opzij. Hij was niets veranderd. Hij

zag, dat diens khaki jungle-kleding bedekt was met modder en vuil

en hij rook, dat Jaap zurig stonk naar zweet. Het was hem, of hij

zichzelf zag zitten, zoals hij iedere avond, na een dagmars, doodmoe

in een bivak was aangekomen. Hij wist nu opeens hoe blij hij

was, dat Jaap eindelijk was komen opdagen. De spanning van de

afgelopen maanden ebde uit hem weg. De enorme verantwoordelijkheid,

die men hem, de baroe uit Holland, op de schouders had

geladen, werd van hem afgenomen. De eenzaamheid van maandenlang

oetan en nog eens oetan verdween. Er bleef alleen een ontzettende

vermoeidheid over. Hij wist, dat die vermoeidheid met

één nacht slaap verdwenen zou zijn. De volgende dag zou hij, verfrist

en gesterkt, helemaal opnieuw beginnen, met Van Weghen als

een grote kracht en steun naast zich.

„Ik ben eens een maand waarnemend praeses van het corps geweest,"

vertelde hij met zachte stem. Hij sprak als was het meer

tegen zichzelf dan tegen Jaap. „De echte praeses was ziek. Longontsteking

of zoiets, daar wil ik af zijn. Maar ik sprong tegen het

plafond van blijdschap, toen die man weer beter was." Hij hief zijn

hoofd op en keek Van Weghen vol aan. „Precies zo voel ik me op

het ogenblik."

Jaap van Weghen lachte zachtjes. „Ik kan het me voorstellen," zei

hij. „Maar vóór mijn komst aanleiding wordt voor jou om een portie

minderwaardigheidscomplex te spuien, moet je één ding goed in je

oren knopen: je hebt op je tournee prachtig werk gedaan, Evert.

Niemand zou je dat verbeterd hebben, ook wij, ouwe rotten, niet.

183


Je kunt gerust zijn wat dat betreft. Als je gehoord had, wat de

ouwe in Kota Baroe over je vertelde, zou je gaan blozen."

Evert Caldenhove kreeg een kleur. Maar het was geen gestreelde

ijdelheid, die hem deed blozen. De afgelopen maanden alleen met

zichzelf in de wilde, ongebonden natuur hadden langzaamaan

ieder spoor van ijdelheid uit hem weggezogen. Maar hij voelde zich

opgelucht, omdat hij al die tijd in angst had gezeten, dat hij de ene

blunder na de andere zou maken. Hij zou zijn eigen daden weliswaar

hebben kunnen vergoelijken, omdat hij, als een vreemdeling

in Jeruzalem, de oetan was ingestuurd, maar hij begreep heel goed,

dat de ouwe in Kota Baroe zich daar per slot van rekening niets

van hoefde aan te trekken. „En nou mijn post!" zei hij, bijna

schreeuwend van plotselinge zorgeloosheid. „Mijn brieven! Kom

op!"

III

1 erwijl Van Weghen zich luid zingend in het mandihok stond te

baden, scheurde Evert met driftige bewegingen de enveloppen van

de brieven, die Jaap voor hem uit Kota Baroe had meegebracht:

acht brieven van Heleen, vijf van zijn moeder, twee van zijn vader,

een van zijn broer Karel en een paar losse kattebelletjes van vrienden

uit Amsterdam.

Hij was begonnen te lezen, maar hij moest het opgeven. Zijn ogen

vlogen over de regels, zonder dat hij ook maar één woord begreep.

Hij nam de brieven een voor een op en legde ze toen weer neer.

Het kwam hem voor als vloog hij door een ontzaglijke ruimte, terug

naar een verleden, dat zich plotseling, volkomen onverwachts en

verrassend, aan hem voordeed als een werkelijk bestaand heden.

Hij gaf zich over aan het fluïdum, dat van de dichtbeschreven

velletjes papier straalde en toen wilde hij ze allemaal tegelijk lezen

en in zich opnemen. Een gevoel van onmacht besprong hem en de

tranen schoten in zijn ogen.

184


„Rustig!" mompelde hij, nerveus met zijn handen door de papieren

woelend. „Rustig! Vooral rustig! Toe nou!" Langzaam bedaarde hij

en ten slotte had hij zich zover in bedwang, dat hij de brieven kon

sorteren en ze op volgorde van datum leggen.

Toen, voorzichtig, en woord voor woord lerend en overdenkend,

begon hij te lezen ...

De winter was al vroeg begonnen, veel te vroeg voor de tijd van

het jaar.

Het had verschrikkelijk gesneeuwd. „We hebben weer eens echt

ouderwets met de ar kunnen rijden, vader en ik..."

„En toen ik 's morgens naar de tram wilde, had het zo geijzeld, dat

ik op handen en voeten naar de halte ben gekropen ..."

„De dominee is uitgegleden, toen hij van zijn fiets sprong. Hij

heeft zijn been gebroken ..."

„En laat ik me nou met die kou een griep op mijn lijf halen! Wel,

wat deksel, jongen, da's me nog nooit overkomen!"

„Ik ben begonnen adat-recht te studeren, Evert. Als vrouw van een

ambtenaar bij het B.B. kan me dat van pas komen ..."

„We hebben nu een plaatsvervanger voor dominee, maar we zullen

wel blij zijn als dominee weer op de kansel kan staan..."

„Hilda, de dog, heeft acht jongen. Prachtdieren. Je moest ze eens

kunnen zien. De burgemeester wilde er graag een hebben. Ze

kosten honderdvijftig, maar hij krijgt er een. Geschikte ouwe

baas..."

„Ik ben beroepen in Gouda, maar ik denk niet, dat ik het aanneem

..."

„Ik zal proberen mijn studie binnen de tijd af te maken, Evert. Ik

kom zo gauw mogelijk naar je toe..."

„En heb je gemerkt, dat ik je twee nieuwe pyama's toch maar in je

koffer heb gepakt? Draag je ze nu? Vader zegt, dat je in de rimboe

geen pyama's aantrekt..."

„Zeg, ouwe jongen, laat eens gauw wat van je horen. We geloven

185


hier allemaal zo half en half, dat ze je op een zacht pitje hebben

gezet. We hebben laatst een hele avond bij Kees zitten zwammen.

Die ouwe Rudolf, je weet wel, heeft ons door zitten zagen over het

existentialisme..."

„Ik ben een nare egoïst geweest, liefste. Ik hoop, dat je mij een

beetje nodig zult hebben in de toekomst. Ik heb jou ook zo nodig..."

„Geisha had wat aan het rechter-achterbeen. Ik heb er de veearts

bij gehaald. Een ontsteking in de spieren ..."

„Met Sinterklaas gaan we naar Karel. Ik heb gisteren met vader in

Amsterdam inkopen gedaan. Voor kleine Kareltje hebben we een

teddybeer gekocht en voor Marja een pop met slaap-ogen..."

„Kun je het nogal uithouden bij de menseneters? Het dispuut ligt

bijna op zijn achterste, een hoop keet onder elkaar..."

„Zou er een huis voor ons zijn in Hollandia, lieveling?"

„De kinderen worden echte duvels. Ze trekken er zich niet veel

van aan, dat pappa als dominee zijn prestige moet bewaren. Maar

de mensen hier zijn zo aardig..."

„Zul je voorzichtig zijn met koud water drinken, jongen? Als je zo

bezweet bent, is dat niet goed. Wacht liever tot je je afgedroogd

hebt..."

„Ik zeg tegen je moeder: wedden, dat we nog een baantje maken

samen? Ze wilde eerst niet, maar ik heb haar zo gek gekregen. En

het ging best. Je had ons eens moeten zien zwieren!"

„Ik houd van je, liefste..."

De stem van Van Weghen dreunde door het vertrek. „Zeg, ouwe

sobat, wat zou je er van zeggen als we eens een hapje gingen eten?

Ik rammel van de honger."

Evert schrok op. Hij reisde terug naar zijn eigen realiteit en hij zat

in het posthuis van kampong Waris en keek naar het lachende gezicht

van Jaap van Weghen, Hoofd van het Plaatselijk Bestuur in

Kota Baroe. „Ja .. ." zei hij wezenloos. „Ja ..."

186


IV

1 ijdens het eten vertelde Evert Caldenhove over zijn tournee. Hij

hield het verhaal van zijn belevenissen zo sober mogelijk, zo strak

zelfs, dat Van Weghen hem onderzoekend aankeek.

„Je bent toch behoorlijk ziek geweest, is het niet?" vroeg hij.

Evert haalde zijn schouders op. „Dat viel achteraf nogal mee. In

Almin kreeg ik last van dysenterie en wondkoorts. Het vervelende

was, dat er op dat moment een bandjir losbarstte. Nou ja, ik heb

me daarna een paar weken koest gehouden in Wembi. Ik ben nu

weer kiplekker."

„Zo," zei Jaap van Weghen en hij moest denken aan zijn eigen

nuchtere rapporten over zijn pacificatie van het koppensnellersgebied

in Boven-Digoel. Hij wist, beter dan iemand anders, hoe er

gevochten moest worden tegen de eenzaamheid, tegen de wanhoop,

tegen de wurgende obsessie van het groen der oetan, tegen

het eigen verlangen de boel er maar bij neer te gooien. Hij wist,

wat Evert Caldenhove te verdouwen had gehad.

Evert vertelde hem uitvoerig de geschiedenis van Waine. „Eigenlijk

had ik er misschien beter aan gedaan thuis te blijven, dat wil

zeggen, hier in Waris," verontschuldigde hij zich. „Maar ik wist

ook niet wat ik er mee aan moest. De hele zaak negeren kon ik toch

ook niet en omdat jij niet kwam, had ik geen enkele instructie. Je

moet goed begrijpen, dat ik zoiets nog nooit eerder bij de hand heb

gehad."

Van Weghen zwaaide met zijn hand. „Geeft niks! Je hebt niets

verkeerds gedaan."

Maar Evert was niet gerustgesteld. „Ik dacht: laat ik eens gaan

kijken, misschien kan ik de boel wel sussen. Dat is niet gelukt. Maar

toen het eenmaal zover was gekomen, kon ik werkelijk niet anders

doen dan jou een nood-soeratje sturen. God zij gedankt, dat je zo

vlug bent gekomen ..."

187


Jaap stak een sigaret op. „Man, je moest eens weten, hoe ik op

hete kolen heb gezeten. Ik had al maanden geleden de oetan in willen

duiken. Toen jouw bericht kwam, ben ik er direct mee naar de

ouwe gehold. En nu ben ik er dan met twintig polisie's."

Het was donker geworden en de nachtwind, die vanuit het zuiden

over de bergen waaide, was koel. Zij gingen binnen zitten bij een

klein vuurtje. Van Weghen haalde uit zijn barang een petroleumlamp

en stak haar aan. Het zacht-gele licht was voor Evert, die het

al weken met een walmend oliepitje in een jampotje had moeten

stellen, een klein, plezierig wonder.

Zij staken een sigaret op en verzonken in gepeins, waaruit Van

Weghen het eerst ontwaakte. „Heb je verder nog iets ondernomen?"

Evert knikte. „Ik ben naar Punda getrokken, in het zuid-oosten. Ik

hoorde van een der mensen hier, dat de Papoea's daar ruilhandel

met Waine bedrijven. Ik dacht, dat ze misschien te gebruiken zouden

zijn om te bemiddelen."

Jaap knikte goedkeurend. „En?"

Evert vertelde van zijn tocht naar kampong Punda en hoe hij daar

was ontvangen. Het kleine vertrek was vervuld van zijn stem, die

rees en daalde en zich voegde naar de herbeleefde emoties van de

tocht.

Toen hij eindelijk zweeg, keek hij afwachtend naar Van Weghen.

Diens gezicht stond strak en onbewogen. Dwars over zijn voorhoofd

trok een diepe rimpel naar zijn neus. Hij trommelde met zijn

vingers op tafel en siste tussen zijn tanden een gesyncopeerd

melodietje. „Ja!" zei hij eindelijk, hard in de stilte en sprong op.

Hij begon, zijn handen in zijn zakken, door het vertrek te lopen.

Het posthuis kraakte onder zijn zware stappen. „Ja..." zei hij

weer. „Dat was uitstekend werk van je, Evert. Geweldig, dat die

kerels je zo prettig ontvangen hebben. Het bespaart ons een boel

werk, dat kan ik je verzekeren."

188


„Zou je dat denken?" vroeg Evert aarzelend.

„Denken? Denken? Man, ik ben er van overtuigd. We gaan meteen

op die jongens daar af. Het zijn uitgezochte bemiddelaars voor

Waine."

Zijn gedachten werkten razend snel. Hij was in de loop der jaren

eraan gewend geraakt plotseling besluiten te moeten nemen als er

zich ingewikkelde situaties voordeden. Zijn hersenen hadden zich

ingesteld op dit snelle spel van wikken en wegen.

Evert zag hoe een vast omlijnd plan binnen enkele minuten in Van

Weghen's gedachten vorm en gestalte begon te krijgen. Hij stak

een sigaret aan, trok zijn benen op en sloeg zijn armen om zijn

knieën. De rook van de sigaret prikte aan zijn ogen, maar hij sloeg

er geen acht op. Hij volgde iedere beweging van de man tegenover

hem en trachtte de gedachten van diens strakke, donker-bruin verbrande

gezicht te lezen.

Van Weghen kwam naast hem staan en keek op hem neer. „Het is

nogal eenvoudig, geloof ik," zei hij. „We vertrekken morgen naar

Punda en proberen daar een paar lui te vinden, die naar Waine

willen gaan om contact met de bevolking daar te leggen. We moeten

morgen wel vertrekken, want ten eerste kunnen we hier toch

niets doen en ten tweede ben ik bang, dat er met al die onderhandelingen

een boel tijd verloren gaat. Dat heen en weer trekken

tussen Punda en Waine bijvoorbeeld... dat kost dagen. Lijkt jou

dat ook niet het beste?"

Hij wachtte Evert's antwoord niet af en vervolgde: „Van de onderhandelingen

hangt natuurlijk af wat we verder moeten doen, maar

ik geloof, dat het allemaal zo'n vaart niet lopen zal." Hij merkte

de sceptische blik in Evert's ogen op en glimlachte. „Ja, heus! Ik

heb die karweitjes al eerder aan de hand gehad. Jouw fout is geweest,

dat je er meteen bovenop gesprongen bent... Nee, denk

nou niet, dat ik je verwijten maak, op slot van zaken kon jij dat niet

weten. Maar het beste in dit soort van aangelegenheden is altijd ze

189


even te laten betijen. Daarna is er met de knullen wel te praten. Je

moet namelijk niet vergeten, dat het in deze streken geen koppensnellers

van beroep zijn. Als zij snellen, zijn ze kwaad en dan zijn

de anderen op hun beurt ook weer kwaad en snellen nog eens een

dubbele portie bij de tegenpartij. Ze slaan er alleen op los als ze

getreiterd worden. Dat is misschien niet altijd leuk, maar — van

hun standpunt bekeken — wel te begrijpen. Nu moeten we alleen

maar zien, dat wij weer met ze aanpappen. Dat kun je het beste

aan de Punda's overlaten. Die lui weten nu eenmaal beter hoe ze

met elkaar moeten opschieten, dan wij ooit in ons leven zullen

kunnen leren.

Evert knikte. „De Punda-Papoea's zullen zeker bereid zijn naar

Waine te trekken om te bemiddelen."

Van Weghen sloeg hem op zijn schouder. „Dan is alles geregeld!"

zei hij opgewekt. „De eerste steen is door jou al gelegd en het is

een flinke kei, als ik het goed begrepen heb ..."

V

In de late middag van de vijfde dag, nadat de drie Punda-Papoea's

als bemiddelaars naar Waine waren getrokken, keerden zij naar

Punda terug. De kreet, waarmee zij al van verre hun komst aankondigden,

scheurde rauw door de vallende avond.

Evert en Van Weghen, die in hun hut aan het avondmaal zaten,

keken elkaar aan, de spanning scherp getekend op hun gezichten.

Weer gilde de kreet en weer...

Zij sprongen op en renden naar buiten.

De kampongbevolking was ook uit de hutten gekomen en dromde

druk pratend en gebarend rond de beide controleurs. Evert, die in

de afgelopen dagen van wachten veel van hun taal geleerd had,

maakte uit hun opgewonden klanken op, dat de drie bemiddelaars

190


uit Waine moesten zijn teruggekomen. De verwachting laaide als

een felle vlam door zijn lichaam. Hij greep Van Weghen bij de

arm. „Daar zijn ze al!" siste hij. „Dat is verduveld vlug. Zou dat

betekenen, dat het gelukt is?"

Van Weghen stond groot en breed naast hem. Op zijn strakke gezicht

was niets te lezen. „Afwachten tot ze hier zijn," zei hij.

Evert ergerde zich aan zijn ijzige kalmte. Het was een domper op

zijn blije geestdrift. Hij had de afgelopen dagen nergens anders

aan kunnen denken dan aan een succesvol bemiddelen van de

Punda-Papoea's met die van Waine en ongemerkt had zijn verlangen

zich reeds tot werkelijkheid gevormd.

Er ging nog zeker een half uur van martelende spanning voorbij

voor, onder aan de berg, op het smalle Papoea-pad, dat tegen de

helling opslingerde, enkele mannen zichtbaar werden.

Evert telde hardop: „Een ... twee ... drie ... Vier!! Jaap!! Vier!!

Vijf! Zes! Zeven!! Jaap! Zeven kerels! Die lui van Waine zijn zelf

meegekomen!!"

Toen lachte Van Weghen en zijn gezicht verloor het genadeloos

strakke. Hij gaf Evert een vriendschappelijke peut in zijn rug. „Het

is voor mekaar, peer! Heb ik je niet gezegd, dat het lukken zou?

Als je de hutjes kent, kun je alles met ze doen. Ze zijn als kinderen

of als jonge honden..."

De zeven Papoea's klommen langzaam de helling op. Zeven donkere

gestalten. Boven hun hoofd staken hun pijlen in dunne streepjes

omhoog.

Evert stond iets achter Van Weghen. Hij zag met gretige ogen de

groep mannen naar boven komen. Aan de rand van de open plek

bleven de vier van Waine staan. Zij hadden hun gezichten met

rode strepen beschilderd, maar het dreigende van hun oorlogskleuren

werd getemperd door de gedachte, dat deze vier mannen

zeker niet alleen buiten hun gebied waren gekomen om een oorlog

uit te vechten.

191


De drie Punda-Papoea's, die als bemiddelaars waren opgetreden,

kwamen naar voren en begonnen onmiddellijk verslag uit te brengen,

maar Van Weghen legde hun het zwijgen op. „Regel jij dat

even, wil je?" vroeg hij aan Evert en grinnikte. „Jij hebt je de laatste

dagen zo intensief met hun taal beziggehouden, dat je die

ondertussen wel vloeiend moet spreken."

„De pip!" zei Evert, maar hij hurkte bij de mannen neer en liet hen

het verhaal langzaam vertellen. Met behulp van Poesjie en eindeloze

herhalingen met een verwarrende overvloed van gebaren begreep

hij ten slotte, dat de vier Waine-Papoea's waren meegekomen

om vrede met het bestuur te sluiten en te onderhandelen over de

schadevergoeding voor de twaalf doden, die, bij Evert's bezoek

aan Waine, waren gevallen.

Twaalf doden ...

„All rightl" zei Van Weghen opgewekt. „Dat is zo de gewone gang

van zaken. Als de heren eenmaal besloten hebben de oorlog te

staken, beginnen ze over schadevergoeding te praten." Hij wenkte

de vier Papoea's dichterbij te komen.

Zij kwamen schoorvoetend, maar toch met iets van vastberadenheid

in hun houding. Op een paar meter afstand van Van Weghen en

Evert bleven zij staan.

Jaap trad met vlugge stappen op hen toe en begon hen hartelijk de

hand te schudden.

"Zij schrokken geweldig van dit gebaar, doch begrepen al spoedig,

dat het een vriendelijke begroeting was en toen verloren zij met één

slag alle terughouding. Zij stortten een waterval van klanken over

de beide blanken uit en begonnen hun kleding en haren te betasten.

Evert herinnerde zich zijn eerste contact met de Punda-Papoea's en

liet hen glimlachend begaan.

Van Weghen nam de drie bemiddelaars met zich mee naar zijn hut

en gaf hun alle drie een grote parang. Het was de beloning voor

192


hun succesvolle zending. Zij waren opgetogen en renden

schreeuwend, hun parangs zwaaiend, de kampong in.

Van Weghen liep terug naar Evert, die met behulp van Poesjie een

stuntelig, traag lopend gesprek voerde met de mannen van Waine.

Zij zaten gehurkt in een kring en zogen aan de sigaretten, die

Evert had rondgedeeld. Jaap bleef vlak achter Evert staan, zijn

handen in zijn broekzakken gestoken. Hij wipte op tenen en hakken

en zei: „Voor iedere gesneuvelde een bijl, een parang en een

sarong voor de weduwe. Ik heb een hele bende van die dingen in

het posthuis van Waris zien liggen."

Evert keek op. „Dat klopt," zei hij. „Het zijn de contact-goederen,

bestemd voor de tournees van Maiwe Aande, maar die stakkerd zal

er voorlopig wel geen gebruik van maken, denk ik."

„Mooi!" zei Van Weghen en hij hurkte in de kring.

Het duurde geruime tijd voor de Waine-Papoea's begrepen welke

schadevergoeding de beide blanken voorstelden, maar toen knikten

zij en legden zich onmiddellijk bij het aanbod neer. Van Weghen

was daar danig over in zijn schik. Hij wist, dat het soms uren, soms

dagen kon duren voor men tot overeenstemming was gekomen.

„Het is een geluk, dat die jongens geen begrip hebben van de

waarde van een bijl of een parang," zei hij.

Evert keek voor zich uit. „Het is vulgair," zei hij toen. „Je koopt

geen mensenleven af met een bijl of een mes."

„Je hebt gelijk," gaf Van Weghen toe. „Het is vulgair. Maar wat

wil je anders? Je moet leren de dingen reëel te bekijken. Je moet je

niet door ethiek laten leiden in de binnenlanden. Daar kom je niet

ver mee. Normaal kopen die lui een dode af met twee koppen van de

tegenpartij. Dat lijkt veel op een partij voetbal, waar ze net zo lang

blijven schoppen tot de stand weer gelijk is. Als we dat zouden toelaten,

waren we helemaal ver van huis. Bovendien mag je niet uit

het oog verliezen, dat een bijl en een parang voor die kerels een

heel andere waarde vertegenwoordigen dan voor ons. Voor ons is

193


het niet meer dan het voorwerp. Als het stuk is, lopen we naar een

winkel en schaffen ons voor hooguit een tientje een nieuw aan.

Maar voor deze mensen is een bijl één der belangrijkste dingen van

hun leven. Je weet nou intussen wel, dat je hier voor één of

twee stenen bijlen een vrouw kunt kopen. Een ijzeren bijl is dus in

hun ogen een enorme afkoopsom. Wat zou jij nou willen? Deze

hele maatschappij ontwrichten door onze normen aan te gaan leggen?

Laten we daarmee beginnen als we alles zo'n beetje onder

bestuur hebben." Hij stond op. „En zou je willen beweren, dat we

al zover zijn? In de verste verte lijkt het er niet op, kerel."

Zij liepen samen terug naar hun hut en voor zij binnentraden, zei

Van Weghen: „Maar ik dank de hemel toch op mijn blote knieën,

dat het zo is afgelopen. Ik houd niet van ruzie en van strafpatrouilles

heb ik mijn buik vol."

VI

jLji] hadden de Waine-Papoea's meegenomen naar Waris om hun

de schadevergoeding uit te betalen. Tevreden waren ze met twee

polisie's naar hun kampong teruggekeerd. Die avond waren Evert

en Van Weghen een beetje luidruchtig geweest. Zij hadden de

spanning van de laatste weken er uit gezongen en geschreeuwd.

Van Weghen had, tot grote verrassing van Evert, uit zijn barang

een fles Cantenac opgediept. „Die hebben we wel verdiend," zei

hij, genoeglijk de fles omhoogstekend. Tot diep in de nacht hadden

zij zitten praten en roken.

Als bij stilzwijgende afspraak vermeden zij ieder onderwerp, dat

ook maar in de verte met de oetan of met de Papoea's te maken

had. Jaap vertelde over zijn leven in Parijs en over de mensen, die

hij daar ontmoet had en Evert sprak over „Caldenhove" en over

Heleen, die mettertijd naar Kota Baroe zou komen. In hun woorden

194


had heimwee geklonken, gemaskeerd door de uitbundigheid van

steeds sterker verhalen.

Het was bij halfvier, toen ze besloten „dan eindelijk maar eens te

gaan pitten". Zij hingen in hun hangmatten naast elkaar in het

zachte licht van het stervende vuur. Er was een zwijgen tussen hen

gevallen en in dit zwijgen groeiden de oetan, de Papoea's, de tournee.

Zij wisten het en wachtten op elkaar tot één van hen er met

een enkel woord over zou beginnen. Het was onontkoombaar. Zij

zouden niet hebben kunnen slapen als zij de werkelijkheid niet in

de magie van het woord hadden opgeroepen.

Evert lag op zijn rug. Als hij opzij keek, zag hij, donker en massaal^

de hangmat met Van Weghen afgetekend tegen de rossige schemer

van de door het dovende vuurtje verlichte bamboewand.

„Wat doen we nu?" vroeg hij plotseling. Hij bleef strak naar het

atapdak boven zijn hoofd staren. Hij had het gevoel als vroeg hij

het aan niemand en aan iedereen.

„Teruggaan," zei de stem van Van Weghen.

„Kota Baroe?"

„Kota Baroe."

„En dan?"

„Massa werk daar. Ik heb de ouwe voorgesteld, dat jij me in de

komende maanden zo'n beetje komt assisteren met al die kantoorrompslomp.

Je wordt er horendol van. Ik wil af en toe ook wel eens

op tournee. Je verstoft tussen de papieren."

„En ik?"

„Jij hebt voorlopig je portie wel gehad."

„Ja ... misschien."

Van Weghen grinnikte.

„Waarom lach je?"

„Zomaar."

„Mmmm."

„Je kunt een huis uithoeken in Kota Baroe, voor als Heleen komt.' y

195


„Dat zal nog wel even aanlopen."

„Je kunt het maar hebben. Ga je er alleen wonen voorlopig."

„Ja..."

„Over een dag of zes, zeven zit je weer in de beschaving, peer!"

„Ja..."

„Welterusten!"

„Welterusten!"

196


ELFDE HOOFDSTUK

I

jcvert Caldenhove zat naast de resident in diens auto. Zij reden

door de avond over de slingerende bergweg van de kota, waar de

resident die middag een detachement nieuw opgeleide Papoeapolisie's

had geïnspecteerd, terug naar Hollandia.

Beneden hen lag het zwart fluwelen Weed van de Jautefa-baai, bestrooid

met de kleine, flakkerende vlam-juwelen der vissende

prauwen van de kampongs Engros en Tobati.

Zij zaten zwijgend naast elkaar. De resident had al zijn aandacht

nodig voor het sturen, dat op de bochtige weg geen sinecure was.

Evert zat wat voorover, zijn kin op zijn borst gedrukt. Er hing een

vraag in zijn gedachten en hij wist, dat hij die nog, voor zij in

Kota Baroe waren, aan de resident zou stellen: „Wat voor werk

krijg ik te doen?"

Hij was nu een maand terug van zijn tournee naar Waris en al die

tijd had hij in een vage vacantie-stemming geleefd. Hij had zijn

tournee-rapport geschreven en wat administratief werk voor Van

Weghen gedaan, maar vergeleken bij de inspanningen, die zijn

tocht naar kampong Waris van hem gevergd hadden, was het

luieren. Daar kwam nog bij, dat Van Weghen zo half en half had

laten doorschemeren, dat zijn voorstel, Evert als assistent van het

H.P.B, te laten optreden, bij de resident niet in goede aarde ge-

197


vallen was. Wat de ouwe dan wel met Evert voorhad, wist Van

Weghen niet, of hij wilde het niet zeggen.

Evert ging rechtop zitten. Hij kuchte. „Resident, weet u al wat ik

voortaan voor werk krijg?" vroeg hij halfluid.

De resident schakelde terug in de tweede versnelling en reed de

wagen, remmend op de motor, een S-bocht door. Hij bromde iets.

Evert dacht, dat hij zijn vraag niet verstaan had en herhaalde hem,

luider nu. „Ik zou graag ..." voegde hij er aan toe. — Willen weten

waar ik aan toe ben, wilde hij zeggen, maar hij vond het te hooghartig

en hij slikte die woorden in.

De resident keek even opzij en daarna weer strak voor zich uit op

de weg, waar de auto zich met de felle voelsprieten der schijnwerpers

langzaam door de bochten wrong. „Ik begrijp best, dat je

graag weten wilt waar je aan toe bent," zei hij toen. „Maar je hoeft

er niet lang naar te raden. Ga direct even mee naar mijn huis. Ik

zal je een paar stukken laten lezen. Dat is meteen een antwoord op

je vraag."

Zij reden een tijdje zwijgend door. Evert zat bij het omlaaggedraaide

raampje en liet de koelte van de avond rond zijn gezicht

en door zijn haren waaien. Er waren geen gedachten ...

„Ja!" zei de resident plotseling hard en kortaf. „Als je in de oetari

zit, ga je afstand leren nemen van het leven."

Evert vroeg zich af, waarom hij dat zei.

„Je hebt me zelf verteld, dat jij dat ook gedaan hebt," ging de

ouwe verder. „Geloof me, kerel, het is de enige manier om ooit een

goede B.B.-ambtenaar te worden."

— Hij is ergens op uit, dacht Evert. — Dit is de inleiding ...

Hij knikte, zonder iets te zeggen.

„Afstand nemen betekent ook afstand doen," zei de resident. „Het

is niet plezierig, maar het is nu eenmaal zo. Je bent niet langer

baas over je eigen particuliere leven. Ik zit hier nou zo'n vijftien

jaar op Nieuw-Guinea en in die tijd heb ik mijn gezin behoorlijk

198


verwaarloosd. Da's beroerd, zul je zeggen, maar hoe zou je het

anders willen ..."

Evert hief zijn hoofd op. „Wat wilt u hier eigenlijk mee zeggen?"

vroeg hij.

De ouwe lachte even, een kort, brommerig lachje. „Dat zul je zo

dadelijk wel zien," zei hij en hij stuurde de wagen een zijweg in

naar het residentiehuis. De ouwe stopte de wagen met een ruk,

trok de handrem aan en leunde achterover. „Kom!" zei hij en stapte

uit.

Evert volgde hem naar binnen, naar zijn kantoor.

De resident knipte zijn bureaulamp aan en wees met een enkele

handbeweging naar de stoel tegenover hem. „Ga zitten," zei hij,

zoekend in de laden van zijn schrijftafel.

Evert nam plaats. Hij sloeg zijn benen over elkaar en vouwde zijn

handen rond zijn knieën. Hij zag de foto's van de vrouw en kinderen

van de resident onder een glasplaat op diens bureau liggen,

maar omdat zij omgekeerd lagen, kon hij de gezichten niet goed

onderscheiden.

„Ja!" zei de resident halfluid. Hij hief een map omhoog en gaf ze

aan Evert. „Kijk maar eens."

Evert sloeg de map open. Er lag een stapeltje telegrammen in. Hij

voelde de blik van de resident op zich gevestigd, die strakke,

fixerende, blauwe blik van de ouwe. Hij begon te lezen ...

AAN HPB SARMI VAN RESIDENT -

HEER VRIESMAN EN KLEIN GEZELSCHAP A/B KALOEHOE STOP

WENST EXPLORATIETOCHT VERKENNING DISTRICT SARMI EINDE

Het telegram was vier maanden geleden verzonden.

Het volgende was slechts acht dagen oud...

GEHEIM VOOR RESIDENT -

BLIJKENS VAN BEVOLKING ONTVANGEN BERICHTEN VRIESMAN

EN PINO MET VIJF DRAGERS GEDOOD DOOR PAPOEAS BINNEN-

LAND STOP NADERE BIJZONDERHEDEN NOG ONBEKEND STOP

COMMANDANT ALGEMENE POLITIE SARMI EINDE

199


Evert veegde met zijn tong langs zijn droge lippen. Hij legde het

telegram voor zich op de schrijftafel van de resident en begon het

volgende, dat vijf dagen geleden verzonden was, te lezen ...

GEHEIM VOOR RESIDENT -

TERUGGEKOMEN ACHT DRAGERS EN TWEE GEWEREN STOP ZEG-

GEN OVERSCHOT VRIESMAN TE HEBBEN AANGETROFFEN BIJ

BIVAK ENIGE TIJD DOOR HEN VERLATEN OM SAGO TE KLOPPEN

STOP PIJLEN UIT LIJK GETROKKEN EN MEEGENOMEN NAAR

SARMI STOP VERKLARINGEN DEZERZIJDS NIET ONVERDACHT GE-

ACHT EN MOGELIJKHEID AANWEZIGHEID VECHTPARTIJ MET

EIGEN DRAGERS THANS IN ONDERZOEK STOP VAN PINO EN VIJF

ANDEREN GEEN SPOOR STOP MERK OP DAT VRIESMAN REEDS

VANAF BEGIN GEWANTROUWD DAAR ZEER GEHEIMZINNIG OP

PUNT DOEL EXPEDITIE EN BESLIST AFKERIG VAN ENIGE IN-

MENGING DERDEN STOP CDT AP SARMI EINDE

Evert keek niet op naar de resident. Er lag nog een telegram. Het

was 's morgens binnengekomen.

GEHEIM VOOR RESIDENT -

VRIESMAN EN PINO DOOR EIGEN DRAGERS GEDOOD DUS NIET

DOOR BEVOLKING STOP REDEN MOORD ONDERWEG VIER DRA-

GERS ZIEKTE GESTORVEN STOP THANS VIER GEWEREN EN

MUNITIE IN HANDEN TERWIJL PISTOOL NOG IN HANDEN VAN

EEN MET NAME BEKEND DRAGER STOP WIL MEVROUW VRIES-

MAN DJALAN TELUK BETUNG 26 DJAKARTA INLICHTEN STOP

TIEN DADERS EN MEDEDADERS THANS IN GEVANGENIS SARMI

STOP VERZOEKE ONMIDDELLIJK INSTRUCTIES STOP CDT AP

SARMI EINDE

Evert Caldenhove staarde naar de letters van het laatste telegram.

Hij begon langzaam te begrijpen waarom de resident hem dit had

laten lezen.

De stilte hing dik tussen de beide mannen.

De ouwe gooide zijn sigaret in een blik water, naast zijn stoel. Het

maakte even een sissend geluidje.

Als een slang.

200

> '


Als...

Evert pakte het telegram op en bewoog het heen en weer tussen

zijn vingers. Het was het laatste telegram in de map.

De resident reikte hem over zijn schrijftafel een papier toe.

Hij nam het aan.

Het was het laatste telegram, een uur na ontvangst van het laatste

bericht uit Sarmi door de resident verzonden.

VAN RESIDENT AAN CDT AP SARMI GEHEIM -

ZENDEN ONMIDDELLIJK ASPIRANT CONTROLEUR CALDENHOVE

LEIDING ONDERZOEK ZAAK VRIESMAN STOP GEEN SCHEEPS-

VERBINDING DUS LANDTOURNEE MAXIMUM ZEVEN DAGEN

STOP MEVROUW VRIESMAN WORDT INGELICHT VERZOEKE

ADRES FAMILIE PINO STOP WIL MIJ DAGELIJKS BLIJVEN IN-

LICHTEN EINDE

Evert keek langzaam op en ontmoette de blik van de resident.

„Dus . .." zei hij schor.

„Overmorgen!" zei de ouwe. „Hoe eerder hoe beter."

„Zijn dit alle gegevens, die ik meekrijg?"

De resident stond met een ruk op en begon zijn kantoor op en neer

te lopen, zijn handen op de rug gevouwen. Hij liep achter Evert

langs.

Evert keek niet op. Hij staarde naar het telegram, dat hij nog steeds

in zijn hand hield. — Maximum zeven dagen, dacht hij. — Tournee

... Sarmi...

De ouwe stond stil achter zijn bureau en schonk twee glazen ijswater

in.

Evert zag het water in de glazen stromen en hij hoorde het geluid,

waarmee het glas volliep. Hij zag de wasem tegen het glas slaan.

— Maximum zeven dagen over land...

De resident pakte een glas op en reikte het hem aan.

Hij nam het en dronk. Het water sloeg koud tegen zijn verhemelte,

201


het prikte in zijn achterhoofd. De koelte van de nacht drong door

het muskietengaas het vertrek binnen. Hij huiverde.

De resident ging op de rand van zijn schrijftafel zitten en streek

met zijn vinger figuurtjes tegen het beslagen glas. Daarna dronk hij

het in een paar teugen leeg en zette het met een lichte tik naast

zich neer. Hij keek voor zich uit, over Evert heen.

Hij was een grote, zwaargebouwde man van middelbare leeftijd

met aanleg voor een buikje en een kaal hoofd. Hij had iets van een

rustige burger in een provinciestadje, maar zijn ogen waren anders.

Zijn ogen waren zo tintelend lichtblauw, dat zij zijn gezicht waren.

In zijn blik was zijn leven verborgen.

De resident staarde voor zich uit en zijn ogen reikten verder dan

Kota Baroe. Zijn blik tastte de eindeloze, zwijgende oetan af. Zijn

blik doorleefde de lange jaren, die hij in de oetan had doorgebracht.

Jaren van eenzaamheid, patrouilles en tournees. Hij was

een mens in een eenzaam land, in een. .. welhaast vergeten land.

Ineens begon hij te spreken met een droge, peinzende stem. „Ze

noemen het tanah merah, bloedgrond... Ze hebben gelijk, in

a way. Nieuw-Guinea is een gevloekt land. Maar de grootste vloek

van dit land is wel, dat je er nooit meer van los kunt komen, als je

het eenmaal hebt leren kennen."

Hij vestigde zijn doordringende, blauwe blik op Evert. „Je moet

één ding goed onthouden." Zijn stem was nu hard en scherp.

„Nieuw-Guinea is niet alleen het land van peniskokers en koppensnellers.

Dat verhaaltje vertellen ze in Holland. Het is een leugen.

Een even grote leugen als de bewering, dat Holland het land van

molens en jenever is. Nieuw-Guinea is een paar duizend jaar bij de

rest van de wereld ten achter. Dat halen we in. Vlugger dan je

denkt."

Hij sprong van zijn bureau en liep weer driftig het vertrek op en

neer. In zijn rechterhand droeg hij een afgebroken pijl, een herinnering

aan een schotwond door zijn arm, waarmee hij nadrukke-

202


lijk op een stoelleuning of zijn schrijftafelblad sloeg. „Er is van dit

land van alles te maken. Dat kun je van de rest van de wereld niet

eens zeggen. Maar hoe krijgen ze het in Den Haag in hun hoofd te

denken, dat wij dit land kunnen besturen met goed dertig B.B.-ers.

Elf maal Nederland. Het is waanzin."

Evert stond op en liep naar de muur, waar een enorme kaart van

het eiland hing. Hij keek naar de afstand tussen Hollandia en de

plek, waar Punda en Waine moesten liggen. De plek was onbedrukt.

Terra incognita... De afstand... Het mocht geen naam

hebben, vergeleken met het geheel.

De resident haalde een fles whisky uit zijn bureau en schonk twee

glazen vol. „Cheerio!" zei hij.

Evert keek over de rand van het glas naar het gezicht van de

resident. Het stond strak, hard, agressief. Hij moest aan het gezicht

van Churchill denken.

„Een goede dertig B.B.-ers," ging de resident verder. „En als ze

je soms vertellen, dat die B.B.-ers op Nieuw-Guinea prachtkerels

zijn, word dan maar niet verwaand. Nonsens! Ze zijn niet slechter

en niet beter dan de anderen. Er zitten prachtlui onder, maar we

hebben ook een paar uitgesproken klunzen."

Hij zette zijn glas neer en ging weer op de rand van zijn bureau

zitten. „Als ik een nieuwe vent krijg, begin ik altijd met hem onvoorwaardelijk

te vertrouwen. Dat blijf ik doen, totdat hij het

tegendeel bewijst. Als ik merk, dat een vent niet deugt, gaat-ie er

uit. Onherroepelijk. Jij bent hier nog te kort om dat helemaal te

begrijpen. Ik zal je een leerzaam verhaaltje vertellen, dat je wel

heel goed in je oren moet knopen, Caldenhove. Toen jij op tournee

was, kwam Sarmi onverwachts zonder controleur te zitten. Omdat

ik niemand anders heb, moet jij er heen. In Sarmi zat Piet Hazevoet

als H.P.B., een jonge vent, die na de oorlog was uitgekomen

met een air of-ie 't nou allemaal wel wist. Het is een van de knullen,

die van mening zijn, dat je dit land moet besturen op ethische

203


grondslag. Larie, Caldenhove, larie! Voor de ethiek zorgen de zending

en de missie wel. Wij hebben alleen maar te besturen en dat

heeft met ethiek niets te maken. Piet Hazevoet maakte in Sarmi

twee enorme blunders. Dat heeft hem zijn nek gekost. Iedereen

maakt fouten en ik zal de eerste zijn om dat toe te geven. Maar

er is een grens. Die moeten we op Nieuw-Guinea verduveld strak

trekken. Zijn eerste blunder was deze." De ouwe liep naar de kaart

en wees met de pijlpunt aan. „Hij maakte een paar maanden geleden

een kust-tournee. Hiervoor had hij de beschikking over een

Higgins-boat, die wij een paar jaar geleden van de Amerikanen

hebben overgenomen. Je weet, dat de Papoea's een technische

knobbel hebben, dus zat er een Papoea uit Sarmi als stuurman op.

Met ook nog het voordeel, dat die knaap de kust wel kan dromen.

Hazevoet ging op tournee en wilde op een gegeven moment terug

naar Sarmi. Zijn stuurman raadde hem dat af, omdat de stroming

tegen was. Maar wat doe je als Papoea tegen de wil van een controleur?

Niks! Het resultaat was, dat de Higgins ergens op de

klippen liep en met geen mogelijkheid meer was vlot te krijgen.

Het was Hazevoet bekend, dat binnen een paar dagen een K.P.M.boot

van Sorong naar Hollandia zou varen en hij stuurde een

Papoea naar Sarmi om de kapitein van die schuit per radio op te

roepen en te vragen of hij hem in het voorbijgaan wilde vlot trekken.

De Papoea tippelde naar Sarmi en liet het bericht per radio

doorgeven. Twee dagen later kwam de boot inderdaad onder de

kust om de Higgins vlot te slepen, maar wie of wat ze zagen, geen

Hazevoet en geen Higgins-boat. Drie uur hebben ze gekruist en

zijn toen verder gevaren. Die schipper was lang niet mals toen hij

in Kota Baroe kwam. Ik wist van het hele geval niks af en liet het

direct onderzoeken. Toen bleek, dat Hazevoet, na zes uur wachten,

genoeg van de Higgins had gekregen en zich met een prauw

aan land had laten zetten. Zonder zich verder nog iets van de

schuit aan te trekken, was hij naar Sarmi getippeld. Hij had ge-

204


dacht, dat die Papoea's er wel voor zouden zorgen. Maar je weet

hoe die knullen zijn. Als de controleur er niet meer is, voelen zij

zich niet senang en ze zijn 'm gesmeerd zodra ze de kans schoon

zagen. De Higgins-boat is waarschijnlijk 's nachts los gekomen en

afgedreven. Nooit meer gezien."

De resident trok zijn wenkbrauwen op. „Dat is ook de reden, waarom

jij over land naar Sarmi zult moeten trekken, vader."

Evert lachte, maar hij had het gevoel of het een dwaze grimas was.

De ouwe schonk de glazen opnieuw vol. Zij gingen naast elkaar

voor het grote raam staan, dat een hele wand in beslag nam en dat

uitzicht gaf over Kota Baroe.

„Dat was fout nummer één," ging de resident verder. Hij dronk

zijn glas in één teug leeg. „Ik heb 'm behoorlijk uitgeveterd. Daarmee

was de zaak afgedaan. Iedere B.B.-er maakt wel eens fouten,

die met een beetje gezond verstand voorkomen hadden kunnen

worden. Soms heb je pech. Dan vertel je het nooit meer na. Dat

komt ook voor in een land als dit. Maar goed. Het was een stomme

streek, maar soedah. Praten we niet meer over. Wat Hazevoet nü

heeft uitgevreten is erger. Zijn vrouw zit, zoals je weet, in Hollandia.

De kinderen kunnen hier beter schoolgaan dan in Sarmi.

Nu blijkt Hazevoet een dag of veertien geleden gehoord te hebben,

dat zijn zoontje malaria had en zijn vrouw zich ook al niet lekker

voelde. Wat deed die ongelofelijke lammeling? Ja, in het leger noemen

ze dat desertie en in de oorlog wordt zo'n vent zonder meer

neergeknald! Maar hij liet Sarmi rustig in de steek en tippelde, zonder

mij ook maar met een woord in te lichten, laat staan om permissie

te vragen, naar Hollandia. Hij stond op een gegeven moment

voor mijn neus. Ik was stomverbaasd en ik vroeg hem wat er aan de

hand was. Hij antwoordde in alle gemoedsrust, dat hij even was

komen kijken, omdat hij zich ongerust over zijn gezin had gemaakt.

Even komen kijken... Even... Verbeeld je! Mijn vrouw en drie

kinderen wonen in Den Haag. Ik zou jullie gezicht wel eens willen

205


zien als ik ... even ... naar Den Haag ging, omdat mijn zoontje de

mazelen heeft. Hazevoet wilde in dezelfde gemoedsrust weer...

even... teruglopen naar Sarmi, want er was niets aan de hand

thuis. Maar dat grapje ging niet door. Ik heb nog liever geen

H.P.B., dan zo'n kluns. Ik heb 'm voorlopig hier ter beschikking, tot

hij een enkele reis naar Holland nemen kan." De resident draaide

zich met een ruk naar Evert. „Afstand nemen betekent afstand

doen," zei hij langzaam en nadrukkelijk en zijn gezicht was als uit

steen gehouwen. Toen, plotseling, trok er een glimlach rond zijn

mond en zijn ogen tintelden. Hij gaf Evert een vriendschappelijke

klap op zijn schouder. „Overmorgen naar Sarmi. Kijk maar eens

wat je doen kunt daar."

II

Van Weghen hing lui achterover in een stoel te lezen toen Evert

binnenkwam. Hij mikte het boek achter zich op de grond en stak

zijn hand op. „Hallo, peer! Je hebt het uitgehouden bij de ouwe!

Nog een borrel?"

Evert liet zich in een stoel vallen en streek met zijn hand over zijn

voorhoofd.

„D'r is groot nieuws in de kota," ging Van Weghen verder, terwijl

hij opstond om in de kast een fles en glazen te pakken. „Brenkel,

de tandenpik, is gedemobiliseerd. Hij gaat volgende week Vrijdag

naar Holland terug. Hij is wild! Hij kletst aan één stuk over een

praktijk, die hij ergens in de Achterhoek wil overnemen. Dat zal

me een afscheidsfuif worden volgende week Donderdag. Kota

Baroe gaat ondersteboven! Er worden al plannen gemaakt."

Evert glimlachte bleek. „Ik zal er niet veel plezier van beleven,"

zei hij mat.

Van Weghen stond stokstijf stil, de fles en de glazen in zijn hand.

„Is er wat?" vroeg hij.

206


Evert schudde zijn hoofd. „Neu..." zei hij met een tuitlip. „Ik

vertrek overmorgen naar Sarmi. 'n Rotkarweitje."

Van Weghen knikte. „Ik weet er van. Dat wil zeggen, wat er gebeurd

is. Niet dat de ouwe jou daarheen zou sturen." Hij zette de

fles met een klap op tafel.

„Ik zie nog eens wat van de wereld," zei Evert met galgenhumor.

„Voor ik het vergeet," zei Van Weghen een beetje onzeker, „er is

een brief voor je." Hij rommelde tussen de papieren op zijn bureau

en gaf Evert een dikke enveloppe. „Brief van Heleen," zei hij.

Evert stopte de brief, zonder er een blik op te werpen, in zijn zak.

— Overmorgen, dacht hij. — Sarmi...

Hij zag Van Weghen bezig met de fles en de glazen en hij kreeg

plotseling het gevoel als werd hij met een enorme snelheid van

hem verwijderd. Van Weghen werd kleiner en kleiner, tot er nog

maar een nauwelijks te onderscheiden stipje overbleef. Maar het

helle getinkel der glazen en het zachte klokken van de drank uit de

fles was duidelijk in zijn oren.

„Alsjeblieft!" zei Van Weghen. „Op je tournee naar Sarmi, peer!"

„Op mijn tournee naar Sarmi!" antwoordde Evert met een stem als

moest hij door dikke dekens spreken.

III

JN adien zat hij op zijn kamer aan zijn schrijftafel en rookte een

sigaret. Voor hem lagen de velletjes van de brief, die Heleen hem

geschreven had. Uit Amsterdam, waar het lente was geworden.

Waar de mensen op de terrasjes zaten en koffie dronken. Waar het

pierement een aria uit Rigoletto speelde. Waar de hemel teer-blauw

boven de stad spande. Waar in het Vondelpark de moeders met de

kinderwagens drentelden. Waar .. .

— Afstand nemen, betekent afstand doen, dacht hij. — Ik moet

207


alleen verder. Alleen? Misschien was ik vroeger, thuis, eenzamer

dan hier in de oetan. Er is nu meer dan een Evert Caldenhove, die

het altijd alleen moet doen ... dacht te doen...

Hij glimlachte.

Toen pakte hij zijn brieventas en schroefde zijn vulpen los.

„Lieveling," schreef hij, „overmorgen vertrek ik voor een tournee

naar Sarmi en ..."

Hij keek voor zich uit.

— Tournee, dacht hij.

Hij zag de oetan voor zich. Hij rook haar geuren. Hij hoorde de

krekels en de kakatoes. En van heel ver kwam de triller van de

paradijsvogel...

208

More magazines by this user
Similar magazines