N I E U W S B R I E F 2010 - 2 - RAAP Archeologisch Adviesbureau

raap.nl

N I E U W S B R I E F 2010 - 2 - RAAP Archeologisch Adviesbureau

verbeelding archeologische vondst

N I E U W S B R I E F

A R C H E O L O G I S C H A D V I E S B U R E A U

Tijdens werkzaamheden van Waterschap Peel & Maasvallei aan de

Tungelroysebeek in Nederweert ontdekten archeologen van RAAP het

skelet van een edelhert uit de steentijd. De botten dateren uit circa

9000 voor Chr. Een bijzondere vondst, want organische resten uit de

Midden Steentijd in Nederland zijn zeldzaam.

Vrijwel zeker is het edelhert het slachtoffer geworden van een jachtpartij. Op

de locatie zijn ook resten van andere oerdieren gevonden en materiaal dat

door mensen is achtergelaten, zoals pijlpunten en schrabbers. De combinatie

van vondsten maakt het beekdal bij Mildert tot een buitengewoon interessante

archeologische archiefkast.

De bewoners van het toenmalige Limburg waren jager-verzamelaars. De

informatiebron over jager-verzamelaars bestaat hoofdzakelijk uit anorganisch

materiaal: vuurstenen artefacten. Nu is er eindelijk een vindplaats ontdekt

met organisch materiaal. Het botspectrum laat zien welk jachtwild hier

destijds rondliep: edelherten, wilde zwijnen, wilde paarden, bevers, reeën

en oerrunderen. Het bot is gevonden op een plek waar het beekdal versmalt

en dieren dus gemakkelijk konden oversteken. Een uitstekende plek ook voor

prehistorische jagers, want het wild kwam naar ze toe. Het edelhert blijkt in

hartje winter geschoten te zijn, het gewei is namelijk volledig uitgegroeid. Dat

wijst erop dat mensen niet allemaal naar het zuiden trokken om de winterse

kou te overleven.

RAAP verzorgt de archeologische begeleiding van de herinrichting van de

Tungelroysebeek. Het waterschap zal het inrichtingsplan aanpassen, zodat

de vindplaats behouden blijft.

Het toeval wil dat er in de

omgeving een grootschalig

natuurontwikkelingsplan is

opgezet, waarvoor als icoon het

edelhert is gekozen. Naar een

idee van RAAP zal de vondst van

het edelhert beleefbaar gemaakt

worden in de vorm van een

kunstwerk.

Vier jeugdige archeologen bij de resten van het

edelhert, dat op 2 december gepresenteerd werd.

INHOUD

Prehistorisch

edelhert

ontdekt

in Limburg

2010 - 2

Archeologisch onderzoek in het voormalige

Concentratiekamp Ameersfoort.

erfgoedzorg

Boeren en archeologie: een kwestie van

zoeken naar werkbare oplossingen.

Archeologische begeleiding met historisch

rendement. Bijvoorbeeld in Brummen.

Niet eerder vertoond: kruipruimteonderzoek

of bouwbiografisch onderzoek.

En verder: Wat u moet weten over de MoMo |

Raadsels rond een prehistorische pot | Grote

bijlen in de Kleine Beerze | RAAP informatiedagen

succesvol | Nieuw regiohoofd en teamleider

prospectie voor RAAP West-Nederland.


archeologisch onderzoek WO II

ARCHEOLOGISCH

ONDERZOEK IN KAMP AMERSFOORT

Begin november hebben archeologen van RAAP een kleine opgraving uitgevoerd in het voormalige

Concentratiekamp Amersfoort. Het was voor de eerste maal in Nederland dat archeologen in een

concentratiekamp hebben opgegraven. De Stichting Nationaal Monument Kamp Amersfoort had RAAP

ingeschakeld om nader onderzoek te doen naar het uitbreidingsgebied van het Nationaal Monument.

Hierbinnen liggen loopgraven en stellingen waarvan de functie en datering onduidelijk was.

Aan de opgraving ging een uitgebreid bureauonderzoek

vooraf waarbij het kamp volledig in kaart is gebracht.

Het onderzoek maakt goed duidelijk dat het

barakkenkamp waar de gevangenen zaten maar een

klein deel van het concentratiekamp vormde. Het

barakkenkamp was zo’n 3 hectare groot, terwijl het

totale kamp Amersfoort een oppervlakte had van circa

45 hectare.

Opvallend is dat het Nationaal Monument, dat zich

concentreert om de nog aanwezige schietbaan, maar

een zeer klein deel vormt van het gehele kamp. Een

groot deel van het kamp is tegenwoordig golfbaan. Ook

liggen er op het terrein onder meer een politieschool,

dierenasiel en gebouwen van de scouting. Zelfs

de A28 doorkruist een deel van het voormalige

concentratiekamp.

Datering van loopgraaf en stelling

Binnen het kamp is een aantal functionele zones te

onderscheiden. Zo is er het kamp waar de bewakers van

de gevangenen leefden, kamp Amsvorde dat voor de

zogenaamde buitenwacht zorgde en waar SS-troepen

werden opgeleid, zones waar de gevangenen te werk

werden gesteld, bufferzones met bosaanplant, zones

met massagraven en een terrein waar waarschijnlijk

geoefend werd en licht luchtafweergeschut heeft

gestaan. Het veldonderzoek richtte zich op deze laatste

zone. Dit terrein ligt direct ten noorden van de in

1943 door de gevangenen gegraven schietbaan. Het

veldonderzoek beperkte zich tot de zones waar het

inrichtingsontwerp voorzag in de reconstructie van een

klein stukje loopgraaf en één stelling.

De belangrijkste onderzoeksvragen waren of deze

elementen al ten tijde van de Nederlandse mobilisatie

zijn te dateren en of de stellingen door de Duitsers zijn

hergebruikt of zijn aangelegd. Een andere belangrijke

vraag was die naar de aard van het terrein: is het een

oefenterrein, een stelling met luchtafweergeschut of

een combinatie van beide? Het bureauonderzoek gaf

hierover onvoldoende uitsluitsel. Geconcludeerd werd

Gedenken en herinneren

Concentratiekamp Amersfoort stond tussen 1941-1945

onder toezicht van de Duitse politie. Meer dan 35.000

mensen hebben er voor korte of langere tijd gevangen

gezeten. Een groot deel van hen werd doorgevoerd naar

andere kampen. Honderden gevangenen zijn in het

kamp door mishandeling, verwaarlozing en geweld om

het leven gekomen. In 1943 hebben de gevangenen met

de hand een schietbaan gegraven van bijna 350 meter

lengte en 8 meter diepte. Deze schietbaan is gebruikt

als fusilladeplaats en heeft de status van Nationaal

Monument, een plek om te gedenken en te herinneren.

De Stichting Nationaal Monument Kamp Amersfoort wil

de restanten van het kamp behouden en beschermen en

het gebruik van het Nationaal Monument bevorderen.

Een deel van het terrein zal ingericht worden voor

educatieve doeleinden en de opgraving loopt vooruit op

de voltooiing daarvan.

dat het waarschijnlijk een Duits oefenterrein betrof; een

relatie met kamp Amsvorde lag voor de hand. Maar alleen

veldonderzoek kon uitsluitsel hierover geven.

Betonnen bodemplaat voor luchtafweer?

En zoals vaker in de archeologie gaf het veldonderzoek op

een aantal punten wel duidelijkheid, maar riep het des te

meer vragen op. Een deel van de loopgraaf is blootgelegd.

Het graafwerk wierp licht op de constructie van de

loopgraaf: deze was voorzien van houten wanden die met

houten palen werden geschraagd. De sporen hiervan zijn

in het zand teruggevonden. Het hout lijkt hergebruikt

te zijn, waarschijnlijk kort na de oorlog. In de vulling

van de loopgraaf werden onder andere diverse hulzen

aangetroffen, waaronder overigens geen enkele van het

Nederlandse leger.

Op het laatste moment werd een opvallende ontdekking

gedaan. In een van de stellingen vonden de archeologen


V.l.n.r.: het opmeten van de paalsporen van de

loopgraafconstructie, de loopgraaf in het vlak en de perstoelichting

bij het profiel van de loopgraaf.

OP=OP

U

kent ze wel. Die opdringerige

reclameborden die je proberen over te

halen zo snel mogelijk dit of dat aan te

schaffen omdat de voorraad bijna op is.

Want OP=OP, en voor u het weet is het te laat en

dan bent u een dief van uw eigen portemonnee. En

dat willen we niet, toch? Gelukkig voor diezelfde

portemonnee blijkt het altijd weer mee te vallen en

staat er een week later een nieuw bord met OP=OP,

met opnieuw echt de allerlaatste exemplaren.

Hoe anders is het gesteld met ons erfgoed, of het nu diep verborgen ligt onder het

oppervlak, of voor iedereen zichtbaar en beleefbaar. Als dat erfgoed verloren gaat,

is OP=OP ook echt OP=OP. Het is verdwenen, gewoon weg en wat er rest is een snel

vervagende herinnering.

Het besef dat het archeologisch erfgoed naast haar betekenis als historische

wetenschap, ook een kwaliteitsbepalend onderdeel van onze huidige en toekomstige

omgeving is (ik citeer hier een uitspraak van Tom Bloemers, voorzitter van de Stichting

RAAP), is leidend geweest voor het werk van RAAP. Bij de oprichting, nu en in de

toekomst. Van veel betekenis was het congres in 1990 ter ere van het vijfjarig bestaan

van RAAP, dat de veelzeggende titel droeg: ‘Cultuurhistorie en milieu in 2015. Op weg

naar een landschap zonder verleden?’. Het was een onmisbare stap in een lange weg

die moest leiden naar de ondertekening van het Verdrag van Malta en de herziening

van de Monumentenwet 1988. Doelstelling van deze wet is het behoud van erfgoed, bij

een betonnen bodemplaat, waarschijnlijk

voor licht luchtafweergeschut. Vreemd genoeg

zijn - tot nu toe - geen sporen van gebruik van

deze stellingen aangetroffen, zoals hulzen en

persoonsgebonden materiaal. De voorzichtige

conclusie luidt daarom dat in het kamp een

klein complex lag dat door de Waffen SS

werd gebruikt voor de (lucht)beveiliging van

kamp Amsvorde, maar dat waarschijnlijk ook

voor trainingsdoeleinden werd gebruikt. In

Kamp Amsvorde, dat deel uitmaakte van het

concentratiekamp, werden SS-troepen opgeleid:

om die reden was het een doelwit.

voorkeur in de bodem. Resultaat is, of zou moeten zijn, een duurzaam archeologisch-

De onthulling van een van de muntmedaillons op 13 juni (boven) en de plaatsing

historisch landschap.

ervan, met op de achtergrond RAAP-projectleider Jan Roymans (onder).

Het concentratiekamp Amersfoort is door de

Terugkijkend mogen we trots zijn op wat in de Nederlandse samenleving met betrekking

Duitsers opgericht op de plek waar tijdens de

tot ons erfgoed bereikt is. Gemeentes hebben op grote schaal gehoor gegeven aan

mobilisatie door de Nederlanders twee kampen

de doelstelling van de ‘nieuwe’ monumentenwet en houden inmiddels in een vroeg

waren gebouwd, waaronder Amsvorde. Voor de

stadium van de ruimtelijke ordening rekening met het erfgoed. In het kader van de

theorie dat de loopgraven al in 1939 of 1940

recente modernisering van de monumentenzorg (MoMo) zijn er al meerdere gemeentes

door de Nederlanders gegraven kunnen zijn,

die bij nieuwe bestemmingsplannen naast archeologie ook ruim aandacht schenken

werd geen archeologisch bewijs aangetroffen.

aan het historisch landschap. En het blijft niet bij aandacht schenken alleen. Meer en

Overwogen wordt nu de archeologische

meer wordt de Belvedere-gedachte van ‘erfgoed gebruiken als inspiratiebron bij de

werkzaamheden voort te zetten, met name om

ruimtelijke inrichting’ in praktijk gebracht. In de nieuwsbrieven van RAAP zijn daar vele

de stellingen beter te kunnen onderzoeken.

voorbeelden van te vinden.

Toch is de laatste tijd ook kritiek te horen, niet toevallig in een tijd waarin het

economisch tegen zit. Met regelmaat wordt de vraag gesteld of door toepassing van

RAAP onderzoek naar archeologische

het principe ‘de bodemverstoorder betaalt’, de lusten en de lasten wellicht ongelijk

resten uit de Tweede Wereldoorlog

worden verdeeld. Anders gezegd: de (kleine) projectontwikkelaar of agrariër betaalt de

Er is een groeiende maatschappelijke

kosten voor archeologisch onderzoek, veelal een opgraving, terwijl de hele Nederlandse

en wetenschappelijke belangstelling

samenleving er de vruchten van plukt. Ongetwijfeld zit daar een kern van waarheid in.

te bespeuren voor onderzoek naar het

Ongetwijfeld wordt door soms te strikte toepassing van procedures wel eens te weinig

oorlogserfgoed. RAAP wordt regelmatig

rekening gehouden met de ‘draagkracht’ van een project.

gevraagd dergelijk onderzoek uit te voeren.

Ik zou daar twee opmerkingen bij willen plaatsen. Allereerst dat het aan de gemeentes

Zo begeleidden specialisten van RAAP

(zelf) is om de afweging te maken wanneer wel of geen archeologisch onderzoek vereist

eind november de berging van een B17

is, om vervolgens te bepalen of de eisen aan de bodemverstoorder als er moet worden

bommenwerper die in de oorlog boven het

opgegraven billijk en redelijk zijn. Het lijkt me dat deze afweging zonder meer aan de

Kristalbad in Apeldoorn was neergestort.

gemeentes is toe te vertrouwen. Mijn tweede opmerking slaat terug op het begin van

Samen met de Vrije Universiteit Amsterdam

mijn verhaal. Doelstelling van de Monumentenwet 1988 is behoud van erfgoed in de

is RAAP het Odyssee-project ‘Begraven

bodem. Pas als dat niet mogelijk is komt opgraven in beeld. Nu, na 15 jaar werken in

Oorlogsverleden’ van NWO gestart. Doel

de geest van Malta en in economisch onzekere tijden, is het toepasselijk deze primaire

hiervan is de systematische ontsluiting van

doelstelling opnieuw onder de aandacht te brengen. Het principe ‘de bodemverstoorder

sporen, vondsten en gegevens uit WO II,

betaalt’ is juist ingezet om opgravingen en hoge kosten te voorkomen!

aangetroffen bij opgravingen tussen 1970-

Of het nu om rechtse speeltjes of linkse hobby’s gaat doet in dit geval niet ter zake.

2010. Daarbij ligt de nadruk op het bepalen

Het archeologisch erfgoed, al dan niet zichtbaar in het landschap, is van en vooral voor

van de aard, omvang en kwaliteit van het

ons allemaal. Duurzame ontwikkeling verdient daarom meer dan ooit onze volledige

archeologisch erfgoed van de oorlog, de

wetenschappelijke informatiewaarde en het

aandacht. Want OP=OP, en er komt geen nieuwe aanbieding!

bredere cultuurhistorische belang ervan. Voor

Marten Verbruggen

meer info: begravenoorlogsverleden@raap.nl

directeur RAAP Archeologisch Adviesbureau


archeologische begeleiding

Archeologische begeleiding met

historisch rendement

Of het nu gaat om de aanleg van een nieuwe riolering, van kabels of leidingen: verbeteringen van

gemeentelijke voorzieningen zijn aan de orde van de dag. Daarbij gaan nogal wat meters grond op de schop en

dat kan prachtige inkijkjes in de geschiedenis van die plek opleveren. Zoals onlangs in het Gelderse Brummen,

waar de historische kern van het dorp bloot kwam te liggen.

In het centrum van Brummen zijn afgelopen najaar

rioleringswerkzaamheden uitgevoerd en de gemeente liet

het graafwerk archeologisch begeleiden door RAAP. De lange

strook van drie meter breed en enkele honderden meters

lang bood een uitgelezen kans om voor de eerste keer het

bodemarchief van de historische dorpskern te bestuderen.

Dat daarbij opzienbarende informatie naar boven kwam,

was dan ook geen verrassing. “Er is weinig bekend over de

oudere geschiedenis van veel dorpen, behalve dat de meeste

al vele honderden jaren oud moeten zijn,” zegt senior

projectleider Nico Willemse. “Een rioleringssleuf dwars door

het historische hart van deze oude dorpen levert bijna altijd

belangrijke nieuwe informatie op.”

Tijdens de begeleiding ontdekten de archeologen langs

de Zutphensestraat nabij de Markt de sporen van een

middeleeuwse gracht. Uit aanvullend bronnenonderzoek

bleek dat het moest gaan om de omgrachting van een

zeer belangrijke middeleeuwse boerderij. Willemse: “De

geschiedenis van deze omgrachte boerderij is verbonden

met machtige graven en een vooraanstaande abdij.

Brummen en zijn kerk zijn in de Vroege Middeleeuwen uit

deze boerderij ontstaan. We kunnen het de kiem van het

dorp noemen en het is daarom een erg belangrijke vondst.”

De graven van Hamaland

Deze boerderij, die de naam ‘hof te Brummen’ droeg, was

in de Vroege Middeleeuwen (tussen 500-1000 na Chr.)

eigendom van het beroemde geslacht van de graven van

Hamaland. Zij regeerden over grote delen van Midden- en

Oost-Nederland. Eén van de leden van deze

familie, Wracharus, verbleef in deze hoeve

toen hij in 794 grond in Wichmond schonk

aan de missionaris Liudger. ‘Brimnum’,

zoals de hoeve en zijn omgeving toen

genoemd werden, is ook de oudst

bekende vermelding van Brummen in

historische bronnen. Het betekent vermoedelijk ‘nederzetting

aan de stroom’, waarmee de IJssel wordt bedoeld. De hoeve

lag op de kruising van belangrijke wegen van Arnhem naar

Zutphen en van de Veluwe door de IJssel naar de Achterhoek.

De graven van Hamaland werden steeds belangrijker en

machtiger. Zij verbleven regelmatig in de omwalde stad

Zutphen, slechts enkele kilometers van Brummen vandaan.

Na de dood van de laatste graaf, omstreeks 974, was de

Brummense boerderij onderdeel van een ruzie om de erfenis

tussen de machtige Adela van Hamaland en haar zus Liutgard,

hoofd van de abdij te Elten, nabij Emmerich. Uiteindelijk

trokken Liutgard en haar abdij aan het langste eind. De hof

te Brummen werd eigendom van de abdij van Elten. Een

groot aantal boeren uit de directe omgeving moest vanaf dat

moment op deze hof in opdracht van de abdij een deel van hun

jaarlijkse oogst afleveren.

Kern van het dorp

Grondsporen van de hof te Brummen zijn tot op heden niet

gevonden, maar uit historische bronnen en oude kaarten blijkt

dat de gracht die nu is gevonden, om deze boerderij moet

hebben gelegen. Lang nadat de boerderij was afgebroken en

de gracht gedempt, werd een deel van dit terrein bestemd

als Marktplein, en zo heet het nog steeds. Bij de aanleg van

het Marktplein in 1819 stond het terrein zelfs nog bekend als

‘de Oudenhof’. De hof te Brummen is bepalend geweest voor

hoe Brummen er nu uit ziet. De abdij liet namelijk bij haar

hof een kerk bouwen, gewijd aan de heilige Pancratius.

Aanvankelijk alleen voor de

eigen boeren, maar vanaf 1179

toegankelijk voor alle inwoners

van de parochie Brummen. De kerk

staat er nog steeds, aan de Kerkstraat,

maar de oude hof is gesloopt. Door

het groeiende aantal inwoners

tussen 1600 en 1800 moest het dorp

uitbreiden.


eleid

Brummen dankt haar bestaan dus feitelijk aan deze

boerderij, maar de geschiedenis van het gebied gaat veel

verder terug. Willemse: “Bij de begeleiding hebben we

ook dierbegravingen met sporen van een nederzetting

uit de Romeinse tijd aangetroffen. Dat de kern zo rijk is

aan bodemschatten was weliswaar voorspeld, maar zo’n

inkijkje levert voor dit vermoeden direct bewijs. Zo zie

je maar wat het rendement kan zijn van de begeleiding

van dit soort noodzakelijke ingrepen. Zo’n riool trekt een

Wat u moet weten over de MoMo

Waar staat MoMo voor?

Het Ministerie van OCW werkt sinds enige jaren aan de

Modernisering Monumentenzorg, ook wel kortweg MoMo

genoemd.

Waarom moderniseren?

De Monumentenwet stamt uit het midden van de vorige

eeuw. Het denken over de omgang met monumenten is

sindsdien sterk veranderd. Zo is er een verschuiving in

het denken van object naar gebied en van behoud naar

ontwikkeling. Ook de organisatie van de monumentenzorg

is aan verandering toe. Daarom wordt het systeem

aangepast.

Wat gaat er veranderen?

Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale

afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben

op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de

cultuurhistorie. Door de MoMo zullen cultuurhistorische

belangen voortaan moeten worden meegewogen in de

ruimtelijke ordening. Vergelijkbaar met de ontwikkelingen

in de archeologische monumentenzorg is de MoMo

gebiedsgericht. De MoMo kent nog twee andere pijlers:

krachtiger en eenvoudiger regels met betrekking

tot rijksmonumenten en het bevorderen van de

herbestemming van monumentale panden zonder functie.

Wanneer wordt er uitvoering aan de MoMo gegeven?

Medio 2011 is de wijziging van het Besluit ruimtelijke

ordening (Bro) gepland, waardoor alle cultuurhistorische

waarden - dus niet alleen archeologische - moeten worden

meegewogen in de ruimtelijke ordening.

Wat wordt onder cultuurhistorie verstaan?

Cultuurhistorie omvat vanouds de disciplines historische

bouwkunde, historische geografie en archeologie.

Aardkundige waarden kunnen daar eventueel aan

toegevoegd worden. Gemeentes krijgen echter ook de

vrijheid om zelf te bepalen, wat ze in hun gemeente onder

cultuurhistorie verstaan.

Voor wie heeft de MoMo gevolgen?

Door de MoMo krijgen vooral gemeentes er een taak bij.

Zij moeten hun ruimtelijke plannen ‘cultuurhistorie-proof’

maken. Met name het bestemmingsplan is een belangrijk

instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied

te beschermen.

lang spoor dwars door een gebied, waardoor

belangrijke feiten over cultuurschatten

kunnen worden verzameld. Als maatschappij

willen we daar verstandig en zorgvuldig

mee omgaan, en daartoe zijn gegevens die

je tijdens een begeleiding kunt verzamelen

onontbeerlijk.”

Nico Willemse Senior Projectleider RAAP Oost:

“Begeleidingen kunnen fraaie inkijkjes in de

dorpsgeschiedenis tonen”

Hoe kunt u zich voorbereiden op de MoMo?

Gemeentes kunnen cultuurhistorische inventarisaties

(laten) maken om hun erfgoed in kaart te brengen en

vervolgens te waarderen. Die vormen de basis voor het

ontwikkelen van specifiek beleid voor cultuurhistorie

en ruimtelijke ordening. Zij kunnen hiervoor de hulp

inschakelen van gespecialiseerde adviesbureaus zoals

RAAP om het gemeentelijk beleid in de organisatie te

operationaliseren en cultuurhistorische waarden in

bestemmingsplannen te borgen.

Wilt u meer weten over de MoMo?

Als u meer informatie wenst over dit onderwerp dan kunt

u het RAAP informatieblad ‘cultuurhistorie op maat’

aanvragen via www.raap.nl of contact opnemen met onze

regionale specialisten:

regio Noord: Jørgen van Beek, T 0512-589140

regio Oost: Luuk Keunen, T 0575-567876

regio Zuid: Bart Moonen, T 0495-513555

regio West: Petra Kloosterman, T 071-5768118

Petra Kloosterman

beleidsmedewerker RAAP west: “Bij

RAAP hebben we veel ervaring

met het in kaart brengen van

landschappelijke cultuurhistorische

waarden. We hebben een speciaal

stappenplan ontwikkeld dat

gemeentes helpt keuzes te maken

en de MoMo stapsgewijs in te

bedden in het gemeentelijk beleid.”

Bart Moonen beleidsmedewerker

RAAP zuid: “Niet al het

geïnventariseerde erfgoed is even

waardevol. Belangrijk is dat de

waardering hiervan niet alleen

door een erfgoedspecialist wordt

bepaald. Om voldoende draagkracht

te krijgen is het ook van belang

dat er burgers en belangengroepen

betrokken worden bij de waardering

van het lokale erfgoed.”


postmoderne archeologie

“Kruipruimtes onderzoeken: ik wist

meteen dat ik dat ook wilde doen!”

RAAP onderzoeker Jobbe Wijnen over ‘beleefde authenticiteit’

Hij verzamelde zo’n 15 vuilniszakken vol ‘rommel’, streek stapels papiertjes glad en verbleef vele uren in

donkere, stoffige ruimtes onder de grond. Jobbe Wijnen, werkzaam bij RAAP als specialist in archeologisch

onderzoek naar resten van de Tweede Wereldoorlog, schrikt er niet voor terug om een compleet nieuw soort

onderzoek uit te proberen. Hij deed iets waar eigenlijk nog geen naam voor is: kruipruimteonderzoek zou

je het kunnen noemen of bouwbiografisch onderzoek. Daarmee legde hij de ziel van een oud pand bloot:

een voormalige HBS aan de Generaal Foulkesweg in Wageningen. Niet in opdracht, maar geheel uit eigen

interesse.

Jobbe Wijnen: “Het idee kwam van een vriend van mij, Hans

Timmerman, die ik ken van het Platform Bodemonderzoek Tweede

Wereldoorlog. Hij is gespecialiseerd in archiefonderzoek, maar

mag ook graag het veld in gaan. Zijn familie heeft binding met het

plaatsje Laag Soeren en hij wilde onderzoek doen naar de Duitse

eenheden die daar gelegerd waren. Zo vertelde Hans me hoe hij

daar de kruipruimte van een badhuis was ingegaan en interessante

ontdekkingen had gedaan die tot de oorlog te herleiden waren. Toen

we daarover te spreken kwamen, wist ik meteen: dat wil ik ook doen!

Hoe ben je begonnen?

Bij RAAP houd ik me bezig met archeologisch onderzoek naar resten

van de Tweede Wereldoorlog en het was voor mij logisch om in dat

tijdvlak te blijven. Ik wilde kijken of zo’n kruipruimteonderzoek in

Wageningen, waar ik woon, uit te voeren zou zijn. In maart 2010

heb ik met de gemeentearchivaris uitgezocht welke Wageningse

panden in de oorlog door de Duitsers gevorderd waren. Dat bleek

nog knap lastig, maar uiteindelijk kwam ik erachter dat ’t Venster,

een intrigerend kasteelachtig gebouw dat nu dienst doet als creatief

centrum, ook gevorderd is geweest. Het pand is in 1897 gebouwd

als de Hoogere Burgerschool door architect Van Lokhorst, destijds

rijksbouwmeester en ontwerper van meerdere HBS gebouwen. Het

ging allemaal heel snel: om drie uur kwam ik erachter dat dit ook

gevorderd was en om vier uur was ik al in het pand om toestemming

te vragen kruipruimtes in te mogen. Ik kreeg gelukkig alle

medewerking daarvoor.

Wat wilde je onderzoeken?

Hoewel het misschien als spielerei begon, ben ik meteen gaan

nadenken over een goede vraagstelling. Dat was wel nodig, want ik

werd overstelpt door vondsten. Zakken vol, een enorme puinhoop.

Voor mij was het de vraag of er sporen uit de Tweede Wereldoorlog

te vinden waren en wat die kunnen zeggen over het pand in de

bezettingstijd. In eerste instantie wilde ik alleen spullen uit de

oorlogsperiode meenemen, maar dat bleek al snel geen doen. Er

lag zoveel dat in feite ook relevant was. Neem het toegangskaartje

voor de Kermesse d’été in Rotterdam uit 1920, zo’n beetje de

oudste vondst. Wie heeft nog zoiets? En heel veel proefwerken,

moet je die dan weggooien? Ik ben dus niet discriminerend te werk

gegaan.

Hoe is het om te werken in kruipruimtes?

Het is allesbehalve comfortabel in zo’n kruipruimte. Het is er

benauwd en smal, het zweet staat in je ogen, maar je kunt het niet

wegpoetsen vanwege de handschoenen die je aanhebt, er liggen

dode beesten en het is er heel stoffig. In het begin droeg ik een

gewoon stopkapje, maar dat voldeed niet. Ik heb een goed masker

met losse filters aangeschaft om de kruipruimtes in te gaan.


Wat heb je zoal gevonden?

Omdat het een school is geweest, lagen er ontzettend veel

kladblaadjes met krabbels, de oudste beschreven met inktpen,

de latere met ballpoint. Het was geen doen om alles mee te

nemen en uiteindelijk koos ik ervoor alleen papier met tekst

te bewaren dat in redelijke toestand verkeerde. Achter al

die papieren zitten persoonlijke verhalen. Van één persoon

lagen her en der verschillende proefwerken, allemaal dikke

onvoldoendes. Geen wonder dus dat ze nooit mee naar huis

genomen waren. Een ander setje proefwerken kwam uit 1945.

Na een oproep in de krant komt de leerling van toen het

binnenkort zelf ophalen! Dat zijn mooie dingen. Zoiets brengt

je terug in de tijd, alsof je erbij was. Het onderscheid tussen

jezelf en de geschiedenis houdt dan even op.

Vanalles heb ik verzameld. Blikjes schoolmelk van Friesch

Meisje, boterbriefjes, foto’s van oude popsterren, krijtjes,

potloden, sigaren, etenswaren, pakjes sigaretten, zelfs een

enorm gipsen beeld in honderd brokken. Ook grappig was een

bestellijstje dat waarschijnlijk van bouwvakkers is geweest. Op

het plankje stond met potlood de bestelling geschreven: friet,

knak, frikadel en bier.

Wat heb je uit de oorlogsjaren ontdekt?

Over de hele linie vond ik her en der in hoekjes wel iets uit

oudere perioden, maar de bulk kwam uit eind jaren ‘60. De

Mammoetwet werd ingevoerd, de school verhuisde en er is

een grote verbouwing geweest. De vloeren zijn vernieuwd en

eventuele sporen uit de Tweede Wereldoorlog zullen daarbij uit

de kruipruimtes verdwenen zijn. Leuk is dat de biografie van het

Wageningens onderwijs duidelijk uit de vondsten is af te lezen.

Ik heb ook holle muren onderzocht en de zolder van het gebouw. In de

beplanking van het dak hebben veel mensen hun naam achtergelaten,

van 1897 tot nu! Ook uit de oorlog vond ik twee inscripties. Een

met de tekst ‘H.C. van Putten Dec 44 SS †’ in het hout gekrast en de

inscriptie ‘J. Stammes Gymnastiek 4.5.44’. Verder zijn er sporen van

granaatvuur aan de buitenkant van het pad gevonden die verwijzen

naar de oorlog.

Wat is de waarde van het onderzoek?

Die is tweeledig. Ten eerste kan het aanvullend historisch

feitenmateriaal opleveren, maar de belangrijkste waarde van dit

onderzoek voor mij is wel dat de geschiedenis van die plek tot leven

komt. Het effect omschrijf ik graag als ‘beleefde authenticiteit’:

het schept een direct contact met de geschiedenis, die van een

andere orde is, maar wat mij betreft op gelijk niveau staat met de

wetenschappelijke waarden. De berg unieke curiosa biedt eindeloos

veel mogelijkheden om in contact te komen met het verleden. Voor

de mensen die er nu werken komt hun werkplek tot leven en ik ga er

binnenkort ook een lezing geven. Wat ik zelf het belangrijkste vind, is

dat er een vervolg komt, het moet een output hebben. Een lezing en

een rapport is voor nu het belangrijkste. Het is nog wel de vraag wat

er nu met de vondsten moet gebeuren.

In de reguliere archeologie is de kernvraag dat je wilt snappen wat er

in het verleden gebeurd is en kijken wat je daar nog van terugvind,

dat maakt mensen enthousiast. Dat enthousiasme is minstens

zo belangrijk als de kennisvragen. Desondanks is het wel ook

cultuurhistorisch onderzoek, dus ik ben er zeker niet op tegen om alle

oude HBS gebouwen in ons land eens systematisch op deze manier

eens te onderzoeken.”

V.l.n.r.: kruipruimtevondsten: poster van jeugdidool Michael Landon, sigarettendoosje, toegangskaartje, melkblik, boterbriefje en inscriptie uit december 1944;

het voormalige pand van de Hoogere Burgerschool, thans ’t Venster, in Wageningen en Jobbe Wijnen naast het gerestaureerde gipsen beeld.


geluiden uit het veld

Boeren en archeologie: een kwestie van

zoeken naar werkbare oplossingen

Met enige regelmaat verschijnen er berichten in de media over boeren die ‘hun buik vol hebben’ van

archeologie. Zij zouden op zeer hoge kosten gejaagd worden. Hoe representatief is deze hartenkreet? Er

zijn namelijk steeds meer boeren die op de een of andere manier profijt hebben van archeologie.

De medewerkers van RAAP komen regelmatig op agrarische

bedrijven om archeologisch onderzoek uit te voeren.

Sinds de invoering van de Wet op de archeologische

monumentenzorg in 2007, krijgt namelijk iedereen die van

plan is te bouwen en daarvoor grondverzet moet plegen,

met archeologisch onderzoek te maken. Ook boeren. Dat

onderzoek moet voorkomen dat archeologische resten

ongezien verdwijnen.

Sommige boeren weigeren archeologen de toegang,

anderen werken welwillend mee. Het meest recente RAAPonderzoek

op een boerderij vond onlangs plaats in het Friese

Dronrijp. Projectleider Haije Veenstra deed daar een dag

booronderzoek: “Deze boer wilde de bestaande ligboxstal

uitbreiden op een plek waar deels nog intacte terplagen

uit de Late IJzertijd, Romeinse tijd en de Middeleeuwen in

de bodem bleken te zitten. De kelder voor de mestafvoer

onder de ligbox zou voor een klein deel van het plangebied

ten koste gaan van de archeologie. De boer kwam toen met

het voorstel om dat deel van de geplande ligbox niet te

onderkelderen. Een mooie oplossing waar ook het bevoegd

gezag, dat de vergunning zou moeten afgeven, zich in kon

vinden.”

Enkele weken later blijkt deze boer er nog niet helemaal uit

te zijn. Mevrouw Terluin van het maatschap: “We wonen op

een terp en dat heeft z’n charme, maar wat we oorspronkelijk

wilden kan daardoor niet. Als je een deel niet onderkeldert

moet je andere oplossingen zoeken voor de mestopslag,

bijvoorbeeld een bovengrondse mestsilo of een mestrobot.

Misschien is daar subsidie voor, maar het wordt in elk geval

een ander financieel plaatje en daar moeten we goed over

nadenken.”

Voor boeren zijn de tijden definitief veranderd. In de

afgelopen jaren daalde het aantal boerenbedrijven in een

rap tempo, volgens het CBS verdwenen een jaar geleden zo’n

elf bedrijven per dag. De concurrentie uit het buitenland

neemt toe, het aantal mega-boeren en supertuinders groeit

en vooral kleine boerenbedrijven hebben het moeilijk.

Als boeren niet kunnen uitbreiden, gaan ze op zoek naar

neveninkomsten zoals agrotoerisme en natuurbeheer. Verder

wordt de scheiding tussen de stad en het platteland diffuser.

Boeren zijn niet meer de enige spelers in het buitengebied.

Naast de landbouw strijden functies als recreatie, wonen,

industrie en natuur om een plek en ook de zorg voor het

archeologisch erfgoed telt mee bij de inrichting van de

ruimte.

Onderzoekskosten

Boeren met bouwplannen kunnen te maken krijgen

met archeologie: als verstoorder van de bodem

dienen ze bij te dragen aan de kosten voor een eventueel

archeologisch onderzoek. Die kosten moeten wel in een

redelijke verhouding staan tot de kosten die met de

investering gemoeid zijn. Een verkennend onderzoek van

zo’n 1700 tot 2000 euro op een stal van 100.000 euro wordt

niet als onevenredig gezien. Klachten over de kosten van

archeologisch onderzoek die ten onrechte voor rekening van

de aanvrager van een vergunning zouden zijn, heeft de Raad

van State tot nu toe ongegrond verklaard. Afgelopen jaar

speelde dat in Westvoorne, Jacobswoude en Eemsmond. Als

een archeologisch vervolgonderzoek nodig is en uitmondt

in een opgraving, kan de vergunningaanvrager een beroep

doen op de excessieve kostenregeling. De Rijksdienst voor

het Cultureel Erfgoed heeft daarvoor bijna twee miljoen euro

gereserveerd, maar dit jaar heeft nog niemand daar een

beroep op gedaan.

Met de belangen van boeren kunnen gemeenten op allerlei

manieren rekening houden. Bijvoorbeeld door vrijstellingen

te geven, of de afweging te maken om voor agrarische

belangen in plaats van archeologie te kiezen. Ze kunnen


ook gebieden aanwijzen waar geen archeologisch onderzoek

nodig is, of een deel van de onderzoekskosten betalen. Verder

dienen gemeenten duidelijk aan te geven waar archeologische

resten in de bodem te verwachten zijn, bijvoorbeeld via

archeologische verwachtingskaarten. Als van tevoren al

vaststaat dat de bodem verstoord is, of de archeologie

diep onder de verstoringslaag ligt, kunnen boeren zonder

problemen hun gang gaan.

Pittige discussies

Voor RAAP-projectleider Reinier Ellenkamp gaat het

er bij elk onderzoek om goed te communiceren en te

denken vanuit de klant: “We kunnen de wet niet aan onze

laars lappen, maar we kunnen wel proberen met werkbare

alternatieven komen.” Ellenkamp heeft een schoonvader

die boer is: “Dat levert soms pittige discussies op als we het

over archeologie hebben. Voor een boer kan het lastig zijn

rekening te moeten houden met archeologie. Aan de andere

kant hebben wij in dit land democratisch besloten dat we

waardevolle archeologische resten beschermen en onderzoek

doen als dat nodig is. Uiteindelijk is daar ook wel begrip voor.”

Reinier Ellenkamp herinnert zich een boer die verkennend

onderzoek moest laten uitvoeren omdat hij de grond wilde

diepwoelen tot een diepte van 80 cm bij een bouwvoor van

maar 40 cm. “Het ging om een landinrichtingsproject en ik

heb geadviseerd om het gronddepot uit een nabijgelegen

gebied te gebruiken voor de ophoging van zijn land. De kosten

daarvan waren ongeveer even hoog als een verkennend

onderzoek. De boer was wel gecharmeerd van deze

oplossing, want hij zou dan niet het risico van een eventueel

vervolgonderzoek lopen als er wat gevonden zou worden.

Bovendien is de eventuele archeologie daar ook nog eens bij

gebaat, want die ligt beschermd onder een ophogingspakket.”

Een ander voorbeeld van creatief meedenken met agrarische

ondernemers speelt in de boomteelt. Mensen willen

tegenwoordig bomen met een kluit want dat scheelt groeitijd.

Als de sierbomen met kluit en al gerooid worden, blijven er

diepe gaten in de grond over. De laag teelaarde die eventuele

archeologische vindplaatsen in de bodem daaronder

beschermt, wordt langzamerhand steeds dunner. Door die

gaten dicht te gooien met aarde van elders, bijvoorbeeld met

grond die is vrijgekomen bij natuurontwikkeling, blijft die

beschermende buffer bestaan. De vruchtbaarheid van

de grond blijft op peil en door de afdekkende laag die je

opbrengt, blijven archeologische resten behouden.

Bedrijfsvoering verrijken

Boeren hebben de laatste jaren steeds

meer creativiteit ontplooid en nieuwe

overlevingsstrategieën geïntroduceerd: ze investeren

in streekeigen producten, recreatieve voorzieningen,

natuurbeheer en ook kinderopvang. Het buitengebied

fungeert meer en meer als een recreatieve ruimte voor

de stad. Naast het reguliere werk houden boeren er

bijvoorbeeld een minicamping of kaasmakerij op na.

Ze vormen hun onderneming deels om tot recreatief

bedrijf en zijn dan juist gebaat bij archeologie en

cultuurhistorie. “Als je daar als archeoloog mooie

bouwstenen voor aanlevert, kan het hun bedrijfsvoering

verrijken,” zegt RAAP-projectleider Jan Roymans. “De

kennis over de streekgeschiedenis, die naar boven komt

uit archeologisch onderzoek, kunnen boeren gebruiken

om hun eigen streekproducten te promoten.” Een mooi

voorbeeld waar Jan Roymans zich hard voor maakt, is de

reconstructie van een Romeinse grafheuvel die bekend

staat als de Kabouterberg in Hoogeloon. Hier zou de

mythische kabouterkoning Kyrie wonen. Roymans: “Een

bierbrouwer uit Schijndel is nu bezig Koning Kyrie bier te

brouwen en hij is in onderhandeling met lokale boeren

om hop en graan te leveren. De cultuurhistorie komt

zo tot leven en helpt bij de ‘branding’ van de streek.

Cultuurhistorie als uithangbord voor toerisme, daar

staat de Reconstructiewet trouwens vol mee.”

‘Boeren in Nederland gaat weer veel leuker worden’,

kopte de Telegraaf op 13 november jongstleden boven

een artikel waarin de voorzitter van LTO Nederland

voorstelt om ‘archeologisch onderzoek te schrappen

voor agrariërs die hun stal willen uitbreiden’. Het mag

duidelijk zijn dat ons erfgoed daar niet bij gebaat is.

Zonder onderzoek zal het archeologisch bodemarchief

ongezien verdwijnen en wat eenmaal weg is, is voor

altijd weg. Er zijn echter veel creatieve maatwerk

oplossingen mogelijk als het gaat om archeologie en

boeren in Nederland.


verhaal achter een vondst

Raadsels rond een prehistorische pot

1De opgraving

In 2009 is in Rhenen-Remmerden in opdracht van

de provincie Utrecht een opgraving uitgevoerd

op de plek waar inmiddels een rotonde is gerealiseerd.

Hierbij troffen de archeologen van RAAP volgens

verwachting de plattegronden van diverse boerderijen

en spiekers aan. Deze zijn te dateren in de Bronstijd en

de IJzertijd, in een enkel geval mogelijk nog iets jonger.

Oftewel: geen hele grote verrassingen, totdat…

2De ontdekking

Op de laatste dag, jawel, werd een complete

en rijk versierde urn gevonden, op z’n kop

begraven in een kuiltje. In en onder de pot werd niets

bijzonders aangetroffen. Daaromheen werden vijf palen

opgetekend. Een vondst die meer vragen oproept dan

antwoorden geeft. Besloten werd de pot met inhoud en al

te verpakken en te lichten. Aldus geschiedde.

3De CT-scan

De pot reisde eerst naar het Leids Universitair

Medisch Centrum, dat zo was vriendelijk hun

geavanceerde CT-scanner voor nader onderzoek

beschikbaar te stellen. Het leverde onthutsende beelden

op èn een lichte teleurstelling. Je ‘vliegt ’ door de pot,

maar meer dan zand en grind zit er niet in. De pot is ooit

door de ploeg geraakt en op die manier gevuld. Geen -

meetbare - verrassingen dus.

Foto’s pot: Restaura

4De ‘opgraving’ binnen

Vervolgens is de pot door Restaura laag voor laag uitgelepeld

en gerestaureerd: puur vakwerk. De pot is rijk versierd met

een zogenoemde Kalenderberg-versiering en wordt vooralsnog

gedateerd in de Vroege IJzertijd (800-500 voor Chr.). Een klein vlak

leek uitgespaard: hier is een figuratieve voorstelling aangebracht.

De maker heeft de Kalenderberg-versiering uitgewist en dit figuur op

het laatste moment aangebracht.

5De pentagone structuur

De context is zeer bijzonder te noemen. Zo’n urn wordt zelden

in een nederzetting aangetroffen, en zeker niet op z’n kop

in een kuil. Een verklaring als bouwoffer lijkt te simpel. En om het

raadsel nog wat groter te maken: de pot is in een 5-paalsstructuur

aangetroffen. Deze pentagone structuur werd pas naderhand

herkend; de pot is op het snijpunt van maar liefst drie putten

aangetroffen.

pot

6De voorstelling

En dan de voorstelling op de pot: een paar lijnen, meer

is het niet. Een mens, een dier? Een krabbel? De eerste

handtekening? Parallellen zijn er niet. In 1962 is in De Lutte

(Twente) een kleine urn met daarop vier gestileerde paarden

aangetroffen. Het motief op onze pot is veel minder duidelijk, meer

gestileerd.

7Het raadsel

Wat stelt dat motiefje nu voor? RAAP vroeg het aan bezoekers

van de Reuvensdagen (dé ontmoetingsplek voor archeologen)

en kreeg vele suggesties, zoals jager met speer, merkteken van de

maker en man met grote penis. Opvallend was dat studenten de

meest creatieve opmerkingen hadden, amateurs vaak waardevolle en

de prominenten allemaal zonder meer ‘hert’ zeiden. Omdat hert ook

het meest genoemd werd, houden we het op een hert.


verbeelding van archeologie

KORTE BERICHTEN

Grote bijlen onthuld in Kleine Beerze

In de Kleine Beerze bij het Brabantse Hoogeloon is

afgelopen zomer een bijzonder kunstwerk geplaatst, dat

herinnert aan een topvondst uit de prehistorie.

In oktober 2008 werden tien puntgave bijlen uit de

Bronstijd ontdekt bij de aanleg van een ecologische

verbindingszone in het dal van de Kleine Beerze.

RAAP begeleidde deze graafwerkzaamheden in opdracht van

Waterschap De Dommel. De bijlen, die op een vierkante meter bij

elkaar lagen, zijn grofweg 3500 jaar oud en komen uit verschillende

Europese landen. Waarschijnlijk zijn ze bewust bij elkaar in de

bedding van het beekdal achtergelaten en hadden ze een rituele

functie. Net als mensen tegenwoordig op sommige plaatsen

muntjes in het water gooien om het lot gunstig te beïnvloeden, zo

deden mensen dat vroeger ook.

De Werkgroep sculptuur Kleine Beerze heeft er hard aan gewerkt

om het verhaal van de bijlen zichtbaar en beleefbaar te maken. Het

resultaat is een fraai kunstwerk bestaande uit twee grote bijlen

van cortenstaal, die in het hart staan van een paddenpoel aan

de Kleine Beerze. De plek is bereikbaar via een nieuw wandelpad

vanuit de bestaande wandelroute in het beekdal. Het kunstwerk

dat de titel ‘de bemiddelaars’ meekreeg, is gemaakt door Huub

de Kort uit Bladel. Het kwam tot stand door samenwerking van

RAAP en de Werkgroep sculptuur Kleine Beerze, de Stichting ’t

Loons Heem, de werkgroep Erfgoed & Landschap Kempen, enkele

ondernemers en met provinciale subsidie (Mooi Brabant).

Op verzoek van RAAP-projectleider Jan Roymans wierp de

kraanmachinist die de bijlen had opgegraven een bijl in de poel

als offer aan de goden. Een symbolische daad en queeste naar

de subsidiepot: alle ondersteuning vanuit de godenwereld kan

namelijk gebruikt worden voor het bijeenbrengen van geld voor de

reconstructie van de Kabouterberg in Hoogeloon. Filmbeelden van

de onthulling zijn binnenkort te bekijken via de website van RAAP.

Met opgestroopte broekspijpen togen RAAP projectleider Jan Roymans (links)

en Bart Beex van de Werkgroep sculptuur Kleine Beerze afgelopen zomer het

water van de Kleine Beerze in, om het bijlenkunstwerk van zijn verpakking te

ontdoen.

Column

De goddeloze commerciëlen

Ah, een geluid uit het hart! Mag ik op deze

plaats hartgrondig instemmen met de

woorden van Riemer Knoop, die mij in een

column in Archeologie Magazine op vaardige wijze

het gras voor de voeten wegmaait. Vrij vertaald stelt

hij dat de commerciële archeologie in een puberale

fase verkeert en daarin vooralsnog zal blijven

hangen. Van bittere commercie is, zijn inziens,

amper een spoor te ontdekken. De geluiden, de

bezwaren, tegen de archeologische markt zijn

vooral afkomstig van de universiteiten, of beter

gezegd, de publieke sector. Als marktarcheoloog

voel je je bijna een beetje smerig bij dergelijke

geluiden. Wij commerciëlen die alles voor geld

doen! Beschaamd kruip je weer onder je steen;

onwillekeurig overvalt die sensatie me af en toe. En

welja, ergens spoort het niet: op commerciële wijze

bedrijven wat een wetenschap heet te zijn. Maar

mag ik dan een pleidooi houden voor de evidente

voordelen van het systeem, voor het feit dat ook wij

commerciëlen een geweten hebben en zonder veel

wroeging ’s avonds op de bank neerploffen?

Commercieel archeologisch onderzoek levert altijd,

maar dan ook echt altijd, een onderzoeksrapport

op, en vaak meer dan dat. En in dat vermeende

‘rapportenkerkhof’ zitten parels. Uiteindelijk zijn

het toch dezelfde beroepsgekken die daar aan het

werk zijn. ‘Ons soort mensen’ is de conclusie die

op universiteiten zomaar mentaal zou kunnen

indalen. Goed, ik chargeer en laat ik daarbij

duidelijk stellen dat er binnen de archeologische

markt, zoals elke markt, wel degelijk misstanden

voorkomen en fouten worden gemaakt. En toch,

en toch, het zelfreinigend vermogen van de markt

is ontegenzeggelijk aanwezig. Misstanden zijn

vooralsnog te overzien. Pubers hè?

En weet je wat nu echt het grote voordeel is van een

archeologische markt? Dat we uit onze ivoren toren

zijn afgedaald, dat we in de maatschappij staan,

met boeren praten, met gemeentes, met iedereen

eigenlijk. Waar anders dan in de markt weet je beter

wat er daadwerkelijk speelt en leeft onder mensen,

welke belangen tegen elkaar moeten worden

afgewogen en wanneer je als archeoloog nou eens

niet tot het uiterste moet gaan? Met maar één doel:

het bewaren en bewaken van het maatschappelijk

draagvlak. Dat we daarin puberaal opereren zie ik

eerder als een voordeel. Het is wat, de goddeloze

commerciëlen als de hoeders van het draagvlak.

Wie had dat gedacht?

Ivar Schute

Senior projectleider bij RAAP


KORTE BERICHTEN

RAAP-informatiemiddagen succesvol

In het kader van het 25-jarig bestaan organiseerde RAAP

dit najaar voor haar klanten vier informatiemiddagen:

in Arnhem, Utrecht, Eindhoven en Zwolle. De

onderwerpen die daarbij aan de orde kwamen waren

de Modernisering van de Monumentenzorg (MoMo), de

toetsing van archeologische rapporten volgens de nieuwe

kwaliteitsnorm en Tweede Wereldoorlog archeologie.

Uit de evaluatieformulieren bleek dat de bezoekers deze

middagen over het algemeen zeer waardeerden. Velen

vonden de lezingen informatief, actueel en leerzaam.

Gezien de belangstelling denkt RAAP erover ook volgend

jaar met deze informatiemiddagen door te gaan. Over

de drie besproken onderwerpen zijn informatiebladen

gemaakt. U kunt ze aanvragen via www.raap.nl

informatiemiddag Utrecht

COLOFON

RAAP Nieuwsbrief 2010-2, december 2010

De RAAP Nieuwsbrief is een uitgave van RAAP Archeologisch

Adviesbureau B.V., 2010.

RAAP is een zelfstandig en onafhankelijk adviesbureau

voor archeologische monumentenzorg en integrale

cultuurhistorie, met vestigingen in Leiden, Zutphen,

Drachten, Weert en Weesp.

Aan dit nummer werkten mee: Reinier Ellenkamp, Petra

Kloosterman, Glenn De Nutte, Bart Moonen, Jan Roymans,

Ivar Schute, Haije Veenstra, Marten Verbruggen, Jobbe

Wijnen en Nico Willemse.

Fotografie en cartografie: RAAP (tenzij anders vermeld)

Vormgeving: Olav Odé

Eindredactie: Caroline Hom

Wilt u op de verzendlijst van de RAAP Nieuwsbrief komen te

staan (of de nieuwsbrief juist niet meer ontvangen), stuur

dan een e-mail naar receptie@raap.nl

Nieuw regiohoofd en teamleider

bij RAAP West-Nederland

Met ingang van 1 januari 2011 wordt

Nicole Mulder het nieuwe hoofd van

de regionale vestiging van RAAP West-

Nederland in Leiden. Zij zal tevens

toetreden tot het managementteam

van RAAP. Nicole studeerde archeologie

in Leiden en werkte daarna een aantal

jaren in de praktijk als projectleider.

Vervolgens bekleedde ze enkele leidinggevende functies in de

archeologie bij andere bedrijven.

Per 1 december 2010 is Thijs Nales bij

RAAP regio west in dienst getreden in

de (nieuwe) functie van teamleider

Prospectie. Thijs is afgestudeerd als

fysisch geograaf in Utrecht, werkte

daarna als projectleider en teamleider

bij twee andere archeologische

bedrijven.

Rectificatie

In RAAP-nieuwsbrief 2010-1 is een fout geslopen: op de kaart op

pagina 5 is Den Haag rood gemarkeerd, maar RAAP heeft geen

verwachtings- of beleidsadvieskaart voor de gemeente Den Haag

gemaakt.

RAAP Hoofdkantoor

Leeuwenveldseweg 5b, 1382 LV Weesp

Postadres: Postbus 5069, 1380 GB Weesp

T 0294-491500 | E raap@raap.nl

RAAP Regio Noord-Nederland (Fr, Gr, Dr)

De Kiel 11, 9206 BG Drachten

T 0512-589140 | E raapnnl@raap.nl

RAAP Regio Oost-Nederland (Gld, Ov)

Pollaan 48 E-F, 7202 BX Zutphen

Postadres: Postbus 222, 7200 AE Zutphen

T 0575-567876 | E raaponl@raap.nl

RAAP Regio Zuid-Nederland (Li, N-Br)

De Savornin Lohmanstraat 11, 6004 AM Weert

T 0495-513555 | E raapznl@raap.nl

RAAP Regio West-Nederland (N-Hl, Z-Hl, Zld, Fl, Ut)

Le Pooleweg 5, 2314 XT Leiden

Postadres: Postbus 4025, 2301 RA Leiden

T 071-5768118 | E raapwnl@raap.nl

www.raap.nl

25

• • • • •

jaar

More magazines by this user
Similar magazines