01.12.2022 Views

Tijdschrift voor Orthopedagogiek nummer 5 - 2022

You also want an ePaper? Increase the reach of your titles

YUMPU automatically turns print PDFs into web optimized ePapers that Google loves.

vO TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR

ORTHO

PEDAGOGIEK

Thema: Infant Mental Health

“We weten nog niet genoeg over

de effecten van behandelingen

voor zeer jonge kinderen”

Interview met Manon Mostert-Uijterwijk

12

Depressie en angst tijdens zwangerschap en postpartum | Multidisciplinaire kinderpsychiatrische

beoordeling van een jong kind | Validiteit van de Lijst Signalen Verstoorde Gehechtheid

Autisme, genderdiversiteit en genderdysforie

5

2022

JAARGANG 61

O TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

TvO TvO TvO Tv


TvO TvO

TvO TvO TvO T

Ons eerste kinderboek voor dromerige kinderen en hun ouders

Diagnosticeren en ondersteunen van

kinderen en jongeren met ADHD

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

vO TvO TvO Tv

vO TvO TvO TvO

Internationaal gerenommeerd instrument

voor de diagnostiek en behandeling van

ADHD, ODD en CD.

De Conners-3 bestaat uit drie informantenversies,

waarbij van elke versie ook een

screeningsversie beschikbaar is:

• Ouderrapportage (6-18 jaar)

• Leerkrachtrapportage (6-12 jaar)

• Zelfrapportage (12-18 jaar)

Meer weten? Scan de QR-code of kijk op www.hogrefe.nl

Lotte het hazenmeisje neemt dromerige

kinderen mee op een spannend avontuur

waar ze leren:

vO TvO TvO TvO

• om zich op het juiste moment te

concentreren

• om zich beter te organiseren

• schoolwerk met meer gemak te doen

Mooi boek om samen met het kind thuis

of met een groep in de klas te lezen.

O TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

vO


vO TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR

ORTHO

PEDAGOGIEK

5

2022

JAARGANG 61

vO TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

TvO TvO TvO Tv


2

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

‘Isn’t she lovely, isn’t she wonderful,

isn’t she precious. Less

than one minute old. I never

thought through love we’d

be making one as lovely as she. But isn’t she lovely,

made from love’.

Uit: Isn’t She Lovely van Stevie Wonder

Redactioneel

TvO TvO TvO T

Hoewel het doorgaans best lang duurt om een

geschikte songtekst te vinden, was het dit keer

kiezen uit veel mogelijkheden. Veel teksten gingen

over het wonder van de geboorte, de onmiddellijke

en onvoorwaardelijke liefde die een ouder

voelt voor het pasgeboren kindje, en hoe mooi,

bijzonder en speciaal het kindje is. Al lezend vroeg

ik me af op welk moment de artiest deze tekst had

geschreven; voor, tijdens of ver na de bevalling.

Want hoe kon het dat ik geen enkele tekst kon

vinden over huilbaby’s, lelijke baby’s, gehandicapte

baby’s, zieke baby’s en zo meer? Ik dacht

aan wat me het meest is bijgebleven toen ik voor

het eerst met Infant Mental Health (IMH) in aanraking

kwam, en de ontwikkelingsperiode waar IMH

zich op richt: vanaf 7 maanden voor de geboorte

tot 5 jaar oud. Bij IMH gaat het om het samenspel

tussen omgeving, biologische factoren én de

ouder-kindrelatie. Het opbouwen van die relatie

begint al 7 maanden voorafgaand aan de geboorte:

meestal het moment waarop vrouwen erachter

komen dat ze zwanger zijn. Er wordt gefantaseerd

over hoe mooi en lief het kindje zal zijn, en hoe

gezellig en fijn de eerste maanden zullen verlopen.

Althans, ik ben nog nooit een moeder of vader

tegengekomen die fantaseerde over hoe lelijk het

kindje zal zijn, dat het een lastige eter wordt of een

diep verlangen uitte dat het een huilbaby wordt.

In verwachting zijn gaat doorgaans gepaard met

TvO TvO TvO Tv

de spreekwoordelijke ‘roze wolk’. Maar stel dat

de zwangerschap zorgt voor lichamelijke en/of

psychische klachten, zodanig dat het ‘normale’

leven niet meer mogelijk is of dat het gewenste

kindje het gevreesde kindje blijkt te zijn? Wat

doet dat met de moeder en haar relatie met het

(ongeboren) kindje? En wat gebeurt er met de

vO TvO TvO TvO

relatie tussen moeder en kind wanneer de moeder

wordt getroffen door een postpartum depressie?

Angarath van der Zee deed hier onderzoek naar

en haar bevindingen zijn in dit nummer te lezen.

IMH wordt helaas te vaak nog onvoldoende op

waarde geschat en begrepen. Zo zijn er vele (door

zorgverzekeraars vergoede) hechtingstherapieën

vO TvO TvO TvO

voor volwassenen die (ernstige) psychiatrische

problemen hebben ontwikkeld doordat ze als

baby geen goede hechtingsrelatie hebben kunnen

opbouwen. Daarnaast is er een grote groep jongeren

die therapie nodig heeft voor problematiek

die in het heden lijkt te zijn ontstaan. Wellicht had

O TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

die voorkomen kunnen worden door ouders beter

te begeleiden bij de veel eerder ‘verstoorde’ hechtingsrelatie:

dagelijkse kost voor IMH-specialist

Manon Mostert-Uijterwijk (zie interview). Misschien

kunnen we eindelijk een eind maken aan

de wachtlijsten door veel meer in te zetten op

diagnostiek en behandeling van het zeer jonge

O TvO TvO TvO

kind en zijn systeem onder het motto ‘voorkomen

is beter dan genezen’. Ik vraag me steeds maar af

wat Stevie allemaal gevoeld moet hebben vanaf

minuut 2 ….

Birgit Jaarsma

Hoofdredacteur

O TvO TvO TvO

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

04

Depressie en angst tijdens zwangerschap

en postpartum

Bespreken maakt het verschil –

ook voor het kind

Angarath van der Zee-van den Berg

12

Infant Mental Health: aandacht voor de

relatie tussen ouder en het jonge kind

Interview met Manon Mostert-Uijterwijk

Winnifred Jelier

22

Validiteit van de Lijst Signalen Verstoorde

Gehechtheid

Een nieuwe screeningslijst voor verstoorde

gehechtheid bij jonge kinderen

Hedwig van Bakel, Ruby Hall, Marianne de Wolff,

Mariska Klein Velderman & Jennie Alberti

32

O TvO TvO TvO

Multidisciplinaire

kinderpsychiatrische beoordeling

van een jong kind

Aandachtspunten en overwegingen

bij diagnostiek

Marie-José van Hoof

TvO TvO TvO

44

Autisme, genderdiversiteit en

genderdysforie

Stand van zaken en handvatten

voor hulpverleners en betrokkenen

Jeroen Dewinter, Sascha Klomp &

TvO TvO TvO

Anna van der Miesen

TvO TvO TvO

Rubrieken

TvO TvO TvO T

Pagina 10

Gastcolumn

Pagina 20

Column: Hersenkrakers

Pagina 30

Kort nieuws: In ander nieuws

TvO TvO TvO Tv

Pagina 42

Column: In zicht

Pagina 52

De filosoof

Pagina 54

Boekbespreking

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 3


Samenvatting

4

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

Bespreken maakt het verschil – ook voor het kind

TvO TvO TvO T

Depressie en angst

tijdens zwangerschap

en postpartum

TvO TvO TvO Tv

Angarath van der Zee-van den Berg

vO TvO TvO TvO

Zeker één op de tien vrouwen krijgt

te maken met depressieve klachten

tijdens of na de zwangerschap. Een depressie heeft

niet alleen impact op de jonge moeder. Door een

depressie kan een moeder minder goed in staat

zijn tot het aangaan van interactie met haar kind.

Dit kan het proces van hechting beïnvloeden, met

negatieve effecten op de sociaal-emotionele ontwikkeling

van het kind als gevolg. Vroege signalering

is dus belangrijk voor zowel moeder als kind,

maar depressieve klachten worden vaak niet of

Iris is dolgelukkig als ze na drie jaar hopen op

een zwangerschap eindelijk in verwachting blijkt

te zijn. De zwangerschap verloopt voorspoedig,

Iris voelt zich goed, en hoewel ze opziet tegen de

bevalling, verloopt ook deze ongecompliceerd. Ze

bevalt met 39 weken van een gezonde dochter,

Zeta. In de eerste dagen loopt de borstvoeding

niet lekker, Zeta lijkt niet genoeg binnen te krijgen.

Iris had zich voorgenomen om haar kind

de eerste maanden uitsluitend borstvoeding te

geven en heeft er moeite mee dat haar dit nu niet

laat gesignaleerd. Dit geldt ook voor angstklachten.

Het structureel bespreken van depressieve

en/of angstklachten, bijvoorbeeld met behulp

vO TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

van screening, draagt bij aan betere signalering

en tijdige behandeling. Alle professionals die te

maken hebben met jonge (aanstaande) moeders

zouden moeten nagaan welke mogelijkheden zij

en hun collega’s hebben om de signalering van

deze klachten te verbeteren, en zich hard moeten

O TvO TvO TvO

maken voor het belang van ondersteuning van de

ouder-kindinteractie.

lijkt te lukken. Ze stapt over op het volledig geven

van gekolfde borstvoeding. Dit zorgt ervoor dat

O TvO TvO TvO

ze bijna continu bezig is met kolven en voeden.

Daarbij huilt Zeta met name in de avonduren veel.

Volgens Iris is ze dan ontroostbaar. Iris ervaart

veel stress, maar ze wil de voeding ook niet uit

handen geven. Het lukt Iris steeds minder goed

om te slapen. Haar partner ziet hoe Iris worstelt en

wil haar graag ondersteunen, maar Iris ervaart de

O TvO TvO TvO

suggesties om iets van de zorg uit handen te geven

als kritiek.

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

In het eerste levensjaar

wordt de basis voor de

sociaal-emotionele

ontwikkeling van het

kind gelegd

Iris is al een paar keer op het inloopspreekuur

van het consultatiebureau geweest om Zeta te

wegen en het voeden te bespreken. De jeugdverpleegkundige

heeft tips gegeven, maar niet

besproken hoe het met Iris zelf ging. Tijdens het

eerstvolgende consult met de jeugdarts blijkt Zeta

goed te zijn gegroeid. De jeugdarts vraagt nu wel

hoe het met Iris gaat en Iris reageert daarop met

het benoemen van haar zorgen over de voeding

en het huilen. Het welbevinden van Iris zelf komt

daarna niet meer aan de orde. Iris heeft het idee

andere adviezen te krijgen dan eerder en voelt

zich daardoor erg onzeker. In verband met spruw

(een aan borstvoeding gerelateerde schimmelinfectie)

wordt moeder met Zeta verwezen naar

de huisarts. De huisarts ziet Iris en Zeta enkele

minuten, bespreekt alleen de spruw, schrijft een

recept en verwijst Iris naar de doktersassistente

voor verdere instructies. De weken daarop gaat

het bergafwaarts met Iris. Ze voelt zich steeds

somberder, denkt te falen als ouder en alles waar

ze eerder plezier aan beleefde, kan haar nu nog

weinig schelen. Ze voelt geen connectie met Zeta,

het voelt alsof het haar eigen kind niet is. Als ze

op een avond tegen haar partner zegt ‘Jij en Zeta

zouden beter af zijn zonder mij, van mij hoeft het

niet meer’, ziet ze hoe haar partner schrikt. Op dat

moment realiseert Iris zich dat het niet goed gaat

met haar en dat ze hulp nodig heeft.

Depressie tijdens en na de

zwangerschap

Het verhaal van Iris staat niet op zich. Zeker één

op de tien vrouwen krijgt te maken met depressieve

klachten tijdens de zwangerschap of in de

periode na de bevalling (postpartum). Sommige

vrouwen lopen meer risico, zoals vrouwen met

een voorgeschiedenis van depressie, weinig

steun van hun partner, recente migratie of een

voorgeschiedenis van mishandeling, misbruik of

huiselijk geweld (Howard et al., 2014). Daarnaast

kan een depressie in deze periode iedere vrouw

overkomen. Het is ook zeker niet ongewoon dat

O TvO TvO TvO

dit de eerste depressieve episode in het leven van

de vrouw is. In de volksmond wordt een depressie

na de bevalling vaak postnatale depressie

genoemd; professionals spreken meestal van

een postpartum depressie (postnataal betekent

‘na de geboorte’, postpartum ‘na de bevalling’ en

TvO TvO TvO

refereert duidelijker naar de vrouw). Regelmatig

beginnen de klachten ook al tijdens de zwangerschap,

maar een aparte benaming voor depressie

tijdens de zwangerschap is er niet. Op de vraag

of een postpartum depressie andere oorzaken

heeft dan een depressie op andere momenten in

TvO TvO TvO

het leven, heeft de wetenschap nog geen eenduidig

antwoord. Een depressie doormaken in deze

periode van zowel fysiek als mentaal grote veranderingen,

maakt de beleving in ieder geval anders

dan die van andere depressies (Holopainen &

Hakulinen, 2019). Voor professionals is specifieke

kennis dan ook noodzakelijk. Niet in de laatste

plaats omdat een depressie in deze periode naast

TvO TvO TvO

impact op de vrouw ook impact heeft op haar pasgeboren

kind.

Impact op het kind

Een deel van de verklaring voor de impact van

een depressie op een pasgeboren kind ligt in een

TvO TvO TvO T

verminderde interactie tussen ouder en kind.

In het eerste levensjaar wordt de basis voor de

sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind

gelegd. Hechting speelt hierbij een belangrijke

rol. Een bekend experiment, het zogeheten

‘still face experiment’ (ontwikkeld door hechtingsonderzoeker

Ed Tronick 1 ), laat het belang

TvO TvO TvO Tv

van ouder-kindinteractie zien. Tijdens het experiment

reageert de moeder van een jong kind,

na een periode van interactie, plotseling niet

meer emotioneel op haar kind. Het kind zet alles

in om weer respons van de moeder te krijgen,

raakt gefrustreerd en overstuur als dit niet lukt,

haakt uiteindelijk af en staakt de pogingen om

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 5


6

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

contact te maken. Bij dit experiment duurt dit

alles enkele minuten, en wordt het contact daarna

weer hersteld. Bij depressieve moeders kan de

verminderde interactie met hun kind echter

langdurig spelen. Het tot stand komen van een

veilige hechting is een continu interactieproces.

Om de interactie af te stemmen op het kind en

een veilige hechting te bevorderen, moet een

ouder a) sensitief zijn voor de signalen (signalen

kunnen oppikken), b) responsief kunnen zijn (op

signalen kunnen reageren) en c) kunnen mentaliseren.

Mentaliseren betekent dat een moeder

zich kan verplaatsen in de behoeften van haar

kind, die anders kunnen zijn dan die van haar,

en haar reactie daarop kan afstemmen. Kenmerken

van een depressie, zoals in beslag genomen

zijn door negatieve gedachten, afgevlakt zijn in

emoties, en de neiging hebben om zich terug te

trekken, maken dat een moeder minder sensitief

en responsief kan zijn en dat ook mentaliseren

lastiger is. Dat het ontbreken van deze ‘voeding’

voor de sociaal-emotionele groei van kinderen

niet zonder gevolgen is, blijkt op zowel de korte

als lange termijn. Zo komen bij deze kinderen in

het eerste levensjaar meer regulatieproblemen

voor, vervolgens ook op kinderleeftijd meer internaliserende

en externaliserende problematiek,

en op jongvolwassen leeftijd meer depressieve

klachten (Stein et al., 2014). Dit geldt zeker niet

voor alle kinderen van moeders met depressieve

klachten. De ernst en duur van de depressie zijn

hierop van invloed. Ook de aanwezigheid van een

andere ouder die wel emotioneel beschikbaar is,

maakt veel verschil. Maar het blijkt ook dat alleen

behandelen van de depressie niet voldoende is om

de impact op het kind te voorkomen, en dat specifieke

aandacht voor de interactie tussen ouder en

kind noodzakelijk is.

Niet gesignaleerd

Hoewel er dus zo veel jonge moeders zijn die met

depressieve klachten te maken krijgen en het ook

voor het kind van groot belang is dat hier tijdig

aandacht voor is, wordt een depressie in deze

periode vaker niet dan wel gesignaleerd (Van der

Zee-van den Berg et al., 2016). Zwangerschap en

een pasgeboren kind worden in onze cultuur in de

eerste plaats geassocieerd met de belevenis van

een roze wolk, en om dan juist in die periode te

moeten onderkennen dat je in een depressie zit, is

extra moeilijk. Daarnaast vormen schuldgevoel en

gevoelens van falen en schaamte een extra drempel

om erover te praten. Hoewel vrouwen in deze

periode veel professionals zien (denk aan verloskundigen,

gynaecologen, kraamzorg, huisartsen

en professionals uit de jeugdgezondheidszorg),

blijkt ook dat tijdens deze consulten de depressieve

klachten vaak niet gesignaleerd of besproken

worden. Ook in de casus van Iris hadden

meerdere professionals bij Iris de klachten

kunnen signaleren, maar deden dat niet gericht.

Als gevolg hiervan wordt vaak pas na langere tijd

duidelijk wat er aan de hand is en bereikt hulp

maar een beperkt deel van de vrouwen. Hierdoor

kan de depressie ernstiger worden, langer duren

dan nodig is en ontbreekt ondersteuning voor de

ouder-kindinteractie in deze cruciale periode van

ontwikkeling.

Schuldgevoel en

gevoelens van falen

en schaamte vormen

een extra drempel om

erover te praten

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

Als professional

bespreekbaar maken

Structureel gebruik van een screeningsinstrument

helpt om die eerste stap van signaleren te verbeteren.

Met het proefschrift Investing in Maternal

O TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

and Infant Mental Health – Screening for postpartum

depression by Preventive Child Health Care (Van der

Zee-van den Berg, 2021) is onderzoek gedaan naar

het gebruik van de Edinburgh Postnatal Depression

Scale (EPDS – bestaande uit tien vragen;

Cox et al., 1987) door de jeugdgezondheidszorg

O TvO TvO TvO

tijdens bezoeken van moeders aan het consultatiebureau

in de eerste zes maanden. Het bleek dat

het gebruik van de EPDS duidelijk samenhing

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

met een afname van depressieve klachten bij

moeders negen maanden na de bevalling (Van der

Zee-van den Berg et al., 2017). Een instrument

als de EPDS is met nadruk niet alleen bedoeld

als een checklist, maar ook als een middel om

het gesprek aan te gaan. De meeste professionals

stellen tijdens een consult een algemene vraag

als ‘hoe gaat het met je?’, maar die vraag wordt

vaak te snel beantwoord met ‘wel goed’, of leidt

snel naar andere onderwerpen. Echt doorvragen

naar hoe iemand zich werkelijk voelt, heeft tijd

nodig. Als een moeder van tevoren al een aantal

vragen heeft ingevuld en even heeft stilgestaan bij

hoe ze zich voelt, kan de professional veel gerichter

het gesprek voeren. En dat is nodig in tijden

waarin professionals onder grote tijdsdruk staan.

Idealiter wordt ook al tijdens de zwangerschap

gescreend door verloskundigen en gynaecologen.

De Mind2care-vragenlijst 2 die recent is ontwikkeld

voor gebruik tijdens de zwangerschap en

die ook de EPDS bevat, zou daaraan goed kunnen

bijdragen. Daarnaast is het voor andere professionals

die werken met specifieke doelgroepen

belangrijk om te weten hoe ze het gesprek kunnen

voeren over depressieve klachten in deze periode.

Denk aan professionals die programma’s als Voorzorg

en Stevig Ouderschap verzorgen, of hulpverlenende

professionals die betrokken zijn bij

(aanstaande) tienermoeders. Vaak zijn de risicofactoren

wel goed in beeld, maar vormt dat nog

geen garantie voor het daadwerkelijk bespreken

van depressieve klachten op dit moment. Bij aandacht

voor depressieve klachten hoort ook aandacht

voor eventuele suïcidale gedachten. Vraag

10 van de EPDS gaat daarover. Om dit gesprek als

professional rustig en open te kunnen aangaan,

helpt het om als team afspraken te maken over

met wie er zo nodig overlegd kan worden en wat

de noodzakelijke stappen zijn voor eventueel

benodigde crisishulp. Ook in het geval van suïcidale

gedachten is bespreekbaar maken de belangrijke

eerste stap in het proces van hulp.

Ook vragen naar angst

Vaak krijgen depressieve klachten niet

genoeg aandacht, en dat geldt nog meer voor

angstklachten (Bhat et al., 2022). Angst en depressie

liggen dicht bij elkaar en overlappen elkaar ook

gedeeltelijk qua symptomen (piekeren, slechter

slapen). Ze komen ook regelmatig samen voor; dit

betekent vaak dat de depressieve klachten ook

ernstiger zijn. Maar angst kan ook op zich staan.

O TvO TvO TvO

Een moeder die vooral last heeft van angst, herkent

zich mogelijk niet in vragen die zich richten

op depressie (zoals somber zijn en minder plezier

beleven). In het eerder genoemde proefschrift

is ook onderzocht of met de EPDS het grootste

deel van angstklachten werd gesignaleerd. Dit

TvO TvO TvO

bleek niet het geval te zijn (Van der Zee-van den

Berg et al., 2019). Aanvullende specifieke vragen

naar angsten zijn daarvoor nodig. Klachten die

specifiek zijn voor angst, zijn fysieke sensaties

(bijvoorbeeld trillen, zweten, hartkloppingen) en/

of het hebben van specifieke angstgedachten die

steeds terugkomen. Vaak durven vrouwen niet

TvO TvO TvO

open te zijn over deze gedachten. In de podcast

‘Zwarte muisjes’ 3 (met als doel het bijdragen aan

meer bekendheid van en openheid over psychische

klachten tijdens en na de zwangerschap) is

onder meer het verhaal te horen van een moeder

die tijdens de zwangerschap steeds sterkere angsten

ontwikkelde, met de telkens terugkerende

TvO TvO TvO

gedachte dat iemand met een mes haar buik te

lijf zou gaan. Ze vertelt ook hoe lastig het was om

open te zijn over deze gedachten. Wetenschappelijk

onderzoek richt zich de afgelopen jaren naast

depressie ook meer op angst. De eerste uitkomsten

laten zien dat ook angstklachten in deze periode

van invloed zijn op de ontwikkeling van het

TvO TvO TvO T

kind (Polte et al., 2019).

Bespreken, en dan?

Iedere vrouw met depressieve klachten en/of

angstklachten heeft een eigen verhaal. Soms

TvO TvO TvO Tv

Bij aandacht voor

depressieve klachten

hoort ook aandacht

voor eventuele suïcidale

gedachten

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 7


8

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

Het gebruik van een

screeningsinstrument

helpt om klachten te

signaleren, maar het is

nog geen diagnose

spelen omstandigheden een grote rol (geen partner,

een slechte relatie, financiële moeilijkheden,

slechte leefomstandigheden). Of een vrouw heeft

veel behoefte aan controle en kan zich moeilijk

aanpassen aan de nieuwe situatie, die veel

onzekerheden en tegelijkertijd een groot gevoel

van verantwoordelijkheid met zich mee brengt.

Tijdens het gesprek is het belangrijk om ruimte

te geven aan dit eigen verhaal. Het is belangrijk

dat de vrouw zich echt gehoord voelt en niet in

een hokje wordt geplaatst. Het gebruik van een

screeningsinstrument helpt om beter klachten te

signaleren, maar het betekent nog geen diagnose.

Daar is verder diagnostisch onderzoek voor nodig.

Het kan zijn dat na het bespreken van de klachten

een vrouw tijd nodig heeft om zich daadwerkelijk

te realiseren dat er iets aan de hand is. Het is

goed om haar hier de ruimte voor te geven, en het

gesprek op een later moment verder te voeren.

Als een moeder er zelf aan toe is om een eventuele

behandeling te bespreken, is het belangrijk

om aan te sluiten bij de individuele situatie en

voorkeuren. Hoeveel kan de cliënt zelf oppakken,

heeft ze een ondersteunend netwerk? Hoe groot is

het belang van eerst meer duidelijkheid over een

diagnose? Bij ernstige klachten is verwijzing naar

de huisarts en GGZ aangewezen. Een andere optie

kan de zogeheten POP-poli zijn die veel ziekenhuizen

tegenwoordig hebben. Daarbij werken de

afdelingen psychiatrie, gynaecologie en kindergeneeskunde

samen om zwangere of pas bevallen

vrouwen met psychische klachten te begeleiden.

GGZ-instanties hebben niet altijd aanbod in huis

dat is afgestemd op de specifieke behoeften van

vrouwen met psychische klachten in deze periode.

Het laten aansluiten van de hulp bij de leefwereld

van een moeder met een pasgeboren kind thuis

(bijvoorbeeld in de vorm van hulp aan huis) is

echter wel een voorwaarde om de behandeling

succesvol te laten zijn.

Opties voor vrouwen met mildere klachten zijn

TvO TvO TvO T

ondersteuning bij het realiseren van rust en

regelmaat, versterken van het netwerk (bijvoorbeeld

groepsbijeenkomsten voor zwangere of pas

bevallen moeders, zoals Centering Pregnancy

of Centering Parenting 4 ), of het volgen van een

online interventie. Het lezen van een boek als

Perfecte moeders bestaan niet (Koster, 2013) kan

TvO TvO TvO Tv

ook ondersteunend zijn. Een laagdrempelige

mogelijkheid tot contact en betrokkenheid tot

eventuele hulp gerealiseerd is, is van belang. Het

is erg steunend als een vrouw weet dat ze zonodig

bij iemand terecht kan. Juist het tijdig bieden van

ondersteuning bij milde klachten kan bijdragen

aan het voorkómen van een echte postpartum

vO TvO TvO TvO

depressie of angststoornis. Samenwerking tussen

de betrokken professionals op dit thema, een

goede sociale kaart en korte lijnen zijn nodig om

moeders adequate hulp te bieden. Alle initiatieven

die op dit moment ontwikkeld worden in het

kader van Kansrijke Start 5 vormen een uitgelezen

vO TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

kans om deze samenwerking te realiseren. Expliciete

aandacht voor psychische klachten ontbreekt

echter nog regelmatig bij de lokale uitwerking van

Kansrijke Start, terwijl dit wel nodig is om de signalering

en toeleiding naar hulp te verbeteren.

Borg de hechting

O TvO TvO TvO

Alleen behandeling van de moeder is niet voldoende

om de eventuele impact op het kind te

beperken. Daarvoor is gericht aanbod nodig, waarmee

de kwaliteit van de interactie tussen ouder

en kind bevorderd wordt. Gelukkig zijn er goede

voorbeelden, zoals de ouder-kindinterventie:

O TvO TvO TvO

Alleen behandeling

van de moeder is niet

voldoende om de

eventuele impact op

het kind te beperken

O TvO TvO TvO

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

Vaders en partners

zouden dezelfde

aandacht moeten

krijgen

een interventie ontwikkeld door Karin van

Doesum (Van Doesum et al., 2008). Deze is specifiek

ontwikkeld voor moeders met depressieve

klachten, net als het aanbod van Baby Extra

in Eindhoven. 6 Bij beide methodieken wordt

videohometraining gebruikt. Met behulp van de

video-opnames wordt samen met de ouder gekeken

naar wat de baby doet om contact te maken,

en wat er gebeurt als de ouder inderdaad contact

maakt. Dit helpt de ouder om de signalen steeds

beter op te pikken en te kunnen interpreteren.

Ook draagt het zien wat er al goed gaat bij aan

het zelfvertrouwen en het gevoel van een band

met het kind. Een dergelijk aanbod is helaas niet

overal beschikbaar, en indien beschikbaar wordt

het lang niet alle moeders met depressieve klachten

aangeboden. Het bespreken van de eventuele

impact op het kind en het aanreiken van ondersteuning

lijkt voor professionals vaak lastig te zijn.

Hoe doe je dit zonder aanwezige schuldgevoelens

te versterken? Het is een kwestie van het vinden

van de juiste taal om hier het gesprek over aan

te gaan. Paulien Kuipers beschrijft in haar boek

Eerste hulp bij hechting (Kuipers, 2015) welke

woorden daarbij helpend zijn en hoe de juiste taal

zelfs kan bijdragen aan het op gang brengen van

het hechtingsproces. Als er ruimte is om erover

te spreken, kan ook gekeken worden naar andere

mogelijkheden die kunnen bijdragen, zoals het

inzetten van partners of andere steunfiguren.

Uit het proefschrift bleek ook de sterke correlatie

tussen enerzijds depressie en angstklachten en

anderzijds de ervaren self-efficacy in opvoedingsvaardigheden

(Van der Zee-van den Berg et al.,

2021). Het vraagt verder onderzoek om te zien

welke richting dit verband heeft, maar dat het versterken

van het vertrouwen in het ouderschap kan

bijdragen aan een beter mentaal welzijn, lijkt aannemelijk.

Hulpverleners kunnen dit meer inzetten

bij de behandeling van depressie en angst. Ook

vaders en partners zouden dezelfde aandacht

moeten krijgen als het gaat om psychische klachten

en het opbouwen van de band met hun kind.

Dit is een uitdaging voor de toekomst.

Zelf aan de slag

O TvO TvO TvO

Professionals kunnen zelf aan de slag door hun

kennis over psychische problematiek tijdens en na

de zwangerschap uit te breiden, en met collega’s

af te stemmen hoe het team kan bijdragen aan

TvO TvO TvO

een betere signalering en welke randvoorwaarden

daarbij gelden. Voor jeugdartsen, jeugdverpleegkundigen,

verloskundigen en kraamzorg

zijn vormen van e-learning ontwikkeld als bijscholing.

7 Meer informatie is ook te vinden in de

toolkit op de Trimbos-website 8 ; deze bevat onder

meer een folder voor ouders, en een handleiding

hoe screening in te zetten en een ‘stepped care’

TvO TvO TvO

aanbod uit te werken. Samenwerking met andere

professionals (waaronder de JGZ) in de regio op

dit thema is nodig om structurele aandacht en

behandeling voor psychische klachten in deze

periode te borgen. Ook IMH Nederland bouwt aan

professionele netwerken rondom het thema. 9 Tot

slot is meer inspiratie en informatie te vinden op

TvO TvO TvO

de zeer uitgebreide Australische website ‘Cope’

(Center of Perinatal Experience). 10

Over de auteur

Dr. A.I. van der Zee-van den Berg

is jeugdarts en opleider onderzoek

TvO TvO TvO T

bij de NSPOH. Zij is auteur van het

proefschrift Investing in Maternal and

Infant Mental Health – Screening for

postpartum depression by Preventive

Child Health Care. 11

TvO TvO TvO Tv

Noten en geraadpleegde

literatuur kunt u vinden op:

www.tijdschriftvoororthopedagogiek.nl

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 9


TvO TvO T

TvO TvO TvO T

Dringend nodig:

discussie over

psychologisch onderzoek

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

In de orthopedagogische praktijk behoort het oplossen

van problemen tot het werk van alledag. Maar

dat is niet mogelijk zonder analyse van de zorg of

klacht, van het probleem en van de best passende

aanpak. Bij ernstige, hardnekkige problemen is

zeker óók een verklaring nodig die inzicht geeft in

de veranderbare oorzaak of oorzaken. Kennis van

de oorzaak maakt een (ernstige) probleemsituatie

hanteerbaar of oplosbaar. Het doorlopen van de

genoemde stappen in de diagnostische cyclus is

meestal gericht op het vinden van concrete handvatten

voor behandeling, vertaald in een advies.

Behandeling zonder diagnostiek is niet alleen ongewenst,

maar ook onverantwoord. Dus mogen we

hoge eisen stellen aan de kwaliteit van het onderzoek

en de rapportage. Daarbij doet zich iets lastigs

voor, in het bijzonder bij wat we ‘psychologisch’

onderzoek noemen. Als je Wat is psychologisch

onderzoek googelt, vind je zowel de uitspraak dat

het onderzoek is dat door een psycholoog wordt

gedaan, als (vooral) de verwijzing naar het afnemen

van psychologische testen. Bekende voorbeelden

zijn persoonlijkheidstests, geheugen- en intelligentietests.

Ze worden in de praktijk in veel gevallen

standaard afgenomen vanuit het idee dat de resultaten

iets waardevols zeggen over het waarom van

een onderkend probleem. Het misverstand is dat dit

ook klopt in het geval van (ernstige) leerproblemen

met als belangrijkste kenmerk dat de basiskennis

niet of onvoldoende geautomatiseerd raakt. Dyslexie

is een bekend voorbeeld, maar ook dyscalculie

is in de kern een automatiseringsprobleem. In het

navolgende beantwoorden we rond dit misverstand

een aantal vragen die wellicht ook te stellen zijn ten

aanzien van andere inhoudelijke domeinen.

Wat is het idee achter verklarend psychologisch

onderzoek?

Bij een hardnekkig leerprobleem is psychologisch

onderzoek door een gedragsdeskundige een veelvoorkomende

keuze. Die onderzoekt doorgaans de

intelligentie van het kind en maakt een profielanalyse.

Het onderzoek wordt dikwijls uitgebreid met

vO TvO TvO TvO

het testen van cognitieve functies, zoals aandacht,

snelheid van informatieverwerking, werkgeheugen

en executieve functies. Het idee is dat het probleem

hiermee is te verklaren en dat het leidt tot goede

adviezen voor behandeling. Maar klopt dit idee?

Het antwoord is ‘nee’, zoals zal blijken.

vO TvO TvO TvO

Hoe weten we of we ter verklaring een veranderbare

oorzaak op het spoor zijn?

Stel dat we bij een leerling met een leerprobleem

een zwak ‘werkgeheugen’ vermoeden. We weten

vanuit de wetenschappelijke onderzoeksliteratuur

dat het trainen van het werkgeheugen na afloop

O TvO TvO TvO

(soms) wel betere prestaties op de getrainde geheugentaken

laat zien, maar dat het niet leidt tot beter

en vlotter rekenen. Een zwak werkgeheugen is dus

geen oorzaak en geen geldige verklaring. Het diagnostisch

onderzoek ernaar verklaart het probleem

niet en levert geen advies op. Wat leert de wetenschappelijke

literatuur ons nog meer?

O TvO TvO TvO

10 TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

Wat leert de beschikbare wetenschappelijke

kennis ons?

Wat betreft effecten op het meer geautomatiseerd

gaan rekenen blijkt uit de literatuur dat er ook geen

positieve effecten zijn na training van onder andere

O TvO TvO TvO

aandacht, verwerkingssnelheid, executieve functies,

ruimtelijke oriëntatie, intelligentie, ... Ai! Het

betekent dat de problemen hierdoor niet verklaard

O


vO TvO TvO TvO

worden en dat de adviezen die hiernaar verwijzen

zelfs niet kúnnen helpen. IQ-onderzoek is per definitie

al niet zinvol voor de onderkenning van dyscalculie

(net zomin als voor dyslexie), maar dus ook

niet voor de verklaring. Niet doen dus. Profielanalyses

zijn boeiend, maar overbodig. Waarom doen

we het dan dikwijls toch? Het meest ontluisterende

antwoord hoorden we tijdens scholingsbijeenkomsten:

omdat we het altijd zo doen! Wat moeten we

ánders onderzoeken?

Waar zijn verklaringen dan wel te vinden? Wat betekent

dat voor psychologisch onderzoek?

Rekenen is een vorm van dynamisch gedrag. Een

gedragsdeskundige zal dus een expert in het dynamische

rekengedrag moeten zijn dat zichtbaar is

tijdens het individuele rekenen-in-uitvoering. Dáár

doet het probleem zich voor, dáár ligt de verklaring

en dáár liggen ook de handvatten voor de aanpak. Al

in groep 3! Als er tijdens het rekenen-in-uitvoering

informatie wegvalt, is het cruciaal om na te gaan

wélke kennis er precies vergeten wordt, wat de vereiste

kwaliteit van die kennis is en hoe de hulp is af

te stemmen op het dynamische leerproces van déze

leerling om die kwaliteit te verbeteren. Oftewel: de

gedragsdeskundige moet een expert zijn die alles

weet over kennis, kwaliteit van kennis, instructie en

leren. Psychologische diagnostiek daarnaar is probleemgericht

maatwerk.

Wat levert psychologisch onderzoek naar een dynamisch

leerproces op?

Het meest interessante van psychologische diagnostiek

door een gedragsdeskundige in het geval

van een leerprobleem is het zo vroegtijdig mogelijk

kunnen doordringen tot de veranderbare

componenten van het individuele leerproces.

Afwachten tot de problemen zijn opgelopen en

inmiddels tot emotionele problemen leiden, is

onzinnig. Wanneer je weet om welk type kennis het

gaat (kennis van feiten, van procedures, metacognitie),

wat de kwaliteit van de aanwezige kennis is

en welke opbouw in instructie daarop aansluit, is al

vroeg in het leerproces de aanpak heel concreet te

formuleren. Zeg dan bijvoorbeeld niet: ‘Ondersteun

het geheugen visueel’, maar: ‘Oefen in deze stappen

eerst díe ontbrekende (declaratieve) feitenkennis

voordat je overstapt naar het stapsgewijs toepassen

ervan in déze procedure.’ Het is een vorm van

individuele diagnostiek die niet alleen recht doet

aan wat we vanuit de wetenschappelijke literatuur

kennen, maar die bovendien veel spannender is

dan het te laat afnemen van een test die niet aansluit

bij het onderkende probleem. Het vraagt échte

deskundigheid, zélf kritisch nadenken (in plaats

van een digitaal gegenereerd rapport) en voorkomt

kostbare tijdverspilling. Pas dan is optimisme op

zijn plaats.

Het zou een aardige denkoefening zijn om na te

gaan in hoeverre het voorgaande ook geldt voor

andere domeinen binnen de orthopedagogiek!

Wied Ruijssenaars

is emeritus-hoogleraar Orthopedagogiek

(Rijksuniversiteit Groningen).

Cécile Ruijssenaars-Elshoff

is orthopedagoog en coauteur van Berekend! Van

rekenprobleem tot dyscalculie.

gast

COLUMN

vO TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5

11


TvO TvO T

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

12

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

Infant Mental

Health: aandacht

voor de

relatie tussen

ouder en het

jonge kind

O TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

Interview met

Manon Mostert-Uijterwijk

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

Infant Mental Health is een relatief jong vakgebied binnen

de jeugdpsychiatrie. Manon Mostert-Uijterwijk, klinisch

O TvO TvO TvO

psycholoog en psychotherapeut, breekt een lans voor meer

onderzoek. ‘Jonge kinderen zijn volledig afhankelijk van hun

ouders. Als het schort aan die relatie, kan dat op de lange

TvO TvO TvO

termijn slecht uitpakken.’

Winnifred Jelier

TvO TvO TvO

Toen Manon Mostert-Uijterwijk in de jaren

negentig haar opleiding tot klinisch psycholoog

voltooide, stond Infant Mental Health nog in de

kinderschoenen. Gerichte aandacht voor het

mentale welzijn van het zeer jonge kind was er

weinig. Enkele onderzoeken waren gepubliceerd,

maar uitgebreide theorieontwikkeling moest nog

komen. Zelf raakte Manon enkele jaren later gefascineerd

door de specialisatie, waarbij de focus ligt

op de relatie tussen ouders en hun (zeer) jonge

kind. Want hoe beïnvloedt deze relatie de mentale

ontwikkeling van het kind eigenlijk? En ook: op

welke manier kun je ouders helpen om een betere

band met hun baby op te bouwen? Door de jaren

heen is er meer kennis beschikbaar gekomen.

En in 2011 verscheen het eerste handboek over

Infant Mental Health in Nederland (zie kader op

p. 18). Toch ontmoet Mostert-Uijterwijk nog weleens

scepsis als ze op publieke bijeenkomsten

over haar specialisatie vertelt.

Waar komt de scepsis over Infant Mental

Health vandaan?

‘Deels onwetendheid, denk ik. Mensen begrijpen

niet altijd waar jonge kinderen mee kunnen zitten.

Ze denken aan hun eigen kinderen. Die zijn goed

opgegroeid, dan zal het met andere kinderen toch

ook wel in orde komen? Of ze benadrukken dat

jonge kinderen nog volop in ontwikkeling zijn: iets

TvO TvO TvO

wat de ene week een punt van zorg is, kan enkele

weken later verdwenen zijn. Dat klopt natuurlijk.

En met de meeste kinderen komt het meestal ook

vanzelf goed. Maar sommige kinderen en hun

ouders hebben extra hulp nodig.’

Is er voldoende kennis?

TvO TvO TvO T

‘Nog lang niet. Zo weten we eigenlijk nog niet

genoeg over de werkelijke effecten van behandelingen

voor zeer jonge kinderen. Hulpverleners

zien weliswaar dat hun inspanningen resultaat

hebben en dat de relatie tussen ouders en hun

kind verbetert, maar systematisch onderzoek

ontbreekt veelal nog.

TvO TvO TvO Tv

Ook weten we weinig over hoe behandelingen op

de lange termijn uitpakken. Blijven de ervaren

verbeteringen in de relatie aanwezig, of dringen

de oude patronen zich na enkele jaren weer op?

Door het gebrek aan wetenschappelijke kennis

blijft het veld voornamelijk gebaseerd op best

practices. Het zou goed zijn als er meer geld voor

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 13


TvO TvO T

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

onderzoek beschikbaar kwam om hierin verandering

te brengen.’

Wat behelst Infant Mental Health?

‘Centraal staat de relatie tussen ouders en kind.

Jonge kinderen zijn sterk afhankelijk van hun

ouders of verzorgers. Hun “sense of self” is nog

nauwelijks ontwikkeld: ze kunnen nog niet of

nauwelijks nadenken over de situaties waarin ze

zich bevinden en hoe zij zich tot hun omgeving

verhouden. Ze hebben hun ouders nodig om te

overleven en zich te ontwikkelen.

Iedereen groeit op in een “systeem”, het geheel

van omstandigheden dat ouders voor het kind

O TvO TvO TvO

‘We weten weinig

over de lange termijn:

blijven de verbeteringen

aanwezig of dringen

oude patronen zich

weer op?’

creëren. Dat systeem is gebaseerd op bewuste en

onbewuste keuzes van ouders, op hun ervaringen

en op wat zij belangrijk vinden. Systemen kunnen

onderling sterk verschillen.

Als een systeem niet goed functioneert, komt

de hechting tussen ouder en kind onder druk te

staan. Zowel de ouders als het kind kunnen zich

O TvO TvO TvO

14

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

daardoor afwijkend gaan gedragen.’

Heeft u een voorbeeld van wat er mis kan gaan in de

relatie tussen ouder en kind?

‘Binnen de jeugdpsychiatrie is “the ghost in the

nursery” een bekend fenomeen: ouders nemen

hun verleden mee in de opvoeding van hun kind

O TvO TvO TvO

en dat pakt niet altijd positief uit. Vrijwel alle

ouders baseren de opvoeding op hoe ze zelf zijn

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

opgevoed. Ze pakken het bijvoorbeeld net zo aan

als hun ouders deden, met dezelfde gewoontes

en regels. Anderen doen dat juist niet. Denk aan

ouders die heel autoritair zijn opgevoed en er

vervolgens voor kiezen om hun kind heel vrij op

te voeden. Het punt is dat ze allemaal vanuit hun

eigen ervaringen, hun leergeschiedenis, de opvoeding

invullen.

Maar dat pakt niet altijd goed uit. Want wie zegt

dat het kind dezelfde behoeften heeft als de

ouder toen deze nog jong was? Kinderen verschillen

onderling sterk. Maar door “the ghost

in the nursery” blijven de individuele behoeften

van een kind soms onderbelicht. Het kind krijgt

bijvoorbeeld veel vrijheid en mag alles doen wat

het wil, maar wordt vervolgens onhanteerbaar.

Sommige kinderen zijn helemaal niet gebaat bij

veel vrijheid, maar hebben juist behoefte aan

duidelijke grenzen.’

Met wat voor problemen komen ouders meestal

naar u toe?

‘Vrijwel alle ouders

baseren de opvoeding

op hoe ze zelf zijn

opgevoed. Dat pakt niet

altijd goed uit’

‘Sommige problemen zijn heel concreet: hun kind

huilt veel of plast veel in bed. Of het lijkt alsof het

kind zich te traag ontwikkelt en bijvoorbeeld nog

niet praat, terwijl leeftijdgenoten al met volzinnen

komen. Andere problemen zijn complexer, bijvoorbeeld

door pathologie van de ouder zoals een

persoonlijkheidsstoornis. De variatie is groot en

ook de oorzaken lopen uiteen.’

Hoe krijg je daar als hulpverlener grip op?

‘De opleiding Infant Mental Health biedt hulpverleners

de kennis en vaardigheden om goed

met zulke vraagstukken om te gaan. Ze leren

breed te kijken. Belangrijk is dat hulpverleners

niet alleen over therapeutische en gespreksvaardigheden

beschikken, maar ook kennis hebben

Wat is Infant Mental Health?

Infant Mental Health is een multidisciplinaire

aanpak binnen de zorg voor (zeer)

jonge kinderen. Hulpverleners kijken met

een brede blik naar de ontwikkeling van

O TvO TvO TvO

het kind en hebben daarbij in het bijzonder

aandacht voor de relatie tussen ouder en

kind. Kennis uit de psychologie, psychiatrie

en andere medische wetenschappen wordt

gebruikt om problemen te analyseren.

Ouders en verzorgenden zijn zich er lang

TvO TvO TvO

niet altijd van bewust hoe zij het gedrag van

hun kind beïnvloeden. Met een hulpverlener

gespecialiseerd in Infant Mental Health

kunnen ze hier grip op krijgen en de relatie

met hun kind verbeteren als dat nodig is.

TvO TvO TvO

van ontwikkelingspsychologie en psychiatrische

diagnostiek. Voor adequate diagnostiek moeten

ze ook getraind zijn in het gebruik van een breed

arsenaal aan instrumenten. Gaandeweg kan

blijken dat de problematiek complexer is dan

aanvankelijk leek en dat meerdere interventies

nodig zijn.’

TvO TvO TvO

Juist bij zeer jonge kinderen krijg je als hulpverlener

vast ook te maken met veel onzekerheid: het kind zelf

kan immers nog maar weinig verduidelijken?

‘Bij Infant Mental Health ligt de focus op de relatie,

maar als hulpverlener beginnen we gewoonlijk bij

het verhaal van de ouders en de ervaringen die zij

TvO TvO TvO T

met het kind hebben.

Wat ouders ervaren als een probleem, komt in

die gesprekken naar voren. Denk aan excessief

huilen. Waar het vaak misgaat, is in de interactie

tussen het kind en de ouders. Een kind huilt bijvoorbeeld

urenlang zonder dat de ouders begrijpen

waardoor dit komt en wat zij eraan kunnen

TvO TvO TvO Tv

doen. Soms worden ze wanhopig, boos of gaan

ze slaan. Daardoor kunnen ze de situatie erger

maken – het kind gaat bijvoorbeeld nóg meer

huilen – maar op dat moment zien de ouders geen

alternatieven. Sommige ouders stoppen met reageren,

ze raken afgestompt. Jaren later merken

ze dan ineens dat ze moeite hebben om nog

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 15


TvO TvO T

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

16

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

aandacht op te brengen voor hun kind. Geen grote

verrassing. Ze hebben zich voor het kind afgesloten.

Dat het allang niet meer zo huilt, speelt dan

geen rol meer.’

Het klinkt alsof ouders soms behoorlijk kunnen

vastlopen.

‘Kinderen die vroeg

te maken krijgen met

verwaarlozing, kunnen

daar de rest van hun

leven last van houden’

O TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

‘Alle ouders willen het beste voor hun kind. Maar

een kind goed opvoeden, dat vindt bijna iedereen

uitdagend. Ouders begrijpen lang niet altijd hun rol

in het gedrag van hun kind. Als hulpverlener ben

ik veel bezig met ouders te helpen begrijpen hoe zij

zelf de situatie beïnvloeden en wat het perspectief

van het kind is. Wat gebeurt er tijdens die dagelijkse

bezigheden met hun kind? Hoe reageren de

ouders en het kind op elkaar? Dit zijn vragen waarmee

alle ouders weleens geconfronteerd worden,

maar niet iedereen kan er goed mee overweg.’

Hoe maak je als hulpverlener onderscheid tussen

zulke opvoedvragen en mogelijke stoornissen?

‘Belangrijk is dat je thuis bent in de jeugdpsychologie

en -psychiatrie en goed luistert naar wat ouders

je vertellen. Opvoedproblemen ontstaan vaak door

hoe ouders zelf zijn opgevoed. Ze komen bijvoorbeeld

uit een gezin waarin nooit over emoties werd

gepraat en staan vervolgens met hun mond vol

tanden als hun kind zich lastig gedraagt. Ze missen

het vocabulaire of zijn handelingsverlegen.

Als hulpverlener doe ik ouders soms voor hoe je

kinderen helpt om grip te krijgen op hun emoties.

Ik laat ze bijvoorbeeld zien hoe je een huilende

baby troost kunt bieden door het kind op te pakken

en rustig toe te spreken: “Och, wat ben je verdrietig.

Wat is er aan de hand?” Het is belangrijk dat

kinderen al vroeg ontdekken dat emoties namen

hebben. Hoewel gevoelens heel individueel zijn,

kunnen we er wel samen over praten en elkaar

Wie is Manon Mostert-

Uijterwijk?

TvO TvO TvO

Waarom huilen sommige baby’s zoveel?

Hoe kun je als ouder de relatie met je

peuter verbeteren? Deze vragen en vele

andere zijn dagelijkse kost voor Manon

TvO TvO TvO

Mostert-Uijterwijk, klinisch psycholoog en

psychotherapeut bij SGGZ-instantie Prodeba.

Mostert-Uijterwijk helpt ouders bij het verbeteren

van de relatie met hun jonge kind met

uiteenlopende interventies.

Daarnaast werkt ze als zelfstandig docent en

supervisor (voor VGCT, DAIMH, NVP, FGZPT,

TvO TvO TvO T

VKJP en NIP). Ze geeft onder meer cursussen op

het gebied van gedragstherapie en Infant Mental

Health bij King Nascholing, de RINO-groep in

Utrecht en de Prodeba Academy.

Ze is lid van de regionale tuchtcommissie te

Zwolle en is afgelopen jaar gestart met een

promotietraject bij de Universiteit Leiden.

TvO TvO TvO Tv

Mostert-Uijterwijk studeerde Psychologie aan

de Universiteit Utrecht; in 1998 voltooide ze

een postdoctorale studie tot klinisch psycholoog/psychotherapeut

aan de Universiteit van

Amsterdam.

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 17


18

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

Leestips van Manon Mostert-

Uijterwijk

Meer weten over Infant Mental Health,

helpen. Maar als je dit niet van jongs af aan hebt

meegekregen, dan moet je dit bewust leren.

Andere ouders hebben bijvoorbeeld moeite met

“mentaliseren”: ze kunnen zich slecht inleven in

TvO TvO TvO T

maar geen idee waar te beginnen? Hier zijn

enkele leestips van Manon Mostert-

Uijterwijk. Zelf las zij deze inspirerende

teksten met veel plezier. ‘Dit is een onderwerp

waar ik nooit op uitgekeken raak.’

hun kind. Daardoor begrijpen ze bijvoorbeeld niet

dat hun kind gaat jengelen na een lang bezoek van

de buren. Ze hadden het zelf immers heel gezellig.

Moeite met mentaliseren kan een gevolg zijn van

je eigen opvoeding, maar we zien het bijvoorbeeld

ook vaak bij ouders met een autismespectrumstoornis

of persoonlijkheidsstoornis. Zij moeten

TvO TvO TvO Tv

1. Infant Mental Health, door Marja Rijkswinkel

(2011).

Het eerste Nederlandse handboek over

Infant Mental Health, geschreven voor

hulpverleners die zich richten op de

ontwikkeling van het kind. Mostert-

Uijterwijk: ‘Een schat aan informatie.

heel bewust leren om stil te staan bij wat er in hun

kind omgaat.

In al dit soort situaties is er sprake van een verstoring

in de relatie tussen ouder en kind. De situaties

zijn niet het gevolg van een specifieke stoornis bij

het kind.’

vO TvO TvO TvO

Interessant voor iedereen die met kinderen

werkt, van orthopedagogen tot

psychiaters.’

2. What can the matter be? Therapeutic

interventions with parents, infants and

young children, door Elizabeth Bradley

en Louise Immanuel (2008).

Een introductie in de uiteenlopende

In deze tijden van informatieovervloed is het

gemakkelijk om als ouder bezorgd te raken over de

ontwikkeling van je kind. Hoe weet je of er iets schort

aan de relatie met je kind?

‘Statistisch onderzoek geeft ons gemiddelden en

kan niets zeggen over individuele kinderen. Hun

ontwikkeling is zelden een rechte lijn. Zo kan het

vO TvO TvO TvO

manieren waarop kinderen communiceren

en zich in een gezin gedragen.

‘Een van mijn favorieten dankzij de rijkdom

aan praktijkvoorbeelden. Een toegankelijk

en vaak humoristisch boek.’

3. Ghosts in the nursery. A psychoanalytic

approach to the problems of impaired

infant-mother relationships door Selma

Fraiberg, Edna Adelson en Vivian Shapiro

(1975).

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

Wetenschappelijk artikel over ‘the ghost

in the nursery’, het fenomeen waarbij

het onuitgesproken verleden van ouders

doorwerkt in de opvoeding van het kind.

‘Een klassiek artikel dat van grote betekenis

is geweest voor de ontwikkeling

van het vakgebied. Ook al richten we

ons vandaag de dag niet enkel op de

relatie tussen het kind en de moeder,

het artikel geeft een mooie indruk van

hoe relaties verstoord kunnen raken.’

zijn dat sommige kinderen al volop praten, terwijl

hun leeftijdgenoten nog maar enkele woorden

uitstoten. Dat hoeft helemaal niets te zeggen over

hun welzijn. De ene week kan een kind zich lastig

gedragen, de andere week is er niets meer aan de

hand. Daar is niet altijd een verklaring voor.’

O TvO TvO TvO

Maar als de ontwikkeling zo kan fluctueren, hoe

weet je als hulpverlener dan of je een behandeltraject

moet inzetten? Loop je niet het risico dat je een

probleem creëert?

‘In mijn ervaring leer je in de eerste gesprekken met

de ouders snel genoeg of een behandelingstraject

O TvO TvO TvO

‘Ik help ouders te

begrijpen hoe zij de

situatie beïnvloeden en

wat het perspectief van

het kind is’

O TvO TvO TvO

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

zinvol is. Belangrijk is om een beeld te krijgen van

hoe ouders het gedrag van hun kind ervaren, hoe

lang de situatie al speelt en of er mogelijk meer aan

de hand is. Daar zit een subjectieve component in.

Sommige ouders kunnen het goed aan als hun kind

enkele uren per dag huilt, terwijl andere ouders al

na een half uur tegen de muren oplopen. Als je als

hulpverlener merkt dat er spanningen zijn, dan

moet je daarop doorvragen. Het lastige gedrag van

een kind is vaak niet meer dan het beginpunt van

een gesprek. De werkelijke moeilijkheden moeten

dan nog boven tafel komen.’

Hoe komt het besluit tot behandelen tot stand?

‘Je kunt niet protocollair te werk gaan, zoals je

dat kunt doen bij oudere kinderen die aangemeld

worden met klachten zoals angsten of dwangmatig

gedrag. In plaats daarvan moet je op basis van

gesprekken, observaties en tests je een genuanceerd

beeld zien te vormen van waar het “systeem”

hapert. Als je problemen in de hechting signaleert,

kun je bijvoorbeeld de “Cirkels van Veiligheid”

(Powell et al., 2013) gebruiken, een instrument

dat je helpt om op een fijne manier met ouders in

gesprek te gaan over hun interactie met het kind.

Tijdens de behandeling kies je de “port of entry”,

de ingang tot de problematiek. Dat kan bepaald

gedrag van het kind zijn, maar ook gedrag van de

ouder. Vanuit deze ingang kun je de samenhang

met andere factoren stapsgewijs blootleggen.’

Zijn ouders opgelucht als ze hulp krijgen?

‘Dat wisselt. Als hulpverlener moet je geduldig

te werk gaan en zorgvuldig je woorden kiezen.

Ouders kunnen immers ook schrikken als ze in

het verslag zwart op wit zien dat hun relatie met

het kind tekortschiet. De nadruk moet liggen op

het feit dat je er bent om hen te helpen, niet om

iemand te veroordelen.’

Wat kunnen de gevolgen zijn als behandeling uitblijft?

‘Kinderen die in hun vroege ontwikkeling te

maken krijgen met verwaarlozing en mishandeling,

kunnen daar de rest van hun leven last van

houden, weten we uit onderzoek. Hun hersenen

ontwikkelen zich minder goed en ze hebben meer

moeite met sociaal-emotionele vaardigheden.

Hechtingsproblemen kunnen zich later op school

uiten in concentratieproblemen, waardoor het

leren lastiger wordt. Hoe beter ouders de behoeften

van een kind in acht nemen, hoe beter de ontwikkeling

van het kind is.

Je opvoeding en de relatie met je ouders draagt

O TvO TvO TvO

bij aan wie je bent, aan je identiteit. In de relatie

tussen de ouder en het jonge kind ontwikkelt het

kind geleidelijk aan een gezond “sense of self”.

Maar als een kind zich bijvoorbeeld altijd onveilig

voelde thuis, raakt dit zelfbeeld verstoord. Het lukt

kinderen dan bijvoorbeeld minder goed om op

TvO TvO TvO

latere leeftijd een gezonde liefdesrelatie te ontwikkelen,

omdat ze bang zijn dat de ander hen ieder

moment in de steek kan laten.

Het belang van aandacht voor Infant Mental Health

valt dus niet te onderschatten. Voor kinderen heeft

een gezonde relatie met de ouders invloed op de

rest van hun leven.’

TvO TvO TvO

Winnifred Jelier

journalist

René Schotanus

fotograaf

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 19


20

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

Ben ik normaal of

TvO TvO TvO T

neurodivergent?

TvO TvO TvO Tv

‘Ik trek dat gewoon niet, 8 uur per dag werken.’ Aldus

mijn vriendin M, nu in haar derde burn-out. Ik was

meteen boos. Hoe durfde ze dat zomaar te zeggen?

Alsof ik het zo leuk vind! Jemig, doe normaal!

Ho, ho, normaal bestaat niet – de gevleugelde

zin van therapeuten en hulpverleners overal ter

wereld. Maar ‘normaal’ bestaat wel degelijk, in

ons collectief bewustzijn in ieder geval wel. Bijvoorbeeld

als ‘neurotypisch’, een woord dat je

steeds vaker tegenkomt. Oorspronkelijk is het

afkomstig uit autismeonderzoek om niet-autisten

aan te duiden. (Ik denk dan: waarom niet gewoon

’controlegroep’ of ‘niet-autist’? Maar dat zal wel

aan mij liggen). ‘Neurotypisch’ wordt echter steeds

vaker buiten die autismecontext gebruikt. De

tegenhanger ‘neurodivergent’ is nog populairder.

Ik ben geen fan. Allereerst al om dat ‘neuro’. Iedereen

en z’n broer heeft tegenwoordig maar iets te

zeggen over ‘het brein’ en ‘neuro zus en zo’ met

nul onderbouwing. Als je niet met een hersenstructuur

of op z’n minst een biologisch mechanisme

op de proppen komt, blijf je met je fikken

van neurobiologische terminologie af. Wat is er

mis met het woord ‘geest’?

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

Maar goed, ik denk de laatste tijd veel na over

wat ‘normaal’ is. Ik zie vaak dingen langskomen

op Facebook in de trant van ‘als je neurodivergent

bent dan ...’ Dingen waarvan ik allemaal

denk: ‘Tja, eigenlijk heel normaal.’ Ben ik

dan neurodivergent?

vO TvO TvO TvO

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ‘normaal’

of ‘neurotypisch’ eigenlijk maar één ding

betekent: je gedrag en functioneren valt binnen

de sociaal-culturele norm voor gedrag en functioneren.

Maar hoe relevant is dat? Sociaal-culturele

normen verschillen per land en veranderen met

vO TvO TvO TvO

de tijd. Vroeger was je mentaal niet in orde als je

linkshandig was, of als je op hetzelfde geslacht

viel; nu niet meer. Ik betwijfel ten zeerste dat we

in de tussentijd – qua hersenstructuur – ‘neurotechnisch’

nou zo enorm veranderd zijn ...

O TvO TvO TvO

Iedereen en z’n broer

heeft tegenwoordig

maar iets te zeggen

over ‘het brein’

Het komt vaak over alsof er een set van omstandigheden

en gedragingen bestaat die voor iedereen

comfortabel, gemakkelijk en natuurlijk is en

dat daaruit automatisch onze sociaal-culturele

normen zijn voortgevloeid. Als je je ongemakkelijk

voelt binnen die kaders, is er dus iets

mis met je.

O TvO TvO TvO

Nou ben ik geen geschiedkundige of antropoloog,

maar ik weet vrij zeker dat in elk geval niet

al onze sociaal-culturele normen voortkomen

uit wat voor iedereen het meest comfortabel,

gemakkelijk en natuurlijk was. We hebben zeer

O TvO TvO TvO

waarschijnlijk allemaal behoeften en gevoeligheden

waardoor ‘normaal’ ons op de een of andere

manier moeite kost of moeilijk afgaat. Zou het

O


vO TvO TvO TvO

niet kunnen zijn dat die sociaal-culturele normen

die we met z’n allen gesteld hebben, gewoon de

grenzen zijn waarbinnen de meeste mensen het

kunnen ‘faken’?

Ik denk dat daar misschien ook die woede vandaan

kwam jegens mijn burn-out vriendin. We

doen onszelf misschien allemaal wel geweld aan

om in dat ‘normale’ kader te passen. Als je jezelf

geweld aandoet, word je vrijwel altijd boos als een

ander dat niet doet of niet lijkt te doen.

Misschien is er ook daarom de behoefte aan een

fysiologisch klinkende term als ‘neurodivergent’.

Ik heb al weleens eerder in columnvorm moeilijk

gedaan over onze obsessie met fysiologie. Dat idee

van: iets is pas echt als er een fysiologische oorzaak

voor te vinden is. Dat geldt dus ook voor het

afwijken van ‘de norm’. Dat mag kennelijk alleen

als er een ‘neuro’-label/diagnose is. Ik betrap

mezelf daar ook weleens op, als ik moeite heb met

‘normale’ dingen. In plaats van ‘Ik vind dit gewoon

moeilijk en dat is oké’, denk ik ‘Zou ik misschien

toch licht autistisch zijn?’

Hebben we dan te maken met overpathologisering?

De psychiater Allen Frances vindt van

wel en is een kruistocht begonnen tegen de

Josien de Bie

behaalde haar Master in Biologie aan de

Universiteit van Groningen en haar PhD in

Neurowetenschap in Sydney. Ze is wetenschapscommunicator,

jazz zangeres, standup

comedian, oprichtster van genderbrain.

com en een woesteling in het de-bunken van

gendermythes. Zij schrijft columns over haar

bezigheden.

COLUMN

vO TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

We doen onszelf

misschien allemaal

wel geweld aan om in

dat ‘normale’ kader te

passen

TvO TvO TvO

‘medicalisering van normaal gedrag’ in zijn boek

Saving normal. Ik vraag me af of hij het niet van

de verkeerde kant benadert. Is dat idee van een

‘(moeiteloos) normaal’ niet juist de boosdoener?

Zou het niet kunnen zijn dat we allemaal in meer

of mindere mate moeite hebben om binnen het

‘normaal’ te vallen? Moeten we daarom niet eens

TvO TvO TvO

kritisch kijken naar wat we normaal noemen en

hoe we erover denken? Is bijvoorbeeld zoiets als

8 uur per dag werken wel normaal? En waarom

vinden we dat? En ben je ‘neurodivergent’ als je

dat niet trekt?

Ik zou willen dat we wat minder deden alsof er

TvO TvO TvO

moeiteloos normaal bestaat. Doen we onszelf en

anderen daar niet eigenlijk enorm tekort mee? Ik

had in elk geval niet zo boos moeten worden. Het

spijt me M, je bent waarschijnlijk gewoon je tijd

ver vooruit.

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 21


22

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

Samenvatting

Een nieuwe screeningslijst voor verstoorde gehechtheid

bij jonge kinderen

TvO TvO TvO T

Validiteit van de Lijst

Signalen Verstoorde

Gehechtheid

TvO TvO TvO Tv

vO TvO TvO TvO

Hedwig van Bakel, Ruby Hall, Marianne de Wolff, Mariska Klein Velderman & Jennie Alberti

Een belangrijke taak voor professionals

die werken met jonge kinderen is

het ondersteunen van gezonde relaties tussen ouders

en kind. In deze studie is de validiteit van een korte

screeningslijst voor verstoorde gehechtheidsrelaties

onderzocht: Lijst Signalen Verstoorde Gehechtheid

(LSVG). De deelnemers waren tweehonderd gezinnen

met een kind tussen 1 en 6 jaar oud. Bij 54 gezinnen

vond een huisbezoek plaats en 146 ouders vulden

Het tot stand komen van een goede relatie tussen

ouder 1 en kind in de eerste levensjaren stimuleert

de verdere ontwikkeling van kinderen op verschillende

gebieden (Bateman & Fonagy, 2012; Rexwinkel

et al., 2011). Het zijn met name de dagelijkse

interacties tussen een ouder en kind die bijdragen

aan de kwaliteit van deze relatie, waarbij kinderen

die een gezonde relatie hebben opgebouwd

met een ouder herhaaldelijk positieve ervaringen

1 De term ‘ouder’ kan ook gelezen worden als ‘verzorger’

vragenlijsten in. De LSVG is een valide instrument

vO TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

gebleken door samenhang met geobserveerde kwaliteit

van de ouder-kindinteractie en een interview

over ouderlijke ideeën en verwachtingen, en door

samenhang met de algemene emotionele en gedragsontwikkeling

van het kind. De resultaten laten zien

dat de screeningslijst LSVG een bruikbaar instrument

O TvO TvO TvO

is om te screenen op verstoorde gehechtheid bij kinderen

tussen 1 en 6 jaar oud.

hebben gehad met deze ouder. De ouder reageert

adequaat op signalen en behoeften van het kind en

O TvO TvO TvO

op basis van deze ervaringen verwacht een kind

dat de ouder beschikbaar is en het zal troosten in

tijden van nood, als het kind angstig, verdrietig of

van streek is. Baby’s en jonge kinderen die deze

positieve ervaringen niet hebben gehad en bij wie

de signalen om nabijheid te vinden werden ontmoedigd,

afgewezen, of niet consequent werden

O TvO TvO TvO

beantwoord, bouwen een minder optimale relatie

met de ouder op. Deze kinderen kunnen niet

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

Het is wenselijk om al

in een vroeg stadium

een verstoorde

ouder-kindrelatie te

voorkomen

vertrouwen op de emotionele beschikbaarheid van

de ouder en vertonen in tijden van nood minder

optimaal gedrag, zoals het niet tonen van gevoelens

of juist te aanhankelijk gedrag naar de ouder

toe. De gehechtheidsrelatie die deze kinderen met

hun ouder opbouwen, wordt ook wel onveilige

gehechtheid genoemd (zie Richtlijn Problematische

Gehechtheid, 2020). Hoewel een onveilige

relatie niet het meest optimaal is en ondersteuning

zeker wenselijk kan zijn (mits het samengaat met

fors probleemgedrag), spreken we dan nog niet van

een verstoorde gehechtheid.

Kinderen van wie de ouder echter afwijkend ouderlijk

gedrag vertoont, zoals extreem negatief reageren,

beangstigend gedrag laten zien, tegenstrijdige

signalen uitzenden naar het kind, of zich volledig

terugtrekken uit het contact met het kind, hebben

wel een groter risico om een problematische of verstoorde

gehechtheidsrelatie op te bouwen (Deklyen

& Greenberg, 2008; Crawford & Benoit, 2009).

Zulke extreme vormen van ‘mismatch’ leiden

tot angst en emotionele ontregeling bij het kind,

omdat de ouder in deze gevallen tegelijkertijd bron

van troost en verzorging is, en een bron van angst

en onrust. Dit kan tot ontregeling van de emotieregulatie

bij het kind leiden en uiteindelijk tot een

problematische of verstoorde gehechtheidsrelatie

met de ouder (Main & Solomon, 1986).

Vroeg signaleren

Het is wenselijk om al in een vroeg stadium een

verstoorde ouder-kindrelatie te voorkomen. Dat

kan door middel van bijvoorbeeld ondersteuning

in de vorm van videofeedback of therapie (Juffer

et al., 2008; Klein-Velderman, 2011; Sterkenburg

et al., 2014). Om deze ondersteuning te kunnen

bieden, is het belangrijk om juist die kinderen te

identificeren die een verstoorde gehechtheidsrelatie

met hun ouder of belangrijke verzorger(s)

ontwikkelen. Tot op heden ontbreekt het echter

aan een gevalideerd, kort screeningsinstrument

om kinderen met ernstig verstoorde en problematische

gehechtheidsrelaties te identificeren. Er zijn

O TvO TvO TvO

weliswaar instrumenten ontwikkeld voor professionals

om de kwaliteit van de ouder-kindrelatie

en de kwaliteit van interactief gedrag tussen ouder

en kind te beoordelen. De meeste instrumenten

vereisen echter een intensieve training en zijn

niet toepasbaar in de klinische praktijk, omdat

TvO TvO TvO

ze tijdrovend zijn of alleen ontworpen zijn voor

onderzoeksdoeleinden. In de Verenigde Staten

hebben de psychiaters Neil Boris en Charles

Zeanah de lijst ‘Behavioural Signs of Disturbed

Attachment’ ontwikkeld voor jonge kinderen

met een hoog risico op het ontwikkelen van verstoorde

gehechtheidsrelaties (Boris et al., 2005;

TvO TvO TvO

Zeanah et al., 2016). Hoewel Zeanah en Boris deze

lijst met gedragssignalen niet als een specifiek

screeningsinstrument voorstelden, kunnen deze

signalen gezien worden als indicatoren van verstoorde

en problematische gehechtheidsrelaties.

De Lijst Signalen Verstoorde Gehechtheid (LSVG)

bevat beschrijvingen van gedragingen die kunnen

TvO TvO TvO

wijzen op een verstoorde gehechtheidsrelatie:

namelijk een gebrek aan het zoeken van genegenheid,

gebrek aan het zoeken van troost, gebrek

aan hulp zoeken, niet samenwerken, weinig

exploratief gedrag, te veel controlerend gedrag,

en tot slot afwijkende reacties op vreemden en

TvO TvO TvO T

op scheidings- en herenigingssituaties. In de huidige

studie is onderzocht of de LSVG een valide

screeningsinstrument is om verstoorde relaties op

te sporen voor professionals in de Jeugdgezondheidszorg

(JGZ) en specialistische jeugdzorg.

Hoe is het onderzoek uitgevoerd?

TvO TvO TvO Tv

Tussen 2017 en 2019 werden 200 gezinnen

(ouders) met een kind tussen 1 en 6 jaar geworven

voor het onderzoek. Gezinnen werd gevraagd

deel te nemen wanneer zij a) het consultatiebureau

bezochten voor een reguliere controle met

14 maanden (overige consultatiebureaus, n = 33)

of op 2-2,5 jaar (consultatiebureaus Westelijke

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 23


24

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

Voor alle kinderen

vulde de professional

de LSVG in op basis

van een observatie

van ouder en kind

Mijnstreek, n = 139) of b) tijdens een intake- en

oriëntatiegesprek bij een jeugdzorginstelling

(n = 5), instelling voor geestelijke gezondheidszorg

(n = 15) of centrum voor spraak-/taalproblematiek

(n = 8) als het kind daarnaar was doorverwezen.

Professionals informeerden de ouders over het

doel, de opzet en vrijwilligheid van deelname

aan het onderzoek. Wanneer bij het kind sprake

was van neurologische problemen, aangeboren

aandoeningen, syndromen of prematuriteit en/of

ouders de Nederlandse taal niet of onvoldoende

spraken, konden ze niet deelnemen.

Voor alle deelnemende kinderen vulde de professional

de LSVG in op basis van een observatie van

Organisaties

Consultatiebureau

Jeugdzorginstellingen

Geestelijke Gezondheidszorg

Centrum voor spraak- en taalproblemen

ouder en kind, ofwel tijdens een reguliere controle

op het consultatiebureau ofwel tijdens een intakefase

van het kind/gezin.

Alle deelnemende professionals hadden meerdere

TvO TvO TvO T

jaren ervaring, en waren bekend met de gehechtheidstheorie,

het observeren van kwaliteit van

gehechtheidsgedrag en signalen van verstoord

gehechtheidsgedrag bij kinderen.

Van de 64 gezinnen die geworven werden via

praktijkinstellingen en consultatiebureaus (overig)

TvO TvO TvO Tv

gingen 54 (84 procent) gezinnen akkoord met een

twee uur durend huisbezoek. Zij vormen de huisbezoek

(HB-)steekproef in het onderzoek. 42 procent

van de kinderen in deze gezinnen was tussen

1 en 3 jaar oud en 58 procent tussen 3 en 6 jaar.

HB-steekproef

vO TvO TvO TvO

Tijdens het huisbezoek (1,5-2 uur) werd het

gedrag van het kind geobserveerd (Attachment

Q-Sort), werd een video-opname gemaakt

van een spelsituatie met ouder en kind

(NICHD-beoordelingsschalen) en werd de ouder

vO TvO TvO TvO

Totale steekproef

N = 200

HB-steekproef

n = 54

VL-steekproef

n = 146

% % %

O TvO TvO TvO

Geslacht kind

Jongens 60 61 53

Opleidingsniveau ouder*

Laag

Gemiddeld

Hoog

Onbekend

O TvO TvO TvO

Geslacht deelnemende ouder

Moeder 96 94 100

Burgerlijke staat

Gehuwd of samenwonend

Alleenstaand

Onbekend

O TvO TvO TvO

Tabel 1. Achtergrondkenmerken

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

86

3

7

4

5

30

55

10

89

7

4

61

6

22

11

7

28

44

20

89

11

0

95

1,5

2

1,5

5

30

59

6

89

5,5

5,5

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

geïnterviewd om de ouderlijke representaties

te beoordelen (Working Model of the Child

Interview). Verder werd ouders gevraagd om

online vragenlijsten in te vullen (demografische

variabelen, Strengths en Difficulties BITSEA,

AQS-zelfrapportage, en Caregiving Experiences).

De tien gezinnen die niet instemden met een

huisbezoek hadden daarvoor verschillende redenen

(meestal weinig tijd, een ouder die opgenomen

was in het ziekenhuis, geen interesse). De

LSVG-scores van de kinderen in de tien gezinnen

verschilden niet significant van de kinderen bij

wie wel een huisbezoek plaatsvond (gemiddelde

LSVG-score thuis bezochte kinderen 11,7; niet

thuis bezochte kinderen 12,8, p = ,35). Hun vragenlijstgegevens

werden wel meegenomen in

de analyses, als onderdeel van de tweede onderzoeksgroep:

de vragenlijsten (VL-)steekproef.

VL-steekproef

De VL-steekproef (n = 146, waar ouders alleen

vragenlijsten invulden) bestond naast de

genoemde 10 gezinnen, uit 136 gezinnen geworven

via consultatiebureaus Westelijke Mijnstreek.

Kinderen in deze gezinnen waren tussen 2 en

2,5 jaar oud.

Er waren geen significante verschillen in

achter grondkenmerken tussen de HB- en

VL-steekproeven.

Meetinstrumenten

Er zijn verschillende instrumenten gebruikt om de

validiteit van de LSVG te evalueren.

Lijst Signalen Verstoorde Gehechtheid (LSVG)

De Nederlandse vertaling van het instrument

Behavioural Signs of Disturbed Attachment

(Zeanah et al., 1993; Boris et al., 1997; Boris et

al., 2005; Dekker-van der Sande & Janssen, 2010)

bevat acht beschrijvingen van gedragingen die

kunnen wijzen op een verstoorde gehechtheidsrelatie:

het ontbreken van genegenheid, troost

of hulp zoeken, samenwerken of exploreren, het

vertonen van controlerend gedrag en bijzondere

reacties op vreemden of op scheiding/hereniging

Het invullen van de

LSVG resulteert niet

in een gehechtheidsclassificatie

(veilig/onveilig)

O TvO TvO TvO

met de ouder. Elk van de acht beschrijvingen wordt

gescoord van 1 (bijna altijd normaal) tot 5 (bijna

altijd verstoord), met een totaalscore variërend van

TvO TvO TvO

8-40 (De Wolff et al., 2020, Dekker et al, 2010). Een

hogere score wijst op meer signalen van verstoord

gehechtheidsgedrag van het kind. Het invullen van

de LSVG resulteert niet in een gehechtheidsclassificatie

(veilig/onveilig), maar geeft aan of verdere

klinische beoordeling van de gehechtheidsrelatie

wenselijk is. Hoe hoger de score op de LSVG is,

TvO TvO TvO

hoe groter de kans is dat het kind een verstoorde

gehechtheidsrelatie heeft met zijn/haar ouder.

Gehechtheid van het kind

Om te onderzoeken of de LSVG meet wat deze

beoogt te meten (convergente validiteit), wordt de

TvO TvO TvO

LSVG gerelateerd aan instrumenten waarvan verondersteld

wordt dat ze dezelfde of vergelijkbare

constructen meten als de LSVG (gehechtheidsgedrag).

In de HB-steekproef werd de Attachment

Q-Sort (AQS) gebruikt om het gehechtheidsgedrag

van het kind te beoordelen (Waters, 1995; Waters

& Deane, 1985). De AQS wordt beschouwd als een

TvO TvO TvO T

gouden standaard en valide maat om gehechtheidsgedrag

te beoordelen (Van IJzendoorn et al.,

2004) en bestaat uit 90 specifieke gedragskenmerken

van kinderen tussen 12 en ongeveer 48 maanden

die worden geobserveerd tijdens een 2,5 tot

3 uur durend huisbezoek en worden beoordeeld

als 1 = ‘minst kenmerkend voor het kind’ tot 9 =

‘meest kenmerkend voor het kind’. De score, die

TvO TvO TvO Tv

kan variëren tussen 1,00 (meest optimaal) en

-1,00 (minst optimaal), is de correlatiecoëfficiënt

tussen het profiel van het geobserveerde kind en

het profiel van een door experts beoordeeld ‘optimaal

gehecht’ kind (Waters & Deane, 1985).

Daarnaast gebruikten we een door ouders zelf

ingevulde, verkorte versie van de AQS. Deze omvat

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 25


26

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

31 stellingen die optimaal gedrag beschrijven

en 30 stellingen die het minst optimale gedrag

beschrijven. Ouders waarderen elke stelling op

een 7-punts Likertschaal, variërend van ‘helemaal

niet kenmerkend voor hun kind’ (score 1)

tot ‘zeer kenmerkend voor hun kind’ (score 7).

De totaalscore werd berekend door de scores van

de 31 items met de hoogste criteriumscores en

de omgescoorde scores van de 30 items met de

laagste criteriumscores bij elkaar op te tellen.

Deze verkorte versie van de AQS bleek in eerder

onderzoek significant gerelateerd te zijn aan sensitiviteit

en zelfvertrouwen van ouders (Gartstein

& Iverson, 2014).

Kwaliteit van ouder-kindinteractie

In de HB-groep werd het gedrag van de ouders tijdens

de spelsituatie met hun kind beoordeeld met

behulp van een aangepaste versie van de kwalitatieve

schalen Observational Ratings of Mother-Child

Interaction van het National Institute of Child

Health and Human Development Early Care Research

Network (NICHD-coderingsschalen, 1999).

Er werd gekeken naar sensitief gedrag, in trusief

gedrag en teruggetrokken gedrag van ouders in

interactie met hun kind (zie Hoffenkamp (2015)

voor een uitgebreide beschrijving van de coderingsschalen).

De subschaal sociaal gedrag werd

gebruikt om het interactieve gedrag van het kind

te beoordelen.

Representaties van

ouders worden

beschouwd als de basis

van de relatie tussen

ouder en kind

Ideeën en verwachtingen van ouders

Representaties ofwel ideeën en verwachtingen

van ouders worden beschouwd als de basis van

de relatie tussen ouder en kind. Ze weerspiegelen

de emotionele ervaringen van ouders met hun

kind en vormen de blauwdruk voor het gedrag van

ouders ten opzichte van hun kind (George &

Solomon, 2008). Deze representaties zijn op

twee manieren gemeten: 1) door ouders te interviewen

aan de hand van de verkorte versie van

het Working Model of the Child Interview (WMCI;

TvO TvO TvO T

Zeanah et al., 2014) en 2) door middel van een

zelfrapportagevragenlijst Caregiving Experiences

Questionnaire (CEQ) (Nederlandse versie CEQ;

Brennan et al., 2013) ingevuld door de ouders.

Deze 40-item vragenlijst geeft inzicht in ideeën en

verwachtingen van de ouder met betrekking tot

vijf dimensies van zorg (plezier, ontmoedigen van

TvO TvO TvO Tv

nabijheid, extreem verzorgend, hulpeloosheid en

rolomkering).

Algemene emotionele en gedragsontwikkeling

Om de emotionele en gedragsontwikkeling van de

kinderen in kaart te brengen, is gebruikgemaakt

van de Brief Infant-Toddler Social and Emotional

vO TvO TvO TvO

Assessment (BITSEA, Kruizinga et al., 2012) voor

kinderen onder de 3 jaar en Strengths and Difficulties

Questionnaire (SDQ; Van Widenfelt et al., 2003)

indien het kind ouder was dan 3 jaar.

De BITSEA bestaat uit 42 items en meet zowel problemen

als achterstanden in het verwerven van

competenties bij 12-36 maanden oude kinderen.

vO TvO TvO TvO

De SDQ is een gedragsscreeningsvragenlijst voor

kinderen van 3-17 jaar en bestaat uit 25 items op

5 verschillende schalen: emotionele symptomen,

gedragsproblemen, hyperactiviteit/aandacht,

relatieproblemen met leeftijdsgenoten, en prosociaal

gedrag.

O TvO TvO TvO

Welke resultaten komen uit de

analyses?

De door de professionals genoteerde LSVG-scores

varieerden van 8-35, met een gemiddelde score

O TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

van 10,3 (standaardafwijking = 4,1), een mediaan

en een modus van 8. Van alle kinderen

kreeg iets meer dan de helft (53 procent) de

minimumscore 8. Dit betekent dat er geen enkele

aanwijzing was voor verstoorde gehechtheid.

Daarnaast behaalde 10 procent van de kinderen

een score van 16 of hoger op de LSVG. Een score

O TvO TvO TvO

van 16 en hoger betekent dus dat er veel aanwijzingen

zijn voor een verstoorde gehechtheid en

dat er forse zorgen zijn over de ouder-kindrelatie.

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

Er waren significante verschillen tussen de

LSVG-scores van de kinderen die via de verschillende

organisaties ingestroomd waren (F (3, 199)

= 13,17, p < ,001). Kinderen op het consultatiebureau

scoorden gemiddeld lager op de LSVG (M

= 9,7) dan kinderen die in behandeling waren bij

een GGZ-instelling (M = 15,4, p = ,008). Kinderen

op de consultatiebureaus scoorden ook lager

op de LSVG dan kinderen aangemeld bij jeugdzorgorganisaties

(M = 15,4, p < ,001). Er werden

geen significante verschillen gevonden tussen

de LSVG-scores van de kinderen bij de consultatiebureaus

en de centra voor spraak- en taalproblemen

(M = 10,0, p = ,08). Ook verschilden de

LSVG-scores van jongens (M = 10,6) en meisjes

(M = 9,9) niet van elkaar (F (1) = 1,6, p = ,21).

Meet de LSVG wat deze beoogt

te meten?

Om te bepalen of de LSVG datgene meet wat hij

beoogt te meten (verstoorde gehechtheidsrelaties

tussen ouder en kind), onderzochten we eerst

de correlaties tussen de LSVG enerzijds en de

scores van de AQS tijdens de huisbezoeken, en

de AQS-vragenlijst zoals ingevuld door de ouder

anderzijds. De LSVG-score hing significant samen

met de AQS-thuisobservatie (r = -,495, p < ,01) en de

AQS-zelfrapportage van de ouder (r = -,312, p < ,01).

De samenhang tussen geobserveerd gehechtheidsgedrag

(LSVG) en door ouders zelf gerapporteerd

gehechtheidsgedrag was r = ,615 (p < ,01). Dit betekende

dat kinderen met een hogere score op de

LSVG minder optimaal gehechtheidsgedrag naar

hun ouder lieten zien tijdens het huisbezoek en dat

ook hun ouders minder optimale gehechtheidsgedragingen

van het kind naar hen toe rapporteerden.

Interactie tussen ouder en kind en ouderlijke

representaties

Ouders van kinderen met een hogere score op de

LSVG lieten meer intrusief en opdringerig gedrag

zien en waren meer negatief (r = ,440, p < ,01),

te zien tijdens de vrij-spelsituatie. Er werd geen

samenhang gevonden tussen de score op de LSVG

en de mate van sensitief gedrag van de ouder

(r = -,187, p = ,19). Wel lieten de resultaten zien

dat hoe hoger de score op de LSVG was, hoe lager

het kind scoorde op sociaal gedrag (r = -,278,

p < ,01) in interactie met de ouder tijdens een

huisbezoek.

O TvO TvO TvO

Resultaten lieten verder zien dat ouders van kinderen

met een hogere score op de LSVG vaker

verstoorde representaties hadden zoals blijkt uit

het interview (WMCI-D-schaal) (r = ,533, p < ,01).

Ouders van deze kinderen rapporteerden vooral

minder plezierige zorgervaringen (r = -,252,

p < ,01) en meer hulpeloosheid (r = ,396, p < ,01).

TvO TvO TvO

De LSVG hing ook samen met scores van het

kind op de SDQ en BITSEA. Ouders van 3- tot

6-jarige kinderen met een hogere LSVG-score

rapporteerden meer probleemgedrag bij hun kind

(r = ,513, p < ,01). Ouders van kinderen tussen

TvO TvO TvO

1 en 3 jaar die signalen vertoonden van verstoorde

gehechtheid, rapporteerden tevens lagere

scores op de competentieschaal van de BITSEA

(r = -,530, p < ,01).

Nauwkeurigheid LSVG

TvO TvO TvO

Het doel van de LSVG is om kinderen die mogelijk

een verstoorde, gedesorganiseerde gehechtheidsrelatie

met de ouder hebben ontwikkeld,

vroegtijdig op te sporen. Hiervoor werden de

gevoeligheid en specificiteit van de LSVG bepaald

en werd met behulp van de AQS een maat

gecreëerd die kinderen classificeerde als veilig

TvO TvO TvO T

of onveilig gehecht. Kinderen met een geobserveerde

AQS-score lager dan 0,10 werden geclassificeerd

als ‘onveilig gehecht’ en kinderen met

een score tussen 0,11 en 1,00 als ‘veilig gehecht’

(Solomon & George, 2008; Van Bakel, 2002). In de

TvO TvO TvO Tv

Ouders van kinderen

met een hogere score

op de LSVG lieten meer

intrusief en opdringerig

gedrag zien

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 27


28

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

onderzoeksgroep bleek dat 5 kinderen (10 procent)

een score onder 0,10 hadden.

Bij een afkapscore van 16 op de LSVG (waarbij de

gevoeligheid ,80 en specificiteit ,89 was met de

AQS als criterium) bleek dat kinderen die daadwerkelijk

een verstoorde gehechtheid hadden,

nauwkeurig werden geïdentificeerd. Kinderen die

geen verstoorde relatie hadden, bleken ook daadwerkelijk

lager te scoren dan 16 op de LSVG.

Discussie

Met deze studie beoogden we te onderzoeken of de

Lijst Signalen Verstoorde Gehechtheid jonge kinderen

met een verstoorde gehechtheidsrelatie nauwkeurig

kan identificeren. De resultaten, op basis

van samenhang tussen de LSVG en andere meetinstrumenten,

toonden aan dat de LSVG inderdaad

voldoende geschikt is om deze signalering te doen.

Ouderlijke sensitiviteit als een specifieke dimensie

van de kwaliteit van de ouder-kindinteractie

hing niet samen met verhoogde scores op de

LSVG. Dit komt overeen met resultaten uit eerdere

studies waaruit bekend is dat voornamelijk

afwijkende ouderlijke gedragingen (o.a. extreem

intrusief gedrag) tot verstoord gehechtheidsgedrag

bij kinderen kunnen leiden – en niet zozeer sensitiviteit

van ouders.

Tot slot vertoonden kinderen die hoog scoorden

op de LSVG ook meer gedragsproblemen zoals

gemeten met de SDQ/BITSEA-vragenlijsten (en

gerapporteerd door hun ouders). Dit is conform de

verwachting, omdat verstoringen in de gehechtheidsrelatie

voorspellend zijn voor de ontwikkeling

van psychopathologie bij het kind (Colonnesi

et al., 2011; Madigan et al., 2016; Spruit et al.,

2019). De relatie kan ook andersom zijn: kinderen

met meer probleemgedrag (zoals gerapporteerd

door hun ouders) vertonen ook meer tekenen van

verstoorde gehechtheid. Zij tonen bijvoorbeeld

minder genegenheid en gevoelens, ze gaan niet

of nauwelijks in op vragen of verzoeken van de

ouder, ze klampen zich vast aan de ouder of laten

geen enkele drang zien om de omgeving te verkennen.

De significante samenhang tussen de

LSVG en de SDQ/BITSEA zou er ook op kunnen

wijzen dat de LSVG niet alleen problemen in de

ouder-kindrelatie aangeeft, maar ook andere

gedragsproblemen of problemen in het algemeen.

Dit duidt op het nut van het gebruik van de LSVG

TvO TvO TvO T

als een screener. Bij hogere scores op de LSVG is

verder onderzoek naar de gehechtheidsrelatie en

de ontwikkeling van het kind gerechtvaardigd.

Kinderen die aangemeld werden door de consultatiebureaus

vertoonden significant minder tekenen

van verstoorde gehechtheid in vergelijking met

TvO TvO TvO Tv

kinderen die aangemeld werden bij de geestelijke

gezondheidszorg of jeugdzorginstellingen, maar

niet bij spraak-taalcentra. Dit kan verschillende

redenen hebben. Ten eerste ondervinden de families

van kinderen die hulp zochten bij – of doorverwezen

werden naar – de jeugdzorginstellingen

voor geestelijke gezondheidszorg meer problemen

vO TvO TvO TvO

met hun kind in het algemeen, en mogelijk dus

ook in de ouder-kindrelatie. Aangezien ongeveer

15 procent in de algemene kinderpopulatie een

gedesorganiseerde gehechtheidsrelatie heeft (Van

IJzendoorn et al., 1999) is dit niet verwonderlijk.

vO TvO TvO TvO

Ten tweede kan sprake zijn van bias door zelfselectie:

ouders van wie de kinderen meer (gehechtheids)problemen

hebben, hebben wellicht niet

deelgenomen aan het onderzoek. Ouders namen

geheel vrijwillig deel aan het onderzoek en de

vraag kan rijzen of juist ouders van kinderen met

meer gehechtheidsproblematiek minder bereid

O TvO TvO TvO

waren om deel te nemen aan de studie. Anderzijds,

alle kinderen die een score boven de cut-off

van 16 op de LSVG behaalden, behaalden ook een

zeer lage score op de AQS (<.10), wat wijst op een

verstoorde gehechtheidsrelatie en dus de validiteit

(sensitiviteit) van de lijst als screeningsinstrument

ondersteunt.

Een andere beperking van de studie was dat de

O TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

studie geen maat voor divergente validiteit bevatte.

Dat laat ruimte voor de vraag of de gedragssignalen

die werden waargenomen door professionals

louter gehechtheidsproblemen waren of

meer indicatief waren voor andere of algemene

gedragsproblematiek. Desalniettemin kan de LSVG

worden gebruikt als een screeningsinstrument

O TvO TvO TvO

voor verstoord gehechtheidsgedrag en zouden

professionals relationele problemen of het bestaan

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

van andersoortige problemen in elk individueel

geval nader moeten onderzoeken. De kracht van

de huidige studie is dat naast de gegevens uit vragenlijsten

ook observaties in de thuissituatie zijn

uitgevoerd en dat diepte-interviews bij ouders zijn

afgenomen. Hierdoor werd meer inzicht verkregen

in de verschillende aspecten van de kwaliteit van

de ouder-kindrelatie (Stern, 1995). Deze overvloed

aan gegevens toonde aan dat de LSVG sterk

samenhangt met verschillende aspecten van de

ouder-kindrelatie en met de ontwikkeling van jonge

kinderen.

Implicaties voor de praktijk

De LSVG is een gemakkelijk toe te passen, valide

instrument om te screenen op verstoorde gehechtheid

bij kinderen in de leeftijd tussen de 1 en 6 jaar.

De lijst geeft een eerste, valide aanwijzing om een

vermoeden van een verstoorde ouder-kindrelatie

te bevestigen of te weerleggen. Bij een totaalscore

van 16 of hoger zijn er aanwijzingen voor een

verstoorde gehechtheidsrelatie. Er is dan meer en

uitgebreid (diagnostisch) onderzoek nodig naar de

aard en/of de ernst van de problemen. De LSVG

levert echter geen gehechtheidsclassificatie op.

Een lage score op de LSVG mag daarom niet geïnterpreteerd

worden als een aanwijzing dat de relatie

optimaal is. Belangrijk is dat de professionals

die de lijst gebruiken op de hoogte zijn en kennis

hebben van de gehechtheidstheorie en ontwikkeling

van ouder-kindrelaties. De JGZ Richtlijn

Ouder-kindrelatie (De Wolff & Lanting, 2021) en/of

de Jeugdhulp Richtlijn Problematische gehechtheid

(De Wolff et al., 2020) kunnen hierbij behulpzaam

zijn. Een uitgebreide training is voor gebruik van de

lijst niet nodig.

Over de auteurs

Prof. dr. Hedwig van Bakel

is gz-psycholoog en Infant Mental

Health Specialist DAIMH, ze is

werkzaam als bijzonder hoogleraar

Infant Mental Health bij Tilburg

University, Departement Tranzo en

Youz Kinder- en Jeugdpsychiatrie.

Dr. Ruby Hall

promoveerde bij Tilburg University

op een studie naar de ontwikkeling

van gehechtheid binnen gezinnen

met een te vroeg geboren baby, is

Infant Mental Health consulent

O TvO TvO TvO

DAIMH en is momenteel werkzaam

als psycholoog i.o. tot GZ-psycholoog

bij Youz Kinder- en Jeugd Psychiatrie.

Dr. Marianne de Wolff

is pedagoog, ze werkt als onderzoeker

TvO TvO TvO

en richtlijnontwikkelaar bij TNO,

afdeling Child Health, aan projecten

rond psychosociale ontwikkeling,

gehechtheidsrelaties en veerkracht.

Dr. Mariska Klein Velderman

TvO TvO TvO

is gezinspedagoog, ze werkt als onderzoeker

bij TNO, afdeling Child Health.

Ze is projectleider van het TNO-

kennisprogramma ‘Weerbare jeugd

en ouderschap’, gericht op psychosociale

aspecten van gezond, veilig en

kansrijk opgroeien en opvoeden in

TvO TvO TvO

verschillende sectoren verantwoordelijk

voor de zorg voor jeugd.

Jennie Alberti

is klinisch psycholoog, ze is

werkzaam bij Zuyderland Medisch

Centrum, team Kind en Adolescent.

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

Geraadpleegde literatuur kunt u

vinden op:

www.tijdschriftvoororthopedagogiek.nl

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 29


30

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

In ander nieuws

TvO TvO TvO T

Kinderen uit arme

gezinnen nemen

meer risico’s

Dat de sociaal-economische achtergrond van

kinderen belangrijke gevolgen kan hebben

voor hun ontwikkeling, wisten we al. Nu blijkt

uit onderzoek ook dat kinderen uit armere

gezinnen meer risico nemen dan kinderen

uit rijkere gezinnen. In een onderzoek van

Boston University werd bekeken of en hoe de

risicovoorkeur varieerde tussen kinderen met

een verschillende sociaal-economische status.

Kinderen tussen de vier en tien jaar mochten

kiezen of ze direct een aantal stickers kregen,

of 50 procent kans hadden op veel meer stickers

door aan een rad te draaien. De armere

kinderen kozen vaak voor het grotere risico.

Onderzoeker Peter Blake: ‘Het onderzoek

levert bewijs dat risicovolle beslissingen in de

kindertijd niet altijd een weerspiegeling zijn

van een slecht beoordelingsvermogen of een

gebrek aan zelfbeheersing.’ Ook hoopt hij dat

ouders, leraren en anderen die een kind risicovolle

keuzes zien maken, beseffen dat dat

hier iets meer achter kan zitten.

Bron: scientias.nl

Mediagebruik door

jongeren met een

verstandelijke beperking

TvO TvO TvO Tv

Ook kinderen en jongeren met een verstandelijke

beperking maken gebruik van social media. Maar

niet alle content is begrijpelijk voor hen of social

media wordt niet als optie beschouwd. Daarnaast

vO TvO TvO TvO

zijn kinderen en jongeren met een verstandelijke

beperking vaker slachtoffer van cyberpesten of

grooming. Met de korte documentaire ‘Ik ben

ook online!’ doet het Netwerk Mediawijsheid dan

ook de oproep om deze kinderen en jongeren te

betrekken in de online wereld. De film bestaat uit

drie delen:

vO TvO TvO TvO

1. De jongeren: je krijgt inzicht in de online

belevingswereld van deze jongeren. Waar

lopen zij tegenaan? Waar liggen juist

de kansen?

2. Begeleiding: je krijgt antwoord op de vraag:

Wat hebben jongeren met een verstandelijke

O TvO TvO TvO

Oproep: redactieleden

beperking nodig van hun ondersteunende

omgeving? Wat werkt goed of juist niet in

de begeleiding?

3. Visie & beleid: er wordt ingegaan op wat er

nodig is om structureel aandacht te besteden

aan mediawijsheid en digitale inclusie. Wat

kan er op beleids- en bestuursniveau gedaan

O TvO TvO TvO

worden binnen zorg en welzijn en onderwijs?

Bron: Netwerk Mediawijsheid

Bent u orthopedagoog en geïnteresseerd om mee te werken aan het Tijdschrift voor Orthopedagogiek?

Wij zijn op zoek naar enthousiaste redactieleden die een actieve bijdrage kunnen leveren aan

O TvO TvO TvO

ons blad. Neem contact op voor meer informatie met: e.vanamstel@instondo.nl.

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

O


vO TvO TvO TvO

Aantal jongeren met

suïcidale gedachten

blijft hoog

Nu coronamaatregelen al een tijdje achterwege

blijven, zou je verwachten dat het beter

gaat met jongeren. Het aantal jongeren (12 tot

25 jaar) met suïcidale gedachten is echter

bijna nog even hoog als tijdens de laatste

lockdown. Maar liefst 16 procent van deze

jongeren heeft last van serieuze suïcidale

gedachten, terwijl dat eind 2021 tijdens de

laatste lockdown 17 procent was, en een

paar maanden ervoor maar 9 procent. Dat

blijkt uit het vierde kwartaalonderzoek van

het Netwerk GOR. Ook hebben jongeren last

van psychische problemen (37 procent), eenzaamheid

(49 procent) of stress (49 procent).

In het onderzoek werd dit keer ook gevraagd

naar de invloed van de coronaperiode op

hun leven nu. Daaruit kwam onder meer dat

jongeren een studieachterstand hadden opgelopen.

Ook hadden veel jongeren het gevoel

dat ze belangrijke jaren uit hun leven hadden

gemist, omdat ze minder sociale contacten

hadden en er sprake was van mentale en

fysieke klachten (angst, vermoeidheid).

Bron: RIVM

Prikkelarm theaterbezoek

Voor jongeren met een ASS, een angststoornis of hersenletsel kan een bezoek aan een theatervoorstelling

nét wat te veel prikkels opleveren. Sinds kort heeft Het Nationale Theater in Den Haag een

rustruimte waar bezoekers voor, tijdens en na een voorstelling zich kunnen terugtrekken. Ook zijn

KORT

NIEUWS

vO TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

er op het nabijgelegen balkon in de zaal een aantal stoelen gereserveerd voor deze jongeren, zodat ze

makkelijk en snel de zaal kunnen verlaten. Ook bood het theater recent een prikkelarme voorstelling

aan, waarbij al tijdens het productieproces werd nagedacht over licht, geluid en inhoud. Een lager

tempo, zachtere muziek en geen slotapplaus zorgen voor een prikkelarme voorstelling. De voorstelling

werd gemaakt met steun van de Stichting Onbeperkt Genieten. Op prikkelarmecultuuragenda.nl

zijn meer voorstellingen te vinden.

Verstandelijke beperking

te vaak gemist

TvO TvO TvO

Het gebeurt nog te vaak dat zorgverleners een

verstandelijke beperking over het hoofd zien bij

hun cliënten, stelt internist-endocrinoloog Laura

de Graaff. Als iemand bij een arts komt met een

lichamelijk probleem, kan dat weleens samenhangen

met een licht verstandelijke beperking.

TvO TvO TvO

‘Aan het uiterlijk zie je niks en verbaal zijn ze vaak

vrij sterk. Daardoor pikken de meeste dokters

deze patiënten er niet uit’, vertelt De Graaff. Zij

ontwikkelt daarom een waarschuwingssysteem:

de intellectual disability alert. Dit systeem zou de

elektronisch patiëntendossiers moeten screenen

TvO TvO TvO

op specifieke kenmerken, zoals een hoge BMI, epilepsie

en bepaalde medicijnen. Het alert is alleen

bedoeld om zorgverleners een seintje te geven

dat er mogelijk sprake is van een verstandelijke

beperking, het is aan de zorgverlener om hier verdere

actie op te ondernemen.

Bron: Zorgkrant

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

Bron: de Volkskrant

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 31


32

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

Samenvatting

Aandachtspunten en overwegingen bij diagnostiek

TvO TvO TvO T

Multidisciplinaire

kinderpsychiatrische

beoordeling van een

jong kind

TvO TvO TvO Tv

vO TvO TvO TvO

Marie-José van Hoof

vO TvO TvO TvO

Diagnostiek op jonge leeftijd

kent eigen uitdagingen, zeker

als zich een verstoorde ontwikkeling voordoet

met een combinatie aan kenmerken die overlap

vertonen voor de ene of andere DSM-5-stoornis

Fictieve casus Sem 1

Een 3-jarige jongen, Sem, is uit huis geplaatst. Hij

is de jongste van een gezin met twee zussen, een

halfzus en twee halfbroers. Hij verblijft samen met

een van zijn zussen in een pleeggezin vanwege

psychiatrische problematiek van de moeder en

een afwezige vader, en wordt gezien voor nadere

diagnostiek. Er zouden kenmerken zijn van een

hechtingsstoornis volgens de jeugdbescherming,

1 Deze fictieve casus is samengesteld uit vele ervaringen en is

niet tot een persoon te herleiden. Enige overeenkomst met de

werkelijkheid berust louter op toeval.

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

en onveilig-gedesorganiseerde gehechtheid. Aan

de hand van een casus zullen we in dit artikel de

diverse differentiaal-diagnostische overwegingen en

andere aandachtspunten bij het doen van onderzoek

voor het voetlicht brengen.

O TvO TvO TvO

maar er zijn ook aanwijzingen voor een autismespectrumstoornis.

Daarnaast is het gezin

genetisch belast vanuit vaderszijde met een

taalontwikkelingsstoornis. De twee zussen zijn

hier al mee gediagnosticeerd. Het jongetje verblijft

O TvO TvO TvO

sinds anderhalf jaar in het pleeggezin. De biologische

moeder maakt zich zorgen over zijn ontwikkeling

en zegt dat haar zoon zich pas zorgelijk is

gaan gedragen na de uithuisplaatsing.

Waar te beginnen?

O TvO TvO TvO

Om goed onderzoek te kunnen doen naar de situatie

van de jongen, en hoe hij zich ontwikkeld

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

heeft tot nu toe, is het noodzakelijk dat alle factoren

van belang in kaart worden gebracht. Het

gaat hierbij om zowel factoren van het kind, zijn

(pleeg)ouders en het gezin, als de situaties die zich

hebben voorgedaan in zijn leven qua interventies,

verliezen, traumata, verhuizingen en settingen.

Hierbij zal zowel naar somatiek (dus lichamelijk

functioneren) als psyche gekeken moeten worden.

Wat betreft het psychisch functioneren is het van

belang dit zowel te beoordelen qua psychopathologie

als qua gehechtheid. Wat betreft psychopathologie

is het goed zowel de beschermende als

belastende en risicofactoren in kaart te brengen

(het NIZW-balansmodel 22 ; Van Hoof, 2017) en

een onderscheid te maken tussen luxerende en in

stand houdende factoren op het niveau van kind,

gezin en omgeving. Wat betreft gehechtheid gaat

het om de gehechtheidsrepresentatie die het kind

heeft en alle betrokken (pleeg)ouders hebben en

hoe de laatsten invulling geven aan hun ouderschap

vanuit die gehechtheidsrepresentatie. Ook

de onderlinge relaties tussen brussen en zeer

betrokken familieleden of derden doen ertoe.

Verder is het van belang informatie over een kind

vanuit de kinderopvang, het (medisch) kleuterdagverblijf

of, bij oudere kinderen, de schoolsituatie

te verkrijgen.

Het is goed om zowel

de beschermende als

belastende en

risicofactoren in kaart

te brengen

Voorgaande diagnostiek vereist een systematische

aanpak door een multidisciplinair, BIG-opgeleid

team, liefst IMH-getraind als het gaat om een

kind onder de 7 jaar. Hierin nemen bij voorkeur

een (kinder- en jeugd)psychiater, een klinisch

psycholoog-psychotherapeut en minimaal een

2 Het NIZW-balansmodel, zie www.handelingsprotocol.nl/

documenten/algemeen/74-balansmodel/file en

www.kenniscentrum-kjp.nl/Professionals/Stoornissen/Traumaen-kindermishandeling/Omschrijving-11

GZ-psycholoog/orthopedagoog-generalist plaats.

Een kinderarts, sensomotorisch integratietherapeut/kinderfysiotherapeut,

logopedist, kinderdiëtist,

psychomotore kindertherapeut en

kinderergotherapeut moeten laagdrempelig en

snel geconsulteerd kunnen worden. Het vereist

O TvO TvO TvO

ook training in afname van de juiste meetinstrumenten

die voldoende valide en betrouwbaar zijn

en in samenhang met elkaar in gezamenlijkheid

geïnterpreteerd worden tot een klinische, beschrijvende

conclusie waarin de factoren van belang

TvO TvO TvO

een afgewogen plek gekregen hebben. Een dergelijke

beoordeling van een casus blijkt helaas een

relatieve zeldzaamheid.

Welke volgorde in de diagnostiek?

Bij aanmelding is het van belang dat alle betrokken

(pleeg)ouders toestemming geven en akkoord

TvO TvO TvO

gaan met de behandelovereenkomst. Zij vullen

alle relevante gegevens in die gevraagd worden.

Ook vullen zowel biologische ouders als pleegouders

een ontwikkelingsanamnese in, waarop

zij na de intake bevraagd worden op details. Als

biologische ouders van een minderjarig kind

TvO TvO TvO

gezag hebben, zijn zij de eersten om uit te nodigen

voor een gesprek over hun kind. Bij kinderen

onder de 12 jaar heeft het meer zin eerst de

ouders te spreken dan eerst het kind te zien. In

de ideale situatie vindt er een gesprek plaats met

beide biologische ouders samen, ook in het geval

dat de ouders inmiddels gescheiden zijn. Als dat

niet lukt, wordt iedere ouder apart gesproken.

TvO TvO TvO T

In deze casus is dat laatste ook niet mogelijk

omdat vader in het buitenland verblijft en hij op

afstand wel enigszins betrokken is, maar geen

gezag heeft. Ook ouders die geen gezag hebben,

kunnen uiteraard met toestemming van de ouder

TvO TvO TvO Tv

Bij kinderen onder de

12 jaar heeft het meer

zin eerst de ouders te

spreken dan eerst het

kind te zien

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 33


34

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

die wel gezag heeft, worden gesproken. Echter,

gezien het taalprobleem en de afstand is ook dat

hier lastig. Vervolgens is het zaak de medewerking

van de pleegouders te krijgen in het diagnostisch

proces. Sommige pleegouders zijn hier huiverig

voor, omdat zij zelf ook over persoonlijke zaken

bevraagd worden. Voor een goede beoordeling van

het geheel is het echter essentieel. Vanuit het perspectief

van het kind zou het niet mogelijk moeten

zijn – zoals in de huidige jeugdbeschermingssituatie

– dat pleegouders niet geheel transparant zijn

over hun eigen functioneren bij een professionele

beoordeling. Want dit functioneren heeft altijd

impact op het pleegkind. Uiteraard moet deze

diagnostiek met privacywaarborgen zijn omkleed.

Intake, ontwikkelingsanamnese en

hetero-anamnese

In de intake blijkt dat moeder een onderliggende

hulpvraag heeft ten aanzien van zichzelf, namelijk:

‘Ik wil minder medicatie gebruiken want ik

word er zo sloom van.’ Daarnaast maakt zij zich

zorgen over de bejegening van Sem in het pleeggezin.

Pleegouders daarentegen hebben eigenlijk

geen vraag over de ontwikkeling van Sem, omdat

zij zijn ontwikkeling geheel plaatsen in het licht

van de nare gebeurtenissen in zijn vroege leven

voordat hij bij hen kwam.

Qua interventies is Sem toen hij anderhalf jaar oud

was uit huis geplaatst en direct in dit pleeg gezin

gekomen, bij wijze van crisisplaatsing. Binnen

drie maanden blijkt dit te zijn omgezet naar een

perspectiefplaatsing. Dit roept vraagtekens op

over hoe dit indertijd beoordeeld en gemonitord is

en waarom er zo snel besloten is tot een perspectiefplaatsing.

Bij een perspectiefplaatsing gaat het

Het zou niet mogelijk

moeten zijn dat

pleegouders niet geheel

transparant zijn over

hun eigen functioneren

Na zijn uithuisplaatsing

hebben moeder en

grootouders gemerkt

dat Sem heel anders

reageert

TvO TvO TvO T

kind niet meer terug naar zijn biologische ouders,

maar blijft het in het pleeggezin.

TvO TvO TvO Tv

Sem heeft zijn biologische vader nooit gezien en

hij heeft er ook nu geen contact mee. Hij heeft met

de uithuisplaatsing verlies ervaren van zowel zijn

vertrouwde omgeving thuis als bij zijn grootouders.

Daarnaast is de interactie met zijn moeder,

grootouders en (half)brussen ernstig beperkt tot

vO TvO TvO TvO

hooguit eenmaal per maand een uur bezoek onder

toezicht op locatie van de jeugdbescherming of

ergens buiten (een park, speeltuin, winkelcentrum).

De uithuisplaatsing is meteen de eerste en

enige keer dat Sem verhuisd is. Hij heeft bij de

pleegouders een keer een hersenschudding opgelopen

door een val op een onbewaakt ogenblik.

vO TvO TvO TvO

Wat betreft zijn ervaringen voordat hij uithuisgeplaatst

werd, verschillen de verhalen van moeder

en grootouders, versus die van pleegouders en

jeugdbescherming.

Volgens moeder en grootouders was moeder goed

O TvO TvO TvO

ingesteld op medicatie en stabiel gedurende het

leven van Sem toen hij nog thuis woonde. Ze had

alleen een maand daarvoor haar been gebroken

waardoor ze slecht ter been was. Haar gevoel

van stress was opgelopen met de zorg voor de

kinderen en beperkte mobiliteit. Hierdoor was

ze misschien wat warrig en was ze kortdurend

O TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

ter observatie opgenomen in een psychiatrisch

ziekenhuis. Het bleek allemaal erg mee te vallen,

dus was moeder na een paar dagen weer thuis.

Wel kreeg ze sindsdien een hoge dosis medicatie

die onvoldoende (snel) werd afgebouwd, waardoor

ze last had van traagheid en sufheid. Er was

geen sprake van verwaarlozing of mishandeling,

O TvO TvO TvO

Sem ontwikkelde zich goed in die anderhalf jaar.

Hij was vrolijk, actief, reageerde op spel. Na zijn

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

Moeder was echter

niet geïnformeerd

over haar recht op een

advocaat, noch over

andere rechten van

haarzelf of Sem

uithuisplaatsing hebben moeder en grootouders

gemerkt dat hij heel anders reageert, meer in zichzelf

gekeerd is, en schrikachtig geworden is.

Sem klaagt over buikpijn en dat zijn pleegvader

‘stout is’. In de loop van de tijd ging hij hard huilen

als hij mee terug moest met zijn pleegouders na

een begeleid bezoek. Zijn spraak ontwikkelde

zich langzaam, net als bij zijn oudere zussen. Hij

heeft moeite met ‘doen alsof’-spel en kan niet goed

tegen geluiden, aanraking van bepaalde kleding en

is heel kieskeurig met voedsel. Het liefst ordent hij

zijn treintjes qua lengte en kleur en draait er rondjes

mee op een speelgoedspoor. Hij speelt nauwelijks

met andere kinderen en lijkt weinig contact

met hen te maken. Het oogcontact is matig.

Hij kan boos reageren als er iets onverwachts

gebeurt. Hij wil het liefst alles hetzelfde houden.

De uithuisplaatsing zelf is voor alle betrokkenen

traumatisch verlopen. Jeugdbescherming kwam

onverwacht langs en nam Sem binnen een half

uur mee. Er was geen schriftelijke machtiging uithuisplaatsing

voorhanden en als moeder niet meewerkte,

zou men de politie inschakelen. Omdat

alle kinderen thuis waren, wilde moeder voorkomen

dat de politie in huis kwam en zo leverde dit

bezoek van de jeugdbescherming veel stress op.

Moeder begreep niet wat er aan de hand was, maar

begreep wel dat discussie nog meer ellende op

zou leveren. Zij heeft Sem met een snel ingepakte

koffer meegegeven en heeft daarom ingestemd

met de uithuisplaatsing toen die 14 dagen later

voor de rechter kwam. Ze was echter niet geïnformeerd

over haar recht op een advocaat, noch over

andere rechten van haarzelf of Sem.

Volgens de pleegouders kwam Sem met de uithuisplaatsing

helemaal overstuur bij hen aan.

Hij was heel schrikachtig en wilde niets van

hen weten. Hij sloeg ook om zich heen. Voor de

pleegouders was hij moeilijk bereikbaar en hanteerbaar.

Ze hadden het idee dat Sem veel nare

O TvO TvO TvO

dingen had meegemaakt. De kinderarts – bij wie

de pleegouders een keer waren voor astmaklachten

– zou gezegd hebben dat dat vaker voorkomt

bij kinderen die verwaarloosd of mishandeld zijn.

De KNO-arts zou gezegd hebben dat Sem leek

op kinderen die langere tijd in een kindertehuis

TvO TvO TvO

hebben gezeten. Moeder maakte ondertussen op

de pleegouders een verwarde en slome indruk.

Volgens de pleegouders had ze ook achterdochtige

en vreemde ideeën en ging ze niet leeftijdsadequaat

met Sem om. De pleegouders geven aan dat

Sem zich in de loop van de tijd vrijer en opener

ging gedragen en dat het contact dat zij met hem

TvO TvO TvO

hadden, verbeterde. Sem had wel moeite met

veranderingen en geluiden, kon ook hard gillen

en van slag raken, maar dat weten pleegouders

aan Sems waarschijnlijk traumatische ervaringen

voordat hij bij hen kwam.

Er lijkt een vertraging in ontwikkeling te zijn op

TvO TvO TvO

het gebied van grove motoriek, emotie en taal/

spraak, die zowel moeder, grootouders als pleegouders

onderschrijven. Hij is snel zindelijk geworden

en is juist goed in fijne motoriek anderzijds,

eet weliswaar kieskeurig maar drinkt goed. Ook

lijkt Sem geen cognitieve beperking te hebben.

TvO TvO TvO T

Kinderpsychiatrisch onderzoek

Na de intake, hetero-anamnese 3 en het doornemen

van de ontwikkelingsanamnese samen met ouders

enerzijds en pleegouders anderzijds, wordt het

kind zelf gezien voor anamnese en kinderpsychiatrisch

onderzoek (Hein & Muskens, 2022 4 ). In het

TvO TvO TvO Tv

geval van een 3-jarig kind is de anamnese

3 Gesprek met derden, in dit geval zowel ouders als pleegouders

over wat er volgens hen aan de hand is.

4 Zie voor een uitgebreider overzicht met betrekking tot

diagnostiek ook hoofdstuk 8 van het Handboek kinder- en

jeugdpsychiatrie van Lindauer en Staal (2022).

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 35


36

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

doorgaans beperkt en is de spelobservatie in interactie

met de kinderpsychiater des te belangrijker.

In het kinderpsychiatrisch onderzoek wordt

Sem beschreven als een goed verzorgde, 3-jarige

jongen met bril en snottebel die enthousiast

deels naast, deels samen met de kinderpsychiater

speelt met het voorhanden zijnde speelgoed. Hij

houdt ervan hetzelfde spelletje steeds te herhalen.

Hij pakt een autootje en rijdt dit over een

denkbeeldige weg en laat het dan los zodat het

autootje ergens hard tegenaan rijdt. Soms stuurt

hij het autootje naar de kinderpsychiater om op te

vangen, hetgeen hem doet juichen, soms stuurt hij

het tegen een obstakel aan. Hij lijkt een voorkeur

te hebben voor de rode autootjes. Ook de knikkers

vindt hij interessant. Hij probeert er een stapel

van te bouwen. Het oogcontact is matig, maar er

lijkt wel enige mate van contactgroei te zijn tijdens

het onderzoek. De concentratie lijkt intact en de

aandacht goed, met een hyperfocus op alles wat

draait en beweegt. Er is een beperkte mate van

frustratietolerantie en samenspel. Hij lijkt graag

de controle te willen houden en kan verandering

niet waarderen. Hij wil hetzelfde zo vaak mogelijk

herhalen in zijn spel. Sem lijkt open te staan

voor interactie, hoewel hij die meer vanuit eigen

beleving inricht en hij in een eigen wereld op lijkt

te gaan. Sem zegt heel weinig en als hij spreekt, is

het kort en gericht op het spel. Hij slist een beetje.

Hij heeft al zijn tanden nog, maar er is sinds een

tijdje een stukje van zijn voortand af omdat hij

zich gestoten had. Sem klaagt niet over lichamelijke

ongemakken. Aan het eind van het onderzoek

gaat hij gedwee met zijn pleegmoeder mee.

Multidisciplinair overleg

Na deze eerste verzameling van gegevens is het

handig een eerste multidisciplinair overleg te

TvO TvO TvO T

hebben. Hierin worden hypothesen geformuleerd

aan de hand van verzamelde gegevens over wat

er aan de hand is. Vervolgens wordt een differentiaaldiagnose

5 opgesteld die aanwijzingen geeft

voor wat er nader onderzocht moet worden, wil

TvO TvO TvO Tv

een goed behandelbeleid kunnen worden vastgesteld.

Hierbij wordt ook bepaald welke aanvullende

disciplines in consult moeten worden

geroepen, welke derden die van belang zijn

moeten worden gesproken en of er een observatie

thuis in het pleeggezin, op het kinderdagverblijf of

in interactie met brussen moet worden afgesproken.

Tevens wordt gekeken welke aanvullende

(medische) informatie met toestemming idealiter

vO TvO TvO TvO

moet worden opgevraagd van huisarts, medisch

specialisten en paramedici, ziekenhuisopnames

en instanties als schulphulpsanering, maatschappelijk

werk, jeugdbescherming, GGZ in verband

met (pleeg)ouders, en kinderdagverblijf (of school

op oudere leeftijd). Ook wordt beoordeeld of er

(anoniem) moet worden overlegd met Veilig Thuis

vO TvO TvO TvO

Na de eerste

verzameling van

gegevens is het

handig een eerste

multidisciplinair overleg

te hebben

indien er een vermoeden van kindermishandeling

gespeeld heeft of speelt.

Nadere diagnostiek

Om hypotheses omtrent wat er aan de hand is

O TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

met een kind, ouders en/of gezin goed te kunnen

toetsen en differentiaaldiagnoses uit te kunnen

sluiten of te kunnen bevestigen, is vaker wel dan

niet aanvullende diagnostiek nodig. Aan de hand

van de casus wordt deze hierna toegelicht.

Settingen

O TvO TvO TvO

Er is in de casus sprake van twee settingen

waarin Sem zich ontwikkeld heeft: de situatie

thuis bij zijn biologische ouders en de situatie in

het pleeggezin. Over de situatie thuis kunnen de

5 Een differentiaaldiagnose is een wetenschappelijke methode

om uit een lijst van mogelijke aandoeningen waaraan een

bepaalde patiënt zou kunnen lijden, gegeven de klachten en

symptomen die op dat moment bekend zijn een diagnose

te stellen.

O TvO TvO TvO

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

biologische ouders bevraagd worden, over die

in het pleeggezin zowel de pleegouders als biologische

ouders. De laatsten omdat zij hier ook

(indirect, maar soms ook direct) zelf informatie

over hebben sinds het kind in het pleeggezin verblijft.

Het is goed de ontwikkeling binnen beide

settingen nadrukkelijk te bevragen. Ook is het

belangrijk Sem in de vertrouwde omgeving te

mogen observeren. Dit gaat om observatie van

het kind zowel in de context van het pleeggezin

in interactie met pleegouders en (pleeg)brussen

die daar aanwezig zijn, als bij de biologische

ouders en betrokken familieleden of vertrouwde

netwerkleden thuis. Met toestemming loont het

vaak de moeite om audiovisuele opnames hiervan

te maken, zodat deze interacties en gedragingen

ook later nog systematisch beoordeeld

kunnen worden.

Hulpvraag

Complicerende factor is

dat jeugdbescherming

en pleegzorg doorgaans

ook onderzoek doen

volgens eigen stramien

Vervolgens is er een hulpvraag; niet van het kind

maar van alle betrokken (pleeg)ouders. Deze luidt

in deze casus: wat is er aan de hand met Sem?

Biologische ouders en pleegouders hebben elk een

ander perspectief op wat er aan de hand kan zijn.

Complicerende factor is dat jeugdbescherming en

pleegzorg doorgaans ook onderzoek doen volgens

eigen stramien en dat dit een derde perspectief

kan geven op het geheel. Het is dan zaak heel goed

na te gaan hoe jeugdbescherming en pleegzorg

aan hun informatie komen, wat de bron daarvan

is, hoe die informatie tot stand gekomen is en hoe

valide en betrouwbaar deze informatie is. Het

gebeurt regelmatig dat hierin onzorgvuldigheid

optreedt, waardoor informatie verdraaid raakt

in de loop der tijd of door de aard van de informatievergaring

en -beoordeling. Daarmee is het

kind niet geholpen. Het multidisciplinair team

doet eigen kinderpsychiatrisch en -psychologisch

onderzoek en geeft een eigen geïntegreerd professioneel

perspectief en oordeel, waarin alle andere

perspectieven en bronnen zijn meegenomen.

Interventies

O TvO TvO TvO

Qua interventies is Sem toen hij anderhalf jaar

oud was uit huis geplaatst en direct in dit pleeggezin

gekomen bij wijze van crisisplaatsing. Binnen

drie maanden blijkt dit te zijn omgezet naar een

perspectiefplaatsing. Dit roept vraagtekens op

TvO TvO TvO

over hoe dit indertijd beoordeeld en gemonitord

is en waarom er zo snel besloten is tot een

perspectiefplaatsing.

Verliezen, traumata en verhuizingen

Sem heeft zijn biologische vader nooit bewust

gezien. Hij is eenmalig met moeder twee weken bij

zijn vader geweest, maar hij heeft sindsdien geen

TvO TvO TvO

contact met hem. Hij heeft met de uithuisplaatsing

verlies ervaren van zowel zijn vertrouwde omgeving

thuis en bij zijn grootouders als het feit dat de

interactie met zijn moeder, grootouders en (half)-

brusjes ernstig beperkt is tot hooguit eenmaal per

maand een uur bezoek onder toezicht op locatie

van de jeugdbescherming of ergens buiten. De

TvO TvO TvO

uithuisplaatsing is meteen de eerste en enige keer

dat Sem verhuisd is. Hij heeft zich bij pleegouders

een keer een hersenschudding gevallen op een

onbewaakt ogenblik en wat betreft zijn ervaringen

voordat hij uithuisgeplaatst werd, verschillen

de verhalen van moeder en grootouders, versus

pleegouders en jeugdbescherming.

TvO TvO TvO T

Beschermende en risicofactoren, luxerende en onderhoudende

factoren

Sems leven telt drie adverse childhood events

(ACE’s; zie Van Hoof, 2017), waarvan de tweede

Sem heeft met de

uithuisplaatsing verlies

ervaren van zijn

vertrouwde omgeving

thuis

TvO TvO TvO Tv

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 37


38

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

een luxerende factor is en de derde een onderhoudende

factor: zijn ouders zijn gescheiden, hij

is uithuisgeplaatst en zijn moeder heeft psychiatrische

problematiek. Beschermende factoren

zijn dat hij een gemiddelde intelligentie heeft en

een moeder en grootouders heeft die dol op hem

zijn, zich inleven en ook goed met hem kunnen

spelen als ze de kans krijgen. Pleegouders staan

wat meer op afstand in Sems beleving en hij mist

zijn oudere (half)brussen. Risicofactoren zijn: een

ander kind dat in het pleeggezin aanwezig is en

van wie Sem last heeft, evenals een dreigende wisseling

van kinderdagverblijf.

Differentiaaldiagnoses

Op grond van de beschikbare informatie en

het kinderpsychiatrisch onderzoek wordt

gedacht aan een autismespectrumstoornis,

een posttraumatische stressstoornis en/of

onverwerkt-gedesorganiseerde gehechtheid.

Verder moet uitgezocht worden waarom de spraak

zo moeizaam verloopt en wordt vanwege erfelijkheid

aan een taalontwikkelingsstoornis gedacht.

Het beoordelen van psychopathologie

Een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vaststellen

bij kinderen onder de 4 jaar is bij ontbreken

van een eenduidig verhaal niet eenvoudig.

Omdat signalen van PTSS (zoals hyperalertheid,

nachtmerries, in paniek raken bij triggers die

doen denken aan eerder trauma, en re-enactment

in spel) ontbreken, lijkt er weinig onderbouwing

voor deze diagnose gevonden te kunnen worden.

Ook blijken de kinderarts en KNO-arts bij navraag

geen traumata geconstateerd te hebben noch daar

een opmerking over gemaakt te hebben. Mochten

zij dit wel gedaan hebben, dan zou dit buiten

Een posttraumatische

stressstoornis

vaststellen bij

kinderen onder de

4 jaar is niet eenvoudig

Sem lijkt veel

vanuit cognitie te

begrijpen maar loopt

hierbij emotioneel

achter

TvO TvO TvO T

hun expertise gevallen zijn en wordt dit dus

niet meegenomen.

TvO TvO TvO Tv

De spraak-taalontwikkeling kan het best beoordeeld

worden door een logopedist. Deze concludeert

dat er inderdaad sprake lijkt te zijn van een

familiaire belasting en dat Sem een taalontwikkelingsstoornis

heeft. Deze kan goed behandeld

worden in dit vroege stadium.

vO TvO TvO TvO

Om een autismespectrumstoornis (ASS) aan te

kunnen tonen, wordt een Autism Diagnostic

Observation Scale (ADOS-2; Lord et al., 2012)

afgenomen bij Sem. Het Autisme Diagnostisch

Interview-revised (ADI-R; Rutter, Le Couteur &

Lord, 2014; Nederlandse bewerking: De Jonge,

vO TvO TvO TvO

Greaves-Lord & De Bildt) wordt gehouden met

zowel moeder als pleegouders. Hieruit blijkt dat

Sem vanuit alle perspectieven aan criteria voor

ASS voldoet. Informatie van het kinderdagverblijf

levert extra voorbeelden op die voldoen aan ASS.

Een beoordeling door de kinderfysiotherapeut

O TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

(opgeleid in sensomotorische integratietherapie)

bevestigt overgevoeligheid voor geluid, aanraking,

bepaalde voedselsoorten en texturen. Ook blijkt

dat de grove motoriek achterloopt en Sem veel

vanuit cognitie lijkt te begrijpen maar emotioneel

hierbij achterloopt: hij raakt snel gefrustreerd. Uit

intelligentieonderzoek (Wechsler Preschool and

O TvO TvO TvO

Primary Scale of Intelligence, WPPSI; Wechsler,

2020) volgt een gemiddeld IQ. Opgeteld bij de

observatie tijdens het kinderpsychiatrisch onderzoek

staat de diagnose ASS nu met stip bovenaan.

Het beoordelen van gehechtheid

Er moet worden uitgesloten dat er (tevens) sprake

O TvO TvO TvO

is van gedesorganiseerde gehechtheid. Dit is geen

diagnose, maar wel een conditie van waaruit

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

wisselende toenadering en verwijdering in het

contact te verwachten is met het kind. Deze vorm

van gehechtheid ontstaat uitsluitend na ernstige

traumatische ervaringen, meestal een vorm van

ernstige kindermishandeling en/of verwaarlozing,

met name in het contact met ouders/verzorgers.

In wetenschappelijk onderzoek is hiervoor de

Strange Situation (Ainsworth, 1978) als interventie

gebruikt; echter voor de klinische praktijk zitten

hier haken en ogen aan (Van Hoof, 2017). Observatie

van een half uur interactie tussen Sem en

elk van zijn pleegouders, Sem en zijn moeder, en

Sem en elk van zijn grootouders middels toepassing

van codering van de AMBIANCE (Bronfman,

2008) en Emotional Availability Scale (EAS; Biringen

& Easterbrooks, 2012; Biringen et al., 2014)

achteraf is zodoende het meest behulpzaam.

Deze wordt gecombineerd met een gehechtheidsbiografisch

interview (Adult Attachment

Interview, AAI; Main, Kaplan & Cassidy, 1985)

en het ouderschapsinterview (Working Model of

the Child Interview, WMCI; Van Bakel, 2011) bij

moeder, grootouders en pleegouders om een uitspraak

te kunnen doen over aan- of afwezigheid

van onverwerkt-gedesorganiseerde gehechtheid.

Zonder codering is zo’n uitspraak niet met zekerheid

mogelijk. Echter, ook klinische interpretatie

van hetgeen men in de AAI en WMCI vertelt, geeft

doorgaans aanwijzingen over de (on)mogelijkheid

van het bestaan ervan. In elk geval geeft de interpretatie

aanwijzingen over de beleving van de

informanten ten aanzien van hun eigen jeugd en

hun (pleeg)ouderschap van het kind. Bovendien

leidt afname van de beide interviews tot reflectie

bij (pleeg)ouders en vormt het een efficiënte start

van ouderbegeleiding. Vragenlijsten naar gehechtheid

zijn bij herhaling onvoldoende betrouwbaar

gebleken. Onveilige gehechtheid is op zich niet

interessant, omdat dit ook veel voorkomt bij

verder gezonde kinderen. 6

6 Voor nadere informatie: zie het overzicht van diagnostiek van

gehechtheid (Van Hoof, 2017).

De pleegouders

hadden een eigen,

niet onderbouwd

perspectief ontwikkeld

die de valse aanname

versterkte

O TvO TvO TvO

Conclusie

TvO TvO TvO

Bij Sem zijn een autismespectrumstoornis en

taalontwikkelingsstoornis vastgesteld. Daarmee

is hij communicatief meervoudig beperkt (CMB).

Het is niet gebleken dat er sprake is van gedesorganiseerde

gehechtheid; de eerdere conclusie

hieromtrent was foutief tot stand gekomen. Er is

niet gebleken uit medische gegevens dat er sprake

TvO TvO TvO

was van verwaarlozing en/of kindermishandeling.

Jeugdbescherming had op grond van onvoldoende

kennis van de psychiatrische problematiek van

moeder en de bijwerkingen van de medicatie

besloten tot een uithuisplaatsing. De pleegouders

bleken hierover een eigen, niet onderbouwd

perspectief ontwikkeld te hebben die de valse

TvO TvO TvO

aanname van jeugdbescherming versterkte.

Waakzaamheid is dus altijd geboden als er geen

systematisch, evidence-based klinisch onderzoek

gedaan is vanuit multidisciplinair, meerlagig

perspectief. Dat illustreren ook deze column 7 en

willekeurige rechterlijke uitspraak die de nadruk

leggen op het belang van een juiste klinische

TvO TvO TvO T

beoordeling en afweging van feiten, het plaatsen

van feiten in hun context en verificatie van beweringen

op feitelijkheid – ongeacht wie het beweert.

Discussie

In Sems geval was er na de uithuisplaatsing een

TvO TvO TvO Tv

interventie-observatie gedaan (NIKA; Draaisma

& Zuidema, 2014), waaruit foutief geconcludeerd

werd dat er sprake was van gedesorganiseerde

7 Column ‘Jeugdzorg, onderwijs en de rol van de kinderrechter’,

https://sent.amsterdam/2022/09/29/jeugdzorg-onderwijskinderrechter

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 39


40

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

Er waren onvoldoende

aanwijzingen voor

het bestaan van

gedesorganiseerde

gehechtheid

gehechtheid. Behalve dat de NIKA onvoldoende

onderzocht is op validiteit en betrouwbaarheid, is

deze interventie ook niet geschikt om een oordeel

te vellen over gedesorganiseerde gehechtheid

volgens de internationale standaard, de Strange

Situation. Bovendien kan deze observatie nooit

eigenstandig tot een uitspraak over gehechtheid

leiden als niet ook de gehechtheidsrepresentaties

en psychopathologie van de volwassene onderzocht

zijn. Ook moet haar of zijn idee over het

ouderschap van het onderzochte kind meegenomen

worden op een systematische, gestandaardiseerde

manier, zoals bij afname van de WMCI.

De AAI’s van de betrokken volwassenen lieten

geen onverwerkt trauma of verlies zien, wel waren

er in de WMCI aanwijzingen voor overbetrokkenheid

of te sterke gereserveerdheid van de een of

de ander. Uit codering van de AMBIANCE kwam

Sem naar voren als een kind dat vaker affectieve

communicatiefouten meemaakte en intrusie/

negativiteit, maar geen rolverwarring, desoriëntatie

of terugtrekgedrag van een volwassene. De

EAS liet zien dat Sem niet altijd op emotionele

beschikbaarheid van alle volwassenen aankon.

Al met al waren er onvoldoende aanwijzingen voor

het bestaan van gedesorganiseerde gehechtheid

en zou het zo kunnen zijn dat er wel enige onveilige

gehechtheid speelt, maar dat dat echter onvoldoende

was om psychopathologie te veroorzaken.

Voor orthopedagogen en psychologen (zowel

master als GZ/orthopedagoog-generalist) is het

zaak zich nooit te laten verleiden tot het doen van

zelfstandige klinische uitspraken over gehechtheid.

Gehechtheid is een ingewikkeld concept

en vergt voorgaande ingewikkelde beoordeling

in multidisciplinair verband, die de eigen

competenties overstijgt. Het is vooral belangrijk

dat elementen die van belang zijn bij het beoordelen

van gehechtheid goed gewogen worden en

niet uit hun verband gerukt worden of uitvergroot.

TvO TvO TvO T

Voorkomen moet worden dat enige (lichte tot

matige) rolomkering tussen ouder en kind, enige

intrusie of ik-gerichtheid van de ouder of een

affectieve communicatiefout verabsoluteerd wordt

tot ‘onveilige gehechtheid’, waarbij de ouder vervolgens

niet geschikt wordt bevonden het eigen

TvO TvO TvO Tv

kind op te voeden. Hier zijn helaas vele voorbeelden

van voorhanden in de jeugdbescherming; de

reden waarom Nederland de twijfelachtige eer

heeft kampioen uithuisplaatsingen te zijn. Zoals

gezegd komt onveilige gehechtheid heel veel voor

(Bakermans-Kranenburg & Van IJzendoorn, 2009)

vO TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

en is alleen gedesorganiseerde gehechtheid bewezen

gerelateerd aan de gehechtheidsrepresentaties

van de ouders/verzorgers en aan ernstige

psychopathologie (Murphy et al., 2014). Gedesorganiseerde

gehechtheid heeft echter een heel lage

prevalentie (4 procent). Daarnaast is het zaak een

klinisch gewogen oordeel te verkrijgen over een

kind en ouder van een daartoe voldoende opgeleid

team met kwalificaties zoals hiervoor geschetst.

vO TvO TvO TvO

De context waarin gewerkt wordt, moet daartoe

ingericht worden. Dat vormt de uitdaging van de

komende tien jaar.

Over de auteur

O TvO TvO TvO

Dr. M.J. van Hoof

is kinder- en jeugdpsychiater,

psychotraumatherapeut en

orthopedagoge bij GGZ-instelling

iMindU te Leiden.

O TvO TvO TvO

Geraadpleegde literatuur kunt u

vinden op:

O TvO TvO TvO

www.tijdschriftvoororthopedagogiek.nl

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

De wereld van onderwijs en jeugdhulp staat niet stil. Dat wist u natuurlijk al. Maar

ziet u door de bomen het bos nog wel? Om u een handje te helpen, hebben wij

OnzeJeugd.NU ontwikkeld. In dit vakblad vindt u alles wat voor u relevant is voor

uw vakgebied. Van praktische artikelen tot het belangrijkste nieuws. Van wet- en

regelgeving tot een overzicht van spraakmakende initiatieven. OnzeJeugd.NU

TvO TvO TvO T

verschijnt tien keer per jaar en staat steeds weer boordevol nuttige informatie.

TvO TvO TvO Tv

ONZE JEUGD.NU

Nieuwsgierig geworden?

Ga dan naar www.onzejeugd.nu

TvO TvO TvO Tv


42

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

Weet je nog wie ik ben?

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

Een vriendschapsverzoek via Facebook. De naam

doet bij mij niet meteen een lampje branden, al

heeft de naam ook iets bekends. Ik laat het vriendschapsverzoek

even voor wat het is. Ik zie pas later

dat ik ook een chatbericht heb gekregen van deze

persoon. Deze begint met ‘Ik weet niet of je mijn

naam meteen herkent, maar ik wilde je laten weten

dat ik nog steeds heel erg dankbaar ben voor jouw

hulp.’ En dan vallen bij mij de puzzelstukken op

hun plek. Zij was destijds 17 jaar toen ze bij mij

in behandeling kwam en vertelde dat ze zwanger

was. Om verschillende redenen voelde dit vreemd

voor mij: ik was zelf ook net zwanger, zij was nog

jong, woonde net samen en had de nodige issues.

Ondanks deze gevoelens was ik wel direct enthousiast

om met haar aan de slag te gaan over hoe ze

haar kindje een goede start kon geven. Wij bleken

eveneens bijna even ver in de zwangerschap te zijn,

waardoor mijn verlof voor haar ook als een logisch

therapieverlof kwam.

Ik was toen bezig met mijn opleiding tot specialist.

Voor het vak Infant Mental Health had ik een

gezin nodig met een kind onder de 2 jaar dat ik

een tijdje zou mogen volgen, observeren en indien

mogelijk interventie bieden. Ik kreeg nu ineens

een mooie kans om zowel mijn cliënt als haar

toekomstige kindje te mogen behandelen. Omdat

het voor mij ook een nieuwe doelgroep was, had ik

weinig ervaring en ging ik vooral intuïtief aan de

slag. Ik luisterde, keek en observeerde. Mijn cliënte

had enorm veel last van misselijkheid tijdens de

zwangerschap en het lukte niet om naar de poli

te komen. Logischerwijs ging dus ik veel bij haar

langs. Zij en haar vriend waren nog erg jong, maar

met weinig (financiële) middelen transformeerden

zij steeds meer tot een gezinnetje. Vol bewondering

hoe ze dit deden, vol met zorgen of ze het gingen

redden, kwam ik bij hen langs. We praatten over

het aanstaande ouderschap, bezorgdheden over het

vO TvO TvO TvO

nog ongeboren kindje, wat je kunt doen om contact

te maken en hoe je je kindje kunt beschermen

tegen de teleurstellingen die je zelf gekend hebt.

Hoewel mijn cliënte veel last had van misselijkheid

en kwaaltjes tijdens de zwangerschap, had ik wel

het gevoel dat ze er klaar voor was. Toen mijn verlof

begon, liet ik ze met een gerust hart even los. Ze

wilden geen overbruggingscontact met een collega

vO TvO TvO TvO

die ze niet kenden.

Vier maanden later ben ik terug en blijkt mijn

cliënte bevallen van een prachtige dochter, is de

borstvoeding gelukt, maar is het onrustige gedrag

van de baby wel moeilijk voor hen. Ik hervat de

O TvO TvO TvO

huisbezoeken en zie twee heel lieve ouders die

ondanks hun eigen voorgeschiedenis hun dochter

liefdevol alles willen geven. Toch is het heel moeilijk

als je zelf hierin de nodige tekortkomingen kent.

Zij zijn, maar ook ik als therapeut, zoekende. Wat

heeft dit kleine meisje nodig? Wat kunnen haar

O TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

ouders hierin bieden? Zij willen zo graag hun dochter

een andere toekomst geven. We blijven de huisbezoeken

voortzetten, onderzoeken aan de hand

van de Theraplay wat er goed gaat en welke aspecten

nog wat verdieping nodig hebben om de band

tussen ouders en kind te verstevigen. Ik werk vooral

intuïtief, put ook uit mijn eigen ervaringen als jonge

O TvO TvO TvO

moeder, waarbij ik alle onzekerheden bij het ouderschap

ken en met hen kan bespreken. Ik mag echt

naast hen gaan staan en we verwonderen ons ook

O


vO TvO TvO TvO

samen over hoe goed hun dochter zich ontwikkelt.

Ik benoem ook juist de aspecten die zij heel goed

doen en ben oprecht trots op hen als jonge ouders.

Na ruim een jaar besluiten we dat de ondersteuning

kan stoppen en ze op eigen kracht doorgaan. Bij het

afsluitend gesprek vertellen ze mij trots dat ze net

ontdekt hebben weer zwanger te zijn, maar dat ze

door dit traject veel vertrouwen hebben in het vervolg.

Ik laat hen met een gerust hart los.

We zijn inmiddels ruim vijf jaar verder na dit

afscheid. In de jaren die volgden en waarin ik mij

steeds meer ging bekwamen in het IMH-werk, zijn

zij nog weleens door mijn hoofd geschoten. Mijn

eerste IMH-casus, met een heel mooi proces om

trots op terug te kijken. En dan krijg ik dat chatberichtje.

Wanneer alle puzzelstukken op hun

plek vallen, reageer ik gelijk en stelt zij voor om te

bellen. Ze wil me heel graag persoonlijk bedanken,

want de ondersteuning heeft haar geholpen om

nu te staan waar zij staat, zowel persoonlijk als in

haar relatie, als in het gezinsleven. Ik waardeer dit

enorm, want ik vind het mens-zijn als therapeut

belangrijk in het contact maken met cliënten. Dus

we maken een afspraak om elkaar op een avond,

als onze kinderen in bed liggen, te bellen. Zij vertelt

mij trots wat ze de afgelopen jaren heeft gedaan,

dat ze inmiddels een stabiel leven heeft en zij nog

een derde kindje hebben mogen verwelkomen. Ook

in de relatie met haar partner, die soms heel ingewikkeld

was, zijn ze samen volwassen geworden,

vullen ze elkaar goed aan, en is er veel acceptatie

voor elkaars sterke en minder sterke kanten. Ik

luister vol trots en bewondering. Wat hebben ze

dit samen goed gedaan! Zij zegt dat dit vooral komt

door mijn hulp, waarbij ze dingen noemt waarvan

ik me al niet meer zo goed kan herinneren dat we

het daarover hadden, maar ik ben vooral trots op

hoe ze haar leven heeft opgepakt. Ook wanneer ze

praat over haar kinderen hoor ik een moeder die

haar kinderen goed ziet en goed mentaliseert. Na

afronding van de therapie heeft zij de besproken

punten goed vast weten te houden en zelf nog

verder door kunnen groeien. Wat ontzettend gaaf!

Met een glimlach en trots gevoel hang ik op. Ze

heeft nu mijn nummer en mag mij altijd benaderen.

Ook wanneer zij gewoon een vraag of twijfel heeft.

Hoe fijn dat ze zoveel aan de hulp gehad heeft en

dat dit ook in haar huidige gezin goed doorwerkt.

Ik denk dat onze wegen zich vast nog eens kruisen.

Ik hoop dat ik datgene wat ik toen intuïtief

deed (kijken, rustig observeren en verwonderen

(watch-wait-wonder), maar ook onzekerheden

normaliseren en een luisterend oor bieden) steeds

beter verankerd heb in mijn therapeutische stijl.

Voor mij is dit de basis van de therapeutische relatie

– om echt als mens contact te maken en naast

mijn cliënten te blijven staan, ongeacht trouwens

hoe oud de cliënt is en wat de vraag is. En ondanks

dat dit nieuwe behandelingen waren en ook best

spannend voor mij, heb ik zelf geleerd dat mijn

intuïtieve werken goed uitpakt.

COLUMN

vO TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

Moniek Coorn

is als klinisch psycholoog werkzaam bij

Jeugd GGz, onderdeel van de Dimence groep.

Zij zal vanaf nu haar gedachtenspinsels delen

in de rubriek In Zicht.

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 43


44

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

Samenvatting

Stand van zaken en handvatten voor hulpverleners en betrokkenen

TvO TvO TvO T

Autisme,

genderdiversiteit en

genderdysforie

TvO TvO TvO Tv

Jeroen Dewinter, Sascha Klomp & Anna van der Miesen

vO TvO TvO TvO

Genderdiversiteit en genderdysforie

komen vaker voor bij mensen met

autisme dan bij mensen zonder autisme. Hoewel

dit een minderheid van de jongeren en volwassenen

met autisme betreft, kan een vraag over

genderidentiteit of de ervaring dat de eigen gende r -

identiteit niet overeenkomt met het toegewezen

geslacht bij de geboorte invloed hebben op iemands

welbevinden. Ook kan zoekend zijn naar genderidentiteit

vragen oproepen bij de omgeving. In dit

overzichtsartikel geven we uitleg over relevante

Stel: ouders vragen jou als professional of ze hun

14-jarige kind met een andere voornaam en voornaamwoorden

moeten aanspreken nadat die dat

een week eerder plots vroeg. Of een van de kinderen

uit de behandelgroep komt huilend naar je toe

met de vraag waarom de jongens altijd tegen de

meisjes moeten spelen. Zijn deze vragen bij kinderen

en jongeren met autisme een reden om zorgen

te hebben als ouder, docent of hulpverlener, of

zijn deze vragen onderdeel van de ontwikkeling

en het ontdekken van identiteit? Kom je tegemoet

terminologie en vatten we de belangrijkste bevindingen

uit wetenschappelijk onderzoek samen.

Vervolgens gaan we in op wat gendervragen kunnen

vO TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

betekenen voor het dagelijks leven van jongeren en

volwassenen met autisme, voor hun ouders, familieleden

en betrokken professionals. We verwijzen naar

beschikbare informatiebronnen en benoemen aandachtspunten

in het samenwerken met mensen met

autisme en hun omgeving. Een ervaringsdeskundige

O TvO TvO TvO

geeft aanvullende informatie vanuit zijn persoonlijke

ervaring en reflecteert op de inhoud van het artikel.

aan deze vragen of niet? Wie gaat er dan met deze

jongeren en ook met volwassenen met dit soort

O TvO TvO TvO

vragen in gesprek over hun genderidentiteit en

hun zoektocht? En wanneer moet je om professioneel

advies vragen of iemand aanmelden bij

een genderteam?

De afgelopen jaren wisselden we in Nederland

en België expertise uit vanuit wetenschappelijke

hoek, hulpverlening en ervaringsdeskundigheid

O TvO TvO TvO

rond het samenwerken met kinderen, jongeren

en volwassenen met autisme met vragen rond

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

genderdiversiteit en seksualiteit. Dit om de

ondersteuning die we hun vanuit verschillende

organisaties bieden te versterken en te verbeteren

(Dewinter et al., 2021). In dit artikel zetten we

het wetenschappelijk onderzoek rond autisme,

genderdiversiteit en genderdysforie op een rij en

vertalen we dit onderzoek en onze ervaringen – als

professional in de GGZ, in een specialistisch genderteam,

en vanuit persoonlijke ervaring – naar

opvoeding, onderwijs en hulpverlening, met handvatten

om jongeren en volwassenen te ondersteunen

in hun zoektocht en ontwikkeling.

Definities en terminologie

De laatste jaren is er meer aandacht gekomen voor

genderidentiteit en -diversiteit (voor begrippen,

zie kader 1) in de verschillende media, maar ook

tijdens voorlichting op scholen. De meeste mensen

– met en zonder autisme (zie kader Gender enzo?!

op p. 46. voor terminologie rond autisme) – hebben

geen vragen of zorgen over hun genderidentiteit en

voelen zich man of vrouw. Een deel van hen heeft

echter wel als kind, jongere of volwassene vragen

over genderidentiteit. Jongeren experimenteren

met hun genderexpressie, zijn open over hun gendervragen

en willen graag dat hiermee rekening

wordt gehouden op scholen, bij evenementen en

binnen organisaties. In dit artikel verwijzen we

naar het hebben van gendervragen of een genderzoektocht

om te verwijzen naar de brede groep

van jongeren en volwassenen die nadenken over

hun genderidentiteit, die experimenteren met hun

genderexpressie, of die dysforie ervaren vanwege

het niet overeenkomen van hun toegewezen en

ervaren gender. Deze vragen kunnen voorbijgaand

zijn of langer blijven bestaan, waarbij het aantal

aanmeldingen bij gespecialiseerde gendercentra

al jaren gestaag stijgt (Wiepjes et al., 2018).

Opvallend is dat vragen over genderidentiteit

vaker voorkomen bij mensen met autisme en dat

autisme(kenmerken) vaker voorkomen bij mensen

met gendervragen (Van der Miesen, Hurley &

De Vries, 2016). Jongeren en volwassenen met

autisme getuigen dat autistisch zijn van invloed

kan zijn op hoe deze zoektocht naar (gender)identiteit

wordt ervaren en mensen uit de omgeving

(ouders, onderwijsprofessionals en hulpverleners)

geven aan zich vaak handelingsverlegen te voelen

(Cooper et al., 2021).

Sascha:

‘Voor mij was de reden om hulp te zoeken rondom

O TvO TvO TvO

mijn gender voornamelijk vanuit zware sociale

dysforie die ik al jaren had. Ik heb het er altijd heel

moeilijk mee gehad dat mensen mij in het vrouwenhokje

wilden duwen en dus ook van mij verwachtten

dat ik bepaalde dingen leuk vond of andere dingen

niet zou willen doen. Dat begon al met als kind niet

TvO TvO TvO

de mannelijke Power Ranger mogen spelen op het

schoolplein van klasgenootjes want ik “was geen

jongetje”. Bovendien gaat die sociale druk verder:

ook in vriendengroepen en in de relationele sfeer zien

we elkaar als “jongen” of “meisje” en behandelen we

elkaar daardoor onbewust anders. Ik vond het erg

lastig als mensen mij leuk of aantrekkelijk vonden

TvO TvO TvO

omdat ze mij zagen als meisje. Eigenlijk wilde ik

graag dat ik om dezelfde redenen leuk gevonden werd

als andere jongens. Lichamelijk heb ik ook zeker dysforie

ervaren, eigenlijk al vanaf het begin van mijn

puberteit, maar de sociale dysforie was voor mij veel

erger, omdat je in sociaal contact altijd er weer mee

geconfronteerd wordt.’

TvO TvO TvO

Wetenschappelijk onderzoek

Het wetenschappelijk onderzoek naar autisme,

genderdiversiteit, en genderdysforie richtte zich

eerst voornamelijk op de mate waarin gendervragen

en autisme samen voorkomen. Recent is er in

TvO TvO TvO T

het onderzoek meer aandacht voor de ervaringen

van deze jongeren en volwassenen, hun ontwikkeling

en behoeften.

De afgelopen jaren heeft wetenschappelijk onderzoek

herhaaldelijk aangetoond dat zowel genderdiversiteit

als genderdysforie (met en zonder

TvO TvO TvO Tv

het verzoek tot een medische geslachtsaanpassende

behandeling) vaker voorkomt bij mensen

met autisme. In een groot onderzoek van het

Nederlands Autisme Register werd bijvoorbeeld

gevonden dat ongeveer 22 procent van de bij de

geboorte toegewezen vrouwen en 8 procent van

de bij de geboorte toegewezen mannen zich niet

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 45


46

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

Gender enzo?!

Er zijn veel begrippen en termen in omloop, waarbij het belangrijk is om onderscheid te maken

tussen genderidentiteit (je man, vrouw, of een ander gender voelen), het toegewezen geslacht bij

TvO TvO TvO T

de geboorte (biologisch geslacht) en genderexpressie (de uiting van je gender, door bijvoorbeeld

kleding). Deze begrippen staan los van begrippen als seksualiteit en seksuele of romantische

aantrekking.

Ons biologisch geslacht (man/vrouw/intersekse), ook wel toegewezen geslacht bij de geboorte

genoemd, wordt meestal bepaald en toegewezen na de geboorte op basis van zichtbare, uiterlijke

geslachtskenmerken. Je zou ook kunnen kijken naar genetische kenmerken (geslachtschromosomen)

of interne voortplantingsorganen, maar ook deze komen niet altijd overeen met iemands

TvO TvO TvO Tv

externe geslachtskenmerken, zoals bij personen met mannelijke én vrouwelijke geslachtskenmerken

(intersekse conditie).

In onze maatschappij zijn verwachtingen gekoppeld aan hoe mensen met een bepaald toegewezen

geslacht bij de geboorte zich ‘horen’ te gedragen: bijvoorbeeld dat jongens horen te spelen met

auto’s en meisjes met poppen. Deze genderrollen verschillen per cultuur, ze veranderen door de

tijd heen, en zijn voor sommige mensen belangrijker dan voor anderen. Hoe iemand zich kleedt,

gedraagt, uitdrukt en diens genderrol uit, noemen we genderexpressie. Deze expressie kan wel of

vO TvO TvO TvO

niet in overeenstemming zijn met normen in een bepaalde context en tijd (of nonconform met

het gender). Mensen experimenteren met deze rol en expressie zonder dat dit iets hoeft te zeggen

over hun identiteit. Genderidentiteit verwijst namelijk naar hoe iemand diens eigen gender ervaart.

Je genderidentiteit kan overeenstemmen met je biologisch geslacht (dit wordt ook wel cisgender

genoemd) maar ook niet overeenkomen. Transgender of trans is een parapluterm die verwijst naar

het ervaren van een verschil tussen het toegewezen geslacht bij de geboorte en de genderidentiteit.

Mensen ervaren en beschrijven veel meer genderidentiteiten dan jongen/meisje of man/

vO TvO TvO TvO

vrouw. Die variatie of genderdiversiteit is breed (bijv. genderfluïde, non-binair, agender) en termen

die mensen gebruiken, evolueren. De term ‘autigender’ is daarbij nog goed om te noemen: deze

verwijst naar het idee dat iemands genderbeleving en autisme met elkaar zijn verweven, waarbij

iemands autismekenmerken de beleving van diens gender beïnvloeden.

De meeste genderdiverse mensen hebben geen behoefte aan hulp of ondersteuning. Een kleine

groep kinderen, jongeren en volwassenen ervaart een lijdensdruk door het niet overeenstemmen

O TvO TvO TvO

van hun genderidentiteit en hun toegewezen geslacht bij de geboorte, samen met de daarbij behorende

lichamelijke geslachtskenmerken zoals borsten, heupen of brede schouders. Daarnaast kan

lijdensdruk voortkomen uit hoe andere mensen je zien en/of uit de verwachtingen die daarbij

horen over bijvoorbeeld genderexpressie (sociale dysforie). De incongruentie en dysforie (genderdysforie)

die zij ervaren, hebben een negatieve impact op hun welbevinden en vormen vaak een

reden om hulp te zoeken.

O TvO TvO TvO

(enkel) identificeerden met het hun toegewezen

geslacht (Dewinter et al., 2017). Onderzoek bij

mensen met autisme liet zien dat genderdysforie

4,38 keer zo vaak voorkomt als bij mensen

zonder autisme (Hisle-Gorman et al., 2019).

Omgekeerd zien we ook vaker autisme en autismekenmerken

bij mensen die zijn aangemeld

bij een specialistisch genderteam. Een recente

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

meta-analyse liet zien dat 11 procent van de

mensen met genderdysforie autisme heeft, wat

veel hoger is dan de 1-2 procent van de algemene

bevolking (Kallitsounaki & Williams, 2022). Ook

O TvO TvO TvO

breder zien we dat meer mensen die zijn verwezen

naar specialistische genderteams autismekenmerken

herkennen of vertonen dan mensen

in de algemene bevolking, waarbij cijfers uit

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

onderzoek ver uiteenlopen, van 5,5 procent tot

68 procent (Van der Miesen et al., 2016).

Er zijn allerhande ideeën over het vaker samen

voorkomen van autisme en genderdiversiteit,

maar geen daarvan is tot nu goed onderbouwd

door onderzoek. Er wordt bijvoorbeeld geopperd

dat genderdiversiteit bij sommige mensen met

autisme gezien kan worden als deel van een specifieke

interesse passend bij autisme, of als onderdeel

van een bredere identiteitsvraag (Cooper et

al., 2021). Ook wordt geopperd dat mensen met

autisme wellicht minder gevoelig zijn voor sociale

normen in het algemeen, en meer specifiek voor

sociale gendernormen, en daardoor eerder zichzelf

zijn (Strang et al., 2018). Al deze hypotheses

zijn echter nog niet voldoende wetenschappelijk

onderzocht. Mogelijk is het idee van één alomvattende

verklaring niet reëel als het gaat over

het samen voorkomen van genderdiversiteit en

autisme. De verschillende bestaande verklaringsmodellen

zijn wel helpend om met mensen het

gesprek aan te gaan over hun genderzoektocht

en de ideeën en verwachtingen die ze daarbij

zelf hebben.

Er is ook nog weinig inzicht in de manier waarop

gendervragen bij jongeren en volwassenen met

autisme evolueren. Soms zijn deze vragen al duidelijk

op jonge leeftijd, maar we ontmoeten ook

regelmatig jongeren en volwassenen die pas op

latere leeftijd hun genderzoektocht onder woorden

brengen of delen met hun omgeving. Er zijn

ook nog geen follow-upstudies over een lange

termijn gedaan naar mensen met autisme die

zich aanmelden bij specialistische gendercentra

en kiezen voor een medische behandeling met

bijvoorbeeld cross-seksehormonen of operaties.

Twee studies met een follow-up op korte termijn

(De Vries et al., 2010; Strang et al., 2018) lieten

zien dat genderidentiteit bij jongeren met autisme

niet altijd statisch is en kan veranderen in de loop

van de tijd.

Belangrijk om te vermelden is dat kinderen, jongeren

en volwassenen die zich aanmelden bij

gespecialiseerde genderteams vaker kampen met

Heeft iemand autisme of is

iemand autistisch?

psychische klachten dan mensen uit de algemene

bevolking; met name depressie en angst komen

veel voor (bijv. Vaele et al., 2017). Ook jongeren

en volwassenen met autisme en genderdiversiteit

rapporteren meer kenmerken van depressie en

angst dan jongeren en volwassenen met autisme

zonder genderdiversiteit (George & Stokes, 2018;

Van der Miesen et al., 2018). Het anders zijn van

deze groep en de manier waarop de maatschappij

daarmee omgaat (bijv. negatieve reacties) zouden

dit kunnen verklaren (zie het minderheidsstressmodel

(Meyer, 2003)) maar ook daarnaar is nog

meer onderzoek nodig.

Sascha:

Dit is een vraag die voor discussie zorgt

binnen de autismegemeenschap en waar

O TvO TvO TvO

geen eenduidig antwoord op te geven is.

In het Engelse taalgebied hebben op dit

moment meer autistische mensen een

voorkeur voor de nadruk op identiteit

(identity-first, dus een autistisch persoon;

Bottema-Beutel et al., 2021). In Nederland

TvO TvO TvO

lijkt de meerderheid van de mensen met

autisme een voorkeur te hebben voor de

nadruk op de persoon (person-first, dus

een persoon met autisme; Buijsman et al.,

2022). Wij gebruiken in dit artikel beide

benaderingen door elkaar om aan de verschillende

voorkeuren tegemoet te komen.

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO T

‘Ik denk dat het lastige van zowel genderdivers als

autistisch zijn, is dat, in elk geval voor mij, het ook

best wel een zoektocht was om te leren leven met

TvO TvO TvO Tv

mijn autisme en te accepteren dat dit niet meer

verandert. Bovendien is het je realiseren dat er iets

aan de hand is en vervolgens daar hulp voor zoeken,

mogelijk ook een grotere barrière. Toen ik erachter

was gekomen dat ik genderdysforie had, versterkte

mijn autisme de zwaarte van deze periode. Omdat

het allemaal veel en overweldigend was, had ik meer

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 47


48

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

last van overprikkeling, angst en depressieklachten.

Ook het relativeren van het proces is lastig; in

het begin voelde het alsof alles meteen en tegelijk

moest en was het lastig om in stapjes te denken.

Hier heeft voor mij mijn ambulante begeleiding heel

erg bij geholpen. Mijn begeleidster had nog niet veel

ervaring in het begeleiden van transpersonen, maar

door zonder aannames veel door te vragen en veel

interesse te tonen in waar ik mee bezig was, heeft ze

me erg geholpen bij het voorbereiden op het transitietraject

bij de genderpoli. Daar ben ik nog steeds heel

dankbaar voor, anders had ik hier waarschijnlijk niet

gestaan.’

Recent kwalitatief onderzoek (Cooper et al., 2021;

Strang et al., 2018) geeft meer inzicht in hoe

autistische jongeren en volwassenen het omgaan

met gendervragen ervaren en welke factoren van

invloed kunnen zijn op hun welbevinden. Net

zoals jongeren en volwassenen zonder autisme,

beschrijven mensen met autisme hoe ze kunnen

worstelen met een gevoel van onbehagen ten

aanzien van hun lichaam en de lijdensdruk die

daarmee samenhangt. Dat is niet altijd gemakkelijk

onder woorden te brengen en te communiceren.

Jongeren beschrijven hoe ze psychische klachten,

een gevoel van anders zijn ervaarden, of moeite

hadden met gender gerelateerde verwachtingen,

voordat ze expliciet gendervragen en/of -dysforie

benoemden. Sommige jongeren beschrijven hoe

ze aarzelden om open te zijn over hun genderzoektocht

uit bezorgdheid om niet serieus genomen te

worden of (verder) buitengesloten te raken. In die

identiteitszoektocht, en de spanning die daarmee

kan samenhangen, kunnen zowel het autistisch zijn

als de gendervragen een rol spelen. Bijvoorbeeld als

denkstijl een rol speelt in het nadenken over identiteit,

bij het omgaan met onvoorspelbare veranderingen

of bij het communiceren van ervaringen.

Jongeren en volwassenen beschreven hoe ze ook

zelf nadachten over de vraag of hun denkstijl van

invloed zou kunnen zijn op hun genderzoektocht

(bijv.: ‘Is het nu weer een thema waar ik me erg in

verdiep of zegt het iets over hoe ik me voel?’)

Ook de sociale omgeving speelt een rol: hoe genderrollen

en daaraan gerelateerde verwachtingen

onuitgesproken zijn, hoe complex het is om door

de omgeving als ‘anders’ gezien te worden dan hoe

iemand zichzelf ervaart, of hoe anderen hun identiteit

als vanzelfsprekend ervaren terwijl autistisch

zijn en gendervragen maken dat iemand zich

TvO TvO TvO T

anders voelt. Verschillende onderzoeken lieten

zien dat het niet vanzelfsprekend is om gehoord

en erkend te worden in deze zoektocht, om hulp

te krijgen die passend voelt, terwijl er wel sprake

is van een uitgesproken hulpvraag (Cooper et al.,

2021; Strang et al., 2018).

TvO TvO TvO Tv

Aandacht voor het welbevinden van autistische

kinderen, jongeren en volwassenen met gendervragen

is belangrijk. Er ontbreekt inzicht in verklaringen

voor het samengaan van autisme en

genderdiversiteit, en onderzoek waarin jongeren

en volwassenen gedurende een langere tijd worden

gevolgd, al dan niet in combinatie met specifieke

vO TvO TvO TvO

interventies. Dat maakt dat we behandeladviezen

nog niet kunnen onderbouwen met wetenschappelijke

evidentie. Wat is dan goed om te doen?

Ervaringen van jongeren en volwassenen maken in

ieder geval duidelijk dat erkenning en ervoor openstaan

om in gesprek te gaan noodzakelijke stappen

zijn. Ook ontwikkelde een groep van internationale

vO TvO TvO TvO

experts op basis van hun kennis en ervaringen een

eerste richtlijn rond assessment en behandeling

van gendervragen bij jongeren met autisme (Strang

et al., 2018). Daarnaast werd in nauwe samenwerking

met jongvolwassenen met autisme een groepsprogramma

uitgewerkt om jongeren met autisme

O TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

te ondersteunen in hun genderzoektocht (Strang et

al., 2020). Dit groepsprogramma wordt ondertussen

ook geëvalueerd in Nederland. Deze richtlijnen

en ondersteuningsprogramma’s zijn echter vooral

gericht op specialistische teams, en zijn minder

gericht op opvoedings- en onderwijscontexten.

O TvO TvO TvO

In de praktijk

Veel vragen van ouders, scholen en hulpverleners

situeren zich echter voor of naast deze specialistische

behandeling: hoe ga ik om met het verzoek

om een andere naam te gebruiken, moeten we

een gebouw anders inrichten (bijv. toiletten en

O TvO TvO TvO

kleedkamers), hoe gaan we met een groep jongeren

het gesprek aan over genderrollen en -identiteit?

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

Veel materialen en methodieken die ontwikkeld

zijn voor jongeren en volwassenen zonder

autisme en voor de mensen die bij hen betrokken

zijn, bieden hierbij houvast (zie overzicht op

www.tijdschriftvoororthopedagogiek.nl).

Vaak wordt de vraag gesteld of ouders, hulpverleners

en onderwijzers anders moeten omgaan met

jongeren met autisme die een vraag hebben over

hun genderidentiteit in vergelijking met jongeren

zonder autisme. ‘Als je één iemand met autisme

hebt ontmoet, dan heb je één iemand met autisme

ontmoet’, zei Stephen Shore, een autistisch academicus

(Limeconnect, 2018). Dat geldt natuurlijk

ook in dit verhaal. Ons belangrijkste advies is dan

ook om vooral goed te luisteren naar het verhaal

en de vragen van elk individu, en om waar mogelijk

eerst in gesprek te gaan en te vragen wat bij

een specifieke jongere of volwassene wel of niet

werkt. De ene persoon vindt visualisaties fijn, de

andere kan prima overweg met talige vergelijkingen;

voor sommigen is het licht in de kamer

prettig, terwijl het anderen totaal overprikkelt;

sommige jongeren zijn zich bewust van hun denk-

en informatieverwerkingsstijl en hoe die verschilt

van en gelijkt op die van anderen, terwijl anderen

hier niet mee bezig zijn. Kennis van autisme én

aandacht voor individuele verschillen zijn dus

noodzakelijk. In het samenwerken met autistische

jongeren en volwassenen rond gendervragen is

sensitiviteit en afstemming op de communicatieve

behoeften en informatieverwerkingsstijl

belangrijk, en daarbij is kennis van en ervaring

met autisme nodig. Overleg en samenwerking met

iemand met ervaringsdeskundigheid is daarbij

wat ons betreft een meerwaarde. Daarnaast is ook

sensitiviteit voor taalgebruik rond genderidentiteit

belangrijk: welke naam en voornaamwoorden

gebruikt iemand op een bepaald moment,

en hoe wil iemand worden aangesproken? Ons

uitgangspunt is dat jongeren en volwassenen

mogen zoeken naar hun identiteit, en we bespreken

ook met jongeren dat ze mogen zoeken, ervaren

en ook tijdens deze zoektocht andere keuzes

kunnen en mogen maken.

O TvO TvO TvO

Sascha:

‘Zeker in een zorgcontext is sensitiviteit en begrip

één van de belangrijkste dingen. Ik weet uit ervaring

dat als een hulpverlener erg vanuit eigen aannames

gaat redeneren en niet eerst doorvraagt hoe dat voor

mij is, de vertrouwensband al snel beschadigd raakt.

TvO TvO TvO

Niet alleen op het gebied van gender, maar ook als

men bijvoorbeeld zegt: “Oh maar je bent toch veel

te sociaal om autistisch te zijn?” Of als zorgverleners

de assumptie hebben dat je per definitie in een

heteroseksuele relatie zit. Dit begint niet alleen in de

behandelkamer, maar ook daarvoor al. Hoe wordt

iemand geregistreerd bij aanmelding en welke opties

TvO TvO TvO

zijn er in die registratie beschikbaar (denk aan een

invulformulier met alleen man of vrouw), of hoe

iemand aangesproken of binnen geroepen wordt voor

de behandeling.’

Naast aandacht voor de eigen assumpties als

TvO TvO TvO

hulpverlener – zoals duidelijk is uit het voorgaande

– is bredere aandacht dan alleen die voor

genderidentiteit belangrijk. Denk daarbij ook aan

iemands bredere identiteitsontwikkeling (Wie

ben ik? Wat past bij me? Hoe is het voor mij om

autisme te hebben? Hoe kijk ik naar mezelf, anderen,

de wereld, de toekomst?), iemands psychisch

en sociaal welbevinden en iemands seksualiteit

TvO TvO TvO T

Kennis van autisme én

aandacht voor

individuele verschillen

zijn dus noodzakelijk

(aantrekking, ervaring, identiteit). Dit zijn vragen

en thema’s die in elke context weer op een andere

manier aan bod kunnen komen; op school tijdens

de lessen rond seksuele voorlichting, als een

vraag van een hulpverlener in een gesprek en in

informatie voor ouders. Veel van deze thema’s zijn

niet vanzelfsprekend of kunnen ongemakkelijk

TvO TvO TvO Tv

voelen voor de omgeving. Materialen en methoden

die zijn ontwikkeld voor jongeren en volwassenen

met en zonder autisme zijn steeds meer

beschikbaar en kunnen hierbij helpen (bijv. de Ik

Puber-training).

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 49


50

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

Veel professionals

voelen zich

handelingsverlegen

om over

genderidentiteit in

gesprek te gaan

Het belang van aandacht voor het netwerk rond

jongeren en volwassenen, en het versterken van dit

netwerk zijn daarbij niet te onderschatten (Dewinter

et al., 2021). Elke betrokken partij kan daarbij

een rol spelen, door met jongeren en volwassenen

stil te staan bij de manier waarop hun vragen

bespreekbaar gemaakt kunnen worden met andere

betrokkenen (ouders, familie, vrienden, supportgroepen,

professionals). Elke partner in een netwerk

heeft een eigen rol (als ouder, vriend of leerkracht).

Probeer bij die rol te blijven en andere partners

te betrekken (bijv. professionele hulp, iemand die

jou kan ondersteunen met aanvullende expertise)

als rollen binnen een netwerk ontbreken. Binnen

onderwijs en (jeugd)hulpverlening is aandacht voor

de bredere context van je handelen nodig: hoe wordt

binnen jouw organisatie gedacht over het werken

rond genderdiversiteit? Hoe loopt de communicatie

met andere betrokkenen (bijv. ouders)? (Zie voor

handvatten bijv. grenswijs.be.)

Voor zowel jongeren met als zonder autisme geldt

dat het fijn en een opluchting kan zijn om over deze

zoektocht te kunnen praten. Hierbij is het belangrijk

voor de omgeving om een open houding te hebben.

Voor mensen zonder ervaring met vragen stellen

over gender kan dit soms lastig of ongemakkelijk

voelen. Onthoud daarbij dat het niet erg is om

vragen te stellen of dingen niet precies te weten

als je dit op een respectvolle manier bespreekt. Ga

er ook niet van uit dat je dingen begrijpt; vul niet

in maar probeer te begrijpen: hoe ben jij hierover

begonnen na te denken en hoe ben je tot dit besluit

gekomen? Bij mensen met autisme kan het soms

lastig zijn om open vragen te stellen, daarbij kunnen

gesloten vragen helpend zijn. Ook kan het helpen

om gebruik te maken van visuele ondersteuning,

zoals de afbeelding van de Genderunicorn, waarbij

onderscheid wordt gemaakt tussen genderidentiteit,

gender expressie, het toegewezen geslacht bij

de geboorte en seksualiteit. Voorbeelden geven (in

TvO TvO TvO T

woord en beeld) van hoe verschillende mensen hun

gender identiteit beleven, kan helpen bij het uitzoeken

van de eigen genderidentiteit.

In Nederland en België zijn er ondertussen mogelijkheden

voor (jong)volwassenen met autisme om

anderen te ontmoeten in LGBTQ+-groepen (bijv.

TvO TvO TvO Tv

via autiroze.nl; autenout.be) georganiseerd door en

voor mensen met autisme. Zoals hiervoor al gemeld,

worden op sommige plaatsen ook therapeutische

groepen opgezet voor jongeren. Het kan ook voor

ouders van jongeren en (jong)volwassenen met

autisme helpend zijn om ervaringen uit te wisselen

vO TvO TvO TvO

rond de genderzoektocht van kinderen en hoe daarmee

om te gaan, maar er ontbreekt nog een landelijk

netwerk.

Is hulpverlening nodig en welke dan? Idealiter

zouden jongeren en volwassenen die hierover

nadenken goed geïnformeerd moeten worden en in

gesprek moeten kunnen gaan met hun omgeving en

vO TvO TvO TvO

met betrokken professionals. Onze indruk is dat dit

nog niet de realiteit is en dat veel professionals zich

handelingsverlegen voelen om over genderidentiteit

in gesprek te gaan. Verwijzing naar een specialistisch

team is dan niet voldoende: deze teams

O TvO TvO TvO

kampen vaak met lange wachttijden, beperkte capaciteit

en richten zich met name op vragen rondom

medische genderbevestigende behandeling. Bij

een wens voor een medische genderbevestigende

behandeling kan een verwijzing wel noodzakelijk

zijn. Voorafgaand, naast en na deze behandeling is

het echter zinvol als andere betrokkenen – vanuit

hun rol en deskundigheid – in gesprek blijven over

O TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

hoe iemand zich voelt, helpen met alle vragen die

diegene ervaart, helpen met de reacties van de

omgeving, de eventuele samenwerking met een specialistisch

genderteam ondersteunen en ondersteunen

hoe iemand omgaat met eventuele medische

ingrepen. Samenwerking tussen hulpverleners met

O TvO TvO TvO

expertise op het gebied van autisme en genderdiversiteit

is een van de belangrijkste aanbevelingen uit

de eerste richtlijnen van Strang et al. (2018). Deze

O


vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

samenwerking opzoeken is belangrijk om kennis

en ervaring uit te wisselen en op deze manier zowel

autisme- als gendersensitieve zorg en begeleiding

te bieden. Daarbij is samenwerking tussen specialistische

genderteams en bredere hulpverlening

een duidelijke aanbeveling, ook als dat spannend

is voor de betrokkenen (bijv. vanuit de ongegronde

angst dat mensen met autisme niet in aanmerking

komen voor medische ingrepen). Voor, tijdens en na

eventuele medische behandeling is het zinvol om

aandacht te hebben voor niet-medische aspecten

zoals identiteit, gedrag, het wennen aan een veranderend

lichaam en omgaan met seksualiteit. Daarbij

is het belangrijk om aan te geven dat elke uitkomst

een optie is en goed is. Jongeren en volwassenen

ervaren dit niet altijd zo en willen zich soms vooral

richten op medische ingrepen gericht op fysieke

veranderingen. Ons advies hierin is – op basis van

wat we nu weten – om voorgaande in ieder geval

voor te leggen en te bespreken.

Helaas ontbreekt in de training van professionals

nog te vaak aandacht voor kennis en vaardigheden

om relationele en seksuele vorming of hulpverlening

rond seksualiteit en genderidentiteit te bieden.

We willen ervoor pleiten om dit systematisch aan

bod te laten komen in de opleiding van professionals

in zorg, hulpverlening en onderwijs. Ondertussen

is nascholing op dit vlak wel beschikbaar,

ook met specifieke aandacht voor jongeren en

volwassenen met autisme. De initiële richtlijnen

van Strang et al. (2018a) bieden in de tussentijd wel

houvast, maar aanvullend onderzoek naar de ervaringen

en behoeften van jongeren en volwassenen

met autisme en gendervragen, en het volgen van

deze groep op de langere termijn, is nodig om betere

handvatten te ontwikkelen om goede ondersteuning

te bieden.

Tot besluit

Er lijkt een verband tussen autisme en genderdiversiteit:

meer jongeren en volwassenen met

autisme rapporteren op enig moment in hun leven

dat ze zich niet herkennen in het geslacht dat hun

bij geboorte werd toegewezen of bij de maatschappelijke

verwachtingen en bejegening die daarbij

horen. Dat is vaak uitdagend en roept vragen op

voor deze jongeren en volwassenen, en voor hun

omgeving. Verklaringen en handvatten om hiermee

om te gaan zijn nog beperkt onderbouwd. Daarnaast

kampen jongeren en volwassenen met autisme

vaak met psychische klachten, en bij degenen met

O TvO TvO TvO

gendervragen lijkt dit nog vaker zo te zijn. Aandacht

voor en ondersteuning van hun welbevinden is dus

nodig vanuit het bredere netwerk. Professionals uit

het onderwijs en de hulpverlening kunnen daarin

een belangrijke rol spelen, in contact met jongeren

en volwassenen en met het bredere netwerk. Kennis

TvO TvO TvO

van en openheid ten opzichte van de persoonlijke

ervaringen en informatieverwerkingsstijlen van

jongeren en volwassenen met autisme samen

met gendersensitieve communicatie is daarbij de

belangrijkste eerste stap.

Over de auteurs

TvO TvO TvO

Dr. Jeroen Dewinter

is klinisch psycholoog bij GGzE en

onderzoeker bij de academische

werkplaats Geestdrift van Tranzo,

het wetenschappelijk centrum voor

zorg en welbevinden van Tilburg

TvO TvO TvO

University.

Sascha Klomp

is spreker over autisme en

genderdiversiteit vanuit zijn

ervaringsdeskundigheid.

TvO TvO TvO T

Dr. Anna van der Miesen

is arts-onderzoeker bij het Kennis-

en Zorgcentrum voor Genderdysforie

van het Amsterdam UMC, locatie VU

Medisch Centrum, Amsterdam.

TvO TvO TvO Tv

Interessante links en

geraadpleegde literatuur

kunt u vinden op:

www.tijdschriftvoororthopedagogiek.nl

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 51


TvO TvO T

TvO TvO TvO T

Overleven op een

onbewoond eiland

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

Geachte lezers, ik wil u graag uitnodigen voor een

gedachte-experiment. Ik vermoed dat een aantal

van u kinderen heeft. Zoals u wellicht weet, zijn

ouders meestal lovend en prijzend ten aanzien

van hun eigen kinderen, maar stelt u zich eens het

scenario voor waarin uw kinderen zonder u stranden

op een onbewoond eiland. Laten we afspreken

dat zij een groepje van tien tot vijftien kinderen

vormen. Wat gebeurt er, denkt u? Verwacht u dat

alle kinderen vriendelijk omgaan met elkaar en

samenwerken om te overleven? Denkt u zelfs dat

zij in staat zullen zijn om een primitief ‘contract’

te verzinnen waarin bepaalde spelregels worden

vastgelegd waaraan zij zich houden? Laten we dit

scenario 1 noemen. Of denkt u eerder aan scenario

2, waarin uw kinderen al snel ontaarden, vijandig

worden tegenover elkaar en dat er uiteindelijk

maar één ultieme regel geldt en dat is: de wet van

de sterkste?

Een voorstander van het tweede scenario is de

Britse Nobelprijswinnende schrijver William Golding.

In zijn roman Lord of the Flies beschrijft hij

hoe een groep Britse schoolkinderen, gestrand op

een onbewoond eiland, al snel verwilderen, hun

kleren afwerpen en hun gezichten beschilderen.

Als de jongens na een aantal weken uiteindelijk

worden gevonden door een Britse officier, blijken

er drie jongens overleden te zijn. Dit is natuurlijk

fictie, hoor ik u al zeggen, en dat klopt. Misschien

kunnen we, in de voetsporen van Freud, stellen

dat Goldings keuze meer over zijn verstoorde

psyche zegt en mogelijk zelfs terug te voeren is op

zijn persoonlijke traumatische jeugdervaringen.

Dit laatste denkt Rutger Bregman, de schrijver van

de bestseller De Meeste Mensen Deugen, na onderzoek

gedaan te hebben naar onder meer de biografie

van Golding.

Sterker nog, indien Bregman een keuze zou

moeten maken tussen beide scenario’s uit mijn

vO TvO TvO TvO

gedachte-experiment, dan zou hij overtuigd

kiezen voor het eerste scenario. In zijn eerder

genoemde bestseller beschrijft hij zelfs een realistische

versie van dit gedachte-experiment, waarin

jongens uit Tonga meer dan een jaar lang op een

onbewoond eiland moesten overleven voordat zij

opgemerkt werden. Deze jongens konden blijkbaar

vO TvO TvO TvO

niet alleen in barre omstandigheden goed samenwerken

en regels naleven, maar zelfs de sfeer was

allerminst grimmig: van staaldraden en een stuk

wrakhout maakten zij bijvoorbeeld een gitaar om

de stemming en moed erin te houden.

O TvO TvO TvO

Deze realistische versie blijft echter nog steeds

een verhaal dat door Bregman beschreven wordt.

En dat Bregman weet hoe hij een verhaal moet

neerzetten, is bewezen door de talloze keren dat

zijn boek verkocht en gelezen is. De vraag is welke

elementen overbelicht worden en welke elementen

juist weggelaten worden in zijn verhaal.

O TvO TvO TvO

52 TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

De setting van een onbewoond eiland gebruikt

Bregman om ons te overtuigen dat de mens van

nature goed en dus niet slecht is, zoals Golding

beweert. Hier is echter veel kritiek op geuit. Zo

zou het morele gedrag van de Tongaanse kinderen

mogelijk verklaard kunnen worden door streng

christelijke invloeden van witte missionarissen en

O TvO TvO TvO

dus niet door een natuurlijk moreel kompas dat

diepgeworteld in hen zit.

O


vO TvO TvO TvO

De filosoof

Dat kinderen van nature onschuldig zijn, is een

diepgewortelde overtuiging van mensen. Deze is

echter vanuit de filosofie en ook vanuit de psychoanalyse

aangevallen. Gelooft u in de onschuld van

uw kinderen? Op de achtergrond speelt zich hier

een eeuwenoude strijd af tussen twee filosofische

grootheden: Thomas Hobbes en Jean Jacques

Rousseau. Hobbes was de grondlegger van het

pessimistische mensbeeld waarin de mens werd

neergezet als ‘homo homini lupus est’ (de mens

is een wolf voor zijn medemens). Rousseau daarentegen

is de vertegenwoordiger van de ‘noblesse

sauvage’, de edele wilde die in een natuurtoestand

(een toestand die voorafgaat aan een samenleving

waarin bepaalde regels en wetten gelden) een

natuurlijk medeleven vertoont tegenover zijn

medemens. Dat mensen tot deugdelijkheid en

morele goedheid in staat zijn, daarvan getuigen

immers diverse momenten in de geschiedenis.

Sterker nog, zoals recent werk in de evolutiebiologie

aantoont, is zelfs een aantal diersoorten in

staat tot empathie en samenwerken, en vertonen

zij zelfs enig besef van rechtvaardigheid. Helaas

zijn niet alleen dieren, maar ook mensen in staat

tot beestachtigheid en is de erfenis van onze

menselijke geschiedenis ‘inktzwart’ en doorspekt

met voorbeelden van moreel verval en extreme

gewelddadigheid.

Dit gedachte-experiment is niet alleen speculatief,

maar ook illustratief voor hoe wij verkiezen

onze kinderen op te voeden. Bent u streng in

de leer en strikt in het handhaven van regels, of

gunt u uw kinderen enige vrijheid en is volgens

u spontaniteit de sleutel tot een gezonde mentale

ontwikkeling van het kind? Interessant aan het

gedachte-experiment is dat het ons niet alleen

terugvoert naar een ver verleden om na te denken

over de nobiliteit van de natuurlijke mens, maar

het functioneert evenzeer als een perspectiefwissel.

Stelt u zich namelijk voor dat u vanaf een

afstand de invloed van de samenleving kritisch

onder de loep neemt, vanuit deze denkbeeldige

positie van het onbewoonde eiland. Hoeveel van

onze hedendaagse samenleving is wenselijk voor

uw kind? Dienen educatie en opvoeding onze

kinderen voor te bereiden op of juist enigszins te

beschermen tegen de samenleving waaarin zij als

volwassenen zullen vertoeven?

Dr. Joeri Pacolet

werkt als docent in het voortgezet

onderwijs op het Melanchthon te

Bergschenhoek, waar hij filosofie en

academische vaardigheden doceert.

Joeri heeft Cultuurwetenschappen

gestudeerd, is gepromoveerd in de

Literatuurwetenschappen en heeft

een educatieve master behaald

in Filosofie. Joeri doet onderzoek

naar de invloed van technologie

op creativiteit en de rol van

populaire cultuur in relatie tot de

psychologische ontwikkeling.

gast

COLUMN

vO TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 53


54

Titel

Auteur

Uitgever

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

Schildpadden tot in

het oneindige

TvO TvO TvO T

Schildpadden tot in het oneindige

John Green

Gottmer

ISBN 978 902 5768 539

Over de auteur

John Green is bekend geworden met zijn eerdere

boek Een weeffout in onze sterren (2014),

dat bekroond is met diverse prijzen. Twee van

zijn boeken zijn verfilmd.

Recent las ik op advies van een collega het boek

TvO TvO TvO Tv

Schildpadden tot in het oneindige (2017) van John

Green. Het boek vertelt het verhaal van Aza

Holmes, een meisje dat worstelt met een angst- en

dwangstoornis. In het indrukwekkende verhaal

komt naar voren hoe zij vastzit in de verstikkende

spiraal van haar gedachten. Deze spiraal

wordt steeds nauwer, waardoor zij steeds verder

vO TvO TvO TvO

tot wanhoop gedreven wordt. Het verhaal is zo

geschreven dat de lezer mee kan leven met de

manier waarop de gedachtenspiraal langzaam

haar ‘gezonde kant’ overmeestert. Dit doet de

schrijver door gesprekken tussen de gezonde kant

en de dwangstoornis te beschrijven. Zo wordt de

lezer meegenomen naar een aangrijpende climax,

vO TvO TvO TvO

waarna Aza in het ziekenhuis belandt.

Waar wij in onze opleidingen leren wat de kenmerken

zijn van een angst- en dwangstoornis,

wordt in dit boek duidelijk dat een stoornis niet

los gezien kan worden van een persoon. Hoewel

O TvO TvO TvO

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

Aza duidelijk lijdt onder de druk en overspoeling

vanuit haar angststoornis, blijft de persoon van

Aza met haar gevoelens en behoeften ook centraal

staan. Dit pleit voor een persoonsgerichte behandeling

waarin naar alle facetten van de persoon

gekeken wordt en niet alleen naar de klachten die

iemand heeft.

O TvO TvO TvO

Wanneer de gedachtenspiralen van Aza nauwer

worden, wordt ook haar sociale leven nauwer. Het

contact tussen Aza en haar moeder komt onder

druk te staan, evenals het contact met haar vriendin

en haar vriendje. Niet iedereen kan de persoon

achter de stoornis nog zien, waardoor niet alle

O TvO TvO TvO

relaties intact blijven. Het belang van het betrekken

van naasten in de therapie komt hiermee

O


vO TvO TvO TvO

‘Dit boek maakt duidelijk dat een stoornis

niet los gezien kan worden van een persoon

Niet iedereen kan

mooi naar voren. De vriendin, het vriendje en de

moeder van Aza zien van alles bij haar gebeuren,

maar lijken het niet te kunnen plaatsen in het

licht van de stoornis van Aza. Ook lijken ze in het

duister te tasten over de manier waarop ze ermee

om kunnen gaan. In de discussie die soms naar

boven komt bij psychologen op welke manier de

context betrokken moet worden, is in dit boek het

antwoord te vinden: de context is al betrokken. Zij

maken dagelijks de worstelingen van de persoon

met een angst- en dwangstoornis mee. Wellicht

had het betrekken van de context van Aza voor

meer begrip en (h)erkenning gezorgd, waardoor

Aza niet zo ver in de overspoeling van de gedachtenspiralen

was gezakt. Mogelijk had hiermee een

grote escalatie voorkomen kunnen worden.

Ondanks het zware thema dat wordt besproken in

het boek, leest het gemakkelijk en blijft de lezer

niet met een zwaar gevoel achter. Het verhaal is

deels autobiografisch; hoewel de verhaallijn verzonnen

is, lijdt de schrijver zelf ook aan een angst-

en dwangstoornis. De schrijver heeft met dit

boek fictie en realiteit mooi weten te combineren.

Florine Engelberts

de persoon achter

de stoornis nog zien,

waardoor niet alle

relaties intact blijven

BOEK-

BESPREKING

vO TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

TvO TvO TvO Tv

2022 NUMMER 5 55


56

TvO TvO T

TvO TvO TvO T

Tijdschrift voor Orthopedagogiek is een uitgave van Instondo B.V.

Redactie:

MSc. Florine Engelberts

GZ-psycholoog Fortagroep Kind en Jeugd

Dr. Rianne Kok

Universitair hoofddocent Erasmus Universiteit Rotterdam,

Department of Psychology, Education and Child Studies

Dr. Mirjam Kouijzer

GZ-psycholoog/orthopedagoog en wetenschappelijk onderzoeker, Centrum Jeugd, GGz Breburg

Dr. Evelien Platje

Senior onderzoeker en docent bij het Lectoraat Kennisanalyse Sociale Veiligheid, Kenniscentrum Sociale

Innovatie van de Hogeschool Utrecht

Wilma A.E. Mathurin, Msc

GZ-Psycholoog met aantekening seksuologie NVVS en cognitief gedragstherapeit VGCt i.o.

Dr. Gemma Zantinge

Universitair docent Universiteit Leiden Programmagroep Neuropedagogiek en Ontwikkelingsstoornissen

Dr. Hinke Endedijk

Universitair docent Onderwijswetenschappen, Universiteit Leiden

Hoofdredacteur

Drs. Birgit Jaarsma

Zelfstandig orthopedagoog en Master Music

Education, Praktijk Ortopedagogiek Leiden

Vaste medewerker:

Josien de Bie (column Hersenkrakers)

Wetenschapscommunicator, jazz zangeres,

stand-up comedian, oprichter genderbrain

Moniek Coorn

Klinisch psycholoog bij Jeugd GGZ, onderdeel van

de Dimence groep

Winnifred Jelier (interview)

Journalist, redacteur, adviseur,

www.winnifredjelier.nl

Coördinatie:

Drs. Eveline van Amstel

e.vanamstel@instondo.nl

Eindredactie:

Olga Koppenhagen

Tekst & Traffic

TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPEDAGOGIEK

Uitgever:

Janneke van Loon

Adjunct-uitgever:

Manon Kok

Fotografie:

René Schotanus

06 10 28 93 22

www.reneschotanus.com

Elisabeth van Dijke

Vormgeving:

Verloop drukkerij

078 691 28 99

www.verloop.nl

Druk:

Veldhuis Media BV

0572 349 700

www.veldhuismedia.nl

Lidmaatschap:

Een lidmaatschap in Nederland bedraagt €129,- inclusief BTW en verzendkosten per jaar. Voor

buiten Nederland bedraagt het €139,- inclusief BTW en verzendkosten per jaar. Hiervoor ontvangt

u vijf nummers van TvO en krijgt u korting op onze boeken en bijeenkomsten. Een lidmaatschap

voor studenten bedraagt €90,- inclusief BTW en verzendkosten per jaar. Voor instituten, besturen,

instellingen en scholen is vanaf 10 exemplaren een collectief lidmaatschap mogelijk. U kunt hierover

contact opnemen met de uitgever Janneke van Loon, j.vanloon@instondo.nl. Uw lidmaatschap wordt

automatisch verlengd, tenzij deze uiterlijk twee maanden voor de vervaldatum schriftelijk of per e-mail

wordt opgezegd.

Advertenties:

Voor informatie over mogelijkheden kunt u zich richten tot de uitgever via: sales@instondo.nl

t.a.v. mevrouw M. Kok.

Uitgave van:

Instondo B.V.

Binnen Kalkhaven 263

3311 JC Dordrecht

078 645 50 85

www.tijdschriftvoororthopedagogiek.nl

info@instondo.nl

ISSN 2211-6265

© Instondo B.V. Auteursrechten voorbehouden.

Het is niet toegestaan zonder schriftelijke toestemming van de uitgever artikelen, illustraties of

schema’s geheel of gedeeltelijk over te nemen. Aan de totstandkoming van deze uitgave is de uiterste

zorg besteed. Voor informatie die nochtans onvolledig of onjuist is, aanvaarden auteur(s), redactie en

uitgever geen aansprakelijkheid. Voor eventuele verbeteringen en suggesties houden zij zich gaarne

aanbevolen. Vanwege de aard van de inhoud en het doel van dit vakblad, wordt de abonnee geacht het

blad te ontvangen in verband met de uitvoering van een beroep of bedrijf.

Verwacht

Tijdschrift voor

Orthopedagogiek

editie 1:

TvO TvO TvO T

Heeft u zelf suggesties voor onderwerpen of zou u willen publiceren in TvO? Stuur dan een bericht

naar de redactiecoördinator Eveline van Amstel, via e.vanamstel@instondo.nl.

DIGITAAL

De geraadpleegde literatuur en achtergrondinformatie kunt u vinden op:

www.tijdschriftvoororthopedagiek.nl.

Als lid van TvO kunt u ook gebruikmaken van het digitale archief.

Thema: trauma

Met onder meer:

- een interview met Trees van der Voorden

- artikel van Paul Prins

- artikel van Milou Lunneman

- artikel van Lotte Hendriks

TvO TvO TvO Tv

- column van Iva Bicanic

vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

O


vO TvO TvO TvO

“Het is een boek waarbij ik bij elke bladzijde denk: zo is het écht, mooi

gezegd en prachtig geschreven. Ouders, onderwijsmensen en hulpverleners

O TvO TvO TvO

krijgen de kans om de schoonheid én kwetsbaarheid van hoogbegaafde

adolescenten te leren kennen. Omring ze met het vertrouwen dat ze

verdienen en help hen vanuit authenticiteit om hun talent te koesteren,

omarmen en ont-wikkelen!”

NIEUW

Prijs: €19,95

ISBN: 978 94 6317 335 3

88 pagina’s

- Prof. dr. Tessa Kieboom –

O TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

TvO TvO TvO Tv

WWW.INSTONDOBOEKEN.NL/HOOGBEGAAFDHEID-ONT-WIKKELT


TvO TvO

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO T

TvO TvO TvO Tv

vO TvO TvO Tv

vO TvO TvO TvO

vO TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

O TvO TvO TvO

vO

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!