Geschiedschrijving, waarheen? - Groniek

groniek.eldoc.ub.rug.nl

Geschiedschrijving, waarheen? - Groniek

H. W Van der Dunk

Geschiedschrijving, waarheen?

In dit artikel schetst professor dr. H.W. von der Dunk

de ontwikkeling van de motieven in de geschiedschrijving

in het verleden tot de huidige aandacht voor een

meer persoonlijk perspectief. Ten slotte spreekt hij zijn

verwachting voor de toekomst uit.

Bij de Romeinen ging het verhaal dat eens, in zeer oude tijden bij een gezamenlijke

maaltijd een knaap moest opstaan om al zingend de daden van

het voorgeslacht te memoreren. I Een gewoonte die als alternatief voor veel

onbenullige tafelspeeches wellicht ook vandaag enige overweging verdient,

al zullen de jeugdige zangers wel met een lantarentje moeten worden gezocht.

Legende of niet, het bericht onthult de meest elementaire functie

van de geschiedenis (het verhaal van wat is geschied) voor de mens: kennis

van het verleden ter betere oriëntatie in het eigen bestaan. Wat gebeurd

i , wekt daarom de belangstelling en ook al kan het op het oog slechts een

soort tafelmuziek of een onderhoudend tijdverdrijf lijken, het gaat feitelijk

steeds om méér. Onze eigen tijd wordt in een grotere ruimte geplaatst,

waarbij we onwillekeurig analogieën en verschillen herkennen. Historische

kennis berust altijd op herinnering gestold tot taal. Een constatering die

niets anders is dan een enorme platitude, maar er schuilt de hele problematiek

in, die historici door de eeuwen heen bezig heeft gehouden en houdt,

net een oneindig vertakte, gigantische boom die in deze eikel schuilt. Vanaf

het moment dat we historici tegenkomen, vragen ze zich in feite namelijk

ook al af waar ze mee bezig zijn, vele eeuwen voordat het specialisme

Theorie van de Geschiedenis was bedacht.

Bij Aristoteles staat dat de dichter-filosoof het algemene bestudeert, de

historicus het bijzondere en het behoort sedert de Romantiek en het historisme

tot de gangbare voorstelling dat dit bijzondere vanzelf ook eenmalig

is. 2

Die fixatie van de historici op de verschillen, het bijzondere en het eenmalige

dreigt echter gemakkelijk te leiden tot een professionele bijziend-

I w.F. Otto, 'Einleitung. Herodot und die Frühzeit der Geschichtsschreibung' in:

Herodot, Historien (Stuttgart 1971) XlI.

2 Aristoteles, Poetica, IX r.1451 b 1-7. Ik dank die vindplaats in het origineel aan L.M.

de Rijk. NestIe, Aristoteles Hauptwerke (Stuttgart 1977) 350-351.

467


468

Van der Dunk

heid en een verabsolutering ervan. Juist die genoemde vraag naar de zin en

aard van het vak is een goed voorbeeld dat we allerminst met een eenmalig

probleem te maken hebben. In dit verband komen we echter een taaie

en onuitroeibare vertekening van perspectief tegen die psychologisch zeer

verklaarbaar is. Dat is ook de reden van haar onuitroeibaarheid. Ik bedoel

de mening dat onze eigen tijd een onvergelijkelijk keerpunt in de hele geschiedenis

zou zijn. Haar eenmaligheid is dus nog weer eenmaliger dan die

van elke andere periode, de crisis nog weer een grotere crisis dan de vroegere.

En het opmerkelijke hierbij is dat zelfs historici, die beter weten omdat

ze vakshalve een oog hebben ontwikkeld voor het specifieke en onvergelijkelijke

van andere tijdvakken en doorgaans daarom ook kunnen relativeren,

op dit punt eveneens zo gemakkelijk in de - althan retorischehinderlaag

vallen van het presentisme, de overschatting van de eigentijdse

problematiek. De verklaring van die vertekening is, zoals gezegd, nogal

duidelijk: het verleden ligt als afgesloten geheel voor ons. Wij kennen de

gevolgen, de consequentie van wat vroegere generaties deden en dachten,

inc1u ief hun misvattingen en vergissingen. In onze eigen tijd kennen

we die afloop niet, de gevolgen zijn open, de gevaren en dreigingen - wat

we ook daaronder verstaan - niet bezworen of verdwenen. Daarom is het

unieke erin gelegen dat ze nog geen verleden zijn. Dat wordt dan evenwel

snel verwisseld met de inhoud of omvang van de problemen, waarbij vergeleken

die van vroeger tijden lijken te verbleken. Het mediatijdperk met

zijn karikaturale uitvergroting van het ogenblik heeft het historische geheugenverlies

en die vertekening immens versterkt. Ook ten aanzien van

de historiografie, de geschiedschrijving in het verleden, vindt die perspectivische

vertekening gemakkelijk plaats. De geschiedschrijving van vorige

generaties, ja van eeuwen kan gemakkelijk ter verduidelijking en oriëntatie

in grote lijnen worden neergezet. En elke generatie historici neemt daarbij

afscheid van de opvattingen, normen en intenties van haar voorganger.

Daarover straks iets meer.

Herinnering gestold tot een verhaal, dus tot taal, noemde ik het startpunt

van geschiedenis naar aanleiding van die legendarische zingende

knaap ter opluistering van een Romeins diner. Aangezien de herinnering

en elk verhaal niet anders dan electief zijn, is de kardinale vraag volgens

welke criteria er wordt geselecteerd. Die criteria berusten allereerst op wat

men onder waarheid verstaat en belangrijk vindt ter oriëntatie. Maar er is

een verschuiving van de waarheidsidee en de maatstaf voor wat belangrijk

wordt gevonden en die verschuiving is de voornaamste reden dat his-


Geschiedschrijving, waarheen?

torici telkens weer zo gemakkelijk het werk van hun voorgangers van naiviteit

of mythevorming betichten en corrigeren op grond van hun eigentijdse

waarheidsidee.

Wanneer de daden van het voorgeslacht bezongen werden dan ging

het gewoonlijk om de daden van het eigen volk en de herinnering of overlevering

selecteerde en gaf er vorm aan om de gemeenschappelijke band,

de identiteit zoals dat vandaag heet, te verstevigen. Daarvoor kwamen uiteraard

allereerst de glorieuze daden in aanmerking als voorbeeld en aansporing.

Bij een jeremiade over nederlagen, blunders of wandaden zouden

niet alleen de oude Romeinen hun soep met minder behagen hebben gelepeld.

Een verhaal van heldhaftigheid, overwinningen en daadkracht versterkt

het zelfbewustzijn en is tevens een stille hint om niet achter te blijven

bij de voorouders, zich hun waardig te betonen. In de nationale geschiedschrijving,

die in de negentiende eeuw zo overheersend werd, herkennen

we moeiteloos dezelfde behoefte en grondhouding. Tegenover elke

echte of vermeende grote bedreiging grijpt een volk bewust of onderbewust

naar die elementaire injectie van het het zelfbewustzijn die in het eigen

verleden is te vinden. 'En de jongens van Tromp en Piet Hein, die krijgen

ze lekker niet klein!' zongen we vrolijk na de bevrijding om de afgelopen

onderdrukking te verteren. En wat drijft vandaag een George Bush jr.

in zijn hart méér dan zijn romantisch idee van het ongerepte goede oude

Amerika, dat net als zijn heilige naamgenoot een draak moet vernietigen

en daarvoor liefst de hele wereld moet hervormen naar eigen beeld?!

De oudste geschiedschrijving voor zover bekend, wortelde nog in de mythe

en de verhalen van het voorgeslacht mondden bij een achteruitspoeling

uit bij goden en halfgoden als stamvaders en stammoeders. Uiteraard was

dat geloof niet in strijd met wat als waarheid werd beschouwd. Geen enkel

geloof kan dat ooit zijn. Voor degenen die vandaag geloven dat God-Jahwe

persoonlijk op de berg Horeb aan Mose de tafelen der wet heeft gegeven,

dat de Bijbel God's eigen woord is, dat Jezus zoon van God was, aan

het kruis stierf en weer is opgestaan om de mensheid te verlossen van haar

zondige status, of dat God-Allah aan Mohammed de Koran heeft gedicteerd,

is dit waarheid evengoed als de verhalen van Chronos, Zeus ofHeracles

eens waarheid uitdrukten voor Grieken en Romeinen. En evengoed als

het geloof in de menselijke rede en haar vermogen om een objectieve realiteit

waar te nemen, haar wetmatigheden te doorgronden en daarop ons

enige criterium van waarheid te baseren - en dientengevolge de waarheid

van bovengenoemde religieuze voorstellingen te betwijfelen of te ontken-

469


470

Van der Dunk

nen - het geloof fundament van heel de moderne wetenschap en het moderne

denken is geworden. Het geloof in mythen is niet minderwaardig

ten aanzien van het geloof in joodse, christelijke of islamitische dogma's.

En ondanks de enorme vooruitgang van onze natuurbeheersing dankzij

wetenschappen en techniek, waarvan de tastbare materiële resultaten dat

geloof in de weten chap ondersteunen, staan we telkens weer voor verrasingen,

onverklaarbare verschijnselen van de materie die de theorieën en

dat geloof uitdagen, zoals nieuwe ziektes die ineens opkomen of oude die

terugkeren, nadat ze bedwongen leken. De natuur gehoorzaamt dan ineens

niet meer aan de wetten en verwachtingen en de theorie moet worden

herzien. Waarheid blijkt altijd weer in nieuwe vermommingen te verschijnen.

Maar dit terzijde.

De Grieken gelden algemeen als degenen, bij wie de echte geschiedschrijving

begon, omdat het waarheidscriterium er verschoofvan het mythische

naar het empirisch-waarneembare. Anders gezegd, naar datgene wat echt

gebeurd was, want zichtbaar waargenomen door getuigen. Verhalen over het

verleden, en in die zin geschiedenis als overlevering, be tond wel op de een

ofandere wijze bij elk volk, ook in een tribale samenleving. Maar dat streven

naar geloofwaardigheid op grond van het empirische criterium wordt

misschien voor het eerst duidelijk bij Herodotus, die als 'vader van de gechiedschrijving'

wordt vereerd. Oudere werken zoals van Hekataios zijn

immers verloren gegaan. Zijn motief en uitgangspunt was het gevoel dat

de Grieks-Perzische oorlogen geweldig en onvergelijkbaar waren en daarom

bewaard moesten blijven voor het nageslacht. Hetzelfde motiefdus dat

ten grondslag ligt aan al die publicaties en persoonlijke herinneringen aan

oorlog,bezetting en terreur in onze tijd. Herodotus, dat was directe naoorlogse

geschiedschrijving toen de trilling van die aardschok nog in de lucht

hing, een soort eenmans-Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Thucydides,

een generatie jonger en geroemd als de eerste grote wetenschappelijke

historicus, bleek al veel hogere eisen te stellen aan die geloofwaardigheid

dankzij een verder gevorderd empirisch waarheidsidee. Hij betichtte zijn

oudere collega van mythevorming, want die was nog te veel op mondelinge

verhalen afgegaan waarbij eigen getuigenis en legende waren vermengd.

En ook Thucydides chrijft omdat hij zelf zo unieke onvergelijkbare dingen

heeft beleefd, die alles in de chaduw stellen wat vroeger is gebeurd.

Zoals gezegd een overtuiging die als een soort Leitmotiv door de historiografie

loopt tot in onze tijd. De gebeurtenissen worden steeds unieker. Een

tweede herkenbare Leitmotiv is die genoemde beschuldiging aan het adres


Geschiedschrijving, waarheen?

van de voorgangers van mythevorming, of althans van een conceptie die

een onbevangen objectieve kijk op het verleden belemmert. Het is of elke

generatie onder een beslagen kaasstolp gevangen zat, die wij er nu hebben

afgetrokken om in de vrije lucht van groter realisme te ademen. Thucydides

mag bij Herodotus dan lichtgelovigheid en mythevorming constateren,

hij zelf legt Pericles een gefingeerde redevoering in de mond. Dat was

kennelijk niet in strijd met zijn eis dat de historicus zich aan de waarheid

in de zin van de feiten moet houden. Hermann Rauschning, die ongeveer

twee-en-een-half duizend jaar later zijn gesprekken met Hitler onbekommerd

kosmetisch bewerkt en aanvult, heet dan echter geen groot geschiedschrijver

meer maar een zeer omstreden en van vervalsing beticht publicist;

onbezien of zijn beeld desondanks waarheid zou kunnen bevatten.

Met Locke, Voltaire en de Verlichting begint de afrekening met de gechiedenis

onder een christelijk-feodale koepel. Met de Romantiek dan weer

de afrekening met de moraliserende geschiedschrijving van de Verlichting.

Terug naar het aanschouwelijke warmbloedige verleden, luidt het parool!

De natie werd in de negentiende eeuw de vaste poolster waarop een groot

deel van de historici voer. Geschiedschrijving had een taak in dienst van

de versterking ofbewustwording van de nationale gemeenschap. Maar wél

op basis van het nieuwe waarheidscriterium van gedocumenteerde feiten.

De vraag naar waarheid is echter nog niet beantwoord door verbeterde fact

finding en dus ontbreekt de oriëntatiemogelijkheid zolang men niet vanuit

een selectie en interpretatie te werk gaat die nooit uit de feiten kon worden

gehaald, maar die juist vooraf gaat aan wat men als feit waarneemt.

In zijn vrome afkeer van rechtertje spelen kon Ranke komen tot zijn beroemde

en tot treurens toe aangehaalde uitspraak dat hij wilde laten zien

'wie es eigentlich gewesen'. Een uitspraak die nog steeds aanleiding geeft tot

de naïeve misvatting dat we een weergave van feiten kunnen scheiden van

een oordeel en een interpretatie, zoals ons nog weer recentelijk het NIODrapport

over Srebrenica wil doen geloven. Overigens staat die Rankeaanse

uitspraak in nauwelijks andere bewoordingen al bij Thucydides. 3

Op dat

vlak van de oriëntatie en waarheidsperceptie speelden juist de genoemde

verschuivingen in de Verlichting, de Romantiek, het tijdperk van het nationalisme

en imperialisme hun rol als historische loods.

Bij een terugblik vanuit de afstand van anderhalve eeuw zien wij nu die

beheersende paradigmata, waarbij de behoefte aan overzichtelijkheid en vereenvoudiging

ons gemakkelijk laat vergeten dat er daarnaast tal van tegen-

3 Ouo, Einleitung.

471


472

Van der Dunk

stromingen en kritische opponenten waren tegen de dominante tendens en

dat onze voorgangers zich maar zeer ten dele in dat bovengeschetste portret,

dat eerder op een houtsnede dan op een schilderij lijkt, zouden herkennen.

Binnen ofonder die grote tendenties speelde ook altijd het generatieaspect

een rol, dat tot kritiek van de jongeren op hun voorgangers leidde in tal van

varianten. Opmerkelijk is daarbij wel de versneIJing van veranderingen en

koerswijzigingen in de loop van de twintigste eeuw. Dat hangt samen met

de versnelling van de veranderingen in de hele maatschappij en de voortgaande

emancipatie waardoor geschiedenis niet vanuit de meer ontwikkelde

standen voor het volk werd geschreven maar meer en meer door allen

voor allen. Vooral na de Tweede Wereldoorlog hield dat in dat de sociale

geschiedenis, de geschiedenis van de gewone mensen, uit een vleugelpositie

binnen het vak naar het centrum oprukte en in waardering de politieke

Leopold von Ranke, grondlegger van hel historisme. Uil: Wolrgang J. Momlllsen ed., Leopold VOIl ROllke

III/d die lIlodeme Geschicil/slVissellscilOft (Stullgarl 1988).


Geschiedschrijving, waarheen?

geschiedenis ietwat verdrong. Het ontstaan van een moderne consumptiemaatschappij

en de welvaart onderstreepten daarbij het belang van de economie

en niet toevallig steeg het aanzien van sociale en economische geschiedenis

als hechte tweeling van moeder democratie. Vanaf de jaren zestig,

onder de indruk van Europees en nationaal machtsverval, de dekolonisatie

en de onstuitbare eenwording van de wereld, verving een algemene

bevrijdingsideologie de oudere nationale oriëntatie: niet slechts onderdrukte

volkeren of rassen maar gediscrimineerde minderheden op alle gebied

en nog veel algemener het demasqué van machten en machtsstructuren

in de geschiedenis kwamen in het focus en bepaalden nu wat historici

toen bovenal belangrijk gingen vinden.

Tegelijkertijd speelde echter nog iets anders. De natuurwetenschappen

en de techniek hadden de maatschappij veranderd. Wijde de geschiedschrijving

in dienst van de nieuwe idealen - inmiddels dus de bevrijdingsideologie

of'maatschappijkritiek' zoals nu het gangbare devies luidde - eveneens

tot een verandering van de maatschappij bijdragen, dan moest ze zich

methodisch sterker op de zo succesvolle natuurwetenschappen, de science

richten. Het getal deed zijn intrede als garantie van wetenschappelijkheid

en onaanvechtbare objectiviteit, als betrouwbaarste toegang tot de waarheid.

Die fascinatie door het sciencemodel ging gepaard met een bestrijding

van de rode bloedlichaampjes in de geschiedwetenschap, de literairesthetische

traditie, en een versterking van de witte, de abstracte theorievorming.

'Gebrek aan theorie' heette de aanklacht van een nieuwe generatie

aan het adres van hun leermeesters. Die zoveelste demythologisering

in de historiografie - nu van nationalistische en ideologische mythen - in

naam van de waarheid stond evenwel ook in dienst van een al dan niet verborgen

gids, namelijk die bevrijdings- ofemancipatie-ideologie. De maatschappijvorm,

dat onpersoonlijke collectief, werd (ook onder invloed van

sociologie en antropologie) het voornaamste criterium om orde en richting

in het verleden aan te brengen. Fundamentele overtuigende geschiedenis

werd voortaan maatschappij-geschiedenis. Zoals meestal kan worden

gesproken van een algemene omhelzing van ideeën die al eerder door

enkele voortrekkers waren verkondigd, waarbij allereerst aan de marxistische

geschiedschrijving en aan de Franse Annales-school moet worden gedacht.

In de jaren zestig en zeventig vond de maatschappijgeschiedenis in

het klimaat van culturele en politieke jeugdrebellie bij het jongere voetvolk

van de historici respons. Toch was die hernieuwde discussie over de zin en

aard van het vak waar dat mee gepaard ging in wezen een opwarming van

473


474

Van der Dunk

de oude controverse uit de negentiende eeuw tu sen historisme en positivisme

en we herkennen in de argumenten over en weer verbazend bekende

geluiden. Het wantrouwen tegen de literaire vorm hield een nieuw waarheidsidee

in, geënt op de moderne science, een afwijzing van elke metafysica,

een materialisatie van het denken, waarbij het getal, het meetbare de

beste waarborg vormt tegen oncontroleerbare beweringen en speculatieve

constructies. Dat alles leidde tot een verregaande depersonalisatie van

de geschiedenis. Jan en Mien Doorsnee worden immers in het verleden allereerst

als getal en anonieme massa zichtbaar. Maar bovenal hebben de

moderne democratie en de democrati eringseis vanzelf een enorm egaliserende

tendens. Het getal, de representativiteit en de meerderheid krijgen

een acraal karakter.

Op dat getij van de bevrijdingsideologie en het sociaal-economi che

credo is weer de reactie gevolgd. Daarbij vallen onvermijdelijk leuzen als

postmodernisme en posthistoire. De maatschappijkritiek en de veronderstelling

dat de geschiedenis objectieve ontwikkelingspatronen kon onthullen

mits men de juiste methode had en de enige juiste vragen stelde, bleken

(alweer) op een vergankelijk uitgangspunt te berusten. In vele gevallen

was bij vooraanstaande postmodernisten prake van ontgoocheling. Zoals

altijd ging die gepaard met een nieuw idee van waarheid. In dit geval betekende

waarheid een afwijzing zo niet van het waarheidsbegrip als zodanig

dan wél van elke pretentie om een waarheid in de geschiedenis te kunnen

vinden zoals de maatschappijhervormers dachten. Ook dit agnostici ­

me wa evenwel niet zo nieuw als het leek. We behoeven slechts te denken

aan de Griekse scepticus Phyrro en het Phyrronisme, dat ook bij tijden de

historiografie niet onberoerd had gelaten. Dit postmoderne agnosticisme

drong nu ook vanuit de filosofie de historiografie binnen: misschien was er

wel helemaal geen amenhangende ontwikkeling, geen proces, en hing het

allemaal van toevalligheden aan elkaar. Het was in wezen een chaos. In de

jaren tachtig en negentig werd in elk geval door veel intellectuele snobs de

opvatting van de daken gekraaid dat er een streep getrokken moest worden

achter de hele geestelijke Westers-Europese traditie, ook de historiografische.

Men beriep zich op de filosoof Lyotard die het had het over het

einde van de grote verhalen, lees: de grote ideologische ontwerpen, waar

men de geschiedenis had ingepast. Het was ofhij in een gonzende echoput

had geroepen. Iedereen wist het nu ineens: het tijdperk van de moderniteit

was afgelopen. Op een wat meer bijdegronds vlak riep Fukuyama 'het einde

der geschiedenis' uit. Of de mensheid daarmee in een epiloog van haar


Geschiedschrijving, waarheen?

bestaan was beland, in een schimmig wezenloos naspel of in een fa e van

eindeloze verstarring als een gemummificeerd lijk werd niet geheel duidelijk.

Wél duidelijk was dat die afscheidsstemming pa te bij de aflopende

eeuw, maar méér nog bij het besef van het einde van Europa's macht. Voor

de Amerikaan Fukuyama betekende het einde der geschiedenis daarentegen

niet zonder meer een verlies, eerder de definitieve overwinning van de

westerse democratie onder Amerikaanse leiding, al stond ons daarbij een

tijd van saaie steriliteit te wachten. Die boodschap, die hij later weer tegensprak,

viel niettemin gemakkelijk uit zijn geruchtmakende boek te halen,

omdat ze aansloot bij de onverwachte ineen torting van het Sovjet-imperium

en toch ook te rijmen viel met de posthistoire-filo ofie.

In elk geval leek daarmee een einde gekomen aan de grote concepten die

in de negentiende en twintigste eeuw aan het verleden het aanzien van een

proces en een doelgerichte beweging hadden gegeven, een teleologisch karakter,

zoal ook Ankersmit constateert. Ik zou daarbij willen aantekenen,

dat het nieuwe agnosticisme, waarbij een zinvolle samenhang of een teleologisch

verloop van de geschiedenis als de zoveelste mythe wordt ontmaskerd,

kenmerkend is voor een in hoge mate verzadigde samenleving binnen

een democratie; verzadigd zowel in materieel als in cultureel opzicht. Het

is een luxe die mensen zich slechts kunnen permitteren als zij niet leven in

existentiële nood, armoede, geweld, onderdrukking, waar de dood permanent

voor de huisdeur staat, zoals in veel Derde Wereld-landen.

Met de opkomst van een historisch agnosticisme vanafde jaren zeventig

en tachtig werd ook de ironie onder historici populair. De literatuurfilosoof

Hayden White heeft in een spraakmakend prikkelend werk vier

stijlvormen onderscheiden, die elk ook vier verschillende historische benaderingen

en visies verraden. 4

De ironische stijl correspondeert volgens

White met een sceptische of pessimistische geesteshouding. Dat zo'n geesteshouding

gemakkelijk opkomt al reactie op revolutionaire uitbarstingen

en het fiasco van idealen en verwachtingen, is aannemelijk. De ironicus

bekijkt de wereld door verkleinglazen, quasi uit het vogelperspectief.

De conclusie dat het allemaal niet zo belangrijk is, een wonderlijk of amusant

spel, compenseert dan de frustraties en maakt het verlies aan macht

en betekenis dragelijk. Ironie heeft een kalmerend effect. Daarbij moeten

we echter een pseudo-ironie van de ware onderscheiden. De pseudo-ironicus

staat niet boven het gebeuren maar hij gebruikt de ironie als een dek-

4 Hayden White, Metahistory. The historical imagination in the J9/h century (Bal ti more

1973) 43.

475


476

Van der Dunk

mantel om geen positie te kiezen en dat kan een zwakte verhullen. Dat kan

zoals elke stijl een modeverschijnsel worden. In een samenleving die door

grote conflicten wordt verscheurd of dodelijke bedreigingen kent, is voor

een ironische geschiedschrijver doorgaans geen plaats. Ironie past bij een

herfststemming nadat de bloei voorbij is en de bladeren zijn gevallen. Dat

kan zowel op een colJectief als op een puur individueel vlak het geval zijn

en daarom kan de ironische historicus in elke epoque voorkomen, maar

hij zaJ niet altijd repre entatief zijn.

Doordat de neo-positivisti che pretenties hun overtuigingskracht verloren,

kon ook de esthetisch-literaire benadering van het verleden weer uit

het verdomhoekje komen. 5

Onder invloed van het postmodernisme had

men immers weer oog gekregen voor het verhalende element, dat feitelijk

niet uit de geschiedwetenschap kon worden uitgebannen. Sterker nog: hoe

men het ook wendt of keert, het verleden kan alleen in teksten zichtbaar

worden gemaakt en die teksten hebben hun eigen intrinsieke wetmatigheden

en structuren. Vooral Ankersmit heeft in zijn werk op de betekenis van

dit zogenaamd narratieve element gewezen. 6

De kardinale vraag is daarmee

ofwe in het geheel zinvol over een verleden als een buiten ons gelegen

voorbije werkelijkheid kunnen spreken en niet uitsluitend over de weergave

ervan in de teksten. Het agnosticisme heeft daarmee een nog veel verder

reikende consequentie. 7

Onbezien dit filosofisch-kentheoretische vraagstuk

leidde de aandacht voor taal en tekst tot een herwaardering van het literaire

element en daarmee van geschiedenis als verhaal, zoals ze dat vanaf Herodotus

ook altijd in de eerste plaats, althans qua vorm, was geweest.

Die omslag van paradigma kwam misschien onbedoeld tegemoet aan

nog een heel andere behoefte die was ontstaan ten gevolge van de onstuitbare

dynamiek van de institutionalisering en professionalisering van het

vak. Die waren op hun beurt weer een gevolg van de permanente uitbreiding

van de stof, van archieven en andere bronnen, en van de enorme toename

van het aantal historici - een proces van schaalvergroting dat in heel

de moderne samenleving op vrijwel alle terreinen plaatsvond. Konden historici

in de negentiende eeuw nog lang volstaan een boek over een groots

5 Zie in dit verband mijn Utrechts afscheidscollege 'De muze herrezen' (1991).

6 ER.Ankersmit, Narrative logie. Asemantie analysis ofhistorieallanguage (Den Haag

1983).

7 Ik heb dit probleem kort aan de orde ge teld in mijn beschouwing over Hayden

White, , arrativity and the reality of the past'. Storia della Storiografia 24 (1993)

23-44.


Geschiedschrijving, waarheen?

onderwerp te schrijven - het Romeinse

rijk, de Reformatie, de Franse revolutie

- op grond van eigen onderzoek

met een enkele verwijzing naar het relevante

werk van een collega, van generatie

tot generatie werd dat werkproces

langer. Men moest van de aanzwellende

hoeveelheid relevante bronnen en literatuur

kennis nemen alvorens zijn eigen

tuintje te kunnen aanleggen en dat werd

daarbij noodgedwongen steeds kleiner

en vroeg om specialisatie. Men vergelijke

eens de voetnoten en vooral de literatuurlijsten,

voorzover in het geheel

aanwezig, bij een Michelet, Thiers, Ranke,

Droysen, Macauley, Burckhardt en

Mommsen, kortom de grote historici

uit die eeuw met de eerste de beste dissertatie

die vandaag wordt voorgelegd,

ook al beperkt die zich bijvoorbeeld tot

I-Ierodolus, de Griekse historicus uil de vijfde

eeuw voor hrislus. il: Ann Gaines, Herodotlls de Herrnhutters in IJsselstein van 1736alJd

tlle exp!orers oftlle classica! age (New Vork 70 of tot een eeuw Nederlandse choco­

1994) 22. lade-industrie. Er verschijnen boeken,

waarvan de tekst bijna een bijlage bij de voetnoten en verwijzingen is en

het deel van literatuurlijst en aanmerkingen de helft van totale omvang beslaat.

De vakman moet zich, zelfs voor een zeer gedetailleerd onderzoek,

eerst een weg banen door zo'n karrevracht van boeken en artikelen dat, als

hij tenslotte onder een geleerde stoflaag aan zijn schrijftafel of computer

verschijnt, de vaart van zijn jeugdig enthousiasme onder de gewichten van

al die exercities is afgeremd tot een voorzichtige sluipgang. Wie verwaarloost

wat colJega's vóór hem hebben geschreven ofontdekt, plaatst zich zelf

buiten het professionele discours. Vele publicaties beginnen dan ook vandaag

met het opmaken van de stand van zaken ten aanzien van het betreffende

onderwerp - of het vrouwenarbeid, het kind in de Middeleeuwen,

de boekhandel in de Gouden Eeuw ofde slag om Arnhem betreft. Door de

opmars van de maatschappijgeschiedenis werd immers meer en meer elk

domein van het maatschappelijke leven een legitiem thema voor historisch

onderzoek. De groei van het specialistendom zorgt ervoor dat ook op nieuw

477


478

Van der Dunk

ontdekte terreinen snel een hoeveelheid studies ontstaat die verplichte lectuur

wordt voor wie er verder wil graven. Die razende toename van vakpublicaties

wordt nog bevorderd door de verbeterde snellere communicatie

en de laatste tijd door internet. Het gejuich waarmee velen de mogelijkheid

begroeten voortaan à la minute teksten en bestanden van binnenen

buitenlandse bibliotheken ofarchieven thuis op hun scherm te kunnen

oproepen, is begrijpelijk gegeven de tijd- en energiebesparing. Maar er is

ook een schaduwzijde. Juist daardoor vindt er een vermenigvuldiging van

de informatie plaats en de aanloop naar het eigen zelfstandige werk wordt

weer langer. De zichtbare gevolgen blijven niet uit. Het schrijven van monografieën

wordt meer en meer vervangen door verzamelwerken van een

team van specialisten of door artikelen en de thema's worden steeds beperkter.

Een apart bijverschijnsel van die grootschaligheid van training in

kleinschaligheid is de woekering van congressen. Die resulteren in een lawine

van congresbundels die een recensent tot wanhoop kunnen drijven

bij gebrek aan samenhang of de onderlinge verschillen in kwaliteit.

Deze versplintering binnen de wetenschapsindustrie vergrootte noodgedwongen

de afstand tot de samenleving. Historici schrijven voor historici.

Paradoxaal genoeg nooit méér dan toen ze op grond van de tijdgeest

van de bevrijdingsideologie die amenleving centraal stelden en wilden hervormen.

De genoemde narratieve reactie op de voorvechters van abstracte

structuur-analyse kwam nu tegemoet aan de onvrede over de depersonalisatie

van de geschiedenis, die zo'n afstand schiep tussen wat de vakhistorici

deden en wat de bevolking aansprak. Nu het waarom veel te hoog gegrepen

bleek en men meer keek naar het hoe in klein bestek, nu de ontwikkeling

meer een samenspel van toevalligheden leek, kreeg immers de persoonlijke

beleving weer recht van spreken. De wijze waarop mensen de gebeurtenissen

ondergi ngen en zagen, het individualistische perspectief kortom, was

zelf een onbetwistbaar historisch gegeven en bood een vaster vertrekpunt

dan de hooggestemde structuralistische analyses met hun abstracte taalgebruik,

waarbij men mensen van vlees en bloed miste. Democratisering

hield nu in aandacht voor het individu. Dagboeken, brieven, autobiografieën,

gesprekken en interviews stegen in waarde. Mentaliteitsgeschiedenis

werd ineens mode na de sociaal-economische structuurgeschiedenis.

In dat verband kreeg de herinnering als zodanig een ongehoorde aandacht.

Ik heb aanvankelijk al de tot taal gestolde herinnering het vanzelfsprekende

fundament van alle geschiedschrijving genoemd. Maar die herinnering,

als het in elk mens levende persoonlijke verleden, is ook een au-


Geschiedschrijving, waarheen?

tonome kracht die ieders bewustzijn bepaalt, los van zijn historische kennis.

Zo maakte Pierre Nora met zijn werk over de lieux de mémoire - historische

plaatsen maar ook artefacten die een herinnering oproepen en tot

de verbeelding spreken - furore binnen het vak. Het werd ineens 'plaatsen

van herinnering' wat de congres-klokken sloegen.

Die verschuiving is nog bevorderd door twee andere omstandigheden.

Allereerst doordat dankzij de voortgaande emancipatie mensen uit alle

lagen hun persoonlijke belevenissen konden verwoorden, waarbij vooral

de desastreuze ervaringen - oorlog, kampen, massamoord, rebellie - om

zo'n uitlaatklep vroegen die dankzij de informatie-techniek, het interview,

de oral history binnen ieders bereik kwam. Dat heeft althans in de Westerse

wereld de laatste decennia geleid tot een opmerkelijke omkering van de

herinneringscriteria en dus van onze maatstaven voor herdenkingen. Niet

mensen van de daad maar van het lijden kwamen centraal te staan. De

slachtoffers werden plotseling de helden, waarbij de nawerking van de bezetting

en bovenal van de Holocaust doorslaggevend was. Dat geldt zeker

voor Nederland, maar geenszins uitsluitend. Het duidt op een interessante

publiekelijke humanisering van ons bewustzijn, waarbij deze twee het

overigens nog zeer de vraag is of die humanisering ook de diepere lagen

zal beïnvloeden zodra existentiële belangen op het spel staan, wat ik sterk

betwijfel. Het ligt voor de hand om hierbij ook een samenhang te bespeuren

met het machtsverlies van Europa waarmee 'macht' iets van zijn traditionele

glans inboette. Maar vooral een samenhang met de opkomst van

minderheden die hun slachtofferpositie niet langer als beschamend ervaren,

maar juist als een onbetaalde schuld aan de samenleving presenteren.

De negatieve nationale feiten werden naast de positief-glorieuze daarmee

toegelaten tot de publieke herinnering, zoals de slavernij of koloniale uitbuiting.

Voor het huidige Duitsland werd die negatieve herinnering aan

het nationaal-socialisme zelfs de fundamentele legitimatie van democratie

en humane waarden.

Een tweede veel banalere reden was de markt. Aangezien historici steeds

meer en steeds uitsluitender voor vakbroeders schreven, konden wetenschappelijke

publicaties, al die congres- en feestbundels, slechts in beperkte

oplage, vrij prijzig en dankzij zware subsidies en fondsen verschijnen. In

die toenemende ruimte tussen vakman en lezerspubliek sprongen vanzelf

anderen, journalisten, science-fiction-artiesten, schrijvers, amateurhistorici,

gezellige vertellers die voor de hongerige gemeente geschiedenis weer

boeiend maakten. En lang niet altijd is dat minderwaardig voer. De buiten-

479


480

Van der Dunk

staander heeft soms de frisse onbevooroordeelde blik, waar professionelen

hun uitgetreden karresporen niet kunnen verlaten. Grotere pogingen tot

zingeving of althans tot een breed historisch panorama die binnen het

gilde allang verdacht waren, maar waar altijd vraag naar is, kwamen van

anderen. Stellig kan de herwaardering van het verhaal en van het esthetische

element in de vakwereld, het besef dat tussen inhoud en vorm, tussen

waarheidsidee en taal een ongrijpbaar verband bestaat in beginsel ertoe

bijdragen dat historisch werk ook voor een brede kring toegankelijk blijft

ofweer wordt.

Maar het nieuwe persoonlijke perspectiefheeft zoals alles ook zijn achilleshiel.

Niet voor niets komt daarin ook een echo van de vrije markt-doctrine,

de huidige tijdgeest, tot uiting, te weten een losgeslagen hyper-individualisme

dat ontaardt in egotripperij. Elk ikje doet vandaag volgens heilig

democratisch recht de wereld kond van zijn belevenissen, frustraties

en meningen. Er wordt gemeend dat het een lust en een gruwel is. De hele

mediawereld verblijdt ons met een rijk aanbod van ongaar narcisme. Voor

het geschiedbedrijf heeft die verschuiving van paradigmata geleid tot wat

Ankersmit 'privatisering' of 'democratisering' noemt. Gemeenschappelijke

uitgangspunten lijken verdwenen ten gevolge van het bankroet van de

politiek-ideologisch of religieus geïnspireerde visies die in de geschiedenis

een teleologisch proces zagen. De veel aangehaalde wat hemdsmouwachtige

opmerking van Paul Feyerabend (die prompt de status van een postmodern

motto kreeg) 'everything goes', kan ook op historici van toepassing

lijken.

***

De redactie van Groniek vroeg mij om een bijdrage over de toekomst van

het verleden en nu heb ik uitsluitend stil gestaan bij het verleden en heden

van het verleden. Net een reisleider die in Athene alsmaar over Rome vertelt

omdat hij dat beter kent. Komt het uitsluitend door de scheve nek van het

beroepsmatige achteromkijken? Bij een historiografische terugblik blijken

echter twee dingen, die misschien ook een aanwijzing zijn voor komende

ontwikkelingen. Allereerst mag niet worden vergeten dat binnen elke generatie

ook de tegenstromingen binnen de heersende trends bestaan, waaruit

zich dan op een gegeven ogenblik een grote reactie of omslag ontwikkelt

in de vorm van een nieuw dominerend paradigma. Het nationale maakte

plaats, in Europa althans, voor het ideologisch-democratische en de poli-


Geschiedschrijving, waarheen?

tieke evenementengeschiedenis voor de structuralistische, de sociaal-economische

voor cultuur- en mentaliteitsgeschiedenis, het neo-positivisme

voor het postmoderne waarheidsagnosticisme en dat zal ook weer het veld

ruimen.

In de tweede plaats blijken de fundamentele discussies over de zin van

het vak, de mogelijkheid van objectiviteit, de bestrijding van mythes, de

vraag naar de historische waarheid van alle tijden en de vragen en antwoorden

zijn soms minder origineel dan wij tijdgenoten gewoonlijk geloven,

die dankzij het moderne geheugenverlies menen iets nieuws te denken dat

allang door anderen is gedacht. Het momentele hyperindividualisme, de

'democratisering' of'privatisering' zullen weer een reactie oproepen, want

de bovenindividuele oriëntatiefunctie van geschiedenis zal niet verdwijnen.

Het verleden van de geschiedschrijving kan daarbij overigens ook als correctie

dienen op die indruk van huidige verbrokkeling want onoverzichtelijkheid

en verbrokkeling bleek altijd het kenmerk van de eigentijdse situatie

op elk gebied, ook het historiografische. Toekomstige geslachten zullen

weer de voor ons onzichtbare omvattende koepel zien, die onze blik kleurt

en beperkt. De snelle wisseling van de normen, van het aanbevolen dagmenu

brengt ook een soms ontstellend snelle veroudering van historisch

werk met zich mee. Wat van al die duizenden en duizenden vakstudies die

maandelijks verschijnen op grond van thans courante vragen - waarvan

sommigen ook met groot succes als bestsellers - zal over twintig, vijftig jaar

nog bekend zijn en een beetje meetellen? Zouden onze nakomelingen een

natuurramp ofbombardement dat hele bibliotheken en bestanden vernietigt

niet opgelucht als een zegen ervaren en als verlossing zien van inmiddels

irrelevant geworden onderzoek, van stoffige troep?

Een kardinale vraag lijkt mij in elk geval óf en in hoeverre de oriëntatiefunctie

van geschiedenis van de vakhistorici zal komen. De schaalvergroting

van het hele bedrijf is een onstuitbaar proces. De aanzwellende legioenen

van toekomstige historici zullen zich nog sterker ingraven en moeten

ingraven in particularistische molgangen, waarbij de vraag naar orientatie

en zingeving gemakkelijk uit het zicht verdwijnt. En toch blijft dat

werk anderzijds nodig als de harde rotsbodem van ons waarheidsidee. Dat

kan zich nooit losmaken van wat empirisch aantoonbaar en geverifieerd is.

Caesar wordt ook in de toekomst in 44 v.Chr. vermoord, de eerste Wereldoorlog

zal ook dan in 1914 uitbreken en de tweede in 1939, zoals de Berlijnse

muur eeuwig op 9 november 1989 zal opengaan en het WTC op 11

september 2001 in elkaar zal storten. Juist dát doorstaat de tand des tijds,

481

More magazines by this user
Similar magazines