Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en ...

kic.nisb.nl

Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en ...

Tussenstand breedtesportimpuls

voor gemeenten, provincies

en bonden in 2004

2-meting evaluatieonderzoek breedtesportimpuls

breedtesport

MPULS

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Directie Sport


Tussenstand breedtesportimpuls

voor gemeenten, provincies

en bonden in 2004

2-meting evaluatieonderzoek breedtesportimpuls

Bussum / Den Haag, februari 2005

Auteurs: drs. ing. R.F. de Vries en drs. J. van Eck

Deze rapportage is in opdracht van de Directie Sport van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn

en Sport opgesteld door Marktplan Adviesgroep B.V.


Inhoud

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen i

I Samenvatting i

II Belangrijkste bevindingen v

III Aanbevelingen vi

1 Inleiding 1

1.1 Het vertrekpunt van de breedtesportimpuls 1

1.2 Methode van onderzoek 5

1.3 Leeswijzer 6

2 Overzicht gebruik subsidieregeling 7

2.1 Deelname aan de breedtesportimpuls 7

2.2 Financiering projecten 7

3 Overzicht projecten gemeenten 10

3.1 Overzicht van de projecten 10

3.2 Verdeling subsidie naar onderwerp 11

4 Sportservicepunten en verenigingsondersteuning bij gemeenten 12

4.1 Inleiding 12

4.2 Wat beogen gemeenten met sportservicepunten en verenigingsondersteuning? 12

4.3 Organisatie sportservicepunten en verenigingsondersteuning 12

4.4 Resultaten en effecten 13

4.5 Bijdrage breedtesportimpuls 17

4.6 Conclusies en aanbevelingen sportservicepunten en verenigingsondersteuning 17

5 Gemeenten en sportbuurtwerk 19

5.1 Inleiding 19

5.2 Wat beogen gemeenten met sportbuurtwerk? 19

5.3 De organisatie van het sportbuurtwerk 20

5.4 Resultaten en effecten 20

5.5 Ervaringen met sportbuurtwerk in de breedtesportimpuls 22

5.6 Bijdrage breedtesportimpuls aan sportbuurtwerk 23

5.7 Conclusies en aanbevelingen sportbuurtwerk 23

6 Gemeenten en sport en onderwijs 25

6.1 Inleiding 25

6.2 Wat beoogt sportoriëntatie in het basisonderwijs? 25

6.3 Resultaten en effecten sportoriëntatie basisonderwijs 26

6.4 Projecten in het voortgezet onderwijs 27

6.5 Bijdrage breedtesportimpuls aan sportoriëntatie in onderwijs 28

6.6 Conclusies en aanbevelingen sport en onderwijs 29

2 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


7 Gemeenten en sportstimulering ouderen 30

7.1 Inleiding 30

7.2 GALM in de breedtesportimpuls 30

7.2.1 Wat beogen gemeenten met hun GALM-projecten? 30

7.2.2 Deelname aan GALM 31

7.2.3 Continuïteit bewegingsactiviteiten na GALM 31

7.2.4 Ervaringen met GALM in de breedtesportimpuls 32

7.2.5 Bijdrage breedtesportimpuls aan uitbreiding GALM 33

7.3 Overige sportstimuleringsprojecten voor ouderen 33

7.4 Ouderenprojecten en sportdeelname 34

7.5 Conclusies en aanbevelingen sportstimulering ouderen 34

8 Sporten met een beperking 35

8.1 Inleiding 35

8.2 Wat beogen gemeenten met ‘sporten met een beperking’? 35

8.3 Nadere blik op de initiatieven 35

8.4 Deelname aan de projecten 36

8.5 Ervaringen met sportactiviteiten voor mensen met een beperking 38

8.6 Bijdrage breedtesportimpuls aan stimulering sporten met een beperking 38

8.7 Conclusie en aanbevelingen ‘sporten met een beperking’ 39

9 Samenwerking, integraliteit, continuïteit en overige bevindingen gemeenten 41

9.1 Samenwerking gemeenten 41

9.2 Integraliteit 41

9.3 Continuïteit 41

9.4 Lokale effectmetingen en projectdoelstellingen 42

9.5 Conclusies en aanbevelingen 43

10 De rol van provincies 44

11 Bonden en de breedtesportimpuls 46

11.1 Inleiding 46

11.2 Doelstellingen van projecten door sportbonden 46

11.3 Resultaten en effecten van projecten bonden 47

11.4 Bijdrage breedtesportimpuls 48

11.5 Continuïteit na afloop breedtesportimpuls 48

11.6 Conclusies en aanbevelingen bonden 48

Bijlagen 50

3 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

I Samenvatting

In 1999 is de breedtesportimpuls gepresenteerd. Een subsidieregeling voor gemeenten, bonden en

sinds 2001 ook voor provincies om het lokale sportaanbod te versterken en de waarde van sport

optimaal in te zetten bij andere beleidsvelden.

In 2005 zal de laatste tranche van 76 gemeenten hun breedtesportprojecten in uitvoering nemen. De

reeds toegekende aanvragen blijven gehandhaafd. Omdat de subsidie is toegekend aan projecten die

variëren in looptijd van drie tot zes jaar, zullen de laatste projecten in de breedtesportimpuls in 2009

eindigen. De 2-meting breedtesportimpuls maakt de balans op van vijf jaar breedtesportimpuls in

Nederland (aanvraag 1999 betekent aanvang project in 2000). Ten opzichte van de 1-meting (2002) is nu

veel meer informatie beschikbaar over de voortgang en resultaten van projecten.

Hoger op de politieke agenda

Bij de invoering van de breedtesportimpuls in 1999, is de wens uitgesproken dat met de regeling

de waarde van sport meer benut zou worden door andere beleidsvelden en dat het sportbeleid van

gemeenten meer wordt dan alleen accommodatiebeleid. Sport moest hoger op de politieke agenda

komen.

Vijf jaar na invoering van de breedtesportimpuls blijkt dat zeer veel gemeenten het gedachtegoed van

de breedtesportimpuls overnemen. Ruim tweederde (68%) van de gemeenten heeft een breedtesportimpulsproject.

Van de bonden doet 57% mee en bij provincies is dat zelfs 100%. Door de voorwaarden

die de regeling heeft verbonden aan een aanvraag, is het projectplan in de meeste gemeenten

uitvoerig voorbereid en besproken met allerlei betrokkenen: vanuit de sport, maar ook partijen van

andere beleidsvelden. Een procedure waarbij uiteindelijk het plan en de gemeentelijke cofinanciering

door de gemeenteraad is bekrachtigd.

De grote belangstelling voor de regeling en de aanvraagprocedure hebben er zeker toe geleid dat sport

hoger op de politieke agenda terecht is gekomen. Illustratief in dat verband is dat een zoekopdracht

met Google op breedtesportimpuls+gemeente ruim 700 hits oplevert, met verwijzingen naar talloze

gemeenten. Veel gemeenten hebben hun plannen op de gemeentelijke website geplaatst. Discussies

over de breedtesportimpuls treft men aan in notulen van commissie- en raadsvergaderingen en op

websites van lokale politieke partijen.

Indrukwekkende financiële impuls

Het rijk heeft voor de uitvoering van projecten van gemeenten, provincies en bonden € 93 miljoen

beschikbaar gesteld. De impuls heeft niet alleen tot initiatieven geleid bij 329 gemeenten, alle provincies

en 33 bonden, het heeft ook geleid tot een financiële impuls van deze organisaties. Hoger op de

politieke agenda betekent niet alleen meer aandacht op lokaal niveau, maar ook meer middelen. Naast

de inleg van € 93 miljoen van VWS, is € 141 miljoen bijgelegd door gemeenten, provincies en bonden.

Dat levert een indrukwekkend budget op van € 234 miljoen voor de uitvoering van de projecten gedurende

2000 - 2009. Opmerkelijk en zeer positief is dat gemeenten veel middelen beschikbaar hebben

gesteld.

Naast de € 70 miljoen die het rijk beschikbaar stelt voor gemeenten, hebben gemeenten € 115 miljoen

bijgedragen. Van die € 115 miljoen is € 73 miljoen extra toegevoegd aan de sportbegroting van

gemeenten. De veronderstelling dat gemeenten hun plannen hebben gefinancierd met ‘oud geld’,

geldt voor slechts een klein deel van de gemeenten.

Groot aantal initiatieven

Het grootste deel van de middelen voor de breedtesportimpuls (75% van de rijkssubsidie) is bestemd

voor gemeenten. In het evaluatieonderzoek nemen zij een belangrijke plaats in. Gemeentelijke projectplannen

bestaan uit verschillende deelprojecten. Tot en met de vijfde tranche (253 gemeenten) zijn er

800 deelprojecten. In werkelijkheid is dit aantal nog groter omdat een aantal gemeenten één project

indient dat weer uit verschillende deelprojecten bestaat.

i Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


De zes meest voorkomende projecten bij gemeenten zijn verenigingsondersteuning, sportservicepunten

(lokale steunpunten voor de sport), sportbuurtwerk, sportkennismakings-projecten in het onderwijs,

projecten voor ouderen en aangepast sporten.

Van de gemeentelijke investeringen gaat 21% naar onderwijsprojecten, 27% naar sportbuurtwerk en

evenementen en 32% naar verenigingsondersteuning en sportservicepunten.

De impuls heeft, gezien de 800 projecten van gemeenten, er voor gezorgd dat gemeentelijk sportbeleid

bij veel gemeenten meer is dan alleen accommodatiebeleid. Gemeenten hebben door de regeling

beleid en initiatieven ontwikkeld voor sportstimulering en sportondersteuning.

Verenigingsondersteuning en sportservicepunten

Verenigingsondersteuning in de sport dateert van begin jaren negentig, maar was een activiteit die

vooral door bonden, levensbeschouwelijke koepels en sportraden werd toegepast en door een enkele

gemeente. Door de breedtesportimpuls is de aandacht van gemeenten (en provinciale sportraden)

voor verenigingsondersteuning sterk toegenomen. Van de 800 projecten richten 164 zich op verenigingsondersteuning.

De grotere gemeenten nemen de uitvoering zelf ter hand. De meeste gemeenten

laten de uitvoering over aan provinciale sportraden.

Uit deze 2-meting blijkt dat bij circa 60% van de verenigingen de ondersteuning effect heeft en bij 40%

niet. Er zijn veel aanbevelingen aangereikt om verenigingsondersteuning te optimaliseren. Drie zaken

willen we extra benadrukken:

• Langere ondersteuningstrajecten geven een grotere kans op succes.

• De betrokkenheid en aandacht van de vereniging is cruciaal voor het succes segmenteer verenigingen:

maak bewust keuzes welke verenigingen te ondersteunen.

Vóór de breedtesportimpuls telde Nederland een kleine twintig sportservicepunten.

Inmiddels zijn dat er ruim 60 en die groei is nagenoeg volledig gerealiseerd met middelen uit de breedtesportimpuls.

Veel sportservicepunten houden zich bezig met informatievoorziening aan verenigingen

en burgers, accountgesprekken met verenigingen, korte ondersteuningstrajecten, themabijeenkomsten

en cursussen. Bij sommige sportservicepunten is de coördinatie en uitvoering van sportstimuleringsprojecten

ondergebracht. Ook bieden sommige servicepunten verenigingen facilitaire diensten

aan, verstrekt men subsidies of biedt men langdurige verenigingsondersteuning.

De resultaten en effecten van sportservicepunten worden door gemeenten (te) weinig concreet

gemaakt. Slechts een enkele gemeente geeft een goede overtuigende verantwoording van het sportservicepunt

waaruit de toegevoegde waarde voor de sport blijkt.

Sportbuurtwerk

Door de breedtesportimpuls is sportbuurtwerk in Nederland sterk uitgebreid. In de periode 1999-2003

hebben ruim 100 gemeenten een of meer sportbuurtwerkprojecten via de regeling gefinancierd. Voor

driekwart van deze gemeenten is sportbuurtwerk een nieuwe activiteit.

Gemeenten zijn positief over hun sportbuurtwerkactiviteiten. Er is sprake van een gevarieerd en

modern sportaanbod met behoorlijke deelnamecijfers. Op zich een verrijking en versterking van het

lokale sportaanbod. Maar veel gemeenten – de goede daargelaten – meten het succes te snel af aan

deelnamecijfers. Cijfers die sterk vertekend zijn want ze hebben geen betrekking op afzonderlijke personen,

maar ieder bezoek wordt apart geteld. Doelstellingen zijn vaak algemeen geformuleerd en er

zijn nauwelijks gegevens over de bijdrage van sportbuurtwerk aan de sportdeelname. Een kwart van de

gemeenten biedt uitsluitend losse evenementen aan. Dat kan de gedachte oproepen dat eerder sprake

is van ‘fun’ dan van sport.

De ervaringen in de breedtesportimpuls laten zien dat sportbuurtwerk nog onvoldoende ontwikkeld is.

Gemeenten zouden geholpen zijn als voor de start van de impuls is aangegeven wat sportbuurtwerk

kan bewerkstelligen in concrete resultaten. Te snel hebben veel partijen de gedachte omarmd en lokaal

geïmplementeerd. Voor de werkelijke effecten is te weinig aandacht. Wat ook blijkt uit de breedtesportimpuls

is dat sportbuurtwerk om bewuste keuzes van gemeenten vraagt. Een kleinschalige invul-

ii Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


ling als een van de vele deelprojecten is minder geschikt. De beste resultaten laten gemeenten zien die

substantieel middelen reserveren voor sportbuurtwerk: niet alleen voor de uitvoering, maar ook in de

opbouw van een organisatie. Die benadering doet meer recht aan een duurzame verbetering van het

lokale sportaanbod.

Onderwijs

Sportoriëntatieprojecten in het onderwijs behoren tot de meest voorkomende projecten in de breedtesportimpuls.

Kinderen maken in een aantal lessen kennis met verschillende takken van sport; op

school en bij de vereniging. Onder de 800 projecten zijn er 100 van dergelijke projecten.

Sportoriëntatie in het onderwijs heeft twee gezichten. Aan de ene kant zorgt het voor een structurele

samenwerking tussen scholen en verenigingen. Er is aandacht voor lokale verenigingen (en sportscholen)

in het onderwijs. Dat is een winstpunt. Ook is de deelname en de waardering van deelnemers

goed.

Aan de andere kant blijkt dat deze projecten in het basisonderwijs vooral de sportief actieve kinderen

bereiken. Van de leerlingen die meedoen aan een sportoriëntatieproject zal 10% tot 15% doorstromen

naar een vereniging en het lijkt er op dat het grootste deel daarvan kinderen zijn die al sportief actief

zijn (2e lidmaatschap, inwisselen lidmaatschap club x voor y). Vooralsnog lijken sportoriëntatieprojecten

geen invloed te hebben op de sportdeelname op langere termijn. In de lagere klassen van het

voortgezet onderwijs komen ook regelmatig sportkennismakingsprojecten voor. Het sportaanbod is

avontuurlijker en moderner dan in het basisonderwijs. Ook bij deze projecten wijzen beschikbare cijfers

niet op een substantiële doorstroming van niet-actieven naar verenigingen of anders georganiseerde

sport. Het is wenselijk dat onderzocht wordt hoe het effect van sportoriëntatieprojecten kan

worden vergroot. Daarmee behoudt men de positieve elementen van dergelijke projecten en vergroot

men de effectiviteit.

Naast sportoriëntatie zijn er ook projecten met als doel groepsleerkrachten te ondersteunen, nieuwe

gymmethoden in te voeren, een schoolsportcommissie en andere vormen om jeugd meer te betrekken

bij het bedenken en organiseren van sportactiviteiten. De resultaten van dergelijke projecten zijn vaak

veel tastbaarder. Tot slot gaat de opmerking die onder meer is gemaakt bij sportbuurtwerk ook op voor

onderwijs en sport: een versterking van het lokale sportaanbod en de infrastructuur bereiken vooral

die gemeenten die intensief en breed sport en onderwijs stimuleren. Dus niet alleen een kennismakingsproject,

maar een scala aan initiatieven met als doel een infrastructuur te versterken en continuïteit

te waarborgen.

Ouderen

Door de breedtesportimpuls is de aandacht voor sport en bewegen voor ouderen sterk toegenomen.

Via de projecten voor senioren in de breedtesportimpuls (met name de GALM-projecten) zijn circa

10.000 ouderen sportief actief geworden. Het succes komt doordat de GALM-formule in de jaren

negentig is ontwikkeld en duidelijk is ook welke resultaten verwacht kunnen worden. Bovendien is er

een goede infrastructuur dat de implementatie ten goede komt: er is een uitgebreid werkboek, een landelijke

projectgroep, er zijn opleidingen, contactpersonen per provincie, et cetera. De gemeenten in de

breedtesportimpuls zijn positief over de GALM-methodiek. Een opgave voor de komende jaren is om

de vaak op zich zelf staande ouderenprojecten uit de breedtesportimpuls uit te bouwen naar een visie

over sport en bewegen voor senioren.

Impuls voor aangepast sporten beperkt

Ten opzichte van andere thema’s, heeft aangepast sporten niet zo veel aandacht gekregen binnen de

breedtesportimpuls. Circa 2% van de middelen is gebruikt voor aangepast sporten, waarvan een groot

deel betrekking heeft op onderzoek, voorlichting, incidentele kennismakingsbijeenkomsten of Club

Extra. De resultaten uit de projecten bevestigen dat beeld. In totaal gaat het om maximaal 2.400 mensen

die door de regeling zijn gaan sporten, waaronder 800 via Club Extra.

iii Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Continuïteit, integraliteit, samenwerking en verantwoording bij gemeenten

De breedtesportimpuls heeft zeker een bijdrage geleverd aan samenwerking van gemeenten, want een

kleine 100 gemeenten voeren hun project uit in samenwerking met buurgemeenten. Van samenwerking

is vooral sprake tijdens de voorbereiding en bij het opstellen van de projectaanvraag. Gedurende

de uitvoering is er veel minder samenwerking tussen gemeenten.

De regeling stimuleert ook de samenwerking tussen sport en andere beleidsterreinen. Die ‘dwarsverbanden

zijn vooral ontstaan tussen sport en onderwijs en tussen sport en welzijn en, in iets mindere

mate, tussen sport en gezondheid. Voor deze drie velden hebben de projecten vooral een meerwaarde.

De meeste gemeenten geven wel aan dat de inspanningen vooral afkomstig zijn van sport.

In de 1-meting is als belangrijkste aandachtspunt gewezen op de continuïteit van de projecten. Destijds

is aangegeven dat de financiering na de projectduur in veel gemeenten nog niet geregeld was. Door de

bezuinigingen zijn de berichten over de continuïteit van de breedtesportimpuls op lokaal niveau niet

positief. Toch is de verwachting in deze 2-meting dat circa 60% van de middelen zal worden gecontinueerd.

Er van uitgaande dat de gemeentelijke bijdrage meer is dan 50% cofinanciering, is dat, gelet op

de economische tegenwind, bemoedigend.

Veel gemeenten en bonden hebben moeite met de verantwoording van hun projecten. Dat heeft onder

meer te maken met de weinig concrete doelstelling van de regeling zelf.

De huidige regeling is breed opgezet en ondersteunt allerlei initiatieven. Aan het resultaat van die initiatieven

zijn vooraf geen concrete verwachtingen gesteld. Dat maakt het opmaken van een tussenbalans

soms tot een lastige opgave. De subsidieaanvragers gebruiken bovendien de terminologie uit de

regeling. Dat levert weinig concrete meetbare doelstellingen op.

Versterking provincies = versterking van de sportinfrastructuur

Alle provincies doen inmiddels mee aan de breedtesportimpuls. Tot en met 2004 hebben provincies

gemeenten gestimuleerd om mee te doen aan de impuls en geholpen bij het opstellen van een projectaanvraag.

Vanaf het begin van de regeling (uitvoering 2000) zijn ze actief betrokken bij uitvoering van

gemeentelijke projecten, zoals verenigingsondersteuning, maar ook het inrichten van sportservicepunten,

sportoriëntatieprojecten in het onderwijs, projecten om bewegingsonderwijs te verbeteren,

GALM-projecten, etcetera.

Om de ondersteunende en uitvoerende rol van provincies mogelijk te maken is de formatie van provinciale

sportraden aanzienlijk uitgebreid, met in totaal circa 100 formatieplaatsen.

Deze groei (en de daarmee samenhangende activiteiten voor gemeenten) betekent een versterking van

de sportinfrastructuur. Gemeenten - vooral de kleinere gemeenten - waarderen meestal de inbreng van

de provinciale sportraden.

Bonden na 1-meting concretere projecten

In de vorige evaluatie is geadviseerd dat bonden meer het accent zouden moeten leggen op het versterken

van de sportinfrastructuur en minder op aanjagen van en samenwerken met gemeenten. Dat is

ook gebeurd. Bonden die oorspronkelijk een plan hadden ingediend conform het aanjaagmodel, hebben

dat bijgesteld. Bonden benutten de regeling nu vooral voor accountmanagement, verenigingsondersteuning

en sportstimulering.

Door de regeling is simpelweg meer mogelijk voor verenigingsondersteuning en sportstimulering. Er

is, met name voor de kleine bonden, sprake van een versterking van de sportinfrastructuur. Over de

continuïteit van de projecten kunnen bonden niets aangeven. De intentie is aanwezig om projecten

voort te zetten, maar door bezuinigingen kunnen zij daarover geen uitsluitsel geven.

iv Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


II Belangrijkste bevindingen

In de volgende tabel zijn de belangrijkste bevindingen samengevat. Links staan de positieve ervaringen

en rechts de kritische kanttekeningen.

Positief Negatief

Zeer veel gemeenten actief invulling gegeven

aan rijksbeleid (beleidsmatige impuls).

Aanzienlijke investering van alle partijen:

financiële impuls: € 235 miljoen.

Groot aantal lokale initiatieven (800 projecten),

vooral voor sportbuurtwerk, sport en onderwijs,

verenigingsondersteuning en

sportservicepunten.

Samenwerking is versterkt met onderwijs,

welzijn en (vooral recentelijk) gezondheid.

Waar keuze is gemaakt voor substantiële

inzet van middelen, zijn de resultaten

het meest aansprekend.

Duurzame versterking is deels geslaagd.

Mogelijk beperking duurzaamheid onder

invloed van bezuinigingen bij gemeenten

en bonden.

Resultaten projecten zijn matig verantwoord.

Activiteiten staan meer centraal en koppeling

tussen doelen en opbrengsten krijgt te weinig

aandacht.

Samenwerking ja, maar investeringen zijn

vooral vanuit sport afkomstig.

Verdunning van middelen. Te veel kleine deelprojecten.

Belemmert ook tot wasdom komen

van initiatieven.

De breedtesportimpuls is in 1999 gepresenteerd. In 2000 zijn de eerste projecten gestart en in 2009 zullen

de laatste projecten eindigen. Hoe verhoudt deze 2-meting zich tot de doelstelling van de regeling?

Voor de duidelijkheid nogmaals de doelstelling:

‘Bevorderen dat gemeenten en lokale organisaties (verdere) initiatieven ontplooien die bijdragen aan

een duurzame verbetering van het lokale sportaanbod, indien mogelijk in samenwerking met andere

sectoren. Tevens bevordert de breedtesportimpuls dat sportactiviteiten optimaal worden benut in het

kader van andersoortige maatschappelijke projecten’.

Per onderdeel maken we de tussenbalans op.

‘ ...bevorderen dat gemeenten en lokale organisaties (verdere) initiatieven ontplooien...’

indruk: ja, in zeer sterke mate is de regeling daarin geslaagd.

‘ ...die bijdragen aan een duurzame verbetering van het lokale sportaanbod...’

indruk: duurzaam ten dele, maar onze indruk is eerder positief dan negatief.

‘ ...verbetering van het lokale sportaanbod...’

indruk: het is verbeterd, maar als men de resultaten afzet tegen de investeringen, dan vinden wij

de resultaten nog te weinig overtuigend, daar had met de middelen meer mogen uitkomen.

‘ ...samenwerking met andere sectoren en meerwaarde van sport benutten...’

indruk: ja, die samenwerking is gerealiseerd en dat heeft een meerwaarde voor betrokken beleidsvelden.

v Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


III Aanbevelingen

Als we de tussenbalans opmaken van de breedtesportimpuls, dan is het belangrijk het vertrekpunt van

de regeling voor ogen te houden. In heel veel gemeenten was sportbeleid voornamelijk accommodatiebeleid

met daarnaast de sportsubsidies. Dat wilde het ministerie van VWS met de breedtesportimpuls

doorbreken. Het lokale sportaanbod was meer dan de accommodatie, er waren vooral in de

grotere steden allerlei initiatieven op het gebied van sportstimulering en ondersteuning die kansrijk

waren voor de sport en voor andere beleidsterreinen. De impuls heeft daarin voor een trendbreuk

gezorgd.

Vijf jaar na introductie van de breedtesportimpuls is het zaak te kijken wat de volgende opgave is

voor de breedtesport in Nederland. We benoemen vier kansen:

1 Doelen duidelijker en concreter stellen

Het ministerie van Financiën heeft eind jaren negentig een duidelijke visie gepresenteerd op beleidsontwikkeling

en beleidsverantwoording. Kort gezegd komt het er op neer dat beleidsmakers duidelijke

doelen moeten stellen en resultaten en effecten moeten koppelen aan die doelen. De topsport was niet

anders gewend. Doelen zijn daar een vanzelfsprekendheid en de afrekening ook. De breedtesport kent

een geheel ander klimaat. Sport (breedtesport) heeft een positieve associatie. Alles wat sport is, is

goed. Ieder project, ieder initiatief wordt bijna automatisch positief gepresenteerd. De breedtesport –

breedtesportbeleid – moet leren zich meer te verantwoorden. Verantwoorden is niet automatisch negatief

bedoeld. Er mogen projecten mislukken, tegenvallers zullen er altijd zijn. Maar het zelfkritisch vermogen

van de breedtesport mag best toenemen. Uiteindelijk is dat goed voor de breedtesport en de

sport is dat ook verplicht ter verantwoording van publieke middelen.

2 Meer regie, duidelijker keuzes maken

De ruime doelstelling van de regeling is zeer verdedigbaar tegen het perspectief om gemeenten (en

bonden en provincies) te stimuleren tot nieuwe acties. Een zeer gerichte regeling zou – denken wij –

niet hetzelfde enthousiasme hebben losgemaakt als nu het geval is geweest. Vijf jaar later weten we

dat heel veel gemeenten, bonden en provincies hun beleid sterk hebben verbreed en dat er veel meer

aandacht is voor sport; sport staat hoger op de politieke agenda. Tegelijk blijkt ook dat de breedte van

de regeling en de weinig concrete einddoelen ook zijn weerslag hebben op de doelgerichtheid. Niet

alle initiatieven overtuigen en gemeenten hebben moeite om de resultaten en effecten van hun projecten

te verantwoorden.

Dat heeft deels te maken met een zekere abstractheid van de regeling. Het terugdringen van de wachtlijsten

in de zorg is eenvoudiger te verantwoorden dan een versterking van het lokale sportaanbod

waarbij de meerwaarde van sport beter wordt benut voor andersoortige maatschappelijke projecten.

Deels heeft dat ook te maken met het feit dat de meeste gemeenten te weinig aandacht geven aan de

verslaglegging. Alles draait om de uitvoering van de activiteiten. Op voorhand wordt al het signaal bij

VWS afgegeven dat de verantwoording zo makkelijk mogelijk moet worden gemaakt. Verantwoording

wordt bijna automatisch geassocieerd met bureaucratie en heeft een negatieve klank. In de derde

plaats is de verantwoording lastig omdat de werkelijke waarde van projecten in de sport vooraf niet

goed zijn aangetoond. Initiatieven worden gepromoot en gesteund, zonder dat echt goed in beeld is

wat de kosten zijn en wat het oplevert.

In de toekomst moeten projecten veel meer op hun waarde worden beoordeeld voordat ze breed aan

gemeenten worden aangeboden.

Dat zou de verantwoording bij gemeenten ook verlichten. GALM is bij uitstek een goed voorbeeld van

een stimuleringsprogramma dat goed is doorontwikkeld, gepromoot in het noorden van het land en

van daaruit (met een ondersteuningsnetwerk) verder is uitgebreid. Als vooraf beter bekend is wat de

bijdrage is van voorbeeldprojecten of initiatieven, dan kan men ook gerichter keuzes maken en dat

levert ook een verbetering op van de doelmatigheid van de bedrijfsvoering en van het beleid.

vi Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Scherpere keuzes vooraf is één mogelijkheid om meer resultaten te halen. Daarnaast is het rendement

ook te vergroten door de projecten die in uitvoering zijn, bij te stellen (zie het als een vorm van productverbetering).

In de afzonderlijke hoofdstukken van deze 2-meting zijn daar diverse voorstellen

voor gedaan.

3 Investeer in structurele aandacht van de gemeente

Door de breedtesportimpuls is sport hoger op de politieke agenda van veel gemeenten gekomen. Juist

voor de continuïteit is het van belang die aandacht vast te houden. Dat gaat niet vanzelf. Partijen die

betrokken zijn bij de uitvoering moeten veel bekendheid geven aan goede resultaten en die resultaten

ook kenbaar maken aan de lokale politiek.

Het ministerie van VWS kan hier een stimulerende rol in spelen.

4 Ook aandacht voor accommodaties en verenigingen

De breedtesportimpuls en de nieuwe BOS-regeling hebben een sterke focus op de ‘zachte kant’ van de

sport. Accommodaties en accommodatiebeleid staan zeker niet centraal.

Voor het toekomstig breedtesportbeleid is de doelstelling van de breedtesportimpuls nog steeds een

interessante invalshoek: een versterking van het lokale sportaanbod.

Het lokale sportaanbod is verrijkt door sportbuurtwerk, projecten met onderwijs, et cetera. De aandacht

voor sportbuurtwerk en allerlei initiatieven om de waarde van sport te benutten voor andere

beleidsterreinen, steunen we van harte. Tegelijkertijd hebben we kanttekening geplaatst bij effectiviteit

en efficiency van de impuls. Naar de toekomst toe is het goed om ‘het lokale sportaanbod’ even los te

zien van de breedtesportimpuls of de BOS-regeling. Wat zijn nu de pijlers van het lokale sportaanbod?

Naar onze mening zijn dat de sportaccommodaties en de verenigingen. In beide onderscheidt

Nederland zich internationaal. Op jaarbasis besteden gemeenten circa € 700 miljoen netto aan sportaccommodaties

(gemeentelijke rekening functie sport). Het totale bedrag is waarschijnlijk nog wat groter.Ter

vergelijking: de breedtesportimpuls zorgt voor een jaarlijkse investering van € 23 miljoen van

rijk, bonden, provincies en gemeenten gezamenlijk!

Bijna alle gemeenten zien zich geconfronteerd met vraagstukken om het maatschappelijk rendement

van sport- en welzijnsaccommodaties te optimaliseren. Met andere woorden: zorgen voor een zo goed

mogelijke bezetting. Verenigingen zijn daarvoor de belangrijkste gebruikers denken wij. Een goede

bezetting van accommodaties is gebaat bij gezonde, sterke verenigingen. Andersom: een langzame

maar gestage afkalving van de georganiseerde sport zal doorwerken in de dichtheid van accommodaties.

De sociale banden binnen verenigingen en de economische waarde van de ruim één miljoen vrijwilligers

die in de sportverenigingen functioneren, is een andere niet te onderschatten waarde. Een

gemeente kan via breedtesportimpuls of BOS flankerend het sportaanbod versterken door in de wijk of

bij school activiteiten te organiseren. Maar als de georganiseerde sport verzwakt, heeft een gemeente

niet de middelen om dat sportaanbod (op andere wijze) in stand te houden. Vanuit deze overwegingen

(een goed gebruik van accommodaties, de sociale banden van verenigingen en de economische waarde

van de ruim één miljoen vrijwilligers) is aandacht voor de verenigingssport niet alleen logisch,

maar ook zeer wenselijk.

vii Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


1 Inleiding

1.1 Het vertrekpunt van de breedtesportimpuls

De breedtesportimpuls is in 1999 geïntroduceerd. Een regeling die bedoeld is om (vooral) gemeenten

te stimuleren om initiatieven te ontplooien die bijdragen aan een duurzame verbetering van het lokale

sportaanbod, indien mogelijk in samenwerking met andere sectoren. Tevens bevordert de breedtesportimpuls

dat sportactiviteiten optimaal benut worden in het kader van andersoortige maatschappelijke

projecten.

Voor het uitvoeren van de regeling is (eenmalig) een rijkssubsidie beschikbaar gesteld voor gemeenten,

landelijke sportorganisaties (bonden) en sinds 2001 ook voor provincies.

Per 1 januari 2005 is de regeling beëindigd, in die zin dat geen nieuwe aanvragen meer kunnen worden

ingediend. De reeds toegekende aanvragen blijven gehandhaafd.

Om voor subsidie in aanmerking te komen, moesten gemeenten, provincies en bonden een projectvoorstel

indienen bij het ministerie van VWS. De subsidie bestaat uit 50% van de (subsidiabele)

projectkosten tot een maximum (afhankelijk van het aantal inwoners). Wanneer gemeenten

samenwerken, kon 55% subsidie worden verkregen.

De breedtesportimpuls verlangt dat projecten een looptijd hebben van ten minste drie en ten hoogste

zes jaar. Daarmee probeert de rijksoverheid een structurele inbedding te stimuleren. De meeste organisaties

hebben een projectvoorstel voor vijf of zes jaar ingediend. De eerste projecten in de breedtesportimpuls

zijn in januari 2000 van start gegaan.

De meeste gemeenten zijn nog volop bezig met hun breedtesportimpuls en pas in 2009 (!) zullen de

laatste projecten eindigen. De komende jaren (2005 en 2006) zijn nog zeer veel gemeenten, provincies

en bonden bezig met de uitvoering van hun projecten. Pas met ingang van 2007 is een afname

merkbaar.

Deze rapportage – de 2-meting breedtesportimpuls – geeft een tussenstand van de opbrengst van de

breedtesportimpuls. Ten opzichte van de vorige tussentijdse evaluatie (1-meting december 2002),

is veel meer inhoudelijke informatie beschikbaar over de resultaten van de projecten en over de

continuïteit.

De formele beleidsdoelen van de breedtesportimpuls staan beschreven in de beleidsbrief breedtesportimpuls,

die in juni 1999 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Om de gedachte van de regeling te verduidelijken,

verwijzen we naar een interview met de toenmalige staatssecretaris Margo Vliegenthart1 (zie kader).

Ze spreekt daarin de wens uit dat met sport méér mogelijk is dan een gezellige, ontspannende en

gezonde inspanning. Ze hoopt dat via de impuls het sportbeleid van gemeenten meer wordt dan alleen

accommodatiebeleid. Ze wijst op de mogelijkheden die sport heeft om een bijdrage te leveren voor

andere beleidsterreinen en hoopt dat sport hoger op de politieke agenda terecht komt.

1 Ministerie van VWS, Nieuwsbrief Impuls nummer 1, oktober 2000.

1 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Interview met Margo Vliegenthart (Impuls 1, 2000)

Huiswerk maken op het sportveld

Wat is de breedtesportimpuls?

‘De impuls is een subsidieregeling die is bedoeld om de sport op het lokale niveau te versterken. Ik wil

gemeenten en sportbonden ervan overtuigen dat sport een belangrijke rol kan spelen bij het oplossen

van sociale en maatschappelijke problemen. Denk bijvoorbeeld aan hangjongeren, die zich vervelen en

met knetterende brommertjes een buurt tot overlast zijn. Met een aantrekkelijk aanbod zou je er voor

kunnen zorgen dat ze gaan voetballen, judoën of basketballen. Nu is er in een buurt vaak wel een

sporthal of een sportterrein, maar er gebeurt te weinig wat de jongeren aanspreekt. Met de breedtesportimpuls

wil ik gemeenten en sportbonden aanzetten om sportprojecten te ontwikkelen, die het

plaatselijke jeugdbeleid ondersteunen en woonwijken leefbaarder maken. Ook hoop ik dat er samenwerkingsverbanden

ontstaan tussen bijvoorbeeld sportaanbieders, het onderwijs, buurtverenigingen

en de gezondheidszorg. Zo kan sport prima ingezet worden bij de naschoolse opvang of bij projecten

om ouderen deel te laten nemen aan het sociale leven.’

Waarom is de breedtesportimpuls nodig?

‘Een aantal, voornamelijk grote gemeenten heeft sport al ontdekt als middel om sociaal-maatschappelijke

doelen te verwezenlijken.’

Ik wil ook de andere gemeenten ervan overtuigen dat sport méér is dan een leuk spelletje. Het levert

een belangrijke bijdrage aan integratie, participatie en overdracht van normen en waarden. Maar in

veel gemeenten is sport niet meer dan een onderdeel van het accommodatiebeleid. Daar wordt slechts

bekeken hoe hoog de huur van de sporthal moet zijn. Ik hoop dat de breedtesportimpuls een eyeopener

wordt. En dat niet alleen de wethouder sport de waarde van sport inziet, maar het hele college

én de gemeenteraad. Hetzelfde geldt voor bonden. De hockeybond bijvoorbeeld werkt aan een plan

om verenigingen meer te laten zijn dan een plek waar je komt hockeyen. Zo wordt gedacht aan huiswerkbegeleiding

en kinderopvang door de vereniging. Dat vind ik een prima ontwikkeling. Overigens

wil ik niet zeggen dat de bonden nu geen fantastisch werk verrichten. Natuurlijk doen ze dat. Maar er is

méér mogelijk, daar gaat het mij om.’

We hebben het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen gevraagd te helpen bij het ontwikkelen

van hun plannen. Ook provincies kunnen een belangrijke stimulerende rol spelen. Dat is in Groningen

gebeurd. De provincie heeft alle gemeenten gemobiliseerd om mee te doen met de impuls. Dat is, op

twee na, gelukt.’

Wat wilt u uiteindelijk bereiken?

‘Het zou fantastisch zijn als in de toekomste de wethouder Welzijn, Jeugdbeleid of Sociale Zaken sport

als middel gebruikt om bepaalde sociaal-maatschappelijke doelen te bereiken.

Ik hoop dat alle gemeenten en sportbonden een projectvoorstel indienen en dat daardoor sport hoger

op de politieke agenda komt. Ik ben ervan overtuigd dat de resultaten van de projecten uiteindelijk

overduidelijk zullen laten zien dat meer beleidsaandacht gerechtvaardigd is.’

De beleidsbrief breedtesportimpuls onderscheidt drie sporen om de doelstellingen van het beleid te

effectueren. Het eerste spoor is gericht op het versterken van de lokale sportinfrastructuur. Het tweede

spoor is sport inzetten als middel om een bijdrage te leveren aan het oplossen van maatschappelijke

problemen en ter versterking van de algemene lokale sociale infrastructuur, en het derde spoor is het

aanbrengen van dwarsverbanden tussen sport en andere sectoren waarbij het structurele karakter tot

uitdrukking komt.

In de praktijk liggen het tweede en derde spoor inhoudelijk dicht bij elkaar. Per spoor worden in de

beleidsbrief breedtesportimpuls de nodige suggesties gedaan om op lokaal niveau een impuls te

geven aan innovatief sportbeleid. De invulling van de drie sporen is schematisch weergegeven in

tabel 1.1.

2 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Tabel 1.1 Hoofdstructuur breedtesportimpuls gemeenten

hoofddoelstelling

• Formeel: bevorderen dat gemeenten en lokale organisaties (verdere) initiatieven ontplooien die

bijdragen aan een duurzame verbetering van het lokale sportaanbod, indien mogelijk in samenwerking

met andere sectoren. Tevens wordt bevorderd dat sportactiviteiten optimaal worden

benut in het kader van andersoortige maatschappelijke projecten.

• In concreto: breedtesport en de maatschappelijke betekenis daarvan hoger op de politieke agenda

krijgen.

spoor 1

versterken lokale sportinfrastructuur

1a voorzieningen dicht bij huis:

met name in gebieden waar aanbod

ontbreekt

1b nieuwe organisatievormen:

de traditionele sportverenigingsstructuur

is niet meer de enige formule

1c kaderbeleid:

gericht op het behouden, werven

en beter functioneren van vrijwilligers

en een beperkte vorm van

professionalisering

1d lokale ondersteuning:

aanvullend op bestaande ondersteuningsorganisaties

en helder

voor potentiële afnemers

uitwerking naar 3 sporen:

spoor 2

sport integraal benutten voor

maatschappelijke problemen en

versterken sociale infrastructuur

2a voorbeelden van meerwaarde

• Onderwijs: l.o., verlengde

schooldag, naschoolse opvang,

binden potentieel voortijdige

schoolverlaters

• Werkgelegenheid: gesubsidieerde

arbeidsplaatsen, professionalisering

• Veiligheid en leefbaarheid: voorkomen

vandalisme, vergroten

betrokkenheid en tolerantie

• Welzijn: verbreken en voorkomen

isolement van bepaalde

groepen.

• Gezondheid: preventief en voor

revalidatie

2b aandachtspunten:

• (Kwetsbare) groepen: jeugd,

ouderen, chronisch zieken, mensen

met lage sociaal economische

status

• Inzet van gekwalificeerd sportkader

bij inzet in andere sectoren

spoor 3

Landelijke sportorganisaties konden via de jaarlijkse integrale subsidieaanvraag een projectvoorstel

indienen voor de breedtesportimpuls. In de jaarlijkse subsidiecirculaire voor landelijke sportorganisaties

stonden de volgende voorwaarden vermeld die mede ontleend zijn aan de beleidsbrief.

3 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004

afstemming en aanbrengen van

dwarsverbanden

3a koppeling van kader

bijvoorbeeld bewegingsconsulent

voor onderwijs, gezondheidszorg

en sport, of gekwalificeerde verenigingstrainer

als onderwijsassistent

3b koppeling bij (harde)

infrastructuur

multifunctioneel gebruik accommodaties,

rekening houden met

ruimtelijke ordening, verkeer en

milieu bij planning en beheervraagstukken


Tabel 1.2 Voorwaarden breedtesportimpuls landelijke sportorganisaties

• Projecten zijn gericht op versterking van de lokale sportinfrastructuur, met name wat betreft sportverenigingen.

• Inzet van sport als middel om maatschappelijke problemen op te lossen.

• Er dienen verbanden te worden gelegd tussen sportaanbieders en andere aan de sport gerelateerde

sectoren, zoals onderwijs, wijk- en buurtwerk en gezondheidszorg.

• Er moet sprake zijn van duurzaamheid en continuïteit na afloop van de projectperiode.

• Er is zo mogelijk sprake van ondersteuning door landelijk sportorganisaties aan verenigingen in

gemeenten met een breedtesportproject.

• Het project kan gericht zijn op voorlichting en informatieverstrekking aan verenigingen in gemeenten

die nog geen aanvraag hebben ingediend.

• Er wordt gestreefd naar samenwerking op lokaal niveau, tussen gemeenten en verenigingen, tussen

verenigingen onderling en tussen verenigingen en andere lokale organisaties.

• Er is sprake van activiteiten van een landelijke sportorganisatie waarbij wordt samengewerkt met

gemeenten.

In 2001 is de Stimuleringsregeling breedtesport aangepast om provincies de gelegenheid te bieden

gebruik te maken van de subsidie. Voor provincies golden de volgende (inhoudelijke) voorwaarden om

gebruik te maken van de regeling.

Tabel 1.3 Voorwaarden breedtesportimpuls provincies

• Het breedtesportondersteuningsproject is afgestemd op het landelijk beleid ter versterking

van de breedtesportimpuls.

• Bevordert dat zoveel mogelijk gemeenten in de provincie breedtesportprojecten gaan uitvoeren

of blijven uitvoeren.

• Ondersteuning biedt aan gemeenten in de provincie bij de opzet en uitvoering van

breedtesportprojecten.

• Is afgestemd op vraag en aanbod aan ondersteuning van gemeenten in de provincie.

• Voorziet in een systematische en duurzame versterking van het provinciale beleid ter

ondersteuning van de breedtesport dat is afgestemd op ander voor de breedtesport

relevant provinciaal beleid.

4 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


1.2 Methode van onderzoek

In de evaluatie van de breedtesportimpuls volgen we de systematiek van VBTB2 .

Kernbegrippen daarin zijn: input (geld, formatie), throughput (proces, werkwijze), output (prestaties,

aantal projecten) en outcome (beleidsmatig effect van die projecten).

Input

Zuinigheid

Economy

Doelmatigheid van

de bedrijfsvoering

Efficiency

Essentie van de evaluatie is dat we zowel kijken naar de investeringen, als naar het proces, de prestaties

en naar de effecten.

Voor de uitvoering van het onderzoek is gebruik gemaakt van de volgende technieken:

• Interviews met gemeenten, bonden en provincies die gebruik maken van de regeling.

• Interviews met gemeenten en bonden die geen gebruik maken van de regeling.

• Interviews met aantal sleutelinformanten (gerelateerd aan een bepaald thema zoals verenigingsondersteuning

of sportbuurtwerk).

• Tussentijdse verslagen over de jaren 2000-2003.

• Externe bronnen (literatuur).

Voor de interviews is gewerkt met een algemene checklist en voor bepaalde deelprojecten zijn aanvullende

checklisten gebruikt.

2 Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording. Ministerie van Financiën 1998.

Doelmatigheid van beleid:

Kosten-effectiviteit

Throughput Output Outcome

Geld, personeel Proces

Prestaties Effect

Doeltreffendheid

5 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


1.3 Leeswijzer

Ten opzichte van de 1-meting wil het ministerie van VWS in de 2-meting zoveel mogelijk zicht krijgen

op prestaties en effecten in relatie tot de input. Dat heeft er toe geleid dat de opzet van de 2-meting is

veranderd. Aan een onderwerp als sportbuurtwerk, verenigingsondersteuning of sport en onderwijs

werd in de 1-meting ongeveer een pagina per onderwerp besteed. De wens tot verdieping en focus op

resultaten en effecten vraagt om een uitgebreidere analyse en beschrijving. Het is onmogelijk om die

verdieping te realiseren in de opzet van de 1-meting.

De 2-meting is opgebouwd uit elf hoofdstukken. Hoofdstuk 2 richt zich volledig op de input en geeft

een overzicht van de investeringen inclusief de 6e tranche gemeenten.

De hoofdstukken 3 tot en met 9 zijn geheel gewijd aan de initiatieven van de gemeenten. In zes hoofdstukken

gaan we in op de meest voorkomende projecten bij gemeenten. Hoofdstuk 3 geeft als introductie

een overzicht van alle gemeentelijke projecten en in hoofdstuk 9 komt een aantal algemene

bevindingen aan de orde, zoals de continuïteit bij gemeenten, de samenwerking tussen gemeenten en

de verantwoording van projecten.

In de hoofdstukken 10 en 11 staan respectievelijk provincies en bonden centraal.

Een uitgebreide samenvatting, een weergave van de belangrijkste bevindingen en de

aanbevelingen zijn vóór in het rapport opgenomen.

6 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


2 Overzicht gebruik subsidieregeling

2.1 Deelname aan de breedtesportimpuls

Gemeenten hebben tot 1 mei 2004 (de 6e tranche) voor het laatst de mogelijkheid gehad om gebruik te

maken van de subsidieregeling. In totaal hebben 76 gemeenten van die mogelijkheid gebruik gemaakt.

De beoordeling van de aanvragen was gedurende deze 2-meting nog niet volledig afgerond, zodat het

aantal gemeenten dat mee doet aan de breedtesportimpuls onder voorbehoud uitkomt op 329. Dat

komt neer op 68% van de Nederlandse gemeenten (aantal gemeenten per 1 januari 2004).

Van de 58 bonden doen 33 bonden mee aan de breedtesportimpuls. En onder provincies is de score

100%. Alle provincies maken gebruik van de provinciale regeling.

Tabel 2.1 Overzicht deelname breedtesportimpuls inclusief 6e tranche gemeente onder voorbehoud

Het ministerie van VWS heeft het gebruik van de regeling gestimuleerd door de landelijke beleidspartners

3 en het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) te betrekken bij de voorlichting

over en het stimuleren van de regeling. Bij de introductie van de regeling zijn er voorlichtingsbijeenkomsten

georganiseerd. Vanaf 2001 vindt de jaarlijkse breedtesportontmoetingsdag plaats. Het ministerie

van VWS verspreidt verder periodiek een speciale nieuwsbrief Impuls. De beleidspartners hebben

via hun eigen communicatiekanalen de stimuleringsregeling actief bij hun achterban onder de aandacht

gebracht. Provinciale sportraden hebben het gebruik van de regeling ook sterk gepromoot.

2.2 Financiering

totaal aantal deelname aan in procenten

(per 1-1-2004) de regeling

gemeenten 483 329 68 %

provincies 12 12 100 %

bonden 58 33 57 %

Tot en met de 5e tranche aanvragen is € 63 miljoen rijkssubsidie toegekend aan gemeenten. Voor de

zesde en laatste tranche (2004) is € 7 miljoen subsidie beschikbaar, zodat de subsidie aan gemeenten

uitkomt op in totaal € 70 miljoen. De breedtesportimpuls wordt gefinancierd op basis van cofinanciering:

iedere euro die de gemeente inlegt wordt tot een maximum aangevuld met een gelijk bedrag van

VWS. Bij gemeenten die samenwerken, is de verhouding 55% VWS en 45% gemeenten. Er is wel eens

gesuggereerd dat een deel van de gemeenten hun project (deels) met bestaande middelen financieren.

Zeg maar ‘oud geld’ in plaats van ‘nieuw geld’. En dat betekent dus ook dat die middelen niet kunnen

worden ingezet voor bestaande of geplande activiteiten.

In deze 2-meting is dit onderzocht onder een grote groep gemeenten. Het blijkt dat 40% van de

gemeenten volledig nieuw geld hebben ingelegd, dus extra middelen boven op de bestaande sportbegroting.

Bij 20% is de cofinanciering volledig – dus 100% - gebaseerd op bestaande middelen. En bij de

resterende groep (40%) is sprake van gedeeltelijk ‘nieuw’ en gedeeltelijk ‘oud geld’. Bij een op de vijf

gemeenten heeft de gemeente de financiering geregeld door die te onttrekken aan andere activiteiten.

Dat betekent niet dat het ministerie van VWS meer gefinancierd heeft dan de gemeenten. Bij een niet

onbelangrijk deel van de gemeenten is de inleg van de gemeenten groter dan die van VWS. Dat compenseert

–landelijk gezien – dat gemeenten deels gebruik hebben gemaakt van bestaande middelen op

de begroting. Afbeelding 2.1 geeft een beeld van de totale financiering tot en met de 6e tranche.

3 Naast het ministerie van VWS, NOC*NSF, het Interprovinciaal Overleg, LC Nederlands Instituut voor de Lokale Sport &

Recreatie en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

7 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Afb. 2.1 Financiering breedtesportimpuls gemeenten: totale inleg € 188 miljoen

(projecten aangevraagd in 1999-2004)

‘Nieuw geld’ gemeenten

€ 73.300.000

39%

Het ministerie van VWS heeft € 70 miljoen bijgedragen. De gemeenten hebben € 115 miljoen ingelegd,

waarvan € 41,3 miljoen bestaand geld en € 73,3 miljoen nieuw geld. Die 73 miljoen euro is dus nog

iets meer dan de inleg van VWS. De conclusie is dus dat bij een op de vijf gemeenten de regeling niet

heeft geleid tot een extra bijdrage van de gemeente. Maar landelijk gezien heeft de regeling wel degelijk

in financieel opzicht geleid tot een grote extra investering van gemeenten. Met recht mag men

spreken van een impuls voor de breedtesport.

Provincies

In augustus 2001 is de impuls ook beschikbaar gesteld voor provincies. Provincies konden subsidie

aanvragen om gemeenten te stimuleren om gebruik te maken van de subsidie en om gemeenten te

helpen bij de opzet en uitvoering van projecten. Per provincie was het budget maximaal € 680.670 (bij

een zesjarig project). Met de gehonoreerde aanvragen van Utrecht en Noord-Holland (aanvang 2004)

doen nu alle twaalf provincies mee aan de regeling. De twaalf provincies zouden als ze alle een zesjarig

project hadden ingediend € 8,1 miljoen subsidie ontvangen. Dat is € 7,2 miljoen geworden doordat

enkele provincies niet gekozen hebben voor de maximale duur van zes jaar. Bij de ondervraagde provincies

bestaat de cofinanciering voornamelijk uit extra middelen (nieuw geld). Via de provincies wordt

dus € 14,4 miljoen besteed aan breedtesportimpulsprojecten gedurende de periode 2002-2009. Het

grootste deel besteden provincies in de jaren 2004-2007.

Bonden

Derden

€ 3.800.000

2%

‘Oud geld’ gemeenten

€ 41.300.000

22%

Vanaf 2000 tot en met 2004 hebben 33 bonden een subsidie ontvangen in het kader van de breedtesportimpuls.

In totaal is door VWS € 16 miljoen subsidie uitgekeerd aan bonden.

De regeling voor bonden gaat ook uit van een bijdrage van bonden van ten minste 50% (bij samenwerking

is de subsidie 55%). Dat betekent dat naast de € 16 miljoen subsidie ook nog een kleine € 16 miljoen

door bonden is ingebracht, deels door ombuigingen van bestaande middelen van bonden ten

gunste van het project en deels door toevoeging van nieuwe middelen. Een exacte verdeling is niet

aan te geven.

8 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004

Inleg VWS gemeenten

€ 69.800.000

37%


Overzicht totale financiering

De subsidie en de cofinanciering van gemeenten, provincies en bonden tezamen, betekent een investering

van € 234 miljoen gedurende de jaren 2000 tot en met 2009. Het grootste deel daarvan (80%)

heeft betrekking op de gemeentelijke regeling, 14% op de regeling voor bonden en 6% voor provincies.

Afbeelding 2.2 geeft een overzicht.

Afb. 2.2 Totale inleg breedtesportimpuls, in miljoenen euro’s, uitvoering 2000-2009

Bonden

Provincies

Gemeenten

16 16

7 7

70 118

Subsidie VWS Cofinanciering

9 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


3 Overzicht projecten gemeenten

3.1 Overzicht van de projecten

De regeling is vooral bestemd voor gemeenten. Door het grote aantal gemeenten dat gebruik maakt

van de regeling is de diversiteit van projecten veel groter dan bij provincies en bonden. In hoofdstuk 4

tot en met 8 wordt inhoudelijk ingegaan op verschillende gemeentelijke projecten. In deze paragraaf

beperken we ons tot een totaaloverzicht.

De meeste subsidieaanvragen bestaan uit verschillende deelprojecten. Alle deelprojecten zijn in het

kader van de evaluatie ingedeeld naar de aard van het project. Tabel 3.1 geeft een overzicht van de

gemeentelijke (deel)projecten voor de eerste vijf tranches4 . De meest voorkomende projecten zijn:

• Verenigingsondersteuning (projectbasis of vaste ondersteuner)

• Sportbuurtwerk

• Sportoriëntatie in het onderwijs (kennismaking en jeugdsportpas)

• Sportstimulering ouderen (GALM, MBvO en overige activiteiten)

• Aangepast sporten

• Sportservicepunten

Ten opzichte van de 1-meting zien we in de 4e en 5e tranche:

• Een toename van verenigingsondersteuning

• Meer onderwijsprojecten (kennismaking)

• Minder sportservicepunten (minder grote steden)

• Minder sportbuurtwerk (idem)

• Nieuwe initiatieven zoals whoZnext en jeugdparticipatie

• Meer GALM en andere ouderenprojecten

• Nauwelijks aandacht voor bedrijfssport/sport en bewegen voor werkenden

Tabel 3.1 Indeling deelprojecten gemeenten naar aard van het project

aanvraag aanvraag aanvraag aanvraag aanvraag

1999 2000 2001 2002 2003

Inrichten sportservicepunt 17 11 16 6 6

Verenigingsondersteuning (projectbasis) 11 19 36 30 38

Aanstellen verenigingsondersteuner 4 4 11 1 0

Aanstellen verenigingsmanager 2 0 0 0 0

Aanstellen I/D-baan 6 2 2 0 0

Kennismakingsprogramma in onderwijs 10 15 23 17 35

Bewegingsconsulent 14 9 14 8 8

Buitenschoolse opvang 10 8 11 5 11

Jeugdsportpas 5 7 10 8 11

Gezondheidseducatie 2 2 5 2 2

Ondersteunen leerkrachten 3 0 4 9 14

Schooltoernooien 3 1 0 3 7

Schoolzwemmen 1 1 2 1 1

Overig onderwijs 3 0 0 0 2

Sportbuurtwerk /sportconsulent 30 17 33 13 24

Sport en speluitleen 6 2 4 1 4

GALM 11 9 21 17 21

MBVO 3 0 2 2 3

Ouderen overig 7 12 19 16 18

Allochtonen 9 9 11 6 4

Jeugd (niet via onderwijs) 11 5 9 7 4

4 Een deelproject kan in meer dan één categorie worden ingedeeld. Een sportbuurtwerkproject in een allochtone buurt telt

mee bij sportbuurtwerk en bij allochtonen.

10 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


aanvraag aanvraag aanvraag aanvraag aanvraag

1999 2000 2001 2002 2003

WhoZnext 0 0 0 10 24

Aangepast sporten 6 5 21 11 16

Chronisch zieken 2 0 4 6 8

Club extra 7 1 7 4 8

Sportmix / rol en ren 0 0 0 4 0

Werkzoekenden/WAO’ers 1 0 1 0 0

Bedrijfssport 1 0 0 0 1

Realisatie of voorbereiding voorzieningen 9 7 12 6 3

Nieuwe organisatievormen 5 8 3 5 8

Evenementen 7 2 7 6 7

Voorlichting 5 3 2 4 5

Overig 3 5 5 2 3

214 164 295 210 296

3.2 Verdeling subsidie naar onderwerp

Op basis van de indeling in tabel 3.1, is ook aan te geven hoe de subsidie voor gemeenten is verdeeld

naar thema. Afbeelding 3.1 laat de resultaten zien voor de gehonoreerde aanvragen uit de periode

1999-20035 . Het gaat om de VWS-subsidie voor de totale subsidieperiode (dat is dus meestal zes jaar).

Voor de eerste vijf tranches is het totale subsidiebedrag (voor de totale projectduur) voor gemeenten ¤

63 miljoen.

Het hoogste bedrag, namelijk € 13,2 miljoen, gaat naar het sportbuurtwerk. Daarna wordt het meeste

uitgegeven aan verenigingsondersteuningsprojecten (€ 10,6 miljoen) en het oprichten van sportservicepunten

(€ 9,3 miljoen), gevolgd door sportoriëntatie in het onderwijs (€ 5,8 miljoen) en het aanstellen

van bewegingsconsulenten (€ 5,5 miljoen).

Afb. 3.1 Waar wordt de subsidie aan gemeenten in de 1e t/m 5e tranche aan besteed?

(bedragen in miljoen Euro voor de totale projectperiode)

Jeugd/WhoZnext € 1,5

Aangepast sporten € 1,4

Allochtonen € 0,5

Evenementen € 3,9

Sportbuurtwerk € 13,2

Voorzieningen € 2,1

Ouderen € 3,6

Organisatievormen € 2,6

Overig € 0,7

Kennismaking en sportpas € 5,8

Sport en BSO € 1,1

5 Bij het afronden van deze 2-meting was een nadere verdeling van de 6e tranche naar onderwerp niet meer mogelijk.

11 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004

Bewegingsconsulent € 5,5

Verenigingsondersteuning € 10,6

Onderwijs overig € 1,0

Inrichten sportservicepunt € 9,3


4 Sportservicepunten en verenigingsondersteuning

4.1 Inleiding

De aandacht voor de georganiseerde sport in de breedtesportimpuls komt vooral tot uitdrukking in de

sportservicepunten en verenigingsondersteuning. In de eerste vijf tranches van de breedtesportimpuls

zijn er 56 projecten waarbij een sportservicepunt wordt ontwikkeld. Bijna drie keer zoveel projecten

(164) 6 richten zich op het ondersteunen van verenigingen. Meestal door het bieden van verenigingsondersteuning.

Van de totale rijkssubsidie (exclusief 6e tranche) is circa € 20 miljoen besteed aan sportservicepunten

en verenigingsondersteuning. Dat is bijna eenderde van de totale rijkssubsidie voor gemeenten.

4.2 Wat beogen gemeenten met sportservicepunten en verenigingsondersteuning?

Gemeenten willen met verenigingsondersteuning verenigingen deskundige hulp bieden bij het oplossen

van hun knelpunten, zodat ze goed of beter kunnen functioneren. De doelen die gemeenten met

sportservicepunten nastreven, lopen uiteen. De kernactiviteit ligt bij het bieden van een laagdrempelig

informatie- en adviespunt voor de georganiseerde sport en soms ook voor ongebonden sporters.

Voorbeelden doelen enkele gemeenten bij oprichten sportservicepunten

….het sportservicebureau zal verenigingen ondersteunen, kaderproblematiek verlichten en

verenigingen stimuleren tot vernieuwing en flexibilisering van sportaanbod.

….het sportloket fungeert als frontoffice voor verenigingsondersteuning. Verder verricht het

coördinerende en uitvoerende taken op het gebied van sportstimuleringsprojecten. Het loket is

tevens een antenne voor het invullen van de gemeentelijke regietaak.

…het sportloket krijgt een informatiefunctie voor verenigingen en sporters.

4.3 Organisatie sportservicepunten en verenigingsondersteuning

Verenigingsondersteuning kent vele verschijningsvormen. We onderscheiden de volgende vormen op

basis van de intensiteit van de ondersteuning 7 .

Afb. 4.1 Indeling verenigingsondersteuning naar intensiteit ondersteuning 8

Vereningingsmangers

(ca. 50 in 2004)

Zowel fulltime als

parttime

dienstverband

Arbeidsintensief

Verenigingsondersteuning

voor langere

periode (6 -18

maanden) o.a. in

Rotterdam en

Amsterdam

Verenigingsondersteuning

traditioneel

(4 - 6 dagdelen)

12 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004

Scan’s of doorlichting

o.a. IKSport, J-score

enz.

(1 - 2 dagen)

6 Er zijn deelprojecten waarin diverse vormen van verenigingsondersteuning voorkomen (bijvoorbeeld een verenigingsondersteuningsproject

en ID-banen in één project). Daardoor mag men niet automatisch de optelling van tabel 3.1 presenteren als zijnde

het aantal projecten voor verenigingsondersteuning.

7 Marktplan Adviesgroep. Verenigingsondersteuning; de vereniging en de ondersteuner aan het woord. Bussum 2004.

8 De verenigingsmanager maakt deel uit van de vereniging (intern), de andere vormen vinden plaats door externe ondersteuning.

Arbeidsextensief


Bij verenigingsondersteuning door gemeenten in de breedtesportimpuls ligt de nadruk op themabijeenkomsten

(dus meestal een dagdeel), accountgesprekken en korte trajecten (IKSport, clubscan,

et cetera). Intensievere ondersteuning behoort duidelijk tot de minderheid bij ondersteuning die

plaatsvindt in de breedtesportimpuls.

De uitvoering van verenigingsondersteuning van gemeenten gebeurt meestal door de provinciale

sportraden. Enkele gemeenten (meestal de grotere gemeenten) hebben zelf ondersteuners in dienst.

Soms worden bonden of koepels betrokken bij de uitvoering.

Kenmerkend voor de lokale sportservicepunten is de grote diversiteit in omvang en takenpakket. Tabel

4.1 geeft een overzicht welke taken vaker en minder vaak voorkomen binnen de breedtesportimpuls.

Tabel 4.1 Taken sportservicepunten in de breedtesportimpuls

kerntaak minder vaak voorkomend

• Informatiefunctie (bijvoorbeeld via een helpdesk, nieuwsbrief, website)

• Coördinatie en uitvoering van sportstimuleringsactiviteiten

• Facilitaire dienstverlening bijvoorbeeld ledenadministratie

• Accountgesprekken

• Verenigingsondersteuning korte ondersteuning zoals scans, IKSport

• Verenigingsondersteuning langdurige maattrajecten

• Verenigingsondersteuning themabijeenkomsten, cursussen en examens

• Subsidieverstrekking voor kadercursussen

De plek van een sportservicepunt in de gemeentelijke organisatie verschilt van gemeente tot gemeente.

Sommige sportservicepunten maken deel uit van de gemeentelijke organisatie, andere voeren als

zelfstandige organisatie op contractbasis taken voor de gemeente uit.

4.4 Resultaten en effecten

Voor gemeenten is het niet eenvoudig om zicht te krijgen op de resultaten (laat staan effecten) van

verenigingsondersteuning. De ondersteuning gebeurt vaak door derden (provinciale sportraden)

en de nadruk ligt op kortere trajecten. Als aanvulling op de 2-meting heeft een deelonderzoek plaatsgevonden

in Overijssel en Noord-Brabant. Verenigingen en ondersteuners zijn daar ondervraagd een

tot twee jaar na de ondersteuning9 .

De belangrijkste resultaten zijn als volgt.

Effect bij zes op de tien verenigingen

• Verenigingsondersteuning heeft bij (ongeveer) zes op de tien verenigingen effect. Dankzij de

ondersteuning zijn zaken binnen de vereniging veranderd. Uit de reacties van verenigingen blijkt

dat er inderdaad sprake is van een verandering. Soms is het probleem volledig opgelost en soms

is een begin gemaakt met de oplossing.

• Naarmate meer dagdelen ondersteuning is geboden, neemt de kans op een succesvolle verandering

toe.

• Ondersteuners schatten het effect van hun werk over het algemeen iets positiever in dan de verenigingen.

• Een op de zes verenigingen (16%) heeft een negatief eindoordeel over de genoten ondersteuning.

Daartegenover staat 65% die zeer tevreden is over de ondersteuning. De resterende verenigingen

beoordelen de ondersteuning als voldoende.

• Volgens het onderzoek is de bestaande ondersteuning te optimaliseren, waardoor het rendement

kan worden verbeterd.

9 Marktplan Adviesgroep. Verenigingsondersteuning: de vereniging en de ondersteuner aan het woord. Bussum 2004.

13 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Succes- en faalfactoren

In gesprekken met zowel verenigingen als verenigingsondersteuners is uitgebreid ingegaan op de factoren

die het effect van de ondersteuning bepalen, in positieve en negatieve zin. Voor een deel komen

de antwoorden van verenigingen en ondersteuners overeen, maar op onderdelen vullen ze elkaar ook

aan.

Tabel 4.2 Succes- en faalfactoren volgens verenigingen en ondersteuners

Verenigingen Ondersteuners

Beeld en verwachtingspatroon (soms is een ver- Voorlichting over verenigingsondersteuning, maar ook

keerd verwachtingspatroon de oorzaak van falen, voorlichting in preventieve en curatieve (probleem-

wat pleit voor duidelijke informatie vooraf oplossend) zin

Prioriteit bij en aandacht van de

vereniging

• Voldoende mensen

• Steun van het bestuur

• Voldoende tijd

• Daadkrachtig/actiegericht

Inhoud van de ondersteuning moet aansluiten

op de behoefte: praktisch, niet theoretisch,

toepasbaar voor de vereniging

Goede samenwerking tussen onder-steuner en

verenigingsmensen (het moet klikken)

Kennis en ervaring van de ondersteuner

Prioriteit die vereniging aan traject toekent

De vorming van een werkgroep

Kennis en kunde van de werkgroep

Voldoende aandacht van de werkgroep

Deelname minder vrijblijvend maken

‘Partnership’ tussen vereniging en ondersteuner

De vaardigheden van de ondersteuner

Communicatie met overige leden

Aandacht van vereniging aan de implementatie na beëindigen

ondersteuning nazorg/ bepaal terugkommoment

Duur van het traject: meer dagdelen biedt meer kans op

succes

Zonder andere factoren tekort te doen, is de inzet van de vereniging een cruciale factor.

Juist in situaties dat verenigingen in problemen komen en die niet meer zelfstandig kunnen oplossen

en hulp vragen, bestaat de hulp uit vrij korte ondersteuningstrajecten. Dat is een dilemma bij verenigingsondersteuning.

Het is niet wenselijk dat gemeenten afzonderlijk op vergelijkbare wijze de ondersteuning evalueren

(niet iedereen moet een tot twee jaar later kleinschalig gaan meten, dat is te omslachtig). Gemeenten

kunnen wel jaarlijks een verantwoording geven van hun ondersteuningsactiviteiten. Smallingerland

beschrijft per vereniging in een alinea wat er is gebeurd en wat de stand van zaken is. Het is geen

wetenschappelijke verantwoording, maar het geeft wel een uitstekend beeld van wat er lokaal gebeurt.

14 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Verantwoording (gedeelte van de) verenigingsondersteuning Smallingerland in 2003

Adonis

Acrogymvereniging heeft na vaststelling van het beleidsplan gevraagd om hulp bij het structureren

van de afdeling technische leiding. Met behulp van de ondersteuning is een commissie ‘technische

zaken’ opgericht en hebben alle trainers een eigen taakinvulling gekregen. Vanuit de trainers is er

nu één aanspreekpunt. Werkt goed op dit moment.

DGC

De gymnastiekvereniging heeft vanaf oktober 2002 gebruik gemaakt van een verenigingsmanager.

Deze verenigingsmanager heeft de vereniging geholpen met het opstellen van een goede organisatiestructuur.

Van alle commissies zijn taakomschrijvingen en handboeken gemaakt. Dit loopt nu en iedereen

weet zijn/haar taak.

STC de Klûners

Opzetten van een sponsorplan in samenwerking met de fondswervingscommissie. De bijeenkomsten

hebben eens in de drie à vier weken plaatsgevonden. Tijdens deze bijeenkomsten worden de vernieuwingen

c.q. veranderingen doorgesproken en worden nieuwe opdrachten uitgevoerd. Resultaat is aan

het einde van het winterseizoen gepresenteerd op de algemene ledenvergadering en naar alle tevredenheid

aangenomen.

Bowlsvereniging Smallingerland

Enkele contacten geweest met de voorzitter voor aanpassingen van het beleidsplan. Deze zijn doorgevoerd

en worden goed nageleefd.

Impala

De jeugdraad is inmiddels gestart en werkt met kleine activiteiten welke uitgebreid gaan worden naar

gelang de activiteiten goed verlopen. Staan onder supervisie van een activiteitencommissie.

Radboudruiters

Na diverse gesprekken met het bestuur van de Radboudruiters is besloten een beleidsplan op te stellen.

Een nieuwe locatie biedt meer mogelijkheden. Door weinig medewerking vanuit bestuur om de

gevraagde opdrachten uit te voeren is dit stil komen te liggen. Dit komt doordat de verenigingsprioriteiten

tijdelijk zijn verschoven. De vereniging ondervindt veel problemen bij de aanleg van een nieuwe

buitenbak en de verkoop van en afhandeling met het paardencentrum.

Het effect van sportservicepunten is lastiger vast te stellen dan van verenigingsondersteuning, omdat

de activiteiten meer verschillen. Gemeenten met een goed inhoudelijk (jaar)verslag slagen er het beste

in om de resultaten en effecten van een sportservicepunt te verantwoorden. Een dergelijk verslag heeft

vooral waarde voor het sportservicepunt zelf. Immers na afloop van de VWS-subsidie moet de

gemeente de lasten volledig dragen. Helaas zijn gemeenten met een overtuigend verslag niet in de

meerderheid.

Almere laat zien wat de bijdrage is van haar gemeentelijk sportservicepunt.

In 2003 heeft het sportloket de volgende taken verricht:

Individuele ondersteuning

Er zijn 12 verenigingen ondersteund in samenwerking met Sport Service Flevoland (SSF) op het gebied

van IK sport, Ouders Graag Gezien, het schrijven van beleidsplannen, ondersteuning bij het opzetten

van de administratie, sponsoring, managementtraining, etcetera.

15 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


De volgende themabijeenkomsten zijn georganiseerd:

• Avond voor de sport: 42 deelnemers.

• Energie en milieu.

• Ecokit: 7 verenigingen. 5 Hebben controle laten uitvoeren (betaald door sportloket).

• Leden- en financiële administratie: 20 deelnemers.

• Medewerking verleend aan regionale themabijeenkomst.

Samenwerking:

• Samenwerkingsovereenkomst met SSF voor verenigingsondersteuning

• Samenwerking met KNVB op het gebied van opleidingen.

• In samenwerking met Almeerse Reddingsbrigade organisatie van EHBO cursussen incl. reanimatie

voor sportverenigingen. 16 Deelnemers per keer.

• Samenwerking met Vrijwilligers Centrale Almere, o.a. het Gilde.

Dienstverleningsovereenkomst met een adviesbureau (Quaestor) afgesloten als proef voor 6 maanden,

voor het beantwoorden van vragen van sportverenigingen op administratief gebied (simpele en complexere

vragen), op fiscaal gebied en vragen m.b.t. arbeidsrecht. Quaestor houdt een overzicht bij op

hun website van veel gestelde vragen en antwoorden waar Almeerse verenigingen toegang op hebben

met een inlogcode en wachtwoord. De kosten worden (tot een bepaald maximum) vergoed door het

sportloket.

Financiële ondersteuning op het gebied van leden- en financiële administratie

• Financiële ondersteuning voor kaderopleidingen. Ongeveer 20 verenigingen vergoeding

gevraagd voor kaderopleidingen

• Financiële vergoeding voor milieuscan en Ecokit voor 5 verenigingen

• Financiële ondersteuning bij het regelen van opslag voor de wielervereniging

Aanschaf Fun in Athletics pakket van de KNAU, uitleen via de Droomspeelbus tegen laagdrempelige

kosten voor sportverenigingen en scholen.

Bok de Korver, opleidingsinstituut, mogelijkheden voor gebruik van de ruimte door sportverenigingen

en organisatie van cursussen (o.a. KNVB en EHBO).

Opdracht gegeven aan een extern bureau voor het verrichten van een onderzoek naar de websites van

Almeerse sportverenigingen, met als doel te achterhalen aan welke ondersteuning verenigingen

behoefte hebben op dit gebied.

Ondersteunende taken bij het voorzittersoverleg van de voetbal- en tennisverenigingen.

Uitzoeken voor de verenigingen of er zaken zijn die gezamenlijk geregeld kunnen worden.

Daarnaast het, intern binnen de gemeente, uitzoeken en doorverwijzen van diverse vragen van verenigingen

m.b.t. vergunningen, OZB, milieu, etcetera.

De website www.sportloketalmere.nl wordt bijgehouden en gevuld met actuele informatie voor sportverenigingen.

Daarnaast wordt 10 x per jaar de e-mail nieuwsbrief met diverse informatie verzonden.

Het verslag van Almere laat zien dat het sportservicepunt veel doet en dat wat ze doet (direct) de verenigingen

ondersteunt. Veel tussentijdse rapportages van gemeenten over de activiteiten van hun

sportservicepunt zijn minder overtuigend. Op grond van deze voortgangsverslagen plaatsen we een

viertal kanttekeningen bij de ontwikkeling van sportservicepunten.

1 Te weinig toegevoegde waarde of te traag op gang komen

Voortgangsverslagen laten soms zien dat men erg gericht is op de interne organisatieopbouw en te

weinig direct voor de klant werkt. Voorbeelden daarvan zijn accountgesprekken, de vraag in beeld krijgen,

website ontwikkelen, een nieuwsbrief uitbrengen, een intakesysteem ontwikkelen om vragen te

rubriceren en af te handelen... Natuurlijk kunnen de hier genoemde activiteiten op zichzelf verdedig-

16 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


aar zijn, maar het gaat om de balans: sportservicepunten moeten een duidelijke meerwaarde hebben

voor verenigingen.

2 Te zware overhead: loonkosten, kosten huisvesting, promotie

Dit geldt niet voor alle sportservicepunten, maar het speelt wel degelijk. Een grote overhead gaat ook

ten koste van de sport (de directe toegevoegde waarde wordt lager).

3 Veel kleine sportservicepunten

In de breedtesportimpuls worden initiatieven aangeduid als sportservicepunt, terwijl de formatie en

het werkbudget erg beperkt zijn. Door de breedtesportimpuls hebben provinciale sportraden een

sterke ontwikkeling doorgemaakt, waardoor een groot aantal (kleine en dus kwetsbare) sportservicepunten

niet wenselijk is. Dat vraagt alleen maar extra overleg, afstemming en overheadkosten.

Provinciale sportraden kunnen uitstekend gemeenten bedienen (op basis van contractmanagement).

Een beperkter aantal sterke sportservicepunten en sterke provincies lijkt ons beter dan veel (kleine)

sportservicepunten en sterke provincies.

4 Individueel gericht wat betreft informatievoorziening

De sportvereniging wil geholpen worden. Deels kan dat via ondersteuningstrajecten, deels wil men

(basis)informatie. Wat betreft dat laatste valt op dat heel veel partijen zelf websites ontwikkelen en

informatie aanbieden, ook informatie voor generieke vragen die niet gemeentegebonden is (vrijwilligersprobleem,

wetgeving, et cetera). Dat laatste zou via één landelijke website beter en efficiënter

ondervangen kunnen worden (bijvoorbeeld uitbouw sport.nl van NOC*NSF en alle andere sites verwijzen

voor die informatie naar sport.nl).

4.5 Bijdrage breedtesportimpuls

Voor aanvang van de breedtesportimpuls telde Nederland een kleine twintig gemeentelijke sportservicepunten,

waaronder ook kleinschalige initiatieven of ‘zwaardere’ lokale sportraden. In de 1-meting

was dat aantal uitgebreid tot 44 initiatieven, waaronder een aantal in oprichting. In 2004 is sprake van

56 projecten om een sportservicepunt te realiseren.

Ongeveer de helft van de twintig sportservicepunten die al voor de breedtesportimpuls bestonden,

is met subsidie uit de breedtesportimpuls uitgebreid, zodat het totaal aantal sportservicepunten in

Nederland 64 bedraagt (waarvan een aantal in oprichting). De website van SPIN geeft een hoger aantal,

namelijk 74 operationeel en vijftien in oprichting (89). Dat beeld is echter vertekend omdat de 25

Groningse gemeenten geen gemeentelijk sportservicepunt hebben (ook niet digitaal). Duidelijk is dat

de groei van sportservicepunten sinds 1999 volledig mogelijk is geworden door bijdragen uit de breedtesportimpuls.

De bijdrage van de breedtesportimpuls aan verenigingsondersteuning is ook groot geweest, maar niet

zo dominant als bij sportservicepunten. Verenigingsondersteuning was al een belangrijke activiteit, zij

het dat maar weinig gemeenten daar actief in waren. In 1999 werd landelijk € 4,5 miljoen uitgegeven

aan verenigingsondersteuning (SNS-middelen).

In 2003 is in totaal € 12 miljoen besteed aan verenigingsondersteuning waarvan 15% door gemeentelijke

(verenigingsondersteunings)projecten en 23% door sportservicepunten.

4.6 Conclusies en aanbevelingen sportservicepunten en verenigingsondersteuning

Afsluitend concluderen we dat verenigingsondersteuning een toegevoegde waarde heeft voor verenigingen

en dus het lokale sportaanbod versterkt. Bij zes op de tien verenigingen zorgt de ondersteuning

voor een positieve verandering. Soms wordt het probleem volledig opgelost, soms levert het een bijdrage

aan een oplossing. Het effect is voor verenigingen nog verder te verbeteren. In het rapport

‘Verenigingsondersteuning: de vereniging en de ondersteuner aan het woord’ worden circa twintig

aanbevelingen gedaan die mede gebaseerd zijn op het succes- en faalfactoren die in tabel 4.2 zijn aangegeven.

Een van de aanbevelingen is werken met langere ondersteuningstrajecten. Ook is het

belangrijk het waarborgen van de betrokkenheid en de inzet van de vereniging die ondersteund wordt.

17 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Gemeenten kunnen bewuster de ondersteuningscapaciteit inzetten, op basis van een segmentatie van

verenigingen. Door middel van convenanten met verenigingen kunnen ze de betrokkenheid van verenigingen

stimuleren.

Wat betreft sportservicepunten moeten we concluderen dat te weinig gemeenten de waarde laten zien

van hun sportservicepunt. De kanttekeningen die gemaakt zijn, liggen vooral op het vlak van (het ontbreken

van een) directe waarde voor de verenigingen en (in)efficiency. Dat wil niet zeggen dat ze weinig

waarde hebben. Sommige gemeenten overtuigen wel dat een sportservicepunt een versterking is

voor het lokale sportaanbod. Aandachtspunten voor gemeenten met sportservicepunten zijn dus een

betere verantwoording (ook met het oog op continuïteit na afloop van de VWS-subsidie) en een dienstverlening

waar verenigingen meer direct profijt van hebben.

18 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


5 Gemeenten en sportbuurtwerk

5.1 Inleiding

In de gemeentelijke projectaanvragen worden voor sport- en bewegingsactiviteiten op wijkniveau

verschillende begrippen gebruikt zoals sport in de wijk, wijksport of buurtsport. In dit hoofdstuk

hanteren wij de verzamelterm ‘sportbuurtwerk’ voor dit type activiteiten.

In de eerste vijf tranches van de breedtesportimpuls zijn van de 800 deelprojecten 117 projecten gewijd

aan sportbuurtwerk. Daarnaast hebben zeventien projecten betrekking op uitleen van sport- en spelmateriaal.

Van de totale rijkssubsidie is € 13,2 miljoen besteed aan sportbuurtwerk. Verder is € 3,9 miljoen

subsidie aangevraagd voor evenementen. Sportbuurtwerk staat daarmee op de eerste plaats wat

betreft de omvang van de toegekende subsidie. Anders dan bijvoorbeeld ouderenprojecten (die kleinschalig

van opzet zijn), vraagt sportbuurtwerk veel begeleiding van sportbuurtwerkers of sportconsulenten.

Dat is ook terug te zien in de begroting van projecten.

5.2 Wat beogen gemeenten met sportbuurtwerk?

Gemeenten hebben in alle gevallen meer dan één doelstelling met het aanbieden van sportbuurtwerk.

Met sportbuurtwerk wil men een actieve(re) leefstijl (sport als doel) bevorderen, streeft men naar een

verbetering van de leefbaarheid in wijken en naar versterking van de sociale cohesie (sport als middel).

Tegengaan van overlast door (hang)jongeren en kleine criminaliteit uit verveling worden hierbij

vaak genoemd.

Veel gemeenten geven aan dat sportbuurtwerk zich specifiek richt op de groep pubers. De reden is dat

verenigingen vooral moeite hebben om de oudere jeugd vast te houden. De uitval onder die leeftijdsgroep

is relatief hoog. Het sportbuurtwerk wordt gezien als een alternatief aanbod voor deze groep

jongeren, waarbij wordt aangesloten op hun leefwereld en interesses. Opvallend is dat in veel sportbuurtwerkprojecten

uiteindelijk toch wordt gestreefd naar doorstroming naar het reguliere sportaanbod

(de sportverenigingen). Bij circa een op de zes sportbuurtwerkprojecten worden ook activiteiten

georganiseerd die gericht zijn op volwassenen.

In de sportbuurtwerkprojecten is grofweg een tweedeling te maken. Enerzijds zijn er projecten waarbij

sportverenigingen nadrukkelijk worden uitgenodigd om te participeren. Opzet is in dit geval om via

kennismaking, jongeren uiteindelijk door te laten stromen naar een ‘reguliere’ club. Gemeenten

benadrukken in dit geval dat alleen blijvende sportdeelname mag worden verwacht als sprake is van

een lidmaatschap van een vereniging. Sportbuurtwerk is dan duidelijk bedoeld als opstap.

Daarnaast zijn er gemeenten die sportbuurtwerk introduceren als (nieuw) zelfstandig sportaanbod

naast de verenigingssport. De ‘uitvallers’ bij de sportvereniging zitten juist niet te wachten op doorstroming

naar diezelfde verenigingen. Overigens komen ook mengvormen voor, waarbij doorstroming

naar verenigingen natuurlijk wordt toegejuicht en gestimuleerd, maar geen specifieke doelstelling is.

Projectdoelstelling van sportbuurtwerk die karakteristiek is voor veel aanvragen

Het deelproject beoogt een actieve leefstijl voor jongeren te bevorderen en daarmee de sociale cohesie

en leefbaarheid in wijken te bevorderen. Daartoe worden in wijken de wensen geïnventariseerd

met betrekking tot JOP’s, sportvoorzieningen en activiteiten rondom wijkgebouwen. Voorts worden

buurt-sport-spelen georganiseerd, alsmede sportkennismakingsactiviteiten in de wijken in samenwerking

met de sportverenigingen en worden per wijk ontmoetingsplaatsen of sportvoorzieningen

gerealiseerd.

19 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


De meeste gemeenten waar sprake is van een nieuw project, hebben geen gekwantificeerde doelstellingen

geformuleerd bij aanvang van een project. De gemeenten die wel de beoogde resultaten in aantallen

uitdrukken, hebben dan ook vaak al ervaring met sportbuurtwerk. Hoewel alle gemeenten vooraf

aangeven positieve effecten te verwachten op het gebied van verbetering leefbaarheid, daling kleine

criminaliteit en overlast of sportievere leefstijl, zijn het meten en het daadwerkelijk vaststellen van

deze effecten vaak niet geconcretiseerd. Een grote groep gemeenten geeft aan dat vergroting van

sportdeelname een specifiek doel van sportbuurtwerk is. Echter, in de meeste gevallen is de sportdeelname

of het sportgedrag op wijkniveau vooraf niet bekend. Men baseert zich op een landelijke tendens

of landelijke cijfers. In dat geval zal dan zeer moeilijk vast te stellen zijn of de beoogde doelstelling op

lokaal niveau ook gehaald is.

5.3 De organisatie van het sportbuurtwerk

Sportbuurtwerk is binnen gemeenten op verschillende manieren georganiseerd. Grotere gemeenten

hebben een afdeling sportbuurtwerk of sportstimulering of een sportservicepunt van waaruit het sportbuurtwerk

wordt georganiseerd. Maar sportbuurtwerk wordt regelmatig ook ondergebracht bij een

lokale welzijnsstichting omdat zij al actief zijn in het buurthuis- en/of jongerenwerk. Sportbuurtwerk is

dan in die situatie een nieuw taakveld.

Uit interviews met gemeenten blijkt dat voor de organisatie en uitvoering van sportbuurtwerk gemeenten

met tijdelijke arbeidscontracten werken. Dit geldt overigens niet alleen voor sportbuurtwerkers,

maar ook voor andere functies die in het kader van de breedtesportimpuls zijn gecreëerd. In veel

gevallen is nog niet met zekerheid te zeggen of de aanstelling gecontinueerd wordt na afloop van de

regeling.

5.4 Resultaten en effecten

Sportbuurtwerk kent vele verschijningsvormen, afhankelijk van doelstellingen, organisatorische

mogelijkheden en lokale problematiek. In onderstaande tabel is weergegeven hoe bij de onderzochte

gemeenten sportbuurtwerk is ingevuld.

Tabel 5.1 Opzet van het sportbuurtwerk

Percentage

Wekelijks terugkerende activiteiten én incidentele evenementen 48%

Alleen incidentele evenementen 23%

Alleen wekelijks terugkerende activiteiten 16%

Aanleg of aanpassing voorzieningen in de wijk 13%

Totaal 100%

Bij structurele activiteiten in de wijk gaat het vaak om wekelijkse wedstrijden, trainingen of cursussen

op vaste tijdstippen en locaties. Incidentele activiteiten zijn doorgaans activiteiten die eenmalig of in

een korte periode worden aangeboden. In de meeste gevallen wordt de deelname aan sportbuurtwerkactiviteiten

geregistreerd. Echter, een aantal gemeenten geeft aan dat registratie en prestatieafspraken

met de uitvoerende organisaties (vaak welzijnsstichtingen, jongerenwerk) nog niet zijn vastgelegd.

Men onderkent de noodzaak van goede gegevensverzameling om een project op de juiste manier te

kunnen evalueren.

Gemeenten die het bezoek wél registreren, kunnen alleen bezoek- of deelnamecijfers overleggen (bijvoorbeeld

5.000 per jaar). De kaders op de volgende pagina laten de deelname zien in Almelo en

Purmerend. Voorbeelden waaruit blijkt dat sportbuurtwerk grote groepen jongeren trekt. Bij gemeenten

met reguliere (wekelijkse) activiteiten varieert de deelname van 15 tot 500 jongeren per week

(afhankelijk van het aantal activiteiten en begeleiders).

20 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Bij vakantieprogramma’s kan het aantal bezoeken oplopen tot enkele duizenden. De Mega Summer

Games in Hoorn behoren tot een van de grootste sportieve vakantieprogramma’s in Nederland met

7.500 deelnemers in 2003.

Bij de meeste gemeenten is het echter niet mogelijk om aan te geven om hoeveel verschillende

kinderen het gaat. Een kind dat gedurende zes weken aan bijvoorbeeld twee activiteiten per week

deelneemt, wordt geteld als twaalf bezoeken. Het gaat hier echter niet om twaalf deelnemers. Cijfers

over sportbuurtwerk geven in die zin vaak een vertekend beeld. Venlo is een van de weinige gemeenten

die aangeeft dat 1.500 deelnemers hebben meegedaan aan de Buurt-Sport-Spelen en dat het gaat

om 200 kinderen.

De meeste gemeenten besteden onvoldoende aandacht aan de vraag welke groep jongeren men

bereikt met sportbuurtwerk. Er wordt aangenomen dat sportbuurtwerk in een behoefte voorziet die de

sportvereniging niet invult. Met die gedachte kunnen we meegaan.

Maar het is niet bekend in hoeverre sportbuurtwerk inactieve jongeren bereikt en in hoeverre die jongeren

actief blijven. En als sportbuurtwerk niet primair bedoeld is om jeugd aan het sporten te krijgen,

maar is ingegeven door overlast, dan is het wel wenselijk om te beschrijven wat het vertrekpunt was

en wat het resultaat is na x-jaar sportbuurtwerk. In het algemeen – de goede voorbeelden daargelaten

meet men het succes te snel af aan deelnamecijfers.

Een andere ontwikkeling in het sportbuurtwerk is dat gemeenten veel losse activiteiten in de breedtesport

aanbieden. Een wandelloop, een middag survival, een spelletjesdag, et cetera. In projectaanvragen,

verslagen en interviews ontbreekt het doel van het aanbieden van losse activiteiten. Er wordt

gesproken over ‘kennismaken met’ of over ‘een breed gevarieerd sportaanbod aanbieden’, maar in

hoeverre is dat een doel? Wat levert dat werkelijk op? Het antwoord weet voorlopig nog niemand.

Losse activiteiten hebben een hoog ‘fun’gehalte. Het is leuk om er aan mee te doen. Maar meer is het

dan ook niet.

Tenzij de gemeente een visie heeft op sportbuurtwerk, substantieel reguliere activiteiten aanbiedt en

losse activiteiten aanbiedt om bijvoorbeeld in contact te komen met andere jongeren (als laagdrempelige

vorm). Dan beantwoordt het aan een doel. Maar een kwart van de projecten richt zich alleen op

losse activiteiten. En dat zegt op zich al genoeg.

Voorbeelden van gemeenten die substantieel inzetten voor sportbuurtwerk

Almelo sportbuurtwerk 2002

Open wijkactiviteiten:

• Watersport voor gezinnen: gemiddeld 50 deelnemers

• Voetbalinlopen ‘jeugd van de straat in de wintermaanden ‘- 45 deelnemers per avond

• Ondersteuning sportief wijkfeest: deelname 150 personen

• Straatspeeldag 2002 – 1000 kinderen nemen deel en 100 volwassenen

• Buikjeszaalvoetbaltoernooi: 60 volwassen deelnemers

• Mountainbikedag te Nijverdal: 40 deelnemers (in samenwerking met politie)

• Fotofietstochten door diverse wijken – 60 deelnemers

• Volleybaltoernooi voor straten – 40 deelnemers

• Klootschieten buurten – gemiddeld 30 deelnemers

• T(h)ree days fun – zaalvoetbal 140 deelnemers

• Sportinstuif gemiddeld 150 deelnemers

• Eindejaarsbal ouderen: koersbal/zang – 150 mensen

• Handboogschieten – 20 deelnemers 9 er is een verenging in oprichting

• Voetbaltoernooi cup met de grote oren: 180 deelnemers;

Gesloten wijkactiviteiten:

• Tennis clinic ( in samenwerking met scholen en vereniging ) – deelname 300 kinderen

• Mountainbike clinic ( in samenwerking met scholen en vereniging ) – deelname 200 mensen

• Voetbal clinic ( in samenwerking met basisschool en vereniging ) – deelname 40 kinderen

• Vissen ‘jong geleerd oud gedaan’- 40 deelnemers;

• Safe skateclinic ( in samenwerking met scholen en skatebond ) – deelname 140 kinderen

21 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Purmerend 2003 wijk aantal jongeren aantal weken per week

reguliere activiteiten

Park De Uitvlucht Purmer-Noord 119 19 6

Park Gorsebos Gors 985 22 45

Park De Driegang Purmer-Zuid 1145 22 52

Leeghwaterpark Purmer-Noord 52 2 26

Kegelplein Overwhere 308 19 16

Mercuriusstraat Wheermolen 6 10 0,6

Sweelinkstraat Wheermolen 152 9 17

Gymzaal de Gors Gors 20 7 3

Gymzaal Gangeslaan Weidevenne 1661 43 39

Gymzaal Zuivelpad Purmer-Noord 1335 42 32

Gymzaal Doplaan Overwhere 3931 46 85

Gymzaal Tarwestraat Purmer-Noord 659 23 29

Gymzaal Sportlaan Overwhere 428 23 19

Sportzaal de Karekiet Overwhere 448 23 19

Sporthal de Vaart Purmer-zuid 2348 43 55

Sporthal de Beukenkamp Overwhere 781 43 18

Wat ons verder opvalt bij sportbuurtwerk zijn de grote verschillen in formatie. Over het algemeen zijn

de resultaten het beste bij gemeenten die substantieel middelen reserveren voor sportbuurtwerk

(voldoende activiteitenbudget en personele formatie) en gericht beleid ontwikkelen.

Afgezien van de aandachtspunten die hiervoor zijn genoemd, blijkt uit deze evaluatie dat de meeste

gemeenten tevreden zijn over de resultaten van hun sportbuurtwerk. Hoewel gemeenten ook voorbeelden

geven van activiteiten, die niet van de grond zijn gekomen, is de algemene indruk positief.

Een aantal respondenten geeft aan dat sportbuurtwerk niet meer weg te denken is als sportaanbod

in de wijken in hun gemeente.

5.5 Ervaringen met sportbuurtwerk in de breedtesportimpuls

Uit het onderzoek zijn zes kritische factoren te benoemen die bepalend zijn voor het resultaat van

sportbuurtwerk.

1 Goede samenwerking en afspraken tussen betrokken organisaties

Kenmerkend voor het sportbuurtwerk is de betrokkenheid van diverse organisaties. Naast de gemeentelijke

afdeling sportzaken wordt samengewerkt met bijvoorbeeld lokale stichtingen voor welzijn of

sociaal-cultureel werk, sportraden, sportverenigingen, sportscholen, jongerenwerk, buurtcomités en

politie. In een aantal situaties is het sportbuurtwerk uitgevoerd door een welzijnsinstelling met

teleurstellende resultaten. In die situaties was er teveel vertrouwen tussen partijen en ontbrak het

aan frequente terugkoppeling van resultaten en afspraken over te bereiken doelen.

2 Ervaren sportbuurtwerkers en voldoende formatie

Hoewel dit vanzelfsprekend en een ‘open deur’ lijkt, benadrukken veel gemeenten het belang van ervaren

en enthousiaste sportbuurtwerkers. De mate waarin de sportbuurtwerker jongeren aanspreekt en

aan zich bindt, is doorslaggevend voor het succes van een project. Verder zien we de beste resultaten

bij gemeenten die voldoende middelen en personele formatie besteden aan sportbuurtwerk (zie ook

punt 6).

3 Herhaling en continuïteit activiteiten

Totaal 14378

Sportbuurtwerk, zeker als het om een nieuw fenomeen gaat, is een kwestie van lange adem.

Activiteiten moeten de kans krijgen bekend te worden onder de doelgroep. Door herhaling op vaste

momenten en locaties ontstaat vaak een ‘harde kern’ van deelnemers. Ook mond-tot-mond reclame is

22 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


van groot belang. Een aantal gemeenten geeft aan dat continuïteit een knelpunt is. Activiteiten vinden

te veel plaats op ad hoc basis, waardoor het bereiken van deelnemers problematisch is.

4 Vrijwilligers en betrokkenheid sportverenigingen

Het beschikbaar zijn van voldoende kader en vrijwilligers speelt ook in het sportbuurtwerk een belangrijke

rol. Daar waar samen wordt gewerkt met sportverenigingen, levert het tekort aan kader een knelpunt

op. In de gemeentelijke projectplannen wordt nog al eens verondersteld dat sportbuurtwerk een

goede mogelijkheid biedt om jongeren kennis te laten maken met het aanbod van verenigingen. Dit

zou voor verenigingen een stimulans moeten zijn om medewerking te verlenen. Echter, uit de (tussentijdse)

evaluatie van gemeentelijke sportbuurtwerkprojecten blijkt niet dat deze veronderstelling wordt

waargemaakt. In ieder geval wordt doorstroming naar verenigingen niet of nauwelijks geregistreerd.

Enkele gemeenten merken zelfs op dat het sportbuurtwerk door sportverenigingen als bedreiging

wordt gezien. Sportbuurtwerk wordt dan beschouwd als het ‘gratis’ alternatief voor het verenigingslidmaatschap.

5 Laagdrempelige activiteiten

Ook de laagdrempeligheid van sportbuurtwerk wordt door gemeenten genoemd vooral als succesfactor.

In vrijwel alle gevallen is deelname aan activiteiten gratis. Een enkele gemeente overweegt om in

de toekomst toch een geringe bijdrage van deelnemers te vragen.

6 Hoge kosten of beperkt budget

De hoge kosten van sportbuurtwerk wordt door gemeenten als knelpunt gezien, zeker als het gaat om

continuïteit van activiteiten na afloop van de breedtesportimpuls. Grote buurtsporttoernooien en

–evenementen hebben een relatief lange voorbereidingstijd en zijn, vanwege de ureninzet van sportbuurtwerkers

en overige betrokken instanties, duur. De uiteindelijke deelname aan deze, vaak incidentele,

activiteiten blijft een onzekere factor. Het slagen is vaak afhankelijk van factoren als het weer en

goede promotie.

Een aantal gemeenten geeft aan dat de sportbuurtwerker eigenlijk te weinig uren heeft voor zijn of

haar noodzakelijke werkzaamheden. Veel sportbuurtwerkers in kleine of middelgrote gemeenten hebben

een parttime aanstelling.

5.6 Bijdrage breedtesportimpuls aan sportbuurtwerk

Tot en met de derde tranche (1999-2001) waren 80 sportbuurtwerkprojecten door de breedtesportimpuls

geïnitieerd. In de vierde en vijfde tranche zijn daar 37 projecten bijgekomen (totaal 117).

Verhoudingsgewijs is de toename van sportbuurtwerk wat minder groot in 2002 en 2003. Dat komt

doordat in de eerste drie tranches vooral de grotere gemeenten hun aanvraag hebben ingediend en die

kiezen vaker voor sportbuurtwerk. De 117 projecten komen overeen met 104 gemeenten (enkele

gemeenten hebben twee of drie projecten op gebied van sportbuurtwerk). Een kwart van de gemeenten

met sportbuurtwerk in de breedtesportimpuls, had al ervaring met sportbuurtwerk vóór de breedtesportimpuls.

In deze gemeenten heeft uitbreiding naar andere wijken plaatsgevonden of konden al

gestarte pilot-projecten gecontinueerd worden. In driekwart van de gemeenten is sportbuurtwerk dus

als nieuw lokaal fenomeen gestart door de regeling.

5.7 Conclusies en aanbevelingen sportbuurtwerk

Door de breedtesportimpuls is sportbuurtwerk in Nederland sterk uitgebreid. In de periode 1999-2003

hebben ruim 100 gemeenten een of meer sportbuurtwerkprojecten via de regeling gefinancierd. Voor

driekwart van deze gemeenten is sportbuurtwerk een nieuwe activiteit.

Vrijwel alle gemeenten zijn positief over sportbuurtwerk. Soms gaat een lang traject vooraf aan het

opzetten van sportbuurtwerk, vanwege het overleg tussen diverse organisaties en het invullen van

vacatures. Gemeenten geven aan dat de uiteindelijke deelname aan activiteiten als positief wordt ervaren.

23 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Gegevens van gemeenten laten zien dat binnen de sportbuurtwerkprojecten sprake is van een gevarieerd

en modern sportaanbod met behoorlijke deelnamecijfers.

Er is echter een ernstig gebrek aan inzicht in de effecten van sportbuurtwerk.

Doelstellingen zijn vaak algemeen geformuleerd, zoals het vergroten van sociale cohesie, het tegengaan

van kleine criminaliteit of het vergroten van sportdeelname onder de doelgroep. En er zijn

nauwelijks gegevens bekend over het sportgedrag van de deelnemers.

Deelnamecijfers zijn per activiteit beschikbaar, maar die zeggen weinig tot niets over het aantal

verschillende deelnemers en evenmin is bekend in hoeverre de deelnemers al sportief actief waren.

Incidentele toernooien of activiteiten komen vaak voor. In een kwart van de projecten is uitsluitend

sprake van ‘losse’ evenementen. Het aanbieden van losse evenementen kan nuttig zijn, maar onze

indruk is dat het te vaak gebeurt zonder dat er een visie aan ten grondslag ligt. Er is meer sprake van

‘fun’ dan van sport.

De omvang en verschijningsvorm van de sportbuurtwerkprojecten verschilt sterk. Begrijpelijk want

sportbuurtwerk vraagt om maatwerk. Maar binnen de grote verscheidenheid aan projecten is wel

te constateren dat over het algemeen de resultaten het beste zijn bij gemeenten die substantieel

middelen reserveren voor sportbuurtwerk, gericht beleid ontwikkelen, en enige formatie hebben

(niet één persoon). Sportbuurtwerk vraagt om bewuste keuzes van gemeenten en niet om een

kleinschalige invulling als een van de vele deelprojecten van een gemeente.

24 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


6 Gemeenten en sport en onderwijs

6.1 Inleiding

Het onderwijs is een belangrijk kanaal om jongeren te bereiken. Bijna een op de vier projecten in de

breedtesportimpuls is gerelateerd aan het onderwijs. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat maar een kwart

van de gemeente iets met onderwijs doet in de breedtesportimpuls. Bijna tweederde (64%) van de

gemeenten heeft een onderwijsproject in het projectvoorstel opgenomen.Van de totale rijkssubsidie

(tot en met de vijfde tranche) is ruim € 13 miljoen uitgekeerd aan onderwijsprojecten, waarvan € 5,8

miljoen aan sportoriëntatieprojecten in het onderwijs.

Sportoriëntatieprojecten in het onderwijs behoren tot de meest voorkomende projecten in de breedtesportimpuls.

Onder de 800 projecten zijn er 100 van dergelijke projecten. ‘Kies voor Hart en Sport’ is

daarvan de meest bekende en meest toegepaste variant.

Daarnaast is in 53 projecten een bewegingsconsulent aangesteld die meestal ingezet wordt voor sportprojecten

in het onderwijs. Bij 30 projecten is sprake van het ondersteunen van leerkrachten (zonder te

verwijzen naar een bewegingsconsulent).

6.2 Wat beoogt sportoriëntatie in het basisonderwijs?

‘Kies voor Hart en Sport’ is een project dat loopt sinds 1996 en is ontwikkeld op verzoek van de

Nederlandse Hartstichting. Doelgroep zijn kinderen in de groepen 6 (facultatief), 7 en 8 van het basisonderwijs.

De hoofddoelstelling van ‘Kies voor Hart en Sport’ is kinderen gericht en mogelijk blijvend

motiveren om in hun vrije tijd deel te nemen aan sport- en bewegingsactiviteiten. Dat kan in georganiseerd

of anders georganiseerd verband (zoals sportschool, fitnesscentrum of dansschool). Kinderen

kunnen zich inschrijven voor een sportcursus van vier tot zeven lessen buiten schooltijd (bij een vereniging

of andere sportaanbieder). ‘Kies voor Hart en Sport’ is ontstaan vanuit de gedachte om meer

structureel aandacht te schenken aan sport en bewegen in het basisonderwijs. Het is een (duurzamer)

vervolg op de ‘Junior Hartdag’ die nog steeds jaarlijks plaatsvindt.

Binnen de breedtesportimpuls komen ook sportoriëntatieprojecten voor die een vergelijkbare opzet

hebben als ‘Kies voor Hart en Sport’, maar zelfstandig door de gemeenten worden georganiseerd.

De doelstellingen zijn vergelijkbaar. Gemeenten willen met de kennis-making in het onderwijs de

sportdeelname stimuleren, kinderen bekend maken met een breder sportaanbod waardoor ze een

gemotiveerde keuze maken en dus langer sportief blijven. Maar niet bij alle projecten is sprake van

een concrete doelstelling. In het hierna volgende kader zijn twee voorbeelden van doelstellingen van

projecten weergegeven. Het eerste voorbeeld is nauwelijks een doelstelling te noemen. En het tweede

voorbeeld is ook erg vrijblijvend geformuleerd.

Voorbeeld van twee doelstellingen van sportoriëntatieprojecten in het onderwijs: te vrijblijvend

Voorbeeld 1: Een aantal weken per jaar kennismakingslessen tijdens gymles, onder schooltijd, bij

sportaanbieder. Aanbod inventariseren, leerlingen keuze maken, voorkeur opgeven en dan sportaanbieders

in omgeving en sportbonden benaderen om een actieve rol bij de lessen lichamelijke opvoeding

te vervullen.

Voorbeeld 2: Het aanbieden van gevarieerde lessen lichamelijke opvoeding in samenwerking met lokale

sportaanbieders, waarbij ook nieuwe sporten aan bod komen, zodat jongeren een keer met dergelijke

sporten in aanraking komen. Door de samenwerking met de lokale sportaanbieders aan te gaan,

worden de lessen leuker, waardoor ook niet-sporters in ieder geval wel plezier in de gymles behouden

en wellicht zelfs uiteindelijk toch een sportkeuze maken.

25 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


6.3 Resultaten en effecten sportoriëntatie basisonderwijs

Het aantal gemeenten dat meedoet aan ‘Kies voor Hart en Sport’ is door de invoering van de breedtesportimpuls

sterk gestegen. De resultaten worden vanaf 1996 per gemeente bijgehouden. Door de jaren

heen doet ruim eenderde van de kinderen op de deelnemende scholen mee aan ‘Kies voor Hart en

Sport’. Het aandeel kinderen dat meedoet op de scholen is gemiddeld ruim eenderde, maar de deelname

is sterk afhankelijk van de mate waarop scholen aandacht geven aan het project. In sommige

gemeenten heeft slechts 11% van de leerlingen van de scholen meegedaan terwijl in andere gemeenten

soms een deelname van 60% of 70% wordt gerealiseerd. De organisatie van het project en het enthousiasme

van de school heeft zeker invloed op de deelname. Gemiddeld hebben de kinderen de keuze uit

veertien verschillende takken van sport om kennis mee te maken.

Tabel 6.1 Drie jaar sportkennismakingsproject ‘Kies voor Hart en Sport’ 10

Aantal Aantal Aantal Aantal % Cursisten Aantal

basisscholen gemeenten kinderen op cursisten van takken

dat meedoet deelnemende

scholen

potentieel van sport

2002/2003 433 29 20677 7787 38% 14

2001/2002 304 20 14521 4984 34% 13

2000/2001 288 19 13493 4779 35% 15

In hoeverre bereiken sportoriëntatieprojecten in het onderwijs kinderen die niet sporten?

Uit de evaluaties van de ‘Kies voor Hart en Sport’-projecten blijkt dat bijna 80% van de kinderen al aan

sport deed voor aanvang van het project (als lid van een vereniging of niet gebonden). Dat cijfer stemt

overeen met een studie die de gemeente Hoorn heeft verricht naar de resultaten van de

‘Jeugdsportpas’ over het seizoen 2000-200111 . Ook daar bleek dat ruim 80% van de deelnemende basisschoolkinderen

al bij een sportclub sport, tegenover (krap) 20% die niet bij een sportclub sport. Die

resultaten betekenen dat kennismakingsprojecten in het onderwijs vooral de reeds sportende jeugd

bereiken en maar voor een klein deel de jeugd die niet sport.

Afb. 6.1 Profiel deelnemende kinderen aan sportoriëntatieprojecten in het basisonderwijs (bron: ‘Kies

voor Hart en Sport’ 2001-2003)

2001/2002

2002/2003

22% 78%

21% 79%

geen sporter wel sporter

Wat is het effect van sportoriëntatieprojecten in het onderwijs?

Sportoriëntatieprojecten hebben niet alleen tot doel de sportdeelname te vergroten. Ze zijn ook

bedoeld om kinderen kennis te laten maken met verschillende mogelijkheden, zodat zij bewuster en

gemotiveerder een sport kunnen kiezen. Maar het vergroten van de sportdeelname is vaak wel een

effect dat wordt beoogd. Uit de ‘Kies voor Hart en Sport’-projecten blijkt dat in het seizoen 2001/2002

14% en het seizoen 2002/2003 15% van de deelnemende kinderen aangeeft lid te zijn geworden bij de

sportaanbieder (in de meeste situaties is dat een sportvereniging). Hoeveel kinderen uit die groep al

sportief actief waren, kan ‘Kies voor Hart en Sport’ niet aangeven. In Hoorn en Noordoostpolder is dat

wel onderzocht.

10 Cijfers bewerkt door Marktplan Adviesgroep.

11 Gemeente Hoorn, Verslag Jeugdsportpas seizoen 2000-2001.

26 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


En dan blijkt dat sportoriëntatieprojecten niet alleen vooral de sportende kinderen bereiken, maar ook

dat de kinderen die lid worden van een vereniging voor een deel al sportief actief waren. In Hoorn

bleek dat van de kinderen die lid werden van een vereniging 91% al sportte bij een andere vereniging

en 9% nog niet lid was van een vereniging. In Noordoostpolder (2002/2003) is 20% van de deelnemers

lid geworden, waarvan 55% sporter en 45% niet-sporter. De doorstroming van niet-sporters is in

Noordoostpolder dus veel gunstiger, maar het project richtte zich op de groepen 3 tot en met 8. En juist

rond de 6-9 jaar worden kinderen lid van sportverenigingen (ook zonder sportoriëntatieprojecten).

Tabel 6.2 Doorstroming naar vereniging

Hoorn groep 5-8 15% lid waarvan 9% niet sportief = 1,35%

Noordoostpolder groep 3-8 20% lid waarvan 45% niet sporter = 9%

De betrekkelijk geringe doorstroming van niet-sporters naar verenigingen of andere sportaanbieders,

ontlokt bij geïnterviewden soms de reactie dat doorstroming niet het doel van het project was. Het is

vooral bedoeld als project om een gemotiveerde gerichte sportkeuze te maken en te voorkomen dat

jongeren later afhaken. In een deel van de subsidieaanvragen wordt wel degelijk doorstroming naar de

verenigingen als doelstelling genoemd. Over het voorkomen van uitval en het effect van het maken

van een gerichte keuze, kunnen respondenten geen uitkomsten overleggen. Vorig jaar heeft de

gemeente Hellendoorn een onderzoek uitgevoerd dat hierover wel informatie geeft.

Effect op langere termijn

In de gemeente Hellendoorn worden sinds het seizoen 1987/1988 sportkennismakingscursussen georganiseerd.

De gemeente volgt de resultaten nauwgezet. In 2003 is een onderzoek uitgevoerd onder

15/16 jarigen, die vier jaar terug (1999) in groep 8 van het basisonderwijs zaten. Een deel van deze jongeren

(namelijk 70%) heeft in groep 8 meegedaan aan een sportkennismakingscursus.

Van de groep die in 1999 een sportkennismakingscursus had gevolgd, sport in 2004 12% niet en 88%

wel. En onder de groep die in 1999 geen kennismakingscursus volgde, zijn die percentages bijna vergelijkbaar

(14% niet sporter versus 86% wel sporter). De sportdeelname onder beide groepen was in

1999 praktisch even hoog. Deze uitkomsten geven aan dat er waarschijnlijk geen verband is tussen

deelname aan sportkennismakingscursussen en de sportdeelname op langere termijn.

In het onderzoek in Hellendoorn is ook gevraagd of de sportkennismakingscursus heeft geholpen bij

het maken van een keuze voor sport. Voor eenderde (34%) van de ex-cursisten is dat het geval. De jongeren

die destijds aan het project hebben meegedaan zijn in meerderheid wel positief over het project:

driekwart adviseert de gemeente om het project voort te zetten.

Een ander effect dat zeker benoemd mag worden, is dat gemeenten die beginnen met

sportoriëntatieprojecten in het onderwijs, deze projecten vaak continueren. Er zijn gemeenten die al

ver voor de breedtesportimpuls hiermee zijn gestart en dat tot op de dag van vandaag voortzetten. Ook

blijkt dat de lokale werkgroep van een sportoriëntatieproject kan uitgroeien tot een structureel platform

voor nieuwe initiatieven op het gebied van sport en onderwijs.

6.4 Projecten in het voortgezet onderwijs

In het voorgezet onderwijs zien we verschillende projecten in de breedtesportimpuls. Net als in het

basisonderwijs zijn er gemeenten met een sportoriëntatieproject gericht op de benedenbouw van het

voortgezet onderwijs.

Ten opzichte van het basisonderwijs is het sportaanbod breder, moderner en avontuurlijker.

Spijkenisse biedt bijvoorbeeld een programma aan bestaande uit budo, fitness, paardrijden,

skiën/snowboarden, snorkelen, streetdance en ‘boys-only’. In Almere wordt naast traditionele sporten

ook spinning, karate, fitness, streetdance, Afrikaanse dans, cycle speedway en duiken aangeboden.

Om een breed en eigentijds programma aan te bieden, wordt in het voortgezet onderwijs vaker een

beroep gedaan op commerciële partijen.

De deelname en de waardering zijn doorgaans goed en daarmee vergelijkbaar met deze projecten in

het basisonderwijs. Een grote deelname wil niet zeggen dat alles positief is.

27 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Vooral bij het voortgezet onderwijs vinden dergelijke projecten plaats na schooltijd en de opkomst laat

dan soms te wensen over.

...sportschoolhouder die meedoet aan sportkennismakingsproject voor vmbo 1e jaars

Eigenlijk is het een zeer moeizame geschiedenis. De eerste keer kwamen ze alle twaalf en de tweede

keer waren het er tien. Maar toen bleek dat de animo om te blijven komen behoorlijk afnam. Het deelnemen

geschiedt op basis van vrijwilligheid. Maar niemand controleert wat er in de praktijk van terecht

komt. Met die vrijblijvendheid kunnen de kinderen niet zo goed overweg. Als ik ergens van baal is dat

je zo’n immense hoeveelheid werk gewoon voor niets hebt gedaan...

In Spijkenisse (1e jaars vmbo) deed iets minder dan de helft van de leerlingen mee aan het project. Van

de deelnemers bleek 57% lid te zijn van een sportvereniging of sportschool (sportdeelname is in het

vmbo lager dan bij havo/vwo). Meer dan de helft van de deelnemers gaf in een enquête te kennen dat

het project aanleiding is om lid te worden van een sportvereniging. Dat hoge percentage zegt iets over

de attitude, maar het is helaas intentie en geen feitelijk gedrag. In Almere (bovenbouw havo/vwo) is de

doorstroming naar verenigingen/sportscholen wel vastgesteld en die bleek 3% te zijn. Hoeveel daarvan

actief waren is niet bekend. Wel was 89% van de deelnemers aan het project al sporter conform de

RSO-richtlijn, hetgeen hoog is (maar niet ongebruikelijk voor havo/vwo).

Vanaf de 4e en 5e tranche zijn projecten om jeugdparticipatie te stimuleren in opkomst. WhoZnext is

daarvan de meest bekende formule. NISB telde begin 2003 nog 35 whoZnext teams. Eind 2003 waren

dat er al 108. De vierde en vijfde tranche van de breedtesportimpuls tellen 34 projecten voor jeugdparticipatie

waarbij in de meeste situaties verwezen wordt naar whoZnext. De resultaten van deze initiatieven

zijn nog niet bekend.

WhoZnext mag zich in een grote belangstelling verheugen. De opzet is begrijpelijk: jongeren zelf hun

activiteiten laten verzinnen en organiseren. Bedenk wel dat nieuwe concepten geen garantie zijn voor

succes. In een van de eerste initiatieven in de breedtesportimpuls was een jeugdparticipatieproject

opgenomen. Jongeren zouden onder begeleiding van een welzijnsinstelling sportactiviteiten gaan

organiseren. Het eerste jaar leidde alleen tot vier keer een overleg en na twee jaar was één activiteit

georganiseerd en één activiteit afgeblazen door te weinig belangstelling. Als oorzaak is door de

gemeente genoemd dat de welzijnsinstelling te weinig affiniteit met en prioriteit voor de sport zou

hebben. Dat signaal is in andere gemeenten (bij sportbuurtwerk) ook wel eens geuit en dus wel eens

aandachtspunt.

Naast sportoriëntatie en whoZnext komen in het voortgezet onderwijs ook regelmatig toernooien voor

in het kader van de breedtesportimpuls. Het project in Smallingerland richt zich onder andere op het

voortgezet onderwijs. Typerend voor het project daar is het streven een infrastructuur te versterken.

Dat uit zich bijvoorbeeld in het stimuleren van scholen om schooloverstijgende activiteiten te organiseren

(o.a. toernooien) waarbij iedere school zorgt voor een overdraagbaar draaiboek (continuïteit).

Scholen ontvangen subsidie wanneer ze hun sportaanbod verbreden zoals fitness, streetdance, mountainbike

of zeilen. Verder stimuleert de gemeente Smallingerland de invoering van een gymmethode

op scholen (om planmatig bewegingsonderwijs te stimuleren). Leerlingen hebben daarnaast gebruik

gemaakt van cursussen, zoals de cursus recreatiebegeleider en sportkadercursussen.

Het voorbeeld laat niet alleen zien dat activiteiten ook een doorwerking hebben in de sportinfrastructuur

(het is niet alleen gericht op meedoen aan sport), het illustreert ook het belang om een onderwerp

intensief uit te werken. Dus niet alleen schooltoernooien organiseren maar verder kijken dan dat. In de

hoofdstukken over sportbuurtwerk, ouderen en aangepast sporten is dezelfde constatering gedaan.

6.5 Bijdrage breedtesportimpuls aan sportoriëntatie in onderwijs

De breedtesportimpuls heeft duidelijk een toename tot gevolg van projecten in het onderwijs. Bijna

tweederde van de gemeenten die aan de breedtesportimpuls meedoen, heeft een deelproject ‘sport en

onderwijs’. Onder de twintig geïnterviewde gemeenten die geen gebruik maken van de breedtesportimpuls,

heeft geen enkele gemeente een sportstimuleringsproject in het onderwijs. Wel hebben twee

28 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


van de twintig gemeenten een whoZnext-team (in oprichting) en hebben twee andere gemeenten sportieve

vakantieactiviteiten, maar in alle gevallen worden deze initiatieven uitgevoerd door welzijn of het

jongerenwerk.

6.6 Conclusies en aanbevelingen sport en onderwijs

De breedtesportimpuls heeft duidelijk een toename tot gevolg van projecten in het onderwijs. Van de

gemeenten die aan de breedtesportimpuls hebben meegedaan heeft 64% een (bsi)project in het onderwijs

(meestal sportoriëntatie gevolgd door bewegingsconsulent). Gemeenten zonder breedtesportimpuls

hebben nauwelijks onderwijsprojecten.

Sportoriëntatieprojecten in het onderwijs behoren tot de meest voorkomende projecten in de breedtesportimpuls.

Onder de 800 projecten zijn er 100 van dergelijke projecten. ‘Kies voor Hart en Sport’ is

daarvan de meest bekende en meest toegepaste variant. Aan sportoriëntatieprojecten doen veel

kinderen mee en de deelnemers waarderen deze projecten.

Ondanks de goede deelname valt op dat kennismakingsprojecten in het basisonderwijs vooral de sportief

actieve kinderen bereiken. Van de leerlingen die meedoen aan een sportoriëntatieproject zal 10%

tot 15% doorstromen naar een vereniging en het lijkt er op dat het grootste deel daarvan al sportief

actief is (2e lidmaatschap, wisselen van vereniging). Vooralsnog heeft deelname aan sportoriëntatieprojecten

ook geen effect op de sportdeelname op langere termijn.

Daar tegenover staat dat sportoriëntatie in het onderwijs zorgt voor een structurele samenwerking

tussen scholen en verenigingen. Bovendien is er aandacht voor lokale verenigingen (en sportscholen)

in het onderwijs. Door een ‘Kies voor Hart en Sport’-project (of vergelijkbare opzet) ontstaat een lokale

werkgroep die ook andere initiatieven kunnen begeleiden. Dat zijn winstpunten.

In het voortgezet onderwijs komen eveneens regelmatig sportkennismakingsprojecten voor. Het sportaanbod

in deze projecten is avontuurlijker en moderner dan in het basisonderwijs. Ook bij deze projecten

wijzen de beschikbare cijfers niet op een substantiële doorstroming van niet-actieve leerlingen

naar verenigingen of anders georganiseerde sport.

Naast sportoriëntatie zijn er ook projecten met als doel groepsleerkrachten te ondersteunen, nieuwe

methoden in te voeren, een schoolsportcommissie en andere vormen om jeugd meer te betrekken bij

het bedenken en organiseren van sportactiviteiten. De resultaten van dergelijke projecten zijn vaak

veel tastbaarder.

Enkele gemeenten kiezen er voor om sport en onderwijs intensief en breed te stimuleren via de breedtesportimpuls.

Dus niet alleen een kennismakingsproject, maar een scala aan activiteiten met als doel

een infrastructuur te versterken en continuïteit te waarborgen. Juist bij die gemeenten zijn de resultaten

het meest overtuigend.

De aanbeveling of uitdaging is dus tweeledig. Enerzijds meer doen dan alleen een kennismakingsproject

(dat overigens prima als opstap kan dienen). Anderzijds proberen het effect van kennismakingsprojecten

te vergroten, bijvoorbeeld door meer aandacht te geven aan scholen in achterstandsgebieden,

de betrokkenheid van scholen te verbeteren waar die achterblijft en met vakleerkrachten

en verenigingen bekijken hoe de niet-sportende kinderen beter kunnen worden bereikt.

29 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


7 Gemeenten en sportstimulering ouderen

7.1 Inleiding

Ouderen zijn een belangrijke aandachtsgroep binnen het overheidsbeleid. Veel gemeenten hebben in

hun breedtesportproject een deelproject opgenomen voor ouderen. Van de 800 projecten richten 129

projecten zich (onder meer) op ouderen. Van de totale rijkssubsidie is € 3,6 miljoen besteed aan ouderenprojecten.

De ‘ouderenprojecten’ in de breedtesportimpuls zijn te verdelen in twee groepen: GALMprojecten

en overige ouderenprojecten. De overige ouderenprojecten zijn sportstimuleringsprojecten

voor ouderen zonder te verwijzen naar GALM. Een enkele keer verwijst men naar Meer Bewegen voor

Ouderen. Vaak is een onderdeel van deze ‘overige ouderenprojecten’ ook voorlichting over sport en

bewegen voor ouderen.

In 79 projecten van gemeenten wordt verwezen naar GALM. Soms noemt men GALM als mogelijke

invulling (naast andere opties). Bij 58 van de 79 projecten is duidelijk dat het een GALM-project betreft.

GALM staat voor Groninger Actief Leven Model en is gericht op de doelgroep 55 tot 65-jarigen die niet

voldoende sportief actief zijn. Uit landelijk onderzoek blijkt dat ongeveer 55% van de totale groep

ouderen in deze leeftijdscategorie hiertoe behoort.

Kenmerk van GALM is een vaste formule met verschillende fasen: het aanschrijven van de doelgroep

(inclusief huis-aan-huis-bezoeken), een eerste fittest, een introductieprogramma van twaalf weken, een

vervolgprogramma van 30 weken en een tweede (afsluitende) fittest.

7.2 GALM in de breedtesportimpuls

7.2.1 Wat beogen gemeenten met hun GALM-projecten?

Gemeenten benadrukken het belang van een specifiek sport- en bewegingsaanbod in een vergrijzende

samenleving. Maar de doelstellingen van de GALM-projecten zijn vaak in algemene bewoordingen

omschreven. In veel projectvoorstellen komen de volgende doelstelling voor:

• Het stimuleren van inactieve ouderen om sportief actief te worden en te blijven

• Het tegengaan van sociaal isolement en het bevorderen van het langer thuis wonen door ouderen

• Het realiseren van een verbeterd en vraaggericht sportaanbod voor ouderen

• Het in contact brengen met en laten instromen van ouderen in de sportverenigingen

Slechts een enkele gemeente kwantificeert de doelstellingen. Gemeenten zijn weinig concreet over de

omvang van de GALM-doelgroep in de gemeente en welk vervolg men nastreeft na afloop van een

project. De meeste gemeenten verwijzen naar landelijke trends en cijfers. Wel geven zij aan dat ze streven

naar een (nieuw) aanbod bij sportverenigingen of het opzetten van een sportaanbod waarbij ouderengroepen

zelfstandig door kunnen gaan met activiteiten. In de subsidieaanvragen van gemeenten

zijn GALM-projecten vaak op zich zelf staande projecten, summier omschreven en niet ingebed in een

breder sport- en bewegingsbeleid voor ouderen. Desgevraagd geven gemeenten wel aan dat GALM

een eerste opstap kan zijn naar dit bredere (structurele) beleid.

In eerder evaluatieonderzoek naar de breedtesportimpuls (1-meting, 2001/2002) kwam naar voren dat

een aantal gemeenten pleitte voor een betere afstemming van GALM op mensen met een beperking of

mensen van allochtone afkomst. In de afgelopen jaren zijn (overigens niet in het kader van de breedtesportimpuls)

diverse aangepaste programma’s ontwikkeld. Voorbeelden hiervan zijn SCALA (voor

ouderen met een chronische aandoening), COACH (individueel leefstijlprogramma) en GALLOM

(gericht op allochtone ouderen). Een inventarisatie van Zorgonderzoek Nederland resulteerde in 21

programma’s om beweging te bevorderen onder ouderen.

30 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


7.2.2 Deelname aan GALM

Van de GALM-projecten is de deelname onderzocht en vergeleken met landelijke ervaringscijfers.

Tabel 7.1 Deelname aan GALM

GALM onderdeel Bevindingen Landelijke

2-meting12 ervaringscijfers

Gemiddeld aantal benaderde personen in ‘enkel’ GALM-project 1318 1250

Omvang GALM-doelgroep (55% van de benaderde ouderen 725 688

Percentage en absolute aantal deelnemers fittest 10% 12%

t.o.v. totale aangeschreven groep (128) (150)

Percentage en absolute aantal deelnemers introductieprogramma 13% 18%

t.o.v. groep inactieve ouderen (doel-groep GALM) (94) (124)

Percentage en absolute aantal instromers in introductieprogramma 71% 73%

op basis van aantal deelnemers fittest (91) (109)

Percentage en absolute aantal instromers in vervolgprogramma 69% 80%

op basis van aantal deelnemers introductieprogramma (63) (87)

Gemiddeld benaderen gemeenten voor een GALM-project in de breedtesportimpuls 1.300 in-woners

uit de doelgroep (schriftelijk / huis aan huis bezoeken). Gemiddeld doet 13% van de groep inactieve

ouderen mee aan het introductieprogramma van GALM (eerste twaalf weken). Na deze twaalf weken

stroomt een aantal deelnemers door naar het vervolgprogramma. In de onderzochte gemeenten zijn

dit gemiddeld 63 mensen (69% van de deelnemers aan introductieprogramma). Het niet doorstromen

naar het vervolgprogramma kan verschillende oorzaken hebben:

• Deelnemers worden doorverwezen naar een reguliere sportvereniging (bijvoorbeeld zwemmen,

tennissen of gymnastiek)

• Deelnemers gaan op individuele basis door met bewegingsactiviteiten

• Uitval op basis van fysieke beperkingen of ziekte

• Ontevredenheid met het aangeboden programma

Uit de vergelijking blijkt dat GALM in de breedtesportimpuls weinig afwijkt van landelijke ervaringscijfers

13 , maar wel iets lager scoort qua deelname aan het introductie en vervolgprogramma. Mogelijk

speelt een rol dat in sommige breedtesportprojecten men af ziet van de intensieve huis aan huis benadering,

die wel bijdraagt aan een hoge deelname. En mogelijk wordt de deelname ook enigszins

gedrukt door een tekort aan begeleiding en beschikbare accommodaties.

7.2.3 Continuïteit bewegingsactiviteiten na GALM

Een belangrijke vraag bij het invoeren van GALM is in hoeverre sport- en bewegingsactiviteiten door

ouderen na een GALM-traject (achttien maanden) beklijven. Leidt GALM inderdaad tot een meer actieve

leefstijl van de doelgroep? In de onderzochte gemeenten zijn op lokaal niveau geen gegevens

beschikbaar over blijvende actieve leefstijl van (ex-)GALM-deelnemers. In vrijwel alle gevallen is het

GALM nog in uitvoering of recent afgerond.

Door het landelijke GALM-team is in 1997 wel onderzoek gedaan naar uitval en effecten na een GALMtraject.

Hieruit bleek dat 24 maanden na de start van een GALM-project 80% van de deelnemers nog in

een GALM-groep actief was; 10% was lid van een sportvereniging en 5% was individueel actief. De

overige 5% was geheel gestopt14 .

12 Gegevens gebaseerd op inventarisatie bij 40 projecten.

13 De landelijke ervaringscijfers zijn gebaseerd op het ‘Voortgangsverslag GALM 1997 – 2001’ en informatie van het landelijke

GALM-SCALA-team.

14 In 1999 is opnieuw onderzoek gedaan 36 maanden na aanvang van 300 GALM-deelnemers. Driekwart bleek nog actief in een

GALM-groep en in totaal was 90% nog sportief actief (meer dan één uur sporten per week).

31 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Uit landelijk onderzoek naar uitval bij bewegingsactiviteiten voor ouderen (inclusief GALM) blijkt dat

hierbij diverse redenen een rol spelen.

TNO Preventie en Gezondheid wijst op de hoogte van eigen bijdrage, uitval door ziekte en (on)tevredenheid

met het aangeboden programma. Onderzoek door De Greef c.s. naar uitval bij GALM-activiteiten

wijst uit dat geen tijd (verhinderd zijn vanwege andere afspraken), verhinderd wegens kortstondige

ziekte en langdurige ziekte of chronische gezondheidsproblemen de belangrijkste redenen zijn.

GALM-groepen staan na afloop niet ‘alleen’. Lokaal wordt bij de start van een project afgesproken waar

een GALM-groep organisatorisch wordt ondergebracht. Dat is bij een gymnastiekvereniging (25%) of

bij een stichting Welzijn Ouderen (40%) of 35% op andere wijze (gemeente, thuiszorginstelling, regionale

stichting, omnivereniging, fitnesscentrum of als losse groep).

7.2.4 Ervaringen met GALM in de breedtesportimpuls

In de evaluatie is onderzocht wat de meest voorkomende succes- en faalfactoren bij GALM zijn. Het

gaat om de volgende drie factoren.

1 Beschikbaarheid van deskundig kader/GALM-docenten

Goede en gemotiveerde GALM-docenten zijn cruciaal in het slagen van bewegingsactiviteiten voor

ouderen. Door het landelijke GALM-team is aangegeven dat wel voldoende lesgevers worden opgeleid,

maar dat de omvang van de aanstelling van docenten een knelpunt is. Veelal zijn slechts middelen

beschikbaar voor enkele uren per week. De bereidheid van lesgevers voor een minimale aanstelling is

gering. In de interviews beamen gemeenten deze ervaring. In (slechts) een enkel breedtesportproject

wordt geanticipeerd op kadertekort en maken werving en training van begeleiders deel uit van het

breedtesportproject.

2 Beschikbaarheid van accommodatie

GALM-activiteiten vinden vrijwel altijd plaats in een overdekte accommodatie. De beschikbaarheid van

voldoende zaalruimte is dan een belangrijke voorwaarde. Echter, de vraag naar binnensportaccommodatie

is (zeker in de namiddag en avond) in veel gemeenten groter dan het aanbod. In veel gevallen

zijn deze populaire uren gereserveerd voor verenigingsgebruik. Overdag wordt veel zaalruimte

gebruikt door het onderwijs. Het inroosteren van (nieuwe) GALM-groepen kan dan een knelpunt zijn.

3 Betrokkenheid en doorstroming naar sportverenigingen

Gemeenten geven aan dat het opnemen van senioren door ‘reguliere’ sportverenigingen vaak moeizaam

verloopt. Van verenigingen vraagt dit een extra inspanning, bijvoorbeeld het opzetten van een

ouderenafdeling. De meeste ouderen zullen immers niet in bestaande competities of trainingen mee

kunnen draaien. De deskundigheid om tot een goed bewegingsaanbod te komen, ontbreekt. Daarnaast

beschouwen verenigingen ouderen als ‘gewoon’ verenigingslid waarvoor een vastgestelde contributie

geldt. Het contributieniveau ligt vaak hoger dan de eigen bijdrage tijdens het GALM-project.

Een beleidsmedewerker sport verwoordde het als volgt:

‘Een aantal GALM-ers heeft zich na afloop van het project bij sportverenigingen aangemeld, maar men

heeft er toch niet de aansluiting gevonden. Men wilde toch liever door met de eigen groep. In de sportzaal

worden nu wekelijks activiteiten voor deze groep georganiseerd. De mensen die in het volgende

GALM-project zijn gestart, sluiten hierbij aan.’

Daar waar GALM-groepen wel worden opgenomen door sportverenigingen gaat het vaak om gymnastiekverenigingen.

De Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie (KNGU) is nauw betrokken bij GALM.

Op basis van een convenant met de landelijke GALM-organisatie, verzorgt de KNGU scholing van consulenten

en het begeleiden en ondersteunen van gymnastiekverenigingen die een GALM-groep adopteren.

Zoals eerder vermeld is 25% van de GALM-groepen aangesloten bij een lokale gymnastiekvereniging.

Ook opname van groepen senioren door atletiekverenigingen komt vaker voor (wandel- en

trimgroepen). In enkele gevallen adopteren verenigingen in een andere tak van sport GALM-groepen.

32 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Bijvoorbeeld in Goes waar in twee kleine kernen bij een korfbal- en een voetbalvereniging sportgroepen

voor ouderen zijn ondergebracht. In kleine kernen is het aantal verenigingen soms beperkt tot een

of twee. Doorstroming naar verenigingen is overigens geen doel op zich binnen de GALM-strategie. Er

zijn meer mogelijkheden voor GALM-groepen om na de 30 weken verder te gaan (bijvoorbeeld aansluiten

bij een stichting Welzijn Ouderen, via de gemeente of zelfstandig verder als groep).

7.2.5 Bijdrage breedtesportimpuls aan uitbreiding GALM

In de breedtesportimpuls komt GALM vaak voor. In 79 projecten wordt verwezen naar GALM, waarvan

bij 58 zeker is dat het om een GALM-project gaat. De vraag is of dat te danken is aan de regeling. Tot

het eerste kwartaal van 2003 was GALM in 160 Nederlandse (deel)gemeenten ingevoerd. Dat is bij eenderde

van de Nederlandse gemeenten.

In de 20 benaderde gemeenten zonder breedtesportimpuls komt GALM bij slechts 5% van deze

gemeenten voor. Geconcludeerd kan worden dat de regeling een sterke impuls heeft gegeven aan de

uitbreiding van GALM in Nederland.

7.3 Overige sportstimuleringsprojecten voor ouderen

De lokale projecten voor ouderen, die niet via de GALM-methodiek zijn opgezet, zijn in aard en aanpak

divers. Een programma in het kader van MBvO komt vaker voor15 . Het gaat hierbij om activiteiten als

volksdansen, fietsen, koersbal, zwemmen en gymnastiek. De doelgroep is vaak ouder dan bij GALM,

namelijk 65 jaar en ouder.

Voorbeelden van andere projecten zijn een sport- en bewegingsgids voor ouderen (Sint Oedenrode),

ondersteuning van een bewegingscentrum voor 55+ (Den Bosch), een beweegweek met informatie

over bewegingsactiviteiten voor ouderen (Etten Leur, Den Bosch), 55+ tafeltennis (Nijkerk), preventieprogramma

voor 70+ (Bussum) en fitness voor ouderen in woonzorgcentra (Hoorn). In het fitnessproject

in Hoorn wordt in vier woonzorgcentra twee maal per week een fitnessprogramma aangeboden.

In 2003 maakte daar 162 ouderen gebruik van, waarvan de helft afkomstig uit de buurt.

Voorlichting en promotie van bewegingsactiviteiten voor ouderen nemen een belangrijke plaats in

gemeentelijke projecten, meestal in de vorm van de verspreiding van bewegingsgidsen en het

organiseren van een seniorenmarkt of beweegweek. De deelname of het bezoek aan voorlichtingsbijeenkomsten

is in veel gevallen bekend. De vraag of ouderen naar aanleiding van deze voorlichting

ook daadwerkelijk actiever zijn geworden (inschrijving bij bewegingsactiviteiten, lidmaatschap bij een

vereniging) is vaak moeilijker te beantwoorden. In de gemeente Hoorn wordt niet alleen geregistreerd

hoeveel mensen de jaarlijkse ‘Campagne 55+’ hebben bezocht, maar ook hoeveel ouderen zich daarna

hebben aangesloten bij een sportaanbieder. In Hoorn zijn de resultaten met ouderensport positief,

maar de gemeente heeft binnen de sportbuurtwerkorganisatie een sportconsulent die zich volledig op

de doelgroep ouderen richt. In veel gemeenten is dat (nog) niet het geval.

Tabel 7.2 Ervaringen Campagneweek 55+ Hoorn

Aantal deelnemers bewegingsactiviteiten Aantal aangesloten als nieuw lid Percentage

2001 272 74 27%

2002 172 65 38%

2003 212 110 52%

15 ‘Meer Bewegen voor Ouderen’ (MBvO) wordt in de breedtesportimpuls-projecten vaak als verzamelterm gebruikt voor diverse

activiteiten en programma’s voor ouderen. MBvO bestaat sinds de jaren zestig, toen bewegingsprogramma’s voor senioren

voor het eerst als experimenten zijn uitgevoerd. In 1980 is een Landelijke Stichting MBvO opgericht voor

beleidsontwikkeling, onderzoek, deskundigheidsbevordering en voorlichting. Sindsdien zijn in veel gemeenten in Nederland

MBvO-activiteiten opgezet, vaak door lokale stichtingen voor het ouderenwerk. In de periode 1980 – 2000 zijn het cursusaanbod

MBvO en het aantal MBvO-docenten sterk toegenomen. De landelijke stichting MBvO is in 1999 opgegaan in het

Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB).

33 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


7.4 Ouderenprojecten en sportdeelname

Aan een gemiddeld GALM-project in de breedtesportimpuls doen 94 senioren mee aan het introductieprogramma

en 63 aan het vervolg. Een groot deel van de deelnemers blijft actief (95%). Een aanname

dat 80 deelnemers actief blijven is niet onredelijk (kengetallen van het landelijke GALM-team liggen

iets hoger). De deelname aan overige ouderenprojecten varieert, maar wijkt niet veel af van 80 deelnemers.

Uitgaande van 129 ouderenprojecten, resulteert dat in circa 10.000 ouderen die via de breedtesportimpuls

zijn gaan sporten.

7.5 Conclusies en aanbevelingen sportstimulering ouderen

Hoewel in gemeenten bewegingsactiviteiten voor ouderen voor de breedtesportimpuls al werden uitgevoerd

door provinciale sportraden en lokale welzijns- en ouderenorganisaties, is door de regeling de

aandacht voor sport en bewegen voor ouderen sterk toegenomen. Via de projecten voor senioren in de

breedtesportimpuls zijn circa 10.000 ouderen sportief actief geworden.

Gemeenten zijn positief over de GALM-methodiek. De aanpak is overzichtelijk en heeft zijn waarde

inmiddels bewezen. Landelijk is veel kennis en ervaring over het opzetten en de resultaten van

GALM. Implementatie is, zeker met behulp van provinciale sportraden en welzijnsorganisaties,

relatief eenvoudig.

Daar schuilt ook een risico in. Het thema ‘sport- en bewegen voor ouderen’ maakt in veel gemeenten

(nog) geen vast onderdeel uit van het lokale sport- en ouderenbeleid. Ouderenprojecten in de breedtesportimpuls

zijn te vaak op zichzelf staande projecten. Een opgave voor de komende jaren is om de

vaak op zich zelf staande ouderenprojecten uit de breedtesportimpuls uit te bouwen naar een visie

over sport en bewegen voor senioren. Dat is meer dan het uitvoeren van GALM.

Dit vraagt om visieontwikkeling op lokaal niveau over het bereik van bewegingsactiviteiten, periodieke

herhaling, beschikbaarheid van accommodatie voor ouderenactiviteiten, beschikbaarheid van begeleiding,

rolverdeling tussen lokale partners en effectmeting na afloop van activiteiten. Om het bevorderen

van een actieve leefstijl voor ouderen te verankeren in gemeentelijk beleid zullen lange termijn

afspraken moeten worden gemaakt tussen de lokale overheid, GGD, lokale stichtingen welzijn ouderen,

sportaanbieders en de provinciale sportraad.

34 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


8 Sporten met een beperking

8.1 Inleiding

In de eerste vijf tranches van de breedtesportimpuls richten 93 deelprojecten zich op sport- en bewegingsactiviteiten

voor mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking16 . De projecten richten

zich op een brede groep, zoals kinderen met motorische achterstand, mensen met een lichamelijke

en/of verstandelijke beperking, chronisch zieken, ex-psychiatrische patiënten of ex-hartpatiënten.

Tot en met de 5e tranche heeft het ministerie van VWS € 1,4 miljoen subsidie uitgekeerd aan deelprojecten

voor sporten met een beperking. Dat is gering, want het is maar 2% van de totaal uitgekeerde

subsidie aan gemeenten.

8.2 Wat beogen gemeenten met ‘sporten met een beperking’?

Gemeenten benadrukken het belang van sport en bewegen voor deze doelgroep ter bevordering van

aspecten als integratie, participatie en versterking van zelfvertrouwen.

Kenmerkend voor de meeste projectaanvragen is een algemene geformuleerde doelstelling, zonder

specifieke aanduiding van het eindresultaat. Op zich is dat begrijpelijk, want veel initiatieven op dit

vlak blijken veel overleg en afstemming te vergen. Het eindresultaat is dus ook vooraf moeilijk kwantificeerbaar.

Voorbeeld doelstelling deelproject sporten met een beperking

Stimulering sport en bewegen voor gehandicapten

Het deelproject beoogt de sportdeelname van gehandicapten en de integratie van sportende gehandicapten

in de gemeente te stimuleren. Daartoe wordt een inventarisatie van de doelgroep en beperkingen

uitgevoerd. Vervolgens worden sportverenigingen geadviseerd en ondersteund bij het vormgeven

van activiteiten.

8.3 Nadere blik op de initiatieven

Wanneer we de projecten van de 93 gemeenten bekijken, dan is een volgende onderverdeling te

maken.

Tabel 8.1 Indeling gemeentelijke projecten naar ‘hoofdthema’

27 gemeenten Club Extra / Sport-Mix

36 gemeenten Structureel sporten en bewegen (G-team, wekelijks programma, etcetera)

30 gemeenten Onderzoek naar de behoefte, voorlichting, instuifactiviteiten

Een kleine 40% (36 gemeenten) probeert een structureel bewegingsaanbod te realiseren. Dat kan bij

een vereniging in aangepaste vorm (G-team) of in regulier verband. En ook zijn er initiatieven waarbij

de gemeente een wekelijks aangepast programma aanbiedt.

Club Extra is apart benoemd omdat het een vaste formule heeft. Ten opzichte van de hiervoor genoemde

initiatieven, gaat het om een doelgroep die veel meer kan. Het zijn kinderen met een beweegachterstand,

geen kinderen met een verstandelijke of lichamelijke beperking of chronisch zieken.

De laatste groep gemeenten onderneemt activiteiten die niet direct een tastbaar resultaat opleveren

wat betreft sportdeelname. Het gaat om uitgebreid onderzoek naar de behoefte van gehandicapten of

het maken van voorlichtingsmateriaal of de organisatie van instuif- of kennismakingsactiviteiten.

Indirect kan dit wel bijdragen aan een verhoging van de sportdeelname, maar door de gemeenten

wordt dat niet geregistreerd.

16 De som van het aantal deelprojecten in tabel 3.1 is groter, maar dat komt doordat sommige deelprojecten uit verschillende

onderdelen bestaan zoals een onderdeel aangepast sporten en een onderdeel Club Extra.

35 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


8.4 Deelname aan de projecten

We zijn vooral geïnteresseerd in de initiatieven die bijdragen aan structureel sport- en bewegen van

mensen met een beperking.

Club Extra en Sport-Mix

In Nederland heeft naar schatting 5% tot 10% van de kinderen van de basisschool een motorische

achterstand17 . Club Extra is een sport- en bewegingsprogramma voor (valide) kinderen uit het basisonderwijs

(leeftijd 4 tot 12 jaar) met een motorische achterstand. Deze kinderen vallen bij sportverenigingen

of tijdens de gymlessen op school ‘buiten de boot’. In een Club Extra-programma wordt

getracht om deze kinderen in kleine groepjes (ongeveer tien kinderen per groep) in maximaal twee

jaar aansluiting te laten vinden bij reguliere sport- en bewegingsactiviteiten.

Uit interviews met regioconsulenten van NebasNsg en gemeenten blijkt dat de deelname en de resultaten

van Club Extra-projecten uiteen lopen. De regioconsulenten participeren in een aantal lokale

Club Extra-projectgroepen. Maar Club Extra wordt ook zonder inbreng van de provinciale

sportraad/NebasNsg opgezet (bijvoorbeeld als Gym-Extra door een gymnastiekvereniging). De specifieke

ervaringen en resultaten van deze projecten zijn niet bij de regioconsulenten bekend.

Om een indicatie te geven van het aantal deelnemers aan Club Extra op lokaal niveau zijn in de tabel

8.2 de gegevens van enkele gemeenten opgenomen.

Tabel 8.2 Voorbeeld omvang Club Extra in enkele gemeenten

Gemeente Aantal inwoners Aantal deelnemers Club Extra

Almelo 72.000 16 (2002)

16 (2003)

Arnhem 141.562 48 (2003)

Borne 20.600 45 (2003)

Eibergen 16.755 8 (start in januari 2004)

Deventer 89.118 30 (2001)

30 (2002)

45 (2003)

Hengelo (GLD) 8.473 29 (2002)

28 (2003)

Vlaardingen 74.064 40 tot 60 (2003)

Zaanstad 139.850 40 (2001)

40 (2002)

40 (2003)

Zwijndrecht 45.356 21 (2003)

De tabel laat zien dat de gemeentegrootte niet alles bepalend is voor de omvang van Club Extra. In een

gemeente als Borne doen net zoveel kinderen mee als het ruim vier keer zo grote Deventer. En ook in

een kleine gemeente als Hengelo (Gld) kan Club Extra bestaan.

In de breedtesportimpuls bestaat een Club Extra project uit gemiddeld 29 kinderen (twee groepen).

Bij 27 gemeenten met Club Extra betekent dat een kleine 800 kinderen.

Sport Mix is een programma dat vergelijkbaar is met Club Extra. Sport Mix richt zich echter op (zeer)

moeilijk lerende kinderen, die niet makkelijk meedraaien in ‘reguliere’ sportverenigingen. Beoogde uitkomst

is, evenals bij Club Extra, om uiteindelijk in te stromen bij een sportvereniging. Sport Mix wordt

in Overijssel in zeven gemeenten aangeboden. Inmiddels draait het programma ook in de provincies

Gelderland, Friesland (in één gemeente), Drenthe en Flevoland (in één gemeente). In de breedte-

17 NIWI

36 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


sportimpuls zijn nu drie Sport Mix projecten gestart. Ervaringen met uitstroom zijn er nog niet. Wel

wordt geconstateerd dat er behoefte bestaat aan Sport Mix en dat de belangstelling groeit, bijvoorbeeld

in de gemeenten Almelo en Noordoostpolder. Regioconsulenten geven echter wel aan dat

instroom in het reguliere sportaanbod moeilijk blijft. Bij een aanzienlijke groep kinderen blijft de

afstand tot de sportvereniging te groot. Doorverwijzing is dan geen doel meer; er ontstaan permanente

Sport Mix-groepen. Aan Sport Mix bij de drie gemeenten in de breedtesportimpuls doen in totaal

90 kinderen mee.

Doorstroming Club Extra naar sportverenigingen

Een belangrijke doelstelling van Club Extra is doorstroming naar het reguliere sportaanbod. Sommige

gemeenten hebben op dit punt goede ervaringen; uit gegevens van andere blijkt dat uitstroom veel

minder plaatsvindt.

Bij een vijftal projecten in de breedtesportimpuls is de doorstroming aangegeven. Ten opzichte van de

totale groep kinderen komt het gemiddelde uit op 33%. Maar de uitstroom moet je eigenlijk relateren

aan de 2e jaars deelnemers (en bij voortdurende instroom en uitstroom is dat ongeveer de helft van de

groep). En dan kom je op een percentage van 66%. Aan de hoogte van de uitstroom willen we vanwege

de kleinere aantallen niet te veel waarde hechten. Binnenkort wordt een studie naar de effecten van

Club Extra afgerond (zie kader).

Uit een eerder onderzoek naar effecten van Club Extra (binnen één gemeente) blijkt dat ongeveer de

helft van de kinderen lid wordt van een sportvereniging18 . Ook bleek dat meer dan de helft van de kinderen

meer dan twee jaar lid was geweest van de Club Extra-groep. De in het onderzoek ondervraagde

ouders waren positief over Club Extra. Zij beoordeelden dat de bewegingsvaardigheden en het plezier

in bewegen van hun kinderen waren toegenomen.

Effecten van Club Extra vertalen zich niet alleen in doorstroming naar regulier aanbod. Een begeleider

van een Club Extra groep gaf aan dat de drempel bij kinderen om mee te doen aan sport lager wordt.

Zo hadden een paar kinderen van haar groep meegedaan aan een schoolkorfbaltoernooi.

Regioconsulenten voor Club Extra geven aan dat een deel van de deelnemers ‘permanent’ in een Club

Extra-groep blijft, omdat sporten via de vereniging toch niet goed aansluit.

Club Extra bestaat nu al enige jaren maar er is nog nooit een landelijke effectstudie uitgevoerd. In

samenwerking met TNO Preventie en Gezondheid, Universiteit van Utrecht, Calo Zwolle en Alo

Amsterdam is het initiatief genomen tot een effectevaluatie van het programma Club Extra. De doelstelling

van dit onderzoek is om na te gaan wat de motorische en psychosociale effecten zijn van Club

Extra en of er sprake is van een verandering in de sport- en bewegingsdeelname als gevolg van het

programma in termen van attitude, intentie tot sport en bewegen en daadwerkelijk bewegingsgedrag.

Het onderzoek richt zich op kinderen van 6-10 jaar aangezien de meerderheid van deelnemers aan Club

Extra in deze leeftijdscategorie te vinden is. De resultaten zijn waarschijnlijk begin 2005 beschikbaar.

Structureel sporten en bewegen (geen Club Extra)

Bij 36 gemeenten is sprake van een project waarbij wekelijks wordt gesport. Meestal als aparte groep

in een vereniging (G-team) of als een aparte groep buiten de vereniging (chronisch zieken of gehandicapten).

Gemiddeld doen 30 deelnemers mee aan een project, zodat het aantal deelnemers neerkomt

op circa 1100.

Doorverwijzingen

Een aantal gemeenten heeft ook gehandicapten doorverwezen naar aangepast aanbod of regulier

verenigingsaanbod. In totaal gaat het om circa 400 personen in 2003.

Samenvatting deelname

Tabel 8.3 geeft een samenvatting van de deelname. De deelname aan instuifactiviteiten is niet weergegeven,

omdat die niet gericht zijn op structureel sport en bewegen.

18 ‘Club Extra onderzocht: een retrospectieve evaluatie van een bewegingsprogramma voor kinderen met motorische achterstanden’,

J.M.L. Kegel e.a., Universiteit Utrecht, 2000. Het onderzoek is uitgevoerd onder ouders van kinderen die hebben

deelgenomen aan Club Extra Zwolle

37 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Tabel 8.3 Samenvatting deelname (frequent programma)

Club Extra 800

Sport Mix 90

frequent/wekelijks sporten (G-team/aparte groep) 1100

doorverwijzingen naar regulier aanbod 400

8.5 Ervaringen met sportactiviteiten voor mensen met een beperking

De ervaringen van gemeenten komen heel vaak overeen. Zeker wanneer sporten met een beperking

een nieuw initiatief is. De volgende punten zijn belangrijk voor het welslagen.

• Zeer belangrijk is het instellen van een projectgroep met vertegenwoordigers van diverse

geledingen. Daardoor is veel ervaring beschikbaar en is er een netwerk (o.a. om de doelgroep

te bereiken).

• Regioconsulenten van NebasNsg benadrukken dat het een ‘duwthema’ is: aangepast sporten moet

sterk ‘gepromoot’ worden om uiteindelijk in gemeentelijk sportbeleid een plaats te krijgen.

• Uithoudingsvermogen: het stimuleren van sport en bewegen bij mensen met een beperking is

geen eenvoudig proces.

• De behoeften en mogelijkheden van de doelgroep zijn (lokaal) niet altijd bekend.

• Het bereiken en informeren van de doelgroep blijkt in diverse gemeenten een knelpunt.

• Voor activiteiten, die zijn ingericht voor een specifieke (kleine) doelgroep is een regionale aanpak

van groot belang. Door samenwerking op regioniveau wordt een verzorgingsgebied gecreëerd

met voldoende potentie. In deze samenwerking zijn provinciale sportraden en regioconsulenten

een belangrijke intermediair.

• Beschikbaarheid van accommodaties.

• Beschikbaarheid van gekwalificeerd kader. Gemeenten geven aan dat, ondanks het enthousiasme

en betrokkenheid van verenigingen, voldoende en gekwalificeerd kader een knelpunt is.

• Vervoer van mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking van en naar sport)accommodaties.

• Financiering; de intensievere begeleiding brengt extra kosten met zich mee. Enige zorg is er voor

de gevolgen van de bezuinigingen bij gemeenten. Gemeenten stellen als oplossing voor om activiteiten

onder te brengen bij verenigingen. Aangepast sporten kost een vereniging vaak veel meer

dan regulier sporten.

• Uit de jaarlijkse verslagen van gemeenten valt op dat de beste resultaten gerealiseerd worden

door gemeenten die veel tijd en middelen vrijmaken voor ‘aangepast sporten’. Dus niet een eenmalige

activiteit, of een enkele subsidieregeling zodat verenigingen een aanpassing van hun

accommodatie kunnen bekostigen, maar een aantal initiatieven waaronder activiteiten met een

duurzaam karakter.

8.6 Bijdrage breedtesportimpuls aan stimulering sporten met een beperking

Club Extra is een methode die al voor de breedtesportimpuls is ontwikkeld en voor het eerst is uitgevoerd

in de provincie Overijssel. De breedtesportimpuls heeft bevorderd dat Club Extra in meer

gemeenten is opgezet. In 27 gemeenten die meedoen aan de breedtesportimpuls wordt het programma

uitgevoerd. Bij de meeste gemeenten gaat het om een nieuwe activiteit, bij een kleiner aantal om

uitbreiding van groepen.

Sportactiviteiten voor mensen met een lichamelijke en verstandelijke beperking bestonden natuurlijk

al vóór de breedtesportimpuls. De breedtesportimpuls heeft er wel toe bijgedragen dat het thema bij

meer gemeenten op de gemeentelijke sportagenda is komen te staan, maar in omvang (ruim 36

gemeenten) en middelen (minder dan 2% subsidiebudget) gaat het om een kleine bijdrage.

38 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Voorbeeld van een ‘substantiële’ keuze voor aangepast sporten met een stevige basis (projectgroep)

en een aantal initiatieven waaronder structurele activiteiten.

Nijkerk

In Nijkerk is begonnen met het samenstellen van een projectgroep Aangepast Sporten. Hierin participeren

sportverenigingen, de Sociaal Pedagogische Dienst, NebasNsg, instellingen voor verstandelijk

gehandicapten en de sportconsulent van de gemeente (gedetacheerd door de provinciale sportraad

Gelderse Sport Federatie). In totaal zijn de volgende zes deelactiviteiten ontwikkeld.

Aangepast actief: zes instuifbijeenkomsten voor mensen met verstandelijk handicap. Activiteiten:

korfbal, voetbal, gymnastiek en tafeltennis. Verenigingen creëren structureel aanbod na instuif. Per

bijeenkomst circa 30 deelnemers. In samenwerking met Arkemeyde (regionaal dienstencentrum voor

jongeren met een licht verstandelijke handicap). Arkemeyde heeft medewerkerster drie uur per week

beschikbaar gesteld. Sponsoring door Rabobank. Tafeltennisvereniging heeft tafeltennistafel geschonken

aan doelgroep.

Tandemfietsen met verstandelijk gehandicapten. Gedurende de zomer op zes avonden tandemfietsen

met twaalf verstandelijk gehandicapten. Tandems zijn kosteloos beschikbaar gesteld door plaatselijke

rijwielhandelaar. Naar aanleiding van krantenartikelen ook steun van Rotary-club.

Tennis clinics. Op twee dagen training voor jongeren met een licht verstandelijke beperking.

Gym-Extra. Wekelijks programma volgens de Club Extra formule. Inmiddels 15 deelnemers.

Gewoon Sport. Wekelijkse instuif voor mensen vanaf 16 jaar die door lichamelijke beperkingen geen

aansluiting kunnen vinden bij een vereniging. Wekelijks vijf deelnemers. In samenwerking met buurgemeente

(aansluiting bij een grotere groep).

Kennismaking met aangepast sporten (soort Klas op Wielen)

Tijdens schooltijd kennismaking met aangepast sporten (groep 7 van tien basisscholen). Training

verzorgt door rolstoelbasketballers (met paralympische ervaring) en oefeningen met loopstok en

blinderingsbrillen.

8.7 Conclusie en aanbevelingen ‘sporten met een beperking’

Ten eerste valt op dat aan sporten met een beperking weinig middelen zijn besteed. Het gaat voor de

eerste vijf tranches om € 1,4 miljoen wat 2% is van de totale VWS subsidie aan gemeenten. In aanmerking

nemend dat van de 93 gemeenten er 30 activiteiten hebben ondernomen op het gebied van

onderzoek, voorlichting of incidentele kennismakingsbijeenkomsten en 27 gemeenten zich richten op

Club Extra, kunnen we concluderen dat de breedtesportimpuls tot op heden geen grote bijdrage heeft

geleverd aan versterking van de Nederlandse sportinfrastructuur voor mensen met een beperking.

De resultaten uit de projecten bevestigen dat beeld. In totaal gaat het om maximaal 2.400 mensen die

door de regeling zijn gaan sporten, waaronder 800 via Club Extra.

De ervaringen laten zien dat het ontwikkelen van een sportinfrastructuur op lokaal niveau voor mensen

met een beperking veel tijd en inzet vraagt. Een brede projectgroep als basis is vaak cruciaal, net zo

zeer als de invulling van basale randvoorwaarden, zoals vervoer naar accommodaties, voldoende en

deskundige begeleiders of toegankelijkheid van voorzieningen. Als aan deze randvoorwaarden niet kan

worden voldaan, is het risico dat de sportactiviteiten niet van de grond komen, zeer groot.

39 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


De resultaten zijn het beste bij gemeenten die ruim budget voor uren en middelen beschikbaar hebben

en kiezen voor een breder programma, dus geen incidentele instuifprogramma’s. Deze conclusie en

tevens aanbeveling is ook gemaakt bij sportbuurtwerk, maar geldt bij het thema ‘sporten met een

beperking’ nog sterker.

Overzicht kosten G-gym 19 en Gym Extra bij een gymnastiekvereniging

Gym Extra (Club Extra) G-gym

Contributie 10 leden x €105,- € 1.050 Contributie 11 leden x €100,- € 1.100

Kosten Kosten

Zaalhuur à € 15,30 p/uur € 612 Zaalhuur à € 15,00 p/uur € 600

Salaris 1 leidster (40 x € 15) € 600 Salaris 1 leidster 100% (40 x € 19,45) € 778

Vergoeding 1 assistente € 100 Salaris 1 leidster 50% (20 x € 12,05) € 241

Vergoeding 2 assistentes € 189

Algemene kosten € 150 Algemene kosten € 150

Koffie/limonade € 54

Deelname leidster aan cursus € 220 Kosten deelname cursus € 220

Afdracht KNGU 10 x € 10,75 € 100 Afdracht bond 12 x € 10,75 € 120

Saldo – € 740 – € 1.261

Het opstarten van G-gym of Club Extra binnen een vereniging is één. Het instandhouden twee. Op jaarbasis

zijn de activiteiten duidelijke kostenposten voor de vereniging. Contributieverhoging voor de

betrokken ouders acht deze vereniging niet opportuun. De meisjesselectie en de (kleinere) groep

jongens zijn ook relatief duur. De vereniging is afhankelijk van de gemeentelijke subsidie.

19 Gymnastiek voor mensen met een verstandelijke beperking

40 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


9 Samenwerking, integraliteit, continuïteit en

overige bevindingen gemeenten

9.1 Samenwerking gemeenten

De regeling probeert gemeenten te stimuleren tot samenwerking door 55% subsidie toe te kennen in

plaats van 50%. Tot en met de vijfde tranche is sprake van 26 gezamenlijke projecten waarbij 94

gemeenten betrokken zijn. Uit de 2-meting blijkt dat de samenwerking vooral bij het opstellen van de

aanvraag plaatsvindt. Tijdens de uitvoering komt samenwerking duidelijk minder voor20 .

Gemeenten vinden de extra subsidie niet opwegen tegen de belasting die samenwerking met zich

meebrengt. Vooral de financiële verantwoording ervaart men als omslachtig.

Samenwerking van gemeenten komt bij lokaal sportbeleid nog niet veel voor. Bij sommige sportservicepunten,

bij aangepast sporten en in een enkel geval bij realisatie van accommodaties werken

gemeenten samen. In die zin moet het initiatief in de breedtesportimpuls worden beschouwd als een

stimulans. Samenwerking tussen gemeenten is een proces van vele jaren en de breedtesportimpuls

heeft daaraan een kleine bijdrage geleverd.

9.2 Integraliteit

De breedtesportimpuls wil de meerwaarde van sport (voor andere beleidsterreinen) zoveel mogelijk

benutten. In de regeling duidt men dit aan met integraliteit. De ervaringen tot nu toe laten zien dat de

breedtesportimpuls vooral samenwerking oplevert met onderwijs, welzijn en gezondheid.

• Onderwijs: vooral sportkennismaking in het onderwijs en ondersteunen leerkrachten

• Welzijn: vooral sportbuurtwerk en bewegingsprogramma’s voor ouderen zoals GALM en MBvO

• Gezondheid: bewegingsprogramma’s voor ouderen en aangepast sporten

Voor de beleidsterreinen ruimtelijke ordening, werkgelegenheid en veiligheid is de meerwaarde

beperkter. De ID-banen in de sport zijn grotendeels buiten de impuls gerealiseerd. In 2002 telde de

sport bijna 1.800 ID-banen. De regeling ID-banen is beëindigd, maar VWS heeft in 2004 een eenmalige

subsidie beschikbaar gesteld om meer tijd te bieden aan verenigingen om gesubsidieerde plaatsen om

te zetten in reguliere arbeidsplaatsen.

In de interviews is gevraagd of in de breedtesportimpuls vooral sport bijdraagt (financieel en uitvoerend)

of dat ook andere beleidsterreinen bijdragen. Volgens een duidelijke meerderheid van de

gemeenten (72%) is het vooral sport dat investeert in het project.

Volgens 38% leveren ook andere beleidsterreinen een bijdrage, maar de meeste voegen daar wel aan

toe dat die niet in verhouding staat tot de bijdrage van sport.

De relatie tussen sport en gezondheid komt in de breedtesportimpuls tot uitdrukking in projecten in het

onderwijs (voorlichtingsmodules, verbetering bewegingsonderwijs), ouderenprojecten (GALM) en

aangepast sporten. De laatste jaren zijn er – mede naar aanleiding van de nota Sport, Bewegen en

Gezondheid - veel initiatieven tussen beide werkvelden, waarbij ook gezondheidsinstanties contact

zoeken met de sport (dus toenadering van twee kanten). Deze initiatieven zijn niet beperkt tot de

breedtesportimpuls. Veel GGD’s zijn actief op het gebied van gezondheid en sport en bewegen. GGD’s

hebben ook een goede onderzoeksinfrastructuur en zijn gewend om hun beleidsinterventies te meten.

Voor de sport is de samenwerking met gezondheid ook om die reden een goede ontwikkeling.

9.3 Continuïteit

De provinciale sportraden die in het onderzoek zijn benaderd verwachten dat de inzet van gemeenten

terugvalt tot het niveau van de eigen bijdrage. Met andere woorden: gemeenten zullen niet het deel

20 In Friesland zijn wel positieve ervaringen met samenwerking tussen gemeenten tijdens de uitvoering, maar dat komt ook

door de opzet. Bij samenwerking is iedere gemeente verantwoordelijk voor één (deel)project.

41 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


dat VWS heeft gesubsidieerd overnemen (een enkeling uitgezonderd). Ze zien ook gemeenten waar de

breedtesportimpuls nagenoeg stilvalt en kunnen die ook met naam en toenaam benoemen.

Bijvoorbeeld een gemeente waar een sportservicepunt weer wordt opgeheven of de twee aangestelde

bewegingsconsulenten verdwijnen of alle projecten worden stopgezet. Ook in interviews in het kader

van deze evaluatie zijn vergelijkbare signalen geuit met als belangrijkste reden de bezuinigingen. Op

basis van interviews met 45 gemeenten is het beeld echter niet zo somber. Van de totale projectmiddelen

(VWS-subsidie, bijdrage gemeenten en eventueel derden), zal volgens de ondervraagde beleidsmedewerkers

van gemeenten 70% worden gecontinueerd. Een aantal gemeenten kon geen inschatting

geven. Afgaande op de bezuinigingsperikelen bij gemeenten houden we rekening met een neerwaartse

bijstelling en verwachten we dat 60% van de gemeentelijke breedtesportprojecten21 wordt gecontinueerd.

Die uitkomst is tijdgebonden en kan nog veranderen, maar het beeld is niet negatief. Het is meer

dan de inleg van de gemeenten.

9.4 Lokale effectmetingen en projectdoelstellingen

Bij gemeenten maar ook bonden is vaak onduidelijkheid over de manier waarop zij hun projecten moeten

evalueren of rapporteren. Diverse gemeenten laten enquêtes22 uitvoeren om de sportdeelname te

bepalen bij aanvang en na afloop van hun breedtesportimpulsproject. Als effectmeting is dat meestal

geen goed instrument voor gemeenten. Ten eerste vertoont de uitvoering onderzoekstechnisch vaak

gebreken. Bijvoorbeeld een schriftelijke enquête met een hoge non-respons. Er wordt geen enkele aandacht

geschonken aan de representativiteit van de steekproef maar men presenteert wel een onwaarschijnlijk

hoge (RSO) sportdeelname van bijvoorbeeld 84%.

Nog belangrijker is dat het meten van een verschil in de sportdeelname ten gevolge van de breedtesportimpuls

niet of nauwelijks via een enquête is vast te stellen. Een RSO-enquête gebeurt op basis

van een steekproef. Er moet een bijzonder grote stijging plaatsvinden in sportdeelname, om dat via

een enquête vast te stellen.

Als uit een enquête onder 500 ondervraagden blijkt dat sprake is van een sportdeelname van 65%, dan

ligt de uitkomst tussen de 60,8% en de 69,2%. Bij een herhaalmeting heeft men te maken met vergelijkbare

marges. Alleen als tussen twee metingen de sportdeelname zeer sterk stijgt (bijvoorbeeld van

65% naar 74%) dan mag men spreken van een significant verschil. En juist van de sportdeelname is

bekend dat die niet met 10% omhoog gaat in een paar jaar.

Als er één GALM-groep is, blijven er misschien 60 ouderen sportief actief. Een ‘Kies voor Hart en

Sport’-project trekt bijvoorbeeld 300 deelnemers waarvan 20% niet actief. Ga uit van een heel positief

beeld, namelijk 5% doorstroming naar vereniging of sportschool (die voorheen niet actief waren), dan

levert dat vijftien actieve jongeren op. Men kan er nog een of twee projecten aan toevoegen maar

vooraf is bekend dat de activiteiten niet leiden tot een substantiële stijging van de sportdeelname.

Daar hoeft men geen enquêtes voor uit te voeren.

Een goede projectverantwoording levert meer informatie dan een RSO-enquête.

Bij een GALM-project bijvoorbeeld is het belangrijk aan te geven: hoeveel ouderen zijn aangeschreven,

de deelname aan de 1e fittest, de deelname aan de introductieperiode, de deelname aan het vervolgtraject

en vooral wat er daarna gebeurt (gaat de groep zelfstandig verder, hoeveel, wordt de groep ondergebracht

bij een gymnastiekvereniging…).

Bij een sportbuurtwerkproject is het resultaat ook afhankelijk van het doel van het project.

Maak onderscheid naar vakantieprogramma’s, structurele activiteiten (wekelijks) en incidentele activiteiten

en voeg niet alles bijeen. Het aantal deelnemers is een begin. Interessanter is te weten hoeveel

verschillende personen meedoen en of de deelnemers sportief (in)actief waren. Of dat betrokkenen

(jeugd, jeugdwerker, buurtvereniging/bewoners) positief zijn over de activiteiten.

Uit de 2-meting blijkt verder dat een deel van de gemeenten moeite heeft met de (jaarlijkse) verantwoording

van hun breedtesportprojecten. Dat komt mede doordat projectdoelen weinig concreet zijn

geformuleerd; zowel in de beleidsbrief als in lokale projectaanvragen.

21 Bedoeld wordt 60% van de totale middelen; dus de inleg van gemeenten, VWS en eventueel derden.

22 Volgens de RSO richtlijn: Richtlijn Sportdeelname Onderzoek.

42 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


9.5 Conclusies en aanbevelingen

Een kleine 100 gemeenten doen aan de breedtesportimpuls mee in een samenwerkingsverband.

Meestal gaat het om drie tot vijf gemeenten. Van samenwerking is vooral sprake bij het opstellen van

de subsidieaanvraag en veel minder bij de uitvoering.

De breedtesportimpuls levert vooral samenwerking op met onderwijs en welzijn en in iets mindere

mate met gezondheid. Voor deze drie velden hebben de initiatieven vooral een meerwaarde. Een duidelijke

meerderheid van de gemeenten geeft wel aan dat de inspanningen vooral afkomstig zijn van

sport en dat niet sprake is van een gezamenlijke inspanning. Andere beleidsterreinen dragen dus weinig

bij.

Betrokkenen bij de breedtesportimpuls zijn weinig positief gestemd over de continuïteit door de bezuinigingen

bij gemeenten. Uit deze 2-meting is het beeld toch minder somber. Circa 60% tot 70% van de

middelen zal worden gecontinueerd, waarbij 60% ons inziens een reëel beeld geeft. Dat is meer dan de

gemeentelijke bijdrage.

Gemeenten hebben vaak moeite met de verantwoording van hun projecten. Een aantal gebruikt

enquêtes om de effecten op de sportdeelname vast te stellen. Een methodiek die hiervoor meestal niet

geschikt is. Verder worden aanvragen en tussentijdse verslaglegging beïnvloed door de weinig concrete

tekst van de regeling zelf. Men gebruikt de terminologie uit de regeling en bij de verantwoording

levert dat vaak weinig tastbare resultaten. Het resultaat begint bij een duidelijke gerichte keuze en concrete

doelen. Niet alleen bij gemeenten, maar ook wat betreft de regeling zelf. De huidige regeling is

breed opgezet en ondersteunt allerlei initiatieven. Aan deze initiatieven zijn vooraf geen concrete verwachtingen

gesteld. Dat maakt het opmaken van een tussenbalans tot een lastige opgave.

Die tussenbalans of eindbalans is echter niet het doel, het gaat erom dat de sport keuzes maakt en toewerkt

naar die keuzes. Duidelijkheid en concreetheid is daarvoor noodzakelijk.

43 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


10 De rol van provincies

De breedtesportimpuls is in 2001 aangepast zodat ook provincies gebruik konden maken van de regeling.

Voor iedere provincie was € 680.670 beschikbaar voor een project van maximaal zes jaar. Alle provincies

hebben gebruik gemaakt van de regeling. In totaal hebben de twaalf provincies € 7,2 miljoen

ontvangen. De uitvoering van de provinciale projecten gebeurt door de provinciale sportraden of provinciale

ondersteuningsinstellingen. De rol die de provincie is toegekend was tweeledig: ten eerste

gemeenten helpen bij het opstellen van aanvragen en deelname stimuleren en ten tweede hulp bieden

bij de uitvoering van projecten.

Stimuleren aanvraag gemeenten

Alle provincies hebben actief gemeenten benaderd om deel te nemen aan de breedtesportimpuls. Dat

is op allerlei manieren gebeurd (individueel bezoek, bijeenkomsten, schriftelijke informatie, voorlichting

naar verenigingen). Provinciale sportraden hebben vooral bij middelgrote en kleinere gemeenten

meegeholpen bij het opstellen van de aanvraag en de begeleiding van het proces. De grote gemeenten

(vooral 1e tranche) hebben bijna allemaal zelfstandig hun aanvraag ingediend.

Afbeelding 10.1 laat zien hoeveel gemeenten tot en met de 6e tranche (6e tranche onder voorbehoud)

wel en niet meedoen aan de breedtesportimpuls. De deelname verschilt tussen provincies. Dat komt

omdat de omstandigheden per provincie verschillen. Bijvoorbeeld het aantal gemeenten in een provincie

is niet gelijk, het aantal kleine gemeenten is verschillend, maar ook het vertrekpunt van de sportraden

(dus de formatie en de contacten met gemeenten) voordat de breedtesportimpuls begon is niet

vergelijkbaar. Alle provincies hebben zich actief ingezet om gemeenten te stimuleren tot deelname en

gelet op het resultaat is dat succesvol geweest. Één provincie verdient een bijzondere vermelding en

dat is Groningen. Nog voor de provinciale regeling tot stand kwam heeft Groningen zelf een aanbod

gedaan naar alle Groningse gemeenten. De provincie heeft een forse bijdrage gedaan, waardoor de

verhouding gemeentelijke inleg versus subsidie (rijk en provincie) ongeveer uitkomt op een verhouding

11% : 89% in plaats van 50% : 50%.

Afb. 10.1 Deelname gemeenten per provincie (inclusief 6e tranche gemeenten)

Flevoland

Limburg

Noord-Brabant

Zeeland

Zuid-Holland

Noord-Holland

Utrecht

Gelderland

Overijssel

Drenthe

Friesland

Groningen

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100 aantal gemeenten

44 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004

Wel deelname Geen deelname


Uitvoering regeling

Alle provinciale sportraden voeren voor gemeenten verenigingsondersteuningsprojecten uit. Een aantal

sportraden helpt bij de start en inrichting van sportservicepunten. Noord-Holland heeft dat sterk

gestimuleerd in de eigen provincie.

Verder zijn sportraden betrokken bij de organisatie en uitvoering van sportstimuleringsprogramma’s,

zoals schoolsportprojecten, ondersteuning van groepsleerkrachten bij bewegingsonderwijs, GALM,

aangepast sporten, jeugdparticipatie, et cetera. Regelmatig worden medewerkers van sportraden

gedetacheerd bij gemeenten.

Kleinere gemeenten tonen zich meestal gelukkig met de beschikbaarheid en inzet van een provinciale

sportraad. De ambtelijke organisatie is te klein om op te hoogte te zijn van actuele ontwikkelingen in

de sport. De uitvoering door provinciale sportraden ervaren zij als een praktische en goede oplossing.

De rol van de sportraad maakt het ook mogelijk om bij kleinere gemeenten een parttime functionaris

aan te stellen en om vacatures makkelijker te vervullen. De Gelderse Sport Federatie (GSF) heeft bijvoorbeeld

het BIOS-project23 geïntroduceerd waarbij gemeenten een bewegingsconsulent kunnen inlenen

van de GSF, om het bewegingsonderwijs op basisscholen te verbeteren.

Groei formatie provinciale sportraden

Door de breedtesportimpuls doen gemeenten veel meer een beroep op provinciale sportraden. Een

deel van de gemeentelijke projecten wordt door provinciale sportraden uitgevoerd en provinciale

sportraden hebben via hun eigen provinciale aanvraag ook extra middelen gekregen. Dat heeft geleid

tot een aanzienlijke versterking van de provinciale sportraden. De formatie bij de twaalf provinciale

sportraden samen is uitgebreid met circa 100 formatieplaatsen, waarvan het grootste deel het resultaat

is van de breedtesportimpuls. Deze groei (en de daarmee samenhangende activiteiten voor

gemeenten) betekent een versterking van de sportinfrastructuur.

Conclusie en aanbevelingen

In de oorspronkelijke regeling waren provincies geen expliciete doelgroep. Dat is aangepast en met

succes. De provinciale regeling heeft geleid tot een zeer belangrijke versterking van de sportinfrastructuur

in Nederland. Op het gebied van kennisopbouw, innovatie, flexibele inzet van personeel, werving

personeel, et cetera is een provinciale sportraad beter toegerust dan kleine of middelgrote gemeenten.

Provinciale sportraden moeten wel voor ogen houden dat van een versterking van de sportinfrastructuur

alleen sprake is als gemeenten betrokken zijn en blijven bij de uitvoering. Die betrokkenheid is

zeer belangrijk voor de continuïteit. Die betrokkenheid geldt niet alleen voor het ambtelijk niveau.

Minstens zo belangrijk is dat de lokale politiek betrokken blijft bij het breedtesportproject. In veel

gemeenten is de aanvraag (en het verzoek voor de co-financiering) in de raadscommissie en raad

behandeld. Die belangstelling blijft niet automatisch instant, maar moet voortdurend worden gevoed.

23 Bewegen In Onderwijs en Sport.

45 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


11 Bonden en de breedtesportimpuls

11.1 Inleiding

In de periode 2001-2004 konden landelijke sportorganisaties (verder aangeduid met bonden) subsidie

krijgen voor de uitvoering van een breedtesportimpulsproject. In totaal hebben 33 bonden gebruik

gemaakt van de regeling.

In de 2-meting zijn in totaal twintig sportbonden geïnterviewd: tien bonden met een breedtesportimpuls-project

en tien bonden, die ten tijde van het interview (nog) geen gebruik maakten van de regeling.

De doelstellingen en de criteria van de stimuleringsregeling worden via een jaarlijkse

VWS-circulaire aan de sportbonden kenbaar gemaakt. De circulaire bevat de volgende toetsingscriteria,

die mede ontleend zijn aan de beleidsbrief breedtesportimpuls.

• Projecten zijn gericht op versterking van de lokale sportinfrastructuur, met name wat betreft sportverenigingen.

• Inzet van sport als middel om maatschappelijke problemen op te lossen.

• Er dienen verbanden te worden gelegd tussen sportaanbieders en andere aan de sport gerelateerde

sectoren, zoals onderwijs, wijk- en buurtwerk en gezondheidszorg.

• Er moet sprake zijn van duurzaamheid en continuïteit na afloop van de projectperiode.

• Er is zo mogelijk sprake van ondersteuning door landelijke sportorganisaties aan verenigingen in

gemeenten met een breedtesportproject.

• Het project kan gericht zijn op voorlichting en informatieverstrekking aan verenigingen in gemeenten

die nog geen aanvraag hebben ingediend.

• Er wordt gestreefd naar samenwerking op lokaal niveau, tussen gemeenten en verenigingen,

tussen verenigingen onderling en tussen verenigingen en andere lokale organisaties.

• Er is sprake van activiteiten van een landelijke sportorganisatie waarbij wordt samengewerkt met

gemeenten.

11.2 Doelstellingen van projecten door sportbonden

De bondsprojecten zijn terug te voeren tot drie (soorten) projecten:

• Aanjagers die samenwerking op lokaal niveau stimuleren.

• Versterking van de sportinfrastructuur, vooral door accountmanagement en verenigingsondersteuning.

• Sportstimulering gericht op bestaande en potentiële nieuwe leden, bijvoorbeeld via kennismaking

op scholen.

Aanjaagfunctie

In de meeste bondsprojecten van de eerste tranche (2001) neemt de zogenaamde aanjaagfunctie een

belangrijke plaats in. Bij de start van de regeling voor bonden was de bedoeling dat aanjagers contacten

zouden onderhouden met verenigingen, verenigingen zouden betrekken bij de breedtesportimpuls

en samenwerkingsverbanden op lokaal niveau zouden stimuleren. Na een tot twee jaar bleek de praktijk

weerbarstiger. Gemeentelijke projecten die al in uitvoering waren, gaven nauwelijks ruimte om

nieuwe samenwerkingsverbanden aan te gaan. Op basis van voortschrijdend inzicht is door bonden

een andere invulling gegeven aan de middelen die in de aanvraag voor de aanjaagfunctie waren

geraamd. Er is bijvoorbeeld gekozen om extra materiaal beschikbaar te stellen aan verenigingen ten

behoeve van de organisatie van activiteiten of om aanvullende capaciteit voor verenigingsondersteuning

in te zetten.

Het aanjagersmodel is bij bonden niet meer prominent als uitgangspunt gesteld. Toch valt op dat een

aantal bonden zich wel degelijk op gemeenten richten, zij het dat het uitgangspunt ledenwerving is

(samenwerking met gemeenten is een middel).

Het Koninklijk Nederlands Korfbalverbond heeft een project voor Vinexlocaties waar nog geen korfbalvereniging

is. De Koninklijke Nederlandse Baseball en Softball Bond richt zich op gebieden met veel

Antilliaanse bewoners ook vanuit het oogpunt van ledenwerving.

46 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


De Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond probeert samenwerkingsovereenkomsten af te sluiten

met grote gemeenten. Voorbeelden waarbij bonden wel degelijk gemeenten benaderen voor samenwerking.

Versterken van de verenigingen

Versterken van de verenigingen is in alle bondsaanvragen een belangrijke doelstelling. In vrijwel alle

gevallen speelt accountmanagement en verenigingsondersteuning een belangrijke rol. Intensivering

van contacten met de eigen leden is enerzijds van belang in het ontwikkelen van vraaggerichte ondersteuning

door de bond, anderzijds worden verenigingen geïnformeerd over ondersteuningsmogelijkheden.

Met behulp van de breedtesportimpuls wordt de verenigingsondersteuning (verder)

geprofessionaliseerd en komt meer capaciteit beschikbaar om de dienstverlening aan verenigingen te

verbeteren. De uitvoering geschiedt door medewerkers van het bondsbureau, regioconsulenten of

door medewerkers van provinciale sportraden. In enkele gevallen stelt men coaches aan.

Sportstimulering, werving leden

Naast ondersteuning van verenigingen, richten bonden zich ook op werving van nieuwe leden. Bij vrijwel

alle onderzochte bonden is jeugd de belangrijkste doelgroep. Een uitzondering is het project van

de Nederlandse Toer Fiets Unie: deze bond richt zich op werving van leden onder mensen van 55 jaar

en ouder.

Voor de uitvoering kiezen veel bonden voor schoolsportprojecten of (en) het beschikbaar stellen

van materiaal. De Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie biedt tegen gereduceerde prijs zogenaamde

Sports Hall Atletics-pakketten aan, waarmee in binnensportaccommodaties atletiekactiviteiten

kunnen worden georganiseerd. Het Watersportverbond heeft de mogelijkheid voor watersportverenigingen

gecreëerd om boten en trailers tegen lage kosten te huren. De Koninklijke Nederlandse

Wielren Unie 24 stelt diverse typen fietsen beschikbaar voor de organisaties van lokale weg- of

mountainbikewedstrijden.

Naast schoolsport en het beschikbaar stellen van materiaal, richten bonden zich ook op buurtsportactiviteiten,

zoals pleintjesbasketball of lokale toernooien. Ze ontwikkelen hiervoor ook draaiboeken en

foldermateriaal.

11.3 Resultaten en effecten van projecten bonden

Op basis van de interviews met en de verslagen van bonden, zijn de resultaten als volgt samen te

vatten.

1

In de aanvragen van de meeste bonden zijn jaarplanningen opgenomen voor te voeren gesprekken,

te ondersteunen verenigingen, af te zetten producten of te organiseren themabijeenkomsten. Op een

enkele uitzondering na blijken de beoogde aantallen niet gerealiseerd te zijn. Bonden geven ook aan

dat deze doelstellingen vaak te ambitieus zijn en dat onvoldoende rekening is gehouden met een startperiode,

de in te zetten personeelscapaciteit en de snelheid waarmee nieuwe medewerkers konden

worden aangesteld.

2

Per bond verschilt de registratie van projectgegevens. In tegenstelling tot gemeenten hebben bonden

niet een jaarlijkse verplichting om informatie over de voortgang van projecten bij het ministerie van

VWS aan te leveren. Gemeenten vullen jaarlijks via een vast ‘format’ digitaal gegevens in op de speciaal

hiervoor ingerichte website. Wel worden ontwikkelingen en werkzaamheden in de jaarverslagen

van bonden beschreven. De afzonderlijke evaluatie en verantwoording van bondsprojecten volgen echter

na afloop van de projectperiode. Bonden geven aan dat hen op dit moment niet duidelijk is op

basis waarvan deze verantwoording zal plaatsvinden. Een aantal bonden geeft dan ook aan dat een

(tussentijdse) evaluatiesystematiek (vergelijkbaar met gemeenten) een nuttig instrument zou zijn.

24 Het KNWU project is inmiddels beëindigd (2001-2003).

47 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


3

Effectmeting van sportstimuleringsactiviteiten vindt (nog) niet of nauwelijks plaats. Men houdt wel bij

hoeveel activiteiten plaatsvinden, maar men kan zelden aangeven hoeveel mensen zijn gaan sporten

of lid zijn geworden van een vereniging naar aanleiding van een activiteit. Voor bonden is de ledenaanwas

een uitkomst van een mix van factoren, waarvan een breedtesportproject er één is.

Ook over de uiteindelijke uitkomsten van ondersteuningstrajecten is bij bonden weinig bekend. Dit

signaal is vergelijkbaar met de verenigingsondersteuning bij gemeenten. Wij verwijzen daarbij naar

de uitkomsten van het onderzoek dat Marktplan Adviesgroep heeft uitgevoerd in de provincies

Overijssel en Noord-Brabant. Daaruit blijkt onder meer dat verenigingsondersteuning bij zes op de

tien verenigingen effect heeft.

11.4 Bijdrage breedtesportimpuls

De initiatieven van bonden in de breedtesportimpuls komen – zij het op beperktere schaal ook voor bij

bonden die geen gebruik maken van de subsidieregeling. Er zijn drie redenen waarom bonden geen

gebruik hebben gemaakt van de regeling: namelijk de beperkte capaciteit om een projectvoorstel op te

stellen en uit te voeren, de administratieve rompslomp van een aanvraag en het gebrek aan eigen middelen.

De bijdrage van de breedtesportimpuls is dat het bonden meer mogelijkheden biedt. Anders dan

gemeenten hebben bonden een subsidierelatie met VWS. De breedtesportimpuls en de overige VWSen

SNS-subsidies vormen voor een bond samen één budget, waarmee personeelslasten en diverse

bondsactiviteiten worden gefinancierd. Een aantal bonden geeft aan dat de inzet van capaciteit of

breedtesportactiviteiten dan ook niet direct terug te voeren zijn op de breedtesportimpulsmiddelen,

maar dat sprake is van een integrale uitvoering van het breedtesportbeleid van de bond.

11.5 Continuïteit na afloop breedtesportimpuls

De tien geïnterviewde bonden zijn in 2001 of 2002 gestart met de uitvoering van de projecten. Bij één

bond is het breedtesportimpulsproject in 2003 afgerond. De jaren 2004, 2005 en 2007 zijn voor de

overige bonden het laatste projectjaar. Bonden hebben de intentie om hun projecten te continueren,

maar door de bezuinigingen zullen zij (noodgedwongen) prioriteiten moeten stellen in takenpakket en

in te zetten capaciteit. De verwachting is dat projecten (veelal) in aangepaste (afgeslankte) vorm

worden voortgezet.

11.6 Conclusies en aanbevelingen bonden

In totaal doen 33 bonden mee aan de breedtesportimpuls. Het belangrijkste winstpunt voor de bonden

is de groei van professionele capaciteit voor accountmanagement en verenigingsondersteuning. Door

de regeling is simpelweg meer mogelijk voor verenigingsondersteuning en sportstimulering. Er is, met

name voor de kleine bonden die meedoen aan de impuls, sprake van een versterking van de sportinfrastructuur.

Bonden geven aan dat resultaten en effecten van ingezette middelen (nog) niet aan te geven zijn;

enerzijds vanwege de korte looptijd van projecten, anderzijds door het ontbreken van een instrument

voor goede effectmeting. Wel worden contactmomenten met verenigingen, aantal georganiseerde

activiteiten en ondersteuningstrajecten geregistreerd. De wijze van registeren verschilt echter van project

tot project. Aangezien de activiteiten in het kader van de breedtesportimpuls in de meeste gevallen

onderdeel uitmaken van een breder breedtesportbeleid, is moeilijk aan te geven of ledenwinst toe te

schrijven is aan specifieke projecten.

Bonden hebben de intentie om projecten na de regeling voort te zetten, maar door bezuinigingen kunnen

zij daarover geen uitsluitsel geven.

48 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Uit deze 2-meting blijkt dat bonden regelmatig moeite hebben met het verantwoorden van hun projecten.

Zij zouden daar meer aandacht aan moeten schenken en we denken dat zij daar zelf ook baat van

hebben (efficiency). Bij veel bonden is de capaciteit op het bondsbureau beperkt. Mogelijk kunnen

NOC*NSF en het ministerie van VWS ze daarbij helpen, bijvoorbeeld door duidelijk te maken op welke

wijze na afloop van het breedtesportproject bonden verantwoording moeten afleggen.

Bij aanvang van de breedtesportimpuls was de opzet samenwerking tussen bonden en gemeenten te

stimuleren. Met het oorspronkelijke aanjaagmodel kwam dat niet goed uit de verf en hebben bonden

hun projectplannen bijgesteld. In projecten van bonden is vaak sprake van verenigingsondersteuning

of van sportstimuleringsprojecten. Bij sportstimuleringsprojecten blijkt die samenwerking wel mogelijk.

De samenwerking is dan echter niet het vertrekpunt (of doel) maar een logische afgeleide. Verder

kunnen gemeenten en bonden (en provinciale sportraden) meer afstemmen bij verenigingsondersteuning.

We doelen in eerste instantie niet op de vele korte ondersteuningstrajecten, maar als een

gemeente of bond een vereniging langdurig wil ondersteunen (een tot twee jaar) dan kan afstemming

en samenwerking tussen bond en gemeente het effect versterken.

49 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Bijlage 1

Geraadpleegde literatuur

Gemeente Hellendoorn, Onderzoek Sportdeelname jongeren gemeente Hellendoorn. Mei 2003.

Gemeente Hellendoorn, Sportparticipatie- en evaluatieonderzoek Kennismaken met sporten, schooljaar

2002/2003.

Gemeente Hellendoorn, Sportparticipatie- en evaluatieonderzoek Kennismaken met sporten, schooljaar

1998/1999.

Gemeente Hoorn, Verslag Jeugdsportpas seizoen 2000-2001.

Greef. M. de en G.H. Kroes, Voortgangsverslag GALM 1997 – 2001

Kegel J.M.L e.a., Club Extra onderzocht. Universiteit Utrecht, 2000.

Marktplan Adviesgroep. Verenigingsondersteuning: de vereniging en de ondersteuner

aan het woord. Bussum 2004.

Marktplan Adviesgroep, 1-meting breedtesportimpuls. Ministerie van VWS, 2002.

Ministerie VWS, Nieuwsbrief Impuls nummer 1, oktober 2000.

NISB, Managementrapportage breedtesportimpuls nr. 1 en 2.

Rijksbegroting 2005, XVI Volksgezondheid Welzijn en Sport

Wensing. M., A. van der Bij en M. Laurant. Implementatie van bewegingsprogramma’s voor ouderen.

Den Haag, 2000.

50 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Bijlage 2

Geraadpleegde personen en instanties

Gemeenten met bsi-project in uitvoering of afgerond

Almere mevr. T. Middelbos, dhr. J. Verburg

Alkmaar mevr. G. de Boer

Amstelveen dhr. C. Nanninga

Amsterdam dhr. E. Smiet

Amsterdam dhr. J. Paddenburg (topscore)

Apeldoorn dhr. M. Snippe

Baarn dhr. P. Brandjes

Borne mevr. G. Tenniglo

Bussum dhr. E.Hogenbirk en dhr. E. Tolboom

Cuijk dhr. J. Selten

De Marne dhr. R. Smit

Diemen dhr. J. Muller

Doetinchem dhr. A. Bolwerk

Dordrecht mevr. E. Hoeijenbos

Emmen dhr. M. Dries, dhr. V. Mooi

Enschede dhr. G. Gankema en dhr. H. Breukers

Groningen dhr. J. Raake

Haarlemmermeer mevr. P. van Doorn

Heerenveen dhr. D. van der Meulen

Hilversum dhr. A. Kok en mevr. L. Korting

Hoorn dhr. D. Bakker en dhr. P. Koning

Leek dhr. M. Mulder

Marum mevr. K. Nannen

Nieuwegein mevr. B. Heusschen

Noordoostpolder dhr. R. van der Laan, dhr. R. Bos

Nunspeet dhr. M. Veldwijk

Nijkerk dhr. R. Jaspers (GSF) en dhr. K. Veldman

Purmerend dhr. R. van der Leij, dhr. J. Ram

Reiderland dhr. R.W. Meijering

Rijswijk dhr. M. Grijn

Scheemda dhr. G. Haaijer

Sint Oedenrode mevr. K. Willunat

Smallingerland

Sportbedrijf

dhr. A. de Jong

Smallingerland dhr. J. Koehoorn

Spijkenisse mevr. D. Bongers

Stede Broec dhr. K. van Borre

Utrecht mevr. J. Brouwer

Venlo dhr. F. Nas, dhr. A. Peels

Winschoten dhr. S.J. Bodde

Zaanstad mevr. A. Vermeulen

Zevenaar mevr. M. Verhaaf

Zuidhoorn mevr. M. Leegwater

Zwolle dhr. B. Wiggers

51 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Geen bsi project in 2004 (controle groep)

Eemnes mevr. D. Dirksen

Ter Aar dhr. K. Fransen

Blaricum dhr. G. van der Woude

Gaasterlan-Sleat dhr. J.G. Vogelzang

Nijefurd dhr. J. van Dijk

Nederweert dhr. J van Riet

Asten dhr. H. van den Burg

Heerde mevr. J. Dijkslag

Tubbergen dhr. J. van Olffen

Leerdam dhr. G. van den Heuvel

Aalsmeer mevr. M-J. Deckers

Putten mevr. Y. Troost

Tholen dhr. P. van der Vlies

Sluis dhr. W. Schram

Aa en Hunze dhr. B. Meedendorp

Castricum mevr. S. Ypma

Barendrecht dhr. F. Nugteren

Moerdijk mevr. I. Koster

Barneveld dhr. J. Jansen

Velsen dhr. P. Vermeulen

Provincies en provinciale sportraden

Gelderse Sport Federatie mevr. R. Schuring

Sportraad Zuid-Holland mevr. A. Maat

Huis voor de Sport Groningen dhr. A. Jongsma en de heer R. Gelinck

Sportservice Midden-Nederland dhr. S. Ott

Sportservice Noord-Holland dhr. H. van der Harst

Sportservice Noord-Brabant mevr. M. Moonen en mevr. C. Vugts

Sportraad Overijssel dhr. A. van der Velde, dhr. H. Goettsch

Provincie Groningen dhr. J. Vriesema

Sportbonden

Judo Bond Nederland dhr. B. van den Broek

Kon. Ned. Roei Bond dhr G. Arnold

Kon. Ned. Atletiek Unie dhr F.C.C. Koomen

Kon. Ned. Baseball en Softball Bond dhr Ch. van der Meijs

Kon. Ned. Gymnastiek Unie dhr. J.T. van Dijk

Kon. Ned. Wielren Unie dhr. P. Zijerveld

Ned. Handbal Verbond dhr. M. Booiman

Ned. Tafeltennis Bond mevr. C. de Haij

Ned. Toer Fiets Unie dhr. B. de Weerd

Ned. Touwtrek Bond mevr. A. van Raaij

Watersportverbond dhr. C. van Hees

Niet-bsi bonden

Kon. Ned. Hippische Sportfederatie dhr. S. van Roovert

Kon. Ned. Kegelbond dhr. G. Korthuis

Ned. Bridge Bond dhr. J. van der Kam

Ned. Klim- en Bergsport Vereniging mevr. D. Eisenga

Ned. Triathlon Bond mevr. C. Brouwer

Ned. Wandelsport Bond dhr. E.M. Bosch

Ned. Waterski Bond dhr. H.M. de Laat

Squash Bond Nederland dhr. H. van Aller

52 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Overig (benaderd voor thematische invalshoek):

Gemeente Den Bosch dhr. B. de Haas

NCSU dhr. P. van Diermen

NebasNsg dhr. E. Bos

NISB dhr. P.J. Mol

NISB dhr. G. Kroes

KNKV dhr. P. van Teteringen

KNVB Zuid 1 dhr. G. Scheurwater

IOS dhr. G. van den Houten

IOS mevr. N. Jonk-van Elst

NOC*NSF mevr. S. Meeuwen, mevr. P. Mercus, dhr. H. Bronkhorst

RU Groningen dhr. M. de Greef

SportScan dhr. E. Holtman

53 Tussenstand breedtesportimpuls voor gemeenten, provincies en bonden in 2004


Uitgave

Ministerie van Volksgezondheid,

Welzijn en Sport

Postadres

Postbus 20350

2500 EJ Den Haag

Bezoekadres

Parnassusplein 5

2511 VX Den Haag

Telefoon (070) 340 78 90

Informatie

telefoon: 070 - 340 63 62

fax: 070 - 340 63 18

e-mail: impuls@minvws.nl

Internetadres

www.minvws.nl

Februari 2005

I

More magazines by this user
Similar magazines