Faculteitsblad Ruimtelijke Wetenschappen Jaargang 39 ... - girugten

girugten.nl

Faculteitsblad Ruimtelijke Wetenschappen Jaargang 39 ... - girugten

Girugten

Faculteitsblad Ruimtelijke Wetenschappen Jaargang 39 / nummer 4 / april 2008

België


Girugten

Jaargang 39, nummer 4, april 2008

Colofon

Girugten is het onafhankelijk

faculteitsblad van de Faculteit

Ruimtelijke Wetenschappen,

Rijksuniversiteit Groningen

Eindredactie

Wietske Wilts (Hoofdredacteur)

Pieter Jan Karsijns (Vormgeving)

Mathieu Drolinga (Vormgeving)

Redactie

Niels van Beurden

Bart Booij

Floris van der Lingen

Jitze Maatman

Guido Roegholt

Claire Vernède

Joep Westerveld

Druk

Drukkerij de Bie, Groningen

Oplage

575 stuks

E-mail

girugten@rug.nl

Postadres

Postbus 800

9700 AV Groningen

De eindredactie behoudt zich

het recht voor zonder opgaaf van

redenen artikelen in te korten, dan

wel te weigeren.

redactioneel

Voor u ligt een bijzonder goed gevulde

editie van Girugten, met als thema

België.

Het zal u niet ontgaan zijn dat in

België de afgelopen tijd politieke

spanningen bestonden. In ‘België,

een federale staat’ komt u dan ook

het nodige te weten over de historie

van de Belgische driedeling.

Dat Belgen niet alleen in Nederlandse

moppen (De Top 5) dom bezig zijn,

maar zich ook planologisch niet van

hun beste kant laten zien, is te lezen

in het artikel over grote nutteloze

infrastructurele werken in België.

In ‘De betonnen kust van België’ blijkt

dat de bouwlust van de Belgen geen

grenzen kent. Over typisch Belgische

en unieke historisch-geografische

verschijnselen gaan de artikelen over

Neutraal Moresnet en over Baarle-

Nassau en Baarle-Hertog.

Dat Belgen Nederlanders ook te slim

af kunnen zijn, blijkt in het artikel

‘De godentranen van Antwerpen’ over

diamantslijpen in Antwerpen.

In dit nummer aan wegen geen gebrek:

in ‘Kasseien als erfgoed’ wordt de

luxe van de Belgische kasseienwegen

belicht, er wordt weer een traject

besproken en in de masterthesis

komen de inrichting en de functie van

wegen aan bod.

Rest mij niet dan u een plezante lente

te wensen,

Wietske Wilts

redactieleden gezocht

Om Girugten regelmatig te laten

verschijnen, is veel mankracht

nodig. Daarom zijn wij op zoek naar

mensen die het leuk vinden stukken

te schrijven of te redigeren. Lijkt je

dit wat, stuur dan een e-mail naar

girugten@rug.nl.


Uitgelicht

4. De grote nutteloze

werken

8. De godentranen van

Antwerpen

12. België, Een federale

staat

Inhoud

De grote nutteloze werken

Tom van der Meulen 4

Kasseien als erfgoed

Pieter Jan Karsijns 7

De godentranen van Antwerpen

Joep Westerveld 8

Baarle-Nassau & Baarle-Hertog

Wietske Wilts 10

België, Een federale staat

Claire Vernède & Niels van Beurden 12

Neutraal Moresnet

Mathieu Drolinga 15

Plaatsnamen over de grens 16

Wietske Wilts

De betonnen kust van België

Guido Roegholt 18

Gevaarlijke wegen: veilige wegen?

Jochem Dijkstra 20

De Top 5

Niels van Beurden 23

Alles is Geografie

Floris van der Lingen 24

Op de bank van...Tialda Haartsen

Jitze Maatman 25

Het Traject

Arvid Krechting 26

Herta Macht Scriptieprijs 2008 27

Ibn Battuta 28

Een zonnige toekomst

Anne Gmelig Meyling 29

Pro Geo 30

Uit het buitenland

Billie de Haas 32

België


België

De grote nutteloze

4

werken

girugten april 2008


In 1993 verscheen bij uitgeverij Kritak in Leuven een van mijn favoriete planologische boeken: ‘Blijvende blunders; de grote nutteloze

werken’, geschreven door Douglas de Coninck. Het verhaalt van een aantal projecten in België die slechts voor de helft of daaromtrent

zijn gerealiseerd, of als ze wel het geluk hadden te worden voltooid, vervolgens niet echt in een behoefte voorzagen. Onbenutte tunnels,

spookbruggen, geïsoleerd in het landschap staande viaducten, ongebruikte metrostations en zelfs een stuk duwvaartkanaal bij Antwerpen

onder de snelweg naar Breda bij St. Job in ’t Goor zijn voorbeelden van de vijftig beschreven projecten. Op de achterflap wordt gesproken

van een nutteloos rijkspatrimonium, een terminologie die de projecten weer acceptabel maakt voor het utilitair ingestelde geweten. Gebrek

aan onmiddellijk nut wordt gecompenseerd door opneming in het erfgoed met een eigen waarde. Zo is het boek uiteindelijk een toeristische

gids voor wie in nutteloze werken het ongewilde artistieke aspect kan herkennen, aldus de achterflap.

Het is verleidelijk een paar van de beschreven projecten wat nader te

bekijken. Om de verbinding tussen Hasselt en Eindhoven wat op te

krikken zijn alvast een aantal bruggen en viaducten in het landschap

geplaatst, vooruitlopend op een ooit aan te leggen tweebaansweg: de

A24 (let op: een tweebaansweg kan vier of meer rijstroken tellen). Of

die er ooit komt is twijfelachtig. Bij het heen en weer schuiven van het

geplande tracé ter hoogte van Hechtel-Eksel (oost en west variant) werd

eerst een gezin in 1977 uit zijn nieuwe zelfgebouwde woning te Wijgmaal

gezet. Toen het vervangende huis klaar was had de A24 hen achtervolgd:

de westvariant kreeg alsnog de voorkeur. Een nieuwe onteigening hangt

hun boven het hoofd, aldus De Coninck in 1993. Zo moddert de planning

niet alleen in beton voort maar ook in ellende van bewoners die de pech

hadden op een (wel zeer) uitgelezen plek te wonen. Pro-actieve planning

heeft zijn beperkingen.

Planning is een breed begrip. Heb je eenmaal een tunnel aangelegd

voor een railverbinding, dan moeten de voertuigen natuurlijk daar

wel in passen. Bij de pre-metro (ondergrondse tram) van Brussel ging

dat mis. De tunnel was gebouwd voor rijtuigen van 2,20 meter breed.

De uiteindelijke tram, een product van BN en Acec-Alsthom, was

2,30 meter breed. Daarbij was de gelegenheidscombinatie BN-Acec-

Alsthom ingegeven door, wat in België zo mooi heet, communautaire

overwegingen. Overwegingen dus die te maken hebben met de

verhouding Vlaanderen-Wallonië. Aanvankelijk dongen de bedrijven

afzonderlijk of met andere partners mee op de inschrijving van de

trams. Bij de specificaties was de maximale breedte wel opgegeven. Maar

processen hebben nu eenmaal een eigen dynamiek.

Voor technisch planologen, maar ook voor elke toerist die is geïnteresseerd

in sluizen en kanalen is het hellend vlak van Ronquières een must. Het

ligt er al weer een tijdje, sinds 1968, en de aanleg werd gepland in een tijd

dat België ten zuiden van Brussel nog veel scheepsverkeer genereerde.

De voor spitsen (standaard binnenvaartschepen van ca. 350 ton)

toegankelijke vaarwegen waren niet meer passend. Opwaardering tot een

capaciteit van 1350 tonners betekende een wezenlijke schaalvergroting.

Groot is het hellend vlak inderdaad. Twee bakken met water, eventueel

gevuld met schepen, overwinnen een hoogteverschil van zeventig

meter. Het begrip waterverplaatsing krijgt duidelijk inhoud, ook bij

het binnenvaren van een bak. Bedenk dat ongeacht de aanwezigheid

van schepen in de bak de massa van de bakken constant is. Het ziet

er erg indrukwekkend uit met al die wielen en contragewichten. Maar

het gebruik is minimaal. Het hellend vlak is ook een mooi voorbeeld

van communautaire pariteit. Een evenredigheid van investeringen in

Vlaanderen en Wallonië, ongeacht de werkelijke behoefte, maar wel

voortkomend uit afspraken inzake een rechtvaardige verdeling van

middelen. Overigens is met de federalisering van België dit principe van

communautaire pariteit niet meer van toepassing.

Het project werd ook geacht toeristen te trekken. Een paar zijn er altijd

wel te vinden en ook is er enige horeca tot ontwikkeling gekomen. Daar

heb ik eens een zeer sterk met knoflook doordesemde aioli genuttigd

waar de Franse douane na vele tientallen kilometers rijden nog van

terugdeinsde toen hij zijn hoofd in mijn eend stak.

Wegen hebben onderhoud nodig. De Boudewijnautosnelweg tussen

Antwerpen en Luik is een van de oudste autosnelwegen van België,

girugten april 2008

aangelegd in de jaren vijftig. Naar de mode van die tijd met betonplaten,

die ondanks hun robuuste voorkomen na verloop van tijd de neiging

hebben te verzakken en te breken, mede door het sterk toegenomen

verkeer. Verbetering van de weg vond plaats door de betonlaag te

verbrijzelen en te gebruiken als fundament voor een nieuwe asfaltlaag.

Gevolg: de weg komt omhoog en viaducten worden te laag. Men had de

keuze om het loffelijk procedé van hergebruik van bouwmaterialen bij

de onderdoorgang van viaducten achterwege te laten, maar die keuze is

niet gemaakt: de viaducten zijn afgebroken en opnieuw opgebouwd.

Groningen heeft zijn smeerpijp, België ook. Tussen Tessenderloo en

Antwerpen loopt er een. Tessenderloo is een plaatsje in de Kempen dat

het in de economisch geografische literatuur vroeger goed heeft gedaan

als voorbeeld van een economische groeipool, toen na het wegvallen van

de werkgelegenheid in de mijnbouw bulkchemie nog een veelbelovende

industriële activiteit leek. De smeerpijp, langs het Albertkanaal, is

bedoeld voor de afvoer van afvalstoffen van de chemische industrie.

Alvorens die in de Schelde te storten is het goed het afvalwater te

reinigen. Helaas: aan het eind van de smeerpijp staat een installatie die

uitsluitend geschikt is voor het reinigen van huishoudelijk afvalwater…

5

-door Tom van der Meulen-


6

België

Het centrale plein van Luik is de Place St. Lambert. Luik als grootste

Waalse stad wil een metro, die dan ook de Place St. Lambert moet

aandoen. De Coninck (pag. 33) beschrijft het bouwproces als volgt: “In

het midden van het plein werd een waanzinnig grote put gegraven en

daar werden duizenden tonnen beton en metaal in gekieperd. [ …] Het

vermoeden dat hier zonder enige coördinatie werd gewerkt, werd in de

ogen van veel omwonenden bevestigd toen ze zagen hoe aannemers

her en der pas opgetrokken muren prompt weer gingen slopen.

“Kleine bijsturingen van het oorspronkelijke project” luidde het bij het

ministerie van verkeerswezen.” Uiteindelijk stopten de werkzaamheden

in 1980, waarbij zes (!) plannenmakers betrokken waren, die elkaar de

schuld gaven. Het ontbrak aan een bouwheer, volgens een zaakgelastigd

architect.

Zo gaat het boek nog een hele tijd door. Een ongebruikte metro in

Charleroi, viaducten met hellingen die als skibaan worden gebruikt,

krimpend gipsafval te Zelzate bedoeld als basis voor viaducten maar als

zodanig niet te gebruiken, een middenberm van 40 meter breed tussen

Antwerpen en Brussel (je weet nooit waar die goed voor zou kunnen

zijn) en vooral veel nutteloze viaducten en bruggen. Het is een lust het

boek te lezen en te bedenken wat er in de planning allemaal mis kan

gaan.

Erg gemakkelijk is het, hier een typisch staaltje Belgische planning

in te zien. Terecht of ten onrechte, België heeft op dat gebied

niet een beste naam. Oud collega Jochem de Vries noemt in zijn

proefschrift als een typisch kenmerk van de planning in België de

vanzelfsprekendheid waarmee de burger in dat land er alles aan doet om

aan overheidsregelgeving te ontsnappen. Dat is daar een volkssport. Die

wordt, zoals De Coninck laat zien, met overgave door lokale en regionale

bestuurders-politici beoefend, waarbij enig cliëntelisme niet wordt

geschuwd. Maar uit bovenstaande voorbeelden is al duidelijk geworden

dat, institutioneel gezien, de verhouding Vlaanderen-Wallonië ook het

een en ander heeft bijgedragen aan de zogenaamde ongewilde artistieke

aspecten.

Daarbij, Nederland begint als planningsparadijs steeds meer op België te

lijken. Wildgroei van bedrijventerreinen langs snelwegen zijn beslist niet

meer een Belgische specialiteit. Ongecontroleerde initiatieven brengen

het land tot een staat waarvan met name de ontwikkelaars zeggen dat

“we dat zo met zijn allen hebben gewild.” Dat is dus de overheid, vooral

bij tegenvallende resultaten. Successen komen op het conto van visionair

ondernemerschap. Naast de overheid als kop van Jut is de andere constante

in het vastgoedontwikkelaarsvocabulaire het grenzeloos vertrouwen in

de toekomst: vanaf nu gaat alles beter, resultaten in het verleden zijn

garantie voor afwezigheid ervan in de toekomst. Een en ander werd weer

eens met verve ten gehore gebracht bij het afscheidssymposion van prof

Ed Nozeman op 21 februari jl. Van de daar gepropageerde nieuwe hype,

belevingslandschappen, hebben Tracy Metz (het Belevium!), Willem van

Toorn en Theo Baart al het nodige laten zien. Maar hiermee zijn we wat

afgedwaald van de nutteloze werken.

Onjuist is het ook te veronderstellen dat er in Nederland geen nutteloze

werken zouden zijn. Planning disasters zijn van alle landen, alle tijden

en alle schaalniveaus. De A4 van Rijswijk naar de Beneluxtunnel, het

Prins Bernhard viaduct in Den Haag, de Eemshaven, al komen daar de

laatste tijd positieve berichten van (let ook eens op de proportionering

van de Eemshavenweg: viaducten zijn gebouwd op vier rijstroken,

bosschages camoufleren de gaten onder de viaducten). Daarnaast het

Goudriaankanaal van Durgerdam door Marken (!) ter vermijding van

de ondiepten van Pampus, een kavel langs de Hornstermeerweg tussen

de rotonde van Joure tot voorbij Vegelinsoord die vooruitliep op een

tweebaansautoweg richting Leeuwarden (aansluiting bij Akkrum) en het

IBF te Heerenveen. Het zijn evenzoveel voorschotten op de toekomst

die niet datgene bracht waar men op speculeerde.

Natuurlijk kan na verloop van tijd alles ten goede keren. Misschien komt

er nog een tijd dat men er als verkeersdeelnemer van overtuigd raakt dat

de IJtunnel in Amsterdam of de Kiltunnel in Dordrecht in een behoefte

voorziet. Als student beschouwde ik ook de ringspoorbaandijk van

Amsterdam als een nutteloos zanddepot, al lag het niemand in de weg.

Inmiddels wordt de spoorbaan goed gebruikt. En het Gorechtkanaal is

een mooie waterpartij.

Tenslotte. Het is nog niet zo gemakkelijk te bepalen wat een nutteloos

werk is. Wat is de periode die verlopen moet zijn om van een mislukking

te spreken? Zijn sommige projecten meer verwijtbaar dan andere? Zo ja,

waar zoek je dan het criterium? In de te optimistische gebruiksprognose,

de onnozelheid waarmee bestuurders zich van alles op de mouw

laten spelden, of de persoonlijke ambitie van wethouders om na een

bestuursperiode de wereld een piramide na te laten? Genoeg vragen om

eens voor te gaan zitten!

Bronnen:

- Coninck, D. de (1993), Blijvende blunders. De grote nutteloze werken. Leuven:

Kritak

- Metz, T. (2002), Pret!. Leisure en landschap. Rotterdam: NAI uitgevers.

- Toorn, W. van (2007), Project Nederland. Met een beeldessay van Theo Baart.

Amsterdam: Augustus.

- Valk, A. van der, en R. van Leeuwen (2000), Sporen van het verleden in

de Amsterdamse verkaveling. Amsterdam: Amsterdamse Raad voor de

Monumentenzorg / De Balie.

- Vries, J. de (2002), Grenzen verkend. Internationalisering van de ruimtelijke

planning in de Benelux. Delft: Delft University Press.

girugten april 2008


Kasseien als erfgoed

Kinderkopjes, flinten, kasseien, hoe ze ook genoemd worden,

de meningen erover zijn sterk verdeeld. Waren deze stenen in de

eerste helft van de vorige eeuw nog gemeengoed in vele steden en

op menig landweg, tegenwoordig zijn de meeste verdwenen onder

het asfalt. Toch bestaan er in België verscheidene initiatieven om

zoveel mogelijk van deze kasseien, uit cultuurhistorisch oogpunt,

te bewaren.

In België bestaat er een aantal organisaties die zich met erfgoed

en monumentenzorg bezighouden. Deze zijn ondergebracht bij de

taalgewesten, die verantwoordelijk zijn voor onder andere cultuur.

In hun publicaties worden kasseiwegen regelmatig genoemd als een

belangrijk onderdeel van de cultuurhistorie. De Koninklijke Commissie

voor Monumenten en Landschappen (KCML) van het Ministerie van het

Brussels Hoofdstedelijk Gewest bijvoorbeeld, bespreekt in één van haar

brochures uitgebreid de voordelen van kasseibestrating, en de betekenis

hiervan voor het stedelijk erfgoed in Brussel. De bestrating is, volgens

de KCML, beeldbepalend en kan zorgen voor verbeterde leesbaarheid

van het stratennet. Er worden steeds meer steenwegen beschermd als

monument, zowel in stedelijk, als in landelijk gebied. Meestal worden

kasseiwegen overigens niet op zichzelf als erfgoed bestempeld, maar

vaak als onderdeel van een beschermd dorps- of stadsgezicht.

Veel kasseiwegen die wél specifiek als monument worden aangemerkt,

hebben een sterke verwantschap met de wielersport. Iedereen kent

wel de beelden van met modder besmeurde renners die zich met veel

genoegen over de meest slecht bestrate wegen voortbewegen. Voor de

Tweede Wereldoorlog was dit de normaalste zaak ter wereld, kasseiwegen

waren zelfs een luxe, vergeleken met de onbestrate wegen die toen

alomtegenwoordig waren. Na de oorlog werd het steeds moeilijker om

de renners een uitdagend parcours voor te schotelen. Veel kasseiwegen

werden overdekt met asfalt. Organisatoren speurden stad en land af op

zoek naar geschikte obstakels, die de koers selectief konden maken.

girugten april 2008

Voor- en nadelen van kasseien

Het belangrijkste bezwaar tegen het gebruik van kasseien als

bestrating is de geluidsoverlast die het veroorzaakt als verkeer er snel

overheen rijdt. Dit kan echter ondervangen worden door de kasseien

op de traditionele manier te plaatsen, dat wil zeggen, op een zachte

ondergrond (zand), in tegenstelling tot bijvoorbeeld op beton, wat

tegenwoordig veel gebruikt wordt. Door het vakkundig plaatsen van

de stenen en het combineren van verschillende steensoorten kan

tevens voorkomen worden dat deze verzakken. Het grote voordeel

van kasseien is hun duurzaamheid, ze blijven immers (bijna) eeuwig

bruikbaar. Tevens is de afwatering een stuk beter dan bijvoorbeeld

bij asfalt.

Inmiddels hebben talrijke kasseistroken een beschermde status en dus

is de toekomst van wedstrijden als de Ronde van Vlaanderen en Parijs-

Roubaix (in Noord-Frankrijk worden ook veel stroken als erfgoed

beschermd) gewaarborgd.

Wellicht de beroemdste kasseiweg in Vlaanderen, de Muur van

Geraardsbergen, scherprechter in de Ronde van Vlaanderen, is in 1995

uitgeroepen tot monument. De berg zelf werd overigens al in 1940 als

beschermd landschap aangemerkt. Andere bekende hellingen, zoals de

Oude Kwaremont en de Koppenberg, werden ook erkend als erfgoed

door de Vlaamse overheid. Het meest opmerkelijke verhaal, echter, is dat

van de Paterberg. Deze werd aangelegd door een boer uit Kluisbergen

die elk jaar de renners voorbij zag komen over de Koppenberg, en bij

zichzelf dacht: “Dat wil ik ook.” Hij begon in 1982, en binnen anderhalf

jaar had hij een complete kasseienhelling van 360 meter klaar. In 1986

kreeg hij de organisatie van de Ronde van Vlaanderen zover dat ze zijn

berg opnamen in het parcours. In 1993, net geen tien jaar oud, werden

de kasseien van de Paterberg een beschermd monument.

Met het beschermen van waardevolle

cultuurhistorische objecten, in ieder geval

kasseistroken, lijkt het dus goed te gaan in

België. In Nederland zijn de kinderkopjes

echter dun bezaaid. De echte liefhebbers

weten ze wel te vinden, vooral in de Drentse

bossen bevinden zich nog wel een aantal

pareltjes, enkele van deze worden zelfs

opgenomen in het parcours van de Vuelta

a España, die in 2009 in Assen van start

gaat. Een hele mooie strook onder de rook

van Groningen, is die bij Zuidwolde, langs

het Boterdiep richting Bedum. Hopelijk

realiseert de Nederlandse overheid zich op

tijd dat dit soort fraaie wegen onderdeel

wel degelijk uitmaken van ons erfgoed.

Bronnen:

- http://nl.wikipedia.org/wiki/Kinderkopje

- http://www.monument.irisnet.be/KCML.pdf

- http://www.onroerenderfgoed.be/

-door Pieter Jan Karsijns-

7


-door Joep Westerveld-

8

België

De godentranen van Antwerpen

Het woord diamant is afgeleid van het Griekse ‘Ademas’, dat iets betekent als onoverwinnelijk of onvernietigbaar. Dit heeft er aan de

ene kant mee te maken dat diamant nog altijd het hardste materiaal is dat in de natuur gevonden wordt. Aan de andere kant heeft het te

maken met de magische kenmerken die men al eeuwenlang aan diamant toekent. Eeuwenlang droegen koningen diamanten bij zich

als talisman voor onoverwinnelijkheid. De Romeinen dachten dat diamanten splinters waren van gevallen sterren. Zelf dachten de oude

Grieken dat diamanten de tranen van de goden waren. Als dat zo is, dan moeten de goden erg verdrietig zijn geworden bij het zien van

Antwerpen. In deze stad zijn namelijk nogal wat van deze goddelijke tranen te vinden.

Wie wel eens met de trein naar Antwerpen is gereisd kan het nauwelijks

ontgaan zijn; Antwerpen is de stad van de diamanten. Vlakbij het Centraal

Station is de diamantbuurt gelegen. Binnen één vierkante kilometer zijn

rond de 1500 bedrijfjes gevestigd die handelen in diamanten. Van alle

bewerkte diamanten in de wereld is ruim de helft ooit in Antwerpen

geweest. Van alle ruwe diamanten ter wereld worden zelfs acht op de tien

verhandeld in Antwerpen. Dat alles voor een stad die niet eens in de buurt

van een diamantmijn ligt.

Het huwelijk tussen Antwerpen en de diamant begint in de gouden eeuw

van de stad. In de zestiende eeuw ontwikkelde Antwerpen zich tot de

belangrijkste havenplaats van West-Europa. De enige plaats waar destijds

diamanten werden gedolven was India. Die diamanten werden in eerste

instantie half over land en half over zee naar Europa gebracht. Venetië was

toen de belangrijkste handelsplaats voor diamant. Nadat de Portugezen

echter de directe zeeroute naar Azië ontdekten, nam Antwerpen de plaats

van Venetië over als belangrijkste handelsplaats voor diamant.

Al gauw werd in Antwerpen het slijpersgilde opgericht. Volgens het verhaal

zou een zekere Lodewijk van Bercken de techniek van het diamantslijpen

ontdekt hebben. Zijn standbeeld is nog altijd te zien in het centrum van de

stad. Waarschijnlijk is dit verhaal verzonnen en werd er al eerder diamant

geslepen in India. Wat wel zeker is, is dat het slijpen in Antwerpen verder

is geprofessionaliseerd.

Toen Antwerpen tijdens de Tachtigjarige Oorlog onder Spaans bestuur

kwam, vluchtten veel joodse en protestantse Antwerpenaren de stad uit.

Bang voor de inquisitie gingen zij naar de zelfstandige Republiek der Zeven

Verenigde Nederlanden, voornamelijk naar Amsterdam. Vooral onder de

joodse vluchtelingen waren veel diamantbewerkers. Dit zorgde ervoor

dat ook Amsterdam een centrum werd voor diamantbewerking. Voor

De joden en de diamanten

Waarom is de handel in diamanten in Antwerpen, maar ook in de rest

van de wereld, voor een groot deel in handen van joden? Hiervoor is

een aantal redenen te verzinnen. In de eerste plaats is er simpelweg

al eeuwenlang een connectie tussen joden en juwelen. De expertise

van het bewerken van, en handelen in juwelen wordt van generatie

op generatie doorgegeven. Hierdoor blijven de joden een belangrijke

positie behouden in de diamanthandel. Op de tweede plaats zijn

joden in de geschiedenis vaak vervolgd. Vaak moesten groepen

joden op de vlucht omdat een bepaald regime hen de schuld gaf van

economische malaise, ziektes of andere verschrikkingen. Aangezien

diamanten klein zijn, maar toch erg kostbaar, is het voor joden

handig om in diamanten te handelen. Als je dan je woonplaats moet

ontvluchten, dan kun je makkelijk al je koopwaar meenemen. Dat

lukt je niet zomaar met honderd kilo goud op zak. Een derde reden is

dat joden verspreid zijn over de hele wereld. Veel joden hebben dan

ook familie in verschillende delen van de wereld. Dit vergemakkelijkt

het leggen van contacten voor internationale handel.

Antwerpen was dit een dramatische ontwikkeling. Toen de Nederlanders

ook nog de Westerschelde afsloten was het gedaan met de gouden eeuw

van Antwerpen. Amsterdam nam de rol van belangrijkste havenstad van

West-Europa over. Dit vormde het begin van de Nederlandse gouden

eeuw.

In de eeuwen die volgden keerde een deel van de joodse diamantbewerkers

weer terug uit Amsterdam en zetten de diamantbewerking voort in

Antwerpen. De bevoorrading kwam voor een groot gedeelte nog wel uit

Amsterdam. De Amsterdammers hielden de mooiste stenen voor zichzelf

en verkochten de minderen aan de Antwerpenaren. De zuiderburen lieten

zich hierdoor niet uit het veld slaan. Ze gaven blijk van grote inventiviteit

en bedachten nieuwe slijptechnieken, om zelfs de mindere stenen mooi te

laten schitteren.

De diamanthandel kwam pas echt goed op gang toen er in 1870 diamanten

werden ontdekt in Zuid-Afrika. Omdat de Zuid-Afrikanen geen ervaring

hadden met het bewerken van diamanten werden deze diamanten

verscheept naar Antwerpen en Amsterdam. Het toeval wilde dat net

in die tijd een nieuwe groep joden aankwam in Antwerpen. Zij waren

gevlucht uit Oost-Europa en zochten een beter bestaan in Amerika. Het

plan was om vanuit Antwerpen per boot de oversteek te maken. Eenmaal

aangekomen in de havenstad namen nog maar weinig van hen de boot

naar Amerika; aangetrokken door de diamanthandel vestigden zij zich in

Antwerpen.

De diamanthandel groeide als kool. In Antwerpen, maar ook in

Amsterdam kwamen steeds meer diamanten op de markt. Investeerders

die Zuid-Afrikaanse mijnen bezaten, waren bang dat hun diamanten op

deze manier snel in waarde zouden dalen. De prijs van diamanten was

(en is) namelijk geheel afhankelijk van de schaarste van het product. De

investeerders gooiden het op een akkoordje en richtten het bedrijf De

Beers op. De Beers verwierf een monopoliepositie op diamantproductie

en zorgde ervoor dat de diamantprijs hoog bleef.

girugten april 2008


In de Eerste Wereldoorlog kreeg de Antwerpse diamantindustrie weer een

klap te verwerken. Dit had er mee te maken dat De Beers geen diamanten

wilde verkopen aan gebieden die bezet waren door Duitsland (Zuid-

Afrika was destijds een Britse kolonie). Aangezien Nederland neutraal

was, vertrokken veel diamantslijpers van Antwerpen naar Amsterdam.

Wederom leek het erop dat Amsterdam de status van Antwerpen als

diamantstad van de wereld zou overnemen. Het tegendeel werd echter

bewaarheid.

Na de oorlog trokken alle Antwerpse slijpers weer terug naar hun thuisstad.

Daarbij overtroefden ze hun Amsterdamse collega’s in inventiviteit en

handelsgeest. Waar de Mokumse diamanthandelaren weinig initiatief

toonden, introduceerden de Antwerpenaren nieuwe slijptechnieken,

haalden hun internationale banden aan en openden maarliefst vier nieuwe

diamantbeurzen.

Intussen was men op de Kempen, een streek vlakbij Antwerpen, ook

begonnen met diamantslijpen. De Kempen was voorheen één van de armste

streken van België, het werd gekenmerkt door kleine boerenbedrijfjes.

Die bedrijfjes waren zo klein dat het niet voor iedereen genoeg werk

opleverde. Toen op de Kempen het diamantslijpen werd geïntroduceerd

was dit dan ook een groot succes. In een streek die smeekte om arbeid

wilde men maar al te graag aan de slag voor de diamanthandelaren.

Na de oorlog werd er ook op de Kempen weer volop diamant

geslepen. In deze streek werden vooral de kleinere diamanten geslepen

in relatief eenvoudige achtkantvormen. De grotere en complexere

stenen werden in de stad zelf geslepen. Waar men in Antwerpen

per uur betaald werd, kreeg men op Kempen betaald per steen.

Dit kwam in vergelijking met Antwerpen neer op een laag loon,

maar in een arme streek als de Kempen was men daar tevreden mee.

girugten april 2008

De lage lonen van de Kempenaren zorgden er definitief voor dat

Antwerpen de slag won van Amsterdam.

Een laatste tegenslag krijgt Antwerpen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Veel joden zagen de bezetting van de nazi’s aankomen en vluchtten. Het

grootste deel van de diamantslijpers en handelaren zit de oorlog uit in

Londen, zo ook burgermeester Huysmans. Hij houdt zich tijdens de

oorlog bezig met het verenigen van de fabrikanten en handelaren om

zo een terugkeer van de diamantindustrie voor te bereiden. Dit lukt

wonderwel want ook nu weer keren bijna alle handelaren en slijpers

terug. De ontdekking van diamanten in Belgisch Kongo helpt er aan

mee dat Antwerpen zijn positie als diamanthoofdstad van de wereld weer

inneemt.

Vandaag de dag is de productie van geslepen diamanten grotendeels

verdwenen. Op de Kempen worden helemaal geen diamanten meer

geslepen, in Antwerpen zelf alleen nog de grotere en duurdere stenen.

Het slijpersgilde is teruggelopen van vijfentwintigduizend man in

de hoogtijdagen naar drieduizend man nu. De overige productie is

overgeplaatst naar landen waar de lonen nog veel lager zijn dan op de

Kempen (vooral India). Daar staat tegenover dat de handel bloeit als

nooit tevoren. Het label “cut in Antwerp” staat nog altijd bekend als één

van de kwalitatief meest hoogwaardige producten op diamantgebied.

Daarnaast zijn ook de vier diamantbeurzen nog steeds in volle zwang,

evenals de overige 1500 diamantairs die Antwerpen rijk is. Jaarlijks wordt

in de Antwerpse diamantenhandel 25 miljard euro omgezet. Dat is goed

voor acht procent van de totale Belgische export. Dat de diamanthandel

in Antwerpen de stad geen windeieren legt mag dus wel duidelijk zijn. Het

is daarom te hopen voor Antwerpen dat de goden hun tranen nog lang in

de stad zullen laten vloeien.

A diamond is forever

Het idee dat een diamant symbool staat voor liefde en romantiek is nog niet zo oud. Het is het resultaat van één van de meest succesvolle

marketingcampagnes ooit. Toen de diamantverkoop tijdens de economische crisis in de jaren dertig terugliep, besloot De Beers dat er actie moest

worden ondernomen. De diamant moest een symbool worden van macht, rijkdom en bovenal romantiek; om te beginnen in de Verenigde Staten.

Om dit te bereiken schakelde De Beers het reclamebedrijf N.W. Ayer in.

Gerald Lauck, de president van N.W. Ayer nam de taak hoogstpersoonlijk op zich. Hij trok zich terug om onderzoek te doen en kwam een jaar later

met een plan om de diamant te romantiseren. Hij wilde de gehele manier van denken veranderen in de manier waarop een man een vrouw het hof

maakte. Zowel mannen als vrouwen moesten het idee krijgen dat er niets romantischer was dan het geven, of krijgen, van een diamanten ring. De

diamant moest een onafscheidelijk deel worden van het huwelijk, in de vorm van een verlovingsring.

Om dit idee in te bakken in de Amerikaanse psyche werden filmsterren ingezet, destijds de idolen bij uitstek van jonge Amerikanen. In tijdschriften

stonden foto’s van filmsterren met grote diamanten ringen om hun vinger. Modekenners spraken van een nieuwe trend van het dragen van diamanten.

Zelfs het Britse koningshuis werd ingeschakeld. Het reclamebureau wist hen ervan te overtuigen dat de diamantenindustrie erg belangrijk was voor

het Verenigd Koninkrijk en dat het de industrie veel goeds zou doen als de koningin voortaan diamanten zou dragen in plaats van andere edelstenen.

De campagne wierp zijn vruchten af; twintig jaar later werd een diamanten ring door bijna alle jonge Amerikanen gezien als onafscheidelijk

onderdeel van een verloving.

Na de Amerikaanse campagne werd ook in Japan het idee van de verlovingsring ingevoerd. Japan had in die tijd (jaren zestig) nog helemaal geen

traditie van romantiek. Huwelijkspartners werden uitgekozen door ouders en dat was dat. Er was geen sprake van verleiding of romantiek, laat

staan van het geven van diamanten ringen. Deze traditie van gekoppeld worden bestond al honderden jaren en had al heel wat revoluties overleefd.

Toch was N.W. Ayer ervan overtuigd dat men ook in Japan de diamanten verlovingsring uiteindelijk zou omarmen. Op advertenties werden mooie

vrouwen afgebeeld die bezig waren met activiteiten als fietsen, zeilen of kamperen. Stuk voor stuk westerse tradities die al wel waren doorgebroken

in Japan. De vrouwen waren westers gekleed en op de achtergrond stond een tevreden Japanse man, ook gehuld in westerse kledij. De boodschap was

duidelijk, diamanten waren tekenen van een breuk met het oriëntaalse verleden en een symbool voor moderniteit en vooruitgang. Het werkte. Twintig

jaar later waren de Japanse tradities dusdanig op zijn kop gezet dat het land wereldwijd de tweede afzetmarkt werd voor diamanten verlovingsringen,

na Amerika.

De slogan ‘a diamond is forever’ speelt een belangrijke rol in de reclamecampagne. Enerzijds geeft het de romantiek van de diamant weer, het

geven van een verlovingsring staat zo symbool voor eeuwige liefde. Aan de andere kant zit er ook een zakelijk aspect aan. Als een deel van alle

diamantbezitters zou beslissen om hun diamanten weer te verkopen zou dat dramatische gevolgen kunnen hebben voor de diamantprijs. Het aanbod

van diamanten op de wereldmarkt zou spectaculair groeien en daarmee zou de prijs dalen. Als De Beers controle wilde houden op de prijs van de

diamant was het daarom van het grootste belang dat iedereen ervan doordrongen werd dat een diamant eeuwig is en dat je die dus niet verkoopt.

9


-door Wietske Wilts-

10

België

Baarle-Nassau & Baarle-Hertog

De website van het dorp spreekt over ‘het meest unieke dorp in Europa’ en ‘de grootste legpuzzel ter wereld’… Natuurlijk, dat is Baarle,

een 9000 inwoners tellend dorp bestaande uit Baarle-Nassau en Baarle-Hertog, dat in het zuiden van Noord-Brabant vlak tegen de

Belgische grens ligt. Het Nederlandse deel wordt Baarle-Nassau genoemd; het Belgische deel Baarle-Hertog. Met dit dorp is namelijk

iets bijzonders aan de hand: het ligt in België én in Nederland. Baarle-Hertog bestaat uit 22 Belgische enclaves op het grondgebied

van de Nederlandse gemeente Baarle-Nassau. De grens verdeelt het dorp in tweeën en loopt soms midden over de straat en zelfs ‘door’

huizen. Er is zelfs een huis waarvan de voordeur precies op de grens ligt. Bij het officieel vaststellen van de grens kon men er niet uit

komen aan welk land het huis behoorde, vandaar dat het een Belgisch én een Nederlands huisnummer heeft. Dat het hier echt een

legpuzzel is, bewijst het feit dat zelfs ín de Belgische enclaves weer Nederlandse enclaves liggen en dat de verschillende nationaliteiten

ook nogal eens over de grens wonen. Hoe is dit allemaal gekomen? Dit artikel biedt een beknopt historisch overzicht.

Historie

De oudste documenten waarin van Baarle wordt gesproken dateren uit

het jaar 992. Uit dit jaar stamt een akte waarin gravin Hilsondis gebieden

schenkt aan de Abdij van Thorn. Er wordt beweerd dat dit document

vals is, maar de feiten die erin staan worden wel voor waar aangenomen.

Aan het einde van de twaalfde eeuw, in 1198, kreeg de Heer van Breda,

Godfried II van Schoten, zeggenschap over Baarle, nadat hij zich had

gevoegd bij het hertogdom Brabant. Hertog Hendrik II van Brabant

hield zelf nog directe zeggenschap over andere delen van Baarle. De

twee delen heetten toen ‘Baarle onder de hertog’ en ‘Baarle onder Breda’.

Uit dit jaar stamt feitelijk ook de scheiding van het dorp. Toen in 1404

Engelbrecht van Nassau baron werd van Breda, werd zijn deel van

Baarle ‘Baarle-Nassau’ genoemd. Baarle-Nassau is altijd ongeveer vier

keer zo groot geweest als Baarle-Hertog, dit is tegenwoordig nog steeds

het geval.

Aan het einde van de Tachtigjarige Oorlog werd in 1648, met De Vrede

van Münster, de grens tussen de toenmalige Noordelijke en Zuidelijke

Nederlanden vastgesteld. Doordat Baarle-Hertog bij het Belgische

Turnhout hoorde en Baarle-Nassau onder Breda viel, werd het dorp

verdeeld over twee landen. Ruim 200 jaar later werd met het Tractaat

van Maastricht de grens tussen België en Nederland officieel vastgesteld.

Omdat dit in korte tijd moest gebeuren en men er bij een aantal

gebieden in en om Baarle niet uit kwam bij welk land het moest horen,

is besloten per perceel te kijken welke nationaliteit het kreeg. Zo is de

versnipperde structuur van het dorp ontstaan. Pas in 1974 werd door de

tweede grenscommissie het gat in de grens gedicht en in 1995 werden

op basis van landmetingen door de derde en laatste grenscommissie de

enclavegrenzen erkend als rijksgrenzen.

Geografie

Baarle, in het eigen dialect ‘Baol’ genoemd, ligt vlak ten noorden van de

Nederlandse grens met België. De naam duidt naar alle waarschijnlijkheid

aan dat er vroeger op deze plaats een kaal bos was; ‘baar’ betekent kaal en

‘le’ of loo’ betekent bos. Bij het dorp Baarle-Nassau horen de omliggende

plaatsjes Ulicoten en Castelré en bij Baarle-Hertog horen enkele kleine

percelen tegen de Belgische grens, het dorpje Zondereigen en nog enkele

elders verspreid liggende percelen, die soms niet groter zijn dan honderd

vierkante meter.

Aan het eind van de achttiende eeuw had Jozef II, van het Heilige

Roomse Rijk, plannen om de grens te versimpelen; hij wilde Hertog aan

de Nederlanden geven en Ulicoten en Castelré aan België. Dit is echter

nooit gebeurd.

girugten april 2008


Conflicten

Dat Baarle is verdeeld over twee landen, levert natuurlijk zo nu en dan wel

eens wat problemen op. Al in 1400 hadden beide delen een eigen molen

om graan te malen. Er werden toen geregeld boetes uitgedeeld voor

mensen die wilden profiteren en hun graan in de molen aan de andere

kant van de grens gingen malen. Ook mochten in die tijd de inwoners

van Baarle-Hertog wel gebruik maken van de wegen van Baarle-Nassau,

maar dan moesten zij die wel zelf onderhouden en tevens tol betalen aan

de Heer van Breda. Zo ging het ook met het gebruik van de akkers. Op

een gegeven moment maakten de inwoners van Baarle-Hertog zoveel

illegaal gebruik van de wegen en akkers van Baarle-Nassau, dat de

inwoners van Hertog de toegang tot Nassau ontzegd werd. De wraak van

de inwoners van Hertog was dat de inwoners van Nassau niet meer naar

de kerk in Hertog mochten. In Baarle-Nassau werd toen een eigen kerk

gesticht. Pas aan het eind van de vijftiende eeuw, onder Engelbrecht van

Nassau, werd deze ruzie bijgelegd en mochten de inwoners van Nassau

de Hertogse straten weer bewandelen.

Samenwerkingen

Vanaf het einde van de zeventiende eeuw begonnen de beide Baarles

meer samen te werken. Zo deelden ze, ieder naar eigen vermogen, de

kosten voor een schoolmeester en toen de kerk van Hertog door een

grote brand getroffen werd sprong Nassau bij in de

reparatiekosten. Ook de molenvoorziening werd

gemeenschappelijk. In 1986 werden er in de Beneluxovereenkomst

duidelijke afspraken gemaakt over de

samenwerking en in 1998 trad het Gemeenschappelijk

Orgaan Baarle in werking, dat tot stand was gekomen

in een overleg tussen de provincies Noord-Brabant

en Antwerpen, waaronder de kernen vallen.

Dat het dorp onder twee landen valt, betekent ook

dat er van de voordelen van beide landen gebruik

gemaakt kan worden. In Baarle-Hertog is het hele

jaar een vuurwerkwinkel geopend, terwijl de Belgen

gemakkelijk gebruik kunnen maken van de erotische

videotheek die zich in Baarle-Nassau bevindt. Omdat

in België de winkels elke zondag geopend mogen

zijn, trekt Baarle vele Nederlandse dagtoeristen.

Er zijn nog steeds tal van dubbele voorzieningen in

het dorp. Zo zijn er twee brandweerkazernes, twee

kerken, twee vuilnisophaaldiensten die elk één keer

per week vuilnis ophalen en twee gemeentehuizen

met ieder hun eigen bestuur en dus ook hun eigen

burgemeester. De beide politieagentschappen

houden zitting in hetzelfde kantoor, en ook de gas-,

water- en elektravoorziening is gezamenlijk. Ook

kon men voor de tijd van de euro in het gehele dorp

met zowel franken als guldens betalen. Wat betreft

telefonie beschikt zowel KPN als Belgacom over een

netwerk in Baarle. Hierbij is een speciale regeling die

alleen binnen het dorp geldt: het netwerk is zodanig

ingesteld dat als inwoners van Nassau met KPN

naar inwoners van Hertog met Belgacom bellen en

andersom, het lokale tarief wordt berekend. Het zou

ook wat al te gek worden als je voor buitenlands tarief

naar iemand verderop in de straat moest bellen…

Uniek?

Dat Baarle een zeer uniek en merkwaardig dorp is

wordt uit het voorgaande wel duidelijk. Nergens

anders ter wereld zijn twee landen op een dergelijke

manier met elkaar verwoven. Als je gewoon door het

girugten april 2008

dorp wandelt, zou je bij wijze van spreken op elke hoek van de straat de

landsgrenzen weer passeren. Dit gaat overigens niet ongemerkt, want

overal zijn de grenzen met speciale stoeptegels aangegeven.

Vanwege de ingewikkelde enclaveverdelingen, bestaat er in Baarle zelfs

een zogeheten quadripoint, een vierlandenpunt. Het gaat echter wel om

een binationaal quadripoint, dus niet met vier verschillende landen.

Hiervan zijn er slechts twee andere ter wereld. De overal zomaar over

straat lopende landsgrenzen zorgen soms voor bizarre taferelen. In

de Eerste Wereldoorlog bijvoorbeeld was iemand steenkolen aan het

smokkelen in een kruiwagen toen hij op straat door een Nederlandse

patrouille werd aangehouden. De man in kwestie beweerde op Belgisch

grondgebied te zijn en wilde zijn steenkolen niet aan de Nederlander

afstaan. Er werden een Nederlandse en een Belgische gezagsdrager

bijgehaald en met behulp van een kadastrale kaart werd gekeken op welk

grondgebied de smokkelaar zich bevond. Het bleek dat hij zich net op

Belgisch grondgebied bevond, slechts veertig centimeter van de grens!

De smokkelaar had geluk en mocht weer doorlopen.

Bronnen

- http://baarledigitaal.org

-

www.baarle-nassau.nl / www.baarle-hertog.be

11


-door Calire Vernède en Niels van Beurden-

12

België

België

een federale staat

In dit artikel wordt getracht een beeld te schetsen van België in verschillende tijdsperspectieven. Hierbij zal het vooral gaan over

de interne verschillen en overeenkomsten in het (bestuurlijk?) verdeelde België, te verstaan Vlaanderen, Wallonië en het Duitstalige

gedeelte van België. Eerst wordt er teruggegaan naar het onafhankelijk worden van België in 1830. Hoewel hiermee de geschiedenis

wellicht wordt onderbelicht, gezien die natuurlijk veel verder teruggaat dan 1830, zal hier in dit artikel niet verder op worden ingegaan.

Wel werd in die periode de fundering gelegd voor het België zoals wij dat nu kennen. Hierna zal het ontstaan van bovengenoemde

gebieden worden toegelicht, uiteraard gevolgd door onderlinge overeenkomsten en verschillen met het oog op de problematiek in de

huidige situatie en tot slot een toekomstperspectief, ongetwijfeld met een subjectief tintje.

Nu eerst dus het ontstaan van België na het onafhankelijk worden van

Nederland of beter gezegd het Koninkrijk der Nederlanden (zie figuur

1). Om dit te begrijpen zal eerst een korte beschrijving worden gegeven

van de situatie in 1830, waarvoor de basis al gelegd werd in 1815 bij de

oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden.

Figuur 1: Het koninkrijk der Nederlanden in 1830

Nadat Napoleon bij ‘Waterloo’ definitief was verslagen, was er behoefte

aan een nieuwe sterke staat - dat wil zeggen, vooral Engeland had hier

behoefte aan - om weerstand te kunnen bieden aan de Franse dreiging.

De onderhandelingen over de nieuwe staat werden voornamelijk gevoerd

door de grote mogendheden Groot-Brittannië, Pruisen, Oostenrijk en

Rusland, onder leiding van de eerstgenoemde. Willem I zou de nieuwe

koning met veel macht worden. De belangrijkste partijen uit het zuiden,

de katholieken en de liberalen, stemden hier vooral uit vrees voor

elkaar mee in en uiteindelijk werd er met een ietwat aparte ‘Hollandse

rekenkunde’ een nieuwe grondwet aangenomen.

Om de scheiding slechts vijftien jaar later te kunnen verklaren zullen

eerst de belangrijkste verschillen tussen Noord en Zuid op een rijtje

worden gezet in de onderstaande tabel (zie tabel 1).

Tabel 1: Verschillen tussen het noordelijke en zuidelijke gedeelte van het Koninkrijk

der Nederlanden in 1830

Noord Zuid

Overwegend protestant Overwegend katholiek

2 miljoen inwoners 3,5 miljoen inwoners

Nederlandstalig Franstalig

Handelseconomie Agrarische economie

Burgerlijke bovenlaag Adellijke elite

Relatief grote staatsschuld Relatief kleine staatsschuld

Veel bestuurlijke macht Weinig bestuurlijke macht

Deze verschillen alleen al zouden leiden tot vele spanningen, maar waren

niet de enige problemen in het Koninkrijk der Nederlanden. Wellicht

hadden veel van de genoemde problematische verschillen overbrugd

kunnen worden indien er de beschikbaarheid zou zijn geweest over

betere communicatiemiddelen, meer politieke weerstand of simpelweg

meer tijd. Hoewel de standenmaatschappij langzaamaan verdween,

waren de culturen en motieven tussen Noord en Zuid nog dusdanig

verschillend dat er bijvoorbeeld geen sprake was van gemeenschappelijke

oppositiepartijen met gezamenlijke belangen, wat wellicht tot meer

eenheid en een beter beleid had kunnen leiden. Daarentegen zou in 1828

wel een verbond worden opgericht tussen de belangrijkste zuidelijke

oppositiegroepen, de katholieken en de liberalen in het zogenaamde

‘Monsterverbond’. Hiermee was de politieke situatie op zijn minst licht

ontvlambaar te noemen.

girugten april 2008


Andere factoren die in 1830 een rol zouden spelen waren:

» De economische terugslag en de lage lonen, hoge werkloosheid en

hoge voedselprijzen die hiermee gepaard gingen.

» De veranderende belangen van de grootmachten, waaronder met

name Groot-Brittannië die het Koninkrijk der Nederlanden niet

langer zag als waarborg voor eigen veiligheid, maar eerder als gevaar.

Hoewel Frankrijk gebaat zou zijn bij een escalatie, kampten zij met

hun eigen problemen en werden zij uiteraard ook nauwlettend in de

gaten gehouden door de andere grootmachten.

» Het feit dat het grootste gedeelte van het zuidelijke leger bestond

uit bevolking afkomstig uit het zuiden, welke naar later zou blijken

weinig zouden doen om een eventuele opstand tegen te houden.

» De julirevolutie in Parijs en een ‘revolutionaire’ operavoorstelling,

welke door veel zuiderlingen als voorbeeld werden gezien voor een

soortgelijke opstand.

» En als laatste valt ook de rol van koning Willem I, die achteraf

gezien niet altijd even tactvol heeft gehandeld en vooral op de

verkeerde momenten hard optrad of juist te toegeeflijk was, niet

uit te wissen.

» Kortom, de ideale situatie voor een revolutie en die brak dan ook

uit. Na enig getouwtrek zou België onafhankelijk worden.

Driedeling België

Hoe is nu precies die driedeling ontstaan binnen België zelf? Om deze

vraag te kunnen beantwoorden moet eerst uitgelegd worden welke drie

delen hier bedoeld worden en in hoeverre er gesproken mag worden over

een driedeling. België is op meerdere manieren in te delen, waaronder de

volgende drie categorieën:

»

»

»

Gemeenschappen: (figuur 2)

- De Franse Gemeenschap

- De Vlaamse Gemeenschap

- De Duitstalige Gemeenschap

Gewesten:

- Het Waals Gewest

- Het Vlaams Gewest

- Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Taalgebieden:

- Het Franstalig taalgebied

- Het Nederlandstalig taalgebied

- Het Duitstalig taalgebied

- Het tweetalig taalgebied

Hierbij hebben de gemeenschappen betrekking op personen, gewesten

op grondgebieden en taalgebieden uiteraard op de gevoerde officiële

taal. Er is nogal wat overlap. Grofweg kan gesteld worden dat het Waals

gewest, de Frans- en

Duitstalige gemeenschap

bevat met de

bijbehorende Frans- en

Duitstalige taalgebieden;

het Vlaams gewest bevat

de Vlaamse gemeenschap

en het Nederlandstalig

taalgebied. De hoofdstad

van België, Brussel, is

een apart gewest, een

combinatie van de Franse

en Vlaamse Gemeenschap

en zodoende ook

een tweetalig gebied

(hoewel het Frans hier de

voornaamste taal is).

Figuur 2: De Belgische Gemeenschappen

girugten april 2008

Terug naar de beginvraag: hoe is de driedeling binnen België ontstaan?

Hoewel het ontstaan van de Vlaamse en Waalse culturen een onduidelijk

en al veel eerder begin hebben kan wel worden gesteld dat het gebied dat

wij nu kennen als de deelstaat Vlaanderen uiteindelijk pas in 1795, na heel

wat oorlogen, zou worden samengebracht binnen het Oostenrijkse rijk.

Niet lang daarna werd België onafhankelijk en met die onafhankelijkheid

zou ook de Vlaamse Beweging worden opgericht: “Deze Vlaamse

Beweging was aanvankelijk een taal- en cultuurbeweging, maar onder het

verzet van het Belgische establishment groeide ze uit tot een politieke en

socio-economische beweging die de erkenning van de Vlaamse culturele

integriteit en de politieke zelfstandigheid van Vlaanderen nastreeft.”,

aldus Wikipedia. In 1960 werd officieel de taalgrens vastgelegd, in 1993

gevolgd door het officieel worden van België als federale staat; waarvan

Vlaanderen en Wallonië de deelstaten zijn. Als tegenhanger van en

reactie op de Vlaamse beweging werd bijna tegelijkertijd ook de Waalse

beweging opgericht. Hoewel de Walen, die toch de grootste rol hadden

gespeeld in de revolutie, aan het begin nog veel invloed uitoefenden

over het Vlaamse gedeelte, draaiden de rollen later langzaam om. Zeker

sinds de economische crisis in de jaren ’60 en ’70 waarbij de Waalse

(mijn)industrie ten onder ging, zou Wallonië steeds afhankelijker worden

van het veel rijkere Vlaanderen.

Dan hebben we nog de Duitstalige gemeenschap. Dit gebied werd na de

Eerste Wereldoorlog in het Verdrag van Versailles (1919) overgedragen

door Duitsland aan België.

Verschillen en overeenkomsten

De grootste overeenkomst tussen de gebieden Vlaanderen, Wallonië

en het Duitstalige gebied in België is dat er drie officiële talen worden

gesproken, namelijk Vlaams, Frans en Duits.

Het Vlaams wordt door ongeveer zestig procent van de bevolking

gesproken en het Waals door een kleine veertig procent. Slechts 75 000

mensen spreken Duits.

Bij het totstandkoming van België in 1830 werd de voertaal Frans.

Echter de Vlamingen waren hier fel op tegen, zo ontstond de Vlaamse

Beweging. Later ging deze beweging naast de taalstrijd ook een politieke

strijd aan. Al snel volgde er ook een Waalse beweging.

Er ontstonden heuse taalwetten. De eerste stamt uit 1873, waarbij Vlaams

weer wordt toegestaan. In 1878 wordt de tweede taalwet aangenomen

geldig in Vlaanderen en Brussel, waarbij ambtenaren Nederlands- of

tweetalig moeten zijn. Vijf jaar later werd de derde taalwet aangenomen,

waarbij er niet alleen meer Frans op middelbare scholen gesproken diende

te worden. Door de komst van de Gelijkheidswet in 1898 kwam en zowel

Frans als Nederlands op gelijke voet te staan als officiële talen.

Vlaams

Wanneer het Vlaams verder wordt uitgelicht in een vergelijking met het

Nederlands is er een aantal grappige en opmerkelijke betekenissen van

woorden.

Wanneer een Vlaming het heeft over ‘lopen’ bedoelt hij rennen, maar

gaat het over onze betekenis van lopen, dus wandelen in plaats van

rennen, dan heeft hij het over ‘stappen’. Ook kan er verwarring ontstaan

over de betekenis ‘klappen’ wat in het Vlaams geen ‘meppen’ of ‘er op

los slaan’ betekent, maar gewoon ‘praten’. Ook een ‘aftrekker’ heeft een

vrij onschuldige betekenis, want hier wordt namelijk de flesopener mee

bedoeld. Met ‘binnendoen’ echter hebben ze het over zoenen en wanneer

ze aan het ‘smoren’ zijn, hebben ze het over blowen.

Dan is er nog een aantal woorden, die wij in de Nederlandse taal

gewoon in het Frans of Engels laten staan, maar de Vlamingen wel naar

het Nederlands vertaald hebben. Zo wordt met een ‘duimspijker’ een

punaise bedoeld, met een ‘regenscherm’ wordt een paraplu bedoeld en

een hefschroefvliegtuig is hetzelfde als een helikopter. Verder heb je nog

de verkleinwoorden met -ke, zoals ‘schatteke’ of ‘lieveke’ en is het heel

normaal om ‘ge’ of ‘gij’ in plaats van ‘je’ of ‘jij’ te zeggen.

13


14

België

Politiek

Zoals al werd beschreven, was rond 1870 de welvaart in Wallonië erg

groot geworden door de zware industrie en steenkool. Vlaanderen

echter was maar een arm boerenland. Door de economische crisis van

de jaren ’60 en ’70 vond een ommekeer hierin plaats. Wallonië is nu

veel afhankelijker van Vlaanderen. Wat ze echter gemeen hebben is het

feit dat de deelstaten zeer autonoom zijn en ook hun eigen Eerste en

Tweede Kamer hebben. Door de komst van de federalisering zijn deze

twee gebieden twee lossere entiteiten geworden, waarbij Vlaanderen

zich meer op Nederland richt en Wallonië meer op Frankrijk. Daarnaast

wordt het buitenlands beleid, de munteenheid, de binnenlandse orde en

veiligheid, justitie en het leger wel op federaal niveau uitgevoerd. Een

verschil met Nederland is dat de Belgische coalitie meestal uit minstens

vier of vijf partijen bestaat in tegenstelling tot ons politieke stelsel met

meestal twee of drie coalitiepartijen.

Koningshuis

Naast een federale parlementaire democratie is België ook een

constitutionele monarchie. Net als Nederland heeft België een koningshuis,

waarbij de rol in grote lijnen gelijk is aan Nederland. De Belgische

adel was voornamelijk Franssprekend. Koning Albert II is nu aan de

macht, maar toen koning Boudewijn in 1993 kwam te overlijden was er

in heel België wel een soort van opleving van België-euforie. Dit hing

ook samen met de invoering van de federale staat.

Toekomstvisie

Zoals reeds gezegd in de inleiding, zal dit deel een tamelijk subjectief tintje

hebben. Het is dus weinig gebaseerd op feiten en wetenschappelijkheden,

maar meer een toekomstprojectie zoals wij denken hoe het zal zijn over

een x aantal jaar. Omdat dit erg veel onzekerheid met zich meebrengt,

zetten wij hieronder drie mogelijke situaties uiteen:

Een eerste situatie is dat de zojuist gevormde regering het dusdanig

verprutst dat er weinig sprake meer zal zijn van enigerlei nationalisme.

De taalgemeenschappen zullen op zoek gaan naar ander volk waarmee

zij zich meer kunnen vereenzelvigen. Dit zou tot gevolg hebben dat

België zich opsplitst waarbij elke taalgemeenschap zich aansluit bij

het land met de desbetreffende taal. Frankrijk zal dan eindelijk toch

zeggenschap krijgen over de Walen en kunnen vanuit historisch oogpunt

gezien natuurlijk niet weigeren. Hetzelfde geldt voor Duitsland dat de

nationalistische trots weer enigszins opkrikt met het herwinnen van het

Duitstalige gebied. De gierige Nederlanders zijn maar wat blij met het

economisch voorspoedige Vlaanderen. Brussel wordt een stadstaat en

zal enkel met pasjes toegankelijk zijn voor ambtenaren van de Europese

Unie. Je weet maar nooit…

Een tweede, meer denkbare, situatie is dat Vlaanderen aan zal dringen

op autonomie en zich definitief af zal splitsen van Wallonië, dat zich

zelfstandig zal moeten gaan redden. Bijna logisch gezien het gebrek

aan een gezamenlijke identiteit, het grote economische verschil, de

taalbarrière, et cetera.

Ten slotte de meest waarschijnlijke visie is dat de trend van

verzelfstandiging van de Staten of het federale stelsel door zal zetten.

Dit door de ‘gelaagde’ identiteit van de Belg, waarbij de nationalistische

laag vaak onder die van de regionale herkomst ligt. Hierbij spelen

opleiding, herkomst, politieke opinie en eigenbelang ook een belangrijke

rol. Het is ondenkbaar dat België zich op zal splitsen in twee nieuwe

staten. In het onderbewustzijn van de gemiddelde Belg zal toch altijd

een nationaal gevoel blijven bestaan, dat gepaard gaat met een symbool

van (vergane) glorie, rijkdom en status. Ondanks de korte geschiedenis,

waarin desalniettemin veel is meegemaakt; te noemen het kolonialisme

(Belgisch Kongo), twee wereldoorlogen en de vorming van de EU, nota

bene met Brussel als Europese hoofdstad! Zeker indien Wallonië zich

economisch weet te herstellen, zal deze situatie meer denkbaar worden.

Of het koningshuis zal blijven bestaan laten wij eventjes in het midden,

evenals het voetbalelftal. Het maakt ons ook eigenlijk niet zoveel uit,

zolang de Vlaamse frites, pralines en het Belgische bier maar blijven

bestaan!

Bronnen:

- Eppink, D.J. (2003), Vreemde buren: over de politiek in Nederland en België,

Amsterdam: Contact

- Falter, R. (2005), 1830: de scheiding van Nederland, België en Luxemburg,

Tielt: Lannoo

- Paschal L., A.F. de Savornin Lohman (1924), Het historisch en politiek

noodlot van België, Amsterdam: Van Looy

- Rietbergen, P., T. Verschaffel (2005), Broedertwist: België, Nederland en de

erfenis van 1830, ’s-Hertogenbosch: Noordbrabants Museum; Leuven: Stedelijk

museum Vander Kelen-Mertens; Zwolle: Waanders

- Wikipedia (2008), http://nl.wikipedia.org/wiki/Staatshervorming_

(Belgi%C3%AB), bezocht op 24-03-2008

- Wouters, P. (2005), België-Nederland: verschil moet er zijn, Rotterdam:

Lemniscaat

Het wapen van België

girugten april 2008


Na de val van Napoleon werden het Verenigd Koninkrijk der

Nederlanden en Pruisen het tijdens het Congres van Wenen niet eens

over de grens tussen de beide staten. De onenigheid ging over een

zinkmijn bij het plaatsje Kelmis. In 1816 werd besloten dat Moresnet

onderdeel werd van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en Neu-

Moresnet onderdeel van Pruisen. Het tussen deze gebieden gelegen

dorpje Kelmis en haar omgeving werd een condominium (een staat

met gedeelde soevereiniteit) van Nederland en Pruisen (later België en

Pruisen, en België en Duitsland) met de burgemeester van Kelmis als

staatshoofd (zie figuur 1). Na de onafhankelijkheid van België ontstond

er bij de Vaalserberg een vierlandenpunt met Nederland, België, Pruisen

en Neutraal Moresnet (zie figuur 2). Dit was het enige vierlandenpunt

dat ooit bestaan heeft. De weg vanuit Nederland naar de Vaalserberg

heet nog steeds de ‘Viergrenzenweg’.

Aan het begin van de twintigste eeuw zijn er nog plannen geweest om

van Neutraal Moresnet een Esperantostaat te maken onder de naam

Amikejo, dat vriendenplaats betekent. Uiteindelijk is hier, mede door het

uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, niets van terechtgekomen.

Bij het ontstaan van Neutraal Moresnet in 1816 had het staatje 256

inwoners. Doordat de lonen er echter hoger lagen dan in de omliggende

landen en het een belastingparadijs werd woonden er binnen vijftig jaar

girugten april 2008

Neutraal Moresnet

Bij het horen van het woord ‘dwergstaat’ zullen de meeste mensen denken aan staatjes als Monaco, Liechtenstein, San Marino en

Vaticaanstad. In de periode van 1816 tot 1919 heeft er echter nog een dwergstaatje bestaan dat zich veel dichter bij onze landsgrenzen

bevond, namelijk Neutraal Moresnet. Dit staatje lag ongeveer zeven kilometer ten zuidwesten van Aken en had een oppervlakte van 344

hectare.

Figuur 1: De ligging van Neutraal Moresnet

2500 mensen. Deze sterke groei is echter ook voor een groot deel toe te

schrijven aan de groei van de zinkmijn en de daarmee samenhangende

toeloop van arbeiders.

Aangezien Neutraal Moresnet zo’n klein staatje was waren de inwoners

voor veel diensten aangewezen op de buurlanden. Een voorbeeld hiervan

is het postverkeer. In het gebied werd de post bezorgd en opgehaald

door zowel de Pruisische als Belgische postdiensten. Dit was echter

wel een volledig gescheiden systeem. Via de Belgische postdienst kon

post, met een Belgische postzegel, naar België verstuurd worden tegen

binnenlands tarief en voor Pruisen bestond eenzelfde systeem. Bij post

naar andere landen kon de goedkoopste dienst worden gekozen.

Het leven in het neutrale staatje had voor haar inwoners ook nog een

aantal voordelen. Zo bestond er tot 1847 geen dienstplicht. Daarna

kon men kiezen voor militaire dienst in België of Pruisen. Ook kon

er tolvrij uit de omliggende landen geïmporteerd worden, waren de

belastingen zeer laag en lag het prijsniveau lager en de lonen hoger dan

in de omringende landen. Verder was het stoken van drank (voor eigen

gebruik) legaal. Er werd alleen zoveel drank gestookt dat de inwoners van

Neutraal Moresnet dit zelf niet allemaal konden consumeren, ondanks

dat er ongeveer zeventig cafés in het neutrale gebied waren. Een groot

deel van de overproductie werd het land uitgesmokkeld, waarvan een

groot deel naar Nederland

Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam een einde aan

Neutraal Moresnet als staat. In 1914 werd het bezet door Duitsland en

in 1919 werd in het Verdrag van Versailles besloten dat het bij België

gevoegd zou worden. Artikel 32 van het Verdrag van Versailles luidt:

“Duitschland erkent de volkomen soevereiniteit van België over het

geheele betwiste gebied van Moresnet”. Neutraal Moresnet had echter in

1885 met het uitgeput raken van de zinkmijn al een groot deel van zijn

bestaansrecht verloren.

Een opmerkelijk detail is overigens dat Nederland officieel nooit

afstand heeft gedaan van

de bestuurlijke rechten over

Neutraal Moresnet.

Tegenwoordig bestaat

er op internet nog een

onafhankelijkheidsbeweging

van Neutraal Moresnet, met

een regering in ballingschap.

Volgens de website heeft deze

monarchie op dit moment

achttien stemgerechtigde

burgers.

Bronnen:

- http://wikipedia.org/

- http://www.home.zonnet.nl/

kippenest/home.htm

- http://www.moresnet.nl/

Figuur 2: Vierlandenpunt, met op de voorgrond Neutraal Moresnet

-door Mathieu Drolinga-

15


-door Wietske Wilts-

Plaatsnamen over de grens

Dat het Groningse land rijk bedeeld is als het gaat om ‘wereldse’ plaatsen blijkt maar

weer als je loopt van station Winschoten naar station Scheemda. Als je Winschoten in

westelijke richting ten zuiden van het spoor uitloopt, stuit je op een klein buurtschap

waar tot nu toe elke aanduiding van een plaats, gehucht, of straat lijkt te ontbreken.

Omdat de ligging van de plaats van tevoren goed is bekeken op een kaart, weet ik dat

ik me in Napels West bevind. (Napels Oost ligt overigens ten noorden van het spoor,

en is alleen via omwegen bereikbaar.) Vergeleken met de grote troep in de gelijknamige

Italiaanse stad is het hier toch bijzonder netjes. In Napels West ogen de meeste opritten

wel wat rommelig, maar dat kan niet tippen aan de grote vuilniszakkenchaos in Napels,

de derde stad van Italië. Hier staan de straten namelijk vol met vuilniszakken die niet

meer opgehaald worden omdat de vuilnisbelten in de omgeving vol zijn en de toegang

tot nieuwe locaties om vuilnisbelten te creëren ontzegd is.

Napels West, dat iets hoger lijkt te liggen dan het omliggende land, telt enkele vrij oude

en ietwat vervallen huizen. Daarnaast is er nog één groot protserig nieuwbouwhuis met

een uit zwarte spijlen met scherpe punten bestaand hek, en een grote luxe auto op het

grind ervoor: een bijzondere tegenstelling.

Wanneer ik de weg volg kom ik na 200 meter, in de buitenwijken van het dorp Westerlee,

een straatnaambordje tegen met de naam ‘Napels West’. Wat een geluk. Voor de rest

denken hier weinig mensen hun geluk te vinden: er staan diverse huizen te koop. Na een

tijdje deze plek op me in hebben laten gewerkt, pak ik de benenwagen, en begeef ik mij

door de troosteloze Tranendallaan door het grijze weer richting station Scheemda. Het

begint langzaam te regenen: gauw terug naar de stad.

16 girugten februari 2008


girugten februari 2008

17


-door Guido Roegholt-

18

België

De betonnen kust van België

Op een beetje zomerdag trekt Nederland er massaal op uit naar het strand, het is er vaak zo druk dat je bijna geen plekje meer kan vinden.

In België is het probleem alleen maar groter; door de zeer korte kustlijn (72,3 km) raakt het snel vol. Door het groeiende toerisme is er

steeds meer vraag naar vakantiewoningen langs de kust. Gevolg is dat er steeds meer en hogere gebouwen verrijzen aan de boulevards.

Dit zijn meestal hoge betonnen flats die het uitzicht behoorlijk beïnvloeden. De vraag die dus overblijft: is de Belgische kust, die muur

van beton, eigenlijk nog wel mooi?

Historie

Eerst een klein stukje historie: de Belgen noemen de appartementen de

‘democratisering van het toerisme’. In de negentiende eeuw verrezen

in Oostende en Blankenberge de eerste luxueuze hotels voor de happy

few. De sjah van Perzië kwam er logeren, net als de Russische keizerlijke

familie. Oostende werd de ‘koningin der badplaatsen’. De Eerste

Wereldoorlog maakte daar abrupt een einde aan, maar na 1918 kreeg

de regio een nieuwe impuls door de bouw van villa’s. Kort voor Pasen

stuurde de Brusselse bourgeoisie de tuinman vooruit. Als alles op orde

was, volgde de familie met het overige huispersoneel. Eind september

gingen de luiken weer maanden omlaag.

De betonnen muur

Tegenwoordig scholen de Belgen samen op de amper 73 kilometer

lange kuststrook van Knokke-Heist aan de Nederlandse grens tot aan

de Panne, bij Frankrijk. Ze komen om te zwemmen en te zonnebaden,

vaak op strandstoelen die ter plaatse worden verhuurd, maar ook om

te flaneren op de brede boulevards met winkels en opvallend veel

makelaarskantoortjes die appartementen aan zee verkopen. Als je als

Belg een beetje mee wil tellen bezit je minimaal een vakantiewoning

en dan speciaal aan de kust, sommigen verdienen zelfs hun brood als

pandjesbaas. In rap tempo is het aantal vakantiewoningen aan de kust

gestegen tot 80.000, stuk voor stuk in particuliere handen. Slechts de

helft hiervan heeft zeezicht. De duinen zijn compleet weggevaagd door

deze hoogbouw. De hele kustlijn is getransformeerd tot een betonnen

muur. De enorme groei van het toerisme gaat nu zo langzamerhand

duidelijk maken dat dit niet zonder gevolgen gaat. Deze groei is pas

ontstaan zo rond de jaren ’70. Hiervoor vond er veel kleinere hoogbouw

plaats, er werd uitgegaan van zo’n drie tot vier verdiepingen en echt niet

hoger. Alleen oversteeg de vraag naar vakantiewoningen het aanbod zo

gigantisch dat er besloten werd om op veel grotere schaal hoogbouw

te gaan plegen. Nu werden gebouwen van zeven tot tien verdiepingen

de norm en waren hogere torens absoluut geen uitzondering. Een goed

voorbeeld is het 35 verdiepingen tellende Europacentrum in Oostende.

Kleine flats maakten zo plaats voor giganten van flatgebouwen die dus

met zijn allen een muur langs de kustlijn vormen.

Groei

Niet alleen met bebouwing langs de kustlijn (en dus met de verpesting van

het aangezicht), maar ook campings en kleinere onderkomens worden

op deze manier slachtoffer van de grote groei in de vastgoedsector. Lang

niet alle bebouwing is er via de legale weg gekomen. Er gaan ontzettend

veel verhalen de ronde over de totstandkoming van alle projecten.

Daarbij heeft men het over gemeentebestuurders die wel eens een oogje

dichtknepen. Eigenlijk hadden sommige gebouwen er nooit mogen komen,

maar woog het belang van nog meer toeristen voor bepaalde gemeentes

langs de Belgische kustlijn zo veel zwaarder dat het maar gedoogd

werd. Dat hierbij ontzettend veel duingebied verloren is gegaan wordt

als onbelangrijk bestempeld. In België is het voor projectontwikkelaars

ook een waar paradijs. Er zijn nauwelijks bestemmingsplannen te

vinden, laat staan dat er strenge regels zijn opgesteld voor het behoud

van belangrijke en waardevolle natuurgebieden zoals bijvoorbeeld de

duingebieden. Iets waar men in Nederland veel meer waarde aan weet

te hechten. Dezelfde projectontwikkelaars maalden er niet om of er een

mooi huisje meer of minder aan de kust overbleef. Zij wilden simpelweg

zoveel mogelijk mensen op dezelfde vierkante kilometer kunnen

huisvesten. Eigenaren van die vrijstaande huisjes werden uitgekocht met

enorme bedragen of ze kregen het mooiste appartement in één van de te

realiseren complexen. Veel Belgen zagen deze deal wel zitten en gingen

er dan ook vrij makkelijk mee akkoord. Zodoende worden er nog altijd

rond de 1500 vakantiewoningen per jaar gerealiseerd.

Pier van Blankenberge

Mooi voorbeeld is de pier van Blankenberge, de 35 meter lange betonnen

kolos uit 1933 is ‘uitzonderlijk gesloten’. Van buiten doet de architectuur

haast fascistisch aan. Ooit stond hier een zwierige pier van gietijzer in art

nouveau, maar die werd, zoals zoveel aan de Belgische kust, in de Eerste

Wereldoorlog verwoest. Daarna ontwikkelde Blankenberge zich tot de

lelijkste badplaats aan de Noordzee. De zeedijk is een massieve muur

van flats in beton en glas uit de jaren ’60 en ’70. De hoogtijdagen van de

‘frigoboxtoeristen’: dagjesmensen die gewapend met een goed gevulde

koelbox gratis kwamen zonnebakken. Tegenwoordig verstouwen de

achttienduizend inwoners jaarlijks een half miljoen toeristen. Dankzij

girugten april 2008


de aanwezigheid van fastfoodzaken, goedkope kroegen en zweterige

discotheken is Blankenberge ook in trek bij de Belgische jeugd. Een

gezellige boel, maar chic is anders. Blankenberge is het Benidorm van

België.

Weinig bezwaar

De Belg lijkt het allemaal vrij weinig te interesseren dat de kust zo

langzamerhand één grote boulevard aan het worden is. Het motto is

vaak: “Ach, als je je omdraait zie je die hoge gebouwen toch niet meer

en als je ’s ochtends de gordijnen opentrekt heb je toch werkelijk het

mooiste uitzicht wat je je maar kan wensen?” Hierbij kan je je alsnog

afvragen of dit niet erg zwart-wit gedacht is. De helft van de mensen

heeft immers geen zeezicht en vanuit de kleinere dorpjes achter de

(voormalige) duinen zie je allang geen kustlijn meer en kijk je alleen

maar tegen soms de lelijkste hoogbouw aan. Aan het kustbezoek is ook

niet af te zien dat deze bouw de toerist afschrikt. De stroom blijft alleen

maar toenemen.

Vakantiepark

Naast alle vakantiewoningen

is er natuurlijk nog veel

meer bijgekomen aan de

Belgische kust. Te denken

is de horeca, speelparken

en ander vermaak. In rap

tempo is er veel uit de

grond gestampt. Onder

andere een dolfinarium, een

pretpark en verschillende

natuurlijke tuinen zijn te

bewonderen aan de kust. Dit

alles om de toerist zoveel

mogelijk te vermaken.

Verschillende restaurantjes

met zeer gevarieerde

keukens hebben zich ook

aan dit druk bezochte stukje

België. De kwaliteit is de

laatste jaren zeer vooruit

gegaan. Er kan dus wel

gezegd worden dat de hele

kustlijn zo langzamerhand

getransformeerd is in één

girugten april 2008

groot vakantiepark. Voor echte natuurliefhebbers is het dus absoluut

geen goede bestemming om heen te gaan. Er is door alle bebouwing

weinig echt open duinlandschap, zoals we dat in Nederland kennen,

meer over. De Belgische overheid maakt dat niet zo heel veel uit. Het

gaat hen voornamelijk om de groei van de toeristensector.

De kanttekening die tenslotte nog geplaatst kan worden is de vraag wat

er met al dit toeristisch vermaak buiten het seizoen gebeurt. Dit is te

beantwoorden met ‘vrij weinig’. Als je op een doordeweekse winterdag

je over een stukje boulevard begeeft, kom je vrij weinig bedrijvigheid

tegen. Toch is het een florerende sector. Maar van een open stukje België

is absoluut niet meer te spreken. Echter, de Belg haalt er zijn schouders

voor op.

19


-door Jochem Dijkstra-

20

Masterthesis

Gevaarlijke wegen: veilige wegen?

De invloed van de inrichting van de openbare

ruimte op het gedrag van weggebruikers.

De laatste jaren is een verschuiving waar te nemen binnen het planningtheoretische denken. Het geloof in de maakbare samenleving

(modernisme) lijkt langzamerhand plaats te maken voor meer postmoderne gedachten waarbij men uitgaat van complexiteit,

pluriformiteit en het ontbreken van een absolute waarheid. In de vorige Girugten schreef Johan Vos over de gevolgen hiervan op het

militair cultuurhistorisch erfgoed. Dit artikel gaat over de gevolgen van het postmoderne gedachtegoed op de inrichting van onze

verblijfsruimten.

Het modernisme veronderstelt dat kennis de basis is voor goede

plannen. Dit is terug te zien bij de weginrichting die bepaald wordt

door verkeerskundigen; specialisten die aan de hand van de door

hen opgedane kennis de weginrichting bepalen. Het bepalen van

de weginrichting geschied aan de hand van een handboek (ASVV;

Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom)

waarin alle kennis van verkeerskundigen is gebundeld. Een tegengestelde

(meer postmoderne) beweging is bekend onder de naam Shared Space.

Deze filosofie beveelt een nieuwe manier van weginrichting aan waarbij

de verantwoordelijkheid voor het gedrag bij de weggebruikers komt

te liggen in plaats van bij de wegbeheerder. Deze filosofie is middels

een gelijknamig Europees project in de praktijk gebracht (http://www.

shared-space.org).

Shared Space gaat niet uit van standaardoplossingen en technische

maatregelen, maar van maatwerk in samenspraak met de lokale bevolking

waarbij de verantwoordelijkheid van het gedrag bij de verkeersdeelnemer

komt te liggen. Wanneer er gebruik wordt gemaakt van verkeerslichten,

belijning en verkeersborden wordt namelijk duidelijk gemaakt wat de

weggebruiker wel en niet mag doen, dit wordt bepaald door de overheid.

Hierdoor vertonen weggebruikers regelgeleid gedrag in plaats van sociaal

gedrag. Door de weg zodanig in te richten dat de verantwoordelijkheid

voor het gedrag in het verkeer bij de gebruiker komt te liggen, zal deze

socialer gedrag vertonen en voorzichtiger rijden. Dit wordt veroorzaakt

door de invloed van risicoperceptie.

Verschillende functies van wegen

Er zijn twee hoofdfuncties van wegen te onderscheiden, namelijk die van

vervoer van personen en goederen en die van ontmoetingsplaats. Begin

1900, toen er nog niet zoveel auto’s waren, stond de ontmoetingsfunctie

centraal. Met de groei van de (gemotoriseerde) mobiliteit is deze functie

echter steeds verder naar de achtergrond verdrongen. Het verdwijnen

van de ontmoetingsfunctie van de weg heeft gevolgen voor de kwaliteit

van de openbare ruimte. Uit onderzoek van Appleyard (zie figuur 1)

kwam naar voren dat hoe meer verkeer er door een straat komt, hoe

minder vrienden en bekenden men in de straat heeft.

Figuur 1: Gevolgen van verkeer op het aantal vrienden en bekenden in de omgeving

(volgens Appleyard).

De culturele geografie biedt meer handvatten voor het bepalen van de

kwaliteit van een plaats. Eén van deze handvatten is Ritzers ‘somethingnothing

continuüm’ waarbij de verschillen tussen een place (locatie met

hoge kwaliteit) en een non-place (locatie met lage kwaliteit) worden

aangeduid.

Dimension Something (place) (non-place) Nothing

Complexity Unique (one of a kind) Generic (interchangeable)

Spatial Local geographic ties Lack of local ties

Temporal Specific to the times Time-less

Human Humanized Dehumanized

Magical Enchanted Disenchanted

Als we de begrippen place en non-place vertalen naar de openbare ruimte

dan kunnen we het begrip non-place koppelen aan een verkeersruimte

en place aan een verblijfsruimte. Hieronder zijn deze begrippen verder

uitgewerkt.

Verkeersruimte

Enkel doel

Lineair

Consistent

Gereguleerd

Onpersoonlijk

Voorspelbaar

Verblijfsruimte

Multifunctioneel

Ruimtelijk

Constant veranderend

Culturele / sociale regels

Persoonlijk

Onvoorspelbaar

Gedurende de afgelopen decennia is de auto steeds dieper doorgedrongen

in het publieke domein. Plaatsen die dienst zouden moeten doen

als ontmoetingsplek of verblijfsgebied zijn door de auto opgeëist,

doordat verkeerskundigen bij de inrichting van de openbare ruimte de

automobilist veelal centraal stellen. Om te voorkomen dat de openbare

ruimte verder degradeert is het van belang om de openbare ruimte vanuit

een bredere optiek te bekijken.

Omdat de verkeersvoerende functie van wegen erg belangrijk is, is

het van belang om een onderscheid te maken tussen verkeersruimten

en verblijfsruimten. Hierbij dient een verkeersruimte voor het vervoer

van personen en goederen. Deze ruimten dienen enkel dit doel,

zijn voorspelbaar, gereguleerd en onpersoonlijk. De verblijfsruimte

daarentegen is een plaats waar mensen elkaar ontmoeten en waar men

zich thuis voelt. Deze plek is onvoorspelbaar, persoonlijk en het gewenste

gedrag is afhankelijk van de sociale en culturele normen. Dit onderscheid

lijkt vanzelfsprekend, maar toch worden heel veel verblijfsruimten (zoals

woongebieden of binnensteden) ingericht als verkeersruimte. Om deze

reden verliezen deze gebieden hun kwaliteit. Hierdoor durven mensen

niet meer de straat op om een praatje te maken, mogen kinderen niet

meer op straat spelen, zal je niet snel in de zomer een biertje buiten

girugten april 2008


op de stoep drinken en gaat de sociale functie van de openbare ruimte

verloren.

Door de inrichting van verblijfsgebieden meer integraal te benaderen

kan een hogere kwaliteit bereikt worden. De inrichting van de weg

speelt hierbij een belangrijke rol. In veel gevallen wordt de weg ingericht

volgens de standaard aanbevelingen van het CROW (Centrum voor

Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en

de Verkeerstechniek) terwijl een maatwerk aanpak in het geval van

verblijfsgebieden meer aan te bevelen is. De Duurzaam Veilige aanpak

die de overheid veelal volgt gaat uit van een standaardisering van wegen

waardoor het gevaar bestaat dat er qua inrichting van de openbare

ruimte geen verschil meer waar te nemen is tussen de Oosterparkwijk in

Groningen en de Jordaan in Amsterdam.

Risicoperceptie

Wanneer wegen uniek worden uitgevoerd ontstaat niet alleen

kwaliteit, maar de verkeersveiligheid kan ook worden verhoogd. Bij

een onvoorspelbare weginrichting wordt namelijk de risicoperceptie

verhoogd, deze risicoperceptie kan de sleutel zijn tot een hogere

verkeersveiligheid. In het verkeer is men altijd bezig met het afwegen

van de voor- en nadelen van het gedrag. Als men na het te hard

rijden een ongeluk krijgt zal de risicoperceptie toenemen en zal men

voorzichtiger gedrag gaan vertonen. Blijkt echter dat het te hard rijden

een positief effect heeft (eerder op de plaats van bestemming zijn) dan

zal de bereidheid tot het nemen van dit risico groter worden. Dit gedrag

wordt risicocompensatie genoemd, dit is weergegeven in figuur 3.

Figuur 3: Risicocompensatietheorie van John Adams

Risicocompensatie is de aanpassing van het gedrag in reactie op

de risicoperceptie. In de literatuur wordt hoofdzakelijk gesproken

over de negatieve effecten van risicocompensatie, bijvoorbeeld dat

ongevalvermijdende maatregelen teniet worden gedaan doordat men meer

risico gaat nemen. Dit effect is duidelijk waargenomen bij de introductie

van ABS in auto’s. Dit leek bij te dragen aan de verkeersveiligheid, maar

omdat bestuurders zich veiliger achtten gingen ze roekelozer rijden met

een stijging van het aantal verkeersdoden tot gevolg.

Wanneer echter wordt gekeken naar de positieve kanten van

risicoperceptie zou dit betekenen dat door het gevoel van veiligheid van

de automobilist te verlagen (gevaarlijke wegen), de objectieve veiligheid

zal toenemen (veilige wegen). De automobilist zal namelijk als reactie

op de lage subjectieve veiligheid maatregelen treffen om het oude

veiligheidsgevoel terug te krijgen en dus voorzichtiger gaan rijden.

Een mogelijkheid om de risicoperceptie te verhogen is door de

verantwoordelijkheid van het gedrag bij de weggebruiker te leggen.

girugten april 2008

Figuur 4: Technische maatregelen om de snelheid te verlagen.

Momenteel ligt deze verantwoordelijkheid bij de overheid die bepaalt hoe

hard je mag rijden. Hiertoe worden verkeersborden geplaatst en andere

technische maatregelen getroffen zoals belijningen en het plaatsen van

drempels en betonnen paaltjes (figuur4). Als deze aanwijzingen niet

worden aangebracht zal de weggebruiker aan de context van de weg af

moeten lezen welk gedrag vereist wordt. Vraag je bij de onderstaande

voorbeelden eens af hoe hard je zou rijden:

Figuur 5: Risicoperceptie in de praktijk, hoe hard zou je hier rijden?

Verkeersborden geven aan welk gedrag gewenst is, maar dit schept

slechts een juridische veiligheid. In een dergelijke situatie zullen veel

mensen dan ook juridisch gedrag vertonen. Wanneer de weggebruiker

zelf verantwoordelijk is voor zijn gedrag zal hij echter sociaal gedrag

vertonen, een situatie die veel geschikter is voor verblijfsruimten.

Wanneer verkeerstekens ontbreken en de weg gedeeld moet worden

met verschillende weggebruikers, zal de risicoperceptie ook hoger zijn.

De weggebruiker zal geneigd zijn om deze verhoogde risicoperceptie te

compenseren om zo weer het oude gevoel van veiligheid te evenaren,

bijvoorbeeld door langzamer te rijden.

Een verkeerskundige inrichting van een verblijfsgebied

Een praktisch voorbeeld van het bovenstaande is het zebrapad.

Voetgangers die hier oversteken genieten een juridische veiligheid;

volgens de wet moeten automobilisten een overstekende voetganger

namelijk voorrang verlenen. Een zebrapad lijkt veilig, maar biedt slechts

een schijnveiligheid. Het risico om aangereden te worden op een zebrapad

21


22

Masterthesis

is namelijk 2,5 keer zo groot is als bij een ongemarkeerde oversteekplaats.

Ook dit is weer te verklaren aan de hand van de risicoperceptie. Omdat

voetgangers denken dat ze veilig zijn op een zebrapad zijn ze minder

alert. Een voetganger die op een ongemarkeerde plek oversteekt zal zich

bewust zijn van het risico dat dit meebrengt om dit risico te compenseren

zal hij extra alert zijn.

Gedrag

Om te komen tot enkele uitgangspunten die nodig zijn om het gedrag

van weggebruikers te beïnvloeden is onderzocht welke factoren van

invloed zijn op gedrag. Volgens de theorie van Icek Ajzen wordt gedrag

voorafgegaan door een gedragsintentie. Deze intentie wordt beïnvloed

door drie factoren, namelijk attitude, subjective norm en perceived

control. Deze drie factoren worden beïnvloed door de risicoperceptie

die een weggebruiker waarneemt. De risicoperceptie wordt beïnvloed

door effecten van eerder vertoond gedrag 1 en door de inrichting van de

openbare ruimte 2 . Hoe deze factoren elkaar beïnvloeden is weergegeven

in figuur 7.

Uit het gedragsmodel komt naar voren dat de openbare ruimte direct van

invloed kan zijn op de risicoperceptie en daarmee indirect van invloed

kan zijn op het gedrag van weggebruikers. Dit betekent dat het gedrag

van weggebruikers deels gestuurd kan worden door aanpassingen in de

1 Wanneer eerder vertoond gedrag (bijvoorbeeld te hard rijden) leidt

tot een negatief effect (een ongeval) dan zal de risicoperceptie groter

worden. Een positief effect (eerder op de plaats van bestemming) is ook

van invloed en zal de risicoperceptie doen afnemen.

openbare ruimte. In een verblijfsruimte kan dit gedaan worden door de

verantwoordelijkheid voor gedrag bij de weggebruiker te leggen. Door

het verwijderen van belijningen zal de automobilist rekening moeten

houden met alle weggebruikers in plaats van alleen diegenen die zich op

zijn rijstrook bevonden. Door het verwijderen van verkeersborden zal

de automobilist zelf moeten bepalen welk gedrag vereist is. Uiteraard is

het hierbij van belang dat wegen geen brede asfaltvlakten worden zoals

een snelweg, maar juist het karakter hebben van een verblijfsgebied.

Hierdoor wordt de onzekerheid en daarmee de risicoperceptie van de

automobilist groter en om dit te compenseren zal hij voorzichtiger gaan

rijden.

Menging van verkeersstromen in een verblijfsgebied

2 Wanneer de openbare ruimte wordt ingericht als een verblijfsgebied,

een plaats waar de automobilist in de minderheid is en de weg moet delen

met andere weggebruikers, dan zal de risicoperceptie van de automobilist

hoger zijn, hij moet tenslotte rekening houden met de verschillende weggebruikers.

Bij een inrichting als verkeersruimte krijgt iedere weggebruiker

een eigen ruimte toegewezen (voetgangers een trottoir, fietsers een

fietsstrook en de automobilisten hun eigen rijstrook). Hierdoor gaat men

er impliciet vanuit dat ieder op zijn eigen rijstrook blijft waardoor men

minder rekening hoeft te houden met de andere weggebruikers en, met

als gevolg een lagere risicoperceptie.

girugten april 2008


Want dit is België:

5. De Striphelden:

We kennen ze allemaal: Suske en Wiske, Kuifje, de Smurfen, Robbedoes en Kwabbernoot, Samson en Gert, Lucky Luke en nog vele andere

Belgische striphelden. België is dan ook niet voor niets het land met de meeste stripauteurs per vierkante kilometer. Naar het

schijnt is dit beeldmateriaal van oorsprong juist hier zo populair om op non-verbale manier toch te kunnen communiceren

met niet-taalgenoten. Tegenwoordig is het natuurlijk meer bedoeld als bron van vermaak, verzamelobject of andere recreatieve

doeleinden. Maar of het nu is om de taalgrens te overbruggen, als bron van vermaak of omdat ze gewoon zo van tekenen houden,

ze zijn niet meer weg te denken uit de Belgische cultuur.

4. Bakstenen:

De uitdrukking luidt: „De Belg wordt geboren met een baksteen in zijn maag”. Als Belgen ergens in investeren, dan is het wel

in hun huis of alles wat er aan, op of bij hoort. In 2007 ging bijna 1/3 van het inkomen van de gemiddelde Belg naar het huis of

de inrichting hiervan. ‘Shopping malls’ & woonboulevards, ze zijn er talloos en ze zijn altijd vol. Op nationaal niveau is dit ook

goed terug te zien in het (spoor)wegennet van België dat tot de dichtste ter wereld behoort. Het staat zelfs bekend als ‘the Belgian

window’, omdat het web van de wegenverlichting zelfs tot in de ruimte te zien is!

girugten april 2008

3. Bier:

Om maar met de deur in huis te vallen: Palm, Affligem, Geuze, Leffe, Jupiler, Hoegaarden, Maes, Duvel, Westmalle, Stella

Artois, Grimbergen, Chimay, La Chouffe en… en…

België telt ruim honderd brouwerijen en het totaal aantal verschillende soorten Belgisch bier wordt op ruim vierhonderd (!)

soorten geschat. Hoewel de zuiderburen zelf de afgelopen jaren steeds minder zijn gaan consumeren blijft de productie toch

stijgen. Dit is met name te danken aan de export, meer dan de helft van de productie wordt geëxporteerd.

2. Frietkotten & Pralines:

België, dat sowieso wel bekend staat als een culinair land heeft toch wel twee echte uitschieters op dit gebied:

- Een frietkot, dé volkse plek om eens even lekker zo’n zak ambachtelijke frieten te consumeren!

Wij kennen ze vooral van de vlaamse frieten met een flinke klodder mayo. Het geheim? De

frieten worden niet één keer, maar twee keer gebakken.

- Naast dit alom bekende culinaire hoogstandje mogen natuurlijk ook de pralines niet worden

vergeten. Pralines, beter bekend als dé echte Belgische bonbons, zijn het neusje van de zalm van

de Belgische chocolade-industrie. Wereldwijde faam en belachelijke prijzen die wij maar wat

graag neertellen voor deze overheerlijke ambachtelijk bereide snoepjes!

De Top 5

1. Moppen:

Waarom onze Belgische vrienden zo bekend staan om hun moppen? Om eerlijk te zijn, geen idee. Maar omdat iedereen er wel eentje kent en omdat

we er zo van houden staat deze klassieker op de eerste plaats. En uiteraard is er maar één manier om deze rubriek af te sluiten:

Er staat een Belg bij een automaat. Hij gooit er een euro in en trekt het deurtje open. Helemaal in zijn sas en juichend eet de Belg zijn snack op. Vervolgens doet hij dat nog

een keer en nog keer, totdat na 7 frikadellen, 4 kaassoufflés, 8 kroketten, 4 bamischijven, 3 gehaktballen, 11 kipcorns en 2 nasiballen de cafetaria eigenaar zich er mee gaat

bemoeien. "Zeg vriendelijke kerel", begint de eigenaar, "heb je nu nog niet genoeg?"Antwoordt de Belg, iets wat getergd: "Zo lang ik win, ga ik door."

Een Belg zou op vakantie gaan naar Engeland, als zijn buurman er later naar vraagt hoe de reis was blijkt hij de reis te hebben geannuleerd. "Waarom heb je die reis

geannuleerd?" ,vraagt de buurman. "Nou , ik vind dat links rijden veel te gevaarlijk." "Toch schijnt dat heel erg mee te vallen." zegt de buurman. "Geloof dat maar niet, ik

heb het in Antwerpen een half uur uitgeprobeerd en het viel bar tegen."

Twee Belgen rijden in een truck als ze bij een waarschuwingsbord aankomen, waarop staat dat de maximale doorrijhoogte 4 meter is. De mannen stappen uit, meten de truck

op en de truck blijkt 6 meter hoog te zijn. Zegt de een tegen de ander: "Wat moeten we doen?". Zegt de ander: "Ik zie geen politie, dus we gaan ervoor!"

De Belgische regering komt bij de Nederlandse op bezoek, zij zeggen van: "Jullie kunnen altijd zo om ons lachen, kunnen jullie niet eens iets doen zodat wij ook kunnen

lachen?" De Nederlandse regering denkt even na en zegt dan van: "Oké, we weten wel wat, wacht maar af.” Een maand later staat een Nederlandse brug midden in de

Sahara! Al die miljoenen Belgen lachen zich te pletter, De volgende maand komt de Belgische regering weer op bezoek en zegt van: “Die brug staat er nu al een maand, de lol

is er wel vanaf, jullie kunnen hem wel weghalen.” Waarop de Nederlanders antwoorden: “Tja, we willen wel, maar toen we hem wilden afbreken zaten er tientallen Belgen op

te vissen.”

Twee Belgen zitten in een boot te vissen. “Hé”, zegt de een, “er zit een gaatje in de boot. Er loopt water in!” Zegt de ander: “Dan maken we er nog een gat bij, kan het water

er daar weer uit!”

-door Niels van Beurden-

23


-door Floris van der Lingen-

24

Alles is geografie

Alles is Liefde

Een deel van de aanleiding voor dit artikel is iets wat ik de laatste tijd heb mogen meemaken: iets waar boekenkasten over vol zijn

geschreven: de liefde. Een goede vriend en vriendin van me zijn een tijdje geleden voor elkaar gevallen. Ik ben dus getuige (geweest) van

hoe de liefde tussen hen zich ontwikkeld heeft en nog steeds ontwikkelt. De titel van dit artikel laat zich raden: de mooie romantische

film Alles is Liefde. Toepasselijk genoeg heb ik de beide loverbirds ook de CD met de muziek van deze film gegeven.

In het eerste jaar sociale geografie meldde Peter Groote bij culturele geografie bovendien eens dat er een Spaanse band bestond die ooit een nummer

had uitgebracht onder de titel geografia es amor. Dat leek me voldoende inspiratie om eens een artikel over de liefde te schrijven.. Eens kijken of we

wat inzicht kunnen krijgen in de geografische componenten van de liefde.

Allereerst is er het onder velen bekende spreekwoord ’een goede buur is beter dan een verre vriend‘. Dit zou er op kunnen duiden dat toenemende

afstand een factor is die relaties bemoeilijkt. Dit zou je ook kunnen bekijken vanuit het perspectief dat té grote afstand tussen potentiële geliefden

zou kunnen leiden tot grote culturele verschillen. Het tegendeel van deze te grote culturele verschillen zou echter ook kunnen bestaan: een situatie

waarin je elkaar op cultureel verschil zóveel te vertellen hebt, dat het erg interessant is.

Tegenover dit spreekwoord staat de zegswijze “elkaar constant op de lippen zitten”. Dit duidt er juist op dat een zekere afstand juist gezond is

wanneer je een relatie probeert te onderhouden. Het is namelijk niet goed om de hele tijd alles samen te doen en je eigen contacten op te zeggen om

met je geliefde te kunnen zijn.

Dan is er het fenomeen dat mensen, om hun relatie te ‘testen en naar een volgend niveau te brengen’, er meestal voor kiezen om bij elkaar in te

trekken. Dat is vaak om te kijken hoe goed je met je partner omgaat als je elkaar inmiddels een tijdje kent en besluit een groter deel van het dagelijks

leven samen door te brengen.

Verder is er ook nog het idee dat er afstand ontstaat tussen geliefden; wat betekent het bijvoorbeeld voor een relatie als een van de twee gelukkigen

voor langere tijd naar een ver buitenland gaat?

Dan bestaat er natuurlijk ook het gegeven dat mensen in verschillende culturen een verschillende invulling geven aan de liefde. Wat voor een moslim

bijvoorbeeld een teken van affectie is, zou voor een christen/ westerling wel eens een heel ander teken kunnen zijn.....

Nu ben ik me er terdege van bewust dat er geen eenduidige oplossingen bestaan voor de problemen die ik hierboven geschetst heb. Toch heb ik

geprobeerd om op basis van de geografisch getinte begrippen afstand en cultuur een oog te werpen op de prachtige liefde. Daaraan moet ik nog even

een waarschuwing toevoegen: als je liefdesproblemen hebt, wil ik met dit artikel geenszins suggereren dat ik je daar wel over heen help. Zo mooi als

de liefde immers is, zo complex is ze ook...

girugten april 2008


Tialda Haartsen

In ‘Op de bank van…’ komen personen aan het woord die een

bepaalde functie binnen onze faculteit vervullen. Er gebeurt meer

aan onze faculteit dan de gemiddelde lezer vaak zal vermoeden.

Daarom een kennismaking met de functies en de personen die

hier invulling aan geven.

Op de bank van Tialda Haartsen

Vanaf 1998 is Tialda Haartsen verbonden aan onze faculteit, eerst als

promovendus en nu als universitair docent. Zij geeft enkele vakken in

de bachelor SG&P en in de Master Culturele Geografie en is medecoördinator

van het Challenge Program. Daarnaast zit zij in de redactie

van het tijdschrift Noorderbreedte.

Tialda, een korte introductie graag.

Ik ben in 1970 in Bant geboren, een dorpje in de Noordoostpolder. Tot

een paar jaar geleden brachten we met de Excursie Nederland altijd een

bezoekje aan mijn ouderlijke huis: een typische polderboerderij waar

schuurfeesten worden georganiseerd en kuubskisten met winterpenen

worden gevuld. Ik woon nu samen met Gerard en onze drie kinderen,

Hein (6), Jikke (4,5) en Siem (3). We hebben

net ons huis in de Oosterpoort verkocht en

vertrekken binnenkort naar Eenrum.

Wat voor bank heb je en waar staat deze?

Hij staat in een mooi huis in de ‘Jordaan van

Groningen’. Het is een bank die we bij een

tweedehands winkel hebben gekocht. Hij is

mooi strak, daar hou ik van. Er staat trouwens

een geografisch verantwoorde globe naast.

Mijn vader was op wereldreis en zo konden de

kinderen kijken waar opa uithing. We hebben het

huis in vervallen staat gekocht en in de loop der

tijd helemaal opgeknapt, de laatste plinten zijn

vlak voor de verkoop nog even snel afgemaakt.

We gaan een nieuw project beginnen in Eenrum.

Het is een soort ‘Villa Kakelbont’ uit 1907 met

veel eigen grond. We hebben daar net het oude

behang (op linnen) van de muren getrokken en

er kwamen kranten uit 1926 onder vandaan.

Geweldig!

Hoe kom je op onze faculteit terecht?

Na mijn middelbare schooltijd ben ik eerst in Wageningen rurale

ontwikkelingsstudies gaan studeren. Ik woonde daar ‘op Droevendaal’,

dat waren een soort barakken in de weilanden waar een beetje

alternatieve mensen woonden. In mijn eerste jaar kwam ik er achter

dat de machtsverhoudingen in het ontwikkelingswerk niet overeen

kwamen met mijn idealen. Na dat jaar ben ik dus overgestapt naar

Sociale Geografie. Ik had in Utrecht of Amsterdam terecht kunnen

komen, maar mijn vriend Gerard woonde al in Groningen, dus dat was

wel zo makkelijk. Ik ben hier afgestudeerd in de Regionale Geografie,

toen nog onder leiding van professor Van den Bremen. Na hem kwam

professor Huigen, maar het enige dat ik toen met hem te maken heb

gehad was dat hij mijn bul heeft uitgereikt. Ik heb daarna eerst een reis

naar Zuid-Afrika gemaakt en ben vervolgens bij het Arctisch Centrum

gaan werken. Daar heb ik onder andere een tentoonstelling over en

op Spitsbergen georganiseerd, onderzoek gedaan naar de mogelijke

gevolgen van dumping van nucleair afval uit de Sovjet-Unie voor de

Noordzee en naar de veranderingen in de zogenaamde ‘diepe vooroever’

van de Hollandse kust met behulp van (oude) hydrografische kaarten en

GIS. Daarna kwam ik bij de ‘Stichting Kultuer en Toerisme van Fryslân’

terecht en uiteindelijk ben ik in 1998 mijn promotieonderzoek gaan

girugten april 2008

Op de bank van...

doen naar veranderingen in functie, eigendom en beeldvorming op het

Nederlandse platteland. Op dit moment werk ik drie dagen in de week.

Hoe was je studententijd aan deze faculteit?

In die tijd had je nog zes jaar studiefinanciering, en met mijn jaartje

Wageningen erbij heb ik die jaren netjes helemaal gebruikt. Ik heb veel

keuzevakken bij het Arctisch Centrum en Antropologie gedaan. Je kon

toen nog heel veel shoppen, binnenkort heb je de Minoren en dat is

toch anders, alles is veel meer gestructureerd dan toen. Het is wel heel

leerzaam om buiten de eigen faculteit te kijken. Doordat je merkt dat

andere disciplines anders werken dan je gewend bent, leer je ook beter

wat je als geograaf kunt en bent. Ik ben in 1991 mee geweest met de

Buitenlandse Excursie naar Polen en daarna het bestuur van Ibn Battuta

ingerold. In mijn bestuursjaar heb ik samen met onder andere Femke

Niekerk en Bernard van Acker de excursie naar Ierland georganiseerd. Je

had toen verder niet zoveel commissies, eigenlijk alleen de A’cie. Andere

organisaties zoals Pro Geo, Geo Promotion en Girugten waren er al

wel in deze vorm, maar toentertijd was er nauwelijks doorstroom, die

samenwerking is nu gelukkig wel heel goed. Er is wel veel veranderd in

de loop der tijd, wij waren bijvoorbeeld tegen bestuurskleding, alles is

nu veel corporaler.

Wat zijn je huidige activiteiten naast het

doceren?

Naast doceren probeer ik ook nog onderzoek te

doen. Momenteel ben ik samen met Dirk Strijker

bezig met een artikel over jongerenketen op het

platteland. Verder heb ik een paar afstudeerders

die met leuke dingen bezig zijn, zoals de actieve

betrokkenheid van jongeren bij natuur en

landschap, in hoeverre je in de hedendaagse

poldercultuur nog sporen tegenkomt van de

selectie van de bevolking in de Noordoostpolder,

en naar plattelandsbeelden – een vervolg op

mijn promotieonderzoek. Ik hoop de resultaten

van hun onderzoek ook voor publicaties te

kunnen gebruiken. Eigenlijk zou ik het dit jaar

overdragen, maar begin maart ben ik toch weer

mee geweest met de Binnenlandse Excursie voor

tweedejaars SG&P’ers. Bij de Master Culturele

Geografie was ik aan het begin van het jaar

ook al twee weken op excursie geweest naar

Catalonië. Dat soort excursies zijn erg goed om

de master mee te beginnen. Er is meteen een groepsgevoel en iedereen

kent elkaar, dat werkt stimulerend. Bij de Master Planologie hebben ze

aan het begin een projectweek, het zou voor elke master best nuttig

kunnen zijn om op zo’n manier het jaar te beginnen. Ook ben ik samen

met Nanka Karstkarel coördinator van het Challenge Program. Dat is

een programma waarin ‘excellente studenten’ extra uitgedaagd worden.

Je kunt bijvoorbeeld een project in het buitenland doen.

Je zit ook nog in de redactie van het tijdschrift Noorderbreedte?

Daar ben ik tijdens mijn aio-schap ingerold. Noorderbreedte is een

tijdschrift over de drie noordelijke provincies. Er staat een grote

diversiteit aan artikelen in over ontwikkelingen op het gebied van

landschap, natuur, ruimtelijke ordening en milieu, maar ook cultuur,

stedenbouw, architectuur, en wonen & werken op het platteland. De

oplage schommelt tussen de vijf- en de zesduizend exemplaren. Er is

net een actie geweest waarbij iedereen gratis een exemplaar kon ophalen

bij de VVV of bij het kantoor tegenover het Stripmuseum, dit kon tot

eind maart. Een abonnement kost 32,50 per jaar. We hebben op de

website (www.noorderbreedte.nl) trouwens een digitaal archief, dus als

studenten informatie nodig hebben over iets noordelijks, dan kan dat

archief heel nuttig zijn.

25

-door Jitze Maatman-


-door Arvid Krechting-

26

Het Traject

Eind augustus, als de kans op regen het grootst is, daalt het Formule 1-wereldje neer ten zuiden van Luik. In de Ardennen, geholpen door de

natuurlijke glooiingen van het landschap, ligt een zeven kilometer lang circuit dat nog tot de oude generatie behoort: technisch uitdagend, snel

en op dit moment het langste van allemaal. Het circuit bestond altijd uit een soort driehoek: twee openbare wegen die elkaar bij de La Source

haarspeldbocht treffen, met daartussen een besloten gedeelte dat alleen voor het racen bedoeld was. De afgelopen jaren is het circuit grondig

verbouwd en is het, na de bouw van omleidingroutes, een volledig gesloten circuit geworden.

Dat is jammer, want toen het nog deels openbare wegen waren die het circuit vormden, hadden ook gewone stervelingen de kans om zich te laven

aan de spectaculairste bocht van de Formule 1: Eau Rouge. Na een lange afdaling richting het kleine beekje dat Eau Rouge is, rijdt men een steile

muur omhoog die met een flauwe bocht naar rechts wegloopt. De grootste uitdaging voor coureurs is om de bocht volgas te kunnen nemen, iets wat

voor slechts weinigen is weggelegd. De afgelopen decennia zijn veel coureurs bij hun pogingen nogal hard van de baan gegaan, met name Jacques

Villeneuve verdient hier een eervolle vermelding. Zeker gezien zijn commentaar na de crash, waaraan hij zelf niets overhield maar waarbij wel zijn

auto volledig afgeschreven werd: “Ik ging, ik wist dat het pijn ging doen, maar het was wel een hele mooie!”

Na Eau Rouge volgen nog tientallen bochten en rechte stukken die de gemiddelde snelheid van een rondje Francorchamps soms opdrijven tot 240

km/u. Geen wonder dat ook het publiek bereid is flink te betalen voor deze race: de prijzen om op een modderige helling langs het circuit te mogen

zitten beginnen bij € 135. Het publiek blijft echter massaal toestromen. Geen wonder dan ook dat de Waalse regering er alles aan doet om de Grand

Prix van België te behouden.

De afgelopen jaren vond er een trend plaats om langzaam steeds meer races te verplaatsen uit het oude continent Europa naar nieuwe delen van

de wereld. Vroeger was de kalender overzichtelijk: elf keer racen in Europa en naar Canada, de VS, Australië, Japan en Brazilië. Inmiddels worden

er ook Grand Prix’ gereden in Maleisië, China, Bahrein en Turkije, allemaal op circuits die pas de afgelopen jaren zijn gebouwd. Die missen dan

ook de historische grandeur en de nostalgie die een sport als de Formule 1 nodig heeft. Het zijn steriele circuits. De schok was dan ook groot toen

Bernie Ecclestone, de koning van de Formule 1, twee jaar geleden besloot om niet in België te rijden. Het was het gevolg van een conflict rond

tabaksreclames, een belangrijke bron van inkomsten voor de Formule 1. Overal in Europa werden die verboden, maar de Waalse regering had

middels een handig trucje toch mogelijkheden voor reclame geschapen. Toen daar een stokje voor werd gestoken vanuit Brussel kwam de organisatie

van de race op de tocht te staan en verdween deze zelfs van de kalender. Immers, in andere delen van de wereld zijn andere landen bereid veel te

betalen voor een bezoek van het Formule 1-circus.

Het zou echter eeuwig zonde

zijn als Spa van de kalender zou

verdwijnen, zoals dat eerder

gebeurd is met legendarische

circuits als Zandvoort en Brands

Hatch in Engeland. Jos Verstappen

haalde er in 1994 een derde plaats

en verloor er bijna zijn leven in

1996. De mooiste inhaalactie

van de afgelopen jaren, van

Hakkinen op Schumacher om een

nietsvermoedende achterblijver

heen, vond er plaats. Eind augustus

moeten de bossen rondom het

circuit gevuld worden met die

klassieke Formule 1-cocktail van

uitlaatgassen, verbrand rubber en

barbecues. Even uit de sleur, even

niet zeuren over het milieu, maar

genieten van de meest geavanceerde

sport op aarde, op het mooiste

circuit ter wereld. Goed dat dat in

België nog kan!

Circuit National de

Spa-Francorchamps

Gevraagd naar hun favoriete circuit antwoorden de meeste Formule 1-coureurs: Dat hele lange circuit in de Belgische Ardennen. Als lid

van de klassieke ‘grote vier’ races (Monaco, Italië, Groot-Brittannië en België dus) hebben onze zuiderburen datgene waar Nederlanders

al sinds 1985 naar smachten: een Grand Prix. En op een mooi circuit ook.

Eau Rouge; misschien wel de mooiste bocht ter wereld

girugten april 2008


Herta Macht Scriptieprijs 2008

Bij de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen in Groningen zal in 2008 voor de derde maal de Herta Machtscriptieprijs worden uitgereikt. De

uitreiking van de prijs, een geldbedrag van € 1000,- en een beeldje met inscriptie, is op 12 juni 2008.

De Scriptieprijs is bedoeld voor jong talent in de Ruimtelijke Wetenschappen en heeft als doel het bevorderen van culturele aspecten in en

maatschappelijke relevantie van de Ruimtelijke Wetenschappen.

In 2006 is de Scriptieprijs uitgereikt aan Marieke van der Sloot voor haar scriptie ‘I/eye Tibet’, over jonge Tibetaanse vluchtelingen in India. Ze liet

de jongeren zelf hun leven filmen en gebruikte de film als belangrijke data. Van der Sloot wilde met haar thesis laten zien dat door het gebruik van

afbeeldingen als primaire informatiebron, een ander soort sociaal-wetenschappelijke kennis kan worden verkregen.

Vincent Breen heeft met zijn thesis ‘Bermmonumenten. Plekken om bij stil te staan’ de prijs in 2007 in de wacht gesleept. Het onderzoek ging in essentie

over de cultureel-geografische betekenis van bermmonumenten, opgericht door nabestaanden van slachtoffers van dodelijke verkeersongevallen.

Deze monumenten zijn sterk cultureel-geografisch van karakter, want per definitie plaatsgebonden (namelijk aan de plaats van het ongeval) en

beladen met duidelijke betekenissen (de plotselinge dood van een geliefde). Breen heeft op praktische wijze aan toekomstig onderzoek gedacht, door

te analyseren welke methoden van dataverzameling voor het in kaart brengen van bermmonumenten het meest geschikt zouden zijn. Hij maakt

het als het ware mogelijk dat anderen later op zijn schouders kunnen gaan staan. Dat tekent het academische karakter van de onderzoeker en de

scriptie.

Voor de Scriptieprijs komen doctoraalscripties en mastertheses (niet ouder dan 2 jaar), die tenminste met een 8 beoordeeld zijn, in aanmerking. Voor

het reglement en aanmelden, kijk op: http://www.rug.nl/frw/faculteit/basiseenheden/hertamacht. De winnende thesis wordt gehonoreerd met een

beeldje en een geldprijs van 1000 euro.

Kandidaten kunnen zich aanmelden via www.rug.nl/frw/faculteit/basiseenheden/hertamacht

De deadline voor het inleveren van de masterthesis is 1 april 2008.

Voor meer informatie: d.antoons@rug.nl of tel: 050- 363 3897.

De jury zal bestaan uit een aantal geziene wetenschappers die hun sporen hebben verdiend binnen de Ruimtelijke Wetenschappen. In mei 2008 zal

de uitslag bekend worden gemaakt.

girugten april 2008

27


28

Ibn Battuta

Mededelingen van Faculteitsvereniging Ibn Battuta

Met de aankomende tentamenperiode in het vooruitzicht is het

collegejaar voor de helft voorbij. Dat betekent dat het huidige bestuur

van Ibn Battuta bezig is een nieuw bestuur klaar te stomen zodat de

studenten aan de faculteit ook volgend jaar weer bij de vereniging terecht

kunnen voor interessante activiteiten en de nodige gezelligheid.

De officiële overdracht van het bestuur zal plaatsvinden op de ALV van

10 juni.

Nieuwe commissies

Op de vorige ALV in februari zijn er weer diverse nieuwe commissies

voorgesteld. De nieuwe Excursiecommissie zal er ook dit jaar voor

zorgen dat er een diversiteit aan ruimtelijk wetenschappelijke excursies

wordt georganiseerd. Ook is er een nieuwe Sport- en Spelcommissie

aangesteld, zij zullen er voor zorgen dat er onder andere twee teams van

Ibn Battuta dit jaar zullen deelnemen aan de Batavierenrace, daarover

verderop in deze bestuursberichten meer.

Almanak

Eind februari is de almanak van dit jaar gepresenteerd met als titel

‘Lekker is anders’. Hierin presenteren het bestuur en de commissies

zichzelf, er zijn verslagen van grote activiteiten van het afgelopen jaar en

alle studenten en docenten zijn terug te vinden met foto en informatie.

Alle leden van Ibn Battuta kunnen dit prachtige jaarboek gratis ophalen

in de koffiekamer (Interimgebouw, kamer 27).

Er is inmiddels een nieuwe commissie aangesteld zodat er ook volgend

jaar een mooie almanak zal verschijnen.

Nationaal Planologen Symposium

In de vorige editie van Girugten werd aangekondigd dat in maart

het Nationaal Planologen Symposium zou plaatsvinden. Door

omstandig-heden heeft dit toen helaas niet kunnen doorgaan en

de datum is nu verplaatst naar 30 mei. De studieverenigingen uit

Amsterdam, Utrecht, Nijmegen en Groningen organiseren gezamelijk

deze dag met interessante sprekers en workshops. Het thema van deze

dag is ‘Het einde van het Groene Hart?’ en de dag zal worden afgesloten

met een interactief debat over deze stelling waarbij ook prominenten

uit de planogiesector aanwezig zullen zijn. Het Nationaal Planologen

Symposium zal plaatsvinden in Amsterdam, op de website van Ibn

Battuta zal verdere informatie volgen.

Activiteiten

Een hoogtepunt van de afgelopen maanden was de excursie naar Bottrop,

georganiseerd door de Werkgroep Wintersport. Een groep van meer dan

40 leden gingen per bus van Arnhem op weg naar het Duitse Bottrop.

Aldaar kon iedereen de hele dag skiën, snowboarden, eten en drinken.

Deze originele activiteit was door zijn grote opkomst en gezelligheid een

groot succes. Wellicht zal deze activiteit in de toekomst terugkeren.

Op de activiteitenagenda van de komende maanden vinden we onder

andere de Batavierenrace. Dit is de grootste estafetteloop van de wereld,

met daarop volgend het grootste studentenfeest van de Benelux. De

loop gaat van Nijmegen naar Enschede en wordt gehouden op 26 april.

Ook dit jaar doet Ibn Battuta mee met twee teams. Je kunt je inschrijven

via de website. De periode voorafgaand aan de race zal er elke dinsdag

aan het eind van de middag een looptraining plaatsvinden bij de ACLO

zodat iedereen goed voorbereid aan de start zal verschijnen.

Als laatste de aankondiging dat dit jaar zoals elk jaar zal worden afgesloten

met een groots eindfeest. Het feest zal plaatsvinden op donderdag 5 juni.

Verdere details over het eindfeest zullen spoedig volgen, houd de website

dus in de gaten en zet dit feest alvast in je agenda.

Heb je vragen over activiteiten van Ibn Battuta of wil je je inschrijven

voor activiteiten of commissies? Ga dan naar www.ibnbattuta.nl of stuur

een mail naar ibn.battuta@rug.nl.

girugten april 2008


Een zonnige toekomst

“Plastic zonnecellen, kan dat echt?” Dat is de vraag waar Prof. Dr. Kees

Hummelen zijn lezing mee begon. Ja dat kan zeker, werd duidelijk in de

loop van zijn verhaal.

De wereldbevolking zal de komende decennia nog aardig toenemen.

Nieuwe economische grootmachten zijn in opmars. Logischerwijs zal de

vraag naar energie wereldwijd flink stijgen. Hoe gaan we dat opvangen?

Het opraken van fossiele brandstoffen en het belang van duurzame

energie wordt een steeds groter issue en er wordt steeds meer aandacht

op gevestigd, zoals blijkt uit films als ‘An inconvenient truth’ van Al

Gore. We kunnen niet om het belang van nieuwe ontwikkelingen op het

gebied van duurzame energie heen. Eén daarvan is zonne-energie, en de

nieuwste ontwikkeling op dat gebied: plastic zonnecellen.

Momenteel levert zonne-energie maar een heel klein deel van de totale

energie die wereldwijd opgewekt wordt. Dit deel zal aanzienlijk moeten

worden vergroot. In het jaar 2050 is er wereldwijd een verdubbeling van

de energiebehoefte, namelijk 28 TeraWatt (TW). We hebben het dan

over 28.000.000.000.000 Watt. Dit is niet niks… Men verwacht dat deze

hoeveelheid in het jaar 2100 weer verdubbeld moet zijn. De zon levert

meer dan genoeg energie om de hele aarde te voorzien, maar er zouden

enorme oppervlakten aan zonnepanelen gebouwd moeten worden. Om

aan de vraag in het jaar 2100 te voldoen zou er elk jaar aan oppervlakte

een gebied van drie maal de grootte van de provincie Groningen

bijgebouwd moeten worden.

Problemen die zich hierbij voordoen zijn ten eerste het vervoer van al

deze energie en ten tweede de hoeveelheid materiaal die nodig is. De

zonnecellen die wij nu kennen, worden gemaakt van het donkerblauwe

multikristallijn silicium. Ondanks dat de huidige panelen maar 3/10

millimeter dik zijn, is er jaarlijks maarliefst zeven miljoen ton zuivere

silicium nodig om aan de vraag te voldoen. Daarom is men op zoek gegaan

naar goedkopere, maar evenwaardige opvolgers. De plastic zonnecellen

die nu ontwikkeld worden, in het Engels overigens ‘Organic based

photovoltaics’ genoemd, worden ook

wel ‘dunnefilmzonnecellen’ genoemd

en zijn slechts 400 nanometer dik. 6000

Ton per jaar organische stoffen voldoet

voor de productie ervan, wat goedkope

massaproductie in de toekomst

mogelijk zal maken. Een groot ander

voordeel van deze cellen is de grotere

toepasbaarheid ervan. Ze zijn flexibel,

gemakkelijker te integreren en semitransparant,

verschillende kleuren zijn

ook mogelijk.

Plastic zonnecellen zijn nog niet

in productie, de cellen bevinden

zich momenteel nog in het

onderzoeksstadium, maar ze komen

er zeker. In de tussentijd vinden er

met de ‘klassieke’ zonnecellen steeds

meer originele toepassingen plaats.

Sommigen ken je wel, zoals horloges

die werken op zonne-energie, (die van

Prof. Hummelen zelf heeft het zeven

jaar uitgehouden) en vergeet niet de

op zonne-energie aangedreven auto’s

girugten april 2008

Nuna 1,2,3 en 4 van de TU Delft, die jaarlijks in Australië Nederland

trots maken door nog nooit de winst uit handen gegeven te hebben.

Een interessant feit is overigens dat dat grotendeels te danken is aan

de expertise van de Delftse hoogleraar Aerodynamiek, die als beste ter

wereld wordt beschouwd en de toegang die Wubbo Ockels heeft tot de

beste zonnecellen ter wereld.

Maar er zijn ook toepassingen waar je misschien niet zo snel aan zou

denken, zoals rugzakken met zonnecellen, een mobieltje met een oplader

van mini-panelen, een tent die LED-lichtjes laat branden, of wat dacht je

van een zwempak waar je je MP3-speler op aan kunt sluiten. Het bestaat!

Kun je nagaan wat voor mogelijkheden er zijn met de goedkopere en

flexibelere plastic variant…

Voordat er de gekste dingen te verzinnen zijn, moeten er nog wel een

aantal problemen overbrugd worden. Ondanks dat het aantal mensen

dat met onderzoek naar plastic zonnecellen bezig is de laatste jaren is

toegenomen - het is duidelijk dat de toekomst hier ligt - is er een tekort

aan mensen met kennis ten aanzien van zonne-energie. Denk aan

onderzoekers, architecten, planologen. Tevens moet het nog goedkoper

aangeboden kunnen worden. Een aantal technische obstakels moet nog

het hoofd geboden worden; het materiaal smelt snel en vooralsnog hebben

de cellen een rendement van slechts vijf procent. Momenteel worden er

nog te veel schadelijke materialen gebruikt zoals cadmiumsulfide. Er

wordt onderzoek gedaan met ‘schonere’ alternatieven.

Echter, het onderzoek naar plastic zonnecellen met zoveel mogelijk

rendement en levensduur maar tegelijk zo goedkoop en ’schoon’ mogelijk

is op de goede weg, en Nederland levert een belangrijke bijdrage aan dit

onderzoek. We kunnen niet meer heen om het belang van duurzame

energie en de plastic zonnecel zou wel eens het grote antwoord kunnen

worden. Prof. Hummelen verwacht in 2009 de eerste productie. Al met

al kunnen we de toekomst van de plastic zonnecel zonnig tegemoet

zien…

Kameel met zonnepanelen om een koelkast met medicijnen te koelen.

29

-door Anne Gmelig Meyling-


30

Pro Geo

Soms vragen studenten wel eens aan een bestuurslid van Pro Geo : “Leuk en aardig zo’n studentenbelangenorganisatie, maar wat

hebben jullie nou eigenlijk bereikt de afgelopen tijd?” “En wat doen jullie eigenlijk, behalve vergaderen?”

Zo’n vraag is voor een bestuurslid van Pro Geo makkelijk te beantwoorden met: “De meeste projecten waar Pro Geo zich op dit

moment mee bezig houdt, zijn lange termijn- projecten en plannen, waarvan de effecten pas over geruime tijd zichtbaar zullen zijn.”

Maar dat betekent niet dat Pro Geo stilzit, zeker niet!

Hieronder volgt een overzicht met de belangrijkste zaken waar Pro Geo zich op dit moment mee bezig houdt of waar we ons mee bezig

hebben gehouden en op wat voor manier ze de studenten en de faculteit zullen beïnvloeden. Nu of in de toekomst.

Hertentamens

De hertentamens zijn met het huidige studieprogramma niet gespreid over het jaar: de meeste hertentamens worden afgenomen in

juli. Het is erg lastig om zoveel tentamens in één periode te herkansen. Pro Geo is aan het kijken of er mogelijkheden zijn tentamens

meer te spreiden over het jaar.

Visitatie

Dit najaar is er een visitatie gehouden op de faculteit, met als doel de kwaliteit van het onderwijs aan onze faculteit te toetsen en te

bekritiseren. Een paar belangrijke punten die uit het visitatierapport naar voren kwamen waren de kwaliteit van de bachelorprojecten

en de vaardigheden & technieken lijn, met daarin o.a. statistiek en M&TGPOND. Pro Geo doet nu in samenwerking met de faculteit

haar best om een nieuw en verbeterd bachelorprogramma op te zetten, met meer aandacht voor de V&T-lijn door de gehele bachelor,

zodat studenten makkelijker het bachelorproject inrollen en kwalitatief betere stukken zullen inleveren. Want het onderzoek is en blijft

natuurlijk het belangrijkste onderdeel van een universitaire opleiding.

Invoering Minoren

Er staat voor de faculteit een grote verandering op stapel, namelijk de invoering van de ‘minoren’. Een minor kan worden gezien als

een ‘mini-opleiding’ die studenten kunnen kiezen om zijn/haar kennis te verbreden of te verdiepen. Je volgt een minor in het eerste

semester van je derde jaar. Deze minoren kun je volgen op een andere faculteit, maar ook op je eigen faculteit.

Pro Geo heeft een belangrijke stem in het samenstellen van de minoren en een voorstel van Pro Geo met daarin enkele minoren, die

voor studenten buiten en binnen onze faculteit aantrekkelijker zijn werd binnen de faculteit positief ontvangen. De minoren worden

in 2009 over de gehele universiteit ingevoerd.

girugten april 2008


Verschijning volgende

nummer: begin juni

girugten april 2008

Volgende keer...

Olympische spelen

Deadline:

11 mei

31


-door Bllie de Haas-

Uit het buitenland

Kermis in Kampala

Hallo allemaal! Begin februari ben ik voor vier maanden naar Oeganda vertrokken om daar voor mijn scriptie onderzoek te doen

naar het seksuele gedrag van jongeren op middelbare scholen. Na vijf weken in Oeganda heb ik al zoveel meegemaakt dat ik denk dat

ik deze hele Girugten wel zou kunnen vullen met verhalen. Alles is hier zo anders dan in Nederland: mensen lopen hier rond met

megageweren zonder dat iemand er raar van opkijkt, gebouwen hebben serieus ‘Verboden je megageweer mee naar binnen te nemen’bordjes,

en ook al heeft de overheid het verboden: kinderen worden op school nog steeds gestraft met tikken op de billen. Maar laat ik

wat meer vertellen over de kermis van Oeganda: het verkeer!

De eerste weken van mijn verblijf in Oeganda heb ik doorgebracht in Kampala, de hoofdstad. Het verkeer is hier heel chaotisch en in

het centrum staat het de hele dag vast. Hierdoor kan het twee uur duren om in een matatu (taximinibus) vier km af te leggen. Beetje

zonde van je tijd natuurlijk en daarnaast ook niet erg gezondheidsbevorderend, aangezien je twee uur lang de rookwalmen van de

matatu’s aan het inhaleren bent. Deze zijn vaak in slechte staat (lees: mensen op straat komen helpen om de deur weer dicht te krijgen)

en hebben zeker weten geen goede filters geïnstalleerd.

Het alternatief van de matatu is de boda boda: brommertjes waarop jongens je vervoeren. Het is een stuk sneller, maar ook duurder en

zeer gevaarlijk. Geen één attractie op de kermis heeft mij ooit meer adrenaline gegeven dan een ritje op een boda boda tijdens ‘traffic

jam’ op Kampala Road, de hoofdweg van de stad. Staat het hele verkeer vast, dan wurmen de boda boda’s zich er wel doorheen. Het

wegdek is in Kampala niet zo mooi geasfalteerd als in Nederland en lijkt vaak meer op wegen die wij ‘off-road’ zouden noemen. Elke

keer hoop je weer vanuit het diepste van je hart dat de boda boda niet over die bobbel zal gaan, of over dat gat in de straat en dat hij

alsjeblieft niet die berg (stoep) op gaat. En als het heeft geregend: ga alsjeblieft niet zo snel in de bocht met al die hobbels/plassen/

gaten/bergen! Maar ja, dat gebeurt dus wel. Ik ben er van overtuigd dat de boda boda’s een grote bijdrage leveren aan het religieuze

leven van de mensen hier: één minuut op de boda boda was voor mij in ieder geval genoeg om m’n geloof weer terug te vinden!

Hoewel het verkeer officieel links rijdt, wordt er zowel links als rechts ingehaald. Kampala Road is een tweebaansweg, wat dus betekent

dat daar minstens drie, en soms wel vier, auto’s naast elkaar kunnen rijden. Er is geen vluchtstrook of iets dergelijks, maar soms is er wel

een stoep die als derde baan kan worden gebruikt. Aangezien het verkeer toch meestal stil staat, kunnen voetgangers door het verkeer

heenlopen en hebben ze niet echt een eigen stoep nodig. In Nederland wachten auto’s die willen afslaan op een kruispunt netjes achter

elkaar, in Oeganda doen ze dit naast elkaar. Je zou kunnen zeggen dat elk stukje wegdek benut wordt, op zich niks mis mee toch?!

Wat betreft het voorrang geven, ik geloof dat de regel is: sla af zodra je een kans ziet. Hierdoor wil het nog wel eens gebeuren dat je

met zes auto’s vaststaat op het midden van een kruispunt, waarbij elke auto een andere kant opgedraaid staat. Maar net zoals in de

botsauto’s lost het zich uiteindelijk altijd vanzelf wel weer op. Het verkeer is dan wel een stuk chaotischer dan in Nederland, het lijkt

wel te werken. Toch zou ik wel willen voorstellen dat er wat planologen van onze faculteit naar Kampala gaan om een verkeersplan

voor deze stad op te stellen!

Afgelopen week had ik de eer om twee districten in het zuidwesten van Oeganda te bezoeken. Hoewel op het ‘platteland’ (beetje

vreemde benaming aangezien het vol met bergen staat) dezelfde verkeersregels als in de stad worden gehanteerd, is het niet zo

drukbevolkt, waardoor het verkeer niet door ander verkeer in toom wordt gehouden en ze dus echt héél, héél hard rijden. Mocht een

bus een tegenligger tegenkomen, zoals een matatu, voetganger of koe, dan hoeft er geen vaart geminderd te worden, een simpele druk

op de toeter is afdoende.

De boda boda’s zijn er een stuk goedkoper, maar ze rijden dan wel door totdat er echt geen druppel benzine meer in de brommer zit.

Als passagier moet je daarom regelmatig even afstappen zodat de boda boda jongen z’n brommer op de kop kan zetten om de laatste

druppels in de motor te laten, waarna weer verder gereden kan worden. Maar soms betekent het dat je even aan de kant moet wachten,

zodat je boda boda jongen met z’n brommer naar het dichtstbijzijnde tankstation kan rennen voor benzine.

Naast matatu’s zijn er ook veel ongeregistreerde taxichauffeurs op het platteland die hun eigen personenauto als taxi gebruiken. Hoewel

deze auto’s een normaal formaat hebben, passen hier toch zeker negen passagiers in: vijf op de achterbank, twee op de bijrijderstoel,

één samen met alle bagage in de kattenbak en één naast de chauffeur op de rijderstoel. Hoewel de passagier tussen de chauffeur en de

versnellingspook zit, lijkt dit het rijden niet te belemmeren.

Ja, je weet niet wat je meemaakt in Oeganda... Hopelijk heb ik jullie kunnen inspireren om er ook naartoe te gaan!

More magazines by this user
Similar magazines