Naar binnen en naar buiten - CGK Amsterdam

kleurrijkamsterdam.nl

Naar binnen en naar buiten - CGK Amsterdam

Naar binnen en

naar buiten

Beschrijving en analyse van de Redeemer

Presbyterian Church in New York City

Siebrand Wierda

Ter wille van de hanteerbaarheid is

de omslagfoto in dit pfd bestand

weggelaten - sjw


Naar binnen en

naar buiten

Beschrijving en analyse van de Redeemer

Presbyterian Church in New York City

Siebrand Wierda

Groningen, januari 2000

1


2

Verantwoording

Dit rapport doet verslag van een onderzoek t.b.v. het onderdeel ‘Missionair functioneren van de

christelijke gemeente’ van het hoofdvak Gemeenteopbouw van de Theologische Universiteit

Apeldoorn, uitgevoerd aan de Theologische Universiteit Kampen (Broederweg) onder

begeleiding van prof. dr. M. te Velde.

Omslagfoto

Twee jaar geleden werd de New Song Community Church geplant in Harlem, een van de armste

delen van New York City. Deze kerk richt zich sterk op recht en gerechtigheid in de buurt als

teken van het koninkrijk van God. De foto op de omslag toont een gebouw dat recentelijk door

New Song is gekocht. De vier etage’s zullen respectievelijk worden gebruikt voor: een caférestaurant,

een kerkzaal, een kerkelijk bureau en appartementen.

Rechten

Dit rapport is vrij te kopiëren, mits wordt verwezen naar de bron.

Auteursgegevens

S.J. Wierda, Acacialaan 15, 9741 KV Groningen


Dank

Aan de fondsen die het onderzoek hebben gefinancierd

Stichting Het Scholten-Cordes Fonds

Stichting Zonneweelde

Theologische Universiteit Apeldoorn

Theologische Universiteit Kampen / Greijdanus-Kruithof Fonds

Aan allen die bij het onderzoek betrokken waren

Ken en Alison Brownell, voor de gastvrijheid in Londen en het gezellige diner

Willem van Eeken, voor het reageren op een voorlopige versie en de inhoudelijke herkenning

Paul den Hertog, voor de gezelligheid in Londen en de geestdrift over Redeemer

Robert Hoekstra, voor de verzorgde organisatie en het sturen van het boek

Peter van de Kamp, voor de uit jaren bestaande know-how en het lenen van diverse boeken

Tim en Kathy Keller, voor de krachtige visie en de liefde voor de stad

Mark Mittelberg, voor het snelle reageren en het zenden van de boeken

Erwin Nieuwold, voor het scannen van de foto en het tekenen van de plaatjes

Herman Selderhuis, voor de mondiale ideeën en de juiste contacten

Roel Sikkema, voor de aan twee kanten snijdende interesse en het getoonde vertrouwen

Steve Smallmann, voor het prettige gesprek en het blijvende contact

Mees te Velde, voor het doelgerichte commentaar en de strategische begeleiding

Peter en Joke Visser, voor de gastvrijheid in Grand Rapids en de broederlijke gesprekken

Lynn en Steve Whitcomb, voor de gastvrijheid in Carpentersville en de emails

Westminster Theological Seminary, voor het gebruik van een studentenkamer en de bibliotheek

Aan de mensen die dicht bij mij staan

Leden van de CGK Groningen, voor de stimulerende omgeving en het warme meeleven

Wander en Iek en Tjibbe en Janke, voor het heit-en-mem-zijn en het opvangen van de kinderen

Janneke, Wander en Tjarco, voor de begeleiding naar Schiphol en het lange wachten daar

Nynke, voor alles en speciaal voor die week samen in New York

3


Inhoudsopgave

1 Inleiding 7

1.1 Achtergrond 7

1.2 Onderzoeksinhoud 8

1.3 Verantwoording 9

2 Uitgangspunten 12

2.1 Kerk 12

2.2 Cultuur 15

2.3 Model 17

2.3.1 Beschrijving 17

2.3.2 Tekening 19

3 Beschrijving 21

3.1 Geschiedenis van Redeemer 21

Excurs: Geschiedenis van Willow Creek 23

3.2 Visie-overzicht van Redeemer 24

3.2.1 Visie 24

3.2.2 Missie en doel 25

3.2.3 Strategie 25

Excurs: Visie-overzicht van Willow Creek 26

3.3 Hart van Redeemer 27

3.3.1 Erediensten 27

3.3.2 Huiskringen 29

Excurs: Hart van Willow Creek 30

3.4 Werkvelden van Redeemer 32

3.4.1 Verkondiging 32

3.4.2 Levenswijding 33

3.4.3 Vorming en toerusting 34

3.4.4 Pastoraat 35

3.4.5 Samenleven 36

3.4.6 Diaconaat 37

Excurs: Gemeentelijk leven van Willow Creek 38

3.5 Kerkplanting door Redeemer 38

3.6 Organisatie van Redeemer 41

4 Analyse 44

4.1 Geschiedenis van Redeemer 44

4.1.1 Groei 44

4.1.2 Evaluatie 45

4.2 Identiteit van Redeemer 47

4.2.1 Inleiding 47

4.2.2 Christocentrisch 48

5


6

4.2.3 Gemeenschap-gericht 52

4.2.4 Eschatologisch 53

4.2.5 Holistisch 56

4.2.6 Contextueel 58

4.2.7 Stedelijk 62

4.2.8 Evaluatie 64

Excurs: Identiteit van Willow Creek 67

4.3 Functioneren van Redeemer 70

4.3.1 Model 70

4.3.2 Hart 71

4.3.3 Organisatie 72

4.3.4 Evaluatie 73

Excurs: Redeemer en Willow Creek 74

5 Aanbevelingen 77

Literatuur 81

Bijlagen 85

A. VisNed wil groeien door klein te worden 85

B. Durf in kerk groot te denken 86

C. Plant een nieuwe kerk die cultureel relevant is 87

D. Kerk voor christenen en niet-christenen 90

E. Christendom is een niet-westerse godsdienst 91


1 Inleiding

Dit rapport doet verslag van een onderzoek naar de mogelijkheden om de christelijke gemeente

systematisch en geïntegreerd naarbinnenen naar ‘buiten’ op te bouwen. De kant naarbinnen

is gericht op hen die al lid zijn van de gemeente; de kant naar ‘buiten’ is gericht op hen die nog

geen lid zijn van de gemeente. Ik heb t.b.v. dit onderzoek veldwerk verricht in de Verenigde

Staten van Amerika.

1.1 Achtergrond

Gemeenteopbouw lijkt in de gereformeerde kerken in Nederland steeds belangrijker te worden.

Tijdens allerhande contacten die ik heb en bijeenkomsten die ik meemaak merk ik namelijk dat

in steeds meer gemeenten de behoefte wordt gevoeld om ‘aan gemeenteopbouw te doen’. 1 Ik

signaleer daarbij echter drie problemen.

i) Er leven weliswaar creatieve ideeën en stimulerende gedachten bij veel christenen en

kerken, maar m.i. komen die ideeën en gedachten slechts zelden op vanuit een heldere en

eenduidige visie op de gemeente, waardoor ze te weinig doelgericht en samenhangend

worden ingezet vanuit een doordacht beleidsplan. Dat is jammer, want die visie en dat

doelgericht en samenhangend werken is nu precies waar het bij Gemeenteopbouw om

gaat. 2

ii) De kant naar ‘buiten’ blijft in de bezinning en de praktijk van veel gemeenten

onderbelicht t.o.v. de kant naarbinnen’. 3 Diverse ideeën en gedachten t.a.v.

gemeenteopbouw zijn er op gericht de gemeente eerst naarbinnen’ op te bouwen, in de

hoop dat de kant naar ‘buiten’ dan wel min of meer automatisch zal volgen. 4 Dit is echter

te veel impliciet geredeneerd. Principieel zal gemeenteopbouw zich altijd expliciet naar

1 Ter illustratie: een werkgroep christelijke gereformeerde predikanten achtte kort geleden de tijd rijp om

een symposium over Gemeenteopbouw te organiseren. Dit symposium is gehouden op 9 oktober 1999 in

Veenendaal. Vgl. A. Kamsteeg, ‘Het geheim van de levende gemeente’, Ambtelijk Contact 39 (1999),

449-453 en J.H. Carlier, ‘De levende gemeente – een uitdaging’, Ambtelijk Contact 39 (1999), 453-461.

2 M. te Velde, Gereformeerde gemeenteopbouw, Barneveld 1989.

3 J. Jonkman schrijft: ‘Wij zijn al blij dat het goed gaat in de gemeenten en dat we niet te veel kwesties

hebben met of tussen broeders en zusters. Maar die tevredenheid is er een van een te laag niveau. Onze

kerken hebben echt doorwaaiing van de Heilige Geest nodig’, in: De Wekker, 15 oktober 1999. ‘Pas als

we zelf inzien dat het missionair getuigenis van onze gemeenten in deze wereld niet of nauwelijks iets

voorstelt, kan de Geest ons juist die gaven geven die voor deze tijd nodig zijn. Maar ik vraag mij af of wij

die verlegenheid wel ervaren’, aldus W. Dekker, in: Nederlands Dagblad, 6 november 1999. Persoonlijk

ken ik slechts weinig gemeenten in Nederland die anno 1999 in staat zijn om regelmatig aantallen nietchristenen

zo te bereiken met het evangelie van Jezus Christus dat zij zich bekeren en tot geloof komen.

Intussen hoor ik van nogal wat gemeenteleden dat ze wel graag hun niet-christelijke vrienden zouden

willen uitnodigen om mee te gaan naar de kerk, maar ze doen het niet omdat ze er van uitgaan dat de naar

binnen’ gerichte cultuur in die kerk hen zal afschrikken.

4 Dit is bijvoorbeeld te merken in twee doctoraalscripties die recentelijk in Kampen zijn gepresenteerd: J.

Haveman, ‘Samen naar de Bron’, 1999 en R.F. Telgenhof, ‘Samen leven met God’, 1999. Dit zijn twee

waardevolle scripties, maar beide zijn erop gericht dat eerst binnen de gemeente de zaken ‘op orde

moeten zijn’, in de hoop dat daarna de kant naar ‘buiten’ vanzelf komt. Het probleem is m.i. dat dan voor

Jezus’ wederkomst nooit het moment zal aanbreken waarop wel expliciet naar ‘buiten’ aan de gemeente

zal worden gebouwd.

7


8

binnenen naar ‘buiten’ moeten richten, zowel op de christelijke gemeente als op heel de

wereld. 5

iii) De integratie van de kant naarbinnenen de kant naar ‘buiten’ is te mager. Zeker zijn er

in en buiten Nederland christelijke gemeenten waar men (veel) oog heeft voor

buitenkerkelijken, waarbij met name ‘diensten met belangstellenden’ een geliefd middel

vormen om hen te bereiken, maar vaak is er dan een kloof tussen de gemeentelijke

activiteiten die naarbinnen’ gericht zijn en de gemeentelijke activiteiten die naar

‘buiten’ gericht zijn. Het blijkt moeilijk te zijn een goede brug te slaan tussen deze twee

of deze meer geïntegreerd te laten samengaan. 6

Mijn onderzoek gaat in op deze problemen. Ten eerste staat het onderzoek in het kader van mijn

hoofdvak Gemeenteopbouw. Dat betekent dat juist het systematische een grote rol moet spelen.

Ten tweede is het onderzoek een onderdeel van het studieblok ‘Missionair functioneren van de

christelijke gemeente’ binnen genoemd hoofdvak. Dat betekent dat ik expliciet aandacht vraag

voor de kant naar ‘buiten’. Ten derde wil ik zoeken naar een weg waarin de onevenwichtige

situatie tussen naarbinnenen naar ‘buiten’ wordt doorbroken met een gebalanceerde en

geïntegreerde combinatie van naarbinnenen naar ‘buiten’.

1.2 Onderzoeksinhoud

1. Probleemstelling. De probleemstelling van het onderzoek luidt: Hoe kan systematisch

worden gewerkt aan de opbouw van de gemeente van Jezus Christus, waarbij de kant naar

binnenen de kant naar ‘buiten’ geïntegreerd zijn?

2. Doelstelling. Boven stipte ik drie problemen aan: (1) veel ideeën komen te weinig op uit een

doordachte visie en vinden te weinig vorm in een doordacht beleidsplan; (2) de kant naar

‘buiten’ blijft te vaak onderbelicht; (3) de kant naarbinnenen de kant naar ‘buiten

functioneren vaak naast elkaar in plaats van geïntegreerd. Nu komt de laatste tijd, met name via

het Nederlands Dagblad, een kerk nogal in het nieuws die deze drie problemen lijkt hebben

overwonnen. 7 Ik doel op de Redeemer Presbyterian Church, gevestigd in Manhattan, het hart

van New York City. Redeemer lijkt een gereformeerde kerk te zijn waar de gemeente

systematisch en geïntegreerd naarbinnenen naar ‘buiten’ wordt opgebouwd. In tien jaar tijd is

deze gemeente gegroeid van nul tot 2900 kerkgangers per zondag. Het onderzoek spitst zich toe

op deze kerk. Ik wil met dit onderzoek een bijdrage leveren aan gemeenteopbouw in

gereformeerd perspectief en aan de opbouw van de kerk in de westerse cultuur van de 21 e eeuw.

De doelstelling van het onderzoek luidt: Het verwerven van meer systematisch inzicht

in de uitgangspunten en de praktijk van gemeenteopbouw bij Redeemer.

5 Overtuigend aangetoond door D. van Swigchem, Het missionair karakter van de christelijke gemeente,

Kampen 1955. C.J. Haak signaleert dat de kerk vaak aan evangelisatie ‘doet’ als één van haar

organisatorische activiteiten. ‘Terwijl het omgekeerd zou moeten zijn: de evangelisatie doet wat met de

kérk. Niet maar wát of iets, maar alles’, Kerk in de 21 e eeuw, Kampen 1999, 8.

6 M. Herbst, Missionarischer Gemeindeaufbau in der Volkskirche, Stuttgart 1993 3 , 241, spreekt over

‘Öffnung’ en ‘Verdichtung’ als een tweetaktmotor met onvoldoende corridors tussen de beide onderdelen

daarvan.

7 P.A. Bergwerff, in: Nederlands Dagblad, 24, 25, 28, 31 oktober 1997, 1 november 1997, 26 en 27 maart

1999; A. Kamsteeg, in: Nederlands Dagblad, 30 maart en 28 september 1991, 4 en 29 oktober 1994, 1

april 1995 en 18 april 1998. Zie ook de uitgave ‘Gemeentegroei vandaag’, bijlage bij Christen vandaag en

Groei, voorjaar 1998, A. Kamsteeg, Amerika. Sommigen noemen het een opwekking, Barneveld 1995 4 en

A. Kamsteeg, ‘Het geheim van de levende gemeente’, Ambtelijk contact 39 (1999), 449-453.


3. Nut. Met bovenstaande is het onderzoek te typeren als een beperkte gevalstudie, nuttig om

inzicht te krijgen in een situatie die afwijkt van wat algemeen geldig is. 8 De gevalstudie is

beperkt van karakter, eenvoudig omdat het onderzoek beperkt van karakter is. Ik zal me baseren

op diverse stukken van Redeemer en op een korte verkenning ter plekke.

Het nut van het onderzoek is: uitbreiding en verdere concretisering van de inzichten

omtrent de opbouw van de christelijke gemeente naarbinnenen naar ‘buiten’.

1.3 Verantwoording

1. Verantwoording van de doelstelling. De centrale onderzoeksvraag is, zoals veel vaker

gebeurt met veldwerk, 9 in de loop van het onderzoek gewijzigd. In eerste instantie was ik

eenvoudig geboeid door het ‘succes’ van Redeemer. Ook was ik geboeid door het ‘succes’ van

de Willow Creek Community Church bij Chicago. Deze laatste kerk is al langer in Nederland

bekend, dankzij het werk van o.a. Willow Creek Nederland (WCN). Veel Nederlandse kerken

laten zich inspireren door het gedachtegoed van Willow Creek. Er zijn echter al diverse analyses

gepleegd op Willow Creek 10 en de indruk bestond bij mij dat er behoorlijke verschillen bestonen

tussen Willow Creek en Redeemer. Mijn onderzoek bleef zich daarom concentreren op

Redeemer. De centrale onderzoeksvraag leek zich toen steeds meer te gaan richten op de vraag

hoe je kerk in de grote stad kunt zijn. Redeemer is immers een kerk in hartje stad. Maar

eigenlijk was en is dat niet wat me het meeste interesseert. De stad is slechts één van de

omgevingen waar kerken functioneren en elk van die kerken staat voor de vraag hoe zij kerk in

zijn specifieke plaats en context zal zijn. Waar het me, gezien de achtergrond van de vragen,

vanaf het begin om is gegaan, is de vraag: Hoe kan de kerk van Jezus Christus in deze tijd en in

haar eigen omgeving kerk zijn voor christenen en voor niet-christenen? Toen tijdens het

onderzoek bleek dat ik zeer geschikte insiderinformatie kon krijgen over Redeemer, kwam ik uit

op de doelstelling zoals boven geformuleerd.

Uiteraard heb ik deze doelstelling geformuleerd met het oog op de Nederlandse situatie,

maar ik heb dat niet expliciet in de doelstelling genoteerd. Hoewel ik me realiseer dat de cultuur

van (kerken in) Amerika verschilt van die van (kerken in) Nederland, is het onderhavige

onderzoek te beperkt om uitgebreid in te gaan op de verschillen. Het is voor mij echter evident

dat het geen zin heeft om zomaar een Amerikaanse manier van kerk-zijn te kopiëren in een

Nederlandse setting. In plaats daarvan wil ik zoeken naar principes, uitgangspunten en modellen

van Redeemer om me vervolgens af te vragen of en hoe die in een Nederlandse context zouden

kunnen worden geïmplementeerd.

2. Verantwoording van de methode. De gevolgde onderzoeksmethode is voor het grootste deel

die van beperkte participerende observatie. 11 Via met name literatuurstudie en ook door diverse

contacten heb ik geprobeerd inzicht te verkrijgen in het functioneren van Redeemer. Ik ga ervan

uit dat de gevarieerdheid van deze contacten en de confrontatie met andermans waarnemingen

via gesprekken en literatuur de objectiviteit waarborgt.

3. Verantwoording van de opzet. De opzet van het onderzoek bestaat uit twee delen: een

beschrijving en een analyse. Hoofdstuk 3 presenteert de beschrijving van Redeemer, hoofdstuk

4 presenteert de analyse van Redeemer. In deze twee hoofdstukken zal ik bovendien in diverse

excursen ingaan op de situatie van Willow Creek. De bedoeling hiervan is niet in de eerste

8 De engelse variant van de term term ‘gevalstudie’ is: ‘case study’. Zie voor een beschrijving hiervan: F.

Wester, Strategieën voor kwalitatief onderzoek, Bussum 1995 3 , 40, 114v.

9 Vgl. F. Wester, a.w., 36v.

10 B. van Veen, ‘Aanpassing zonder aantasting?’, doctoraalscriptie Gemeenteopbouw, Kampen 1996;

G.A. Pritchard, Willow Creek. Een eerlijke evaluatie, Heerenveen 1997; H.C. Mijnders, ‘Willow Creek:

voor God is alleen het beste genoeg’, Ambtelijk contact 36 (1997), 48-53.

11 F. Wester, a.w., 91v.

9


10

plaats om een uitputtende beschrijving en analyse van Willow Creek te geven, maar om,

conform het onderzoeksdoel, extra kleur te geven aan de beschrijving en analyse van Redeemer.

In hoofdstuk 2 zet ik mijn persoonlijke uitgangspunten uiteen. In hoofdstuk 5 rond ik het

rapport af met diverse aanbevelingen voor de Nederlandse situatie.

4. Verantwoording van de bronnen. De bronnen voor het onderzoek waren, naast allerlei

literatuur die ik in de loop van dit verslag zal noemen, de volgende. Ten bate van de

beschrijving van Redeemer heb ik deelgenomen aan de Urban Harvest Conference, 26-27 mei

1999 in Londen. 12 Hoofdspreker op die conferentie was ds. Tim Keller, predikant van

Redeemer. De conferentie was georganiseerd door de Bob Heppe, zendeling in Londen namens

World Harvest Mission (WHM). Verder heb ik deelgenomen aan een Pastor’s Weekend bij

Redeemer, 3-4 oktober 1999 in New York. Tijdens dit weekend heb ik vier diensten van

Redeemer meegemaakt, waaronder een herdenkingsdienst van een verongelukt gemeentelid.

Tijdens een van de diensten heb ik het heilig avondmaal meegevierd. Na afloop van de

zondagse diensten waren de 13 deelnemers aan het Pastor’s weekend uitgenodigd bij Tim en

Kathy Keller. Verder hebben diverse stafleden van Redeemer een presentatie gegeven over hun

werk, o.a. over de visie van de gemeente, over de kleine groepen en over de opzet van de

kerkdiensten. Tenslotte heb ik tijdens dat weekend een vergadering van de predikanten, een

vergadering van de staf en een toerustingsbijeenkomst voor kringleiders bijgewoond. Verder

heb ik op 27 oktober 1999 een gesprek gehad met Jeff White, predikant van de New Song

Community Church in Harlem, een nog jonge kerk die door Redeemer wordt geholpen en

financieel ondersteund. Op 31 oktober 1999 heb ik nogmaals een morgendienst van Redeemer

bijgewoond, gevolgd door een gemeentevergadering. Bovendien heb ik op die dag een Open

Forum bijeenkomst (een soort ‘dienst voor belangstellenden’ maar dan niet in de vorm van een

dienst) meegemaakt.

De periode 5-14 oktober 1999 heb ik doorgebracht aan Westminster Theological

Seminary (WTS) in Philadelphia. Dit was een periode om me, t.b.v. de analyse, meer in diverse

aspecten van de achtergrond van Redeemer te verdiepen. Ik heb daar deelgenomen aan de 1999

Westminster Missions Conference ‘I will build my church: planting the reformed church in the

world’. Sprekers waren diverse predikanten uit de Presbyterian Church in America met ervaring

op het gebied van kerkplanting. Verder heb ik aan WTS een deel van de volgende colleges

gevolgd: ‘Introduction to Apologetics’ (prof. William Edgar), ‘Missions to the city’ (prof.

Manuel Ortiz), ‘Urban Church Seminar’ (prof. Manuel Ortiz en prof. Susan Baker) en ‘Church

Planting’ (prof. John Sterling Leonard). Op 5 oktober 1999 heb ik een bezoek gebracht aan het

Center for Urban Theological Studies in Philadelphia en op 8 oktober 1999 aan Steve

Smallman, directeur van WHM in Philadelphia. Op 10 oktober 1999 heb ik een dienst

meegemaakt van de New Life Presbyterian Church in Glenside bij Philadelphia, thuisgemeente

van diverse WHM-zendelingen en de gemeente waar Tim Keller met zijn gezin vijf jaar lang lid

is geweest toen hij in Philadelphia woonde. Op 13 oktober 1999 heb ik een gesprek gevoerd met

prof. William Edgar, voorheen werkzaam in Aix-en-Provence, over m.n. de verschillen tussen

de Amerikaanse en de Europese cultuur. In Nederland heb ik 10-11 mei 1999 deelgenomen aan

een congres van VisNed over gemeentestichting. 13

Verder heb ik deelgenomen aan de WCN-conferentie ‘Werk aan de kerk’ bezocht, 6-7

november 1998. Op 24 april 1999 heb ik het WCN-seminar ‘Hoe bereik je buitenkerkelijke

mensen’ in Amersfoort bezocht. Spreker was Lee Strobel, een van de predikanten van Willow

Creek. Bij Willow Creek zelf heb ik een Church Leadership Conference bijgewoond, 20-23

oktober 1999 in South Barrington bij Chicago. De lezingen gingen over visie, leiderschap,

strategie en kerkdiensten. Op vrijdag 22 oktober was ik uitgenodigd voor een internationale

lunch met o.a. Bill Hybels, predikant van Willow Creek, en Jim Mellado, directeur van de

Willow Creek Community Association. Op woensdagavond 20 oktober 1999 heb ik een dienst

12

Ik heb een verslag over deze conferentie gepubliceerd in het Nederlands Dagblad en in het Kerkblad

voor het Noorden. Zie bijlagen C en D.

13

In het Nederlands Dagblad heb ik verslag gedaan van deze conferentie. Zij bijlagen A en B.


voor gelovigen bijgewoond en op zaterdagavond 23 oktober en zondagochtend 24 oktober 1999

heb ik een dienst voor belangstellenden bezocht. Na afloop van de conferentie heb ik nog via

email contact gehad met Mark Mittelberg, directeur evangelisatie van Willow Creek. Verder

heb ik op zaterdagavond 16 oktober 1999 in Grand Rapids een ‘Saturday night’, een dienst voor

belangstellenden van de Calvary Church aldaar, 14 bijgewoond. De ‘Saturday nights’ vertonen

qua vorm en inhoud veel overeenkomst met de diensten van Willow Creek. Op zondagochtend

17 oktober heb ik een reguliere dienst van Calvary Church bijgewoond.

14 Bekend van E. Dobson, Een dienst voor belangstellenden… hoe begin je daarmee?, Hoornaar 1996.

11


12

2 Uitgangspunten

In dit hoofdstuk beschrijf ik in een aantal onderdelen mijn persoonlijke uitgangspunten m.b.t. de

kerk en haar functioneren. Ik zal die uitgangspunten systematiseren in een model. Dit model

vormt in hoofdstuk 3 de ‘leesbril’ waarmee ik Redeemer beschrijf.

2.1 Kerk

1. Voorwerp van geloof. De kerk is voorwerp van geloof. 15 Deze belijdenis is de inzet bij de

beschrijving van mijn uitgangspunten over de kerk. ‘Het bestaan van de kerk vindt zijn

oorsprong en zijn legitimatie niet in het effect dat de kerk op het leven van de wereld heeft,

maar in de diepe wortels van het evangelie van Christus’. 16 Ook wanneer de kerk ‘tot niets

schijnt te zijn geworden in de ogen der mensen’ betekent dat niet het einde van de kerk, noch

van het geloof in de kerk. 17

2. Volk van God. De kerk is niet van de mensen maar van God. De bijbel laat dat zien met

diverse termen. In het nieuwtestamentische woord ekklèsia klinkt via de LXX het

oudtestamentische qahal JHWH mee. Het gaat in de kerk om een samenkomen van mensen die

bijeen geroepen zijn door het werk van God en tot eer van God. Terwijl in het Oude Testament

de belofte ‘Ik zal u tot een God zijn en gij zult Mij tot een volk zijn’ specifiek aan Israël

gegeven was, worden in het Nieuwe Testament de grenzen geopend naar de volken, en was de

kern van die opening al op diverse plaatsen in het Oude Testament te bespeuren. Sleutel in deze

voortgaande weg van God met zijn volk is de dood en opstanding van de Zoon van God, Jezus

Christus. Vanaf het begin van zijn werk op aarde presenteerde Jezus zichzelf als het centrum.

Vanaf het begin ging rondom Hem zich een gemeenschap van gelovigen vormen. Toen de

Heilige Geest werd uitgestort was de gemeente er al. In het boek Handelingen wordt duidelijk

dat de gemeente verder groeit door de creatura verbi, de schepping van het Woord. 18 Het is God

zelf die door Woord en Geest mensen toevoegt tot de gemeenschap van hen die behouden zijn.

Dat de kerk de kerk is van de drie-enige God, zien we aan de uitdrukkingen die het Nieuwe

Testament voor de kerk hanteert: volk van God, lichaam van Christus, tempel van de Heilige

Geest.

3. Lichaam van Christus. Voor het bepalen van de identiteit van de kerk is de relatie met

Christus beslissend. ‘Op een identiteitsbewijs is ook voor ons een foto van het hoofd voldoende.

De plaats die de kerk in de wereld inneemt zal alleen al wegens deze ‘verborgen’ identiteit door

een besef van vreemdelingschap gekarakteriseerd zijn’. 19 ‘De verhouding tot de wereld wordt

gekenmerkt door antithese en solidariteit. De gemeente is het eigendom van Christus, is er voor

God; ze ervaart in menig opzicht de haat van de wereld, ze is geroepen om in deze wereld haar

anders-zijn tot openbaring te brengen (levensheiliging, vreemdelingschap, navolging, dienst).

Zó juist is de gemeente ook gezonden gemeente, geroepen om in deze wereld in woord en daad

15

Met de Apostolische geloofsbelijdenis belijdt de kerk: ‘Ik geloof de heilige katholieke Kerk, de

gemeenschap der heiligen’.

16 e

J.W. Maris, ‘De kerk’, colleges dogmatiek CD-jaar 1996-1997, 2 semester.

17

NGB, artikel 27.

18

A. Noordegraaf, Creatura verbi, ’s-Gravenhage 1983.

19 J.W. Maris, a.a.


het evangelie te verkondigen en de ene Naam, tot redding gegeven, te betuigen’. 20 Terecht dat

christenen genoemd worden naar hun Hoofd: Jezus Christus.

4. Tempel van de Heilige Geest. De Heilige Geest woont in de gemeente. Hij is het die zorgt

voor de opbouw ervan. Bij die opbouw neemt Hij mensen in dienst en geeft hen gaven

(charismata) om die dienst te kunnen vervullen. Deze charismata zijn er tot ‘welzijn van allen

(1 Kor. 12:7). Ze bestaan veelal uit iets dat doorgaans als iets heel gewoons beschouwd wordt.

De aanwezigheid van deze charismata staat nog niet automatisch garant voor een goed

functioneren ervan. Daarom heeft Christus de ambten ingesteld: om de charismata te

coördineren en te stimuleren (Ef. 4:1-16). Ambtsdragers nemen dus het werk van de gelovigen

niet over, maar ze geven het werk juist aan. 21 Waar het werk van de gemeente zoal betrekking

op heeft, kunnen we afleiden uit het boek Handelingen. We vinden daar verschillende aspecten

van het leven van de gemeente die steeds weer terugkeren en zo wezenskenmerken van de kerk

kunnen worden genoemd. Deze wezenskenmerken zijn: de volharding in de leer van de

apostelen, de gemeenschap, de eredienst en de gebeden. Deze vier kenmerken zijn doortrokken

van een besef dat de gemeente een gezonden gemeente is, missionair naar haar aard. 22

5. Vier eigenschappen. De kerk is één heilige katholieke en apostolische kerk. De vier

bijvoeglijke naamwoorden hebben betrekking op de ‘eigenschappen’ van de kerk. 23 De eenheid

van de kerk komt uit in de eenheid in het geloof in Christus (Ef. 2:11-22) en in eenheid in de

gave van de Geest (1 Kor. 12). De heiligheid van de kerk wijst naar de oorsprong ervan: de kerk

is het werk van God, de woonplaats van de Heilige Geest (Ef. 2:22). De katholiciteit wijst naar

de geografische uitgebreidheid en de universele betekenis van de kerk. De kerk is de katholieke,

d.w.z. de algemene kerk van alle eeuwen en alle plaatsen, van joden en niet-joden (Ef. 2:14); het

is de plaats waar alles wat een mens nodig heeft, te vinden is. 24 De apostoliciteit van de kerk

wijst naar het fundament van de kerk. De kerk is gebouwd op het fundament van apostelen en

profeten (Mt. 16:18; 1 Kor. 3:10; Ef. 2:20). Daarom blijft de kerk slechts kerk wanneer zij bij de

Schriften blijft.

6. Realiteit en roeping. De genoemde vier eigenschappen wijzen alle naar zowel de realiteit

van de kerk als naar de roeping die de kerk heeft. De eenheid, de heiligheid, katholiciteit en

apostoliciteit zíjn waar te nemen in de werkelijkheid van de kerk van vandaag, maar tegelijk

moeten we constateren dat dat slechts beperkt is. De eenheid van de kerk is tastbaar in

bijvoorbeeld het vieren van het avondmaal, maar de verschillen tussen de kerken liegen er

intussen niet om. De heiligheid van de kerk is zichtbaar in de nieuwe mensheid, maar die mens

is wel ‘simul iustus et peccator’. De katholiciteit van de kerk is herkenbaar in de uitgestrektheid

van de kerk, maar we zien tegelijk dat die uitgestrektheid nog onvolledig is. De apostoliciteit

van de kerk is herkenbaar aan de trouw aan het Woord van God maar wijst tegelijkertijd

expliciet naar het gezonden zijn in deze wereld.

7. ‘Reeds’ en ‘nog niet’. In bovenstaande herkennen we de heilshistorische voortgang in het

werk van God. Enerzijds is het koninkrijk van God ‘reeds’ aanwezig op deze wereld, sinds

Jezus’ dood en opstanding namelijk. Anderzijds is de voltooiing ervan er ‘nog niet’. In deze

spanning van het ‘reeds’ en het ‘nog niet’ staat de kerk op de weg naar de grote toekomst van de

voleinding in de dienst van haar Heer. Bij de studie van de opbouw van de gemeente is het de

20

A. Noordegraaf, ‘De kerk in het Nieuwe Testament’, in: W. van ’t Spijker e.a. (red.), De kerk, Kampen

1990, 62.

21

J.P. Versteeg, Kijk op de kerk. De structuur van de gemeente volgens het Nieuwe Testament, Kampen

1990 2 , 18v.

22

A. Noordegraaf, ‘De kerk in het Nieuwe Testament’, 40v.

23

Vgl. J.W. Maris, a.a. en A. Noordegraaf, a.a., 37; zie ook Joh. 17 en NGB, artikel 27.

24

Alle gelovigen zijn dan ook verplicht zich bij de kerk te voegen; NGB, artikel 29.

13


14

kunst om de spanning tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’ niet te willen oplossen, maar ze beide

recht te doen, conform de Schrift.

8. Naarbinnenen naar ‘buiten’. Naast dit ‘reeds’ en ‘nog niet’ dat op alle vier

eigenschappen van de kerk betrekking heeft, is er nog iets gezamenlijks aan te wijzen en dat is

dat er aan alle vier eigenschappen twee aspecten verbonden zijn, namelijk: naarbinnenen naar

‘buiten’. Er zit dynamiek in de kerk. De kerk van Jezus Christus wordt gebouwd, en wel in twee

richtingen: extensief-missionair en intensief-bevestigend. 25 Het Nieuwe Testament spreekt

nergens over de gemeente als een op zichzelf staand thema, maar steeds als de gemeente van

Christus. 26 Dat heeft consequenties voor de kant naarbinnen’: de bouw aan de kerk gaat door

‘totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben,

de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus’ (Ef. 4:13). En dat

heeft consequenties voor de kant naar ‘buiten’: ‘niet de kerk zelf is het laatste doel, niet háár

aanzien en talrijkheid, maar de openbaring van het volle eschatologische heil in Christus’. 27 Dit

komt overeen met de opdracht waarmee Jezus zijn leerlingen uitzond: ‘Gaat dan henen, maakt

al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des

Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb’ (Mt. 28:19; vgl. Jh. 20:21).

De gemeente is geroepen om aan ‘de overheden en de machten in de hemelse gewesten de

veelkleurige wijsheid van God bekend te maken’ (Ef. 4:10). De opbouw van de gemeente is

principieel opbouw naar twee zijden: naarbinnenen naar ‘buiten’. Aan alle vier genoemde

eigenschappen van de kerk kunnen deze beide zijden worden aangewezen. Daarbij vormen

beide kanten overigens een geïntegreerd bestaan. Een kerk die ‘aan evangelisatie doet’ is wat

anders dan een kerk die missionair naar haar aard is. Volgens het Nieuwe Testament is het

missionaire elan wezenlijk voor de identiteit van de gemeente (1 Pt. 2:9). ‘Verliest een kerk dit

elan, dan staat haar identiteit als apostolische kerk op het spel’. 28 Het is dan ook niet nodig om

over een missionaire kerk te spreken, want een kerk die niet missionair is, is geen kerk. 29

9. Drie kenmerken. Naast bovengenoemde eigenschappen van de kerk kent de gereformeerde

belijdenis drie kenmerken van de kerk. Aan deze kenmerken kan men de ware kerk herkennen.

Het zijn: de zuivere prediking van het evangelie, de zuivere bediening van de sacramenten en de

uitoefening van de kerkelijke tucht, ‘kortom dat men zich richt naar het zuivere Woord Gods,

alle dingen die daarmee in strijd zijn verwerpt en Jezus Christus erkent als het enige Hoofd’. 30

10. Gemeenschap. Het hart van het functioneren als kerk wordt gevormd door het hebben van

gemeenschap met God en mensen. De kerk wordt geroepen om gemeenschap met God te

hebben, om Hem te aanbidden in liefde. De kerk wordt geroepen om gemeenschap te hebben

met de broeders en zusters, om hen te dienen in liefde. En de kerk wordt geroepen om te

verlangen naar gemeenschap met de mensen die nog ‘buiten’ staan, om met woord en daad te

getuigen van de liefde van God. De drie genoemde aspecten van gemeenschap bestaan slechts

door het geloof in Jezus Christus. Expres staat het woord ‘liefde’ in de beschrijvingen ervan,

omdat de liefde voor God en mensen in de bijbel een centraal gegeven is, de vervulling van de

wet (Rom. 13:10).

25

H.N. Ridderbos, Paulus. Ontwerp van zijn theologie, Kampen 1966, 479v. Vgl. ook HC, zondag 48.

26

J.P. Versteeg, a.w., 9.

27

H.N. Ridderbos, a.w., 486.

28

A. Noordegraaf, Vijf broden en twee vissen, Kampen 1998, 192.

29

D. van Swigchem, a.w. Vgl. ook C.J. Haak, a.w., 23, 73.

30 NGB, artikel 29.


2.2 Cultuur

1. Spanning. Er bestaat een spanning tussen het evangelie van Jezus Christus en de cultuur

waarin de mensen leven. Het evangelie is het getuigenis van de openbaring van God. Het is de

unieke boodschap van en over Jezus Christus. Deze boodschap komt van God, van ‘de andere

kant’ dus. De cultuur heeft daarentegen zoveel menselijks. Het is moeilijk te omschrijven wat

cultuur is. Vraag een vis om water te beschrijven of vraag en kind om lucht te beschrijven, zo

lastig is het voor een volwassene om (zijn eigen) cultuur te omschrijven. Voor mij heeft cultuur

betrekking op de ‘totale levenswijze, materieel, intellectueel en geestelijk, van een bepaalde

samenleving’. 31 Het betreft de manier van leven, spreken, denken, samenleven. Cultuur is er

altijd maar mensen denken er gewoonlijk niet veel over na. Het zijn al die ‘gewone’ dingen bij

elkaar die samen bepalen in welke omgeving de mensen verkeren en op welke wijze zij leven.

De cultuur past zich in de loop van de tijd aan en ontwikkelt zich. De cultuur verschilt daarom

over de diverse delen van de wereld en tijden van de geschiedenis.

De christelijke gemeente ‘vormt een gestalte van de inculturatie van het evangelie in de

wereld, in de wijze waarop zij het geloof vorm geeft, er de ethische consequenties uit trekt, in

haar liturgisch leven, haar diaconale praxis en haar organisatie. Dat staat niet los van de

heersende cultuur – christenen en kerken ondervinden er dagelijks de invloed van. We ademen

de tijdgeest in, maar we zijn tegelijk geroepen te leven op de adem van Gods stem. En dat

impliceert een kritische houding. Het evangelie is wel voor, maar niet naar de mens. Het is een

storende tegenstem, een vreemde metgezel die onze werkelijkheid voortdurend onder kritiek

plaatst. Vaak wordt deze dubbele positie aangegeven met het bekende adagium ‘in de wereld,

maar niet van de wereld’ (vgl. Joh. 17:15; Rom. 12:2)’. 32

2. Incultureren. De vraag is hoe de kerk in staat zal (blijken te) zijn om het evangelie in de

cultuur ‘in te passen’. Of anders geformuleerd: hoe zal de kerk in staat zijn te ‘incultureren’?

Het is m.i. evident dat de kerk afhankelijk van de cultuur haar wijze van functioneren moet

invullen. Een kerk in een stad zal een andere vorm van functioneren moeten kiezen dan een kerk

in een dorp. Een kerk in een Afrikaans dorp zal een heel andere vorm moeten hebben dan een

kerk in een Nederlands dorp. De kerk in het jaar 2000 functioneert anders dan de kerk in het jaar

1975 functioneerde. Het is vanzelfsprekend niet zo dat de kerk in een bepaalde tijd niet ‘goed’

functioneerde als de kerk een paar jaar later voor een andere manier van functioneren kiest. Het

is eenvoudig een kwestie van antwoorden op de vraag: hoe zal de kerk in die en die plaats op

dat en dat tijdstip moeten functioneren teneinde haar missie te kunnen vervullen.

De bijbel geeft slechts algemene en geen specifieke richtlijnen voor het functioneren

van de kerk. Veel van het specifieke van het functioneren van de kerk wordt dus overgelaten

aan de wijsheid van de christelijke kerk zelf, geleid door de Heilige Geest. Bij Paulus zien we

dat hij anders reageerde wanneer hij in Joods gezelschap was dan wanneer hij in Grieks

gezelschap was (1 Kor. 8-10). In de beschrijving van zijn reizen zien we dat hij, afhankelijk van

de situatie, voor een bepaalde vorm van werken koos. Hij benaderde de vrouwen aan de rivier in

Filippi (Hand. 16:11-18) anders dan de geleerden in Athene (Hand. 17:15-34).

3. Verlegenheid. Voor de kerk in Nederland is het typerend dat die haar meerderheidspositie

heeft moeten afstaan en is verschoven naar een minderheidspositie. Deze cultuuromslag dwingt

de kerk om na te denken over haar eigen identiteit. Jarenlang is die identiteit duidelijk geweest,

omdat de kerk de moraal, de cultuur, de politiek en het denken van mensen bepaalde; het

christendom was de standaard. Deze situatie is radicaal veranderd. Wellicht is het zo dat door

deze cultuuromslag in Nederland, en breder in West-Europa, ‘de Here ons dwingt om weer echt

kerk te zijn’. 33

31 G.A. Pritchard, a.w., 157.

32 A. Noordegraaf, ‘Gemeenteopbouw bij kenterend getij’, Theologia Reformata 42 (1999), 76; D. van

Swigchem, a.w., 66.

33 Aldus C.J. Haak, a.w., 9.

15


16

In de literatuur worden vier manieren beschreven om als kerk te reageren in een

dergelijke minderheidspositie: het offensief, het defensief, de aanpassing en het

onderhandelen. 34 In de praktijk zal de kerk geleid worden door twee basisuitgangspunten. Het

eerste uitgangspunt is: de kerk verkeert in ‘vreemdelingschap’. Dit uitgangspunt maakt het

moeilijk om echt contact te hebben met ‘de wereld’. Het tweede uitgangspunt is dat de kerk

intussen wel de opdracht heeft om de grote daden van God te verkondigen; boven heb ik

duidelijk gemaakt dat gemeenteopbouw principieel ook naar ‘buiten’ gericht is. Maar hoe zal de

kerk deze twee uitgangspunten nu verbinden in een krachtige strategie? Noordegraaf opteert

voor een methode die hij als ‘bescheidenen ‘beslist’ typeert. ‘De marginale positie van de

gemeente, maar vooral van het feit dat de kerk zelf vaak zo horig is aan de heersende culturele

trend, dwingen tot pretentieloosheid. Maar de minderheidspositie mag geen aanleiding zijn tot

minderwaardigheidsgevoelens. De boodschap die ons is toevertrouwd, is van dien aard dat we –

de schaamte voorbij – aan onze tijdgenoten mogen laten horen, wat het evangelie ook vandaag

vermag in ons leven’. 35 Ik ben het wel eens met wat Noordegraaf hier schrijft, alleen komt het

enigszins mat op mij over. Deze indruk wordt bevestigd door de praktische uitwerkingen die de

auteur vervolgens geeft. 36 Deze indruk wordt verder bevestigd door de matheid van de

Nederlandse kerken in het algemeen. Veel kerken hebben een prima leer, maar zijn in de

praktijk nauwelijks of niet in staat die te laten landen bij niet-christenen. 37

Zelf ben ik er nog niet uit hoe het wel moet; bovenstaande vormt immers een van de

aanleidingen voor mijn onderzoek (vgl. paragraaf 1.1). Ik zie het probleem als volgt. Enerzijds

zal de kerk gebruik moeten maken van de verschillende aspecten van de cultuur om het

evangelie te kunnen overdragen. Hoe zal de kerk anders werkelijk kunnen ‘incultureren’? Of

anders gezegd: hoe zal de kerk anders al die mensen die Jezus nog niet kennen en dus ook geen

discipelen van Hem zijn, kunnen bereiken met het evangelie van genade? Anderzijds lijkt het

onvermijdelijk dat die cultuur ook effect zal hebben op de kerk zelf. De cultuur is een

‘tweezijdig geslepen zwaard’. 38 De vraag is dan hoe de kerk, al werkend aan haar missie, toch

zichzelf kan blijven. Ik hoop dat mijn onderzoek een richting vindt om deze vraag te

beantwoorden.

4. Voorlopige uitgangspunten. Voorlopig wil ik de volgende uitgangspunten hanteren. Ten

eerste: de kerk is gezonden door Jezus Christus zelf om het evangelie te verspreiden en Hij heeft

zijn Geest gegeven om daar leiding aan te geven. Dit maakt dat de kerk grote verwachtingen

mag hebben. Ten tweede: wellicht heeft de kerk met een te negatieve houding naar de ‘wereld’

gekeken als de ‘grote boze wereld’. In plaats van als een bedreiging kan de kerk de cultuur ook

als een uitdaging zien. Ten derde: de kerk zal zich sterk bewust moeten zijn van het feit dat het

koninkrijk van God ‘reeds’ aangebroken is en anderzijds ‘nog niet’ voltooid is. De spanning

tussen die twee moet de kerk inderdaad ‘bescheidenen ‘beslist’ maken. Ten vierde: enerzijds

zal de kerk moeten zoeken naar werkelijke ‘inculturatie’, anderzijds mag de kerk geen

millimeter bij het evangelie vandaan gaan. Ten vijfde: het is ook helemaal niet nodig zelfs maar

een millimeter bij dat evangelie vandaan te gaan, want dat evangelie ‘is een kracht Gods tot

behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek’ (Rom. 1:16).

34 A. Noordegraaf, Vijf broden en twee vissen, 219-222.

35 A. Noordegraaf, a.w., 224.

36 A. Noordegraaf, a.w., hoofdstuk 6. Opmerkelijk aan dit hoofdstuk is bovendien dat het niet een

systematische beschrijving biedt van de praktijk van een missionaire gemeente. De auteur loopt bij negen

verschillende punten langs die niet van hetzelfde ‘gewicht’ of ‘soort’ zijn.

37 B. van Veen, a.w., 51-55 somt een hele rij factoren op die z.i. de missionaire houding in de

gereformeerd-vrijgemaakte kerken belemmeren. Deze factoren hebben te maken met het hart, het hoofd

en de handen.

38 G.A. Pritchard, a.w., 158.


2.3 Model

In het vak Gemeenteopbouw wordt studie gedaan naar de vraag hoe de Geest de leden van de

gemeente wil gebruiken om de gemeente op te bouwen. ‘Gemeenteopbouw is het theologisch

vak waarin de bezinning plaatsvindt op structuren, werkvormen, processen en middelen, waarin

en waarmee de gaven en diensten in de gemeente van Jezus Christus – volgens het beeld dat de

Heilige Schrift van de gemeente tekent – in een optimale samenhang kunnen worden dienstbaar

gemaakt aan haar intern en extern, horizontaal en verticaal functioneren, met het oog op haar

opbouw en volmaking in Christus’. Kort samengevat: Gemeenteopbouw is zo veel als

‘kerkelijke functioneerkunde’. 39 Om nu systematisch de situatie van een bepaalde gemeente te

kunnen analyseren is een model van groot belang. Zo’n model probeert een zo adequaat

mogelijke beschrijving te bieden van de werkelijkheid. Vanzelfsprekend is ieder model

imperfect. Maar om systematisch te analyseren, wat volgens bovenstaande definitie typerend is

voor Gemeenteopbouw, is een model noodzakelijk. In dit rapport maak ik gebruik van (de basis

van) het model van M. te Velde. 40

2.3.1 Beschrijving

1. Hart. Het hart van het model van Te Velde bestaat uit de erediensten. Deze vormen immers

het hart van wat het gemeente-zijn ten diepste is: gemeenschap met God en mensen. ‘In de

kerkdienst vinden we de gemeenschap van Woord-en-antwoord in haar meest geconcentreerde

vorm. Dáár ligt het begin van alles. Daar zien we Jezus Christus als het stralende Middelpunt

van zijn gemeente. Daar krijgen we in de bediening van het Woord en van de sacramenten door

de Heilige Geest alle kracht die voor de opbouw van de gemeente nodig is. Daar beginnen we

elke nieuwe week met te luisteren naar het levendmakende Woord van God. Daarheen keren we

ook telkens terug om nieuwe energie te zoeken en te ontvangen’. 41 Dit standpunt verdient wat

mij betreft instemming. Ik zou er wel aan willen toevoegen dat de eredienst ook dé plaats is

waar niet-christenen kunnen worden geconfronteerd met en getrokken door het evangelie van de

opgestane Heer. Terwijl de normatieve gegevens in het Nieuwe Testament over de inrichting

van de eredienst zeer spaarzaam zijn, geeft Paulus aan dat de erediensten in ieder geval wel zo

moeten zijn dat ze toegankelijk zijn voor ongelovigen die binnen komen zodat die zullen

ontdekken dat God daar is (1 Kor. 14:23-25).

Het hart van het gemeente-zijn ligt dus, in ieder geval deels, in de eredienst omdat daar

de gemeenschap met God en met mensen het meest intens is. Ik schreef ‘in ieder geval deels’,

omdat ik vind dat het model van Te Velde de gemeenschap met mensen niet voldoende breed

uitwerkt. Boven heb ik laten zien dat het hart van het functioneren als kerk wordt gevormd door

de gemeenschap met God en mensen. Nu zijn beide genoemde aspecten van gemeenschap

inderdaad in een eredienst aanwezig, maar ligt het accent niettemin op de gemeenschap met

God. Een eredienst heet niet voor niks ‘eredienst’. In bepaalde gemeenten kan de gemeenschap

met mensen spontaan verder vorm krijgen doordat de mensen elkaar zeer regelmatig ontmoeten

en elkaar echt kennen. In de praktijk van veel gemeenten, met name die waar het ledental groter

is en/of waar de gemeenteleden niet heel dicht bij elkaar wonen en speciaal in de steden, zal dat

echter meer georganiseerd moeten gebeuren. Daarom pleit ik voor een aanvulling in het centrum

van het model die daar meer expliciete aandacht voor creëert.

Mijns inziens zijn kleine groepen de beste invulling van die aanvulling. ‘De kerk van de

21 e eeuw heeft twee vleugels: de ene is de grote bijeenkomst van de zondagse eredienst, de

andere de kleine bijeenkomst van de huiskring’. 42 De kleine groep die ik voor ogen heb, bevat

eigenlijk alle onderdelen die ook in een eredienst aanwezig zijn, alleen ligt het accent sterker

dan in een eredienst op de gemeenschap met mensen. Kleine groepen komen regelmatig bijeen

39 M. te Velde, Gemeenteopbouw 1, Barneveld 1992, 46.

40 Zie zijn vierdelige serie Gemeenteopbouw, 1992-1993, in het bijzonder deel 2.

41 M. te Velde, Gemeenteopbouw 2, Barneveld 1992, 56.

42 E. Veenhuizen in een interview door K. van Noppen, in: Nederlands Dagblad, 23 oktober 1999.

17


18

(meestal aan huis) voor bemoediging, bijbelstudie, gesprek, onderling pastoraat, onderling

diaconaat, gebed, lofprijzing en praktische werkzaamheden. Net als de eredienst hoort een

kleine groep zowel naarbinnen’ als naar ‘buiten’ gericht te zijn. 43 Toch is er m.i. wel een

principieel onderscheid tussen een eredienst en een kleine groep. Kenmerkend voor de

reformatorische prediking is immers de ambtelijke bediening van het Woord (vgl. HC, zondag

25 en 31). Maar ‘laat daarover geen misverstand bestaan: de kerkdienst en de huiskring kunnen

niet zonder elkaar’. 44

Het hart van mijn persoonlijke model bestaat dus uit twee onderdelen: de erediensten

(als ‘primus’) en de kleine groepen (als ‘secundus’). In beide onderdelen staat de gemeenschap

met God en met mensen centraal, maar bij het eerste ligt het accent op de gemeenschap met

God, terwijl bij het tweede het accent ligt op de gemeenschap met mensen. 45 Beide onderdelen

willen de gemeente opbouwen, en dat zowel naarbinnen’ als naar ‘buiten’.

2. Werkvelden. Aansluitend bij de grondstructuur van dienst aan God en dienst aan de mensen

kiest Te Velde voor een model met zes dienstgroepen of taakgebieden. Persoonlijk zal ik, in

aansluiting bij de terminologie die op dit moment actueel is in de gemeente waar ik werk,

spreken van de volgende werkvelden:

i) Verkondiging: is erop gericht om mensen het heil in Christus te proclameren, om te

getuigen van het leven dat in Hem alleen te vinden is.

ii) Levenswijding: is het meest van de eerste drie werkvelden gericht op de gemeenschap met

God; wil het leiden van een volledig aan God toegewijd leven stimuleren.

iii) Vorming en toerusting: is gericht op het verbreden en verdiepen van kennis, inzicht en

praktische vaardigheden m.b.t. de dingen van God.

iv) Pastoraat: is gericht op het toezien, begeleiden, hoeden, bemoedigen, troosten en

vermanen van elkaar met als doel elkaar op de weg naar God te houden of te brengen.

v) Samenleven: is het meest van de tweede drie werkvelden gericht op de gemeenschap met

elkaar; wil het leiden van een gemeenschappelijk bestaan stimuleren.

vi) Diaconaat: is gericht op het daadwerkelijk elkaar helpen in de dingen van het aardse

bestaan en het lenigen van materiële en sociale nood.

Ik maak drie opmerkingen over deze werkvelden. Ten eerste zijn deze werkvelden wel van

elkaar te onderscheiden, maar nooit van elkaar te scheiden. Ze hangen in veel opzichten sterk

samen. Ten tweede staan twee werkvelden in het centrum: levenswijding en samenleven. Deze

twee geven als het ware de grondhouding aan die nodig is bij het werken in de andere vier

werkvelden. Ten derde heeft elk werkveld een betekenis naarbinnenen naar ‘buiten’. Al het

werk in de gemeente is bedoeld om de gemeente zowel intensief-bevestigend als extensiefmissionair

op te bouwen. 46

43 Wat betreft de kant naar ‘buiten’ zegt E. Veenhuizen in genoemd interview: ‘In mijn visie zou het zo

moeten zijn dat alle gemeentekringen in huiskringen bijeenkomen. Daar praten ze onder meer over de

vraag: Welke persoon boven aan jouw gebedslijst wil jij met het evangelie in contact brengen? Wat is je

eerstvolgende stap die je daarbij wilt zetten? Welke hulp heb je daarbij nodig van onze huiskring of de

gemeente?’. A. Noordegraaf schrijft: ‘Het gaat niet te ver om hier te spreken van het huis als

‘uitvalspoort’ voor de missionaire verkondiging’ in zijn ‘Familia dei’, Theologia Reformata 35 (1992),

191.

44 E. Veenhuizen in genoemd interview.

45 Deze houding komt overeen met die van R.F. Telgenhof, a.w., 83v. Ook vindt deze houding aansluiting

bij H.J. Hendriks die in zijn ‘basistheorie’ veel aandacht voor ‘gemeenschap’ vraagt, Strategiese

beplanning in die gemeente. Die beginsels & praktyk van gemeente vernuwing, Wellington 1992, 92v.

46 Helaas vind ik deze laatste opmerking bij Te Velde te weinig uitgewerkt. Weliswaar heeft hij

nadrukkelijk de intentie dat elk werkveld zowel naarbinnen’ als naar ‘buiten’ is gericht (vgl.

bijvoorbeeld Gemeenteopbouw 2, 43 en Gemeenteopbouw 4, 19), maar in de praktische uitwerking laat de

kant naar ‘buiten’ m.i. te wensen over. In Gemeenteopbouw 4 wordt duidelijk dat de auteur het moeilijk

vindt om het uitgangspunt dat elk werkveld ook een dimensie naar buiten heeft handen en voeten te

geven. Dit geldt in het bijzonder de werkvelden Levenswijding, Vorming en toerusting, Pastoraat en

Samenleven. Verder, in de voorbeelden die in genoemd boek worden genoemd lijkt het dat de kant naar


2.3.2 Tekening

In Figuur 1 geef ik een schematisch overzicht van het model dat ik verder in dit rapport

gebruik. 47 Het hart bestaat uit de eredienst in het centrum en daaromheen de kleine groepen. De

zes werkvelden komen op uit en hebben betrekking op dit hart. De randen van het schema

wijzen op randvoorzieningen als financiële, organisatorische en technische ondersteuning. Die

hebben een functie naar alle afzonderlijke werkvelden en dus ook naar het hart. Helaas kan in

dit schema niet expliciet duidelijk worden gemaakt dat overal een kant naarbinnenen een

kant naar ‘buiten’ is.

Levenswijding

Verkondiging Vorming

Gemeenschap met God

en

toerusting

Pastoraat

Gemeenschap met

mensen

Samenleven

Diaconaat

Figuur 1 Model van de gemeente: het hart van erediensten en kleine groepen in het centrum,

daar om heen de zes werkvelden en daar om heen een rand van faciliteiten

binnenen de kant naar ‘buiten’ naast elkaar functioneren (een kerk die ‘aan evangelisatie doet’) in

plaats van een situatie waarin ze samen een geïntegreerd geheel vormen (een missionaire gemeente naar

haar aard). Ook in W. van ’t Spijker e.a. (red.), De kerk, Kampen 1990 wordt het onderdeel ‘De dienst

van de kerk’ onderscheiden in twee delen: bij prediking, catechese, pastoraat en liturgie gaat het primair

over de dienst naarbinnen’, terwijl bij apostolaat en diaconaat meer de nadruk valt op de dienst naar

buiten, 391v.

47 In navolging van M. te Velde, Gemeenteopbouw 2, 38. Vgl. ook R.F. Telgenhof, a.w., 85.

19


20

Om een goed begrip te vormen van hoe dit model nu werkt, ga ik tenslotte nog in op de

plaats van commissies zoals die in verschillende kerken functioneren. Waar is in het model

bijvoorbeeld plaats voor een evangelisatiecommissie? In gesprekken hierover met

gemeenteleden merk ik vaak dat men de neiging heeft deze commissie in te delen onder het

werkveld Verkondiging. Echter, als de evangelisatiecommissie als taak heeft de missionaire

kant van de gemeente te bewaken en uit te bouwen, dan is deze neiging verkeerd. De

evangelisatiecommissie met díe opdracht speelt principieel een rol in alle zes werkvelden,

omdat alle zes zowel naarbinnen’ als naar ‘buiten’ zijn gericht. Andere commissies zijn

eenvoudiger in één bepaald werkveld te plaatsen. Bijvoorbeeld horen cursussen thuis bij

Vorming en toerusting en valt het werk van huisbezoekers onder Pastoraat. Een Commissie van

Beheer heeft een plaats in de rand rondom alle zes groepen omdat die over de faciliteiten gaat.

Ik pleit voor een begroting en boekhouding waarin de diverse werkvelden een eigen begroting

en budget hebben.

In een gemeente die niet expliciet gestructureerd is volgens bovenstaand model, zouden

diverse commissies en werkgroepen echter een plaats moeten hebben in meer dan één werkveld.

Het jeugdwerk bijvoorbeeld heeft een plaats in alle zes werkvelden omdat dit werk niet bedoeld

is om een bepaald facet van het gemeenteleven te bewerken, maar gericht is op een bepaalde

groep van de gemeente zelf; alle werkvelden zijn in het jeugdwerk vertegenwoordigd. Hetzelfde

geldt voor bijvoorbeeld het ouderenwerk en het studentenwerk. Natuurlijk zijn er intussen wel

weer accenten aan te wijzen. Bijvoorbeeld hoort de jongerencatechese in Vorming en toerusting

en hoort de seniorenreis in Samenleven.


3 Beschrijving

Dit hoofdstuk presenteert een beschrijving van Redeemer. Het tekent de hoofdlijnen van de

geschiedenis, de visie en het functioneren van Redeemer. Teneinde de beschrijving systematisch

te laten zijn, maak ik gebruik van het model dat ik boven beschreven heb. Ik zal niet in staat zijn

om alle onderdelen van dat model volledig te vullen met uitputtende gegevens, eenvoudig

omdat daarvoor dit onderzoek te beperkt van opzet was. Wat ik echter heb aan gegevens zal ik

verwerken. In het licht van het doel van mijn onderzoek is dat ruimschoots voldoende.

3.1 Geschiedenis van Redeemer 48

In maart 1987 kwam vanuit de Mission to North America (een soort deputaatschap) van de

Presbyterian Church in America (PCA) het verzoek naar Tim Keller, hoogleraar praktische

theologie aan Westminster Theological Seminary in Philadelphia, om een nieuwe kerk te

planten in Manhattan, New York City. De bedoeling was een kerk te planten met het ‘Inside-

Out’ model, d.w.z.: vanuit het centrum van de stad de kerk zien te bouwen. Tot dan toe

probeerde men het centrum van de stad vaak te bereiken vanuit de buitenwijken: het ‘Outside-

In’ model. Probleem aan laatstgenoemd model was dat de mensen die met deze methode

werkten, in de praktijk vaak een behoorlijk negatief beeld van de stad hadden.

Keller weigerde aanvankelijk, maar stemde wel toe om een onderzoek te begeleiden

naar de vooruitzichten voor een nieuwe kerk in NYC. De conclusies van dit onderzoek waren:

de totale bevolking van New York groeide slechts langzaam; de middenklasse was al twintig

jaar bezig uit de stad te vertrekken; de stad had sinds de crash op Wall Street in 1987 al 250.000

banen verloren; de kwaliteit van leven werd steeds slechter; het leven was er verschrikkelijk

duur, zodat een nieuwe kerk alleen maar zou kunnen bestaan met hulp van veel subsidie. Nader

onderzoek wees echter uit dat drie groepen in New York groeiden: de yuppen, de nieuwe

immigranten-minderheden en de armen. New York polariseerde en het bleek dat de meeste

protestantse kerken zich tot dan toe met name hadden gericht op de vertrekkende middenklasse.

De PCA besloot zich (in eerste instantie) te gaan richten op de yuppie-sector. Hoewel het

kerkgenootschap van huis uit familie-georiënteerd was, had men het idee dat men zich voor

deze groep het minst hoefde aan te passen.

Drie echtparen die voor Campus Crusade for Christ werkten, wilden wel meehelpen de

nieuwe kerk te starten. Tim Keller stemde toe tot aan de zomer van 1989 als begeleider op te

treden. Grote waarde hechtte men eraan dat de werkers van het eerste uur zelf in het centrum

van de stad woonden. Daartoe stelde de Mission to North America voor het eerste jaar een

bedrag van $158.000 beschikbaar. Dit bedrag was meer dan drie maal zoveel als het normale

bedrag bij een kerkplanting; in geval van nood wilde men gaan tot $225.000. Het geld kwam bij

verschillende geledingen van het kerkgenootschap en bij één individuele donor vandaan.

Tussen juli 1988 en januari 1989 stak men veel energie in het vinden van een groepje

mensen die al langer christen waren en die contacten hadden met mensen die nog niet zolang

christen waren. Laatstgenoemden vormden de echte doelgroep. Zij waren namelijk nog niet erg

gevormd door een of andere kerkelijke traditie en hadden waarschijnlijk nog veel contacten met

niet-christenen. Een belangrijk instrument om mensen te bereiken was het netwerk dat Campus

Crusade’s Executive Ministries had aangelegd. Via dit netwerk legde men allerhande mensen

twee vragen voor. Ten eerste: ‘Wat voor kerk zou werkelijk in staat zijn New York te helpen?’.

48 Zie T.J. Keller, ‘An evangelical mission in a secular city’, 1993; Redeemer, ‘Case study of urban

church growth’, 1996; J. Perkins and J. Kadlicek, ‘Manhattan transformation’, 1997.

21


22

Ten tweede: ‘Kent u iemand die meer informatie kan geven en geïnteresseerd zou kunnen zijn

in deze nieuwe kerk?’.

In februari 1989 startte op zondagmiddag een gebedsgroep bij een van de

bovengenoemde echtparen aan huis. Men brainstormde over het profiel van een typische nietchristen

die in Manhattan woonde en men bad voor het tot stand komen van een kerk die deze

mensen kon bereiken. Na verloop van tijd luidde dit profiel: is zeer intelligent en professioneel,

denkt in psychologische termen, is extreem seksueel actief, wordt volledig opgeslorpt door de

carrière, heeft de meeste contacten in de sfeer van de collega’s, denkt liberaal, is

individualistisch, woont alleen, is in voor experimenten, is zeer seculier, heeft zeker twee of drie

religieuze systemen uitgeprobeerd, is zeer wantrouwend ten aanzien van de christenheid. Op

grond hiervan kwam men tot de volgende voorwaarden voor de nieuw te stichten kerk: die kerk

moet gegrond zijn op historische wortels en moet tegelijkertijd midden in deze tijd staan; de

prediking moet intelligent zijn; tijdens alle diensten moet er van worden uitgegaan dat er ook

niet-christenen in de kerk zijn a.g.v. uitnodigingen van vrienden; die kerk moet een positieve

i.p.v. een negatieve blik hebben op de stad.

Bovengenoemde voorwaarden werden ‘uitgeprobeerd’ met kerkdienst-achtige

bijeenkomsten op zondagavond in een kerkgebouw van de Zevendedags adventisten. Een

verrassend aantal mensen kwam opdagen. Velen van hen namen onmiddellijk niet-christelijke

vrienden en bekenden mee. Vanaf september 1989 startte men officieel met zondagochtendkerkdiensten

met een historische setting qua liturgie. De avonddienst bleef wat hij was,

bijvoorbeeld met meer moderne muziekvormen. Beide diensten trokken 90 mensen, van wie 30

beide diensten bezochten. Tim Keller besloot bij Redeemer te blijven en verhuisde met zijn

vrouw Kathy en hun drie zonen (5, 9 en 11 jaar) naar Manhattan. Na enige tijd kwam er een

middagdienst bij (een kopie van de ochtenddienst). In juli 1990 was het aantal bezoekers

gegroeid tot 400. De eerste geldstromen kwamen binnen en onmiddellijk zocht Keller naar een

grotere staf: enkele ‘associate pastors’ werden toegevoegd. Van alle stafleden werd geëist dat ze

in Manhattan woonden en zich daar thuis voelden.

Het najaar van 1990 bracht een explosieve groei. Iedere week waren er bekeerlingen.

Het aantal deelnemers aan de erediensten steeg tot 500 op een zondag. Er kwamen vier diensten:

10.00, 11.30, 16.00 en 18.30 uur. De staf werd tot vijf full-timers gebracht. Wat betreft de

kerkgangers: 80% was ‘single’ met een gemiddelde leeftijd van 30 jaar; er waren weinig

kinderen; 90% was woonachtig in New York; zo’n 15-20% van de mannen was homoseksueel;

per dienst waren er zo’n 50 à 60 bezoekers die daar voor het eerst kwamen; 25-30% van hen

was niet-christen. In 1992 bracht men jaarlijks $1.000.000 binnen. In de zomer van 1992 waren

er ongeveer 250 mensen tot geloof gekomen, van wie de helft van buiten de kerk kwam.

Na het najaar van 1992 kwam er echter een behoorlijke dip. Daarvoor zijn achteraf twee

redenen aan te wijzen. Ten eerste was er de verhuizing naar het auditorium van het Hunter

College in het voorjaar van 1993 (met 2000 zitplaatsen in plaats van 400 in het vorige gebouw).

Dit kostte aanmerkelijk meer geld dan gepland, zodat men krap kwam te zitten. Ook vertrokken

er mensen die een hekel hadden aan de massaliteit. Ten tweede, toen de staf groeide, bleek Tim

Keller niet voldoende in staat adequaat leiding te geven aan die staf. In 1994 werd Dick

Kaufmann ‘executive pastor’ en ‘director of operations’. Kaufmann begon de organisatie

behoorlijk te decentraliseren. Er kwamen teams die leiding gaven aan onderdelen van het

gemeente-zijn. De ouderlingen hoefden zich niet langer bezig te houden met ‘operationeel

management’, maar werden volop ingezet bij het uitzetten van hoofdlijnen en pastoraat. Er

werden veel kleine groepen (‘huiskringen’) opgezet: in het voorjaar van 1996 waren er meer dan

100. Dit alles gaf de gemeente behoorlijk wat nieuw elan. Het aantal deelnemers aan de

zondagse diensten steeg van 1150 in het voorjaar van 1994 tot 1750 in het voorjaar van 1996.

Om de diverse groepen mensen die in Manhattan wonen, doet Redeemer nog steeds

onderzoek naar hen en zoekt vervolgens naar wegen om hen in hun eigen omgeving zo

doeltreffend mogelijk te bereiken. Er wonen in Manhattan veel artiesten en zakenmensen. Een

behoorlijk deel van hen heeft een Aziatische of joodse achtergrond. Verder wonen er veel

studenten en onderzoekers. Een hoog percentage van de mannelijke populatie is homoseksueel.

Op dit moment komen uit genoemde groepen ongeveer zes personen per maand tot bekering. De


Redeemer-gemeente kent nu de volgende karakteristieken: 75% woont in Manhattan; 80% is

‘single’; de gemiddelde leeftijd is 30 jaar; 50% is Anglo-Amerikaans; 35% is Aziatisch-

Amerikaans en 15% komt uit diverse etnische groepen.

Momenteel heeft Redeemer zo’n 825 leden. Er nemen zo’n 2900 volwassenen, van wie

naar schatting 20-30% niet-christen is, deel aan de drie erediensten van Redeemer. Twee

erediensten worden in het auditorium van Hunter College (oostzijde van Central Park) gehouden

en één dienst wordt in de First Church of Christ (westzijde van Central Park) gehouden. In deze

drie diensten wordt dezelfde preek gehouden. Het aantal huiskringen is gestegen tot 120 met in

totaal zo’n 1400 deelnemers. Daarmee is overigens de groei van het aantal groepen behoorlijk

achtergebleven bij de groei van het aantal deelnemers aan de erediensten. Dat komt vooral

doordat er te weinig geschikte leiders voor de huiskringen kunnen worden gevonden. Vanuit

Redeemer heeft men tot op heden vier nieuwe kerken kunnen stichten. Verder heeft men samen

met andere kerken leven kunnen schenken aan nog eens zes andere nieuwe kerken. In 1998 zijn

deze kerken samengegaan met zes bestaande kerken. Samen vormen ze de ‘Metro New York

Presbytery’. De diensten worden in zes talen gehouden: Chinees, Koreaans, Spaans, Portugees,

Engels en Russisch. Redeemer maakt momenteel gebruik van 40 full time krachten en 30 part

time krachten. Tim Keller is ‘senior pastor’ en Terry Gyger (de man die indertijd namens de

PCA aan Keller vroeg een onderzoek te leiden naar de mogelijkheid van kerkplanting in

Manhattan) heeft Dick Kaufmann opgevolgd als executive pastor. Kaufmann zelf is bezig een

kerk in de lijn van Redeemer te planten in San Diego, Californië. Naast Keller en Gyger zijn er

nog vier andere predikanten. De staf bestaat uit zo’n vijftien ‘directors’. Redeemer hoort bij het

kerkverband van de Presbyterian Church in America en onderschrijft de Westminster

Confession of Faith.

Excurs: Geschiedenis van Willow Creek

De basis voor de Willow Creek Community Church in South Barrington bij Chicago ligt in een

buurtonderzoek dat in 1975 onder leiding van Bill Hybels in Palatine, een voorstad van Chicago werd

gehouden. 49 Doel van dat onderzoek was om na te gaan waarom mensen niet meer naar de kerk kwamen.

Aan de mensen werd gevraagd of ze regelmatig naar de kerk gingen of niet en zo niet, wat daar de reden

van was. De meest genoemde redenen waarom mensen zich afzijdig hielden van een kerk, waren: de kerk

is niet relevant voor het dagelijkse leven; kerkdiensten zijn saai en voorspelbaar; de predikanten geven de

mensen een schuldgevoel en houden hen onwetend; kerken vragen altijd om geld, maar wat ze met het

geld doen, spreekt ons niet aan.

Onder leiding van Bill Hybels werd vervolgens gestart met het organiseren van kerkdiensten

voor deze mensen die opvielen door hun niet-traditionele karakter: gebruik makend van drama,

eigentijdse muziek en ingaand op de moderne levensvragen, echter zonder concessies te doen aan de

bijbelse boodschap. De boodschap moest vertaald worden, niet veranderd. Het ideaal was een kerk te

hebben naar het voorbeeld van Hd. 2:45-47. Willow Creek is gebaseerd op de bijbel als het geïnspireerde

Woord van God, onderkent geestelijke gaven voor elke christen en wordt gedreven door de liefde van

Christus voor mensen die nog niet tot geloof zijn gekomen. Voor gemeenteleden zijn er doordeweekse

diensten met bijbelstudie en lofprijzing. Voor buitenkerkelijken zijn er diensten in de weekenden, waarin

getuigd wordt van Gods liefde en waarbij bezoekers worden gestimuleerd ook anderen mee te nemen.

Tegenwoordig komen er gemiddeld 16.500 mensen naar de vier diensten in het weekend. Er

komen zo’n 2500 kinderen naar de speciale kinderbijeenkomsten. Zo’n 6000 mensen komen naar de

doordeweekse diensten. Bijna 13.000 mensen doen mee aan kleine groepen. Willow Creek heeft ruim

5200 leden. Bill Hybels is ‘senior pastor’ van Willow Creek. Er werken nog vijf andere predikanten bij

Willow Creek. Verder werken er ongeveer 500 mensen fulltime of parttime, naast zo’n 5500 regelmatige

vrijwilligers. Het grote auditorium telt 4550 zitplaatsen. Er zijn bouwplannen voor een auditorium met het

dubbele aantal. Door de Willow Creek Community Association worden op tal van plaatsen in de wereld

49 Zie P. Braoudakis (ed.), Church leaders handbook, Barrington 1997 4 , 37-51 (of in vertaling: Willow

Creek Nederland, Kerk zonder drempel, Haamstede 1995, 17-46); L. and B. Hybels, Rediscovering

church, Grand Rapids 1995, 23-146; G.A. Pritchard, a.w., 20-43.

23


24

conferenties georganiseerd om de visie van Willow Creek te verspreiden. Willow Creek hoort niet bij een

bepaald kerkverband. Men heeft een eigen geloofsbelijdenis opgesteld. 50

3.2 Visie-overzicht van Redeemer 51

Onder ga ik in op de visie, de missie, het doel en de strategie van Redeemer. Onder de visie van

een gemeente versta ik een voorstelling van de identiteit, van wie de gemeente is en steeds meer

zal worden in de toekomst. Onder de missie van een gemeente versta ik haar fundamentele

opdracht, haar passie ook. Onder het doel van een gemeente versta ik de concretisering van haar

missie voor een bepaalde termijn. Onder de strategie van een gemeente versta ik de weg

waarlangs ze werkt om haar doel te bereiken. Om het rijtje compleet te maken: onder het beleid

van een gemeente versta ik de doelbewuste planning van die strategie, maar op beleid ga ik nu

niet verder op in.

3.2.1 Visie

Redeemer is een kerk in het stadscentrum Manhattan die de hoger opgeleide seculiere

stedelingen bereikt met het evangelie en hen toerust met dat evangelie zodat de hele stad zal

worden gediend en veranderd. Daarbij gaat Redeemer uit van de volgende uitgangspunten:

i) Evangelie: het evangelie is niet alleen de weg om christen te worden, maar ook de weg

om christen te zijn (een christen is ‘simul iustus et peccator’); de genade is er zowel ter

rechtvaardiging als ter heiliging van een mens;

ii) Stad: de stad is voor een christen de meest strategische plaats om te leven en te dienen;

iii) Naar buiten gericht: in alle onderdelen van het gemeente-zijn worden mensen die nog

geen christenen zijn, verwacht en verwelkomd;

iv) Inclusieve erediensten: de erediensten nodigen zowel christenen als niet-christenen uit om

Gods aanwezigheid te ervaren en hun levens aan Hem te geven;

v) Diepe gemeenschap: de weg om in het koninkrijk te groeien is de weg van gemeenschap;

huiskringen vormen daarom de ruggengraat van de kerk;

vi) Gericht op een beweging: iedere christen is profeet, priester en koning is, zodat de

hoofdmoot van evangelisatie, training en pastoraat bij de gemeente ligt; leiderschap is

gericht op het initiëren van diensten en taken voor mensen;

vii) Kerkplanting: er worden kerken met dezelfde visie geplant onder alle mensen en in alle

buurten van New York en andere grote steden;

viii) Gemeenschapsvernieuwing: er wordt in de buurten van de binnenstad een nieuw

geestelijk en sociaal stelsel geweven door holistische dienstbaarheid en nieuwe kerken;

ix) Cultuurvernieuwing: de cultuur wordt vernieuwd door christenen toe te rusten om

onderscheiden, verantwoordelijk en uitstekend te werken in hun beroep.

Uitgangspunten i-ii zijn m.n. op het hart gericht, iii-vi zijn m.n. op de kerk gericht en vii-ix zijn

m.n. op de stad gericht. De recente geschiedenis en de nabije toekomst worden door Redeemer

als volgt omschreven. 52 De periode tussen 1989 en 1993 is een startperiode geweest. De kerk

moest geplant worden. Het aantal kerkgangers is in deze periode gestegen van nul tot 1000. Van

de onderdelen van de bovenbeschreven uitgangspunten was de aandacht toen geconcentreerd op

i-iv en werd er een begin gemaakt met v.

De periode tussen 1993 en 1998 werd gekenmerkt door een sterke groei. In deze

periode is men erop gericht geraakt de kerk zo te structureren dat er veel leiders (voor onder

50 Zie P. Braoudakis, a.w., 67-68.

51 Gebaseerd op ‘Redeemer: vision synopsis’, z.j. en ‘Visitor’s information’, 1999. Om de inhoud helder

te krijgen heb ik me bovendien laten leiden door ‘Vision and model: Gospel-driven church’, 1997 en door

‘Some things you should know where do I fit in?’, appendix A bij ‘Hope for New York, team leader

handbook’, 1999.

52 Zie ‘Redeemer Presbyterian: an outline of its history and future’, 1999.


meer de huiskringen) werden opgeleid. In deze periode is het aantal kerkgangers verdubbeld tot

2000. Van de onderdelen van de bovenbeschreven uitgangspunten was de aandacht toen

geconcentreerd op v-vi en kon een begin worden gemaakt met vii (terwijl de aandacht op de

eerder genoemde onderdelen vanzelfsprekend behouden bleef).

De periode tot 2002 is wat Redeemer betreft een periode van uitbreiding. De kerk moet

een kerkplantende beweging worden. Momenteel zijn er iets minder dan 3000 kerkgangers;

wellicht kan dat aantal nog groeien tot 4000. Redeemer verwacht niet dat het haalbaar zal zijn

nog verder te groeien, vanwege het simpele feit dat er niet meer preekplaatsen beschikbaar

lijken te zijn voor grote aantallen mensen. Wellicht kan men binnenkort overgaan tot vier

diensten in twee gebouwen, maar dat is het maximaal haalbare. Intussen zijn er wel

dochterkerken gesticht, die samen goed zijn voor zo’n 500 kerkgangers per zondag. In deze

uitbreidingsperiode speelt onderdeel vii van de bovenbeschreven uitgangspunten een dominante

rol. Voor de toerusting en begeleiding van diverse kerkplantingen heeft men contact met WTS

in Philadelphia. Er is i.s.m. WTS een ‘Urban Church Development Center’ (UCDC) in

oprichting. Dit centrum moet predikanten opleiden die in staat zullen zijn kerken in steden te

leiden. Speciale aandacht zal worden gegeven aan kerkplanting.

De periode tussen 2002 en 2010 moet de periode van de penetratie worden. Het is de

bedoeling dat de kerk dan meer geworteld raakt in de stad. De onderdelen vii-ix van de

uitgangspunten staan dan in het centrum. Het is de bedoeling dat tot dan vier diensten worden

gehouden. Uiteindelijk moet dat uitgegroeid zijn tot ook vier locaties. Wanneer het zover is, kan

worden overgegaan tot verzelfstandiging van de preekplaatsen, waarbij voortdurend intensief

wordt samengewerkt en van de faciliteiten van elkaar gebruik kan worden gemaakt. Dat is het

moment waarop er vier nieuwe ‘senior pastors’ kunnen worden aangesteld zodat Tim Keller kan

terugtreden. De kerk is dan overgegaan in een kerkplantende beweging. De groei moet dan niet

meer komen van de groei in één bepaalde kerk, maar van groei in het aantal kerken. Redeemer

kiest er uitdrukkelijk voor niet een megakerk te willen worden. Men vindt een megakerk te

onpersoonlijk en teveel afhankelijk van de stichter ervan. In plaats daarvan wil Redeemer een

beweging van kerkplantende kerken zijn. Met deze beschrijving ben ik aangekomen bij de

missie en het doel van Redeemer.

3.2.2 Missie en doel

1. Missie. Redeemer beoogt een beweging van het evangelie te ontsteken die New York City

in alle dimensies (geestelijk, sociaal, cultureel) zal veranderenen door New York de

maatschappij en de wereld.

2. Doel. Het doel van Redeemer voor de komende drie jaar is om de kerk, na de start en de

groei, uit te breiden en in de jaren daarna de stad te penetreren.

3.2.3 Strategie

De strategie van Redeemer bestaat uit:

i) Evangelische erediensten. De erediensten zijn erop gericht God te eren, gelovigen op te

bouwen in geloof en twijfelaars en zoekers uit te dagen en te helpen.

ii) Huiskringen. De ruggengraat van de kerk is een netwerk van meer dan 100 huiskringen

en dienstteams waarin vriendschap en zorg wordt ontwikkeld.

iii) Gemeenteleven. De gelovigen van alle leeftijden en sociale posities worden

aangemoedigd elkaar te zien en te ontmoeten als broeders en zusters in de Here.

iv) Zorg. Er is een pastoraal en diaconaal netwerk waardoor mensen geestelijk kunnen

groeien.

v) Discipelschapstraining en leiderschapsontwikkeling. Door onderwijs en mentorschappen

worden nieuwe christenen opgeleid tot leiders in de kerk.

25


26

vi) Gebed. Gebed voor de voortgang van Gods koninkrijk en dank voor Gods genade spelen

een cruciale rol in het leven van de gemeente.

vii) Coördinatie. Door de dienst van velen op het gebied van logistiek, administratie,

financiën en communicatie wordt de rest van het werk in de kerk gediend.

viii) Dienst op het marktplein. Door uitstekend en ‘anders’ te werken in het dagelijks leven wil

Redeemer een culturele verandering teweeg brengen.

ix) Barmhartigheidswerk. Door barmhartigheid en gerechtigheid te betonen in de wereld wil

Redeemer een sociale verandering teweeg brengen.

x) Kerkuitbreiding. Door evangelisatiewerk, zendingswerk en kerkplanting wil Redeemer

een kerkelijke verandering teweeg brengen.

Excurs: Visie-overzicht van Willow Creek

1. Visie. 53 De visie van Willow Creek is om een bijbels functionerende gemeenschap van gelovigen te

zijn zodat Christus’ verlossingswerk in de wereld vervuld kan worden. Van belang is daarbij wat het doel

van God is met de kerk. Volgens Willow Creek is dat: eren (God aanbidden, als gemeenschap en als

enkeling), evangelisatie (mensen die verloren zijn in contact brengen met de Heer), onderricht (de leden

van de kerk bijbels onderwijs en training in discipelschap en evangelisatie geven) en uitbreiding (de

maatschappij bereiken met de liefde en gerechtigheid van het koninkrijk van God).

2. Missie. De missie van Willow Creek is: ongelovigen d.m.v. het evangelie veranderen in volledig

toegewijde volgelingen van Jezus Christus. Een toegewijd volgeling van Jezus Christus is volgens

Willow Creek te typeren aan vijf G’s. Het is iemand die: De genade van God op een persoonlijke manier

begrijpt en zijn vertrouwen stelt op Jezus Christus als zijn Heer en Redder en de genade verder uitdraagt;

van harte geestelijk wil groeien en zijn of haar leven duidelijk aan het veranderen is; actief deelneemt aan

een groep met medegelovigen die ook geestelijke volwassenheid en gemeenschap nastreven; de gaven

leert te gebruiken die God hem/haar als dienaar van Jezus Christus heeft gegeven; aan de gemeente geeft

door in tijd en middelen verantwoordelijkheid op zich te nemen voor een deel van Gods werk in de

gemeente.

3. Strategie. Willow Creek heeft een strategie van zeven stappen ontwikkeld om mensen tot volledig

toegewijde volgelingen van Jezus Christus te maken: 54 (1) Tussen een gelovige en een ongelovige wordt

een vriendschapsrelatie opgebouwd; (2) de gelovige geeft een mondeling getuigenis; (3) de ongelovige

vriend gaat mee naar een dienst voor belangstellenden en komt daar tot geloof; (4) hij bezoekt de diensten

voor gelovigen; (5) hij neemt deel aan een kleine groep; (6) hij is dienstbaar in het Lichaam van Christus;

(7) hij is een goed rentmeester.

4. Uitgangspunten. In alles rekent Willow Creek met de volgende tien uitgangspunten: (1) Wij geloven

dat bijbels onderricht in de kracht en onder leiding van de Heilige Geest verandering tot stand brengt in

individuele gelovigen en in de kerk. Dit omvat: onderricht tot verandering van het leven. (2) Wij geloven

dat verloren mensen God ter harte gaan en daarom ook de kerk ter harte moeten gaan. Dit omvat: relatieevangelisatie

en evangelisatie als een proces. (3) Wij geloven dat de kerk cultureel relevant behoort te zijn

zonder daarbij de zuiver bijbelse leer prijs te geven. Dit omvat: gebruik van technische voorzieningen,

gedrukt materiaal en kunst. (4) Wij geloven dat volgelingen van Jezus Christus waarachtigheid en

echtheid aan de dag moet leggen naast een vurig verlangen naar voortdurende geestelijke groei. Dit

omvat: persoonlijke echtheid, karakter, volwassenheid. (5) Wij geloven dat de kerk haar werk moet doen

als een hechte gemeenschap van mensen die dienen en daarbij hun geestelijke gaven gebruiken. Dit

omvat: eenheid, dienstbaarheid, verscheidenheid van gaven en gavengerichte taakvervulling. (6) Wij

geloven dat liefdevolle onderlinge relaties het belangrijkste kenmerk zijn van alle activiteiten in het

kerkelijk leven. Dit omvat: in liefde een taak vervullen, teamwork, relaties bouwen. (7) Wij geloven dat

mensenlevens het beste tot verandering komen in kleine groepen. Dit omvat: discipelschap,

kwetsbaarheid en verantwoordelijkheid. (8) Wij geloven dat hoge kwaliteit tot eer van God is en mensen

53 P. Braoudakis (ed.), a.w., 55-56; Willow Creek Nederland, Een kennismaking met de Willow Creek

Community Church en Willow Creek Nederland, 1999.

54 Vgl. ook L. Strobel, Wat beweegt de onkerkelijke John en Anita?, Hoornaar 1995.


inspireert. Dit omvat: evaluatie, een kritische blik, inspanning en uitmuntendheid. (9) Wij geloven dat

kerken geleid moeten worden door hen die gaven van leiderschap hebben. Dit omvat: begaafdheid,

dienend leiderschap, strategie en doelgerichtheid. (10) Wij geloven dat volledige toewijding aan Christus

normaal is voor iedere gelovige. Dit omvat: rentmeesterschap over tijd, gaven en geld, dienstbaarheid en

geen schatten op aarde verzamelen.

3.3 Hart van Redeemer

3.3.1 Erediensten

1. Doel. Redeemer wil met het houden van erediensten christenen en niet-christenen verbinden

met God. 55 Enerzijds heeft Redeemer dus christenen op het oog. Zij moeten (opnieuw) op God

en zijn genade worden gewezen en God moet worden gevraagd te werken in hun harten. Daar

zijn geen foefjes voor nodig, maar slechts vertrouwen. De invulling van de diensten qua liturgie

en prediking moet zo zijn dat ‘de kans op contact’ zo groot mogelijk is. Christenen mogen van

de diensten verwachten dat ze God zullen ontmoeten.

Anderzijds heeft Redeemer niet-christenen op het oog. In 1 Kor. 14:23 geeft Paulus aan

dat de gemeente open moet staan naar mensen die zoeken. Aan het begin van iedere dienst

worden daarom speciaal de mensen welkom geheten die voor het eerst een dienst bij Redeemer

meemaken. Zij worden uitgenodigd hun naam en adres in te vullen op een strookje dat aan de

‘orde van dienst’ is bevestigd, zodat ze informatie van Redeemer kunnen krijgen. Bovendien

kan men op dit strookje opmerkingen kwijt en kan men vragen om voorbede of een persoonlijk

gesprek. Verder houdt men in de gehele dienst uitdrukkelijk rekening met de aanwezigheid van

niet-christenen (ook al zou men 100% zeker weten dat alle aanwezigen christenen waren). De

houding die Redeemer aanneemt, is deze: geen woord jargon gebruiken in de diensten,

regelmatig met enkele woorden een onderdeel van de liturgie uitleggen en in de prediking de

vragen van niet-christenen uitdrukkelijk respecteren. Voor de duidelijkheid, het is beslist niet zo

dat Redeemer de leden er voortdurend toe aanzet niet-christenen uit te nodigen voor de diensten.

In plaats daarvan streeft men er naar het hele karakter van de diensten zo te laten zijn dat iedere

christen na afloop denkt: ‘Ik wilde dat mijn niet-christelijke buurman hier was geweest’.

2. ‘Worship’. Iedere eredienst wordt geleid door twee personen: de prediker die meestal alleen

de bijbellezing, de preek en de zegen voor zijn rekening neemt en de ‘worship leader’ die de rest

van de dienst leidt. De prediker is een van de predikanten, de ‘worship leader’ is een ouderling

of een predikant. Redeemer maakt geen gebruik van overheads of liedboeken. Dit zou fysiek

niet handig zijn omdat men geen eigen gebouw heeft. Maar bovendien is volgens Redeemer het

gebruik van overheads of liedboeken minder geschikt voor mensen die niet vertrouwd zijn met

de christelijke eredienst. Dat Redeemer ook in de ‘worship’ probeert zo dicht mogelijk aan te

sluiten bij de cultuur en belevingswereld van de doelgroep, komt bijvoorbeeld tot uiting in een

traditionele ochtenddienst en een meer moderne middagdienst. Het verschil zit hem met name in

het aantal liederen die gezongen worden, de stijl van die liederen en de muziek die gespeeld

wordt. ’s Ochtends wordt de samenzang begeleid door bijvoorbeeld een vleugel en een trompet

of een orgel met een strijkkwartet, ’s middags wordt dat gedaan door een band die o.a. jazzachtige

muziek speelt. Overigens is het niet zo dat die middagdienst meer niet-christenen trekt

dan de ochtenddienst. Regelmatig is er in de dienst een kort getuigenis dat verband houdt met

een bepaald onderdeel van het gemeentelijk leven. Dat kan bijvoorbeeld een vrijwilliger van een

diaconaal project zijn die daar iets persoonlijks over vertelt, met de bedoeling ook anderen voor

dat werk aan te moedigen. In het gebed wordt vervolgens ook altijd aandacht besteed aan het

werk waarover verteld is. De bedoeling hiervan is woord en daad in de dienst te combineren.

55 Zie Redeemer, ‘How do we worship today?’, z.j.

27


28

Redeemer stelt hoge eisen aan de kwaliteit van deze muziek, omdat dat meer ‘inclusief’

is, d.w.z. aantrekkelijk voor zowel christenen als niet-christenen. Hoewel gelovigen zich

wellicht niet zo zouden storen aan inferieure kwaliteit omdat ze toch wel geraakt worden door

de inhoud van de woorden die ze zingen, geldt dat niet-christenen zich daar wel degelijk aan

zouden storen, zeker in New York met de vele kunstenaars. Overigens, de muzikanten

verzorgen uitsluitend de muziek; het is hen verboden spontaan dingen te ‘verkondigen’, want

dat is de taak van de prediker en van niemand anders. 56 De toon van de erediensten kan m.i.

worden gekarakteriseerd worden door de woorden: ‘eerbiedig’, ‘verlangend’, ‘doordacht’ en

‘authentiek’.

3. Verkondiging. Voor de verkondiging wordt ruim de tijd genomen: zo’n 45 minuten van de

ongeveer 75 minuten durende diensten. Keller stelt zich zichzelf bij het maken van een preek

altijd drie vragen: (1) Wat zegt deze tekst tot christenen? (2) Wat zegt deze tekst tot nietchristenen?

(3) Wat zegt deze tekst tot mensen die nog maar kort christen zijn? Centraal in de

verkondiging, zowel naar christenen als naar niet-christenen, moet de genade van Jezus Christus

staan. Redeemer wil steeds verkondigen dat zowel de rechtvaardiging als de heiliging er alleen

is door het geloof in Jezus Christus.

De prediking wordt voor 75% verzorgd door de senior-pastor, ds. Tim Keller. In de

overige diensten gaan de overige predikanten voor. Er gaan nooit gastpredikanten voor. Reden

daarvan is dat Redeemer eist dat de prediking qua inhoud en vorm precies aansluit bij de

identiteit en de visie van Redeemer. Er wordt veel in series gepreekt. In de ‘orde van dienst’

staat altijd vermeld wat de thema’s van de komende twee zondagen zullen zijn.

4. Sacramenten. Eenmaal per maand worden nieuwe leden ‘aangenomen’. Dat gebeurt tijdens

een eredienst en is te vergelijken met een openbare geloofsbelijdenis. Ik noem dat nu omdat hier

de bediening van de doop mee samenhangt. Wanneer iemand tot de gemeente toetreedt die niet

als kind in een christelijke kerk gedoopt is, wordt die persoon in diezelfde dienst gedoopt.

Tijdens een andere dienst wordt de kinderdoop bediend, ook eenmaal per maand. Ook bij de

doop moet bij Redeemer de kant naar ‘buiten’ aanwijsbaar zijn. Dat krijgt in de praktijk

bijvoorbeeld vorm door degene die gedoopt wordt te laten vertellen wat dat voor hem of haar

betekent.

Eenmaal per maand wordt het avondmaal gevierd. Redeemer nodigt ‘alle gedoopte

christenen die berouw hebben over hun zonde, hun heil van Jezus Christus verwachten en lid

zijn van een kerk die het evangelie verkondigt, uit tot het vieren van dit sacrament’. Zo wordt

het tijdens iedere dienst waarin het avondmaal gevierd wordt, uitgelegd. De viering gaat dan als

volgt. Nadat gezamenlijk de apostolische geloofsbelijdenis is uitgesproken en is gebeden,

spreekt de predikant die het avondmaal bedient, de instellingswoorden uit. Tijdens het zingen

van een lied wordt het brood uitgedeeld; vervolgens wordt dat tegelijkertijd gegeten. Met de

wijn gaat het net zo: tijdens het zingen van een lied wordt die in kleine cups uitgedeeld,

vervolgens worden die tegelijkertijd leeg gedronken. Ook het sacrament van het avondmaal

heeft een kant naar ‘buiten’: zij die niet kunnen meevieren, worden uitgenodigd intussen te

mediteren en te bidden. In de ‘orde van dienst’ staan drie gebeden afgedrukt: een voor hen die

op zoek zijn naar de waarheid, een voor hen die zich in geloof aan Jezus willen geven en een

voor hen die worstelen met zonde.

5. Kinderen en jeugd. Terwijl er tot voor kort slechts heel weinig kinderen bij Redeemer waren

(er waren ook slechts weinig echtparen), is dat aantal nu toegenomen tot ongeveer 175. Tijdens

de dienst is er oppas voor kinderen tot en met vier jaar, verdeeld over zes leeftijdsgroepen. De

kinderen van de basisschool gaan voor de preek de kerk uit naar hun eigen bijeenkomsten.

6. Organisatie. Een dienst bij Redeemer vraagt een hoop organisatie. Iedere kerkganger krijgt

een professioneel ogende ‘orde van dienst’ uitgereikt, samen met een mededelingenblad. Die

56 Tim Keller tijdens een gesprek hierover: ‘Ik ga toch ook niet spontaan gitaar spelen?’.


moeten van tevoren natuurlijk wel gemaakt zijn. De liederen, de muziek, het getuigenis, de

preek: alles moet op elkaar afgestemd zijn. Dat is een behoorlijke organisatie wanneer dat in

teamverband moet plaatsvinden. De muzikanten moeten alles zeer goed hebben ingestudeerd.

Het podium moet worden ingericht, ’s ochtends en ’s middags verschillend. Ettelijke gastheren

en -vrouwen zijn ’s zondags in de weer om de ‘ordes van dienst’ uit te reiken, vragen te

beantwoorden en mensen de weg te wijzen. De achterste rijen zijn in eerste instantie gesloten,

zodat laatkomers daar kunnen gaan zitten zonder de dienst te verstoren. De ouderlingen en

diakenen zijn in de kerkzaal herkenbaar aan een badge. Een aantal van hen is na afloop van de

dienst voorin beschikbaar om met mensen te bidden. Na afloop van de dienst is er in een zaal

gratis koffie met koek te krijgen. Honderden mensen ontmoeten elkaar hier in een ontspannen

sfeer. In die zaal zijn ook cassettebandjes en boeken te koop. Tijdens en na afloop van de dienst

moeten er zo’n 15 à 20 zalen gebruiksklaar zijn voor het kinder- en jeugdwerk en voor diverse

cursussen.

3.3.2 Huiskringen 57

1. Doel. ‘De ruggengraat van onze kerk is een netwerk van kleine groepen en zorgteams

waarin vriendschappen, geestelijke groei en zorg kunnen ontwikkelen’. 58 Het is niet zo dat de

bijbel de gemeente expliciet gebiedt om kleine groepen te hebben, maar de bijbel laat wel

expliciet zien dat het hebben van gemeenschap met elkaar van groot belang is in een christelijke

gemeente. Gezien de massaliteit van de erediensten vindt Redeemer het van eminent belang alle

gemeenteleden in huiskringen te hebben ingedeeld. Daar vindt namelijk de eerstelijns pastorale

en diaconale zorg plaats – dit is het doel van de huiskringen. De kringen moeten zo belangrijk

worden dat als iemand bijvoorbeeld naar het ziekenhuis gaat, hij als vanzelfsprekend daarover

de huiskring als eerste inlicht. Daar zijn immers de mensen die hij kent. Daar zullen ook de

mensen zijn die hem gaan bezoeken in het ziekenhuis. De huiskring is de plaats waar geestelijke

groei kan plaatsvinden, waar de gemeenschap met mensen en met Jezus Christus kan worden

ervaren, waar levens veranderd worden door de kracht van het evangelie a.g.v. de zorg voor

elkaar. De bijbel verwacht van gelovigen dat ze elkaar opbouwen, aldus Redeemer. In dat

verband moet iemand niet de vraag stellen: ‘Wat levert zo’n kring mij op?’, maar de vraag:

‘Wat kan ik voor die kring betekenen?’. De huiskringen zijn bij Redeemer zo belangrijk dat je

kunt zeggen dat Redeemer niet kleine groepen heeft, maar daaruit bestaat. Iemand die niet lid is

van een huiskring, is niet functioneel lid van de kerk.

2. Inhoud van de bijbelstudies. Het curriculum van de bijbelstudies die in de afgelopen jaren

zijn gebruikt in de huiskringen van Redeemer bevat het volgende. Er zijn vier basispakketten:

over discipelschap (evangelie van Markus), over levensheiliging en liefde (1 Johannes), over het

evangelie in het dagelijks leven (Jakobus) en over rentmeesterschap. Verder zijn er twee

pakketten op een iets moeilijker niveau: over het christelijke leer (Romeinen) en over de kerk en

het koninkrijk. Tenslotte is er één moeilijk pakket over evangelisatie (Handelingen). Al deze

studies zijn door Redeemer zelf ontwikkeld.

3. Organisatie. De organisatie van de huiskringen is als volgt. Iedere huiskring bestaat uit 6-12

personen die elkaar minimaal twee keer per maand in groepsverband ontmoeten. Iedere kring

heeft een leider en een assistent-leider. Per 3-5 groepen is een coördinator aangesteld die

regelmatig contact heeft met de betreffende kringleiders, zowel gezamenlijk als individueel.

Zijn rol is uitdrukkelijk ook een pastorale. Per 4-15 coördinatoren is een staflid beschikbaar

voor begeleiding, training en pastorale zorg. Redeemer hecht grote waarde aan het voldoende

opleiden van de kringleiders. Een assistent-leider wordt door de bijbehorende kringleider

persoonlijk als mentor begeleid en krijgt diverse trainingen en cursussen voor hij/zij kringleider

kan worden. De huiskringen zijn bedoeld voor christenen en niet-christenen. Belangstellenden

57 Zie Redeemer, ‘Redeemer Fellowship Groups: A Summary’, 1999.

58 Redeemer, ‘Visitor’s information’, 1999.

29


30

kunnen bij een kring komen op uitnodiging van een van de kringleden of door bemiddeling van

de centrale organisatoren. Wanneer een kring te groot wordt, wordt een nieuwe kring ‘geplant’.

Een klein deel, zeg drie personen, van de bestaande groep verlaat de kring en start een nieuwe

kring.

Voor het goed laten functioneren van de huiskringen is de maandelijkse ‘Ministry

Community Meeting’ (MCM) van groot belang. Deze bijeenkomst bestaat uit diverse

onderdelen. Van 18.00-19.00 uur is er gelegenheid voor persoonlijke afspraken tussen

coördinatoren en/of leiders. Van 19.00-20.00 uur is er een samenkomst voor alle groepsleiders

en coördinatoren gezamenlijk. Eerst worden ongeveer 20 minuten uitgetrokken voor zang en

gebed, de resterende 40 minuten zijn bedoeld voor onderwijs. Van 20.00-21.00 uur hebben de

diverse coördinatoren bijeenkomsten met ‘hun’ groepsleiders. Doel van deze bijeenkomsten is

ervoor te zorgen dat alle groepen gezond zijn, goed functioneren en voldoende pastorale en

diaconale zorg bieden. Men vraagt elkaar bijvoorbeeld wat uit de bijbelstudies of preken van de

afgelopen tijd God in de afgelopen tijd speciaal heeft gebruikt voor de groep en persoonlijk.

Men checkt of men in de afgelopen week voor iedere deelnemer van de kring heeft gebeden en

hoe vaak men stille tijd heeft gehouden. En ook: ‘Voor welke niet-christenen ben je aan het

bidden? Wat heb je ondernomen om het evangelie dichter bij hen te krijgen?’ De bijeenkomsten

worden besloten met gebed. Van 21.00-22.00 uur is er tenslotte een bijeenkomst voor alleen de

coördinatoren t.b.v. de grote lijn in het geheel. Maar ook dan is er gelegenheid tot het bevragen

van elkaar met bijvoorbeeld de boven genoemde vragen.

Excurs: Hart van Willow Creek

1. Diensten. De diensten van Willow Creek zijn opgezet om Willow Creek ‘te helpen om de bijbelse

opdracht die Christus aan de kerk gaf, te vervullen, namelijk om discipelen te maken en hen te leren

onderhouden alles wat Hij ons onderwezen heeft’ (Mt. 28:19-20). Of anders gezegd: Willow Creek wil

met de diensten ‘niet-religieuze mensen bereiken en hen helpen om volledig toegewijde volgelingen van

Jezus Christus te worden. De weekenddiensten focussen op het eerste deel van die opdracht:

evangelisatie, met het doel om mensen tot bekering en geloof in Jezus Christus te leiden. De

doordeweekse diensten zijn geconcentreerd op de tweede helft van de opdracht: discipelschap’. 59 Dit is

het meest typerend aan de opzet van de diensten bij Willow Creek: in de weekenden zijn er diensten voor

‘zoekers’ (‘seeker-services’), terwijl er doordeweeks diensten voor gelovigen zijn. 60

In de weekenddiensten richt Willow Creek zich op de werkende man van 25 à 50 jaar die

behoorlijk geschoold is en sceptisch in de kerk zit. De diensten worden gevormd door een professioneel

programma dat meestal bestaat uit de onderdelen: zang, drama, media, getuigenis en toespraak. Zij die

God kennen, worden uitgenodigd mee te zingen; de anderen wordt gevraagd te zien wat God doet in het

leven van mensen. De programmering van de diensten is erop afgestemd om een ‘samenhangende,

thematische ervaring’ op te bouwen die mensen ertoe brengt naar God en zijn Woord te willen luisteren. 61

Immers, ‘kunst opent onze diepste verlangens, ook die om de Schepper te kennen’. 62 Voor de toespraak

begint, is er een collecte. Dit is het enige onderdeel van de dienst dat niet voor zoekers bestemd is maar

voor hen ‘die Willow Creek als hun thuis beschouwen en baat hebben van de diensten’.

De grootste nadruk valt uiteindelijk op de toespraak. Er worden hoge eisen gesteld aan deze

toespraak. 63 De spreker moet oprechtheid, integriteit en intimiteit uitstralen. Hij moet duidelijk begaan

zijn met de onkerkelijken in de zaal. Die moeten zich kunnen identificeren met de spreker. Het moet dus

duidelijk zijn dat die spreker ook een mens van vlees en bloed is. Humor speelt een belangrijke rol voor

deze identificatie. Verder moet de toespraak relevant zijn; hij moet in feite de persoonlijke behoeften van

de buitenkerkelijke vervullen. Volgens Willow Creek is het christelijk geloof namelijk het beste middel

voor hem om zijn behoeften te bevredigen en gelukkig te worden. Men noemt deze leer ‘Christianity 101’

59 Aldus Mark Mittelberg in een email, 29 oktober 1999.

60 P. Braoudakis (ed.), a.w.,77-94. Ook G.A. Pritchard, a.w., 61-136 geeft een uitgebreide beschrijving.

Persoonlijk heb ik alle soorten diensten een keer meegemaakt.

61 P. Braoudakis (ed.), a.w., 78.

62 Aldus Nancy Beach, verantwoordelijk voor het eerste deel van de weekenddiensten, 21 oktober 1999.

63 G.A. Pritchard, a.w., 88v.


of ‘Christendom Plus’. Daartoe wordt de toespraak gebaseerd op (een thema) uit de bijbel, worden er veel

illustraties gebruikt en komen er praktische tips. Belangrijk is ook dat de toespraak waarheidsgetrouw is.

Dit aspect is apologetisch van aard. Niet-christelijke standpunten en conclusies worden onderuit gehaald

en de argumenten vóór het christelijk geloof worden aangehaald om de mensen te overtuigen van het

evangelie. Dat is de goede boodschap dat God in Jezus mens geworden is en door zijn dood en opstanding

de verlossing volbracht. Wanneer mensen deze boodschap begrijpen en hierop antwoorden door Christus

aan te nemen, ontvangen zij eeuwige verlossing. De mens heeft echter een vrije wil; hij zal er persoonlijk

voor moeten kiezen om Christus aan te nemen als degene die zijn zonden heeft weggenomen. Hij zal dan

ook moeten toestaan dat Jezus de leiding in zijn leven over neemt.

Er zijn in de weekenden vijf diensten. Drie ervan zijn identiek: zaterdagmiddag 5 uur,

zondagmorgen 9 uur en zondagmorgen 11 uur. Dit zijn de diensten voor belangstellenden in de vorm

zoals ze al langere tijd bestaan. Daarnaast zijn er twee andere diensten, pittiger van karakter, beide om 7

uur op zaterdagavond. De ene heet ‘The Sevenen bestaat nu ongeveer een jaar; de andere heet ‘Axis’ en

bestaat nu ongeveer drie jaar. ‘The Seven’ is een vergelijkbare dienst voor belangstellenden als de andere

drie, maar de toespraak is ingekort, er is meer tijd voor ‘worship’ en er is gelegenheid voor het stellen van

vragen (‘Q&A’). De Axis is echt een andersoortige dienst, afgestemd op de generatie X, mensen ‘tussen

18 en 20-zoveel’. Willow Creek ontdekte namelijk dat er een gat zat tussen de dingen die voor de

jongeren werden gedaan en de gemiddelde leeftijd van de diensten in het weekend. ‘Axis’ is ‘ruwer’ van

opzet en minder perfect afgewerkt; juist het perfecte wordt namelijk door de generatie X als verdacht

aangemerkt. 64

De weekenddiensten zijn er dus primair afgestemd op de aanwezige onkerkelijke mensen. 65 Het

secundaire doel is echter om de aanwezige christenen te voeden. Die komen daar immers, als het goed is,

samen met een onkerkelijke buurman of collega. Maar de eigenlijke diensten voor de gelovigen zijn op

woensdag- en donderdagavond. Het doel van die diensten is: onderwijs en aanbidding (vgl. Ef. 5:1-21).

Het eerste deel van deze diensten is ‘worship’: onder leiding van een band en een zangleider worden

diverse liederen gezongen, afgewisseld met gebed. De stijl ervan varieert. De ene keer is het een

uitbundige viering, de andere keer is er (meer) ruimte voor stilte, belijdenis en gebed. Willow Creek wil

de ‘worship’ theocentrisch toonzetten. Wat is passend? Niet de behoeften of de voorkeurstijlen van de

mensen beantwoorden die vraag. Passend is wat beslag legt op ons hoofd en wat ons hart in beweging

brengt, zodat God de lof ontvangt. 66 Na deze ‘worship’ worden er enkele mededelingen gedaan en is er

een collecte voor hen die regelmatig komen. Daarna is er de ‘boodschap’. Eenmaal per maand wordt het

avondmaal gevierd. De dienst wordt afgesloten met ‘worship’.

2. Kleine groepen. Willow Creek heeft nog niet erg lang kleine groepen. 67 Maar toen de groei doorzette,

bleek dat de staf de gemeente niet voldoende kon ‘bedienen’. Een student van Harvard Business School

toonde dit aan toen hij Willow Creek bestudeerde voor de eindfase van zijn studie. 68 Bovendien

realiseerde men zich dat mensen ‘in de kerk niet op zoek zijn naar vriendelijke gezichten, maar naar

64 Tijdens ‘The Seven’ op 23 oktober 1999 waar ik het eerste deel van heb meegemaakt, viel het me op

dat het publiek aan de jonge kant was, jonger dan het publiek van de ‘Axis’ die op hetzelfde moment

werd gehouden en waar ik het tweede deel van heb meegemaakt. Ik had ook de indruk dat de muziek van

‘The Seven’ meer op jongeren was afgestemd dan de overige weekenddiensten. Terwijl er ’s zondags een

orkest speelde, was er tijdens ‘The Seven’ een band waarvan de in spijkerbroek geklede leden aan de

jonge kant waren. Trouwens, de kleding in Willow Creek sluit steeds goed aan bij de diverse stijlen van

diensten. Lee Strobel, de spreker van de ‘Axis’ droeg een spijkerbroek, maar Bill Hybels, spreker tijdens

de zondagse diensten voor belangstellenden droeg een donkergrijs kostuum. Beide stijlen pasten bij het

thema en de muziekstijl.

65 De ‘Saturday night’ diensten van de Calvary Church in Grand Rapids, in Nederland bekend geworden

door het boek van Ed Dobson, vertonen qua stijl en inhoud behoorlijke overeenkomsten met de

weekenddiensten van Willow Creek. De ‘Saturday nights’ zijn hedendaagse, informele, visueel

aantrekkelijke, op de behoeften van de mensen toegesneden bijeenkomsten die, zonder druk van

verplichtingen, onkerkelijke mensen tussen 20 en 40 jaar wil bereiken en hen wil aanmoedigen Christus

te zoeken. De muziekstijl is rock, omdat dat het beste bij de doelgroep past.

66 Aldus John Ortberg tijden de Church Leadership Conference, 22 oktober 1999. Jim Mellado maakte

tijdens een lunch op 22 oktober duidelijk dat Willow Creek in de loop van de tijd langzaam is

opgeschoven naar een meer charismatische manier van ‘worship’.

67 Zie P. Braoudakis (ed.), a.w., 115-123.

68 De betreffende student heette Jim Mellado. Hij is momenteel directeur van Willow Creek Association.

31


32

vrienden’. 69 Toen is de organisatie gedecentraliseerd en is men begonnen met het opzetten van groepen

van 4 à 10 personen. De leiders van die kleine groepen hebben nu de meest strategische positie in de

organisatie. Zij zijn de herders van hun groep. Dat betekent dat alle mensen nu van zorg kunnen worden

‘voorzien’, terwijl het aantal mensen waar iemand voor heeft te zorgen, maximaal 10 is. Alles wat

momenteel in Willow Creek gebeurt, gebeurt in kleine groepen: van het repareren van auto’s en het

zorgen voor kinderen tot het verzorgen van maaltijden en het opbouwen van het podium. Kleine groepen

zijn niet langer een deel van de kerk, kleine groepen zíjn de kerk, in zijn kleinste eenheid namelijk. Kleine

groepen hebben als doel om ‘mensen relationeel te verbinden om te groeien in Christus-gelijkvormigheid,

onderlinge liefde en deelname aan het werk in de kerk, teneinde God te dienen en van alle volken

discipelen te maken’. Willow Creek kent groepen t.b.v. discipelschapstraining, t.b.v. gemeenschap, t.b.v.

een bepaalde dienst in de kerk, t.b.v. zoekenden en t.b.v. ondersteuning. Met uitzondering van de

eerstgenoemde soort staan alle groepen open voor gelovigen en niet-gelovigen. Iedere groepsleider is lid

van Willow Creek, heeft een leiderschapstraining gehad, heeft bij een andere leider ervaring opgedaan en

heeft, indien het een groep voor zoekenden betreft, een cursus ‘Aanstekelijk christen zijn’ gevolgd. Per 6

à 7 groepsleiders is er een coach; per 5 coaches is er een onderdeelleider; per 4 onderdeelleiders is er een

directeur.

Opvallend aan deze manier van werken is ten eerste dat er nogal wat mensen zijn die aan

verschillende kleine groepen deelnemen. Ter illustratie: Bill Hybels is lid van drie kleine groepen; een

daarvan wordt gevormd door de raad van (acht) oudsten. Het komt ook voor dat leiders van een bepaalde

groep als deelnemer aan een andere kleine groep verbonden zijn. Ten tweede is deze manier van werken

de grootste kracht achter het motiveren van medewerkers. Op de vraag hoe Willow Creek de vrijwilligers

motiveert, werd tijdens de Church Leaderschip Conference geantwoord: ‘Door hen in een gemeenschap

op te nemen’. Willow Creek hecht er aan dat ook de leiding van de gemeente een gemeenschap vormt.

Een stafvergadering begint daarom standaard met een half uur ‘worship’.

3.4 Werkvelden van Redeemer

3.4.1 Verkondiging

1. Op de ‘markt’. Boven heb ik uiteengezet dat Redeemer steeds zoekt naar wegen om mensen

in hun eigen omgeving zo doeltreffend mogelijk te bereiken. Ik som hier een aantal van deze

wegen op. Na iedere dienst is er de gelegenheid, speciaal voor niet-christenen, om naar een

‘class’ te gaan. Onder, bij ‘Vorming en toerusting’ ga ik daar nader op in. Gemeenteleden die

speciale gaven hebben voor evangelisatie, worden apart opgeleid om in hun eigen omgeving

mensen te bereiken. Regelmatig zijn er bijeenkomsten ergens in de stad waar iemand van

Redeemer spreekt, bijvoorbeeld op de medische faculteit van de New York University over

‘Praten met terminale patiënten over de dood’. Redeemer doet mee aan een publiek

discussieforum waar christenen en niet-christenen hun visie op de wereld mogen uiteenzetten en

waar vervolgens discussie over is.

Verder is er viermaal per jaar een Open Forum bijeenkomst. Een Open Forum

bijeenkomst is een bijeenkomst die de eredienst van 18.00 uur vervangt en in zijn geheel is

toegesneden op en bedoeld voor niet-christenen. Aan het begin van zo’n bijeenkomst wordt

duidelijk gemaakt dat het een bijeenkomst is die ‘gesponsord’ wordt door Redeemer, maar per

se niet een eredienst is. De bijeenkomsten bestaan uit twee onderdelen: muziek en toespraak.

Het onderdeel ‘muziek’ is vergelijkbaar met een concert; er worden seculiere liederen die met

het thema te maken hebben, gespeeld en gezongen. Het onderdeel ‘toespraak’ verschilt

inderdaad van een preek. Er wordt niet vanuit een bijbelgedeelte gesproken; toen ik een Open

Forum bijeenkomst meemaakte, werd er zelfs in het geheel niet uit de bijbel gelezen. De

toespraak is zeer apologetisch van aard en wil mensen laten zien en verklaren wat het geloof in

Jezus Christus inhoudt. Na afloop van de toespraak is er een collecte (‘omdat de bijeenkomst in

de plaats komt van een reguliere kerkdienst’), maar het wordt de mensen duidelijk gemaakt dat

69 Aldus John Ortberg, 22 oktober 1999.


die uitsluitend bedoeld is voor mensen die de diensten regelmatig bijwonen. Na afloop van de

bijeenkomst is er gelegenheid tot het mondeling stellen van vragen. Bij binnenkomst krijgen de

bezoekers een programma uitgereikt met daarop het thema voor de bijeenkomst, de titels van de

muzieknummers en de namen van de bandleden en de spreker. Er staan geen liedteksten op dit

programma; er is immers geen samenzang. Verder kan men op een kaartje aangeven welke

suggesties of gebedspunten men heeft; ook kan men via dat kaartje een persoonlijk gesprek

aanvragen.

2. Internationale zending. Een speciale afdeling van Redeemer houdt zich bezig met

internationale zending. De taken van hen zijn: informeren, fondsen werven, bidden, trainen en

uitzenden. In de zomer gaan tienergroepen naar diverse landen om daar evangelisatiewerk te

doen. Diverse gemeenteleden van Redeemer doen elders zendingswerk, o.a. in Zuid-Arika,

Ierland en Mexico City.

3.4.2 Levenswijding 70

1. Liturgie in de eredienst. De eredienst moet de kerkgangers ertoe bewegen God te

aanbidden. Voor de inrichting van de erediensten hanteert Redeemer twee basis-liturgieën.

Beide kunnen gecombineerd worden met traditionele muziek of met hedendaagse muziek, zodat

er vier combinaties ontstaan. Verder is er eenmaal per maand avondmaal, eenmaal per maand

aannemen van nieuwe leden inclusief volwassendoop en eenmaal per maand kinderdoop, zodat

het aantal variaties behoorlijk is. Niettemin bestaat iedere liturgie uit drie vaste onderdelen:

lofzegging (‘praise cycle’), vernieuwing (‘renewal cycle’) en verbinding (‘commitment

cycle’). 71 Het lofzeggingsonderdeel is bedoeld om de kerkgangers vrij te maken van alles wat

hen bezig houdt en hen eraan te herinneren dat alleen God alle lof kan krijgen en dat ze Hem

tijdens de dienst zouden kunnen ontmoeten. In ieder geval worden hier twee momenten van

stilte ingelast. Het vernieuwingsonderdeel is bedoeld om te ontdekken wie of wat de

kerkgangers momenteel feitelijk aanbidden; belangrijk onderdeel hiervan is: schuldbelijdenis en

genadeverkondiging. Het verbindingsonderdeel is gecentreerd op het horen van Gods woord

door de preek. Belangrijk is dat in ieder van de drie onderdelen Gods woord van genade wordt

gehoord door het lezen van een bijbelgedeelte en dat er daarna ruimte is om te antwoorden door

zang of gaven.

2. Muziek in de eredienst. Redeemer wil graag de diverse muzikale talenten die er zijn in de

gemeente, gebruiken in de erediensten. Per slot van rekening heeft God zijn kinderen niet

zomaar bepaalde talenten gekregen. De muziek in de dienst moet zeer goed zijn (Ps. 33:3; vgl. 1

Kron. 15-16); daar heb je dus professionele musici voor nodig. De muziek speelt volgens

Redeemer een grote rol bij het halen van het doel van die erediensten: mensen verbinden met

God. Muziek raakt de mensen op een andere manier dan woorden mensen raken. In de diensten

wordt gebruik gemaakt van zang: een koor, een gospelkoor, diverse leiders van de samenzang

en solisten. En er wordt gebruik gemaakt van instrumentale muziek: een band, een kwartet, een

orkest en een brass quintet. Om effectief te kunnen incultureren, zet Redeemer zoveel mogelijk

mensen van de diverse ‘klassen’ uit Manhattan in in de diensten. Een Chinees die voor het eerst

een kerkdienst bij Redeemer meemaakt bijvoorbeeld zal prettig verrast zijn als hij een Chinees

achter de piano ziet zitten.

3. ‘Worship’ tijdens diverse bijeenkomsten. Redeemer hecht veel waarde aan ‘worship’, d.w.z.

lofprijzing en gebed, aan het begin van allerlei bijeenkomsten. De toerustingsavond voor leiders

van huiskringen begint met 20 minuten ‘worship’. Ook de wekelijkse bijeenkomsten van de

predikanten en van de staf bestaan voor een derde deel uit ‘worship’.

70 Zie Redeemer, ‘Sequential principles for developing an arts program’, z.j.

71 Redeemer, ‘Worship leading’, z.j.

33


34

4. Cultuurverandering. Veel leden van Redeemer werken op hoge posities bij banken,

verzekeringsmaatschappijen, Wall Street, enz. Door middel van de preken en door middel van

de discipelschapstraining (zie onder) wil Redeemer bereiken dat zij in hun professie ‘anders’

zijn, zoals bijvoorbeeld ook Esther dat was in Babel. De overtuiging die daar achter schuil gaat

is dat christenen die op hun eigen specifieke positie integer leven en werken – christen zijn –, de

hele cultuur zullen kunnen veranderen. Dit wordt extra vorm gegeven door met muzikale en

artistieke talenten in te dringen in de seculiere muzikale en artistieke wereld. Er zullen

optredens worden gegeven met een koor, een pianist, een dansgroep en een opera-zanggroep die

qua kwaliteit kunnen concurreren met andere groepen, maar een eigen stijl met zich

meebrengen, namelijk een christelijke.

3.4.3 Vorming en toerusting

1. Vragen en antwoorden. Na iedere kerkdienst is er een bijeenkomst onder de naam ‘Vragen

en antwoorden’ (‘Q&A’). Dit is er een informele bijeenkomst waar allerhande vragen kunnen

worden gesteld, veelal aan de voorganger van die dag.

2. Discipelschapstraining. Op zondagavond, van september tot midden juni is er de ‘School of

Discipelship’. 72 De kerkgangers worden via het mededelingenblad aangemoedigd ieder seizoen

aan minstens één onderdeel deel te nemen, zodat ze na een aantal jaren een stevig fundament

voor zichzelf hebben opgebouwd. Men heeft de keus uit de volgende onderdelen. (1) ‘De

geloofwaardigheid van het christelijk geloof’. Dit onderdeel gaat over de rationele argumenten

(en tegenargumenten) van het christelijk geloof en is dus nogal apologetisch van aard. Speciaal

welkom zijn uitgesproken sceptici van het christelijk geloof. (2) ‘Overzicht van de theologie’.

Dit is een soort oriëntatiecursus christelijk geloof. Het gaat over de basis van een christelijk

geloof en een christelijk leven. (3) ‘Introductie op Redeemer’. In dit onderdeel worden zeven

verschillende onderwerpen besproken, speciaal met het oog op hen die overwegen lid te willen

worden van Redeemer. De bijeenkomsten gaan over de hoofdlijnen van Redeemers visie, over

de betekenis van het lidmaatschap van de gemeente, over de christelijke leer, over de

christelijke ethiek, over de huiskringen, over het gebruiken van geestelijke gaven t.b.v. de

gemeente en over de ‘regering’ van de kerk. Deze eerste drie onderdelen van de

Discipelschapstraining worden niet alleen op zondagavond gehouden, maar ook op

zondagochtend, na de ochtenddienst.

De andere onderdelen variëren. Een aantal voorbeelden: (4) ‘Hoe doe ik bijbelstudie?’.

Dit onderdeel bespreekt diverse onderdelen van de bijbel om te laten zien welke methoden en

middelen kunnen helpen om de bijbel te begrijpen en de centrale boodschap van een gedeelte te

‘horen’. (5) ‘Bidden op de manier zoals God dat wil’. Dit onderdeel is gericht op bidden in de

lijn van Gods koninkrijk. (6) ‘Vrede stichten’. Dit onderdeel leert dat een conflict niet moet

worden gezien als een ongeluk maar als een opdracht om God groot te maken en andere mensen

te dienen, als een discipel van Jezus Christus. 73 (7) ‘Vrij worden van financiële

onderworpenheid’. (8) ‘Overzicht van het Oude Testament’. Dit onderdeel maakt een

ontdekkingsreis door het Oude Testament. 74 (9) ‘Overzicht van het Nieuwe Testament’. Dit

onderdeel laat zien hoe Gods reddingsplan werkt – ‘missie voltooid’. (10) ‘De conflicterende

meningen van S. Freud en C.S. Lewis’. (11) ‘Geestelijk evenwicht in een draaiende wereld’.

Aangezien velen een druk leven leiden, wil dit onderdeel mensen helpen om een praktisch

christelijk evenwicht te vinden.

72

Momenteel is het materiaal van deze Discipelschapstraining uitsluitend bestemd voor intern gebruik.

Redeemer is bezig het geschikt te maken voor publicatie. Aldus Helen Chen Baez, 26 oktober 1999.

73

De inhoud hiervan is gebaseerd op K. Sande, The peacemaker, Grand Rapids 1991.

74

Gebruik wordt gemaakt van van E.P. Clowney, The unfolding mystery. Discovering Christ in the Old

Testament, Phillipsburg 1988.


3. Leiderschapstraining. Redeemer vindt het belangrijk dat mensen op leidinggevende posities

goed getraind zijn. Kandidaat-ouderlingen en kandiaat-diakenen bijvoorbeeld krijgen zeven

weken theologische training en zeven weken praktische training voor ze zelfs maar

gekandideerd worden. En wil iemand kringleider worden, dan staat hem het volgende proces te

wachten. Eerst moet hij (eigenlijk) minstens drie jaar lang de discipelschapstraining hebben

gevolgd. Bovendien moet hij minimaal een half jaar assistent-kringleider zijn en in staat zijn het

bijbelstudiegedeelte van de kring goed te begeleiden. De kringleider is daarbij zijn mentor.

Vervolgens is er een trainingsdag waar hij aan moet deelnemen. Op een zaterdag van 9-13 uur

krijgt hij dan een training in het huiskringensysteem van Redeemer. Drie maal per jaar verzorgt

Redeemer zo’n trainingsdag. Vervolgens is er een zogenaamde turbo-groep met zes

bijeenkomsten van anderhalf uur in zes opeenvolgende weken. Diverse kringleiders-in-wording

oefenen dan met elkaar in het leiden van een kring; ze krijgen feedback van elkaar. Nadat er

tenslotte een persoonlijk gesprek is geweest met de kringleider of een coördinator, is hij

officieel kringleider. Voor alle onderdelen van dit proces wordt door Redeemer zelf materiaal

ontwikkeld. Een curriculum en cursusmateriaal voor een ‘School of Servant Leadership’ is

momenteel in ontwikkeling. Op het programma staan de volgende thema’s: zoonschap (over het

evangelie en het hart), apologetiek (over het evangelie en het verstand), holistische dienst (over

het evangelie en de stad) en wereld- en levensbeschouwing (over het evangelie en de

‘marktplaats’). Gebruik zal o.a. worden gemaakt van materiaal van WHM, maar dan moet dat

wel eerst worden aangepast zodat het helemaal past in de visie van Redeemer.

4. Huwelijksvoorbereiding. Viermaal per jaar wordt op een zaterdag een seminar gegeven ter

voorbereiding op een huwelijk. Dit zes uren durende seminar gaat in op de betekenis en het doel

van een huwelijk, op de communicatie met elkaar, op een te kiezen rollenpatroon en op

seksualiteit. 75 Wanneer een stel hun huwelijksceremonie door een van de predikanten van

Redeemer wil laten leiden, is het nodig dat beide partners aan dit seminar hebben meegedaan.

Verder vindt er voorafgaand aan het huwelijk een persoonlijk gesprek plaats tussen de

betreffende predikant en het stel. Daarin gaat het over hun geloof en over hun onderlinge relatie.

3.4.4 Pastoraat

1. Verkiezing van ouderlingen. De ouderlingen spelen een belangrijke rol in het pastoraat.

Momenteel heeft Redeemer 12 ouderlingen. Ik ga hier eerst in op de vraag hoe iemand

ouderling bij Redeemer wordt. Alleen mannen kunnen ouderling worden overigens. In de

maand november is er gelegenheid voor de gemeente om, op grond van getoonde kwaliteiten,

mannen te nomineren voor het ambt van ouderling. Veelal loopt dit proces via de huiskringen

omdat de mensen elkaar daar het beste kennen. Er volgt dan een gesprek met de personen van

wie de namen opkomen uit de gemeente rond de vraag of iemand eventueel kandidaat wil staan.

Wil de betreffende persoon dat, dan volgen 14 weken training. Het eerste blok van 7 weken is

gericht op de theologie. De catechismus van Westminster en de kerkorde worden daarin

besproken. Het tweede blok van 7 weken is gericht op de praktijk. De kandidaat wordt

persoonlijk begeleid door iemand die al langer ouderling is. Vervolgens is er een persoonlijk

gesprek met de ouderlingen. Daaruit moet onder meer blijken of de betreffende persoon

geestelijk voldoende rijp is voor het ambt van ouderling. Als alles goed gaat, is de verkiezing in

mei en kan het werk in juni aanvangen. De periode dat iemand dient in het ambt van ouderling,

is drie jaar.

2. Pastoraat. Het eerstelijns pastoraat vindt bij Redeemer plaats in de huiskringen en nergens

anders. Wanneer iemand een pastoraal probleem heeft en niet lid is van een huiskring, dan heeft

hij inderdaad een probleem. De ouderlingen hebben als taak de gemeente toe te rusten tot

pastoraal dienstbetoon (Ef. 4:12). Zij doen dat via de kringleiders en hun coördinatoren. Zij

75 Zie Redeemer, ‘Preparing for marriage’ 1996; A. Kamsteeg, in: Nederlands Dagblad, 18 april 1998.

35


36

coachen de kringleiders om ervoor te zorgen dat de zorgen van de kringleden samen gedragen

worden en de kringleden elkaar ondersteunen. Natuurlijk hebben zij ook zelf pastorale

gesprekken met mensen. Maar dat zijn de ‘uitzonderingsgevallen’, situaties die niet meer door

de kring konden worden opgelost. Bijvoorbeeld zijn er na afloop van een kerkdienst altijd

ouderlingen beschikbaar om met mensen te praten en met hen te bidden. De predikanten zijn in

de eerste plaats predikers en vullen daarom een relatief klein deel van hun tijd in met pastoraat.

Opvallend is verder dat Keller wat de planning van zijn eigen pastorale gesprekken betreft

prioriteit geeft aan gesprekken met niet-christenen.

3. Tucht. Bij de uitoefening van de tucht staat de ‘onderlinge tucht’, naar bijbels gebod (Mt.

18:15-17), centraal. Dus krijgen de ouderlingen hier slechts in uiterste situaties mee te maken.

Dan zal een zeer lang proces op gang komen om de zondaar terug te trekken naar God en zijn

gebod. Mocht hij daarin niet bewilligen, dan is excommunicatie de uiterst denkbare maatregel.

4. Nieuwe leden. Het proces om lid te worden van Redeemer bestaat uit drie stappen.

Allereerst moet het kandidaat-lid alle zeven bijeenkomsten van de bovengenoemde cursus

‘Introductie op Redeemer’ hebben bijgewoond. Vervolgens is er een persoonlijk gesprek door

twee ouderlingen of een ouderling en een diaken. Dit is te vergelijken met wat veel

gereformeerde kerken in Nederland doen wanneer mensen geloofsbelijdenis willen afleggen.

Tenslotte, als beide voorgaande stappen met goed gevolg zijn doorlopen, wordt iemand in een

samenkomst van de gemeente publiekelijk geaccepteerd als nieuw lid. Dit proces heeft

betrekking op allen die ‘overkomen’ uit een ander kerkgenootschap en op allen die zonder

kerkelijke achtergrond lid willen worden van Redeemer. De laatstgenoemden worden gedoopt.

Eenmaal per vier weken is er een moment in de dienst waarop nieuwe leden worden

geaccepteerd. De laatste tijd zijn dat er 10 à 15 per keer.

5. Counseling services. 76 Redeemer heeft een professioneel team van raadgevers (‘counselors’)

t.b.v. zowel kerkgangers als niet-kerkgangers; bovendien is er psychiatrische hulp beschikbaar.

Men wil ‘een bijbels perspectief bieden aan de uitdagingen en problemen van het leven’. De

hulp is gebaseerd op de overtuiging dat de bijbel geloofwaardige oplossingen biedt voor onze

problemen, eenvoudig omdat God zich daarin openbaart. Kern daarvan is dat het evangelie

mensen verandert. De ‘counseling’ heeft als doel iemands persoonlijke groei en volwassenheid

te bevorderen en het bijbels mandaat om veranderd te worden ‘tot gelijkvormigheid aan het

beeld van Gods Zoon’ (Rom. 8:29) te vervullen. De ‘counseling’ wordt gedaan door christenen

vanuit een christelijk wereldbeeld, maar de hulpverleners respecteren andere religies en

perspectieven. Er moet worden betaald voor de hulp ($100-$120 voor een sessie van 50

minuten), maar voor minder draagkrachtige mensen kan een regeling worden getroffen.

Speciale aandacht wordt geschonken aan: echtparen met huwelijksproblemen, mensen die

worstelen met problemen of pijn uit het verleden, mannen die in de knoop zijn geraakt met hun

lusten en pornografische belangstelling, transseksuele mannen, mensen die graag een gezonde

nieuwe relatie willen starten en mensen met eetproblemen.

3.4.5 Samenleven

Ik som een aantal voorbeelden op die in Redeemers ‘Church life’ vallen: groepen voor kinderen

en jeugd, voor (internationale) studenten, voor moeders, voor 45-plussers, voor gescheiden

mannen en vrouwen en voor alleenstaande ouders. Verder wordt er van alles gedaan om het

onderlinge contact in de gemeente als geheel te bevorderen, bijvoorbeeld: fietstochten,

dansavonden, sportbijeenkomsten en skivakanties. Vanzelfsprekend staan deze activiteiten open

voor leden en niet-leden van Redeemer. De bedoeling ervan is een hechte familie te vormen van

broeders en zusters in de Here Jezus Christus.

76 Zie Redeemer, ‘Redeemer counseling services’, z.j.


3.4.6 Diaconaat

1. Verkiezing van diakenen. Redeemer kent zowel diakenen als diaconessen (14 respectievelijk

20 momenteel). Probleem is echter dat het ‘officieel’ niet mogelijk is vrouwelijke diakenen te

hebben vanwege de lijn van het kerkgenootschap. Daarom worden vrouwen ‘diacones’ en niet

‘diaken’ genoemd en worden ze niet officieel bevestigd. Intussen hebben ze echter intussen wel

dezelfde taken als de diakenen. 77 De diakenen en de diaconessen worden op dezelfde wijze

gekandideerd, opgeleid, gekozen en benoemd als de ouderlingen. Er is alleen dit verschil dat de

7 weken durende praktijktraining niet door een andere diaken gebeurt, maar in klasverband

plaatsvindt.

2. Diaconaat. Net als het eerstelijns pastoraat vindt ook het eerstelijns diaconaat bij Redeemer

plaats in de huiskringen. De diakenen en diaconessen hebben als taak de gemeente toe te rusten

tot diaconaal dienstbetoon. Zij doen dat via de kringleiders en hun coördinatoren. Zij coachen de

kringleiders om ervoor te zorgen dat de zorgen samen gedragen worden en de kringleden elkaar

ondersteunen, ook financieel dus als dat nodig is. Alleen echt moeilijke situaties komen op het

bordje van de diakenen en diaconessen.

3. Ondersteuning erediensten. Boven werd al duidelijk dat de erediensten een hoop organisatie

vergen. Diverse taken hiervan vallen wat mij betreft onder het kopje ‘Diaconaat’. Ik noem de

volgende voorbeelden: het maken, vermenigvuldigen en uitdelen van de liturgieën en

mededelingenbladen; het uitdelen van informatie; het inrichten van het podium, verschillend

voor de ochtend- en de middagdienst; het verzorgen van de enorme hoeveelheden koffie en

koek; het verkopen van bandjes en boeken; het inrichten van de diverse zalen voor de

bijeenkomsten na afloop van de diensten.

4. Hope for New York. De lijn naar ‘buiten’ van het diaconaat vindt plaats via Hope for New

York. Hope for New York is een organisatie die als doel heeft ‘de gemeente van Redeemer te

mobiliseren en toe te rusten om hun capaciteiten en financiën te delen zodat barmhartigheid en

gerechtigheid zal floreren in New York’. 78 Met ruim 1400 vrijwilligers, zowel christenen als

niet-christenen, in 1998 is Hope for New York een organisatie die er mag zijn. De medewerkers

willen het evangelie van Jezus Christus laten zien in woord en daad. Ze doen dat met

onvoorwaardelijke liefde, omdat ook Jezus’ liefde onvoorwaardelijk was. Maar dat betekent

niet dat het alleen een kwestie van ‘geven’ is: uitdrukkelijk wordt gestreefd naar het creëren van

structuren waardoor armoede en zorg niet slechts tijdelijk maar structureel worden opgeheven.

Er worden clubs en zomerkampen voor kinderen gehouden. Er worden cursussen Engels

gegeven aan jongeren van nieuwe immigranten. Er wordt opvang geboden voor jonge meisjes.

Kinderen van gevangenen worden met Kerst verrast met speelgoed. Met behulp van bevriende

artsen is men bezig een ziekenhuis op te richten voor daklozen. Er worden computertrainingen

gegeven aan daklozen, zodat ze kunnen solliciteren naar een baan. HIV-patiënten worden

maaltijden aangeboden. Er is begeleiding voor vrouwen die ongewenst zwanger zijn en voor

vrouwen die een abortus hebben gepleegd. En er gebeurt nog veel meer. Veel gebeurt in

samenwerking met andere organisaties, maar alleen nadat men zich ervan heeft overtuigd dat

die andere organisaties financieel en organisatorisch gezond zijn.

77 Als ik het goed inschat, is men in Redeemer niet gelukkig met deze situatie. Men zou graag willen dat

ook vrouwen diaken konden worden. Het punt dat in de discussie steeds weer naar voren komt, is de

aanname dat het bijzondere ambt ‘automatisch’ een regeerambt is (wat volgens de bijbel alleen aan de

man toekomt).

78 Zie Redeemer, ‘Hope for New York Orientation Packet’.; A. Kamsteeg, in: Nederlands Dagblad, 1

april 1995; J.M. Perkins, ‘Manhattan Transformation’.

37


38

Excurs: Gemeentelijk leven van Willow Creek

Het zou teveel vergen om ook voor Willow Creek bij alle bovengenoemde werkvelden langs te lopen. In

plaats daarvan bespreek ik twee thema’s die het licht op Redeemer weer duidelijk laten schijnen.

Ten eerste: lang niet alle kerkgangers van Willow Creek zijn lid van de gemeente, ook allen die

gedoopt zijn niet. Iedereen die bekeerd is, is voor eens en voor altijd lid van het lichaam van Christus. Als

het goed is, is er na de bekering groei en komt het ervan als lid te participeren in een gemeente. Om lid te

worden van Willow Creek, moet iemand vier fasen doorlopen. 79 Eerst moet hij zichzelf onderzoeken t.a.v.

zijn lidmaatschap en de vijf G’s in het bijzonder; hiertoe luistert hij naar een bandje en doet hij een

bijbelstudie over die vijf G’s en over de kenmerken van Willow Creek. Vervolgens vult hij een verklaring

in dat de kenmerken van een lidmaat werkelijkheid zijn in zijn persoonlijke leven. Dan volgt er een

gesprek met een van de leiders om deze verklaring te bevestigen. Tenslotte is er de plechtige opname in

de gemeente tijdens een dienst voor gelovigen. Het nieuwe gemeentelid heeft vier verantwoordelijkheden:

persoonlijke reinheid (d.i. een leven in overgave aan God), relationele integriteit (d.i. oprechte en

liefdevolle relaties met gezin, vrienden, omgeving en gemeenteleden), loyaliteit aan de kerk (d.i. het

willen bijdragen aan de opbouw van de gemeente met tijd, talenten en schatten) en rijpheid in de omgang

met anderen (d.i. liever willen dienen dan gediend worden). Het lidmaatschap geldt momenteel voor drie

jaar. Daarna moet men zich opnieuw aan de gemeente verbinden. 80

Ten tweede: de mogelijkheden om in het gemeentelijk leven van Willow Creek te participeren,

zijn erg groot. Er zijn ongeveer 100 ‘sub-ministries’, waar ik hier enkele van noem. Om mensen toe te

rusten tot evangelisatie, wordt de cursus ‘Aanstekelijk christen zijn’ gegeven. Om mensen te laten

ontdekken welke gaven ze hebben en waar ze die het beste kunnen inzetten, wordt de cursus ‘Netwerk’

gegeven. 81 Duizenden vrijwilligers zijn nodig voor allerlei werkzaamheden in Willow Creek: voor

informatievoorziening, koffie schenken, toiletten schoonmaken, plaatsen wijzen, regelen van het verkeer,

voor de kinderprogramma’s van de acht leeftijdsgroepen, voor de programma’s voor jongeren en voor

studenten, voor de boekwinkel, voor de garage, voor de catering, enz. Sinds 1987 heeft Willow Creek een

sociaal-missionair programma ontwikkeld om de maatschappij te beïnvloeden met Gods sjaloom. Het

aantal vrijwilligers in dit werk is de laatste paar jaar enorm gestegen. Zo’n 4000 vrijwilligers doen

momenteel sociaal werk onder arme mensen in Chicago. In de winter slapen diverse daklozen in de

gebouwen van Willow Creek. Verder zijn er projecten in o.a. de Dominicaanse Republiek.

3.5 Kerkplanting door Redeemer

1. Dochterkerken. Met bovenstaande beschrijving van Redeemer aan de hand van het gekozen

model, ben ik niet ten einde gekomen aan mijn inhoudelijke beschrijving van Redeemer. Ik ben

er m.i. namelijk onvoldoende in geslaagd de ‘Schwung’ van Redeemer in het model te vatten.

Het lijkt alsof de visie van Redeemer ‘breder’ is dan de visie die in het model past. Dat komt

met name door het feit dat Redeemer er uitdrukkelijk voor kiest niet slechts één bepaalde kerk te

zijn, maar een beweging van kerken. 82 In deze paragraaf ga ik daar, ter aanvulling, nader op in.

Dat Redeemer een beweging van kerken wil zijn, heeft twee aspecten. Het eerste is dat

de moederkerk zelf een ‘multi-site’ kerk zal worden waar op vier plaatsen samenkomsten

worden gehouden. Het tweede is dat in de toekomst veel nieuwe kerken geplant zullen moeten

worden. Tot op heden heeft Redeemer vier dochterkerken geplant, terwijl diverse andere kerken

79

P. Braoudakis (ed.), a.w., 61-65.

80

Het stappenproces om lid te worden van de gemeente is een paar jaar geleden gewijzigd. Bovenstaande

geeft een beeld van de huidige praktijk. Voorheen moest iemand die lid wilde worden: (1) een jaar lang

regelmatig de diensten hebben bijgewoond; (2) de lidmaatschapscursus hebben gevolgd over Willow

Creeks geloofsbelijdenis, toewijdingsprincipes en structuurprincipes; (3) een persoonlijk gesprek hebben

met een ouderling; (4) een schriftelijke ‘Verklaring van toewijding’ invullen; (5) openbaar zijn geloof

belijden in de gemeente. Zie Willow Creek Nederland, Kerk zonder drempel, 54-55.

81

Beide cursussen worden ook in Nederland gegeven; de eerste door Agapè en WCN, de laatste door

WCN.

82

Tim Keller, ‘From a church to a movement of churches’, 1999. Vgl. ook mijn artikel in het Nederlands

Dagblad, 29 mei 1999. Zie bijlage C.


van Redeemer ondersteuning hebben gekregen en door de visie van Redeemer zijn geïnspireerd.

De dochterkerken van Redeemer zijn:

i) Trinity in Rye, NY. Kerkplanter: Craig Higgins, 1994.

ii) The Village Church in New York, NY. Kerkplanter: Scot Sherman, 1994.

iii) North Shore Community in Brookville, NY. Kerkplanter: Allan Barth, 1995.

iv) Redeemer New Jersey met twee ‘preekplaatsen’, namelijk Teaneck en Hoboken, beide

in New Jersey, NY. Kerkplanter: Jim Om, 1999.

Het is de bedoeling dat vanaf het jaar 2000 de beweging van kerkplantingen wordt opgestuwd

door het werk van het ‘Urban Church Development Center’. De Braziliaan Osni Ferreira zal aan

dit centrum leiding geven.

Wat is het gemeenschappelijke van de moederkerk Redeemer, de bovengenoemde

dochterkerken en de kerken die Redeemer heeft geholpen met de planting? Tot op heden lijken

genoemde kerken tot en met de ‘buitenkant’ op Redeemer. De preken zijn intelligent, de cultuur

wordt doordacht tegemoet getreden, de kwaliteit van de muziek is hoog, de ‘worship’ is noch

traditioneel noch hedendaags, evangelisatie heeft hoge prioriteit, woord en daad gaan samen in

een goede balans, er zijn kleine groepen waarin het pastoraat en diaconaat plaatsvindt, enz.

Maar in de toekomst zullen de kerken aan de ‘buitenkant’ steeds meer van elkaar verschillen. Zo

is Jeff White, voorheen predikant bij Redeemer, in 1998 begonnen met de New Song

Community Church in Harlem. Deze kerk is aan de ‘buitenkant’ volstrekt anders dan Redeemer.

Waar Redeemer gevestigd is temidden van het vitale deel van Manhattan en zich speciaal richt

op de yuppen, is de New Song Community Church gevestigd in een erg arm deel van New

York. New Song werkt veel sterker dan Redeemer buurtgericht. 83

Voor de toekomst zal het van belang zijn, aldus Redeemer, kerken te planten die aan de

binnenkant’ sterk aan elkaar verwant zijn. Die binnenkant wordt gevormd door de theologische

uitgangspunten. Drie hoofdelementen daarin zijn: (1) het verstaan van het evangelie van genade;

(2) het verstaan van de tegenwoordigheid van het koninkrijk van God; (3) het verstaan van het

cruciale van kerk-zijn in de stad. 84 De ‘buitenkant’ is het model van kerk-zijn en de concrete

inrichting van het hele gemeentelijke leven in een bepaalde context. Hoe deze ‘buitenkant’ er in

de praktijk uitziet, moet volgens Redeemer dus geheel afhangen van de vraag wat de beste

vormgeving is in een specifieke context.

2. Motivatie. ‘De allerbeste manier om mensen voor Christus te winnen en de allerbeste

manier om onze maatschappij en cultuur te redden is: veel nieuwe kerken planten’. 85 Redeemer

heeft hiervoor drie motieven. Ten eerste geeft de bijbel een duidelijke opdracht tot kerkplanting.

De fundamentele ‘structuur’ voor het vervullen van de Grote Opdracht (Mt. 28:18-20) is immers

de kerk. Hoe zal iemand anders discipelen kunnen maken, dopen en onderwijzen? Paulus’

strategie was dan ook om nieuwe (stads)kerken te planten. Ten tweede is het praktisch gezien

wijs om nieuwe kerken te planten. Nieuwe kerken zijn bijvoorbeeld beter in staat niet-christenen

te bereiken dan al langer bestaande. Verder zijn zij ook beter in staat om nieuwe inwoners,

nieuwe generaties en nieuwe bevolkingsgroepen te bereiken. Ten derde bevestigt de

geschiedenis dat kerkplanting belangrijk is. In Amerika is er duidelijk verschil te zien tussen

kerken die wel aan kerkplanting doen en kerken die niet aan kerkplanting doen. De eerste groep

groeit, de tweede niet. 86

83

Zie A. Kamsteeg, in: Nederlands Dagblad, 16 januari 1999. Zie ook bijlage E en de foto op de omslag

van dit rapport.

84

Deze drie hoofdelementen werk ik nader uit in paragraaf 4.2. Ik gebruik daar de drie trefwoorden

‘christocentrisch’, ‘eschatologisch’ en ‘contextueel’.

85

Redeemer, ‘Why plant new churches?’, 1999.

86

Het is met name Voetius geweest die ten tijde van de Nadere Reformatie erop aandrong dat de zending

niet zou blijven steken in het tot bekering en geloof brengen van niet-christenen, maar dat er een kerk

geplant moest worden. Vgl. J. van ’t Spijker, ‘De prima plantatione et collectione ecclesiae, aut

ecclesiarum’, Apeldoorn 1997.

39


40

3. Praktijk. Redeemer ziet bijvoorbeeld voor de hand liggende mogelijkheden om nieuwe

kerken te planten d.m.v. een cluster van huiskringen in een bepaalde omgeving buiten

Manhattan, of d.m.v. mensen die naar de voorsteden verhuizen. 87 De praktijk van kerkplanting

bestaat uit de volgende vijf stappen. 88 De eerste stap is: het kiezen en leren kennen van een

gebied. Door middel van persoonlijke interviews en sociologisch en demografisch onderzoek

moet duidelijk worden hoe een bepaald gebied cultureel, sociologisch en religieus in elkaar zit.

De tweede stap is: het kiezen van een ontwerp voor het functioneren van de kerk. Het is

bijvoorbeeld afhankelijk van de cultuur van de ‘doelgroep’ of de diensten (in eerste instantie)

aan huis kunnen worden gehouden of beter juist niet. Hetzelfde geldt voor de vraag of de

kerkdiensten altijd hetzelfde patroon moeten volgen of juist niet. Misschien moeten er zelfs

diensten in een andere taal worden gehouden omdat de bewoners in het betreffende gebied niet

of nauwelijks de landstaal spreken.

De derde stap is: het kiezen van een sponsormodel. Allerlei modellen zijn denkbaar; ik

noem er drie. (1) Een kerk kan iemand uitzenden naar een bepaald gebied met de opdracht daar

in zijn eentje een nieuwe kerk te beginnen. Of die kerk betaalt hem daarvoor of die persoon

wordt een ‘tentenmaker’. (2) Een kerk start een dochterkerk door een redelijk aantal leden uit de

gemeente die in een bepaald gebied wonen, te vragen daar een nieuwe kerk te beginnen. De

moederkerk zorgt voor de financiering. (3) Een kerk vraagt een stuk of tien gezinnen uit de

gemeente onder leiding van een kerkplanter naar een bepaald gebied te verhuizen, met de

bedoeling in dat gebied een nieuwe kerk te starten. Samen met deze gezinnen draagt de

moederkerk zorg voor de kosten.

De vierde stap is: het starten van de planting. Deze stap vraagt het meeste geloof. Nu

komt het er op aan. Gaan we het definitief doen of niet? ‘Als er geen andere bijbelgetrouwe

kerken in het betreffende gebied zijn, dan moet je het, in het algemeen gesproken, doen’. Het

komt er feitelijk op aan of je het als kerk aandurft om een geheel nieuwe stap te zetten in het

winnen van een gemeenschap voor Christus. Maar hoe bereik je dan vervolgens de

gemeenschap? Antwoord: door helemaal in die gemeenschap in te groeien, door relaties met de

buren aan te gaan, door vrijwilligerswerk te doen en via allerlei netwerken contacten op te

bouwen. Een deur-aan-deur enquête kan een goed hulpmiddel zijn om te ontdekken wat de

mensen bezig houdt en wie potentiële kerkgangers zouden kunnen zijn. Er kan worden

begonnen met een kleine en open groep waar bijbelstudie wordt gedaan. Al naar gelang de

context kan op een bepaald moment met kerkdiensten worden begonnen. Dan zal de kerk ook

verder geïnstitutionaliseerd moeten worden. Er moeten ambten worden ingesteld. De kerk zal

als gemeente moeten functioneren. En de kerk zal zich financieel moeten kunnen redden.

De vijfde stap tenslotte is: het kiezen van een strategie voor evangelisatie. Moet dit een

‘voordeur’-strategie zijn of een ‘zijdeur’-strategie? Een ‘voordeur’-strategie is gericht op de

kerkdiensten. Nieuwelingen komen via de kerkdiensten tot de gemeente, veelal op uitnodiging

van gemeenteleden. Een ‘zijdeur’-strategie is meer gericht op de omgeving waar de mensen

wonen. Nieuwelingen komen tot de gemeente via netwerken of naar aanleiding van pastorale of

diaconale hulp. Het zal erom gaan die manier te kiezen die in een bepaalde context het meest

doeltreffend is om ‘de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen

heeft tot zijn wonderbaar licht’ (1 Pt. 2:9-10).

4. Training. De meest recente lijn van Redeemer is dat kerkplanters intern worden ‘opgeleid’.

Er zullen nieuwe predikanten worden aangetrokken die eerst een aantal jaren in Redeemer

werken om daarna uitgezonden te worden naar een plek in of buiten de stad waar zij een nieuwe

kerk zullen planten. Verder noemde ik boven al het ‘Urban Church Development Center’ dat in

ontwikkeling is en waarin de nadruk zal komen te liggen op kerkplanting.

87

‘Redeemer is 75% single. Singles meet, marry, multiply and move. Usually to the suburbs.’ Aldus Dick

Kaufmann in ‘Redeemer and the New York project’, 1997.

88

Zie T.J. Keller, ‘Reformed church growth’, 1995 en Redeemer, ‘How do we start new churches?’,

1999.


3.6 Organisatie van Redeemer

1. Spreiding van verantwoordelijkheden. De eindverantwoordelijkheid van het functioneren

van Redeemer berust bij de ouderlingen. Zij zijn de bestuurders van de gemeente. Zij zijn

verantwoordelijk voor het creëren en vasthouden van een visie, zowel van de diverse diensten

(‘ministries’) als van het geheel. Naast de ouderlingen functioneren de diakenen en diaconessen,

maar zij behoren niet tot de leiding van de gemeente. De ouderlingen hebben de strategie en de

tactiek van de diverse diensten gedelegeerd naar diverse leiderschapsteams. Hierdoor moedigen

zij duidelijk een zekere ondernemersgeest in de leiderschapsteams aan.

Onder de ouderlingen functioneren twee predikanten: Tim Keller als hoofdpredikant

(‘senior pastor’) en Terry Gyger als predikant voor de leiding van de gemeente (‘executive

pastor’). Onder Gyger functioneren 15 directeuren van de respectieve diensten die ieder voor

zich verantwoordelijk zijn voor het reilen en zeilen van hun dienst. De vijftien diensten zijn:

i) ‘Worship’: organisatie van de erediensten en van het Open Forum.

ii) Huiskringen: de organisatie van de huiskringen, het maken van materiaal en het zorgen

voor toerusting.

iii) Kerkelijk leven: kinderwerk, diverse bijeenkomsten en speciale groepen voor mannen,

vrouwen, studenten.

iv) Counseling: professionele hulpverlening.

v) Diaconaat: het werk van de diakenen en diaconessen.

vi) Leiderschap: discipelschapstraining en leiderschapsontwikkeling, training van de staf.

vii) Gebed: organisatie van gebedsbijeenkomsten.

viii) Coördinatie: kerkelijk bureau, praktische zaken rond de zondagse diensten, financiën,

communicatie.

ix) Marktplaats: het opereren op cultuur-podia met een christelijke professie.

x) Barmhartigheid: Hope for New York.

xi) Evangelisatie in New York: speciale evangelisatieprojecten.

xii) Zending wereldwijd: ondersteuning van zendelingen, long-term en short-term.

xiii) Kerk aan westzijde: de kosten van het gebruiken van de kerk aan de Westzijde.

xiv) Urban Church Development Center: opleidingscentrum voor kerkplanting.

xv) Gemeenschapsvernieuwing: werk onder de armen, bedoeld op de gemeenschap te

verbeteren.

Een van de grootste en belangrijkste diensten bij Redeemer is de dienst ‘huiskringen’. Onder de

directeur van deze dienst functioneren nog eens vier onderdirecteuren. Momenteel zijn drie van

deze vijf mensen predikant. In totaal zijn er nu acht predikanten bij Redeemer werkzaam: de

‘senior pastor’, de ‘executive pastor’, 3 ‘associate pastors’ en 3 ‘assistant pastors’. 89 Zij worden

m.n. ingezet bij de zondagse diensten en de liturgie, bij de huiskringen en bij trouwerijen en

begrafenissen. Figuur 2 geeft een schematische weergave van deze organisatiestructuur.

Ieder van de 15 directeuren heeft te maken met een leiderschapsteam van zijn dienst.

Meestal zitten hierin: een ouderling, de directeur en diverse leden. Iedere dienst is

verantwoordelijk voor een eigen visie met uitgangspunten, een eigen missie en een eigen

strategie, alle passend binnen de visie, missie en strategie van Redeemer als geheel. Het

leiderschapsteam legt regelmatig verantwoording af aan de ouderlingen. Op zijn beurt delegeert

het leiderschapsteam het praktische werk naar diverse werkteams. Redeemer benadrukt dat het

belangrijk is dat het werk zoveel mogelijk in teamverband moet gebeuren; werk op individuele

basis is een grote uitzondering. Een team bestaat altijd uit een teamleider, een assistentteamleider

en diverse leden. Voordeel van het werken met teams is tweeërlei: men combineert

op die manier de gaven die God aan de diverse mensen heeft gegeven en men creëert een plaats

waar leiderschap kan worden ontwikkeld en geoefend. 90

89

Een ‘assistant pastor’ wordt aangesteld door het college van ouderlingen. Een ‘associate pastor’ wordt

aangesteld door de gemeente.

90

Vgl. Appendix A van Redeemer, ‘Hope for New York. Handbook for leaders’, 1999.

41


42

Diakenen

Gemeente

Ouderlingen

Senior pastor

Executive pastor

Dienst Dienst ………. ………. Dienst Dienst

Figuur 2 Schematische weergave van de organisatiestructuur van Redeemer

2. Predikanten- en stafvergaderingen. Iedere maandag is er een vergadering van de

predikanten (13.00-14.00 uur) en van de staf. (14.00-15.30). 91 De staf wordt gevormd door de

diverse directeuren o.l.v. de ‘executive pastor’; de ‘senior pastor’ is gast bij hun vergadering. De

bijeenkomst van de predikanten is met name bedoeld als evaluatie van de diensten van de vorige

dag en als voorbereiding van de diensten (o.a. de liturgie) van de komende twee zondagen. Maar

de eerste 20 minuten van de vergadering worden besteed aan gebed.

Ook de vergadering van de staf wordt begonnen met gebed. Er wordt o.a. gebeden voor

de noden van mensen van binnen en buiten de gemeente die via ingevulde briefjes (de

achterkant van de ‘orde van dienst’) ter vergadering zijn gekomen. Ook wordt er gebeden en

gedankt voor ontwikkelingen in de gemeente en veranderingen in het leven van mensen.

Vervolgens krijgt een van de directeuren de gelegenheid specifieke zaken van zijn terrein te

presenteren om daar vervolgens met de anderen over te brainstormen.

3. Financiën. Het leiderschapsteam van iedere dienst is verantwoordelijk voor het financiële

bestuur van de betreffende dienst. Zij krijgen een bepaald budget waar ze zich in een bepaald

jaar mee moeten zien te redden. De begroting van 1999 bedroeg $4.163.765, die van 2000

bedraagt $4.602.077. Ongeveer de helft van dit geld gaat naar ‘personeel’; dat is verreweg de

grootste post. Redeemer heeft behoorlijk wat personeel in dienst en moet ook behoorlijk voor

hen betalen omdat het leven in Manhattan erg duur is. De tweede post qua grootte is

‘coördinatie’; deze dienst neemt ongeveer 13% van de begroting in beslag. Hieronder valt o.a.

het kerkelijk bureau. Redeemer huurt hiervoor twee verdiepingen van een kantoorflat in het

centrum van Manhattan. Alle stafleden van Redeemer hebben hier een (kleine) eigen

kantoorruimte. Verder is hier de huisdrukkerij gehuisvest. Onder ‘coördinatie’ valt verder alles

91 De deelnemers aan het Pastor’s weekend mochten op de maandag die zij bij Redeemer doorbrachten,

deze vergaderingen als gast bijwonen. Deze openheid vind ik tekenend voor de hele houding van

Redeemer.


wat nodig is voor de zondagse erediensten in het Hunter college, inclusief de huur van het

auditorium en de diverse zalen. Tenslotte vallen de bankkosten en de communicatiekosten onder

‘coördinatie’.

Voor de financiering van alles is Redeemer in belangrijke mate afhankelijk van haar

leden. Een christelijk leven betekent volgens Redeemer in ieder geval het geven van tienden

voor de dienst van God, dus aan de kerk. Redeemer benadrukt dat het geven van tienden aan de

kerk iets anders is dan ‘fondsen werven’. 92 ‘Jezus heeft ons geleerd dat alles wat we hebben, van

God is. We zijn vrij om alles wat we hebben te gebruiken voor onszelf, maar we moeten nooit

vergeten dat het eigendom van de Meester in de eerste plaats bedoeld is voor het werk van de

Meester’. Overigens geeft Redeemer haar leden de gelegenheid in deze vorm van christelijk

leven te groeien. Immers, voor een niet-christen die tot geloof is gekomen en het helemaal niet

gewend was om (veel) geld te doneren aan de kerk, betekent dit een behoorlijke verandering van

levensstijl. Redeemer heeft daartoe voor de huiskringen divers materiaal ontwikkeld; één

jaarthema is ‘rentmeesterschap’, waarin ook heel expliciet wordt ingegaan op geldbesteding.

Overigens, ook de collecten brengen behoorlijk wat geld in de la. De zondagmiddagdienst

tijdens het Pastor’s Weekend had een gemiddelde bijdrage van $25, exclusief speciale

enveloppen. 93 Bovendien ontvangt Redeemer gelden van de kerken met wie ze gelieerd is, als

ondersteuning. Deze gelden zullen binnenkort waarschijnlijk oplopen tot $200.000.

Intussen moedigt Redeemer haar leden aan méér te geven dan 10%. ‘De HERE, mijn

God, wil ik geen brandoffers brengen, die mij niets kosten’ (1 Sam. 24:24). In een folder brengt

Redeemer zeven manieren onder de aandacht om méér te geven. 94 Salarisstijgingen of bonussen

zouden bijvoorbeeld regelrecht aan de kerk kunnen worden gegeven. Of wanneer iemand klaar

is met het betalen voor schoolgaande kinderen, zou hij die gelden nu aan de kerk kunnen geven.

Het komt er op neer dat Redeemer haar leden dringend vraagt: waar besteed je je geld aan en

met welk motief? Redeemer wil graag het evangelie verspreiden onder mensen, door woord en

daad, om verandering in mensen en in de cultuur tot stand te zien komen, als teken van het

koninkrijk dat komt. Daar is veel geld voor nodig. Maar de verklaring die iemand tekent om

gedurende een bepaalde tijd een bepaald bedrag te doneren, zet in met de verklaring: ‘Ja, ik zal

bidden voor de missie en de dienst van Redeemer Presbyterian Church’. Daarna is er ruimte om

aan te geven welk bedrag de nieuwe donor per week, maand of jaar zal schenken.

92

Redeemer, ‘Celebrating the past, preparing the future’, 1999.

93

Voor een goed vergelijk: dit zou ruim 5 gulden per persoon zijn in een kerk met een begroting van 1

miljoen gulden per jaar.

94

Redeemer, ‘Seven ways to make an over-and-above gift to your church’, z.j.

43


44

4 Analyse

Dit hoofdstuk presenteert mijn analyse van Redeemer. Het gaat nader in op de geschiedenis, de

identiteit en het functioneren van Redeemer.

4.1 Geschiedenis van Redeemer

4.1.1 Groei

De mensen die startten met Redeemer zeggen achteraf het volgende te hebben geleerd. 95 Ten

eerste, de stad kan het beste worden bereikt vanuit het hart van de stad zelf i.p.v. vanuit de

buitenwijken. Ten tweede, de mensen in de stad staan zeer open voor nieuwe boodschappen en

voor het maken van belangrijke veranderingen in hun leven. Ten derde, de enige manier om

deze mensen echt te bereiken is bereid te zijn voortdurend te veranderen. Een grote mate van

flexibiliteit om te kunnen inspringen op nieuwe situaties is van cruciaal belang. Daarom is

onderzoek ook steeds belangrijk. Ten vierde, het is effectiever om met een nieuwe kerk te

starten dan om vanuit een bestaande kerk nieuwe mensen proberen te bereiken. Ten vijfde, van

onmetelijk groot belang is: gebed. Men weet dat talloos veel kerken en christenen zeer intensief

hebben gebeden voor de start van Redeemer.

Diverse kerkelijke factoren zijn volgens Redeemer van belang geweest voor de groei.

(1) De preken zijn praktisch en tegelijkertijd intellectueel. In de preken komt geen woord jargon

voor. (2) Men gaat ervan uit dat mensen via een proces tot geloof komen. Daarom jaagt men de

mensen niet op om hun leven aan Jezus te geven, maar gunt men hen de tijd om zover te komen.

(3) Redeemer spreekt gematigd over alles, behalve over zonde, kruis en wedergeboorte. (4) De

verkondiging is onbeschaamd en met zekerheid, recht voor de raap. (5) Men kiest de gulden

middenweg tussen te modern en te ouderwets, tussen de koudheid van formalistische diensten

en de overgepassioneerdheid van charismatische diensten. (6) Er is een persoonlijke toon en

sfeer in de diensten. (7) Men doet geen moeite om mensen te bereiken via mailings en

dergelijke, maar men bereikt niet-christenen uitsluitend door persoonlijke relaties. De

huiskringen zijn hierin erg belangrijk, omdat daar een antwoord wordt gevonden op de grootste

nood van veel ‘singles’: eenzaamheid. (8) Men besteedt weinig geld aan faciliteiten als

gebouwen; daarentegen geeft men veel geld uit aan de kwaliteit van muziek, publiciteit en

salarissen. Men vindt het beter geld in mensen te stoppen dan in dingen. (9) Steeds wordt er

gezocht naar gevarieerdheid in de diensten. Daarom is er een dienst die meer traditioneel is

opgezet qua liturgie en een dienst die moderner van aard is. (10) Men is sociaal bewogen met de

stad en men benadert die stad voortdurend positief. (11) Men rekent met een sneeuwbaleffect.

Enerzijds hebben diverse stedelijke factoren de groei positief beïnvloed: de yuppiesector

groeit; de postmoderne mens heeft interesse in spiritualiteit; men zoekt naar een hogere

macht a.g.v. de recessie o.a.; de mensen staan meer open voor belangrijke beslissingen wanneer

er ook veel andere dingen veranderen (verhuizing, geboorte van eerste kind, enz.); er zijn veel

alleenstaanden, zodat velen eenvoudig in hun eentje beslissingen kunnen nemen; dat laatste

wordt bovendien gestimuleerd door het individualisme; de gemeente heeft een

aantrekkingskracht op de tweede generatie ethnische minderheden die in de stad assimileren; de

bevolkingsdichtheid is hoog, zodat op loopafstand duizenden mensen kunnen worden bereikt.

95 Redeemer, ‘Case study of urban church growth’, 1996.


Anderzijds hebben diverse factoren discipelschap en leiderschapsontwikkeling

belemmerd: de grote mobiliteit; de magere achtergrond van velen w.b. het christelijke geloof;

het feit dat men zich door het individualisme onvoldoende verantwoordelijk voor de gemeente

als geheel voelt; de vele emotionele en sociale problemen; de snelle veranderingen van de

gemeente, waaronder de plaats van samenkomen; de hoge kosten van alles; de zeer grote

werkdruk; de verzoekingen van de ‘wereld’; het risico dat de staf opgebrand raakt; het

voortdurende risico van het krijgen van een slechte naam, waarmee een vooroordeel bevestigd

zou worden. Kortom, kerk-zijn in de stad is moeilijk op zo’n beetje alle kerkelijke gebieden

(discipelschap, onderwijs, pastoraat, diaconaat, leiderschap, discipline en trouw, planning,

aanbidding) behalve op het gebied van evangelisatie. 96

Op grond van bovenstaande geeft Redeemer stadsgemeenten de volgende tips. Heb een

heldere visie voor de stad van morgen (dus van de stad, niet alleen van de kerk). Zorg voor een

aantrekkelijke kwaliteit in de diensten. Aanvaard de relatieve onbelangrijkheid van loyaliteit aan

het kerkverband. Groei de stad echt binnen d.m.v. bestaande sociale netwerken. Doe zoveel

mogelijk samen met andere kerken die op ongeveer dezelfde lijn liggen. Houd van diversiteit.

Aanvaard het komen en ook het gaan van mensen. Kies voor een ‘holistische aanpak’ van

pastoraat en diaconaat, d.w.z. met woord en daad, gericht op de hele mens. Wees constant

bereid te leren en laat je continu uitdagen door (de veranderingen in) de stad. Assimileer d.m.v.

huiskringen, niet d.m.v. grootschalige bijeenkomsten. Verwacht dat discipelschap moeilijker is

dan tot geloof brengen. Lokaliseer een zendingsgebied (in de achtertuin). Heb grote aandacht

voor pastoraat en zorg. Gebruik zoveel mogelijk vrouwelijke talenten en laat intussen de man de

verantwoordelijkheid houden.

4.1.2 Evaluatie

Het is indrukwekkend wat Redeemer, onder de zegen van de Here God, in zo korte tijd heeft

weten te bereiken. Daar zit veel visie, veel geld en veel geestelijke wijsheid achter. Misschien

kan zoiets alleen maar in Manhattan als het hartje van New York City: de plaats waar enorm

veel vitale mensen wonen die veel geld te besteden hebben en een schat aan capaciteiten

bezitten. In Harlem of een ander deel van New York zal dat beslist anders lopen (vgl. ook

bijlage E) en in Nederland zeker ook, al was het alleen al doordat de samenstelling van de

bevolking daar erg anders is.

Intussen stemmen de tips die Redeemer geeft voor stadsgemeenten, overeen met tips die

we in de literatuur tegen komen. R.J. Bakke bijvoorbeeld geeft aan dat drie elementen cruciaal

zijn, wil een stadskerk groeien. 97 Dat zijn: (1) creatieve erediensten die bijbels zijn, waaraan

veel mensen deelnemen, waarin diverse muziekstijlen zijn en waar ruimte is voor drama; (2)

zorgende gemeenschap, waar het onderlinge pastoraat en diaconaat door kleine groepen wordt

opgepakt; (3) evangelisatie: de gemeenteleden committeren zich aan het ‘uitleven’ van het

evangelie van Jezus Christus in de stad. Verder geeft Bakke aan dat het van groot belang is dat

theologie en sociologie worden gecombineerd en dat de kerk een bijbelse visie van de stad voor

de stad heeft, gericht op zowel enkeling als gemeenschap. Al deze elementen zijn bij Redeemer

herkenbaar.

Redeemer heeft zich vanaf het begin sterk gericht op de yuppen van Manhattan. Het is

heel bijzonder dat men in staat is gebleken juist deze professionals te bereiken met het

evangelie. Welke kerk in Nederland is daartoe in staat? Maar afgezien hiervan, is het wel te

verdedigen dat Redeemer zich zo sterk heeft beperkt tot deze groep? Het evangelie van Jezus

Christus moet immers door alle mensen worden gehoord. Ik vind het in Redeemers situatie

inderdaad te verdedigen dat men zich bij de planting van een nieuwe kerk expliciet richtte op

96

Evangelisatie in de Amerikaanse cultuur is eenvoudiger dan in de Europese cultuur. Maar als in Europa

mensen eenmaal tot geloof gekomen zijn, zijn ze veel loyaler. Aldus William Edgar in een gesprek over

de verschillen tussen de Amerikaanse en de Europese cultuur, 13 oktober 1999.

97

R.J. Bakke, ‘Profiles of effective urban pastors’, in: R.S. Greenway (ed.), Discipling the city, Grand

Rapids 1992 (second edition), 125-135.

45


46

een bepaalde groep, en wel om twee redenen. Ten eerste was het duidelijk dat New York

polariseerde. De drie groepen die het duidelijkst aanwijsbaar waren in de samenleving van New

York, zijn dermate verschillend dat het niet mogelijk was geweest deze drie groepen echt

binnen te dringen met één bepaald kerkmodel. 98 Ten tweede moet gezegd worden dat Redeemer

zich in eerste instantie expliciet richtte op één bepaalde groep, namelijk de yuppen, maar dat

van meet af aan de aandacht ook naar de andere groepen ging. Het diaconale werk van

Redeemer heeft vanaf het begin een sterke component naar ‘buiten’ gehad.

De rol van Tim Keller lijkt intussen wel erg belangrijk te zijn geweest. ‘Hoe afhankelijk

is Redeemer van Tim Keller?’, vroeg ik aan Kate Lemmer, executive director van Hope for

New York. Ze antwoordde: ‘Zeer afhankelijk. Hij is de belangrijkste ‘attractie’. Wij weten dat

allen en hij weet dat ook.’ Het is in dit verband treffend hoe Redeemer het profiel van een

kerkplanter schetst, als volgt: 99

i) Verondersteld: hij is een pastor. Dat wil zeggen: hij verstaat zelf het evangelie, hij is

evenwichtig qua theologie en qua ecclesiologie; dit wil onder meer zeggen dat hij een

uitgesproken visie heeft voor evangelisatie, erediensten, discipelschap, pastoraat en

diaconaat.

ii) Vereist: (a) hij is een goede prediker, d.w.z. hij preekt bijbels, helder, christocentrisch,

relevant, praktisch, warm en krachtig; (b) hij is een ondernemer, d.w.z. iemand met een

heldere visie en veel creativiteit die ongewoon productief is en ongeduldig; hij heeft veel

innerlijke motivatie en is vaak een dwarsligger; (c) hij past bij de doelgroep, d.w.z. hij

houdt van hen, heeft respect voor hen, wil van hen leren, wil hen begrijpen, heeft instinct

voor hen.

iii) Gewenst: (a) hij is een buitengewoon goede prediker; dit is m.n. van belang als de kerk

groeit; (b) hij is een hervormer, d.w.z. hij is goed in het katalyseren van een visie en van

doelstellingen, hij kan goed organiseren en hij kan zeer uiteenlopende werkzaamheden

goed managen; mocht hij deze dingen niet kunnen, dan moet hij als hervormer in staat

zijn om iemand leiding te geven die deze dingen wel goed kan.

Wel, zo iemand is Tim Keller inderdaad. Ik had hem niet raker kunnen omschrijven. Tim Keller

is dominant aanwezig in Redeemer. Hij beweegt constant, hij denkt zeer strategisch en ver

vooruit, hij produceert stapels papier over visie, lijnen, structuren en alles wat daarmee te maken

heeft en hij doet veel dingen tegelijkertijd. Hij is degene die momenteel bezig is om materiaal

van o.a. WHM geschikt te maken voor de leiderschapstraining in Redeemer. Tim preekt uit zijn

hoofd en doet dat zeer boeiend. In en buiten Amerika luisteren veel mensen naar bandjes met

zijn preken. Wanneer hij ’s zomers op vakantie is en niet preekt, is dat direct te merken in het

aantal mensen dat deelneemt aan de erediensten. Dat aantal daalt, en niet alleen doordat de

mensen op vakantie zijn. Redeemer is al met al behoorlijk afhankelijk van Tim Keller. Keller

realiseert zich dat. Hij hoopt dat hij nog minstens tien jaar krijgt van God, zodat hij Redeemer

kan leiden naar een situatie met vier kerken in Manhattan en een kerkplantende beweging in en

buiten New York. Dit doel, waarmee samenhangt dat Redeemer niet ervoor kiest een megakerk

te worden, mede omdat een megakerk teveel afhankelijk is van de stichter ervan, is m.i. sterk te

waarderen.

Samenvattend: een sterke man met een grote visie, een heldere strategie en een groot

motiveringsvermogen is voor Redeemer cruciaal geweest om te worden wat men nu is. Dat is

duidelijk de positieve kant van Tim Keller; het is de kunst (van een kerkgenootschap) zulke

mensen op de juiste plek in te zetten. De andere kant is dat het niettemin toch wel erg gevaarlijk

98 H.M. Conn waarschuwt er uitdrukkelijk voor om juist in een stad niet iedereen op dezelfde manier te

willen bereiken met het evangelie, maar om in plaats daarvan diverse groepen te onderscheiden. Zie zijn

A clarified vision for urban mission, Grand Rapids 1987, 191-220. Vgl. ook R.S. Greenway and T.M.

Monsma, Cities. The new missions’ frontier, Grand Rapids 1989, 140v.

99 Gebaseerd op: ‘Redeemer: a church planting movement’, z.j. Deze profielschets van een kerkplanter

komt behoorlijk overeen met die in de reader ‘Am I called to church planting’, behorend bij het college

Church Planting van WTS, 1999. Idem voor de beschrijving van R.J. Bakke, a.a.


kan zijn wanneer iemand zo belangrijk is, niet alleen voor de gemeente maar ook voor zijn

eigen ego.

4.2 Identiteit van Redeemer

4.2.1 Inleiding

1. Visie-overzicht. Wie het visie-overzicht van Redeemer, zoals beschreven in paragraaf 3.2,

bekijkt, moet het opvallen hoe wijds deze waarden zijn. Redeemer heeft de hoger opgeleide

christenen en niet-christenen van Manhattan op het oog en wil hen veranderen door het

evangelie van Jezus Christus, zodat via hen New York City en uiteindelijk de wereld veranderd

wordt. Daar heeft men een doortimmerde strategie voor uitgezet en tot op heden lijkt die

strategie, onder de zegen van God, nog te werken ook.

2. Tussenevaluatie. Een belangrijke les die ik van Redeemer heb geleerd is dat het van groot

belang is een heldere visie, missie, doelstelling en strategie te hebben. Op wie richt je je als

kerk? Waarom en waartoe wil je dat? Hoe denk je dat, onder de zegen van de Here, te gaan

aanpakken? Redeemer leert mij dat het van groot belang is deze dingen goed te doordenken,

voortdurend actueel te houden en duidelijk te communiceren naar de gemeente en naar anderen.

Tim Keller laat zien dat het van groot belang is hier stevig op te studeren. Nalezing van een

artikel van hem uit 1988 leert namelijk dat de methodes en principes van gemeentegroei die

vandaag herkenbaar zijn in het functioneren van Redeemer toen al stevig door hem doordacht

waren. 100

Inhoudelijk gezien vind ik de visie van Redeemer behoorlijk functioneel van aard. Het

geheel is doortrokken van de overtuiging dat Redeemer iets wil, ergens door gedreven wordt,

een geweldige missie heeft, een beweging wil zijn. Hoewel niet geheel afwezig, is er bij

Redeemer klaarblijkelijk weinig aandacht aan het feit dat Redeemer iets is, namelijk kerk van

Jezus Christus waar het goed is omdat de Heer daar is, waar Hij geprezen en geëerd wordt en

waar mensen genieten van de gemeenschap met Hem en met elkaar. Het visie-overzicht heeft

iets onrustigs, iets stuwends. Niettemin zijn de erediensten en de huiskringen wel degelijk

rustpunten, momenten waar de gemeente met God en elkaar verbonden is en waar de

gemeenschap beleefd wordt.

3. Theologische identiteit. De theologische identiteit van Redeemer zou ik willen samenvatten

met drie trefwoorden: christocentrisch, eschatologisch en contextueel. Punt 1: het evangelie van

Jezus Christus staat centraal. Het evangelie is de enige kracht die mensen kan veranderen en die

mensen kan laten groeien, uit pure genade. Dit evangelie geeft vorm aan alles en is dé kracht

voor vernieuwing van het hart, van de kerk en van de stad. Het is dit evangelie dat gepredikt

moet worden. Het is ook dit evangelie dat vorm geeft aan de gemeenschap tussen God en

mensen. Punt 2: het ‘reeds’ en het ‘nog niet’ van het koninkrijk wordt diep gepeild. Christus is

Koning over alle onderdelen van het leven. Deze geloofsbelijdenis brengt met zich mee dat de

gerichtheid op de gemeenschap sterker is dan de gerichtheid op de (ziel van de) enkeling, levend

vanuit de hoop op de wederkomst van Jezus Christus. Punt 3: bij de praktische vormgeving van

veel dingen moet sterk rekening worden gehouden met de context van de gemeente. Nu is

Redeemer in hartje grote stad gevestigd. Die stad wordt realistisch maar hoogst positief

tegemoet getreden. Men is er sterk van overtuigd dat de stad de kerk nodig heeft, maar ook

andersom: dat de kerk de stad nodig heeft.

100 T.J. Keller, ‘Reformed church growth’, in: A Presbyterian Network Reprint, 1995 (oorspronkelijk

gepresenteerd op de London Presbyterian Conference in juni 1988 en daarna gepubliceerd in Presbyterian

Network).

47


48

In de volgende paragrafen werk ik de theologische identiteit van Redeemer nader uit. In

paragraaf 4.2.2, 4.2.4 en 4.2.6 ga ik nader in op de bovenstaande drie trefwoorden:

christocentrisch, eschatologisch en contextueel. In de paragrafen 4.2.3, 4.2.5 en 4.2.7 presenteer

ik een aanvulling op deze respectieve aspecten van de identiteit van Redeemer. Tenslotte

presenteer ik in paragraaf 4.2.8 een evaluatie.

4.2.2 Christocentrisch

1. Prediking. De prediking in Redeemer is op veel manier te typeren, maar één typering

springt er m.i. uit en dat is: christocentrisch. De prediking is erop gericht ‘het volbrachte werk

van Christus en aanvaarding en adoptie door zijn werk en niet door onze eigen werken’ was en

is voor veel New Yorkers goed nieuws. 101 Steeds is het doel van de prediking bij Redeemer

expliciet: het groot maken van Christus. 102 Daarmee doelt men op drie aspecten n.a.v. Kol. 1:25-

29. Het eerste aspect is: het Woord van God moet uiteengezet worden (Kol. 1:25); het gaat om

het verkondigen van Christus (Kol. 1:28). Het tweede aspect is: doe dat met wijsheid, d.w.z.: het

moet toegepast worden op het hart en leven van de hoorders, zodat het een verandering teweeg

brengt (Kol. 1:28) door het geloof in Jezus Christus. Het derde aspect heeft te maken met de

relatie tussen de prediker en de Here (Kol. 1:29). Preken is niet een klinische oefening of zo; het

vergt alles van de prediker.

Hieruit volgt dat de prediking drie perspectieven heeft. Het eerste perspectief is een

profetisch of normatief perspectief. Het doel is de tekst zo uiteen te zetten en uit te leggen dat de

hoorders begrijpen wie Jezus is en wat Hij gedaan heeft. Praktisch uitgewerkt komt dat neer op:

sterk heilshistorisch preken. Het tweede perspectief is een koninklijk of situationeel perspectief.

Het doel is de tekst zo toe te passen dat de mensen op Christus gewezen worden. ‘Je hebt niet

werkelijk een probleem van iemand opgelost wanneer je het niet hebt opgelost met Jezus’

persoon en werk.’ Praktisch uitgewerkt komt dit neer op: preken met zicht op het koninkrijk van

God. Het derde perspectief is een priesterlijk of existentieel aspect. Het doel is de hoorders

Christus te laten ervaren door de tekst zodat Hij aanbeden en geprezen wordt. Praktisch

uitgewerkt komt dit neer op: bevindelijk preken. Kortom, een eredienst moet volgens Redeemer

niet de sfeer hebben van een zondagsschoolklas. In plaats daarvan moet Jezus gepresenteerd

worden op een levendige wijze zodat levens gaan veranderen en mensen Hem gaan dienen.

Keller gebruikt het volgende lijstje om een preek te evalueren: (1) Waarheid: klopte het,

was de pointe helder, werd Jezus gepredikt als de climax (of werd Hij er wat aan toegevoegd, of

miste Hij zelfs)? (2) Leven: was het fris, was het praktisch, werd Jezus gepredikt als de

oplossing (of werden mensen opgeroepen er zelf harder aan te trekken)? (3) Kracht: was God

aanwezig, was de centrale metafoor boeiend, werd Jezus zichtbaar gemaakt (of werd er alleen

maar over Hem gepraat)?

Het is van groot belang dat bovenstaande helder is, wil iemand zicht krijgen op het

eigenaardige aan Redeemer. Daarom geef ik een voorbeeld om het te verhelderen. 103 Stel ik

preek over eerlijkheid en ik wil de mensen graag op Jezus wijzen. Mijn preek zou dan als volgt

kunnen gaan. Eerst presenteer ik allerlei manieren waarop wij liegen en laat ik zien wat daar

fout aan is. Dan ga ik in op Jezus en roep de mensen op Hem te volgen; ik laat zien dat Hij de

waarheid sprak en zijn beloften hield. Tenslotte bemoedig ik de mensen: immers, als we liegen,

Jezus wil ons vergeven en Hij wil ons helpen ons leven te verbeteren. Wat fout aan deze opzet

is, aldus Keller, is dat ik de mensen zeg dat ze zichzelf moeten heiligen. Impliciet roept zoiets

angst op en/of trots als motieven om eerlijk te zijn. Het is belangrijk om door te vragen.

Waarom liegen wij in een specifieke situatie? In de regel is dat omdat wij iets hebben dat we

vrezen te verliezen als we niet liegen, bijvoorbeeld onze reputatie of de goedkeuring van de

mensen. Maar feitelijk bouwen we dan op die reputatie of op de goedkeuring van de mensen en

niet op Jezus Christus. De weg om het gedrag te veranderen is niet een kwestie van: harder

101 Aldus Kathy Keller, ‘A case study’, in: Soul food, nieuwsbrief van WHM, najaar 1999.

102 Zie Redeemer, ‘A practical model for preaching’, z.j.

103 Uit: Redeemer, ‘Gospel-centered preaching’, 1999.


proberen, maar: het evangelie geloven, d.w.z. berouw hebben van ons falen om in het evangelie

te geloven en zien dat je niet gered wordt door het vasthouden aan iets als reputatie of

goedkeuring, maar alleen door de genade van Jezus Christus. Zo kan ik over allerlei thema’s

spreken. Als het probleem wordt opgelost met het evangelie, dan horen niet-christenen het

iedere week in allerlei perspectieven en gaan christenen zien hoe het werkelijk werkt in allerlei

opzichten van het leven.

2. Voor christenen en niet-christenen. De diensten moeten bij Redeemer ‘inclusief’ zijn, d.w.z.

toegankelijk en bedoeld voor zowel christenen als niet-christenen. Christenen hebben hetzelfde

Woord van God nodig, want zij zijn gerechtvaardigde zondaren, ‘simul iustus et peccator’. Het

is van belang goed te realiseren wat hiermee wordt bedoeld. Er zijn namelijk twee grote

‘dieven’ van het evangelie: moralisme en relativisme. 104 Het moralisme is het gezichtspunt dat

iemand acceptabel is (voor God, de wereld, jezelf) op grond van zijn capaciteiten en daden.

Moralisten kunnen diep religieus zijn zonder zelf veranderd te zijn. Het relativisme is het

gezichtspunt dat ieder voor zichzelf moet uitmaken wat goed is en wat fout is. God is voor hen

een onpersoonlijke macht; zijn liefde kost Hem eigenlijk niks. Een christen is echter, aldus

Redeemer, iemand die belijdt: ‘Ik ben meer zondig en verdorven dan ik ooit had kunnen

geloven’ (contra relativisme) ‘en toch ben ik mee geaccepteerd en geliefd dan ik ooit had

durven hopen’ (contra moralisme). Dit is de reden waarom er in de preken van Redeemer over

alles gematigd gesproken kan worden, behalve over zonde, kruis en wedergeboorte, met als

doelgroep: christenen en niet-christenen. Het evangelie is niet alleen bedoeld om een relatie met

God te krijgen zodat een mens daarna eenvoudig moet gehoorzamen. Nee, het evangelie van

genade is de enige weg waardoor iemand, in welke fase van zijn leven dan ook, kan groeien.

Het evangelie geeft vorm aan al onze relaties: tot de stad, tot het verleden, tot de diverse rassen,

tot onze familie, tot de armen, enz. Het evangelie heeft grote kracht (Rom. 1:16-17).

Behoudens enkele speciale situaties kiest Redeemer er voor geen ‘diensten voor

belangstellenden’ (‘seeker-services’) te houden. Er zijn, aldus Redeemer, 105 allerhande

praktische bezwaren aan het seeker-service model verbonden: het is duur; het doet de diensten

voor de gemeente verschuiven naar door-de-week in plaats van op een rustige vrije zondag;

wanneer mensen tot geloof komen, moeten ze switchen naar een andersoortige dienst op een

andere dag en dit stemt niet overeen met de gedachte van vriendschapsevangelisatie; de

gemeenteleden die kennissen meenemen naar de seeker-services worden zelf in die diensten te

weinig gevoed. Van groter belang is echter een theologisch bezwaar: christenen en nietchristenen

hebben hetzelfde Woord nodig. Al in het Oude Testament roept God Israël op om de

volken uit te nodigen Hem groot te maken in Jeruzalem (Jes. 2:2-4; 56:6-8; Ps. 102:18; 105). In

het Nieuwe Testament roept Petrus de gemeente op de grote daden van God te verkondigen (1

Pt. 2:9). Het verschil tussen beide bedelingen is dat de berg Sion is vervangen door het

bijeenkomen in geest en waarheid (Joh. 4:21-26). Het Nieuwe Testament maakt dit ook

concreet, namelijk in 1 Kor. 14:24-25 en Hand. 2. Uit deze twee bijbelgedeelten blijkt: (1) dat

niet-gelovigen verwacht worden in een christelijke eredienst; (2) dat niet-gelovigen de dienst

moeten kunnen begrijpen; (3) dat zo’n begrijpelijke eredienst niet-gelovigen tot geloof kan

brengen, ofwel tijdens de dienst (1 Kor. 14) ofwel na afloop van de dienst (Hand. 2).

3. Apologetisch getoonzet. De preken van Keller zijn apologetisch getoonzet. Redeemer gaat

ervan uit dat iedereen een besef van een godheid heeft. Keller schrijft: ‘Wij gaan uit van een

‘vooronderstellende’ aanpak in het bewegen van mensen tot het christelijk geloof. Dat betekent

dat we geloven dat iedere persoon, zelfs de sceptici, reeds gelooft in God (Rom. 1:18-25). Wij

vinden daardoor bij hen aanknopingspunten naar God, inzichten tot de waarheid, die wij

gebruiken om hen de weg terug naar hun Schepper en Verlosser te laten zien. Jezus reageerde

positief op de man die zei: ‘Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp’ (Mk. 9:24). Zo wil Redeemer

104 Of: legalisme en antinomianisme. Zie Redeemer, ‘Redeemer: the centrality of the gospel’, z.j.

105 Redeemer, ‘How do we worship today?’, z.j.

49


50

ook reageren’. 106 Tijdens het Pastor’s Weekend kreeg ik van Kate Lemmer uitgelegd wat

Redeemer hieronder verstaat. Stel iemand gelooft niet in God, maar wel in ‘moraliteit’, dan is

het natuurlijk de vraag waar die aanleg voor moraliteit dan vandaan komt. Het antwoord moet

zijn: ‘Bij God vandaan’. Ieder mens heeft met God te maken (Rom. 1:18v). Hoewel velen Hem

ontvluchten, staan alle mensen in de actieradius van God. Dat aanknopingspunt wil Redeemer

aanpakken door aan te tonen dat de manier waarop die mensen reageren op God een manier is

die dood loopt, dat het een manier is die geen zekerheid biedt, dat ze feitelijk bouwen op een

afgod. En vervolgens wordt dan op Jezus gewezen als de weg, de waarheid en het leven. De

mens die vanuit zichzelf verkeerd reageert, wordt opgeroepen zich te bekeren en op Jezus te

bouwen.

Zo werkt het ook in de praktijk. ‘Vaak hebben de preken van Keller als effect dat de

mensen onrustig worden. Hij is namelijk in staat om het onlogische van jezelf, van alle nietchristelijke

gedachten, aan te tonen en te laten zien dat het christelijk geloof recht van spreken

heeft. Maar dan wordt er intussen wel iets van jezelf afgebroken. Het is prachtig hoe Tim dan

laat zien dat Christus werkelijke liefde geeft en hoe bij Hem echte zekerheid wordt

gevonden’. 107

4. Invloeden. Door wie is Tim Keller in zijn visie op de prediking het meest beïnvloed? Ik

stelde hem deze vraag tijdens het Pastor’s Weekend in oktober 1999. Hij antwoordde dat twee

auteurs veel voor hem hebben betekend: zijn ex-collega van WTS, Edmund Clowney 108 en

Simon de Graaf. 109 Deze auteurs verwijzen inderdaad veelvuldig m.b.v. ‘types’ naar Christus.

Maar gezien de boekenkast van Keller is er ook een duidelijke invloed van Jonathan Edwards en

George Whitefield, 110 mannen ‘die wars waren van geestelijke oppervlakkigheid. Zij geloofden

in de radicale verdorvenheid van de mens. Zij rekenden ernstig met de zonde, vastgehecht in de

uithoeken van ons hart. Maar juist daardoor waren zij diep doordrongen van de kracht van het

Kruis, van de hoogte, diepte en wijdte van Gods genade’. 111

Verder moet de naam Jack Miller worden genoemd. Hij was predikant van de New Life

Presbyterian Church in Jenkintown bij Philadelphia ten tijde van Kellers periode aan WTS. 112

Net als Keller heeft Miller ook praktische theologie gedoceerd aan WTS. Miller heeft in zijn

persoonlijke leven sterk het ‘simul iustus et peccator’ herontdekt. Hij heeft dat vervolgens in

zijn preken verwerkt voordat hij zich veel sterker missionair ging ontwikkelen. 113 De toon van

‘alles door genade’ klinkt dan ook sterk door in het werk van WHM in Philadelphia, waar

Miller de oprichter van is. Miller op zijn beurt is sterk beïnvloed door G.C. Berkouwer, 114 door

Keller trouwens ook aangehaald in zijn uiteenzettingen over de prediking. 115

Wat tenslotte de apologetische insteek betreft, aarzel ik. Redeemer spreekt over een

‘vooronderstellende’ aanpak en over aanknopingspunten. Qua geschiedenis ligt het voor de

hand dat Keller is beïnvloed door Cornelius van Til, tijdens zijn leven hoogleraraar apologetiek

106

Zie Redeemer, ‘Outward face’, 1999.

107

Aldus Dorothy, een vrouw van 45 die voorheen op Wall Street werkte, negen jaar geleden als gevolg

van de preken van Tim Keller tot bekering kwam en nu theologie studeert aan WTS, in een gesprek, 13

oktober 1999.

108

Zie bijvoorbeeld E.P. Clowney, The unfolding mystery. Discovering Christ in the Old Testament,

Phillipsburg 1988 en zijn The church, Downers Grove 1995.

109

Vooral via zijn boek Promise and deliverance. Zie S.G. de Graaf, Verbondsgeschiedenis, Kampen

1952. Terwijl de Nederlandse versie uit twee delen bestaat, heeft de Engelse versie het dubbele aantal.

110

Dit wordt bevestigd door Kathy Keller in haar artikel in Soul food.

111

A. Kamsteeg, a.a., 1 april 1995.

112

Keller refereert diverse malen naar Miller in zijn artikel in Presbyterian Network.

113

C.J. Miller, Outgroing the ingrown church, Grand Rapids 1986; C.J. Miller, Powerful evangelism for

the powerless, Phillipsburg 1997. Zie ook A. Kamsteeg, Amerika, 47-53.

114

G.C. Berkouwer, Faith en sanctification, Grand Rapids 1952.

115

Redeemer, ‘How do we worship today?’, z.j.


aan WTS. 116 ‘Cornelius van Til (1895-1987) wil in zijn redenering de vooronderstellingen van

het geloof en van het ongeloof serieus nemen. De apologetiek die begint bij de

vooronderstellingen is dus in feite ‘uitdagingsapologetiek’. We zullen de vooronderstellingen

van het ongeloof opsporen, om te zien hoe zij de zaak verknoeien. We willen proberen op de

goede voorstellingen voort te bouwen’. 117 Dit is precies de stijl en de inzet van Tim Keller in

zijn preken. Probleem is alleen dat Keller spreekt over een ‘aanknopingspunt’ en dat Van Til

daar juist niks van wilde weten, getuige zijn discussie met Dooyeweerd. ‘Van Til meende dat er

geen echte gemeenschappelijkheid bestaat in de menselijke ervaringshorizon. Ten diepste staat

geloof tegenover ongeloof. Consequentie daarvan is: er is geen aanknopingspunt, dus (ook)

geen dialoog’. 118 ‘Alleen bij totale overgave aan de vooronderstelling van God kan de nietchristen

de verdiensten van de christelijke zaak inzien. De apologetiek moet daarom, volgens

Van Til, van boven beginnen (bij God), en niet van onderen (bij de alledaagse wereld van

ervaringen en gebeurtenissen)’. 119 Helaas heb ik niet meer de gelegenheid gehad hierover met

Tim Keller door te spreken.

5. Tussenevaluatie. Christocentrisch: zo kan de prediking van Tim Keller worden getypeerd.

Andere typeringen zijn: bijbelgetrouw, goede exegese, praktische toepassingen en aansprekend

gebracht. Qua tekstkeus komen Oude en Nieuwe Testament beide goed aan bod. Kellers preken

zijn gereformeerd. Zeer sterk is het feit dat Keller in staat is het evangelie van de genade van

Jezus Christus zo kan neerzetten dat zowel christenen als niet-christenen tot in de bodem van

hun hart worden geraakt. Keller is inmiddels een beroemd spreker in en buiten Amerika. Bij

drie onderdelen van de prediking van Tim Keller wil ik een vinger leggen.

Ten eerste hanteert Redeemer een brede visie op het heil. ‘Jezus is niet slechts gekomen

om mensen te verlossen van hun diepe val, maar Hij is bovendien gekomen om de roeping van

de mensheid te vervullen’, schrijft Clowney. 120 Deze visie hoort ook helemaal thuis in het

gedachtegoed van Redeemer. Dat blijkt alleen al uit de missie zoals Redeemer die formuleert.

Het past ook bij het eschatologische denken over de kerk (vgl. paragraaf 4.2.4). Ik deel deze

brede visie. Wellicht hebben niet alle gereformeerde kerken in Nederland het heil altijd zo breed

gezien en dat ten onrechte beperkt tot ‘redding van de ziel’. Toch heeft het ‘de ganse volheid

behaagd in Hem woning te maken, en door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns

kruises, alle dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat

in de hemelen is’ (Kol. 1:19-20).

Ten tweede kiest Redeemer in de prediking dus een ‘vooronderstellende’ aanpak.

Clowney schrijft: ‘Wij werken waar de Heer reeds aan het werk was’ en ‘de missionaire aanpak

van de kerk sluit aan bij een ontmoeting die reeds gaande is’. 121 Het is opvallend hoe sterk

Clowney met de continuïteit van het werk van God rekent. ‘Het was Gods wil van begin af aan

dat de mens als God zou zijn, niet in rebellie maar in de eenheid met het zoonschap van

Christus. De schepping van de mens naar Gods beeld maakt niet alleen de Incarnatie mogelijk;

het was Gods eigen ontwerp volgens het doel dat Hij had met de Incarnatie. Adams schepping,

de formering van Eva, de toets in de tuin: alles bereidde ons voor op Jezus Christus’. 122 Ik

vraag mij af of Clowney voldoende sterk de discontinuïteit in de geschiedenis in rekening

116 In de zaal waar de staf van Redeemer vergadert, hangt een foto van Cornelius van Til en van Jack

Miller. Eronder staat de tekst: ‘For I am not ashamed of the gospel. Romans 1:16. Declaring the gospel on

Wall Street. Cornelius van Til 1895-1987. Jack Miller 1928-1996.’

117 R.D. Knudsen, in: Reformatorisch Dagblad, 10 maart 1998.

118 A. Zijlstra, in: Reformatorisch Dagblad, 17 februari 1998.

119 A. McGrath, Bruggen bouwen, Kampen 1995, 42. McGrath is het overigens beslist oneens met Van

Til. Hij schrijft: ‘Theologisch gezien slaagt hij er niet in de christelijke dogma’s van schepping en

verlossing te integreren. Historisch gezien is Van Tils positie niet kenmerkend voor de gereformeerde

traditie als geheel’, 44.

120 E.P. Clowney, The unfolded mystery, 39.

121 E.P. Clowney, The church, 177, 180.

122 E.P. Cloweny, The unfolded mystery, 35.

51


52

brengt. 123 Dat geldt voor zowel de val van de mens als voor het vernieuwende wat er zal zijn

wanneer Jezus terug keert. Ik weet niet of Redeemer in dezen op één lijn met Clowney staat.

Maar zou Redeemer met zijn ‘vooronderstellende’ aanpak ook niet het gevaar lopen teveel

nadruk te leggen op de continuïteit en te weinig op de discontinuïteit in de geschiedenis?

Ten derde vind ik het opvallend hoeveel overeenkomsten de soort prediking van Tim

Keller vertoont met de type prediking die ik zelf heb geleerd tijdens mijn theologische studie.

Tijdens het Pastor’s weekend gaf Keller zelf ook aan dat z.i. Nederland een van de weinige

landen is waar goed heilshistorisch, christocentrisch en persoonlijk wordt gepreekt. Persoonlijk

heb ik veel geleerd van Kremer. 124 Die maakt zich er sterk voor dat de prediking geestelijke

leiding hoort te geven. Daartoe moet de prediking: exegetisch gefundeerd zijn, theologisch

verantwoord zijn, confessioneel georiënteerd zijn, afgestemd zijn op de werkelijkheid van de

gemeente, doelbewust zijn. Hoe zit dit met Kellers preken? De exegetische fundering is sterk.

Wat betreft het theologisch verantwoord zijn: de preken zijn sterk christocentrisch, dus dat zit

het wel goed. Maar komen de Vader en de Geest wel voldoende in beeld? In paragraaf 4.2.3

wordt duidelijk dat de Triniteit in ieder geval wel een rol speelt in de theologie m.b.t. de

huiskringen. De prediking van Keller is confessioneel georiënteerd door gericht te zijn op zowel

de enkeling als de gemeenschap en zeer evenwichtig wat betreft wet en evangelie. De prediking

is ook zeker onderwerpelijk, onderscheidend en ontdekkend van aard, dus afgestemd op de

werkelijkheid van de gemeente. Verschil is wel dat Keller bij ‘onderscheidend’ preken in het

algemeen aan christenen en niet-christenen denkt, terwijl Kremer speciaal de gemeente voor

ogen heeft. Het is mij nog niet duidelijk welke rol het verbond speelt in de preken in Redeemer.

Tenslotte, de prediking van Keller is duidelijk doelbewust; de mens wordt persoonlijk

aangesproken.

4.2.3 Gemeenschap-gericht

1. Roeping tot gemeenschap. Redeemer doet gedetailleerd verantwoording van de theologie

m.b.t. de huiskringen zodat op grond hiervan het doel en de opzet van de huiskringen kunnen

worden ingevuld. 125 Centrale lijn in die verantwoording is de overtuiging dat het thema

‘gemeenschap’ een rode draad door heel de bijbel vormt. Zowel in het Oude als in het Nieuwe

Testament wordt duidelijk dat God niet slechts in individuen is geïnteresseerd, maar dat Hij zich

een volk verzamelt, een nieuwe gemeenschap van wie Hijzelf het middelpunt vormt. De

belangrijkste aanwijzing voor het feit dat God uit is op een gemeenschap, is het feit dat God

zich openbaart als een Drie-eenheid. ‘Dit maakt duidelijk dat gemeenschap intrinsiek is aan de

structuur van de werkelijkheid’. ‘Gemeenschap is de hoogste vorm van leven in het universum.

God heeft altijd bestaan in een levensstijl van gemeenschap.’

Drew Field, de man die binnen Redeemer leiding geeft aan het geheel van de

huiskringen, somt diverse plaatsen uit Oude en Nieuwe Testament op om duidelijk te maken dat

God een gemeenschap wil. God maakte de mens zo dat het niet goed was dat die mens alleen

zou zijn. Israël wordt aangesproken als een heel volk, zowel bij de verbondssluiting als bij het

geven van de geboden. Toen Achan zondigde, leed het gehele volk. Ook Jezus verzamelde een

groep mensen om hen heen met wie Hij een gemeenschap vormde. Hij gaf aan dat zijn

discipelen een nieuwe familie zullen krijgen. Paulus schrijft de meeste van zijn brieven niet aan

een enkeling maar aan een hele gemeente; die gemeente wordt door hem als geheel vermaand.

Paulus schrijft over het lichaam van Christus dat uit vele leden bestaat. De Geest van God

woont in de gemeente.

God verlangt naar gemeenschap met zijn kinderen. ‘Gemeenschap is het doel van Jezus

Christus, de Zoon van God, geboren als een kind, als man onder de mensen gewoond, gestorven

en opgestaan van de doden.’ De kinderen van God hebben elkaar nodig om elkaar te stimuleren

123 J.P. Versteeg heeft laten zien dat er zowel een lijn van continuïteit als een lijn van discontinuïteit in de

bijbel is waar te nemen. Zie zijn Geest, ambt en uitzicht, Kampen 1989, 117-154.

124 W. Kremer, ‘Geestelijke leiding in de prediking’, in: Priesterlijke prediking, Amsterdam 1976, 11-33.

125 Redeemer, ‘Redeemer fellowship groups: A summary’, 1999.


een christelijk leven te leiden, tot eer van God. De kinderen van God moeten elkaar dat leven

voorleven, elkaar de genade van God prediken en elkaar ondersteunen wanneer gehoorzaamheid

zo moeilijk blijkt te zijn. Alleen wanneer de christenen onderlinge liefde vertonen en een hoge

‘kwaliteit van leven’ leiden, zullen zij als een stad op een berg zijn, het zout van de aarde, het

licht van de wereld. Op grond hiervan is het onmogelijk te spreken over de geestelijke

volwassenheid van een christen zonder daarbij de gemeenschap te betrekken. Basis van het

gehele kerk zijn is het evangelie van genade. De kerk is zowel boodschapper van het evangelie

als doel van het evangelie. De kerk is dus ook het goede nieuws zelf. Maar dan kan het niet

anders of de kerk moet een aanbiddende en vierende gemeente zijn. Dan zal de kerk een

gemeenschap zijn waar de mensen elkaar accepteren, waar ze elkaar de waarheid vertellen, waar

ze elkaar bemoedigen en corrigeren, waar ze werkelijk om elkaar geven.

2. Praktisch. In de praktijk zal het onmogelijk zijn de gemeenschap zoals boven beschreven in

een eredienst te ervaren en vorm te geven. ‘Een dergelijke gemeenschap vereist aangezicht-totaangezicht

groepen’, waar de mensen elkaar kennen en tijd met elkaar doorbrengen. In zulke

groepen bouwen mensen elkaar op. In veel kerken wordt van de pastorale staf verwacht dat zij

de gelovigen opbouwen, maar daar wil Redeemer niks van weten. Iedere christen is een dienaar

voor de anderen. Te vaak is onze benadering tot huiskringen die van: ‘Wat heb ik daar aan?’.

Maar uit bovenstaande volgt dat de eerste vraag een andere moet zijn, namelijk: ‘Wat kan ik aan

deze groep geven?’ We zouden, aldus Drew Field, veel meer bezorgd moeten zijn over de vraag

of we Gods liefde wel voldoende communiceren naar anderen en eerlijk tegenover onszelf zijn.

‘Wanneer mensen hun groepen op deze wijze benaderen, zal het onze gemeenschap compleet

veranderen.’ Een huiskring is dan niet slechts een bijbelstudiegroep waar het veelal om het

verkrijgen van nieuwe informatie gaat, maar dan bouwt de groep het leven van de leden op en

worden die levens veranderd. Het is echter duidelijk dat deze wijze van samenleven radicaal

indruist tegen het individualisme van vandaag. Maar dat kan nooit een excuus zijn om niet aan

een huiskring mee te doen.

3. Invloeden. Het is, met de informatie die ik heb, niet goed na te gaan door wie Redeemer het

meest is beïnvloed t.a.v. de huiskringen. Wel citeert Drew Field ene John Samaan: ‘Ieder

persoon in de Drie-eenheid heeft de anderen lief en eert hen en ontvangt liefde en eer van de

anderen’. Ook citeert hij Jurgen Moltmann: ‘De Vader kan alleen Vader genoemd worden in

relatie tot de Zoon; de Zoon kan alleen Zoon genoemd worden in relatie tot de Vader. De Geest

is de adem van wie spreekt… dat Hij een persoon is, betekent dat Hij in een relatie staat’.

4. Tussenevaluatie. De nadruk van Redeemer op gemeenschap komt overeen met wat ik boven

beschreef als uitgangspunt (zie paragraaf 2.1). Daar stem ik dus hartelijk mee in. Ik ben

enigszins verrast door de motivering van de huiskringen vanuit de Triniteit, maar op dit moment

heb ik onvoldoende theologische bagage om daar een reactie op te geven. 126 Wel vind ik dat

Redeemer te eenzijdig benadrukt dat God zich een volk verzamelt. De kwestie ‘enkeling’-

‘gemeenschap’ is een erg lastige kwestie in de theologie. Met name in de Pentateuch wisselt de

aanspraak nogal van enkelvoud in meervoud; dit is een van de moeilijkste problemen in het

Pentateuch-onderzoek. Ik pleit ervoor de spanning tussen enkeling en gemeenschap te laten

staan, conform de Schrift, in plaats van die te willen oplossen door de gemeenschap te

benadrukken boven de enkeling. God biedt zowel redding en liefde aan de enkele mens als dat

Hij zich een volk en een natie verzamelt.

4.2.4 Eschatologisch

1. ‘Reeds’ en ‘nog niet’. Met de dood en opstanding van Jezus Christus is het koninkrijk van

God definitief aangebroken. Maar tegelijkertijd geldt dat het pas in volmaaktheid zal zijn

126 Mijn studiegenoot Peter Visser is van plan een scriptie te schrijven over de relatie tussen de Triniteit

en de eenheid van de kerk. Wellicht komt dit onderwerp daarin aan de orde.

53


54

aangebroken wanneer Jezus zal zijn teruggekomen. Dit ‘reeds’ en ‘nog niet’ speelt bij Redeemer

een belangrijke rol in het denken over de gemeente. 127 In deze paragraaf werk ik dit nader uit.

De bijbel geeft aan dat het koninkrijk gezaaid is en dat het zal groeien (Mt. 13), zowel

kwantitatief als kwalitatief (zonder die twee te willen scheiden). Wanneer het koninkrijk zich

uitbreidt en mensen burger worden van dat koninkrijk, is er kwantitatieve groei. Maar dat

betekent ook dat er mensen zijn die onder de heerschappij komen van Koning Jezus zodat zij

vernieuwd worden en zodat er een kwalitatieve groei van het koninkrijk kan worden

waargenomen. Nu zijn het koninkrijk en de kerk niet identiek. Het koninkrijk is breder, al was

het alleen al omdat hier ook de ‘overheden en machten in de hemelse gewesten’ (Ef. 3:10)

bijhoren die onder het koningschap van Jezus zullen vallen. Daarbij moeten we denken aan

‘loopbaan, politiek, religie, wetenschap, gewoonten, wetten: alle goede gaven waar mensen

slaven van kunnen zijn en die bedreigende machten kunnen zijn als ze door mensen worden

gezien als alternatieve redders buiten Christus om. Buiten Christus wordt alle dingen zoals

moraliteit, geld en loopbaan een bedreigende macht. In Christus worden zij echter onze

knechten’. 128 De taak van de kerk is het koninkrijk te ‘tonen’ door te leven als een heilige natie

(1 Pt. 2:9) en tegelijk het koninkrijk te ‘bewerken’ door het woord van het koninkrijk, d.i. het

evangelie, te verspreiden (1 Pt. 2:9). Het ‘reeds’ van het koninkrijk maakt de kerk krachtdadig

en vurig, het ‘nog niet’ ervan maakt de kerk bescheiden en rustig.

Dit komt op diverse manieren tot uiting. Ik geef een aantal voorbeelden. 129 Ten eerste:

als christenen weten we niet alles. Dat maakt dat we als kerk gematigd kunnen spreken over

veel dingen uit de praktijk van kerk en christen-zijn, maar dat we heel scherp en helder moeten

spreken over kruis, genade en zonde. Ten tweede: zonde valt niet te tolereren omdat een

christen deel heeft aan de ‘goddelijke natuur’ (2 Pt. 1:4; ‘reeds’). Maar het ‘nog niet’ leert ons

dat dat nooit perfect zal zijn tot Jezus’ wederkomst. Daardoor heeft de kerk geen pasklare

antwoorden op iedere situatie. Hoewel de kerk enerzijds weet dat er wonderen kunnen gebeuren

zodat iemand echt kan veranderen, moeten we aan de andere kant geduld oefenen. Ten derde: de

geschetste houding t.a.v. wonderen geldt ook het geloof in genezingen. Enerzijds is het beslist

mogelijk dat iemand op wonderlijke wijze beter wordt (‘reeds’). Anderzijds weten we dat de

schepping nog steeds ‘in barensnood’ is (Rom. 8:22-23; ‘nog niet’). Ten vierde: het ‘reeds’ van

het koninkrijk geeft aan dat we dagelijks kerkgroei kunnen verwachten, terwijl het ‘nog niet’

aangeeft dat we geduld moeten hebben omdat de kerk nog niet die volmaakte bruid is die ze zal

zijn (Ef. 5:27). Ten vijfde: het ‘reeds’ geeft aan dat we nu al wel degelijk culturele en sociale

verandering mogen verwachten. Maar het ‘nog niet’ vertelt ons dat er oorlogen zullen zijn en

egoïsme en wreedheid en terrorisme.

2. Kerkgroei. Mogen we verwachten, bijvoorbeeld op grond van Mt. 13, dat iedere kerk zal

groeien? Nee, dat zou betekenen dat we de kerk en het koninkrijk vereenzelvigen. Zo’n

optimisme is een over-identificatie van de kerk. Aan de andere kant is een pessimisme over de

groei van een bepaalde kerk een onder-identificatie van de kerk. Hoe kan het nu zo zijn dat

sommige kerken wel groeien en andere niet? Vergelijk het met een tuin die niet groeit: waar ligt

dat aan? Zeker, het kan aan de weersomstandigheden liggen, het kan er ook aan liggen dat de

beheerder van die tuin eigenlijk niet zo goed geschoold is om tuinman te zijn. Het kan echter

ook zo zijn dat het zaad niet goed is. Een kerk is een levend organisme en is wel degelijk

bedoeld om te groeien. Welke voorwaarden zijn daarvoor belangrijk? Volgens Tim Keller zijn

dat de volgende zes voorwaarden. 130 De eerste drie vallen onder het kopje ‘spiritualiteit’, de

andere drie vallen onder het kopje ‘program’.

127

Dit is tijdens allerlei bijeenkomsten te merken. Keller heeft dit denken verwoord in zijn ‘Reformed

church growth’, 1995.

128

Aldus Tim Keller tijdens het lesgedeelte van een MCM-bijeenkomst, 4 oktober 1999.

129

Redeemer, ‘Redeemer: the centrality of the gospel’, z.j.

130

Zie zijn ‘Reformed church growth’, 1995. Ik ga hier op in omdat ik geloof dat dit denken ook het

denken van Redeemer is.


Wat betreft het program, de eerste voorwaarde is het aannemen van het uitgangspunt

dat iedere christen profeet, priester en koning is. Of anders gezegd: iedere christen is

boodschapper, dienstknecht en manager. Een kerk die hier werkelijk mee rekent, is nooit een

kerk waar de leden vooral consumenten zijn. Integendeel, de ouderlingen zullen in zo’n kerk

alle mogelijke moeite doen om ideeën die opkomen uit de gemeente te stimuleren en de

gemeenteleden aanmoedigen hun gaven in de dienst van de kerk in te zetten. Zo’n kerk is altijd

anti-clericaal van karakter. De tweede voorwaarde betreft het karakter van het dienstbetoon. Dit

karakter moet dat van een ‘incarnatie’ zijn, naar het voorbeeld van Jezus die zichzelf ontledigd

heeft en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen (Flp. 2:1v). Er zijn twee manieren

waarop een kerk met niet-christenen kan communiceren. De eerste is: ‘Kom bij ons en leer onze

taal’. De tweede is: ‘Wij komen bij jou. Wij willen jouw interesses kennen en jouw noden. Wij

willen jou het evangelie brengen’. Paulus leert ons dat we voor de tweede manier moeten

kiezen. Dan zijn we ‘de Jood een Jood en de Griek een Griek’ (1 Kor. 9:19v). De kerk die haar

Heer wil dienen zal dus moeite doen om de mensen te kennen en zal daarvoor onderzoek doen.

De derde voorwaarde is de houding dat je elkaar in de dienst van God hard nodig hebt. Het

woordje ‘elkaar’ speelt in het Nieuwe Testament een belangrijke rol. Daarom is het van groot

belang groepen te hebben waar christenen elkaar kunnen bemoedigen en helpen om zo te

groeien in leer, gehoorzaamheid, genade en dienstbetoon.

Volgens Keller is het het gemakkelijkst om je als kerk te concentreren op de drie

bovengenoemde drie voorwaarden die met het program te maken hebben. Het belangrijkste

daarentegen is om te werken aan de drie voorwaarden voor de spiritualiteit. De eerste

voorwaarde is het hebben van geestelijk leiderschap. ‘Een geestelijk leider is iemand met

autoriteit en kracht die niet bang is om met allerlei mensen over de Here te spreken.’ Op grond

van Paulus’ woorden in 1 Tess. 2:1-12 zijn vier dingen voor een geestelijk leider van belang:

aandrang en intensiteit (vers 2), nederigheid (vers 4), eerlijkheid (vers 5) en genegenheid (vers

7-8). In de kerk moeten de gaven worden ingezet en moeten gelovigen met leiderschapsgaven

de gelegenheid krijgen die gaven uit te oefenen en te ontwikkelen. De tweede voorwaarde is

koninkrijk-gericht gebed. Dit gebed concentreert zich op de dingen die het koninkrijk van God

aangaan. Het is bidden om de grote lijnen, om visie, om de aanwezigheid en leiding van God

zelf. Jezus zelf leerde ons dat koninkrijk-gericht bidden drie ingrediënten bevat (Lk. 11:1-13):

het focust op God en op de komst van zijn koninkrijk (vers 1-4); het wordt getypeerd door

nederigheid en kracht omdat de diepe afhankelijkheid van God wordt ingezien (vers 5-6) en

tegelijk de absolute zekerheid dat Hij geven zal wat wij nodig hebben (vers 7-10); het

belangrijkst is dat de Here er zelf bij is door zijn Heilige Geest (vers 11-13). Er kan van alles

gebeuren wanneer zulke gebeden in een eredienst worden gebeden. Zelfs een niet-christen zal

ervaren dat God aanwezig is (vgl. 1 Kor. 14:25). De derde voorwaarde is de belangrijkste: de

prediking van het evangelie. Dit moet een evenwichtige prediking zijn. Wet en evangelie, uitleg

en toepassing, warmte en krachtigheid, enkeling en gemeenschap, gericht naarbinnenen

gericht naar ‘buiten’ – alles moet in balans zijn. Het levende woord van God bouwt gelovigen

op en trekt niet-gelovigen tot Christus.

3. Invloeden. Het is niet precies na te gaan door wie Keller in zijn denken over het koninkrijk

is beïnvloed, omdat hij hier in een brede gereformeerde stroming staat. In ieder geval is er

overeenstemming met het denken van Clowney 131 en Ridderbos, 132 die beiden regelmatig door

Keller geciteerd worden. En voor het praktisch en concreet maken van zijn gedachten over

kerkgroei heeft Keller in ieder geval geput uit het gedachtegoed van Miller. 133 Redeemer volgt

Keller in zijn betoog. De drie bovengenoemde consequenties voor de spiritualiteit worden door

Redeemer het ‘vuur’ genoemd dat van het ‘altaar’ af de kracht van God afroept om met zijn

vernieuwende aanwezigheid de gemeente te bouwen. 134

131 E.P. Clowney, The church.

132 H.N. Ridderbos, De komst van het koninkrijk, Kampen 1950.

133 C.J. Miller, Outgrowing the ingrown church.

134 In ‘Vision and model: gospel-driven church’, 1997.

55


56

4. Tussenevaluatie. Eschatologisch: zo kan het denken van Redeemer over de kerk worden

getypeerd. De kerk is een vertegenwoordiger van het koninkrijk dat er ‘reeds’ is en tegelijkertijd

‘nog niet’ voltooid is. Redeemer. Dit denken ligt geheel in de lijn van het heilshistorisch lezen

van de bijbel (vgl. Hebr. 1:1). Het is Keller m.i. prima gelukt het denken over kerkgroei

gereformeerd van toon te laten zijn. De toon van dit denken is beslist anders dan die in de

kerkgroeibeweging, waar ‘een overspannen geloof in menselijk kunnen’ schuil gaat. 135 Hij is

bovendien niet in de fout gevallen vrijwel uitsluitend de gemeenschap op het oog te hebben en

weinig of geen aandacht te besteden aan de enkeling. Boven heb ik immers de prediking al

onder meer als ‘bevindelijk’ getypeerd. Ik kan mij geheel vinden in dit eschatologische denken

van Redeemer. Een van de uitwerkingen hiervan is het feit dat Redeemer een holistische visie

op pastoraat en diaconaat heeft. In de volgende paragraaf werk ik dat uit.

4.2.5 Holistisch

1. Hele menselijke bestaan. Een gevolg van het feit dat Redeemer sterk gericht is op het

koninkrijk, is het uitgangspunt van Redeemer dat pastoraat en diaconaat holistisch van karakter

moet zijn, d.w.z. gericht op de breedte van het menselijk bestaan i.p.v. gericht op slechts één

onderdeel daarvan. 136 Door de zondeval is de mens ‘vervreemd van God’, zowel spiritueel als

psychisch als sociaal als fysisch. Het koninkrijk van God echter is de vernieuwing van de hele

wereld door de heling van al deze gevolgen van de zonde. Zelfs de natuurlijke orde zal in

Christus worden verlost (vgl. Ps. 96:11-13). Daarom moet ook de dienst van de kerk gericht zijn

op de breedte van het menselijk bestaan en niet slechts op een onderdeel daarvan. De kerk moet

dus niet sterk zijn in alleen de erediensten of alleen evangelisatie of alleen sociale

betrokkenheid, maar in al deze aspecten. Pastoraat en diaconaat moeten holistisch van karakter

zijn, kortom. Drie bijbelse termen spelen hierbij een rol. Ten eerste: ‘rechtvaardig’ (Titus 2:12);

de kerk moet een advocaat voor de zwakke zijn. Ten tweede: ‘dienaar’ (Mt. 27:55, Lk. 8:3,

Hand. 6:2); de kerk moet een dienaar zijn, tegenovergesteld aan het ‘groot zijn’ van de mens die

zichzelf het belangrijkst vindt. Ten derde: ‘barmhartig’; de kerk moet barmhartigheid bewijzen

aan allen (Lk. 10:25-37, Jak. 2:14-17). In deze termen zien we respectievelijk het profetische,

koninklijke en priesterlijke ambt van een christen.

In de praktijk is het belangrijk direct hulp te bieden daar waar nodig, bijvoorbeeld onder

daklozen en mensen in een crisis. Maar ook houdt dit in: mensen helpen bij hun rechten, mensen

helpen een woning te vinden of andere vormen van hulp. Dit moet wel steeds in het kader staan

van ‘ontwikkeling’. Mensen moeten echt verder geholpen worden, omdat er anders een patroon

van afhankelijkheid gaat ontstaan. De mensen zullen op eigen benen verder moeten.

Uiteindelijk is het nodig dat er een sociale reformatie komt: een omgeving waar ieder in alle

opzichten gezond kan wonen en leven. Dat is precies waar God met zijn koninkrijk op aan

stuurt. En dus moet de kerk zich nu inzetten voor bijvoorbeeld een goede bescherming door en

een rechtvaardige behandeling van de overheid. De strategie die daarbij het beste past, is dat de

christenen in hun eigen omgeving daarmee aan het werk zijn, door goede buren te zijn, door

zich in die buurt in te zetten voor veiligheid, scholing, recreatieve gelegenheden, enz. In ieder

geval moet dit nooit uit paternalistische overwegingen voortkomen, maar moet die buurt, die

omgeving altijd als partner worden gezien.

Het is niet alleen de theologie van het koninkrijk die een christen ertoe dringt een naaste

te zijn voor anderen. Het is ook eenvoudig een opdracht van God om, naar Jezus’ voorbeeld, er

te zijn voor de mensen. 137 ‘Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad’ (1 Joh. 4:19).

Deze liefde is, net als Jezus’ liefde, onvoorwaardelijk en zonder grenzen. En speciaal in de stad

(zie onder) heeft een christen een geweldige taak, want ‘in de zegen der oprechten ligt de

opkomst der stad, maar door de mond der goddelozen wordt zij afgebroken’ (Spr. 11:11). In de

135 C.J. Haak, Kerkgroei… graag?!, Barneveld 1997, 45.

136 Redeemer, ‘Mercy and deed ministry’, z.j.

137 Redeemer, ‘Hope for New York’, z.j.


diverse dochterkerken wil Redeemer dit nog sterker uitwerken dan in de moederkerk zelf. Zo

werkt Jeff White, voormalig verbonden aan Redeemer, aan een nieuwe kerk in Harlem. Door

heel sterk buurtgericht te werken wil hij een kerk planten die in alles woord en daad aan elkaar

verbindt en de symbiotische werking van die twee samen ondervindt (zie bijlage E).

2. Invloeden. De ‘dienst van de barmhartigheid’ is wellicht een van Kellers sterkste

basisdrijfveren. Hij schreef hierover een diepgaand en praktisch boek. 138 Als inzet kiest hij de

gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lk. 10:30v). Jezus ziet de zorg voor de arme als een

deel van de essentie van het christen zijn. En die zorg gaat ver, naar iedereen namelijk, zelfs

naar iemands vijanden. Het motief ervoor is een diepgaand meevoelen met de ander. In de

eerste helft van het boek schrijft Keller over de principes. Natuurlijk komt het koninkrijk aan de

orde in dit boek en ook het incarnatie-karakter van de dienst aan de ander. In de tweede helft

van het boek schrijft Keller over de praktijk. Dichtbij beginnen, is het devies, in je eigen familie

en buurt en kerk. Dat moet worden uitgebouwd met een heldere visie en een concrete strategie.

Vermoedelijk speelt het lezen van de puriteinen hierbij weer een rol. Kamsteeg schrijft in het

kader van Redeemers zorg voor anderen: ‘En niet bij toeval: juist deze puriteinen waren sterk

betrokken op de nood aan de ‘rand van de samenleving’’. 139 Dit past ook precies bij de lijn die

J.E. Lesslie Newbigin, geciteerd door Keller, trok. Ondubbelzinnig kiezend voor de

theocratische visie van de Schotse kerk, pleit deze presbyteriaanse theoloog voor het evangelie

als ‘publieke waarheid, die een hervormende kracht heeft voor de gezamenlijke terreinen van

het menselijk samenleven en voor de wereldbeschouwing. Newbigin vergeet daarbij in geen

geval het eschatologische voorbehoud. De volledige omvorming van de schepping in het rijk

Gods in heerlijkheid zal pas bij de wederkomst des Heeren voltrekken. Maar elke vernieuwing

van het aardse leven, in gehoorzaamheid jegens Christus en vanuit de kracht van Zijn

opstanding, voltrekt zich in de verwachting van het komende rijk’. 140

Een andere invloedsbron ligt m.i. bij Harvie Conn, tot zijn overlijden hoogleraar

Missiologie aan WTS. Hij pleit er zeer sterk voor woord en daad te laten samengaan. Je kunt de

sociale vragen toch niet uit de weg gaan wanneer je het evangelie predikt aan prostituees in

Korea? Er moet toch ook van alles worden gedaan om deze vrouwen te helpen om uit deze

slavernij te komen? Waar begint het evangelie en waar eindigt het? Woord en daad grijpen in

elkaar. En ze komen ook samen, in het gebed namelijk. ‘Bidden is wat anders dan wensen. Het

is vragen dat mensen tot Christus zullen komen omdat Christus naar ons toe gekomen is. Het is

vragen dat de wereld veranderd zal worden omdat Christus gekomen is om die wereld te

veranderen.’ ‘Het gebed is Gods eschatologische verbinding tussen het begin van de vervulling

en de voleinding in heerlijkheid’. 141 Ook Roger Greenway, die jarenlang met Conn heeft

samengewerkt, kiest krachtig voor een holistische aanpak. ‘Als we de armoede aanpakken, maar

we laten na om aan de armen het goede nieuws over Jezus Christus te vertellen, dan falen we in

onze missie. En als we het evangelie prediken, maar we verzaken onze plicht om de armen te

helpen, dan zijn we valse profeten’. 142

3. Tussenevaluatie. Holistisch in de praktijk: zo kan het dienstwerk van Redeemer worden

getypeerd. Ik wil hier ingaan op drie punten daaruit. Allereerst vraag ik de aandacht voor

Redeemers visie op de gebrokenheid en ellende die er is. ‘Door de zondeval is de mens

‘vervreemd van God’, zowel spiritueel als psychisch als sociaal als fysisch’, schreef ik boven

naar aanleiding van Redeemers uitgangspunten. Nu is volgens de gereformeerde belijdenis de

mens ‘verdorvenen ‘geheel en al onbekwaam tot iets goeds en geneigd tot alle kwaad’, ‘tenzij

138 T.J. Keller, Ministries of mercy. The call of the Jericho road, Phillipsburg 1997 2 . De opdracht van dit

boek is overigens aan zijn vrouw: ‘To Katy, who had a social conscience first’.

139 A. Kamsteeg, a.a., 1 april 1995.

140 P. Beyerhaus, in: Reformatorisch Dagblad, 17 maart 1998.

141 H.M. Conn, Evangelism. Doing justice and preaching grace, Phillipsburg 1982, 74-75. Vgl. ook zijn

A clarified vision for urban mission, Grand Rapids 1987, 130.

142 In: R.S. Greenway and T.M. Monsma, a.w., 50.

57


58

wij door de Geest van God wedergeboren zijn’ (HC, zondag 3). Is het mogelijk dat Redeemer

hier te weinig de discontinuïteit in de geschiedenis a.g.v. de val in Adam in rekening brengt?

Vervolgens vraag ik aandacht voor het feit dat Redeemer sterk het samengaan van

woord en daad benadrukt. Dan komt natuurlijk de klassieke vraag op hoe het zit met de

verhouding tussen die twee. In eerste instantie lijkt het dat Redeemer o.l.v. Keller de lijn van

John Stott kiest. Stott wil woord en daad als partners zien, maar tegelijk ruimte laten voor de

prioriteit van het woord. 143 Keller lijkt hierin echter een eigen weg te gaan: niet een weg tussen

twee uitersten in, maar als het ware een weg die erboven uit stijgt. Hij vat die weg samen in drie

motieven. 144 Eerste motief: woord en daad zijn even belangrijk want beide zijn geboden van

God en van beide is liefde de drijfveer. Tweede motief: woord en daad zijn niet te scheiden; ze

zijn onderling afhankelijk en werken symbiotisch op elkaar in. Volgens Keller meent John Stott

dat woord en daad als partners van elkaar elk een afzonderlijk doel dienen. Maar dan creëer je

een dualiteit die er niet mag zijn, aldus Keller. Derde motief: ondanks de genoemde

symbiotische inwerking op elkaar is het wel zo dat het woord de mens het meest radicaal treft,

namelijk in de wortel van zijn bestaan.

Eerlijk gezegd ben ik onder de indruk van de kracht van dit theologische model. Voor

nogal wat christenen is het één van tweeën dat prioriteit heeft: evangelisatie of

barmhartigheidswerk. Sommige christenen zetten zich in om mensen voor Christus te winnen,

want ‘mensen die Jezus niet kennen, zijn dood en hebben geen toekomst’. Andere christenen

verwachten het helemaal van barmhartigheidswerk, want ‘wij zijn toch de handen van Jezus die

zich uitstrekken naar mensen’. Ik vind dat Redeemer met het model van Keller op een

fantastische wijze niet slechts een tussenweg tussen deze twee uitersten heeft gevonden, maar

een weg die erboven uit stijgt in een holistische praktijk. 145 Prachtig dat deze weg culmineert in

wat men noemt koninkrijk-gericht bidden.

4.2.6 Contextueel

1. Postchristelijk. Redeemer speelt uitdrukkelijk in op de postchristelijke cultuur van

vandaag. 146 Men is daarbij overigens zeer behoedzaam. Want aan de ene kant is er het gevaar

van over-contextualiseren; dan lever je je als kerk over aan de afgoden van deze tijd, zoals

individualisme. Maar aan de andere kant is er het gevaar van onder-contextualiseren; dan lever

je je als kerk over aan traditionalisme. Het komt er volgens Redeemer op aan om te ‘incarneren

zoals Jezus deed: binnendringen in de cultuur, eruit zien en handelen als ieder ander, maar

innerlijk behorend bij een volstrekt andere wereld.

Er zijn namelijk volgens Redeemer diverse modellen voor een christen om op die

cultuur te reageren als kerk. Het eerste model is: geheel in die cultuur op te gaan, zoals een

immigrant zich aanpast aan zijn nieuwe land en zijn eigen identiteit achter zich laat. Bij dit

model past de christen zich zowel in zijn waarden als in zijn gewoonten aan bij de

postchristelijke cultuur. Het tweede model is: privatiseren. Bij dit model privatiseert de christen

zijn christelijke leven tot bijvoorbeeld de zondagse diensten en diverse ethische code’s, terwijl

zijn eigenlijke leven niet werkelijk door het christelijk geloof wordt bepaald. Het derde model

143

John Stott, Zending in de moderne wereld, Goes 1978, 34v. E.P. Clowney, The church, 195-197, volgt

hem daarin.

144

T.J. Keller, Ministries of mercy, 109-116.

145

Wellicht was ik bij het nadenken over de verhouding tussen woord en daad een exponent van de rijke

Westerse christenheid. ‘Het is alleen in onze rijke Westerse landen waar we de luxe kennen van het

onderscheiden van twee kanten aan dezelfde munt – sociaal werk en evangelisatie. Christenen die nog

steeds debatteren over deze prioriteiten zien vaak te weinig in dat sociaal werk niet wordt gedaan om het

evangelie te communiceren maar als een teken of bewijs van het feit dat het evangelie ontvangen is en dat

er op gereageerd wordt. Maatschappelijk werk is de liefdesdienst van christenen die door de Heer zijn

vrijgemaakt van zonde en slavernij’, R.J. Bakke and J. Hart, The urban christian, Downers Grove 1987,

75.

146

Redeemer, ‘The church in a post-modern world’, 1999.


is: reageren als een soldaat. Bij dit model voelt de christen zich bedreigd door de cultuur met

alle niet-christelijke elementen in zich en wenst zich daartegen te wapenen als een soldaat. Die

soldaat wil de christelijke cultuur terug veroveren. Het vierde model is: als een tourist met de

blijde boodschap van het evangelie door deze wereld trekken. Nogal wat christenen die zich in

deze manier kunnen vinden, zeggen hun seculiere baan op om full-time in de dienst van de Heer

te werken. Het zijn blije en positieve mensen, maar ze zijn niet erg betrokken bij de

maatschappelijke problemen omdat ze zich uitsluitend op evangelisatie concentreren.

Er is ook nog een vijfde model en dat is het model dat Redeemer kiest: het

incarnatiemodel. Het is een model waarin de christenen zich zeer verbonden weten met de

cultuur waarin zij leven. Zij maken daar immers zelf deel van uit. Aan de buitenkant zijn er niet

zoveel verschillen tussen christenen en niet-christenen. Maar aan de binnenkant is er een groot

verschil en dat is ook merkbaar wanneer je met deze christenen omgaat. Hun kijk op de wereld

is faliekant anders, hun waarden en levensstijl is anders. Ze leven een leven dat ingetogen is en

eenvoudig, bescheiden en zelf-opofferend. Ze gaan anders om met geld, relaties, menselijk

leven, seks, enz. Deze christenen vormen een werkelijk onderdeel van de bewoners van deze

aarde, maar zoeken niet de macht of goedkeuring van de dominante cultuur. Ze leren de taal van

het land waar ze wonen, maar hun burgerschap is in de hemel. Zij demonstreren de wereld een

alternatieve levensvorm en een nieuwe gemeenschapsvorm.

Het commentaar van Redeemer op de bovengenoemde vier modellen is als volgt. Bij de

eerste twee modellen reageert de christen teveel op de omgeving, terwijl de laatste twee

modellen juist te ver van de wereld af staan. Het eerste en het vierde model gaan in feite teveel

uit van het ‘reeds’ van het koninkrijk, terwijl het tweede en het derde model teveel uitgaan van

het ‘nog niet’ van het koninkrijk. Het vijfde model stijgt boven de dilemma’s uit. Dat is het

model van Jezus. Hij werd helemaal mens, één van ons, maar zonder zonde. Het vijfde model is

daarom het model van de incarnatie. Dit model zal de omgeving veranderen. 147

2. Bijbelse voorbeelden. Volgens Redeemer zijn alle bovenstaande modellen terug te vinden in

de bijbel. Het eerste model zien we in Richt. 14-16. De Israëlieten hadden zich toentertijd

helemaal aangepast aan de Filistijnse cultuur. Het tweede model zien we in Richt. 17-18, waar

we zien dat Micha weliswaar formeel de HERE diende, maar dat de afgoden van de omgeving

hem diep in de greep hadden. Het derde model zien we in Ps. 137. Daar zijn Israëlieten aan het

woord die boos waren op het Babel waar zij woonden. Vreemde grond was het daar. Ze hingen

er de citers aan de wilgen. Het vierde model wordt vertolkt door de boodschap van Chananja,

die beweert dat de Israëlieten in Babel niet lang meer hoeven te wachten op de verlossing (Jer.

28), terwijl Jeremia even later met de boodschap van God komt: ‘Zoekt de vrede voor de stad

waarheen Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot de HERE, want in haar

vrede zal uw vrede gelegen zijn’ (Jer. 29:7). Met deze laatstgenoemde houding stemt het vijfde

model overeen.

3. Praktijk. Redeemer hecht grote waarde aan het ‘contextualiseren’. Maar hoe werkt het

gekozen incarnatiemodel in de praktijk? Redeemer geeft diverse voorbeelden; een aantal ervan

vermeld ik hier. 148 Typerend aan de cultuur van Manhattan is bijvoorbeeld het professionele.

Het incarnatiemodel schrijft dan voor dat ook Redeemer professioneel te werk gaat. Dit betreft

zowel bijvoorbeeld het werk van Hope for New York als de organisatie en opzet van de

huiskringen. Verder is de carrière voor veel inwoners van Manhattan erg belangrijk. Voor

Redeemer betekent dit dat evangelisatie vooral moet plaatsvinden via netwerken van collega’s.

Redeemer hecht daarom verder grote waarde aan het trainen van haar leden om als christen

147 N.T. Wright, ‘One God, one Lord, one People. Incarnational christology for a church in a pagan

environment’, Ex auditu 7 (1991), 45-58 baseert het incarnatie-model op een exegese van 1 Kor. 8-10.

Een praktisch voorbeeld van de uitwerking ervan wordt gegeven door M.R. Gornik, ‘Between

resurrection and reconciliation. The story of New Song Community Church’, in: H.M. Conn (ed.),

Planting and growing urban churches. From dream to reality, Grand Rapids 1997,235-243.

148 Redeemer, ‘How do we evangelize?’, 1999.

59


60

‘anders’ en met morele verantwoordelijkheid te werken in de eigen professie. De inwoners van

Manhattan zijn seksueel zeer actief. Redeemer antwoordt daarop door frank en vrij op een

christelijke wijze over seks te spreken. In Manhattan hecht men sterk aan vrijheid. Dus laat

Redeemer zien dat alleen een leven in het koninkrijk van Jezus Christus een werkelijk vrij leven

is. Men houdt in Manhattan van gevarieerdheid. Redeemer laat als reactie de gevarieerdheid van

het evangelie zien. De mensen in Manhattan denken sterk rationeel. Redeemer legt hen het

‘waarom’ van het evangelie uit, neemt hun vragen zeer serieus en laat in een prediking die

behoorlijk apologetisch van aard is, zowel de betrouwbaarheid als de relevantie zien van het

christelijk geloof.

Hoe ver kun je (of moet je) als kerk gaan in het contextualiseren op deze manier?

‘Keller blijkt evenwicht te kunnen aanbrengen tussen wat hij ‘inhoud en vrijheid’ noemt.

Inhoud: dat is voor hem de Bijbel. Hij houdt strikt vast aan de betrouwbaarheid van de Schrift,

aan de belijdenis van de Westminster Confessie ook.’ Maar ‘de Bijbel geeft de

Nieuwtestamentische gemeente tegelijk veel vrijheid. Er staat wèl dat er erediensten moeten

zijn, maar niet hoe je die moet inrichten. Er wordt wel wat gezegd over ouderlingen en

diakenen, maar niet over de manier waarop je zoveel mogelijk mensen kunt inschakelen. Met

andere woorden: laat je de inhoud los, dan geef je het geloof van apostelen en profeten prijs.

Maar laat je de vrijheid los, dan verzand je in cultureel bepaald conservatisme. Dan word je star,

traditioneel, zonder enige beweging. In beide gevallen verlies je ‘power’ in de samenleving’. 149

4. Invloeden. Bij diverse auteurs komen we de bovengenoemde modellen tegen. De klassieke

bron die door velen wordt gebruikt, is H. Richard Niebuhr die in 1951 over dit onderwerp

publiceerde. 150 Ed Clowney maakt o.a. gebruik van zijn werk. 151 Harvie Conn tenslottte wordt

met instemming door Keller geciteerd. 152 Conn gebruikt andere termen dan Niebuhr. Als ik hem

goed begrijp, noemt hij het model dat door Keller ‘soldaat’ wordt genoemd, ‘pelgrim’. De

‘pelgrim’ is wel onderdeel van de context waar hij woont, maar hij voelt zich er niet thuis. Hij is

wel ‘in de wereld, maar niet van de wereld’.

Het feit dat Redeemer zo’n grote waarde hecht aan het contextualiseren, is voor een

belangrijk deel gebaseerd op het werk van John Frame. Frame onderscheidt drie perspectieven

in de menselijke kennis. ‘Menselijke kennis kan op drie manieren worden gezien: als kennis van

Gods norm, als kennis van onze situatie en als kennis van onszelf. Geen van deze drie kan

adequaat worden bereikt zonder de anderen. Elk van deze drie is een ‘perspectief’ op het geheel

van de menselijke kennis’. 153 Wil je dus vandaag kerk zijn, dan moet je het evangelie (normatief

perspectief), de mensen (existentieel perspectief) en de context (situationeel perspectief) goed

kennen. Redeemer verbindt dit standpunt aan het drievoudig ambt van Christus en de

christen. 154 Het profetische ambt dient het normatieve aspect, het priesterlijke ambt dient het

existentiële aspect en het koninklijke ambt dient het situationele perspectief. Christus zelf

bestuurt de kerk en geeft haar leven. Voor de kerk is het, aldus Redeemer, ten eerste belangrijk

dat zij een theologische visie heeft en weet waar zij heen wil (profetisch ambt). Ten tweede is

het belangrijk dat zij een strategie heeft, dus weet hoe zij in haar context aan haar missie wil

werken (koninklijk ambt). Ten derde is het belangrijk dat zij weet waar zij haar kracht vandaan

haalt (priesterlijk ambt). Met dit laatste doelt Redeemer op de drie voorwaarden voor de

spiritualiteit, beschreven in paragraaf 4.2.4.

5. Tussenevaluatie. Gecontextualiseerd: zo kan het hele denken van Redeemer worden

getypeerd. Men wil veel moeite doen om in de huid te kruipen van de ander en van de wereld

149

Aldus Tim Keller, geciteerd door A. Kamsteeg, in: Nederlands Dagblad, 29 oktober 1994. Hetzelfde

onderscheid tussen principes en praktijk maakt Keller in zijn ‘Reformed church growth’, 1995.

150

H.R. Niebuhr, Christ and culture, New York 1951.

151

E.P. Clowney, The church, 167v.

152

H.M. Conn, in: Planting and growing urban churches, Grand Rapids 1997, 193-202.

153

J.M. Frame, The doctrine of the knowledge of God, Phillipsburg 1987, 75.

154

Vgl. Redeemer, ‘Vision and model: gospel-driven church’, 1997.


waarin de ander leeft. De voorbeelden uit de praktijk zijn zeer verhelderend en overtuigend, wat

mij betreft. Het onderscheid tussen ‘inhoud’ en ‘vrijheid’ is bekend en bruikbaar. 155 De lijnen

naar het ambt van profeet, priester en koning vind ik aanvaardbaar. Deze lijnen illustreren

overigens dat Redeemer diep over de dingen wil doordenken en zijn manier van kerk-zijn

grondig wil onderbouwen.

Ik vraag mij af of het hermeneutisch verantwoord is hoe Redeemer de diverse modellen

van reageren in de bijbel, met name het Oude Testament, herkent. Intussen zijn in de praktijk

wel alle modellen die genoemd werden herkenbaar. Er zijn christenen die volstrekt opgaan in de

cultuur, zich geheel aanpassen en zo hun identiteit verliezen. Er zijn christenen die zich

privatiseren in een getto waar het relatief veilig is. De soldaat of de pelgrim die zich feitelijk

ongemakkelijk voelt in zijn omgeving is ook erg herkenbaar. En ook de blijde toerist ontmoet ik

regelmatig. Maar al deze reacties hebben m.i. iets gewrongens in zich. Je identiteit als christen

verliezen of isoleren stemt niet overeen met het geroepen zijn tot getuigen. De toerist is

onvoldoende realistisch; het koninkrijk is nog aan het komen. En de pelgrim of de soldaat: is die

nu zout der aarde? ‘Bescheidenen ‘beslist’: zo wordt de houding van deze pelgrim-soldaat wel

getypeerd (vgl. paragraaf 2.2). Maar de praktische uitwerking daarvan is eerder mat dan

krachtig, terwijl de kracht van het model van Redeemer, op het koninkrijk gericht en gebaseerd

op de incarnatie, groot is.

Wat betreft de theologie is het verhelderend nog even te kijken naar de verschillen

tussen het pelgrim- of soldaatmodel en het incarnatiemodel. Ten eerste legt het pelgrimmodel

meer nadruk op de verlossing door Jezus’ dood en opstanding, terwijl het incarnatiemodel een

sterkere verbinding legt tussen de schepping en de verlossing. Ten tweede ziet het pelgrimmodel

sterker dan het incarnatiemodel de huidige tijd als een scherpe interruptie tussen Jezus’ eerste

komst en zijn tweede komst. Het pelgrimmodel houdt sterker dan het incarnatiemodel vast aan

het ‘nog niet’ en minder sterk aan het ‘tussen de tijden’. Conn vergelijkt het incarnatiemodel

met een modelwoning. De christelijke kerk is in dat model Gods demonstratie van een nieuwe

gemeenschap. Evangelisatie is daarin een kwestie van zeggen: ‘Kom binnen en kijk hier rond’.

‘Als inwoners, niet als pelgrims, wachten we op het koninkrijk dat komt wanneer de Heer

terugkeert van zijn verre land (Lk. 19:12)’. 156

Door bovenstaande krijgen we meer zicht op de boven geconstateerde onduidelijkheden

rondom het al of niet bestaan van een aanknopingspunt en rondom de vragen rond continuïteit

en discontinuïteit. M.i. houden die vragen verband met de nadruk op de incarnatie bij Redeemer.

De theologie die zich concentreert op de incarnatie ‘is een nogal brede tendens in deze tijd om

de betekenis van Christus geconcentreerd te zien in de incarnatie. Dat is hèt heilsfeit. Het gaat

dan ook om het herstel van de schepping, mens en wereld. De aandrang van dergelijke

theologieën is niet zelden om in de lijn van de incarnatie – een beweging van God naar de

wereld – je te laten meebewegen. Van een antithese is nauwelijks sprake. Van de verzoening

van de zonde als het eigenlijke doel van de incarnatie ook niet. Het evangelie wordt het

evangelie van het komen van God in Christus, waarmee de wissel van de geschiedenis is

omgezet naar betere tijden. Een evolutionistisch geschiedenisbegrip kan ook een rol spelen. Een

optimistische cultuurbeschouwing kan ook gemakkelijk in een dergelijke visie meespelen’. 157

Bovengenoemde is m.i. als toekomstig gevaar herkenbaar bij Redeemer. Ik denk dat dit

de reden is waarom ik boven enige onduidelijkheid proefde toen het ging over de vraag of er bij

een niet-christen een aanknopingspunt is voor het evangelie en of er niet te weinig aandacht

wordt gegeven aan de discontinuïteit in de geschiedenis. Intussen ben ik er wel van overtuigd

dat in ieder geval momenteel de verzoening als doel van de incarnatie bij Redeemer voorop

staat. Wellicht is dit een juiste typering: de verzoenings-theologie is voor Redeemer het

uitgangspunt in theologie, prediking en praktijk, terwijl het incarnatiemodel voor Redeemer het

model is voor het werk in de praktijk.

155 M. te Velde noemt dit ‘Schriftuurlijke hoofdstructuur’ en ‘actualiserende invul-structuur’ in

Gereformeerde gemeenteopbouw, Kampen 1989.

156 H.M. Conn, in: Planting and growing churches, 202.

157 Aldus J.W. Maris in een email, 14 oktober 1999.

61


62

4.2.7 Stedelijk

1. Ontwerp van God. ‘De wereld van de eenentwintigste eeuw zal een urbane wereld zijn.

Christelijke zending zal zich daarom moeten concentreren op de stad’. 158 De visie van

Redeemer op de stad is dat de stad een ontwerp van God is en dat Hij daaraan blijft werken tot

en met de voleinding van het koninkrijk. Immers, de geschiedenis begon in een tuin (Gen. 2),

maar eindigt in een stad (Op. 21). God werkt aan een stedelijke toekomst en Abraham

‘verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is’ (Hebr.

11:10). Het was Gods bedoeling de hof van Eden te laten ontwikkelen tot de stad van Op. 21.

God zelf is door Christus, nu Adam is gevallen, hiermee aan het werk. Hij trekt mensen tot zich,

en in hen hun gezin en familie; via die families bereikt God de wereld om de mensen heen waar

zij deel van uitmaken. Zo bouwt God zijn koninkrijk.

De drie functies die God voor ogen heeft met de stad zijn de drie functies die God voor

ogen had met de hof van Eden. Ten eerste is de stad een schuilplaats, in het bijzonder voor

armen en hulpzoekenden. Hierdoor is er een grote diversiteit in de stad ‘uit elke stam, taal en

natie’. Ten tweede is de stad een bakermat van cultuur en beschaving. De stad stimuleert

mensen om hun taltenten te gebruiken (vgl. Op. 18:22-23). Ten derde is de stad een plaats om

God te ontmoeten; door heel de geschiedenis zie je dat mensen in de steden hun heiligdommen

bouwen en God doet het ook, in Jeruzalem namelijk. Dit brengt automatisch een spiritueel

vacuüm voor de stad met zich mee.

Uit de bijbel weten we dat de stad aan alle kanten door de zonde wordt gebruikt.

Hierdoor komen de drie genoemde functies niet tot hun recht en is er rebellie tegen God in

plaats van verering van God. Wat betreft het eerste doel: Kaïn bouwde een stad om bij God

vandaan te vluchten. Nog steeds zien we mensen met een zondige levensstijl typisch naar de

stad toe vluchten. Wat betreft het tweede doel: de stad van Babel werd gebouwd tot eer van

mensen in plaats van tot eer van God (Gen. 11; Op. 18). In plaats van het allerbeste kwam het

allerslechtste tot uiting. Wat betreft het derde doel: de stad is sinds mensenheugenis een centrum

van afgoderij en zonde. Dat betekent tegelijkertijd dat wanneer christenen de stad mijden, zij de

stad prijsgeven aan de afgoden.

Zo zijn in iedere stad twee steden aan te wijzen: de stad van mensen (Babel) en de stad

van God (Jeruzalem). Beide steden strijden om uitbreiding. Het is van cruciaal strategisch

belang voor de christenheid om de strijd te steunen. Immers, het is vanuit de stad dat de cultuur

en de hele menselijke samenleving wordt bereikt. Al in de tijd van Paulus was het zo dat het

christendom zich verspreidde vanuit de stad. De oorzaak daarvan is de openheid, de culturele

invloed en de contacten met de rest van de wereld. In het jaar 300 was meer dan de helft van de

stedelijke populatie in het Romeinse rijk christen, terwijl het platteland merendeels heiden was.

We zien het zelfs terug in de terminologie: ‘pagan’ (‘heiden’) komt van ‘paganus’ (‘landman’,

‘dorpsbewoner’). Als de stad seculier is en het platteland christelijk, wordt ook het platteland

seculier; als de stad christelijk is en het platteland seculier, wordt ook het platteland christelijk.

2. De relatie van de christenen tot de stad. Sinds de start van Redeemer is zijn missie gevormd

door Spr. 11:10-11: ‘Over de voorspoed der rechtvaardigen verheugt zich de stad, bij de

ondergang der goddelozen is er gejuich. In de zegen der oprechten ligt de opkomst der stad,

maar door de mond der goddelozen wordt zij afgebroken.’ Merk op dat ‘de zegen der oprechten

van vers 11 (op grond van de parallellie met het tweede deel van het vers) niet betekent: de

zegen voor de oprechten, maar de zegen door de oprechten. Hoe kan dit in de praktijk worden

uitgewerkt? Er zijn vier mogelijke modellen, aldus Redeemer. Ten eerste is er de aanpak van:

veracht de stad. De kerk is dan een soort vesting en vecht tegen de ‘slechte stad’. Deze aanpak

vergeet ‘Jeruzalem’ en dient de stad niet als een priester. Ten tweede is er de aanpak van: wij

zijn de stad. De kerk is dan de kerk van de stad. Deze aanpak vergeet ‘Babel’ en dient de stad

niet als een profeet. Ten derde is er de aanpak van: gebruik de stad. De kerk is dan een soort

ruimtecapsule boven de stad. Deze aanpak vergeet de strijd tussen Jeruzalem en Babel. Ten

158 Vgl. Redeemer, ‘Why focus on the city?’, 1999.


vierde is er de aanpak van: wij houden van de stad. De kerk is als een zuurdesem, als zout en als

licht in de stad. De stad wordt veranderd onder invloed van de aanwezigheid van de kerk.

Redeemer kiest uitdrukkelijk voor dit laatste model: het transformatiemodel. Opnieuw: ‘Zoekt

de vrede voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot

de HERE, want in haar vrede zal uw vrede gelegen zijn.’ De beste plaats voor een christen om

te wonen, werken en leven is de stad, aldus Redeemer.

3. Invloeden. Keller heeft bij zijn beschrijving van de theologie van de stad gebruik gemaakt

van het werk van o.a. Harvie Conn. 159 Verder is er, zoals te verwachten, overeenkomst met de

visie op de cultuur in het algemeen, zoals beschreven in de vorige paragraaf. Conn somt de

zwakke plekken in het betoog van Niebuhr op en komt dan met een eigen theologie. Hij laat ook

zien dat het transformatiemodel in de lijn van Augustinus ligt en in Nederland is ontwikkeld

door Abraham Kuyper. 160

4. Tussenevaluatie. De houding van Redeemer naar de stad is ronduit positief te noemen.

Redeemer wil kerk zijn in de stad en wil die stad transformeren. Ik vind het op dit moment nog

moeilijk de bijbels-theologische achtergrond ervan te beoordelen. Het is voor het eerst dat ik

deze visie zie. Wel is duidelijk dat opnieuw de heilshistorie een belangrijke rol speelt en dat de

incarnatiegedachte, met daarin de nadruk op de voortgaande continuïteit van Gods werk, weer

de achtergrond vormt. Een hermeneutische vraag die ik in ieder geval wil stellen, is of men in

deze visie het sociologische verschil tussen de stad in de tijd van de bijbel (trouwens, dat is een

lange periode met een behoorlijke sociologische ontwikkeling) en de stad heden ten dage niet

over het hoofd ziet.

Overigens is het wel bijzonder dat er een specifieke theologie van de stad wordt

ontwikkeld. In de beschrijving van bovenstaande modellen zijn duidelijk de modellen te

herkennen die in de vorige paragraaf werden gebruikt bij het reageren op de cultuur in het

algemeen. Zijn die eigenlijk niet voldoende? Indien niet, dan zal het ook nodig zijn een

theologie van een dorp te hebben en een theologie van een voorstad enz. Ik kan de ‘ins’ en

‘outs’ op dit moment niet geheel overzien. 161 Maar in verband hiermee vraag ik me af of het

werkelijk zo is dat de kerk zich vandaag moet concentreren op de stad, zoals Redeemer

suggereert. Ik zie in dat de stad een zeer belangrijk zendingsterrein geworden is en ik accepteer

ook de strategische positie van de stad. Echter, is voor de kerk van Jezus Christus niet veel meer

de vraag hoe zij kerk moet zijn in de tijd en in de plaats waar God haar geplaatst heeft, of dat

dan een stad is of een dorp of wat dan ook? Deze vraag heb ik Keller voorgelegd tijdens het

Pastor’s Weekend en hij gaf me gelijk. Voor Redeemer is die plaats dan inderdaad de stad, New

York City om precies te zijn. Intussen stem ik wel met Redeemer in dat het strategisch gezien

voor de christenheid de hoogste prioriteit moet hebben om kerk in de stad te zijn. Ik ben bang

dat veel kerken dat op dit moment niet inzien en dat veel christenen juist een negatieve houding

hebben t.a.v. de (grote boze) stad. 162 ‘Maar terwijl in 1900 slechts 12% van de mensen in een

stad woonde, is dat vandaag de dag 50%. Over een eeuw zullen er meer mensen in steden

159 H.M. Conn, ‘Christ and the city. Biblical themes for building urban theology models’, in: R.S.

Greenway (ed.), Discipling the city, Grand Rapids 1986 3 , 222-286. Zie ook zijn artikel in hetzelfde boek

over de geschiedenis en de achtergronden van de diverse modellen, ‘The kingdom of God and the city of

man. A history of the city/church dialogue’, 9-59.

160 Het is opvallend dat de verwijzing naar Kuyper niet is opgenomen in Conns bijdrage in de tweede

editie van het boek van Greenway (1992).

161 P.W. van de Kamp zal aan dit thema een bijdrage te leveren. Hij is bezig met een promotie-onderzoek

naar de structuren van de kerk in de stad.

162 Wat dit betreft moet gezegd worden dat het deputaatschap ‘Problematiek van de kerken in de

grootstedelijke gebieden’ van de Christelijke Gereformeerde Kerken een zwaarwichtige en strategische

taak gekregen van de Generale Synode.

63


64

wonen dan het huidige aantal wereldbewoners’. 163 Het zal voor de nabije toekomst van groot

belang zijn dat de christelijke kerk zich bezint op haar taak en haar functioneren in de stad. 164

4.2.8 Evaluatie

1. Gebalanceerd. Redeemer blijkt in staat te zijn een kerk te zijn met een zeer gebalanceerde

theologie en praktijk. Redeemer vervalt niet in de eenzijdigheden van wet of evangelie, van

rechtvaardiging of heiliging, van moralisme of relativisme, van woord of daad, van ‘reeds’ of

‘nog niet’, van aanpassen of isoleren. Hier schuilt m.i. de grote kracht van Redeemer. Het is een

kerk die op het evangelie van Jezus Christus is geconcentreerd en in de kracht van dat evangelie

zich wil laten gebruiken in het komen van het rijk van God. Het evangelie is bedoeld om een

relatie met God te krijgen en het is bovendien de enige weg waardoor iemand, in welke fase van

zijn leven dan ook, kan groeien. ‘Wanneer er iets geleerd of gedaan wordt, wat de indruk geeft

dat genade de deur is waardoor wij Gods Koninkrijk binnen komen, maar dat het verder draait

om onze eigen gehoorzaamheid, moet dat keihard terzijde geschoven worden’. 165

Het is m.i. terecht dat Redeemer zoveel nadruk legt op het evangelie van genade. Het is

ook terecht dat Redeemer daar een zwaar accent op de gemeenschap bij plaatst. Het is

bovendien terecht dat men zich uitdrukkelijk realiseert dat dit evangelie alleen dan kan landen in

de harten van de mensen wanneer heel goed de context in rekening wordt gebracht. De enige

kanttekening bij deze gebalanceerde houding van Redeemer is dat ik de indruk heb dat

Redeemer in de motivatie voor de huiskringen ten onrechte de spanning tussen enkeling en

gemeenschap wil oplossen door te kiezen voor de gemeenschap, terwijl in de preken deze

spanning eenvoudig blijft staan.

2. Verzoening en incarnatie. Wat is nu het meest typerende aan de identiteit van Redeemer?

Wat mij betreft is het antwoord op deze vraag samen te vatten met twee trefwoorden:

‘verzoening’ en ‘incarnatie’. De leer van de verzoening door Jezus Christus staat bij Redeemer

centraal. De dood en opstanding van Gods Zoon bepalen het gehele zicht op verleden, heden en

toekomst. Door het geloof in Hem krijgt een mens, uit genade, deel aan de verzoening die Hij

voor de zijnen heeft bewerkt. Daartoe moet een mens zich bekeren en zijn leven toevertrouwen

aan Jezus Christus. Wanneer iemand dat doet, is dat toe te schrijven aan het werk van de Heilige

Geest. Die Geest wil ook geloofsgroei geven, waaronder we niet moeten verstaan dat iemand

‘verder’ komt in perfectie o.i.d., maar dat iemand steeds vaster en dieper geworteld wordt op

Jezus Christus. In leer en leven van Redeemer staat deze leer van de verzoening centraal.

Intussen kiest Redeemer voor het model van de incarnatie om het evangelie te communiceren

naar niet-christenen. Dit model schrijft voor dat de kerk bereid moet zijn helemaal in de huid te

kruipen van de niet-christenen. Aan de buitenkant zijn er vrijwel geen verschillen te ontdekken

tussen christenen en niet-christenen, maar aan de binnenkant en aan hun karakters des te meer.

Zoals de Zoon van God helemaal mens werd en tegelijkertijd helemaal God bleef, zo worden de

christenen, persoonlijk en gemeenschappelijk, geroepen helemaal te incarneren in de cultuur

waarin zij leven, terwijl ze intussen burgers van een hemels koninkrijk zijn en blijven. Dit

model van de incarnatie geeft richting in de hele praktijk waarop Redeemer kerk wil zijn.

Zo zien we bij Redeemer een versmelting van enerzijds het antithesemodel, waardoor

de kerk ‘anders’ is en een tegen-cultuur vormt, en anderzijds het incarnatiemodel waardoor de

kerk helemaal opgaat in de cultuur van deze wereld. 166 Het is niet zo dat de antithese verdwijnt

163

Aldus Mark Gornik, in zijn bijdrage ‘Church planting and the new global city’ aan de Missions

Conference op WTS, 5 oktober 1999.

164

In twee artikelen in het Nederlands Dagblad ga ik hier op in. Zie bijlagen C en E.

165

Dit concludeert Norman Viss in: Bulletin voor gemeentegroei, oktober 1999.

166

Deze versmelting zou ook het uitgangspunt zijn geweest van de zwarte prediker, wijlen John Perkins;

zie A. Kamsteeg, in: Nederlands Dagblad, 16 januari 1999. De genoemde versmelting moet eveneens

typerend zijn geweest voor de christenheid in de eerste twee eeuwen van onze jaartelling. ‘Ze konden niet

worden onderscheiden door hun manier van spreken noch door hun wijze van kleden, maar door hun


ij Redeemer; het is wel zo dat die een andere uitwerking krijgt dan die welke jarenlang in

Nederland dominant is geweest, namelijk het zoeken van het isolement. In plaats van zich te

isoleren wil Redeemer helemaal opgaan in deze wereld en tegelijkertijd van binnen pertinent

‘anders’ zijn. Centraal daarin is de houding die van christenen wordt gevraagd, namelijk een

houding van: opkomen voor waarheid en recht, vergeven en verzoenen, onvoorwaardelijk

liefhebben. Redeemer is zowel een proeftuin van het koninkrijk als een bewerker van het

koninkrijk. 167 In de proeftuin is te zien dat de kerk een koninklijke natie is (1 Pt. 2:9a), een

tegen-cultuur, een nieuwe maatschappij. Als bewerker van het koninkrijk is de kerk geroepen

het koninkrijk uit te breiden, om de grote daden van God te verkondigen (1 Pt. 2:9b). Nietchristenen

zullen zeker ontdekken dat Redeemer anders is wanneer ze de contacten met

Redeemer intensiveren. Maar dat anders-zijn is niet het eerste is dat opvalt aan (de buitenkant

van leden van) Redeemer.

3. Vergelijkbare modellen. Gezien de nadruk op het gezonden zijn in deze wereld, op (de

komst van) het koninkrijk en op het heilswerk van Jezus, lijkt de theologie en de praktijk van

Redeemer overeenkomsten te hebben met de apostolaatstheologie. 168 Nog afgezien van de vraag

of we zomaar een beweging van een aantal jaren geleden in de tijd van nu kunnen plaatsen, is

echter duidelijk dat er behoorlijke verschillen bestaan tussen de apostolaatstheologie en de

theologie en praktijk van Redeemer. Voor de apostolaatstheologie geldt.: ‘Jezus Christus zelf,

de incarnatie, het kruis, de opstanding en de hemelvaart zijn slechts momenten in Gods

rijkshandelen met de wereld en kunnen zó alleen recht worden verstaan’. 169 ‘De Geest heeft de

wereld als doel. De cultuur en de staat worden positief tegemoet getreden. Het werk van de

Geest betreft het hart, maar ook de natuur en heel de geschapen werkelijkheid’. 170 Ook de

aanname van het aanwezig zijn van een aanknopingspunt voor het evangelie bij de mens is te

herkennen in de apostolaatstheologie. ‘De heiden komt niet pas met de waarachtige en levende

God in aanraking, wanneer een zendeling met het evangelie van Jezus Christus tot Hem komt.

Hij was reeds lang met Hem in aanraking’. 171

Elementen van de gedachtegang van de apostolaatstheologie zijn zeker bij Redeemer

terug te vinden. Echter, Redeemer houdt vast aan de leer van de verzoening door Jezus Christus

als centrum van het werk van God met deze wereld als ook als centrum van de theologie. En

bovendien, het gevolg van het denken in de lijn van de apostolaatstheologie is dat de kerk

uitsluitend een instrument is en niet ook doel in zichzelf. ‘De kerk is nooit méér dan het karretje,

het vehiculum, waarop het Woord van God zich voortbeweegt van de ene mens naar de

andere’. 172 Volgens Redeemer is de kerk echter, zoals ik boven al schreef, zowel een proeftuin

van het koninkrijk als een bewerker van het koninkrijk. Terwijl in de apostolaatstheologie de

kerk uitsluitend boodschapper is, is volgens Redeemer de kerk zowel boodschapper als

boodschap en doel van het evangelie.

Redeemer valt dus niet onder het kopje ‘apostolaatstheologie’. Onder welk kopje valt

Redeemer dan wel? De modellen van Hendriks 173 vind ik erg herkenbaar in de praktijk van het

kerkelijk leven, maar ook zij kunnen Redeemer niet afdoende beschrijven. Wel zijn

verschillende aspecten van de diverse modellen herkenbaar. Van zijn ‘verkondigingsmodel’ is

bijvoorbeeld herkenbaar: de belangrijke plaats van de prediking van het Woord, de oproep tot

bekering en de cognitieve stijl van communiceren. Maar Redeemer heeft een sterkere nadruk op

houding en de kwaliteit van hun karakters’, R.J. Bakke and J. Hart, a.w., 83. Een praktische uitwerking

kan verder worden gevonden in M. Ortiz, ‘Being disciples: incarnational christians in the city’, in: R.S.

Greenway (ed.), Discipling the city, Grand Rapids 1992 (second edition), 85-98.

167

Redeemer, ‘Life together in gospel-community’, z.j. Dit wordt ook duidelijk uit de theologische

verantwoording van de huiskringen. Zie Redeemer, ‘Redeemer fellowship groups: A summary’, 1999.

168

A.A. van Ruler, Theologie van het apostolaat, Kampen z.j. (1954), 16.

169

A.A. van Ruler, a.w., 16.

170

Zo typeert J.W. Maris deze apostolaatstheologie; email 14 oktober 1999.

171 A.A. van Ruler, a.w., 19.

172 A.A. van Ruler, a.w., 24.

173 H.J. Hendriks, a.w., hoofdstuk 1.

65


66

het koninkrijk van God en trekt de consequenties van de herschepping verder door dan in dit

verkondigingsmodel gebeurt. Van het ‘lichaamsmodel’ van Hendriks is de nadruk op de

gemeenschap erg herkenbaar. En tenslotte is van zijn ‘transformatiemodel’ de gerichtheid op de

wereld en het solidair zijn met de armen erg herkenbaar, terwijl het intussen niet zo is dat bij

Redeemer het evangelie daarmee slechts horizontaal wordt. Evenmin lijkt Redeemer te kunnen

worden beschreven met andere modellen die in de literatuur bekend zijn. Het oecumenische

model van de ‘dienende kerk voor anderen’ schiet bijvoorbeeld sterk tekort, al was het alleen al

omdat het kan worden gezien als een radicalisering van de apostolaatstheologie. 174 Het

evangelicale model van de kerk als ‘getuigende gemeenschap’ 175 sluit behoorlijk aan het

‘lichaamsmodel’ van Hendriks. Veel sterker dan in dit model het geval is, is Redeemer op het

koninkrijk, de maatschappij en de cultuur betrokken.

Het lijkt dat Redeemer met de versmelting van antithesemodel en incarnatiemodel een

geheel eigen model heeft gekozen. Ik vind dit model van Redeemer een zeer krachtig antwoord

op de matheid en het dilemma waarin veel Nederlandse kerken zich bevinden (vgl. paragraaf

2.2). De uitgangspunten voor dit model kan ik echter wél in de literatuur terug vinden.

Noordegraaf heeft recentelijk dingen geschreven over ‘Visie en werkelijkheid’ die grote

overeenkomsten vertonen met de uitgangspunten van Redeemer. Ook in de uitwerkingen van

zijn uitgangspunten komt Noordegraaf tot elementen die beslist herkenbaar zijn bij

Redeemer. 176 Ten eerste beschrijft Noordegraaf twee centrale momenten t.a.v. de positie van de

gemeente in het licht van Gods heilshandelen: (1) de zendende God die mensen in zijn dienst

neem (‘missio dei’) en (2) de komst van zijn koninkrijk. In zijn uitwerking van het eerste

centrale moment wordt duidelijk dat het hart van de missionaire praxis de bediening van de

verzoening moet zijn. In zijn uitwerking van het tweede centrale moment wordt duidelijk dat in

de spanning tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’ de gemeente betrokken is in Gods

eschatologisch handelen. Noordegraaf maakt ook duidelijk dat het heil een wijd spectrum aan

betekenissen kent. ‘De verzoening is een inclusief gebeuren en waaiert uit over het hele

bestaan’. 177 Ook in de uitwerking van de vragen rond de prioriteit van woord of daad, komt

Noordegraaf vlak bij Redeemer uit. Hij onderscheidt namelijk vier aspecten: getuigenis,

gemeenschap, dienst en bevordering van recht en gerechtigheid. Principieel dient volgens

Noordegraaf het getuigenis prioriteit te hebben, maar in de praktijk kunnen en zullen de

prioriteiten vaak wisselen. 178

Terwijl Noordegraafs uitgangspunten dus beslist terug te vinden zijn bij Redeemer,

stijgt Redeemer boven het boek van Noordegraaf uit als we kijken naar zowel de theoretische

als de praktische uitwerking. In paragraaf 4.2.5 heb ik bijvoorbeeld laten zien dat Keller een

weg wijst die boven het dilemma ‘woord’ of ‘daad’ uitstijgt. Verder heb ik in paragraaf 2.2 laten

zien dat Noordegraaf niet wil kiezen voor het offensief, het defensief, de aanpassing of het

onderhandelen, maar dat hij kiest voor een weg die hij als ‘bescheidenen ‘beslist’ typeert. 179

Door te kiezen voor een versmelting van het antithesemodel en het incarnatiemodel, maakt

Redeemer de weg die Noordegraaf m.i. aanvoelt, concreet. 180

4. Kanttekeningen. Na bovenstaande positieve waardering eindig ik tenslotte met enkele

kanttekeningen. Zoals boven al aangegeven plaats ik een vraagteken bij de wijze waarop

Redeemer haar visie op de cultuur in het algemeen (de vier modellen) en haar visie op de stad in

het bijzonder bijbels motiveert. Ik wil niet verder gaan dan een vraagteken plaatsen, omdat ik

174

M. Herbst, a.w., 172-198; A. Noordegraaf, Vijf broden en twee vissen, 118-135.

175

A. Noordegraaf, a.w., 135-153.

176

Hoofdstuk 5 van A. Noordegraaf, a.w. gaat over ‘Visie en werkelijkheid’, hoofdstuk 6 presenteert

diverse ‘Aspecten’ voor de praktijk.

177

A. Noordegraaf, a.w., 184.

178

A. Noordegraaf, a.w., 193.

179

A. Noordegraaf, a.w., 219-224.

180

Ook K. van der Grijp pleit voor een theologie die gebaseerd is op het motief van de incarnatie en sterk

contextueel is bepaald; vgl. Geloven in de stad, Kampen 1991, 44, 87-89, 112.


vind dat ikzelf nog onvoldoende heb gestudeerd op de vraag hoe de bijbel over de cultuur

spreekt. Dit punt roept om een verdere hermeneutische doordenking.

Verder is het belangrijk dat Redeemer zeer alert blijft dat de gebalanceerdheid die er is,

niet uitslijt zodat er alsnog eenzijdigheden zouden ontstaan. Het grootste risico is m.i. dat het

incarnatiemodel het gaat ‘winnen’ van de verzoeningstheologie en dat het incarneren zal

doorslaan in aanpassen. Dit zou passen bij een overmatige nadruk op de gemeenschap (c.q. het

koninkrijk) en de functie van de kerk, ten koste van de aandacht voor de enkeling en het wezen

van de kerk. Maar op dit moment is het volgens mij echter volstrekt bijbels, gereformeerd en

zinvol zoals Redeemer, onder de leiding van Gods Geest met het evangelie van Gods Zoon, met

woord en daad de maatschappij tegemoet treedt en verandert.

Excurs: Identiteit van Willow Creek

1. Visie-overzicht. ‘Kerk voor buitenkerkelijken’, zo wordt Willow Creek terecht getypeerd. Willow

Creek legt er nadruk op dat Gods liefde sterk gericht is op de buitenkerkelijken (vgl. Jezus’ woorden in

Lukas 15). Daarom moet de kerk alle mogelijke moeite doen om hen te bereiken met het evangelie. Dat

heeft tot gevolg dat de eerste van de vijf G’s eigenlijk de belangrijkste is. Deze G’s zijn in heel het

denken erg belangrijk (geworden). 181 Voordat in Willow-Creek iets nieuws kan worden gestart, moet

duidelijk zijn aan welke van deze vijf G’s dit bijdraagt. Momenteel is het nog niet zover, maar

waarschijnlijk zal in de toekomst ook de budgettering aan de hand van deze vijf G’s verlopen. 182 Als we

nu kijken naar de inhoud ervan, dan ligt de frontlinie feitelijk tussen de eerste en de tweede G, tussen

‘genade’ en ‘groei’. Daar immers vindt het gevecht om de ziel van een buitenkerkelijke plaats. De satan

wil die ziel in zijn macht houden, de kerk wil de ziel winnen voor Christus. De eerste G is ‘de eerste

onder zijn gelijken’, aldus Hybels.

2. Invloeden. De theologie van Willow Creek is ten eerste beïnvloed door G. Bilezikian bij wie sprake

is van een ‘tamelijk opgewekt arminianisme’. 183 Met name zijn spreken over een warme relatie met Jezus

en zijn enthousiaste spreken over een kerk als een gemeenschap met een opdracht heeft een stempel gezet

op Bill Hybels. Ten tweede heeft, in ieder geval in de beginperiode van Willow Creek, Robert Schuller

invloed uitgeoefend op Hybels. Schuller geloofde dat er behoefte was aan een nieuwe reformatie, om van

een ‘theocentrisch’ middelpunt te komen tot een ‘menselijke behoeften benadering’. 184 Ten derde is er de

invloed van G. Barna. Hij heeft gepubliceerd over marketing in de kerk en schrijft: ‘Dit is waar het om

gaat bij de marketing van een kerk: ons product (relaties) aanbieden als een oplossing van de nood die een

mens heeft’. 185 Ten vierde is er invloed van Carl F. George. 186 George opteert voor wat hij noemt een

‘meta-church’. Dat is een kerk die massale erediensten heeft en tegelijkertijd werkt met een doordacht en

passend systeem van kleine groepen zodat mensen niet verloren raken. Zo’n kerk is volgens George in

staat om te groeien. De kleine groepen zijn in de ‘meta-church’ erg belangrijk. Daar moet alle ruimte zijn

voor: onderlinge liefde, bijbels onderwijs, interne regelingen en doen. Maar het belangrijkst is dat in de

kleine groepen een visie is op pastoraat, zowel naarbinnen’ als naar ‘buiten’. Leiderschap is daarbij van

groot belang, net als training. De organisatie moet zodanig zijn dat een staflid de leiding heeft over

ongeveer vijf coaches; deze coaches zijn op hun beurt coach van 5 à 6 kringleiders. 187

3. Op kerk en mensen gericht. Willow Creek is sterk op de kerk en op de kerkmensen gericht. Willow

Creeks visie is immers om een bijbels functionerende kerk te hebben. De favoriete uitspraak van Bill

181 Tijdens de Church Leaderschip Conference bleek dat de aandacht voor de vijf G’s pas de laatste paar

jaar sterk is toegenomen.

182 Aldus een spreker namens Willow Creek tijdens een ‘Strategic ministry lunch’ met mensen van de

‘Operations ministries’, 21 oktober 1999.

183 G.A. Pritchard, a.w., 33. Zie voor G. Bilezikian zijn Christianity 101, Grand Rapids 1993.

184 G.A. Pritchard, a.w., 38.

185 G. Barna, Marketing the church, Colorado Springs 1988 2, , 51.

186 C.F. George, Prepare your church for the future, Grand Rapids 1999 10 . Vgl. G.A. Pritchard, a.w.,

189v.

187 Dit model wordt het Jetro-model genoemd (vgl. Ex. 18:17v).

67


68

Hybels is: ‘Niks is zoals de plaatselijke kerk, mits die kerk goed functioneert’. 188 Op de naamkaartjes van

de deelnemers aan de Church Leadership Conference stond: ‘De kerk is de hoop voor de wereld en haar

vernieuwing rust in de handen van haar leiders’. Alle aandacht moet daarom op de kerk vallen, om

mensen te redden van de verdoemenis. Bij Willow Creek is een gedoopte echter niet ook meteen lid van

de kerk. Er wordt sterk onderscheid gemaakt tussen de (zichtbare) kerk enerzijds en het lichaam van

Christus anderzijds. Iemand wordt door bekering en geloof deel van het lichaam van Christus, maar voor

het lidmaatschap van de kerk moet hij vervolgens nog kiezen. Bij Willow Creek moet hij daar zelfs iedere

drie jaar opnieuw voor kiezen. Iets dergelijks zien we ook bij de Calvary Church in Grand Rapids.

Tijdens de ‘Saturday nights’ worden wel mensen gedoopt, maar slechts weinig zijn lid van de kerk.

Uiteindelijk is het lidmaatschap van de kerk voor Calvary niet zo belangrijk; het gaat er in de eerste plaats

om dat iemand Jezus aanvaardt als zijn persoonlijke Verlosser. 189 De kerk is in deze visie een

gemeenschap van gelovigen die zich vrijwillig bij die kerk aansluiten en daarmee bovendien duidelijke

verplichtingen op zich nemen.

In de plaatselijke kerk zijn het de leden die goed moeten functioneren. Zij moeten volledig

toegewijde volgelingen van Jezus Christus zijn, leven zoals Jezus geleefd zou hebben als Hij in hun plaats

had gestaan. De kerkmensen moeten als christenen een aanstekelijk leven leiden zodat ongelovigen door

hen, onder de kracht van de Heilige Geest, veranderd worden. Willow Creek legt een behoorlijke nadruk

op wat de gelovigen moeten doen en hoe zij moeten zijn: volledige toegewijde volgelingen van Jezus

Christus. 190 De heiligmaking is bij Willow Creek het antwoord van de mens op de rechtvaardiging door

het bloed van Jezus Christus. ‘Volgelingen van Christus weten het belang van doorgaande groei als

antwoord op de genade’. 191 Willow Creek belijdt dat de gelovigen ooit, wanneer ze in de hemel komen,

zullen worden beloond voor hun werk in dit leven. 192 De gereformeerde belijdenis gaat daar ook van uit,

maar voegt daar uitdrukkelijk aan toe dat dat een beloning uit genade is. 193

4. Pritchard. Enige tijd geleden verscheen in Nederland de boven geciteerde vertaling van de verkorte

versie van het proefschrift van G.A. Pritchard. Naar aanleiding van zijn studie van Willow Creek is

Pritchard ‘een kritische verdediger geworden van de strategie van Willow Creek om de onkerkelijke te

bereiken’. Hij gelooft ‘dat er twee belangrijke principes zijn die wij van de diensten voor zoekenden van

Willow Creek kunnen leren. Ten eerste is het idee van een ‘kerk’ voor onkerkelijken een creatieve

vernieuwing die grote mogelijkheden biedt voor het overbrengen van het Evangelie. Ten tweede is het

communicatiemodel van Willow Creek een voorbeeld van een bruikbaar overtuigingsmodel’. 194

In de bijbel zien we Paulus op allerhande manieren aan het werk om de ongelovigen te bereiken.

Bij de joden kiest hij een andere strategie dan bij de niet-joden. Hij gebruikte diverse openbare

gelegenheden om het evangelie aan zijn publiek te verkondigen en te verklaren. Pritchard concludeert

daarom over Willow Creek: ‘Zelfs wanneer men het volledig oneens is met de wijze waarop Willow

Creek het Evangelie aanbiedt, is het een prachtig idee om een openbaar forum te creëren om het

Evangelie te verkondigen’. Het genoemde communicatiemodel kan worden getypeerd door de

trefwoorden: begrip (Willow Creek toont een meelevend begrip van de onkerkelijke), programmering

(allerlei hulpmiddelen, waaronder media en drama, worden gebruikt om de onkerkelijke te overtuigen),

geloofwaardigheid (de sprekers moeten integer en dus geloofwaardig zijn), identificatie (sprekers en

programma benadrukken de overeenkomst met hun onkerkelijke publiek), relevantie (de communicatie

laten beginnen bij de situatie waarin de onkerkelijke zich bevindt), waarheid (argumenten gebruiken vóór

de intellectuele geloofwaardigheid van het christendom en tegen haar alternatieven), evangelie (een

heldere, krachtige verklaring van het evangelie geven). Pritchard beschouwt dit model als leerzaam, zij

het dat rekening moet worden gehouden met een aantal valkuilen.

188 Bij Hybels speelt, getuige het aantal malen dat hij daarover spreekt, ook de negatieve herinnering aan

de kerk waar hij opgroeide (Christian Reformed Church; zijn ouders komen oorspronkelijk uit Bedum)

een sterke rol.

189 E. Dobson, a.w., 71, 104. In dit kader is het niet zo verwonderlijk dat Willow Creek pas 12 jaar na zijn

ontstaan daadwerkelijk en uitdrukkelijk is begonnen met diaconaal werk onder de armen in Chicago.

190 H.C. Mijnders, a.a., stelt m.i. terecht de vraag of het vol te houden is dat alle leden van de gemeente op

een dergelijke manier actief deelnemen aan de gemeente. Maar hij geeft ook aan dat diezelfde vraag

gesteld kan worden aan 1 Kor. 12 en aan HC, antwoord 55.

191 B. van Veen, a.w., 35 (cursivering van mij; SJW).

192 P. Braoudakis, a.w., 68.

193 HC, vraag en antwoord 63.

194 G.A. Pritchard, a.w., 139.


Die valkuilen hebben te maken met de fundamentele kritiek die Pritchard op Willow Creek

uitoefent. Willow Creek faalt namelijk volgens hem, onbedoeld, op een aantal punten. De oorzaak van dat

falen is een niet-kritisch gebruik van diverse hulpmiddelen en ideeën. Feitelijk zijn de tekortkomingen

‘vooral het gevolg van een oppervlakkige kennis van de Amerikaanse cultuur en een onvoldoende

beheersing van de christelijke theologie’. ‘Hybels en zijn medewerkers benaderen de verschillende

aspecten van de cultuur als tamelijk pragmatische hulpmiddelen om de overdracht van het Evangelie te

bevorderen. Zij begrijpen niet dat deze culturele hulpmiddelen tweezijdig geslepen zwaarden zijn,

waaraan degenen die ze gebruiken zich verwonden’. 195 Volgens Pritchard zijn de wonden, de onbedoelde

gevolgen van de diensten voor zoekenden van Willow Creek, deze: (1) Creekers gebruiken

mediamethoden om de boodschap te versterken, waardoor de verleiding van het imago ontstaat; (2) Er

wordt gebruik gemaakt van psychologische categorieën en denkbeelden om zich beter met de

onkerkelijke te kunnen identificeren en als bron voor Hybels’ ‘Christianity 101’. Het gebruik van

psychologie vervormt uiteindelijk de ethiek van de christenen van Willow Creek; (3)

Marketinginstrumenten worden gebruikt om een beter inzicht te krijgen in de onkerkelijke en beter met

hem te kunnen communiceren. Deze marketingmethoden geven vorm aan het christelijk geloof zoals dat

gepresenteerd wordt; (4) Willow Creek streeft ernaar relevant te zijn in het presenteren van het christelijk

geloof aan onkerkelijken. Het gevolg is dat de categorieën, taal en prioriteiten van de onkerkelijken vorm

geven aan de boodschap wie God is; (5) Als gevolg van het feit dat Willow Creek zich richt op

pragmatische meetbare doelen, worden verstand en scholing niet hoog gewaardeerd, wat tot gevolg heeft

dat de waarheid niet meer centraal wordt gesteld’. Bovenstaande punten hangen onderling samen. In de

loop van zijn boek maakt Pritchard duidelijk dat het veelvuldig gebruiken van marketingmethoden een

belangrijke wortel is voor het gericht zijn op het imago, de psychologische taal en de relativering van de

waarheid.

Willow Creek zelf is m.i. nogal ongelukkig met het boek van Pritchard. Bill Hybels heeft naar

eigen zeggen het boek niet gelezen, omdat ‘er zóveel verschijnt over Willow Creek’. 196 Mark Mittelberg

schrijft over het boek van Pritchard: ‘Het is zo doortrokken van desinformatie, foute interpretaties, halve

waarheden en onzorgvuldigheden dat het teveel tijd in beslag zou nemen om ze alle hier te bespreken’. 197

Hij verwijst naar een nieuwsbrief ‘Myths about a Movement’. 198 In deze nieuwsbrief geeft Willow Creek

o.a. aan het een misverstand is dat ze ‘marktgericht’ zijn. Sommigen hebben uit het feit dat Willow Creek

bij de start aan buurtbewoners vroeg waarom ze niet naar een kerk gingen ‘de conclusie getrokken dat dit

onderzoek diende om de leiders van de gemeente er achter te laten komen waarover ze wel of niet zouden

preken. Dat is nooit de bedoeling geweest van de eerste leiders. Het onderzoek was een bruikbaar

instrument om vast te kunnen stellen welke (onnodige) belemmeringen buitenkerkelijken ervan

weerhielden naar de kerk te komen’.

Ik vind het lastig een reactie te geven op de kritiek die Pritchard op Willow Creek heeft,

eenvoudig omdat ik tijdens de conferentie in oktober daarvoor niet voldoende diep in de keuken van

Willow Creek heb kunnen kijken. Voor mij is wel duidelijk dat Willow Creek alle middelen ter hand

neemt om mensen te raken in hoofd, hart en handen. Daartoe laat men bijvoorbeeld uitdrukkelijk ruimte

voor emoties in de toespraken en zorgt men voor passende lichteffecten en muziekstijlen. Er gebeurt iets

met je tijdens de bijeenkomsten van Willow Creek. 199 Persoonlijk ervaar ik dat beslist als psychologische

beïnvloeding. Maar ik wil voorzichtig zijn met kritiek, want waar Willow Creek in staat is duizenden

mensen te confronteren met de werkelijkheid van zonde en genade en hen het evangelie van Jezus

Christus verkondigt, staan veel gereformeerde kerken behoorlijk met de mond vol tanden.

Het lijkt mij dat Pritchard instemming verdient wanneer hij schrijft over de twee principes (zie

boven) die wij van Willow Creek kunnen leren. Uitgaande van de liefde die God voor deze wereld heeft

(Joh. 3:16), moet de kerk inderdaad alle mogelijke moeite doen om het evangelie ook bij niet-christenen

te laten landen. Willow Creek is daar goed toe in staat. Het is waar dat Willow Creek een ‘forum’ creëert

waar het evangelie verkondigd kan worden. Aan de andere kant is het ook waar dat een ‘forum’

195 G.A. Pritchard, a.w., 158.

196 Bill Hybels tijdens een lunch op 22 oktober 1999.

197 Email, 27 oktober 1999.

198 Willow Creek Association, ‘Myths about a movement’, October 1997. Zie ook de ingekorte vertaling

van WCN, ‘Tien mythen over Willow Creek’, z.j.

199 Hetzelfde kan worden gezegd over de ‘Saturday night’ van Calvary Church. ‘Soms ben ik het

theologisch helemaal met een predikant eens, maar kom ik de kerk uit zoals ik er in was gegaan.

Vanavond was ik het theologisch niet helemaal met de predikant eens, maar er was wel iets met me

gebeurd’, anoniem.

69


70

organiseren wat anders is dan een eredienst houden. De insteek van Willow Creek komt typisch niet

overeen met de gereformeerde insteek waar geen ‘forums’ worden georganiseerd maar erediensten.

4.3 Functioneren van Redeemer

4.3.1 Model

Boven gaf ik aan dat m.i. het model zoals beschreven in paragraaf 2.3 niet voldoende ruimte

biedt om de ‘Schwung’ van Redeemer te beschrijven. Redeemers visie, speciaal t.a.v.

kerkplanting, lijkt ‘breder’ te zijn dan de capaciteit van het model. Nu is het eigenlijk geen

wonder dat Redeemer moeilijk te beschrijven is met het genoemde model. Redeemer hanteert

namelijk een ander model. Wanneer iemand dan probeert Redeemer te beschrijven aan de hand

van een zelf gekozen model, kan dat vanzelfsprekend nuttig zijn voor een systematische

beschrijving en ook voor een systematische vergelijking, maar helemaal lukken zal het wellicht

niet. Het is alsof iemand dan verplicht wordt een jas van iemand anders te dragen; die jas kán

passend zijn, maar de kans is groot dat dat niet het geval is.

Het model dat Redeemer beschrijft, wordt beschreven in een document van de vorige

‘executive pastor’, Richard Kaufmann. 200 Figuur 3 presenteert een schematische weergave

hiervan. Aangezien men uiteindelijk de hele stad wil dienen en veranderen, heeft Redeemer de

diverse diensten ‘zorgvuldig georganiseerd zodat we samen, onder de kracht van de Heilige

Geest, een grote verandering in New York kunnen bereiken’. 201 Het model daarvoor bestaat uit

drie takken: verbinden, opbouwen en uitstoten. De elementen van de strategie van Redeemer

(zie paragraaf 3.2.3) zijn hierin te herkennen. Ten eerste wil Redeemer New Yorkers met

Christus verbinden. Hiervoor dienen: de erediensten (‘voordeur’) en de huiskringen (‘zijdeur’).

Ten tweede wil Redeemer christenen opbouwen in dienend leiderschap. Hiervoor dienen: het

gemeenteleven, het pastoraat, het diaconaat, de discipelschapstraining en

leiderschapsontwikkeling. Ten derde wil Redeemer christenen uitstoten in de stad. Hiervoor

dienen: de dienst op het marktplein, het barmhartigheidswerk (Hope for New York), de

kerkplantingen, het speciale evangelisatiewerk en de internationale zending. Het geheel wordt

‘gedragen’ door een rand van gebed en coördinatie.

Het belangrijkste verschil tussen het model dat ik zelf had gekozen als hulp voor de

analyse en het model van Redeemer is dat het laatste een proces aangeeft: mensen van ‘buiten

komen via de erediensten en de kleine groepen binnen in de gemeente en worden, na te zijn

opgebouwd, weer door de gemeente uitgestoten om het evangelie door te geven. Het model van

Redeemer geeft duidelijker aan dat er überhaupt mensen van ‘buitenbinnenkomen. Het model

dat ik had gekozen, is meer impliciet naarbinnenen naar ‘buiten’ gericht, terwijl het model

van Redeemer dat meer expliciet is. Het duidelijkst komt dat uit in het feit dat Figuur 3 in staat

is de kant naar ‘buitenen de kant naarbinnen’ schematisch aan te geven, terwijl Figuur 1 daar

niet toe in staat was. Een ander belangrijk verschil betreft de inhoud van de tien onderdelen

onder ‘opbouwenen ‘uitstoten’. Inhoudelijk hadden negen van deze onderdelen kunnen

worden ondergebracht in de zes werkvelden van het model van Te Velde. Alleen ‘kerkplanting’

kan ik moeilijk plaatsen in laatstgenoemd model. Sterk punt van het model van Te Velde is

echter dat die zes werkvelden een brede bijbelse basis hebben. De onderdelen die in Figuur 3

onder ‘opbouwenen ‘uitstoten’ worden genoemd, zijn niet alle van dezelfde soort. Het verdient

m.i. aanbeveling eens goed te studeren op een aangepast model van Redeemer waarbij de

tweede en derde kolom zijn vervangen door de zes werkvelden van Te Velde, die zowel naar

binnen als naar buiten zijn gericht, op de een of andere manier aangevuld met kerkplanting.

200

Redeemer, ‘Vision and model: gospel-driven church’, 1997. Zo ook: Appendix A van ‘Hope for New

York. Team leader handbook’, 1999.

201

Redeemer, ‘Visitor’s information’, 1999.


Gebed

Coördinatie

Erediensten

Huiskringen

Figuur 3 Het model van Redeemer

Gemeenteleven Marktplein

Barmhartig-

Pastoraat heid

Diaconaat Kerkplanting

Discipelschaps- Evangelisatie

training

Leiderschaps- Zending

ontwikkeling

Verbinden Opbouwen Uitstoten

4.3.2 Hart

Het hart van het gemeente-zijn van Redeemer wordt gevormd door de erediensten en de

huiskringen. Dit komt helemaal overeen met mijn uitgangspunten zoals boven geformuleerd (zie

paragraaf 2.3). De erediensten en de huiskringen zijn namelijk de plaatsen waar de

gemeenschap met God en met elkaar het meest intens is. Hoe functioneert nu dit hart van

Redeemer?

Opvallend aan de erediensten is dat zij principieel op christenen en niet-christenen

gericht zijn. Er wordt door Redeemer veel aandacht besteed aan het maken van een doordachte

liturgie en preek. Het aantal kerkgangers bij Redeemer is over de jaren heen zeer sterk gestegen;

alleen al het laatste jaar steeg dat aantal met 800. Redeemer heeft zich er o.l.v. Tim Keller sterk

voor gemaakt dat in alle diensten met de aanwezigheid van niet-christenen wordt gerekend.

Toch heeft Redeemer sinds enige tijd vier speciale Open Forum bijeenkomsten voor zoekers.

71


72

Dit wijkt af van het ingenomen standpunt. Kennelijk heeft dus ook Redeemer, zoals zo veel

kerken, een middel nodig dat zich speciaal op niet-christenen richt.

In de huiskringen van Redeemer staat de gemeenschap met en de zorg voor elkaar op de

eerste plaats. De volgende ingrediënten moeten tijdens alle bijeenkomsten van een huiskring

aanwezig zijn: ‘worship’, bijbelstudie, delen, bidden en evangelisatie (met woord en daad). Het

is de bedoeling dat de huiskringen nieuwe leiders voortbrengen en dat ze nieuwe huiskringen

‘planten’. Het probleem doet zich momenteel voor dat wel het aantal kerkgangers sterk stijgt,

maar dat het aantal huiskringen ongeveer constant blijft. De oorzaak daarvan is een gebrek aan

leiders. Nu zijn er ook diverse teams binnen de gemeente die zich met iets speciaals bezig

houden, maar deze groepen zijn geen huiskringen. Dit zijn affiniteitsgroepen (gebedsgroepen,

zangkoren, enz.) en werkteams (evangelisatiecommissies, kindernevendienstteams, oppasteams

en kosterswerkgroepen, enz.). Tabel 1 presenteert een overzicht van de verschillen.

Redeemer wil er nu op aansturen dat groepen en teams die momenteel geen huiskring

zijn, hun identiteit gaan aanpassen en een huiskring worden, wellicht met een accent op een

bepaald aspect, maar wel met plaats voor alle vijf boven genoemde ingrediënten. Mensen die in

een groep of team zitten dat niet kan evolueren tot een huiskring, moeten worden aangemoedigd

bovendien lid te worden van een huiskring. ‘De bijbelse visie op gemeenschap is wat mensen

ertoe moet brengen lid te worden van een groep waar Christus in hun midden wordt ervaren’. 202

Ik ben benieuwd of deze vernieuwde aanpak in de toekomst zal werken. In ieder geval zal dit

voor meer verscheidenheid van huiskringen zorgen. Verder geven de predikanten en de staf van

Redeemer het goede voorbeeld. Tijdens een stafvergadering die ik meemaakte, bleek dat allen,

op twee na maar die twee waren nog maar net bij Redeemer aan het werk, lid waren van een

huiskring.

Huiskring Affiniteitsgroep Werkteam

Vormt een primaire christelijke Vormt mogelijk een primaire Vormt niet een primaire christelijke

gemeenschap

christelijke gemeenschap

gemeenschap

Balans tussen ‘worship’, bijbelstudie, Speciale aandacht aan één of meer Speciale aandacht aan één aspect of

delen, gebed, evangelisatie

aspecten

taak

Geschoolde en ondersteunde leiding Geschoolde en ondersteunde leiding Geschoolde en ondersteunde leiding

Minstens 2 bijeenkomsten per maand Frequentie van de bijeenkomsten Frequentie van de bijeenkomsten

varieert

varieert

Aantal deelnemers varieert van 6 tot Aantal deelnemers varieert van 5 tot Aantal deelnemers varieert van 5 tot

12; open d.m.v. uitnodiging 200; openheid varieert

50; openheid varieert

Vermenigvuldiging van leiders en Mogelijke vermenigvuldiging van Mogelijke vermenigvuldiging van

groepen

leiders en groepen

leiders maar meestal niet van groepen

Tabel 1 Verschillen tussen huiskringen, affiniteitsgroepen en werkteams

4.3.3 Organisatie

In paragraaf 3.6 heb ik de huidige organisatiestructuur beschreven. Opvallend daaraan is het

werken met een grote staf, veel groter dan de meeste kerken in Nederland gewend zijn. Heel

goed vind ik het feit dat er verantwoordelijkheden zijn gedelegeerd. Dat is typisch iets wat in

een christelijke gemeente moet kunnen: elkaar vertrouwen en elkaar de ruimte geven om de

gaven die God heeft gegeven, optimaal te exploiteren en uit te bouwen.

Tijdens het Pastor’s weekend bleek dat ‘executive pastor’ Terry Gyger momenteel bezig

is aan een reorganisatie van de beschreven structuur. Het plan voor de toekomst is dat er vier

‘executive pastors’ komen: een voor de organisatie van de gemeente, een voor de opbouw van

de gemeente naarbinnen’, een voor de opbouw van de gemeente naar ‘buitenen een voor het

UCDC in oprichting. Ik kan me voorstellen dat Redeemer het onoverzichtelijk begint te vinden

met zoveel verschillende diensten. Maar ik ben enigszins verbaasd over de wens in de toekomst

twee aparte diensten voor de opbouw naarbinnenen de opbouw naar ‘buiten’ te willen

202 Redeemer, ‘Redeemer Fellowship Groups: A summary’, 1999.


hebben. Sterk punt aan het hele functioneren van Redeemer was namelijk het hebben van een

natuurlijke symbiose van naarbinnen’ gerichte krachten en naar ‘buiten’ gerichte krachten.

Inherent aan de organisatiestructuur is het bestedingspatroon: veel geld wordt

uitgegeven aan personeel. Redeemer investeert liever in mensen dan in dingen. Bewust heeft

Redeemer ervoor gekozen in de eerste tientallen jaren van haar bestaan geen eigen gebouwen te

willen bezitten. Terwijl kerken in New York die wel een eigen gebouw hebben, ongeveer 30%

van hun begroting kwijt zijn aan dat gebouw, is dit bij Redeemer slechts 13% (dit betreft het

geld voor het kerkelijk bureau, de huur van Hunter college en de kosten van de erediensten).

Van de leden van Redeemer wordt veel verwacht qua financiering van de kerk. Heel belangrijk,

en te waarderen, daarin is de nadruk op het feit waarom dat geld nodig is, namelijk om te

investeren in het koninkrijk van God. Dit maakt opnieuw duidelijk dat het van groot belang is

om als kerk een krachtige visie, missie en strategie te hebben en die helder te communiceren

met de gemeente. Aan de andere kant is het m.i. ook zo dat van de leden van Redeemer veel

verwacht kan worden doordat velen van hen in een vrij riante positie verkeren: jong, vitaal,

professioneel en ‘single’. 203

4.3.4 Evaluatie

Tijdens mijn bezoek aan WTS ontmoette ik iemand die al negen jaar lid is van Redeemer zonder

daarvoor een christelijke achtergrond te hebben (zie ook pagina 50). Ik vroeg haar naar de

zwakke kanten van Redeemer. Het bleef minuten lang stil. Toen zei ze: ‘Ik weet het niet’.

Boven heb ik, naast enkele kritische kanttekeningen en vragen, mijn waardering en respect

uitgesproken t.a.v. de geschiedenis en de identiteit van Redeemer. Nu kom ik tot de conclusie

dat ik ook over het functioneren van Redeemer ronduit enthousiast ben. Ik kan daarom

bovenstaande reactie van dat gemeentelid begrijpen.

Het zal voor Redeemer nog heel wat vergen om in de loop van de jaren vast te houden

wat men nu heeft. De kerk is zeer dynamisch, maar is ook nog jong. Hoe zal het zijn over nog

eens tien jaar? Toch is het ook mogelijk dat de kerkelijke leeftijd bij Redeemer slechts een

beperkte rol speelt, aangezien het verloop van de gemeente zeer groot is. Een zeer groot deel

van de gemeente verhuist al na een jaar of vier weer uit Manhattan. Ook de leiding van

Redeemer is niet aan het ‘pluche’ gebonden. De ouderlingen en diakenen wisselen na drie jaar.

Veel van de stafleden en predikanten gaan na bij Redeemer weer verder: als kerkplanter

bijvoorbeeld. Tim Keller zal een van de weinigen zijn die het hele proces heeft meegemaakt en

nog steeds actief bij Redeemer betrokken is. De tijd zal leren hoe Redeemer zich verder

ontwikkelt en in de loop van de jaren met zo’n sterk verloop weet om te gaan.

Wat betreft het model van Redeemer, het belangrijkste verschil met het model van

paragraaf 2.3 is m.i. dat het daar beschreven model meer statisch van aard is, d.w.z. gericht op

het ‘zijn’, terwijl het model van Redeemer meer dynamisch van aard is, d.w.z. gericht op het

‘worden’. Maar het is evident dat Redeemer niet uitsluitend functioneel over de kerk denkt. De

kerk is ‘boodschapper’ en ‘boodschap’ tegelijkertijd. Het model van Redeemer geeft een nieuwe

kijk op het zijn en het functioneren van de christelijke kerk. Dit model zal ook in Nederland

ingang moeten kunnen vinden.

Wat betreft het hart van Redeemer, ik ben zeer content met de nadruk op de erediensten

en de huiskringen. Ik ben bovendien van mening dat Redeemer zowel inhoudelijk als

organisatorisch deze twee heel goed heeft doordacht. Tegelijkertijd vind ik het merkwaardig dat

Redeemer nu toch wel speciale ‘diensten’ voor zoekers heeft, terwijl dat eigenlijk niet past in de

lijn dat alle diensten voor zowel christenen als niet-christenen toegankelijk moeten zijn. Wat de

huiskringen betreft, het lijkt mij een goede zaak dat er meer variatie in de huiskringen komt; dat

komt de verscheidenheid ten goede. Ik ben benieuwd naar de verdere ontwikkelingen hiervan.

203 Tijdens de gemeentevergadering van 31 oktober 1999 werd dit gevoelen ook duidelijk gemaakt door

een jonge moeder. Zij had de indruk dat Redeemer niet voldoende aandacht had voor gezinnen en hun

financiële positie.

73


74

Excurs: Redeemer en Willow Creek

1. Indruk van de diensten. Zowel Redeemer als Willow Creek maken diepe indruk op een bezoeker uit

Nederland. Gods werk is groot. Tegelijk geldt dat wie van Redeemer naar Willow Creek gaat, in een

volstrekt andere wereld komt. Redeemer is een kerk midden in het drukke New York met allerlei

culturen. Men komt bijeen in het gehuurde auditorium van de Hunter-universiteit. Openbaar vervoer is

vrijwel de enige manier om daar te komen. Veel van de aanwezigen hebben een Aziatische achtergrond.

Er zijn relatief weinig kinderen. De inrichting van het auditorium is eenvoudig, net als het podium en het

decor. De samenzang is aan de rustige kant. De begeleiding ervan gebeurt door enkele klassieke

instrumenten of door een kleine band. Er wordt gepreekt over een tekst. De preek is heilshistorisch van

aard, gericht op de omgang met God en met mensen. Het centrum van de preek wordt gevormd door

Christus en zijn genade. De karakter van de dienst is te typeren als: ‘eerbiedig’, ‘verlangend’, ‘doordacht’,

‘warm’ en ‘authentiek’. Een dienst bij Redeemer is typisch een gereformeerde eredienst: tot eer van God.

De dienst begint met een votum en groet en wordt afgesloten met de zegen.

Willow Creek is een kerk in een rustige voorstad van Chicago met vrijwel uitsluitend

Angelsaksische bezoekers uit de wijde omgeving. Men komt bijeen in een zeer groot complex. De auto’s

worden geparkeerd op een immens parkeerterrein. Er zijn zeer weinig niet-blanken, wel veel kinderen. De

inrichting van het gebouw van Willow Creek, inclusief het auditorium en het podium, is luxe en zeer

verzorgd. Veel aandacht is er voor het licht in de zaal en op het podium. De samenzang tijdens de dienst

voor gelovigen is massaal. Tijdens de diensten voor belangstellenden is er slechts weinig samenzang, wel

is er drama en multi-media. Vaak wordt de muziek verzorgd door een grote band en is die hard, tijdens de

Axis dienst op zaterdag zelfs rauw. Ook wordt de muziek wel verzorgd door een orkest en is het zachter

en klassieker. Er wordt gesproken over een thema of naar aanleiding van een tekst. Die toespraak is vaak

exemplarisch van aard, gericht op het praktische leven als gelovige (tijdens de dienst voor gelovigen) of

op het komen tot bekering en geloof in Jezus Christus (tijdens de diensten voor belangstellenden). Het

centrum ervan wordt gevormd door Jezus voor wie de mensen zouden moeten kiezen, maar dan moeten

ze dat wel willen. De stijl van de diensten kan worden gekarakteriseerd als: ‘enthousiast’,

‘georganiseerd’, ‘emotioneel’ en ‘aandringend’. Gezien de hele opzet en gezien het zeer regelmatig

applaudisseren van het publiek heeft het geheel meer van een voorstelling, maar dan wel een met een

serieuze boodschap, dan een eredienst in de gereformeerde zin van het woord. Votum, groet en zegen

komen er niet in voor.

2. Overeenkomsten. Vergelijken we Willow Creek met Redeemer, dan vallen allereerst belangrijke

overeenkomsten op. Zowel Redeemer als Willow Creek laten een warm hart zien voor de mensen die

Jezus Christus nog niet kennen als hun persoonlijke Verlosser en Heer. Willow Creek spreekt daarbij

meer onbevangen dan Redeemer over de verlorenheid van die mensen en laat bij de passie voor zoekers

sterker dan Redeemer emoties zien. Redeemer en Willow Creek worden op een vergelijkbare wijze

bestuurd: de ouderlingen als eindverantwoordelijken (Willow Creek heeft er 8; Redeemer heeft er 12),

een ‘senior pastor’ en diverse andere predikanten, een ‘predikant voor het bestuur’ (‘executive pastor’),

en diverse directeuren. Redeemer en Willow Creek stemmen overeen in de sterke gerichtheid op wat ik

het hart van de gemeente noem: de erediensten en de kleine groepen. Beide kerken hebben een heldere en

krachtige visie, missie, doel en strategie voor de gemeente, wat gepaard gaat met een nadruk op het

belang van goed leiderschap. 204

3. Verschillen. Het mag dan zo zijn dat zowel Redeemer als Willow Creek de samenkomsten erg

benadrukken, er zijn wel zeer grote verschillen. Belangrijkste verschil is m.i. de duidelijk gereformeerde

toon bij Redeemer en de duidelijk charismatisch-evangelische toon bij Willow Creek. De samenkomsten

bij Redeemer zijn uitdrukkelijk erediensten; bij Willow Creek gaat het meer om bijeenkomsten of

programma’s. Verder valt het sterk op dat Redeemer zich in die erediensten uitdrukkelijk richt op

christenen en niet-christenen, terwijl Willow Creek aparte bijeenkomsten heeft voor zoekenden enerzijds

en voor gelovigen anderzijds. De samenkomsten voor de christenen zijn bij Willow Creek zelfs niet meer

op zondag, de dag van de opstanding van de Heer van de kerk. Willow Creek is ‘kerk voor onkerkelijken

en wil dat ook expliciet zijn. Redeemer richt zich simultaan op christenen en niet-christenen. Niettemin

moet ik hier nog twee opmerkingen over maken. Ten eerste heeft ook Redeemer jaarlijks enkele

bijeenkomsten waarin men zich uitdrukkelijk en uitsluitend richt op niet-christenen. Ten tweede zegt

204 M.n. Bill Hybels legt hier grote nadruk op. Op iedere conferentie van Willow Creek is hier wel een

lezing aan gewijd. Vgl. ook Hybels’ bijdrage in Rediscovering church, 147-155.


Willow Creek tegenwoordig expliciet dat de diensten voor belangstellenden óók bedoeld zijn om

gelovigen op te bouwen. 205

Bij zowel Redeemer als Willow wordt veel nadruk gelegd op kleine groepen. Als je niet in een

kleine groep bent, ben je niet (functioneel) in de kerk. Beide kerken verschillen echter in de concrete visie

op en de organisatie van de kleine groepen. De huiskringen van Redeemer zijn expliciet uit op

gemeenschapsvorming. Er zijn ook wel allerlei werkteams, maar dat zijn geen ‘huiskringen’. Bij Willow

Creek zijn de diverse werkteams tegelijk ook de kleine groepen waar aan de gemeenschap wordt gewerkt.

De studies uit de bijbel zijn bij Redeemer meer op een bepaald bijbelboek gericht, terwijl bij Willow

Creek meer aan de hand van thema’s wordt gewerkt (met diverse, vrij losse teksten). Voordeel van de

opzet van Willow Creek is in ieder geval dat gemakkelijker veel mensen kunnen meedoen met een kleine

groep. Ook mensen die niet zo gemakkelijk praten zullen zich bij Willow Creek eerder thuis voelen dan

bij Redeemer.

Beide kerken hebben inderdaad een heldere visie, missie en strategie. Maar de inhoud ervan is

behoorlijk verschillend. Redeemer wil een beweging van kerkplantende kerken zijn, terwijl Willow Creek

een bijbels functionerende (mega)kerk wil zijn. Het is in dezen opvallend dat Willow Creek plannen

uitwerkt om een nieuw auditorium 8000 zitplaatsen te bouwen. Bij Redeemer zou dit absoluut nooit aan

de orde kunnen zijn. Redeemer richt zich uitdrukkelijk op (de mensen in) de stad en wil door het

evangelie van Jezus Christus die stad door woord en daad veranderen. Willow Creek richt zich veel

sterker op de individuele mens die behouden moet worden; de concentratie is sterker op het woord dan op

de daad. De nadruk op het ontdekken en gebruiken van geestelijke gaven is bij Willow Creek veel groter

dan bij Redeemer. Redeemer hanteert een brede visie op het heil (gericht op het hele leven en de hele

cultuur); Willow Creek hanteert een veel smallere visie op het heil (gericht op de ‘ziel’ van de mens).

Redeemer belijdt dat iemand die gaat geloven, verandert. Bij Willow Creek past het geloof bij het leven

en is dat geloof bevredigend van karakter. 206

De focus bij Redeemer is überhaupt veel theologischer dan bij Willow Creek. De prediking bij

Redeemer is bijbelse prediking uit zowel Oude Testament als Nieuwe Testament. Zowel de diepte van

Gods liefde als de hoogte van Gods heiligheid komen aan de orde. 207 Bij Willow Creek is dit een zwak

punt. 208 Ik heb de indruk dat de vorming van de medewerkers van Willow Creek in de eerste plaats

bedrijfskundig en psychologisch is 209 en pas in de tweede plaats theologisch. Tijdens de Church Leaders

Conference was de nadruk op het ‘hoe’ groter dan op het ‘wat’. Bij Redeemer lijkt dat andersom te zijn:

in de eerste plaats is er uitdrukkelijk aandacht voor theologische training van de staf, terwijl de

organisatorische kant van de zaak op de tweede plaats komt. Tijdens het Pastor’s Weekend was de nadruk

op het ‘wat’ sterker dan op het ‘hoe’. Anders gezegd: bij Willow Creek valt het accent op het verlossen

van mensen, bij Redeemer valt het accent op de Verlosser.

De achtergrond hiervan is dat Redeemer werkt vanuit het gereformeerde uitgangspunt dat alles

van God komt: zowel de rechtvaardiging als de heiliging, door het geloof in Jezus Christus, uit genade.

Willow Creek verwacht het óók van God, dat wordt duidelijk uit alles wat er gezegd wordt. Maar Willow

Creek geeft zichzelf ook een grote verantwoordelijkheid: ‘Wij doen ons best voor God’. 210 Christenen

zijn mensen die voor Jezus hebben gekozen. Van hen wordt verlangd dat zij stand houden en Jezus willen

blijven volgen. 211 Daartoe moeten zij onderwijs krijgen. Het niet gereformeerd zijn van Willow Creek

komt ook duidelijk naar voren in het standpunt over het lidmaatschap van de kerk: iemand kan gedoopt

worden zonder daarmee toe te treden tot de plaatselijke gemeente; verder wordt van de leden een grote

toewijding geëist. Opvallend is hoeveel liefde voor de kerk je ontmoet als je met leden van Willow Creek

speelt.

Willow Creek maakt veel vanzelfsprekender dan Redeemer gebruik van allerlei hulpmiddelen,

waaronder drama en media. Het doel daarvan is ook anders dan dat bij Redeemer het geval zou zijn.

Willow Creek wil tijdens het eerste deel van de samenkomst de bezoekers ‘klaar maken’ voor de

toespraak. Redeemer kiest uitdrukkelijk voor een eredienst en wil dus een dienst waarin God in de

allereerste plaats geëerd wordt. Aanbidding (‘worship’) is het doel van alles wat in de diensten bij

Redeemer gebeurt: God zoekt contact met mensen (christenen en niet-christenen) en die mensen

205

Door Nancy Beach op 21 oktober 1999.

206

B. van Veen, a.w., 126 resp. 38.

207

Vgl. ook P. Bergwerff, in: Nederlands Dagblad, 27 maart 1999.

208

G.A. Pritchard, a.w., 109, 206v.

209

G.A. Pritchard, a.w., 219.

210

Zie ook P.A. Bergwerff, in: Nederlands Dagblad, 25 oktober 1997.

211

Tijdens de Church Leaderschip Conference zongen we bijvoorbeeld: ‘I have decided to follow Jesus.

Nu turning back. Though none go with me, still I will follow. No turning back’.

75


76

antwoorden daarop in aanbidding. Dit verschil uit zich concreet in het gebruiken van muziek. Terwijl

Willow Creek de muziek (in een dienst voor belangstellenden) gebruikt om de mensen open te krijgen

voor de toespraak, gebruikt Redeemer de muziek uitdrukkelijk om God te eren.

Redeemer heeft een positieve houding naar de cultuur. Willow Creek is veel negatiever over de

cultuur. 212 Het is daarom opvallend dat het juist Willow Creek is die vrij onbevangen allerlei onderdelen

van die cultuur gebruikt om het evangelie over te brengen op de mensen, terwijl Redeemer die wereld wil

‘incarnerenen transformeren. Hiermee staat in verband dat Willow Creek de christenen als ‘soldaten

ziet, 213 terwijl Redeemer zich moeilijk in die houding kan vinden. Intussen zijn er wel overeenkomsten

wat de aanpak betreft. Beide kerken streven naar een hoge kwaliteit van wat ze doen. Beide streven

ernaar relevant te zijn in het presenteren van het christelijk geloof. Beide maken daarbij gebruik van

onderzoeksgegevens over de leefwereld van mensen.

Het laatste verschil dat ik wil aanstippen, betreft de visie op de heilshistorie. Boven heb ik laten

zien dat die bij Redeemer een belangrijke rol speelt en dat het denken over het koninkrijk van God een

spilfunctie vormt. Bij Willow Creek is het tegenovergestelde het geval. De spil in het denken van Willow

Creek is dat een niet-christen (lees: iemand die verloren is) naar Christus wordt geleid. Ik denk dat we

hier twee uitersten ontmoeten. Redeemer benadrukt sterk de continuïteit in het werk van God, van

schepping tot en met wederkomst (vgl. Rom. 8:21). In verband daarmee wordt de basis voor het

methodisch functioneren van de gemeente bepaald door de incarnatie van Jezus Christus en wordt er veel

gesproken over zijn koninkrijk. Willow Creek benadrukt juist sterk de discontinuïteit die er zal zijn ten

tijde van de wederkomst (vgl. 2 Pt. 3:10). 214 In verband daarmee wordt de basis voor het methodisch

functioneren van de gemeente bepaald door de dood en opstanding van Jezus Christus en wordt er veel

gesproken over het leiden van iemand tot Christus.

4. Samenvatting en reactie. De belangrijkste overeenkomst tussen Willow Creek en Redeemer is de

sterk evangelisatorische insteek. Bij beide gemeenten proef je namelijk heel sterk de liefde voor mensen

die ‘buiten’ staan. Bij beide gemeenten is de kern van het evangelie de verzoening door de dood en

opstanding van Jezus Christus. Het belangrijkste verschil tussen Willow Creek en Redeemer is m.i. het

verschil in focus. Bij Willow Creek is de insteek m.i. meer antropocentrisch en psychologisch, terwijl die

bij Redeemer meer theocentrisch en holistisch is. Het verschil kan m.i. ook worden aangeduid door

arminiaans respectievelijk calvinistisch.

Het hart van de praktische kant van gemeenteopbouw wordt bij beide gemeenten gevormd door

de kerkdiensten en de kleine groepen. De invulling en de inhoud daarvan is echter behoorlijk

verschillend. Op grond van mijn uitgangspunten (paragraaf 2) vind ik persoonlijk bij de erediensten van

Redeemer veel meer aansluiting dan bij de samenkomsten van Willow Creek. Met name het feit dat

Redeemer de erediensten zo inricht dat ze zowel christenen als niet-christenen met God verbinden, vind

ik heel sterk. Intussen maakt ook Redeemer gebruik van speciale bijeenkomsten voor zoekers. Kennelijk

blijven die bijeenkomsten nodig en geschikt.

Wat betreft de organisatie van de kleine groepen vind ik juist de aanpak van Willow Creek weer

beter dan die van Redeemer. Ik geloof dat er in een gemeente veel mensen zijn die gemakkelijker iets

doen dan iets zeggen. Een redelijk deel van de gemeente ziet voor een hechte huiskring zoals Redeemer

die kent, een hoge drempel. De aanpak van Willow Creek om praktisch werk te combineren met

gemeenschappelijke bezinning en ‘worship’, lijkt een oplossing te creëren voor deze situatie. Overigens

lijkt ook Redeemer die kant meer op te willen gaan door nu diverse soorten groepen te definiëren (vgl.

paragraaf 4.3.2). Voor de inhoud van de kleine groepen ga ik weer liever bij Redeemer te rade vanwege

de theologische herkenning.

De visie op de cultuur en de wijze van reageren op die cultuur is nogal verschillend tussen

Redeemer en Willow Creek. Willow Creek kiest voor een onderhandelingsstrategie en komt tot een

compromis. 215 Redeemer kiest voor een incarnatiestrategie en wil de cultuur zien te veranderen met het

evangelie.

212 Mark Mittelberg emailde me dat hij hoopt dat mijn onderzoek meer en meer kerken zal helpen om

wegen te vinden om de ‘darkness of the culture’ te penetreren met het licht van Christus’ evangelie; 27

oktober 1999.

213 G.A. Pritchard, a.w., 191. Tijdens de Church Leadership Conference bleek dat Ef. 6:10-20 een van

Hybels favoriete bijbelgedeelten is.

214 G.A. Pritchard, a.w., 229.

215 B. van Veen, a.w., 133.


5 Aanbevelingen

1. Winst. Het onderzoek had als doel: Het verwerven van meer systematisch inzicht in de

uitgangspunten en de praktijk van gemeenteopbouw bij Redeemer. In hoofdstuk 3 heb ik een

beschrijving van Redeemer gepresenteerd. In hoofdstuk 4 heb ik de geschiedenis, de identiteit

en het functioneren van Redeemer geanalyseerd. Deze twee hoofdstukken bevatten de winst van

het onderzoek. Samenvattend vind ik Redeemer inderdaad ‘het tastbare bewijs dat een levende

gereformeerde prediking in het Ninevé van hartje New York honderden, veelal tot op de draad

geseculariseerde, merendeels jonge mensen naar de kerk weet te trekken. Niet met een

vriendelijke, op de behoeften van het gehoor toegesneden boodschap, maar met het Woord van

God dat tweesnijdend is. Maar wél levend en relevant in en voor de specifieke cultuur waarin

deze mensen leven’. 216

2. Vrucht. Maar wat kunnen we nu in Nederland met de winst van het onderzoek? Op deze

vraag ga ik in dit slothoofdstuk in. Een valkuil bij het bestuderen van een bepaalde gemeente

met uitstraling is dat iemand vervolgens allerlei praktische uitwerkingen wil kopiëren. Nu

zouden diverse concrete vormen van het functioneren van een gemeente in Amerika zeker

stimulerend kunnen zijn en ook wel toepasbaar in een Nederlandse context, maar het zwakke

aan dergelijk kopieergedrag is dat daarmee niet de wortel is geraakt. Veel krachtiger is het

zoeken naar wat aan de diverse concrete verschijningsvormen van die gemeente met uitstraling

ten grondslag ligt, om daarmee vervolgens in een andere context aan het werk te gaan. Boven

heb ik een poging gedaan die grondslag van Redeemer bloot te leggen. Onder zal ik

aanbevelingen doen m.b.t. de vraag hoe die grondslag m.i. in de Nederlandse context vrucht zou

kunnen dragen.

3. Theologische identiteit. De theologische identiteit van Redeemer kan worden samengevat

met de trefwoorden: christocentrisch, eschatologisch en contextueel. Ik zou willen dat de kerken

in Nederland zich hierdoor laten inspireren. Met deze identiteit weet ik mij, gezien mijn

uitgangspunten (hoofdstuk 2), sterk verbonden. Voor alle drie aspecten geldt overigens wel dat

Redeemer de dingen krachtiger zegt dan ikzelf op voorhand had gedaan.

i) W.b. het christocentrische: de nadruk die Redeemer op de genade legt, is duidelijker dan

ikzelf in eerste instantie had gedaan. Met name komt dit uit wanneer Redeemer niet alleen

de inhoud van het evangelie schetst, maar bovendien de twee ‘dieven’ van dat evangelie:

moralisme en relativisme.

ii) W.b. het eschatologische: Redeemer werkt uitdrukkelijker met het ‘reeds’ en het ‘nog

niet’ van het koninkrijk dan ik deed. Speciaal komt dit uit in de nadruk op het holistisch

omgaan met pastoraat en diaconaat, d.w.z. met woord en daad, gericht op de hele mens en

de maatschappij. Ook komt dit uit in de wijze van bidden: koninkrijk-gericht bidden richt

zich sterk op de grote lijnen van het koninkrijk en zo op God zelf.

iii) W.b. het contextuele: Redeemer geeft concreter aan dan ik deed hoe een kerk kan

incultureren: niet door aan te passen, maar door aan te sluiten (‘incarneren’) met het doel

om een verandering tot stand te brengen. In het bijzonder legt Redeemer grote nadruk op

de strategische positie van de stad. De stad is typisch de plaats waar de kerk haar

missionaire karakter kan laten zien!

Wanneer de kerken in Nederland zich laten inspireren door de genoemde theologische identiteit,

zal dit m.i. de spiritualiteit in de kerken positief beïnvloeden. Bovenstaande beïnvloedt namelijk

zowel de prediking als het pastoraat en het diaconaat als het gebed als de houding van de

christenen m.b.t. de context van de kerk, c.q. de stad.

216 P.A. Bergwerff, in: Nederlands Dagblad, 1 november 1997.

77


78

4. Verzoening en incarnatie. De concrete uitwerking van bovenstaande theologische identiteit

is tweeledig: enerzijds het centraal stellen van de leer van de verzoening, anderzijds het kiezen

voor het model van de incarnatie om het evangelie met woord en daad te communiceren naar

niet-christenen. Zoals Jezus helemaal in de huid kroop van de mens, echter zonder te zondigen,

zo moeten christenen helemaal in de huid kruipen van niet-christenen, echter zonder hun

burgerschap van het Koninkrijk van God, en dus hun ‘geheel anders zijn’, op te geven. Aan de

buitenkant zijn er geen of erg weinig verschillen te zien tussen christenen en niet-christenen,

maar aan de binnenkant en dus aan de hele houding des te meer. Deze houding betreft

bijvoorbeeld: opkomen voor waarheid en recht, vergeven en verzoenen, onvoorwaardelijk

liefhebben, sterke aansluiting zoeken bij niet-christenen. Een moralist, die keurig volgens

christelijke normen en waarden leeft, uitsluitend omdat hij denkt dat dat moet van God, zal deze

houding niet gauw herkennen in zijn leven. Hij zal ‘incarneren’ maar eng vinden, want ga je niet

gauw te ver? Een relativist, die zelf wel zal bepalen wat hij mag en moet, zal de genoemde

houding ook niet gauw herkennen in zijn leven. Ook hij zal ‘incarneren’ maar eng vinden, want

ben je dan nog wel eigen baas? Moralisten en relativisten vertrouwen uiteindelijk op zichzelf.

Alleen iemand die uit de genade van Jezus Christus leeft, zal de genoemde houding herkennen.

Hij is ‘waarlijk vrij’ (Gal. 5:1), zijn gezindheid stemt overeen met die van Christus (Flp. 2:5).

5. Visie, missie, doelstelling. Om in de 21 e eeuw tot Gods eer en tot zijn dienst te functioneren,

zal de kerk m.i. bereid moeten zijn nieuwe keuzen te maken over de manier van kerk-zijn. God

heeft de verantwoordelijkheid daarvoor aan de gemeente gegeven. Veel vragen over actuele

invulstructuren kunnen we niet met de bijbel in de hand beantwoorden. Die vragen moeten we

zelfs niet willen stellen aan de Schrift. De bijbel geeft aan de christelijke gemeente slechts

aanwijzingen voor een hoofdstructuur. Daarom pleit ik ervoor dat elke plaatselijke gemeente

voor zichzelf een heldere visie, een krachtige missie en een concrete doelstelling formuleert.

Hierin verwoordt de gemeente wat zij gelooft in de tijd van vandaag te moeten doen,

vanzelfsprekend door de kracht van de Heilige Geest. Met deze visie en missie en dit doel moet

het mogelijk zijn als gemeente een doordachte strategie uit te zetten en duidelijk beleid te

maken. De visie, missie en doelstelling van Redeemer kunnen als hulp dienen voor de kerken in

Nederland.

6. Model. In het algemeen veronderstelt het kiezen voor een bepaalde strategie een bepaalde

kijk op de gemeente. Een model is een systematische weergave daarvan. Het is opvallend dat

het model waar ik mee wilde werken (zie Figuur 1) niet voldoende in staat bleek te zijn de

‘Schwung’ van Redeemer te beschrijven, vooral vanwege het feit dat het onderwerp

kerkplanting moeilijk in het model te plaatsen was. Redeemer zelf gebruikt een ander model

(zie Figuur 3). Dit model is meer expliciet naarbinnenen naar ‘buiten’ gericht dan het model

waar ik van uitging. Het verdient m.i. aanbeveling het model van Redeemer nader te

bestuderen. Ik vraag me af of het niet mogelijk is de zes bijbels beargumenteerde werkvelden

van Te Velde (vgl. paragraaf 2.3.1) daar een plaats in te geven, met behoud van het expliciete

waarmee Redeemer geïntegreerd naarbinnenen naar ‘buiten’ is gericht.

7. Erediensten die naarbinnenen naar ‘buiten’ zijn gericht. Overeenkomst in het model

waar ik mee inzette en het model van Redeemer is de grote nadruk op de plaats van de

erediensten en de kleine groepen. Wat de erediensten betreft, wil de plaatselijke gemeente

systematisch en geïntegreerd naarbinnenen naar ‘buiten’ de gemeente opbouwen, dan zal in

die erediensten de toon moeten worden gezet. Iedere zondagse prediking zal uitdrukkelijk

rekening moeten houden met de aanwezigheid van niet-christenen in de kerkzaal. Dit is geen

eenvoudige taak. In ieder geval zal de liturgie doordacht en duidelijk voor alle kerkgangers

moeten zijn (dat heeft niets te maken met traditioneel of modern). Er moet meer bezinning

komen op de noodzaak van het wel of niet organiseren van speciale diensten c.q. bijeenkomsten

voor zoekers en de opzet en de thema’s die daar dan zouden kunnen dienen. Belangrijk is dat er

een cultuuromslag plaatsvindt in de erediensten: van een ons-kent-ons cultuur waar wordt


opgekeken van de aanwezigheid van gasten naar een cultuur waar het normaal is dat de

gemeente velen in de kerkzaal niet kent, waar gasten zich welkom weten en geaccepteerd zijn,

hoe ze er ook uitzien en met welke vragen ze ook komen, en waar in de prediking de genade van

Jezus Christus wordt verkondigd aan christenen en niet-christenen. De prediking zal moeten

ingaan op vragen die de tekst oproept bij christenen en bij niet-christenen.

8. Kleine groepen die naarbinnenen naar ‘buiten’ zijn gericht. Er zal in iedere gemeente

gezocht moeten worden naar vormen van gemeente-zijn om de gemeenschap ook in kleinere

verbanden te laten functioneren. In het bijzonder is dat in onze tijd van individualisme en

materialisme hard nodig. Mijn inzet dat daarvoor een structuur van kleine groepen de

aangewezen weg is, werd bevestigd door het onderzoek naar Redeemer en ook door het

onderzoek naar Willow Creek. Net als de erediensten zullen de kleine groepen expliciet naar

binnenen naar ‘buiten’ gericht moeten zijn. Ik beweer niet dat dat in de praktijk zomaar te

realiseren is. Integendeel, er zal een behoorlijke bezinning moeten plaatsvinden. Welk doel

formuleren we voor de kleine groepen? Hoe moet de toerusting plaatsvinden? Welk materiaal

gebruiken we? Hoe leiden we leiders op? Hoe zorgen we voor voldoende diversiteit? Hoe sturen

en bewaken we het (onderlinge) pastoraat en diaconaat? In hoeverre zijn de kleine groepen te

combineren met praktische werkzaamheden? De plaatselijke gemeente zal antwoorden moeten

geven op deze vragen, passend binnen de eigen context. De methode die Willow Creek heeft om

de groepen te organiseren verdient m.i. over het algemeen de meeste aanbeveling. Deze

methode is in staat praktische werkzaamheden te combineren met onderlinge gemeenschap,

inclusief onderling pastoraat en diaconaat, zodat ieder gemeentelid zich thuis moet kunnen

voelen in een van de groepen, en is zowel naarbinnen’ als naar ‘buiten’ gericht. De uitwerking

hiervan zal een behoorlijke diversiteit aan soorten kleine groepen opleveren. Sommige groepen

zijn meer studie-gericht, andere zijn meer doe-gericht. Maar alle groepen hebben het doel om de

gemeenschap met God en mensen te versterken.

9. Vorming en toerusting. Opvallend aan de gemeenteopbouw zoals die plaatsvindt bij

Redeemer is de grote nadruk op vorming en toerusting, of in termen van Redeemer:

discipelschapstraining en leiderschapsontwikkeling. Deze vorming en toerusting heeft o.a.

betrekking op kringleiders, vrijwilligers van gemeentelijke activiteiten en aspirant-ouderlingen

en -diakenen. Ook voor de Nederlandse kerken lijkt mij dit grote waarde hebben, zeker nu in die

kerken het werken met kleine groepen steeds belangrijker wordt en het vervullen van

ambtsdragervacatures in diverse gemeenten erg moeilijk is. Typerend voor de vorming en

toerusting bij Redeemer is weer de kant naar ‘buiten’. Onderdelen van de discipelschapstraining

die standaard worden gegeven, zijn: ‘De geloofwaardigheid van het evangelie’, ‘Overzicht van

de theologie’ en ‘Introductie op Redeemer’, alle drie speciaal gericht op mensen van ‘buiten’.

Verder zijn er na iedere kerkdienst de Q&A-bijeenkomsten. Dat Redeemer deze onderdelen van

vorming en toerusting aanbiedt, is m.i. een direct gevolg van het feit dat de erediensten expliciet

gericht zijn op christenen en niet-christenen. Het verdient aanbeveling dat ook de Nederlandse

kerken dergelijke cursussen gaan aanbieden. Tijdens de erediensten kan daar prima ‘reclame’

voor worden gemaakt. Dan went de gemeente er meteen aan dat er standaard gasten in de

diensten zijn, onder wie niet-christenen.

10. Kerkplanting. Terwijl in Nederland niet veel ervaring bestaat met het vermenigvuldigen of

planten van kerken, is kerkplanting bij Redeemer een belangrijk onderdeel van zijn model voor

gemeenteopbouw. Het verdient m.i. aanbeveling dat ook de Nederlandse kerken zich bezinnen

op kerkplanting als een middel om te werken aan uitbreiding van Gods koninkrijk. Bijvoorbeeld

zou er antwoord gezocht moeten worden op de vraag bij welke grootte van de gemeente het

beter zou zijn zichzelf te vermenigvuldigen in kleinere units dan door te groeien in één groot

geheel. Een andere vraag is of het niet mogelijk zou zijn om in eigen land een soort

zendingsgebied te definiëren en daar te proberen een nieuwe kerk te planten, expliciet gericht op

niet-christenen. In de lijn van de uitgangspunten en praktijk van Redeemer zou zo’n nieuwe

kerk qua theologie volstrekt in de lijn liggen van het kerkverband, maar zou ze tegelijkertijd

79


80

behoorlijk vrij kunnen zijn in de concrete vormgeving van het kerk-zijn, bijvoorbeeld t.a.v. de

stijl en liturgie van de zondagse erediensten.

De kerken hebben m.i. dicht bij huis een verantwoordelijkheid waarin kerkplanting een

rol zou kunnen spelen. Overal in Nederland worden nieuwe wijken gebouwd, maar veelal staat

er geen enkel kerkgebouw in de bouwplannen. Op zijn minst zouden plaatselijke kerken zich

moeten afvragen wat eigenlijk de sociale, maatschappelijke en culturele situatie is van de

mensen die in hun dorp of stad wonen om zich vervolgens af te vragen hoe die mensen het beste

met het evangelie bereikt kunnen worden. Nog beter is het om er direct bij te zijn wanneer de

burgerlijke gemeente plannen ontwikkelt, zodat de kerk niet achter de feiten aanloopt, maar

simultaan met de groei van het dorp of de stad plannen ontwikkelt om de mensen in de eigen

specifieke omgeving te bereiken. Ik zie niet in waarom in deze plannen kerkplanting niet zou

kunnen worden overwogen. Wanneer op enig afstand, maar wel in de buurt van een bestaande

gemeente, met iets geheel nieuws wordt begonnen en heel bewust voor een bepaald model

wordt gekozen om daar als kerk te functioneren, kunnen er bovendien positieve stimulansen

uitgaan voor de al langer bestaande gemeente.

11. Stad. Redeemer geeft hoge prioriteit aan de stad. De stad is de meest strategische plaats om

in de 21 e eeuw kerk te zijn. In de stad wonen alle volken. De stad is trendsetter. De stad is

zendingsterrein. Ik vind het zeer terecht dat Redeemer op deze manier de vinger bij de stad legt.

Redeemer geeft aan dat de volgende elementen van belang zijn voor kerken in de (grote) steden:

houd van de stad; laat je voortdurend uitdagen door de vele veranderingen in de stad; kies voor

diversiteit; reken met de aanwezigheid van vele culturen en etnische groepen; assimileer d.m.v.

kleine groepen i.p.v. grootschalige bijeenkomsten; maak gebruik van bestaande netwerken; kies

voor een holistische aanpak van pastoraat en diaconaat; aanvaard de relatieve onbelangrijkheid

van loyaliteit aan het kerkverband; werk zoveel mogelijk samen met andere kerken.

De kerken in grote steden van Nederland worden steeds kleiner. De problematiek is

groot. Zou er in het licht van bovenstaande niet een geheel nieuwe manier van kerk-zijn in de

grote stad kunnen worden geïntroduceerd die nauw aansluit bij de cultuur in de stad en zeer

sterk gericht is op niet-christenen? Strategische vraag is op welke groep de kerk in de grote

steden zich wil richten nu de middenklasse, de impliciete doelgroep van oudsher, bezig is uit de

steden te vertrekken. Het kerkverband heeft in dezen een verantwoordelijkheid. Maar ik zou me

ook kunnen voorstellen dat een of meer plaatselijke kerken die verantwoordelijkheid oppakken.

Zij zouden een stad als zendingsgebied kunnen adopteren en, vanzelfsprekend i.o.m. de al

functionerende kerk van Jezus Christus in die stad, zoeken naar mogelijkheden om daar zending

te bedrijven. Waarom zou het niet mogelijk zijn een stuk of tien gezinnen met potentie te

‘beroepen’ om te verhuizen naar een bepaald deel van de Randstad en daar een nieuwe kerk te

planten, nauw aansluitend bij haar context en sterk gericht op niet-christenen? Zoiets zou dan

wel doordacht moeten plaatsvinden, na grondig onderzoek, met een heldere visie en gedragen

door het volhardend gebed van de kerken.

12. Geloof. Er is geloof nodig om concreet te werken aan bovenstaande aanbevelingen. Maar

dat is niet vreemd, omdat immers de hele kerk voorwerp van geloof is. In alles moet het

vertrouwen op God zelf de hoofdtoon voeren. Hij is het zelf die bouwt aan de gemeente van

Jezus Christus. Zijn beloften zijn vast en zeker. Bouwen naarbinnenen naar ‘buiten’ is het

werk van de Heilige Geest. Die Geest schrijft wegen in de tijd, Hij opent harten en laat de

boodschap van genade landen in het leven van mensen. Wonderlijk genoeg gebruikt Hij daar

mensen voor. Er is geloof nodig in de kerk, inderdaad. Maar zelfs dat geeft God, uit genade en

op het gebed.


Literatuur

R.J. Bakke and J. Hart, The urban christian, Downers Grove 1987.

R.J. Bakke, ‘Profiles of effective urban pastors’, in: R.S. Greenway (ed.), Discipling the city, Grand

Rapids 1992 (second edition), 125-135.

G. Barna, Marketing the church, Colorado Springs 1988 2 .

P.A. Bergwerff, ‘De brede weg naar Willow Creek’, Nederlands Dagblad, 24 oktober 1997.

P.A. Bergwerff, ‘We do our best for God’, Nederlands Dagblad, 25 oktober 1997.

P.A. Bergwerff, ‘In een andere wereld’, Nederlands Dagblad, 28 oktober 1997.

P.A. Bergwerff, ‘Onder de profeten?’, Nederlands Dagblad, 31 oktober.

P.A. Bergwerff, ‘Achter Amerika aan?’, Nederlands Dagblad, 1 november 1997.

P.A. Bergwerff, ‘De onbetaalde rekening van ‘evangelisch’ Amerika, Nederlands Dagblad, 26 maart

1999.

P.A. Bergwerff, ‘We kunnen niet zonder een verbolgen God’, Nederlands Dagblad, 27 maart 1999.

G.C. Berkouwer, Faith en sanctification, Grand Rapids 1952.

P. Beyerhaus, ‘Evangelie als publieke waarheid’, Reformatorisch Dagblad, 17 maart 1998.

G. Bilezikian, Christianity 101. Your guide to eight basic christian beliefs, Grand Rapids 1993.

P. Braoudakis (ed.), Church leaders handbook, Barrington 1997 4 .

J.H. Carlier, ‘De levende gemeente – een uitdaging’, Ambtelijk Contact 39 (1999), 453-461.

E.P. Clowney, The unfolding mystery. Discovering Christ in the Old Testament, Phillipsburg 1988.

E.P. Clowney, The church. Contours of christian theology, Downers Grove 1995.

H.M. Conn, Evangelism. Doing justice and preaching grace, Phillipsburg 1982.

H.M. Conn, A clarified vision for urban mission. Dispelling the urban stereotypes, Grand Rapids 1987.

E. Dobson, Een dienst voor belangstellenden… hoe begin je daarmee?, Hoornaar 1996.

J.M. Frame, The doctrine of the knowledge of God, Phillipsburg 1987.

C.F. George, Prepare your church for the future, Grand Rapids 1999 10 .

M.R. Gornik, ‘Between resurrection and reconciliation. The story of New Song Community Church’, in:

H.M. Conn (ed.), Planting and growing urban churches. From dream to reality, Grand Rapids 1997, 235-

247.

S.G. de Graaf, Verbondsgeschiedenis. Schetsen voor de vertelling van de bijbelse geschiedenis, Kampen

1952 (twee delen).

R.S. Greenway (ed.), Discipling the city. Theological reflections on urban mission, Grand Rapids 1986 3 .

R.S. Greenway (ed.), Discipling the city. A Comprehensive approach to urban mission, Grand Rapids

1992 (second edition).

R.S. Greenway and T.M. Monsma, Cities. Missions new frontier, Grand Rapids 1989.

K. van der Grijp, Geloven in de stad. Geloofsverantwoording in stedelijk perspectief, Kampen 1991.

C.J. Haak, Kerkgroei… graag?!, Barneveld 1997.

C.J. Haak, Kerk in de 21 e eeuw. Weer kerk voor de wereld zijn, Kampen 1999.

J. Haveman, ‘Samen naar de Bron. Over jongeren, jeugdcultuur en kerkelijk jeugdbeleid’,

doctoraalscriptie Gemeenteopbouw, Kampen 1999.

H.J. Hendriks, Strategiese beplanning in die gemeente. Die beginsels & praktyk van gemeente vernuwing,

Wellington 1992.

M. Herbst, Missionarischer Gemeindeaufbau in der Volkskirche, Stuttgart 1993 3 .

L. and B. Hybels, Rediscovering church, Grand Rapids 1995.

J. Jonkman, ‘Zes miljard mensen’, in: De Wekker, 15 oktober 1999.

A. Kamsteeg, ‘Spectaculaire kerkgroei in hartje New York’, Nederlands Dagblad, 30 maart 1991.

A. Kamsteeg, ‘De wereld begin hen ‘christenen’ te noemen…’, Nederlands Dagblad, 28 september 1991.

A. Kamsteeg, ‘Ademloos luisteren naar Timothy Keller’, Nederlands Dagblad, 4 oktober 1994.

81


82

A. Kamsteeg, ‘Spectaculaire kerkgroei in hartje New York’, Nederlands Dagblad, 29 oktober 1994.

A. Kamsteeg, Amerika. Sommigen noemen het een opwekking, Barneveld 1995 4 .

A. Kamsteeg, ‘De barmhartige Samaritaan. Naar de daklozen en aidspatiënten in de grote stad’,

Nederlands Dagblad, 1 april 1995.

A. Kamsteeg, ‘Ook wij gaan op de ‘weg naar Jericho’’, Nederlands Dagblad, 1 april 1995.

A. Kamsteeg, ‘Niet op de automatische piloot het huwelijk in’, Nederlands Dagblad, 18 april 1998.

A. Kamsteeg, O. Ramaker en J. de Wilde (red.), ‘Gemeentegroei vandaag’, bijlage bij Christen vandaag

en Groei, voorjaar 1998.

A. Kamsteeg, ‘Een nieuw lied tussen zwarten en latino’s. Jeff White gaat naar Harlem’, Nederlands

Dagblad, 16 januari 1999.

A. Kamsteeg, ‘Het geheim van de levende gemeente’, Ambtelijk Contact 39 (1999), 449-453.

K. Keller, ‘Case study’, in: Soul food, newsletter of the World Harvest Mission, Fall 1999.

T.J. Keller, ‘An evangelical mission in a secular city’, in: L.E. Schaller (ed.), Center City Churches. The

new urban frontier, Nashville 1993, 31-41.

T.J. Keller, ‘Reformed church growth’, in: A Presbyterian Network Reprint, 1995 (oorspronkelijk

gepresenteerd op de London Presbyterian Conference in juni 1988 en daarna gepubliceerd in Presbyterian

Network).

T.J. Keller, Ministries of mercy. The call of the Jericho road, Phillipsburg 1997 2 .

T.J. Keller, ‘From a church to a movement of churches’, Redeemer Report, augustus 1999.

R.D. Knudsen, ‘Beginsel tegenover beginsel’, Reformatorisch Dagblad, 10 maart 1999.

W. Kremer, Priesterlijke prediking, Amsterdam 1976.

J.W. Maris, ‘De kerk’, colleges dogmatiek CD-jaar 1996-1997, 2 e semester.

A. McGrath, Bruggen bouwen. Over het effectief doorgeven van het christelijk geloof, Kampen 1995.

H.C. Mijnders, ‘Willow Creek: voor God is alleen het beste genoeg’, Ambtelijk contact 36 (1997), 48-53.

C.J. Miller, Outgroing the ingrown church, Grand Rapids 1986.

C.J. Miller, Powerful evangelism for the powerless, Phillipsburg 1997.

H.R. Niebuhr, Christ and culture, New York 1951.

A. Noordegraaf, Creatura verbi. De groei van de gemeente volgens de Handelingen der Apostelen, ’s-

Gravenhage 1983.

A. Noordegraaf, ‘De kerk in het Nieuwe Testament’, in: W. van ’t Spijker e.a. (red.), De kerk, Kampen

1990, 19-62.

A. Noordegraaf, ‘Familia dei’, Theologia Reformata 35 (1992), 183-203.

A. Noordegraaf, Vijf broden en twee vissen. Missionair gemeentezijn in een (post)moderne samenleving,

Zoetermeer 1998.

A. Noordegraaf, ‘Gemeenteopbouw bij kenterend getij’, Theologia Reformata 42 (1999), 73-90.

K. van Noppen, ‘Stop met acties – kom in de kring’, interview met E. Veenhuizen, Nederlands Dagblad,

23 oktober 1999.

M. Ortiz, ‘Being disciples: incarnational christians in the city’, in: R.S. Greenway (ed.), Discipling the

city, Grand Rapids 1992 (second edition), 85-98.

J. Perkins and J. Kadlicek, ‘Manhattan transformation’, in: Resurrecting hope, Ventura 1997, 147-157.

G.A. Pritchard, Willow Creek. Een eerlijke evaluatie, Heerenveen 1997.

Redeemer Presbyterian Church, ‘A church planting movement’, z.j.

Redeemer Presbyterian Church, ‘A practical model for preachting’, z.j.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Hope for New York’, z.j.

Redeemer Presbyterian Church, ‘How do we worship today?’, z.j.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Life together in gospel-community’, z.j.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Mercy and deed ministry’, z.j.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Redeemer counseling services’, z.j.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Sequential principles for developing an arts program’, z.j.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Seven ways to make an over-and-above gift to your church’, z.j.

Redeemer Presbyterian Church, ‘The centrality of the gospel’, z.j.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Vision synopsis’, z.j.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Worship leading’, z.j.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Case study of urban church growth’, 1996.


Redeemer Presbyterian Church, ‘Preparing for marriage’, 1996.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Vision an model: gospel-driven church’, 1997.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Redeemer and the New York project’, 1997.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Celebrating the past, preparing the future’, 1999.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Gospel-centered preaching’, 1999.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Hope for New York Orientaton packet’, 1999.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Hope for New York. Team leader handbook’, 1999.

Redeemer Presbyterian Church, ‘How do we evangelize?’, 1999.

Redeemer Presbyterian Church, ‘How do we start new churches?’, 1999.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Outward face’, 1999.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Redeemer Fellowship Groups: A summary’, 1999.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Redeemer Presbyterian: an outline of its history and future’, 1999.

Redeemer Presbyterian Church, ‘The church in a post-modern world’, 1999.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Visitor’s information’, 1999.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Why focus on the city?’, 1999.

Redeemer Presbyterian Church, ‘Why plant new churches?’, 1999.

H.N. Ridderbos, De komst van het koninkrijk, Kampen 1950.

H.N. Ridderbos, Paulus. Ontwerp van zijn theologie, Kampen 1966.

A.A. van Ruler, Theologie van het apostolaat, Kampen z.j. (1954).

K. Sande, The peacemaker. A biblical guide to resolving personal conflicts, Grand Rapids 1991.

J. van ’t Spijker, ‘De prima plantatione et collectione ecclesiae, aut ecclesiarum. Een onderzoek naar de

opvattingen van de reformatoren en de vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie, met name

Gisbertus Voetius met betrekking tot de zending en de doorwerking daarvan’, doctoraalscriptie,

Apeldoorn 1997.

W. van ’t Spijker e.a. (red.), De kerk, Kampen 1990.

J.R.W. Stott, Zending in de moderne wereld, Goed 1975.

L. Strobel, Wat beweegt de onkerkelijke John en Anita?, Hoornaar 1995.

D. van Swigchem, Het missionair karakter van de christelijke gemeente volgens de brieven van Paulus en

Petrus, Kampen 1955.

R.F. Telgenhof, ‘Samen leven met God. Een onderzoek naar de bruikbaarheid van de kleine groep binnen

de kaders van de gereformeerde gemeenteopbouw, mede aan de hand van het concept van de Cell Group

Church’, doctoraalscriptie Gemeenteopbouw, Kampen 1999.

B. van Veen, ‘Aanpassing zonder aantasting? Leren van de Willow Creek Community Church over de

noodzaak en de mogelijkheid van het overbruggen van de kloof tussen kerk en onkerkelijke’,

doctoraalscriptie Gemeenteopbouw, Kampen 1996.

M. te Velde, Gereformeerde gemeenteopbouw. Een eerste koersbepaling voor een nieuw theologisch vak,

Barneveld 1989.

M. te Velde, Gemeenteopbouw 1. Doelgericht en samenhangend werken in de christelijke gemeente,

Barneveld 1992.

M. te Velde, Gemeenteopbouw 2. Bijbelse basisprincipes voor het functioneren van de christelijke

gemeente, Barneveld 1992.

M. te Velde, Gemeenteopbouw 3. Methodisch beleid ontwikkelen in de christelijke gemeente, Barneveld

1993.

M. te Velde e.a., Gemeenteopbouw 4. Handreiking voor een gemeente-werkplan, Barneveld 1993.

J.P. Versteeg, Geest, ambt en uitzicht, Kampen 1989.

N. Viss, ‘Redeemer Presbyterian Church, New York City’, in: Bulletin voor gemeentegroei, oktober

1999.

F. Wester, Strategieën voor kwalitatief onderzoek, Bussum 1995 3 .

Westminster Theological Seminary, ‘Am I called to church planting’, reader bij het college Church

Planting, 1999.

Willow Creek Association, ‘Myths about a movement’, WCA News 5 (1997), 1-7.

Willow Creek Nederland, ‘Tien mythen over Willow Creek’, z.j.

Willow Creek Nederland, Kerk zonder drempel. Hoe de gemeente van Christus ongelovige mensen kan

bereiken, Haamstede 1995.

83


84

Willow Creek Nederland, Een kennismaking met de Willow Creek Community Church en Willow Creek

Nederland, 1999.

N.T. Wright, ‘One God, one Lord, one People. Incarnational christology for a church in a pagan

environment’, Ex auditu 7 (1991), 45-58.

A. Zijlstra, ‘Heel de schepping aanknopingspunt’, Reformatorisch Dagblad, 17 februari 1998.


Bijlagen

Onderstaande bijlagen bevatten de teksten van de artikelen die ik heb gepubliceerd n.a.v. het

onderzoek waar ik in dit rapport verslag van doe.

A. VisNed wil groeien door klein te worden 217

HOUTEN – In een bepaalde stad wordt een nieuwe wijk gebouwd. De burgerlijke gemeente

heeft geen plaats gereserveerd voor een nieuw kerkgebouw in die wijk. Wat doe je dan als kerk

van Jezus Christus in de betreffende stad om de bewoners van die nieuwe wijk te bereiken?

Wacht je af en hoop je dat men spontaan aar de kerk komt? Het advies van Wolfgang Fernandez

uit Venezuela, vice-directeur van DAWN, luidt: ‘Begin een nieuw soort kerk. Ga groeien door

klein te worden’.

Wit om te oogsten

DAWN is een wereldwijde beweging die stimulansen wil geven aan doelgericht

evangelisatiewerk. De afkorting staat voor: Discipling Whole Nation (een hele natie tot

discipelen maken). Het evangelisatiemiddel bij uitstek is volgens DAWN het stichten van

nieuwe gemeenten. De Nederlandse poot van DAWN is VisNed, ‘Visie voor Nederland’.

VisNed vindt eigenlijk dat er 5000 nieuwe gemeenten gesticht moeten worden in Nederland. De

velden zijn wit om te oogsten, maar daar zijn veel arbeiders voor nodig en die arbeiders moeten

bovendien de juiste methoden gebruiken. Gisteren en vandaag zijn op een VisNed-congres in

Houten 55 mensen uit diverse gemeenten, kerken en parakerkelijke organisaties bijeen om zich

te bezinnen op de arbeiders en de oogst. Het resultaat van de eerste dag kan worden getypeerd

door de woorden ‘Groeien door klein te worden’. Een van de sprekers op het VisNed-congres

was de genoemde Wolfgang Fernandez. Hij adviseerde drie stappen om de bewoners van die

nieuwe wijk te bereiken. ‘Stap 1: Ga in die wijk wonen en integreer in de gemeenschap. Stap 2:

Leg relaties en onderhoud die goed. Stap 3: Nodig mensen bij jou thuis uit en vertel hen wat

God in jouw leven heeft gedaan.’ Op die manier kan er bij iemand thuis een cel ontstaan waar

mensen discipelen van Jezus worden. Zo ontstaat dan in die wijk een kleine nieuwe gemeente.

Er was eens een vrouw die als motto had: ‘Geef jezelf, je huis en je soep’. Ze bereikte zestig

mensen uit haar wijk met het evangelie van Jezus Christus. Christenen van nu zouden veel

minder gericht moeten zijn op grote kerken en veel meer op de persoonlijke relaties met mensen

in kleine groepen. Die kleine groepen zouden immers kleine gemeenten kunnen worden.

Bidden voor de politie

Klein in plaats van groot. Dat geldt ook in geestelijk opzicht. De Zwitser Ueli Haldemann,

leider van DAWN-Zwitserland, wees de congresgangers op de grote betekenis van het gebed.

Het is het fundament voor alle evangelisatiewerk. Wij kunnen van alles bedenken aan

methoden, technieken en onderzoeken en alles in het werk stellen om mensen te bereiken en

nieuwe gemeenten te stichten, maar het fundament is het gebed. Want het is God die de

gemeente bouwt. Bidden is contact met Hem zoeken en het van Hem verwachten. Door het

gebed verandert God mensen. Als ik vanaf vandaag iedere dag een minuut ga bidden voor mijn

niet-christelijke buren, gegarandeerd dat mijn houding naar hen toe verandert. Het mooie van

bidden is verder dat iedere christen, ongeacht leeftijd en gezondheid, kan meedoen. Er ging eens

een groepje christenen naar een politiebureau om te vragen: ‘Waar zitten jullie als agenten nou

217 Verschenen in: Nederlands Dagblad, 11 mei 1999.

85


86

mee? Wij willen dat graag weten, want wij bidden voor jullie als een onderdeel van ons gebed

voor de hele wijk’. Tijdens het congres werd niet alleen gepraat over bidden, maar werd ook

daadwerkelijk tijd gereserveerd voor de praktijk ervan.

Schreeuw om Verlosser

Huub Bogaers en Ronald van der Molen deden verslag van hun onderzoek in Den Haag naar

een optimale locatie voor de stichting van een nieuwe gemeente. Deze krant schreef jongstleden

vrijdag over dit onderzoek. “De wereld schreeuwt om een Verlosser”, concludeerde Van der

Molen tijdens zijn presentatie. Hij gaf de congresgangers vier adviezen. Ten eerst: leer uw stad

of uw wijk kennen, door vragen te stellen aan sleutelfiguren, interviews af te nemen, interesse te

tonen. Ten tweede: leer de bewoners kennen en verzacht hun noden. “Als je niet-christenen wilt

bereiken, moet je met ze omgaan”. Hoe zou je anders een zoutend zout kunnen zijn? Ten derde:

Richt je met je gemeente die je start op de noden in de wijk. Alleen dan kom je echt bij de

mensen. Trefwoorden: Aandacht, relaties, kameraadschap, kringenwerk, kinderwerk. Ten

vierde: Wees een zegen. Ga naar de eenzamen, geef troost en deel van je geld. Wees Jezus’

handen! Groeien door klein te worden, kortom.

B. Durf in kerk groot te denken 218

HOUTEN – Een plaats ergens in Nederland telt 30.000 inwoners. De plaatselijke christelijke

gemeenten kunnen 5000 zitplaatsen aanbieden. Bij twee diensten op een zondag is dat maximaal

10.000. Dat betekent dat er 20.000 burgers geen eredienst kunnen bijwonen, eenvoudig omdat

er geen plaats is. Conclusie: er zouden daar wel 20 nieuwe gemeenten kunnen worden

gesticht… Maar dan moet je wel groot durven denken!

Familieverband

Groot durven denken, dat was de lijn van de tweede dag van het VisNed-congres in Houten.

Geconstateerd werd dat nogal wat christenen van vandaag de neiging hebben om te accentueren

dat ze een minderheid (gaan) vormen. Geconstateerd werd ook dat nogal wat christelijke

gemeenten een ad-hoc beleid voeren in plaats van gericht te werken aan heen helder doel. Een

belangrijke oorzaak wordt gevormd door de tijdsdruk. Veel pastores zijn overbezet. En niet

alleen pastores, ook veel andere christenen zijn zo druk met werk en kerk dat ze geen tijd meer

hebben voor relaties met de naaste omgeving. En dat terwijl heel veel mensen op een eilandje

leven, slechts enkele collega’s en wat familieleden kennen, en hartstochtelijk op zoek zijn naar

vrienden. Ds. Bram Krol op de avond van de eerste congresdag: “De gemeente van de toekomst

moet daarom een alternatief familieverband vormen”. Trefwoorden van die gemeente zijn:

familiair, persoonlijk en liefdevol.

Cultureel relevant

Veel christelijke gemeenten willen graag een gemeente zijn voor iedereen. De praktijk wijst

echter uit dat dat een onmogelijkheid is. Er zijn zoveel groepen in de samenleving die een

andere taal spreken (letterlijk of figuurlijk), die ander eten eten, die een andere humor kennen,

die anders gekleed zijn, die gewoon anders zijn, dat het niet mogelijk is al deze groepen met een

en dezelfde christelijke gemeente te bereiken, aldus Bram Krol en de Zwitser Ueli Haldemann

op het congres. Om op deze sociale segmentatie in te spelen is het erg belangrijk om als

gemeente en visie te hebben waarin onder meer duidelijk wordt op welke doelgroep je je als

gemeente speciaal richt. De gemeente van vandaag moet ‘cultureel relevant’ zijn. Daarom is het

niet goed om meer van hetzelfde te willen, maar om ruimte te bieden aan experimenten. Als een

bepaalde groep uit de samenleving in een bepaald deel van een stad het beste kan worden

218 Verschenen in: Nederlands Dagblad, 12 mei 1999.


ereikt met een huisgemeente of met een jeugdgemeente, dan moet je dat toch willen? Het gaat

per slot van rekening om het Koninkrijk van God! Maar dan moet je wel groot durven denken.

Buurtonderzoek

Een middel om visie voor een bepaalde wijk of een bepaald dorp te krijgen, is het houden van

een buurtonderzoek. “Zoiets opent onze ogen voor iets wat we eerst niet zagen”, aldus

Haldemann. Een voorbeeld: maak een kaart van de stad waar je woont, teken daarin de kerken

die er zijn en geef verschillende kleuren aan die delen van de stad waar de kerkelijke presentie

respectievelijk hoog, middelmatig, laag of zeer laag is. Een ander hulpmiddel om visie voor een

bepaalde wijk of een bepaald dorp te krijgen is er geregeld gaan wandelen. Heel concreet kun je

dan mensen, situaties en dingen die in de wijk gebeuren in gebed opdragen aan de Here God.

Een gebedswandeling dus. Een van de onderdelen van het VisNed-congres was dan ook een

gebedwandeling door een deel van Houten. Kun je dan niet gewoon in de kerk of thuis voor die

wijk bidden? Natuurlijk wel, maar door er zelf doorheen te wandelen komt de situatie concreter

op je af zodat je gericht de dingen aan God kunt voorleggen. Wat is nodig vandaag? Een kerk

als alternatief familieverband. Een kerk die cultureel relevant is. Een kerk met visie. Een

biddende kerk. De opdracht om al de volken tot discipelen van Jezus Christus te maken (Matt.

28:19) is groot. Een deelnemer: “Maar we hebben een grote God en we mogen grote dingen van

Hem verwachten”. Evangelisatie door groot te durven denken, kortom.

C. Plant een nieuwe kerk die cultureel relevant is 219

LONDEN - In veel grote steden lopen de kerken leeg en is de gemiddelde leeftijd van de

betrokken kerkleden hoog. Jonge gezinnen verhuizen naar buiten de stad. En tegelijkertijd is de

wervingskracht van veel stadskerken gering. Hoe kan deze trieste situatie worden omgebogen?

Het antwoord van Tim Keller, predikant van de Redeemer Presbyterian Church in New York

City, luidt: ‘Plant een nieuwe kerk die cultureel relevant is’.

Keller sprak deze week op een congres in Londen over kerk-zijn in de grote stad. Twee

dagen lang mocht hij tweehonderd congresgangers, van wie een dozijn uit Nederland, zijn visie

op kerk-zijn in de grote stad voorhouden. Keller heeft recht van spreken. Want hoewel

Redeemer pas in 1989 in hartje New York startte met kerk-zijn, komen er vandaag maar liefst

2900 bezoekers in de drie zondagse diensten en nemen 1400 mensen deel aan kleine groepen

van de gemeente. Zeer opmerkelijk is dat bij alle diensten zo’n 20 tot 35 procent van de

bezoekers niet-christen is. Wat is het geheim van Redeemer?

Een nieuwe kerk planten?

Het klinkt nogal provocerend: ga maar een nieuwe kerk planten. Alsof we niet al genoeg kerken

hebben waar ‘s zondags maar een handjevol stoelen bezet is, die moeilijk functioneren, die

vergrijzen en die teruglopen in ledental! Kunnen we ons niet beter richten op het vormen van

meer eenheid in het christendom? Waarom een nieuwe kerk planten? Omdat dit volgens Keller

bij uitstek de vervulling is van de Grote Opdracht uit Matt. 28:18-20. Het gaat bij die opdracht

niet slechts om het winnen van nieuwe individuen voor het Koninkrijk, maar om het vormen

van nieuwe gemeenschappen die God de lof brengen. Dit wordt bevestigd door de aard van het

werk van Paulus.

Maar er is meer. Naast bovenstaand bijbels mandaat volgt uit de praktijk dat het planten

van een nieuwe kerk zeer effectief is. Keller noemde vier redenen. De eerste reden: nieuwe

kerken zijn erg goed in het bereiken van niet-gelovigen. Het blijkt dat bij kerken die al langer

bestaan, hooguit twintig procent van de nieuwe leden een niet-christelijke achtergrond heeft; bij

kerken die nog maar kort bestaan, is dat maar liefst 60 tot 80 procent. De tweede reden: nieuwe

219 Verschenen in: Nederlands Dagblad, 29 mei 1999.

87


88

kerken vormen de beste weg om nieuwe inwoners, nieuwe generaties en nieuwe

bevolkingsgroepen te bereiken. In een nieuwe kerk kunnen deze mensen bijvoorbeeld al snel

meedoen in het gemeentelijk leven. De derde reden: nieuwe kerken zijn aantrekkelijk voor

creatieve leiders. Het kan een negatief effect hebben op bestaande kerken, wanneer jonge

creatievelingen overstappen naar de nieuwe kerk maar de vierde reden ondervangt dit effect:

nieuwe kerken blijken namelijk het beste middel te zijn om al langer bestaande kerken te

vernieuwen met hun verfrissende invloed. ‘Het Koninkrijk van God heeft nieuwe kerken nodig’,

aldus Keller.

Hoe plant je een nieuwe kerk?

Aan de hand van ervaringen met Redeemer presenteerde Keller een handvat om een nieuwe

kerk te beginnen. Van het allergrootste belang is allereerst om zelf het evangelie te kennen.

Geen moralisme en geen relativisme! Alleen het pure evangelie van Gods genade maakt vrij!

Dit evangelie moet de wereld in. Daar is de bijbel duidelijk over. Tegelijk is de bijbel zuinig

met het verstrekken van antwoorden op de vraag hoe dat dan moet. Er wordt in de bijbel

bijvoorbeeld niks gezegd over het klappen van handen tijdens het zingen in de diensten. De

bijbel vertelt niet hoe we contact moeten zoeken met niet-christenen om hen te confronteren met

het evangelie. Keller: dus moeten we ervoor zorgen dat we dat zo verstandig mogelijk doen.

Hoe dat is? Door zo dicht mogelijk aan te sluiten bij de cultuur en belevingswereld van de

doelgroep. De boodschap moet contextueel zijn, cultureel relevant.

Vervolgens is het van belang onderzoek te doen. Wat leeft er onder de mensen? Waar

hebben ze plezier in en waarin juist helemaal niet? Hoe zien ze de wereld om hen heen? Welke

religieuze bewegingen zijn bij hen actief? Er zullen persoonlijke gesprekken moeten worden

gevoerd en er zal sociologisch onderzoek moeten worden gedaan. Op grond hiervan en

uitgaande van de principiële bezinning moet dan een plan worden gemaakt voor de nieuwe kerk.

Wat moet de boodschap zijn? Hoe kunnen individuen betrokken worden op de nieuwe kerk?

Hoe kan de nieuwe kerk dienstbaar zijn aan de samenleving? Dit moet allemaal concreet

worden gemaakt in een actieplan. Daarin moet ook duidelijk worden waar het benodigde geld

vandaan moet komen. Ook moeten daarin stappen staan die ervoor zorgen dat er goede

contacten ontstaan met de omgeving van de nieuwe kerk. De church planter (kerkplanter) zal

zelf in die omgeving moeten (gaan) wonen.

Waar plant je een nieuwe kerk?

Bovenstaande ging steeds al uit van een stadsomgeving voor een nieuwe kerk. De aanleiding is

natuurlijk het feit dat het congres ging over kerk-zijn in de grote stad. Maar ook principieel is

het volgens Keller van het grootste belang dat de aandacht van de christenheid op de stad

gericht is. Hij wees erop dat de stad niet maar een sociologisch verschijnsel of een bedenksel

van mensen is, maar een ontwerp van God. De geschiedenis begon met een tuin (Gen. 2), maar

eindigt in een stad (Op. 21). Van meetaf was het Gods bedoeling de tuin te laten uitgroeien tot

een stad. Ook na de zondeval is God zelf - door Christus, nu Adam is gevallen - aan het werk

om te bouwen aan een toekomst van een stad met fundamenten (Hebr. 11). Kortom, God is een

Stedenbouwer, aldus Keller. De functies die God voor ogen heeft met de stad, zijn volgens

Keller dezelfde als de functies die God voor ogen had met de hof van Eden: (1) een schuilplaats

voor mensen uit elke stam, taal en natie; (2) een bakermat van cultuur en beschaving; (3) een

plaats om God te ontmoeten; door heel de geschiedenis heen zie je dat mensen juist in de steden

hun heiligdommen bouwen.

Vies, zondig, gevaarlijk

Veel mensen vinden de stad vies, zondig en gevaarlijk. Maar met zo’n houding bereik je de stad

nooit. De enige houding die daarvoor kan zorgen, is de houding van: ik houd van de stad. Met

zo’n houding is de kerk als een zuurdesem in de stad, een zoutend zout. Keller legde er

vervolgens de nadruk op dat je gericht moet zijn op de stad als geheel en niet in de eerste plaats

op de kerk in die stad. Als je gericht bent op groei van de stad in plaats van op de groei van de

kerk, krijg je namelijk beide: zowel stadsgroei als kerkgroei; in het andere geval krijg je


waarschijnlijk geen van beide. Ook strategisch is de keuze voor de stad logisch, omdat de stad

trendsetter is. Een positieve ontwikkeling van de stad zal na verloop van tijd een positief effect

hebben op het omliggende platteland. Het is daarom de stad die nieuwe kerken nodig heeft.

Erediensten

Keller ging ook in op de erediensten die in Redeemer worden gehouden. Het doel van de

erediensten is om zowel christenen als niet-christenen te verbinden met God. Dat laatste is

opvallend. Nadrukkelijk wordt ervan uitgegaan dat niet-christenen in alle reguliere erediensten

aanwezig zijn. Deze insteek is principieel verschillend van die van bijvoorbeeld Willow Creek

waar veel aandacht wordt gegeven aan diensten voor zoekers. Volgens Willow Creek kun je niet

worship (aanbidding) doen en tegelijkertijd evangelism (evangelisatie). Redeemer is het hier

mee oneens. Er zijn allerlei praktische bezwaren aan het model van speciale diensten voor

zoekers verbonden. Hoe kun je er bijvoorbeeld voor zorgen dat mensen die tot geloof zijn

gekomen, daarna switchen naar de diensten voor gemeenteleden (die op woensdagavond

worden gehouden)? Belangrijker nog zijn de theologische bezwaren. Christenen en nietchristenen

hebben hetzelfde Woord nodig. In het NT zien we in Hand. 2 en 1 Kor. 14 dat nietchristenen

de samenkomsten van de gemeente bezoeken en tot geloof komen. Het houden van

diensten waarin zowel christenen als niet-christenen worden verwacht en komen, is een typisch

gevolg van het verbondsmatig denken over de gemeente.

Massaal

Maar hoe is het bij Redeemer zover gekomen dat niet-christenen zo massaal de diensten

bezoeken? Het geheim is volgens Keller dat men er naar streeft dat iedere christen na afloop van

een dienst kan zeggen: ‘Ik wilde dat mijn niet-christelijke vriend hier was geweest’. Keller: ‘Als

je in iedere dienst preekt zoals je zou preken wanneer je zou weten dat er niet-christenen bij

waren, gegarandeerd dat er enige tijd daarna niet-christenen in de dienst zijn’. Een paar punten

om het concreet te maken: (1) geen jargon gebruiken; (2) regelmatig kort uitleggen wat er in de

dienst gebeurt; (3) kwaliteit wat betreft de muziek hebben; gelovigen storen zich minder aan

slechte kwaliteit, omdat ze toch wel geraakt worden door de inhoud van de woorden, maar dit

geldt niet voor niet-gelovigen; (4) woord en daad voortdurend laten samengaan; (5) de betekenis

van de sacramenten duidelijk laten zijn, bijvoorbeeld door een persoonlijk getuigenis van

iemand die gedoopt wordt. De aandacht voor zowel christenen als niet-christenen beperkt zich

niet tot de erediensten. Aan alle kleine groepen (zo’n 120 stuks) doen zowel christenen als nietchristenen

mee. En wat het pastoraat betreft, Tim Keller geeft bij de planning van zijn bezoeken

prioriteit aan niet-christenen. Het pastoraat onder de christenen vindt hoofdzakelijk plaats in de

kleine groepen. Daar kent men elkaar immers door en door.

Genade

Het allerbelangrijkste van Kellers adviezen is wellicht wel dit: de genade van Jezus Christus

moet centraal staan. Dit is niet maar een open deur. Want dat centraal stellen moet dan wel zo

gebeuren dat het landt. Zo gemakkelijk verwordt ons denken tot moralisme. Stel iemand liegt.

Dan kun je zeggen: ‘Dat mag niet van God’, maar daarmee zeg je niets over de achtergrond van

dat verbod. Er zit natuurlijk een oorzaak achter dat liegen. Dat zou kunnen zijn dat iemand

zichzelf groot wil houden. Als je dan zou vragen waarom die persoon liegt, laat je hem

ontdekken dat hij feitelijk het heil bij zichzelf zoekt, in plaats van bij Jezus Christus. Jezus wil

je vrijmaken van alle slavernij, ook van het op jezelf gericht zijn.

Op het congres dankten we samen: ‘Wij danken U, Vader, voor het evangelie. Wij

danken U dat dat evangelie niet alleen maar informatie is, maar het krachtige Woord van de

levende God dat mensen verandert.’ Dit is niet een geheim van Redeemer, maar van de drieenige

God.

89


90

D. Kerk voor christenen en niet-christenen 220

Denkt u na afloop van een kerkdienst wel eens: Ik wilde dat mijn niet-christelijke vriend hier

was geweest? En heeft u dan werkelijk het idee dat die vriend of die collega of welke andere

niet-christen ook zich aangesproken had geweten in die dienst? Vorige week was er in Londen

een congres waar het ging over een kerk waar dit inderdaad praktijk is. Siebrand Wierda geeft

een impressie.

Twee richtingen

Hoofdspreker op het congres in Londen was ds. Tim Keller, predikant van de Redeemer

Presbyterian Church in New York City. Hoewel deze kerk nog maar tien jaar bestaat, zijn er ’s

zondags zo’n 2900 deelnemers aan de erediensten. Van hen is maar liefst een vijfde tot een

derde deel niet-christen. Redeemer onderschrijft een gereformeerde belijdenis. Wat is het

geheim? Volgens ds. Keller is het geheim dat men er naar streeft dat iedere christen na afloop

van een dienst kan zeggen: ‘Ik wilde dat mijn niet-christelijke vriend hier was geweest’.

Uitdrukkelijk wil Redeemer een kerk voor christenen en niet-christenen zijn. Eigenlijk is dat

ook wel voor de hand liggend, want principieel heeft gemeenteopbouw twee richtingen: naar

binnen, om de gemeente van binnen op te bouwen, en naar buiten, om niet-christenen tot het

christelijk geloof te brengen. Redeemer doet alle moeite om zo dicht mogelijk aan te sluiten bij

de cultuur en belevingswereld van de doelgroep. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in een

traditionele ochtenddienst en een moderne middagdienst, waarin onder meer jazzmuziek wordt

gespeeld.

Onderscheidenlijk preken

Hoe komen niet-christenen ertoe een eredienst bij te wonen? Keller: ‘Als je in iedere dienst

preekt zoals je zou preken wanneer je zou weten dat er niet-christenen bij waren, gegarandeerd

dat er enige tijd daarna niet-christenen in de dienst zijn’. Drie voorbeelden om dat praktisch te

maken: er eenvoudig altijd van uitgaan dat er gasten in de dienst zijn en die hartelijk welkom

heten; geen jargon gebruiken; regelmatig kort uitleggen wat er gebeurt in een dienst. Keller

vertelde dat hij zichzelf bij het maken van een preek altijd drie vragen stelt: (1) Wat zegt deze

tekst tot christenen? (2) Wat zegt deze tekst tot niet-christenen? (3) Wat zegt deze tekst tot

mensen die nog maar kort christen zijn? Onderscheidenlijk preken dus.

Pastoraat en diaconaat

Zo’n 1400 mensen doen mee aan kleine groepen, zowel christenen als niet-christenen. Iedere

kleine groep bestaat uit ongeveer tien personen en komt zeer regelmatig bijeen. Keller: ‘Onze

gemeente heeft niet kleine groepen, onze gemeente bestaat uit kleine groepen’. Zo’n beetje alle

pastoraat en diaconaat vindt namelijk plaats in de kleine groepen. Stel je hebt een probleem.

Dan heb je inderdaad een probleem als je niet bij een kleine groep hoort. Redeemer heeft een

‘herder’ aangesteld per vijf kleine groepen en per vijf ‘herders’ is er één ouderling. Die

ouderling heeft als taak de gemeente toe te rusten tot dienstbetoon (Efeziërs 4:12) en wel via de

‘herders’ en kringleiders. Ook wanneer een kringlid een financieel probleem heeft, is het

allereerst de kleine groep die dat probeert op te lossen. Pas wanneer dit niet lukt, kan de hulp

van een diaken worden ingeroepen. Die gaat dan echter niet zelf het probleem oplossen, maar

hij gaat de kleine groep daarvoor toerusten. Natuurlijk blijft er ook concreet pastoraal en

diaconaal werk voor de ouderlingen en diakenen liggen, maar de insteek ligt overduidelijk bij de

kleine groepen. Tenslotte wat de predikant betreft: die is allereerst predikant. Opvallend is

verder dat Keller wat de planning van zijn eigen pastorale gesprekken betreft prioriteit geeft aan

gesprekken met niet-christenen.

220 Verschenen in: Kerkblad voor het Noorden, 48 (22), 4 juni 1999.


Stad

Expres is Redeemer in hartje New York begonnen. Redeemer heeft het heil van de stad als

geheel op het oog. Een positieve ontwikkeling van de stad zal na verloop van tijd een positief

effect hebben op het omliggende platteland. In de afgelopen jaren zijn er vanuit Redeemer al

weer verschillende nieuwe kerken in New York geplant.

Oudste zoon

Ik bid dat er in ons land en in onze kerken een ontwikkeling komt die onze ogen meer opent

voor het feit dat het belangrijk is om kerk te zijn voor christenen en niet-christenen. Daar zal

wel het een en ander voor om moeten. Hoe vaak niet lijk ik op die oudste zoon uit de gelijkenis

van Jezus (Lukas 15) die niet blij werd toen bleek dat zijn broer gevonden was. Hoe vaak niet

lijk ik op die oudste zoon als ik het in feite niet verwacht van de genade van de hemelse Vader,

maar van mijn eigen brave leven en mijn eigen harde werken. Hoe vaak niet ben ik stiekem

jaloers op die jongste zoon die had genoten van het leven. Maar met zo’n oudste-zoon-houding

bereik ik mijn niet-christelijke vrienden natuurlijk nooit. Vast en zeker is het zo dat hoe meer ik

gericht ben op Jezus Christus, hoe meer liefde ik voor hen heb, hoe meer ik voor hen over heb

(ook qua stijl van de kerkdiensten bijvoorbeeld) om hen te bereiken, hoe meer blijdschap ik

beleef wanneer zij tot bekering komen. Ik bid om een kerk voor christenen en niet-christenen. Ik

bid om een gemeente die overloopt van liefde voor elkaar en voor de mensen om hen heen. Ik

bid dat ikzelf in alles op Jezus gericht ben en op niets en niemand anders. De Geest doorbreekt

gelukkig de grenzen, dus er is alle hoop.

E. Christendom is een niet-westerse godsdienst 221

De einden der aarde komen naar Amsterdam en de andere grote steden. Het stond deze week in

een van de ‘ingezondens’ over het zendingsoverschot binnen de Gereformeerde Kerken

(Vrijgemaakt). Zending en evangelisatie zijn niet meer zo strikt te scheiden. Voor zending hoef

je het vliegtuig niet meer te pakken. Urban mission is in andere landen al ontwikkeld. In een van

de armste buurten van New York City bevindt zich de New Song Community Church.

‘Wie van jullie is wel eens in Harlem geweest?’, vroeg Mark Gornik aan het begin van zijn

lezing over kerkplanting. Eén van de theologiestudenten, een blanke, stak zijn hand op. ‘Ik was

verdwaald’, bekende hij. Reageert Gornik: ‘Maar bij kerkplanting moet je wel allereerst aan de

binnensteden denken’.

Gornik sprak op een zendingsconferentie van Westminster Theological Seminary in

Philadelphia. Het thema van de conferentie was: kerkplanting. Dertien jaar geleden studeerde

Gornik zelf af aan Westminster. Daarna trok hij met enkele vrienden naar een arme wijk van

Baltimore om daar een interraciale kerk van de Presbyterian Church of America te planten. Ze

begonnen met niks. Het meeste geld werd door hen zelf opgebracht. ‘Onze naaste christelijke

vrienden verklaarden ons voor gek; anderen waren minder vriendelijk.’ Twee jaar lang richtten

ze zich uitsluitend op het bouwen van vriendschappen met de buren in de betreffende wijk. Ze

zetten zich sterk in voor recht en gerechtigheid, omdat daarmee in hun situatie het beste de

verzoening van Jezus Christus verkondigd kon worden. Met daad en woord dus. De nieuw

geplante kerk is zich gaan inzetten voor huisvesting en voor gemeenschapsvorming. Momenteel

zijn zo’n 200 huizen door de kerk verbouwd, zijn er een kleine 30 huizen nieuw gebouwd en

werken er meer dan 4000 vrijwilligers mee aan het werk van de kerk. Door de genade van Jezus

Christus zijn levens van mensen veranderd.

221 Verschenen in: Nederlands Dagblad, bijlage ZoZ, 11 december 1999.

91


92

Trends

Bewogen en met enthousiasme spreekt Gornik over de stad. ‘Het probleem van een groot deel

van de christelijke cultuur is dat die anti-zwart, anti-arm en anti-stad is. Terwijl intussen de

volken naar de stad zijn gekomen!’ Hij wijst op vier trends. Ten eerste verstedelijkt de wereld in

hoog tempo. In 1900 woonde 1 op de 8 mensen in de stad. In 1999 is dat er 1 op de 2. Over 100

jaar zullen meer mensen in een stad wonen dan het huidige aantal wereldbewoners. In Latijns

Amerika woont 75% van de mensen in een stad. Ten tweede wordt de positie van de grote

steden steeds strategischer. De belangrijkste informatie en technologie ter wereld is te vinden in

wereldsteden als Hong Kong, Mexico City, Budapest, London, Bangkok, Sydney, Chicago, Los

Angelos en New York City. Gornik: ‘Als Wall Street vandaag crasht, heeft dat direct grote

gevolgen voor heel de wereld. Het zijn de wereldsteden die de wereld besturen.’ Ten derde

stijgt weliswaar het inwonertal van bovengenoemde wereldsteden, maar is de middenklasse

vertrokken naar de voorsteden. De mensen die in de stad (blijven) wonen, zijn de rijken en de

armen. De stad polariseert. Over 25 jaar zal een kwart van de wereldbevolking in

achterstandsbuurten wonen. Ten vierde, in 1900 woonden er in Afrika, Azië en Latijns Amerika

in totaal 90 miljoen christenen en woonden er in Noord Amerika en Europa in totaal 427

miljoen christenen. Deze verhouding is radicaal gewijzigd. Vandaag wonen er in Afrika, Azië

en Latijns Amerika 1 miljard christenen en wonen er in Noord Amerika en Europa slechts 762

miljoen christenen. In New York City is 80% van de christenen niet-blank. Het ‘christelijk

leiderschap’ is niet meer te vinden in Noord Amerika en Europa. Het christendom is een nietwesterse

godsdienst geworden.

Lessen

Welke lessen moeten de kerken uit bovenstaande trekken? Gornik wijst er vijf aan. Les één: als

je als kerk érgens moet willen zijn, dan is het de stad. Daar bereik je in één klap alle volken.

Strategisch gezien is de stad de beste plek voor een kerk omdat de stad trendsetter is en

leidinggevend in vrijwel alle dingen van het leven, inclusief godsdienst c.q. secularisatie. Les

twee: er zal specifieke theologische training nodig zijn om kerk te zijn in de stad. Een predikant

in een stad moet eerder zendeling zijn dan pastor. Er zijn 2 miljard mensen in de steden die nog

niet zijn bereikt met het evangelie. Les drie: de toekomst van de kerken in de steden is onder de

armen; de kerk zal zich aan hen moeten committeren. Les vier: de kerken in de steden zullen

multi-etnisch, interraciaal en multicultureel moeten zijn. Daar zijn nieuwe kerkmodellen voor

nodig. Bijvoorbeeld, wat betekent ‘verzoening’ voor zwarte mensen die slechts de hotelkamers

van de rijke blanken mogen schoonmaken? Les vijf: het zal aankomen op een reformatorische

prediking van genade die hand in hand gaat met het doen van gerechtigheid. De kerk die zo aan

het werk is, is niet slechts gericht op het winnen van zielen, maar op het veranderen van de stad

als geheel, in het volle vertrouwen dat het evangelie van genade daar krachtig genoeg voor is.

Harlem

De stad is dus de meest strategische plaats voor de kerken. Daarom moeten we bij kerkplanting

allereerst aan de steden denken, speciaal aan de binnensteden. Een voorbeeld van zo’n

kerkplanting is de bovengenoemde kerk in Baltimore. Een ander voorbeeld is de New Song

Community Church in Harlem, een van de armste buurten van New York City. Jeff White,

predikant van New Song zegt: ‘We waren op zoek naar het slechtste deel van de stad, naar dat

deel waar het minst aan gemeenschapswerk was gedaan, naar dat deel waar het evangelie van

Jezus Christus het meest nodig was’. Ik sprak hem in zijn appartement in Harlem. Vooraf had ik

gevraagd of ik daar veilig kon komen. ‘Ja’, had Jeff meteen geantwoord. Nu vult hij aan: ‘Wij

leven hier als goede buren en we voelen ons hier erg veilig. Maar je moet natuurlijk niet op de

verkeerde momenten op de verkeerde plaatsen komen’.

De New Song kerk is nog maar twee jaar oud. Maar men heeft al drie full-timers in

dienst, ondersteund door vriendenkringen en door de Redeemer Presbyterian Church in

Manhattan. Met behulp van allerlei fondsen hebben White c.s. het voor elkaar gekregen

eigenaar te worden van een erg ruim gebouw van vier etage’s. Dit gebouw wordt nu verbouwd

zodat het later kan dienen voor de kerk en voor de buurt. Momenteel houdt men ’s zondags


samenkomsten in het appartement van het gezin van White; voorlopig zijn die sterk gericht op

gebed, bijbelstudie en gemeenschapsvorming. Later, wanneer het aangekochte gebouw gereed

is, zal de prediking centraal komen te staan en zal men meer naar buiten treden. Maar de sleutel

in het geheel is en blijft: het voegen van de daad bij het woord. En dus: grote inzet voor recht,

vrijheid, vrede en welzijn. White: ‘Het zou toch schande zijn wanneer wij vredig bij elkaar

zouden zitten met voldoende geld, kleding en onderdak, sprekend over de verzoening, terwijl

we hier in Harlem geen daden zouden laten zien? Zelfs als het niet de theologie zou zijn die je

tot daden aanzet, dan doet zeker de context dat wel’.

Kerkplanting

Zoals gezegd wordt de New Song kerk door Redeemer ondersteund. Tussen 1994 en 1999 heeft

Redeemer vier dochterkerken geplant en heeft men ondersteuning gegeven aan de start van

zeven andere kerken, van wie New Song er een is. Waarom kerkplanting? ‘Omdat dat de

allerbeste manier is om mensen voor Christus te winnen en de allerbeste manier om onze

maatschappij en cultuur te redden.’ Redeemer is bezig met het opzetten van een studiecentrum

t.b.v. kerkplanting in steden. Mark Gornik is al parttime in dienst van dit studiecentrum.

De praktijk van kerkplanting bestaat in de regel uit vijf stappen. De eerste stap is: het

kiezen en leren kennen van een gebied. Het gebied zal goed onderzocht moeten worden t.a.v.

het sociale en religieuze leven. De tweede stap is: het kiezen van een ontwerp voor het

functioneren van de kerk dat het beste past bij de situatie in het gekozen gebied. Aangezien de

bijbel maar heel weinig zegt over de concrete inrichting van een gemeente, moeten de

christenen daarin zelf verantwoorde keuzen (durven) maken. De derde stap is: het kiezen van

een sponsormodel. Twee belangrijke modellen zijn de volgende. (1) Een kerk start een

dochterkerk door een groep gemeenteleden die in een bepaalde plaats wonen te vragen daar een

nieuwe kerk te beginnen. De moederkerk zorgt voor de financiering. (2) Een kerk vraagt een

stuk of tien gezinnen uit de gemeente om samen met een kerkplanter naar een bepaalde plaats te

verhuizen om daar een nieuwe kerk te starten. De tien gezinnen zorgen, samen met de

moederkerk, voor de financiering. De vierde stap is: het starten van de planting. Deze stap

vraagt het meeste geloof. Het komt er op aan of je het als kerk aandurft om een geheel nieuwe

stap te zetten in het winnen van een gemeenschap voor Christus. De vijfde stap tenslotte is: het

kiezen van een strategie voor evangelisatie. Het zal erom gaan die manier te kiezen die in een

bepaalde context het meest doeltreffend is om ‘de grote daden te verkondigen van Hem, die u

uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht’ (1 Pt. 2:9-10).

Nodig

Mark Gornik sloot zijn bijdrage aan de conferentie op Westminster af met: ‘De christenheid

groeide omdat het geplant was in de steden. Het begon klein. Maar de mensen geloofden: het is

waar, Jezus is de Redder en Heer. In slechts een paar eeuwen tijd groeide een kleine minderheid

uit tot de belangrijkste wereldreligie. De christenheid kwam met nieuwe normen, nieuwe sociale

relaties en een sociale rechtvaardigheid. Wat zij brachten was niet slechts een beweging in de

stad, maar een nieuwe cultuur. Dat is de verbinding tussen de christenheid en de stad’. Kortom,

de stad heeft de kerk nodig en de kerk heeft de stad nodig.

93

More magazines by this user
Similar magazines