Besluit periodieke registratie Wet BIG - Verpleegkundigen ...

venvn.nl

Besluit periodieke registratie Wet BIG - Verpleegkundigen ...

5. Als onderbreking van de werkzaamheden wordt beschouwd deperiode die langer duurt dan zes weken waarin de ingeschrevene geenwerkzaamheden verricht op het desbetreffende gebied van de beroepsuitoefeningin de individuele gezondheidszorg.Artikel 41. Voor de aanvraag tot opneming van een aantekening in het registervan de datum, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de wetstelt Onze Minister een formulier beschikbaar, dat in ieder geval rubriekenbevat voor de naam, de geboortedatum en het woon- en werkadres vande aanvrager, het nummer van de registratie in het register, en rubriekenvoor gegevens over de onderwijsinstelling waar scholing is gevolgd.2. Bij de indiening van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordthet in het eerste lid bedoelde formulier overgelegd dat door de aanvrageris ingevuld en ondertekend alsmede het certificaat waaruit blijkt datbetrokkene met goed gevolg de bij ministeriële regeling voorgeschrevenscholing heeft afgerond.Artikel 51. Voor de aanvraag tot opneming van een aantekening in het registervan de datum, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de wetstelt Onze Minister een formulier beschikbaar, dat in ieder geval rubriekenbevat voor de naam, de geboortedatum en het woon- en werkadres vande aanvrager, het nummer van de registratie in het register, en rubriekenvoor gegevens over de aard, de omvang, de duur en de spreiding vanverrichte werkzaamheden.2. Bij de indiening van een aanvraag tot opneming van een aantekeningin het register van de datum, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel c,van de wet wordt het in het eerste lid bedoelde formulier overgelegd datdoor de aanvrager is ingevuld en ondertekend.3. Indien de werkervaring is opgedaan in een land dat:a. geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese EconomischeRuimte, noch in Zwitserland; danwelb. partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese EconomischeRuimte, of in Zwitserland, voor zover het een beroep betreft waarop hetsysteem van automatische erkenning, bedoeld in richtlijn nr. 2005/36/EGbetreffende erkenning van beroepskwalificaties (PbEG L 255) niet vantoepassing is,gaat het formulier vergezeld van bewijsstukken van aard, omvang, duur,en spreiding van de verrichte werkzaamheden. In alle andere gevallenwordt het formulier onderbouwd met onderliggende bewijsstukken indienOnze Minister daartoe verzoekt.4. Indien de aanvrager op verzoek van Onze Minister de aanvraag,bedoeld in het tweede lid, niet tijdig onderbouwt met de onderliggendebewijsstukken, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.5. De bewijsstukken, bedoeld in het derde lid, zijn in het Nederlands,Engels, Frans of Duits gesteld, danwel door een beëdigd vertaler in eenvan de genoemde talen vertaald. Overgelegde fotokopieën zijn gewaarmerktdoor de instelling of werkgever die het desbetreffende bewijsstukheeft afgegeven, of door een in Nederland gevestigde notaris.Artikel 61. Bij het indienen van een aanvraag tot het opnemen van een aantekeningin het register van de datum, bedoeld in artikel 8, tweede lid,onderdelen b en c, van de wet wordt een bedrag van € 65,-- voldaan.Staatsblad 2008 515 3


2. De ingeschrevene is voor het ingeschreven zijn in het register perperiode van vijf jaar of een deel daarvan een bedrag van € 20,--verschuldigd.3. De beide in het eerste en tweede lid genoemde bedragen wordenvoldaan binnen één maand na het indienen van de aanvraag. Indien deverschuldigde bedragen niet zijn voldaan, wordt de aanvraag niet inbehandeling genomen.4. Indien na de beoordeling van de aanvraag de gevraagde aantekeningniet wordt opgenomen in het register, wordt het bedrag, genoemd intweede lid, gerestitueerd.Artikel 7Aan artikel 3 van het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheidworden, onder plaatsing van het cijfer 1. voor de bestaandetekst, de volgende leden toegevoegd:2. De commissie heeft voorts tot taak Onze Minister van advies tedienen over de vraag of werkervaring als bedoeld in artikel 8, tweede lid,onderdeel c, van de wet, welke is opgedaan buiten het EER-gebied enbuiten Zwitserland, kan meetellen bij het vaststellen van het aantal urenwaarbinnen de werkzaamheden zijn verricht op het terrein van hetdesbetreffende beroep binnen de individuele gezondheidszorg.3. Op verzoek van Onze Minister adviseert de commissie Onze Ministerover de vraag of de werkervaring die een fysiotherapeut heeft opgedaanbuiten Nederland, doch binnen het EER-gebied of in Zwitserland, kanmeetellen bij het vaststellen van het aantal uren waarbinnen dewerkzaamheden zijn verricht op het terrein van de fysiotherapie.Artikel 8Indien de ingeschrevene beschikt over een getuigschrift dat is behaaldvóór de inwerkingtreding van dit besluit, geldt in afwijking van artikel 8,tweede lid, onderdeel a, van de wet, de datum van inwerkingtreding vandit besluit als aanvangsdatum vanaf welke de in dat artikellid bedoeldeperiode begint te lopen.Artikel 9Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 8 van de Wetop de beroepen in de individuele gezondheidszorg en artikel I, onderdelenA en B en artikel 1A van de Wet van 7 juni 2007 tot wijziging van de Wetop de beroepen in de individuele gezondheidszorg (periodieke registratie)(Stb. 2007, 237) in werking treden.Artikel 10Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit periodieke registratie Wet BIG.Staatsblad 2008 515 4


Het advies van de Raad van State is openbaargemaakt door terinzagelegging bij het Ministerievan Volksgezondheid, Welzijn en Sport.Tevens zal het advies met de daarbij ter inzagegelegde stukken worden opgenomen in deStaatscourant.Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota vantoelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.’s-Gravenhage, 24 november 2008BeatrixDe Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,A. KlinkUitgegeven de zestiende december 2008De Minister van Justitie,E. M. H. Hirsch BallinSTB12059ISSN 0920 - 2064Sdu Uitgevers’s-Gravenhage 2008Staatsblad 2008 515 5


NOTA VAN TOELICHTINGI. Algemene toelichting1. VerantwoordingHet onderhavige besluit strekt tot nadere invulling van artikel 8 van deWet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (verder: de WetBIG). Dit artikel regelt de periodieke registratie van beroepsbeoefenaren inde zorg. De kern van het systeem van periodieke registratie is dat degeldigheid van de inschrijving in het BIG-register 1 aan een bepaaldeperiode wordt gebonden, waarbij getoetst wordt of de ingeschrevenevoldoet aan één van de in artikel 8 van de Wet BIG genoemde criteria(werkervaring dan wel scholing). Indien voldaan is aan de eisen dievoortvloeien uit artikel 8 van de Wet BIG, kan een aantekening of eenhernieuwde inschrijving in het BIG-register plaatsvinden. De inschrijvingvan beroepsbeoefenaren in één van de in artikel 3 van de Wet BIGgenoemde registers wordt doorgehaald, indien zij door een gebrek aanwerkervaring of scholing niet meer als deskundig in hun beroep kunnenworden beschouwd. Door de invoering van periodieke registratie kan depatiënt beter worden beschermd tegen ondeskundig en onzorgvuldighandelen door beroepsbeoefenaren in de individuele gezondheidszorg.Bij periodieke registratie gaat het om het handhaven van eenminimumnorm waaraan beroepsbeoefenaren ten minste moeten voldoenom hun BIG-registratie te kunnen behouden. De invoering van periodiekeregistratie is niet bedoeld om kwaliteitseisen te stellen aan de in hetBIG-register geregistreerde beroepsbeoefenaren. Er zal dan ook gestartworden met het invoeren van een systeem van periodieke registratiewaarbij wordt uitgegaan van een minimumnorm die eruit bestaat dat dedeskundigheid van de BIG-geregistreerden ten minste is gelegen op hetniveau van de initiële opleiding. Deze norm garandeert het minimalebasisniveau dat van een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar verlangdmag worden. Een ieder die niet aan deze norm voldoet wordt uit hetBIG-register geschrapt. Deze minimumnorm kan behaald worden door hetopdoen van werkervaring dan wel door het volgen van scholing.Bij de wijziging van de Wet BIG (periodieke registratie) 2 zijn een aantalaanpassingen in artikel 8 van de wet doorgevoerd. Het betreft onderandere het aanpassen van de in artikel 8 van de Wet BIG opgenomensystematiek van de werkervaringseis en van de scholingseis en hetaanbrengen van een koppeling tussen de periodieke registratie in eenregister genoemd in artikel 3 van de Wet BIG met de periodieke registratieop grond van artikel 15 van de wet. Artikel 8 van de Wet BIG wordt naderuitgewerkt in lagere regelgeving, waaronder dit besluit en de Regelingperiodieke registratie Wet BIG. In deze ministeriële regeling wordt ondermeer vastgelegd welke eisen worden gesteld aan de aard van de teverrichten werkzaamheden en welke voorwaarden worden gesteld aan descholing. Ook wordt daarin uitwerking gegeven aan de bepaling metbetrekking tot het gelijkstellen van werkzaamheden.1 Bedoeld wordt de inschrijving in deregisters genoemd in artikel 3 van de wet BIG.Dit wordt door het RIBIZ (het Registratie enInformatiepunt Beroepensbeoefenaren in deZorg) uitgevoerd namens de Minister vanVWS.2 Wet van 7 juni 2007 tot wijziging van de wetop de beroepen in de individuele gezondheidszorg(periodieke registratie) (Stbl. 237).In het onderhavige besluit worden achtereenvolgens nadere regelsgesteld met betrekking tot:– de aanwijzing van de registers waarvoor de periodieke registratie gaatgelden;– de vastlegging van de registratieperiode;– de vastlegging van de werkervaringseis;– welke stukken kunnen dienen als bewijs van de werkervaring dan welvan de scholing;– het tarief dat geldt voor periodieke registratie;Staatsblad 2008 515 6


– de overgangsregeling voor de aanvangsdatum van de eersteregistratieperiode.Tevens regelt dit besluit dat zij die ingeschreven hebben gestaan in hetBIG-register en daaruit zijn verwijderd wegens het niet voldoen aan deeisen gesteld in artikel 8 van de wet, hun gewezen titel ook na doorhalinguit het register mogen blijven gebruiken onder vermelding van detoevoeging «niet praktiserend» achter de voormalige titel. Hiermee wordtuitvoering gegeven aan de gedane toezegging aan de Eerste Kamer op ditterrein 1 .2. Aanwijzing van de registersPeriodieke registratie heeft als doel te waarborgen dat de deskundigheidvan de in het BIG-register ingeschreven (titelgerechtigde)beroepsbeoefenaren op peil blijft. In het BIG-register mogen daaromuitsluitend personen staan ingeschreven die beschikken over voldoenderecente deskundigheid, verkregen door scholing of praktijkervaring in hetbetrokken vakgebied. Hierdoor kan de patiënt beter worden beschermdtegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen door beroepsbeoefenarenin de individuele gezondheidszorg. Beroepsbeoefenaren die door eengebrek aan werkervaring of scholing niet meer als deskundig in hunberoep kunnen worden beschouwd, worden uit het register geschrapt enverliezen daarmee het recht om hun beroepstitel te voeren. Daarmeevervallen tevens andere aan titelvoering verbonden rechten en plichten,zoals de zelfstandige bevoegdheid om voorbehouden handelingen teverrichten en het onderworpen zijn aan tuchtrecht.De concrete invulling van dit besluit is tot stand gekomen in nauwoverleg met de representatieve beroepsorganisaties van de beroepengenoemd in artikel 3 van de wet BIG 2 . Uit dit overleg en het overleg metde werkgeversorganisaties 3 en de werknemersorganisaties 4 is geblekendat niet alle partijen volledig op dezelfde manier denken over de manierwaarop artikel 8 van de wet BIG moet worden ingevuld 5 . Gelet op dedoelen die de invoering van periodieke registratie beoogt te bereiken, iszoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen vanuit het veld.3. De registratieperiode1 Kamerstukken I, 2006/07, 30 463, J.2 AVVV (V&VN), KNOV, KNGF, KNMG,NMT/ANT, KNMP, NVO/NIP en de NVP.3 Arcares, GGD Nederland, GGZ Nederland,NFU, NVZ, VGN, Z-org.4 Unie Zorg en Welzijn, AbvaKabo FNV,Nieuwe Unie ’91, CNV Publieke Zaak.5 Zie paragraaf 9 van de Memorie vanToelichting bij de wijziging van de wet op deberoepen in de individuele gezondheidszorg(periodieke registratie), Kamerstukken II,2005/06, 30 363, nr. 3.De inschrijving van een geregistreerde in een register, genoemd inartikel 2 van het besluit, wordt doorgehaald indien na de in artikel 8 vande Wet BIG bedoelde datum een bepaalde periode is verstreken. Uitoverleg met de representatieve beroepsgroepen is gebleken dat eentermijn van vijf jaar het meest voor de hand ligt. Deze termijn wordtalgemeen aanvaard als de termijn na welke gesteld kan worden dat dekennis en kunde van een beroepsbeoefenaar, die zijn beroep niet meer(voldoende) uitoefent en zich ook niet schoolt, dusdanig is achteruitgegaandat het uit het oogpunt van volksgezondheid niet meer verantwoordis deze beroepsbeoefenaar de zorg voor patiënten toe tevertrouwen.Na vijf jaar zal het volgende toetsingsmoment moeten plaatsvinden.Hierbij zal beoordeeld worden of de beroepsbeoefenaar nog voldoet aande eisen die artikel 8 van de Wet BIG stelt. Het gebruiken van een korteretermijn zal leiden tot het onnodig vaak moeten indienen van een nieuweaanvraag tot opneming van een aantekening in het register. Een termijnvan vijf jaar is tevens de termijn die wordt gebruikt voor periodiekeregistratie in de specialistenregelingen op grond van artikel 15 van de WetBIG. Ook is het de gangbare termijn die wordt gebruikt voor herregistratiein de eigen kwaliteitsregisters van de beroepsgroepen, voor zover zijdaarover beschikken. Gelet op de grote overeenstemming over de periodeStaatsblad 2008 515 7


van vijf jaar, zal deze registratietermijn voor alle beroepsgroepen vanartikel 3 van de Wet BIG gaan gelden.Er zal geen onderscheid in de lengte van de termijn worden gemaakttussen de eerste registratieperiode die direct volgt op de afronding van deopleiding en de daarop volgende perioden. Zowel recent als niet-recentopgeleiden moeten voor de uitoefening van hun beroep immers minimaalbeschikken over de competenties die de kern van het beroep betreffen.Signaleren aflopen registratieNamens de minister zal het BIG-register de ingeschreven beroepsbeoefenarenuiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de datumbedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet BIG informeren dat de termijnvoor inschrijving binnen afzienbare tijd afloopt. Hierdoor wordeningeschreven beroepsbeoefenaren tijdig in staat gesteld eventueel alsnogte voldoen aan de gestelde eisen en hun aanvraag tot het plaatsen vaneen aantekening in het register tijdig bij het BIG-register in te dienen.Indien een beroepsbeoefenaar zich niet voor het aflopen van zijnregistratietermijn meldt voor het opnemen van deze aantekening in hetregister, wordt zijn inschrijving in het register automatisch doorgehaaldop het moment dat vijf jaar is verstreken na de meest recente datumgenoemd in artikel 8, tweede lid, van de wet.Ook de specialisten moeten tijdig worden geïnformeerd over degevolgen van doorhaling van hun inschrijving in het specialistenregistervoor hun inschrijving in het BIG-register. De specialistenregistratiecommissieszullen verzocht worden aan het herregistratiepakket, dat zij allespecialisten vier maanden voor de expiratiedatum van hun registratietoezenden, een brief van het BIG-register toe te voegen met de mogelijkegevolgen van de doorhaling uit het specialistenregister voor deinschrijving in het BIG-register. Op grond van artikel 8, derde lid, van deWet BIG geldt er een koppeling tussen de registratie in het specialistenregisterop basis van artikel 15 van de Wet BIG en de registratie in hetBIG-register. De inschrijving van een specialist in het BIG-register wordthierdoor niet doorgehaald zolang deze als specialist is ingeschreven ineen wettelijk erkend specialistenregister waarvoor regels gelden betreffendeherregistratie.De toevoeging «niet praktiserend» aan de voormalige titelDe wet BIG is gebaseerd op een systeem van constitutieve registratie,waarbij voor de beroepen genoemd in artikel 3 van de Wet BIG het rechtop het voeren van de beroepstitel ontstaat door inschrijving in hetBIG-register. Indien iemand niet meer voldoet aan de voorwaarden voorperiodieke registratie volgt doorhaling van diens inschrijving in hetBIG-register.Artikel 4, tweede lid, van de Wet BIG bevat het verbod om een titel ofeen daarop gelijkende benaming te voeren voor degene die het recht ophet voeren van een in deze wet geregelde titel niet toekomt. Het verbodop het gebruiken van een op een titel gelijkende benaming heeft als doelmisleiding bij de patiënt over registratie van beroepsbeoefenaren in hetregister te voorkomen. Voorkomen moet worden dat de patiënt de indrukkrijgt dat een persoon bevoegd en bekwaam is, terwijl deze dat juist nietof niet meer is.De toevoeging «niet praktiserend» aan een beroepstitel hoeft nietmisleidend te zijn. Uit de aanduiding «niet praktiserend» blijkt dat het gaatom een beroepsbeoefenaar die zijn praktijk heeft neergelegd en niet meerin dat beroep werkzaam is. Mede gelet op het doel van het verbod om eenop een titel gelijkende benaming te gebruiken, kan gesteld worden dat hetgebruik van de aanduiding «niet praktiserend» door een persoon waarvande registratie in het register op grond van artikel 8 van de Wet BIG isStaatsblad 2008 515 8


doorgehaald, niet in strijd komt met het in artikel 4, tweede lid, van de WetBIG opgenomen verbod.Gelet op de in de praktijk sterk gevoelde noodzaak van beroepsbeoefenarenom zich met hun voormalige beroepstitel te mogen blijvenprofileren 1 , is bepaald dat personen van wie de registratie in hetBIG-register is doorgehaald vanwege het niet voldoen aan de eisen vanperiodieke registratie, hun voormalige beroepstitel onder de toevoegingvan de voluit geschreven term «niet praktiserend» mogen blijvengebruiken. Dit geldt alleen voor beroepsbeoefenaren die in hetBIG-register ingeschreven hebben gestaan en daaruit niet zijn verwijderdof zijn geschorst op grond van een tucht- of strafrechtelijke maatregel 2 .Het is niet de bedoeling dat de term «niet praktiserend» wordt afgekorttot «n.p.». Dit kan immers gemakkelijk tot misverstanden leiden bijpatiënten of anderen over veronderstelde deskundigheid en bevoegdhedenvan de drager van de voormalige titel met de toevoeging «n.p.». Deletters «np» worden in de praktijk immers vaak gebruikt als afkorting vanhet beroep van de nurse practitioner. Ook kan de afkorting «n.p.» achterde voormalige titel de suggestie wekken dat er sprake is van extradeskundigheid, zoals het geval is bij de afkortingen «mba» (voor master ofbusiness administration) of «ba» (voor bachelor). Dat is in strijd metartikel 4, tweede lid, van de Wet BIG.Uit de Wet BIG volgt dat slechts degene die een beroepstitel op grondvan de Wet BIG mag voeren, bevoegd is de voorbehouden handelingenals bedoeld in artikel 36 van de Wet BIG te verrichten (mits hij daartoe ookbekwaam is). Vanaf het moment van doorhaling uit het BIG-registervervalt de bevoegdheid de voormalige titel te voeren en daarmee ook debevoegdheid voorbehouden handelingen te verrichten. Artsen, «nietpraktiserend», zijn bijvoorbeeld geen dragers meer van de volwaardigetitel «arts» met alle daarbij behorende bevoegdheden. Zij zijn niet langerbevoegd tot het verrichten van handelingen op het gebied van degeneeskunst, noch tot het verrichten van andere voorbehouden handelingen,zoals het voorschrijven van geneesmiddelen 3 .4. De werkervaringseis1 In het zakelijke en ook het persoonlijkeleven bestaat de behoefte om met de titel aante geven welke opleiding men genoten heeft.2 Dit geldt ook voor personen tijdens hunschorsing in de uitoefening van hun beroepop grond van artikel 48, eerste lid onderdeel d,en voor personen wier inschrijving isdoorgehaald omdat een in het buitenlandopgelegde maatregel bekend is gewordenwaarvan hij zijn rechten ter zake van deuitoefening van het betrokken beroep geheelof gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, heeftverloren.3 Als gevolg van het in werking treden van deGeneesmiddelenwet op 1 juli 2007 (Staatsblad2007, 227) is artikel 36 van de wet BIGgewijzigd, waardoor het voorschrijven vanUR-geneesmiddelen expliciet is benoemd alseen voorbehouden handeling voor onderandere artsen.Uitgangspunt bij het vaststellen van de minimaal vereiste hoeveelheidgewerkte uren is dat er een zodanig aantal uren gewerkt moet zijn, dat inredelijkheid van de beroepsbeoefenaar verwacht kan en mag worden datdeze beschikt over voldoende (kern)competenties om zijn beroep volgensde geldende professionele standaard uit te oefenen. De beroepsorganisatieszijn gevraagd aan te geven hoe naar hun mening deze normingevuld zou moeten worden.Op basis van de voorstellen van de geconsulteerde beroepsorganisatieswordt één dag per week werken als minimum beschouwd voor devereiste hoeveelheid te werken uren. Met (gemiddeld) één dag werken perweek kunnen de kennis en de vaardigheden nog gehouden worden op hetvereiste minimale professionele niveau. Dit is overigens wel ook delaagste grens. Meer uren werken biedt een betere waarborg voor het oppeil houden van de minimaal vereiste kennis en vaardigheden.Eén dag werken per week zal worden ingevuld als acht uur werken perweek. Door uit te gaan van uren in plaats van dagen wordt het ookmogelijk dat mensen bijvoorbeeld twee halve dagen (van vier uur) perweek werken. Daarbij zijn uren ook gewoon uren: uren gewerkt tijdensbijvoorbeeld het weekend of in een nachtdienst tellen niet dubbel. Met inde praktijk minder gewerkte of meer gewerkte overuren wordt geenrekening gehouden, omdat het niet wenselijk, noch doenlijk is datberoepsbeoefenaren op een zo gedetailleerd niveau verplicht worden hunuren bij te houden.Staatsblad 2008 515 9


1 Oude zesde lid van artikel 8, zie de wet BIGvan 7 juni 2007 tot wijziging van de wet op deberoepen in de individuele gezondheidszorg(periodieke registratie) (Stb. 237).2 Artikel 7:646 en 7:648 Burgerlijk Wetboek.3 In de CAO Verpleeg- en Verzorgingshuizen2004 is in nr 27 van de begripsbepalingenbijvoorbeeld bepaald dat onder arbeidsduurwordtverstaan de som van de feitelijkgewerkte uren en van die in de werktijdenregelingvastgelegde uren, waarop niet isgewerkt wegens ziekte, feestdagen, vakantie,betaald verlof en/of compensatie in vrije tijdop basis van een van de regelingen in die cao.4 De contractuele basisarbeidsduur kanhierbij voor de verschillende beroepenoverigens wel anders zijn, afhankelijk of in debranche wordt uitgegaan van een basiswerkweekvan 36, 38 of 40 uur. Dit is nu nietmeer belangrijk, aangezien het gaat om deuren waarover het salaris wordt berekend.5Dit recht zal vaak zijn neergelegd in de vantoepassing zijnde cao en het individuelearbeidscontract of aanstellingsbesluit. Dereguliere vakantie-uren vallen binnen de normvan 2080 gewerkte uren. Als een beroepsbeoefenaarbijvoorbeeld verlofrechten heeftopgebouwd door lange tijd verlof op te sparen(en bijvoorbeeld op te nemen voor eensabbatical), zal dit geen invloed hebben op deurenberekening. Zelfstandige ondernemersbepalen zelf hun vakantieduur. Er wordt vanuit gegaan dat van een professioneleberoepsbeoefenaar verondersteld magworden dat deze zijn vakantieduur vaststeltbinnen redelijke grenzen. Toch wordt eenmaximum vastgesteld van de vakantie-urendie mee mogen tellen als gewerkte uren om tevoorkomen dat vakantie-uren van zelfstandigondernemers ongelimiteerd kunnen meetellenen dat daarmee de regels van periodiekeregistratie kunnen worden ontdoken.6 Tijd besteed aan medezeggenschapswerkmag niet meegerekend worden: voorkomenmoet worden dat mensen met bv kleinearbeidscontracten die veel medezeggenschapswerkverrichten, op basis van die urenhun registratie zouden kunnen behouden.7 De opsomming is het duidelijkst toe tepassen op beroepsbeoefenaren in loondienst.Het is echter de bedoeling dat het ook zoveelmogelijk toegepast zal worden op beroepsbeoefenarendie zelfstandig gevestigd zijn.Onder «werken» wordt verstaan het uitoefenen van het beroepwaarvoor men in het BIG-register geregistreerd staat. Dit behelst ook detijd dat iemand daadwerkelijk beschikbaar is voor het verrichten vanwaarnemingsdiensten. In artikel 8, zevende lid, onderdeel a, van de WetBIG 1 is bepaald dat de minister eisen kan stellen aan de te verrichtenwerkzaamheden. Dit wordt nader uitgewerkt in de ministeriële regeling.De vraag dringt zich op of de ureneis onrechtvaardig uitwerkt voorvrouwen, die veelal in deeltijd werken en die hierdoor mogelijk moeilijkeraan de gestelde werkervaringseis van gemiddeld 8 uur per week kunnenvoldoen dan mannen, die immers veelal voltijds werken.De gesteldeureneis is echter verdedigbaar, ook als deze wordt bezien vanuit de optiekdat er geen onderscheid mag worden gemaakt op grond van geslacht ofarbeidsduur 2 . Het waarborgen van de veiligheid van patiënten vereist datberoepsbeoefenaren binnen hun deskundigheidsgebied voldoendewerkzaam moeten blijven. Door de geconsulteerde beroepsorganisatieswordt de eis van ten minste een dag per week werken als het minimumbeschouwd voor het kunnen behouden van de benodigde kennis envaardigheden. Het kunnen garanderen van een minimaal basisniveau datvan een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar verlangd mag wordenrechtvaardigt het maken van een onderscheid tussen beroepsbeoefenarendie wel aan de ureneis voldoen en zij die dat niet doen.Het vereiste aantal gewerkte (bruto) urenBij de berekening van het totaal aantal uren dat iemand in vijf jaarminimaal gewerkt moet hebben, wordt zoveel mogelijk aangesloten bijreeds bestaande omschrijvingen van arbeidstijd, bijvoorbeeld deomschrijving van arbeidstijd in artikel 5:2, eerste lid, van de Arbeidstijdenweten bij het begrip arbeidsduur zoals omschreven in verschillendeCAO’s 3 .Deze begrippen houden een bruto begrip in, dat wil zeggen dat alsarbeidstijd moeten worden meegerekend de uren die de werknemer nietheeft gewerkt vanwege onder meer ziekte en vakantie. Om zo minmogelijk afwijkende bepalingen te hebben, is voor de bepaling vangewerkte uren in dit besluit aangesloten bij het begrip bruto uren.De gewerkte uren waarvoor iemand echter compensatie in vrije tijdheeft gekregen (de arbeidstijdverkortingsuren) zullen niet meetellen alsgewerkte uren. In de praktijk zal dit inhouden dat voor de berekening vanhet aantal gewerkte uren van de beroepsbeoefenaar in loondienst zijnindividuele arbeidsovereenkomst bepalend zal zijn. Hierin is dienscontractuele basisarbeidsduur opgenomen op basis waarvan het salariswordt berekend 4 . Dit aantal uren dient als uitgangspunt.Heeft iemand bijvoorbeeld een deeltijdcontract voor 24 uur, maar hijwerkt 28 uur per week waardoor hij 4 uur arbeidsduurverkorting per weekopbouwt, dan geldt als uitgangspunt voor de berekening van het aantalgewerkte uren bij periodieke registratie het arbeidscontract van 24 uur.Naast de uren tijdens welke feitelijk niet is gewerkt wegens ziekte en dereguliere vakantie-uren 5 tellen nog andere uren als (fictief) gewerkte urenmee bij periodieke registratie 6 . Dit zijn uren waarop volgens het contractgewerkt zou zijn maar waarop niet is gewerkt in verband met eenalgemeen erkende feestdag, de uren tijdens welke betaald verlof isgenoten volgens de regeling van de van toepassing zijnde CAO, de urentijdens welke zwangerschaps- en bevallingsverlof of adoptieverlof isgenoten, en de uren besteed aan buitengewoon verlof, indien dezeworden opgenomen voor invulling van werkzaamheden die overeenkomenmet werkzaamheden verricht binnen het desbetreffende beroep(bijvoorbeeld vrijwilligerswerk bij het Rode Kruis of studieverlof inverband met de uitoefening van de functie) 7 .Nu al deze uren deel uitmaken van het begrip «gewerkte uren», kan deberekening van het totaal aantal uren plaatsvinden op basis van 52 wekenStaatsblad 2008 515 10


per jaar. Acht uur per week werken gedurende 52 weken is 416 uur perjaar. Dit betekent dat er minimaal 2080 uur per vijf jaar moet zijn gewerkt.Limitering gewerkte uren tot zes weken (bij ziekte)1 Wet van 29 november 2001, Stb. 2001, 628.Deze wet regelt aanpassing van artikel 71a vande wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.Deze laatste wet is uitgewerkt in deministeriele regeling procesgang eerste entweede ziektejaar. In artikel 2 van dezeregeling is zes weken genoemd als termijnwaarna sprake is van langdurig ziekteverzuim.2 Zes keer de arbeidstijd per week per jaarbetekent praktisch gezien dat iemand met eenarbeidscontract van 16 uur per week,maximaal 6x16=96uren per jaar ziek kanzijn terwijl deze uren wel meetellen in deurenberekening. Iemand met een arbeidscontractvan 36 uur kan dus 216 uur per jaar ziekzijn zonder het ziek zijn te hoeven aanmerkenals werkonderbreking.3 Er mag geen onderscheid worden gemaaktop grond van geslacht, aldus de wet op degelijke behandeling. De rechtbank’s-Gravenhage heeft in een zaak (AWB 04/2115BESLU, 20 okt. 2004) aangaande herregistratiein het specialistenregister besloten dat ersprake is van indirect onderscheid naargeslacht doordat het vereiste – dat iemandbinnen een vaste periode aan een aantal urendeskundigheidsbevordering moet voldoen –leidt tot een nadelige positie uitsluitend voorvrouwen in geval van zwangerschap,bevalling en moederschap: onder dezeomstandigheden kunnen zij immers niet instaat worden geacht om deel te nemen aandeskundigheidsbevordering. Dit wordt ookniet gerechtvaardigd door objectieve grondenzoals het belang gelegen in de kwaliteit van degezondheidszorg, omdat het indirecteonderscheid niet noodzakelijk is ter bereikingvan het met het besluit (om niet te herregistreren)beoogde doel.Het kan niet zo zijn dat feitelijk niet gewerkte uren als gevolg vanlangdurige ziekte onbeperkt kunnen blijven meetellen. Aan de ene kantmoeten kortdurende ziekteperioden niet leiden tot ingewikkeldeurenberekeningen, maar aan de andere kant moet een grens wordengesteld indien een beroepsbeoefenaar langdurig ziek is geweest.Bepaald is dat de door ziekte verzuimde uren elk jaar tot een maximumvan zes maal de overeengekomen arbeidstijd per week meetellen bijberekening van het aantal gewerkte uren.Indien het ziekteverzuim langer dan zes weken duurt, tellen de uren nietmeer mee als gewerkte uren voor periodieke registratie. De grens van zesweken sluit aan bij de grens van zes weken die ingevolge de Wetverbetering poortwachter 1 wordt gehanteerd als de grens van hetbereiken van langdurig ziekteverzuim, met alle daarbij behorendewettelijke gevolgen van dien. Indien iemand gedeeltelijk zijn werk hervat,wordt dit nog wel aangemerkt als werkonderbreking door ziekte. Pas alsiemand zijn functie geheel heeft hervat, is de periode van werkonderbrekingals gevolg van ziekte ten einde.In elk van de vijf jaren van de registratieperiode kan iemand gedurendezes weken ziek zijn, zonder dat dit wordt afgetrokken van de gewerkteuren. Het maakt daarbij niet uit of het zes aaneengesloten weken vanziekte betreft, of zes losse weken niet kunnen werken verspreid over hethele jaar 2 . Met andere woorden, is iemand langer dan zes wekenaaneengesloten ziek of meer dan zes losse weken per jaar, dan zullen dedaardoor niet gewerkte uren vanaf het meerdere niet meer mogenmeetellen als gewerkte uren.Door deze regeling hebben (veel) kortdurende periodes van ziekteverzuimgeen invloed op het totaal aantal gewerkte uren: er hoeft dusgeen compensatie in extra werktijd plaats te vinden, zolang het ziekteverzuimper jaar maar minder bedraagt dan zes maal de overeengekomenarbeidstijd per week (zes weken).Ook voorafgaand, tijdens of na het zwangerschaps- en bevallingsverlofkan ziekte optreden.Het zwangerschaps- en bevallingsverlof van 16 weken(met een mogelijke uitloop tot 19 weken bij een late bevalling) zal nietaangemerkt worden als werkonderbreking in verband met het vermijdenvan elke mogelijke vorm van discriminatie op basis van geslacht 3 .Vrouwen zijn in deze periode immers feitelijk niet in staat om te werkenook al zouden zij dat wel willen. Ziekte die aan de zwangerschap gerelateerdis en plaatsvindt direct voorafgaand of aansluitend aan hetzwangerschaps- en bevallingsverlof zal echter gelijkgesteld worden aanziekte zoals hierboven omschreven. Deze aan zwangerschap en bevallinggerelateerde ziekte mag dus op jaarbasis tot maximaal zes maal dearbeidstijd per week meetellen bij het aantal gewerkte uren. Als de aanzwangerschap en bevalling gerelateerde ziekte op jaarbasis totaal langerduurt dan deze zes weken, moeten de niet gewerkte uren wordenafgetrokken van het aantal uren waarvoor de beroepsbeoefenaar opgrond van de arbeidsovereenkomst is aangesteld.Niet meetellen als gewerkte urenAlle andere soorten van verlof of andere omstandigheden waardoorniet gewerkt is, moeten in mindering worden gebracht op het (contractueelovereengekomen) aantal uren dat iemand zou moeten werken. Dezeuren waarop niet gewerkt is mogen niet meetellen als uren waarop(fictief) gewerkt is. Voorbeelden zijn:Staatsblad 2008 515 11


– ouderschapsverlof: Ouders mogen voor elk kind tot het achtste jaarouderschapsverlof opnemen. De standaardregeling is dertien maal dewekelijkse arbeidsduur, op te nemen gedurende zes maanden voor tenhoogste de helft van de arbeidsduur per week. Het verlof kan verspreidmaar ook aaneengesloten worden opgenomen. Uren welke feitelijk nietzijn gewerkt door het opnemen van ouderschapsverlof (zowel doorverkorting van de werkweek als aaneengesloten) mogen niet meetellenals gewerkte uren.– langdurig zorgverlof: In een aaneengesloten periode van twaalf wekenmag iemand vanwege de zorg voor een levensbedreigend zieke partner,kind of ouder voor de helft minder werken. Per jaar kan maximaal zesmaal de wekelijkse arbeidsduur worden opgenomen (zes weken). Dezeuren tellen niet mee als gewerkte uren en moeten worden beschouwd alswerkonderbreking.– buitengewoon verlof: Indien buitengewoon verlof wordt opgenomenanders dan voor invulling van werkzaamheden die overeenkomen metwerkzaamheden verricht binnen het desbetreffende beroep, mogen deuren niet meetellen als gewerkte uren.Compensatie bij veel korte werkonderbrekingenHet aantal uren dat een beroepsbeoefenaar minimaal gewerkt moethebben, moet zo gelijk mogelijk verspreid worden over de geheleregistratieperiode van vijf jaar. Het kan door allerlei omstandighedenechter voorkomen dat iemand tijdelijk stopt (of moet stoppen) metwerken.Verschillende werkonderbrekingen in de periode van vijf jaar moetenmogelijk zijn om zodoende de regeling flexibel en werkbaar te houden.Verschillende kortere (dat wil zeggen korter dan twee jaar) werkonderbrekingenzijn dus altijd mogelijk. Indien iemand in de wel gewerkte periodenechter slechts een heel beperkt aantal uren heeft gewerkt, moet compensatiein de rest van de registratieperiode van vijf jaar plaats vinden. Hoemeer korte werkonderbrekingen, hoe meer uren in de wel gewerkteperiode gewerkt moet zijn om aan de norm van 2080 uren in vijf jaar tekunnen voldoen. Hoe de werkervaring door de beroepsbeoefenaaringevuld gaat worden, is dus binnen de gestelde grenzen flexibel in tevullen.De norm van 2080 uur per vijf jaar zal door het grootste deel van deberoepsbeoefenaren ruim gehaald kunnen worden, zelfs bij kleineparttime aanstellingen en verschillende werkonderbrekingen. Beroepsbeoefenarenmet een dienstverband van 16 uur per week die gedurendevijf jaar verschillende werkonderbrekingen hebben, zullen de norm al snelkunnen halen. Beroepsbeoefenaren met een aanstelling van slechts 8 uurper week moeten eventuele werkonderbrekingen wel compenseren.Uit overwegingen van doelmatigheid en kostenbesparing is het niet debedoeling dat beroepsbeoefenaren vaker dan eens per vijf jaar eenaantekening in het register laten plaatsen, bijvoorbeeld als zij zienaankomen dat zij een tijd het werk zullen gaan onderbreken. Om die redenis het niet mogelijk dat iemand na twee jaar werken al een aantekening inhet register kan laten plaatsen als hij naar rato van de urennorm gewerktheeft (dus al na bijvoorbeeld na 832 uur werken, namelijk 2 x 1/5 deel van2080 uur). Het is echter wel mogelijk een aantekening in het register telaten plaatsen als na twee jaar reeds geheel is voldaan aan de norm van2080 uur door bijvoorbeeld meer dan drie dagen per week te hebbengewerkt. In een individueel geval kan dit voor de betrokkene handig zijn.Het systeem van artikel 8 van de Wet BIG bevat daartoe echter geenprikkel. Periodieke registratie na vijf jaar is daarom de regel.Er zal niet de eis worden gesteld dat na een werkonderbreking er eerstweer een bepaalde tijd moet zijn gewerkt, voordat er weer een nieuwewerkonderbreking mag volgen. Het roept namelijk allerlei lastigeStaatsblad 2008 515 12


(uitvoerings)problemen op om te beoordelen of de beroepsbeoefenaarvoldoet aan de gestelde eisen van werken na de werkonderbreking.Aaneengesloten werkonderbrekingen mogen maximaal twee jaar durenEr wordt wel een maximum van twee jaar gesteld aan de termijn vanaaneengesloten werkonderbrekingen om zo de spreiding in de tijd tekunnen waarborgen. Het is namelijk niet de bedoeling dat iemand een jaarfulltime werkt en zo (bijna) aan de urennorm voldoet, dan vier jaar niet(binnen het vakgebied) werkt, dan een aantekening in het BIG-register laatopnemen, wederom vier jaar niet werkt en dan weer één jaar fulltimewerkt. Op deze manier zou iemand acht aaneengesloten jaren nietwerkzaam kunnen zijn binnen het vakgebied en toch zijn registratie in hetBIG-register kunnen behouden. Dit is niet acceptabel. Om deze redenwordt als eis gesteld dat werkonderbrekingen niet langer mogen durendan twee aaneengesloten jaren. Indien iemand dus gedurende twee jaaraaneengesloten niet heeft gewerkt binnen zijn deskundigheidsgebied, zalhij in de overige drie jaren van de vijfjaarstermijn de 2080 uur binnen zijnvakgebied moeten werken om zijn registratie te behouden.Indien een aaneengesloten werkonderbreking langer duurt dan tweejaar, heeft dat tot gevolg dat de vóór de werkonderbreking gewerkte urenniet meetellen voor de vaststelling van het totaal aantal gewerkte uren.Om een aantekening in het register te laten plaatsen zal daarom na dewerkonderbreking alsnog voldaan moeten worden aan de eis vanminimaal 2080 uren werkervaring. Stel iemand werkt in het eerste jaar vande periodieke registratieperiode fulltime, vervolgens onderbreekt hij zijnwerkzaamheden met tweeënhalf jaar. Dan zal hij in de resterendeanderhalf jaar van de registratieperiode moeten voldoen aan de eis van2080 uren werkervaring. De voor de werkonderbreking gewerkte urentellen immers niet mee bij de vaststelling van het totale aantal gewerkteuren in de vijfjaarstermijn. Indien hij hieraan niet kan voldoen, zal hijscholing moeten volgen om zijn inschrijving te kunnen verlengen.Buitenslands gediplomeerdenOp beroepsbeoefenaren die in het buitenland hun getuigschrift hebbenbehaald (buitenslands gediplomeerden) zijn de regels van periodiekeregistratie in gelijke mate van toepassing als op binnenslands gediplomeerden1 . De Europese richtlijn erkenning beroepskwalificaties 2 bevatregels betreffende de erkenning van buitenlandse beroepskwalificatiesvoor de toegang tot een beroep. Erkenning van beroepskwalificaties doorde ontvangende lidstaat geeft de begunstigde in deze lidstaat toegang tothetzelfde beroep als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong dekwalificaties bezit en stelt hem in staat dit beroep uit te oefenen onderdezelfde voorwaarden als die voor eigen onderdanen gelden.1 Zie artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deWet BIG. Dit artikel verwijst naar de datumwaarop de ingeschrevene een bij of krachtenshoofdstuk III of VI aangewezen getuigschriftheeft verkregen; de datum waarop hij eenverklaring als bedoeld in artikel 41, eerste lid,onderdeel b, van de Wet BIG heeft verkregenen de datum van verkrijgen van een erkenningvan beroepskwalificaties als bedoeld in deAlgemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties(artikel 41, eerste lid, onderdeel c,van de Wet BIG).2 Richtlijn van het Europese Parlement en deRaad van de Europese Unie van 7 september2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificatiesnr. 2005/36/EG, PbEG 255.– Gediplomeerden van binnen EuropaOp degenen die op grond van de Europese richtlijn erkenning beroepskwalificatiesin aanmerking komen voor registratie in het BIG-register isartikel 8, zesde lid, van de Wet BIG van overeenkomstige toepassing. Ditbetekent voor hen dat ook zij moeten beschikken over recentewerkervaring of over recente scholing. Op grond van de overgangsbepalingopgenomen in artikel 8 van dit besluit geldt ook voor personen diebeschikken over een buitenlands getuigschrift dat is behaald voor deinwerkingtreding van dit besluit dat de in artikel 8, tweede lid, van de WetBIG bedoelde periodes beginnen te lopen vanaf de datum waarop ditbesluit in werking treedt. Als gevolg daarvan geldt voor de personen meteen buitenlands getuigschrift hetzelfde overgangsregime als voorpersonen met een Nederlands getuigschrift. Concreet betekent dit dus datStaatsblad 2008 515 13


personen met een buitenlands getuigschrift, dat is afgegeven voor deinwerkingtreding van dit besluit, vijf jaar na inwerkingtreding van ditbesluit moeten beschikken over recente werkervaring of recente scholingmoeten hebben gevolgd om op basis van het buitenlandse getuigschrift tekunnen worden ingeschreven in het BIG-register.Na deze vijf jaar zal een getuigschrift dat ouder is dan vijf jaar ondersteundmoeten worden door recente werkervaring of scholing. Als deberoepsbeoefenaar daarover niet beschikt dan kan hij niet in hetBIG-register worden ingeschreven. Hij zal eerst in zijn eigen landvoldoende werkervaring moeten opdoen of zich in Nederland moetenscholen volgens de eisen neergelegd in de ministeriële regeling.– Gediplomeerden van buiten EuropaDegenen die niet op grond van de Europese richtlijn erkenningberoepskwalificaties inschrijving in het BIG-register kunnen verkrijgen,kunnen een aanvraag indienen tot inschrijving in het BIG-register op basisvan artikel 41, eerste lid, onderdeel b, van de Wet BIG. De minister kan,gelet op de door de betrokkenen in het buitenland verkregen getuigschriften op de daarnaast opgedane beroepservaring en gevolgde opleiding,hem een verklaring van geen bezwaar tegen zijn inschrijving afgeven (ookwel verklaring van vakbekwaamheid genoemd). De Commissie buitenslandsgediplomeerden volksgezondheid kan de minister daarbij vanadvies dienen 1 . Zodra de buitenslands gediplomeerde aan de gesteldeeisen heeft voldaan, kan hij zich in het BIG-register inschrijven 2 . De datumwaarop de periodieke registratietermijn van vijf jaar aanvangt, is dedatum waarop de betrokkene op basis van artikel 41, eerste lid, onderdeelb, van de wet de bovenbedoelde verklaring heeft gekregen.Werkervaring opgedaan in het buitenlandHet kan ook zo zijn dat een beroepsbeoefenaar die op basis van een inNederland behaald getuigschrift in het BIG-register staat geregistreerd,enige tijd gedurende zijn registratieperiode in het buitenland gaat werken.Werkervaring die hij in een land binnen de EER 3 of in Zwitserland heeftopgedaan, telt gewoon mee voor de beroepen waarvoor op grond van deEuropese richtlijn erkenning beroepskwalificaties de automatischeerkenning geldt (bijvoorbeeld het werken als verpleegkundige inFrankrijk). Werkervaring opgedaan in landen van buiten de EER of binnende EER voor zover het een beroep betreft waarop de bovenbedoeldeautomatische erkenning niet van toepassing is (bijvoorbeeld het werkenals fysiotherapeut in Zwitserland) telt in principe ook mee, doch hieropzijn andere regels van toepassing ten aanzien van het aantonen van deaard van de opgedane werkervaring.5. Bewijsstukken1 Zie het Besluit buitenslands gediplomeerdenvolksgezondheid.2 In artikel 3a van het Besluit buitenslandsgediplomeerden volksgezondheid is geregelddat de buitenslands gediplomeerde diebeschikt over een getuigschrift dat isafgegeven door de autoriteiten van een staatdie is gelegen buiten het EER-gebied, eenkennis – en vaardighedentoets dient af teleggen, als de commissie buitenslandsgediplomeerde dat nodig acht.3 De Europese Economische Ruimte (EER)bestaat uit de landen die lid zijn van de EU ende drie EER landen (IJsland, Noorwegen enLiechtenstein).Eigen verklaring volstaatBij de afweging van de vraag of en hoe de aanvraag om periodiekeregistratie nader onderbouwd moet worden, zijn een aantal factoren tegenelkaar afgewogen: de wens om te komen tot een effectieve beschermingvan patiëntenbelangen (door de verleiding tot het onjuist invullen van deaanvraag tot periodieke registratie te minimaliseren), tegenover denoodzaak om de administratieve lasten en financiële belasting voor deberoepsbeoefenaren, de werkgevers en de gemeenschap binnenaanvaardbare grenzen te houden. De geconsulteerde beroepsgroepenhebben aangegeven het niet nodig te vinden dat standaard bewijsstukkenmoeten worden bijgevoegd bij de aanvraag. Een verplichting hiertoewordt een te grote (financiële) last gevonden voor de beroeps-Staatsblad 2008 515 14


eoefenaren, vooral voor de zelfstandig gevestigden. Bovendien magvertrouwd worden op de eigen verantwoordelijkheid van de beroepsbeoefenaren.Gelet ook op de wens om te komen tot een zo min mogelijkbureaucratisch systeem is gekozen voor een systeem van bewijsleveringter onderbouwing van de aanvraag, waarbij de aanvraag bestaat uit eeneigen verklaring, dat voldaan is aan de eisen van werkervaring. De eigenverklaring zal de vorm hebben van een (digitaal) standaardformulieropgesteld door het BIG-register met een aantal relevante vragen over hetwerkverleden, dat moet zijn opgedaan binnen het desbetreffende gebiedder beroepsuitoefening. De beroepsbeoefenaar verklaart door ondertekeningvan dit formulier dat alle door hem of haar opgegeven gegevensover diens opgedane werkervaring correct zijn en dat hij of zij hiermeevoldoet aan de gestelde eisen voor periodieke registratie.Dit is overigens anders als de aanvraag tot plaatsing van de aantekeningin het register gedaan wordt op basis van gevolgde scholing. Indat geval moet het periodieke registratiecertificaat bij de aanvraag wordenbijgesloten, aangezien de scholing moet zijn afgerond voor het aflopenvan de vijfjaarstermijn van periodieke registratie.Steekproeven1 Steekproefsgewijze controle zal alleenrelevant zijn bij aanvragen op grond vanopgedane werkervaring en niet op grond vanscholing. Indien iemand zich registreert opbasis van gevolgde scholing volstaat hetoverleggen van een «periodiek registratiecertificaat»,afgegeven door een erkendeopleidingsinstelling.2 Dit systeem van periodieke willekeurige engerichte steekproeven wordt ook door despecialistenregistratie-commissies gehanteerdbij de controle van aanvragen voor periodiekeregistratie in de specialistenregisters ex artikel15 van de Wet BIG.Om het onjuist of onvolledig invullen van de eigen verklaring zoveelmogelijk te beperken, zal het BIG-register namens de Minister vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport periodiek steekproeven uitvoeren opde ingediende en te behandelen aanvragen, waarbij de grootte van detotale steekproef jaarlijks kan variëren. De frequentie van de steekproef zalzodanig hoog zijn dat beroepsbeoefenaren ook daadwerkelijk een drukvoelen om hun aanvraag waarheidsgetrouw in te vullen. Vallen zij immersbinnen de steekproef, dan moeten zij de aanvraag alsnog tijdig metbewijsstukken nader onderbouwen, voordat de aanvraag beoordeeld enbehandeld kan worden 1 . Een reële kans om in een steekproef te vallen zalberoepsbeoefenaren ervan weerhouden de eigen verklaring niet naarwaarheid in te vullen. Op grond van artikel 8, vijfde lid, van de Wet BIGblijft doorhaling in het register overigens achterwege zolang niet is beslistop de aanvraag.Op het afgeven van onjuiste informatie over het werkverleden kan optwee wijzen controle uitgeoefend worden bij ingediende aanvragen:– Willekeurige steekproef. Een bepaald percentage van de indienersmoet op verzoek van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sporthun aanvraag alsnog met bewijsstukken onderbouwen. Daarbij zalbeoordeeld moeten worden of deze bewijsstukken de eigen verklaringvoldoende onderbouwen. Zo niet, dan kan de aanvraag wordenafgewezen en tot doorhaling van de inschrijving in het register wordenovergegaan.– Gerichte steekproef. Indien de gegevens uit de eigen verklaringaanleiding geven tot nader onderzoek, kan besloten worden specifiekeaanvragen of bepaalde categorieën aanvragen alsnog met naderebewijsstukken door de aanvrager te laten onderbouwen. Dat kan ondermeer het geval zijn indien uit de ingediende aanvraag vragen rijzen,bijvoorbeeld over de duur van werkonderbrekingen, de aard van dewerkervaring of de omvang van de arbeidsbetrekking(en).Het voordeel van dit getrapte systeem is dat de omvang van desteekproef (bijvoorbeeld jaarlijks) in grootte kan variëren waardoor hetvoor het BIG-register werkbaar kan blijven controle uit te oefenen, terwijltoch het beoogde doel - namelijk het minimaliseren van de prikkel totfraude - kan worden bereikt 2 .Staatsblad 2008 515 15


Alsnog onderbouwen met bewijsstukkenHet thans gekozen systeem van volstaan met een eigen verklaring endesgevraagd de aanvraag nader onderbouwen met bewijsstukken legt deverantwoordelijkheid neer bij de beroepsbeoefenaar om gedurende zijn ofhaar periodieke registratieperiode over te gaan tot het verzamelen van debenodigde bewijsstukken. Indien hij of zij immers binnen een steekproefvalt, zullen tijdig de juiste stukken moeten kunnen worden overgelegd.Door de sterke opkomst van de digitalisering hoeft het overleggen vanbewijsstukken geen last voor beroepsbeoefenaren dan wel voorwerkgevers te zijn. Werkgevers beschikken immers over informatie overde omvang van de aanstelling binnen hun instelling, de soort werkzaamhedendie worden verricht en over de duur van eventuele werkonderbrekingen1 . Beroepsbeoefenaren kunnen ook zelf overgaan tot het bijhoudenvan een eigen (digitaal) portfolio. Hierin kan allerlei relevante informatieover de beroepservaring en scholing worden bijgehouden. Op hetmoment dat de eerste periodieke registraties zullen plaatsvinden is het deverwachting dat het mogelijk zal zijn de bewijsstukken digitaal aan televeren.Niet tijdig aanleveren van bewijsstukkenIndien iemand binnen de steekproef valt, zal de Minister van Volksgezondheid,Welzijn en Sport verzoeken de aanvraag met nadere bewijsstukkente onderbouwen. Hierbij zal een termijn van zes weken wordenaangehouden. Dit is een redelijke termijn om de gevraagde gegevens tekunnen produceren. Na het verstrijken van deze termijn zal hetBIG-register nog een rappel toesturen, met hierin duidelijk aangegevenwat de gevolgen zijn van het alsnog niet tijdig aanleveren van debenodigde stukken. Indien daarna de gevraagde stukken niet zijnaangeleverd, zal de aanvraag niet in behandeling genomen kunnenworden wegens onvoldoende onderbouwing van de aanvraag. Hierdoorzal de periodieke registratietermijn van vijf jaar op het daarvoorvaststaande moment van rechtswege verlopen met als gevolg doorhalingin het BIG-register. Het is dus van belang dat beroepsbeoefenaren tijdighun eigen verantwoordelijkheid nemen door gegevens bij te houden overde duur en de aard van hun opgedane werkervaring.Fraude met bewijsstukkenIndien op welk moment dan ook blijkt dat de eigen verklaring nietovereenstemt met de werkelijk gewerkte uren, dan wel indien gefraudeerdis met bewijsstukken, zal het BIG-register de aanvraag tot het plaatsen vaneen aantekening in het register afwijzen dan wel, na een reeds gerealiseerdeverlenging van de inschrijving, alsnog kunnen overgaan totdoorhaling van betrokkene in het register 2 . In het geval van geblekenfraude kan het BIG-register bovendien aangifte doen, hetgeen voor deberoepsbeoefenaar kan leiden tot een strafrechtelijke veroordeling.6. Tarief voor periodieke registratie1 Volgens artikel 4.3, eerste lid, van deArbeidstijdenwet zijn zij verplicht eenregistratie bij te houden van de arbeidstijden.2 De aantekening kan ongedaan gemaaktworden als blijkt dat de aantekening oponterechte gronden is opgenomen in hetregister.Bij de indiening van een aanvraag (tot het opnemen van een aantekeningin het register van de datum, bedoeld in artikel 8, tweede lid,onderdelen b, en c van de wet) wordt een bij dit besluit vastgesteldbedrag betaald. Dit tarief is het tarief voor het behandelen van deaanvraag voor het plaatsen van een aantekening in het BIG-register metbetrekking tot het voldaan hebben aan de vereiste werkervaring dan welscholing.Daarnaast is de ingeschrevene voor het ingeschreven zijn in het inartikel 3 van de Wet BIG bedoelde register per periode van vijf jaar of eenStaatsblad 2008 515 16


gedeelte daarvan een bij dit besluit vastgesteld bedrag verschuldigd: hetonderhoudstarief. In de artikelsgewijze toelichting wordt hier nader opingegaan.7. OvergangsmaatregelenHet uitgangspunt is dat artikel 8 van de Wet BIG direct van toepassing isop personen die zich voor het eerst inschrijven met getuigschriften die zijnverkregen na het tijdstip waarop het systeem van periodieke registratievan kracht wordt: hun eerste registratieperiode vangt aan op het momentvan verkrijging van het getuigschrift (artikel 8, tweede lid, onderdeel a,van de wet). Hun eerste registratieperiode loopt, conform de bepalingenvan artikel 8 van de wet, vijf jaar na het behalen van het getuigschrift af.BIG-geregistreerden met getuigschriften behaald voor de inwerkingtredingvan dit besluitVoor personen die hun getuigschrift hebben behaald voor het tijdstipvan inwerkingtreding van dit besluit geldt in afwijking van artikel 8,tweede lid, onderdeel a, van de wet, de datum van inwerkingtreding vandit besluit als aanvangsdatum vanaf welke de bedoelde periode begint telopen. Deze eerste periode van vijf jaar zal daardoor het karakter van eenaanloopperiode hebben, waarin geregistreerden - en ook niet geregistreerdenin het bezit van een getuigschrift dat recht geeft op inschrijvingin het register - zich kunnen voorbereiden op de eisen die gelden opgrond van artikel 8 van de Wet BIG. Op deze wijze wordt bereikt dat allepersonen die beschikken over een getuigschrift dat is behaald voor deinwerkingtreding van dit besluit op gelijke wijze worden behandeld. Het isnodig deze overgangsmaatregel te treffen voor de aanvang van de eersteregistratieperiode, omdat de regels die aan de werkervaring of scholingworden gesteld pas in dit besluit en de hierbij behorende ministeriëleregeling worden vastgesteld en bekend worden gemaakt. Indien deuitvoeringsregelgeving direct onverkort van kracht zou worden, danzouden de beroepsbeoefenaren niet de gelegenheid hebben hierop teanticiperen.Artikel 8, zesde lid 1 , pas na vijf jaar van kracht1 Het voormalige vijfde lid van artikel 8. Ziede wet van 7 juni 2007 tot wijziging van de wetop de beroepen in de individuele gezondheidszorg(periodieke registratie) (Stb. 237).2 Zij kunnen zich op grond van artikel 6 vande Wet BIG alsnog voor het eerst in hetBIG-register laten inschrijven.Naast de overgangsmaatregel voor personen die hun getuigschrifthebben behaald voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, zalbij koninklijk besluit worden bepaald dat artikel 8, zesde lid, van de WetBIG pas vijf jaar na het van kracht worden van artikel 8 van de Wet BIG inwerking zal treden. Dit is speciaal van belang voor beroepsbeoefenarendie zich op het moment dat artikel 8 van de Wet BIG van kracht wordt nogniet in het BIG-register hebben laten registreren en waarvan het onder deWet BIG erkende getuigschrift ouder is dan vijf jaar op het moment vaneerste inschrijving in het BIG-register. Indien artikel 8 van de Wet BIGdirect onverkort op hen van toepassing zou worden, zou de termijn vanvijf jaar na het verkrijgen van het getuigschrift (artikel 8, tweede lid,onderdeel a) al verstreken zijn, voordat de periodieke registratieperiodebegonnen is. Dit zou betekenen dat zij alleen in het BIG-register geregistreerdzouden kunnen worden, indien zij op grond van artikel 8, zesde lid,van de Wet BIG op het moment van eerste inschrijving 2 reeds voldoenaan de eisen van werkervaring en scholing. Omdat die eisen pas bij ditbesluit worden vastgesteld en bekendgemaakt, is dat niet mogelijk. Zijvallen ook niet onder de werking van artikel 104, 105 of 106 van de WetBIG. Zij kunnen dus tot het moment waarop artikel 8 van de Wet BIG vijfjaar van kracht is, zich voor het eerst in het BIG-register laten inschrijvenzonder te voldoen aan de eisen van voldoende werkervaring dan welscholing. Na deze vijf jaar kan dit alleen indien zij aantonen in de vijfStaatsblad 2008 515 17


voorgaande jaren wel te hebben voldaan aan de eisen van werkervaringof scholing. Dit geldt ook voor oud gediplomeerden die zich op grond vande overgangsbepalingen van de artikelen 104, tweede lid, 105 en 106 vande Wet BIG voor het eerst in het BIG-register willen laten inschrijven meteen getuigschrift behaald voor de inwerkingtreding van de Wet BIG.Vijf jaar na inwerkingtreding van dit besluit moeten gediplomeerdenmet een buitenslands diploma die zich voor het eerst in Nederland latenregistreren en die langer dan vijf jaar geleden hun aangewezen diplomahebben behaald, (net als Nederlands gediplomeerden die zich voor heteerst laten registreren en die langer dan vijf jaar geleden hun diplomahebben behaald) bij de eerste registratie in het BIG-register aantonen datzij (in de vijf aan de inschrijving voorafgaande jaren) hebben voldaan aande eisen met betrekking tot periodieke registratie. Op hen is artikel 8,zesde lid, van de Wet BIG van overeenkomstige toepassing. De Europeserichtlijn erkenning beroepskwalificaties staat aan het stellen van dezeeisen niet in de weg. Het bepaalt dat de lidstaten aan de in de richtlijngenoemde opleidingstitels hetzelfde rechtsgevolg moeten toekennen alsaan de door hen zelf afgegeven opleidingstitels.8. EvaluatieHet is voorafgaande aan de invoering van het systeem van periodiekeregistratie niet goed mogelijk om met zekerheid tot een reële kostencalculatiete komen van de werkelijk te maken kosten van het behandelenvan de aanvragen en de daarmee samenhangende activiteiten. Nietduidelijk is hoe groot precies de groep beroepsbeoefenaren in werkelijkheidzal zijn die zich periodiek gaat registreren. Naarmate minderberoepsbeoefenaren tot periodieke registratie overgaan, zullen de kostenper aanvraag stijgen. Daarentegen is het ook niet de bedoeling kosten bijberoepsbeoefenaren in rekening te brengen die niet gemaakt zijn. Het isdaarom aangewezen om op termijn te komen tot een evaluatie van demate waarin de tarieven genoemd in artikel 6 al dan niet kostendekkendzijn.Daarnaast zal geëvalueerd moeten worden of de eisen die in dit besluiten in de bijbehorende ministeriële regeling aan periodieke registratie zijngesteld, bijstelling behoeven. Met name het aantal uren werkervaring isop een minimaal niveau vastgesteld. Onderzocht moet worden of degestelde ureneis voldoende tegemoet komt aan het doel van periodiekeregistratie, namelijk het voldoende garanderen van het minimalebasisniveau dat van een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar verlangdmag worden. Datzelfde geldt voor de eisen die in de ministeriële regelingworden gesteld aan de aard van de werkzaamheden. Wanneer en doorwie de evaluatie moet worden uitgevoerd is thans nog niet goed aan tegeven. Eerst moeten vijf jaar na het van kracht worden van artikel 8 vande Wet BIG en de daarop gebaseerde regelgeving verstreken zijn, voordatde eerste aantekeningen in de registers van verpleegkundigen, verloskundigenen fysiotherapeuten kunnen worden gemaakt dan wel daarin opgrond van artikel 8 van de Wet BIG doorhalingen kunnen plaatsvinden. Deoverige beroepsgroepen zullen later onder de werking van artikel 8 van deWet BIG komen te vallen.9. Administratieve lasten1 Kamerstukken II 2005/06, 30 463, nr. 3.2 Wet van 7 juni 2007, Staatsblad 2007, 237.De wijziging van artikel 8 van de Wet BIG brengt administratieve lastenmet zich mee voor beroepsbeoefenaren. Hierop is ingegaan in deMemorie van toelichting 1 bij de wijziging van de Wet BIG (periodiekeregistratie) 2 . Er zijn drie keuzes uitgewerkt voor de invoering van eensysteem voor periodieke registratie, namelijk een systeem met alleenkwantitatieve criteria, een systeem op basis van zowel kwantitatieve alskwalitatieve criteria en een systeem waarbij werkervaring kan wordenStaatsblad 2008 515 18


aangetoond door gebruik te maken van de Unieke ZorgverlenersIdentificatie pas (UZI-pas).De systemen zouden respectievelijk op jaarbasis € 3.150.670,--,€ 5.403.750,-- dan wel € 1.518.000,-- aan administratieve lasten kosten.Gekozen is voor het eerste systeem waarbij alleen kwantitatieve eisen aande periodieke registratie zouden worden gesteld.Het Adviescollege toetsing administratieve lasten heeft in haar adviesvan 14 oktober 2004 1 de minister geadviseerd het wetsvoorstel in tedienen bij de Ministerraad. Zij heeft hierbij echter als voorwaarde gestelddat de met dit wetsvoorstel samenhangende lagere regelgeving vooradvies aan Actal moet worden voorgelegd, omdat de nadere uitwerking inde lagere regelgeving bepalend is voor de feitelijke toename van deadministratieve lasten. Zij heeft hierbij aangegeven te bekijken of deadministratieve lasten via het gebruik van ICT-toepassingen beperktkunnen worden.Oorspronkelijke berekeningInvoering van artikel 8 van de Wet BIG betekent dat een groot deel vande 300.000 BIG-geregistreerden 2 vanaf het moment van invoering van deperiodieke registratie eens in de vijf jaar een formulier bij het BIG-registerzal moeten aanvragen, invullen, ondertekenen en terugsturen (al dan nietvia de digitale weg). Er was van uitgegaan dat bij dit formulier bewijsstukkenten aanzien van werkervaring dan wel scholing moesten wordenbijgevoegd.Voor de berekening van de administratieve lasten was gebruik gemaaktvan het standaard kostenmodel administratieve lasten VWS en isaangesloten bij de uitgangspunten van de nulmeting. Zo is een uurtariefvan € 30,-- voor alle beroepsgroepen gebruikt, zowel voor de basisberoepsbeoefenarenals voor de specialisten. In dit model was deperiodieke registratie bemeten op een tijdsbesteding van 1,5 uur voor hetinvullen van het formulier en het aanleveren van de bewijsstukken. In deonderstaande lastenberekening werd voor het afgeven van de werkgeversverklaringeen kwartier per werkgever gerekend. Omdat het aantalberoepsbeoefenaren in loondienst werd geschat op ongeveer 241.000professionals 3 (de Q), en de frequentie van het wisselen van werkgevergemiddeld hoger ligt dan eens per 5 jaar (als frequentie werd ¼genomen), komen de totale lasten uit op € 3.150.670,–.Tabel 1. Administratieve lasten met periodieke registratiesysteem met alleen kwantitatieve criteria met standaard bewijsstukken(uitgaande van alle 8 de basisberoepen)Handeling Berichten Doelgroep Uur Tijd Freq P Q TotaalPeriodiekeregistratiePeriodiekeregistratieaanvragen, invullenen versturen formulier, incl. bijlagenAfgeven werkgeversverklaringBIG-geregistreerden die hunregistratie willen behoudenWerkgevers van BIGgeregistreerdenin loondienst€ 30 1,5 1/5 9 300.000 2.700.000€ 30 0,25 1/4 1,87 241.000 450.670Totaal 3.150.6701 Actal, 14 oktober 2004, kenmerk RL/PL/2004/231.2 Dit is zonder de specialisten, nu voor hen deeisen betreffende periodieke registratie nietgelden zolang zij zijn geregistreerd in eenspecialistenregister waarvoor herregistratieeisengelden.3 Er is gemakshalve van uitgegaan dat deartsen (niet tevens zijnde ook specialist) enverpleegkundigen in loondienst werkzaam zijn(totaal 241.000) en de overige beroepsgroepen(apothekers, fysiotherapeuten, gezondheidszorgpsychologen,tandartsen en verloskundigen)zelfstandigen zijn (59.000).Nieuwe berekeningIn de uitwerking van de lagere regelgeving is zoveel mogelijk rekeninggehouden met het beperken van de administratieve lasten voor beroepsbeoefenarenen voor derden (bijvoorbeeld de werkgevers). Een ondertekendeeigen verklaring over de werkervaring opgedaan in de voorgaandevijf jaar volstaat. De eigen verklaring zal bestaan uit een (digitaal)standaardformulier, opgesteld door het BIG-register. Het formulier zaleenvoudig via de website van het BIG-register opgehaald kunnen wordenen na invulling digitaal teruggestuurd kunnen worden. In tegenstelling totStaatsblad 2008 515 19


de eerdere uitgangspunten is afgezien van een verplichting tot overleggenvan bewijsstukken direct bij het indienen van de aanvraag tot periodiekeregistratie.Bij beroepsbeoefenaren in loondienst zal niet meer standaard eenwerkgeversverklaring worden verlangd. De frequentie dat een werkgeverzal worden gevraagd een dergelijke verklaring af te geven zal dan ookaanzienlijk dalen. Ook zelfstandig gevestigde beroepsbeoefenaren hoevenniet allerlei bewijsstukken over de opgedane werkervaring standaard in testuren.Bij het aanvraagformulier hoeven alleen bewijsstukken ten aanzien vanwerkervaring te worden overgelegd als de werkervaring is opgedaan ineen land buiten het gebied waarop de Overeenkomst betreffende deEuropese Economische Ruimte van toepassing is en Zwitserland 1 en alsverlenging van de inschrijving plaatsvindt op basis van een behaaldperiodiek registratiecertificaat van gevolgde scholing.Als de aanvraag tot opneming in het register van een aantekeningomtrent scholing wordt ingediend, moet bij de aanvraag wel direct hetperiodieke registratiecertificaat worden bijgesloten. Alleen met dit bewijsvan het met goed gevolg afgelegd hebben van de scholing kan immers deaantekening in het register van de scholing plaatsvinden. Op basis van hetrapport van het NIVEL wordt de aanname gedaan dat 60.000 mensen eendergelijke aantekening in het register zullen willen laten opnemen 2 .Er zullen eisen worden gesteld aan de eenduidigheid en uniformiteitvan het periodiek registratiecertificaat. Dit bevordert het eenvoudig doorhet BIG-register kunnen beoordelen van de aanvragen voor periodiekeregistratie op basis van met succes gevolgde scholing. De erkendeonderwijsinstellingen zullen worden gevraagd de namen van de personenaan wie zij een periodiek registratiecertificaat hebben uitgereikt aan hetBIG-register te verstrekken. Op die manier kan fraude met certificatenzoveel mogelijk vermeden worden.Eerder was in de Memorie van toelichting aangegeven dat een systeemzonder het direct moeten overleggen van bewijsstukken het systeem vanperiodieke registratie zou kunnen uithollen. Hoewel dit argument op zichvalide is, wordt dit zoveel mogelijk ondervangen door naar geblekenbehoefte een steekproef te houden. Als controlemiddel is gekozen vooreen systeem van jaarlijkse gerichte en willekeurige steekproeven. Alleenindien een aanvraag binnen de controlegroep valt, moet de aanvrageralsnog bewijsstukken overleggen alvorens de aanvraag in behandelingkan worden genomen. De grootte van de steekproef kan jaarlijks variëren.Zo wordt de prikkel om de eigen verklaring niet naar juistheid in te vullenzoveel mogelijk ondervangen ten gunste van het bereiken van zo minmogelijk administratieve lasten.In de berekening is gemakshalve uitgegaan van een totale steekproefvan 5.000 aanvragen per jaar. Deze personen zullen, omdat zij in desteekproef zitten, de aanvraag moeten onderbouwen met bewijsstukken.Een werkgeversverklaring kan daar onderdeel van uitmaken. De beroepsbeoefenaarwordt geacht over de meeste andere bewijsstukken tebeschikken zonder daar speciaal tijd in te hoeven investeren (bijvoorbeeldeen salarisstrook of boekhoudgegevens).1 Dit aantal is zodanig laag, dat dit niet in deberekening is meegenomen.2Herregistratie in het BIG-register: eeneerste inventarisatie, NIVEL 2004.Uit zorgvuldigheidsoverwegingen is thans in de berekening welopgenomen dat het BIG-register een half jaar voor het aflopen van deperiode van registratie elke ingeschreven beroepsbeoefenaar attendeertop het verlopen van diens periode van inschrijving. Dit komt neer op éénaanschrijving per beroepsbeoefenaar per periode van vijf jaar. Deberoepsbeoefenaren moeten deze brief doorlezen, hetgeen ongeveer 10minuten per beroepsbeoefenaar kost.Het thans voorgestelde systeem zal een aanzienlijke besparingopleveren op de administratieve lasten. In het oorspronkelijke model wasde periodieke registratie aanvankelijk bemeten op een tijdsbesteding vanStaatsblad 2008 515 20


1,5 uur voor het invullen van het formulier en het aanleveren van debewijsstukken. Dit kan zeker met een uur worden teruggebracht, nu nietmeer standaard bewijsstukken hoeven te worden aangeleverd. Dit openttevens de mogelijkheid de aanvraag digitaal bij het BIG-register aan televeren. Alleen in de gevallen waarbij vooraf bewijsstukken moetenworden bijgeleverd, blijft een schriftelijke aanvraag aangewezen. Deoverige veronderstellingen uit de oorspronkelijke berekening blijvenzoveel mogelijk gehandhaafd.Bovengaande uitgangspunten leiden tot de volgende berekening 1 vanadministratieve lasten in het thans gekozen systeem van alleen kwantitatievecriteria zonder het standaard moeten overleggen van bewijsstukken.Tabel 2. Administratieve lasten op jaarbasis met periodieke registratiesysteem met alleen kwantitatieve criteria zonder standaardbewijsstukken (uitgaande van alle 8 de basisberoepen)Handeling Berichten Doelgroep Uur Tijd Freq P Q Totaal1. Periodieke registratieop basis van werkervaring2. Periodieke registratieop basis van scholing3. Periodieke registratieop basis van werkervaringinvullen en digitaalversturenaanvraagformulierKopiëren van periodiekregistratiecertificaaten plakken postzegel(60.000 x € 0,44 =€ 26.400)Afgeven (werkgevers-)verklaring dan welandere bewijsstukkenals de aanvraag binneneen steekproef valt enkosten van verzenden(5.000 x € 0,44 =€ 2.200)BIG-geregistreerden die hunregistratie willen behouden€ 30 0,5 1/5 3 240.000 720.000BIG-geregistreerden die hun € 30 0,25 1/5 1,5 60.000 90.000registratie willen behoudenop basis van scholing 26.400BIG-geregistreerden zelf,hun werkgevers in geval vanloondienst of accountants bijzelfstandigen€ 30 0,5 1 5.000 78.750 12.2004. Rappel door hetBIG-registerInformeren enattenderen op verlopenregistratiealle ingeschrevenenin het BIG-register€300,10 1/5 1 300.000 300.0002200Totaal 1.217.3501 De ’directe’ lasten bedragen (€30 x 15/60 : 10 x 5.000 =) € 3.750. Deze personen zullen, omdat zij in de steekproef zitten, dezelfde handelingenmoeten uitvoeren als onder punt 1 is berekend. Ervan uitgaande dat de steekproef er ieder jaar hetzelfde uitziet, levert dit de volgende lasten op:€30 x 30/60 x 5000 = €75.000. Hierbij komen de kosten van verzending (5000 x €0,44 = €2.200).De administratieve lasten zullen dus jaarlijks uitkomen op € 1.217.350,--.Dit is een daling van € 1.933.320,– op jaarbasis ten opzichte van deoorspronkelijke berekening 2 .Het onderhavige besluit en nota van toelichting zijn op verzoek van hetAdviescollege toetsing administratieve lasten aan het college voorgelegd.Het college constateerde dat de administratieve lasten zijn gedaald naar€ 1.217.350,-- op jaarbasis. De lasten zijn in dit besluit bovendien goedkwantitatief en kwalitatief in beeld gebracht en op een juiste wijzemeegewogen. Daarom heeft het college het besluit niet geselecteerd vooreen toets op de gevolgen voor de administratieve lasten 3 .II. Artikelsgewijze toelichting1 Hierbij is dezelfde berekenmethode gebruiktals voor de berekening van de administratievelasten in de Memorie van Toelichting bij hetwetsvoorstel 30 463, dat meer in detail isuitgewerkt in de brief IBE/BO-2517368, d.d.28 september 2004, gericht aan Actal.2 Namelijk € 3.150.670 – € 1.217.350 =€ 1.933.320,–.3 Brief Actal d.d. 14 februari 2008, kenmerkRL/AZ/2008/021.Artikel 2Periodieke registratie zal in de eerste fase van kracht worden voor deberoepsgroepen van de verpleegkundigen, de verloskundigen en defysiotherapeuten. Zij zijn het meest gevorderd in het denken overperiodieke registratie en het opzetten van eigen kwaliteitsregisters. Dezedrie beroepen vormen in aantal tevens de grootste groep geregistreerdeberoepsbeoefenaren.Staatsblad 2008 515 21


Daarna volgen in de tweede fase de beroepsgroepen tandarts,apotheker en arts, al dan niet gezamenlijk met de gezondheidszorgpsychologenen de psychotherapeuten. Nu bij de totstandkoming van ditbesluit alle beroepsgroepen genoemd in artikel 3 van de Wet BIGbetrokken zijn geweest, zal als uitgangspunt gelden dat dit besluit zoveelmogelijk ook op hen van toepassing zal worden. Afwijkingen zijn echtermogelijk, bijvoorbeeld bij het vaststellen van de omvang van het aantaluren werkervaring. Hierover zullen in de toekomst met hen nieuweconsultatiegesprekken plaatsvinden.Artikel 3Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar het algemenedeel.Artikelen 4 en 5 BewijsstukkenBij de aanvraag tot het plaatsen van de aantekening in het register opgrond van het voldaan hebben aan de vereiste werkervaring moet eendoor de minister beschikbaar te stellen formulier worden ingediendwaarop de werkervaring van de afgelopen periode is ingevuld 1 .Opverzoek van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zal deingevulde werkervaring moeten worden onderbouwd met onderliggendebewijsstukken. Echter indien de werkervaring is opgedaan in een land datgeen partij bij de Overeenkomst betreffende de Europese EconomischeRuimte is en niet in Zwitserland 2 , dan zal direct bij de aanvraag deonderliggende bewijsstukken van de werkervaring moeten wordeningediend. Indien de werkervaring is opgedaan binnen het EER-gebied ofin Zwitserland in een beroep waarop niet de in de Europese richtlijnerkenning beroepskwalificaties bedoelde automatische erkenning vantoepassing is, moet ook direct bij de aanvraag tot plaatsing van deaantekening in het register worden onderbouwd.Bewijsstukken beroepsbeoefenaren in loondienst1 Ook zal worden gevraagd naar het meestrecente werkadres (dit kan uiteraard samenvallenmet het woonadres).2 Werkervaring opgedaan in Zwitserlandwordt aangemerkt als werkervaring opgedaanbinnen de Europese Economische Ruimte enhoeft dus niet direct te worden onderbouwdmet nadere bewijsstukken.Welke stukken voldoende zijn voor het onderbouwen van een individueleaanvraag voor periodieke registratie is afhankelijk van de situatie.De beroepsbeoefenaar kan het beste zelf beoordelen welke stukken zijn ofhaar aanvraag voldoende kunnen onderbouwen. Als bewijsstukken voorberoepsbeoefenaren in loondienst komen in aanmerking:– de individuele arbeidsovereenkomst of aanstellingsbesluit, waarin isopgenomen de hoeveelheid uren per week waarbinnen werkzaamhedenworden verricht die vallen binnen de deskundigheidsomschrijving van hetbetreffende beroep;– een kopie van een recente loonstrook;– een verklaring van de werkgever over de aard van het arbeidsverledenin de voorgaande vijf jaar (met antwoord op de vraag of de werkzaamhedenzijn verricht binnen het betreffende beroepsgebied). HetBIG-register zal namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn enSport hiervoor een formulier opstellen dat door de werkgever – in principeeens per vijf jaar – ingevuld en ondertekend kan worden. Wisselt deberoepsbeoefenaar ondertussen van werkgever, dan is het de verantwoordelijkheidvan de beroepsbeoefenaar zelf om de benodigde informatievast te leggen dan wel over te dragen aan de nieuwe werkgever, zodat denieuwe werkgever in staat is de verklaring af te geven over de gehelevoorgaande periode van vijf jaar. Van een werkgever mag redelijkerwijsverwacht worden dat deze het verzoek van de beroepsbeoefenaar om hetafgeven van een werkgeversverklaring tijdig inwilligt, dan wel dat hijbehulpzaam is om een beroepsbeoefenaar tijdig aan de benodigdebescheiden voor periodieke registratie te helpen;Staatsblad 2008 515 22


– een verklaring van het uitzendbureau of een vergelijkbare instellingomtrent het aantal uren dat iemand in de voorgaande vijf jaar heeftgewerkt binnen het betreffende beroepsgebied. Indien een beroepsbeoefenaarverschillende arbeidscontracten (al dan niet via het uitzendbureau)heeft gehad, moet hij of zij per werkgever een verklaring van deomvang van het verrichtte dienstverband en de aard van de werkzaamhedenbijvoegen;– schriftelijke bescheiden van werkgevers dan wel instanties met nadereinformatie over de duur van werkonderbrekingen in geval van ziekte,bijzonder verlof of andere omstandigheden;– het bewijs van inschrijving in het Kwaliteitsregister van de betreffendeberoepsgroep, mits de eisen die in het betreffende Kwaliteitsregister aanwerkervaring worden gesteld gelijk aan dan wel hoger zijn dan de eisenzoals opgenomen in dit besluit;– andere schriftelijke stukken waarvan de beroepsbeoefenaar vanoordeel is dat zij de aanvraag kunnen onderbouwen.Bewijsstukken zelfstandige beroepsbeoefenarenOok zelfstandige dan wel vrijgevestigde beroepsbeoefenaren moetenzelf beoordelen welke stukken in aanmerking komen voor onderbouwingvan de aanvraag, indien daarnaar door het BIG-register namens deMinister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt gevraagd. Zijhebben jegens de Belastingdienst een plicht tot het bijhouden vanbepaalde informatie (bijvoorbeeld het voeren van een deugdelijkeadministratie). Het aanleveren van bewijs over inkomsten en daaruitgerelateerd de gewerkte uren, zou in veel gevallen geen grote, extrabelasting hoeven op te leveren. De volgende bewijsstukken komen inaanmerking voor nadere onderbouwing van de aanvraag:– een accountantsverklaring waarin wordt gemeld dat het aannemelijkis dat de beroepsbeoefenaar in de voorgaande vijf jaar een bepaald aantaluren werkervaring heeft opgedaan. Dit kan de accountant afleiden uitomzet (na verdiscontering met vervuilende factoren) uitgezet tegen hetgehanteerde uurtarief, doorgefactureerde uren aan patiënten, dan wel hetaantal verrichtingen. Ook kan deze inzicht geven in eventuelewerkonderbrekingen.– de accountantsverklaring kan onderbouwd worden met een afschriftvan de bladzijde uit de voorgaande vijf jaarverslagen van de winst- enverliesrekening waaruit de omzet uit die betreffende jaren blijkt.– afschriften van belastingaangiften, indien deze een indicatie vormenvoor het aantal gewerkte uren binnen het deskundigheidsgebied.– een kopie van inschrijving in Kamer van Koophandel metomschrijving van de onderneming of praktijk.– bij (tijdelijke) waarneming in een andere praktijk een kopie van deschriftelijke waarnemingsovereenkomst (waaruit kan blijken voor hoeveeluren de waarneming is aangegaan) dan wel een verklaring van deverantwoordelijke van die praktijk over het aantal uren dat de beroepsbeoefenaarbinnen die praktijk heeft gewerkt.– het bewijs van inschrijving in het Kwaliteitsregister van de betreffendeberoepsgroep, mits de eisen die in het betreffende Kwaliteitsregister aanwerkervaring worden gesteld gelijk aan dan wel hoger zijn dan de eisenzoals opgenomen in artikel 3 van het besluit.– andere schriftelijke stukken waarvan de beroepsbeoefenaar vanoordeel is dat zij de aanvraag kunnen onderbouwen.Omdat de te overleggen accountantsverklaring slechts hoeft te wordenovergelegd indien een beroepsbeoefenaar binnen de steekproef valt (dusniet standaard elke vijf jaar), zullen de kosten van het opstellen van dezeaccountantsverklaring voor de zelfstandig gevestigde beroepsbeoefenarenbeperkt kunnen blijven. Het is hierbij de keuze van deberoepsbeoefenaar zelf of hij of zij voorafgaande aan het indienen van zijnStaatsblad 2008 515 23


of haar aanvraag om periodieke registratie de accountantsverklaring allaat opstellen. Dit heeft als voordeel dat, wanneer hij of zij binnen desteekproef valt, hij of zij tijdig de verklaring naar het BIG-register kansturen.Bewijsstukken van werkervaring opgedaan in landen buiten hetEER-gebiedAan iemand die in het buitenland heeft gewerkt worden dezelfde eisengesteld ten aanzien van duur, spreiding en aard van de werkzaamhedenals die aan werkervaring opgedaan in Nederland worden gesteld. Voor hetvaststellen van de werkervaring opgedaan in een land dat partij is bij deOvereenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en inZwitserland gelden voor de beroepen, waarop op grond van de Europeserichtlijn erkenning beroepskwalificaties de automatische erkenning vantoepassing is, dezelfde regels met betrekking tot bewijslast als ten aanzienvan werkervaring opgedaan in Nederland. Werkervaring opgedaan binnenhet EER-gebied maar in een beroep waarop de automatische erkenningniet van toepassing is of in een land dat geen partij is bij de Overeenkomstbetreffende de Europese Economische Ruimte kan ook meetellen.Hetniveau van de beroepsuitoefening kan in de laatst genoemdegevallen wezenlijk verschillen met het niveau in Nederland. Omdat in dezegevallen er een gerede kans bestaat op verschillen in werkervaring, zaldirect bij de aanvraag tot plaatsing van de aantekening in het registerdoor de beroepsbeoefenaar meer informatie moeten worden gegevenover de omvang, duur en aard van de daar verrichte werkzaamheden.Betrokkene zal hiertoe direct bij de aanvraag de benodigde bewijsstukkenmoeten bijvoegen. Dit is dus niet afhankelijk van de kans dat betrokkenebinnen de steekproef valt. In zoverre is dit een uitzondering op dehoofdregel dat een eigen verklaring volstaat.Artikel 6 Tarief voor periodieke registratieBasistariefVoor de behandeling van de aanvraag tot plaatsing van een aantekeningin het register is de aanvrager een bedrag van € 65,-- verschuldigd. Uit dittarief worden de kosten betaald van behandeling van de aanvraag, hetinnen van de verschuldigde bedragen, het verrichten van de steekproefsgewijzecontrole op de juistheid van de ingediende aanvragen, hetbeoordelen van bewijsstukken en het aanschrijven van alle ingeschreveneneen half jaar voor het aflopen van de registratieperiode 1 .Onderhoudstarief1 De ingeschrevene wordt op het aflopen vandiens registratietermijn gewezen en wat hijkan doen om zijn registratie te behouden.Daarnaast is voor het ingeschreven zijn in het in artikel 3 van de WetBIG bedoelde register een bedrag van € 20,-- verschuldigd. Dit dient terdekking van kosten voor het bijhouden van mutaties in het register, voorhet verstrekken van informatie aan derden over de ingeschrevenen, hetbeantwoorden van vragen van de ingeschrevenen zelf en het actueelhouden van voorlichtingsmateriaal en de informatie op de website. Beidebedragen moeten tegelijkertijd worden betaald alvorens de aanvraag inbehandeling kan worden genomen.Het onderhoudstarief is verschuldigd onafhankelijk van de uiteindelijkeduur van de werkelijke verlenging van de inschrijving. Mocht de aantekeninguiteindelijk betrekking hebben op een kortere periode - om watvoor reden dan ook -, dan vindt geen restitutie van (een gedeelte) van hetonderhoudstarief plaats. Als de beoordeling van de aanvraag er uiteindelijktoe leidt dat de aantekening in het register niet wordt gemaakt, danis het onderhoudstarief niet verschuldigd en wordt dit terugbetaald.Staatsblad 2008 515 24


Het onderhoudstarief zal ook in rekening worden gebracht bij despecialisten, wier registratie in het BIG-register vanwege de in artikel 8,derde lid, van de Wet BIG aangebrachte koppeling «automatisch» wordtverlengd op het moment van verlenging van hun inschrijving in eenspecialistenregister.Door deze koppeling hoeven zij niet elke vijf jaar bij het BIG-register eenaanvraag voor periodieke registratie in te dienen, doch zij blijven wel inhet BIG-register geregistreerd staan. Het zou niet redelijk zijn de kostendie hiervoor gemaakt worden niet ook aan hen door te berekenen. Doorderden wordt immers ook over hen informatie ingewonnen bij hetBIG-register. De specialistenregistratiecommissies zullen verzocht wordenhet onderhoudstarief elke vijf jaar op het moment van herregistratie in hetspecialistenregister in rekening te brengen bij de specialisten envervolgens af te dragen aan het BIG-register.Tijdige betalingDe bedragen moeten binnen één maand na de indiening van deaanvraag zijn betaald. Pas na ontvangst van de betaling wordt deaanvraag in behandeling genomen. Is niet binnen deze maand betaald,dan volgt een rappel tot betaling. Is binnen een maand na verzending vandeze rappelbrief alsnog niet betaald, dan zal de aanvraag niet in behandelingworden genomen. Hierdoor kan geen nieuwe aantekening in hetregister worden opgenomen, waardoor doorhaling in het register zalplaatsvinden na verloop van de geldende periodieke registratieperiode.Het is noodzakelijk om een termijn voor betaling in de regeling op tenemen, omdat iemand, die wel tijdig zijn aanvraag heeft ingediend, dochdie niet tot betaling van de aanvraag overgaat, zo anders zijn doorhalinguit het BIG-register kan frustreren. Artikel 8, vijfde lid, van de wet bepaaltimmers dat er geen doorhaling plaatsvindt tijdens de behandeling van deaanvraag.Artikel 7. Aanpassing besluit buitenslands gediplomeerdenBij het beoordelen van aanvragen voor periodieke registratie kan –ondanks vooraf meegestuurde bewijsstukken – het niet duidelijk zijn of dein buiten de EER-landen opgedane werkervaring voldoende gelijkwaardigis aan de in Nederland opgedane werkervaring. De Commissie buitenslandsgediplomeerden volksgezondheid (CBGV) zal na invoering van deperiodieke registratie daarom een nieuwe taak krijgen, namelijk hetadviseren van de minister of de in die landen opgedane werkervaring aldan niet kan meetellen voor periodieke registratie in een artikel 3 beroep 1 .Hiertoe wordt het Besluit buitenslands gediplomeerden mede aangepast.Op grond van deze wijziging krijgt de commissie ook een taak bij hetbeoordelen van de werkervaring die fysiotherapeuten buiten Nederland,doch binnen het EER-gebied, hebben opgedaan, omdat het daarvan ookniet op voorhand duidelijk zal zijn of de opgedane ervaring van voldoendegelijkwaardig niveau is in relatie tot de in Nederland door fysiotherapeutenverrichte werkzaamheden 2 .1 Er moet rekening mee gehouden wordendat de Commissie Buitenslands GediplomeerdenVolksgezondheid de werkervaringopgedaan buiten de EER over het algemeenniet van gelijkwaardig niveau beoordeelt,aangezien de opleiding tot het beroep gevolgdbuiten de EER vaak niet gelijkwaardig wordtgeacht aan de opleiding tot het beroepgevolgd binnen de EER.2 Ditzelfde geldt overigens voor de beroepenvan gezondheidszorgpsycholoog en depsychotherapeut, waarop dit besluit nu noggeen betrekking heeft.Artikel 8. OvergangsbepalingDit artikel zorgt ervoor dat in de eerste periode van vijf jaar na deinwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur geen inschrijvingenworden doorgehaald uit het BIG-register. Dit zal worden bereiktdoor de eerste registratieperiode te fixeren voor diegene die beschikkenover een getuigschrift dat is behaald vóór de inwerkingtreding van demaatregel. Voor hen zal de eerste registratieperiode lopen tot vijf jaar nade inwerkingtreding van de maatregel. Pas op dat moment zullen zijworden getoetst aan de eisen van werkervaring of scholing.Staatsblad 2008 515 25


Het is nodig een overgangsmaatregel te treffen voor de eersteregistratieperiode, omdat de regels die aan de werkervaring of scholingworden gesteld pas in deze maatregel en de bijbehorende ministeriëleregeling worden vastgesteld en bekend gemaakt. Als gevolg hiervankunnen geregistreerden niet direct na het inwerkingtreden van artikel 8van de Wet BIG voldoen aan de werkervarings- dan wel scholingseisen.De eerste periode zal daardoor het karakter van een aanloopperiodehebben waarin een ieder zich kan voorbereiden op de eisen die gelden opgrond van artikel 8 van de wet. Op deze wijze wordt bereikt dat allepersonen die beschikken over een getuigschrift dat is behaald voor deinwerkingtreding van dit besluit op gelijke wijze worden behandeld.Artikel 9. InwerkingtredingDit besluit zal in werking treden tegelijkertijd met artikel 8 van de WetBIG en met artikel I, onderdelen A en B en artikel IA van de Wet van 7 juni2007 tot wijziging van artikel 8 van de Wet op de beroepen in de individuelegezondheidszorg (Stb. 2007, 237).De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,A. KlinkStaatsblad 2008 515 26

More magazines by this user
Similar magazines