de BiograFie - Pauw & Witteman

pauwenwitteman.vara.nl

de BiograFie - Pauw & Witteman

Bert Wagendorp • WyBren de Boer • Frans oosterWijk

ard

schenk

de BiograFie


V o o r w o o r d I k b e k e n I k h e b g e l e e f d

als het verschil tussen ijs en water kleiner was, zouden ard schenk

en ik elkaar mogelijk al zijn tegengekomen toen we beiden nog

jonge en onstuimige mannen waren. niet dat ik mij actief op de

schaatsbanen van grenoble of sapporo zou hebben begeven – ik

ben een Belg en geen ‘schaatsbelg’ – maar ard zou bij gebrek aan ijs

zijn veelzijdige sporttalent wellicht op het zeilen hebben gericht en

we hadden elkaar kunnen tegenkomen op de rakken van Mexico

1968, München 1972 of Montreal 1976.

ard schenk, weet ik, is een zeiler in het diepst van zijn gedachten,

misschien nog meer dan een schaatser. ik weet hoe hij het water en

de wind bemint, die twee elementen van vrijheid.

wind – wij vrezen slechts de windstilte, op het water en in ons leven.

Wij zeilers kiezen onze eigen koers en zijn niet bang voor tegen-

ard schenks drie gouden medailles van sapporo 1972 – het zouden er meer zijn geweest wanneer het

schaatsprogramma van de Winterspelen er destijds net zo had uitgezien als nu – verhieven hem in de

olympische adelstand. Hij behoort tot een elite van buitengewoon getalenteerde en succesvolle atleten

die de olympische spelen mede hun cachet en faam hebben gegeven. Hij is een van de onsterfelijken

van de olympus.

ard schenk maakt ook deel uit van een kleinere groep van sportgrootheden die na hun actieve loop-

baan grote verdiensten hebben gehad voor de bestuurlijke kant van de sport, zowel in nationaal als in-

ternationaal verband.

Het verloop van zijn bestuurlijke loopbaan laat wellicht ook zien dat het voor voormalige topsporters

nog altijd erg moeilijk is zich een plaats te verwerven binnen het bestuur van de sport en zich daar, met

hun uitstraling, energie en expertise, verdienstelijk te maken voor hun opvolgers en de olympische

beweging.

er is op dat terrein al veel vooruitgang geboekt, maar we moeten blijven werken aan verbetering.

dit monument van een boek is een eerbewijs aan een groot sportman en bijzonder mens, voor wie ik

bewondering en respect heb. Het is goed dat het is geschreven.

Jacques Rogge

Voorzitter Internationaal Olympisch Comité

ik werd als schuchtere en verlegen jongeling van twintig jaar voor de leeuwen geworpen. in de jaren daarna leerde ik

beetje bij beetje omgaan met alle aandacht en publiciteit. na mijn schaatscarrière zocht ik bewust de rust en wilde ik

een leven leiden waarvan ik zelf de koers bepaalde.

Uiteindelijk trok het schaatsen me toch weer naar zich toe en genoot ik ervan zoals het eigenlijk altijd had moeten zijn.

ik heb geleerd, maar heb het lang niet altijd als een genoegen ervaren, in de publieke belangstelling te staan. en dan

word je ineens gevraagd of je wilt meewerken aan een biografie.

ik moest eerst 65 worden om me te verzoenen met de gedachte dat mijn leven een boek rechtvaardigde, zoals mij door

anderen werd voorgehouden. Maar uiteindelijk was het mijn eigen besluit om een hoofdrol te spelen in de beschrijving

van mijn leven als mens en sporter en ik gaf daaraan in alle openheid mijn medewerking.

gaandeweg besefte ik dat ik daarmee ook ten aanzien van anderen een besluit genomen had, ik heb immers niet alleen

geleefd. onvermijdelijk komen in een biografie ook levens van betrokkenen in de openbaarheid.

een leven bestaat niet louter uit hoogtepunten. in dit boek zijn ook voorvallen beschreven die pijnlijk zijn. dit was de

consequentie van mijn keuze voor een authentiek levensverhaal en geen hagiografie vol rozengeur en maneschijn.

dank aan al diegenen die aan dit boek hun medewerking hebben verleend, dank voor hun openhartigheid. ik stel dat

op prijs, ook als het niet tot loftuitingen leidde.

Met het hechte team van de uitgever was het een plezier om samen te werken. Vaak met enige druk op de ketel, maar

tijd voor een lach en kwinkslag was er altijd.

dan Bert, Frans en Wybren, de schrijvers met wie ik vele uren aan de keukentafel heb doorgebracht. soms had ik het

gevoel in een ware psychoanalyse beland te zijn, veel fragmenten van mijn leven kwamen opnieuw aan mij voorbij.

daarnaast hebben zij in binnen- en buitenland gesproken met oude liefdes, mijn familie, mensen uit de sportwereld,

met collega’s, schaatsvrienden en fietsmaten. Helaas was het onmoge-

lijk om iedereen uit mijn nabije omgeving over mijn verleden aan de

tand te voelen. soms misschien maar beter ook.

stap voor stap heeft dit geleid tot een bijzonder boek waar ik trots op

ben. Mannen bedankt, ik denk met plezier terug aan onze gesprekken.

de biografie van de Chileense dichter pablo neruda heeft de mooie

titel ‘ik beken ik heb geleefd’. Zo is het bij mij ook – sterker nog, ik

leef nog steeds. Het is hopelijk nog lang niet over, en tot zover is het

leven mooi !

Ard Schenk


6 P r o l o o g

P r o l o o g

l e g e n d e

Het Makomanai-stadion zat die dag niet bepaald vol.

een paar duizend mensen hooguit, schatte ard schenk,

terwijl hij om zich heen keek. jammer, de slotdag van

het schaatstoernooi voor mannen bij de elfde olympi-

sche Winterspelen had meer publiek verdiend. niet dat

hij er van opkeek trouwens: zelf vond hij de tien kilo-

meter ook een lange zit. een handjevol in oranje uitge-

doste nederlanders en wat nieuwsgierige japanners

vormden het schaarse publiek in het stadion dat plaats

bood aan vijftigduizend toeschouwers. Het maakte

hem weinig uit.

Zijn jeugd op de klei van de anna paulownapolder had

hem immuun gemaakt voor overdreven vertoon. Het

was maandag 7 februari 1972 en ard schenk had gedaan

waarvoor hij naar sapporo gekomen was: winnen. Win-

nen zoals hij dat al een paar jaar gewoon was. rechts

van hem stond kees Verkerk, zijn vriend, zijn rivaal,

zijn tegenpool, de man aan wiens naam zijn naam voor

altijd gekoppeld zou zijn. Links van hem stond sten

stensen, exponent van het ooit machtige schaatsland

noorwegen dat nu zuchtte onder zíjn tirannie.

Het was schitterend weer. de zon scheen, de tempera-

tuur lag rond het vriespunt, en er stond een aangename,

lichte bries waardoor zijn blonde haar nog meer leek te

glanzen dan anders. ‘Laten we met z’n allen genieten

van dit beeld,’ zei televisiecommentator Fred racké,

wiens stem overigens pas enkele uren later te horen zou

zijn in nederland. rechtstreekse televisie-uitzendingen

waren te kostbaar en te ingewikkeld voor de nos. in

plaats daarvan was er elke morgen een olympisch pro-

gramma van een uur, waarin samenvattingen van de

wedstrijden van de afgelopen nacht werd vertoond.

Het was maandag, vroeg in de ochtend in nederland,

rond half zes. een nieuwe werkweek stond op het punt

van beginnen. Maar dat had meer dan anderhalf miljoen

mensen er niet van weerhouden die nacht wakker te

blijven. Ze hadden gekluisterd gezeten aan de radio en

ademloos geluisterd naar het rechtstreekse verslag dat

theo koomen gaf van de tien kilometer. tijd om in te

dutten gunde de radioverslaggever zijn luisteraars niet.

eerst was koomen al in extase geraakt bij het zien van

de race van kees Verkerk. een gouden race, dat kon niet

anders, meende de radioverslaggever. de oude vos, de

geslepen kees, had nog één keer zijn slag geslagen. Wat

schitterend. en daarna, bijna drie uur later, was koo-

men buiten zichzelf geraakt bij het aanschouwen van

de race van schenk. Wat schenk deed bestond niet, was

niet mogelijk, was van een andere planeet, was...

koomen sprak over de machtige slagen waarmee schenk

het ijs geselde, over de keizer van het olympisch schaats-

toernooi en over een man voor wie geen grenzen leken

te bestaan. Het olympisch ochtendprogramma op tele-

visie trok kort daarna naar schatting drie miljoen kij-

kers. koomen, kon iedereen met eigen ogen zien, had

geen woord gelogen.

de nederlandse fans op de tribune hadden een polo-

naise ingezet. Het waren taferelen waar schenk met ver-

wondering naar keek. sport was zijn leven, maar de ado-

ratie en hysterie die daarmee gepaard gingen, waren

hem vreemd. idolen had hij zelf nooit gehad. Hij had

bewondering voor knut johannesen en Hjalmar an-

dersen, noorse kampioenen uit de jaren vóór hem. Maar

bij de eerste kennismaking, begin jaren zestig toen hij

zelf zijn entree had gemaakt in internationale schaat-

sen, was hem gebleken dat het toch gewone mannen

waren. aardige mannen die heel goed konden schaat-

sen, maar die net als hij wars waren van kapsones en

borstklopperij.

op de viptribune stonden Henk Vonhoff en anton

geesink uitgelaten te springen. Vonhoff voerde een

koddig dansje op. Verkerk had al gezegd dat nederland

over vier jaar de staatssecretaris van CrM best kon in-

zetten bij het kunstschaatsen. aan de rand van de ijs-

baan stond jan Bols met een filmcamera. dokter Lap

stak zijn duim omhoog. Van rechts kwamen japanse da-

mes aanlopen, elk met een kussentje in hun handen

waarop een medaille lag. daarachter liep jonkheer Her-

man van karnebeek, de vicevoorzitter van het interna-

tionaal olympisch Comité.

de olympische hymne werd ingezet. schenk nam zijn

muts af, streek een keer met zijn hand door zijn haar en

keek naar de lucht.

de vorige dag, na de 1500 meter, had hij op dezelfde plek

gestaan, en twee dagen daarvoor, na de 5000 meter, ook.

Vooral de overwinning op de 5000 meter had grote in-

druk gemaakt. de foto’s waarop te zien was hoe hij in

een zware sneeuwbui zijn gouden race reed, hadden over

de hele wereld de sportpagina’s gehaald. toen vervolgens

bleek dat achter die oermens een man schuilging die af-

komstig leek uit Hollywood, had de gekte toegeslagen.

de dagen erna was de perszaal van het Makomanai-stadi-

on voller en voller gestroomd. iedereen wilde een ver-

haal met de blonde reus uit noord-europa.

sapporo, 7 februari 1972. ard schenk, voor de derde keer in vier dagen olympisch kampioen.

V r I j h e I d h o o f d s t u k 39 7


sapporo, 4 februari 1972. een oermens die uit Hollywood lijkt te komen, verovert de wereld in zijn sneeuwjacht op de 5000 meter van de Winterspelen.

Hij hoorde de stadionspeaker zijn naam noemen: anol-

8 h o o f d s t u k 39 V r I j h e I d P r o l o o g 9

duuu sjenk.

Hij voelde een klein duwtje in de rug van de japanse

hostess achter hem, ten teken dat hij het podium mocht

beklimmen.

jonkheer Van karnebeek nam de medaille van het kus-

sentje dat een van de japanse dames hem voorhield.

schenk boog zijn hoofd naar voren, zodat de vicevoor-

zitter van het ioC de medaille om zijn hals kon hangen.

toen hij de felicitaties in ontvangst had genomen, nam

schenk de medaille even in zijn hand en keek er een

ogenblik naar. Het was zijn derde olympische gouden

medaille, hij stond nu op gelijke hoogte met de schaats-

legendes ivar Ballangrud en Hjalmar andersen. Hij

schudde de hand van Verkerk en stensen en zette zijn

muts weer op.

Uit de verhalen die hij te horen kreeg van journalisten

en ploeggenoten die met familie in nederland belden,

begreep hij dat het land volledig in de ban was van zijn

successen. Hij keek er niet meer van op. Hij was eregast

geweest bij het huwelijk van kroonprinses Beatrix, de

eredivisie werd soms verzet vanwege een ek of Wk

schaatsen en televisieshows waarin hij optrad trokken

miljoenen kijkers. Hij belde deze dagen bij voorkeur

niet naar nederland. Wat schoot hij daarmee op? Liever

belde hij met Zwitserland, met Ulli, zijn stille liefde.

niemand wist van haar bestaan.

de stadionspeaker vroeg het publiek te gaan staan voor

het nationale volkslied van nederland. schenk, Verkerk

en stensen draaiden zich een kwart slag zodat ze met

hun gezicht naar het immense scorebord kwamen te

staan. daarop waren de vlaggenmasten bevestigd waar-

langs twee nederlandse vlaggen en een noorse vlag

werden gehesen. Het Wilhelmus werd ingezet, weder-

om in een zo hoog tempo dat racké een van de voor-

gaande dagen had verzucht dat het weliswaar niet zo

mooi klonk als we gewend waren, maar dat het toch

wel fijn was om te horen.

ard schenk bleef stoïcijns. Huilen deed hij niet. Het

Wilhelmus maakte geen emoties bij hem los. niet meer

althans. de eerste keer, in 1966, toen hij in deventer eu-

ropees kampioen was geworden, en in 1970, toen hij in

Bislett zijn eerste wereldtitel had veroverd, had hij nog

wel een moment kippenvel gehad. Misschien zelfs een

traan, hij wist het niet meer. Maar zoals met alles werd

het nooit meer zó als de eerste keer. Hij was zakelijker

geworden. of moest je zeggen ervarener? Hij hoefde

maar aan het Wk van 1969 en het ek van 1970 terug te

denken om te beseffen hoe dicht winst en verlies bij

elkaar lagen en hoezeer de reacties van het publiek in

zulke gevallen konden verschillen.

Hij genoot van het moment. niet omdat het hele land

aan zijn voeten lag, of de wereld, maar omdat hij de

kroon had gezet op een carrière waarin hij pas laat tot

de ontdekking was gekomen hoeveel talent in zijn li-

chaam schuilging. Vier jaar daarvoor had hij nog over-

wogen te stoppen, nu was hij een olympische legende.

daar, op het podium in sapporo, op maandag 7 februari

1972, was het een feit. ard schenk had zich bewezen als

de beste schaatser van zijn generatie. een van de besten

aller tijden.

Misschien wel de beste ooit.


12 h o o f d s t u k 1 h o g e l u c h t e n

h o o f d s t u k 1

h o g e l u c h t e n

Zaterdag 16 september 1944 was een milde nazomerdag.

De zon scheen flink en de temperatuur

schommelde in het hele land rond de 20 graden. In de

Kop van Noord-Holland viel in de middag merkwaar-

dig genoeg een fikse hagelbui, als een wel erg vroege

aankondiging van de winter.

De laatste herfst van de Tweede Wereldoorlog nader-

de. In de Anna Paulownapolder, hemelsbreed 25 kilo-

meter ten noorden van Alkmaar, was de oorlog tame-

lijk ver weg. Het leven voltrok zich er grotendeels

langs de gebaande, oude paden van ploegen, zaaien en

oogsten, en van kalfjes en melk.

Voor kinderen die oud genoeg waren om iets te begrij-

pen van wat er zich afspeelde in de grote wereld, was

de oorlog meer een spannend jongensboek dan rauwe

werkelijkheid. Op de boerderijen verbleven onderdui-

kers, maar dat begon in het voorlaatste oorlogsjaar al

bijna gewoon te worden. Er trokken formaties Engelse

vliegtuigen over, die terugkeerden van hun vernieti-

gende werk boven Duitsland. Een aantal keren stortte

er eentje neer in de polder, als een afgezant uit de hel.

In de schuren hadden de boeren tussen het stro inge-

nieuze schuilplaatsen gebouwd, om de paarden te ver-

stoppen wanneer de Duitsers langskwamen om die te

confisqueren. Aan de andere kant van de dijk was de

in de jaren dertig ingepolderde Wieringermeer nog

droog. Op 17 april 1945 zouden de Duitsers de dijk op

twee plaatsen doorsteken om de polder weer onder

water te zetten.

Het had er die septembermaand alle schijn van dat de

oorlog op zijn einde liep. Twee dagen eerder, op 14 sep-

tember, hadden de geallieerden Maastricht bevrijd en

nu rukten ze langs de Maas op naar het noorden. De

laatste voorbereidingen op de beslissende slag om de

bruggen over de Waal bij Nijmegen en de Rijn bij Arn-

hem waren afgerond. Operatie Market Garden zou op

17 september beginnen. Als de strategische bruggen

ongeschonden in handen van de geallieerden zouden

vallen, lag de weg naar het noorden open en zou Ne-

derland nog voor de winter helemaal zijn bevrijd.

Op de Hoeve Lotmeer, op nummer 26 aan de Lotweg

in de Anna Paulownapolder, woonde het boerengezin

Schenk: vader Klaas (38), moeder Bets (35) en de kinde-

ren Mieke (9), Jan (8) en Klaas junior (2).

Die zaterdagmiddag was Mieke Schenk met haar

broertje Jan en een paar vriendinnen de Lotweg in

noordelijke richting afgelopen om te gaan zwemmen

in het Amstelmeer. De hagelbui verraste haar – ze zou

nooit meer vergeten dat ze zwom terwijl de hagelste-

nen op het water kletterden. Dat kwam door het

vreemde moment waarop de hagel viel, maar ook

doordat ze de gebeurtenis voorgoed verbond met wat

er daarna gebeurde. Toen ze thuiskwam, werd ze ont-

vangen met de boodschap dat ze er nóg een broertje bij

had gekregen.


Hij heet Adrie, zei haar moeder.

De geboorte van de aanstaande ijskoning werd bege-

leid door nazomerhagel – maar er waren in de Anna

Paulownapolder geen toverfeeën om de jonge ouders

op dergelijke wonderlijke zaken te wijzen, en ze ge-

loofden er trouwens überhaupt niet in sprookjes.

Het jongetje sliep die eerste nacht van zijn leven bij

zijn vader en moeder op de kamer, samen met Klaas

junior van twee, die ze voor de rest van zijn leven Kaak

zouden noemen. Dat zou zijn slaapplaats blijven tot hij

tien was. Hoeve Lotmeer was een grote boerderij, maar

het grootste deel ervan was in gebruik als bedrijfs-

ruimte. Het bedrijf ging boven het comfort van de be-

woners en daarom was het woongedeelte relatief

klein.

Er was een woonkamer met een kamer en suite – de

slaapkamer van Klaas en Bets. Naast de keuken waren

de twee slaapkamertjes van Mieke en Jan. Dat was alles.

Het gezinsleven speelde zich voornamelijk af in de

keuken, de woonkamer was voor de visite. In de win-

ter brandde de kachel er alleen op zondag. Klaas

Schenk had in de slaapkamer een gat in de muur ge-

hakt waardoor hij in de paardenstal kon kijken. Wan-

neer er een merrie drachtig was schoof hij het gordijn-

tje dat er voor hing regelmatig opzij om te kijken of er

al een veulen zat aan te komen.

Onder de wieg van de pasgeboren Adrie lag de radio

verborgen waarmee zijn ouders illegaal naar Radio Voorjaar 1946, Ard (Adrie) Schenk.

h o g e l u c h t e n h o o f d s t u k 1 13


De Wieringermeer na de inundatie door de Duitsers, 1945.

14 h o o f d s t u k 1 h o g e l u c h t e n

Oranje luisterden, wanneer die het laatste nieuws over

het verloop van de oorlog verspreidde of koningin

Wilhelmina haar volk vanuit Londen opriep moedig

vol te houden.

Een paar dagen na de geboorte van hun jongste zoon

hoorden ze dat Operatie Market Garden, de grootste

luchtlandingsoperatie uit de historie, op een fiasco

was uitgelopen en dat de opmars van de geallieerde

legers voorlopig was gestuit. Het zuiden van Neder-

land was bevrijd, maar voor het noorden zou de oor-

log nog bijna acht lange maanden duren.

De eerste winter in het leven van Adrie Schenk zou de

Hongerwinter gaan heten. Op hun fietsen met houten

banden en met hun lopend voortgetrokken karren

kwamen de hongerige burgers uit de Noord-Holland-

se steden naar het noorden, naar de Kop van Noord-

Holland en ook naar de Anna Paulownapolder, wan-

hopig op zoek naar voedsel.

Het zou aan Adrie Schenk voorbij gaan. Wat hij later

van de oorlog wist, kwam uit de verhalen van zijn va-

der en moeder en zijn oudere broer en zus. Er hadden

zich geen familiedrama’s afgespeeld die een blijvende

herinnering aan die zwarte periode hadden achtergela-

ten. En de Wieringermeer was in december 1945 alweer

drooggemalen.

Toen Adrie Schenk oud genoeg was om te beseffen

hoe hij heette, was hij niet tevreden met zijn naam.

Verderop aan de Lotweg woonde Adrie Blauwboer en

dat was een meisje. De kleine Adrie wilde geen meisjes-

naam. Daarom gingen ze hem Aard noemen. Het werd

‘Ard’ toen een van de huishoudelijke hulpen in het

gezin Schenk, stagiaires van de Rijkslandbouwhuis-

houdschool in Deventer-Rollecate – die daarom ‘rol-

lecates’ werden genoemd – de blonde kleuter regelma-

tig aansprak met ‘Hartje’.


Het gezin Schenk, winter 1947. Van links naar rechts: moeder Bets, Ard, Mieke, Kaak en Jan.

‘Hartje! Heten!’ riep ze, want ze zette met haar ooste-

lijke accent een h voor elke klinker.

Ardje, dat vond iedereen wel leuk en zo werd Aard tot

Ard – zoals zoveel Nederlanders luistert Ard Schenk

naar een verbasterd koosnaampje.

Niemand weet hoe namen het leven van hun drager

beïnvloeden. Vermoedelijk was ook Adrie Schenk wel

uitgegroeid tot een sportheld – hij had hetzelfde

hoofd en dezelfde benen. Maar zeker weten doe je het

niet en vaststaat, dat Ard Schenk een betere helden-

naam was dan Adrie Schenk. Dat ze in Noorwegen,

Zwitserland, Frankrijk, Japan en Amerika gemakkelij-

ker Ard Shenk over de lippen kregen, dan Adrie

Shenk.

Het was alsof ze bij de Schenken voorvoelden dat de

naam van hun jongste zoon door miljoenen mensen

over de hele wereld zou worden uitgesproken en dat ie

daarom lekker moest bekken.

Wanneer je vanaf Anna Paulowna naar het zuidwes-

ten reed, de eeuwenoude stroomgeul Het Oude Veer

over en de Kerkweg op, leek de hemel zich te verwij-

den. Je blik werd er naar de horizon getrokken. De bo-

men, de boerderijen, ze leken opeens kleiner te wor-

den, net als de tractoren die langzaam over het weidse

land kropen.

Dit was het oostelijk deel van de drooglegging, en

daarom heette het de Oostpolder. Aan de andere kant

lag de Westpolder. Over namen braken ze zich hier het

hoofd niet; dat het geheel luisterde naar de fraaie

naam Anna Paulownapolder was al een wonder van

frivoliteit.

De hemel was hier hoog en alomvattend. Hij kon je

verpletteren. Hier was de mens klein en nietig en over-

geleverd aan de elementen. Hier hoefde je je niets te

verbeelden. Dit was land dat ooit door de zee was ver-

zwolgen, en daarna, eeuwen later, weer was terugver-

h o g e l u c h t e n h o o f d s t u k 1 15


Hoeve Lotmeer, jaren vijftig. Op de paardenweide achter de boerderij, in het gedeelte linksboven op de foto stond Ard Schenk voor het eerst op schaatsen.

16 h o o f d s t u k 1 h o g e l u c h t e n

overd. Maar de hemel was altijd dezelfde gebleven en

hij maakte alles dat zich onder hem afspeelde aan zich

ondergeschikt.

De weidsheid van de luchten, de eindeloosheid van de

vlakte, ze hadden de mensen hier een beschouwende

geest gegeven. Ze keken naar de horizon en naar de

Links: Ard (links) en broer Kaak. Rechts: Ard Schenk in de eerste klas van de ULO in Schagen, 1956.

eeuwigheid en ze lieten zich niet gek maken. Ze be-

gonnen niet onmiddellijk te ratelen over hoe het zat

en wat ze ervan vonden. Ze waren zuinig op hun

woorden en ze keken de kat uit de boom.

Ze wisten dat ze hun bestaan uit de zware klei moes-

ten trekken en dat je hier niets voor niets kreeg. De


De leerlingen van de Openbare Lagere School Drie aan de Zwinweg in Anna Paulowna, rond 1950. Ard Schenk derde rij van boven, vierde van links, met blond haar.

seizoenen trokken over hun landerijen, het ene jaar

was de oogst goed en het volgende jaar minder. Ze wis-

ten hier maar al te goed hoe voorspoed en tegenslag

elkaar konden afwisselen. Ze werkten zich een slag in

de rondte om het lot gunstig te stemmen, maar ze wis-

ten ook dat je de dingen maar beter kon nemen zoals

ze kwamen en dat je er niet op moest rekenen dat je

leven één lange blije lach zou zijn.

De herinnering aan het rampjaar 1916 lag nog tamelijk

vers in de geheugens van de mensen in de Anna Pau-

lownapolder. Toen, in de stormnacht van 13 op 14 janu-

ari die ook elders voor grote overstromingen zorgde,

brak de Amstelmeerdijk door. Daardoor kwam de hele

Oostpolder onder water te staan, net als delen van de

Westpolder. De watersnood was de directe aanleiding

voor de bouw van de Afsluitdijk.

Zo had het land het karakter van de mensen hier ge-

vormd. Ze waren nuchter en stonden met hun poten

stevig op de aarde. Hun ja was ja, hun nee nee. Ze hiel-

den hier niet van praatjesmakers. Iedereen kende hier

iedereen en van generatie op generatie. In de polder

was je de zoon van je vader en maakte je deel uit van

een gemeenschap die in alle verscheidenheid en on-

danks het individualisme van zijn bewoners, hecht

was.

Ze werkten voor zichzelf, maar ze wisten ook dat ze

alleen samen konden overleven. De polder was óók een

sociaal project, dat alleen kon functioneren als de be-

woners ervan samenwerkten. Dat maakte dat veel

mensen hier zich verantwoordelijk voelden voor de

publieke zaak en zich actief opstelden in het sociale

leven. Dat de overheid hier ver weg was en de boeren

van generatie op generatie hadden geleerd hun eigen

boontjes te doppen, speelde daarin misschien ook een

rol.

De polder had zijn beperkingen, maar je kon er ook om

je heen kijken en de blik naar de verten richten. De

wereld werd niet begrensd door bergen of bossen. Ze

hoefden maar even naar het noorden te lopen, of ze

waren bij de zee en de poort naar de grote wereld. Ze

h o g e l u c h t e n h o o f d s t u k 1 17


18 h o o f d s t u k 1 h o g e l u c h t e n

waren hier niet bekrompen en in de karakters van de

bewoners vond je nog de eigenschappen terug die hun

voorvaders uit alle windstreken naar hier hadden ge-

bracht. Die van ambitie, hard werken, ondernemings-

zin en avontuurlijkheid. En vooral die van onafhanke-

lijkheid en vrijheidsdrang.

Maar naast de nuchterheid en soberheid, vond je hier

ook een bijna liederlijke levenslust. Een Bourgondi-

sche levensvreugde, een karaktertrek die hier niet

thuis leek te horen en die door de landverhuizers wel

leek te zijn meegenomen uit streken ver van hier, waar

de zon het bloed verwarmde. Ze konden hier hard

werken, maar ook hard feest vieren. Kennelijk hadden

ze het nodig met enige regelmaat uit de band te sprin-

gen en te beseffen dat het leven niet louter bestond uit

werken.

Als ze zich overgaven aan een stevige borrel en de bier-

tap stroomde, leken ze los te breken uit hun zelfopge-

legde strengheid en koelheid. Dan kwam gemakkelijk

de volgende laag in het West-Friese karakter aan de op-

pervlakte, die van diepe en heftige emoties. De mensen

hadden hier een harde buitenkant en ze toonden niet

snel wat zich daarachter verschool: een vuur dat alles

vloeibaar maakte en dat je alleen kon voelen bij speci-

ale gelegenheden.

In de polder kon de geest waaien. Ze gaven elkaar hier

de ruimte en ze namen hem. Achter de discipline die

ze hier zichzelf en anderen oplegden, school ook de

anarchie, de antiautoritaire houding, de hekel aan be-

velen. Een soort natuurlijke dwarsigheid die je gemak-

kelijk voor arrogantie kon verslijten. Ze deden hier

dingen graag zelf.

Wie hier opgroeide, kreeg hardheid mee. De wind was

hier zelden matig en de winterkou leek hier wreder. De

regen was een andere dan die van de stad, hij sloeg in

je gezicht als een gesel, alsof je werd gestraft voor

je zonden. En als het heet was, in de zomer, schroeiden

de werkers op de landerijen onder de blakerende zon.

De elementen waren hier nadrukkelijk en brutaal aan-

wezig en je had ze maar te verduren. Zonder gezeur,

want daar hielden ze hier niet van. Van zeuren ging

het niet minder hard waaien en van klagen werd het

niet droog. De Anna Paulownapolder zat diep in Ard

Schenk.

Ard Schenk in de hoogste klas van de lagere school, 1955.

De Anna Paulownapolder was de laatste polder die in

Nederland met particulier geld - van kooplieden uit

Amsterdam en Haarlem - werd drooggelegd, tussen

1844 en 1847. De prijzen van boter en kaas waren bin-

nen enkele jaren verdubbeld en investeren in droog-

leggingen leek weer lucratief te worden.

De boerderijen werden verpacht aan boerenzoons,

meestal uit de omliggende polders en vooral uit de

Wieringerwaard, de polder die al in de zeventiende

eeuw was drooggelegd. Blauwboer, Kaan, Schenk

heetten ze – namen die ruim honderdvijftig jaar later

nog altijd voorkwamen in deze streken.


Zomer 1964. Ard Schenk traint achter de boerderij. Speciaal voor de fotograaf is vader Klaas ook komen opdraven.

20 h o o f d s t u k 1 h o g e l u c h t e n

De polder was vernoemd naar Anna Paulowna Roma-

nov (1795-1865), de echtgenote van de Nederlandse ko-

ning Willem II en de zuster van de Russische tsaar

Alexander I. Ze was in 1816 in Sint-Petersburg met de

Nederlandse kroonprins getrouwd, nadat haar familie

eerder Napoleon als echtgenoot had afgewezen. Anna

Paulowna werd nimmer in de naar haar genoemde

polder gesignaleerd.

Het oostelijk deel van de polder bestond uit vrucht-

bare kleigrond, aan de andere kant van Het Oude Veer,

in de Westpolder, kon je op de arme zandgrond maar

één koe per vijf hectare weiden. Dat bleef zo, tot de

kunstmest kwam en de zandgrond zeer geschikt bleek

voor de bollenteelt. Toen kwamen de bollenboeren uit

de Bollenstreek naar het noorden en maakten ze van

het gebied rond Breezand het grootste aaneengesloten

bollengebied van de wereld.

Op de klei waren ze hooguit vrijzinnig Nederlands

Hervormd, op het zand katholiek. Het waren geschei-

den werelden, in geloof, in karakter en in de liefde.

Woonde je in de Oostpolder, dan moest je van die van

Breezand niks hebben en als je oog viel op een vrijer

van de verkeerde kant, had je een probleem.

Waar de poldervaart de Boezem eindigde ging de

Kerkweg over in de Lotweg. Die liep hier even langs

de Boezem, de afscheiding tussen Anna Paulownapol-

der en Wieringerwaard, voor hij afboog naar het

noordoosten. Een vier kilometer lange, rechte streep

was het, die pas werd gestuit door het Amstelmeer –

daar ging hij over in de Amsteldijk.

Langs het noordelijkste deel van de Lotweg, voorbij


In scène gezette foto van fietstraining. Het raam in de dakkapel is dat van Ard Schenks slaapkamer.

de kruising met de Kruisweg, stonden aan de rechter-

kant van de weg vier boerderijen. De tweede, op num-

mer 26, heette ‘Hoeve Lotmeer’.

In het begin van de jaren dertig van de vorige eeuw,

midden in de economische crisis die ook aan de land-

bouw niet voorbijging, hing de boer van Hoeve Lot-

meer zich op. Er moest er een nieuwe pachter komen.

Aan de andere kant van de Boezem, aan de Barsinger-

weg in de Wieringerwaard, bijna in het verlengde van

de Lotweg, werkte Klaas Schenk, geboren in 1906, op

de boerderij ‘Bouwlust’ van zijn vader Jan Schenk Kzn.

Hij was verloofd met de twee jaar jongere Elisabeth

Christina ‘Betsy’ Bakker, de dochter van boer Jan Bak-

ker Azn. van Hoeve Wageningen aan de Noordzijper-

weg, even onder het dorp Wieringerwaard.

Jan Bakker was in Noord-Holland bekend vanwege

zijn dravers, waarmee hij op de paardenrenbanen van

de provincie veel successen boekte.

De Schenken woonden al sinds mensenheugenis in

deze streek, maar zoals bij alle bewoners scholen er

vele regio’s in hun genen. In hun stamboom kwamen

Hoekstra’s voor, doopsgezinde dominees uit de Friese

Wouden, Jimminks uit de Gelderse Achterhoek en

Baskes uit Huisduinen, van wie Jacob Hendriks Baske

(1732-1784) nog even de Nederlandse commandeur op

Groenland was geweest. In de familie zeiden ze dat er

ook verre banden waren met de adellijke Duitse fami-

lie Schenk von Stauffenberg, maar niemand die precies

wist hoe dat precies zat en of een van de coupplegers

tegen Adolf Hitler, in het jaar waarin Adrie Schenk

werd geboren, een verre neef was.

Ze hielden hier ook erg van sterke verhalen.

h o g e l u c h t e n h o o f d s t u k 1 21


552 h e l d e n e p o s

B l o n d e Go d

T e k s T : Be r T Wa G e n d o r p

Als er één woord onlosmakelijk is verbonden met

de naam, dan is het warmte. Dat is misschien zo

met elke heldennaam, maar met deze wel in het bij-

zonder. Voor mij tenminste. Het is ook vreemd, want

hij was een man van de kou.

Ik zie hem altijd in hetzelfde decor: een Hollandse

huiskamer, met stoelen in een cirkel rond een televisie-

toestel. Links een boekenkast, ernaast de gaskachel.

Rechts een plantenbak, naast een oranje draaistoel.

Een krant, geopend op de sportpagina met de invul-

schema’s, op de grond. Voor het raam een bank, in het

midden een salontafel van een wagenwiel met een gla-

zen tafelblad.

En op het scherm staat hij klaar voor de start.

Ik wil niet zeggen dat geluk toen nog heel gewoon

was, want dat was zeker niet zo en dat is het trouwens

ook nooit geweest. Maar het was wel warm, zo vlak

voor de gaskachel. En het was ook warm in mijn

hoofd.

Buiten, ik weet het niet. Ik weet niet meer wat er bui-

ten was. Niets, vermoed ik. Buiten bestond niet, in

schaatsweekeinden. Buiten liepen dwazen rond, die

niet waren geïnteresseerd in de daden van de schaatser,

niet-toerekeningsvatbare idioten waren het, gevaarlij-

ke zombies die moesten worden opgesloten.

Daar stond hij, geconcentreerd –hij keek vooruit, naar

de spekgladde weg die hij moest gaan. Ik keek mee,

ook tot in elke vezel gespannen. Ik dacht: God, laat

hem winnen. Anders is mijn weekeinde verpest. Ik wist

dat hij onverslaanbaar was, maar ik wist ook dat het

moment van de nederlaag zich ooit zou aandienen. En

nu hoopte ik maar dat het nog niet dit weekeinde zou

zijn, dat hij van zijn voetstuk werd gestoten door een

hemelbestormer zonder respect. Dat hoopte ik elke

keer. Ik houd niet van verandering, ik ben een conser-

vatief, ik wil dat alles altijd hetzelfde blijft. Verande-

ring, laten we wel wezen, leidt uiteindelijk tot de

dood.

Warmte en misschien ook wel verlangen.

Het was een wereld zonder gevaar, waarin de schaatser

zich voorbereidde op het schot. Het was 1972 en we

waren in Oslo. Dat wil zeggen, hij was in Oslo, ver

weg, onvoorstelbaar ver weg eigenlijk nog, en wij wa-

ren thuis, voor de kachel.

In Noord-Ierland raasden de Troubles en had zich

juist Bloody Sunday voltrokken, in Vietnam zaten

nog altijd 130duizend Amerikaanse soldaten. In Afri-

ka stierven ook al kinderen als ratten van de honger.

In West-Duitsland was de RAF actief. Maar het was

alsof die ellende zich afspeelde op een andere planeet.

Een planeet waar niet werd geschaatst en waar zich

zaken voltrokken die zo onvoorstelbaar waren, dat

wij ook maar liever geen pogingen deden het ons voor

te stellen.

Dat lukte goed. Het waren enge films, Vietnam,

Noord-Ierland, RAF en Afrika.

Ard Schenk, wereldkampioen 1970.


554 h e l d e n e p o s

Door het warme decor klinkt altijd dezelfde stem, die

van Theo Koomen. Altijd Theo Koomen, hoewel er

toch ook wel eens iemand anders de heldenhymnes zal

hebben gezongen. Maar Theo Koomen roept: ‘Lánge

klappen!’

Ik hoorde het startschot en mijn moeder, die zei: ‘Nou,

kom op joh, daar gaan we.’ Alsof hij van start was ge-

gaan voor de Elfstedentocht, en niet voor de eerste

afstand van het toernooi, de 500 meter.

Ik zette me schrap, omdat ik wist dat ik niet mocht

falen. Wanneer ik er met de pet naar gooide, verknalde

ik het voor hem ook, zo zat dat.

Het was een zware taak voor een vijftienjarige, maar

het moest.

Ik noteerde zo netjes mogelijk de openingstijd over de

eerste honderd meter.

De schaatser, de kachel, de thee in de dweilpauze, de

zwart-wit Blaupunkt met die enorme cijfers van de

klok onderin beeld.

Ik weet dat het een illusie is te denken dat de totale har-

monie zich voor een paar uur in die kamer had genes-

teld, maar soms is het prettig om toch even te denken

dat het zo was. Het heilige vertrouwen in de onover-

winnelijke, wiens onkwetsbaarheid afstraalde op zijn

volgers. Hij won nooit alleen, wij wonnen mét hem.

Ik weet wel waar de tijd is gebleven, hij is verstreken.

Ik weet ook waar het gevoel is gebleven. Er zijn triom-

fen overheen gegaan en teleurstellingen. Duizenden

stemmen, duizenden boeken, 1001 wijsheden en even-

veel stommiteiten hebben het gevoel onder een dikke

laag begraven. Het gif van het cynisme tastte het ge-

voel aan.

Maar ik hoef hem maar te zien, ergens in een televisie-

programma of langs een ijsbaan, en het is er weer. Wij

samen tegen de wereld, in de geruststellende zeker-

heid dat de zege was voorbestemd. Want de wereld was

ondanks alles zo slecht nog niet, en helden wonnen

nog. Niet altijd, begon ik al langzaam te begrijpen,

maar in die wereld nog wel.

Hij bewoog zich in een wereld zonder cynisme, zon-

der schuld en boete, zonder leugens. Aan mijn wereld

mankeerde van alles –onvoldoendes, belachelijke kle-

ren, verliezen met voetbal, meisjes die me niet zagen

staan-, maar zijn wereld was vlekkeloos en foutloos.

En godallemachtig, alle mooie meisjes waren verliefd

op hem en hingen zijn poster aan de wand van hun

meisjeskamer.

Aan mijn wand hing hij niet. Ik had genoeg aan zijn

beeld in mijn hoofd. Een foto van mijn schaatser deed

me niks. Ik was een protestants jongetje, ik had geleerd

dat het niet kies is, in bewondering en verering te kij-

ken naar heldenplaatjes.

Mijn vader liet ons Jezus zien in de kinderbijbel, maar

zei er altijd bij dat we niet moesten denken dat het hier

een waarheidsgetrouwe weergave van de held Jezus

betrof. Het was slechts een artist impression, een

zwakke poging de heiligheid in inkt te vatten –een on-

gepaste poging, welbeschouwd.

De echte Jezus zat in mijn hart, en behoefde geen il-

lustratie. Ik zag hem voor me, in al zijn pracht en glo-

rie, in een stralenkrans die me het zicht benam. En het

kwam niet in mijn hoofd op hem op posterformaat

tegen het behang plakken.

Jezus Christus niet, en Ard Schenk ook niet.

In de wereld van Ard Schenk telde maar één ding:

winnen. En omdat hij niet anders kón dan winnen,

had zijn wereld verdacht veel van een perfecte wereld.

Daar wilde ik graag even in leven, want uiteindelijk

was alles erop gericht om daarin zelf ook terecht te

komen, en vast een klein voorschot te nemen op die

heilsstaat.

Ik weet niet meer wanneer ik voor de eerste keer de

naam Ard Schenk hoorde vallen. Maar het zal ergens

in 1965 zijn geweest. In dat jaar werd Per Ivar Moe op

het ijs van Bislett in Oslo wereldkampioen, Jouko

Launonen tweede en Ard Schenk derde. Ik herinner

me er niets van. Het was, weet ik, het debuut van

Schenk, toen 21 jaar oud, op een internationaal toer-

nooi. Maar als je acht jaar bent, herken je nog geen hel-

den. Je mist nog de verbeeldingskracht die nodig is

voor het scheppen van een held buiten jezelf. Je ver-

bindt nog geen conclusies aan uitzonderlijke presta-

ties. De achtjarige pragmaticus constateert nog, zonder

al te veel verbazing.

In 1966 werd Ard Schenk Europees kampioen. Het was

een signaal: hero in the making. Dat hij het nog niet

was, kwam misschien ook omdat hij won in Deventer.

Deventer was te dichtbij voor mythes en helden. We

reden er vanuit Friesland bijna maandelijks doorheen

op weg naar mijn opa’s en oma’s in Gelderland. Oslo

was heel wat beter geweest, of Gothenburg. Dat waren

steden op de noordpool, waar ze eerst de ijsberen van

het ijs moesten schieten voor de wedstrijd kon begin-

nen. Wie daar won, moest wel uit heldenhout zijn ge-

sneden.

Maar Deventer? In Deventer maakten ze koek en

kunstijs. Het sneeuwde niet eens.

Voor het eerst sinds 1905 werd er in Nederland weer

een groot internationaal kampioenschap verreden –

geen wonder dat een Nederlander won. Hadden de

buitenlanders het eigenlijk wel kunnen vinden, De-

venter? Waren het wel écht de Noorse matadoren, daar

aan de IJssel? Het leek bijna onwaarschijnlijk.

Er zaten twintigduizend mensen op de tribune en uit

de mist doemde wel een soort held op, maar hij heette

geen Ard Schenk. Hij heette Kees Verkerk. Kees Ver-

kerk viel op de tien kilometer, stond razendsnel weer

op en achterhaalde zijn tegenstander, de Noorse super-

stayer Fred Anton Maier.

Dat was een heldendaad. Vallen en weer opstaan. Ik

heb heel lang gedacht dat Kees Verkerk niet alleen viel

(en nóg een keer viel, maar dat bleek de herhaling te

h e l d e n e p o s 555


Innsbruck, 25 januari 1970. Masseur Cor Nederveen, Kees Verkerk, Jan Bols, Jappie van Dijk en

teammanager 556 h o o f d s TDick u k 39 de vVroomen r i j h e i d (vanaf links) schreeuwen Schenk naar de finish op de tien kilometer van het EK.

v r i j h e i d h o o f d s T u k 39 557


558 h e l d e n e p o s

zijn, een voordien nog niet eerder vertoond fenomeen),

Maier inhaalde en de rit won. Ik heb ook lang in de

veronderstelling verkeerd dat Verkerk gewoon het

kampioenschap had gewonnen. De geest heeft de nei-

ging glorievolle momenten –en momenten van drama

en tragiek trouwens eveneens- verder uit te vergroten,

het verloop der dingen aan te scherpen en om te vor-

men naar een ideaal en onvergetelijk scenario.

Dat is ook goed, want zo hou je het verleden leef-

baar.

Maar een held is Verkerk in die jaren nooit geworden.

Wel de populaire, plastic variant van de klassieke uit

marmer gehouwen held, het idool.

Keessie.

Ard Schenk kwam uit Anna Paulowna en Kees Ver-

kerk uit Puttershoek. Bij ons had niemand ook maar

het flauwste benul waar die gehuchten lagen. Ja, Anna

Paulowna lag ‘in de kop van Noord-Holland’ en Put-

tershoek in ‘de Hoeksche Waard’, maar daar schoot je

ook weinig mee op. Welke trein moest je nemen, naar

Anna Paulowna? Welke bus naar Puttershoek? Geen

idee. De Kop van Noord-Holland was een wijds be-

grip, en de Hoeksche Waard kon ook overal liggen.

Dat maakte dat Verkerk en Schenk – inmiddels al be-

ter bekend als ‘Ard en Keessie’ – van een soort onbe-

stemde komaf waren. Ik was destijds nog nooit ie-

mand tegengekomen die wel eens in Puttershoek of

Anna Paulowna was geweest. Als Kees Verkerk uit

Rotterdam was gekomen en Ard Schenk uit Den Haag,

was de geschiedenis anders verlopen, dat staat vast. De

mythevorming werd gestimuleerd door hun merk-

waardige geboorteplaatsen.

Het was ook een groot geluk dat niemand wist dat

Ard eigenlijk Adrianus heette. Adri Schenk had hoog-

uit de helft van het aantal wereldrecords van Ard ge-

reden en misschien in een kwart van het aantal meis-

jeskamers gehangen waarin Ard aanwezig was. Namen

doen er heel erg toe, als het op helden aankomt, Adri

Schenk wil je niet aan je muur, als meisje van dertien.

Ard maar al te graag.

En Anna Paulowna was ook perfect. Een betere plaats

om vandaan te komen als aspirant-held bestaat niet.

De naam van een Russische prinses, een vermoeden

van weemoed en eenzaamheid, een on-Nederlandse

naam, een gehucht in de buurt van Sint-Petersburg, de

geboorteplaats van Toergenjev en Ard Schenk.

Rob de Nijs zong een lied dat Anna Paulowna heette,

en dat op de een of andere manier een vroeg eerbetoon

leek te zijn.

De zon stond hoog aan de hemel

Het gras was groener dan ooit

Een vogel zong in de bomen

Die dag vergeet ik toch nooit

Toen ik jou zag en je lachte

Kreeg ik de schok van mijn leven

Anna Paulowna, het was in Anna Paulowna

Anna Paulowna, het was in Anna Paulowna

Toen Ard Schenk later zijn rechtmatige plaats in het

Pantheon had opgeëist, zeurde ik mijn vader regelma-

tig aan de kop of we niet eens een kijkje konden gaan

nemen in Anna Paulowna, die mystieke plaats waar

Ard Schenk was geboren en getogen. Ik wilde graag

het geboortehuis en de lagere school van Ard Schenk

zien, de straten waar hij had gelopen en misschien het

ijsbaantje van zijn eerste streken. Mijn vader zei dat hij

geen zin had de hele Afsluitdijk af te jakkeren voor

een paar boerderijen. Die had je bij ons ook wel.

Nooit veel met helden gehad, mijn vader.

Dit stelde mij erg teleur, maar tegelijkertijd vergrootte

zijn pertinente weigering de raadselachtigheid van het

heldenoord Anna Paulowna. Hadden wij op een vrije

zaterdag de reis ondernomen en een rondje door Anna

Paulowna gereden, dan had dat ongetwijfeld afbreuk

gedaan aan de opbouw van mijn heldenverhaal.

Want dat is wat je doet, als je langzaam maar zeker de

leeftijd bereikt waarop je bevattelijk wordt voor hel-

denvorming. De held is er zelden of nooit van de ene

dag op de andere, hij groeit langzaam in zijn status.

Hij wekt een vermoeden, bevestigt het een aantal ma-

len, en dan is het toch nog vrij plotseling zover: hij is

een held.

En dan ook voorgoed.

Ard Schenk nam wel een heel lange aanloop. In 1966 en

1967 werd hij tweede bij het WK. Dat was prima ge-

weest, als de winnaar beide malen niet Kees Verkerk

had geheten. Nederland is een klein land –te klein

voor twee grote helden. Bovendien was Kees Verkerk

kort en Ard Schenk lang. Kees Verkerk speelde ook

leuk op zijn trompet, en Ard Schenk speelde nergens

op. Kees Verkerk riep allemaal grappige dingen op te-

levisie en in de krant, en Ard Schenk hield zich op de

vlakte.

Kees Verkerk versloeg Ard Schenk op de 1500 meter bij

de Spelen van 1968 en werd zo de eerste Nederlandse

schaatser die een gouden olympische schaatsmedaille

won.

Het had geloof ik allemaal te maken met het feit dat

Ard Schenk druk bezig was met zijn studie fysiothera-

pie, waardoor hij minder hard kon trainen dan eigen-

lijk noodzakelijk was. Mijn vader vond dit een zeer

lovenswaardige keuze. Maar ik niet. Ik vond dat Ard

Schenk zijn taak ernstig verwaarloosde, en die studie

best tot na zijn schaatsloopbaan kon uitstellen.

Je wilt dat een held de harde keuzes maakt die bij zijn

status passen. Daartoe behoorde volgens mij een abso-

lute minachting voor kwesties als ‘de maatschappelijke

carrière’ en ‘vrouwen’. De held behoorde in mijn ogen

ver te zijn verheven boven dit soort triviale zaken. Hij

had zich slechts bezig te houden met zijn weg naar

h e l d e n e p o s 559


560 h e l d e n e p o s

onsterfelijkheid, een status die hem vervolgens zowel

maatschappelijk als wat vrouwen betreft van alle ge-

makken zou voorzien.

Het leek alsof Schenk zijn eigen heldpotentie niet he-

lemaal vertrouwde –en daarmee zaaide hij ook twijfel

bij de tot verering bereid zijnde achterban. Bij mij dus.

Kees Verkerk was mijn held niet. Jan Janssen won de

Tour, maar was mijn held niet. Zelfs Johan Cruijff was

mijn held niet. Ik vroeg van een held meer dan win-

nen, al wist ik niet precies wat nog meer dan. Maar het

had met een gevoel van verwantschap te maken. Iets in

de woorden van de held, in zijn ogen desnoods, moest

op enige verwantschap duiden. Ik wilde iets herken-

nen, in de held. Die moest uit een andere wereld ko-

men, maar tegelijkertijd in die van mij kunnen neerda-

len –niet letterlijk, maar in de geest. Ik moest kunnen

dromen over de held in ons huis. Hoe hij op de bank

zat en een kopje thee dronk.

Met Cruijff kon ik me dat niet voorstellen, met Jans-

sen en Verkerk ook niet –al hadden we dan ook een

orgel waarop Kees eventueel een liedje had kunnen

spelen.

Eigenlijk had ik het maar met één man. In wie ik mijn

eigen verlegenheid herkende, mijn eigen terughou-

dendheid, mijn wat gebrekkige sociale vaardigheden.

Een man die ik langzaam zag veranderen -zodat er ook

voor mij hoop was.

En een man die begon te winnen.

Het werd 1970. In 1970 was ik dertien.

In 1970 had je ook Cruijff en het wereldkampioen-

schap voetbal, met de grote Brazilianen Pelé, Tostao,

Jairzinho, Rivelino en vooral Gerson. Feyenoord won

de Europa Cup met Kindvall en Israel. Mohammed

Ali maakte zijn comeback en Joop Zoetemelk werd

voor de eerste keer tweede in de Tour. Het was een

mooi jaar om dertien te zijn, bezeten van sport en op

zoek naar helden. Ze vielen uit de boom als eikels in

de herfst.

En toch was er maar één echte.

Ard Schenk werd wereldkampioen in 1970 (Oslo), 1971

(Gothenburg) en 1972 (Oslo). In 1972 won hij bij de

Olympische Winterspelen de gouden medaille op de

1500, de vijf en de tien kilometer. Het mooiste vond ik

die laatste overwinning. Ard Schenk had zich in de

laatste groep laten indelen, om Kees Verkerk een gro-

tere kans op de gouden medaille te geven –het weer

zou later op de wedstrijddag verslechteren.

Maar Schenk versloeg zichzelf en zijn streven –en won.

Kees Verkerk had zijn race in een aangenaam zonnetje

en met een koel rugwindje afgewerkt en leek op weg

naar de overwinning. Tot Schenk van start ging, in een

onmenselijke sneeuwjacht op schuurpapier-ijs. Al-

thans, zo vertelde de radioreporter het –ik heb die race

niet live op televisie gezien.

Ik wist dat het niet uitmaakte. Ze hadden hem op

klompschaatsen kunnen zetten, ze hadden de ijslaag

Ard Schenk, held van Oslo, op de plek waar hij zich thuis voelde, Bislett.

van het beton kunnen verwijderen –dan nog had

Schenk gewonnen. Schenk, die in al zijn genereuze

grootmoedigheid had besloten de gouden medaille

aan zijn vriend te laten, kón niet meer verliezen. Hij

wist gewoon niet meer hoe het moest. Hij remde bij

waar hij kon, hij zette een paar rondjes af met één

been, hij zwaaide naar Japanse meisjes langs de kant en

begon een praatje, hij reed een stukje achterstevoren en

stak een sigaret op: maar hij won gemakkelijk.

Ard Schenk had een staat van genade bereikt die later

alleen Eric Heiden en Johan Koss ook zouden ervaren.

Geen wonder dat zijn Olympische goldrush hem niet

zoveel deed, zoals hij later zou verklaren. Als de din-

gen te gemakkelijk je kant opkomen, is er geen bal

meer aan.

Dat hij even later voor de derde achtereenvolgende

maal wereldkampioen werd en alle vier de afstanden

van de Grote Vierkamp won, beroerde hem meer.

h e l d e n e p o s 561


Anna Paulowna, 10 maart 1972. Burgemeester Warners spreekt op het gemeentehuis de Europese kampioen, wereldkampioen en drievoudige Olympisch kampioen toe.

Rechts van Ard Schenk zijn ouders.

562 h e l d e n e p o s

Sommige helden gaan zich ook als held gedragen.

Maar Ard Schenk deed dat nooit. Die had grote moei-

te, met zijn heldenrol. Toen hij nog even bleef door-

schaatsen, ook toen hij al niet meer kon winnen, zei hij

dat hij dat deed om ook de neergang te kunnen mee-

maken. Dat klonk goed, maar ik heb het nooit geloofd.

Ik denk dat Schenk de last van het heldendom te zwaar

begon te vinden. Dat jongetjes als ik hem op de zenu-

wen begonnen te werken. Hij ging schaatsen voor geld,

om te benadrukken dat hij ook maar een gewoon mens

was. Hij wilde zijn eigen sage vernietigen.

Hij wist toen kennelijk nog niet, dat dat onmogelijk is.

Al was hij homo geworden en gaan kunstschaatsen in

een circuspak, dan nog was hij de held van Oslo, Go-

thenburg en Sapporo gebleven. Schenk deed nog een

tweede poging van de last verlost te raken. Hij maakte

zich onzichtbaar, in de hoop dat ook de held in het

niets zou verdwijnen. Maar iedereen wachtte geduldig

tot hij zich weer zou laten zien –en toen hij dat deed,

in de hoop dat ze hem misschien als een gewone fysio-

therapeut zouden zien die in een grijs verleden over

het ijs had gezweefd, verzuchtte iedereen dat Ard

Schenk, onze held, weer terug was. Gelukkig.

Hij stond op een bootje dat door het riet van de Scher-

mer voer. Mart Smeets interviewde hem. Voor het eerst

sinds lange tijd sprak de mythe weer tot het volk. Mart

Smeets zei later, dat het de mooiste reportage was die

hij ooit had gemaakt –en dat was ook zo. Het was ont-

roerend, en bijna religieus. Een gestorvene was opge-

staan. Dat hij niet meer schaatste, dat hij een man van

middelbare leeftijd was geworden –het deed er niets

toe. Met hem leefden de herinneringen op, vond ik

mijn jeugd terug en wist ik opeens weer hoe de gaska-

chel rook, hoe de ossenstaartsoep op zondagmiddag

smaakte en hoe we van de etenstafel naar de eerste rit-

ten op de 1500 meter keken en mijn vader aanspoorden

het ditmaal kort te houden met de bijbellezing, aange-

zien Schenk een vroege rit had geloot.

Pas toen, denk ik, besefte Ard Schenk ook zelf de

kracht van de mythe die hij was geworden, en legde hij

zich erbij neer dat hij de dans nooit meer zou kunnen

ontspringen –en dat dat misschien zo erg ook niet

was.

Ik kwam hem later nog regelmatig tegen, in het echt.

Ik moest hem voor de krant interviewen over het

schaatsbeleid in Nederland, en ik geef het je te doen, je

onaanraakbare jeugdheld interviewen. Ik kon aanvan-

kelijk amper geloven dat hij het was, in het restaurant

van Van der Valk in Akersloot. Dat hij wachtte op mijn

vraag en daarna een antwoord formuleerde.

Later zat ik een keer naast hem aan de bar van het

Oranjehotel in Leeuwarden. Op de volgende kruk zat

Kees Verkerk. Het was een uur of drie in de nacht –en

gezellig. Toen wenkte Kees Verkerk naar de barvrouw

Aukje.

‘Vier Irish coffee’, zei Kees Verkerk, alsof het de nor-

maalste zaak van de wereld was op dit tijdstip eens een

kwartet pittige bakkies te doen.

‘Voor mij ook vier Irish coffee’, zei Ard Schenk dood-

gemoedereerd. Even later arriveerde een blad met acht

Irish coffees.

De twee mannen sloegen zwijgend en in hoog tempo

hun Irish coffees achterover, stonden op, groetten

kalm de aanwezigen en gingen naar bed.

Ik was in één klap weer dertien en sprakeloos van be-

wondering, over zulk cool gedrag. Heroïsch gedrag

was het, gedrag van ijskoude strijders voor recht en

eerlijkheid in het Wilde Westen. Ik geloof dat Kees

Verkerk zelfs alsnog promoveerde van idool naar

held.

Nog niet zo lang geleden was ik in de Albert Heijn bij

ons in Alkmaar. Mijn vrouw liep rechtstreeks naar een

kassa waar een man met de rug naar ons toe zijn kar-

retje stond uit te pakken, hoewel er andere kassa’s vrij

waren. Ik wilde haar juist wijzen op dit vreemde ge-

drag, toen ze naar de man wees.

‘Even aansluiten bij Ard Schenk’, zei ze.

Ard Schenk was 62 jaar, maar hij zag eruit als 43. Half-

goden lachen om tijd en aftakeling, dat bleek maar

weer eens.

Hij had een kaasje van 7,45 gekocht en nog wat andere

lekkere dingen voor het weekeinde. Hij had weer eens

nul bonuskorting. Zo te zien wist het meisje achter de

kassa niet dat ze een jeugdheld bediende wiens gezicht

vermoedelijk de meisjeskamer van haar moeder had

gesierd.

‘Ha Ard’, zei ik.

De grote Ard Schenk keerde zich om, herkende me en

groette terug.

Ik weet zeker dat ik ossenstaartsoep rook, hoewel je

die soep weinig meer tegenkomt, tegenwoordig.

h e l d e n e p o s 563

More magazines by this user
Similar magazines