VeldnamenProef_deel1 (pdf) - Belvedere

belvedere.nu

VeldnamenProef_deel1 (pdf) - Belvedere

Aa

Van

Ezelakker

tot

Jeruzalem

Levende Veldnamenatlas

van de Drentse Aa


16

17

Namen ontdekken

Copyright e.d.

In de achttiende eeuw kregen mensen een andere belangstelling

voor het verleden: toen ontstond de historische

interesse die we ‘modern’ noemen. In eerdere eeuwen was

kennis van het verleden belangrijk om macht, bezit of maatschappelijk

aanzien te legitimeren van een persoon, een

familie, een stad of een heel volk. In de achttiende eeuw

kwam er iets nieuws bij. Pure belangstelling voor het verleden,

omdat het boeiend was te weten hoe mensen vroeger leefden,

hoe hun leefwereld eruit zag.

In de negentiende eeuw werd de historische belangstelling

dieper en breder. Kritisch historisch onderzoek werd een

wetenschap met steeds meer specialismen. Een daarvan was

een vorm van studie die we nu historische geografie zouden

noemen. L.Ph.C. van den Bergh publiceerde in 1852 het eerste

standaardwerk op dit gebied, het Handboek der middelnederlandsche

geographie. De auteur beschreef, op grond

van de historische bronnen die hij kende, hoe Nederland er

uitzag in de periode van de zevende tot de twaalfde eeuw.

Voor zijn reconstructie van de vroegste geschiedenis had Van

den Bergh geen betrouwbare kaarten, en al helemaal geen

schriftelijke documentatie. Hij leidde zijn kennis af van de

namen van steden, dorpen en wateren. Naar het voorbeeld

van beroemde taalkundigen als de gebroeders Grimm

gebruikte hij de betekenis van middeleeuwse en nog oudere

woorden om een beeld te krijgen van het landschap en zijn

gebruikers in een grijze oudheid.

In de twintigste eeuw, vooral in de tweede helft ervan,

zijn het Nederlandse landschap en het gebruik ervan

fundamenteel veranderd. Grootschalige ruilverkavelingen,

intensieve landbouw, de urbanisatie van het platteland en

natuurontwikkeling hebben de oude cultuurlandschappen

weggevaagd, en deze ontwikkeling gaat nog dag in dag

uit door. Het is als met de kap van het regenwoud: met de

verdwijning van het oude cultuurlandschap verdwijnt ook een

groot en uniek reservoir ­ in dit geval van historische kennis.

Het is opmerkelijk dat die verdwijning buiten een kleine kring

van deskundigen nog maar nauwelijks bekend is.

Maar dat kan veranderen. Dit boek kan er een begin mee

maken. Anderhalve eeuw na het Handboek van Van den Bergh

vraagt het opnieuw, maar met de huidige wetenschappelijke

inzichten, aandacht voor de oude toponiemen, de veldnamen

waarmee we een oud en zelfs prehistorisch landschap kunnen

ontdekken. Er zijn topografische kaarten die we bij het

speurwerk kunnen gebruikten. Maar is er ook een andere bron,

veel onbekender maar ook veel gedetailleerder: het geheugen

van de streekbewoners die de namen van plaatsen in het

landschap om zich heen van generatie op generatie hebben

overgeleverd. Het is hoog tijd dat die – verdwijnende – kennis

goed en grondig wordt gedocumenteerd.

De beroemde Franse medievist Emmanuel Le Roy Ladurie

publiceerde in 1975 Montaillou, een reconstructie van het

leven in een Frans dorpje rond 1300. Aan het slot vertelt de

schrijver dat hij Montaillou in het telefoonboek opzocht. Veel

namen van de huidige bewoners bleken tot zijn verbazing

identiek aan de namen van personen die bijna zevenhonderd

jaar geleden in dat dorp leefden, de families waren blijkbaar

eeuwenlang op dezelfde plek gebleven. Op dezelfde manier

kunnen de oude veldnamen in onze streek schakels met een

soms ver verleden zijn. Het is niet alleen erg interessant om

dat verleden via namen te ontdekken. Het is ook van groot

cultureel belang dat dit gebeurt. Het Drentse Aa­gebied hoort

bij de mooiste en oudste cultuurlandschappen van Nederland.

Laten we hier met een grote inventarisatie en registratie van

veldnamen beginnen, als een pionierproject dat in de rest van

Nederland kan worden nagevolgd.

Auke van der Woud

hoogleraar architectuur- en stedenbouwgeschiedenis

Rijksuniversiteit Groningen


18

19

Inhoud

Ten geleide Cactus e.d.

1 De antropoloog 25

Veldnamen vanuit een antropologisch perspectief 27

De Stierlanden, daar was ons pap verschrikkelijk trots op 43

Met zo’n verkaveling, dan ku’j wel verdriet hebben 47

2 De Betekenisvinder 51

Van plaatsen verhaald en verhalen geplaatst 53

Voor die boeren was het logisch. Voor ons niet altijd. 61

Iedereen had die vuistbijl opgepakt. Het was een toevalstreffer. 65

3 De schatbewaarder 69

Het landschap in namen 71

Veldnamen verzamelen. Een handleiding 85

Voor het dorpsarchief op zoek naar alles en iedereen, maar wel met mate 94

4 De wetenschapper

Veldnamen als bron voor historisch­ecologisch onderzoek 101

Respectvolle herinneringen aan een besloten agrarische gemeenschap 119

De bodem als geheugen van het landschap 123

5 Nieuwe landgebruikers 131

Namenlandschap 133

‘Achter ’t huus’, dat is voor ons eigenlijk voldoende 139

6 De museumdirecteur 143

Biografie van het Sepeltien 145

De educatieve waarde van veldnamen 153

Wees toch zuiniger op je landschap en aap de randstad niet zo na! 162

De bezieling van de plek slaat over op de deelnemers 167

7 De beleidsambtenaar 171

Namen en hun culturele dynamiek ? 173

Kleinschalige ontwikkelingen en kwaliteit met elkaar verbinden 184

8 De illusionist 187

Ikonen van Aa en Anderen 189

Zoeken tussen de uitersten van overmoed en weemoed 231

9 De Sjamaan 237

Het religieuze landschap 239

Taal en teken uit de prehistorie opnieuw leren verstaan 255

10 De gamer 259

Veldnamen in een virtuele werkelijkheid 261

Oude veldnamen en nieuwe media een ideale combinatie 257


20 21

Inleiding

De tijd ligt niet eens zover achter ons dat veldnamen een vanzelfsprekend onderdeel vormden

van de leefomgeving van veel dorpsbewoners. Het platteland was als het ware gestoffeerd met

een rijk geschakeerd kleed van veldnamen. Of het nu een akker betrof, een stuk groenland of

opvallende plek, alles had een eigen naam. We spreken dan ook van een namenlandschap dat

naast het geografische en het landbouwkundige landschap een plek op de kaart heeft veroverd..

Veldnamen lichten een tipje van de sluier op die over het dagelijks bestaan in vroegere tijden

hangt. Ze reiken ons informatie aan over de inrichting van een deels nog woest en ledig landschap,

Zo zijn ze ons behulpzaam bij het ontcijferen van de geheimtaal die een dorps landschap

van soms eeuwen terug in zich draagt.

Veldnamen zijn te vergelijken met onze huidige straatnamen. Ze hadden in het agrarische

werkdorp een praktisch nut in de communicatie en in de ruimtelijke oriëntatie. Samen vormden

ze de basis voor een mentale kaart van het dorpslandschap. De veldnamen riepen daarin als

ijkpunten allerlei associaties, betekenissen en voorstellingen op. Waar ze uit het dagelijkse

gebruik verdwenen, zijn in veel gevallen de verhalen erover nog springlevend.

In de dagelijkse omgang van het moderne woondorp spelen de overgebleven veldnamen nog

slechts een bescheiden rol. Het aantal nog ‘levende’ namen is vooral na de ruilverkaveling sterk

uitgedund. Toch kunnen we gelukkig spreken van een tweede leven. Onafhankelijk van de

officiële collecties in de rijksarchieven leggen geïnteresseerde dorpelingen particuliere collecties

aan. In een aantal dorpen van het Drentse Aa gebied duiken ze op als curieus onderdeel van de

dorpsgeschiedenis of als ‘tweedehands’ identiteitsmarkering van de leefomgeving.

We kunnen ons de vraag stellen wat deze bemoedigende terugkeer van veldnamen als

markerende symbolen van het dorpslandschap voor waarde heeft. In het huidige erfgoed- en

omgevingsbeleid spelen ze immers – merkwaardigerwijs overigens – niet of nauwelijks een rol

van betekenis. Toch gloort er een nieuw perspectief. In de afgelopen decennia is natuur beheer

naast de ‘uitgedunde’ landbouw een belangrijke stuwende activiteit geworden. Staatsbosbeheer

heeft als grootste grondeigenaar in het Drentse Aa gebied in het beekdalbeheer weer oorspronkelijke

veldnamen ingevoerd. Met de instelling van het Nationaal Beek- en Esdorpenlandschap

Drentse Aa (NBEL) in 2002 hebben ook de cultuurlandschappelijke waarden weer

een duidelijke beleidsdoelstelling gekregen. In deze verbrede opzet nemen veldnamen een

belangrijke plaats in, want juist zij zijn in staat om de beleving van het landschap te verdiepen,

tastbaar te maken en te verbeelden. Sterker nog: veldnamen bouwen, met hun veelvuldige

verwijzingen naar de locale ecologische setting, bruggen in het spanningsveld tussen natuurontwikkeling

en het behoud van het landschappelijke erfgoed.


22

23

Onderdeel van de Biografie van de Drentse Aa

Het veldnamenproject een onderdeel van het grote interdisciplinaire onderzoeksproject dat te

zijner tijd zal uitmonden in de Biografie van de Drentse Aa. Niet alleen wetenschappers houden

zich met dit project bezig. Hiervoor stipten we al de belangrijke rol van de dorpsbewoners aan,

de dilettanten die zich bij voorkeur richten op de veldnamen in hun vertrouwde leefomgeving.

In combinatie met andere lokale kennis vormen veldnamen een uitstekend vertrekpunt voor

cultuurhistorische participatie. Zo snijdt het mes aan twee kanten: lokale veldkennis is een

onmisbaar onderdeel van het brede spectrum van de landschapsbiografie. Deze richt zich

methodisch niet alleen op de ‘hardware’ van het fysieke landschap, maar juist ook op de bijbehorende

‘software’ van betekenissen, verhalen en voorstellingen.

De Levende Veldnamenatlas is het resultaat van twee jaar veldwerken, archiefonderzoek,

digitaliseren, filosoferen en experimenteren. Bewoners, lokale kenners, studenten en een keur

aan wetenschappers en kunstenaars hebben ieder op hun eigen wijze bijgedragen aan deze rijk

geïllustreerde beeldenatlas, waarin het fenomeen veldnamen wordt belicht vanuit een veelheid

van perspectieven. Het experiment werd uitgevoerd in de dorpsgebieden van Anloo, Gasteren

en Anderen in het hart van het Nationaal beek- en esdorpenlandschap Drentse Aa. Samen met

werkgroepen uit de dorpen en studenten van Van Hall/Larenstein en de Rijksuniversiteit van

Groningen werden levende en historische veldnamen verzameld, gedigitaliseerd en op kaart

gebracht. Met veldnamen als leidraad werden ook andere culturele praktijken verbeeld in de

vorm van de Atlas van de leefomgeving. Op deze manier willen we andere dorpen stimuleren om

met hun lokale erfgoed aan de slag te gaan waarbij nieuwe media als Internet, Google Earth en

Wikipedia kunnen worden ingezet.

Levend erfgoed

Ons experiment kent als belangrijke doelstelling veldnamen nieuw leven in te blazen. Ze zijn

een onmisbaar onderdeel van ons ‘levend’ erfgoed. Anders gezegd: veldnamen spelen een rol

als katalysator voor cultuurhistorische vernieuwing.

In de vakwereld wordt een onderscheid gemaakt tussen historische en levende veldnamen.

In de huidige, pluriforme dorpssamenleving is zo’n onderscheid diffuus en inwisselbaar. Een

actieve historische vereniging kan ingeslapen veldnamen weer tot leven wekken door deze te

publiceren op een dorpswebsite of door herbenoemingen. Dergelijke ‘herintredende’ veldnamen

vormen dan geen functioneel onderdeel meer van een agrarisch werkcollectief, maar gaan

behoren tot het culturele en publieke domein van de woongemeenschap. De dorpsgemeenschap

blijft dus ook in de toekomst een belangrijke voedingsbodem voor levende veldnamen.

Vanuit ons experiment hebben we ook andere praktijken verkend die vanuit een steeds wisselend

perspectief een eigen omgangsvorm met veldnamen hebben ontwikkeld. In de Levende Veldnamenatlas

verbeelden we die verschillende praktijken in tien hoofdstukken in de vorm van

zogenaamde attitudes. Naast de essayvorm en het interview zijn we op zoek gegaan naar

een nieuwe beeldtaal, waarbij vormgevers, landschaparchitecten, fotografen en dichters

hun licht over het fenomeen hebben laten schijnen. Al deze bijdragen, in woord en in beeld,

maken van dit boek een ‘kunstwerk’ op zich: een ode aan de veldnaam als levend erfgoed. De

Levende Veldnamenatlas is de opmaat voor het Veldnamenfestival in juni 2009. De culturele

potenties van dit erfgoed centraal zullen hier staan. Potenties als blikopener voor natuur- en

landschapsbeleving, als uitdagende kennisbron voor onderzoekers en als onuitputtelijke

inspiratiebron voor kunstenaars. Genoeg voor een bloeiend tweede leven van onze veldnamen.


24

25

De antropoloog

over veldnamen in dagelijkse praktijken

‘De mening dat bij ieder woord een definitie

behoort, die het ‘wezen’ onthult van datgene

wat met het woord aangeduid wordt, komt

al voor bij Aristoteles. Deze opvatting is

verouderd en onvruchtbaar: een woord heeft de

betekenis die wij eraan hechten, binnen een

bepaald taalgebruik (algemeen taalgebruik,

wetenschappelijk taalgebruik enz.) en dat is

alles.’

Straten, lanen, wegen en parken, allemaal hebben ze een naam. Ze bieden een houvast in onze

ruimtelijke oriëntatie en vormen een dankbare geheugensteun. Straatnaamcommissies buigen zich in

gemeenten over de naamgeving. Ze laten graag oude veldnamen in dorpen en buitenwijken terugkeren.

Dergelijke ‘geleende’ benoemingen zijn vrij simpel op te sporen, want bijna iedere kavel of waterloop in

het landelijk gebied had voor de verkaveling een eigennaam.

Veel van die ‘tweedehands’ veldnamen intrigeren omdat wij hun betekenis niet meer kennen. Ze hebben

daarom iets poëtisch, vooral in oude cultuurlandschappen. In de leefomgeving van dorpen hebben

veldnamen, voor zover ze niet zijn vergeten of door schaalvergroting in onbruik zijn geraakt, nog een

functie in de dagelijkse omgang. Ook vormen zij de aanknopingspunten voor herinneringen en verhalen.

Een veldnaam staat dus niet op zich, maar vormt een onderdeel van het namenlandschap van onze

leefwereld. De veldnamenverzamelingen van oude dorpsgebieden en marken zijn het product van

een locale samenleving en ze hebben een lange voorgeschiedenis. Ze vormen de symbolische

uitdrukking van een steeds veranderend mentaal landschap. In de ‘beslotenheid’ van de agrarische

werkgemeenschap konden veldnamen zich lang handhaven, soms ook van betekenis veranderen door

nieuwe vormen van landgebruik en culturele dynamiek. Die lange looptijd in een steeds veranderende

leefomgeving maken veldnamen juist zo interessant, niet alleen als studieobject voor taalkundigen en

geografen, maar ook als levende cultuur van het landschap waarin we verkeren.

W.F. Hermans

Wittgenstein. 1990, Amsterdam.


De antropoloog 1

26

27

Veldnamen vanuit een

antropologisch perspectief

Hans Elerie

De relatie van mens en landschap wordt in historische beschouwingen doorgaans opgehangen

aan de grote verhalen van onze westerse cultuurgeschiedenis. De culturele elites die hun visie op

het landschap vaak uitdrukten in schilderijen, tuinen en landgoederen spelen in deze verhalen

een hoofdrol. 1 Hoe interessant ook, ze laten slechts een kant van de medaille zien. Minstens zo

belangwekkend is om na te gaan hoe het gewone volk zijn relatie met het alledaagse landschap

beleefde. Met welke blik keek de dorpeling vroeger naar zijn dorpslandschap en hoe eigende

men de beelden toe? Veldnamen bieden in dit verband een goed aanknopingspunt. Aan de hand

van deze overgeleverde namen en puttend uit historische bronnen komt een meer alledaagse

omgang met het landschap aan het licht.

Mytisch landschap

Voor een korte verkenning gaan we terug in de tijd. Al vroeg in zijn nog korte loopbaan maakte

de onderzoekende en inventieve homo sapiens zich los van zijn oorspronkelijke biotoop.

In zijn lange zwerftocht over de aarde werd de nieuwe mensensoort geconfronteerd met de

meest uiteenlopende landschappen en klimaten. Door zijn flexibele intellect en zijn technisch

vermogen slaagde hij er telkens in milieus te koloniseren en deze ondergeschikt maken aan

zijn steeds veranderende behoeften. Bij die onderwerping speelde ook zijn taalvermogen een

belangrijke rol.

Uit de antropologie is bekend dat de Australische Aboriginals in het nog nauwelijks ingerichte

landschap gebruik maakten van mentale kaarten om hun claims vast te leggen. In schilderingen

wordt hun leefgebied doorkruist met mythische paden die de omzwervingen van hun voorouders

symboliseren terwijl hun voorouderlijke band met het landschap werd bevestigd

door het benoemen en verhalen van opvallende plekken. 2 Hoewel ons niets bekend is van

dergelijke orale tradities uit de prehistorie, kunnen we ons voorstellen dat de mesolitische

jagers, die zo’n 8000 jaar geleden in het Drentse Aa gebied rondzwierven, op een vergelijkbare

wijze hun leefwereld betekenis hebben gegeven. Hun vele kampementen, die nu als naamloze

vindplaatsen op de dekzanden langs de beken liggen, zouden dan eens namen hebben gehad

die met elkaar werden verbonden door mythische voorstellingen.

Talig landschap

Pas via het schrift kunnen we met zekerheid kennisnemen van vroegere naamgeving en het

gebruik van toponiemen in de dagelijkse praktijk. Veldnamen en toponiemen vertellen ons het

verhaal van het geleefde landschap en zijn zo oud als de wereld, dat wil zeggen onze wereld.

De oudste topografie op veldniveau in ons gebied stamt uit 1332 en geldt waarschijnlijk ook als

een van de oudste in Drenthe. Het gaat hier om een gebied dat nu voor een deel samenvalt met


De Galgenberg

De antropoloog 1

het reservaat van De Strubben/Kniphorstbos tussen Anloo en Schipborg. In een gezamenlijke

willekeur (overeenkomst) van de buren van Schipborg en die van Zuidlaren werden de

weder zijdse weide- en gebruiksrechten in de grenszone van beide marken vastgelegd na een

langdurig conflict. 3 Beide dorpen beschikten over een eigen territorium die voor een groot deel

uit schrale, woeste veldgronden bestond. Van een gemarkeerde markegrens zoals we die uit

de Nieuwe Tijd kennen was nog geen sprake. Tussen beide marken (dorpsgebieden) bevond

zich een gemeenschappelijk weidegebied (compascuum) waarin bepaalde gebruiksrechten

golden. Van belang voor ons verhaal zijn de toponiemen die in de terreinbeschrijving van de

overeenkomst een belangrijke rol spelen. Aan de hand van deze toponiemen van opvallende

landschapselementen werd in de willekeur een soort mentale kaart geschetst die met het

collectieve geheugen van beide partijen overeenstemde.

Opmerkelijk is de overeenkomst met de benoemingstraditie van de eerder genoemde

Aboriginals. Het gaat hier weliswaar niet om een claim in de vorm van voorouderlijke mythen,

maar meer functioneel om het vastleggen van historische gebruiksrechten. Ook hier gaat het om

oude doorgaande routes en opvallende plekken met bijzondere betekenissen die in de eeuwen

daarna steeds weer opduiken wanneer de conflicten als een veenbrand weer oplaaien. Centraal

in deze middeleeuwse topografie staat het latere driemarkepunt de Galgenberg en de oude

Groningerwech die zich nog steeds als een brede bundel karrensporen in het terrein aftekent.

Daarnaast worden een aantal veentjes genoemd die zich met hun opvallende vegetatie in het

heischrale landschap onderscheidden en het hoogopgaande Borckerholt dat toen nog erg opviel

in het open landschap.

Vooral de vele getuigenverklaringen bij de juridische afwikkeling van latere conflicten geven

een goed inzicht in het gebruik van de toponiemen in de communicatie. Zij laten zien dat de

bewuste toponiemen van geslacht op geslacht werden overgedragen via agrarische praktijken of

door verhalen van bijzondere gebeurtenissen en meer doelgericht met terreinbezoeken waarbij

de jongste generatie de plek en het bewuste toponiem kregen ingeprent. Zo kon zich een getuige

uit Zuidlaren zich herinneren dat ‘..die vorige olde huislieden die kinder met genomen end

gewesen die scheitpaele an den Galligenberg..’.

28

29

In de jaren 80 lag de Galgenberg langs het fietspad naar Schipborg er bij als een

onooglijk grafheuveltje met grillige eikjes en een verzakte markesteen. Toch stond

dit verpieterde bargie nog steeds in het geheugen van veel bewoners geprent.

De Galgenberg is een mooi voorbeeld van een collectief symbool waarbij een

landschaps element met een aansprekend toponiem steeds weer aan volgende

Door de sterke uitbreiding van de schaapskudden in de 17 e en 18 e eeuw voldeed de overeen-

generaties wordt doorgegeven. Naast dat collectieve aspect kan een veldnaam bij

komst van 1332 tussen Zuidlaren en Schipborg niet meer. Vooral de Borkers drongen voortdurend

aan op een duidelijke veldafbakening. Bij twee getuigenverhoren werden pentekeningen

gemaakt van oriëntatiepunten met hun toponiemen en kenmerken. Juist door het schetsmatige

karakter vormen zij de neerslag van een mentale kaart, waardoor een ruimtelijke voorstelling

ontstaat van het veldcomplex tussen Anloo, Schipborg en Zuidlaren. Met enig speurwerk zijn

de landschapselementen met de bewuste toponiemen in het huidige, meer besloten landschap

weer op te sporen. Opvallend is dat de middeleeuwse topografie op de schetskaartjes nog steeds

een centrale rol speelt. Maar de getuigenverklaringen zijn nu doelgerichter en sturen aan op een

in het veld gemarkeerde grensafbakening. Na enig touwtrekken werd in een notariële acte de

definitieve markegrens tussen beide dorpen in 1775 vastgesteld. De overeenkomst werd vertaald

in een op driehoeksmeting gebaseerde manuscriptkaart waarop de nieuwe grensstenen staan

tussen de oude veldtoponiemen. Zo werd een eeuwenoude grenszone tussen twee marken

definitief opgedeeld in een geometrische veldmarkering van grensstenen en greppels.

Uit het voorgaande kunnen we de conclusie trekken dat veldnamen en toponiemen via orale

tradities en oude documenten een lange looptijd kennen.

Eenmaal toegekende namen werden eeuwen achtereen van geslacht op geslacht overgedragen.

Een eenmaal toegekende naam wordt kennelijk, ondanks mogelijke betekenisveranderingen,

steeds weer opnieuw overgedragen mits de fysieke onderlegger in tact blijft en een lokale, op

traditie gestoelde bestaanswijze die overdracht garandeerde.

De behoefte om plekken te benoemen in een ‘woest’ heidelandschap hing samen met toe-

een individu persoonlijke ervaringen en voorstellingen oproepen. De verhalen van

de getuigen met betrekking tot de Galgenberg hebben door hun verwijzing naar

historische gebeurtenissen nog wel een gemeenschappelijke ondertoon, maar in de

verhoren kunnen zij sterk van elkaar afwijken. Zo werd een noodlottig voorval uit

de tachtigjarige oorlog gebruikt om de status van de Galgenberg als grensbaken

tussen de marken van Zuidlaren en Annen helder te krijgen. Het ging hier om een

treffen in 1580 van een Staatse bende van de beruchte Bartold Entens en een militie

van ‘malcontente’ Drenten, waarbij rondom de Galgenberg doden vielen. Volgens het

Drentse Landrecht waren de buren van een marke verplicht om doden die op hun

grondgebied werden aangetroffen volgens christelijk gebruik te begraven. Op basis

van verschillende, elkaar aanvullende getuigenissen kwam men uiteindelijk tot de

conclusie dat alleen in Zuidlaren en Anloo lijken waren gekist en begraven, terwijl die

van Annen onverrichter zake naar hun dorp waren teruggekeerd omdat zij in hun

marke geen lijken hadden aangetroffen. Op basis van deze verklaringen kon Annen

aan deze dramatische gebeurtenis die 20 jaar eerder had plaatsgevonden geen rechten

ontlenen aan de Galgenberg en dat verklaart de complexe structuur van de latere

markegrens in dit gebied. (zie afbeelding …)


Verbastering

De antropoloog 1

eigening en het claimen van rechten. De genoemde toponiemen maakten deel uit van een

collectieve basisstructuur die een ruimtelijk beeld opriep van een gemeenschappelijk gebruikte

grenszone. Als geheugensteun speelden de toponiemen een belangrijke rol in de dagelijkse

communicatie en het aangeboren gevoel voor ruimtelijke oriëntatie. De betekenis die door

30

31

personen aan de verschillende toponiemen werden toegekend is tijdgebonden. In combinatie

met protocollen van langdurige grenskwesties kunnen zij ons leren hoe men vroeger naar het

landschap keek en hoe die perceptie in de tijd is veranderd.

De uitleg van namen

In de periode van onze oudste willekeur (1332) was het esdorpenlandschap nog in volle opbouw.

Door steeds weer nieuwe veldontginningen namen de essen in omvang toe, terwijl in de beekdalen

broekbossen werden gerooid en sloten werden gegraven om groenland aan te maken.

In gelijke tred met deze ontginningen groeide het aantal veldnamen. In de grondschatting van

1654 worden deze in cultuurgebrachte landen aangeduid met een veldnaam. 4 De open essen met

hun aaneengesloten akkercomplexen hebben dan bijna hun huidige omvang bereikt en vormen

Levende veldnamen kunnen door hun lange looptijd van betekenis

veranderen en verbasteren. Veldnamen die in onbruik zijn geraakt

maar die wel in een of ander archiefstuk zijn beland hebben daar geen

last meer van. Die zijn geconserveerd en net als een opgezet beest zo

dood als een pier. Verbastering, hoewel negatief als uitdrukking, is dus

een normaal proces van levende talen en veldnamen in het bijzonder.

Eigenlijk is verbastering een geuzennaam want juist die veranderingen

duiden op een levende cultuur en maken veldnamen tot zo’n interessant

studieobject.

Een mooi voorbeeld van een actuele naamsverbastering is het Aalstalbad,

de oorspronkelijke naam van een bruggetje over het Gastersche diep,

een plek met veel verhalen en herinneringen die bij veel Gastenaren in

het geheugen staat gegrift. In het kolkie bij de grote zwarte Els leerde

de jeugd zwemmen. Ook werd er veel gevist en aan de overkant lagen

hooilandjes die door de boeren uit Gasteren werden gebruikt. Over de

werkelijke naam van het bruggetje zijn de meningen verdeeld. Sommige

spreken van het Taolsterbad en geven daarmee aan dat de brug aansluit

op een voetpad door De Heesten naar Taarlo. Anderen zijn van mening

dat het hier gaat om ‘t Aolstebad, dat wil zeggen het oudste bruggetje

over het Gastersche diep.

Uit oudere bronnen kan worden opmaakt dat het hier oorspronkelijk

ging om een z.g. aalstal, een soort palingfuik die bestond uit een

gevlochten hekwerk dat in het diepje werd geplaatst en uitliep in een

fuik. Deze aalstallen zijn al bekend uit de middeleeuwen en werden ook

wel gecombineerd met een stuw waarmee in het vroege voorjaar de

groen landen onder water werden gezet. Dit z.g. stromen liet een laagje

slib achter waarmee de vruchtbaarheid en dus de opbrengsten van de

hooilandjes werd bevorderd.

Aalstalbat

Taolsterbad

’t Aolstebad

op de kaarten van de landmeters een lappendeken van benoemde kavels en percelen. In de

beekdalen zijn dan in hoofdzaak de nattere madelanden (hooilanden) ontgonnen. De bekleding

van het landschap met veldnamen volgde dus de uitleg van het esdorpenlandschap die zich

schikte naar de landschapsecologische gebruiksmogelijkheden van het dorpsgebied.

Ook de namen van de eerste grondschatting blijken duurzaam, want de meeste konden via

naoorlogse enquêtes worden achterhaald en gelokaliseerd.

Het mentale landschap

Het veldnamencomplex van een marke (dorp en buitengebied) kan gezien worden als de

symbolische orde van een agrarische territorium (dorpslandschap). Het is de zingeving

van een lokale werkgemeenschap die in de tijd gezien steeds weer andere associaties en

betekenissen ontlokt. Veldnamen zorgden voor een vlotte communicatie van een collectief

ingestelde dorpsgemeenschap en vormden door hun plaatsgebondenheid een mentale kaart

van het dorpsgebied. Geografen vatten de uitleg van een cultuurlandschap op als de fysieke

neerslag van het menselijke handelen. Onmiskenbaar verwijzen veldnamen voor een belangrijk

deel naar de gesteldheid van hun fysieke dragers. Maar daar is niet alles mee gezegd. Men

kan het historische dorpslandschap ook opvatten als een mentale en sociale ruimte waarin

institutionele arrangementen een belangrijke rol speelden. Vanuit die optiek vormde het

markegebied van het esdorp het vertrouwde decor van het dagelijkse bestaan met zijn eigen

logica van gebruiken, regels en betekenisgeving. Aan de hand van veldnamen zouden wij een

beeld kunnen oproepen van dat mentale landschap en de steeds veranderende kijk op het

fysieke landschap.

Zijn er naast veldnamen voldoende ondersteunende bronnen voor handen zijn die zo’n

antropologisch perpectief rechtvaardigen? Vanaf de zeventiende eeuw is dat zeker het geval.

Naast systematische bronnen zoals de eerder genoemde grondschatting, zijn het zijn vooral de

lokale bronnen die voor een feitelijke inkleuring kunnen zorgen. De willekeur en de doleantie

zijn voor een fenomenologische benadering van bijzondere betekenis. De willekeur vormde

volgens het Drentse Landrecht bij uitstek het reglement van de buurschap om ‘ordre te stellen’

op het gebruik van de marke. Het gaat hier om voorschriften voor de aanleg van houtwallen

en waterlossingen, aanleg en onderhoud van wegen en regels voor het gebruik van de essen,

groenlanden en de gemeenschappelijke heidevelden. Willekeuren kunnen een directe relatie

met veldnamen hebben en deze worden daarom vaak opgenomen in de tekst. Zo kunnen we een

indruk krijgen van de dagelijkse praktijk die achter veldnamen schuil gaat.

Hetzelfde geldt voor een doleantie of bezwaarschrift. Als collectief kon de buurschap bezwaar


Sociale ruimte

Op een van onze eerste bijeenkomsten van het veldnamenproject

in Gasteren viel op dat de veldnamenkennis van

de Zuidesch nog opvallend paraat was, hoewel het akkercomplex

al begin jaren zeventig een forse schaal vergroting

had ondergaan. Er werd die middag levendig verteld over

een mentaal landschap waarvan de fysieke basis sterk was

gewijzigd.

Als vanzelf rolden de herinneringen en verhalen van oudere

inwoners over de stamtafel bij het noemen van de oude

De antropoloog 1

32

33

veldnamen. Het werd al snel duidelijk dat de grote Zuides

van voor de ruilverkaveling bij uitstek als een sociale ruimte

werd ervaren. In de jaren zestig had ieder bedrijf nog

veel kleine akkerpercelen verspreid over de hele es liggen;

soms ging het om twintig verspreid liggende percelen (zie

eigendomskaartje ruilverkaveling) Men moest daarom

rekening houden met het recht van overpad en met het

afstemmen van de werkzaamheden bij het toemaken, zaaien

en oogsten. Bij al die seizoensgebonden activiteiten was de

es ook een ontmoetingsruimte, waar nieuwtjes en roddels

werden uitgewisseld, maar ook ruzies konden ontstaan,

over het gebruik van wendakkers of het verleggen van

voorstenen. Op de jaarlijkse dorpsfeesten werden die ruzies

meestal weer bijgelegd.

aantekenen tegen de waardeschattingen van hun gronden in de grondschatting. Zo kunnen

doleanties ons op een verrassende wijze laten meekijken met de subjectieve blik van een

agrarische gemeenschap op haar vaak weerbarstige leefmilieu. Maar let op; het is niet altijd

verstandig om je zonder bedenkingen te laten meevoeren met de blik van belastingplichtigen.

Ook in de 17 e eeuw betaalde men niet graag belasting. Het is raadzaam om de geuite bezwaren

ook te checken in andere bronnen. Naast de willekeur en de doleantie zijn er nog bronnen

die individuele expressies weergeven in conflictsituaties. Deze bevinden zich in gerechtelijke

archieven, markenarchieven en schulteregisters. Zij kunnen ons een verhelderend inzicht geven

van de belangentegenstellingen in agrarische gemeenschappen.

In Een biografie van het Sepeltien in hoofdstuk 6 wordt aan de hand van veldnamen en hun

verwijzende bronnen een beeld geschetst van de ontwikkelingsgeschiedenis van het Anloërdiepje.

Daaruit blijkt dat er ook in een kleine gemeenschap als Anloo verschillende visies op

de exploitatie mogelijkheden van het bovenloopje bestonden. Tot in het begin van de 19 e eeuw

domineerde de in-gemeenschapshouding waarbij het beekdalletje slechts voor een klein deel

van het ‘gemene veld’ was afgescheiden. De opkomst van het ‘etagebedrijf’ rond 1850 opende

een nieuw perspectief op de intensivering van het agrarische gebruik. Pas toen werd het

huidige casco van houtwallen voltooid. De uitleg van het namenlandschap liep gelijk op met de

opdeling en de latere inrichting van het beekdal.

Tegen de stroom in

Ook na de 17 e eeuw ging de uitbouw van het namenlandschap gewoon door. In de opeenvolgende

herzieningen van de grondschatting is dat proces goed te volgen. We zien dan vooral

van nieuwe kamp- en groenlandnamen verschijnen. Bij de eerste categorie moet gedacht

worden aan ontginningen langs de esranden en bij de tweede aan opdeling en afgrenzing van

de mandelige groenlanden. 7


What’s in a name?

Jeruzalem is nu de naam van een zandige laagte met

verwaaide Grove dennen ten zuidenoosten van het

Kniphorstbos in Anloo. Het voormalige Stuifgat vormde

rond 1800 de actieve kern van een stuifvlakte dat zich tot

aan de Noordes van Annen uitsterkte. Eeuwenlang werd het

Hongerveld tussen Anloo en Annen ‘mandielig’ gebruikt.

Na veel getreuzel werd de definitieve grens tussen beide

marken pas in 1810 vastgesteld en in het veld gemarkeerd.

Het is niet zo verwonderlijk dat geen van beide partijen hun

velddeel opeiste. Het Stuifgat vormde een onderdeel van de

oude heerweg naar Coevorden waar bij voortduring de heide

De antropoloog 1

De invoering van het Kadaster in 1832 brak met het oude gewestelijke systeem van

grondbelasting èn met de gewoonte van het registreren van perceelsnamen. Het uniforme

systeem van registratie en opmeting sloot locale bijzonderheden juist zoveel mogelijk uit.

Maar via de omweg van notariële akten van eigendomsoverdrachten keerden de veldnamen

weer terug in de adnministratie waardoor een directe koppeling kan worden gemaakt met het

kadastrale systeem. Het opnemen van veldnamen in akten was geen officiële regel maar had

een pragmatische reden. Zonder de vertrouwde veldnamen verliep de communicatie bij het

34

35

werd kapot gereden door het doorgaande verkeer van karren

opstellen van de akten uiterst moeizaam.

en rijtuigen. Door de Annerboeren werd het Hongerveld

Ook in andere vernieuwingspraktijken van de 19 e eeuw bleken veldnamen bestendig. Zo werden

alleen geschikt geacht voor het rooien van veldkeien die

in landbouwalmanakken en aantekenboekjes veldnamen geassocieerd met oogstopbrengsten,

via de Hunze naar Groningen werden verscheept. Maar

mestgiften en grondprijzen op veilingen. 8 (zie notitieboekje Jan Mulder) Veldnamen konden dus

door het toenemende verkeer rond 1800 (wellicht als gevolg

probleemloos meeliften met de rationalisering van het landbouwbedrijf. Bij de opdeling van de

van het continentale stelsel) was het Stuifgat weer actief

marken in de 19 e eeuw en de latere de veldontginningen verbrokkelde het gemeenschappelijke

geworden en vormde het uitwaaierende zand een bedreiging

element in de bedrijfsstijl. Daarvoor in de plaats kwam de landbouwcoöperatie die beter

voor de akkers op de Noordes. Onder aanvoering van de

aansloot bij de particuliere bedrijfsvoering. De veldontginningen genereerden weer een nieuwe

doortastende vervener Lambertus Greveling eisten de

generatie veldnamen waarbij vernoemingsnamen als Siberië, Frankriek en Engeland verwijzen

Annenaren nu een snelle oplossing. Bij de vaststelling van

naar de nieuwe wereldoriëntatie.

de markegrens kwam het Stuifgat in de marke van Anloo te

In hun sociografisch onderzoek begin jaren vijftig constateerde het echtpaar Keur dat in

liggen waardoor zij ook verantwoordelijk konden worden

Anderen nog iedereen bekend was met de veldnamen van het dorp. 9 In die tijd was het

gesteld voor het vastleggen van het stuifzand. Opmerkelijk in

ook nog gebruikelijk om met de notaris over grondeigendom te communiceren aan de

dit verband is het verschil in naamgeving, de Anloërs kozen

hand van veldnamen. 10 Ook de antropoloog Kloos kon in de jaren 60 nog probleemloos een

voor het verhullende Jeruzalem, de Annenaren wonden er

veldnamenkaart van de Zuides van Gasteren samenstellen. 11

geen doekjes om: Stoefgat en Hongerveld.5

Omkering van het perspectief

Uit het voorgaande kunnen we opmaken dat opeenvolgende agrarische bedrijfsstijlen hun

stempel hebben gedrukt op het Drentse Esdorpenlandschap. Het namenlandschap vormt een

afspiegeling van deze agrarische ecologie. In de loop van de 20 e eeuw is deze wisselwerking

tussen bedrijfsstijl en landschap radicaal gewijzigd. Door kunstmest, mechanisatie,

waterbeheer en de openlegging van het platteland voor het moderne verkeer werd de boer een

agronomisch ondernemer die de productieomstandigheden op een tot dan toe ongekende wijze

naar zijn hand kon zetten. Daarmee veranderde ook zijn blik op het landschap. Het gelede

esdorpenlandschap van es, beekdal en veld veranderde in een kneedbaar technotoop waar de

landschap en ecologie nauwelijks nog grenzen stelden.

Door het succes van de Wieringermeer en de Noordoostpolder leek na de oorlog ook de

maakbaarheid van het ‘oude land’ onder handbereik. Volgens de in 1953 opgerichte Stichting tot

Verbeteren van Madelanden in Drenthe konden zelfs de vanouds weerbarstige beekdalen door

gerichte maatregelen getemd worden tot oogstrelende graslanden. 12 Door drooglegging, ploegen,

schijfeggen, bezanding en bemesting konden minderwaardige grassen als Lieggras, Geknikte

Vossestaart, Reukgras en verschillende Zeggensoorten, maar ook onkruiden als Ratelaar,

Dotterbloem, Gevlekte Orchis en Kruipboterbloem worden omgezet in hoogproductieve

graslanden van Engels raaigras en Ruw beemdgras.

Met voorbeeldpercelen verspreid over de hele provincie werden de boeren klaargestoomd

voor de grote operatie van de op handen zijnde ruilverkavelingen. Binnen twee decennia zijn

de meeste beekdalen in Drenthe veranderd in cultuursteppes van Engels raaigras en Ruw

beemdgras die zonodig gescheurd kunnen worden voor de verbouw van aardappelen of maïs.

Dankzij de instelling van het Stroomdallandschap in 1965 is de Drentse Aa een van de weinige

stroomgebieden waar aanzienlijke restanten van de vooroorlogse beekdalen bewaard zijn

gebleven. Maar als voorloper van de latere EHS werd het Drentse Aa ook een arena voor de

botsing van twee elkaar uitsluitende perspectieven, nieuwe natuur versus agronomische

landbouw. In deze ongerijmdheid kwam het Stroomdallandschap Drentse Aa als eerste


De antropoloog 1

36

37

compromislandschap tot stand waarin landbouw en natuur, onder de paraplu van een nieuwe

bureaucratische orde, een gedwongen huwelijk zijn aangegaan.

Ruilverkavelingen en nieuwe natuur

1970 vormde een belangrijk keerpunt in de levensloop van onze veldnamen. De instelling van

het Stroomdallandschap Drentse Aa was juist achter de rug en een ingrijpende ruilverkaveling

lag in het verschiet. Twee op het eerste gezicht tegengestelde krachten: de conserverende

werking van een landschapsreservaat en het nivellerende effect van een ruilverkaveling. Het is

duidelijk dat vanaf die tijd de toekomst van veldnamen op het spel stond.

Opmerkelijk is dat veldnamen als cultuurgoed geen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming

van het Stroomdallandschap Drentse Aa. In voorbereidende rapporten wordt nergens

verwezen naar de vele duizenden veldnamen in het stroomgebied. 13 Ook de milieulobby die

zich flink verzet tegen de ruilverkavelingen van Rolde en Anloo die zij als een aanslag op de

‘couleur locale’ zien, reppen met geen woord van veldnamen als betekenisvolle kleinoden

van het cultuurlandschap. 14 Alleen in heemkundige kring zoals het Meertens Instituut en het

Nedersaksisch Instituut heeft men zich het lot van de bedreigde veldnamen aangetrokken. Al

sinds de jaren 50 is men ook in het Drentse Aa gebied bezig met het aanleggen van collecties

door enquêtes en bronnenonderzoek. Een belangrijke bron van al deze activiteiten vormt de

Wieringacollectie die nu in het Drents archief is ondergebracht.

Het spreekt voor zich dat men op het locale niveau aanvankelijk ambivalent omging met het

verdwijnen van de veldnamen. Aan de ene kant zag men de ruilverkaveling als een nood-

zakelijke ingreep om als levensvatbaar dorp te overleven, maar anderzijds waren velen zich

ervan bewust dat het in onbruik raken van veldnamen symbolisch was voor de modernisering

van de dorpscultuur en het eind inluidde van de agrarische werkgemeenschap. In gesprekken

met oudere bewoners over veldnamen komen deze ondergeschoven emoties vaak weer boven.

Vooral de vele akkernamen roepen nostalgische gevoelens op omdat de essen bij uitstek als een

sociale ruimte werden ervaren, maar waar juist schaalvergroting als het meest noodzakelijk

werd gezien. Toen de lappendeken van akkertjes en voorstenen werden vervangen door kavels

op polderformaat verdween ook het stoffelijk fundament van de veldnamen. Wat overbleef

waren de papieren collecties en een afkalvend mentaal landschap van de vroegere gebruikers.

Even ingrijpend als op de essen waren ook de ontwikkelingen in de beekdalen. Bij de ruil-

verkaveling werden grote delen stroomdalen ‘genormaliseerd’ en ingericht voor de moderne

bedrijfsvoering. In de overblijvende reservaatgebieden leek er voor de materiële basis van

de vele made- en broeklanden aanvankelijk een veilige toekomst weggelegd. Aangetaste

houtwallen werden hersteld terwijl de kleinschalige groenlandverkaveling werd gerespecteerd.

Maar ook het moderne natuurbeheer kent zijn eigen dynamiek van natuurdoeltypes en

referentiebeelden. De consequentie van deze vorm van natuurontwikkeling is dat in grote

delen van de nog gave beekdalen een grootschalige herinrichting plaatsvindt die gepaard gaat

met veel grondverzet en een sterk gemechaniseerd beheer. De vraag is of veldnamen nog een

toekomst hebben in dergelijke ‘droomdalen’ waarin de balans tussen natuur en cultuurhistorie

is zoekgeraakt. 15 Want als veldnamen eenmaal de grond onder hun voeten verliezen, wacht hen

slechts een toekomst in de archieven.

.

Nieuwe praktijken

Op het eerste gezicht lijkt en in het huidige gebureaucratiseerde landschap geen plaats meer

voor veldnamen. We kunnen ze inventariseren en vastleggen voor latere generaties, maar

zullen ze uiteindelijk niet overgaan in een fossiel erfgoed omdat ze in onbruik zijn geraakt?

Opmerkelijk is wel de lange looptijd. Ze konden zich immers tot in de 20 e eeuw handhaven en

doorontwikkelen. Sommigen zien in deze houdbaarheid de hand van een op traditie gestoelde

agrarische gemeenschap. Maar de vraag is of die typering recht doet aan de ingrijpende


Het grondkruis

Het zijn niet altijd namen die het verhaal van een plek

levend houden. In het Kluivingsbos bij Schuilingsoord ligt in

een uitgestoven laagte even ten zuiden van het voormalige

Borkermeer een grondkruis. Dit kruis is gegraven als

herinnering aan de kandidaat predikant Johannes Ledeboer

die hier in 1780 werd vermoord door de huursoldaat

Anton Link. De roofmoord op de uitgestrekte heide tussen

Zuidlaren en Anloo heeft indertijd veel indruk gemaakt.6

Op aanwijzing van getuigen kon de moordenaar worden

de hand van de 16 getuigenverklaringen is het mogelijk

ons een voorstelling te maken van het toenmalige

heidelandschap met zijn vele karrensporen, archeologica en

de onvoorstelbare vergezichten. Aan de hand van de Franse

topkaart van 1811 kunnen met de passanten op die dag als

het ware ‘meereizen’. Door de verschillende achtergrond

van de getuigen en het steeds wisselende perspectief zijn

we ooggetuige van de alledaagse werkzaamheden en het

verkeer. De alom aanwezige heide die zich nu aan ons

De antropoloog 1

modernisering van het platteland. Ook in onze oude binnensteden zijn namen van straten en

pleinen, die soms nog verwijzen naar de voorstedelijke nederzetting, duurzaam gebleken. Mijn

stelling is dat veldnamen en andere toponiemen hun bestaansrecht en overleving in de eerste

plaats ontlenen aan het gebruik in dagelijkse praktijken. En die beperken zich allang niet meer

tot de leefwereld van een dorp.

Toen de ruilverkavelingen er in de jaren zeventig zaten aan te komen zijn er in verschillende

dorpen initiatieven ontstaan om het nieuwe landschap opnieuw te benoemen met oude en

nieuwe namen. Een mooi voorbeeld is het dorp Anderen waar door de boermarke een aparte

werkgroep werd ingesteld om een nieuwe kaart van na de ruilverkaveling te maken. Het is

interessant om de namenkaarten van voor en na de ruilverkaveling naast elkaar te leggen

en te zien hoe oude namen zijn verdwenen of werden hergebruikt en waar nieuwe namen

werden toegevoegd. Het initiatief ontstond vanuit de pragmatische instelling dat men ook na

de ruilverkavelingen op een vertrouwde manier kon blijven communiceren. (zie kaart .. en het

interview met Harm van Ree)

Een ander initiatief kwam uit de hoek van het Drents Landbouw Genootschap (DLG) met Jan

Hingstman uit Amen als trekker. In de ruilverkavelingen werden veel percelen samengevoegd

en verdwenen oude perceelsgrenzen. Daarmee verdween ook het functionele gebruik van

veldnamen wat veel boeren aan het denken zette. In de Ruilverkaveling Rolde wilde Hingstman

net als in Anderen samen met de boermarken een proefproject opzetten om alle nieuwe kavels

van de ruilverkaveling opnieuw te benoemen. 16 Daarnaast moest de naamgeving functioneel

worden door er een nieuwe gebruikswaarde aan toe te kennen die volgens hem ook moest

worden vastgelegd in het kadaster met de hulp en medewerking van de notarissen en de

grondkamer. In zijn enthousiasme ging Hingstman zo ver dat hij er voor pleitte om de nieuwe

namen in te voeren op de officiële kadasterkaarten. Het welslagen van het experiment in

Rolde zou bepalend zijn voor een aanpak van de hele provincie. Helaas is het initiatief van

Hingstman al in een vroeg stadium gestrand door ziekte en de bijna onmogelijke opgave om een

bureaucratische praktijk te veranderen.

Op de werkvloer van Staatsbosbeheer in Oudemolen, het zenuwcentrum van het Stroomdallandschap

Drentse Aa, groeide tegen de verdrukking in een nieuwe praktijk van veldnamen.

De pas aangestelde Hendrik Lanjouw begreep als ex-landbouwer als geen ander het nut van

veldnamen in de communicatie met boeren waarvan gronden moesten worden aangekocht

of geruild. Maar ook in de dagelijkse omgang van het natuurbeheer bewezen veldnamen hun

praktisch nut. Toen Lanjouw ontdekte dat zijn collega’s er aardigheid in hadden om zich een

mentale kaart van hun werkgebied eigen te maken besloot hij voor het hele Relatienotagebied

de veldnamen te inventariseren. Vanaf die tijd behoren de vele honderden veldnamen tot het

vaste idioom in de dagelijkse communicatie. Al sinds jaar en dag hangen de veldnamen als

‘stafkaarten’ in de burelen van Staatsbosbeheer en aan de schuurwanden van uitvoerende

loonbedrijven.

38

39

aangehouden om berecht te worden in Assen, waar hij

opdringt is geen reservaat maar een leefwereld.

uiteindelijk levend werd geradbraakt en onthoofd. Aan

Het is interessant om deze drie voorbeelden van nieuwe praktijken tegen het licht te houden.

In Anderen gaat het om een lokaal initiatief van de agrarische werkgemeenschap van voor de

ruilverkaveling. Toen telde het dorp 38 boeren en nu gaat het nog slechts om 5 . Het is de vraag

of zo’n initiatief in deze tijd nog een kans van slagen zou hebben.

In het tweede geval gaat het om een bovenlokaal initiatief van een standsorganisatie, weliswaar

met inschakeling van de boermarken, maar met een sterke nadruk op de formalisering van het

veldnamengebruik in het institutionele veld en het kadaster. In het geval van Staatsbosbeheer

nestelt het gebruik van veldnamen zich ‘spontaan’ in een nieuwe praktijk op regionaal niveau.

Daarnaast bestaat er het algemene gebruik om een huis of boerderij te vernoemen naar de

veldnaam van de kavel waarop gebouwd is. Ook sommige gemeenten hebben naamcommissies

aangesteld met de opdracht om openbare gebouwen en straatnamen naar veldnamen te


Wisseling van perspectief

Hindrik Lanjouw gewezen landbouwer uit Anderen en

natuurbeheerder van het eerste uur vormt de belichaming

van het dubbelzinnige perspectief. Al jong had Hindrik

belangstelling voor het landschap en de natuur. Hij zocht

zwerfstenen met fossielafdrukken en later ontwikkelde hij

zich als amateurarcheoloog. Met de flora van zijn oudere

broer bekwaamde hij zich in het determineren van planten.

Als boerenzoon zijn veldnamen en de daarmee verbonden

‘boerenblik’ hem met de paplepel ingegoten. De noordelijke

Koelanden en de Vetmaoden golden als de beste groenlanden,

maar Voeleers, de Pisbulten en Bosmaat stonden niet hoog

aangeschreven. En als je Roetbol, een Paardestaartsoort in

het groenland had staan dan kwamen de koeien aan de wee

(bloedwateren) en kwamen ze uiteindelijk dreug te staan.

Als aankomend agrariër volgde Lanjouw op de

Landbouwwinterschool in Assen een cursus voor de

Een keerpunt in het leven van Hindrik Lanjouw vormde zijn

aanstelling als natuurbeheerder bij het Stroomdallandschap

Drentse Aa in 1967. Van hem werd nu verwacht dat hij het

landschap benaderde vanuit een tegengesteld perspectief,

het inventariseren van percelen op hun natuurwaarden. Het

ging nu niet om eiwitrijke en productieve grassoorten maar

om de ‘minderwaardige grassoorten en onkruiden’ waar

boeren doorgaans hun neus voor ophaalden. Toch waren die

soortenrijke en meestal natte percelen een gewild ruilobject

juist omdat de belangen tegengesteld waren. Zijn eerste

veldwerkboekjes getuigen van een naarstige speurtocht naar

aankoopwaardige groenlanden met de opsommingen van de

zeldzame Rodelijstsoorten als doorslaggevende argument.

In zijn nieuwe baan voelde de autodidact Lanjouw zich op

zijn plek omdat zich een nieuw kennisdomein opende dat

zijn nieuwsgierigheid prikkelde. Kennis die hij opzoog en

De antropoloog 1

vernoemen. Zolang er sprake is van een duidelijke relatie van de vernoemingsnaam met de

plek is het een vanzelfsprekende manier om een veldnaam levend te houden. Maar in de

grotere uitbreidingswijken wordt zo’n principe al snel los gelaten en worden van heinde en

ver veldnamen aangesleept om de namenhonger te stillen met ‘ontplaatste’ veldnamen. Een

vergelijkbaar probleem kan zich voordoen bij het geforceerd in leven houden van veldnamen

aan de hand van bebording. In een kleinschalig landschap als de Drentse Aa leidt dat al snel

tot een musealisering van het landschap dat het toch al zwaar te verduren heeft van de om zich

heen grijpende bordjescultuur. Een voorbeeld van een mooie tussenoplossing is het frezen van

de veldnaam in een bestaand landhek zoals Staatsbosbeheer dat op sommige plekken doet.

Het woondorp

In het voorgaande lag het accent op het agrarische werkdorp als het oorspronkelijke biotoop

40 II

53° 01’ 01.69” 6° 41’ 05.70”

waardering van groenlanden voor hun geschiktheid voor de

combineerde met zijn nooit aflatende veldwaarnemingen.

van veldnamen. Maar hoe zit dat met het moderne woondorp? Kunnen veldnamen overleven

weidebouw. Aan de hand van hun vegetatieve kenmerken

Bij zijn pensioen in 1995 werden zijn inventarisaties

en zich doorontwikkelen in een pluriforme woongemeenschap of zullen zij op den duur weg-

leerde hij grassoorten op de vierkante meter determineren

gebundeld in een aantal lijvige rapporten van het hele

kwijnen als een antiquarisch erfgoed?

en hun landbouwkundige waardering uit te drukken in

stroomgebied. En ook na zijn pensioen is hij doorgegaan

Met de individualisering is het collectieve leefpatroon van het agrarische werkdorp ingeruild

een rapport cijfer. 100 % Engels Raaigras scoorde een 10,

met zijn waarnemingen. Toch bleef de ambivalentie van zijn

voor een rurale leefstijl die als afzonderlijke typologie ongrijpbaar is geworden. Zelfs de echte

Timolte en Kropaar kregen een 7, Ruwe Beemd en Kamgras

boerenafkomst en zijn nieuwe bestaan bij SBB hem altijd

eigenheimers laten zich niet meer in een apart hokje plaatsen. We kunnen hooguit vaststellen

haalden net een voldoende maar Witbol, Reukgras en Zachte

achtervolgen. Toen Hindrik op een achternamiddag met

dat bepaalde opvattingen, normen of voorkeuren verwijzen naar een rurale achtergrond of

Bravik kregen niet meer dan een 5. Net als later bij de latere

zijn oude vader langs de botanisch rijke Burgvallen onder

mentaliteit. Culturele kruisbestuiving heeft bovendien de uitgesproken verschillen tussen

pootaardappelkeuringen en zaaizaad keuringen werden

Schipborg reed hoorde hij hem zeggen: ‘Wat mooi hè’. Verrast

‘echte’ plattelanders en nieuwkomers vervaagd. 19 Het woondorp is een vergaarbak geworden van

de gegevens altijd aan veldnamen gekoppeld. Dan kon je

keek hij opzij maar zag toen dat Pap de andere kant opkeek,

verschillende leefstijlen die op het locale niveau kunnen convergeren maar regionaal uit elkaar

het betreffende perceel snel plaatsen en onthouden. In de

naar de bloeiende en uitgestrekte aardappelvelden van het

waaieren.

jaren 50 verliep de graslandverbetering door de beperkte

landgoed De Schipborg.

De moderne plattelander of ‘stadlander’ is voor zijn levensbehoeften en hobby’s regionaal

trekkracht van de kleine tractoren moeizaam en traag. De

georiënteerd maar brengt naar verhouding nog veel tijd door in de eigen dorpsomgeving. Door

zode van de overwegend wilde grassen was taai en moeilijk

allerlei sociale en recreatieve activiteiten is er ook in het woondorp sprake van een dorpsbinding

te scheuren. Bovendien moest het bezanden van de percelen

die vrijblijvender is dan in het werkdorp. Nog steeds is er sprake van een zekere dorpstrots die

met de hand vanuit de sloten gebeuren.

zijn uitdrukking vindt in nieuwe symbolen als een dorpsvlag of een eigen dorpwebsite.

De meeste inwoners voelen zich nog steeds verbonden met hun oorspronkelijke markegebied,

maar die relatie heeft wel een andere inhoud gekregen. In de agrarische gemeenschap was

het dorpslandschap niet anders dan een vertrouwde gebruiksruimte die in dienst stond

ardappelveld

van de bestaanswijze. In het woondorp ligt dat anders. In het Drentse Aa gebied werden

delen van de voormalige heidevelden in de eerste helft van de 20 e eeuw aan de agrarische

productie onttrokken door grootschalige bebossingen of bestemming tot militair oefenterrein.

Later werden deze ‘reservaten’ overgedragen aan terreinbeherende instanties. Ook door

de schaalvergroting van na de oorlog en de decimering van de boerenstand verwaterde de

werkrelatie met het oorspronkelijke dorpslandschap. Daarvoor in de plaats kwam het landschap

als belevingsruimte. In de praktijken die daaruit voortvloeien zoals recreatie, cultuurtoerisme

en natuurbeleving, maar ook activiteiten als hobbyboeren kunnen veldnamen opnieuw tot bloei

komen.

Hoewel veldnamen hun vanzelfsprekende rol in de dagelijkse communicatie zijn kwijtgeraakt,

zijn zij niet uit de dorpscultuur verdwenen. Een populaire activiteit is het boekstaven van de

dorpsgeschiedenis. In Drenthe vormt een veldnamenkaart meestal een vast onderdeel van de

publicatie. Dat is mooi voor het nageslacht en interessant voor nieuwkomers maar garandeert


VII De antropoloog 1

VIII

41

nog geen praktijk waarin veldnamen kunnen voortleven. Net als op oude groepsfoto’s waarvan

de meeste personen zijn overleden zijn veel veldnamen dode namen geworden. Toch blijven

veldnamen mensen op een of andere manier intrigeren. Naast de reguliere collecties in het

Drents archief zijn er ook tal van locale collecties die door een plaatselijke werkgroep of gewoon

Belvedère

werkelijke naam

Gedicht Novemberlicht

door een liefhebber bij elkaar zijn gebracht. Veldnamen vormen kennelijk nog steeds een

aansprekende cultuurgoed om door te dringen tot de identiteit van een landschap. En dat geldt

niet alleen voor autochtonen die hun herinneringen willen vasthouden en doorgeven maar ook

voor nieuwkomers die zich een leefomgeving willen ‘eigen maken’.

Voor de wat breder ingestelde cultuurhistoricus is de inbreng van locale kennis gewenst

om zijn vakkennis te verdiepen met veldkennis. Onder het mom van een ‘cultuurhistorische

werkgroep’ is het niet altijd eenvoudig om mensen bij elkaar te krijgen, maar met een ‘

veldnamen werkgroep’ wordt dat een stuk eenvoudiger. Bewoners identificeren zich nu

eenmaal makkelijker met veldnamen dan met een gecanoniseerd cultureel erfgoed. Verhalen of

anekdoten worden vaker opgehangen aan een willekeurige veldnaam dan aan een hunebed of

grafheuvel. Veldnamen behoren dus tot het gemeenschappelijke interesseveld van bewoners en

cultuurhistorici en zijn daarom bij uitstek geschikt voor cultuurhistorische participatie.

Het loont daarom de moeite om op het locale niveau nieuwe toepassingen voor veldnamen

te verkennen, in de hoop dat zo weer nieuwe gebruikspraktijken kunnen opbloeien. Het is

raadzaam om daarbij ook nieuwe communicatiemiddelen als internet en mobieltje te betrekken.

Zo vormt Google Earth, waarover de meeste huishoudens kunnen beschikken, een geschikt

medium om veldnamen in het moderne landschap weer een plek te geven. Die vaardigheden

kunnen op de basisschool al worden aangeleerd, waardoor nieuwe generaties op een eigentijdse

manier hun eerste leefwereld kunnen ontdekken. Ook het alledaagse mobieltje biedt straks

ongekende mogelijkheden. Met een GPS-aansluiting is het dan mogelijk om satelliet beelden

van de omgeving op te roepen die vervolgens gekoppeld kunnen worden aan een op GIS

gerelateerde veldnamenkaart. En tenslotte vormt ook de dorpswebsite het geijkte platform

voor interactieve communicatie. Daarbij kan gedacht worden aan een soort wikipedia van

de leefomgeving met verhalen en herinneringen aan plekken waarbij veldnamen als kapstok

fungeren.

En natuurlijk blijven de authentiekere vormen van communicatie zoals de vertrouwde

veldexcursie waar dorpsgidsen hun verhalen en overleveringen aan veldnamen kunnen

ophangen. Er zijn kortom tal van nieuwe toepassingen te bedenken die veldnamen nieuw leven

kunnen inblazen. De vraag is of dergelijke initiatieven kunnen beklijven in gangbare praktijken

want dat is een voorwaarde voor levende veldnamen.

1 B. de Pater Mens, landschap en topografie in het verleden. In: De Gids nr. 10 1983

2 A. Rapoport Spatial organization and the built environment. In: Encyclopedia of anthropology; 2005

Oxon.

3 H. Elerie Cultuurhistorie en ecologie van een veldcomplex op de Hondsrug. In: Landschapsgeschiedenis

van De Strubben/Kniphorstbos. Groningen 1993.

4 Voor het Kerspel Anloo zijn de landmeterskaarten verloren gegaan. Een reconstructie is mogelijk aan de

hand van latere veldnamenkarteringen.

5 Elerie 1993; blz. 150 e.v.

6 Elerie 1993; blz. 124 e.v.

7 Zie hoofdstuk .. waar het proces van ontginning en naamgeving van het Anloërdiepje wordt beschreven.

8 Elerie 1998; blz. 261

9 J.Y. en D.L. Keur The deeply rooted. Assen 1955; blz.71

10 Anderen, het dorp van de moeshappers. Stichting Historie 1998.

11 Geografisch tijdschrift ………

12 Stichting tot het verbeteren van de Madelanden in Drenthe. Directie van de Landbouw; 1953.

13 Zie F. Modderkolk e.a. Het stroomdallandschap Drentse Aa Uit: Natuur en landschap 1966, nr. 1

Facetstreekplan Drentse Aa 1973

14 Moet dit zo doorgaan? Studiegroep ruilverkavelingen Rolde en Anloo. Milieuraad Drenthe 1973


De antropoloog 1

42

43

De verhalenvertellers: Jannie en Harrie Pepping

De Stierlanden, daar was ons pap verschrikkelijk trots op

Een gelukkige jeugd op het platteland, kan

het romantischer? Broer en zus Pepping zien

de slootbermen vol kleurige bloemen nog voor zich, ze

schepten de snoeken met een emmer zo uit het water van het

Gastersche Diep, ze hielpen mee knollen te plukken op het

land van hun vader en denken met enige weemoed terug aan

die spannende zondagavonden, waarop jongens en meisjes

uit verschillende dorpen elkaar troffen op de dansvloer.

Maar als ik vraag wat het boerenbestaan voor hun vader

betekende, komt er een kort antwoord, waarin iedere

romantiek ver te zoeken is. ‘Het was knooien, werkelijk waar.’

Jannie Moerker­Pepping (61) en haar broer Harrie Pepping (64)

kozen zelf niet voor het boerenleven. Ze gingen het onderwijs

in. Jannie woont in de nieuwbouw van Gasteren, niet eens

zo ver van de plek waar ze geboren werd. Harrie zwierf als

meester en als hoofd der school door Groningen en Drenthe

en bleef Grolloo, zijn laatste standplaats, trouw.

De boerderij waar hun leven begon stond aan het Westeinde

in Gasteren. Harrie, de oudste thuis: ‘De boerderij was van

onze opa, Hendrik van Rein. Diens vader heette Job en daarom

werd zijn zoon ‘Job-zien-Hendrik’ genoemd. Zo ging dat in elk

gezin. Je had Roelf-zien-Jan, Ot-zien-Jan, Ot-zien- Fré en ga

zo maar door.’ Jannie: ‘Bij de vrouwen had je dat ook. Mijn

moeder werd Siens-zien-Geertje genoemd. Maar het kon ook

heel ingewikkeld worden: Roelof-zien-Jan-zien Jobkie, dat was

Jacobje, de vrouw van Jan Meursing, de zoon van Roelof’.

We waren bij Job-zien-Hendrik, een kleine boer, eigenlijk zoals

iedereen. De boerderij was deels in eigendom, deels gehuurd.

Het was een gemengd bedrijf met zo’n veertien hectare grond.

Jannie: ‘Opa was van vele markten thuis. Peerdenhandelaar,

zwienenhandelaar, boer en jager. Van alles wat. Maar toch het

meest boer.’

Vader Gesinus (‘Siensie-Pep’) kwam van Bonnen (bij Gieten)

en was er eentje van Harm-Pep-van- ’t Hoog. Gesinus

trouwde met Geertje van Rein en maakte de overtocht naar

Gasteren. Ze leerden elkaar kennen op de dansvloer. Dat was

niet ongebruikelijk. De jongelui trokken ’s zomers naar de

feesten in de dorpen om elkaar te leren kennen en ’s winters

naar de dansavonden. Harrie: ‘Die procedure heb ik zelf ook

doorlopen. Zo kwam je aan de wichter. Eerst wat scharrelderij

en na het dansen vroeg je of je mee mocht naar haar huis. De

avond eindigde dan op de regenput of in het stookhok. Als

de verkering wat langer duurde, behoorde een bezoek aan

de voorkamer tot de mogelijkheden. Zo is het bij mijn ouders

waarschijnlijk ook gegaan.’

De veertien bunder van opa, deels eigendom, deels gehuurd,

lag bepaald niet aaneengesloten. Samen met Harrie maken

we in gedachten een rondgang, die we beginnen bij de

Stierlanden. ‘Hele goeie grond,’ weet hij. ‘Stier, dat komt van

stieren, het stollen van vet. De naam Stierlanden had dus

betrekking op de grondslag, op de constitutie van de grond.

Stieve grond, eigenlijk. Nou, daar liep een klein weggetje naar

achteren, met een wallegie, en daar had je de Lienstukken,

zeg maar vlasakkers. Stierlanden besloeg ongeveer een

bunder. Lienstukken was veel kleiner, ik schat zo’n 25 are.

Verschillende boeren hadden een Lienstuk. Op de es hadden

we de Kruusakker en de Asakker. Bij de Kruusakker kwamen

verschillende weggetjes op de es bij elkaar, een soort

kruispunt.’

Is het Asakker of Askakker?

Jannie: ‘Daar zijn de geleerden het niet over eens. Ons

pap had het altijd over Ask-akker. Zo staat het ook op

sommige kaarten.’ Harrie: ‘Ik zou niet weten waar de naam

vandaan komt. Je kunt er natuurlijk wel over filosoferen.

Ik denk dan aan verbrand materiaal, misschien in relatie


De antropoloog 1

44

45

met de boekweitteelt. Het zaad werd in de as gestrooid en

‘Maar ik was gebleven bij de Heest, waar een hoge zandkop in

Wat was jullie rol, als kinderen?

En welke band ervaren jullie zelf?

na een paar weken was er al een plant. In het veen kwam

zat, die om de zoveel jaar gebruikt werd als landbouwgrond.

‘Er waren vier kinderen en als oudste zoon werd ik al snel bij

Harrie: ‘Toen ons volk nog in Gasteren woonde, op de

boekweitteelt veel voor, later ook op het zand.’

Het zal zo’n halve bunder geweest zijn. Je moet bedenken,

het werk betrokken. Ik moest na schooltijd altijd melken en

boerderij dus, en ik inmiddels elders, ging ik nog regelmatig

het was een gemengd bedrijf, waarbij het ene onderdeel het

zaterdags helpen. Zo vanaf mijn twaalfde jaar, denk ik.’

even langs het Grote Veld. Je kon toen nog vanaf Rolde langs

We vervolgen onze weg en komen bij het Kaampie. Jannie:

andere in stand moest houden. Er moest voedsel zijn voor de

Jannie: ‘Mijn werk lag dichter bij huis. Zaterdags harken

het Balloërveld in Gasteren komen. Het was een zandweggetje

‘Een kaampie is gewoon een klein akkertje, waar bij ons

paarden, de koeien en voor de varkens. Zodoende werd daar

rondom de boerderij en ramen wassen. Ik had een oudere zus,

door de Slokkerd, langs de Haasstukken (een verbastering

boerenkool en andere kolen groeiden. Dat was dicht bij ons

op dat kleine bultje vaak koren verbouwd.’

dat was een geluk, die was ook wat huishoudelijker ingesteld,

van Achterstestukken) en het heideveld, en zo kwam ik bij de

huis, op de weg naar Anderen.’ Harrie is inmiddels al op het

ik wilde liever lezen. Ik bracht ons pap wel koffie en thee op

Veurstukken. Tegenwoordig neem ik mijn kleinzoon wel mee

Grote Veld aangekomen. ‘Daar heeft opa ook een slag veld

We komen in het Westerveld. ‘Wat later ontgonnen,’ vertelt

het land, in een jeneverfles in een krant gewikkeld. En dan

en dan laat ik hem ’t Maotie zien. De plek waar ik mijn eerste

gekocht, tegen de markegrens van Anloo aan. Ik denk zo’n

Harrie. ‘’Dat kon je ook wel zien aan de percelen, er zaten nog

vertelde hij van die wilde roosjes en wees hij me op dikke

konijn schoot, met opa, de plek waar we een dammetje in het

drie, drieëneenhalve bunder, gedeeltelijk weideland en op de

veengaten in. Achterop het Westerveld had je een heel venig

brummels (bramen) die er te vinden waren.’

water opwierpen om vissen te vangen…’

hogere delen (‘op ’t hoog’) bouwland. Daar verbouwden we

gedeelte, daar verrotten de aardappels vaak. Koren lukte

Jannie: ‘Ik weet ook alles nog, de akkers, de slootjes. Het is

rogge en haver. Frappant was dat het stuk ernaast, van Riekus

daar nog wel, omdat je vaak redelijk droge zomers had, maar

Moest de oudste zoon het bedrijf niet overnemen?

een kaart die in je geheugen zit, die er als kind als het ware

van Rein, toen nog onontgonnen was. Er stond een natuurlijk

aardappels was moeilijker. En knollen natuurlijk, dat was na

Harrie: ‘Dat was eigenlijk wel de bedoeling. Gewoon uit

is ingeprent. Je kende de hele es uit je hoofd, de namen van

berkenbosje op en er lagen veenputten, waar men turf had

de aardappel het tweede product.’

traditie, zo ging het nu eenmaal vaak. Maar ons mam heeft

alle akkers. Mijn oudere zus weet zich nu nog de bloemen

gegraven. Dat was het Grote Veld. Dan hadden we langs

‘Als je het Westerveld helemaal overstak, zat je al weer tegen

er voor gezorgd dat ik naar de kweekschool ging en ik wilde

te herinneren die in onze weilanden groeiden. Zenegroen,

het Gastersche Diep, in de richting van het Balloërveld, een

het Gastersche Diepje aan. Daar had je het Maotie, heel

dat ook wel. Ik heb er wel altijd bij moeten werken. Zodra

vrouwenmantel, kruipend zilverschoon in de Klunnenkaamp,

perceel weiland, de Veurstukken, de Voorstestukken. Daar zat

nat bronland.’ Jannie: ‘Moatie komt van madeland, natte

ik vrij was, werkte ik bij het loonbedrijf van Pieters. Daar

meidoorn en wilde roosjes bij de dam, witte wilde margrieten

zo’n mooie glooiing in het veld. Daaraan kon je zien dat het

weidegrond. De naam zegt dus weer iets over de grondslag,

kon ik een paar centen verdienen en dat geld ging naar de

in Schuurman’s land, veel zoete, geurige kamperfoelie op

vroeger bij het zandgedeelte van het Balloerveld had gehoord.

net als bij de Stierlanden.’ Harrie:’Ja, gras hadden de boeren

boerderij. Of mien pap kon voor de opbrengst loonwerk laten

de houtwalletjes. Wilde roosjes en meidoorn in de Heest,

Zo’n mooie glooiing in de richting van het beekdal.’ Jannie:

ook nodig, dus daarvoor moesten ze bij de beken zijn. Via het

doen, grasmaaien, ploegen enzovoort. Zo heeft dat elkaar

Gelderse roos links voor het bruggetje bij de Heest, gele

‘Die glooiing zit er nog steeds in. Ik zat daar bij het diep altijd

Moatiesland lopen we langs een brede houtwal, ontstaan in

aangevuld’.

margriet in het Grote Veld.’

te vissen. Er zat paling, baars, snoek, voorn. Voor mij was dat

de tijd dat er nog geen prikkeldraad was. Dat was een echte

’ Als loonwerker werd ik naar het land van de boeren gestuurd.

vrijheid­blijheid, heerlijk langs de waterkant. We namen de vis

dichte wal, met stiekelbossen en ook veel sleedoorns. De

Naar de Lommershoeken, tegen de marke van Oudemolen

Harrie: ‘Ik wandel nu wel langs de Heetlagendijk, zo naar het

mee naar huis, jazeker.’

blauwe bessen daarvan noemen we bekkentrekkers, want je

aan. Je kreeg opdracht om even bij Luut-zien-Fré gras te

Amerdiepje, daar is nog zo’n mooi stukje bosopstand. Daar

Harrie vervolgt: ‘Langs de weg naar Loon had je dan de

mond trekt samen bij de bitterzure smaak ervan.’ Jannie: ‘Er

maaien in de Bosstukken. Dat wist je zonder vragen te vinden,

heb je paar eikenbomen en of je het gelooft of niet, ik ga er

Heest, net over de brug van het Gastersche Diepje. Dat was

groeiden ook wilde roosjes, mijn vader….’ Harrie is al weer

net zoals Wolter Meijering-zien-Veurstuk. Dat lag naast ons

bij staan, ik leg mijn hand op de boom en ik luister naar die

nat land, weideland. Andere boeren, zoals Mans-zien-Geert,

verder, bij de Klunnenkaamp. ‘Daar meanderde het hele

Veurstuk. En daarnaast lag dat van Fré van Rein, en daarnaast

oude eik. Dan hoor ik het verleden, ik hoor die boom vertellen

hadden er recht van overpad. Hij kon niet anders bij zijn

Gastersche Diepje doorheen, met weer hele natte delen en

dat van Weites. En aan de andere kant van de weg had je het

wat hij beleefd heeft, dat er mensen zijn langsgekomen, dat

melkkoeien komen dan door ons weiland.’ ‘We hadden het

ook weer een zandkop. Ik zou de naam niet zo een­twee­

land van Jans Speelman.’

er dieren bij zo’n boom hebben gestaan, dat zo’n boom

zojuist over vissen. In de Heest had je een klein loopje, dat

drie kunnen verklaren. Dat geldt ook voor de Loefvledders,

donderbuien heeft getrotseerd. Dat voelt zo authentiek. De

door de Galgenrieten liep. Van oorsprong kwam het water

een stukje land dat mijn vader huurde. Dat lag tegen de

Hoe was de band van jullie vader met zijn land?

Duitsers hebben er een mooi woord voor: urig! Vrij vertaald

van het Balloërveld. Het loopie stelde natuurlijk niet veel voor,

markegrens van Anloo aan.’

Jannie: ‘Hij had er een emotionele band mee, denk ik.’ Harrie:

oerig. De hele historie van Drenthe zit voor mij in zo’n

bij nat weer zo’n anderhalve meter breed, ’s zomers was er

‘Ja, dat is een Drent eigen. Dat proef je aan de manier waarop,

ekkelboom.’

geen water te bekennen. D’r zaten een paar kolkjes in, het

Hoe zouden jullie het leven van jullie ouders willen typeren?

ja, hoe zal ik het zeggen? De manier waarop hij over het land

water was er lekker warm en de snoeken stonden er in het

Jannie: ‘Knooien, echt waar. Het was zwaar en soms financieel

praatte. Bepaalde stukken lagen hem niet zo goed, dat onland


voorjaar te paaien. We probeerden ze er met een emmer uit

ook moeilijk.’ Harrie: ’Veel geldgebrek, mam kon soms de

bijvoorbeeld. Maar de Stierlanden, daar was hij verschrikkelijk

te scheppen, dat lukte soms wel.’ Jannie: ‘Ons pap deed het

boodschappen van de kruidenier niet betalen.’ Jannie: ‘Soms

trots op. Daar groeiden bieten, dikke bieten. Die grond was

wel met de zwao, met de zeis, als hij toch bezig was met het

waren we rijk, als het melkgeld in een zakje aan de melkbus

via mijn opa eigendom, daar had hij echt een band mee, daar

maaien van de wallekant.’ Harrie: ‘Opa was jager en als hij

hing, dan konden we even vooruit. Maar als de rekening voor

was hij elke dag aan het werk. En na het werk, op zondag,

die snoeken zo mooi boven in het water zag staan, wilde hij

de kunstmest kwam, dan waren we weer even arm. Maar ik

even naar het land kijken. Of met de fiets erlangs.’

er nog wel eens op schieten. Een beetje andere manier van

wil echt niet klagen. Na de lagere school kregen we een fiets

‘Later is hij als boer gesaneerd en is hij op een fabriek in

vissen…’

om naar de ULO te gaan. Een nieuwe aktetas kregen we, altijd

Assen terechtgekomen. Daar werden speciale gasbranders

Via de Voorste Stukken komen we bij de Achterste Stukken.

lekker te eten. Maar zoals ik zeg, soms was het even moeilijk.’

ontwikkeld. Die productie is hier in het dorp opgestart, in de

‘Verrekte nat land, de peerden zakten d’r vaak tot de kont

Harrie: ‘Pap heeft nooit een auto gehad. Hij kon nog niet eens

boerderij van Fré Pieters. Voor hem was het toch wel moeilijk

toe in. Er zat veel ijzeroer in de grond, dat een tijdlang

op een Solex rijden. Met peerden kon hij werkelijk alles, maar

om die stap te maken, de andere mensen die in het begin

is ontgonnen, hoe zeg je dat, uitgegraven. Het werd met

een trekker heeft hij nooit gehad.’

bij Furigas werkten waren niet vreemd voor hem. Hij kwam

lorregies (kiepkarren) afgevoerd. In Grolloo, waar ik woon,

er meer uitgesaneerde boeren tegen. Maar ja, hij miste er de

had je dat ook. Dat was eigenlijk de eerste industrie van

vrijheid. Tussen de middag bleef hij liever binnen, want dan

Drenthe, met smeltovens, waar ze zo rond het begin van de

zag hij tenminste niet hoe mooi het buiten was.’

jaartelling ijzer produceerden’.


De antropoloog 1

46

47

Verhalenverteller Tinus Hovenkamp

Met zo’n verkaveling, dan ku’j wel verdriet hebben

Boven de keukentafel hangt een klein schilderij.

Geschonken door de buurman. Evert Musch, de

kunstenaar die in 2007 overleed, maakte het toen buurvrouw

Hillie in 1995 uit het ziekenhuis kwam. ‘Naarms beter as

thoes,’ staat er op.

Tinus Hovenkamp kijkt me veelbetekenend aan. ‘Zo ging dat

in Anloo. De kunstenaar en de boer, we waren allemaal gelijk.

We kenden mekaar en hielpen mekaar. Nu zeggen sommigen

in het dorp je niets eens meer goeiedag. ’t Vervreemdt

allemaal, daar kan ik niet zo best over.’

Praten over vroeger, dat mag hij graag. Zijn oogjes beginnen

te glinsteren, zijn gezicht glimt. Hij zit er helemaal klaar voor,

aan de keukentafel. Roept u maar, Tinus Hovenkamp geeft

antwoord. Hij schuift de stoel wat dichter bij de tafel en vraagt

of de band van het opnameapparaat al loopt. ‘Wat wil je

allemaal weten?’

Tinus (84) is de zoon van Egge Hovenkamp en Anna Hoving.

Hij werd in Anloo geboren. Zijn eigen zoon, die bij het gesprek

aanwezig is, heet ook Egge. Vader en moeder hadden een

boerenbedrijfje en een winkel. De winkel zat vlak naast de

pastorie. Toen woonde de dominee daar nog. Zijn ouders

vonden het een schande dat de pastorie te koop kwam. De

dominee woont nu in Annen. Ook Tinus vindt dat ‘niks weerd’’.

Dominee hoort bij de kerk te wonen. ‘Wij woonden naast de

pastorie. Wij hadden veel met die predikant te maken, die

kwam vaak bij ons. Niet dat we zo gelovig waren, ook niet

ongelovig natuurlijk, in ieder geval niet onverschillig. Zo

bedoel ik dat.’

Een winkeltje met een boerderij. Ging dat samen?

‘Natuurlijk ging dat samen. Mijn oma, die ik niet gekend heb,

is met de winkel begonnen. Zij heeft mijn vader aangezet

om er mee door te gaan. Deurdoen met ’t winkelie, zei ze.

De boerderij was maar klein, ik denk dat ze zo’n vijf bunder

hadden. Dat was wel te doen. Mijn vader stond niet alleen

achter de toonbank, mijn zuster Trientje heeft later ook

wel geholpen. Pap ging er ook op uit. Met een hondenkar,

getrokken door een Duitse dog. Hij bracht de boodschappen

overal heen, naar Schipborg, naar Eexterveen. Want daar

kwam hij zelf vandaan. Omdat ze hem daar kenden, leverde

dat weer klanten op.’

‘Er was hier in het dorp nog een winkel. Popken had een café

annex winkel. Dat was, zeg maar, de concurrent. Maar de

oude mensen wilden wel bij mijn vader kopen. Het was een

old gezellig winkelie, dat vonden ze mooi.’

‘Ze verkochten ook wel wat niet mocht. Dat was vroeger zo.

D’r werd natuurlijk wel gecontroleerd, maar gepakt is mijn

vader nooit. Hij was een keer met de hondenkar bij zijn zuster

in Annen, om boodschappen te brengen, toen de politie er

over toekwam. Geessie, pak die tas eev’m an, zei mijn vader.

Dan heb jullie je boschup’m tenminste. Daar zat dus een

klandetiene fles jenever bij. De politie kon in de kar verder

niets vinden. Waor gebeurd.’

Was de winkel ook een stille kniep?

‘Nee, dat niet. De mannen uit het dorp deden wel vaak de

bestelling of brachten het boekje. Mijn oudste broer Jan

bracht de spullen dan meteen weg. Als de politie de klant

op weg naar huis controleerde, had hij immers niks bij zich.

Hij had dan misschien een borreltje gedronken, in onze

huiskamer. Maar dat was toch niet verboden? Nee, dronken is

bij ons volk nooit iemand geworden. Daar durf ik mijn vingers

voor in de lucht te steken’.

Het winkeltje heeft het niet gered. Het interieur is naar het

Openluchtmuseum in Arnhem gegaan…

‘Ja, ik denk dat het in 1952 gebeurd was.’ Zoon Egge: ‘Nee pap,

veel later. Ik was een jaar of zeven, acht. Dat moet in 1965


De antropoloog 1

48

49

geweest zijn, in die buurt. Ik heb dat winkelie toch nog zelf

‘Later is het allemaal anders geworden, na de verkaveling.

U kocht wel regelmatig bij…

Had u zelf ook koeien?

meegemaakt…’ Tinus: ‘Hoe kom je d’r bij. 1965? Nou ja, goed.

Alles moest groter. We hebben dat nieuwe land zelf Nijveld

Tinus: ‘Regelmatig? Zo nu en dan. Ik had een goeie vrouw. Ze

Tinus: ‘Een stuk of tien. En wat jongvee, een varken met

Goa d’er maar tussendeur, dan. 1960 of 1957, wat maakt het

genoemd. Het is na de verkaveling bij een ander in bezit. Ja,

kwam hier uit het dorp. Ik zeg altijd: Ik had geen fiets, daarom

biggen. Destijds hebben we nog een nieuwe stal gebouwd.

uit?

dat heb je. Met een verkaveling krijg je niet zoals jij ’t graag

moest ik wel een vrouw in Anloo zelf zoeken. Dat is een

Daar was Tinus groot op. Toen kwam er iemand van

‘Ja, dat heb ik van mijn ouders. Handel zat in mij. Ik mocht

wilt hebben. Dan he’j verdriet. ’

aardigheidje, want ik had natuurlijk wel een fiets. Ik heb er

Landbouwvoorlichting en die zei: Je had beter een beste

graag koetjes kopen en verkopen, pinken, biggen. Van

‘Hillies vader had vroeger ook een deel van het Eexterveld,

een goeie vrouw aan gehad. Ik ben soms wel een beetje een

schuur neer kunnen zetten. Achteraf had hij misschien wel

alles. Niet in ’t groot, hoor. Toen was ’t nog allemaal

bij het Pinetum .Die heide is ook op de schop gegaan. Dit

bekkerie, hoe zeg je dat?’ Egge: ‘Goed gebekt.’ Tinus: ‘Een

gelijk. Ik zei toen tegen mijn vrouw: Zie bint dikke dreumers.

gewoon, boertjes. Dat mocht ik graag, ja. Een keer naar ’t

Vosseveen is later aan Staatsbosbeheer toegekend. Mijn zoon

bekkerie noemen we dat. Maar goed, mijn vrouw zorgde er

Die man wou toen al groter, dat was in 1972. Wij wilden beslist

Groningerland, pinken kopen en ’s avonds hier op de fabriek

Egge heeft er ca 18 hectare van gehuurd.’

voor dat een deel van het melkgeld opzij werd gelegd. Dat

niet groter en daar zijn we nu nog gelukkig mee.’

slachten. Dat vlees verkochten we. Die buurman moest

Egge: ‘Ja, ik heb daar een emotionele band mee. Het idee dat

ging naar de bank, dan had je weer minder rente af te lossen,

wat hebben, die buurman, ook wel mensen van over ver.

je voorouders daar gewerkt hebben. Ik ging er vroeger vaak

minder lasten. Zo deden wij dat.’

Wanneer bent u gestopt?

Dat was een mooie tijd, nu is het allemaal weg. Het mooie

kijken. Als Jans Mulder daar in de grond zat te wroeten.’

Tinus: ‘In 1996. Toen is het bedrijf over de kinderen verdeeld.

verdwijnt, daar staan de meeste mensen niet bij stil. Het is

Over de verkaveling van de jaren 80 wil hij nog wel iets kwijt.

‘Ik werkte veel samen met mijn zwager, die was ook boer.

En Egge stopt er nu ook mee. Hij gaat alleen nog hobbymatig

tegenwoordig allemaal groot, groter, grootst. Daar is’t niet

‘Een verkaveling is heel slecht voor een dorp. In woon liever

Hij had een trekker en ik had een mooi peerd. Toen wou ik

door.’

mooier van geworden.’

in een flat dan dat ik ooit zoiets nog wil meemaken. Er komen

ook een trekker. Maar daarvoor moest je lenen. De bank

Egge: ‘Volgend jaar ben ik vrij man. Als je een boerenbedrijf

verkeerde dingen in de mensen boven.’

hield zitting in het dorp en ik heb Hillie er heen gestuurd

hebt, kun je niet zomaar stoppen. Dan moet je wel even

De boerderij…

Tinus: ‘Ach Egge, zeg dat soort dingen niet.’

om te vragen of de mensen hier in Anloo dat gewaar zouden

afrekenen met de belasting. In april 2006 ben ik naar een

‘Ja, de boerderij. In 1951 ben ik hier gekomen, op de plek waar

Egge: ‘Waarom niet. Ik heb toen mijn mond ook niet

worden, van die lening. Niet de gewone mensen, maar de

informatiebijeenkomst in Assen geweest. Daar kreeg je

ik nu zit. Toen was er met elkaar, eigen land en huurland, zo’n

gehouden. Als je contact hebt met mensen die in de ogen van

bestuursleden van de bank. Als dat zo was, wilde ik geen

het advies om ‘naar prive’ te gaan. Dat is een bepaalde

18, 19 bunder. Het land lag hier allemaal rondom.’ Egge pakt

de ruilverkavelingscommissie verkeerd zijn, dan pakken ze je.’

centen. Die man zei: ik ga wel even bij Tinus langs. Hij zei

constructie, ik heb me daar goed over laten voorlichten. En

er een schriftje bij. Moeder Hillie, die in 1995 overleed, hield

Tinus: ‘Zeg dat nou niet. Daar krijg je alleen maar problemen

tegen me: wat dacht je nou, dat ik die lui moet vragen om

ik heb er wel voor gekozen. De boel is dat jaar getaxeerd en

alles bij. Keurig handschrift.

van. Je moet bij een verkaveling geven en nemen. Zo nu en

jou centen te lenen? Ik zei: Als die bestuurslui ’t maar niet te

in 2007 kreeg ik te horen wat ik betalen moet. Op 1 januari

dan dingen door de vingers zien. Dat kan Egge niet.’ (Tegen

weten komen. Ja, zo voelde ik dat. Daar ben ik misschien wat

2009 ben ik helemaal vrij. Intussen mag ik de boerderij niet

Bouwplan 1969.

zijn zoon) ‘Wij hebt oes eigen nog, ik ben er nog. Wat willen

hoogmoedig in. Afijn: de trekker is er gekomen.’

verkopen, het land wel. Maar dat houd ik aan, ik heb bij het

Aardappelen: Steenhoorn (0,34), Haverakker (0,33),

we nog meer.’

Vossenveen een stuk of wat pinken lopen op zo’n 14 hecatre

Walakker (0,46) Meulenakker (030), totaal 1,43.

U kende alle boeren, alle boeren kenden u.

natuurweide.’

Rogge: Eesschup (0,28).

Met uw boerderij en uw land was u niet de grootste boer van

Tinus: ‘Ja, wat dacht je. Ik ben van 1923. In de oorlog werd

Haver: Hartakker (0,48), Eexterkamp (0,30), totaal 0,78.

het dorp…

ik dus 21 jaar en moest ik eigenlijk voor tewerkstelling naar

En de andere helft van het land?

Gerst: Zandakker (0,44), Strubben (0,20), Hofakker (0,42),

Tinus: ‘Nee man. Wie heeft dat gezegd? Nee, allemaal klein

Duitsland. Mijn vader heeft er toen voor gezorgd dat ik met de

Egge: ‘Dat is van mijn zus Jantje. Zij is in zee gegaan met

Annerkaamp (0,36). Totaal: 1,42.

spul. D’r waren wel grotere boeren. De gebroeders Greving,

melkwagen op stap ging, bij de boeren langs, om melkbussen

de Stichting Agrarisch Natuurbeheer. Dat noemen ze de

Suikerbieten: Leemakker (0,12), Eessschup (0,22). Totaal 0.34.

die waren denk ik de grootste. Hoeveel land zij hadden? Ik zou

op te halen. Als je in de voedselvoorziening werkte, hoefde

zandregeling. Het draait allemaal om verschraling. Na zes

Veld: 3.90.

’t niet weten. Wij konden d’r van leven, onze kinderen hebben

je niet weg. Zo kwam ik bij alle boeren. Dan leer je ze wel

jaar moeten er 20 soorten inheemse planten groeien. Mij is

Beek: 0.75.

’t goed gehad. Je moest wel zuunig wezen, natuurlijk. Nee, ik

kennen. De een was nog niet klaar met melken, de ander

dat allemaal aan te veel regels gebonden. Je mag pas maaien

Groenland: 6.40.

was gewoon een hanneg boertie, een klein boertje.’

kwam moeilijk van bed af. En ik bracht ook het melkgeld,

op 30 juni. Zij heeft op 29 juni laten maaien, want iemand

Aangevuld met enkele bunders huurland.

Egge: ‘ Het lijkt misschien weinig, 0,38 are hier en 0,44 are

dat legde je toen gewoon op de melkbus. In een envelop,

had belang bij het hooi. Die dag te vroeg hooien hadden ze al

daar. Maar zo’n tippie, dat wilde je toch niet kwijt. Dat hoorde

eenmaal in de veertien dagen. Nee, je kon niet zien wat ze

weer in de gaten. Dat heb je in kleine dorpen. Maar goed, ik

Tinus: ‘Het waren allemaal houkies. Niet groot, welnee. Alles

er bij. Waarom je dat niet kwijt wilde? Het was een teken dat

kregen. Dat geld was van de fabriek, daar had je niks mee te

heb een gok genomen, zij heeft een gok genomen. Ze is trots

hier in de buurt. Mijn vader heeft ook nog wel veld laten

je dat had, jouw bezit. Je had ook kunnen zeggen: neem jij

maken. Ik heb nu twee versleten heupen, dat is van dat werk

op haar land omdat het haar erfdeel betreft.’

ontginnen. Dat was aan de andere kant van het Tjuffersbossie

dat maar. Maar dan was ’t van een ander. Dat voelde minder

gekomen. Ik heb te veel loperij gehad. Meer dan vier jaren ben

(Juffersbosje), in de buurt van het Pinetum. Van opa’s kant

goed.’

ik met die melkbussen aan het slepen geweest.’

Gaat de zoon de boerderij verkopen?

hadden we daar tien are. D’r lagen wel een stuk of tien

Tinus: ‘Zo was dat.’

Egge: ‘Dat weet ik nog niet. Als ’t te duur wordt misschien wel.’

eigenaren daar, in dat roege land. ’t Was een hoek van niks,

Tinus: ‘Egge heeft een verstandige beslissing genomen. Geen

gaten, heideveld. Mijn vader is de eigenaren allemaal langs

boer meer, geen kopzorgen meer. En wat de boerderij betreft:

geweest, om te kopen en te ruilen. Op den duur had hij twee

als ik straks weg ben, weg met het zwikkie. Zo denk ik er over.’

hectare bij elkaar. Dat is toen op de schop gegaan. Ja, mijn

vader was een handelaar. Pap was niet dom, dat kan ik niet

zeggen. Nee hoor, hij was zeker niet dom.’


50

51

De Betekenisvinder

over struinen, gevonden voorwerpen en verhalen

‘Overheden die verantwoordelijk zijn voor het

behoud en de ontwikkeling van cultuurhistorie

zullen zich niet louter moeten richten op het

behoud en de ontwikkeling van bepaalde,

door daaraan verbonden groepen ‘experts’

geconstrueerde objecten. Men zal zich

moeten gaan inzetten voor uiteenlopende

cultuurhistories die door uiteenlopende

belangengroepen, zowel door zogenoemde

experts als niet-experts, worden geconstrueerd

en gewaardeerd.’

Ieder dorp heeft z’n betekenisvinders. Het zijn de struiners van de leefomgeving, die zich laten

meeslepen door de sensatie van het zoeken en het vinden. Niet zelden hebben zij zich ontwikkeld tot

gerespecteerde dilettanten, die met hun veldkennis deskundigen het nakijken geven. Struiners zijn de

locale identiteitvormers en ze zijn er soorten en maten; de amateur­archeoloog die een geploegde akker

nog eens met eigen handen doorploegt, de archieftijger die een plek een oude, vergeten betekenis

teruggeeft, de verzamelaar die verhalen oppikt en doorgeeft aan volgende generaties of gewoon een

attente landbouwer die een hamerbijl uit het rooster van een rooimachine weet te vissen.

In de Atlas van de Leefomgeving zijn de verhalenlandschappen van verschillende struiners in kaart

gebracht (ze zijn ook op Google Earth te vinden). In Anderen gaat het om het vondstenlandschap van de

amateur­archeoloog en het herinneringslandschap van de oorlog; in Gasteren om plekken met de meest

uiteenlopende verhalen.

De laatste tijd lijkt ook de officiële cultuurhistorie van vakwereld en beleid in de greep van het

canoniseren. Naast dit gesanctioneerde landschap bloeit en groeit het geleefde landschap, dat met z’n

opmerkelijke vondsten en frivole kennis de vakwereld blijft verbazen.

Martijn Duineveld

Van oude dingen, de mensen, die voorbij gaan…

Proefschrift Wageningen 2006


De betekenisvinder 2

52

53

Van plaatsen verhaald

en verhalen geplaatst

Nieuwe technieken in oude landschappen

Menne Kosian

Het landschap bestaat uit dingen, veel dingen. Sommige van die dingen kan je zien, aanraken,

beleven, andere zijn onzichtbaar, maar wel fysiek aanwezig, en weer andere zijn ongrijpbaar.

De eerste groep valt altijd direct op, het gebruik van landschap; de gewassen die er staan, de

aanwezigheid van bossen of dorpen, een rivierdal, rustieke beekloopjes. Zij bepalen hoe wij onze

leefomgeving zien en ze zijn vast te leggen op foto’s en op kaarten. De tweede groep is lastiger,

hierbij moet gedacht worden aan archeologische resten, onder de grond, onzichtbaar voor de

wandelaar, maar ook aan bodemtype, grondwater en andere zaken die vaak onzichtbaar zorgen

voor de mogelijkheden die een landschap biedt: is het vruchtbare grond, is het niet te droog,

of juist te nat? Ondanks het feit dat deze groep voor velen onzichtbaar is, is ze wel te vinden, te

meten, en vast te leggen in kaarten. De lastigste groep is de derde groep, de ongrijpbare dingen

in het landschap. Deze groep bestaat uit de verhalen van vroeger gebruik, volksverhalen over

wezens die op kruispunten dansten en mensen ontvoerden, heksen, kabouters en elfen, maar

ook uit veldnamen, die soms teruggaan op het oude gebruik, of de oude natuur van een plek.

Modern landschapsonderzoek wil alle aspecten van het landschap bekijken, onderzoeken en

duiden. Niet alleen de bodem, of alleen de archeologie, nee, juist de samenhang, de dwarsverbanden

zijn interessant. Hoe zit het hele plaatje in elkaar, want, zoals het landschap zelf,

het is nooit één ding, maar een samenspel, waarbij de som veel meer is dan de losse delen. En

als je dat plaatje zo compleet mogelijk hebt, dan kan je het verhaal van het landschap vertellen.

Teruggeven aan de mensen die er wonen, het gebruiken, er van genieten, nu met nog meer

verhalen dan dat ze al hadden, met nog meer ‘belevingskwaliteit’.

Om een plaatje te maken, een verhaal te vertellen, hebben onderzoekers gegevens nodig.

Tastbare, harde gegevens, die je onderling kan vergelijken, koppelen. En bij landschapsonderzoek

moeten die gegevens ook nog te lokaliseren zijn, te koppelen aan een plek, op een

kaart te zetten. Wat weten wij over deze plek, wat weten anderen, en kunnen we die weetjes

staven? En vergelijken? Er is al heel wat verzameld in de loop der tijden. Soms staat dat in

boeken, of rapporten, of op kaarten. Soms zijn er lijsten van veld- of boerderijnamen en soms

oude kaarten. Dan weer zijn er alleen mondeling overgeleverde verhalen. Maar alles bij elkaar

vormen ze wel de bouwstenen voor het verhaal van het landschap; het zijn de gegevens die de

onderzoekers nodig hebben.

Om plaatsgebonden gegevens te kunnen vergelijken en dwarsverbanden te vinden, kunnen we

tegenwoordig gebruik maken van computers met GIS programma’s. GIS staat voor Geografische

Informatie Systemen, databases met locatiegegevens. Hierin kunnen kaarten worden opgenomen


Archeologie zonder canon

Het Drentse Aa gebied behoort tot de oudst bewoonde gebieden van

ons land. Het middenloopse kerngebied wordt door de vele zichtbare

en onzichtbare vormen van archeologie ook wel de Randstad van de

Prehistorie genoemd. Opeenvolgende prehistorische culturen hebben hun

sporen nagelaten in het landschap en vormen een vertrouwd onderdeel

van de leefomgeving van de dorpen. Bijna elke zich respecterende

dorpsgeschiedenis heeft wel een hoofdstuk over de archeoligica die

door nijvere amateur­archeologen en struinders in het dorpsgebied

werden aangetroffen. Zo heeft het dorp Anderen door de vondst van een

Neanderthalervuistbijl haar geschiedenis met tenminste 40.000 jaar

kunnen verlengen, een gebeurtenis waar de meeste amateurs alleen

maar van dromen. In Archeologie zonder Canon is het ‘landschap van

de amateur­archeoloog’ voor het dorps gebied van Anderen in kaart

gebracht. In de verhalen die door Reinout Klaarenbeek rechtstreeks uit de

monden van de vinders werden op getekend staan niet zozeer de gevonden

voorwerpen centraal maar vooral de sensatie van het vinden.

De betekenisvinder 2

en gegevenslijsten op deze kaarten worden weergegeven. Binnen deze systemen kunnen dan

vragen worden gesteld, die alle gegevensbronnen in het GIS meenemen en plaatsen op de kaart.

Hierdoor kan je niet alleen een verhaal vertellen, maar dat ook op kaarten weergeven.

Dat is allemaal erg mooi voor die dingen in het landschap uit de eerste categorie; de dingen

die je kan zien en aanraken. Kijk op een kaart van een gebied en je ziet hoe het waar neem bare

landschap eruit ziet; waar liggen de dorpen en steden, hoe lopen de wegen en riviertjes, waar

is er open natuur of bos, of juist akkers en weilanden? Hoe mensen het land schap hebben

ingericht en gebruiken is op een kaart duidelijk te zien. Dit zijn belangrijke landschapselementen,

en eenvoudig in een GIS te zetten en te gebruiken; immers, ze staan al goed op een

kaart en er is al uitgezocht wat het is (bos, heide, bebouwing etc.). Voor de onzichtbare dingen

is het al een stuk lastiger. Welke grondsoort is er op deze plek? Is hier ooit een nederzetting

geweest in vroeger tijden? Hier kom je alleen achter als je onderzoek doet. Dat kan door te

boren en de grondmonsters te onderzoeken, of door archeologische vondsten die op de akkers

liggen te verzamelen en te onderzoeken, of zelfs door opgravingen te doen naar oude resten.

Hoewel dat niet op elke plek in Nederland is gedaan is er toch wel een redelijk inzicht in wat

zich onder onze voeten bevindt. Veel van dit soort gegevens staan op meer specialistische

kaarten; een bodemkaart voor grondsoorten, een geomorfologische kaart voor terreinvormen of

archeologische (verwachtings)kaarten. Ook deze kaarten en de bijbehorende gegevens kunnen

in het GIS worden ingevoerd.

Een nadeel van deze gegevens en van deze kaarten is dat ze vaak over grote gebieden gaan; zo is

de bodemkaart gemaakt op een schaal van 1:50.000, en zijn veel verwachtingskaarten gebaseerd

op een raster van vierkantjes waaraan een waarde is gekoppeld. Er is dus niet altijd een set

gegevens die specifiek over deze akker, dit weiland of die beek gaan.

54

55

Nieuw hulpmiddel

Sinds enige tijd is er een nieuw hulpmiddel dat de onderzoekers de mogelijkheid geeft om

de bestaande gegevens over het onzichtbare landschap te verfijnen. Dit hulpmiddel is het

Actueel Hoogtebestand Nederland, kortweg AHN. Dit is een bestand met hoogtematen, veel

hoogtematen. De dichtheid van het huidige AHN is één hoogtemaat per 5 bij 5 meter. Door de

methode van meten en de mogelijkheden van de moderne computertechniek is de Adviesdienst

GeoInformatie en ICT van Rijkswaterstaat erin geslaagd om dit hoogtebestand niet alleen met

een dergelijk hoge dichtheid aan te bieden, maar ook te ontdoen van alle begroeiing. Met andere

woorden, het AHN laat ons het landschap zien zonder al die dingen uit de eerste categorie,

alleen de bovenkant van die dingen die onder onze voeten liggen. Door deze hoogtegegevens

met behulp van moderne computerprogramma’s om te zetten naar kaartbeelden, krijgen

we een inzicht in hoe het land, de drager van het landschap, eruit ziet. Hierdoor kunnen de

1:50.000 kaarten zoals de geomorfologische kaart of de bodemkaart tot klein-regionale schaal

verfijnd worden, zonder intensief veldonderzoek. Nu kunnen we wèl vragen stellen als: welke

grondsoort is er op deze akker? Waarom is dat weiland zo nat, terwijl de boerderij ernaast nooit

last van wateroverlast heeft?

Legenda?


Een dorpslandschap met littekens

De ‘oorlog’ heeft op oudere generaties een diepe indruk gemaakt. De

sporen die de laatste wereldoorlog in het landschap heeft achter gelaten

spreken nog daarom nog steeds tot de verbeelding. Zij vormen nog steeds

de meest aansprekende elementen van het ‘emotionele’ landschap. Ook

afgelegen plekken kunnen het decor zijn geweest van het grote drama.

Wat betreft de feitelijke oorlogshandelingen zijn met name het gebied van

de Drentse Aa zijn twee gebeurtenissen van belang geweest. Het gebied

was een intensief crashgebied van bommenwerpers en jachtvliegtuigen

en het was een droppingsgebied voor de SAS­operatie Amherst van Franse

para’s die vlak voor de bevrijding achter de linies verwarring moest

zaaien om de opmars van de Canadezen te bespoedigen.

In Anderen heeft amateur­archeoloog en gebiedskenner Geert van

Veen alle nagelaten sporen en vondsten minutieus op kaart gezet en

beschreven aan de hand van gesprekken met getuigen. Zijn verhalen

van de oorlogsplekken zijn kort, zakelijk maar tussen de regels door ook

aangrijpend.

In het dorpsgebied van Anderen zijn veel overtollige bommen gedropt

van uit Duitsland terugkerende bommenwerpers terwijl een aantal Duitse

jagers zijn neergestort die de geallieerde bommenwerpers moesten

belagen. Daarnaast was de omgeving van Anderen het afwerp gebied

van een stick Franse Para’s die zich met drie andere sticks moesten

hergroeperen in de boswachterij van Gieten (een stick is de kleinste

afwerpeenheid van 15 para’s).

Ooggetuigen hebben er voor gezorgd dat het oorlogslandschap werd

overgedragen op naoorlogse generaties. Maar zonder inventarisatie

en boekstaving zal dit emotionele landschap snel zijn uitgeblust en in

vergetelheid geraken.

De betekenisvinder 2

Maar met het AHN kan meer. Omdat veel landschappelijke veranderingen zichtbaar blijven

in minuscule hoogteverschillen kunnen onderzoekers deze met de AHN gegevens zichtbaar

maken. Denk bijvoorbeeld aan een beek, die zich in de loop der tijd verlegd. De oude bedding

zal natter zijn dan de omgeving, zodat de grond daar sneller inklinkt. Maar niet alleen

natuurlijke processen laten zo hun sporen na, met behulp van het AHN zijn ook prehistorische

akkercomplexen, of middeleeuwse ploeg- of karrensporen zichtbaar te maken. Zo kunnen

onderzoekers kaarten maken van de onzichtbare dingen in het landschap. En die kaarten zijn

zo gedetailleerd dat je zelfs vragen kan stellen als: was deze akker altijd al een akker? Hoe zag

deze plek er eeuwen geleden uit? Al deze nieuwe gegevens zijn ook goed in het GIS te zetten,

waardoor het verhaal van deze specifieke plek nog gedetailleerder kan worden verteld.

Wij zijn niet de eersten die dit soort vragen stellen. Mensen zijn altijd benieuwd geweest naar

hun verleden, het verleden van hun plek, hun geboortegrond. Vroegere onderzoekers hebben

dan ook al veel gegevens verzameld, soms van de tastbare dingen, die nu al lang verdwenen

zijn, soms van de onzichtbare dingen en soms van de ongrijpbare, overgeleverde dingen. Deze

schatkamer vol verhalen en gegevens is te mooi, te interessant en te waardevol om niet in het

GIS mee te nemen. Soms lijkt dat eenvoudig te doen; sommige van de vroegere onderzoekers

hadden hun gegevens al op kaarten gezet. Oude kaarten zijn daarom een rijke bron voor

landschapsonderzoek: ze geven de dingen weer uit de eerste categorie, de tastbare dingen, zoals

het vroeger was. Gegevens die net zo hard en tastbaar zijn als onze topografische kaart van nu,

maar dan uit het nu van toen. Een probleem is echter dat die kaarten niet altijd op dezelfde

manier gemaakt zijn zoals wij nu kaarten maken. Vanaf het begin van de negentiende eeuw zijn

er in Nederland een aantal kaarten en atlassen uitgegeven die op een vergelijkbare manier zijn

gemaakt als onze tegenwoordige kaarten. Deze zijn dan ook betrekkelijk eenvoudig in een GIS

te zetten. Maar oudere kaarten zijn op een andere manier gekarteerd, of zijn niet zo nauwkeurig

ingemeten. Om gegevens van deze kaarten te kunnen gebruiken moeten we de kaarten zelf

eerst onderzoeken. Hoe zijn ze gemaakt? Waarom zijn ze gemaakt, voor wie? Hoe is er gemeten?

Dit historisch cartografisch onderzoek ‘tekent’ de kaarten als het ware opnieuw, met de oude

uitgangspunten en gegevens, maar op en manier zoals wij nu kaarten maken. Op deze manier

kunnen die oude kaarten ook in het GIS gezet worden.

56

II

53° 3’ 38.55” 6° 40’ 28.94”

53.060708, 6.674706 [GE]


Rodoveentie

werkelijke naam

VII Een landschap kan op verschillende manieren worden beleefd. In het het landschap. De biografie van de leefomgeving is veel grilliger, minder

De betekenisvinder 2

VIII 57

Het verhalenlandschap

beleid van het Nationaal Beek­ en Esdorpenlandschap Drentse Aa hebben

de verschillende dorpslandschappen een recreatief accent gekregen. De

doorsnee recreant beleeft het landschap op een andere manier dan de

gemiddelde dorpsbewoner voor wie het in de eerste plaats gaat om een

leefomgeving.

Het landschap van de leefomgeving wordt beleefd als een mentale en

sociale ruimte van plekken met namen en verhalen. In die zin kan een

leefomgeving worden opgevat als een biografie van persoonlijke en

collectieve herinneringen. Voor de recreant is het dorpslandschap in

de eerste plaats een ontspanningsruimte waarin hij zijn leefstijl kan

botvieren en zich naar believen kan laten rondleiden en informeren door

bordjes, VVV­gidsjes of een boswachter. De kennis die hij bij zo’n ‘geleide’

ontdekkingstocht vergaart neigt naar musealisering en canonisering van

voorspelbaar en ontsluit het landschap bij voorkeur via eigen netwerk

van voetpaden en sluipwegen, in plaats van gebaande wegen.

Deze inventarisatie van plekken in het dorpsgebied van Gasteren is

tot stand gekomen in samenwerking met de plaatselijke werkgroep

‘veldnamen’; met dank aan Maarten Visser, Hendrik Kamping,

Jannie Moesker­Pepping en Henk Hellema. Het gaat hier om het

verhalenlandschap in de vorm van plekken die voor het dorp een

naam en een betekenis hebben. De betekenissen en verhalen werden

opgetekend via groepsgesprekken met inwoners en oud­inwoners in het

dorpshuis en een veldexcursie met de werkgroep. Onze dank gaat ook

uit naar de projectgroep Artefact van Van Hall/Larenstein, een groep

van enthousiaste afstuderende landschapsarchitecten, die voor deze

inventarisatie het voorbereidende werk hebben verricht.

Verhalen en namen

Van de zichtbare, tastbare, dingen en de onzichtbare dingen in het landschap komen we nu

bij de moeilijkste categorie dingen in het landschap; de ongrijpbare. Mensen hebben altijd

het landschap om zich heen beleefd, ervaren en geduid. Waarom ligt ons dorp hier? Waar kan

je het beste boeren? Hoe komt die poel achter in mijn veld? Maar ook: ik ben tevreden met

waar ik woon, ik druk mijn (naam)stempel op mijn plekje. En ook: wat zijn dat voor heuvels

bij de bosrand? Wie heeft die grote stenen hier neergelegd? De beleving van de dagelijkse

leefomgeving en de verklaringen van de bekende onbekenden in jouw eigen landschap hebben

een grote hoeveelheid verhalen en (soms verklarende) namen opgeleverd. Dit zijn ook gegevens

waar moderne landschapsonderzoekers iets aan hebben: ze vertellen immers, zij het in bedekte

termen, iets over het landschap, over landgebruik, over de mensen die het land gebruikten en

beleefden.

Grofweg zijn deze ongrijpbare dingen te verdelen in twee categorieën: veld-, plek- of plaatsnamen

en locatiegebonden verhalen. De eerste categorie is het makkelijkst te karteren, ze

hebben immers een directe verwijzing naar een specifiek stuk land. Maar met karteren alleen

ben je er nog niet. Sommige namen zijn duidelijk: Heikant, Bosstuk of Karels Akker geven ons

een beeld van het landschap of eigendom van een plek. Een naam als Stobbenakker is niet altijd

meteen duidelijk; je moet hierbij al van te voren weten dat stobben boomstronken zijn. Hier is

dus een akker met boomstronken. Voor de boer die deze akker in gebruik had ongetwijfeld een

slecht stuk bouwgrond! Maar behalve de negatieve beleving van de toenmalige boer, levert het

de landschapsonderzoekers ook het gegeven op dat voordat dit stuk land ontgonnen werd er

een bos moet hebben gestaan.

Om de gegevens die we uit namen kunnen krijgen ten volle te benutten zal de database die

in een GIS wordt opgenomen dus de mogelijkheid moeten bieden om taal- of naamkundig

onderzoek te kunnen doen en de resultaten daarvan in de database op te nemen. Die resultaten

zullen, soms in combinatie met bodemkundige gegevens, soms met (historisch) topografische

gegevens, soms met eigendomsgegevens het verhaal van die plek mede vertellen.

De tweede categorie is het lastigste. Niet alleen om te karteren, maar vooral ook om goed te

duiden. Volksverhalen vertellen hoe mensen hun leefomgeving hebben ervaren, hoe mensen

Aalstalbad

De plek rond dit bruggetje over het Gastersche diep staat bij veel bewoners in het geheugen

gegrift. Het is een plek met veel verhalen en herinneringen. In het kolkie bij de grote zwarte Els

leerde de jeugd zwemmen. Ook werd er veel gevist en aan de overkant lagen hooilandjes die door

de boeren uit Gasteren werden gebruikt.

Het Aalstalbad is een mooi voorbeeld van naamsverbastering wanneer de oorspronke lijke functie

veranderd. Sommige Gastenaren spreken van het Taolsterbad en geven daarmee aan dat de brug

aansluit op een voetpad door De Heesten naar Taarlo. Anderen zijn van mening dat het hier gaat

om ‘t Aolstebad, het oudste bruggetje over het Gastersche diep.

Uit oudere bronnen kunnen we opmaken dat het hier oorspronkelijk ging om een z.g. aalstal, een

soort palingfuik die bestond uit een gevlochten hekwerk dat in het diepje werd geplaatst en uitliep

in een fuik. Deze aalstallen zijn al bekend uit de middeleeuwen en werden ook wel gecombineerd

met een stuw waarmee in het vroege voorjaar de groenlanden onder water werden gezet. Dit z.g.

stromen liet een laagje slib achter waarmee de vruchtbaarheid en dus de opbrengsten van de

hooilandjes werd bevorderd.

Al vroeg sprak deze plek met zijn bijzondere naam tot de verbeelding. Zo zijn er in de omgeving

verschillende veldnamen van afgeleid, zoals de Aalstalsweg, het pad dat vanuit het dorp naar het

bruggetje liep en de aangrenzende Aalstalmaat en het Aalstalsveen.

Routebeschrijving: Naar hier – Vanaf hier

zich voelden op bepaalde plekken. Dat heeft veel materiaal opgeleverd, maar wat moeten we als

landschapsonderzoeker daar mee? Verhalen hebben in een gemeenschap altijd een belangrijke

rol gespeeld. De eigenheid van een kleine gemeenschap werd bepaald en gevormd door

verhalen: de opa van de opa van mijn opa had hier al een akker. Maar ook konden onbekende

landschapselementen, waar je dagelijks langskwam, verklaard worden, en daarmee gekend,

en niet meer angstaanjagend. Grafheuvels werden kabouterburchten, hunebedden waren door

reuzen gemaakt, mist in zompige heidevelden waren geesten die mensen konden ontvoeren;

dat waren plaatsen om te mijden, maar niet meer angstaanjagend, want ze waren verklaard

in verhalen. Soms gaan die verhalen over eeuwenoude fenomenen, maar soms over moderne

vergelijkbaar ‘te mijden plekken’, bijvoorbeeld vliegtuigbommen uit de tweede wereldoorlog.

Maar als een verhaal een eigen plek heeft, gaat het altijd ‘ergens’ over. Door onderzoek kan dat

‘ergens’ benoemd worden, waardoor er nieuwe gegevens over het landschap en de beleving

ervan kunnen worden toegevoegd aan het GIS.

Interdisciplinaire aanpak

Waar leidt dit alles toe? Modern landschapsonderzoek wil zich op een interdisciplinaire

wijze bezighouden met alle aspecten van het landschap. Dat houdt in dat alle mogelijke

gegevensbronnen en onderzoeksmethoden bij elkaar gebracht worden. Er wordt niet alleen


De betekenisvinder 2

58

59

gekeken naar de archeologie van een gebied, of naar de bodemgesteldheid, maar er worden

combinaties gemaakt van vakgebieden en gegevensverzamelingen. Combinaties die leiden

tot een breder inzicht in dat landschap, niet alleen het landschap van nu, maar ook dat van

Gedicht

vroeger, en van vroeger’s vroeger. Op die manier hou je niet alleen de verhalen en de beleving

van een plek in stand, maar kan je de daaruit verkregen kennis gebruiken om de toekomstige

veranderingen in het landschap een basis te geven in de historie en de maatschappij.

Door de snelle opkomst van de personal computer en het beschikbaar komen van GIS systemen

die voor grote groepen mensen toegankelijk gemaakt kunnen worden (bijvoorbeeld via een

toepassing als Google Earth) zal dergelijk onderzoek meer gaan, en kunnen, plaatsvinden.

Door de voortschrijdende digitalisering van onze maatschappij kunnen steeds meer mensen die

verhalen, die ze vroeger als grootouder aan hun kleinkinderen vertelden, nu delen met anderen,

buiten de directe familiekring of huishouden. Dit zal voor onderzoekers een grote, waardevolle

bron van streekgebonden gegevens zijn. En aangezien elke nieuwe computer alweer minimaal

twee keer zoveel opslagcapaciteit heeft als zijn voorganger, kunnen al de gegevensbronnen ook

met gemak in een GIS worden geplaatst.

Maar niet alleen de hoeveelheid gegevens zal toenemen. Door de ontwikkelingen in (computer)

techniek zal de fijnheid van de gegevens ook toenemen: het AHN kent nu nog een 5 bij 5 meter

raster, maar een halve meter rasterfijnheid is al in ontwikkeling. Ook worden er steeds meer

historische kaarten digitaal beschikbaar gemaakt, en ontsluiten regionale en provinciale

archieven hun gegevens digitaal. Veel is al mogelijk en er zal meer en meer kunnen.

Toch zijn er ook risico’s voor de gegevensbronnen: veel van de ongrijpbare dingen in het

landschap zijn nooit vastgelegd, het is een mondelinge overlevering, die vooral gekoppeld is

aan oude mensen. En willen we die schat aan verhalen, namen, duidingen en ervaringen niet

kwijtraken moeten we ze snel verzamelen en opschrijven. De computer kan veel, heel veel

onthouden, maar verhalen sterven met de vertellers. Tenzij we blijven schrijven en vertellen.

Ondergrond?


De betekenisvinder 2

60

61

De verhalenverteller: Hindrik Lanjouw

Voor die boeren was het logisch.

Voor ons niet altijd.

De vrouw met de trein naar Amsterdam, de man

een dag alleenheerser op zijn verbouwde keuterij

met fabelachtig uitzicht over de es van Anloo. Hindrik Lanjouw

staat me in de tuin op te wachten. We maken een rondje

langs de fruitbomen, de moestuin en de kruidentuin. Eenmaal

binnen blijven pet en klompen achter in de bijkeuken. Koffie

inschenken op kousenvoeten. Shagpuut binnen handbereik.

Hij vertelt over het gemengd bedrijf van zijn vader, die voor

zijn vijftigste een beroerte kreeg. Hindrik nam het bedrijf

in Anderen over, zijn oudere broer had voor het onderwijs

gekozen. Die had er geen trek in? ‘Eigenlijk was het meer zo

dat ik geen zin in leren had. Ik vond ’t leren niet mooi. Pas in

het laatste jaar van de landbouwschool werd ik leergierig. Ik

ging veel lezen, over de evolutie en over cultuurhistorie. Toen

mijn broer op school een herbarium moest maken, kreeg ik

steeds meer aardigheid in de wereld van planten en dieren.

Als je elke week een nieuwe plantensoort leert kennen, dan

tikt dat in de loop der jaren behoorlijk aan.’

Kennis die Lanjouw (73) zijn leven lang heeft vermeerderd

en verspreid. Tijdens de jaren dat hij boer was en nog meer

na zijn overstap naar Staatsbosbeheer, als terreinbeheerder

in het prille Stroomdallandschap van de Drentse Aa, en in

laatste instantie als voorlichter. Hindrik mag graag vertellen

over de onderwerpen waarin hij thuis is, net zo als zijn

voorbeeld, Job Oeben. Oeben was arbeider op de boerderij

in Anderen. ‘Hij was van 1888. Als je de kaart van dit gebied

van 1900 er bij pakt, dan heeft hij daar als kwajongen

rondgelopen. Hij wist alles precies te vertellen. Zoveel was er

niet te beleven, dus alles wat zich er afspeelde, dat onthield

hij. Dat is bijzonder, want mijn moeder van 1910 heeft daar

precies zo rondgelopen, maar die wist naderhand helemaal

niets te vertellen over het landschap. Ze heeft ongetwijfeld

indrukken opgedaan, maar ze kon die niet verwoorden. Dat

kwam omdat ze er niet over las. Als je leest, dan maak je

kennis met de manier waarop anderen het landschap ervaren

en verwoorden. Ik heb het vaak tijdens excursies gemerkt, het

gebrek aan kennis en woordenschat bij de deelnemers. Veel

verder dan ‘heel mooi’ komen veel mensen niet. Iedereen

heeft gelukkig de vrijheid om het landschap op zijn manier te

beleven. Maar sommige mensen missen wel veel.’

Lanjouw maakte in de jaren zestig van de vorige eeuw de

overstap van het boerenbedrijf naar de natuurbescherming.

Een principiële keuze voor de toekomst van het landschap.

En dat uitgerekend voor een organisatie als Staatsbosbeheer,

dat de boeren in die jaren overviel met een plan om het

oorspronkelijke beekdallandschap van de Drentse Aa in

stand te houden. Het waren de jaren van agrarische expansie,

van schaalvergroting en van modernisering. Overheid en

Staatsbosbeheer deden in de ogen van velen een stap terug.

‘Het was een avontuur,’ zegt Lanjouw terugkijkend. ‘Er was

totaal geen ervaring met het beheer van zo’n landschap. De

boeren waren kritisch, dat begreep ik natuurlijk heel goed. Er

mocht volgens hen ineens niks meer en dus zou ’t ook in de

toekomst niks worden. Het heeft heel wat overtuigingskracht

gevergd om de boeren te laten inzien dat ’t ook anders kon.

En tijd kostte het natuurlijk ook. Maar kijk nu eens, waar

vroeger het fluitekruid en de brandnetel manshoog stonden,

sta je nu tussen de orchideeën.’

Libellen, dagvlinders, orchideeën. Hindrik Lanjouw heeft er

inventarisaties van op papier gezet waarmee hij naam heeft

gemaakt. Geen gebied in ons land waar zoveel in kaart is

gebracht als het Stroomdal van de Drentse Aa. Want naast

planten en dieren richtte Lanjouw zich ook op markegrenzen,

grafheuvels en veldnamen. ‘Als Staatsbosbeheer een akker of

een stuk groenland kocht, was het handig dat de naam ervan

op het aankoopformulier kwam te staan. Dan wist je waar je

’t over had. Ik ben eigenlijk meteen begonnen om ze in kaart

te brengen, van het gebied van Sassenhein in Haren tot aan

Amen.’

Wanneer zijn die veldnamen ontstaan?

‘Met de ingebruikname, denk ik. Het is net zo als met de

geboorte van een kind: het moet een naam hebben. Akkers

waar een pad over liep werden Padakkers, als ze tegen het

bos aanlagen werden het Bosakkers. Zo simpel is het. Het

ging altijd om blokken land die de boeren gezamenlijk in

gebruik namen. De onderdelen daarvan, de akkers, kregen

een logisch te verklaren naam.’

‘Nou ja, logisch. Voor die boeren was het logisch, voor ons

niet altijd. Soms omdat de omstandigheden veranderd zijn,

soms omdat wij domweg niet genoeg weten. In Gasteren

heb je de Hillenbarg, in Anderen de Hilboom en in Anloo de

Hilligenbarg. Die namen hebben niets te maken met heiligen,

zoals je misschien in eerste instantie zou denken. Hil duidt

op heuvel, helling. In Duitsland en in Engeland komen namen

waarin Hil voorkomt talloze keren voor. De verbreiding van

zo’n naam is veel groter dan je denkt. In Denemarken en in

Zweden heb je hetzelfde. Men wil ons altijd aanpraten dat de

beschaving uit het zuiden is gekomen, maar de Germanen en

de Vikingen kenden natuurlijk ook een zekere beschaving. De

Noormannen zijn bekend geworden om hun invallen, maar ze

hadden een eigen schrift, ze werkten met goud, zilver en ijzer.’

‘Zo kwam ik in het boerboek van Anderen, waarin inkomsten

en uitgaven van de Boermarke werden genoteerd, iets tegen

wat ik niet begreep. Betaald voor het blok, stond er. Toen


laderde

FCactus! Flip Libelle

ik wat en vond ik ‘welterblok’. Dan moet je dus

weten wat ‘welteren’ betekent. Als een paard in het land

jeuk aan de rug heeft en het wentelt zich in het zand, dan

noemen de boeren dat welteren. Het paard rolt als het ware

over de rug. Zo betekent welterblok dus landrol. Dat is een

grote boomstam met een gat aan weerszijden waarmee het

groenland gerold werd. In Duitsland zag ik zo’n geval en daar

vroeg ik hoe ze het noemden. Wolterblok, zeiden ze. En in

Zweden zag ik een hele grote ronde steen, een zogeheten

Waltersteen. Dat is toch fantastisch, zo’n taalverbreiding.

Daar is nog veel onderzoek naar te doen. Tot nu toe is het zo

omvangrijk dat men er nog niet aan begonnen is. In de eerste

plaats gaat zoiets jaren duren en zouden universiteiten in

meerdere landen er samen aan moeten werken. Nou, dat is

kennelijk ook in een verenigd Europa geen sinecure.’

Maar pas op, zegt hij, je kunt door een naam ook volkomen op

het verkeerde been gezet worden. Hij kwam in Anderen een

perceel tegen met de naam ‘Meulenstukkie’. Niks te maken

met de plaats van een vroegere molen. Het terrein bleek

precies de vorm van een molen te hebben. Bij Gieterveen

ligt het ‘Torenveen’, afgeleid van de vorm van een toren en

dus geen verwantschap met de toren van het dorp. Nog een

voorbeeld. In Anderen ligt de ‘Meulenakkers’, precies gericht

op de Gieter molen. Die is nu niet meer te zien, maar toen de

naam gegeven werd wel.

Maar wie weet zich dat nu nog te herinneren?

‘Ik zeg ook niet dat het eenvoudig is. Je moet eerst terug

naar AF. Je vrijmaken van vooroordelen en van voor de

hand liggende verklaringen. Uiteindelijk kun je daar wel

terechtkomen, maar dan zul je er toch argumenten voor

moeten vinden. En verder je boerenverstand gebruiken,

natuurlijk.’

De inventarisatie van veldnamen in het Stroomdal vond plaats

in het begin van de jaren 70, toen bekend werd dat er een

ruilverkaveling op handen was. Die zou percelen in grotere

blokken verdelen, waarbij de veldnamen verloren zouden

gaan. ‘Het ging om vele honderden namen. Wieringa van het

Nedersaksisch Instituut van de RU Groningen heeft er veel

verzameld. Zijn collectie is beroemd geworden. In bepaalde

kringen, wel te verstaan’.

‘Als medewerkers van Staatsbosbeheer hebben we met

een ploegje menige winteravond besteed om bij de

boeren in dit gebied langs te gaan. Alleen maar veldnamen

inventariseren. Met de kaart erbij en dan maar invullen. Nou

moet je niet denken dat iedere boer alle veldnamen kent.

Hij kent de namen van zijn eigen akkers en weiden en ook

de aangrenzende. Maar verder niet. Het was geen hobby of

De betekenisvinder 2

zo. Het was alleen maar noodzaak om namen te kennen. Als

iemand 50 tot 60% scoorde, was het al heel bijzonder. Een

aantal kon al helemaal geen kaartlezen. Ze konden op een

kadastrale kaart hun eigen huis niet eens vinden. ‘Woar ligt

dat weggie dan,’ vroegen ze hulpeloos. Maar dat weggetje

had geen nummer en stond dus niet op de kaart. Nou, dan

was men helemaal van slag. Wel aardrijkskunde op school

gehad, maar kaartlezen, ho maar. Ach, het zit allemaal

verkeerd in het onderwijs. Dan leren ze de kinderen over

hunebedbouwers. De meesten weten niet eens wat hun

grootvader gedaan heeft. Wat heeft het dan voor zin om over

Floris V en de edelen te beginnen?’

Wat kan het grote publiek met veldnamen?

‘Het grote publiek weet natuurlijk nergens van. Dat rijdt met

de TomTom door het land en weet in de verste verte geen

enkele naam meer. Tijdens excursies merk ik dat mensen nog

geen berk van een eik kunnen onderscheiden. Een beetje

geoefend oog kan zien waar het grasland droog en waar

het nat is. Maar de meeste bezoekers stappen ‘blind’ in de

slootjes die een beetje zijn dichtgegroeid. Natuurlijk vind ik

het belangrijk dat veldnamen zoveel mogelijk bewaard blijven

of een nieuw leven krijgen. Ik ben er glad voor om alles vast te

leggen, dat heb ik mijn hele leven gedaan. Je weet nooit wie er

nog eens studie van gaat maken. En als je rondwandelingen

gaat uitzetten en je geeft een bankje onderweg een naam,

dan gaat het misschien voor de mensen een beetje leven.

Het nieuwe voetbalstadion in Groningen heet niet voor niets

Euroborg. Dat combineert historie met identiteit. Mensen

blijken daar wel gevoelig voor. Het hangt er ook vanaf hoe je

de naam toelicht, een verklaring geeft. Dat kan mensen op

een spoor zetten, dan kunnen ze tenminste weten waar ze

geweest zijn. En als ze ook nog eens begrijpen wat een naam

betekent, onthouden ze het gemakkelijker. Maar het begint

allemaal bij interesse, bij de wil om dingen aan de weet te

komen. Ik vraag mezelf soms wel eens af hoe zich dat in de

toekomst zal ontwikkelen...’

62

63


De betekenisvinder 2

64

65

De betekenisvinder: Geert van Veen

Iedereen had die vuistbijl opgepakt. Het was een toevalstreffer.

Het was de vondst van zijn leven. Maar wanneer

deed hij die? Hij weet het niet. De Drentse

Volksalmanak, waarin de vondst uitgebreid beschreven staat,

spreekt over de winter van 1961/1962 of die van 1962/1963.

Maar dat klopt niet, zoveel weet hij wel. Het was eerder. Hij

pakt er het boek ‘Anderen, het dorp van de moeshappers’ bij,

bladert wat en komt tot de conclusie dat het in ieder geval

voor 1960 was. ‘Maar wat maakt dat nu eigenlijk uit,’ zegt hij

en slaat het boek met een klap dicht. ‘Het belangrijkste is dat

die vuistbijl gevonden is.’

Daar leek het, op die winterdag, ergens aan het eind van de

jaren vijftig, helemaal niet op. Geert van Veen (70) was met

zijn vader en grootvader aan het werk op een stukje land,

ten noorden van zijn geboortedorp Anderen, vlak bij het

Scheebroekerloopje. Er moest een houtwal worden gerooid.

Kon dat zomaar, een houtwal slechten?

‘Toen nog wel,’ zegt Geert, ‘zulke dingen moet je ook niet

vragen, maar gewoon doen.’

Je kunt je afvragen waarom jullie toen niet wat zorgvuldiger

met het land omsprongen?

‘Maar het land is er nog wel,’ zegt hij droogjes. ‘De houtwal,

die is weg, dat klopt. D’r lagen een paar sloten achter en daar

was de grond voor de wal ook ooit uitgekomen. Daar hebben

wij de vrijgekomen grond ook weer naar teruggebracht. Het is

er dus al met al zelfs natuurlijker op geworden….’

Bij het uitgraven van een eikenboompje stuitte de opa

van Geert op een stuk steen, wat een kleine beschadiging

opleverde. Aan de steen, wel te verstaan. ‘Moej kiek’n mien

jong, wat ’n mooie steen,’ zei opa. Geert kreeg hem op de

schop aangereikt en moest erkennen dat het een mooie steen

was. Mooi, maar wat moet je d’r verder mee, dacht hij. En hij

gooide de steen weer terug.

Toen hij na het werk naar huis ging, liep hij langs de plek waar

de steen lag. ‘Ik had hem dus de goede kant opgegooid en

daarom heb ik hem toch maar meegenomen,’ stelt hij achteraf

tevreden vast. De steen kwam na een kleine spoelbeurt op

zolder terecht, een anonieme getuige van een dagje spitten.

Wat had je ermee?

Geert: ‘Eigenlijk niet veel. Ja, ik vond hem mooi. Mooie vorm,

mooie kleur, verder kwam ik niet. Doorgaans verzamelde

ik helemaal niet op mooi. Maar dit was dan zeker een

uitzondering.’

De steen bleef een doodgewone steen, op een doodgewone

plek op zolder. Jarenlang. Totdat vriend Hindrik Lanjouw, toen

nog in Anderen wonend, zich meer en meer met archeologie

ging bezighouden. Dat was het moment voor Geert om zijn

vondst cadeau te doen. De steen verhuisde met Lanjouw

mee naar Anloo. Pas toen een deskundige op het terrein

van de archeologie, ene Houtsma uit Waskemeer, zijn

licht erover liet schijnen, werd de steen een vuistbijl. Een

bijl die tienduizenden jaren geleden voor het laatst door

mensenhanden beroerd was. De steen maakte geschiedenis

als de vuistbijl van Anderen, minstens 70.000 jaar oud.

Volgens de officiële beschrijving een fraaie, goedbewerkte,

platte, driehoekige vuistbijl. Met een recente beschadiging

(door de opa van Geert) langs een zijkant, waaruit bleek dat

het uitgangsmateriaal lichtgrijze ondoorzichtige bryozoënvuursteen

is, een soort vuursteen dat veel voorkomt in

keileem, zodat er geen reden is om aan te nemen dat het stuk

over grote afstand is getransporteerd. Datering: een late fase

van de eerste helft van de laatste ijstijd. Een wat warmere

periode binnen die ijstijd, die het mogelijk maakte dat

mensen in dit deel van Europa op voedseljacht konden gaan.

Geert van Veen knikt: ‘Keileem, dat klopt als een bus. Dat was

ook de reden dat we daar aan de slag gingen, omdat de grond


De betekenisvinder 2

66

67

er door het leem zo glerig was. Als we die wal ongemoeid

Vierduizend tot vijfduizend stukken, dat is niet veel?

Al een jaar of vijftig is hij nu bij weer en wind op pad om

Heb je hier namen gehad die nergens anders voorkwamen?

hadden gelaten, was de vuistbijl dus ook nooit aan het

‘Nou, d’r is ook veel klein spul bij, hoor. Veel vuursteen uit

te zoeken. Op akkers, in steenbulten die bij het machinaal

Geert: ‘Ik denk het wel. Villerstoen. D’r werd gezegd dat daar

daglicht gekomen.’

de Midden­Steentijd, daar struikel je hier over. Een hele

rooien van aardappels tevoorschijn komen. Jarenlang bleef

kalveren werden gevild en dat de intast daar in het veen werd

mooie afslagbijl bijvoorbeeld, hier in de buurt gevonden. En

hij als boerenzoon vrijgezel en zijn vrije tijd kon hij daarom

gegooid. Hendrik Halfie deed dat. (Hij heeft de kaart erbij

Je hebt de steen uit handen gegeven…

natuurlijk de prehistorische schaaf, ook uit de tijd van de

naar hartelust besteden aan zijn vele hobby’s. Vliegtuigen

gepakt). En hier Hoosband. Een smal stukkie land, genoemd

‘Ik heb er nooit spijt van gehad. Nee, bij Lanjouw was de bijl in

Neanderthalers. Prachtig ding. Ik dacht eerst dat het een

bijvoorbeeld. Een hobby, opgeroepen in de oorlogsjaren

naar een bandje waarmee men vroeger de kousen ophield.

goede handen. Ik richtte me meer op fossielen en dergelijke.

kleine uitgave van een vuistbijl was, maar men heeft het

toen vijandelijke en geallieerde exemplaren over het dorp

En dan had je Bollenveen. Dat kan land zijn waar de stier liep,

Hindrik heeft me altijd heel trouw op de hoogte gehouden

gedetermineerd als een schaaf. Ook weggegeven trouwens,

scheerden, soms zelfs neerstortten. Geert van Veen leerde

of ook bultig veen. Stikkenkamp had je en Hongerveld, dat

van de belangstelling voor de vuistbijl. Als er een vraag was

aan het Drents Museum.’

in zijn diensttijd vliegtuigen herkennen. De ruimtevaart in

land bracht kennelijk niet veel op. Voeleers, dat was zulk rot

om de bijl uit te lenen, belde hij op. Dat hoefde hij helemaal

de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw stimuleerde

land, daar kreeg je de kont smerig als je er doorging. Er was

niet te doen, want hij was de eigenaar. Hij heeft ook wel

Wat denk je, hoeveel collega amateur-archeologen zouden er

zijn belangstelling alleen maar. Hij ging in het Amerikaanse

een zekere Bertus Knijp, die had ook een Voeleers, maar die

mensen aan de deur gehad die de bijl wilden kopen. Ook dan

wel niet zijn die stinkend jaloers op je zijn?

Houston kijken waar de ruimtevluchten worden gevolgd.

noemde het Klein Kasmoatie. Dat klinkt beter dan Voeleers.

nam hij contact op. Als je geld nodig hebt, dan moet je dat

Geert: ‘Nooit wat van vernomen. Zou ik trouwens wel dom

Maar ook dichter bij huis ging hij de boer op. Al in de jaren

En hier: Eekbos. Daar zou een pad over gelopen hebben, zei

doen, heb ik tegen hem gezegd. Daar bleef het bij. Hindrik

vinden, jaloers. Ze moeten het waarderen dat iemand het

zestig verzamelde hij de veldnamen van Anderen, samen

men. De eigenaar wist dat niet, maar noemde wel de naam

heeft zich altijd een goeie kameraad getoond, want toen het

gevonden heeft. Daar heb je meer an.’

met plaatsgenoot Harm Hollander. Op basis van kaarten van

die hij zelf gebruikte: Padland. Zo kom je achter een heleboel

Drents Museum de vuistbijl in 2006 voor vijftig gulden heeft

de Cultuurtechnische Dienst, toegestuurd door het Meertens

zaken in je eigen dorp.’

gekocht, hebben we de opbrengst samen gedeeld. Dat had hij

Toch ben je door je vondsten een unieke man.

Instituut in Amsterdam.

helemaal niet hoeven doen.’

Geert: ‘Nou, uniek? Dat weet ik niet. Iedereen had die steen

Archeologie en geschiedenis, Geert van Veen vindt het razend

meegenomen. Toevallig was ik het. Ben je daarom uniek? Nee,

Daar was je aardig vroeg mee…

interessant. Vanwege zijn gezondheid kan hij niet alles

De bijl is verkocht voor….?

ik heb gewoon geluk gehad. Een toevalstreffer. Ik had hem

‘Gelukkig wel. De namen die we wisten vulden we in en die we

meer aan wat hij zou willen. Maar zelfs daarvan heeft hij de

Geert: ‘Dat mogen we niet zeggen.’

daar ook op het land kunnen laten. Ik had er ja geen verstand

niet wisten, vroegen we aan de boeren. Maar goed dat we dat

voordelen ontdekt. ‘Ik kan geen tochten meer over de akkers

van.’

toen gedaan hebben, want met de ruilverkaveling in de jaren

maken, in de stromende regen. Want ik heb de mooiste

In de krant staat vijftig gulden. Dat was een belofte van een

tachtig zijn veel namen verdwenen. We hebben 164 namen

vondsten op de natste dagen gedaan. Maar ik kan wel zoeken

bestuurslid van het museum, meer dan honderd jaar geleden

Maar wat doet het je als je daarmee in handen staat?

verzameld. Nu zijn er nog een stuk of 70 in omloop.’

in steenbulten en zo. Dan merk je dat je beter zoekt dan

gedaan, aan de vinder van een vuistbijl. Vijftig gulden in

Geert: ‘Wat doet het je? Eigenlijk niet zoveel. Het enige is dat

In plaats van de resultaten van het onderzoek op de brieven­

vroeger. Je kunt geconcentreerder werken en dan vind je meer.

1881…..

je je door zo’n steen realiseert dat hier toen ook al mensen

bus te doen, vloog Geert samen met zijn maat Harm Hollander

Da’s mij tenminste overkomen.’

Geert: ‘Plus de rente. En hoeveel dat is, dat mogen we niet

rondliepen. Daar krijg je dan wat meer gevoel voor.’

van Eelde naar Amsterdam om de vragenlijst persoonlijk af te

En dan maakt hij tot slot nog een opmerkelijk verschil tussen

zeggen. Vijftig jaar, dat tikt natuurlijk wel een beetje aan.

leveren. ‘Harm had nog nooit gevlogen, dus leek het me een

archeologie en geschiedenis. ‘Ik vind archeologie eigenlijk

Welk rentepercentage ze precies berekend hebben, dat soort

Ben je wel trots?

mooie gelegenheid om het vliegtuig te pakken. Je had toen

mooier dan…. Ik weet niet precies hoe ik het zeggen zal. De

dingen onthoud ik niet.’

Geert: ‘Trots wel een beetje. Een beetje veel zelfs. Verder weet

een lijndienst naar Schiphol, via Enschede. We hebben er een

latere tijd, toen alles beschreven werd, met onze zogenaamde

ik niet wat ik ervan zeggen zal. Ik zie meteen de beperkingen

mooi dagje Amsterdam aan vastgeknoopt.’

leiders, daar kan ik niet veel respect voor opbrengen. Die

Maar jullie hebben de opbrengst gedeeld.

van dingen. Daarom heb ik ook zo’n hekel aan ijdele mensen.

hebben gemoord en gedaan, de gewone man onderdrukken.

Geert: ‘Dat heeft Hindrik gedaan, ja. Dan vind ik wel mooi.’

Daar kom je toch niks verder mee, met ijdelheid. Je verneukt

Hebben jullie daar bij het Instituut ook gemeld dat je was

Zodra dat er aan te pas komt, nee, dan hoef ik niet meer zo

jezelf als je daar mee bezig bent.’

komen vliegen vanuit Drenthe?

nodig. De prehistorie, daar voel ik me meer mee verwant. Als

Beide heren hebben een voorwaarde gesteld bij de overname

Geert:’ Nee, dat denk ik niet. Dat maakte die mensen toch

je op tentoonstellingen rondkijkt, dan lees je dat ze toen in

door het museum. De vuistbijl moet altijd in Drenthe blijven.

De mensen hoeven niet te weten wie Geert van Veen is.

niks uit. Het ging om Harm, dat die een keer in een vliegtuig

ieder geval wel goed waren voor de doden, ze stonden ook

Hij mag wel tijdelijk worden uitgeleend, maar moet ‘eeuwig’

‘Nee. Wil je nog koffie, trouwens?’

zou zitten.’

dichter bij de natuur. Natuurlijk waren er toen ook leiders

onder handbereik blijven van de inwoners van de provincie.

die niets en niemand ontzagen. Maar misschien hoefden ze

Hoe belangrijk waren die veldnamen, vroeger?

elkaar niet zonodig dood te maken. Ze gingen vanzelf wel, zo

Heb je meer vondsten weggegeven?

Geert: ‘Heel belangrijk. Dan wist je immers waar je het over

jong als ze waren.’

‘Ik heb een behoorlijke verzameling stenen aan het Drents

had. Als je in het dorp zei dat je op de Oosterwants had

Museum geschonken. Niet eens zoveel, hoor. Een stuk of vier

gewerkt, dan was dat bekend. In ieder geval bij de boeren.’

à vijfduizend. Zitten nog gewoon in dozen, zoals ik ze heb

aangeleverd. Met de kaarten erbij waar ik alles gevonden heb.

Hoe schrijf je dat, Ooster….

Dat heb ik altijd netjes geregistreerd.’

Geert: ‘Geen idee. Gewoon Oosterwants.’


68

69

De schatbewaarder

over kaartenbakken en Google Earth

‘De geschiedenis is dus in de tweede plaats een

zaak van de conserverende en bewonderende

mens, hij die trouw en liefdevol terugblikt op

dat waaruit hij afkomstig is, dat waarin hij zich

ontwikkeld heeft; door deze piëteit betuigt hij

als het ware dank voor zijn bestaan. Door het

van oudsher bestaande met behoedzame hand

te verzorgen, wil hij de voorwaarden waaronder

hij ontstaan is conserveren voor degenen die na

hem zullen ontstaan – en zo dient hij het leven.’

De belangstelling voor veldnamen als cultureel erfgoed is van vrij recente datum. Aanvankelijk was

alleen een handjevol taalkundigen en geografen geïnteresseerd in oude namen die hen iets konden

vertellen over de taalgeschiedenis of het ontstaan van nederzettingen. Eerst na de Tweede Wereldoorlog

werden veldnamen gezien als cultureel erfgoed, mede door de toen op handen zijnde ruilverkavelingen.

Landelijk en regionaal kwamen er inventarisatieprogramma’s waarbij door middel van enquêtes en

archiefonderzoek de oogst van meer dan duizend jaar omgevingsgeschiedenis van de ondergang gered

werd.

In Drenthe kwamen de collecties van Naarding en Wieringa tot stand, die in het Drenthe Archief

in Assen werden ondergebracht. Het Meertens­Instituut in Amsterdam legde ook een uitgebreide

Drenthe­verzameling aan. Zonder de medewerking en kennis van boeren en lokale dilettanten waren

deze omvangrijke collecties niet tot stand gekomen. Alleen al in het Drentse Aa­gebied gaat het om

een collectie van ruim 10.000 veldnamen. Op lokaal niveau bestaan er eveneens collecties die een

onmisbare aanvulling vormen op de eerder genoemde verzamelingen.

In brede kring heeft de mening post gevat dat de rol van veldnamen is uitgespeeld en dat zij alleen nog

een toekomst hebben als historische bron in de kaartenbak van het archief. Het gemak waarmee wij een

groot aantal vrijwilligers bij dit project hebben kunnen betrekken bij het inventariseren en digitaliseren

laat daarentegen zien dat veldnamen nog steeds thuishoren in een levende plattelandscultuur. Het gaat

hierbij om een kennisveld dat professionals en burgers delen en dat zich daarom bij uitstek leent voor

nieuwe vormen van cultuurhistorische participatie waarin de leefomgeving centraal staat. In dit veld is

de cultuurhistoricus de gelijke van de ‘local’. H.J. Moerman, veldnamenexpert van het eerste uur, hield

beiden een guldenregel voor: ‘Wie aan toponymie doet, moet diep overtuigd zijn, dat hij er voortdurend

in zal lopen.’

Friedrich Nietzsche

Oneigentijdse beschouwingen

Amsterdam 1998


De schatbewaarder 3

70

71

Het landschap in namen

Karel F. Gildemacher

Het is altijd weer fascinerend om te zien hoe een klein kind de wereld verkent. Het is voor een

peuter nog een kleine wereld, de eigen wieg, de eigen kamer, het eigen huis, de eigen tuin. Hoe

prachtig is het niet om te horen hoe een klein kind, nog liggend in de kinderwagen, onder een

boom op het bewegen van de bladeren reageert, antwoordt op de natuur. Wonderlijke geluiden

zijn het eerst, langzaam komen de eerste woordjes, mamma, pappa. Eigenlijk zijn het namen.

Het kind voelt dat die figuur met dàt gezicht blij en vriendelijk reageert als hij pappa brabbelt

en mamma is het gezicht dat (bijvoorbeeld) bij het drinken hoort. Met de taal leert het kind de

wereld om zich heen te betoveren. Weten hoe iets heet, weten hoe je iets moet uit drukken, geeft

grip op en macht over wat je bedoelt. Het leren van namen leren is de wereld verkennen op de

manier zoals de mensen die er leven hun wereld hebben overmeesterd.

In de loop van de eeuwen hebben de mensen (ook) in Drenthe met behulp van talloze

namen ‘zeggenschap’ gekregen over de wereld, hun landschap. Het langzaam stromende en

meanderende watertje was niet zomaar een beekje, maar men noemde dat het Gasterense

diepje. Ieder in het dorp wist dat. Moest het ook weten, want hoe moest anders worden

uitgelegd waar dat stuk land lag waar enkele koeien liepen of waar gemaaid moest worden. Dat

lag ‘bij het diepje’ zei men in de plaats zelf. Alleen voor iemand van buiten de eigen Gasterense

gemeenschap moest dat Gasterense erbij.

Verderop, bij Anderen, heette dezelfde beek immers het Anderense diepje, terwijl velen het

zelfde water ook het Rolder diepje noemden. Wie vanuit het perspectief dacht van het gehele

gebied, waar de beek stroomt, sprak van de Drentse Aa. Het eerste stukje van die naam is

afgeleid van Drenthe, het grote gebied dat vele marken omvat en het tweede is het bestanddeel

Aa. Oorspronkelijk was dat een gewoon woord dat vanaf de vijfde eeuw niet alleen in de

Nederlanden, maar ook in Duitsland en Engeland werd gebruikt om water te benoemen. Als

woord is het in het normale taalgebruik uitgestorven, maar het leeft nog in heel veel namen

voort. Met het woord diep ligt dat anders, al kun je van mening verschillen over de vraag hoe

diep een riviertje moet of moest zijn om diep genoemd te kunnen worden.

Het is een naamkundige vuistregel dat hoe groter en belangrijker een benoemd water of stuk

Hofakkers; Walakkers; Bree; Pol; Pollegies; Lijnstukken; Kruusakkers; Askakkers; Greving; Körtwoerdtie;

Steenakkers; Padakkers; Braok; Stierland; Kaampakkers; Askaampen; Engelakkers; Heiden; Hollers;

Veldkaampies; Tipkaamp; Uterlaogen; Bielegie; Langtocht; Holtakkers; Tip; Hillenbarg; Bokspiepie;

Wenning; Geerties; Roegen; Broodakkertie; Haosbarg; Nebbenakkers; Delakkers; Viooltiesakker; Jippenbos;

Kamerakkers; Tijwanden; Wenning; Körtbree; Winkelakkers; Oosterkaampen; Heugte; Knobbelings

land is, hoe ouder de naam. Dat is ook hier het geval. Het woord diep is jonger. We kennen het

eigenlijk nog als een gewoon woord en dat is ook al aanwijzing. In namen raakte het veel later

in gebruik dan het algemeen gangbare aa terwijl dat woord en namenbestanddeel sinds de late

middeleeuwen niet meer werd toegepast. Als woord is het sindsdien helemaal uitgestorven,

maar in namen bleef het bewaard. Vreemd is het trouwens niet dat er een aparte naam is voor

een groter geheel en dat er een aantal afzonderlijke namen bestaan voor de onderdelen ervan.


De schatbewaarder 3

72 II

Drenthe zelf bestaat (bestond) immers uit een aantal dingspelen en die bestaan (bestonden)

weer uit marken, allemaal met eigen namen. Het is een kwestie van schaal welke namen

relevant zijn in het dagelijkse praktijk.

Communicatie en verbeelding

Welke naam werd of wordt gebruikt in de communicatie hangt af van de situatie waarin je

verkeert. Iemand die veel namen van percelen land kent, zal die namen gemakkelijk gebruiken.

Tenminste, als degene waarmee wordt gesproken dan ook weet welk stuk land bedoeld wordt,

want vreemden zegt een veldnaam niks. In zo’n geval kan alleen een omschrijving van de

eigenschappen van het terrein of iets opvallends dicht bij het terrein worden gebruikt om het

bedoelde perceel aan te geven. Ben je er dicht bij in de buurt dan is aanwijzen nog duidelijker.

Wie een naam gebruikt, heeft daarbij een duidelijk beeld voor ogen en wie over een naam hoort

of leest krijgt ook een beeld. Ben je bekend met de naam, dan zie je het bedoelde stuk land voor

je, maar ook als je onbekend bent, zie je wel beelden. Die zijn gebaseerd op de verwachtingen

die iemand van het landschap heeft of op de associaties die de naam bij iemand op roept. Wie

voor het eerst de naam Elsmaat (onder Gasteren) hoort kan een beeld krijgen van een meisje

of vrouw met de naam Els, maar kan ook denken aan de boomaanduiding els (Alnus). Velen

zullen ook moeite hebben met dat maat omdat de eerste gedachte gemakkelijk uitgaat naar

een verband met ‘meten’ en dat geldt ook voor het lokale maot. Op grond van de eigen kennis

en de persoonlijke levenservaring creëert iedereen zijn eigen beeld. Dat wordt bijgesteld op

het moment dat men die Elsmaat in werkelijkheid ziet. Dan nòg kan het gebeuren dat iemand

vindt dat zo’n naam niet bij dat stuk land past. Een eigen beeld is dan zo sterk, dat het de

werkelijkheid kan verdringen. Pas geleidelijk raken mensen thuis met de namen in een gebied.

Hoe jonger iemand is hoe gemakkelijker dat gaat. Wie jong is heeft immers nog weinig beelden.

53° 3’ 14.56” 6° 41’ 57.00”

Sommige namen roepen zulke sterke beelden op dat mensen graag fantaseren over de vraag hoe

het komt dat het bedoelde stuk land zo heet. Er worden verhalen verteld met een verklaring die

beantwoordt aan de wens tot een mooie, spannende, eeuwenoude achtergrond. Een naam als

Valkenhofakkers (onder Anderen) schreeuwt als het ware om verhalen die verbanden leggen met

het beroemde Valkhof van keizer Karel de Grote in Nijmegen. Dat de jacht met valken in Drenthe

in het verleden op verscheidene plekken plaats vond, maakt het wat minder spannend. Toch

geeft deze naam het bedoelde terrein wat extra glans, omdat de valkenjacht in Nederland niet

meer wordt uitgeoefend, terwijl zowel het bestanddeel ‘valk’ als ‘hof’ een zeker adellijk aanzien

suggereert. De naam roept hoe dan ook niet alleen het concrete aanwijsbare beeld van vandaag

de dag op, maar ook een beeld van de vervaagde en soms fictieve geschiedenis van de mensen

en hun landschap.


VII VIII 73

Niemeijers Kamp

Kniphorstbos

Corrie


De schatbewaarder 3

74 75

Identiteit

Een stuk land kun je niet vragen hoe het heet, toch vormt de naam een onmiskenbaar stukje

identiteit van het perceel dat die naam draagt. Wanneer je goed naar het veld kijkt, stelt het

zich als het ware aan je voor. De eigen naam hoort bij dat ene stuk land met die specifieke

eigenschappen en kenmerken en net niet bij een ander. Vergis je niet, ik ben Boergoorns.

Net zo als er onder mensen wel meer dan een man is met de naam ‘Hans’, kan ook een

veldnaam wel vaker voor komen. Vanuit een historisch-taalkundig gezichtspunt zou je van

één naam kunnen spreken als de verklaring van zo’n naam in beide of in meer gevallen gelijk

is. Naamkundig gezien spreek je wel over meer namen omdat zo’n naam als Boergoorns

naar verschillende percelen verwijst. In de naam Grote Boerengoorn (uit 1807) zien we een

oorspronkelijke enkelvoudsvorm, terwijl de in Boergoorns aangeeft dat het vroeger om meer

dan een perceel ging. Het eerste stukje boeren lijkt er op te wijzen dat deze naam jonger is dan

die met boer. Oorspronkelijk had dat woord niet de huidige betekenis van ‘landbouwer’, maar

was het een woord voor een gewone dorpsbewoner, iemand uit de eigen ‘buur(t)’. Doordat

eigenlijk iedereen het beroep van boer uitoefende, is de oude betekenis verschoven.

Omdat Boergoorns in Anloo en in Anderen voorkomt, is het niet nodig om er nog een extra

stukje naam bij aan te plakken of voor te zetten, het onderscheid met Goorns, Goorn en

Steengoorns (alle drie ook in Anloo) was wel duidelijk genoeg en met het Goornveld (Anderen)

werd een complex bedoeld. De schaal waarop veldnamen voorkomen is eigenlijk nooit groter

dan die van een dorp of een marke. Meestal beschikt men dan wel over voldoende relevante

woorden om de benodigde kernnamen te maken.

Wanneer een woord als akker in namen wordt gebruikt, is het bijna altijd noodzakelijk dat

er nog een stukje naam bij wordt gekozen. Er zijn immers zoveel percelen land die als akker

worden gebruikt dat er beslist iets verhelderends bij moet worden gezegd om duidelijk te

maken welk stuk land bedoeld wordt. Zo vinden we bijvoorbeeld onder Anloo de Anderse

akker, de Bargakker, de Doornakkers, het Broodakkertje en nog veel meer ‘akkernamen’. In

de veldnamenverzameling Anloo, Anderen en Gasteren komen 130 varianten van namen met

‘akker’ voor. Dat is ruim 17% van alle veldnaamvarianten in het gebied. Behalve ‘gewone’

namen die op akker eindigen (27), zijn er ook ‘akkerties’ (2). In zo’n honderd gevallen wordt

de meervoudsvorm gebruikt. Dat wijst er op dat het woord ‘akker’ alleen werd gebruikt om vrij

smalle stroken of strookjes bouwland tussen twee voren mee aan te duiden. Zet je al die namen

precies op hun plek op een kaart dan zie je dat de akkers alle op de es liggen. Omdat de es niet

zo duidelijk in percelen was verdeeld als een boer vandaag de dag is gewend, waren er ook zo

veel namen nodig om aan te geven welk stukje werd bedoeld. In het veld was dat trouwens ook

niet gemakkelijk, want dan moest je kennis hebben van de grenzen tussen al die verschillende

kleine stukjes. Soms is het heel lastig uit te maken waar het eerste bestanddeel mee heeft te

maken. Het is echter niet altijd ingewikkeld, Haarakkers en Hoogakkers liggen hoger, Holtakkers

liggen in de buurt van een voormalig gebruiksbos (holt), Hofakkers zijn de akkers die grenzen

aan het erf (Drents hof) van een boerderij, Schuurakkers houden verband met een ‘schuur’, in

Leemakkers ligt het keileem dicht aan de oppervlakte. Zo is er meer, maar bij Steenakkers kun

je drie kanten uit. Het is een perceel waarin je met ploegen veel stenen tegenkomt, òf het is een

perceel waar een grenssteen is neergelegd óf het verwijst naar de vroegere ligging in de buurt

van een hunebed.

Motivaties

Het boeiendste van alles in dat hele namenlandschap is om uit te zoeken waarom een bepaald

perceel die ene naam draagt. Het draait dan vooral om de vraag wat de motivatie van de

eerste naamgevers was om juist die naam en niet een andere te kiezen. Je kunt je duizenden

motivaties voorstellen, maar meestal gaat het uiteindelijk slechts om enkele tientallen die in

de praktijk zijn gebruikt. Bij jongere namen, en dat is bij veldnamen meestal het geval, is het


De schatbewaarder 3

76

77

dikwijls niet moeilijk om het slotelement te verklaren wanneer een naam daarin duidelijk een

kernbestanddeel heeft. Heel vaak is dat een woord dat nog wel min of meer bekend is. Het eerste

stukje is in veel gevallen lastiger. Dat komt doordat er dan veel meer verklaringsmogelijkheden

zijn (denk maar eens aan de namen van de eigenaren of de gebruikers van het land) en omdat er

vaak verbasteringen en verkortingen van de oorspronkelijke naamdelen voorkomen. Boven dien

is het aantal motivaties voor zulke toelichtende element veel groter dan bij de kern bestanddelen.

Je moet het verhaal achter de naam kennen om iets verstandigs te kunnen zeggen van

een naam als Kort Baoboenie. Een naam als Hoosband lijkt gemakkelijk te vertalen en het is

niet moeilijk om een mooi en romantisch verhaal te bedenken waarom dat stukje land naar een

‘kousenband’ werd genoemd. Veel van dergelijke verhalen berusten op interpretaties van de

naam. Een intrigerende naam roept een verhaal op. Maar wat is het ware verhaal? Hoe zat het

precies?

Wanneer het om onontgonnen en wild begroeid land gaat, hebben de mensen vaak een naam

gekozen die in verband staat met het landschap zoals het er uit ziet, er zijn immers geen

eigenaren waar de naam aan kan worden ontleend. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om de

relatieve hoogte. Je vind dat terug in al die namen met berg en vooral barg als laatste stukje.

We vinden dat bijvoorbeeld in Daasberg en Haosbarg en Meulnebarg. Hoewel het woord ‘berg’

nu door de Nederlanders wordt verbonden met een werkelijk zeer hoge bult van steen – zoals

in het buitenland – werd in Drenthe een heuvel die slechts enkele meters hoog was ook wel zo

genoemd. Net zoals in het moderne Nederlands of Drents er meer woorden zijn met de betekenis

‘hoogte’, was dat ook vroeger het geval. ‘Bult’ zoals in Bollebult (Anloo) is trouwens ook een van

de woorden met dezelfde betekenis, maar veel van dergelijke kleine ‘bolle’ hoogtes komen hier

niet voor. We telden er vijf. De oorzaak zal zijn dat er relatief weinig van dat type reliëf bestond

en waar je dat al vond, dergelijke hoogtes op het veld waren te vinden. En op het veld was het

geven van namen nauwelijks nodig omdat het behalve voor het weiden van schapen niet in

gebruik was.

Oude woorden

Sommige oudere woorden met die betekenis zijn uitgestorven. Het aardige is dat ze vaak wel in

namen bewaard bleven. In het verleden noemde men een wat hoger liggend stuk land – vooral

in een lager gelegen gebied – ook wel horst, hörst, harst of haarst. Onder Anloo vinden we

de Haarstkampen, daar vind je dat bestanddeel in terug en dat is ook zo in het Kniphorstbos.

Omdat men soms niet meer goed wist, wat de oorspronkelijk variant was, werd zo’n naam

gemakkelijk een beetje verbasterd zoals in Haastkamp en omdat de Hasekamp hier dichtbij

ligt, zou ook die naam er ook wel verband mee kunnen houden, al is een relatie met ‘haas’ (het

dier) natuurlijk ook mogelijk. Omdat dergelijke hoogte vaak wat ruw waren begroeid meent

men soms ook dat de oorspronkelijke motivatie met de begroeiing heeft te maken. Vergelijking

met dergelijke namen in andere gebieden in Nederland leert dat dat laatste niet het geval is

al treedt ook veel verwarring op met heest (een woord dat verwant is aan ‘heester’) en dat wel

‘struikachtige begroeiing betekent. Een naam met dat element vinden we trouwens ook in

Gasteren. Het oude woord haar of haor betekent ook ‘hoogte’. Meestal zijn dergelijke hoogtes

wat omvangrijker dan harsten. Beide woorden komen niet alleen als eerste stukje voor, ze

werden ook wel als slotelement gebruik. Heugte is ook de Drentse variant van ‘hoogte’. Een stuk

land kon niet alleen hoger liggen, er waren ook terreinen die duidelijker lager dan de omgeving

lagen. Ook daarvoor had men woorden koel, ‘kuil’, is wel heel duidelijk. De Koningskoel of

(nòg Drentser) Köningskoel onder Gasteren is daar een voorbeeld van. Onder Anloo vinden we

de Speulkoel en de Zaogkoel. Het eerste stukje van deze namen roept weer nieuwe vragen op,

waarom ‘köning’, ‘speul’, en ‘zaog’? Het zijn vragen waarop alleen een antwoord kan worden

gegeven door verhalen van mensen uit de buurt die het afstammingsverhaal van die specifieke

namen kennen.


De schatbewaarder 3

78

79

Zo’n laag liggend stuk land was dikwijls ook veel vochtiger. Om aan te geven dat een stuk land

vrij nat was kende men ook verschillende woorden. Vlak bij een watergang vind je dikwijls een

‘mars’. We vinden dat woord als eerste stukje van de naam de Marskamp en ook in de Maarsen

beide onder Anloo. Vroeger spelde men marsch, wat we nog terugvinden in de Maarsch. Die

laatste gaat terug op een /k/ waarmee oorspronkelijk een verkleiningsuitgang is bedoeld.

Het eerste stukje, mar, is familie van de woorden meer en moeras. Een ander woord voor een

moerassig gebied is kwabbe dat we terug vinden in de Scheperskwabbe. Moeilijker te herkennen

is Oelhem of (vernederlandst) Uilhem. Het eerste stukje verwijst niet naar de wijze vogel, maar

oel betekent vochtig en hem is een perceel in een bocht of meander van een riviertje (en dat

woord is familie van een woord als inham of uitham). Dat stukje van ook te herkennen in de

naam Oliebroek of Oliebroowk al heeft men de naam hier aangepast op grond van een ander

verhaal. Olie in de moderne betekenis vind je hier niet. Het woord oel is, behalve in namen,

uitgestorven. Het verwees waarschijnlijk naar een drassig stuk land.

Net zoals bij hoger gelegen terreinen werd ook in de lagere stukken land de begroeiing met

name door de vochtigheidsgraad bepaald. Een eik vind je wel op drogere plaatsen, maar niet

op natte. Je kunt dat ‘controleren’ met een naam als Eekbos. Op vochtige plaatsen vind je

echter wel een els of een wilg. De ligging van de Elsmaat bewijst dat. De begroeiing vormde

voor velen de achtergrond om een bepaalde naam of toelichtend element te kiezen. In de

namen Gagelveen, Galgrieten en Gaogels zit de naam van een struik die veel in het beddenstroo

werd gebruikt om de vlooien te verjagen, gagel. Op de Viooltjesakker zullen wel relatief veel

akkerviooltjes en /of driekleurige viooltjes hebben gegroeid en mogelijk heeft de naam Griets

te maken met de ‘gruit’ een grondstof (vergelijkbaar met het later meestal gebruikte hop) voor

het brouwen van bier. Bij Heide moet trouwens niet direct aan de paars bloeiende struikachtige

plant worden gedacht. Het woord ‘heide’ betekende oorspronkelijk gewoon ‘woeste grond’.

Dieren worden ook wel als toelichtende stukje in namen aangehaald. Onder Anderen was een

Konijnenakker andere ‘wilde’ dieren komen nauwelijks voor of het zou om Muggenakkers en de

Nachtegaal moeten gaan. In de Zwienbossen zullen varkens hebben gelopen en ook de eerste

stukjes van Koelaand of Koelanden zijn duidelijke verwijzingen naar het grote huisdier.

Bielegie en Elleboog

Soms werd een stuk grond naar de vorm ervan genoemd. Bielegie had de vorm van een ouderwetse

bijl. De naam Hakmessies heeft dezelfde achtergrond. De Halve Maan had min of meer

een sikkelvorm en de Elleboog lijkt ook wel wat op een elleboog. Met Bokspiepie, ‘broekspijp’

gaat het ook om de vorm. Wanneer ‘bree(d)’ in een naam voorkomt, kun je er van uit gaan

dat het stuk land verhoudingsgewijs breder was dan andere. Voor een perceel land met of

op een punt of een hoek gebruikte men ‘tip’ zoals in Tipkamp of ‘horn’ zoals in Veldhörn

of Steenhoorns, ‘winkel’ zoals in Winkelakkers of gewoon ‘hoek’. De naam Tiphoek is dan

ook eigenlijk een beetje dubbelop. Ook in een naam als Ronde Gat was de vorm bepalend en

eigenlijk geldt dat ook voor namen als Kruumt of Kruimt (Anloo), Kromakkers (Anderen). De

overgeleverde naam Kruimakker (Gasteren) zal een onjuiste vernederlandsing zijn van Kruumakker

of Kroemakker, een akker die ‘krom’ loopt. Namen met kruis zoals Kruisakker (Anderen)

hebben in Drenthe met kruisende wegen of paden te maken. In Brabant en Limburg hebben

dergelijke namen veelal met crucifixen te maken waarmee een plek werd gekenmerkt waar

gebeden kon worden. Namen met ‘lang’ of ‘kort’ hebben tot op zekere hoogte ook met de vorm

van het perceel te maken.

De grondsoort of de kwaliteit van de grond vinden we natuurlijk terug in namen met ‘veen’ of

‘zand’. De Witakkers bestonden uit veel lichter gekleurd zand.


De schatbewaarder 3

80

81

Landgebruik in namen

Het meest voorkomend is trouwens een motivatie die direct verbonden is met het gebruik van

het land. Dat is ook wel logisch want namen speelden een centrale rol in de dagelijkse omgang

van de mens en het land. Namen met akker, kamp en stuk kun je er toe rekenen. Het geld ook

voor ‘woerd’, zoals in Woerdkamp, waarmee oorspronkelijk een door hagen/omheiningen

afgescheiden stukje land werd bedoeld. In Groningen vind je dat woord in het terpenlandschap

terug als wierde en in Fryslân in plaatsnamen die eindigen op werd of ward. Oorspronkelijk

betekende ook tuin, tuun of toen, ‘afrastering’. In goorn kan het Engelse woord ‘garden’, het

Franse ‘jardin’ of het Duitse ‘Garten’ nog wel worden herkend. Oorspronkelijk zal dat woord ook

‘omheining’ hebben betekend.

In de dorpen langs de Drentse Aa hadden de boeren een vorm van gemengd bedrijf. Op de essen

vond de akkerbouw plaats, op het veld graasden de schapen en meer naar het water lagen de

weilanden. Waar de koeien graasden was het nog wat droger, dichter naar het diep vond je de

hooilanden. Een perceel land dat (alleen) geschikt was om te ‘maaien’ kreeg in veel gevallen

naam die met dat woord verband houdt: mao(d). In het Nederlands vinden we dat woord als

made. Omdat de uitspraak van een aan het einde van een woord gelijk is aan werd

dikwijls ook een geschreven. Dat verschijnsel werd nog versterkt door de meervoudsvorm

mao(d)ten en de verkleiningsvorm mao(d)ties waardoor maod sterk werd beïnvloed door

maot en men op papier dan ook gemakkelijk maat schreef (en niet het officiële Nederlandse

made). Er komen zo’n zeventig varianten van namen met dit element in het gebied voor. Maien

(Anloo) hoort daar ook bij, het is een Nederlandse spelling voor maoën ontstaan uit maoden.

Varianten zonder een slot-t komen in Anloo, Anderen en Gasteren niet voor. Doordat er zo veel

verschillende maden waren, kregen die, net als andere veel voorkomende namen dikwijls een

toelichtend eerste bestanddeel. Nog vochtiger terreinen hebben ook hier vaak een naam met

broek.

Omdat het gebruik van het land voor de mensen zo belangrijk was vind je in een groot aantal

namen dan ook de geschiedenis van het gebruik van de bodem terug. Een es was het complex

van gemeenschappelijke akkerbouwlanden bij het dorp. Vaak werd de ene es van de andere

onderscheiden door de windrichting ten opzichte van het dorp als eerste stukje aan de naam

toe te voegen zoals in de Noord Esch of de Zuid Esch. Blijkbaar was de molen van Anloo zo

belangrijk dat inde negentiende eeuw de es erbij de Molen Esch werd genoemd. Eerder in 1720

vinden we Meulen Esch. Aan de hand van namen kan dus ook worden bepaald wanneer een

dergelijke molen al het landschap er bij bepaalde.

In de achttiende eeuw ontstond er steeds meer behoefte aan landbouwgrond en steeds vaker

gebeurde zo’n ontginning door een enkele eigenaar. Het eerste stukje van de naam Mandekamp

(onder Gasteren) betekent trouwens ‘gemeenschappelijk’, dus dat perceel zal nog door de

boeren met elkaar zijn ontgonnen en/of gebruikt. Er vonden betrekkelijk kleine ontginningen

plaats waarbij een perceel grond ook duidelijker dan op de essen was afgepaald. Dergelijke

stukken noemde men een ‘kamp’. Het woord komt oorspronkelijk uit het Latijn en betekende

aanvankelijk gewoon ‘veld’. In de namenverzameling komen zo’n zeventig van dergelijke

namen voor. Op een kaart met deze namen zie je ook dat de meeste min of meer bij de oude

essen aansluiten. De percelen grond die een naam met ‘stuk’ dragen, lijken nog jongere

ontginningen te zijn. Ook dergelijke namen hebben alle er een toelichtend stukje bij gekregen.

Namen als Veldstukken, naast Veldkaampies zegt wat dat betreft genoeg. Soms bestond zo’n

toelichtend stukje uit een verwijzing naar het landbouwproduct. In de namen Lienstukken of

Lijnstukken verwijst het eerste stukje naar ‘lijnzaad’, een andere naam voor ‘vlas’, het gewas

waarvan de stelen de grondstof voor linnen vormde en uit het zaad olie werd geslagen. Namen

met ‘rot’ of ‘röt’ houden verband met het roten van het vlas. De van de zaadbollen ontdane

vlasstengels werden een poosje in het water gelegd om te ‘rotten’ en ze daarna beter te kunnen

bewerken.


De

ACactus Billboard

schatbewaarder 3

Soms was het land echt beroerd om te bewerken. Een naam als Vuileers wijst daarop en dat

een perceel niet veel opleverde werd aangegeven met de naam Kostverloren en misschien was

de Ezelakker ook wel zo zwaar dat je zo dom als een ezel zou moeten zijn om het te doen. De

Buterskamp zal misschien veel (boter) hebben opgeleverd al zou je in zo’n geval dan eigenlijk

Botterkamp verwachten. Misschien heette de eigenaar of gebruiker dan ook wel Buter,was het

geruild (onderdeel van een buterij) of is het stuk land genoemd naar een opvallende koe waarbij

de baarmoeder zichtbaar werd toen het dier ging liggen (zo’n koe heet in het Drents ook een

Buter). Verhalen, verhalen, verhalen, alleen onderzoek met de oudste varianten bij de hand

biedt misschien een oplossing.

Drents en Nederlands

Omdat de bewoners van Drenthe een eigen dialect spraken – en voor een deel nog spreken –

zijn de namen Drentse namen. De mensen gaven het land om hen heen namen in de eigen taal.

Soms kun je dat duidelijk zien, maar soms is het moeilijker te herkennen omdat men de namen

vroeger op papier altijd ‘vertaalde’ of in een Nederlandse spelling noteerde. Een stukje grond

dat men het Kaampie noemde, werd dan niet zelden genoteerd als Kampje. In Anderen vinden

we het Konijnenkampje en in Anloo het Brokkenkampie. Toch komen ook in officiële bronnen

regelmatig Drentse varianten voor, dikwijls zie je dat in de verkleiningsuitgang ‘je’ die als

wordt gespeld: Stukkie, Klein Halsakker[t]ie, Rötbossie, Addermaoties, Veldtie enz. Soms ging het

vertalen van het Drents naar het Nederlands mis en werd de naam ‘fout’ aangepast. Je ziet dat

bijvoorbeeld in Kruimakker, maar het ‘terugvertalen’ van Nederlandse varianten die op kaarten

worden aangetroffen naar Drentse, zonder te weten of een dergelijke naam nog leeft, is eigenlijk

net zo fout . Alleen de oudste en de meest oorspronkelijke varianten kunnen helpen om achter

het verhaal van de naam te komen.

Karakter

Een landschap zonder namen mist identiteit, herkenbaarheid en karakter. Natuurlijk verandert

een landschap, soms langzaam, soms snel, maar zoals een mens een leven lang verbonden blijft

aan de naam die zijn ouders eens voor hem of haar hebben gekozen en die naam een leven lang

aan die unieke mens als persoon en individu verbonden bleef, zo is het ook met veldnamen.

Namen horen bij het land en het land hoort bij de namen. Lang niet alle namen van Anloo,

Anderen en Gasteren zijn hiervoor opgemerkt. Toch heeft elke naam zijn eigen waardevolle

verhaal. Een verhaal met wortels. Vergeet ze niet, laat ze niet overwoekeren, uitroeien, wegsaneren.

Ze bewaren het scheppingsverhaal van de mensen in het eigen gebied.

Soms zie je in de verzameling veldnamen plotseling een virtueel eeuwenoud namenlandschap

voor ogen, soms is het ‘landscape’ verrassend eigen, jeugdig en sprankelend. Altijd is er

de vreugde van de ontdekking, het sublieme moment van een historische ervaring, een

schijngestalte van de eeuwigheid.

82

83


De schatbewaarder 3

84

85

Veldnamen verzamelen

Een handleiding


De schatbewaarder 3

86

87

Algemene spelregels

Noteer wat informant of bron aangeeft, verbeter niet • Informant niet op weg helpen; geen suggesties aandragen • Vermeldt en omschrijf de bron

Veldnamen verzamelen

Interview

Veldnamen verzamelen

‘Levende’ veldnamen

Schriftelijke bronnen

Veldnaam

Groepsgesprek

Voorzitter/ secretaris

Namen op borden; huizen; viaducten e.d. • Straatnamen •

Gemeentelijke archieven

Hulpmiddelen

Veldwerk • Kaarten • Google Earth • Luchtfoto’s

Locatie • Betekenis • Gebruik perceel •

Verhaal

Toetsen

Het vastleggen van namen

Historische veldnamen

Schriftelijke bronnen

Administraties

Grondschatting; Kadaster; Notarisakten;

Marke­archief; Juridische bronnen

Collecties

Wieringa (DA); Naarding (DA); Meertsens Instituut;

Privécollecties (lokaal)

Archieven

Drenthe Archief (DA); Gemeente Archief;

Waterschapsarchief

Literatuur

Namenboeken; Naslagwerken; dorpsgeschiedenissen;

historische tijdschriften (lokaal)

Overig

Oude topkaarten; Kranten; landbouw­almanakken

Maak gebruik van een reguliere tabel (zie voorbeeld RACM) • Lokaliseren op kadastrale kaart, GPS of Google Earth • Betekenis/ verklaringen:

woordenboek der Nederlandse Taal; Woordenboek van Drentse dialecten; naslagwerken • Bronvermelding • Gebruik perceel

Deze handleiding is bedoeld om mensen of groepen

mensen op weg te helpen om veldnamen te verzamelen.

Veldnamen zijn een – het klinkt dramatisch – integraal

onderdeel van de leefomgeving van mensen waarin

de cultuur van eeuwen bewoning en leven met het

landschap zichtbaar wordt. Elk individu met interesse kan

zelfstandig namen gaan verzamelen. Dat kan ook met of

in een groepje (denk dan om een goede organisatie). Het

gebruik van namen is sociaal bepaald en samenwerking

bij namenonderzoek kan nog bevredigender resultaten

opleveren dan in je eentje.

Met deze handleiding kan het namenbezit van een dorp

of regio goed worden geïnventariseerd en ook zo worden

vastgelegd dat de namenverzameling niet alleen voor

de eigen bevolking, maar ook voor wetenschappelijk

onderzoek kan worden gebruikt. Voor het veldnamenproject

van de Biografie van de Drentse Aa is overigens

een spreadsheet ontwikkeld om namen digitaal en

wetenschappelijk zo vast te leggen dat er direct onderzoek

mee kan worden gedaan. Ook voor lokaal onderzoek is

dat model eventueel beschikbaar. Het belangrijkste bij

het verzamelen is met plezier en tegelijk verantwoord

vastleggen van het cultureel naamkundig erfgoed. Boeiend

is zoiets altijd.

Mensen hebben, zo lang ze er

zijn, namen gebruikt om alles in hun

omgeving mee te benoemen. Het is net

of je grip krijgt op je omgeving, als je

weet wat de naam is van het weiland,

het pad, het bos, de akker enz. Het was

en is trouwens ook reuze handig om

namen te gebruiken. Je hoeft iets niet

uitgebreid en waterdicht te omschrijven.

Met een naam wordt immers altijd en

meestal overduidelijk naar een bepaald

stuk land of iets dergelijks verwezen.

Iemand anders in de omgeving dan

jezelf kent die naam vaak ook en weet

dan meteen waarover je het hebt.

Doordat oudere mensen (ook) met

jongere communiceren worden namen

dikwijls van generatie op generatie over

gedragen. Dat gebeurt trouwens alleen

wanneer een naam een functie heeft. Als

een stuk land met een bepaalde naam

niet meer bestaat, wordt die naam ook

niet meer gebruikt. Logisch.

Vroeger gebruikte men wel veel meer

namen dan tegenwoordig. Dat komt

onder andere doordat er minder kleinere

percelen land zijn en dat de mensen in

een dorp veel minder betrokken zijn

bij het omringende veld dan vroeger.

Toen werkten er veel meer mensen op

het land en moest men ook meer kennis

hebben van de namen. In de zomer

moest natuurlijk wel het juiste perceel

grasland worden gemaaid en niet dat

van een andere boer dat er vlak naast

lag en er op leek, maar overigens wel

een geheel andere naam droeg.

Het verzamelen van veldnamen is

meer dan het verzamelen van postzegels

of munten. Natuurlijk kan een filatelist

of een numismaat een stuk geschiedenis

aan de hand van een verzameling

vertellen, maar veldnamen zeggen

meer. Veldnamen zijn als het ware

fossielen van de wisselwerking tussen

het landschap en zijn bewoners. Je vindt

er sporen in van de kwaliteit en van het

gebruik van het land door de eeuwen

heen, wat er groeide en leefde, wat de

mensen deden, hoe hun onderlinge verhoudingen

waren en ook hoe de taal zich

ontwikkelde. Een goede namenverzameling

kan een haarscherpe cultuurfoto

zijn. Wanneer er meer namenverzamelingen

van buurtschappen en dorpen

zijn, kan een prachtig beeld van een

heel gebied worden geschetst. Met alle

verhalen die er bij horen ontstaan er tal

van mogelijkheden om landschappelijk,

maatschappelijk of cultuurhistorisch

boeiende dingen te ontwikkelen.

‘Levende’ veldnamen

Nog steeds gebruiken de mensen

namen voor veel zaken in hun omgeving.

Je hoort wel eens van een oudere dat een

jongere niet de ‘juiste’ naam gebruikt

en nog vaker dat ‘die jongeren ook niets

meer weten’, maar ouderen roepen dat

al twee duizend jaar.

Het is logisch dat een jongere niet

volledig thuis is in het namenlandschap

van een oudere. Tegenwoordig zijn

andere dingen belangrijk dan vroeger

het geval was en sommige zaken uit

het verleden zijn verdwenen. Voor

iets dat niet meer bestaat is ook geen

naam nodig. Ouderen spreken vaak over

dingen uit hun jeugd die verdwenen

zijn en gebruiken daarbij dan ook de

naam die daar bij hoorde. Die naam is

ten dode opgeschreven omdat hij geen

functie meer heeft. Hij blijft nog slechts

bestaan zo lang de kenner leeft. Omdat

zo’n ‘ding van vroeger’ een jongere niets

zegt, wordt de erbij horende naam ook

niet meer gebruikt. Het omgekeerde

komt trouwens ook voor.

Een voorbeeld. Aan het begin van

de twintigste eeuw werd eigenlijk nog

nergens gevoetbald. Nu kennen jongeren

vaak verscheidene stukjes vlak land

waarop in de middag soms een balletje

wordt getrapt. Zij noemen dat vaak het

trapveldje. Elke jongere die tot de groep

behoort, kent die naam en weet welk

stuk plantsoen ermee wordt bedoeld.

Dat is een oudere onbekend, maar die

weet soms nog de naam van de akker

die er lag voordat het stukje openbare

groen werd aangelegd. En dan zijn er

natuurlijk ‘golflinks’, ‘skatebanen’ en

‘halfpipes’. De gebruikers hebben er

eigen namen voor die vaak bij anderen

niet of nauwelijks bekend zijn.

Elke generatie kent zijn eigen namenbezit

en dat bezit houdt direct verband

met de leefomgeving van die generatie

in de tijd dat die mensen volop in het

leven stonden. Bovendien speelt de

situatie van het ouderlijk huis, het eigen

beroep en de cultuur van de omgeving

een grote rol. In een boerenland vind je

andere namen dan in de stad en in een

kleigebied ligt dat heel anders dan op

het zand. Verder zijn er dikwijls nog veel

meer zaken die een rol spelen.

Vaak zie je dat mensen vooral bekend

zijn met de namen die ze tot hun dertigste

levensjaar hebben geleerd. Het leren

en onthouden van namen die daarna

belangrijk werden, kost veel meer moeite

en ze worden ook weer gemakkelijker

vergeten. Het lijkt er vaak op dat men

dingen die later in het leven komen ook

minder belangrijk vindt. Dus worden

namen ook slechter onthouden.

Het aardige van het verzamelen van

levende namen is dat er doorgezocht

en doorgevraagd kan worden. Degene

die de naam gebruikt kan bijvoorbeeld

worden gevraagd wat nu precies met de

naam wordt bedoeld. En: waar liggen

de grenzen van het terrein? Gebruikt

iedereen de naam? Wat kan er over de

bekendheid van de naam worden gezegd

(kent iedereen die of kennen slechts een

paar mensen de naam)? Werd de naam

ook al door vader, moeder, grootvader

of grootmoeder gebruikt? Hoe spreek

je de naam in het dorp zelf uit? Wordt

dezelfde variant ook gebruikt tegenover

‘vreemden’? Is het ook bekend hoe men

bij deze naam is gekomen en hoe oud

de naam is? Weet degene die de naam

gebruikt ook wat de naam ‘betekent’?

Is het een Drents gekleurde naam of is

het Nederlands?

Wie levende namen verzamelt, legt

een stukje hedendaagse geschiedenis

vast. Geschiedenis van het terrein dat

benoemd is, van de bewoners, maar ook

een stukje taalgeschiedenis. Namen

verzamelen is het schrijven van een

stukje historie van de mensen in hun

leefomgeving.

Het interview

Sommige mensen staan in hun naaste

omgeving bekend als ‘namenkenners’.

Vaak wonen ze al geruime tijd in het dorp

en voelen zich sterk met het landschap

verbonden. Het is zeker de moeite waard

om met zo iemand (vaak een oudere) een

gesprek aan te gaan en te proberen de

namen te achterhalen waarvan deze

namenkenner weet heeft.

Omdat het dan om verzamelen en

optekenen van de namenkennis van die

ene ondervraagde persoon gaat, is het

belangrijk enkele persoonlijke gegevens

op te nemen. Wees echter bedacht op

mensen die privacygevoelig zijn. Leg

in dat geval uit dat de gegevens geanonimiseerd

(kunnen) worden. Belangrijke

persoonsgegevens zijn leeftijd,

geslacht, periode dat men woonde in

de streek waarover de persoon wordt

geïnterviewd, schoolopleiding(en), welk

beroep men uitoefent of uitoefende,

waar ouders vandaan kwamen, welke

(streek)taal men spreekt of sprak enz.

Soms weet iemand zelf te melden hoe

hij of zij aan de kennis van namen en de

achtergronden ervan komt. Het creëren

van een sfeer waarin een goed gesprek

over de namen van de streek plaats kan

vinden is het belangrijkst.

Er zijn verschillende valkuilen zo’n

interview. Met een beetje gevoel en handigheid

kunnen die echter wel worden

omzeild door een aantal punten in acht

te nemen.

Probeer indien mogelijk met

die persoon het veld in te gaan. Het

aanwijzen van de terreinen waarvan

een naam bekend is, lukt altijd het

beste in de werkelijke omgeving. Teken

dan zelf op een kopie van een topografische

kaart de naam in klad aan of

neem een uitsnede uit een satellietfoto

(Google earth en / of Google maps en

dergelijke) mee en geef daarop dan zo

nauwkeurig mogelijk aan welk stuk

grond met de naam wordt bedoeld.

Ook de juiste grenzen zijn belangrijk,

want dikwijls heeft een volgend perceel

weer een andere naam. Soms kan het

ter plekke maken van een digitale foto

later helpen bij het definitief vastleggen

van de naam.

Gebruik alleen wanneer veldwerk

niet mogelijk is en men iemand thuis

op een andere plaats interviewt kaarten

en foto’s van het gebied om achter de

namen te komen.

Vraag de zegsman/vrouw of de naam

naar diens oordeel al lang bestaat.

Kenden de ouders of andere oudere

personen de naam ook al? Sommige


De schatbewaarder 3

88

89

zegslieden kennen een aantal namen

omdat ze er bijvoorbeeld in historische

artikelen over hebben gelezen. Wanneer

die indruk ontstaat is het van belang te

informeren waar ze die naam hebben

gehoord of gelezen.

Het is ook interessant te weten of het

ook bekend is hoe men indertijd bij de

naam is gekomen.

Toon geen teleurstelling als iemand

geen naam (meer) weet voor een bepaald

perceel. Voorkom dat de geïnterviewde

een naam bedenkt om je als ondervrager

niet teleur te stellen, maar noteer die

wel als het gebeurt. Je kunt altijd een

aantekening maken waneer je denkt dat

de opgegeven naam verzonnen is.

Probeer nooit iemand op weg te

helpen door delen van een naam die de

ondervrager bekend is te suggereren.

Wanneer je – uit de literatuur bijvoorbeeld

of uit de collectie Wieringa – wel

een naam weet, kan/mag alleen tot slot

worden gevraagd of naam x de persoon

ook iets zegt. Wees met deze vragen erg

voorzichtig – en doe het alleen met heel

bijzondere namen – want iemand is ‘van

nature’ snel geneigd om de vraag terug

te leggen en te zeggen waarom naar

een naam gevraagd wordt als die wel

bekend is. Bovendien wil een zegsman

graag een goede informant zijn die veel

weet en heeft dus vaak de neiging om

op dergelijke vragen bevestigend te

antwoorden in de geest van ‘Ja, nu u

dat zegt’. Je weet dan nooit helemaal

zeker of de naam werkelijk nog (passief)

bekend is.

Verbeter nooit en neem altijd voetstoots

aan wat de zegsman opgeeft.

Alleen op die manier kun je erachter

komen hoe namen in de loop van

de tijd veranderen. Soms komt het

voor dat iemand zichzelf verbeterd.

Natuurlijk geldt dan zo’n verbeterde

naam, maar voor de wetenschap is

het vastleggen van zo’n ‘herstelling’,

met de aanvankelijke ‘fout’ ook van

belang. Soms noemt iemand eerst een

andere – oudere – variant om die door

een meer gangbare te verbeteren, maar

het omgekeerde komt ook voor.

De regel ‘nooit verbeteren’ houdt

ook in dat namen niet ‘vernederlandst’

of ‘verdrentst’ mogen worden. In dit

verband moet wel worden bedacht dat

men in Drenthe gewoon is om namen

die zijn samengesteld met een gewoon,

gangbaar woord ‘automatisch’ te vernederlandsen.

Heel vaak werkt het

dan goed om te vragen: En hoe zeiden

jullie dat precies onder mekaar? Het is

in dergelijke gevallen goed mogelijk dat

er twee varianten opgetekend kunnen

worden. Eén die je als ‘officieel’ en als

Nederlands kunt beschouwen en één die

meer bij ‘onder mekaar’ past en meer

Drentse taaleigenschappen heeft.

Het groepsgesprek

Een moeilijke, maar dikwijls wel heel

boeiende vorm van namen verzamelen

is het organiseren van een groeps- of

panelgesprek. Soms is er in een dorp

een groepje mensen dat belangstelling

voor namen (en de geschiedenis van

hun dorp) heeft en dat daar graag met

elkaar over praat. Het is dan de kunst

het gesprek op gang te brengen en de

deelnemers elkaar te laten stimuleren

om na te denken hoe het allemaal zit

of zat. Een van de problemen is vaak

dat je ‘stillen’ hebt (en die kunnen best

veel weten) en mensen die voortdurend

aan het woord zijn en soms de neiging

hebben om te laten zien dat ze veel

weten (en dat kan wel eens tegenvallen).

Probeer dan zonder dat je op lange tenen

gaat staan alle mensen in het gesprek

te betrekken door gerichte vragen te

stellen. Wanneer de duidelijke indruk

bestaat dat iemand meer weet dan hij

of zij in het groepsproces los laat, is het

goed daar nog een apart gesprek mee te

voeren. Het is bij zo’n vorm van namen

verzamelen wel van belang om een

‘voorzitter’ te hebben die het gesprek

in goede banen leidt en één of twee

‘secretarissen’ die bij houden wat er

wordt gezegd en de namen vastleggen.

Natuurlijk kan ook opnameapparatuur

worden gebruikt, maar dat maakt het

allemaal veel minder spontaan. Bij het

groepsgesprek zijn verder alle waarschuwingen

van toepassing die hiervoor bij

het ‘interview’ genoemd zijn.

Schriftelijke bronnen

Sommige ‘levende’ namen leiden

naast een oraal ook een schriftelijk

bestaan. Als je een dorp binnenkomt kun

je naam op een bord lezen en dat geldt

ook voor alle straatnamen. Dergelijke

namen vind je ook in telefoonboeken

en andere registers. Verder zijn in de

loop van de tijd wel meer borden en

bodjes met namen verschenen. Dat

geldt bijvoorbeeld voor natuurterreinen

of plekken met een bijzondere cultuurhistorische

waarde. Wanneer dergelijke

namen worden verzameld spreken we

ook over levende namen.

In bestemmings- en ontwikkelingsplannen

van gemeenten en in projectplannen

van ondernemers worden ook

verscheidene namen gebruikt. Soms zijn

dat bestaande levende namen, soms

worden historische namen in brochures

en bestekken opnieuw tot leven gewekt

of men bedenkt iets ‘moois’. Zodra

het de bedoeling is dat met zo’n naam

naar iets in de dagelijkse werkelijkheid

wordt verwezen, kun je van een levende

naam spreken. Wanneer zo’n plan met

een soms prachtige wervende naam

niet wordt uitgevoerd, sterft de naam

ook net zo snel uit als hij ter wereld

kwam. Op dat moment wordt het dus

een historische naam.

In klassieke schriftelijke media als

kranten tref je veel namen aan, bijvoorbeeld

wanneer in verkopingadvertenties,

aankondigingen van veilingen

van onroerend goed en dergelijke. Ook

publicaties op internet behoren tot de

schriftelijke bronnen en daar wordt

steeds meer (ook historisch namenbezit)

op gepubliceerd.

Het is soms vaak lastig om uit te

maken of je met levende namen dan

wel met historische namen te maken

hebt. Het antwoord op de vraag of de

naam oud of jong is, speelt geen enkele

rol. Waneer een naam niet meer bij

de plaatselijke bevolking bekend is,

spreek je van een historische naam.

De verzamelaar maakt op grond van

zijn kennis en informatie uit in welke

groep de naam thuishoort. Voor het

verzamelen zelf maakt, eventueel met

samen andere onderzoekers, de vraag

levend of historisch niet zo veel uit, maar

voor een naamkundige is het belangrijk

inzicht te hebben in het namenbezit

van een bepaalde groep mensen met

betrekking tot een zeker gebied.

Verzamelen historische namen

Wanneer met het verzamelen van

historische namen wordt begonnen is

het verstandig om eerst na te gaan wat

er met betrekking tot (bijvoorbeeld)

het dorp al is verzameld. In de jaren

zestig en zeventig van de vorige eeuw

is vooral door J. Wieringa op heel veel

plaatsen in Drenthe onderzoek gedaan

naar veldnamen. De door hem gevonden

namen werden op kaartjes ingetekend.

De kaartjes worden bewaard op het

Drents Archief. Daar bewaart men ook

de door Wieringa en anderen uit kadastrale

kohieren verzamelde veldnamen.

Wanneer met een onderzoek naar een

Drents dorp wordt begonnen is de eerste

activiteit dan ook een gang naar het

Drents Archief om na te gaan wat daar

met betrekking tot het te onderzoeken

dorp bewaard is.

Voor het verzamelen van historische

namen ben je volledig op schriftelijk

bronnen aangewezen. In het algemeen

spreekt men van historische namen

wanneer die wel ergens, eens zijn opgeschreven,

maar niet meer bij de lokale

bevolking bekend zijn. Een veldnaam

kan heel oud zijn – hij wordt bijvoorbeeld

al in de verpondingsregisters uit

de zeventiende eeuw genoemd – maar

wanneer de mensen de naam nog

ongeveer net zo gebruiken, is het een

levende naam. Ook is het mogelijk dat

een naam die bijvoorbeeld tijdens de

Tweede Wereldoorlog aan een terrein

werd gegeven waar wapens werden

gedropt nu volledig is vergeten. Dan

spreken we van een historische naam,

hoewel de naam dus nog maar een zestig

jaar oud is. En historische namen kunnen

ook nog wel veel jonger zijn.

Er zijn talloze schriftelijke bronnen

waaruit namen kunnen worden

verzameld. Wie bijvoorbeeld oude jaargangen

van kranten doorneemt zal

merken dat het gebruik van veldnamen

in de loop van de jaren niet steeds gelijk

was. Wanneer aan het begin van de

twintigste eeuw een perceel land werd

verkocht dan stond er steevast een naam

bij. Bovendien werd de locatie ook met

behulp van veldnamen en dergelijke

omschreven. Nu is dat nooit meer het

geval. Door een verzameling van dergelijke

namen aan te leggen kom je er

achter op welke manier welke namen

werden gebruikt. Bij het gebruik van

kranten, verkopingakten, kadastrale

registers uit de twintigste en negentiende

eeuw en dergelijke is het vaak heel goed

mogelijk om precies de plek te bepalen

waarnaar de naam verwijst. Dat is voor

verder onderzoek heel belangrijk.

Bij het verzamelen van namen uit

een bepaalde bron is het regel om àlle

namen uit die bron op te nemen, ook al

is de verzamelaar slechts in een bepaald

type of gebied geïnteresseerd. Wie bijvoorbeeld

uit is op samenstellingen met

‘akker’ heeft de neiging om namen met

‘land’ of ’woerd’ of ‘goorn’ over te slaan.

Dat moet beslist worden vermeden. Bij

het verzamelen gaat het in principe om

àlle veldnamen uit een bepaalde bron.

Pas bij de analyse kunnen selecties

worden gemaakt. Een naamkundige

en een historisch geograaf willen juist

nagaan of er verschil is tussen percelen

die zo en zo zijn genoemd en of dat

over heel Drenthe en ook daarbuiten

net zo is.

Wanneer namen uit een dorp worden

verzameld bestaat ook de neiging om

wanneer namen uit andere dorpen in

de onderzochte bron worden gevonden

die dan maar over te slaan. Ook dat

moet zoveel worden vermeden, al kan

men dan volstaan met een korte notitie

van een dergelijke naam vergezeld van

de exacte vindplaats. Het is trouwens

geen bezwaar dat slechts een deel van

een bepaalde bron wordt onderzocht.

Wanneer duidelijk wordt aangegeven

welk deel van een bron is onderzocht,

kan iemand later indien gewenst de

draad weer op pakken.

Belangrijke bronnen met historische

namen worden gevormd door kaarten.

In Drentse archieven worden diverse

handgetekende kaarten bewaard die

een rol hebben gespeeld bij verkopingen,

conflicten en dergelijke. Wanneer voor

de eerste keer met bepaald gebied wordt

begonnen, is het ‘t eenvoudigst om met

hedendaagse (topografische) kaarten

te beginnen en dan langzamerhand

in de tijd terug te gaan. Een aantal van

dergelijke kaarten, bijvoorbeeld uit het

begin van de twintigste eeuw, zijn de

afgelopen jaren dankzij reproducties

hernieuwd toegankelijk gemaakt. De

oudste van dat type kaarten dateren

uit het begin van de negentiende

eeuw. Veel veldnamen vind je niet op

die kaarten. Dat komt vooral doordat

Drenthe vrij dun bevolkt was en er grote

onverkavelde gebieden waren die men

gemeenschappelijk gebruikte. Alleen de

moerasgordels in het zuidoosten van de

provincie werden om militair-defensieve

redenen herhaaldelijk in kaart gebracht.

Ondanks dat er weinig veldnamen op

voorkomen is het raadplegen van die

kaarten voor iemand die namen uit

een bepaald gebied wil verzamelen

toch onmisbaar. De belangrijkste van

die dankzij reprints eenvoudig te raadplegen

kaarten zijn naast de diverse

topografisch militaire kaarten, de z.g.

Hottingeratlas (met kaarten uit het einde

van de achttiende eeuw), de Franse

kaarten van Drenthe (1811-1813) en de

z.g. Atlas van Huguenin (1819-1829).

De oudste gedrukte betrouwbare kaart

(van de hele provincie) dateert uit de

zeventiende eeuw.

Een tweede belangrijke groep wordt

gevormd door administratieve bronnen.

In de loop der eeuwen heeft men steeds

opnieuw en om verschillende – meestal

fiscale – redenen landerijen beschreven.

Daarbij werden heel veel namen

gebruikt. Sinds het begin van de negentiende

eeuw zijn dergelijke namen vaak

gekoppeld aan kadastrale nummers.

Die nummers kunnen met behulp van

de erbij horende kadastrale kaarten

(de minuutplans) exact worden terug

gevonden. De oudste kaarten – per

sectie van een kadastrale gemeente

en met nummers – uit rond 1832 zijn

gedigitaliseerd via internet beschikbaar.

Ga naar http://watwaswaar.nl

en je ziet de oude kaart waarover je

een moderne topografische kaart kunt

leggen zodat de oriëntatie beter wordt.

Ook kan de z.g. Oorspronkelijke Aanwijzende

Tafel worden geraadpleegd

waarin je gegevens over het perceel

vindt. Veldnamen komen in deze bron

niet zo heel veel voor, maar omdat ze

precies gelokaliseerd kunnen worden

zijn ze wel heel belangrijk. In andere

(jongere) registers komen soms wel

meer namen voor. Bij het verzamelen

en lokaliseren moet men er echter op

bedacht zijn dat de nummers niet steeds

gelijk zijn gebleven. Het is met deze

nummers lang niet altijd eenvoudig

om een perceel land op zijn plaats te

krijgen, maar met de omnummerings- en

verwijzingstabellen lukt het wel.

Hoe verder de verzamelaar terug

gaat in de tijd hoe groter de problemen

kunnen worden. De spelling van namen

heeft zich eigenlijk steeds aangesloten

bij de spelling van gewone woorden

zoals die op het moment van opschrijven

gewoon was. Bij het verzamelen van

namen is ‘verbeteren’ verboden. Een

naam moet worden overgenomen zoals

hij staat opgetekend.

In de loop van de achttiende eeuw

raakte de huidige manier van schrijven

(de vorm van de letters) in gebruik.

Wanneer je verder terug in de tijd gaat

krijgt een verzamelaar te maken met

‘oud schrift’ en bovendien moet je

dan thuis raken in de afkortingen die

een klerk gebruikte. Veel schrijvers

hadden wat dat betreft ook nog wel

eens eigen gewoonten. Dikwijls moet

je eerst aan een ‘hand’ wennen. Heb

je de belangrijkste kenmerken onder

de knie, dan gaat het in de loop van de

tijd wel vlotter.

De grondschattingskaarten uit

het midden van de zeventiende eeuw

zijn vanuit naamkundig oogpunt van

het allergrootste belang. Ze geven

vrij nauwkeurig weer hoe het land er

heen lag, vermelden de grootte, de

eigenaar en geven dikwijls ook aan

welke veldnaam te plekke in gebruik

was. De grondschattingskaarten kunnen

in het Drents Archief te Assen worden

geraadpleegd.

De alleroudste – middeleeuwse

– bronnen zijn voor het overgrote

deel in druk (en in moderne letter)

uitgegeven. Van belang zijn vooral de

‘Ordelen van de etstoel Drenthe’ en de

zogenoemde ‘Goorspraken van Drenthe’.

Daarnaast hebben rijke grondbezitters

(zoals kloosters) veel van hun bezit en

de opbrengsten ervan schriftelijk laten

vastleggen. Die stukken bevatten ook

veel – en vaak oude – naamkundige

informatie. Een recent overzicht van

uitgaven en ook van diverse andere

bronnen geeft Spek in ‘Het Drentse

Esdorpenlandschap’ (bladzijde 1022-

1023).

Vastleggen namenverzameling

Het is van het grootste belang om

verzamelde namen nauwkeurig vast

te leggen. Natuurlijk moet worden

vermeld of het om een levende naam

of een historische naam gaat. Wat de

vermelding zelf betreft, gaat het om de

naamsvariant en om de plaats die met de

naam is bedoeld. Voor alle namen geldt

dat bron of de informant, de plaats (de

lokalisatie) met geografische informatie,

geo(morfo)logische en overige informatie

met betrekking tot het benoemde zo

goed en compleet mogelijk vermeld

moet worden.

Het komt dikwijls voor dat een naam

in de loop van de tijd op heel verschillende

wijzen is gespeld. Dat komt omdat

men in het algemeen – toen het schriftelijk

gebruik van namen nog niet zo was

geformaliseerd als nu – de spelling van

dat moment volgde. Het is van belang

altijd precies over te nemen wat er in

de bron is geschreven, ook al denk je

dat het duidelijk fout is. In dat laatste

geval kan er bij deze variant een aantekening

worden gemaakt waarin wordt

beargumenteerd dat de oorspronkelijke

schrijver zich vergiste. Een langere,

samengestelde naam kan in een groot

aantal varianten voorkomen. Dan kan

het handig zijn om één variant (het

liefst een levende en actueel gespelde)

te gebruiken als ‘hoofdvariant’. Wanneer

zo’n naam ook op moderne topografische

kaarten voorkomt, kun je die het

beste nemen.

In woordenboeken noemt men zo’n

variant een lemma. Onder die ene variant

kun je dan alle andere onderbrengen.

Het betekent niet dat de lemmavorm de

beste, meest oorspronkelijke of mooiste

is. Het is alleen handig om varianten bij

elkaar te houden. Pas na onderzoek zou

je op basis van verschillende argumenten

kunnen besluiten, bijvoorbeeld om

de verdwenen naam opnieuw te gaan

gebruiken bij straatnaamgeving, om

een bepaalde variant naar voren te

schuiven.

Wanneer levende namen (die niet

schriftelijk zijn aangetroffen) worden

genoteerd, zijn er twee mogelijkheden.

De naam wordt gespeld volgens

de huidige regels. Dus volgens het

Nederlandse systeem als de naam als

Nederlands beschouwd kan worden en

volgens het Drentse systeem als het om

een Drentstalige naam gaat. Zo spel je

als iemand dat zo zegt, maar

of als dat de uitspraak

van de zegsman is. Iemand die thuis is

in fonetisch schrift zou de namen ook

daarin kunnen noteren. Wetenschappelijk

is dat van belang, maar voor

de dagelijkse praktijk is de gewone

spelling wel voldoende, mits er maar

niet ‘verbeterd’ wordt.

Meestal bestaat een naam uit een of

meer bestanddelen. Soms zie je meteen

en soms gaat het om een verborgen

samenstelling of afleiding met nu niet

meer gebruikte of bekende elementen.

In Drenthe komen ook namen voor die je

bijna als een zinnetje kunt beschouwen

zoals ‘Tegen Ademskamp’ (een naam die

Wieringa in Gasteren optekende). Net

zo’n voorbeeld is ‘Veld veur de Loefvledders’

(uit de collectie Lanjouw). Al die

losse stukjes van de naam vormen met

elkaar de ene veldnaam, die vastgelegd

moet worden.

Bron of informant

Van elke naamsvariant moet worden

genoteerd in welke bron en waar precies

die variant is aangetroffen of welke

informant de naam heeft genoemd.

Van elke bron moet ergens in een lijstje

worden aangegeven waar die bron is

aangetroffen en hoe die, met de precieze

vindplaats, door anderen weer kan

worden teruggevonden. Omdat in een

bepaalde bron vaak namen uit verschillende

perioden of jaren zijn opgenomen,

is het goed bij elke variant aan te geven

uit welk jaar de overlevering dateert.

Elke informant heeft zijn eigen

geschiedenis. Het kan praktisch zijn

om, wanneer meer informanten een

bijdrage leveren, ze in de namenlijst met

een nummer of een lettercombinatie aan

te geven. De voor de kennis van de naam

relevante eigenschappen kunnen dan

op een aparte lijst worden vermeld. Ook

van de door een informant genoemde

namen zou het jaar of de periode waaruit

de namenkenner zijn informatie verkreeg

moeten worden vermeld.

Dankzij de vermelding van bronnen

en informanten kan de verzameling ook

worden onderzocht op gebruikersaspecten

en door de vermelding van een jaar

of een periode kun je een chronologie

van een naam opstellen. Soms kan

daarmee het ontstaan van de naam

worden nagegaan, maar dikwijls zal een

naam ouder zijn dan de eerste overlevering.

Op grond van een totaalverzameling

en op basis van het voorkomen van

bepaalde bestanddelen in namen kan

een stuk geschiedenis van een kleiner

of groter gebied worden geschreven.

Ook onderzoek naar de verspreiding

van naamtypes zijn verzamelingen

onmisbaar.

Lokalisatie en geografische

informatie

Bij het verzamelen van veldnamen is

het buitengewoon belangrijk om te weten

wel stuk land of welk weggetje precies

met de gevonden naam wordt benoemd.

Waar ligt of lag dat perceel?

Wanneer een veldnaam naar iets

verwijst dat nog bestaat, kan op een

schetskaart of op een kopie van een

topografische kaart met pen of potlood

worden aangegeven wat precies is

bedoeld. Het is heel belangrijk om (zo

mogelijk) ook de grenzen precies aan

te geven.

Wanneer gebruik wordt gemaakt van

topografische kaarten (schaal 1:25000)

is het vaak het gemakkelijkst om een

nummertje in het bedoelde perceel te

plaatsen en de grenzen met een fijnschrijvende

pen te markeren. Dat nummertje

correspondeert dan met de in een bijbehorende

lijst opgenomen naam. Per

blok van een vierkante kilometer kunnen

dan steeds met 1 te beginnen nummers

worden gebruikt. Zo’n blok van een

vierkante kilometer komt overeen met

het Nederlandse gridsysteem dat door

twee nummers (van drie cijfers) volledig


De schatbewaarder 3

90

91

wordt geïdentificeerd. De nummers

van de horizontaal lopende lijnen zijn

de y-coördinaten, die van de verticale

lijnen de x-coördinaten. Het bedoelde

blok ligt dan ten oosten en ten noorden

van de y- en x-coördinaten. Twee voorbeelden.

Ten zuiden van Anloo geeft de

huidige topografische kaart de naam

Vosseveen. Stel dat iemand weet hoe de

grenzen daar precies van lopen of op

zeker moment liepen, dan kan (liever

gezegd ‘moet’) dat worden aangegeven.

Het perceel wordt met een 1 genummerd.

In de lijst vind je de gegevens terug onder

‘243-560 nummer 1’. Daar wordt dan

de naam opgenomen met alle andere

belangrijke beschikbare informatie.

Ten noorden van de kern van

Gasteren geeft de topografische kaart

de naam Noordesch. Die ligt niet ‘keurig’

binnen één vierkante kilometerblok,

maar verspreid over vier. De grenzen

wordt gemarkeerd en deze es wordt

(bijvoorbeeld) met een 2 genummerd.

In de lijst vind je die dan terug onder

‘240/241-561/562-nummer 2’. Namen

van nog grotere complexen kunnen op

dezelfde manier worden aangegeven. In

de ‘lijst’ is er alle ruimte voor aanvullende

informatie.

Een tweede manier van het aangeven

van een lokatie kan met behulp van

het computerprogramma Google Earth

plaatsvinden. Ga naar http://earth.

google.com en/of http://maps.google.

com en volg de aanwijzingen. Na enig

oefenen (fouten kunnen worden hersteld)

zal het wel lukken. Denk om het tijdig

opslaan en kopiëren van het werk en

maak zo nodig ook eens een print op

papier. Behalve de naam kun je verder

weinig informatie kwijt. Daarvoor moet

dan een apart tekst- of gegevensbestand

worden gemaakt.

Bij een schriftelijke overlevering

van na 1830 kan het voorkomen dat

een kadastraal nummer bekend is. Bij

de invoering van het kadaster is het

land in een groot aantal zogenaamde

kadastrale gemeenten verdeeld, terwijl

elke gemeente weer uit verscheidene

secties bestaat. De secties binnen zo’n

kadastrale gemeente worden altijd met

een letter aangegeven. Elk afzonderlijk

perceel heeft een eigen nummer.

Op de kadastrale kaarten staat in het

perceel het nummer aangegeven en

dat weet je welk perceel is bedoeld.

In de beschrijving van die stukken

land (de Oorspronkelijke Aanwijzende

Tafel) staat vermeld wie de eigenaar

is, terwijl in de negentiende eeuw ook

zaken als de wijze van grondgebruik,

een (grond)belastingklasse en nog meer

is opgenomen.

De kadastrale nummers zijn echter in

de loop van de tijd dikwijls veranderd.

Soms werd een perceel gesplitst – en

kreeg je twee nieuwe nummers – soms

werden percelen samengevoegd en

werd er één nieuw nummer aan het

nieuwe grotere stuk land gegeven.

Ook die nummers vind je wel weer

op kaarten, maar vaak volstond men

eerst met lijstjes met verwijzingen en

werd de kaart pas vele jaren later aan

de gewijzigde situatie aangepast. Om

namen uit archiefstukken met kadastrale

nummers thuis te brengen is soms dan

ook een heel gepuzzel.

Het kan voorkomen dat iemand

zich eens heeft vergist en een bepaald

perceel met een ‘verkeerde’ naam heeft

benoemd of, anders gezegd, dat iemand

een naam aan het ‘verkeerde’ perceel

heeft verbonden. Maak dan zowel bij

de naamsvariant als bij de lokatie een

kanttekening dat er in de bron mogelijk

van een vergissing sprake is. Verbeter

iets nooit stilzwijgend, maar meld wat

er naar het eigen oordeel gewijzigd zou

moeten worden.

Geo(morf)logische informatie

Een kenmerk van veldnamen is

dat ze naar een bepaald element in

het landschap verwijzen. Het is van

belang aan te geven wat met de naam

werd aangeduid ten tijde van de genoteerde

vermelding. Het is voor later

onderzoek het gemakkelijkst een zo

eenduidig mogelijke beschrijving te

hanteren. Als uitgangspunt worden in

het algemeen de volgende omschrijvingen

gehanteerd:

perceel akkerland

perceel weiland

perceel hooiland

perceel heide / veld

perceel bos

perceelscheiding

complex akkerland

complex weiland

complex hooiland

complex heide / veld

complex bos

gebied

heuvel

gebouw

doorgaande weg

lokale weg

‘eigen’ weg

brug

voorde, doorwaadbare plaats

stromend natuurlijk water

(meanderend)

gegraven watergang (overwegend

recht)

stilstaand, breder water (ven,

vijver, meertje e.d.)

moeras

overig, diversen

onbekend

In het kader van het veldnamenproject

binnen de biografie van de Drentse

Aa hanteren we als verschil tussen een

perceel land en een complex dat het

bij een perceel om één duidelijk van

andere percelen door veldmarkeringen

afgesloten stuk land gaat. Ten tijde van

het kadaster heeft een perceel in de regel

één kadasternummer gekregen. Bij een

complex gaat het om meer samenhangende

en tegelijk duidelijk ten opzichte

van andere complexen gemarkeerde

percelen. Een complex bestaat in de

regel uit een aantal opeenvolgende

kadasternummers. Bij een gebied gaat

het om een moeilijk te markeren streek

waarin verschillende soorten landgebruik

kunnen worden onderscheiden.

Wanneer een omschrijving niet

helemaal voldoet aan de hiervoor

genoemde omschrijvingen/aanduidingen

is het van belang een toelichting

te geven. Indien voor de aanduidingen

‘overig’ of ‘onbekend’ wordt gekozen,

is zo’n toelichting zeer wenselijk en

eigenlijk noodzakelijk.

Andere informatie

Soms weet iemand hoe en wanneer

een bepaalde veldnaam is ontstaan. Zo’n

verhaal is interessant en ook belangrijk

omdat het inzicht in het ontstaan van

namen geeft. Het komt ook voor dat

er bij het benoemde een belangwekkende

gebeurtenis heeft plaatsgevonden.

De veldnaam wordt dan eigenlijk een

markeringspunt in het geheugen van

de bevolking waaraan de gebeurtenis

wordt verbonden. In de loop van de tijd

kan zo’n verhaal veranderen en een

eigen leven zijn gaan leiden doordat het

steeds (vaak met onbewuste variaties)

werd doorverteld.

Mensen zijn altijd geïnteresseerd in

de achtergrond en de ‘betekenis’ van

namen. Wanneer die bekend is, wordt

die ook vaak doorgegeven. Het komt ook

voor dat men in die behoefte voorziet

door een verklaring of een verhaal te

bedenken. Wanneer dat verhaal aan een

volgende generatie wordt doorgegeven,

denkt men al spoedig dat het ‘waar’

is of op zijn minst dat er een kern van

waarheid in zit.

Dergelijke informatie is bij het verzamelen

ook van belang om bij de naam

vastgeld te worden. Die verhalen vormen

samen met de namen een stukje identiteit

dat de mensen met het landschap

verbindt.

Het verklaren van namen

Hoe interessant en boeiend ook,

het verklaren van namen is een werkje

waarvoor een verzameling op zich onvoldoende

is. Om een veldnaam te kunnen

verklaren moet die (bijvoorbeeld) vergeleken

worden met andere namen van het

zelfde type. Verder is het belangrijk om

de geo(morfo)logische, hydrologische

en cultuurhistorische kenmerken van

het denotatum zowel nu als die van het

verleden te betrekken in het opstellen

van een mogelijke verklaring. Die etymologie

heeft niet alleen te maken

met de taalkundige achtergrond en de

relatie met varianten uit andere talen.

Minstens zo belangrijk is de relatie

met de historische geografie van het

benoemde en de cultuur op regionaal

niveau en microniveau waarin de naam

wortelt. Verder spelen sociale aspecten

een grote rol bij het geven en gebruiken

van veldnamen. Elke naam heeft zijn

eigen verhaal en zijn eigen achtergrond.

Alleen door veel namen uit meer dan een

gebied en uit verschillende perioden te

vergelijken kunnen algemene conclusies

worden getrokken en een verklaring

van een naamtype worden gegeven.

Met behulp van het ‘Woordenboek van

Drentse dialecten’ en het ‘Woordenboek

der Nederlandsche taal’ (en natuurlijk

andere naslagwerken) kan in veel

gevallen wel een begin worden gemaakt

met het verklaren van het laatste stukje

van doorzichtige naam.

Namenboeken

Er zijn verschillende boeken en

artikelen waarin Drentse namen zijn

verzameld. Verder zijn er ook enkele

belangrijke overzichtsartikelen en

boeken waarin bestanddelen van

veldnamen worden besproken die ook

in Drenthe voor komen. Hierna volgt een

beperkt overzicht met de belangrijkste

publicaties die voor Drenthe van belang

zijn. Historisch-geografische en cultuurhistorische

publicaties met betrekking

tot de provincie blijven achterwege. Voor

dat wordt begonnen met het daadwerkelijk

verzamelen is het goed eerst eens

enkele gepubliceerde verzamelingen

en beschrijvingen te raadplegen om

je een idee te vormen en een eigen

verzamelplan te ontwerpen.

Asbroek, W.E. ten e.a. • Veldnamen in

Haaksbergen. Haaksbergen, s.a.

Audenaerd, R. e.a. • Veldnamen in het

landschap. Toponiemen om en nabij

Taarlo. Scriptie Hogeschool Larenstein,

Velp, s.a. [2007]

Bloemhoff, Ph. e.a. eds., • Veldnaemen

van Stellingwarf. Verscheidenen

delen. Oldeberkoop, sinds 1982

Blok, D.P. • Drentse waternamen. In:

Tummers, P.L.M. e.a., Waternamen

in Limburg en Drente. Bijdragen en

Mededelingen der Naamkundecommisie

van de KNAW 24 Leuven/Brussel,

Amsterdam, 1968, blz. 5-21

Booij, A.H. • • Met namen in Börck.

Westerbork, s.a.

Buls, G. • Toponymische verkenning in

de marke van Wachtum. Internetpublicatie

Edelman-Vlam, A.W. • Veldnamen in

de gemeente Rolde. In: Naamkunde

1(1969) blz. 128-156

Eijken, E.D. e.a. eds. • Veldnamen in

Overijssel. Diverse delen. Zwolle,

sinds 1980

Hagoort, W.J. • Plaatsnamen in Drenthe.

Meppel, 1978

Heuveln, B. van, e.a. • Veldnamen in het

Zuidenveld (Dr.). In: Drentse Volksalmanak

75 (1958) blz. 128-143

Hofstra, T. • Ortsnamen auf – elte in der

Niederländischen Provinz Drente.

Amsterdam, 1973

Huiskes, B., • Steennamen en hunebedden:

raakvlak van naamkunde en

prehistorie. Amersfoort, 1990

Jellinghaus, H. • Die westfälischen

Ortsnamen nach ihren Grundwörtern.

Osnabrück, 19303

Joosting, J.G.C. • Geschiedkundig

onderzoek der aardrijkskundige

namen in Drente. Nomina Geographica

Neerlandica deel 5. Leiden,

1901

Klaassens-Perdok F.E. • Namen in en

rond Gieten. Assen, 19893

Kloos, P. • Topografie en toponymie

van een Drentse marke (Gasteren).

In: Geografisch Tijdschrift 14 (1961)

13-19

Kocks, G.H. • Woordenboek van Drentse

dialecten. 3 dln. Assen, 1996-2000

Künzel, R.E. e.a. • Lexicon van Nederlandse

toponiemen tot 1200.

Amsterdam, 1988

Mansier, H.J. • Veld­ en akkernamen in de

gemeente Ruinen. Ruinen, 1989

Moerman, H.J. • Oostnederlandsche

plaatsnamen. In: Nomina Geographica

Neerlandica 7 (1930) blz. 1-48

Moerman, H.J. • Nederlandse plaatsnamen.

Een overzicht. Leiden, 1956

Mulder, R.D., • Enkele opmerkingen

over eigennamen van landerijen in

Drenthe. In: Nieuwe Drentse Volksalmanak

76 (1941) blz. 54-61

Musch, J. • Annen. s.l, s.a.

Naarding, J. • Veldnamen in Drenthe.

In: Mededelingen van de vereniging

voor naamkunde te Leuven en

de commissie voor naamkunde te

Amsterdam 31 (1955) 90-104

Naarding, J. • De toponymie van het

Drentse esdorp. In: Bijdragen en

mededelingen van de KNAW 24 (1972)

blz. 23-43

Schönfeld, M. • Veldnamen in Nederland.

Arnhem, 19802

Smith, A.H. • English Place­Name

Elements. 2 dln. Cambridge, 1956

Spek, Th., • Het Drentse esdorpenlandschap.

Een historisch­geografische

studie. Utrecht, 2004

Tuttel, J. • Tankgrachten en ledikanten.

Bezetting en bevrijding weerspiegeld

in Drentse toponiemen. In: Driemaandelijkse

Bladen voor taal en volksleven

in het oosten van Nederland 44 (1992)

blz. 81-139

De Vries, W. • Vervormde Drentse plaatsnamen.

In: Nomina Geographica

Neerlandica 7 (1930) blz. 78-84

De Vries, W. • Toponymische bijdragen.

Enkele migratienamen in Noord­

Drenthe. In: Nomina Geographica

Neerlandica 11 (1938) blz. 75-139

De Vries, W. • Drentse plaatsnamen.

Assen, 1945

De Vries, W. • Groninger plaatsnamen.

Groningen, 1946

Wieringa, J. • Bodemkundige en toponymische

verkenning in de marke

Wachtum (Dr.). In: Driemaandelijkse

Bladen voor taal en volksleven in

het oosten van Nederland 15 (1963)

blz. 124-138

Korte begrippenlijst

Wieringa, J. • Veldnaamkunde in

Drenthe. s.l., s.a. [1966]

Wieringa, J. • Drentse veldnamen. In:

Boor en Spade 16 (1968) 110-118

Wieringa, J. • De veldnamen in de

gemeente Sleen: verzameld en in

kaart gebracht op het kadastrale

plan van 1832. Assen, 1970.

Wieringa, J. • Het vastleggen van terreinnamen

in Drenthe en Westerwolde.

In: Driemaandelijkse Bladen voor

taal en volksleven in het oosten van

Nederland 23 (1971) blz. 30-35

Wieringa, J. • Terreinnamen­documentatie

in Drenthe. Een voorbeeld

uit Uffelte. In: Driemaandelijkse

Bladen voor taal en volksleven in

het oosten van Nederland 25 (1973)

blz. 173-188

Wieringa, J. • Toponymie van het Drentse

heidelandschap en zijn ontginningen.

In: Noorderbreedte 15 (1991)

blz. 18-20

Wieringa, J., e.a. • Drentse veldnamen.7

dln [Drijber; Westerbork;

Exlo; Valthermond; Schoonlo;

Schoonoord;Schattenberg].

Groningen, 1981-1987

Een tweede groep publicaties beschrijft

het verzamelen van namen of geeft

informatie over veldnamen in het

algemeen en de typologie ervan. Een

keuze uit de belangrijkste:

Bach, A., • Deutsche Namenkunde II.

Die deutschen Ortsnamen. Heidelberg,

19812

Blok, D.P. • Iets over toponymie en

geografie. In: Tijdschrift van het

Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap.

Tweede Reeks 82 (1965) blz.

369-375

Bauer, G. • Flurnamengebung als Feldgliederung.

In: R. Schützeichel e.a.

eds., Namenforschung. Heidelberg,

1965, blz. 245-263

Beijers, H. e.a. • Veldnamen als historische

bron. Een handleiding voor

methodisch onderzoek. ’s Hertogenbosch,

1991

Debus, F. • Flurnamen als Geschichtsquelle.

In: Beiträge zur Namenforschung,

Neu Folge 16 (1981) blz.

167-183

Draye, H. • Terminologie en indeling

in de toponymie. In: Mededelingen

van de vereniging voor naamkunde

te Leuven en de commissie voor

naamkunde te Amsterdam. 26 (1950)

blz. 3-12

Edelman, C.H. • Iets over veldnamen en

perceleringen. In: Landbouwkundig

tijdschrift 59 (1947) blz. 706-708

Edelman, C.H. • Over de plaatsnamen

met het bestanddeel woud en hun

betrekking tot de bodemgesteldheid.

In: Boor en Spade 7(1963) blz.

197-216

Eichler, E. e.a. eds. • Namenforschung.

Berlin/New York 1995

Field, J. • English fieldnames. Newton

Abbot, 1972

Field, J. • A history of English fieldnames.

London, 1993

Gelling, M. • the landscape. London,

1984

Gelling, M. • The landscape of Place­

Names. Stamford, 2000

Harms, C. • Zum Stand und Methode der

Flurnamenforschung im Emsland.

In: Niederdeutsches Wort 33 (1993)

blz. 23-40

Hessmann, P. • Namenforschung im

ostniederländisch­westfälischen

Grenzgebiet. Amsterdam, 1978

Ter Laak, J.C. • De taal van het landschap.

Pilotproject toponiemen in de Berkelstreek.

Amersfoort, 2005.

Molenmans, J. • Het probleem van het

lokaliseren van toponiemen. In:

Naamkunde 1 (1969) 49-52

Molenmans, J. • De naamgeving in relatie

tot de bodemgesteldheid, het reliëf

en de begroeiing. In: Naamkunde 3

(1971) blz. 163-185

Molenmans, J. • Gids bij het toponiemenonderzoek.

Brussel, 1988

Niemeier, G. • Die ortsnamen des Münsterlandes.

Ein kulturgeographischer

Beitrag zur Methodik der Ortsnamenforschung.

Göttingen, 1953

Passen, R. van • Localisatie van toponiemen.

In: Mededelingen van de

vereniging voor naamkunde te Leuven

en de commissie voor naamkunde te

Amsterdam. 33 (1957) blz. 153-167

Pirainen, E. • Vreden. 2 dln. Vreden,

1984

Ramge, H. • Zur Konzeption regionaler

Flurnamenbücher. In: R. Schützeichel

e.a. eds. Wörter und Namen.

Aktuelle Lexikographie. Marburg,

1990 blz. 97-121

Rentenaar, R. • Vernoemingsnamen. Een

onderzoek naar de rol van de vernoeming

in de Nederlandse toponymie.

Amsterdam, 1984

Roelandts, K. e.a. • Naamkundige terminologie.

In: Mededelingen van de

vereniging voor naamkunde te Leuven

en de commissie voor naamkunde te

Amsterdam. 30 (1954) blz. 18-28

Scheuermann, U. • Flurnamenforschung.

Melle, 1995

Schnetz, J. • Flurnamenkunde. München,

19632

Schumacher, H. • der Ostfriesischen

Landschaft. In: Niederdeutsches

Wort 33 (1993) blz. 41-56

Schwartz, E. • Deutsche Namenforschung

II. Orts­ und Flurnamen.

Göttingen, 1950

Smit, G. • Het veldnamenonderzoek en

het genre de vie concept. In: Us Wurk

21-22 (1972-1973) blz. 207-210

Steenhuis, J.F. • Terminologie en indeling

in de toponymie. In: Mededelingen

van de vereniging voor naamkunde

te Leuven en de commissie voor

naamkunde te Amsterdam. 28 (1952)

blz. 91-92

Cultuurhistorie cultuurgeschiedenis, de geschiedenis van de beschaving

Denotatum het met de naam bedoelde, benoemde stukje werkelijkheid

Digitaliseren in een digitale code overbrengen zodat een computer de gegevens kan verwerken

Doorzichtige naam Naam die uit herkenbare namen en/of woorden is opgebouwd

Etymologie tak van de taalwetenschap die de oorsprong en de geschiedenis van de woorden opspoort en de afkomst verklaart

Geologie kennis of leer van de bouw en de ontwikkelingsgeschiedenis van de aardkorst en van de processen die zich erin afspelen. Synoniem:

aardkunde

Geomorfologie verklarende beschrijving van de vormen van de aardoppervlakte in verband met de wijze van hun ontstaan

Historische geografie tak van de sociale geografie die zich bezighoudt met geografische vraagstukken in het verleden

Historische naam naam die niet meer bij de lokale bevolking in gebruik is tak van de sociale geografie die zich bezighoudt met geografische

Hydrologie kennis van het vloeibare water in de aarde, m.n. van de stand en de stromingen van het grondwater en het oppervlaktewater, en

van de samenstelling van het water der minerale bronnen

Lemma (hier) titelnaam in een namenlijst, hoofd van een artikel

Levende naam naam die door de lokale bevolking in normaal gebruik is

Lokalisatie het aangegeven van de juiste plek die met een bepaalde naam is bedoeld

Naam woord waarmee een persoon of zaak wordt aangeduid, hetzij als categorie of als individu

Perceel afgepaald stuk land, herkenbaar deel van een groter geheel

Regio streek, gebied met een bepaald karakter

Toponiem plaatsnaam in algemene zin

Type geheel van karakteristieke kenmerken en eigenschappen die gemeen zijn aan een groep, reeks, klasse van (in dit geval) namen

Variant vorm die enigszins van de gewone of gewoon geachte afwijkt

Veldnaam toponiem ter aanduiding van bouw- en grasland, woeste grond, hoogten en laagten e.d. (in het Duits is dat een Flurname)


92

93

Cactusbijdrage

Flip stenen

F


94

95

De schatbewaarder: Age Stiksma

Voor het dorpsarchief op zoek

naar alles en iedereen,

maar wel met mate

Komen ze nog voor, de ‘meestervertellers’ voor

de klas? Of zijn ze met de Mammoetwet in de

Meesterskolkje te bestaan. Men vertelde dat er ooit een

schoolmeester was verzopen. Ik ben op onderzoek uitgegaan

groot schaligheid verloren gegaan? Schoolmeesters die zo

en heb het tragische verhaal kunnen traceren. Het was een

boeiend wisten te vertellen dat alle leerlingen aan hun lippen

meester uit Rolde die hier in 1895 aan zijn einde kwam.

hingen. De verhalen bleven hen bij tot vele jaren na de laatste

Teleurgesteld als hij was over de bescheiden rol die voor hem

schoolbel.

als dorpsnotabele was weggelegd tijdens het bezoek van

Age Stiksma was zo’n verteller. Hij had een uitgesproken

koningin­regentes Emma met haar dochter Wilhelmina aan

voorkeur voor kleine scholen met kleine klassen, zoals hij ze

Rolde, heeft hij zich waarschijnlijk van het leven beroofd.’

in zijn jeugd op de grens van Groningen en Friesland als kind

In zijn vrije tijd verzamelde Stiksma meer verhalen en

zelf had meegemaakt. Als onderwijzer diende hij in Opeinde,

gegevens over zijn nieuwe woondorp. Voor zover mogelijk

Ravenswoud, Anderen, Annen en Schipborg. In Anderen is

gebruikte hij ze in zijn lessen op school. Heemkunde kreeg bij

de Fries Stiksma blijven ‘plakken’, hij woont er nog in de

hem een vast plekje in de aardrijkskunde­ en geschiedenisles.

meesterswoning. De school in het dorp sloot de deuren toen

Zeker als hij oorlogszuchtige verhalen als die van de

het aantal leerlingen op de vingers van twee handen was

Duitse bisschop Berend van Galen (Bommen­Berend) die

te tellen. Age’s tiental verkaste naar de school in Anloo, de

door Drenthe trok op weg naar een belegering van de stad

meester naar het hoofddorp Annen.

Groningen, kon opluisteren met een verhaal over boeren

in Anderen die trachtten hem de weg te versperren. In de

Toen Stiksma in 1976 in Anderen neerstreek, was zijn bagage

archieven vond Stiksma een aanmaning van het provinciaal

al ruimschoots voorzien van boeken over geschiedenis. Een

bestuur van Drenthe aan het adres van deze boeren om de

interesse die bij hem was ontstaan op de kleine school

weg die ze hadden opgebroken na twee jaar eindelijk weer

in Twijzel, waar hij speciaal als het om aardrijkskunde en

eens te herstellen. Europese geschiedenis in een lokaal jasje,

geschiedenis ging meeluisterde met de lessen voor de

dat iedereen past.

aanmeldingen binnen. Dat was aardig veel voor een dorp met

gekomen. Hoe kon het dat er in de 18 e eeuw in Anderen

hogere groepen. Later, in weer een ander dorp, woonde

ruim honderd gezinnen’.

dertien tot veertien gezinnen leefden, terwijl er slechts negen

naast de Stiksma’s een boer die er niet alleen een veestapel,

Een schoolmeester in een klein dorp is een veelgevraagd

Het boek dat de inwoners van Spijkerboor over hun dorp

à tien woningen stonden? Inwoning is het antwoord op die

maar ook een bibliotheek op nahield. Hij bewaarde allerlei

man…

hadden gemaakt, was ons voorbeeld, vertelt Stiksma. ‘Ook

vraag en Age Stiksma zou niets liever willen dan ook daarover

krantenknipsels, over Friese boerderijen en hun bewoners,

‘De meester die de school leidde, regisseerde het toneel in

wij hebben we naast de historie van het dorp veel plaats

publiceren. Het liefst in een vervolg op het eerste boek. Wie

in speciale mappen. Wie nu in zijn huis in Anderen rondkijkt,

het dorp, dirigeerde het koor en was dus ook de aangewezen

ingeruimd voor de bewonersgeschiedenis. Natuurlijk hebben

weet of het er van komt. Er liggen nieuwe series foto’s en

ziet dat oud­meester Stiksma de kunst van het verzamelen en

man om zijn schouders te zetten onder een boekwerk over het

we ons moeten beperken. Omdat ik nogal geïnteresseerd

verhalen klaar. Persklaar…

opbergen aardig van de vroegere buurman heeft afgekeken.

dorp. Dat werd bij ons ‘Anderen, dorp van de moeshappers’,

ben in genealogie, had ik ‘het verleden’ van alle bewoners

Het ritselt er van het papier. In zijn pc zitten onzichtbaar,

dat in 1998 verscheen. Ik was er met een groep inwoners

nageplozen, soms tot in de 16 e eeuw. Als je dat allemaal

Wat verzamelt de Stichting Historie Anderen nog meer?

maar oproepbaar, de namen van 105.000 personen die hij in

maar liefst zeven jaar mee doende. Geert Kamphuis, Ina

had gepubliceerd, was het boek minstens twee keer zo dik

Stiksma: ’We beschikken over een aantal kasten met

genealogisch verband bij elkaar sprokkelde.

Oostra, Geert van Veen en Jan Huizing vormden met mij de

geworden.’

materiaal die in het dorpshuis zijn ondergebracht. Dat spul

Stichting Historie Anderen die uitgever van het boek werd,

Na de verschijning is het onderzoek doorgegaan. En zoals

groeit ons langzamerhand boven het hoofd. Ik kreeg er

Wat is er nu mooier dan je te verdiepen in het dorp waar

dat inmiddels als de bijbel van Anderen in ieder huisgezin

iedereen die zich met historische publicaties inlaat ervaart, is

gisteren nog commentaar op, want ons dorpsarchief neemt

je woont,’ licht hij toe. ‘Toen ik hier kwam, bleek er een

aanwezig is. Bij voorintekening kwamen er al vijfhonderd

er sindsdien opnieuw veel interessant materiaal tevoorschijn

er langzamerhand een te grote plaats in. In het dorpsblad


96

97

dat eenmaal per maand verschijnt, maak ik

steeds gewag van onze nieuwe aanwinsten.

Dat werkt voor en tegen ons. Mensen worden er

door aangespoord om ook materialen aan te leveren,

maar – zoals ik zeg – het wordt ons teveel. In het

ene geval gaat het om een oud persoonsbewijs uit

1940, dan om een paar klompschoenen, een oude

tabaksdoos, een kolenkit, brieven, ga zo maar door.’

Jullie zijn een museum in wording…

‘Als we niet oppassen, wel. Misschien zien we het wel

helemaal verkeerd, maar we denken en hopen dat

ons nageslacht ooit zal willen weten wat een kolenkit

was. De open dagen die we met enige regelmaat

organiseren worden goed tot zeer goed bezocht.

We doen het dus allemaal niet voor niets. Onze

stichting telt naast leden ook sponsors en donateurs.’

Is het dorpsarchief ook een

beetje

Gedicht

het Age Stiksma­archief?

‘Dat mag je misschien wel een beetje zeggen. Ik zie

daar het gevaar ook wel van in. Vandaar dat ik ben

begonnen

rapper

het hele archief op zijn kop te zetten en

het vervolgens beter toegankelijk te maken. Ik heb

het papiermateriaal destijds allemaal chronologisch

ingedeeld, alles op volgorde van binnenkomst. Maar

als je dan bijvoorbeeld een tentoonstelling wilt maken

in het kader van de opening van de gerestaureerde

boerderij Hagenend 3, dan moet je alle materiaal door

om iets te kunnen vinden. Nog lastiger is het trouwens

om het spul na afloop weer op hun plek te krijgen

in al die mappen, klappers en ordners. Je wilt niet

weten hoeveel materiaal wij als klein dorpje bij elkaar

hebben gebracht. Verenigingen die worden opgeheven,

dragen hun archief aan ons over. Dat is gebeurd met

de landbouwvereniging, met de plattelandsvrouwen

en zo nog een paar verenigingen. Onderzoek is er

nog niet naar gedaan. Ik ben ervan overtuigd dat

het prachtige resultaten zou opleveren. Maar wat mij

betreft geldt het gezegde: first things first. Ik ben nu al

een jaar bezig om per onderwerp, per huis, per straat

dossiers aan te leggen. Als die klus begin volgend jaar

geklaard is, kan iedereen met het archief werken.’

Maar nu het andere materiaal. Waar leg je de grens

van wat je in de collectie opneemt en wat niet?

Stiksma: ‘Dat is een vreselijk moeilijk verhaal.

Als iemand ons een wipkar aanbiedt, moete

dat eenmaal per maand verschijnt, maak ik steeds gewag

van onze nieuwe aanwinsten. Dat werkt voor en tegen ons.

Mensen worden er door aangespoord om ook materialen aan

te leveren, maar – zoals ik zeg – het wordt ons teveel. In het

ene geval gaat het om een oud persoonsbewijs uit 1940, dan

om een paar klompschoenen, een oude tabaksdoos, een

kolenkit, brieven, ga zo maar door.’

Jullie zijn een museum in wording…

‘Als we niet oppassen, wel. Misschien zien we het wel

helemaal verkeerd, maar we denken en hopen dat ons

nageslacht ooit zal willen weten wat een kolenkit was. De

open dagen die we met enige regelmaat organiseren worden

goed tot zeer goed bezocht. We doen het dus allemaal niet

voor niets. Onze stichting telt naast leden ook sponsors en

donateurs.’

Is het dorpsarchief ook een beetje het Age Stiksma-archief?

‘Dat mag je misschien wel een beetje zeggen. Ik zie daar het

gevaar ook wel van in. Vandaar dat ik ben begonnen het

hele archief op zijn kop te zetten en het vervolgens beter

toe gankelijk te maken. Ik heb het papiermateriaal destijds

allemaal chronologisch ingedeeld, alles op volgorde

van binnenkomst. Maar als je dan bijvoorbeeld een

tentoonstelling wilt maken in het kader van de opening van

de gerestaureerde boerderij Hagenend 3, dan moet je alle

materiaal door om iets te kunnen vinden. Nog lastiger is het

trouwens om het spul na afloop weer op hun plek te krijgen in

al die mappen, klappers en ordners. Je wilt niet weten hoeveel

materiaal wij als klein dorpje bij elkaar hebben gebracht.

Verenigingen die worden opgeheven, dragen hun archief aan

ons over. Dat is gebeurd met de landbouwvereniging, met

de plattelandsvrouwen en zo nog een paar verenigingen.

Onderzoek is er nog niet naar gedaan. Ik ben ervan overtuigd

dat het prachtige resultaten zou opleveren. Maar wat mij

betreft geldt het gezegde: first things first. Ik ben nu al een

jaar bezig om per onderwerp, per huis, per straat dossiers

aan te leggen. Als die klus begin volgend jaar geklaard is, kan

iedereen met het archief werken.’

Maar nu het andere materiaal. Waar leg je de grens van wat je

in de collectie opneemt en wat niet?

Stiksma: ‘Dat is een vreselijk moeilijk verhaal. Als iemand

ons een wipkar aanbiedt, moeten wij echt nee zeggen. Ik zou

niet weten waar we zoiets zouden moeten opslaan. Maar

een bekertje dat de schoolkinderen in 1938 kregen toen

Wilhelmina veertig jaar koningin was, daar hebben we wel

een exemplaar van in onze vitrine.

Ik kreeg een doos met kleding, hier in het dorp gedragen.

Compleet met doodshemden. We hebben ze geëxposeerd,

iedereen was onder de indruk. Iedere familie beschikte vanaf

het huwelijk over doodskleding en planken voor de doodskist.

De dood was een niet weg te denken onderdeel van het leven.’

‘Maar om op de vraag terug te komen: waar leg je de grens? Ik

vind een voorwerp de moeite waard als het een beeld geeft

van een bepaalde periode. Ik weet dat je je daarmee enigszins

op museaal terrein begeeft.’

In het dorpshuis Oes Stee hangt een kaart met de veldnamen

van Anderen. Daarop staan niet alleen de 164 namen die

inwoner Geert van Veen ooit bij elkaar bracht, maar ook een

groot aantal nog veel oudere. Opgediept uit akten en uit

registers die in de zeventiende en zestiende eeuw van nieuw

aangemaakte landen werden opgemaakt.

Vroeger waren er veel meer?

‘Dan kom je niet op 164, maar op zo’n vijf à zeshonderd

veldnamen. We kunnen ze niet allemaal terugbrengen tot de

plek in het land waar ze ooit mee verbonden waren. Sommige

akkers gingen op in een groter geheel en verloren hun naam.

Goudakker bijvoorbeeld. De naam slaat niet op het metaal,

maar op de vruchtbaarheid van het land. Gevonden in de

‘Korte staat van nieuw aangemaakte landerijen’ van 1640. In

1807 bestaat de naam nog, maar daarna geen spoor meer.’

Hij wijst erop dat het in vroeger eeuwen vaak om hele kleine

percelen, soms ter grootte van een huidig woonhuis ging,

die bij een boedelscheiding ook nog eens verdeeld moesten

worden. Met drie erfgenamen werden de Hekakkers dan

opgedeeld in Achterste, Middelste en Voorste Hekakkers. Men

probeerde bij zo’n boedelscheiding zo eerlijk mogelijk te zijn.

Men keek daarom niet naar de grootte, maar naar de kwaliteit

van het land. Goed land werd – om bij het voorbeeld te

blijven – in drieën verdeeld, wat tot een enorme versnippering

in bezit leidde.

Al in 1610 trokken vertegenwoordigers van de Landschap

Drenthe er op uit om het grondbezit in kaart te brengen. Zo

kwamen de grondschattingsregisters tot stand, die als basis

dienden voor een provinciale belastingheffing. Later werden

ze vervangen door haardstedenregisters, waarbij het aantal

schoorstenen op huizen en boerderijen als heffingsgrondslag

diende. ‘Overheden zijn altijd al creatief geweest in het heffen

van belastingen en mensen in het ontduiken ervan. Maar we

hebben er wel unieke documenten mee in handen gekregen,

waarmee we nu ons voordeel kunnen doen.’


98

99

De wetenschapper

over waarheidsvinding en veldnamen als blikopener

‘Alle taalconstructies, en dus ook namen,

dragen ten tijde van hun vorming de kenmerken

van de taal en de leefwereld van hun bedenkers.

Is een naam eenmaal vast onderdeel van de

taal geworden, dan gaat hij deelnemen aan de

ontwikkelingsgang van die taal en cultuur, zal

dan onvermijdelijk naar vorm en betekenis gaan

veranderen, en zal tenslotte ook na korte of lange

tijd weer uit de taal verdwijnen.’

Naast de etymologie (geschiedenis van woorden) heeft ook de historische geografie belangstelling voor

plaatsnamen en veldnamen. Men is vooral geïnteresseerd in namen die verwijzen naar kenmerken van

het landschap: hoogte of laagte van een plek, bodem, vegetatie, waterhuishouding en landgebruik.

Veldnamen krijgen nog meer wetenschappelijke betekenis als een gespecialiseerde etymoloog en een

historisch geograaf samenwerken. De eerste brengt zijn kennis in van de naamsgeschiedenis mee en

de tweede is gespecialiseerd in het duiden van de landschappelijke context waarin de naamgeving tot

stand kwam.

Met dit ‘een­tweetje’ zijn de wetenschappelijke mogelijkheden van veldnamen nog lang niet uitgeput.

We leven in een tijd van verregaande wetenschappelijke specialisatie. Dat geldt ook voor een

studieobject als het landschap. Veldnamen maken ons weer bewust van het landschap als historisch

gelaagde leefomgeving Zij tonen als geen ander medium de integrerende eigenschappen van het begrip

landschap aan en nodigen uit om de kennis uit de vele deelwetenschappen op een slimme manier op

elkaar te betrekken.

Cultuurhistorie en ecologie vormen twee vakgebieden die door specialisatie en beleidsmatige

verkokering uit elkaar zijn gegroeid. Veldnamen, als fenomenen van een agrarische ecologie,

attenderen ons juist op de wisselwerking van de twee vakgebieden. Ze leren ons veel over de

plaatselijke gevarieerdheid van de ecologische setting in de beekdalen en de relatie met historische

gebruikssystemen. Deze variatie is te vertalen naar verschillen in hoogteligging, bodemtype, hydrologie

en archeologische vindplaatsen. De samenwerking van verschillende vakgebieden kan de kennis

aanleveren die nodig is voor een zorgvuldige inpassing van natuurontwikkeling en waterberging.

Jan ter Laak

De taal van het landschap

RAM 123; ROB Amersfoort 2005


De wetenschapper 4

100

101

Veursteveen => grondsoort

Lit utet lortio exerosto et nulla autpat wisi.

Iriure ting exerius cillan ex enis am vendit

praesed modit lan verat alisim zzrilis eugait

vullan utpat dolobore exercin hent veliquis

nummy nos digna aut alissit la alit nibh

exeraestrud minibh ex el essed min eu facin ea

facilismod erit lor sit, quisi tisciduipit wissim

zzriure vulla adiat.

Gait volobore tin endrerat. Per sim velesed

magnim zzriure feugue ex ea feuisci eugait

adipsum sandionum aliquissim irit lore

doluptat, consent lutetum iriurem in utat ut

Nieuwlanden => Nijlandse akkers

Veldnamen als bron voor

historisch-ecologisch onderzoek

Theo Spek

Historische plaatsnamen, waternamen en veldnamen vormen een rijke bron voor

wetenschappelijk onderzoek, niet alleen voor de taalkunde, maar ook voor tal van andere

vakgebieden. In dit essay onderzoeken we de mogelijkheden die toponiemen bieden bij het

onderzoek naar de vroegere natuur in het Drentse Aa­gebied. Hoe vertaalden vroegere bewoners

de complexiteit van het natuurlandschap in een reeks eenvoudig te hanteren veldnamen?

Wat leren de vele duizenden veldnamen in het Drentse Aa­gebied over de opbouw van het

natuurlijke landschap in dit gebied, over de bijbehorende planten­ en dierenwereld en over de

manier waarop de mens de natuur vroeger heeft gebruikt? En welke onderzoeksmethoden zijn

beschikbaar om de relatie tussen toponiemen en historische ecologie verder te onderzoeken?

Veursteveen => grondsoort

Bla­die­bla

Bla­die­bla

Oriëntatie in natuurlandschappen

Wie wel eens in het buitenland door een uitgestrekt natuurlandschap heeft gelopen, kent

wellicht het welhaast existentiële gevoel van angst om de weg kwijt te raken, een gevoel dat

op zo beeldende wijze is beschreven door W.F. Hermans in zijn bekende roman Nooit meer

slapen. De hoofdpersoon verricht geologisch onderzoek in het ongerepte toendralandschap

van Telemarken in Noord-Noorwegen en raakt op zeker moment volledig gedesoriënteerd. Een

dergelijke ervaring roept direct de vraag op hoe mensen de weg weten te vinden in een ongerept

natuurlandschap. Welke landschapselementen of terreineigenschappen zijn daarbij eigenlijk

essentieel? En hoe vind je een eenmaal ontdekte route later weer terug en leg je aan anderen

uit waar je precies bent geweest en hoe hij of zij daar zelf ook kan komen? Het zijn interessante

vragen die ook in de wetenschappelijke wereld relevant worden geacht. Archeologen denken

bijvoorbeeld over dit soort vragen na wanneer ze proberen te achterhalen op welke manier

prehistorische jagers precies hun routes bepaalden op zoek naar rendieren of ander grootwild.

En ook etnologen en antropologen die de leefwereld van vroegere of huidige bevolkingsgroepen

bestuderen zijn in dit soort zaken zeker geïnteresseerd.

Eén van hen was de bekende Amerikaanse antropoloog Frank G. Speck die omstreeks 1920

naar de noordelijke indianenstammen op het schiereiland Labrador in Noordoost-Canada

trok. Hij wilde achterhalen hoe de Mistassini-indianen hun weg zochten in het eentonige

boreale landschap van deze streek. Met behulp van een tolk sprak hij vele indianen aan over

dit onderwerp. Vervolgens maakte hij notities en kaarten van de landschappelijke routes

en plekken die de Mistassini vanuit hun geheugen konden oproepen. Hij ontdekte dat de

mental map van deze indianen vele honderden verschillende plekken bevatte, gerangschikt

langs tal van routes en verspreid over een gebied van vele honderden vierkante kilometers.

Het overgrote deel van deze routes bleek als verbindend element het water te hebben. In het


De wetenschapper 4 102 103

monotone boreale landschap vormen rivierlopen en kustlijnen van meren namelijk verreweg

de belangrijkste oriëntatielijnen. Een netwerk van paden volgde nauwgezet deze rivieren

en kustlijnen, waarbij in het geval van een rivierloop nauwkeurig werd aangegeven of deze

stroomopwaarts, dan wel stroomafwaarts diende te worden gevolgd. Elk riviertraject en elk

meer droeg een naam die de specifieke kenmerken van het desbetreffende water vermeldde

(bijvoorbeeld ‘de schuimrivier’ of ‘het diepe meer’) of van de planten en dieren die langs dat

traject veel voorkwamen (‘de populieren rivier’; ‘jachtplek voor futen’). Langs elk van deze

trajecten kende iedere indiaan tal van specifieke land marks op karakteristieke plekken,

zoals bijvoorbeeld ‘de plek waar de elzen door de rivier zijn ondergraven’ of ‘de plek waar

de steur paait’. Natuurlijke kenmerken en de menselijke perceptie daarvan bepaalden de

routes. Wanneer de indianen zich echter verder van de rivier af begaven en in de monotone

dennenbossen en toendravlakten terecht kwamen, bood de natuur veel minder houvast. Daar

oriënteerden ze zich veel meer op kunstmatig aangebrachte merktekens, zoals rechtopstaande

en gestapelde stenen, stokken die in de grond waren geprikt of merktekens die ze eerder in

bomen hadden gekrast. Om op de terugweg de goede route te kunnen terugvinden, sneden de

indianen in de bast van bepaalde bomen steeds weer een vers merkteken, waardoor deze op

het laatst een grote hoeveelheid merktekens uit allerlei perioden bevatten. Hier waren het dus

vooral antropogene kenmerken die de oriëntatie bepaalden.

Net als veel latere antropologen en archeologen kwam Speck tot de conclusie dat in de

betekenis geving aan natuurlandschappen drie lagen te onderscheiden zijn. Allereerst geven de

desbetreffende bewoners op heel concrete wijze uitdrukking aan hun gedetailleerde inzicht in

de opbouw en eigenschappen van de hen omringende natuur. In de tweede plaats benoemen ze

in hun namen de diverse gebruiksmogelijkheden van elk afzonderlijk onderdeel van die natuur.

En in de derde plaats hechten zij aan tal van natuurlijke plekken ook allerlei sociale, rituele en

kosmologische betekenissen, bijvoorbeeld op het gebied van voorouderverering, natuurreligie

of jachtsymboliek. In de namenvoorraad van een natuurlandschap zien we doorgaans elk van

deze drie betekenislagen terug. Het is interessant om te kijken of deze driedeling ook in onze

historische cultuurlandschappen aanwezig is, bijvoorbeeld in het Drentse Aa-gebied.

Veldnamen en historische ecotopen

Net als in de boreale streken van Noord-Amerika lijkt ook de natuur in het Drentse Aa-gebied

op macroschaal weliswaar een begrensd aantal verschijningsvormen te vertonen, maar op

microschaal gaat het om een welhaast oneindige variabiliteit. Wie goed kijkt ziet dat op elke

plek in het Nationaal Landschap de milieuomstandigheden weer net even anders zijn dan op

aangrenzende plekken. Kleine verschillen in geologie, reliëf, bodemopbouw, lokale waterhuishouding,

zuurgraad en mineralentoestand van de bodem leiden overal tot net weer andere

leefomstandigheden voor planten en dieren. De natuur ziet er daarom overal weer net even

anders uit. Een ecosysteem bestaat dus uit een breed scala aan ecologische gradiënten van heel

verschillende aard.

Om vat te krijgen op deze complexe wereld, nemen ecologen vaak hun toevlucht tot een

sterke vereenvoudiging van de werkelijkheid. Ze ontwerpen classificatiesystemen waarin op

basis van samenhangen tussen terreineigenschappen een begrensd aantal standplaatstypen

(ecotopen) wordt onderscheiden. Dergelijke ecotopen worden zo goed mogelijk omschreven

en afgebakend van aangrenzende ecotopen. Een bovenloopsysteem van de Drentse Aa heeft

bijvoorbeeld een duidelijk andere bodemopbouw, grondwaterstroming en bodem-pH dan een

middenloopsysteem. En binnen een bovenloopsysteem wijken gebieden met een dunne venige

bovengrond weer op allerlei punten af van gebieden met een zandige bovengrond. Door het

zorgvuldig karteren van plekgebonden samenhangen kan zo een begrensde hoeveelheid van

enkele tientallen basisecotopen worden onderscheiden.


De wetenschapper 4 104 II

Omdat plantensoorten het meest direct reageren op de eigenschappen van hun standplaats en

een bepaald ecotoop vaak een kenmerkende combinatie van plantensoorten bevat, vormen

dergelijke plantencombinaties – uitgedrukt in plantengemeenschappen of vegetatietypen - een

in de ecologie breed geaccepteerd etiket voor het desbetreffende ecotoop. Zo weet iedere ecoloog

bijvoorbeeld dat het Dotterbloem-verbond (Calthion palustris) model staat voor graslanden op

matig voedselrijke, moerige tot venige, soms slibhoudende, klei- of veengronden die ‘s winters

nat en ‘s zomers vochtig zijn en vrijwel steeds worden gevoed door voedselrijk regionaal kwelwater.

De naam is dus een pars pro toto, een ecologisch etiket voor een bepaald deel van het

totale landschap of van het totale ecosysteem.

Vergelijken we dit met de manier waarop gewone mensen in het verleden hun eigen omgeving

benoemden, dan wijkt dit in essentie niet erg af van de zojuist beschreven ecologische werkwijze.

Ook de vroegere mens werd namelijk in zijn leefomgeving geconfronteerd met een

wel haast oneindige variatie van natuurlijke en halfnatuurlijke ecosystemen. Om hier vat op te

krijgen was het nodig om deze oneindige reeks terug te brengen tot een beperkt aantal, voor

iedere ingewijde te herkennen en te hanteren, landschapseenheden. Dergelijke eenheden

noemen we hier historische ecotopen. Elk historisch ecotoop kreeg daarbij een eigen ‘veldnaam’,

of liever gezegd naamselement. Vooral het laatste element van een veldnaam, in de naamkunde

slotelement genoemd, was daarbij kenmerkend. Een voorbeeld zijn de veldnamen met het

slotelement horst. Iedere ingewijde wist bij het horen van die namen direct over welk soort

landschapseenheid het ging: een hoge kop in een laaggelegen gebied, met een zandige, droge

bodem, hoogopgroeiend geboomte, uitstekend geschikt om als pleisterplaats te dienen voor

het vee. Een ander voorbeeld is het slotelement stroet, waarbij iedere Drent vroeger niet alleen

direct dacht aan een plek waar water uit de grond opwelde, maar direct ook aan de smalle

laagte in het desbetreffende terrein, de zandige bodem, de karakteristieke planten die daar

groeiden en tevens aan het feit dat dit soort plekken in de winter doorgaans later bevroren dan

andere. De stroeten in het Scheebroek bij Anderen en die bij het Gasterse Holt zijn hier mooie

voorbeelden van. Vertelde men daarentegen aan dezelfde persoon over een gebeurtenis die had

plaatsgevonden in een gebied met de naam vledders, zoals bijvoorbeeld de Loefvledders bij

Gasteren, dan dacht deze ogenblikkelijk aan een anderssoortig stroomdallandschap, namelijk

met een wat bredere laagte, een meer venige bodem, een ander grondwaterregime, een anderssoortige

plantengroei en ook geheel andere beweidingsmogelijkheden.

Groeten uit New Forest

Voorbeeld van vledders in the New Forest.

Coördinaten

Met andere woorden: achter elk type veldnaam schuilt een bepaald soort landschap, een

bepaalde samenhang van natuurlijke terreineigenschappen en een bepaalde reeks van

gebruiks mogelijkheden voor de mens. Veldnamen waren voor vroegere bewoners dus wat standplaatstypen

zijn voor de moderne ecoloog: een benaming voor een landschappelijke eenheid

die een specifieke samenhang tussen reliëf, bodem, waterhuishouding, flora en fauna vertoont.

Het was als het ware een eenvoudig etiket voor een complex deel van de eigen leefomgeving.

Wie de code kende, kreeg daarmee de toegang tot het landschap en wist direct hoe hij zich in dit

landschap kon oriënteren en hoe hij het landschap kon gebruiken.

Veldnamen als gestolde terreinkennis

Groeten uit Biebrza

Alle belangrijke historische ecotopen in het Drentse Aa-gebied kregen een specifieke

naam die in historische veldnamen vooral doorklinken als slotelement van veldnamen.

Een eerste inventarisatie van dergelijke historisch-ecologische slotelementen op basis

van 19 e -eeuwse notariële archieven en de 20 e -eeuwse collectie Wieringa maakt duidelijk

dat het natuurlijke reliëf, de vegetatiestructuur en de natuurlijke waterhuishouding

de drie belangrijkste factoren waren in de naamgeving van het natuurlijke landschap.

Elk van deze drie kan gemakkelijk in het veld met het oog worden vastgesteld en

Links boven een voorbeeld van een horst,

onder een voorbeeld van een stroet.

Inzet een voorbeeld van een broek in Biebrza.


VII VIII 105

Corrie

Toponiem

Rodoveentie


De wetenschapper 4 106 107

kende een begrensde variatie. Zo onderscheidden de vroegere bewoners ongeveer twintig

verschillende slotelementen voor natuurlijke reliëf, ongeveer twintig slotelementen voor de

vegetatiestructuur (zowel voor gesloten bos- en struik vegetaties, als voor halfopen en open

landschappen) en tussen de twintig en de dertig verschillende slotelementen voor natuurlijke

wateren en moerassen. De vroegere Drentse natuur kon dus min of meer worden samengevat in

zo’n 60-70 verschillende historische ecotopen, elk voorzien van hun eigen naamkundige etiket

(slotelement).

Binnen elk individueel ecotoop bestond uiteraard de nodige variatie in grondsoort, bodemopbouw,

flora en fauna: terreineigenschappen die niet op het eerste gezicht duidelijk zijn,

Uitsnede Alterrakaart

maar die een nadere analyse van de desbetreffende plek behoeven. Bovendien voegden de

vroegere bewoners op grond van hun ervaring allerlei culturele betekenissen toe aan plekken,

bijvoorbeeld met betrekking tot de agrarische gebruiksmogelijkheden, markante gebeurtenissen

die in het verleden op die plek plaatsvonden of speciale betekenissen die aan zo’n plek

werden gehecht. Al dit soort minder zichtbare en meer vergankelijke eigenschappen van de

lokale natuur klinken in de naamgeving hoofdzakelijk door als eerste element, als een soort

van bijvoeglijke bepaling. Voorbeelden zijn namen als Kranenbulten (kranen = kraanvogels),

Addermoaties, Leemakker, Steenhoorns, Kreuzenmaat (kreuzen = bosbessen), Paosberg, Koningskoel

en Hilgenbarg (hilge=heilig). Juist deze combinatie van een begrensd aantal basisecotopen

met een grote interne variatie aan plekgebonden eigenschappen en betekenissen maakte het

voor de vroegere bewoners mogelijk om tot een overzichtelijk, herkenbaar en overdraagbaar

landschappelijk naamgevingssysteem te komen. Wie vroeger als kind de 60 tot 70 verschillende

basisnamen kende en spelenderwijs ook de talrijke nuanceringen van deze namen leerde

ontdekken in de vorm van specifieke eerste elementen, kreeg daarmee één van de belangrijkste

sleutels tot het eigen landschap én de eigen samenleving in handen. Met deze ervaringskennis

kon je je immers overal in je dorpsgebied of streek oriënteren, je thuis voelen en ook veel doeltreffender

communiceren met andere dorps- en streekbewoners. Tezamen met de inwijding

in allerlei sociale en culturele gebruiken, was het waarschijnlijk juist ook deze gecodeerde

fijnzinnige terreinkennis die zorgde dat iemand als een volwaardig en geaccepteerd lid van

de eigen samenleving werd beschouwd. In onze huidige samenleving is dit laatste weliswaar

enigszins op de achtergrond geraakt, maar zeker niet afwezig.

Historisch­ecologisch onderzoek van veldnamen

Hoe breken we als onderzoekers de complexe code van de historische namen en ecotopen die

de bewoners van het Drentse Aa-gebied hanteerden? We noemen een aantal mogelijkheden.

In de eerste plaats kan door taalkundigen een diepgravende studie worden gemaakt van de

etymologie van de diverse slotelementen die voorkomen in de natuurnamen van het Drentse

Aa-gebied. Dit werpt mogelijk nieuw licht op de precieze motieven van de vroegere naamgevers

bij de naamgeving. Wanneer we bijvoorbeeld weten dat het woord stroet etymologisch is

af geleid van het indogermaanse *shredh/*shrodh ‘bronbos’ en direct verwant is aan het

Middel nederlandse strote ‘strot, keel, gorgeling’, dan helpt dit zonder meer om tot een nadere

inperking van dit slotelement te komen. Het slaat in essentie op het brongebied van een beekje

en niet op de bovenloop van een beekje, zoals velen denken. En wie weet dat in mars (germaans

*mariska) het germaanse woord mar ‘water’ ligt opgesloten, aangevuld met een bijvoeglijke

bepaling, die kan uit deze grondbetekenis van ‘behorend bij/afkomstig van het water’ al veel

beter begrijpen waarom marsgebieden altijd frequent door de beek overstroomde gebieden

waren, niet zelden ook met een sliblaag die is afgezet door dezelfde beek. De Maarsen langs het

Anloërdiepje zijn een mooi voorbeeld.


De wetenschapper 4 108 109

Een tweede kans op taalkundig gebied ligt besloten in de zorgvuldige analyse van alle eerste

elementen die in het Drentse Aa-gebied aan een bepaald slotelement worden gekoppeld. Wellicht

verraden deze specifieke combinaties meer over de vroegere bodemgesteldheid, waterhuishouding,

plantengroei en dierenwereld ter plekke of over de manier waarop de mens de

desbetreffende landschapseenheid beleefde en gebruikte. Een prachtig voorbeeld is in dit

opzicht de studie van de Duitse naamkundige Dittmaier die begin jaren ’60 de laar-namen in

Noordwest-Europa onderzocht. Hij constateerde daarbij dat onder de eerste elementen die in

combinatie met het slotelement laar werden gebruikt, opvallend veel diernamen voorkwamen

en anderzijds ook opvallend veel namen die verwezen naar het inperken van vee binnen

omheiningen. Hiermee kon de etymologische betekenis van laar als ‘bos met open plekken’

Uitsnede Anderen Gasteren Anloo

GIS (DVD) de Koning

worden uitgebreid met een functie van afgeperkte bosweide voor het vee, hetgeen allerlei

beelden oproept over het middeleeuwse landschap ten tijde van de naamgeving.

Een derde, zo mogelijk nog belangrijker onderzoeksaanpak is die van het correlatieve

historisch-ecologische onderzoek. Wanneer het inderdaad zo is, dat een veldnaam – en dan

met name de slotelementen – een pars pro toto is voor een bepaalde samenhang van reliëf,

bodem gesteldheid, waterhuishouding, vegetatie en agrarische gebruiksmogelijkheden, met

andere woorden voor een bepaald historisch-ecologisch ecotoop, dan ligt het voor de hand om

met behulp van ruimtelijk-statistisch onderzoek op zoek te gaan naar de precieze inhoud van

deze ecotopen. Met andere woorden: We dienen voor elk slotelement nauwkeurig te analyseren

wat de bodemkundige, hydrologische, floristische, cultuurhistorische en anderssoortige

ecologische en historische eigenschappen de desbetreffende gebieden hebben. Hiervoor hebben

we allereerst een betrouwbaar digitaal bestand nodig van de diverse namenverzamelingen,

bijvoorbeeld die van de 17 e -eeuwse grondschatting, de 19 e -eeuwse notariële archieven of

de 20 e -eeuwse verzameling Wieringa, uitgesplitst naar slotelementen en eerste elementen.

Vervolgens dient de lokatie en/of ruimtelijke verbreiding van elke veldnaam met behulp

van GIS zo betrouwbaar mogelijk te worden vastgesteld met behulp van een contemporaine

kaart, bijvoorbeeld het kadastrale minuutplan van 1832 voor de 19 e -eeuwse namen uit de

notariële archieven. Ten derde dienen in hetzelfde GIS-systeem een reeks van andersoortige

kaarten te worden opgenomen, zoals bijvoorbeeld geomorfologische kaarten, bodemkaarten

en historisch-topografische kaarten. Tot slot kan voor elk slotelement of eerste element met

behulp van kartografisch en statistisch onderzoek worden bepaald welke ruimtelijke verdeling

het desbetreffende element heeft over de diverse reliëf-, bodem- en historisch-topografische

legenda-eenheden. Hierbij komen allerlei topologische samenhangen aan het licht die ons

helpen om een meer afgebakend beeld te krijgen van de terreineigenschappen van een bepaald

naamselement. Het uiteindelijk doel van dit alles is om te komen tot een classificatiesysteem

en kaart van de historische ecotopen in het Drentse Aa-gebied in een bepaalde periode. Een

dergelijk product is niet alleen van grote waarde voor het historisch landschapsonderzoek, maar

ook voor ecologische vraagstelling en voor de educatie over de leefomgeving aan bewoners en

bezoekers van het Nationaal Landschap Drentsche Aa. Gewapend met deze nieuwe inzichten

en kennis kunnen we vervolgens de historische bronnen over het Drentse landschap en het

historisch-ecologische gebruik van het landschap met nieuwe ogen bezien.

Interessant is in de vierde plaats de koppeling tussen de onderscheiden historisch-naamkundige

ecotopen en allerlei actuele ecologische databestanden en kaarten, bijvoorbeeld

vegetatiekaarten. Dit biedt mogelijk allerlei nieuwe perspectieven om historisch-ecologische

kennis te gaan toepassen in de praktijk van het moderne natuur- en landschapsbeheer.


De wetenschapper 4 110 111

Een vijfde en laatste uitdaging is de verbinding van historisch-ecologische en moderne

ecologische kennis met de paleobotanische studie van de diverse onderscheiden ecotopen.

Door op geselecteerde plekken gericht onderzoek te gaan doen naar fossiel stuifmeel, hout en

anderssoortige plantenresten, kunnen de diverse historische ecotopen botanisch en vegetatiekundig

nader worden ingekleurd. Ook dit is van groot belang voor het toekomstige beheer.

Namen voor reliëf en bodem

In een vlak en grotendeels open gebied vallen kleine hoogteverschillen in het terrein duidelijk

op. Geen wonder dat in een vlak keileemlandschap als dat van het Drents Plateau veel namen

voorkomen die verwijzen naar hoogten en laagten, dat wil zeggen naar plekken die duidelijk

boven of onder het reguliere plateau uitsteken. Voorbeelden van hoogten zijn onder meer berg,

pol, bult, haar, horst, hoorn/heurn, duin, nor en hul. Namen voor laagten zijn onder meer dal,

laag, kuil, hol, gat en put. Uit deze grote variatie blijkt direct al dat de ene hoogte de andere

niet was en dat ook laagten onderling sterk konden verschillen. Verschillen in relatieve hoogte,

vorm, landschappelijke ligging en mate van natuurlijkheid (gegraven of niet) leidden ook tot

verschillen in naamgeving. Een dergelijke diversiteit was in hoge mate functioneel, niet alleen

vanwege een meer efficiënte oriëntatie en onderlinge communicatie, maar zeker ook omdat elk

naamtype bewust of onbewust bij de bewoners een reeks van associaties opriep over de ligging

van de desbetreffende plek in het landschap, de vorm en grootte van de plek, de begroeiing die

hier te verwachten viel én – nog het meest belangrijk - de mogelijkheden en onmogelijkheden

die een dergelijke plek bood voor landbouwkundige exploitatie. Bij het horen van een naam

met het slotelement –berg, –pol of –bult dacht iedere Drent min of meer automatisch aan een

hoge zandkop op een es of in een heideveld die duidelijk boven zijn omgeving uitstak (bv de

Hilgenbarg op de Zuidesch van Gasteren, de Hoge Pol ten westen van Rolde of de Hoornsche

Bulten ten zuidoosten van Rolde). Bergen waren daarbij meestal groter van omvang dan pollen

en bulten. Ging het echter niet om een geïsoleerde zandkop, maar om een meer langgerekte

zandrug of een wat meer uitgestrekt hooggelegen zandgebied, dan kreeg deze hoogte geen bergof

pol-naam, maar een naam die eindigde op haar (bv de Boerhaar bij Grolloo of de Steenhaar

bij Hijken) of duin (bv de Gasterense Duinen of de Duinenberg bij Schipborg). Daarbij sloeg

duin meestal op stuifzand en haar veelal op dekzand. Iedere Drentse boer wist verder dat hij

bij akkerpercelen met de namen berg, pol of haar niet bepaald op een hoge gewasopbrengst

hoefde te rekenen, behalve dan in extreem natte jaren. Vrijwel altijd hadden dit soort plekken

immers een droge en relatief onvruchtbare zandgrond die in de loop van de zomer tot sterke

verdrogingsverschijnselen leidde. In de bodemkunde heten dit soort droge arme zandgronden

overigens heel treffend ‘haarpodzolgronden’, een naam die in de jaren ’60 is bedacht door de

Wageningse historisch geografe Edelman-Vlam die daarbij zonder twijfel heeft geput uit haar

Drentse onderzoek in die jaren.

Interessant is verder dat naamselementen als berg, pol en haar sterk gebonden zijn aan de

hogere gronden. Voor de lager gelegen gronden had men weer een ander namenarsenaal. Zo

gaf men aan een geïsoleerde zandkop in een stroomdal meestal een naam met het slot element

horst, terwijl een langgerekte zandrug die zich vanaf de hogere gronden tot in het stroom dal

of een ander laaggelegen gebied uitstrekte vrijwel steeds veldnamen kregen die eindigden op

–hoorn/-heurne of -schoot (bv de Veldhorn ten noordwesten van Gasteren, de Steen hoorns bij

Anloo en de Ballerheurne ten westen van Gasteren aan de overkant van het Rolder diep). Een

hoorn of heurne was daarbij een smalle, spits toelopende hoogte met een zekere kromming

(vergelijk een koeiehoorn). Een schoot (germaans *skauta) was een wat bredere, meer driehoekige,

zandrug die duidelijk uitstak in een moerassig terrein. Ook dit soort reliëfnamen

dienden niet alleen voor de oriëntatie in het veld, maar hadden ook belangrijke land bouwkundige

implicaties. Een zandige horst, hoorn of schoot in een beekdal leverde weliswaar een


De wetenschapper 4 112 113

veel mindere hooioogst op dan de omringende lagere gronden, maar was in natte tijden vaak

wel een goede pleisterplaats voor grazend vee, zeker omdat hier vaak ook een klein bosje of een

groepje bomen stond. Elke scheper, koeherder en zwijnehoeder maakte in het verleden met zijn

kudde dankbaar gebruik van dit soort schaduwrijke pleisterplaatsen.

Namen voor bossen en struwelen

Wie één van de fraaie 19 e -eeuwse kaarten van het Drentse Aa-gebied bekijkt, ziet hierop

direct dat de oppervlakte bos hooguit enkele procenten bedroeg. Van het immense oerwoud

dat duizenden jaren geleden deze streek nog vrijwel volledig bedekte, was reeds in de late

pre historie het overgrote deel verdwenen. Ontginningen, houtkap, intensieve beweiding en

voort durende winning van kreupelhout en hakhout voor huisbrand en boerengeriefhout eisten

hier hun tol. Toch moet de situatie in de Middeleeuwen minder dramatisch zijn geweest dan

in de 19 e eeuw. Allereerst dragen veel middeleeuwse esdorpen ook namen die direct van dit

soort bosnamen zijn afgeleid. Denk bijvoorbeeld aan de plaatsnaam Eext (‘gebied met eiken’)

en de talrijk voorkomende plaatsnamen op –loo, zoals Anloo, Balloo, Eldersloo, Grolloo, Peelo,

Schoonlo, Taarlo en Tinaarlo, maar ook Rolde (1232 Rotloe) en Loon die volgens naamkundigen

eveneens van loo zijn afgeleid. Kijken we naar de tienduizend historische veldnamen die in

het Drentse Aa-gebied bekend zijn, dan blijken toch zeker enkele honderden daarvan ons nog

de weg te wijzen naar de boslandschappen die hier in vroeger eeuwen hebben gelegen. Heel

verrassend is hierbij de rijke variatie aan boom- en struikvegetaties die deze historische Drentse

bossen moeten hebben gehad en de eveneens rijke variatie in het gebruik van deze bossen.

Ik leid dat af uit het feit dat binnen het Nationaal Landschap Drentsche Aa minstens vijftien

verschillende veldnamen - of beter gezegd naamselementen - voorkomen die verwijzen naar bos

of struikgewas. Voorbeelden zijn naamselementen als holt, loo, laar, strubben, bruil, horst, hout,

haag, stobbe, stok, hees, wold, broek, bos, doorn, dick en duist. Vrijwel zonder uitzondering

worden deze ook als slotelement van de in het Drentse Aa-gebied voorkomende toponiemen

vermeld, waaruit we kunnen afleiden dat het inderdaad steeds om een specifiek soort bos of

struikgewas ging dat door de vroegere bewoners als afzonderlijke ruimtelijke eenheid werd

herkend én onderscheiden. Tot slot laten ook de eerste elementen van veldnamen in het Drentse

Aa-gebied tal van boom- en struiknamen zien, wat belangrijke aanwijzingen geeft over de

vroegere natuurlijke verspreiding of aanplant van deze soorten. De conclusie kan dan ook niet

anders zijn, dan dat het middeleeuwse en vroegmoderne landschap langs de Drentse Aa nog

een verrassend grote variatie aan boslandschappen kende.

Groeten uit New Forest

Voorbeeld van een laar in the New Forest

Eén van de meest voorkomende bosnamen was uiteraard holt, een toponiem dat in vrijwel

elk dorpsgebied voorkwam. Uit historische bronnen en uit overlevering is bekend dat de

holten van eminent belang waren voor de vroegere lokale productie van het Drentse bouw- en

timmerhout. De etymologie van holt (oudnederlands holt; germaans < *hulta) sluit hier zeer

wel bij aan. Volgens taalkundigen is holt namelijk verwant aan het indogermaanse werkwoord

*kelê- dat ‘hakken, klieven, breken’ betekent. Holt heeft daarom hoogstwaarschijnlijk een

grondbetekenis van ‘het afgehakte, dat wat af te hakken is’. Wanneer holt als slotelement

wordt genoemd dan kunnen we er namelijk vrij zeker van zijn dat de naam verwijst naar

Groeten uit New Forest

een holt op de plek van het toponiem zelf. Komt holt echter als eerste element voor, dan

kan het desbetreffende toponiem zowel verwijzen naar de vroegere aanwezigheid van een

holt ter plekke (Holtakker als ‘akker ontgonnen uit het vroegere holt’) als naar de ligging

van de desbetreffende akker nabij een holt (Holtakker als ‘akker bij het holt’). Vaak zien

we dat beide typen in de onmiddellijke omgeving van elkaar voorkomen, zodat een

soort van ruimtelijk cluster van holtnamen op de kaart te zien is. Met behulp van een

grondboor kunnen we op dit soort plaatsen vaak nog een goede inschatting maken van

de contouren van het oorspronkelijke middeleeuwse holt, zowel onder de es zelf als in

Links boven een voorbeeld van strubben,

onder een voorbeeld van een holt.

Inzet een loo in the New Forest.


Historische natuurnamen in Gasteren

Wanneer in de 19 e eeuw een perceel grond

werd verkocht, noteerde de notaris in de acte

niet alleen het kadastrale nummer, maar ook

de naam van het desbetreffende perceel. Door

onderzoek van de notariële archieven leren we

dus veel oude veldnamen uit die tijd kennen.

Onderzoekers hebben de afgelopen jaren meer

dan 10.000 van dit soort 19 e ­eeuwse veldnamen

kunnen achterhalen voor het Drentse Aagebied.

Ongeveer 4000 daarvan verwijzen

direct naar de opbouw en samenstelling van

de vroegere natuur. Soms gaat het daarbij om

het natuurlijke reliëf, zoals hoge plekken in

het landschap (berg, bult, pol, hoog, hoorn)

of laagten (dal, val, laag). Andere namen

verwijzen naar oude bossen of struwelen

die vroeger op die plek voorkwamen zoals

bijvoorbeeld holt, loo, hees en doorn. Nog weer

andere namen verwijzen naar de plantengroei,

de wilde dieren die hier voorkwamen of de

bodemgesteldheid. Op deze reconstructiekaart

van de vroegere marke Gasteren zijn de

verschillende soorten namen met behulp van

symbolen afgebeeld. Als ondergrond diende

daarbij de historische kadasterkaart uit 1832.

De namen zelf dateren uit de periode 1838­

1866.

de directe omgeving daarvan. Een fraai voorbeeld is de reconstructie van het noordoostelijke

deel van het voormalige Anloërholt die Spek en Elerie tijdens een veldonderzoek begin jaren ’90

konden maken.

Ondanks het feit dat de meeste holten in het Drentse Aa-gebied al eeuwen geleden verdwenen

is, zijn er in houtwallen, houtsingels en wegbermen vaak nog tal van oude bosplanten terug te

vinden die herinneren aan de holten van weleer. Voorbeelden zijn onder meer bosanemoon,

adelaarsvaren, bosklaverzuring, salomonszegel, dalkruid, zevenster en lelietje-van-dalen, maar

ook houtige soorten als veldiep, fladderiep, wilde appel, gewone hondsroos, één- en tweestijlige

meidoorn, egelantier, wilde kardinaalsmuts, wegedoorn en diverse zeldzame rozensoorten.

Ze herinneren ons aan het schitterende uiterlijk dat de oude holten vooral in het voorjaar

moeten hebben gehad. Juist door combinatie van floragegevens, toponiemen, bodemopbouw

en historische archiefonderzoek kan een beter zicht worden verkregen van de ruimtelijke

verbreiding, samenstelling en gebruiksgeschiedenis van deze oude bossen.

Bosweiden, struwelen en hakhoutbossen

Eén van de meest fascinerende aspecten van de middeleeuwse bosgeschiedenis van Drenthe

is de toenmalige aanwezigheid van tal van halfopen bosweiden en struikvegetaties, ontstaan

en in stand gehouden door intensieve begrazing met kuddes runderen, schapen en varkens.

De wetenschapper 4 114 115

Groeten uit het

kreupelhout

Dergelijke woodland pastures komen tegenwoordig niet of nauwelijks meer in onze streken

voor, omdat dit soort oude begrazingssystemen al eeuwen geleden zijn verlaten en de meeste

voormalige graasgebieden zijn ontgonnen tot cultuurland. Wel kennen we dit vegetatietype

in beperkte schaal nog uit ons omringende landen als Engeland en Duitsland. Onderzoek in

dit soort gebieden heeft duidelijk gemaakt dat langdurige intensieve begrazing van bossen

Voorbeeld van kreupelhout

in de loop der eeuwen voor een steeds verdere opening van het bos zorgt. Van een bos met

kleine open plekken ontwikkelde zich langzamerhand een soort van halfopen parklandschap

met gras- en heidevegetaties in de kruidlaag, verspreid staande bomen en boomgroepen in de

boomlaag en op tal van plekken ook stekelige struiken en kreupelhout dat kon overleven onder

een hoge begrazingsdruk.

Hoewel we nog weinig weten over de voormalige bosweiden in Drenthe, zijn het vooral de

historische plaats- en veldnamen die ons in dit verband een belangrijke stap voorwaarts

brengen. Het belangrijkste is hier zonder twijfel loo (germaans *lauham), een naamselement dat

volgens naamkundigen afgeleid is van de gereconstrueerde indo-europese wortel *leuk­ / louk­ /

luk­ ‘lichtgeven / licht’. In het Latijn bestaan onder meer de werkwoorden collûcâre ‘een open

plek in het bos willen maken’ en interlûcâre ‘een bos uitdunnen’. Dit wijst voor loo in de richting

van een oude betekenis ‘open plek in een bos’ of ‘bos met open plekken’. Interessant is dat het

verwante Oudengelse woord leah zowel bos als weide kan betekenen, wat de sterke indruk wekt

dat dit woord in de Vroege Middeleeuwen min of meer synoniem was voor bosweide. Een zelfde

betekenis neem ik ook voor de Drentse loo-gebieden aan. Het waren vermoedelijk bosweiden

met een zeer open structuur, ontstaan door eeuwenlange begrazing. Uit de talrijke plaatsnamen

grondgebruik

veldnamen

schaal: 1 : 25.000

en veldnamen met het element loo in het Drentse Aa-gebied, kunnen we afleiden dat dit soort

heide

veen

moeras

bos

bouwland

weiland

hooiland

tuin of boomgaard

bebouwing

wegen

kerkhof

water

reliëfnamen bodemnamen beekdalnamen bosnamen

berg

bult

hoog

dal

laag

kwab

hoorn

pol

val

zand

veen

steen

zwart

wilde dierennamen

ooievaar

adder

broek

maat

hem

horst

riet

hees

bos

holt

haag

els

es

wilg

doorn

bosweiden in de Middeleeuwen nog op grote schaal voorkwamen in dit gebied en klaarblijkelijk

ook een ideale plek waren om een nederzetting te stichten of een es te gaan ontginnen. De

oude bosnaam ging daarbij over in een nederzetting- of akkernaam. Vergeleken met de holten

lagen de loo-gebieden meestal wel op lichtere grond. De keileem en potklei ontbreekt hier

veel vaker of ligt aanmerkelijk dieper in het profiel. Waarschijnlijk selecteerden de vroegere

bewoners dus de bossen op wat zwaardere grond vooral voor de productie van hout, omdat

de houtgroei hier sneller was en daardoor ook veel dikkere en hogere bomen voorkwamen. De

bossen op wat lichtere grond waren voor houtproductie minder geschikt en werden door de


De wetenschapper 4 116 117

middeleeuwse boeren daarom vooral als bosweide gebruikt. Vanwege hun lichtere bodem was

het herstellend vermogen van dit soort loo-bossen veel minder groot dan dat van de holten. Dit

verklaart vermoedelijk ook het feit dat we op 19 e -eeuwse kaarten, maar ook al op de 17 e -eeuwse

grondschattingskaarten, niet of nauwelijks meer relicten van deze voormalige bosweiden

tegenkomen. Alleen de talrijke loo-namen herinneren ons nog aan dit interessante landschap

van weleer.

In het vroegere Drentse Aa-gebied kwamen verder ook talrijke gebieden voor waar als gevolg

van intensieve begrazing de bosbegroeiing was gedegenereerd tot kreupelhout ofwel door

hakhoutbeheer was omgevormd tot hakhout. De bekende strubben in het Drentse Aa-gebied,

zoals bijvoorbeeld de Anloërstrubben bestaan tegenwoordig uit clusters van sterk doorgeschoten

eikenstammen, maar beelden en ooggetuigeverslagen uit het begin van de 20 e

eeuw maken duidelijk dat dit eertijds zeer lage struikvegetaties waren die nauwelijks boven

de heide uitstaken. Ze werden door de intensieve begrazing met schapen voortdurend kort

gehouden. Een ander naamselement dat naar voormalig kreupelhout verwijst is dickt of

dickbos, etymologisch verwant aan het Middelnederlandse bijvoeglijk naamwoord dick dat

niet alleen ‘dik’, maar ook ‘dicht’ kan betekenen. Een voorbeeld is het Anloër Dickbosch. Het

woord is verwant aan het Engelse thicket en het Duitse Dickicht, waarmee in beide gevallen een

Gedicht

dichte kreupelhoutvegetatie wordt aangeduid. Een derde naamselement is in dit verband hees

(germaans *haisi) dat soms als eerste element voorkomt, bijvoorbeeld in Heesakker, Heezeakker

en Heesveld, soms ook als slotelement, al dan niet voorzien van een ithi-suffix (Middelnederlands

heest, germaans *haisiþi), zoals bij het gebied De Heest tussen Taarlo en Gasteren

en de Kleine Heesten in de noordoosthoek van de marke Gasteren tegenover Oudemolen. Het

element hees gaat volgens etymologen terug op het indogermaanse *kaiso ‘afhakken, vellen’,

waaruit we een oorspronkelijke betekenis van ‘hakhoutbos’ kunnen afleiden.

Alleen al dit kleine overzicht van Drentse reliëf- en bosnamen maken de grote mogelijkheden

duidelijk van historisch-ecologisch onderzoek met behulp van veldnamen. In de in 2010 te

verschijnen landschapsbiografie van het Nationaal Landschap Drentsche Aa zal een meer

uitgebreid overzicht worden gegeven.

Literatuur

Dittmaier, H. (1963) Die (h)lar­namen. Sichtung und Deutung. Niederdeutsche Studien 10. Köln/

Graz.

Speck, F.G. (1923) Mistassini Hunting Territories in the Labrador Peninsula. American

Anthropologist 25, 4: 452-471.

Spek, Th. (1993) Milieudynamiek en lokatiekeuze op het Drents Plateau (3400 v. Chr – 1500

na Chr.). In: Elerie, J.N.H. (red.) Landschapsgeschiedenis van De Strubben­Kniphorstbos.

Archeologische en historisch­ecologische studies van een natuurgebied op de Hondsrug.

Regioprojekt. Groningen.


De wetenschapper 4

118

119

De wetenschapper: Tjalling Waterbolk

Respectvolle herinneringen aan een besloten agrarische gemeenschap

Eieren zoeken, luisteren naar het gebolder van

korhoenders, fluitjes snijden van lijsterbestwijgen,

vissen en bramen plukken. Allemaal bezigheden buitenshuis

van een opgroeiende jongen in het vooroorlogse Havelte.

Bossen, hei, zandverstuivingen en madelanden in de buurt

vormden zijn speelterrein en dat van zijn kameraden. De

hunebedden ten noorden van het dorp, in 1918 blootgelegd

door archeoloog Van Giffen, lieten hem voor het eerst

kennismaken met de prehistorie.

Tjalling Waterbolk uit Haren bleef tijdens zijn studie biologie

dicht bij alles wat hem omringde. Via zijn lidmaatschap van

de Ned. Jeugdbond voor Natuurstudie kwam Tjeerd van Andel

op zijn weg, een man die zich als assistent van prof. Van

Giffen (!) van het Biologisch­Archaeologisch Instituut (BAI) in

Groningen, bezighield met pollenanalyse. Waterbolk nam het

baantje tijdens zijn studie van hem over en belandde zo onder

de vleugels van Van Giffen, de man voor wie geen hunebed

of grafheuvel veilig was. Hij was het ook die Waterbolk in

1946 samen met collega­assistent Glasbergen naar Havelte

stuurde om onderzoek te doen naar het ‘Eupen Barchien’, een

grafheuvel die ontkomen was aan zijn speurzin.

83­jarige inwoner kende zelfs een oud Uffelter gezegde: ‘As ’t

reg’nt en de zunne schient, dan bakt de heks’n pannekoek’n

op ’t Klöppersbarchien’. Anderen vertelden dat men het

vroeger niet in z’n hoofd haalde om hier bij avond langs te

lopen. Het zou er spoken, net zo als op de kerkhoven van

Havelte en Uffelte die aan dezelfde weg lagen. ’s Nachts om

twaalf uur brandde er een lichtje. In Havelte wist men ook

met enige stelligheid te vertellen dat er een ‘tonne mit gold’

begraven zou liggen. Weer anderen hielden het er op dat er

soldaten begraven zouden zijn.

Als ‘folkloristische bijzonderheden’ kwamen alle opmerkingen

in het verslag van de opgraving terecht. Samen met de

mededeling dat de tumulus (grafheuvel) na het onderzoek

weer in zijn oude toestand werd hersteld. Waterbolk glimlacht.

‘De wijze waarop we nu met grafheuvels omgaan, wijkt nogal

af van de gang van zaken toen. Voor Van Giffen was een

grafheuvel er om op te graven, nu benadrukken we juist dat

je er vanaf moet blijven. Sterker nog: er is intussen een wet

gekomen die het domweg verbiedt. Je kunt vaststellen dat er

genoeg zijn onderzocht en er te weinig ongestoord zijn blijven

liggen.’

Het ‘Eupen Barchien’, natuurlijk kende Tjalling Waterbolk dit

heuveltje in de heide aan de Uffelter Kerkweg. Het was een

herkenningspunt voor jong en oud. Samen met zijn collega

kreeg hij de opdracht er onderzoek te doen. Het feitelijke

opgraven gebeurde door een ploeg arbeiders onder leiding

van de bekende voorgravers Lanting en Praamstra van het

BAI. ‘Als studenten speelden wij daarbij de mooie meneren

die aantekeningen maakten’, vertelt Waterbolk. Natuurlijk

trok de opgraving bekijks. Met de mensen kwamen ook de

verhalen. Oudere dorpsgenoten wisten te vertellen dat de

heuvel bekend stond als ‘Spoekbarchien’ en als ‘Klöppersbarchien.’

Het ene verhaal haalde het andere uit. Een

De opgraving in 1946 van het ‘Eupen Barchien’ zorgde er

overigens wel voor dat deze grafheuvel in archeologische

kringen een begrip werd, dank zij de vele verhalen die tijdens

het onderzoek opborrelden. Datzelfde was trouwens het

geval bij meer opmerkelijke plekken in Drenthe. Waterbolk

noemt als voorbeeld de Galgenberg die op maar liefst vier

plaatsen in de provincie voorkomt, zoals in Anloo. Ook hier is

de naamgeving altijd omringd geweest met verhalen. Hoewel

de heuvel in Anloo niet werd onderzocht, staat vrijwel vast

dat er een echte galg heeft gestaan. Van Giffen groef ooit de

Galgenberg in Westerbork op en vond er resten van mensen,

in tegenstelling tot die van Sleen, waar bij een volledige


De wetenschapper 4

120

121

opgraving helemaal geen sporen van een galg of menselijke

resten werden aangetroffen.

Waterbolk: ‘Op grond daarvan kun je als algemene theorie

formuleren dat de naamgeving van dit soort heuvels ­

Galgenberg, Schattenberg, Mariaberg – te maken heeft met

het respect dat mensen hadden voor deze plekken. Het is een

manier geweest om de herinnering aan een vroeger gebruik

als begraafplaats levend te houden. Als je in die sfeer zit,

stuit je ook op namen als ‘Generaal’ en ‘Majoor’. Eigenlijk

absurd om een grafheuvel zulke namen te geven, maar het

was kennelijk een manier van de mensen om bijvoorbeeld

het geheimzinnige of het bijzondere verband met vroegere

menselijke activiteiten vast te leggen. Hierdoor ontstond een

zekere continuïteit, plek en naamgeving werden aan elkaar

verbonden en bleven dat gedurende vele eeuwen.’

Kunt u een voorbeeld geven van zo’n middeleeuwse

naamgeving?

Waterbolk pakt er een kaart bij met daarop de veldnamen

van het vroegere gehucht Peelo bij Assen. Huisakkers,

Padakkers, Natakkers, Stobakkers, Hopkamp, Vlasakker.

Namen die je overal in Drenthe kunt tegenkomen en die te

maken hebben met ligging, kwaliteit en gebruik van de grond.

En dan plotseling tussen andere blokken op de es ook de

percelen Vastelavont en Heiligenakkers. Wat doen die namen

daar? ‘Het bleken juist de plaatsen waar naderhand delen

van een vroegmiddeleeuwse nederzetting zijn gevonden.

De herinnering aan de bewoning uit heidense tijd werd

vastgelegd in namen die aan het christendom zijn ontleend.

In Drenthe kom je meer namen tegen die deze relatie kennen,

zoals Hilligmeer, Paasberg en Hilgensteen.’

De namen werden onderdeel van de zogeheten collectieve

herinnering?

‘Ja. Daar zijn heel wat voorbeelden van bekend. Van Giffen

deed een opgraving bij Zeijen, naar een vermoedelijke

legerplaats. De boeren uit het dorp zagen hem bezig op het

Hoge Veld, maar naar hun idee was de naam verbonden

met een terrein aan de rand van het Witteveen, wat dichter

bij het dorp. Hier bleek inderdaad een legerplaats uit het

begin van de jaartelling te liggen. Het was een hele mooie

omwalde nederzetting, met een meervoudige palissade en

een grachtje. Een beetje een raadselachtig geval. Hoe we de

nederzetting moeten interpreteren weten we nog niet, maar

dat is een ander verhaal. Feit is dat de boeren de kennis over

de legerplaats kennelijk eeuwenlang hebben doorgegeven.

Ik denk dat het sterk besloten karakter van de agrarische

gemeenschap in Drenthe er mede debet aan geweest is dat

verhalen zo lang konden overleven. Je ziet het ook bij de

naamgeving van akkers. Vanaf de negende eeuw is er sprake

van uitgebreide esontginningen, met daarbij een nauwkeurige

naamgeving van de verschillende percelen.’

Welke toekomst is er volgens u voor veldnamen weggelegd?

Waterbolk: ‘Zoveel mogelijk te bewaren, zou ik zeggen.

Als ’t kan oude namen inpassen in nieuwe situaties. En

verder veel onderzoek doen. Ik heb naar aanleiding van

dit gesprek nog eens op oude kaarten gekeken en namen

gezocht die ik in verband kan brengen met de mij bekende

archeologie van bepaalde dorpen. Onderzoeker Wieringa

van het Nedersaksisch Instituut van de Rijksuniversiteit

in Groningen heeft ooit een schat aan Drentse veldnamen

verzameld. Het zou onderwerp van een nadere studie kunnen

zijn om namen die op verschillende plaatsen voorkomen

met elkaar te vergelijken. Is er een verband te leggen met

de grondsoort, met archeologische vondsten? Daar zit een

heel mooi proefschrift in. Juist Drenthe beschikt dank zij de

belastingregisters uit de 17 e eeuw over fraaie oude kaarten,

waarvan de gegevens zich uitstekend laten vergelijken

met kadasterkaarten uit 1830. ’t Is dat ik inmiddels 83 jaar

ben, me met andere onderwerpen bezighoud en dat zo’n

onderzoek eigenlijk op het werkterrein van historischgeografen

thuishoort, maar anders….


122

123

De bodem als geheugen

van het landschap

Gerrie Koopman

Het stroomdalgebied van de Drentsche Aa is bij uitstek een cultuurlandschap. De menselijke

invloed staat overal in het gebied gegrift. Bijna nergens anders is op een relatief kleine

oppervlakte zoveel diversiteit aan archeologie, cultuurhistorie, landschap en natuur te beleven.

Waar maar weinigen van doordrongen zijn, is het feit dat het hier slechts om uitingen van

invloed gaat. Invloed op het natuurlijke systeem, waarvoor geologie en bodem het uitgangspunt

vormen. In dit opzicht is het op zijn minst merkwaardig te noemen, dat alle afzonderlijke uitingen

bijzonder worden gewaardeerd en tot op Europees niveau worden gekoesterd; zelfs verankerd

in wetgeving, terwijl het fundament van het cultuurlandschap nog dagelijks, overigens bijna

nooit moedwillig, onachtzaam terzijde wordt geschoven. Om deze basis voor het zich blijvend

ontwikkelende cultuurlandschap veilig te stellen, is het noodzakelijk dat we de bodem onder ons

cultuurlandschap meer tussen de oren krijgen; ons meer bewust worden van de ‘onderwereld’.

De bodem is bij uitstek een geschikt uitgangspunt voor een integrale visie op zowel de

ontwikkelingsgeschiedenis als op toekomstige ontwikkelingen van en in het landschap. In een

cultuurlandschap als het Drentsche Aa gebied benadrukken veldnamen de verbinding tussen

mens en ‘onderwereld’.

Pijlers onder het landschap

Vaak wordt gezegd dat de landschappelijke basis voor Drenthe is gelegd in het Pleistoceen,

de periode van de ijstijden. Dit is ten dele waar, want ook de geologische periode die bekend

staat onder de naam ‘Perm’ (ca. 250 miljoen jaar geleden) heeft geleid tot gevolgen die in het

landschap nog duidelijk herkenbaar zijn. In die periode ontstond in het huidige Noordoost-

Nederland en Noordwest-Duitsland een diep en dalend bekken, waarin het zeewater kon

doordringen. Dit moet een soort binnenzee geweest zijn, waarin de oceaan frequent overstroomde.

Door indampingsprocessen – Drenthe had in die tijd een woestijnklimaat – ontstond

een laag zout van meer dan honderd meter dik. Door latere bedekking met jongere afzettingen

ligt dit zogenaamde steenzout momenteel op zo’n 3 km diepte. Als gevolg van deze bedekking

wordt een grote druk uitgeoefend op de laag zout, waardoor het beweeglijk en kneedbaar wordt.

Hierdoor wordt het steenzout op ‘zwakke plekken’ door de bovenliggende lagen omhoog geperst

tot pilaarvormige structuren; de zogenaamde ‘zoutpijlers’. De toppen van deze pijlers liggen nog

maar enkele honderden meters onder het aardoppervlak. Het omhooggeperste zout deed zijn

invloed gelden op het landschap. Onder het Ellertsveld, het hoogliggende centrale gedeelte van

het Drents Plateau, ligt de bekende zoutpijler van Schoonloo. Deze heeft voor een groot deel

het oorspronggebied van de Drentsche Aa bepaald en heeft er waarschijnlijk zelfs voor gezorgd

dat het beekdalgebied werd onthoofd. Een van de oorspronkelijk bovenstroomse takken van de

Boven Tertiair ­ Kwartair

Midden Tertiair

Onder Tertiair

Boven Krijt

Onder Krijt

Trias

Zout


Bodemprofiel ‘Haosbarg’ op de zuides van Gasteren

Onderin zien we het witte en glimmerrijke zogenaamde

premorenale zand dat nog voor de ijsbedekking in het

Saalien is afgezet. Van het keileem, dat deze fijnzandige

laag moet hebben afgedekt, is hier nauwelijks nog iets

terug te vinden. Dit is hier door erosie verdwenen, op een

dikke steen na die bij het graven van dit gat in de es op

ongeveer 80 cm diepte werd aantroffen. Hier moet dan

ook ongeveer de scheiding liggen tussen het premorenale

zand en het tijdens de laatste ijstijd door de wind afgezette

dekzand. In de bovengrond heeft zich een podzol gevormd

die later door de boeren door elkaar is gewerkt. Daardoor

is van het podzolprofiel weinig meer over. Direkt onder

de donkergekleurde bovenlaag is de grond door nog

enige humusinspoeling lichtbruin gekleurd. Op ongeveer

110 cm en bijna onderin het schoongemaakte profiel

zijn humus inspoelingsbandjes te zien. In het midden lijkt

een diepe wortelgang, veroorzaakt door een vroegere

bosbegroeiing, de ondergrond in te stulpen. Deze holte

is later opgevuld met ander, iets groffer materiaal dan

zich hier oorspronkelijk bevond en daardoor tekent het

zich duidelijk af. Dit wordt nog versterkt doordat langs

de randen van deze voormalige wortelgang ook humus

is ingespoeld. De oorspronkelijke bodem is bewerkt tot

de scherpe overgang tussen donkergekleurde bovenlaag

en de lichter gekleurde ondergrond (ongeveer op 65 cm

diepte), waarbij de bovenste lagen van het oorspronkelijke

podzolprofiel door elkaar heen zijn gemengd. Door de

eeuwenlange bemesting met zandhoudende potstalmest is de

donkergekleurde humushoudende bovenlaag aangegroeid

tot ongeveer 65 cm dikte. Hierin zijn baksteenfragmentjes

aanwezig, die waarschijnlijk in de mest gezeten hebben.

Drentsche Aa werd, naar tegenwoordig wordt aangenomen, als gevolg van de omhoogkomende

zoutpijler door de Hondsrug heengeperst en stroomt nu als Voorste Diep in het Hunzedal.

Onder het Drentsche Aa gebied ligt de zoutpijler van Anloo. Seismisch onderzoek heeft aangetoond

dat de top van de zoutpijler globaal ligt onder Gasteren en het Eexterveld. Anloo ligt

aan de noordrand van de zoutpijler. De naam Gasteren (gast, geest), verwijst naar de relatief

hoge ligging van dit dorp. Doordat de zoutpijler het landschap omhooggedrukt heeft, hebben

de takken van de Drentsche Aa zich hier diep kunnen insnijden. De hoge ligging van de

Zuides van Gasteren ten opzichte van het Gasterense Diep is landschappelijk spectaculair. Ten

noordwesten van Gasteren liggen het Voorste en het Achterste Veen. Het is niet uitgesloten dat

deze langgerekte keten van veentjes een overblijfsel is van een vroeger beekdalgedeelte van de

Drentsche Aa die zich hier ooit heeft ingesneden tegen de rand van het omhooggeperste gebied.

In Gasteren staat deze keten van veentjes bekend als de ‘Veensloot’, omdat ze aan het begin

van de twintigste eeuw met elkaar werden verbonden door het graven van diepe sloten. Het

Eexterveld, aan de oostkant van de zoutpijler, manifesteert zich in het patroon van de Drentsche

Aa als een relatief hooggelegen brongebied waar zowel het Scheebroeker loopje als het Anlooër

diepje ontspringen. Ten zuidwesten van Anloo ligt een perceel in het beekdal van het Anlooër

diepje met de naam ‘Kruumt’. Hier, aan de noordrand van de zoutpijler van Anloo maakt de

beek een tweetal opvallend rechthoekige krommingen. Het is nog niet onomstotelijk bewezen,

maar het ligt voor de hand dat deze haakse bochten in het Anlooër diepje en ook de diepe

insnijding van deze beek een direkt gevolg zijn van de onderliggende zoutpijler.

Geboetseerd door ijs, water en wind

De huidige oppervlaktestructuren van Drenthe zijn voor het overgrote deel veroorzaakt door de

gevolgen van de landijsbedekking gedurende de twee voorlaatste ijstijden: het Elsterien (ca.

500.000 – ca. 400.000 jaar geleden) en het Saalien (ca. 350.000 – 100.000 jaar geleden).

Aangenomen wordt dat tijdens het Elsterien het Scandinavische landijs zich uitbreidde tot in

Noord-Drenthe. Onder het ijs ontstonden, nu nog onverklaarbaar lange (20 – 100 km), brede

124 125

Ook kleine steentjes die afkomstig kunnen zijn uit het ooit

(3 – 5 km) en diepe (100 – 500 m) tunnels. Deze zijn weer opgevuld met veelal homogene smelt-

hier aanwezige en geërodeerde keileem, maar die ook met

waterafzettingen, waarvan potklei de meest bekende is. In de omgeving van het Gastersche Holt,

heideplaggen via de potstal uit een ander deel van het

ten zuiden van Gasteren, ligt de potklei bijna aan de oppervlakte. Omdat potklei nauwelijks

dorpsgebied van Gasteren afkomstig zouden kunnen zijn.

water doorlaat, zijn de gronden hier van oudsher intensief begreppeld. De leemkuilen in het

Gastersche Holt dateren uit de tijd dat de boeren hun deel (achterhuis van de boerderij) met

de potklei verhardden. De veldnaam ‘Vetmaat’ bij het Scheebroekerloopje ten noorden van

Anderen verwijst waarschijnlijk naar de vette potklei die ook hier aan de oppervlakte ligt.

In zandverstuivingen op het Ballooërveld dagzoomt fijn zand, dat kan worden aangeduid als

‘premorenaal zand’ (afgezet vóór de landijsbedekking in het Saalien). Dit zand bevat veel

glimmers. Uit verhalen is bekend dat dit schitterende fijne zand werd gebruikt als ‘keukenzand’,

onder andere om sierlijke zandtapijten te strooien in de pronkkamers van boerderijen.

In de op een na laatste ijstijd, het Saalien, werd heel Drenthe bedekt met een enorm pakket

landijs, bij benadering een kilometer dik. Vanuit Scandinavië werd door de zich uitbreidende

Hofakkers Walakkers Bree Pol Pollegies

Lijnstukken Kruusakkers Askakkers Greving

Körtwoerdtie Steenakkers Padakkers Braok

Stierland Kaampakkers Askaampen Engelakkers

Heiden Hollers Veldkaampies Tipkaamp

Uterlaogen Bielegie Langtocht Holtakkers

Tip Hillenbarg Bokspiepie Wenning Geerties

Roegen Broodakkertie Haosbarg Nebbenakkers

Delakkers Viooltiesakker Jippenbos Kamerakkers

Tijwanden Wenning Körtbree Winkelakkers

Oosterkaampen Heugte Knobbelings

gletsjer alles wat los en vast zat van de aardkorst afgeschraapt. Rotsblokken, grind-, zand-,

leem- en kleigronden; alles werd onder het pakket ijs meegeschuurd, verbrokkeld, vermengd

en sterk samengeperst. Na het afsmelten van de ijsmassa bleef dit materiaal, door de grote

diversiteit in samenstelling treffend ‘keileem’ genoemd, in Drenthe als een enigszins bolvormige

en gegroefde plaat achter. Keileem vormt de basis voor het zogenaamde Drents-Friese Plateau.

De Hondsrug en de parallelle ruggen ten westen daarvan, geven hoogstwaarschijnlijk de

richting aan van het relatief snel in zuidwaartse richting oprukkende landijs. Keileem laat door

zijn samenstelling en dichte structuur moeilijk water door. Hierdoor spoelde het afstromende


126

127

water tussen het Saalien en het Weichselien diepe geulen in het keileempakket. De combinatie

van ruggen en keileem bepaalde het uiteindelijke patroon van de Drentsche Aa. Op meerdere

plekken ligt keileem dicht bij de oppervlakte. Boeren hadden hier last van. Het water wilde

moeilijk weg en de omhoogvriezende stenen zorgden voortdurend voor ongemak bij het

bewerken van de essen. Dit is tot uiting gebracht in akkernamen als ‘Leemakkers‘ (Anloo),

‘Steen akkers’ (Gasteren en Anderen) en ‘Steenhoorns’ (Anloo).

De wind deed er tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (ca. 70.000 – 10.000 jaar geleden)

nog een schepje bovenop. Het door het landijs geboetseerde landschap werd onder toendraomstandigheden

afgedekt door een golvende deken van verwaaid zand: het ‘dekzand’.

Ontwerp gereed

Na de laatste ijstijd was het groffe ontwerp van het Drentse Landschap klaar. Gedurende de

afgelopen 10.000 jaar (het Holoceen) werd het door natuurlijke processen, maar vooral onder

invloed van de mens, tot in detail afgewerkt. In de lagere delen van het landschap konden zich

in het water plantenresten ophopen, waardoor veen werd gevormd. Op de meeste plaatsen in

het gebied van de Drentsche Aa is het schrale dekzand de basis geweest voor de agrarische

activiteiten. De eeuwenlange bemesting met zandhoudende potstalmest (heideplaggen

van bijvoorbeeld het ‘Plaggenveld’ en het ‘Zuddenveld’ bij Anloo) leidde op de essen tot een

relatief dikke en zwartgekleurde humushoudende bovengrond. De zandduinen uit de laatste

ijs tijd werden onder de essen geconserveerd en waren favoriete plekken voor konijnen om

op de akkers holen te graven. Dit is ongetwijfeld veelvuldig gebeurd op de ‘Konijnenakkers’

bij Anderen en op de ‘Haosbarg’ bij Gasteren. Ook de naam ‘Haarakkers’ (Anderen) verwijst

waarschijnlijk naar een relatief hoge ligging op zo’n zandrug of –duin.

Door intensief menselijk gebruik van het landschap, bijvoorbeeld door intensief verkeer en

afplaggen, verdween plaatselijk de vegetatie en konden op locale schaal stuifzandgebieden

ontstaan. Met name rond de Gasterense Duinen komt dit naar voren in vele veldnamen zoals

‘Zandsteeg’, ‘Zaandakkers’ en ‘Zandkampen’.

Mens en bodem

In een groot deel van Drenthe bestaat de bovengrond uit dekzand, dat al lange tijd onderhevig

is aan weer, wind, seizoenen en de invloed van de mens. Hierdoor is het dekzand aan de

oppervlakte veranderd en is er een gelaagdheid in ontstaan: een zogenaamd bodemprofiel.

Bijna alle bodems hebben een donkergekleurde bovengrond. Deze ontstaat doordat afgestorven

resten van de bovengrondse begroeiing door organismen worden omgezet in humus: organisch

materiaal waarin de plantenresten nauwelijks meer herkenbaar zijn. Deze humus wordt onder

natuurlijke omstandigheden door een breed palet aan bodemorganismen door de bovengrond

gemengd en kleurt deze homogeen donker en vaak zelfs zwart. In leemarme zandgronden wordt

de humus na verloop van tijd stroperig, zodat het met het inzijgende regenwater kan worden

meegenomen. De vele humuszuren ontdoen de zandkorrels direkt onder de zwarte bovengrond

van hun verweringslaagje, zodat de blote kwartskorrels zichtbaar worden. Hierdoor ontstaat

een grijsgekleurde laag. We spreken hier van de ‘uitspoelingslaag’. Direct daaronder slaat de

combinatie van humus en verweringsproducten (grotendeels ijzerverbindingen) weer neer, in

beginsel als een huidje rond de zandkorrels, waardoor een donkerbruingekleurde zogenaamde

‘inspoelingslaag’ ontstaat. Als deze uit- en inspoelingsprocessen door blijven gaan, kan de

inspoelingslaag helemaal verstopt raken en steeds moeilijker doorlaatbaar worden voor

water. De bodemtypen die zijn ontstaan door uit- en inspoeling van disperse humus worden

humuspodzolgronden genoemd. De term ‘podzol’ is afkomstig uit het Russisch en verwijst naar

de askleurige uitspoelingslaag. De slecht waterdoorlatende en meestal harde inspoelingslaag

werd door de boeren ‘oerlaag’ genoemd en niet zelden verwijderd door diep te spitten, omdat

hier altijd water op bleef staan.


128

129

Met name op de ruggen (zoals de Hondsrug en Rolderrug) is het zand lemiger dan op andere

plaatsen. In deze leemhoudende dekzandgronden blijft humus als trosjes uitwerpselen in stand

en spoelt niet uit, maar wordt bij een niet al te hoge grondwaterstand tot op grotere diepte door

de grond gemengd. Hierdoor wordt het zand homogeen bruin gekleurd. Dit zijn de zogenaamde

moderpodzolgronden. De eerste boeren hadden de bodem goed tussen de oren en hebben

ongetwijfeld aan de bosvegetatie kunnen aflezen waar de meest vruchtbare bodems aanwezig

waren en waar hun agrarische activiteiten de meeste kans van slagen hadden. Celtic Fields

(akkertjes uit de IJzertijd) vinden we op de plekken met leemhoudend zand in de bodem. Op de

bodemkaart vallen deze locaties meestal samen met moderpodzolgronden.

Op de overgangen van de hoger gelegen podzolgronden naar de laaggelegen veengronden is de

grondwaterstand te laag voor veenvorming, maar te hoog voor podzolvorming. Hier ontstaan

bodems met alleen maar een donkergekleurde bovenlaag: de zogenaamde eerdgronden.

Uitgekozen plekken

De boeren uit de esdorpen hebben altijd al een hele nauwe aansluiting gehad bij het fysische

landschap. Men koos die plekken uit, waar men qua bodem alle benodigdheden ‘bij de hand’

had. Op de moderpodzolgronden, de meest vruchtbare drogere delen, werden de eerste akkers

aangelegd. Veldnamen met de uitgang ‘akker’ worden vanouds gebruikt voor de percelen op

de es. De minder vruchtbare humuspodzolgronden treffen we nog veelvuldig aan onder de al

dan niet voormalige heidevelden. De namen met achtervoegsel ‘veld’ zijn veelal gekoppeld aan

deze (voormalige) woeste gronden waar de plaggen voor de potstal werden gewonnen. De eerden

veengronden langs de beken werden gebruikt voor de graslanden, veelvuldig aangeduid

met namen als ‘maten’, ‘broeken’ of ‘stukken’. We kunnen dus stellen dat de ligging van de

onderdelen van een esdorp in aanleg volkomen de blauwdruk van de fysische ondergrond volgt.

Bodem als ordenend principe

De bodem is het geheugen van het landschap. Zonder dit geheugen raakt het landschap

dementerend. Een bodemprofiel is in de loop van de tijd ontstaan doordat een veelheid aan

achtereenvolgende (zowel natuurlijke als menselijke) processen hebben gezorgd voor minder

of meer herkenbare veranderingen in het uitgangsmateriaal. Informatie over bijvoorbeeld de

geologische oorsprong, grondwaterstanden, begroeiing en menselijk gebruik in de loop van

de tijd is op deze manier opgeslagen in de bodem. Dit maakt dat we elk bodemprofiel feitelijk

kunnen zien en lezen als een memory stick met een enorm geheugen, waarop informatie is

opgeslagen over de hele ontwikkelingsgeschiedenis van de bodem en zijn omgeving. Eén haal

van een graafmachine kan alle informatie als ware het één druk op de ‘delete’ knop wissen.

De bodem is niet alleen informatiedrager, maar bovendien de belangrijkste onderlegger voor

het hele cultuurlandschap. Het Beek- en esdorpenlandschap Drentsche Aa weerspiegelt op

veel fronten, tot in veldnamen toe, dat ‘bodem’ voor het landschap het belangrijkste ordenend

principe is geweest. Een hernieuwd besef van de hechte relatie tussen landschap en bodem zou

moeten leiden tot een vanzelfsprekendheid waarmee ‘de onderwereld’ door beleidsmakers en

beheerders wordt meegenomen in al hun plannen..


130

131

Nieuwe landgebruikers

over nieuwe tijden en naamsveranderingen

Naarmate men verder het midden van Drenthe nadert

wordt de heide meer eenvormig en heeft minder

afwisseling van nieuwe ontginningen. Ook hier gaat

dit zoo voort totdat men er komt aan een heel klein

buurtschap, waarvan zoowel de naam als de oorsprong

ons onbekend voorkwamen. Later vernamen wij dat het

Nieuw-Balloo is. Het kind naar zijn vader genoemd – dat

gebeurt meer in Drenthe. Men vindt elders Nieuw-

Amsterdam, Nieuw-Dordrecht, Nieuw-Buinen, Nieuw-

Weerdinge, Nieuw-Balinge, welnu, waarom dan hier

ook geen Nieuw-Balloo? ’t Klinkt ons beter in de ooren

dan plaatsnamen als Nooitgedacht, Knarphoorn, de

Schaapstreek, het Stuifzand, en die zijn er toch ook in

Drenthe. Nieuw-Balloo ligt niet ongunstig, onmiddellijk

aan ’t groenland en aan een hoogeren grondslag van

bouwland. Wie de eerste bewoner er van was vernamen

wij niet, maar hij werd door drie of vier gevolgd, zoodat

er reeds een halve Drentsche nabuurschap is. ’t Zal

mettertijd nog wel eens een heel worden.

De veldontginning Nieuw­Balloo is door de bestemming tot militair oefenterrein nooit uitgegroeid tot

een volwassen ‘nabuurschap’. Wel is de bescheiden cluster van ontginningsboerderijtjes een paar

keer van naam veranderd. Er zullen weinig mensen zijn die zich de naam Nieuw­Balloo nog kunnen

herinneren. Des te meer spreekt de naam Visvliet tot de verbeelding. De buurtschap kreeg deze

poëtische naam via de nieuwe eigenaar van een van de boerderijtjes, die zijn bezit ombouwde tot een

woon­ en visparadijsje. Toen de gemeente besloot tot een snelheidsbeperking voor het wegvak langs

het natuurgebied veranderde de naam in Balloërveld, genoemd naar het aangrenzende heideveld.

In het op traditie en collectiviteit gestoelde werkdorp hadden namen een veel langere looptijd.

Veranderingen voltrokken zich op een veel langere tijdschaal. De korte levensduur van nieuwe namen is

een nieuw gegeven. De naamsveranderingen van Nieuw­Balloo symboliseren in zekere zin onze huidige

cultuur. Met het voorvoegsel ‘nieuw’ wilden de naamgevers aangeven dat zij het anders gingen doen

dan in het oude dorp. Zij voelden zich de ‘pioniers van een nieuwe beschaving’ zoals Harm Tiesing ooit

opmerkte. Visvliet, destijds een geliefde naamgeving voor landgoederen, symboliseert de individualiteit

van de burger die rust zoekt op het platteland. En Balloërveld staat voor de bureaucratisering van het

landschap: de ambtenarij heeft een (anonieme) bebouwde kom herbenoemd.

In Anloo heeft een inventarisatie plaatsgevonden van nieuwe namen die als een vervangende laag

over de oude veldnamen zijn gelegd. Deze naamsverandering kan op het conto worden geschreven van

nieuwe landgoedeigenaren van buiten het dorp die hun bezit op deze wijze hebben ‘gelabeld’.

Harm Tiesing (26 juli 1922)

Uit en over Drenthe

Stichting Harm Tiesing, Borger 2003.


De nieuwe landgebruikers 5

132

133

Namenlandschap

spiegel van de tijd

Hans Elerie

In de 19 e eeuw raakte het Olde Lantschap in een stroomversnelling. In die eeuw verviervoudigde

de bevolking zich en de ongenaakbare moerasgordels die Drenthe eeuwenlang isoleerden,

veranderden door de turfwinning en de landbouw in een van de meest productieve landschappen

in ons land. In het veen ontstond een nieuwe wereld die fysiek en mentaal verschilde van de

oude. De veenkoloniale dorpen, vaak vernoemd naar het oude moederdorp, overklasten de

zanddorpen al snel in dynamiek en welvaart. Maar ook de op traditie gestoelde zanddorpen

moesten er op den duur aan geloven. De grootschalige ontginning van de uitgestrekte

heidevelden die op de valreep naar de twintigste eeuw pas goed op gang kwam, braken de

oude dorpsgemeenschappen open en zorgden uiteindelijk voor de metamorfose van het open

esdorpenlandschap. Al deze nieuwe ontwikkelingen zien we ook terug in het namenlandschap.

Exoten

Vanouds was het benoemen van het landschap en de dagelijkse omgang met veldnamen

voorbehouden aan de agrarische werkgemeenschap. In die orale traditie vormden levende

veldnamen de mentale en fysieke vingerafdruk van het dorpslandschap.

Maar in de loop van de 19 e eeuw, met de komst van nieuwe landgebruikers en de invoering

van een nieuwe bestuurlijke orde verloor het dorp zijn alleenrecht op het benoemen. Nieuwe

landgoedeigenaren drukten hun eigen stempel op het namenlandschap en ook de opbloeiende

bureaucratie kende zijn eigen logica van het benoemen. Het benoemen was dus niet alleen

meer een zaak van binnenuit maar ook van buitenaf geworden. Deze nieuwe trend sluit aan

bij de nieuwe tijd waar lokale identiteit steeds meer het resultaat is van externe invloeden,

waarbij ‘exotische namen’ als vanzelfsprekend worden opgenomen het vocabulaire van de

leefomgeving.

Hunnenborg, Grünewald of Kniphorstbos?

Een van de eerste interventies die nog steeds stof doet opwaaien bijvoorbeeld kwam van de

provinciale overheid in de 19 e eeuw. 1 Met de opbloei van het historisme begon zich ook het

provinciaal bestuur van Drenthe te bekommeren om zijn ‘gedenkwaardige’ voorgeschiedenis.

Zo werd in een stuifgat onder Rolde de Balloërkuil ingericht als vermeende vergaderplek van de

Etstoel, Drents oudste rechtscollege. En verder naar het zuiden aan de rand Groller Zuidesch op

een perceel van de Dicke Heurn werd het Grollerholt aangeplant als vermeende vergaderplek van

de Landdag. Hoewel de historische juistheid van beide locaties vanaf het begin omstreden was,

werden de nieuwe toponiemen ‘ingelijfd’ terwijl de aangewezen locaties nog steeds garant staan

voor een verwoed historisch discours. 2


Landgoed Ter Borg

Eind 19 e eeuw verloren de uitgestrekte heidevelden hun functie in het

boerenbedrijf. Naast de kleinschalige ontginningen vanuit de dorpen

werden door particuliere van elders grote stukken heide opgekocht om

het vervolgens in te planten met bos. Zo ontstond ten noorden van Anloo

het Kniphorstbos en ten zuiden van het dorp het Landgoed Terborgh op

de heide tussen de essen van Anloo en Eext. In de relatief kleine marke

van Anloo zorgden deze initiatieven van buiten voor een metamorfose

van het dorpslandschap. Het Landgoed Terborgh, door inwoners van

Anloo het Evertsbos genoemd, is een mooi voorbeeld van een landgoed

waar opeenvolgende generaties van de familie Everts nadrukkelijk hun

stempel op hebben opgedrukt. We hoeven dan alleen maar te denken

aan het sprookjesachtige Pinetum, de enorme Rododendronkoepels in

de open heide, de met zorg aangeplante bomenlanen en de rustieke

familiebegraafplaats. Het open heide landschap veranderde door al deze

ingrepen in een geborgen land goed waarin de oude landschapselementen

en structuren op een vanzelfsprekende manier werden ingepast. Het

landgoed heeft daar door een rijke biografie nagelaten van oude en

nieuwe verhalen.

Met studenten van Van Hall/Larenstein en lokale kenners uit Anloo en

Eext hebben wij die verschillende verhalen aan de hand van plekken

opgespoord. Natuurlijk is ook deze biografie niet volledig, maar er is wel

een basis gelegd voor latere aanvullingen en interpretaties.

Voor de ruilverkaveling

De nieuwe landgebruikers 5

Na de ruilverkaveling

134

135

Het afstoten van de heidevelden als agrarische gebruiksgrond lokte nieuwe grondgebruikers

naar het Drentse Aa gebied. Staatsbosbeheer, Defensie maar ook particulieren kochten grote

delen van de heide op om deze in te richten als productiebossen, landgoederen of oefenterreinen.

Daarmee drukten ze ook hun stempel op het namenlandschap. Een mooi voorbeeld

van zo’n toe-eigening is het landgoed tussen Anloo en Schipborg dat tegenwoordig bekend staat

als het Kniphorstbos. Begin jaren twintig kochten Kröller-Müllers van de modelboerderij De

Schipborg het landgoed van Kniphorst dat toen nog de Hunnenborg heette. Na de dramatische

afloop van de Eerste Wereldoorlog achtte het Duitse echtpaar de naam ongepast en verving

deze voor Grünewald. 3 Maar toen het landgoed na de oorlog via confiscatie in handen kwam

van Staatsbosbeheer kreeg het landgoed de naam Kniphorstbos zoals het vanouds door omwonenden

werd genoemd. De autochtone benaming was dus een langer leven beschoren dan de

exotische namen van de nieuwkomers.

Van het Landgoed ter Borgh, dat vanaf de jaren twintig werd aangelegd op de heide tussen

Anloo en Eext, is een oude bedrijfskaart bekend die een mooie indruk geeft van het proces van

nieuwe naamgeving. Naast de rationele benummering van bospercelen en enkele bestaande

veldnamen had men behoefte aan meer oriëntatiepunten door ook opvallende elementen als

veentjes en lanen te benoemen. Zo ontstond van een historisch ‘gelaagd’ landschap van oude en

nieuwe namen, van Kerkepad en Galgwandenveen tot Suzelaantje en Pinetum.

Drents arcadië

Sinds het Drentse Aa gebied tegen eind 19 e eeuw door de verpozing zoekende burgerij werd

ontdekt als recreatieruimte heeft dit geleid tot naamgeving van opvallende landmerken en

geliefde plekken die op hun beurt weer sterk hebben bijgedragen aan de beeldvorming van

buitenaf op het Drentse Aa gebied. 4 Vooral de zandverstuivingen met hun hoge duinen die je

boven het landschap verhieven spraken tot de verbeelding. De Zeegser Duinen (‘Eldorado van

Groningers’) en de Gastersche Duinen die op de markeverdelingskaarten nog staan aangegeven

met het weinig aansprekende ’t Zand, ontwikkelden zich met hun nieuwe, verlokkende namen

tot toeristische trekpleisters. Talrijk zijn de aanbevolen belvedères in de eerste wandelgidsjes

van het toen nog open landschap. Ook de Kymmelsberg in Schipborg met zijn vergezicht op de


De nieuwe landgebruikers 5

136

II

kronkelende Aa stond bij menig stadjer als te befietsen eindpunt op het programma: ‘Drents

arcadië zien en weerom’.

Een zelfde bekendheid geniet nu het overdadige Orchideeënveldje langs het fietspad bij de

Burgvallen onder Schipborg. Deze attractie dankt zijn bestaan aan de instelling van het Stroomdallandschap

Drentse Aa in de jaren 60. In die tijd waarin vooral de natuurbeleving centraal

kwam te staan werden ook nieuwe namen bedacht voor bovenloopse stroeten en ruimsloten.

Zo zijn we vertrouwd geraakt met het Scheebroekerloopje (’t Ruum) bij Anderen en het

Smalbroekerloopje bij Balloo.

Nepvoorden

Een nieuwe fase in de jongste beleidsgeschiedenis is de instelling van het Nationaal Beek- en

Esdorpenlandschap Drentse Aa. Onder het subsidieregiem van de Nationale Parken lijkt de

musealisering van het landschap een onontkoombaar feit geworden. De toe-eigening van

plekken met betekenis vindt nu plaats door bordjes en informatiezuilen en door een uiterst

consequente markering van borden langs grote èn kleine toegangswegen tot het beleidsgebied.

Een andere gevolg van dit objectgerichte beleid is de strooigoedbenadering van cultuurhistorie

waarbij voorden (doorwaadbare plaatsen) van oude verbindingsroutes worden opgekrikt tot

keidammen en op andere plaatsen worden opgeofferd bij het uitdiepen van de stroompjes.

Veranderingen in onze moderne tijd leiden vaak tot een verdergaande rationalisering van onze

leefwereld. Onze autosnelwegen hebben geen eigennamen meer zoals hun oude voorlopers die

als een bundel van karrensporen door de uitgestrekte heidevelden liepen van kerktoren naar

kerktoren. We spreken nu niet meer van Groningerweg maar van de A28 of de N34 die als een

driehoek het Drentse Aa gebied flankeren of doorkruisen. Maar soms kunnen vernieuwingen

ook verrassend teruggrijpen op het verleden. Voor de viaducten en een aantal parkeerplaatsen

bedacht men geen codes of nieuwe namen maar viel men terug op de oorspronkelijke veldnamen

ter plekke. Zo prijken De Ziel, De Scheiding en Kleuvenveen als tijdloze symbolen op de

betonnen constructies van ons rusteloze bestaan.

Coördinaten

(Endnotes)

1 H.M. Luning Het Grollerholt. Een erezuil ten

faveure van het provinciaal bestuur? In: NDVA

2007.

2 H.T. Waterbolk Tussen Rhee en Rolde. KNAW

Mededelingen van de Afdeling Letterkunde,

Nieuwe Reeks, Deel 59 no 2.

3 A. van Veldhuizen Op en om de Adderhorst

Groningen 1933; blz.132.

4 J. Verdijk Landmerk voorgesteld.

Doctoraalscriptie 2007; RUG, Faculteit

Ruimtelijke Wetenschappen.


VII VIII 137

Corrie

Toponiem

Rodoveentie

More magazines by this user
Similar magazines