Eten Drinken en Doorgeven

stromenvankracht
  • No tags were found...

8

ETE

DRINKE

E

DOORGEVE

KAREL HOEKENDIJK


TWEEDE DRUK


"Toen ging het gehele volk heen, om te eten en te

drinken, en een deel ervan te zenden voor wien niets

bereid is en grote vreugde te bedrijven. "

(Nehemia 8 : 13)


ETEN

DRINKEN

EN

DOORGEVEN

door

KAREL HOEKENDIJK


DE BOOM IN HET PARADIJS

"In den beginne was HET WOORD en HET WOORD was

bij God en HET WOORD was God. Dit was in den beginne

bij God. Alle dingen zijn door HET WOORD geworden en

zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is"

(Joh. 1 : 1-3).

De geboorte van het universum is uit het WOORD. Al het

leven ontstond uit het Woord dat van God uitging. De

expressie van Zijn wezen is HET WOORD. Deze expressie i

uitstroming van scheppende kracht. In de morgen van de

schepping schiep God een fysieke wereld door Zijn spreken.

Zijn krachten gingen van Hem uit in het Woord dat vorm aan

nam, getal, dat zich verzichtbaarde tot natuurlijk leven. God

schiep geen dood monument, maar levend, groeiend,

scheppend, zich vernieuwend organisme en dit bleef voortbestaan

onder Zijn toeziende bewaring.

God sprak en deze expressie van Zijn Goddelijke natuur deed

uit het vormloze, chaotische, wetteloze, het LEVEN ontstaan,

geordend, gereinigd, gevangen binnen Gods heilige wetten;

alles kreeg een eigen vorm en lichaam en plaats in ruimte en

tijd.

In de Bijbel lezen wij: "En God zeide: Er zij licht; en er was

licht" (Gen. 1 : 3). "En God zag, dat het goed was" (vers 4).

Hij herkende Zijn eigen wezen in wat Hij schiep en bevond da

dit geschapende goed was. Er was (nog) geen demonie in de

dingen binnengedrongen, geen invloed te bespeuren van

destructieve krachten, noch de wet der zonde en des doods,

want het was alles heerlijke volkomenheid, volheid Gods. God

zag dat het goed was.

De zes dagen van Zijn schepping kenmerkten zich door voortgang

van Gods creatieve expressie dat steeds andere vormen

aannam en een eigen leven toegewezen kreeg in stof, ruimte,

tijd en getal. Een fascinerende, heerlijke, volkomen, complete

schepping schiep Hij door Zijn Woord. Geen evoluerende

kracht dat in miljoenen jaren de oercel ontwikkelen deed tot d


uiterste exponent van perfectie: de mens; maar een duidelijk

en instantelijke creatie van deze mens uit datgene wat uit G

mond uitging: HET WOORD.

De plaats in Gods Woord

Toen God de ruimte had geschapen en de tijd (want Hij

rekende reeds met: morgen, avond, de eerste, tweede, derde

dag, enz.) werd deze mens, volwassen geschapen, een heerli

middelpunt van het paradijs. Volwaardig stond hij daar,

ademend, want God had Zijn adem in hem geblazen, zijn

longen zogen dit leven Gods in en deed het hart kloppen. G

levensgeest, Gods adem, deed het nieuwe organisme in hem

beweging komen en functioneren.

Alle dieren van de vijfde scheppingsdag schiep Hij alle "naa

hun aard", de aard van hun ingeschapen natuur, hun plaats

functie in de schepping, dat was hun eigen-aard-igheid. "En

God zeide: Dat de aarde voortbrenge levende wezens NAA

HUN AARD, vee en kruipend gedierte en wild gedierte

NAAR HUN AARD; en het was alzo. En God maakte het

wild gedierte NAAR ZIJN AARD en het vee NAAR ZIJN

AARD en alles wat op de aardbodem kruipt NAAR ZIJN

AARD. En God zag, dat het goed was" (Gen. 1 : 24, 25).

Op de zesde dag, toen de wereld gereed was, begroeid en m

alle lagere wezens bevolkt, schiep God het kroonjuweel van

Zijn schepping, Zijn meesterstuk: DE MENS. God schiep

deze mens niet als een soort veredeld vee naar zijn aard, ma

naar ZIJN EIGEN AARD. "Laat ONS (Elohim - ml:ervo

mensen maken NAAR ONS BEELD, als ONZE

GELIJKENIS" (Gen. 1 : 26).

God deed op de zesde, de laatste scheppingsdag, iets specia

Hij gaf bij deze nieuwe schepping iets eigens mee van ZIJN

WEZEN dat altijd naar buiten aan de gehele schepping her

kenbaar zou blijven, als beeld, evenbeeld, "voor" -beeld van

Gods leven. Als de ene mens de andere ontmoette, zou hij

onmiddellijk de Schepper in hem herkennen, Godzelf, in Zij

volkOmenheid en kracht, superieur aan de schepping ("opda

hij zou heersen"). De mens was geen rechtop gaand zoogdie

subliemste eindontwikkeling, maar een nieuw, speciaal weze

waarin Gods wezenskenmerken duidelijk ingeschapen waren

Hij zou in Gods voortdurende presentie leven en naast Hem

6


de troon in het heelal zetelen, een mede-regeerder van alles en

allen, een allernaaste zoon van God. Hij zou het licht Gods

opvangen, zich er mee verzadigen en het uitstromen, in hem

zou geen schaduw wonen.

Gods plan met deze prachtige, heerlijke mens was dat deze

zich steeds in het Woord zou bewaren, er niet buiten treden,

opdat Gods kracht in hem zou kunnen blijven. Hij zou in God

wonen, maar buiten deze woonstede, buiten dit Woord zou

Gods leven van hem wegvloeien en Zijn beeld in hem doen

breken.

Na de zondeval zond God Zijn Zoon, Jezus, met het

evangelie, deze boodschap van herstel van geschonden relatie,

van gebroken beeld Gods. Alles wat satan vernietigd had in de

mens kwam Jezus herstellen, Hij deed door Zijn verzoening,

het beeld Gods weer terugkomen in de mens.

De bijbel spreekt over één dag bij God als duizend jaar. "Doc

dit ene mag u niet ontgaan, dat één dag bij den Here is als

duizend jaar en duizend jaar als één dag" (II Petr. 3 : 8). Wij

leven thans 6000 jaar na de scheppingsdagen toen de mens in

het beeld Gods werd geschapen, het zesde millenium, de zesde

dag van deze" week" van duizend jaren; straks bij Jezus'

wederkomst begint de zevende dag van duizend jaren, de

Sabbath-"dag", wanneer door God niet "gewerkt" wordt, maa

de Sabbath van het duizendjarige rijk gevierd.

Juist in deze tijd, deze "zesde" dag waarin wij thans leven, is

God de mens weer terug aan het scheppen in Zijn beeld, door

Zijn Geest In deze periode brengt Hij in Jezus Christus de

gevallen en opgerichte mens, door het Bloed des Lams

gereinigd en geheeld, terug op de oorspronkelijke plaats in Zijn

bestel, in Zijn volkomenheid, Zijn kracht, Zijn heerschappij.

De bedekking is weggenomen, de Godverlatenheid opgeheven,

de mens wordt in Gods tegenwoordigheid hersteld. "En wij

allen, die met een aangezicht, waarop GEEN bedekking

MEER is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen,

VERANDEREN NAAR HETZELFDE BEELD van heerlijkheid

tot heerlijkheid, immers door den Here, die Geest is"

(II Cor. 3 : 18).


Het meetsnoer der gehoorzaamheid

God schiep een ruimte voor de mens, een ruimte even

volmaakt als deze mens is. Hij wilde de mens een eigen leve

geven met een eigen verantwoordelijkheid. De mens moest

leren gehoorzamen, d.w.z. in Gods Woord blijven staan. Go

maakte geen perfecte robot die mechanisch volbrengt wat he

wordt opgedragen, maar een denkend, kiezend, handelend,

levend wezen. Hij dient de hem beschikbaar gestelde mogelij

heden te bewaren en ontwikkelen. Hij zal zijn liefde voor zijn

Sçhepper moeten bewijzen. Hij kan wegen gaan in het

zoonschap Gods, maar ook de tragische mogelijkheid hebben

zichzelf er buiten te stoten.

God stelde aan deze primitieve mens een eenvoudige proef,

een ja-neen probleem in allersoberste vorm. Hier kon geen

misverstand voorkomen. Hij stelde een boom in het paradijs,

waaraan Hij Zijn "neen" hechtte, tegenover alle andere bom

van Zijn ,ja". Een eenvoudige keuze, deze of gene.

Daartussen ruimte voor 's mensen gehoorzaamheid, voor Zij

liefde, want liefde is gehoorzaamheid. God koppelde aan het

allerprimitiefste, het voedsel van de mens, dit gebod. Hij zal

eten en niet eten wat God aanwees en verwierp. Dit moest

voor deze ongetrainde hersens duidelijk genoeg zijn. De men

mocht bewijzen of het hem vreugde betekende in God te wo

of dat hij in zijn denken plaats kon geven aan de mogelijkhei

buiten God uit te geraken door iets eigens te stellen in Gods

plaats. Hoe zou de mens reageren?

Tegenover duizenden rijkgeladen vruchtbomen, waarva:l hij

eten mocht, dien énen boom, de boom der kennis van goed e

van kwaad, door God duidelijk aangewezen. Het moest niet

moeilijk zijn voor de mens, eenvoudig dit: In God te blijven,

Zijn Woord, dat was alles. "Kwaad" was een onbekend beg

voor deze argeloze, zuivere mens. Wat was kwaad? Kennis v

God was voor hem geen deugd, maar eenvoudig ingeschapen

natuur Gods. Wat was voor hem nu "kwaad"? God zei, dat

hetzelfde was als uit het Woord treden, dus uit Hem treden,

buiten Hem staan. Dan zou de mens in een andere wereld

treden, de wereld BUITEN GOD, de wereld van het kwaad,

van de zonde. Daar gelden Gods wetten niet langer, daar is

Gods licht niet meer. Daar vervalt alles aan de duisternis, aa

de zonde, ziekte en dood. Leven buiten God is de dood in

8


allerlei gedaante. Daar brokkelt het leven uiteen. Daar is de

éénheid verstoort Daar is het beeld en gelijkenis Gods

verbroken en blijft men zitten met de scherven van Gods beeld

in de handen. Dan is men gesteld onder de wet der zonde en

des doods, het verderf, de vergankelijkheid, de duisternis, de

pijn, de angst.

God verzocht de mens zijn liefde te bewijzen door eenvoudig

buiten de aantrekkingskracht van die ene boom te blijven die

daar stond in het midden van de hof. Hij behoefde niets anders

te doen dan "neen" te zeggen. Gods geboden zijn niet zwaar.

Wanneer er liefde is, onbeschadigde liefde Gods, zijn Zijn

geboden niet zwaar. Het geheim ligt in het: "Blijft in Mij, gelijk

Ik in u" (Joh. 15 : 4). Dat is de veilige zone, daar kunnen wij

niet ten prooi vallen aan de vorst der duisternis.

De zondeval

De zondeval is de val uit het Woord. Gods tegenstander, de

duivel, hoorde het gesprek van God tot den mens en zag zijn

kans. Hij verzocht iets tussen God en de mens in te drijven en

vond dit in het mindere, in eigen, andere woorden. Tussen de

mens en het Woord schoof hij zijn eigen woorden. De mens

zou in dit spel van WOORD en woorden de weg bijster raken.

Tussen wat God gezegd had en wat anderen zeggen. Het

andere zou even goed, zo niet beter zijn, als Gods Woord. Het

goede is de vijand van het betere. Het mindere werd geafficheerd

als het hoogste, als een equivalent van het allerhoogste.

In andere woorden, van andere oorsprong, van beneden, van de

onderwereld, zou evenveel autoriteit opgetast zijn als in het

Woord Gods. Andere wegen werden gewezen, terwijl er slechts

sprake was van EEN weg: HET WOORD. De duivel begon

de mens uit HET WOORD uit-te-praten.

De mens werd de weg bijster en "leende het oor" aan de

woordjes van beneden, terwijl zijn oor juist geschapen was voor

HET WOORD. De duivel, de leugenaar, de mensenrnoordenaar

van den beginne, doet dit nog altijd; zijn woorden, de

andere woorden, misschien zijn het wel diepzinnige, interessante,

religieuse woorden, te stellen tegenover GODS

WOORD. Hij trekt een rookgordijn, een versluiering over

Gods Woord en stelt zijn meningen en inzichten scherp en

begeerlijk daar tegenover. Hij schiep de begeerte in het hart


van de mens naar het andere, naar datgene wat buiten God

staat. De duivel hield een toverspiegel voor de ogen van de

vrouwen schiep de zin voor het avontuur, een zintuigelijk

verlangen naar hetgeen buiten God was en daarvoor werd a

volheid Gods prijsgegeven. De mens luisterde naar het zoet

gefluit van de vogelaar en liet zich uit het paradijs van God

tegenwoordigheid vervoeren, afvoeren. "En de vrouw zag, d

de boom goed was om te eten ("zo te zien" niet giftig), en d

hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk wa

om daardoor verstandig te worden, en zij nam van zijn vruc

en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at"

(Gen. 3 : 6). De veilige, reële weg van het geloof werd verl

voor de speculatieve weg der zintuigen-openbaring.

Uiterlijk scheen de werkelijkheid niet zo verkeerd en de woo

den van de oude slang niet zo absurd, alles leek acceptabel.

"God zal Zijn Woord niet zo streng bewaken, er blijkt mee

speling te zijn dan het er in eerste instantie uitziet. Waarom

streng, waarom niet meer fantasie, avontuur?"

Maar de duivel bracht de leugen, want halve waarheid is he

leugen. Elke vertekening is belediging aan Gods autoriteit, i

Hem niet nemen zoals Hij is, heilig en onaantastbaar.

W at wordt er in 's mensen leven geschoven tussen God en

mens in, via de vijfvoudige invalspoort der zintuigen. Wat

worden deze geraffineerd gebruikt door de vijand van God

tegen Hem. Het natuurlijke leven is het bekende terrein van

oude slang, de duivel. In de nieuwe schepping kan hij niet

penétreren, maar heel het gebied van het natuurlijke leven

wordt voortdurend door hem bespeeld, in het verstand en

vooral in het gevoel.

Maar de Heer spreekt: "Van alle bomen in den hof moogt g

vrij eten, maar van den boom der kennis van goed en kwaad

daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet

zult gij voorzeker s"terven" (Gen. 2 : 17). Gods bevel staat

buiten elke discussie, buiten elke eigenzinnige interpretatie.

is nimmer voor tweeërlei uitleg vatbaar. Zijn: ja is ja! Zijn:

neen, neen!

Eten en doorgeven

Nu is door het werk van de rebel, de duivel, " der Verneiner

dat in de geest van de mens de begeerte geboren werd naar

10


1

avontuur buiten God; hij strekt zijn hand uit naar de verboden

vrucht en neemt het tot zich. God zet geen engel bij de-boom

die de hand van de verleide mens terugduwt. God ziet toe hoe

de mens reageert op Zijn Woord en in zijn gehoorzaamheid

zijn liefde bewijst. - -

0, het zal de Vader gesmart hebben dit kind te zien toelopen

naar de verboden boom en plukken en eten. De vrouw betrekt

haar partner in haar zondige greep en beiden vallen zij. De

vrouw is een hemelpoort of een helledeur. Beide mensen zetten

hun gave, sterke tanden in de vrucht van de verbodèn boom en

op ditzelfde ogenblik breekt het beeld Gods in hen stuk. Op

ditzelfde ogenblik komen zij onder de wet der zonde en des

doods, onder het regiem van de vergankelijkheid, het bederf, de

duisternis, de dood. Het is -de meest tragische dag in de

geschiedenis der mensen.

Maar God ziet de mens aan. Hij ziet de mens aan in dien

anderen Mens, die Hij zond, Jezus. Hij zond de Zoon om

zonen te redden, de Broeder om het lot te veranderen van de

broeders. Er is in God een plan geboren om deze vloek op te

heffen, de werken des satans te verbreken. Hij zond een Lam

die de zonden in Zijn vlees op zich nam, opdat andere

verdwaalde schapen thuis kunnen komen. Jezus is bereid om

de vloek die door de zonde op de mensheid viel; op Zich te

nemen. Halleluja!

Zoals door het eten van deze verboden vrucht de mens geplaatst

werd buiten God, buiten het leven uit God, is er in

Jezus ander voedsel tot de mens gekomen, opdat, als hij

daarvan eet, hij weer deel kan nemen aan het leven in Hem.

Jezus kwam als het Brood, dat de mens, daarvan etende,

terugbrengt in God; als het Vlees dat verlost van de vloek in

het vlees en eeuwig leven geeft. Daarom moest de Zoon deel

krijgen aan het (ons) vlees, in deze wereld ingeboren worden,

opdat Hij ons hier uit de verlorenheid kon uitredden. " Daar nu

de kinderen (de mensen) aan bloed en vlees deel hebben, heeft

ook Hij daaraan deel gekregen, opdat door Zijn dood hem, die

de macht over de dood HAD, de duivel, zou onttronen en allen

zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor

den dood tot slavernij gedoemd waren" (Hebr. 2 : 14, 15).


Het brood des levens

Jezus komt als het levende Brood, het Brood des levens. "I

zeg u, tenzij gij het vlees van den Zoon des mensen eet en Z

bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. Wie Mijn vlees ee

Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekk

ten jongsten dage. Want Mijn vlees is ware spijs en Mijn bl

is ware drank. Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blij

in Mij en Ik in hem. Gelijk de levende Vader Mij gezonden

heeft en Ik leef door den Vader, zo zal ook hij, die Mij eet,

leven door Mij" (Joh. 6 : 53-57).

De Heer wil alle schuld van ons afwassen en ons opnieuw i

Zijn tegenwoordigheid stellen, de weg is Jezus. Daar is geen

andere weg dan Hij. Niemand komt tot den Vader dan door

Mij! Wij kunnen: "ingaan in het heiligdom door het bloed v

Jezus, langs den nieuwen en levenden weg, dien Hij ons ing

wijd heeft ... " Laten wij toetreden: ". .. met een waaracht

hart, in volle verzekerdheid des geloofs, met een hart, dat d

besprenging GEZUIVERD is van BESEF VAN KWAAD

(Hebr. 10 : 19-22).

De miserabele zondaar, ontheemd, ver verwijderd van zijn

thuis, innerlijk verscheurd, fysiek gebroken, wordt in Jezus

weer gezocht en hij ontvangt nieuwe mogelijkheden van den

Vader, nieuwe kracht, nieuw voedsel. "Gij at fijn meel, hon

en olie, en gij werd uitermate schoon, ja, het koningschap

waardig" (Ez. 16 : 13). Prijs de Heer!

Als Jezus Zijn leven tot voedsel geeft aan de verloren werel

en de mens zich, in ootmoed daarnaar uitstrekt, zal hij word

versterkt en verzadigd. "De ootmoedigen zullen eten en

verzadigd worden" (Ps. 22 : 27). Dan verlaten hem angst en

doodsgedachten, pijn en nood en komt hij in een nieuwe

gemeenschap, in het huisgezin des Vaders, het Lichaam van

Christus. Doordat hij het Lichaam van Jezus eet in brood e

vlees en wijn, wordt hij ingeplant in het Lichaam van Christ

de, Gemeente. Er is overvloed en volheid nu, waar eerst

tekorten en beperkingen en limieten golden, want hij is met

Christus geborgen in God en heeft alles wat de Vader heeft,

"Al het Mijne is het uwe" zegt de Vader.

De Moabitische bukte zich de gehele dag op het oogstveld o

12


13

de gevallen en verloren aren achter de maaiers op te lezen. Dit

recht heeft deze weduwe naar de oogstwet van Deul 24 : 19.

In de felle zonneschijn, van de morgen tot de avond, moest zij

bukken om haar dagkost bijeen te lezen en als zij 's avonds in

het arme huis van N aomi het resultaat van haar harde werken

uitschudde en uitklopte, was het slechts één efa gerst. Maar er

is voor Ruth (de Gemeente) méér weggelegd. Halleluja! Zij

behoeft niet van de bedéling te leven, niet moeizaam haar

dagelijks efa van de grond bijeen te krabben, want daar zijn

voor haar volle graanschuren weggelegd, de ganse erfenis van

Boaz, haar losser, haar bruidegom. Overvloed, volheid. Dat is

wonderbaar. De Heer tilt deze arme kleine weduwe uit haar

moeitevol leven uit en stelt haar met Boaz in de troon. De

Gemeente is geplaatst met Christus in de troon (Ef. 2 : 6).

Alle zondaars, onder de wet der zonde en des doods, mogen

komen toelopen op Jezus; in Hem is een nieuwe, betere wet in

werking getreden, de wet van de Geest des levens. Allen die

gegeten hebben van de verboden vrucht van de zonde en daardoor

in de invloedssfeer van de dood zijn gekomen, onder de

vloek en de verdoemenis, mogen zich vandaag uitstrekken naar

het Brood des levens, Jezus. Het beeld Gods dat door de

zonde in de mens gebroken is, wordt door de Heilige Geest

weer teruggebracht. "En wij allen, die met een aangezicht,

waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren

weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid

tot heerlijkheid, immers door den Here, die Geest is"

(11 Cor. 3 : 18).

De engelse koningin werd in een grote papierfabriek rondgeleid

en de directeur legde haar het gehele proces van de papierfabricage

uit. Ze stond voor de machtige machines die het

prachtige blanke papier vervaardigen via een hele bewerking.

Toen wierp hij een grote deur open en liet de koningin een blik

slaan in een loods die tot de nok gevuld was met lompen,

vodden, oude lappen, textielafval, een grote, kwalijkriekende

vuilnishoop. De koningin week een stap terug bij het zien van

zoveel vodden die daar opgehoopt lagen, ze was onaangenaam

verrast na de wandeling van die morgen langs de smetteloos

glanzende machines, de witgeklede arbeiders en propere

fabriek. De directeur zei: "Majesteit, deze vodden zijn nodig


om dit blanke papier te vervaardigen, dit is onze grondstof,

zonder deze vodden kunnen wij geen papier maken. Wat d

mensen weggeworpen hebben, het afval van een samenlevin

al deze vuile lompen, worden gereinigd, gekookt en gewass

en dan begint met dit materiaal het hele fabrieksproces totd

het eindprodukt, het blanke papier, tevoorschijn komt. Gist

waren het lompen, morgen is het papier, het fraaiste en fijn

velijnpapier. "

Toen de koningin de fabriek bezichtigd had, ontving zij in d

directiekamer een geschenk. Het was een blad van het alle

zuiverste en kostbaarste papier. Dat was het eindresultaat

de bewerking van deze fabriek. De directeur vroeg of zij di

papier tegen het licht wilde houden. Tot haar verbazing zag

koningin haar portret in het papier gewerkt, als watermerk.

was er niet op gedrukt, maar het was er INGEWERKT, d

en door, het beeld beheerste dit papier. " ... Veranderen n

hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid" ... Hallel

14


15

DE DOOD IN DE POT

" Toen Elisa naar Gilgal terugkeerde, was er honger in het

land Terwijl de profeten vóór hem gezeten waren, zeide hij

tot zijn knecht· Zet den grootsten pot op en kook moes voor

de profeten. Daarop ging er een naar het veld om groenten te

plukken; en hij vond een wilde slingerplant en plukte daarvan

wilde kolokwinten, zijn kleed vol. Toen hij teruggekomen was,

sneed hij die in stukjes in den moespot; want zij kenden ze

niet. Vervolgens schepte men voor de mannen op om te eten.

Maar zodra zij van het moes hadden gegeten, schreeuwden zij

het uit: De dood is in den pot, man Gods! En zij konden het

niet eten. Doch hij zeide: Haal dan meel. En hij wierp het in

den pot en zeide: Schep op voor het volk, opdat zij eten. Toen

was er niets kwaads meer in den pot. " (Il Kon. 4: 38-41)

Bovenstaande geschiedenis toont de tragiek van een wereldwijd

gepleegd bedrog, een intense handel in ondeugdelijke waar, er

zijn kooplieden (Openb. 18 : 15), die vijanden blijken te zijn

van de mensheid: In de naam en onder het mOl11 van de waarheid

wordt een minderwaardig surrogaat aangeboden van het

allerbeste. De Bijbel is nauwkeurig met aanwijzingen voor de

samenstelling van het voedsel voor het hart van de mens, Gods

kookboek, en is ook nauwkeurig wat het gebruik daarvan

betreft. Verkeerd voedsel, naar eigen geest bereid, kan vergiftiging

veroorzaken, zoals in het bovenstaand verhaal.

Wij moeten de Bijbel, Gods onfeilbaar Woord, niet terzijde

schuiven, niet vervangen door eigen menselijke bedenkingen en

inzichten, want dan ontnemen wij Gods volk het Brood des

levens en zetten ander voedsel voor. Waar de Heer een rijkvoorziene

dis aanbiedt, laten wij niet aankomen met een menu

van voorkeurspijzen, samengesteld naar eigen smaak. Wie zich

over het evangelie des heils en de werkingen des Geestes

andere voorstellingen maakt, horizontalisme contra

verticalisme, bereid verkeerd voedsel, die moet zich niet verbazen

dat het volk Gods "buikpijn" krijgt. Wanneer het


Lichaam niet langer wordt onderscheiden, openbaart zich

zwakte en ziekte en nood, "daarom zijn er onder u velen z

en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen" (I Cor. 11 : 30)

Gods Woord is fundamenteel en kan niet worden vervange

door menselijke interpretaties die daarvan afwijken. Hoe is

fundament gebouwd? "Is er iemand, die op dit fundament

bouwt met goud, zilver, kostbaar gesteente, hout, hooi, of s

ieders werk zal aan het licht komen. Want de dag zal het d

blijken ... " (I Cor. 3 : 12). Wanneer men aan Daniël en z

mannen, Hebreeërs, aan de koninklijke tafel onrein, heiden

voedsel wil serveren, weigeren zij dat, zij houden zich aan

joodse voedselwetten. Geen verboden, minderwaardig voed

ook al zijn ze door de koninklijke koks vervaardigd, maar

"kosjer" voedsel, naar Gods wet Zij hadden nog de zedeli

kracht om "neen" te zeggen tegen het voedsel dat de werel

biedt Daniël stelt een proefperiode voor van 10 dagen, me

een dieet van groenten en water en zij zagen er welvarende

gezonder uit dan de anderen.

De bedieningen mogen niet worden genegeerd

Jezus stelde de vijf bedieningen van het Woord in de geme

in, onder leiding van de Heilige Geest. "En Hij heeft zowe

apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herd

en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, to

opbouw van het Lichaam van Christus, totdat wij allen de

éénheid des geloofs en der volle kennis van den Zoon God

bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van den

wasdom der volheid van Christus" (Ef. 4 : 11-13). Hebt u

deze tekst het woord "totdat" gelezen? Deze bedieningen

dienen te blijven functioneren, zegt Gods Woord, "totdat"

deze verworvenheden in de Gemeente openbaar worden. E

zover zijn wij nog niet. Er is geen sprake van: éénheid des

geloofs en kennis van den Zoon Gods, de mannelijke rijphe

de maat van den wasdom der volheid van Christus.

De apostel is de grondlegger, hij breekt het nieuwe land op

hij is de vooruitgeschoven "commando", hij behoort tot de

"groene baretten", de stoottroepen, hij legt de fundamenten

rukt de zielen uit de klauwen van satan, hij is de vechter, d

pionier, de zendeling. De Bijbel zegt dat de Heer hem

16


enoemt, roept, aanstelt De profeet is de geroepen bemiddelaar

tussen de troon van God en Zijn volk, Gods vocaal, God

speciale kanaal, fijn bezintuigd met een ingebouwd geestelijk

radar-apparaat, met het gevoelige oor en het geestelijke oog, d

ziener, de visioennair, een bijzondere bediening van de Heer.

Velen denken dat profeteren prediking bedoeld, maar dat is ee

misvatting. Prediking is verklaring van de Bijbel, uitleg van

Gods Woord. Maar de profeet is de specialist in de Gemeente

die aan de benedenkant staat van de "hot-line" tussen de troo

Gods en ons. Hij is buitengewoon belangrijk. De Bijbel zegt

"Voorzeker, de Here Here doet geen ding of Hij openbaart

Zijn raad aan Zijn knechten, de profeten" (Amos 3 : 7). Alle

handelen Gods houdt Hij niet geheim, maar deelt Hij mee aan

Zijn knecht, Zijn gekozen en uitverkoren specialist, Zijn

spreekbuis, Zijn orgaan, die Hij daartoe gaven, middelen,

mogelijkheden heeft gegeven welke Hij anderen niet gaf. Men

meent dat de bediening van profeet voorbij is, niet meer voor

deze tijd, maar wij hebben zijn bediening heden meer nodig da

ooit tevoren. Bidt de Heer dat Hij profeten doet opstaan in on

midden.

Er is de bediening van de evangelist. Dat wordt nog algemeen

aanvaard. Hij brengt de boodschap van verlossing, predikt het

Bloed van Christus, het is zijn taak en specialisatie het

Evangelie te prediken, het volle heil voor de totale mens, hij

brengt de redding en de genezing. De bediening van herder is

evenzeer belangrijk. Hij heeft de zorg voor de schapen die hij

met pastorale bewogenheid begeleidt. Hij is de man met het

geduld, hij kan luisteren, hij voedt de schapen op en bescherm

ze. Men kan altijd direct horen welke bediening men heeft,

herkennen de aard van zijn roeping; de felle apostel, de

bewogen diepte van de profeet, de nodiging van de evangelist,

de vriendelijke stem van de herder en de onderwijzende stem

van de leraar. De bediening van leraar is het verklaren van

Gods Woord. Hij opent de Bijbel en geeft onderricht in Gods

heilfeiten.

Wij kunnen deze vijf bedieningen van het Woord, die God in

Zijn voorziening heeft gegeven tot opbouw van de Gemeente,

niet ignoreren en terzijde schuiven, of het is tot schade van

Gods volk.


De voorkeur voor het mindere

Ongeveer honderd mannen waren het die door vergiftig eten

grote pijnen leden en in doodsangst om hulp riepen. De

profetenzoon wilde natuurlijk niets verkeerds doen, het was

goed gemeend". Hij wilde geen verleider zijn, hij werd er to

een. Waardoor? Hij bracht het andere, dat hij goed genoeg o

beter achtte. Hij verzamelde zijn kleed vol kolokwinten, · sne

die in stukjes, om ze zonder toestemming van Elisa in de po

koken tot een kolokwintensoep. Dat zette hij de hongerigen

voor. Hij maakte een compromis.

De duivel komt met compromissen, hij presenteert Gods

kinderen surrogaten. Hij devalueert de zaken van het Konin

rijk. "Waarom kiezen voor Sion, is Sinaï niet goed genoeg?

Waarom dat streven naar het Koninkrijk Gods, is een aards

koninkrijk niet veel interessanter? Waarom Jerusalem van

boven, een nieuw Jerusalem, zolang we het kunnen doen me

een Palestijns Jerusalem? Waarom de Nieuwe Adam, Chris

wij redden het wel met de eerste Adam. Waarom de keuze

Abel, is Kaïn niet groter? Waarom Jakob, de hinkende, wan

neer daar Ezau is? Waarom Izak, kies voor Ismaël? Waarom

vrijheid in Christus, is organisatie niet verstandiger? Waarom

erfgenaam Gods en mede-erfgenaam van Christus, als vand

de gehele aarde te grijpen is? Waarom Christus, de Persoon

het centrum van ons geloof, als er religie is, een synthetisch

wereldbeschouwing? Waarom de Heilige Geest, wanneer

zoveel educatie is? Waarom Geest, neem toch vlees? Waaro

de geestelijke mens, verkies de natuurlijke mens? Waar0m

Gods kracht, wij hebben onze eigen formidabele kracht? Wa

om Goddelijke genezing, wij hebben de grootste specialisten

de modernst geoutilleerde ziekenhuizen? Waarom dat spreke

in nieuwe tongen, wij hebben onze eigen taal, ons eigen

idioom? Waarom inspiratie Gods, wij hebben zoveel boeken

Waarom de verticaal gerichte communicatie met de Vader,

zolang wij ons horizontalisme hebben?"

Wat mensen voortbrengen is vlees, maar Gods Geest schep

geest. Natuurlijke mensen verstaan niets van het werken en

wandelen in de Geest. "W andelt door den Geest en voldoet

niet aan het begeren van het vlees. Want het begeren van he

vlees gaat in tegen den Geest en dat van den Geest tegen he

18


vlees - want deze staan tegenover elkander - zodat gij niet

doet wat gij maar wenst. Indien gij u echter door den Geest

laat leiden, dan zijt gij niet onder de wet" (Gal. 5 : 16-18).

In het harde gevecht tussen Jezus en de duivel op Golgotha,

heeft Jezus zijn kop vermorzeld. Aan Jezus kan de vernietiger

geen winst meer behalen, daarom richt hij zich met zijn geconcentreerde

legermacht der duisternis tegen Zijn Lichaam.

Naarmate de tijd dringt en Jezus' wederkomst nadert ziet u de

boze sterker opdringen, verwoestender infiltreren, zich geraffineerder

openbaren. De duivel weet drie dingen: (a) zijn strijd i

een verloren strijd; (b) Jezus is Overwinnaar; (c) zijn tijd is ·

kort! Christenen moeten de duivel duidelijk maken dat zij met

deze drie dingen op de hoogte zijn.

Hij treedt destructief op in alle domeinen van de mens, in ziel,

geest en lichaam, in bewust-zijn, in onbewust-zijn, in onderbewust-zijn.

Maar ook in de dierenwereld, de plantenwereld, d

aarde, de lucht, het water. In al het geschapene, al het

wordende uit Gods scheppingsorde. In alle leven, in de

atmosfeer, overal vergiftigt hij, alles vervuilt hij. Daar is geen

gebied waar hij niet binnendringt.

Maar overal waar hij de invloed van het Bloed van Jezus ontmoet,

de autoriteit van Gods Woord, laat hij zijn prooi los. Ik

heb ervaren dat het optreden van een Geestvervuld kind van

God, met macht en gezag in Jezus Christus, hem overwint. De

waarlijk wedergeboren christen, die weet wie hij is in Christus,

de nieuwe mens, de nieuwe schepping, die uit God geboren is,

die schoongewassen is, vervuld met het vuur van de Heilige

Geest, een "schoon" kind van God, heeft een extra bovennatuurlijk

afweermechanisme ingebouwd gekregen tegen kwaad

en vuil en ziekte. Hij is geïmmuniceerd door de aanwezigheid

van Jezus in hem. De pantsering met de wapenrusting Gods

werkt vuil-afstotend, zonde-afstotend, ziekte-afstotend. Jezus in

hem bewerkt dit.

Hij neemt geen genoegen met het aanbod van het geraffineerd

samengestelde surrogaat, van kolokwintensoep van duivelsvruchten,

uit parasieten gekookt. Hij wijst het mindere af, het

verdichtsel, de ersatz. Hij doet dit compromisloos, resoluut en

schaart zich aan de tafèl des Heren.


Het geneesmiddel

Wanneer in ons leven zonden zijn, dan is dat: de dood in de

pot (Ef. 2 : 1-3). Wanneer wij niet wedergeboren zijn, nieuw

scheppingen, dan is dat: de dood in de pot (Joh. 3 : 3-6). W

neer wij liefdeloos en onverzoenlijk zijn, dan is dat: de dood

de pot (I Joh. 3 : 15). Zonder het leven in Jezus, in de Heil

Geest, is: de dood in de pot. Zoekt u eer van mensen en ma

u compromissen, dan is dat: de dood in de pot (Joh. 12 : 42

43). Egoïsten brengen ook offeranden, maar dat is: de dood

de pot (Hand. 5 : 4, 5). Een heilloze vermenging van

christendom en wereld-geesten brengt de dood in de pot.

Neem geen genoegen met het mindere, het compromis. Laat

Heilige Geest u wijzen op de gevaren die daar zijn op afwijk

gen van Zijn heilsboodschap. Hervindt de zuiverheid in God

herontdek de oude waarheid, die ondubbelzinnig is. Breng h

Bloed aan overal waar de dood binnengedrongen is of binne

dringen wil. Hoeveel vergiftigde en ten dode gedoemde leven

kwamen weer tot leven, toen Gods geneesmiddel werd aange

wend? De profeet Elisa bracht een eenvoudige remedie, hij

wierp meel in de pot en de giftigheid werd geneutraliseerd. H

meel, het bestanddeel waaruit brood wordt gebakken, het

Brood des levens, is zuiverend en genezend.

20


DE DAG VAN BLIJDE BOODSCHAP

" Toen deze melaatsen aan den buitenrand van de legerplaats

gekomen waren, gingen zij een tent binnen, aten en dronken,

namen zilver, goud en klederen er uit weg, en gingen heen en

verborgen het. Daarna gingen zij weer een andere tent binnen

namen er allerlei uit weg, gingen heen en verborgen het. Toen

zeiden zij tot elkander: Wij doen niet goed; deze dag is een

dag van blijde boodschap, en wij houden ons stil. Indien wij

wachten tot het morgenlicht, dan zal ons straf treffen. Welaa

dan, laten wij heengaan . .. " (11 Kon. 7: 8, 9)

Dit is de dag! Het uur Gods! Niet morgen! Vandáág! Want

vandaag is onze dag! Gods dag! Gods kans! De wereld van

vandaag is in doodsnood. 0, er is honger en dorst naar de

gerechtigheid van Jezus. De zonden vermeerderen zich, de

schuld stapelt zich op. Vandaag moeten wij de stem verstaan

die ons roept naar het oogstveld. "Als gij Zijn stem dan heden

hoort ... !"

Vandaag, deze dag is het de dag van Blijde Boodschap voor d

wereld. Vandaag wacht iemand op het getuigenis van onze

mond, misschien is het vandaag zijn laatste dag. U hebt veel,

alles, ontvangen van uw Heiland, waarom deelt u niet mee? E

sterven vandaag van honger, terwijl u oververzadigd bent. Is

dat redelijk? Is het nog langer verantwoord om te rusten, berusten

in het heil, om te eten en te drinken, terwijl er zovelen

rondom u wachtende zijn, opdat u, ja u, zult komen en spreken

en meedelen, uitdelen, het Brood des Levens, het Water des

Levens, de rijkdommem van Gods tafel?

Vandaag zijn er die wachten dat u hen bij de hand nemen zult

en binnenleiden in het wondere Koninkrijk van Jezus Christus

U zult er levens mee redden als u niet langer zwijgt maar

vrijmoedig getuigt van wat u ontvangen hebt in Hem. Dit is de

dag van de Blijde Boodschap van genade, door het kruis van

Golgotha, door het verzoenend Bloed van het Lam!

Benhadad, de geduchte koning van Aram, had zijn soldaten


gezonden om Samaria te belegeren. De mannen hadden de s

volkomen ingesloten, geen hulp was te verwachten, geen ontvluchtingspoging

te wagen, geen bres open te vechten door

deze ijzeren ring, geen andere kans bleef er dan capitulatie o

dood.

Vanwege deze wurgende greep van de vijand, deze hongerblokkade,

ontstonden vreselijke toestanden in de stad. Een

ezelskop werd verkocht voor 80 zilverstukken en een kwart

maat duivenmest bracht 5 zilverstukken op (11 Kon. 6 : 25),

een afschuwelijke handel in mensonwaardig voedsel, ja men

was zelfs tot kannibalisme overgegaan (vrs. 28, 29).

Is dat niet het beeld van de wereld, waar zovele hongeren en

dorsten naar de gerechtigheid? Jesaja 55 : 2 zegt: "Waarom

weegt gij geld af voor wat geen brood is en uw vermogen voo

wat niet verzadigen kan?"

De door de god dezer eeuw belegerde stad van de wereld bie

geen volwaardig voedsel voor de honger der zielen, voor duu

geld wordt een minderwaardig en onwaardig surrogaat op de

markt gebracht, schijn-vreugde, ersatz-geluk; een wankele do

vrees-bevangen diplomaten tot stand gebrachte veiligheidsraad,

labiele zekerheden van de leidende politici, non-agressi

pacten, nato-hulpgaranties, onvrede, zwakheid en onmacht.

In deze stad is een bloeiende handel in tabak, narcotica, er z

drugs verkrijgbaar, verdovingsmiddelen; er is in elke kiosk de

meest perverse en schunnige lectuur verkrijgbaar, pornografie

ligt onder het bereik van elke schooljongen, er is ontucht en

prostitutie op elke straathoek van de binnenstad, er is een

verbijsterende vervlakking en demoralisering te zien in het vo

er is incompetentie in kunst en cultuur, er is ontkerstening, e

zijn ziel-verpestende theorieën en filosofieën, ja een markt vo

onwaardig voedsel. Een wereld van vrees en haat, ingeklemd

de greep van de satan. Een wereld zonder Jezus is als een

belegerde stad zonder kansen, verloren, verdoemd.

De melaatsen

Het middelpunt van deze geschiedenis zijn de melaatsen: vie

ellendige miserabelen. Zij leven niet binnen de muren van de

stad, zij zijn onrein, uitgestoten uit de gemeenschap, vervloek

Over hun leven ligt het: neen! van Mozes, de priesters, de

samenleving. Zij zijn levend dood, weggezonden, afgeschreve

22


uitgeteld. De huizen, de harten, de handen zijn voor hen

gesloten, zij zijn ontheemd, vaderlandloos. Buiten de beschermende

muren gedreven van de saamhorigheid, de lotsverbondenheid,

wonen zij in een niemandsland, zij behoren nergens

meer bij, bij Israël noch Aram, bij vriend noch vijand, in een

geestelijk luchtledig, door allen veracht en verlaten. Zij hebben

niets te verliezen, want zij hebben alles verloren, zij hebben

niets te winnen, zij zijn de onverschilligen voor het verloop va

de strijd, of de stad valt of niet Het volk achter de muren had

zich van hen vervreemd, het volk vóór hen was ook vijandig,

ook op hen konden zij niet rekenen. Dit miserabel kwartet

poogde een schijnbestaan te rekken in de schaduw van de hoge

muren der stad, weggedoken als schuwe, aangeschoten vogels,

wachtend slechts op de barmhartige dood.

Wanneer ergens de nood het scherpst zich tekende, was dat bi

deze vier melaatsen. Vroeger leefden zij van wat men over de

muur hen toewierp, maar nu de stad zelf van honger omkwam

was er niets meer te hopen. Hun toestand was allerellendigst,

zij stonden letterlijk en figuurlijk met de rug tegen de muur.

De bijbel vertelt van het geheimzinnige gesprek van deze

melaatsen in de avondschemering. Zo kunnen slechts uitzichtlozen

spreken, woorden van wanhoop. "Waarom blijven wij

hier, totdat wij sterven? Indien wij zeggen: Wij zullen de stad

binnengaan - in de stad is hongersnood, zodat wij daar sterven

en indien wij hier blijven, dan zullen wij ook sterven. Welaan

dan, laten wij overlopen naar de legerplaats der Arameeërs.

Indien zij ons in leven laten, zullen wij leven; en indien zij ons

doden, zullen wij sterven" (II Kon. 7 : 3, 4). Deze melaatsen

riskeren de dood door de vijanden van hun volk, maar bij de

muur zullen zij ook sterven.

En dan gaan zij het grote, gevaarlijke avontuur aan. Zij verlaten

hun schamel bivak aan de muur en sluipen als schimmen

door de snel vallende avondschemering. Het lijkt een hachelijk

zaak zonder kansen, van achter de dodende pijlen voor dit

overlopen naar de vijand en van vóór eveneens. Als "de

burgers van Calais" , van Rodin, met het galgetouw om de hals

wankelen deze ellendigen de woestijn in, een spookachtige

bedevaart der wanhoop. Zij kunnen slechts vinden wijl zij niet

bezitten, met het risico dat het de dood is die zij vinden. Het


leven had afgedaan, toekomst was er niet, geen enkele ster aa

hun einder, zij liepen onder de dubieuze beschutting van de

muur uit, het open veld in, hopend op waarop niet te hopen

viel, verwachtende datgene wat wel uitgesloten scheen. Daar

struikelen zij voort, zwak, gehavend als zij waren, zich vastklemmend

aan elkander, vallend, opkrabbelend, tastend op

goed geluk ...

Het verlaten kamp

"Maar toen zij bij den buitenrand van de legerplaats der Arameeërs

kwamen, zie, daar was niemand. Want de Here had h

leger der Arameeërs een geluid doen horen van wagens en

paarden, het geluid van een grote legermacht" (vrs. 5, 6).

In het vorige hoofdstuk liet de Heer aan de knecht van Elisa

Zijn legermacht ZIEN: "En ZIE, de berg was vol vurige

paarden en wagens rondom Elisa" (11 Kon. 6 : 17); thans dee

God een geluid HOREN. Hij handelt steeds op verscheidene

wijze, Hij is machtig om alle middelen te hanteren om Zijn

doel te bereiken.

De melaatsen lopen steeds langzamer, bleven telkens staan o

scherp te zien en te luisteren. Er was geen geluid van mensen

noch gestalten te onderscheiden, slechts dierengeluiden werde

herkend. Als de eerste melaatse met bonzend hart om de hoe

van de eerste tent keek, zag hij geen mensen doch tafels rijk

gedekt met een onwaarschijnlijke overvloed aan kostelijke

spijzen en dranken. Geen mensen ook in de tweede tent of in

de derde, maar hoog opgetaste rijkdom en heerlijkheid. Een in

paniek overhaast verlaten kamp, niets was weggeborgen, niets

medegenomen: goud en zilver en rijkdom lag overal verspreid

zelfs wapens lagen weggeworpen in het zand. Het is nauwelijk

weer te geven wat er in deze dodelijk zwakke, uitgehongerde,

uitgeteerde mensen omging. Uit de afgrondelijkst diepe nood

plotseling gezet te worden in deze onwaarschijnlijke overvloed

Zij zullen hun ogen niet geloofd hebben, gedacht hebben aan

een koorts visioen, een satanisch leugenachtig fata morgana di

de dood op hun ogen penseelde alvorens hij toesloeg ...

De overvloed

Maar het was waarheid. De eerste leprose trad binnen de ten

24


stortte neer op de rijk gedekte tafel en ving, uitzinnig van

honger, aan te eten en te drinken. Hij greep naar dit, graaide

naar dat, liet het weer vallen, bracht alles naar zijn mond en

wierp het weer weg voor iets begeerlijkers, slokte en schrokte,

dronk van deze beker en van die, hij drukte de druiventrossen

tegen zijn tanden stuk, doopte zijn handen in de schalen,

morste over de tafel, stiet bokalen om en ledigde grijnzend de

glazen; als een overspannen koortslijder.

Hij liep een tent uit, een andere binnen, wierp zich ook daar op

de rijkdom, greep alles wat hij begeerde weg, stal zijn armen

vol. Zie, daar lagen gouden sieraden, zilveren gespen, prachtige

uitrustingsstukken, daar lagen zijden sluiers, klederen, wapens,

buit uit vorige krijgstochten, hij greep zijn armen vol, wat een

prachtige plotselinge buit viel hem hier toe.

Dan stond hij weer buiten, trillend van emotie, beneveld door

dit alles. Hij groef gauw een gat in het woestijnzand, borg

haastig zijn schat weg en ving weer aan te eten, te drinken en

te nemen. Toen hij dit enkele malen gedaan had, stond hij in

de duisternis plotseling voor een andere dief, die met armen vol

een tent uitwankelde. Zij stonden ineens tegenover elkander in

het avondduister, schrikachtig, gejaagd, betrapt. Als zij

elkander herkenden, deze melaatsen, zagen zij ineens scherp

wie zij waren en wat zij deden, zij lieten alles uit hun omlaagzakkende

armen neerglijden naar de grond en dachten tegelijk

hetzelfde: de stad daarginds waar op dit ogenblik: mensen

stierven op de straten, kleine kinderen van honger huilden, de

dood klopte aan alle deuren. Zij hadden een rijke buit aan

spijzen en drank en daarginds zouden allen hiermede in leven

behouden kunnen worden. Ineens sprak de stem van hun hart

sterker dan de begeerte, zij vergaten wat de stadsbewoners hen

hadden aangedaan. Zij waren met zichzelf bezig geweest tot

dusver, zij hadden zich helemaal verloren aan dit onverwachte

wonder van overvloed. Nu keken zij tegelijk naar de muren van

de stad in de verte.

" Wij doen niet goed; deze dag is een dag van blijde boodschap,

en wij houden ons stil. Indien wij wachten tot het morgenlicht,

dan zal ons straf treffen. Welaan dan, laten wij heengaan en

het melden" (vrs. 9). Zij gaan naar de stad terug en roepen

hun nieuws aan de wachters op de muren. Zij vinden ongeloof

en wantrouwen bij de koning en het volk. Dit is onmogelijk! Zo

royaal pleegt God Zijn kinderen niet te verrassen! Dit was

25


"niet van de Heer!" Dit nieuws is te wonderlijk,

Maar tenslotte: "ging het volk naar buiten én plunderde de

legerplaats der Arameeërs" (vrs. 16). Dit bericht van de

melaatsen dreef hen in zo'n onstuimige en massale uittocht

poorten der stad uit, dat de commandant van de poort, de

ongelovige hoofdman die Gods Woord niet aanvaardde, on

de voet gelopen werd, vertreden door het volk en stierf

(vrs. 17).

De man Gods had geprofeteerd, maar hij geloofde het nièt

daardoor was Elisa genoodza~kt hem het oordeel aan te

zeggen: "Zie, gij zult het met eigen ogen aanschouwen, doc

daarvan niet eten" (vrs. 2). Met alle zegeningen voor ogen,

rijkdom en overvloed in zicht, sterft hij arm en ongelukkig

onder de voeten van het volk, dat geloof in God had.

De Blijde Boodschap

God had een daad gesteld van verlossing en heil, door een

paniek te zenden onder de vijanden. Aan deze verlossing

hadden J oram, de koning van Samaria, noch de inwoners,

medegewerkt. God blies, als het ware, in-deze legermacht e

verloste Zijn volk.

God heeft een daad gesteld van verlossing en heil, door Jez

Christus. Het is een volkomen overwinning over de boze

geworden, op Golgotha. Hij heeft een einde gemaakt aan de

heerschappij van satan, door Zijn volkomen zoenoffer.

Maar de wereld heeft deze boodschap gewantrouwd en niet

geloofd. Er waren kerken die het in twijfel getrokken hebben

dat alle vijanden overwonnen zijn en met allerlei redenering

deze zege hebben verzwakt en de glorie van Golgotha's kru

verbleekt.

Het wantrouwen rees of er toch, van onze kant, niet iets

gedaan zou moeten worden, een deel van deze overwinning

door onze goede werken of heiliging bevochten zou moeten

worden. Maar de bijbel zegt dat God het heil in Jezus alléé

volkomen had bewerkt. Halleluja!

Dit is de dag

O. dit is de dag van Blijde Boodschap!

God redde ons toen wij nog zondaars waren. Hij bevrijdde,

26


27

verloste, verbrak de banden die ons bonden. Dit is de Blijde

Boodschap van het evangelie van Jezus Christus, het heil is

ons nabij gebracht: vergeving, vernieuwing, eeuwig leven! Wij

behoeven niet meer om te komen nu, want Jezus kwam ons

leven brengen en overvloed.

Hij nam niet alleen onze zonden, doch ook onze krankheden

op Zich (Jes. 53 : 4). Hij nam onze smarten op Zich

(Jes. 53 : 4). Hij nam onze zwakheden op Zich (Matth. 8 : 17).

Jezus droeg het alles voor u en mij op het kruis van Golgotha. Hij is

de Herder van Zijn schapen die Hij leidt en voedt en laaft. Hij is de

Doper met de Heilige Geest en de Gever van de gaven des

GeeStes. Welk een heil bereidde Hij voor ons, wat een dag van

Blijde Boodschap!

Wij hebben geen historische Jezus uit een vervlogen, antieke

wereld, waarnaar wij omzien, waarover wij religieus meditéren.

Hij is niet een verre figuur uit de mist der tijden, als Confucius

en Buddha. Hij is niet een "papieren" Jezus, waarover wij in

de Bijbel lezen, een literaire figuur. Neen, Hij is opgestaan en

levend, nu! Hij is Dezelfde; gisteren, heden en tot in eeuwigheid!

Hij is een werkelijkheid, vandaag, voor u en mij! Wij

spreken niet over een Afwezige, maar Hij is bij ons en woont

in ons. Hij is wonderbaar en Zijn liefde zegent ons. Zijn kracht

verlost en geneest ons. Hij omsluit ons met Zijn liefde. Hij is

geïnteresseerd in onze noden. Hij luistert naar ons bidden en

verhoort ons. Wij spreken niet van een Blijde Boodschap in het

verleden, maar DIT is de dag van Blijde Boodschap, vandaag

en nu en hier. Halleluja!

Er is heil voor elke arme verloren zondaar, vergeving en

genade. Er is heil vandaag, voor ieder die komen wil. Er liggen

rijkdommem gereed voor elke levende ziel. Wij hebben slechts

te komen, te nemen. "En wie dorst heeft, KOME en wie wil,

NEME!" (Openb. 22 : 17).

Het getuigenis

De melaatsen komen plotseling tot de ontdekking dat het

schuld worden kan als zij zwijgen. Er komt een tijd dat het

alléén genieten van Gods gaven zonde is. Het drinken aan de

bron en het eten aan Gods dis is gerechtvaardigd, noodzakelijk,

ja gebiedend, maar op een bepaald ogenblik wordt het zondig

egoïsme. Men moet uitgaan om te getuigen aan anderen van


datgene wat zelf gevonden, genoten, ervaren werd. "Zorg to

dat ieder het weet!" De melaatsen zeiden als in Hand. 4 : 2

"Wij kunnen niet nalaten te spreken van wat wij gezien en

gehoord hebben!" De bewoners van Samaria zeiden, toen zi

op het getuigenis van de vrouw zèlf naar Jezus waren gegaa

"Wij geloven niet meer om wat gij zegt, want wij zèlf hebbe

Hem gehoord en weten, dat deze waarlijk de Heiland der

wereld is" (Joh. 4 : 42).

Wanneer wij niet gaan, sterft de wereld! Wanneer wij gaan

getuigen, zal zij leven! Als wij niet gaan worden wij als de

Dode Zee; het water des heils (de Jordaan) vloeit er in, ma

er niet meer uit, het heil verstikt en brengt dood en onvrucht

baarheid. Doch wij moeten zijn als de zee van Galilea, waa

het water des heils invloeit en ook weer uitvloeit. Mogen wij

zwijgen? Volstrekt niet!

"Mensenkind, u heb Ik tot wachter over het huis Israëls aan

gesteld. Wanneer gij een woord uit Mijn mond hoort, zult gi

hen uit Mijn naam waarschuwen. Als Ik tot den goddeloze z

Gij zult zeker sterven - en gij waarschuwt hem niet en spree

niet om den goddeloze voor zijn goddelozen weg te waarsch

wen ten einde hem in het leven te behouden, dan zal die

goddeloze in zijn eigen ongerechtigheid sterven, maar van zi

bloed zal Ik u rekenschap vragen. Maar als gij den goddeloz

waarschuwt en hij bekeert zich niet van zijn goddeloosheid e

van zijn goddelozen weg, dan zal hij in zijn eigen ongerechti

heid sterven; maar gij hebt uw leven gered" (Ez. 3 : 17-19).

De Heer des oogstes dringt aan op haast, de avondschemeri

is snel voorbij, de nacht valt. De Heer des oogstes wijst op

nood in de wereld en nodigt aan Zijn dis, want alle dingen z

gereed. "Ga de wegen en de paden op en DWING hen binn

te komen, want mijn huis moet vol worden" (Luc. 14 : 23).

is weinig tijd te verliezen, Jezus komt! De wereld moet wete

dat Jezus leeft en Zijn heil heeft bereid. Gods tafels bieden

beter voedsel dan het onwaardige voedsel dat de wereld

pI:esenteert.

De poort uit!

De mensen moeten deze door satan belegerde stad verlaten

op het heil des Heren toelopen. Eten en drinken van Zijn

28


29

gerechtigheid. De zegeningen liggen gereed. Laat uw oude

leven los, verlaat uw zonden, loopt de stad van uw oude leven

uit, de stad dat minderwaardige kost biedt, duivenmest verkoopt.

Eet het fijne meel, het zuivere brood van het evangelie.

Alles wat ge nodig hebt, is bij Jezus te krijgen.

Het ongeloof hoort van het heil, maar wordt vertreden in de

poort, het ongeloof gaat de dood tegemoet, met alle kansen,

alle zegenirrgen in zicht. Maar het geloof verlaat deze stad des

doods, het oordeel, de vloek, het gericht en strekt zich uit naar

wat God in Jezus Christus voor u heeft bereid; wonderbaar

voedsel. Halleluja!

Verlaat de oude paden die u ging, doorbreek het verstarringsfront

van uw verstandelijk denken, werp uw minderwaardige

lectuur in het vuur, verbreek de banden die u binden, koop een

Bijbel en lees hem opnieuw. Daarin nodigt de Heer u aan Zijn

tafel, die rijk gedekt voor u gereedstaat. Schuif aan, schik bij,

er is op u gerekend, een plaats is voor u gereserveerd. Hier is

krachtig voedsel voor uw ziel, hier is verkwikking, vrede,

blijdschap!

Zie niet op de boodschappers van het laatste uur! Het zijn

ellendigen, nauwelijks een aanbeveling voor de Boodschap.

Maar luistert toch naar hen, zij hebben zelf gegeten en gedronken

en weten waàrover zij spreken! Zij roepen u toe dat er

overvloed gereed ligt voor elkeen die komen wil. Zij vestigen

ook niet de aandacht op zichzelf, maar op de Heer. Zie op

Hem, geloof Zijn Woord, eet en drink aan Zijn bron!

Maak haast met de Blijde Boodschap, DIT IS DE DAG!


LEKKERNIJEN, ZOETE DRANKEN

"Deze dag is den Here, uw God, heilig; bedrüft geen rouw

weent niet. Want het gehele volk weende, toen het de woor

der wet hoorde. Voorts zeide hÜ tot hen: Gaat heen, eet

lekkernüen en drinkt zoete dranken en zendt aan ieder vo

wien niets bereid is, een deel, want deze dag is onzen Here

heilig: weest dus niet verdrietig, want de vreugde in den H

die is uw toevlucht. Ook de levieten brachten het gehele vo

tot kalmte door te zeggen: Weest stil, want deze dag is hei

weest dus niet verdrietig. Toen ging het gehele volk heen, o

te eten en te drinken, en een deel er van te zenden en grote

vreugde te bedrijven, want zÜ hadden begrepen wat men h

had bekend gemaakt." (Nehemia 8 : JO-13)

Om de situatie van deze woorden goed te begrijpen, dient u

hele hoofdstuk te lezen, vanaf vers 1. U ziet dat het een

belangrijke dag is, want na de 70-jarige ballingschap wordt

voor de eerste keer Gods Woord weer geopend. Dit geschi

in een enorme openluchtsamenkomst op het plein voor de

Waterpoort, de Bijbel zegt dat het gehele volk als één man

daar bijeen was gekomen. De schriftgeleerde Ezra werd

opgedragen "Het boek der wet van Mozes, die de Heer aan

Israël gegeven had, te halen" (vers 2). Daaruit las hij voor

de verzamelde mannen en vrouwen, van de vroege morgen

de namiddag. Er wordt onderwezen "aan ieder, die het kon

begrijpen" (vers 3), "aan hen, die het konden begrijpen" (v

4), er werd verwacht dat de mensen die daar stonden het

begrepen. Ezra en zijn mede-leraren legden het zo duidelijk

herhaaldelijk uit, dat zij het begrepen. "Zij lazen namelijk u

het boek, uit de wet Gods, duidelük voor en gaven uitleggi

ZODAT men het begreep" (vers 9). Na zoveel jaren vervreemding

van Gods wet, Gods Woord, moesten de mense

daarin weer worden binnengeleid en men nam daar tijd en

moeite voor.

Op dit plein stond een generatie die het Woord Gods nog

30


31

nimmer had gehoord, ofschoon zij geweten had dat het woord

bestond, het was de opdracht van Ezra dit woord tot het volk

te brengen. Zij waren eensgezind gekomen, "als één man", op

de eerste dag van de zevende maand, in verlangen naar de

woorden van God, die Hij Mozes gaf neer te leggen in zijn

geschriften, woorden bedoeld voor dit volk, voor hen. Zij

wilden weten wat God hen te zeggen had. Zij wisten van Hem

dat Hij heiEg was en verschrikkelijk als verterend vuur, maar

zij wisten ook van Zijn wonderlijke voorliefde voor dit volk, dat

Hij uitleidde uit Egypteland naar huis en later uit Babylon naar

huis.

Babylon en Jeruzalem

In de hele Bijbel, van Genesis tot Openbaring, komen deze

beide namen voor, deze namen van steden, deze uiterste

namen die uiterste begrippen betekenen, uiterste principes.

Jeruzalem is meer dan de naam van de heilige stad, het is de

plaats waar God woont, het is het symbool van het leven MET

God. En Babel is het symbool waar het leven BUITEN God

zich openbaart, waar het domein van de duivel is.

In het begin van de Bijbel, in Genesis 10, lezen wij dat Noach

na zijn ontwaken uit zijn roes zijn kleinzoon Kanaän, de zoon

van zijn zoon Cham, vervloekte en zijn andere zonen, Sem en

J afeth, zegende. De een werd de ander tot knecht.

Na de vloed werd er scheiding gemaakt tussen de volkeren, op

de één rustte de vloek des Heren en op de andere Zijn zegen.

De aarde werd in die dagen verdeeld. Aa,n Heber werd een

zoon geboren: Péleg en deze naam drukte deze verdeling op

aarde uit. In de afstammelingen van Noach (deze naam betekent:

Troost) zien wij twee werelden uiteensplitsen, degenen

die met God verder gingen en degenen die zich van Hem

afkeerden. De volkeren spraken tot die tijd één taal (Genesis

11 : 1), maar nadien begonnen zij allerlei andere talen te

spreken.

De mensen trokken oostwaarts en maakten het plan om zich in

de vlakte van Sibear te vestigen. Zij bouwden een stad, metselden

deze met tichelen, handgevormde en gebakken rivierklei,

met cement uit stro vermengd met asfalt uit de vele daar

aanwezige asfaltputten (Gen. 11 : 3).


Er werden reeds enkele steden gebouwd in de oudheid. Kaï

bouwde een stad, die hij noemde naar zijn zoon, dus naar z

zelf, naar zijn eigen vlees, een primitief lager achter palissa

waar hij zijn angstig kloppend hart verborg voor de vijanden

de velden en voor de demonen in de lucht. Hij noemde dit

lager: Henoch. Tegenover de tenten die later werden gebou

op stokken gespannen lappen weefsel (J abal, de zoon van

Lamech was de eerste bedoeïen in tenten), stond deze palis

sade-vesting, door omwalling als stad bekend. De tweede s

werd opgericht door een machtig jager: Nimrod. Hij wordt

genoemd: "De eerste machthebber op de aarde; hij was een

geweldig jager voor het aangezicht des Heren (Gen. 10: 8,

Deze Nimrod bouwde in Assur de stad Ninevé (Gen. 10:

Daarna werd Babel gebouwd in de vlakte van Sibear. Het w

het eerste centrum van de politieke, horizontale macht. Ma

het werd ook het geestelijke centrum, de toren" waarvan de

den hemel reikt" (Gen. 11 : 4), wijst op de greep, verticaal

naar boven, naar Gods Troon, de vermetele uitdaging van e

boze wereld naar de hoogste autoriteit, in verblinde machts

honger. Deze stad groeide enorm in breedte en hoogte, een

gebalde vuist naar de hemel, een duivels bastion van godslé

ring.

Toen -daalde God neder "Om de stad en de toren, die de

mensen bouwden, te bezien" en Hij doorzag de toeleg van

bouwers en verwarde de taal, deed de bouw staken en

verstrooide hen over de gehele aarde (vers 8). Babel is de

naam van de stad van de harde vermetelheid der mensen, h

dienen van de grote rebel, de oude slang, de duivel.

In de tijd van Nebukadnezar zien wij ook weer zo duidelijk

karakter van Babylon. Wij lezen in Daniël 3, dat op de vla

Dura door de koning een groot beeld werd opgericht, vertic

van zestig el hoog en zes el breed. Wanneer de muziekinstr

menten speelden, was dit het signaal dat alle bijeengeroepe

volkeren zich ter aarde moesten werpen en het beeld aanbid

d~n; iedereen die dit weigerde zou in een vurige oven worde

geworpen.

Nebukadnezar is de voorloper en het type van de antichrist

zijn politiek herkennen wij die van het beest in de Openbari

Evenals in Genesis, bij de bouw van de stad Babel, wordt o

hier een poging gedaan om een wereldheerschappij te vestig

32


3

een eenheidsgodsdienst. Iedereen werd in Nebukadnezars tijd

gedwongen om zijn godsdienst te verloochenen en zich te

buigen voor het gouden beeld van de aardse macht, de laatste

autoriteit en dit zal de antichrist tot deel zijn. Deze antichrist

zal niet alleen de wereldlijke macht grijpen, maar ook de

geestelijke macht. Openb. 13 : 2-4: "En de draak (de duivel)

gaf hem (het beest-de antichrist) ZIJN MACHT en ZIJN

TROON en GROTE MACHT. En ik zag een van zijn koppen

als ten dode gewond en zijn dodelijke wond genas (er is genezing

bij de duivel, let op wie u geneest!) en de GEHELE

AARDE ging het beest met verbazing ACHTERNA, en zij

AANBADEN het beest, zeggende: Wie is aan het beest gelijk?

en: Wie kan er oorlog tegen voeren?"

Dit is het beeld van Babylon uit Nebukadnezars dagen, een

duidelijk beeld van de eindtijd. Door de gedurige zonde van

afgodendienst, een zonde die God zwaar weegt en waarvan

Israël zich niet wenste te reinigen, werd God gedwongen Zijn

volk in ballingschap te zenden en over te geven aan de onderdrukkers.

Tienduizenden werden in enkele enorme deportaties

naar Babylon gedreven, maar de Heer bleef het volk door Zijn

profeten vermanen. Hij strafte Zijn volk voor het dienen van

vreemde goden, met een hard lot.

Na 70 jaien ballingschap werd het overblijfsel van het volk

teruggevoerd naar Israël. Dit getal 70 wijst op volheid, volkomenheid.

Toen de volheid bereikt was in deze correctie

Gods, toen Gods tijd vervuld was, bracht Hij het volk terug

naar Jeruzalem, terug naar de verwoeste altaren, die na 18 jaar

herbouwd werden. Hij stootte Zijn volk van voor Zijn aangezicht

weg vanwege zijn hardnekkige afgodendienst en zond hen

naar Babylon, Hij strafte Zijn eigendomsvolk met de zware

straf van afsnijding van de tempel en de tempelstad. Maar toen

de tijd VOL was, vervuld was (70 jaar), voerde Hij het terug

naar het heilige land, in de directe gemeenschap met Hem en

Zijn dienst terug.

Doorheen de hele Bijbel lezen wij deze naam die méér dan een

naam van een stad is, maar een levenshouding, het dienen van

de boze. In het laatste, het 66e boek van de Bijbel, lezen wij

het einde van Babel: "Gevallen, gevallen is de grote stad

Babylon en zij is geworden een woonplaats van duivelen, een

schuilplaats van alle onreine geesten, ... zij zal met vuur


verbrand worden" (Openb. 18 : 2 en 8).

Jeruzalem is de naam van de heilige stad, het symbool van

dienen van God. Als men aan Jeruzalem, aan Sion, dacht,

ook steeds het beeld van de tempel voor ogen, het prachtige

witte gebouwencomplex met voorhof en zuilengangen, heel

onvergelijkelijk heerlijke aanspraakplaats van de Allerheilig

waar de priesters dienden, de koren zongen, de altaren rook

voor Zijn aangezicht. Niemand kon Jeruzalem hebben bezo

die niet onder de bekoring kwam van deze tempel des Here

deze heilige plaats waar God woonde. Als de ballingen aan

rivier de Kebar met groot heimwee terneder zaten en terugdachten

aan de heerlijke tempel in de stad Gods, dan werd

de heilige liederen in hun keel verstikt, zodat zij niet zingen

konden, de machthebbers die om deze liederen vroegen, ko

den niet worden gehoorzaamd (Psalm 137).

In de gehele Bijbel lezen wij deze naam en overal wordt he

aangeduid als het dienen van God. Jeruzalem (Salem) en S

namen die vaak samen worden genoemd (Ps. 76 : 3), zijn v

Genesis tot Openbaring te vinden.

Melchizedek was koning van Salem, hij was een priester va

God, de Allerhoogste (Gen. 14 : 18). Hij was priester-koni

ten tijde van Abram, "Die hem van alles de tienden gaf' (v

20). Van Jezus wordt gezegd dat Hij Hogepriester was naa

ordening van Melchizedek en één van Zijn namen is: Jehov

Shalom, de Heer is vrede (Richt. 6 : 24). Jezus is dus Kon

van Salem, Jeruzalem, te noemen, de Koning die de troon

Davids zal bestijgen. "Hosanna!" riepen de mensen to~n

"Jezus naar Jeruzalem kwam, zij namen palmtakken, ginge

uit Hem tegemoet, en riepen: Hosanna, gezegend Hij, Die

komt in de Naam des Heren! en: De Koning van Israël!" (J

12 : 12, 13). Gelijk geschreven is: " Wees niet bevreesd,

dochter Sions (Jeruzalem), zie, UW KONING komt, geze

op het veulen van een ezel" (vers 14, 15).

Dit principe van het dienen van God, te leven met de Heer

vinden wij in de naam: Jeruzalem, door de gehele Bijbel. In

laatste boek van de Bijbel, in Openbaring, is deze naam het

hoogtepunt van glorie, de plaats waar Jezus de Koning, troo

Daar zal een nieuw Jeruzalem zijn, neerdalende uit de hem

In Openb. 21 : 2 staat "De heilige stad, een nieuw Jeruzale

nederdalende uit den hemel, van God". Dit zal het nieuwe

34


35

heilige centrum zijn van de nieuwe aarde.

De eerste preekstoel

Op het plein voor de Waterpoort waar het volk op hoogtijdagen

samenstroomt (zie Neh. 12 : 37), richt de wetgeleerde

Ezra een houten verhoging op, wanneer hij, zoals ons Schriftgedeelte

vertelt, de wet ging onderwijzen. Ezra is de uitvinder

van de preekstoel. Het is een breed podium en aan zijn rechterhand

staan zes leraars en aan zijn linkerhand zeven leraars,

samen staan zij met veertien man op deze verhoging temidden

van het volk.

Vóórdat zij Bijbelstudie begonnen te geven, was er een ontroerende

openingsceremonie. 0, het is aangrijpend om te zien wat

daar gebeurde, ik wenste dat zich dit in onze dagen herhalen

kon.

Ezra, de wetgeleerde, opende eerbiedig het boek, ten aanschouwe

van het hele volk, (" Want hij stond hoger dan het gehele

volk", 8 : 6). En zodra hij het boek opende, stond het gehele

volk op (vers 6). Voor de aanwezigheid van het Woord Gods

was zo'n heilige eerbied gekomen, dat het volk spontaan daarvoor

opstond. Ezra zal het boek hoog boven zijn hoofd hebben

opgeheven en op dat gezicht stond iedereen op, een eindeloze

zee van mensen. "Ezra loofde den Heer, den groten God, en

het gehele volk antwoordde, terwijl het de handen omhoog hief:

Amen, Amen! En zij knielden en bogen zich voor den Heer

neder met het gelaat ter aarde" (vers 7).

Respect voor Gods Woord

Ontroerend is dit Schriftgedeelte. Een gans volk prees de Heer

met omhoog geheven handen en riep: Amen, Amen! Halleluja,

het Woord is daar! Weer onder ons terug! Het Brood des

Levens! Het Koninkrijk is nabij gekomen! En na deze massale

lofprijzing knielden zij allen en bogen zich voor de Heer neer,

met het gelaat ter aarde. Dieper kunnen zij niet buigen,

vollediger kunnen zij hun respect niet tonen. En boven deze

onafzienbare, knielende mensenzee staat Ezra met het omhoog

geheven boek, het levende Woord van God.

Dit Woord was verloren gegaan, maar teruggevonden, teruggekeerd

in zijn volle heiligheid en heerlijkheid. Daar waar het


weer Zijn rechtmatige plaats kreeg in de harten van de men

als autoriteit Gods, daar werd het eerbiedig geprezen, daarv

boog men zich ter aarde.

0 , leefde thans nog eenzelfde heilige eerbied voor het Woor

Gods, werd het evenals in die dagen van Ezra zo volkomen

aanvaard en geloofd. Men is tegenwoordig meer geneigd voo

de interessante woorden van mensen te buigen, hun uitsprak

te prijzen, dan voor de Bijbel. Men is geneigd eerder de Bijb

se weg los te laten, de wil van God te verzaken, dan het vo

van eeuwen lang ingehamerde kerkelijke tradities en overlev

ringen, die geenszins op de Bijbelse waarheid berusten. Men

heeft menselijke inzichten heilig verklaard en in de plaats

gesteld van Gods Woord. Men heeft zo de Bijbelse doop we

getheoretiseerd uit de kerken en sprenkelt de kinderen terwi

geen enkele tekst in de Bijbel hierover spreekt. Men heeft

veelal het reinigende dierbare Bloed van Jezus, dat zonden

wegneemt, vervangen door een theorie van verbetering, hum

nisering van onze slechte natuur en slechte principes, maar

evangelie is geen evolutie, kwaliteitsverbetering, maar nieuw

schepping, revolutie.

Men heeft zovele andere, menselijke dingen gesteld in de pl

van de vervulling met de Heilige Geest, de door God beloof

en uitgestorte volheid. Over de negen gaven des Geestes, zo

ze in I Cor. 12 staan opgetekend en die in de gemeente dien

te functioneren, wordt in het geheel geen aandacht geschonk

dat wordt weggeschoven als specialiteit van de secten. De

ambten en bedieningen, niet naar kerkelijke tradities, maar

zoals de Bijbel dat wijst, worden evenmin gebracht. Waar z

de bedieningen van het Woord zoals Ef. 4 : 11 dat toont, va

apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars? Waar

de officiële dienst der genezing in de kerk gebleven, de

demonen-uitdrijving? Waar is de visie van de wederkomst d

Heren? Enzovoort. Ach, vele ingewortelde tradities hebben

deze Bijbelse waarheden verdrongen. Het is niet wonderlijk

er zoveel dorheid gevonden wordt in het godsdienstige leven

Wij moeten naar HET WOORD TERUG! De Bijbel weer

hoogste plaats geven, de hoogste eer, door het kritiekloos te

aanvaarden als Gods heilig Woord en daarnaar te handelen.

Laten wij het Woord Gods weer centraal stellen in ons leve

36


3

daarop acht geven en het gehoorzamen. Elke gehoorzaamheid

aan Gods Woord honoreert de Heer met zegen.

De eerste reactie is droefbeid

De reactie was overweldigend. Voordat er één woord door

Ezra gelezen werd, begon men' het Boek Gods te prijzen en de

plaats te geven die het verdiende, men knielde daarvoor neer

en boog het hoofd tot op de aarde. Maar toen de woorden

Gods weerklonken en zij begrepen - want men onderwees het

en gaf uitlegging, zodat men het voorgelezene begreep (vers 9),

kwam er over hen een grote droefheid. De eerste ontmoeting

met Gods wet deed de mensen beven en wenen, zij maten hun

leven aan Gods eisen af en werden zich van hun ernstige

tekorten bewust.

Wanneer men Jezus Christus voor het eerst ontmoet, is de

eerste reactie die van verlorenheid, als Hij u aankijkt beseft u

op dat moment dat u een zondaar bent. Wij worden aan de

zonde ontdekt, aan onszelf ontdekt, omdat wij aan God zijn

ontdekt. Bij deze ontmoeting ontstaat het sterke besef: Hij die

tegenover mij staat, veroordeelt mij en wij kunnen niet nalaten

te roepen: 0 Heer, wij zijn bankroet, wij houden het bij u niet

uit, wees ons genadig!

De humanisten zeggen: De mens is au-fond goed!; maar het

evangelie zegt "Niemand is rechtvaardig, ook niet één ... ,

niemand die doet wat goed is, zelfs niet één!" (Rom. 3 : 10,

12). "Want ALLEN hebben gezondigd en derven (mislopen)

de heerlijkheid Gods" (Rom. 3 : 23). Het is niet waar dat de

mens goed is, wanneer hij God tegenkomt beseft hij tot in de

vezels van zijn bestaan, dat hij zondig is, leproos, verloren. Hij

roept dan: "Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen?"

Wij kennen deze droefheid tot God die wat anders is dan een

vreugdeloos dienen van God, droefheid tot God komt in ons

hart op het moment dat wij geconfronteerd worden met de

heiligheid Gods. Maar wij moeten niet bij deze droefheid

blijven staan, maar ons door de Heilige Geest verder laten

leiden, naar het Bloed van het Lam Gods dat de zonde wegneemt

en ons laten reinigen. Hij wil ons witwassen als de

sneeuw. Wij dienen niet te blijven staan bij de droefheid want

droefheid om de zonde is gevaarlijk, immers het bindt ons aan


de zonde vast. Droefheid heeft iets fascinerends, het heeft e

bepaalde charme waar vele christenen zich geheel door late

binden, een chronische melancholie om onze verlorenheid is

heel wat anders dan droefheid tot God, dat uitmonden mag

een totale en glorieuze verlossing.

Er zijn mensen die hun doden zo vasthouden en zich zo late

verzadigen aan herinneringen, dat zij deze doden als heiligen

gaan vereren, men ziet bij oudere mensen deze met familieportretten

en dierbare souvenirs overladen kamers als huisaltaren

vol dodenverering. Dagelijks brengen zij offers van

weemoed aan het verleden op dat altaar en roken wierook d

adoratie, evenals de Chinezen dat doen voor hun voorvadere

Het verdriet heeft een sterke zuiging en wij moeten oppasse

dat wij ons er niet aan bedwelmen. Wij zien het heden en de

levensopgaven van het heden niet meer als wij ons laten

bedwelmen aan de zuiging van het verleden.

Als Ezra en zijn mannen het heilig Boek van God openden,

kwamen tranen in de ogen van de mensen, zij schreiden alle

Toen voor Maarten Luther de dode Bijbelwoorden tot een

machtige stem werd van de levende God, was dit voor zijn

verschrikkelijk en heilzaam, en hij boog er zich onder, zijn

hervorming bracht toen de Hervorming teweeg.

De mannen Gods begonnen het volk toen te troosten en

zeiden: "Deze dag is den Here, uw God, heilig (dat is: afgezonderd)

bedrijft geen rouwen weent niet. Want het gehele

volk weende, toen het de woorden der wet hoorde" (vers 10

Gods woorden werken aan uw hart, zoals het spreken, an G

altijd doet. Zij brengen de innerlijke roerselen in beweging, z

tonen uw ontoereikendheid en schuld, zij stellen u onder het

oordeel, maar laten ze er u doorhéén voeren, naar de uitweg

van de verlossing?

De Blijde Boodschap

" Voorts zeide hij tot hen: Gaat heen, eet lekkernijen en drin

zoete' dranken en zendt aan ieder voor wien niets bereid is,

deel, want deze dag is onzen Heer heilig: weest dus niet ver

drietig, want de vreugde is den Here, die is uw toevlucht" (v

11 ).

De leraars tilden het volk uit hun zondenbewustzijn uit en

38


3

wezen naar de blijdschap van de verlossing van het evangelie.

Niet blijven stilstaan bij het " Ik ellendig mens! Wie zal mij

verlossen?", maar de vinger wijzen naar de volgende zin:

"Gode zij dank, door Jezus Christus, onzen Here!" (Rom. 7 :

24, 25). "Zie, Ik verkondig u grote blijdschap, die heel het

volk zal ten deel vallen" (Luc. 2 : 10). "Want de vreugde in

den Here, die is uw toevlucht! " Vlucht uit de droefheid uit en

vlucht naar de vreugde in den Heer toe! Blijf niet stilstaan, een

leven lang, bij het ontdekt zijn aan uw zonden, maar breng

deze zonden onder het Bloed. Blijf niet een leven lang verzuchten:

Ik ben maar een arme zondaar!, maar snel naar de Redder

van uw ziel, Jezus, die u ontvangen en aannemen wil en u uw

zonden vergeven. Hij zal u uit uw oude leven uittillen en u

planten in het nieuwe leven! Halleluja!

De vreugde des Heren is niet een voorbijgaande gemoedsstemming,

maar een diep, onvervreemdbaar deel van Gods

kinderen; vreugde en vrede zijn elementen van het wandelen

met God. De Bijbel zegt "Verblijdt u in den Here!"

(Phill. 3 : 1) en verder: "Verblijdt u in den Here TEN

ALLEN TIJDE, wederom zeg ik u, verblijdt u!" (Phill. 4 : 4).

Het is een gebod des Heren evenals het elkander volkomen

liefhebben een gebod des Heren is. Het is voor het gevoel van

vele christenen bijna ongepast om blij te zijn, zij lopen met

lange, vreugdeloze gezichten door het leven en weigeren zich te

werpen in het heerlijke heil dat hen in Jezus bereid is geworden

door de Vader, zij hebben meer de weemoed om hun

zonden lief dan het verlost zijn uit hun zonden. Zij stappen nie

uit hun verlorenheid uit in het verlost zijn, in Christus.

Sta op, droog uw tranen, gaat henen, eet lekkernijen en drinkt

zoete dranken en zendt aan hen die niets ontvangen hebben,

die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid!

Opstaan! Zoals de verloren zoon opstond uit zijn verlorenheid

en op weg ging naar de verzoening met de Vader en het Vaderhuis!

Tranen drogen, want wij zijn een heil binnengeleid door

de doorboorde handen van onze Heiland, een blijdschap dat

sterker is dan wat ook op deze wereld. Halleluja!

Tafelgemeenschap

De Bijbel biedt een gedekte tafel. De uitnodiging is tot ons

gekomen om aan te zitten en te genieten van al het bijzondere


dat Jezus in Zijn volkomen verlossing op Golgotha voor on

bereid heeft. Wij zullen nu moeten reageren; de toestand va

hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, verlaten, onze

tranen om onze verlorenheid drogen en, gelijk ons Schriftwo

zegt heengaan, lekkernijen eten en zoete dranken drinken!

Opstaan, heengaan, ons activeren en op het heil toelopen, o

aan tafel zetten en eten.

Jezus nodigt ons daartoe uit: "Zie, Ik sta aan de deur en Ik

klop. Indien iemand (wie is: iemand?, dat is: iedereen, u en

naar Mijn stem hoort en de deur opent (dat is een daad van

mijn wil), Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem

houden en hij met Mij" (Openb. 3 : 20). Ik zal eten met He

en hij met Mij. Tafelgemeenschap met Hem! Ik nodig Hem

Hij nodigt mij, wij zoeken elkaar aan tafel naar gemeenscha

Bij de conventionele Jood was tafelgemeenschap de meest

intieme gemeenschap, men onderhoudt deze met zijn groots

vrienden. Zijn meest geachte gasten. Het diepste verraad pl

de vriend, die tafelgemeenschap met hem genoten heeft.

David klaagt "Zelfs mijn vriend, op wien ik vertrouwde, D

MIJN BROOD AT, heeft zijn hiel tegen mij opgeheven"

(Ps. 41 : 10). Tafelgemeenschap met de Heer is de vreugde

van samen zitten aan dezelfde tafel en delen in dezelfde

spijzen. Hij deelt met mij en ik deel met Hem. Wat in Hem

is in mij en wat in mij is, is in Hem. Dezelfde bitterheid,

dezelfde zoete lekkernijen. "Immers, indien wij delen in Zijn

lijden, is dat om ook te delen in Zijn verheerlijking"

(Rom. 8 : 17).

Wij kunnen niet tafelgemeenschap met Jezus hebben e l I

tegelijkertijd tafelgemeenschap met de duivel. "Gij kunt niet

den beker des Heren drinken èn den beker der boze geesten

kunt niet AAN DE TAFEL des Heren deel hebben èn aan

tafel der boze geesten" (I Cor. 10 : 21). Wij zullen moeten

kiezen wie onze Gastheer zal zijn, wie ons zal voeden.

Lekkernijen

" Gaàt heen, eet lekkernijen." Geniet aan de tafel des Heren

van de kostbare spijzen van Zijn Woord, voed en laaf uw zi

met het waardevolste dat God geven wil. Brood is heerlijk,

maar er zijn ook speciale lekkernijen, uitgezochte beloften e

garanties, wij mogen ons uitstrekken naar de hoogste genieti

40


4

de diepste openbaring.

Als wij u enkele lekkernijen opdissen uit het Nieuwe Testament,

dan besefTen wij dat dit een kleine en persoonlijke

selectie is, de tafel des Heren is vol van deze bijzonderheden.

Als een kleine bonbondoos presenteren wij u enkele "zoete

lekkernijen". Proef ze, neem ze in uw mond, laat de smaak uw

hart verkwikken, ze zijn u geschonken door de V ader.

"Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten

heeft Hij gedragen" (Matth. 8 : 17).

"Maar indien Ik door den Geest Gods de boze geesten uitdrijf,

dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen" (Matth. 12 : 28).

"Voorwaar, Ik zeg u, al wat gij op aarde bindt, zal gebonden

zijn in de hemel en al wat gij op aarde ontbindt, zal ontbonden

zijn in den hemel" (Matth. 18 : 18).

"Hebt geloof in God. Voorwaar, Ik zeg u, wie tot dezen berg

zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet

zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen Hij zegt geschiedt, het

zal hem geschieden. Daarom zeg Ik u, al wat gij bidt en

begeert, gelooft dat gij het hebt ontvangen, en het zal u

geschieden" (Marc. 11 : 23 en 24).

"Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen

te treden en tegen de gehele legermacht van den vijand; en

niets zal u enig kwaad doen" (Luc. 10 : 19).

"Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook

doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot den Vader; en

wat gij ook vraagt in Mijn naam, Ik zal het doen, opdat de

Vader in den Zoon verheerlijkt worde" (Joh. 14: 12 en 13).

"Gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u

komt" (Hand. 1 : 8).

"En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten

van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters

zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien,

en uw ouden zullen dromen dromen: ja, zelfs op mijn dienstknechten

en mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijn

Geest uitstorten en zij zullen profeteren" (Hand. 2 : 17 en 18).

"De wet van den Geest des levens heeft u in Christus Jezus

vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods" (Rom. 8 : 2).

"En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de dood heeft

opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de

doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend


maken, door Zijn Geest, die in u woont" (Rom. 8 : 11).

"Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem

die ons heeft liefgehad" (Rom. 8 : 37).

"De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voete

vertreden" (Rom. 16 : 20).

"Maar wij hebben den zin van Christus" (I Cor. 2 : 16).

" Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, maar i

kracht" (I Cor. 4 : 20).

"En gelijk wij het beeld van den stoffelijke (Adam) gedrag!!n

hebben, zo zullen wij het beeld van den hemelse (Christus)

dragen" (I Cor. 15 : 49).

"Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja;

daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door

ons" (11 Cor. 1 : 20).

"Maar God zij gedankt, die ons te allen tijde in Christus do

zegevieren en den reuk van Zijn kennis allerwegen door ons

verspreidt, want wij zijn voor God een geur van Christus on

hen, die gered worden, en onder hen, die verloren gaan; voo

dezen een doodslucht ten dode, voor genen een levensgeur te

leven" (11 Cor. 2 : 14-16).

"En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekkin

meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen

naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers

door den Here, die Geest is" (11 Cor. 3 : 18).

"Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping, het oud

is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen" (11 Cor. 5 : 17

"Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is, niet

meer mijn ik, maar Christus leeft in Mij" (Gal. 2 : 20).

"God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om Zijn grote

liefde, waarmee Hij ons heeft lief gehad, ons, hoewel wij doo

waren door de overtredingen, mede levend gemaakt met

Christus, en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaa

gegeven in de hemelse gewesten" (Ef. 2 : 4-6).

"Geworteld en gegrond in de liefde, zult gij dan, samen met

alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en

lel)gte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van

Christus, die de kennis te boven gaat opdat gij vervuld word

tot alle volheid Gods" (Ef. 3 : 18 en 19).

"Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft" (Phill.

13).

"Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overge-

42


4

bracht in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde, in wie wij

de verlossing hebben, de vergeving der zonden" (Col. 1 : 13 en

14).

" Want in Hem woont al de volheid der godheid lichamelijk; en

gij hebt de volheid verkregen in Hem, die het hoofd is van alle

overheid en macht" (Col. 2 : 9 en 10).

"Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk ten

toon gesteld en zo over hen gezegevierd" (Col. 2 : 15).

"Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt,

die geheiligd worden" (Hebr. 10 : 14).

"J ezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid"

(Hebr. 13 : 8).

"Gij zijt uit God, kinderkens, en gij hebt hen overwonnen;

want Hij, die in u is, is meerder dan die in de wereld is"

(I Joh. 4 : 4).

"Wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens

om niet" (Openb. 22 : 17).

Eten, drinken en zenden

"Gaat heen, eet lekkernijen en drinkt zoete dranken en zendt

aan ieder voor wien niets bereid is, een deel." Eerst zelf eten,

zelf drinken, zodat wij weten hoe kostbaar het is wat ons in

Christus geboden wordt. Eerst zèlf een getuigenis hebben

alvorens aan anderen te getuigen. Petrus verdedigde de doop

des Geestes in het huis van Cornelius en zei dat hij dit op

dezelfde wijze ontvangen had: "Indien nu God hun op volkomen

gelijke wijze als ons de gave heeft gegeven op het geloof

in den Here Jezus, hoe zou ik dan bij machte geweest zijn God

tegen te houden?" (Hand. 11 : 17).

Hij weet waarover hij spreekt, hij heeft het niet ergens gelezen

of er over horen spreken, hij getuigt: Ik ontving het ook, precies

zo! Halleluja! Ik spreek uit een wonderbare ervaring met de

Heer! Hij vervulde mij met Zijn Geest! Eerst zelf gedronken

aan de bron met levend water en toen hij verzadigd was, volgedronken,

vol des Geestes, toen deelde hij het uit aan

anderen.

Eerst zèlf bekeerd, gereinigd door het Bloed van het Lam, eerst

zèlf juichen om de vergiffenis, eerst zèlf weten een wedergeboren

schepsel te zijn, een nieuwe natuur: Christus in mij!

Eerst zèlf genezen door de Heer, eerst zèlf bevrijd van demo-


nische machten, eerst zèlf vervuld met de Heilige Geest: eer

zèlf eten en drinken en daarna ... uitdelen aan anderen!

Evangelie is niet hetzelfde als religie, religie is synthetisch e

heeft nog nimmer iemand verlost en zal de hemel niet voor

hem ontsluiten. Evangelie is: Nieuw zijn gemaakt door Jezu

is: Nieuw leven in ons, is: Christus leeft Zijn leven in mij!

Niets minder! Hij is in mij tot volle heerschappij gekomen, o

de troon. Niet een begrip, een uiterste naam, een leerstelling

maar dit: De persoon van Jezus, die dood en duivel overwon

nen heeft, vult, beheerst, regeert mijn leven. Niet meer gelei

overheerst door de duivel, maar vrijgemaakt van de macht to

zondigen, door het Bloed van het Lam. Zonden werden

vergeven, maar de macht der zonde werd overwonnen door

Hem, Jezus in mij! Met minder behoeven, mogen wij niet

tevreden zijn. Er is een heerlijk overwinningsleven mogelijk

met Jezus, een boeiend avontuur in het wandelen aan Zijn

zijde.

De wereld is vol met arm, geestelijk proletariaat, met slaven

der zonde, in duisternis levenden, gevangenen, geboeiden do

angst en pijn, verdoolden, bezetenen, geschondenen, verkram

ten, gebrokenen. Jezus weet dit, Zijn hart ging op aarde

bijzonder tot dezen uit, de paupers aan de zelfkant van het

leven, de zondaren. Het is alsof Zijn grote bewogenheid slec

tot hèn gericht was, alsof Zijn liefde hèn alleen aanging. Jez

is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren wa

Hij zoekt niet de rechtvaardigen, maar de verlorenen, want d

gezonden hebben de medicijnmeester niet nodig maar de

zieken. .

Daarom gaf Hij het bevel aan Zijn discipelen om deze taak

voort te zetten, aan de tafel te nodigen, Zijn leven te eten en

daardoor leven te ontvangen. Als de officiële genodigden nie

wensen te komen, moeten Zijn dienaren de gasten halen in d

heggen en steggen, opdat de bruiloftszaal vol worde.

Wanneer Jezus tot Zijn jongeren spreekt, zegt Hij: " Gij zult

kr~cht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en

gij zult Mijne getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea

Samaria en tot het uiterste der aarde" (Hand. 1 : 8 en 9).

Getuigen zijn mensen die in de rechtszaal moeten optreden

spreken, omdat zij "er bij zijn geweest", zij waren oor- of oo

getuigen en kunnen goede inlichtingen geven, met kennis van

44


4

zaken spreken. Getuigen zijn zij, die "gegeten en gedronken"

hebben bij Jezus en daarna uitgingen om "een deel te zenden

voor wien niets bereid is." Evangelisatie is: gered om te

redden. Geredde drenkelingen kunnen het beste andere drenkelingen

redden. Geredde dronkaards hebben speciale bewogenheid

om andere dronkaards die nog aan deze demon gebonden

zijn, de verlossing in Christus te prediken. "W ant zij hadden

begrepen wat men hun had bekend gemaakt" (Neh. 8 : 13). Zij

hadden gegeten en gedronken en deelden nu aan anderen uit.

"Want deze dag is onzen Heer heilig"

De reden om uit te delen, te evangeliseren vandaag, is omdat

deze dag, deze dag waarin wij leven, de dag der genade is,

heilig in den Heer. Heilig betekent in de Bijbel: afgezonderd;

een aangewezen, uitverkoren dag. Niet zó maar een doodgewone,

doordeweekse dag, maar verbijzonderd, heilig

verklaard door den Heer.

Terwijl de machten der duisternis uit de afgrond komen en zich

mobiliseren voor de grote eindstrijd tegen de Gemeente van

Christus; terwijl de geest van de antichrist alles in deze wereld

bezig is te doordringen, de grote leugenaar, de cynische

ontkenner van het Koningschap van Jezus; is dit de gelegenheid

om uit te gaan en het heil rond te delen, vrede voor het

hart door Christus. Niet morgen, want heden, zo gij Zijne

stemme hoort, is het de grote dag, verhardt uw hart niet en

kom tot de bruiloft.

Uitstel wordt afstel, deze zaak is urgent en duldt geen uitstel.

Vandaag kan nog gedaan worden wat morgen onmogelijk is.

Morgen is het communisme, het terrorisme, het nationalisme,

het défaitisme zover opgedrongen dat de deuren voor het

evangelie geblokkeerd zijn. Wij ervaren in onze zendingsactiviteiten

hoe wij hier en daar te laat zijn gekomen, de Blijde

Boodschap van Jezus Christus had eerder gebracht moeten

worden. Maar vandaag zijn er nog kansen genoeg en er staan

nog deuren op een kier open, laten wij er dóór glippen en de

landen aanzeggen dat Jezus Dezelfde is, gisteren, heden en tot

in eeuwigheid. Morgen is het wellicht te laat.

Laten wij goed onthouden wat honderden heidenen die wij in

Afrika en Zuid-Amerika tot de Heer mochten leiden, ons

hebben gezegd: dat zij altijd op deze boodschap van verlossing


hadden gewacht en zo gelukkig werden toen wij in hun land

kwamen. "Deze dag is den Here, uw God, heilig!"

46


4

DE VIER FEESTMALEN

IN HET BOEK ESTHER

Het boek Esther is een merkwaardig boek, een typisch joods

geschrift. Men verwacht dit boek niet in de canon, doch onder

de apocryfen. Het is het enige boek in de Bijbel waarin het

woord "God" niet éénmaal voorkomt.

Ik wil u wijzen op vier feestmalen waarover in dit boek wordt

gesproken. Ze zijn alle vier verschillend van karakter en

betekenis en hebben ons vandaag veel te zeggen. Rom. 15 : 4

zegt "Al wat namelijk te voren (ook in dit boek Esther)

geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in

den weg der volharding en van vertroosting der Schriften de

hoop zouden vasthouden." "Deze gebeurtenissen zijn ons ten

voorbeeld geschied" (I Cor. 10 : 11).

Het eerste feestmaal

In Esther 1 : 3 zien wij dat de machtige koning Ahasveros, die

over honderdzevenentwintig gewesten, van Indië tot Ethiopië,

regeerde, in de burcht Susan een feestmaal aanrichtte voor al

zijn vorsten en dienaren, het leger van Perzië en Medië, de

edelen en vorsten der gewesten. Dit feestmaal duurde zeven

dagen, in de voorhof van den tuin van het koninklijk paleis

(vers 5).

Er wordt in de Bijbel gesproken van een ander voorhof waarin

grote macht wordt ten toon gespreid; wij lezen in Openb. 11 : 2

dat de antichrist in de voorhof buiten de tempel, de plaats die

aan de heidenen is gegeven, zijn troon zal hebben; hij zal daar

42 maanden, dus 1260 dagen, drie en een half jaar (de helft

van zeven) zijn heilloze regering voeren.

In de burcht Susan, het koninklijke paleis, waar een feestmaal

is aangericht, zeven dagen lang en waar de koning het middelpunt

was van al de pracht en praal, rijkdom en overwinningsglorie,

komt het verlangen bij hem op om in zijn snoevend

pochen ook zijn gemalin te betrekken, in zijn ijdelheid haar

schoonheid te tonen aan al zijn vorsten. In bezitterstrots zocht

hij applaus voor zich door zijn gade te laten zien, een schone


vrouw, getooid in koninklijke waardigheid, met de kroon op

hoofd.

Aan de koning van Perzië was volstrekte macht toegekend d

buiten elke discussie stond, zijn woord gold als een wet (van

Meden en Perzen), dat moest worden gehoorzaamd. De kon

had de wens te kennen gegeven dat koningin Vasthi in

's konings tegenwoordigheid zou verschijnen en hovelingen

haastten zich naar de vrouwenvertrekken om dit bevel aan h

over te brengen. Vasthi echter weigerde en de hovelingen

brachten dit ongewone antwoord aan de koning over. De

koning, beledigd dat zijn bevel, dat hij in tegenwoordigheid

al zijn vazallen had uitgesproken, niet onmiddellijk was uitg

voerd, "ontstak in hevige gramschap en zijn toorn ontbrandd

in hem" (vers 12). Hij ging direct tot maatregelen over en r

zijn wijzen, astrologen, magiërs, occultisten, "kenners der

tijden" en aan de juristen, "kenners van wet en recht", om

in deze ernstige zaak van advies te dienen. Dit advies is ver

tigend voor koningin Vasthi. "Zij zal niet meer voor het aan

zicht van koning Ahasveros verschijnen", haar plaats in de

troon zal haar ontnomen worden en een ander zal in haar

plaats koningin zijn. Deze weigering van Vasthi ontnam haa

de koninklijke waardigheid, haar gezag en haar plaats in de

troon.

Het tweede feestmaal

Men ging zoeken naar een nieuwe koningin, beter, volgzame

dan Vasthi die rebelleerde tegen het koninklijk gezag. Men

zocht in het gehele rijk naar een geschikte opvolgster. N atuu

lijk zocht men eerst onder de adel, de eerste families des lan

Toen de Shah in Sjah van ditzelfde Perzië, Resar Pavlevi, o

andere redenen de toenmalige keizerin Soraya wegzond, we

door zijn familie en regering een nieuwe koningin gezocht om

met hem de pauwentroon te delen, men vond in Parijs een

jonge studente, Farah Diba, waarmee hij huwde. In het

toenmalige Perzië vond men tenslotte, toen dit in aanzienlijk

kringen mislukte, de nieuwe kandidate onder het gewone vol

Daar werd men opmerkzaam gemaakt op een jong, mooi, jo

meisje, Hadassa, een wees die als enige familie een pleegva

had, Mordechaï, uit de stam van de Benjaminnieten. Het is

Gods alwijzê voorziening, Zijn naam is ook: Jehovah Jireh

48


4

de Heer zal voorzien, dat deze twee joodse mensen in het verre

Perzië werden gevonden, 100 jaar nadat koning Cyrus de joden

in Babel vrijheid gaf naar Jeruzalem terug te keren, na 70-

jarige ballingschap. In deze stad, in dit land, tweemaal zo ver

verwijderd van Jeruzalem, ofschoon vanuit Babel en Perzië

terugtochten plaats hadden, werden deze beide joodse mensen

teruggevonden, ze waren zeer ver van hun vaderland afgedwaald.

Maar God had een plan. "God is getrouw, Zijn

plannen falen niet Hij kiest de Zijnen uit, Hij roept die allen.

Die 't heden kent, de TOEKOMST OVERZIET, laat van

Zijn woorden geen ter aarde vallen. En 't werk der eeuwen, da

Zijn Geest omspant, volvoert Zijn hand ... De Heer regeert!

Zijn heerschappij omvat de loop der tijden ... "

De man Mordechaï is zo onopvallend, zo weinig op de

voorgrond tredend, dat een hele beschrijving nodig blijkt om

hem bekend te maken, "De Zoon van Jaïr, de zoon van Simeï,

de zoon van Kis, een Benjaminiet, die weggevoerd was uit

Jeruzalem," enz. (Esther 2 : 5, 6). Een heel eenvoudige man,

geheel verborgen onder het volk. En het meisje, Hadassa is

haar joodse naam; stond indirect met hem in relatie, zij was de

dochter van zijn oom, een weeskind; haar sociale status was

niet edel of belangrijk, een heel eenvoudig volkskind. Maar zij

was bekoorlijk van gestalte en schoon van uiterlijk. Ze wordt

opgemerkt. Men doet geen verdere navraag over haar afkomst,

maar bracht haar naar het vrouwenhuis in het paleis, de burcht

Susan en stelt haar onder persoonlijk toezicht van Hegaï, de

bewaker der vrouwen, de eunuch Hegaï. Zij ontving daar de

schoonheidsmiddelen der vrouwen, onderging een speciale

behandeling, een zalving, zes maanden lang met bittere

myrrhe-olie en zes maanden met zoete balsem. Zeven van de

voortreffelijkste dienaressen uit het huis des konings werden

haar ter beschikking gesteld.

"De koning kreeg Esther (de joodse naam Hadassa werd

veranderd in de perzische naam Esther) lief boven alle

vrouwen en zij ontving van hem meer genegenheid en liefde

dan alle andere maagden, zodat hij de koninklijke kroon op

haar hoofd zette en haar tot koningin verhief in de plaats van

Vasthi. Toen richtte de koning een groot feestmaal aan voor al

zijn vorsten en dienaren, HET FEESTMAAL VAN

ESTHER, terwijl hij aan de gewesten vrijstelling van belasting


gaf en geschenken uitdeelde, zoals men dat van den koning

verwachten mocht" (Esther 2 : 17, 18).

Dit feestmaal was een vreugdefeest ter ere van de kroning v

Esther in Vasthi's plaats. Het eerste feestmaal had een

tragische afloop voor een koningin, zij werd van de troon

gestoten, het tweede feestmaal was een heerlijk feest voor e

nieuwe koningin, zij werd op de troon gesteld.

De wet van de tweede

Niet de eerste koningin, maar de tweede werd uitverkoren. D

is de wet van DE TWEEDE door de gehele Bijbel heen.

Niet de eerste, de natuurlijke mens zal God zien, doch de

tweede, de geestelijke mens.

Niet de eerste, uit een natuurlijke vader, Adam, geboren zo

maar de tweede, uit de geestelijke vader, de laatste Adam,

Jezus Christus.

Niet de eerste, de natuurlijke geboorte uit vergankelijk zaad

maar de tweede geboorte, de wedergeboorte, uit onverganke

zaad, doet ons de eeuwige heerlijkheid beërven. Niet de eer

de geboorte uit water, maar de tweede, de geboorte uit wate

en Geest. Niet het leven in het vlees opent de weg tot het

Vaderhuis, maar de tweede weg, het leven in de Geest.

Niet de eerste zoon van Adam, de oudste, de landbouwer,

Kaïn, werd door God gerechtvaardigd en wordt genoemd in

eregalerij van de geloofshelden in Hebr. 11, maar de tweede

de jongste, de schaapherder, Abel.

Noach liet een vogel uit het raam vliegen toen de ark Pp va

bodem stootte, het was de eerste, een raaf en het kwam niet

terug; de raaf is het beeld van het leven in het vlees en het

vlees zocht het vlees en ging met het vlees ten onder; maar

tweede vogel, de duif, het leven in de Geest, kwam terug m

een boodschap van vrede.

Niet de eerste zoon, de bastaard, uit eigen kracht voort-­

gebracht, Ismaël, werd de zoon der belofte, maar de tweede

jongste, uit de vrije vrouw, uit de kracht Gods, Izak.

Als de oude, blinde J ac ob op zijn sterfbed zijn kleinkinderen

de zonen van Jozef, zegent, Efraïm en Manasse, kruisen zij

armen zich, door Gods Geest geleid en ontvangt niet de eer

de oudste, naar traditie, de grote volle zegen, maar de tweed

de jongste, die daar geen recht op had, Efraïm.

50


5

Niet de eerste, de oudste, de krachtige woudloper Ezau, wordt

door God uitverkoren om tot de vaders van Israël te behoren,

maar de tweede, de jongste, de hinkende, de bedriegende,

Jacob.

Niet het eerste Verbond, dat van de wet, de letter die doodt,

zal ons vrijmaken, maar het tweede Verbond, het betere, dat

van de Geest, die levend maakt. Niet de eerste, Sinaï, maar de

tweede, Sion, is ons rustpunt.

Niet de eerste zoon, de oudste, de braafste, krijgt een plaats

aan vaders zijde, aan het feestmaal, met het feestkleed en de

ring aan de vinger, maar de tweede, de jongste, de verloren

zoon.

Niet het historische Jeruzalem, de eerste stad, want die zal

voorbijgaan, maar er komt een tweede, een nieuw Jeruzalem.

Niet de eerste hemel en aarde, want die zullen voorbijgaan in

Gods tijdsbestel, maar daar zal zijn een nieuwe hemel en een

nieuwe aarde.

Niet een aards koninkrijk, uit de mensensamenleving opgebouwd,

als eerste, zal bestaan, maar er zal het tweede

Koninkrijk worden gevestigd op de aarde, waarvan Jezus

Koning zal zijn.

Niet het traditie-gebonden christendom der overlevering, der

vaderen kerk, maar de erfgename van Christus, zal de latere

zijn, de uit vrijheid des Geestes geborene, door de Heilige

Geest gevormde, de Gemeente van Christus waarvan Hij het

Hoofd is.

Zo ook niet de eerste koningin van Perzië, Vasthi, de officiële

gezagdraagster, zal uiteindelijk de troon beërven, maar de

tweede, de gevondene, de geroepene, de uitverkorene, de

lieflijke, Esther.

Het feestmaal dat genoemd wordt: Het feestmaal van Esther

(Esther 2 : 18), is het feestmaal behorend bij het kroningsfeest

van Esther tot koningin. Als begeleidende omstandigheden

wordt genoemd dat de koning aan de gewesten vrijstelling van

belasting gaf en geschenken uitdeelde " zoals men dat van den

koning verwachten mocht" .

Het derde feestmaal

In Esther 5 : 4-8 lezen wij van het derde feestmaal. Koningin

Esther richtte deze maaltijd aan om twee speciale gasten te


ontvangen en iets belangrijks te bespreken. Haar gasten war

haar gemaal, de koning en Haman, een hoogwaardigheidsbekleder

aan het hof. Zij komt met een delicaat verzoek en

kleedt dit voorzichtig en intelligent in. "Bij het drinken van

wijn zeide de koning tot Esther: Wat is uw verzoek? Het za

toegestaan worden. En wat is uw wens? Al was het de helft

van het koninkrijk, hij zal ingewilligd worden".

"Toen gaf Esther ten antwoord: Mijn verzoek en wens is ..

enz. Zij richt haar smeking intelligent in. Zij maakt gebruik

haar koninklijke waardigheid, haar rechten, zij is niet meer

onbekende en onbetekenende meisje van de straat, maar

omhoog geklommen, op de hoogste plaats gesteld, richt zij z

tot de koning, neemt zij de taak op zich haar volk te redden

Zij heeft alle joden die zich in Susan bevinden, geboden om

drie dagen en nachten niet te eten noch te drinken. Dit was

streng vasten. Vasten uit rouw deed men alleen overdag, ma

3 dagen en 3 nachten vasten heeft een diepere zin. Het gaat

om uiterst belangrijke zaken, niets minder dan het voortbest

van het joodse volk in Perzië. Ook zij, de koningin, neemt a

dit vasten deel, met haar dienaressen, heel haar hof.

Daarna richt Esther een maaltijd aan, een feestmaal, ter ere

van haar hoge gasten. Als de koning naar haar verzoek

informeert, stelt zij dit een dag uit, prikkelt zij zijn nieuwsgierigheid

en als zij zijn teruggekomen, op het feestmaal op

tweede dag, spreekt zij tot de koning. Zij vraagt de vrijheid

voor haar volk, om te leven en niet te worden uitgeroeid. D

Heer, Jehovah Jireh, de wijze Voorziener, gebruikt dit instru

ment in Zijn hand, om het verbondsvolk te redden.

Op verzoek van Esther beval de koning een schrijven op te

stellen en rond te zenden door alle 127 gewesten onder zijn

heerschappij, elk gewest in zijn eigen schrift en aan elk volk

zijn eigen taal, ook aan de Joden in hun eigen taal. "Men

schreef dan in naam van koning Ahasveros en verzegelde he

met den zegelring des konings en verzond de brieven door

middel van bereden ijlboden, gezeten op vorstelijke paarden

de stoeterijen geteeld, dat de koning aan de Joden in alle

steden toestond zich te verzamelen en hun leven te verdedig

en alle gewapende macht van volk en gewest, die hen zou

benauwen, te verdelgen, te doden en uit te roeien met vrouw

en kinderen, en hun bezittingen buit te maken, op één dag in

52


5

de gewesten van koning Ahasveros, namelijk op de dertienden

dag der twaalfde maand, dat is de maand Adar. Een afschrift

van deze brief, die in alle gewesten als wet moest worden

uitgevaardigd, moest ter kennis van alle volken gebracht

worden en de Joden moesten zich tegen dien dag gereed

houden om zich op hun vij anden te wreken. De ijlboden,

gezeten op vorstelijke paarden, vertrokken met den grootsten

spoed, op bevel des konings, en de wet werd in den burcht

Susan uitgevaardigd" (Esther 8 : 10-14).

Het vierde feestmaal

Esther 9: 17 zegt: "Op de veertiende dag rustten zij en zij

maakten dien tot een dag van feestmaal en vreugde." Dit

feestmaal is het feest van herdenking, de instelling van het

Purim (of Poerim-)feest. De Joden vierden dit feest ter

dankbare herdenking van hun wonderbare bevrijding. De

vernietigingsmachten hebben door Gods wonderbaar

ingrijpen geen slachtoffers onder Gods volk geslagen,

terwijl de vijand zelf ten gronde ging.

Deze dag van rust en dankbaar gedenken, deze feestelijke

dag van lofprijzing, omdat God de Joden zo heerlijk verlos

had uit de handen van hun belagers, was voorafgegaan

door dagen van strijd. Op de dertiende van de twaalfde

maand, de maand Adar, maakten alle Joden zich gereed

om hun haters af te slaan. Zij kregen officieel het recht zich

gewapenderhand te verdedigen en zij overwonnen hun

vijanden. "En niemand kon voor hen stand houden, want

de schrik voor hen was op alle volken gevallen (Esther

9 : 2). "En alle vorsten der gewesten en de stadhouders en

de landvoogden en de ambtenaren des konings

ondersteunden de Joden, want de schrik voor Mordechaï

(de nieuwe, in de plaats van Haman, aangestelde hoogste

autoriteit des lands, naast de koning) was op hen gevallen"

(Esther 9: 3). " En de Joden richtten onder al hun vijanden

met het zwaard een slachting aan en brachten dood en

verderf teweeg; zij deden met hun haters naar hun believen"

(Esther 9: 5).

De J oden doodden 500 man in de burcht Susan en de tien

zonen van Haman en de dag daarop, de veertiende dag,


doodden zij in Susan 300 man. "En de overige Joden in

gewesten des konings, verzamelden zich en verdedigden h

leven en kregen rust van hun vijanden; zij doodden onde

hun haters vijf en zeventig duizend ... " (Esther 9: 16).

"Zij rustten op den vijftiende dag (nadat zij zich op de

vorige dagen verzameld hadden) en maakten dezen tot ee

dag van feestmaal en vreugde. Daarom vieren de J oden o

het land, zij die de niet bemuurde steden bewonen, den

veertienden dag der maand Adar als een dag van vreugde

en feestmaal en als een dag waarop men elkander

geschenken zendt" (Esther 9: 18, 19).

"En Mordechaï schreef deze gebeurtenissen op en zond

brieven aan al de J oden, na bij en ver, in al de gewesten v

koning Ahasveros, om hen te verplichten jaarlijks zowel

den veertienden als den vijf tienden der maand Adar te

vieren, omdat dit de dagen waren, waarop de Joden rust

kregen van hun vijanden, en dit de maand was, die voor

hen van droefheid veranderde in vreugde en van rouw in

een feestdag, en om deze dagen te maken tot dagen van

feestmaal en vreugde, waarop men elkander geschenken z

zenden en giften zou geven aan de armen. En de Joden

hebben als inzetting aanvaard wat zij begonnen waren te

doen, en wat Mordechaï hun geschreven had"

(Esther 9: 20-23).

Zo werden er twee nationale feestdagen ingesteld, die men

Purim noemde "naar het woord Pur" (vers 26). Pur

betekent: lot (vers 24). "Zo bepaalden de Joden en namen

als inzetting aan voor zichzelf en hun nakomelingen en

voor allen die zich bij hen zouden aansluiten, dat zij,

zonder ooit over te slaan, deze beide dagen jaarlijks

zouden vieren ... zodat deze Purimdagen uit het midden

der Joden niet zouden verdwijnen, noch hun gedachtenis

zou ophouden bij hun nakomelingen" (Esther 9: 27, 28).

"En het bevel van Esther stelde deze Purimvoorschriften

vast en het werd in een boek opgeschreven" (Esther 9 : 32

Betekenis van het eerste feestmaal

Als wij deze vier feestmalen bestudeerd hebben, zien wij

dezelfde feesten in het leven van een kind Gods. De

54


5

feestelijke gebeurtenissen van het boek Esther zijn

afschaduwingen van heerlijke feiten in het leven van een

christen.

Het eerste feest typeert de onttroning van satan uit onze

harten. Vasthi, de officiële koningin werd onttroond; de

satan, de koning dezer wereld, werd door Jezus van de

troon gestoten. Halleluja!

Het tweede feest wijst naar de kroning van een andere

Gezagsdrager, Jezus Christus, in onze harten. Hij neemt

thans de ledige plaats in.

Het derde feest is het beeld van het bidden om behoud, om

volkomen vrij te worden van alle vijanden die ons naar het

leven staan; het verlost zijn van de aanvallen van de

machten der duisternis.

Het vierde feest is het feest der herdenking. "Vergeet niet

één van Zijn weldaden: die al uw ongerechtigheid vergeeft,

die al uw krankheden geneest, die uw leven verlost van de

groeve" (Ps. 103: 2-4).

Toen Jezus stierf aan het kruis, behaalde H ij de

overwinning en onttroonde de satan. Uiterlij k, natuurlijk

gezien, van beneden af beschouwd, met vleselijke ogen, leek

Zijn lijden en sterven een ontzettend fiasco. Maar Jezus

kwam, gezonden van de Vader, om het zonde- en ziekteprobleem

voor de wereld op te lossen. Hij liet het oordeel,

de dood, als bezoldiging van de zonde, op Zich neerkomen.

Hij trok het spontaan naar Zich toe, Hij ving de vloek op

in Zijn eigen lichaam. "Hem die geen zonde gekend heeft,

heeft Hij God voor ons TOT ZONDE gemaakt, opdat wij

zouden worden GERECHTIGHEID GODS in Hem"

(Il Cor. 5 : 21).

Jezus bracht overwinning door Zijn sterven en opstanding

over de macht van de duivel, in zonde en ziekte en verderf

in onze harten. Jezus heeft het regiem van de

mensenrnoordenaar van den beginne beëindigd, zijn

heerschappij opgezegd. Als een bij stak Hij Zijn angel in

Zijn prooi zodat deze stierf. Ook de Bij stierf, maar werd

opgewekt. De troon die de vorst der duisternis bezet had,

werd hem ontnomen. De kop van het slangenzaad werd

vermorzeld onder de voet van Jezus, het vrouwenzaad.


"Opdat Hij door Zijn dood hem, die de macht over den

dood HAD, de duivel, zou ONTTRONEN"

(Hebr. 2: 14,15). "Hij heeft de overheden en machten

ontwapend en openlijk ten toon gesteld en zo over hen

GEZEGEVIERD" (Col. 2: 15).

Jezus heeft de overheden ontwapend en van hun macht

beroofd, de kroon afgerukt, uitgeworpen, van de troon

gestoten, weggezonden, als Vasthi. Aan hun heerschappij

kwam een einde en een andere Persoonlijkheid kwam in

deze opengevallen plaats, een koninklijke Gezagdrager.

Jezus heeft op Golgotha elke ziel bevrijd die zich in de

macht van de satan bevond. Satan werd een onrechtmati

machthebber, met zijn onrechtmatig, aangematigd, gestol

recht op ons hart. Maar het is een schijnmanoeuvre, een

leugenpolitiek, de werkelijkheid is dat wij gekocht en

betaald zijn door Jezus Christus, wij zijn Zijn onvervreem

baar eigendom en alleen Hij kan rechten op ons doen

gelden, niemand anders.

De ziel is in de vrijheid gesteld, de schuld is betaald, de w

is vervuld, de prijs is voldaan, de gevangenisdeuren zijn

opengezet, Gods toorn is op een Ander gevallen, onze

hemelse Plaatsvervanger. Dit is het hart van het evangelie

Indien wij echter niet in geloof deze verzoening grijpen, e

met ons hart: "Amen" op zeggen, het in geloof niet

aanvaarden en er niet in gaan staan, zal het heil ons

voorbijgaan. We ontvangen het in geloof, dankend, Hem

prijzend voor Zijn zoenoffer. Wij worden Gods kinderen

door geloof in een volbracht verzoeningsoffer en wij

plaatsen er ons buiten door het niet te accepteren, er niet

voor te buigen, het niet in geloof aannemen.

Halleluja, Jezus HEEFT ons VERLOST! "Hij HEEFT o

VERLOST uit de MACHT der duisternis en overgebrach

in (een ander leven, een andere status), in het koninkrijk

van de Zoon Zijner liefde, in wien wij de VERLOSSING

HEBBEN, de vergeving der zonden" (Col. 1: 13). Een

belangrijke vertaler heeft deze tekst aldus vertaald: "Hij

heeft de macht en het geweld van de satan VAN ONS

AFGESNEDEN".

Als hier gesproken wordt over het koninkrijk van de Zoo

dan is duidelijk dat de Zoon Koning is. Hem is gegeven

56


5

ALLE MACHT, in hemel als op aarde, over de eeuwigheid

en de tijd, over de geest en de stof, ALLE MACHT op

ELK GEBIED. Jezus zegt: "Houdt goeden moed, Ik heb

de wereld OVERWONNEN" (Joh. 16: 33). "Hiertoe is de

Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des

duivels verbreken zou" (I Joh. 3: 8). Vele teksten in de

bijbel spreken onmiskenbaar duidelijk over deze totale en

definitieve overwinning van Jezus over de duivel.

Koningin Vasthi is niet op vage gronden, op gevoelsoverwegingen

of bij onderlinge afspraak afgezet, maar dit

besluit stond definitief en onwrikbaar vast omdat het een

wet van Meden en Perzen was, onherroepelijk, er viel niet

verder over te discussieren. Zo is de duivel niet op vage

gronden, theoretisch, overwonnen en verslagen, maar

concreet en reëel, door het Bloed van het Lam.

De waarde van een natie wordt bepaald door haar

manifestatie van kracht. Zonder kracht wordt een

koninkrijk onder de voet gelopen. Koninkrijken. op papier

verdwijnen. Koninkrijken in theorie en in woorden zijn

niets waard. De waarde van een koninkrijk is de

openbaring van macht, van gezag, van kracht.

Jezus heeft Zijn koninkrijk verworven op aarde door de

prijs van Zijn kostbaar Bloed (I Petr. 1: 19). Hij heeft ons

daardoor VRIJGEKOCHT van de slavendrijver, de boze.

Hij maakte door Zijn volkomen offer van Zijn leven een

einde aan het koninkrijk van de satan, van zonde, ziekte en

dood. Hij nam alles op Zich, in Zich op, Hij werd

belichaamde zonde en ziekte en zwakte. H ij werd tot zonde

en ziekte GEMAAKT en bracht dit alles met en in Zijn

stof, in Zijn lichaam, in het graf, waar Hij het alles achter

liet en verheerlijkt opstond uit de dood en tot de Vader

terugkeerde. Zijn graf werd het graf van mijn zonden,

ziekten en angsten. Halleluja! En wij werden vrij van deze

wet der zonde en des doods door die andere wet, die hogere

wet, de wet van de Geest des levens, in Christus. "Wij zijn

nu EENS VOOR ALTIJD geheiligd door het OFFER van

het lichaam van Jezus Christus" (Hebr. 10: 10). "Na één

offer voor de zonden te hebben gebracht, zijn WIJ voor

altijd gezeten aan de rechterhand van God' (Hebr. 10: 12).


"Want door EEN OFFERANDE heeft Hij VOOR

ALTIJD hen VOLMAAKT, die geheiligd worden"

(Hebr. 10: 14). Nu "Is er GEEN ZONDOFFER MEER

NODIG" (Hebr. 10: 18). Halleluja!

Betekenis van het tweede feestmaal

Wij hebben in Jezus een betere Koning. Deze Koning hee

plaatsgenomen op de troon. De oude dingen hebben wij

achter ons gelaten en wij hebben ons uitgestrekt naar

nieuwe dingen, naar een nieuw bewind. "Zo is dan wie IN

Christus is een nieuwe schepping: het oude is

voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen" (11 Cor. 5 : 17)

Er zijn betere voorwaarden geschapen. In de Hebreeënbri

wordt meerdere malen over dit "Betere" gesproken. Than

wordt een BETERE hoop gewekt (7: 19); Jezus is borg

geworden van een BETER verbond (7: 22); Hij is

Middelaar van een BETER verbond, waarvan de

rechtskracht op BETERE beloften berust (8: 6); BETERE

offeranden (9: 23); wij bezitten een BETER en blijvend

bezit (10: 34); Zij verlangen naar een BETER, dat is een

hemels vaderland (11 : 16); Deel hebben aan een BETERE

opstanding (11 : 35); Daar God iets BETERS met ons voo

heeft (11 : 40).

Esther is beter dan Vasthi, Jezus is een betere Koning op

de troon van ons hart dan de duivel. "Laten wij ons richt

op het volkomene" (Hebr. 6: I). " Gade zij dank, die ons

overwinning geeft door onzen Here Jezus Christus" (I Co

15 : 57). "H ij hèeft ons uit zulk een groot doodsgevaar

verlost en zal ons verlossen: op Hem hebben wij onze hoo

gevestigd" (11 Cor. I: 10).

Eerst zat satan op zijn troon, "Ik weet waar gij woont,

daar waar de troon des satans is" (Openb. 2: 13). Er is

sprake van een synagoge des satans (Openb. 2 : 9). Satan

" de overste van de macht der lucht" (Ef. 2 : 2) . Hij gaf aan

de antichrist: " Zijn kracht en zijn troon en grote macht"

(Openb. 13: 2). Maar God heeft Christus gezonden en hee

Hem tot Koning gezalfd, "door Hem uit de doden op te

wekken en Hem te zetten aan Zijn rechterhand in de

hemelse gewesten, BOVEN alle overheid en macht en

58


5

kracht en heerschappij en allen naam, die genoemd wordt

niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw. En

Hij heeft ALLES onder Zijn voeten gesteld en Hem als

Hoofd boven al, wat is, gegeven aan de gemeente"

(Ef. I : 20-22).

Jezus is overwinnaar. In Lukas 8 zien wij Zijn koningschap,

Zijn macht over geheimen (vers 17); over natuurlijke

verhoudingen (vers 21); over de wind (vers 24); over water

(vers 25); over demonen (vers 29); over ziekten (vers 44);

over de dood (vers 54). Op elk terrein van het leven, ja zelfs

over de dood is Hij de Heerser. "Ik ben de Eerste en de

Laatste, en de Levende, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik

ben levend tot in alle eeuwigheid, en Ik heb DE

SLEUTELS van den DOOD en het DODENRIJK"

(Openb. I: 18).

Hij schenkt ons Zijn volle rijkdom, "ALLE DINGEN".

"Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn ALLE

DINGEN: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid"

(Rom. 11: 36).

"Door Hem hebben wij VREDE met God (Rom. 5: I);

ROEMEN wij in God (Rom. 5: 11); hebben wij

VERZOENING ontvangen (Rom. 5: IJ); EEUWIG

LEVEN (Rom. 6: 23); OVER WINNING over de DOOD (I

Cor. 15: 57); HEERLIJKHEID in alle eeuwigheid" (Rom.

16: 27).

God gaf Zijn ganse volheid aan Zijn Zoon (Col. I : 19); de

volheid der godheid lichamelijk (Col. 2: 9); ALLE

DINGEN (Rom. 8: 32). God gaf aan Zijn Zoon alles wat

Hij had en wat Hij was, Hij gaf als het ware de hemel leeg

toen Hij Hem overgaf aan de wereld, het vlees, om te

genezen en het aan de groeve te ontrukken (Ps. 107: 20).

Niets bezittend

Evenals het arme weesmeisje Hadassa een nederige plaats

in het volk innam, onbekend, nietsbezittend, is ook Jezus

de nederigste aller dienstknechten geweest. Jesaja

profeteerde over Zijn verschijning en zegt dat Hij als "Een

wortel uit dorre aarde op zou schieten, gestalte noch luister


zou hebben dat wij hem zouden hebben aangezien, van

mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd me

(mijn) gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd. Hi

was veracht, en ziekte, ja, als iemand, voor wien men he

gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet

geacht" (Jes. 53: 2, 3). De verachting wordt zover

doorgevoerd dat in dit Schriftgedeelte over Hem niet me

hoofdletters wordt geschreven.

De mensen uit Zijn familie, Zijn vaderstad Nazareth,

zeiden: "Is dit niet de timmerman, de Zoon van Maria, e

de broeder van Jacobus, Jozef, Judas en Simon? En

behoren Zijn zusters hier niet bij ons?" (Mark. 6: 3).

Niets kon Jezus het Zijne noemen in dit aardse leven. "D

vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, m

de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd nee

leggen" (Matth. 8: 20). Zijn wieg was niet de Zijne, Zijn

kruis was niet de Zijne, noch het graf waarin zij Hem

gelegd hebben.

Hij werd gescholden: "Zie, een vraatzuchtig mens en een

wijndrinker, een vriend van tollenaars en zondaars" (Mat

11 : 19).

Hij werd door anderen onderhouden: "Velen dienden He

met hetgeen zij bezaten" (Luk. 8: 3).

Hij had geen onderwijs genoten: "Hoe is deze zo geleerd

zonder onderricht te hebben ontvangen" (Joh. 7: 15).

Hij was zo eenvoudig: "Maar Ik ben in uw midden als

dienaar" (Luk. 22: 27). "Want ook de Zoon des mensen

niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te diene

en Zijn leven tè geven als losprijs voor velen" (Mark.

10: 45).

Hij telde Zichzelven niet: "Hij heeft Zich vernederd en is

gehoorzaam geworden tot den dood" (Phil. 2: 8).

Bescheiden was Jezus: "Ik zeg u, de Zoon kan niets doen

van Zichzelf, of Hij moet het den Vader zien doen" (J oh.

5: 19).

Niet eigenzinnig, eigen belangen vóór laten gaan: "Ik zoe

niet Mijn wil, doch den wil van Hem, die Mij gezonden

heeft" (J oh. 5: 30). "Wanneer gij den Zoon des mensen

verhoogd hebt, zult gij inzien, dat Ik het ben en niets uit

Mijzelf doe, doch dat Ik dit spreek, gelijk de Vader Mij

60


61

geleerd heeft" (Joh. 8: 28).

Hij was onderdanig: "En Hij ging met hen terug en kwam

te Nazareth en was hun onderdanig" (Luk. 2: 51).

Hij was niet fanatiek: "Jezus zeide: Belet het hem niet,

want er is niemand die een kracht doen zal in Mijn Naam

en kort daarna smadelijk van Mij zal kunnen spreken.

Want wie niet tegen ons is, is voor ons" (Mark. 9: 39, 40).

Niet haatdragend: "Vader, vergeef het hun, want zij weten

niet wat zij doen" (Luk. 23: 34). "Maar Jezus zeide tot

Judas: Vriend, waartoe zijt gij hier?" (Matth. 26: 50).

Maar het volkskind Hadassa werd op de toon geplaatst, uit

haar nederige staat verhoogd. Micha profeteerde van Jezus:

"Bethlehem Efrata ... uit u zal Mij voortkomen die een

HEERSCHER zal zijn over Israël en wiens oorsprong is

van ouds, van de dagen der eeuwigheid." "Dan zal Hij

staan en hen weiden in de kracht des Heren, in de

MAJESTEIT van den NAAM DES HEREN, Zijns Gods;

en zij zullen rustig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot

aan de einden der aarde en Hij zal vrede zijn" (Micha 5 : 1

en 3).

Gabriël, de Verkondiger, zegt tot Maria: "Deze zal groot

zijn en de Zoon des Allerhoogsten genoemd worden en de

Here God zal Hem den troon van Zijn vader David geven

en Hij zal als KONING over het huis van Jakob heersen

tot in eeuwigheid, en ZIJN KONINGSCHAP zal geen

einde nemen" (Luk. 1 : 32, 33).

Alles bezittend

Jezus is de Zoon Gods: "Waarlijk, deze mens was een Zoon

Gods" (Mark. 15: 39) en "machtig om te verlossen" (Jes.

63: 1).

Hij was onschuldig aan een misdrijf: "Ik vind niets strafbaars

in deze mens" (Luk. 23: 4). "Deze heeft niets onbehoorlijks

gedaan" (Luk. 23: 41). Jezus was: "Als een onberispelijk en

vlekkeloos Lam" (1 Petr. 1: 19).

Hij vergaf zonden: "Door dezen wordt u vergeving van

zonden verkondigd" (Hand. 13: 38). "In Hem hebben wij

de verlossing door Zijn Bloed, de vergeving van de


overtredingen" (Ef. 1: 7). "Deze is na één offer voor de

zonden te hebben gebracht, voor altijd gezeten aan de

rechterhand Gods, voorts afwachtende totdat Zijn vijand

gemaakt worden tot een voetbank voor Zijn voeten" (He

10: 12,13).

Hij is een eeuwige Hogepriester: "Doch Hij heeft, juist

doordat Hij in eeuwigheid blijft, een priesterschap, dat o

geen ander kan overgaan. Daarom kan Hij ook volkome

behouden, wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd l

om voor hen te pleiten" (Hebr. 7: 24, 25). Jezus zegt: "M

is gegeven alle macht in hemel en op aarde" (Matth.

28: 18). Zelfs de demon roept: "Wat hebt Gij met mij te

maken, Zoon van de allerhoogste God?" (Mark. 5: 7).

De duivel, de overste der wereld, kon Jezus niet verslaan

"Want de overste der wereld komt en heeft aan Mij niets

(Joh. 14: 30).

Jezus is het Antwoord: "Indien gij in Mij blijft en Mijn

woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt en het zal

geworden" (J oh. 15: 8).

God heeft Hem verheerlijkt en in Zijn troon gezet: "Doo

Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan Z

rechterzijde in de hemelse gewesten, boven alle overheid

macht en kracht en heerlijkheid en niet alleen in deze, m

ook in de toekomende eeuw. En Hij heeft ALLES onder

Zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is

gegeven aan de gemeente, die Zijn lichaam is, vervuld me

Hem, die alles in allen volmaakt" (Ef. 1: 20-23).

Alle dingen

De Vader zond Zijn Zoon om de volheid Gods te brenge

naar u en mij, ALLE DINGEN. Wij verwachten eigenlijk

niet die ALLE DINGEN te mogen bezitten en daarom

bezitten wij ze ook niet. Wij verwachten dat ALLE

DINGEN ons deel zullen zijn later als wij met Christus in

Zijn heerlijkheid zullen zijn, maar NU nog niet, HIER no

niet, voor ons nog niet. Maar de Bijbel zegt dat als wij

Jezus aanvaarden, in Hem ALLE DINGEN des Vaders

ontvangen. Jezus is de deur naar ALLE DINGEN; zonde

Hem zien wij de Vader niet en staan wij buiten ALLE

62


63

DINGEN.

Dit is een groot woord: ALLE DINGEN zijn van ons. De

duivel heeft door een stelselmatige hersenspoeling van 20

eeuwen ons verwijderd van de grote woorden en grote

dingen van het Koninkrijk. Het is er hem alles aan gelegen

om ons te vervreemden van de majesteitelijke volheid in

Christus. Heel zijn leugen politiek is er op gericht om de

dingen des heils te verwringen, toe te knijpen, te

verschralen, vernauwen, te ridiculiseren, hij voegt wiggen

van verstand en rede en logica tussen ons en die heerlijke:

ALLE DINGEN van God.

"Daarom, niemand beroeme zich op mensen; ALLES is

immers het UWE. (In de engelse vertaling staat: For all

things are yours - ALLE DINGEN.) Merkwaardig woord

is dit: immers. Het woord impliceert: Dit wist u toch! Dit is

toch een vaststaand feit! Dit is immers zo! Dit is een wet

van het Koninkrijk en zoals geacht wordt dat alle wetten

gekend worden, zo wordt u ook geacht deze wet van het

Koninkrijk te kennen. Alles, ALLE DINGEN, zijn

IMMERS van u? Wij zingen: Van U zijn alle dingen, van

U 0 God alleen!" De Bijbel zegt dat ALLE DINGEN ook

van ons zijn en niet "van God alleen." Wat van God is, is

van ons. God bezitter van ALLE DINGEN, wij eveneens

bezitter van ALLE DINGEN. "Zal Hij ons met Hem niet

ALLE DINGEN schenken? ALLE DINGEN zijn

DAAROM van ons." AL HET MIJNE is HET UWE, zegt

de Vader in Lukas 15.

Wat zijn ALLE DINGEN?

Om duidelijk vast te stellen wat dit alles inhoudt, wordt dit

verder gepreciseerd: "Hetzij Paulus, Apollos of Cephas

(Petrus), het is ALLES HET UWE." De eigenaar staat boven

zijn eigendom, hij kan daar steeds vrijelijk over

beschikken. Als u eigenaar bent van een geldstuk, kunt u er

alles voor kopen wat u wenst, het geldstuk heeft daarin

niets te beslissen, het is passief, de eigenaar staat hoger dan

dit dode betaalmiddel en beschikt daarover.

Indien wij de "bezitters" zijn van Paulus, Apollos en

Petrus, de grootste figuren uit de aposteltijd, mannen van


egaafdheid, welsprekendheid, maar nog meer van krach

autoriteit over demonen, gezag over duivelse machten, v

van de Heilige Geest, dan betekent dit dat de Heer déze

dingen en méér aan u wenst te geven.

Alles van Paulus, heel zijn bediening van kracht, heel zij

betekenis voor de gemeente en voor de heidenen, dit alle

wil de Heer u geven en méér dan dat, u bent eigenaar.

Alles van Apollos, van wien gezegd wordt dat hij

doorkneed was in de Schriften, vurig van geest.

Alles van Petrus, die woordvoerder was van de eerste

gemeente, prediker van de eerste kerk, een man vol van

Heilige Geest, die bij zijn eerste prediking 3000 zielen to

bekering zag komen; de kerk was nog maar een uur oud

Een man die zieken genas, wiens schaduw zelfs mensen

deed opstaan van hun ziekbed, die de dode Dorcas deed

oprijzen en teruggaf aan haar vrienden, een groot man v

de gemeente en de heidenen.

Alle drie, als voorbeelden genoemd, waren wonderbare

mannen Gods, ze waren vol van genade Gods, gedreven

geleid door visioenen en openbaringen. De Bijbel zegt da

dit alles HET UWE is, dezelfde roeping, dezelfde kracht

staan. u ten dienste, dezelfde Geest van God die in hen

werkte. De Bijbel zegt zelfs dat wij bóven hen staan, nie

alleen hen gelijk zullen zijn maar hen overtreffen, de

eigenaar staat boven zijn eigendom.

Wereld, leven en dood

Alles is immers het uwe, "Hetzij wereld, leven en dood."

"Ailes;; lS alles lngesloten. "Neem de wereld, geef mij

Jezus!" Maar de wereld is ONS, wij behoeven de wereld

niet te laten nemen, maar kunnen het bewust weggeven.

Maar dit betekent méér!

De wereld rondom ons, zoals zij reilt en zeilt, is mede

ONDER ONZE VOETEN gesteld. Als wij Christus in o

hebben, immers: "Niet meer mijn ik, maar Christus leeft

mij!" (Gal. 2: 20), dan hebben wij dezelfde plaats

ingenomen als Christus, die door de Vader gesteld is "A

Zijn rechterhand in de hemelse gewesten, BOVEN alle

overheid en macht en kracht en heerschappij en allen na

64


die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de

toekomende eeuw. En Hij HEEFT alles (ALLE DINGEN)

onder Zijn voeten gesteld en Hem als Hoofd boven al, wat

is, gegeven aan de GEMEENTE, die zijn LICHAAM is,

VERVULD met HEM, die ALLES (ALLE DINGEN) in

ALLEN VOLMAAKT" (Ef. 1 : 20-23).

Als Jezus zegt: Ik HEB de WERELD overwonnen, dan

mogen wij mede in deze overwinning staan, met alle

consequenties. Dan mogen wij van deze overwinning

gebruik maken om met Christus het Koninkrijk op te

bouwen.

De duivel wordt genoemd: De overste dezer wereld. Jezus

heeft de wereld en de overste der wereld overwonnen, op

Golgotha .. Wij kunnen in deze zelfde overwinning staan en

er naar handelen, onbevreesd, overtuigd van onze (gegeven)

macht. Halleluja!

Jezus zegt: Ik ben het LEVEN. Wie Mij zoekt, heeft eeuwig

leven. Wie Mij eet, zal niet sterven. "Indien iemand van

DIT brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood

dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld"

(Joh. 6:51).

"Ik leef en gij zult leven!" Jezus overwon de dood door het

leven. Bij Jezus werd het leven niet verzwolgen door de

dood, maar de dood door het leven. "Ik ben gekomen,

opdat zij LEVEN hebben en overvloed" (J oh. 10: 10).

Leven en ALLE DINGEN.

Wij mogen ons dit triomf over het leven eigen maken en

het Koninkrijk er mee dienen. Immers het LEVEN is ons

eigendom. Ons ter beschikking. Overwinnaars daarover.

Glorie voor Jezus! "Het is alles het uwe!" (I Cor. 3: 21).

ALLE DINGEN. Het wordt herhaald in deze regel, het

mocht zijn dat u het niet goed begrepen hebt, het is

" Immers . ", zo.

Jezus zegt dat Hij de DOOD heeft overwonnen. Wij mogen

in deze overwinning staan en juichend in de Troonzaal met

Christus ook deze laatste vijand onder ONZE VOETEN

leggen. Wij zijn niet een zeker en onontkoombaar prooi

van de dood, neen, hij is een prooi van ONS, in Christus

en daar zullen wij gebruik van maken. Staat dit niet in de


opdracht van Jezus, ons gegeven als boodschap voor de

wereld: "Gaat heen, predikt, geneest en wekt doden op"

(Matth. 10: 8). Wat betekent dat? Dit: Waar Hij ons roep

de kracht van het Koninkrijk hiervoor aan te wenden, da

zullen wij in het verkregen gezag als ALLER-DINGEN­

EIGENAAR ook deze vijand, deze doodsvijand, tegenga

In Jezus' Naam! Dit deed Paulus ook, hij wekte een dode

jongen die uit het raam was gevallen, op. Dit deed ook

Petrus, die Dorcas opwekte uit de doden. Paulus en Petr

(Cephas) zijn "immers" uw "eigendom"!

Wij zijn van Christus

"Doch gij zijt van Christus" Halleluja! Niet alleen kocht

Hij ons vrij van de zonden, maar ook Hem ten eigendom

Wij zijn: "Het volk dat Hij Zich "verworven" heeft, tot l

Zijner heerlijkheid" (Ef. 1 : 14). Daarom zijn wij niet mee

van onszelf, maar behoren wij God toe. "Of weet gij niet

dat uw lichaam een tempel is van de Heiligen Geest, die i

u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij NIE

van UZELF zijt? Want gij zijt GEKOCHT en BETAALD

(I Cor. 6: 19, 20).

God verwierf Zich ons ten eigendom in Christus. Hij zett

ons IN CHRISTUS. En in Christus hebben wij de

beschikking over alles wat Christus ter beschikking is

gesteld. Toen wij tot geloof in Christus kwamen en ons

leven volkomen aan Hem overgaven, weggaven, kwiitgav

zette God ons IN CHRISTUS. En alle krachten van het

Koninkrijk, alle wonderbare faculteiten in het universum

staan ons dan ter beschikking. IN CHRISTUS.

Er is een nieuwe staat van leven gekomen, wij zijn IN

CHRISTUS ingeplant, samengegroeid tot een éénheid

(Rom. 6: 5), verloren daarbij onze oude natuur en

ontvingen de natuur van Christus. "Zo is dan wie IN

CHRISTUS is, een NIEUWE SCHEPPING; het oude is

voorbijgegaan, zie het NIEUWE is gekomen." (In de

engelse vertaling staat: "All things are become new," ALL

DINGEN werden nieuw.) "En dit alles is uit God" (II Co

5:17,18).

66


6

In Christus mede erfgenaam van ALLE DINGEN

Als wij in CHRISTUS zijn, dan zal God ons van ALLE

DINGEN voorzien. "En God is bij machte ALLE genade

in u OVERVLOEDIG te SCHENKEN, opdat gij, in alle

opzichten te ALLEN TIJDE van ALLES (engelse vertaling

zegt: "Having all sufficiency in all things"; in ALLE

DINGEN) genoegzaam VOORZIEN, in ALLE goed werk

OVERVLOEDIG moogt zijn" (H Cor. 9: 8). "Zijn

Goddelijke kracht immers HEEFT ONS met ALLES

(ALLE DINGEN), wat tot leven en godsvrucht strekt,

BEGIFTIGD, door de kennis van Hem, die ONS geroepen

HEEFT door Zijn heerlijkheid en macht ... " (H Petr. I: 3).

"Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit

wij ook den Here Jezus Christus als Verlosser verwachten,

die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan

ZIJN VERHEERLIJKT LICHAAM GELIJKVORMIG

wordt, naar de KRACHT, waarmede Hij ook ALLE

DIN G EN zich kan onderwerpen" (de engelse vertaling zegt:

To subdue all things) (Phil. 3: 20).

Wie IN CHRISTUS is, heeft toegang tot ALLE DINGEN,

in geloof. "ALLE DINGEN zijn MOGELIJK voor wie

GELOOFT" (Mark. 9: 23). "Ik bedoel dit: zolang de

erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf,

al is hij ook EIGENAAR van ALLES (ALLE DINGEN);

maar hij staat onder voogdij en toezicht tot op het tijdstip,

dat door zijn vader tevoren bepaald was. Zo bleven ook wij

zolang wij onmondig waren, onderworpen aan de

wereldgeesten. Maar toen de volheid des tijds gekomen

was, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een

vrouw, geboren onder de wet, om hen, die onder de wet

waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van ZONEN

zouden verkrijgen. En dat gij zonen zijt - God heeft den

Geest Zijn Zoons uitgezonden in onze harten, die roept:

Abba, Vader, Gij zijt niet meer slaaf, doch ZOON; indien

gij ZOON zijt, dan zijt gij ook ERFGENAAM door God"

(Gal. 4: 1-7).

Jezus zegt: "ALLE DINGEN zijn Mij overgegeven door

Mijn Vader" (Matth. 11: 27). "God heeft nu in het laatst


der dagen gesproken in den Zoon, die Hij gesteld heeft to

erfgenaam van ALLE DINGEN, door wien Hij ook de

wereld geschapen heeft" (Hebr. 1 : 2). "Zijn wij kinderen

(Gods), dan zijn wij ook ERGENAMEN van Christus"

(Rom. 8: 17).

De Bijbel zegt dat Christus de Schepper is van ALLE

DINGEN (Joh. 1: 3). "Hem, OM wien en DOOR wien

ALLE DINGEN bestaan" (Hebr. 2: 10). "Want in Hem

zijn ALLE DINGEN geschapen, die in de hemelen en die

op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij

heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; ALLE

DINGEN zijn DOOR Hem en TOT Hem geschapen; en

Hij is vóór alles en ALLE DINGEN hebben hun bestaan

IN HEM; en Hij is het Hoofd van het LICHAAM, de

GEMEENTE" (Col. 1: 16-18).

Indien wij IN CHRISTUS zijn geworteld, in CHRISTUS

INGELIJFD, één met Hem, dan zullen ALLE DINGEN

die in Christus zijn, ook de onze zijn. Halleluja!

"Want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te

GEVEN" (Luc. 12: 32).

"Dankt te allen tijde in den Naam van onzen Here Jezus

Christus God, den Vader, voor ALLE DINGEN" (Ef.

5: 20).

Betekenis van het derde feestmaal

Doordat wij met Christus gezeten zijn in de troon -- want

God heeft ons mede levend gemaakt met Christus en ons

mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de

hemelse gewesten (Ef. 2: 5, 6), - hebben wij ook een vrije

toegang tot Hem. Wij zijn niet meer de vroegere,

eenvoudige Hadassa die geen toegang kon krijgen tot de

troon, maar wij zijn Esther geworden en gezeten met de

koning op de troon. Op ons bidden wordt acht gegeven,

ons verzoek vindt gehoor, onze smeekbede wordt serieus

behandeld, wij zijn een gesprekspartner Gods geworden.

Voordat koningin Esther haar vragen stelt, wordt zij reed

royaal tegemoet gekomen met een belofte van te worden

verhoord. "Wat is uw verzoek? H et zal u toegestaan

worden. En wat is uw wens? Al was het de helft van het

68


6

koninkrijk, hij zal ingewilligd worden" (Esther 5: 6). Jezus,

de Koning, zegt in Lukas 11: 9-12: "En Ik zeg u: Bidt en u

zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal

opengedaan worden. Is er soms een vader onder u, die als

zijn zoon hem een vis vraagt, hem voor een vis een slang

zal geven? Of als hij om een ei vraagt, hem een schorpioen

zal geven?" De vader zegt tot de zoon: "Al het mijne is het

uwe" (Luk. 15: 31).

De Bijbel schrijft dat "Esther zich in een koninklijk gewaad

hulde en ging staan in de binnenste voorhof van het paleis

des konings tegenover de koningszaal, terwijl de koning

gezeten was op zijn koninklijken troon in de koningszaal

tegenover de ingang der zaal. Toen de koning Esther in de

voorhof zag staan, won zij zijn genegenheid en de koning

reikte Esther de gouden schepter toe, die hij in zijn hand

had (de schepter is het symbool van zijn macht); Esther

kwam daarop nader en raakte de spits van de schepter aan

(zij maakte contact met zijn macht).

Daarop zeide de koning tot haar: Wat hebt gij, koningin

Esther, en wat is uw wens" (Esther 5 : 1-3).

Dit is de houding van een kind van God. Wij liggen niet

meer als bedelaars, als paria's voor de drempel van de

paleisdeur, buiten, vervreemd, losgeraakt, maar wij zijn

opgenomen in het heilsverbond van het Bloed, wij zijn

huisgenoten Gods, wij zijn mondige kinderen van het

huisgezin Gods, wij zijn met Christus gezeten in de troon.

Hadassa was kansloos, zij kon de troon nimmer bereiken

vanuit haar schamel bestaan, maar Esther, gezalfd,

gekroond, uitverkoren, in de zekerheid dat haar koninklijke

gemaal haar lief had boven alle vrouwen (Esther 2: 17), had

toegang tot het hart van Ahasveros.

V roeger waren wij onmondigen, wij verschilden in niets van

een slaaf, al waren wij ook eigenaar van alles (Gal. 4: I).

Wij stonden onder voogdij en toezicht van onzen "oom

Mordechaï", "Wij bleven, zolang wij onmondig waren,

onderworpen aan de wereldgeesten. Maar toen de volheid

des tijds gekomen was, ... kregen wij het recht van zonen"

(Gal. 4: 3-5). "En, dat gij zonen zijt - God heeft de Geest


Zijns Zoons uitgezonden in onze harten, die roept: Abba,

Vader. Gij zijt dus niet meer slaaf, doch zoon; indien gij

zoon zijt, dan zijt gij ook erfgenaam door God" (Gal. 4: 6

7). "Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer

(Hadassa, als joodse ballinge in het verre, vreemde Perzië

maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods" (Ef.

2: 19).

"Gij zijt echter een UITVERKOREN GESLACHT, een

KONINKLIJK priesterschap, een heilige N ATlE, een vol

Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen va

Hem, die u uit de duisternis (van de anonimiteit, van de

zonde) geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; u, eens

niet Zijn volk, NU echter GODS VOLK" (I Petr. 2: 9, 10

Esther kleedde zich niet in een treurgewaad, doch, ofscho

zij drie dagen en nachten niet at en dronk, hulde zij zich

een koninklijk gewaad en verscheen zó voor haar koning.

Zij stond daar niet als een naamloze bedelares, maar als

een koningin. Een kind van God is niet een wenende

smekeling, maar het mag de Vader naderen in de rust van

"Staande op de beloften van mijn Heer en God; weet ik i

Zijn hand geborgen gans mijn lot. Glorie en aanbidding z

mijn dierb're Heer, Zijn beloften falen nimmermeer."

Ootmoedig van hart (vastend) maar in koninklijk gewaad

van het kindschap Gods, als huisgenoot des Vaders.

De binnenste voorhof

Esther moest niet zoeken naar de koning, naar hem vrage

op hem wachten, maar zij ging staan in de binnenste

voorhof van het paleis des konings, TER WIJL de koning

gezeten was op zijn koninklijken TROON in de koningsza

(Esther 5: I). Zij stond waar zij staan moest, in de

binnenste hof, in de binnenkamer, voor de troon, voor de

koning, in de koningszaal.

De bijbel zegt: "Wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer,

sluit de deur en bid tot uw Vader in het verborgene"

(Matth. 6: 6). Bidt niet naar buiten, als de huichelaars, na

opgelegde gewoonte, volgens de regels der Farizeeërs, maa

naar binnen, in het isolement van de tegenwoordigheid de

70


Vaders. Het "dak" is teveel een plaats dat voor de wereld

open ligt, daar is het gebed gauw .show voor de ogen der

voorbijgangers. De huiskamer staat open voor allen die

kunnen binnengaan en afleiden. Maar in de binnenste

binnenkamer, het intiemste hart van het huis, het centrum

waar uw voorraden worden geborgen, uw bezittingen, uw

verworvenheden, waar uw schat is, want daar is uw llart.

De bidder moet zich terugtrekken dáár, waar alles wat

waarde heeft in zijn leven is samengetrokken.

De binnenkamer is niet zozeer een geografische plaats dan

wel een geestelijke houding. In een druk gezelschap, in een

overvolle straat, in een luidruchtige familie, kunnen wij on

innerlijk terugtrekken in gebed en gemeenschap hebben me

de Heer, er is isolement in den Geest mogelijk temidden

van rumoer en afleiding; men heeft zich dan "in zijn

binnenkamer teruggetrokken". De grote businessman in ee

commissarissenvergadering, waar druk gediscussieerd word

over geldzaken, kan een moment zijn ogen sluiten en

verbinding zoeken met de Heer en met Hem spreken; hij

sloot "de deur" voor zijn materialistische omgeving en trok

zich geestelijk terug bij zijn Heer, in een stil gebed. De

huismoeder in een te kleine bovenwoning, temidden van

een druk gezin van kleine kinderen die haar helemaal

opeisen, gaat in de namiddag als het allernoodzakelijkste

werk is gedaan een ogenblik zitten, ze trekt haar witte

schort over haar hoofd en blijft zo enkele minuten zitten,

geïsoleerd met haar Heer. En als het kleine ventje van drie

jaar aan haar rokken trekt en haar aandacht wekt, zegt he

grotere meisje: Stil Jantje, moeder praat met de hemelse

Vader, over nieuwe schoenen en eten en alles. Moeder is in

haar binnenkamer.

De deur wordt gesloten naar buiten, men gaat op de

knieën; knielen doet men eigenlijk met zijn hart. De

verbinding met de wereld is afgesneden, de stemmen van

buiten zwijgen nu, de luiken van de zintuigen zijn

toegedaan. Zo is men dan stil voor de Heer. De binnenste

kern van de tropische orkaan is een plaats van absolute

stilte; zo is ook de binnenste kern van een nerveus, jachtig

leven de stilte van de binnenkamer, bij het hart van God.


0, dit is de genezing van het jagende menselijke hart, dit

ontspannen zoeken van de stilte in Gods tegenwoordighei

dit onbevreesde, eerlijke openleggen van alle roerselen van

het hart voor Hem, met Hem de dingen bespreken en de

genade en Zijn verzoenende en helende hand te voelen.

Het is niet zo eenvoudig als u denkt om waarlijk te bidde

de dingen van uw hart af te schuiven op Zijn hart,

geconcentreerd te zijn en ontspannen tegelijk. Het is niet

gemakkelijk om die zoemende vliegenplaag van verstrooid

gedachten om u heen te sublimeren tot een rustig gesprek

met de Vader. Daarom zegt Jezus: Sluit de deur, sluit het

voor gevoelens en verstand en kom kinderlijk, eenvoudig,

oprecht, overgegeven, in geloof, tot de Vader. Eerst de de

sluiten van de wereld, daarna de deur openen voor de He

Dichtbij de Vader komen. Wij zijn huisgenoten Gods. De

tussenmuur die scheiding maakte, de vijandschap, is

weggenomen (Ef. 2: 14), wij die veraf waren zijn nu dichtb

gekomen.

De gouden schepter

Als wij in de binnenkamer, de binnenste voorhof van het

paleis des konings tegenover de koningszaal, staan, terwij

de koning gezeten is op zijn koninklijken troon in de

koningszaal, dan zijn wij ook ons bewust van zijn almach

Hij stoot ons niet buiten zijn tegenwoordigheid, terwijl hij

daar toch de macht toe heeft, maar hij reikt ons zijn

gouden schepter toe. Hij steekt zijn almacht ons toe om e

ons naar te doen uitstrekken. Wij zijn al bijvoorbaat

verbonden met de Heer. Daar zijn geen grenzen aan Jezu

macht. Wij behoeven in onze gebeden niet onmogelijke

dingen uit de handen van een onwillige God te wringen,

maar Hij steekt ons al bijvoorbaat Zijn gouden schepter

toe, die wij mogen beroeren. Wij zijn geen vreemden, wij

dragen hetzelfde koninklijke kleed als de Heer, wij hebben

ons met Christus bekleed, wij hebben ons gehuld in de

gerechtigheid van Christus, voor de Vader staan wij met

hetzelfde kleed als de Zoon, Hij herkent ons en in ons de

Zoon en Hij zal stellig naar ons luisteren. Hij zal ons

antwoorden alsof Hij Zijn Zoon antwoordt. Paulus zegt:

72


73

"Niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij."

Evenals Esther, alvorens zij haar bede uitspreekt, reeds de

zekerheid van de belofte heeft, de toezegging van verhoring,

zo hebben ook wij deze zelfde zekerheid. Zoals Ahasveros,

de machtige koning, haar verhoring garandeert, zo

garandeert de Heer deze aan Zijn kinderen. Esther heeft de

belofte van de helft van het koninkrijk, maar voor een kind

van God is het meer, het TOT ALE Koninkrijk. Halleluja!

"Indien gij Mij iets vraagt in Mijn naam, Ik zal het doen"

(Joh. 14: 14); "Indien gij in Mij blijft en Mijn woorden in

uw blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden"

(Joh. 15: 7); ... "Opdat de Vader u ALLES geve, wat gij

Hem bidt in Mijn Naam" (Joh. 15: 16).

De koning reikte Esther de gouden schepter toe en luistert

naar haar verzoek. Hij liet zich uitnodigen op haar

feestmaal waar hem bekend wordt gemaakt wat in haar

hart leeft. In een feestelijke entourage wordt dit

uitgesproken, aan een banket in het paleis. De koning

schenkt haar genade en verhoort haar bede. "Hij ... die bij

machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of

beseffen" (Ef. 3: 20), schenkt haar bijstand en hulp en

opent een weg om bevrijd te worden van de vijanden van

Gods volk. Met de hulp van de koning, in Zijn Naam, in

Zijn speciale opdracht, die door koeriers, de knechten

Gods, over de gehele wereld wordt bekendgemaakt, zullen

Gods kinderen overwinning behalen over alle belagers, alle

vijandelijke machten in de lucht. Halleluja!

Betekenis van het vierde feestmaal

Het laatste feestmaal is ter dankbare herdenking van de

bevrijding van de vijanden van Gods volk. De macht van

Haman is gebroken, Hij zelf is vernietigd, de aanstichter

van het kwaad geliquideerd. "Hij heeft ons verlost uit de

macht der duisternis" (Col. I : 13). De kop van de oude

slang is vermorzeld. Gods volk is gered. De prijs van de

zonde is door Jezus aan het hout betaald. De aanklager is

overwonnen door het Bloed van het Lam. De wet is

vervuld. De straf was op Hem. De Beker is geledigd, het

Brood gebroken. Het is volbracht voor ons. Het


voorhangsel is gescheurd. De wet der zonde en des doo

door een andere, betere wet van het Koninkrijk, de wet

de Geest des levens, vervangen. Wij liggen niet meer on

de zonde en de dood, maar onder het woord van Jezus:

leef en gij zult (daarom) leven!

Esthers laatste banket was een feest ter dankbare

herdenking aan de overwinning over de vijanden van ha

volk. Wij gedenken in het heilig Avondmaal ditzelfde, b

brood en beker. En zoals dit feest een steeds terugkeren

jaarlijks feest zou worden voor het volk van God, het

Purimfeest, zo ook zegt Jezus dat het avondmaal door

Gods kinderen gehouden moest worden, geregeld, tot a

Zijn wederkomst. "Want zelf heb ik bij overlevering va

Heer ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat d

Here Jezus in den nacht, waarin Hij werd overgeleverd,

brood nam, de dankzegging uitsprak, het brak en zeide:

is mijn lichaam voor u, doet dit TOT MIJN

GEDACHTENIS. Evenzo ook den beker, nadat de

maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het

NIEUWE VERBOND in mijn bloed, DOET DIT, zo

dikwijls gij dit brood eet en den beker drinkt, verkondig

Gij den dood des Heren, TOTDAT HIJ KOMT" (I Co

11 : 23-26).

Het oude verbond

Het oude verbond was een wonderbaar verbond tussen

en Israël "tot in duizend geslachten" (Deut. 7: 9). Het

ontstaan van het volk is eigenlijk het gevolg van het

verbond tussen God en Abraham. Geen volk had zulke

wonderbare uitreddingen en leidingen beleefd als Israël,

God had het voor Zijn liefde uitverkoren boven alle and

volkeren, vanwege dit verbond, "God, de enige God, de

trouwe God, die het verbond en de goedertierenheid

houdt" ... (Deut. 7 : 9).

Het verbond was een bloedverbond. "Toen nam Mozes

bloed en sprengde het op het volk en hij zeide: "Zie, he

bloed van het verbond, dat de Here met u sluit" .. . (Ex

24: 8). Zolang het verbondsvolk dit verbond met God

nauwgezet hield, waren er geen zieken, geen onvruchtba

74


vrouwen, geen misgeboorten, geen kindersterfte. Geen

vijand kon het volk overwinnen, in de oorlog vielen er geen

soldaten zolang zij het verbond niet schonden. Er was geen

lichamelijk gebrek, er was bescherming tegen vijanden en

wilde dieren.

God voerde het miljoenenvolk uit het huis der knechtschap,

Egypteland, uit, deelde voor hun voeten de zee in tweeën,

verlichtte door een vuurkolom de nacht en beschutte hen

voor de stekende woestijnzon door een wolkkolom. Hij

verzorgde het volk met water, vlees, brood en kleding. In

Kanaän zorgde God voor goede oogsten, vermeerdering der

kudden en verrijkte Hij hen door een rijke buit van

verslagen vijanden. Alles ontvingen zij omdat zij het door

bloed bezegeld verbondsvolk waren en zich aan dit verdrag

hielden.

God zegende Israël als het luisterde naar Hem, "Zie, Ik

houd u heden zegen en vloek voor; zegen, wanneer gij

luistert naar de geboden van de Here, uw God, . .. maar

vloek indien gij naar de geboden van den Here, uw God,

niet luistert en afwijkt van den weg dien Ik u heden gebied"

(Deut. 11 : 26-28). Indien het volk zich van het verbonds

Gods afkeerde, zou de vloek Gods haar treffen.

Dit verbond, dat een verbond der liefde was, zoals elk

verbond dat God met de mens sluit, werd eeri met

vervloeking bekrachtigd verdrag bij ongehoorzaamheid.

"Om toe te treden tot het verbond van den Here, uw God,

tot dit met een vervloeking bekrachtigd verdrag, dat de

Here, uw God, tot dit met een vervloeking bekrachtigd

verdrag bij ongehoorzaamheid. "Om toe te treden tot het

verbond van den Here, uw God, tot dit met een vervloeking

bekrachtigd verdrag, dat de Here, uw God, heden met u

sluit, opdat Hij heden als Zijn volk bevestigde en u tot een

God zij , zoals Hij u toegezegd heeft, en uw vaderen,

Abraham, Isaäk en Jakob, gezworen heeft" (Deut. 29: 12,

13). En het volgende vers, vers 14, spreekt weer over dit:

" met een vervloeking bekrachtigd verbond."

Bekeerde Israël zich weer van haar afdwalingen uit het

Woord Gods, en luisterde het weer "overeenkomstig alles

wat Ik u heden gebied, gij en uw kinderen, met geheel uw

hart en met geheel uw ziel - dan zal de Here, uw God, in

75


uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen" (Deu

30: 2, 3). "Gij zult den Here, uw God, dienen; dan zal H

uw brood en uw water zegenen en Ik zal ziekte uit uw

midden verwijderen. Geen vrouw in uw land zal een

misgeboorte hebben of onvruchtbaar zijn. Het getal uwe

dagen zal Ik vol maken" (Ex. 23 : 25, 26).

Het nieuwe verbond

Al deze zegeningen die God Zijn verbondsvolk schonk,

indien het Hem trouw bleef, zijn ook het deel voor alle

gelovigen die in het tweede verbond staan, "Het nieuwe

verbond in Mijn bloed" zegt Jezus; want het tweede

verbond, het nieuwe verbond is het vervolg en de

verbetering van het eerste verbond, omdat het op de

beloften van het eerste verbond rust. Voor wie op het

nieuwe verbond met God ingaan zijn zelfs grotere

zegeningen weggelegd dan bij het oude volk Israël.

Jezus nam in de paaszaal het brood, "sprak den zegen u

brak het en gaf het aan Zijn discipelen en zeide: Neemt,

dit is Mijn lichaam. En Hij nam een beker, sprak de

dankzegging uit en gaf hun dien en zeide: Drinkt allen

daaruit. Want dit is het bloed van MIJN VERBOND, d

voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden"

(Matth. 26: 26-28).

Jezus bracht Zijn jongeren uit het oude verbond in het

nieuwe verbond dat Hij met Zijn bloed had gesloten.

Johannes had geroepen: "Zie, het Lam Gods, dat de zon

der wereld wegneemt" (J oh. 1 : 29) en hij wees op het La

van het nieuwe verbond, dat een beter verbond is, verze

met beter bloed dan het verouderde verbond van een lam

uit een willekeurige kudde. Het lam dat geslacht werd o

het oude paasfeest had alleen het vermogen om voor Go

heilige ogen de zonden van het volk te bedekken, meer k

het niet doen. Maar hier was een beter Lam, want het n

de zonde der wereld WEG. Het lam van het joodse

paasfeest is symbool, type van het lam Gods, het lam va

een nieuw verbond, een nieuw bloedverbond. Het eerste

verbond werd opgeheven wanneer het nieuwe gesloten

werd. "Hij (Jezus, het offerlam) heeft gezegd: Zie, hier b

76


Ik om uw wil te doen. Hij heft het eerste op, om het tweede

te laten gelden" (Hebr. 10 : 9).

Toen Jezus het ouder verbond ophief voor het betere,

nieuwe verbond van Zijn bloed, was er een einde gekomen

aan de wetten, verordeningen, geboden en inzettingen, van

priesterdienst en offercultus. Het oude verbond werd door

de besnijdenis des vlezes bezegeld, het nieuwe verbond door

de wedergeboorte des Geestes. Het oude had een levitisch

priesterdom, het nieuwe had Jezus als de hogepriester en

wij, Zijn verbondsvolk, zijn een koninklijk priesterdom (I

Petr. 2 : 1-10). Het eerste verbond had een tempel, met een

heilige der heiligen waarin God woonde, het nieuwe zijn

onze lichamen, die als tempels Gods zijn ingewijd,

woonsteden van de Heiligen Geest. Geheel de schepping uit

het Woord staat achter het Woord, Jezus, en aldus ook

achter het nieuwe verbond van Zijn bloed. Toen Jezus Zijn

bloed stortte op Golgotha's kruis, verwierf Hij daarmee de

overwinning over de zonden en ziekten die de vorst der

duisternis over de wereld uitstortte, Hij betaalde de prijs en

kocht zondaren vrij . De overwinning over de duivel is een

feit, deze "Haman" werd de kop vermorzeld en over zijn

trawanten werd gezegevierd. Halleluja! De dienaars zijn

uitgegaan om aan de volkeren te vertellen, in Naam van de

Koning der Koningen, dat zij zich verdedigen mogen tegen

de vijand en de overwinning genomen kan worden. De

evangelieboden verkondigen het recht van verdediging tegen

de machten der duisternis, het zwaard des Geestes te

hanteren en de strijd in Jezus Naam te' voleindigen en te

overwmnen.

Dit is het wat gevierd wordt bij het avondmaal, het

"feestmaal der gedachtenis en der dankbaarheid". Geloofd

zij Jezus voor Zijn offer voor ons, dat ons de vrijheid

bracht.

77


AAN DE PUT VAN SICHAR

"Indien gij wist van de gave Gods en wie het is, die tot

zegt: Geef Mij te drinken, gij zoudt het Hem gevraagd

hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven.

Zij zeide tot Hem: Here, Gij hebt geen emmer en de put

diep; hoe komt Gij dan aan het levende water? Zijt Gij

soms meer dan onze vader Jacob, die ons den put gegev

en zelf er uit gedronken heeft met zijn zonen en zijn

kudden?

Jezus antwoordde en zeide tot haar: Een ieder die van d

water drinkt, zal weder dorst krijgen; maar wie gedronk

heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dors

krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal

geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat

springt ten eeuwigen leven.

De vrouw zeide tot Hem: Here, geef mij dit water, opda

geen dorst heb en niet hierheen behoef te gaan om te

putten." (Joh. 4: /0

Daar zat een eenzame man bij een bron en vroeg aan ee

onbekende vrouw om water. Het is Eliëzer, de bruid wer

die voor Abraham op reis is gegaan, zoekende een vrouw

voor Izak. Rebekka kwam, gaf hem en zijn kamelen te

drinken en door deze daad veranderde haar hele leven

(Gen. 24).

Een andere, eenzame man, Mozes, zat ook bij een bron.

Hij vond daar een onbekende vrouw, Zippora, de

priesterdochter van Midian, hij spreekt haar aan en haa

hele leven veranderde vanaf dat uur (Ex. 2).

Elia, eenzaam, vroeg aan een vrouw, de weduwe van

Zarfath, water te drinken en vanaf dat ogenblik brak er

wonderbaar nieuw leven voor haar aan (I Kon. 17).

Jezus zat bij de oude bron van Jacob, even buiten de sta

Sichar en Hij vroeg aan een onbekende vrouw Hem wat

te geven. Ook haar leven is vanaf dat ogenblik gans en a

78


79

veranderd (Joh. 4).

De vraag naar de ander om te drinken, is zo oud als de

wereld, men zoekt zijn tekorten bij de naaste aan te vullen,

de een zoekt bij de ander te vinden wat hem ontbreekt.

In het paradijsleven van overvloed, in de heerlijke

tegenwoordigheid van God, de Vriend der mensen, was

water voor een ieder in overvloed. Men dronk uit een

overvloed van God en de mensen bedelden nog niet bij

elkaar om een teug water. Alles was toen goed en

eenvoudig en de mens leefde van wat God bereid had.

Maar na de zondeval begon dit vragen aan elkaar en kreeg

de beker die wij elkaar reiken, een bittere bijsmaak. De

verarming van de wereld werd openbaar.

De Samaritaanse

Daarom was het een daad van vrijheid en hoge zedelijke

moed, dat Jezus de Samaritaanse aansprak, bij de bron. De

zaak lag helemaal niet eenvoudig meer. Er was een

controverse tussen Joden en Samaritanen. De laatsten

waren afstammelingen van de J oden, maar vermengden

zich tijdens de 70-jarige ballingschap met de heidense

inwoners van Babylon. Zij waren geen zuivere Joden meer,

maar werden beschouwd als bastaarden die geen deel

hadden aan de voorrechten en zegeningen van Gods volk.

Zij mochten daarom niet meebouwen aan de tempel van

Jeruzalem. "Want zij hebben uit hun dochters vrouwen

genomen voor zich en hun zonen, waardoor het heilige

zaad zich vermengd heeft met de volken der landen; ja, de

oversten en de leiders zijn in deze trouwbreuk voorgegaan"

(Ezra 9 : 2). " Toen de tegenstanders van juda en Benjamin

hoorden, dat zij die in ballingschap waren geweest, een

tempel voor den Here, den God van Israël, bouwden,

kwamen zij tot Zerubbabel en de familiehoofden en zeiden

tot hen: Laat ons met u bouwen, want wij zoeken uw God

evengoed als gij; Hem toch brengen ook wij offers sinds de

dagen van Esarhaddon, den koning van Assur, die ons

hierheen heeft doen optrekken. Maar Zerubbabel, Jesua en

de overige familiehoofden van Israël zeiden tot hen: Het


gaat niet aan, dat gij met ons een huis voor onzen God

bouwt, want wij alleen willen voor den Here, den God v

Israël, bouwen" (Ezra 4: 1-3).

Ten tijde van de profeten Hagaï, Nehemia, Ezra, Zachar

(Ezra 6: 14) bouwden de Samaritanen niet mede, zij

bouwden zich toen een eigen tempel op de berg Gerizim

De Joden verwoestten deze tempel, het werd niet weer

opgebouwd, er is nog slechts sprake van "de berg" Geriz

Tussen de Joden en Sameritanen bestond een grote, sch

onoverbrugbare kloof.

Het Woord dat ons aanspreekt

Jezus, de Jood, bouwde de brug naar de Samaritaanse,

Zijn woord. Hij, de man, opent het gesprek met een vro

die eenzaam, schuw, op dit vreemde uur van de dag, bij

bron komt. Jezus doorbreekt oude, heilige verboden doo

Zijn woord. Jezus, de Redder van zondaren, neemt het

initiatief en zoekt de mens uit zijn zondige staat op te

richten, door Zijn woord van genade.

In het paradijs, na de tragische val van de mens, nam G

het initiatief en riep hem, die uit het Woord gevallen wa

met Zijn Woord terug: "Adam, waar zijt gij?" En nu, w

roept Jezus met Zijn Woord de zondares terug. Jezus

spreekt de mens weer aan! Halleluja! Hij verbreekt het

afschuwelijk stilzwijgen dat tussen deze gesprek-partners

van weleer gevallen was. De vloek, het oordeel, de breuk

de ledigte, de stilte gaat Hij overbruggen, herstellen, vull

met Zijn Woord. Jezus zegt: "Ik, die met u spreek, ben

het!" (J oh. 4: 26).

Zij stonden nu weer tegenover elkander, Jezus en deze

Samaritaanse, Eertijds van één volk, van één God, zij

behoorden bij elkander. Maar de een was van de ander

weggedreven, de een was zich gaan mengen met de were

de zonde, daardoor viel de een van de ander weg. De ee

bad niet meer in Sion, maar had slechts een kale berg

overgehouden, de tempel was een ruïne, een herinnering

van wat eens was. Uit Sion weggedreven, uit de

tegenwoordigheid van God weggevallen. De val van de

mens is de val uit het Woord en de stilte kenmerkte het

80


8

verbróken verkeer tussen God en mens.

Toen kwam Jezus en begon de mens weer aan te spreken.

Halleluja! Hij paste het ene ontbrekende woord in deze

opengevallen stilte, zorgvuldig weer in. Het dialoog kan

tussen God en mens weer voortgang vinden. Nu kunnen de

rivieren weer in elkander doorstromen. Niet alleen deze

eenzame vrouw, maar allen worden bevrijd, die het Woord

horen, verstaan en aanvaarden.

Hardnekkige taboe's, scheidingen, wetten van mensen, doet

Jezus te niet. Hij doorbreekt elke distantie, schakelt

iedereen gelijk. Hij ziet nimmer néér, drukt de een niet van

de ander weg. Neen, Hij heft op, zegent, rehabiliteert. "In

Hem is geen sprake van Jood of Griek" (of Samaritaan) -

Jezus heft nationale grenzen op: "van slaaf of vrije" - Jezus

heft sociale grenzen op -; "van mannelijk en vrouwelijk" -

Jezus heft sexuele grenzen op - ; "gij allen zijt immers één

in Christus" (Gal. 3: 28). Zijn liefde wist alle scheidingen,

die wij zo graag accentueren, weg, omdat deze liefde de

éénheid van het Lichaam zoekt. Daar zijn geen grenzen aan

Jezus . . . liefde!"

Het verzet om dit Woord

Wanneer Jezus het Woord van genade wil neerleggen in het

hart van de vrouw, komt zij in opstand. Als Jezus, in Zijn

grote zondaarsliefde, over alles wat gepasseerd is tussen

God en de mens wil heenzien en de vrouw weer aanspreekt,

vlucht zij in een houding van tegenstand en zegt, notabene,

dat dit geen pas geeft, dat Hij iets ongehoords doet. Zij viel

dit ongehoorde Woord aan omdat zij het niet eerder had

gehoord. In plaats dat zij om deze plotselinge genade van

na zovele jaren weer te worden aangesproken, zich

schreiend van dankbaarheid aan Jezus voeten werpt, stelt

zij de situatie van haar uit op scherp en vlucht in een

houding van gekrenkt fatsoen, overigens een slecht

gespeelde en doorzichtige rol.

Waar Jezus de band van liefde met ons zoekt te slaan,

wanneer Hij de breuk helen wil tussen God en mens, gaan

wij Hem vaak, in een vreemd verweer; op het absurde

daarvan wijzen. "Hoe kunt Gij, als Jood, van mij , een


Samaritaanse vrouw, te drinken vragen?" (Joh. 4: 9). "H

kunt Gij, als Zoon van God, van mij, arme zondaar,

belangstelling vragen voor mijn schuld? Hoe kunt Gij op

aarde komen, om met Uw bloed mijn zonden weg te

wassen? Hoe kunt Gij, Heiland verwachten dat ik mijn

hand naar U uitstrek en Uw genadeboodschap accepteer

Mag ik er U op wijzen dat wij, U en ik, elkaar verloren

hebben, dat alle verbindingen destijds verbroken werden?

Weet U wel, dat ik als zondaar het voorrecht verloren he

om door U te worden aangesproken in de onbevangen ta

van het paradijs? Er ligt een onmogelijkheid tussen U en

mij, hoe komt U er toe om dit op te willen heffen en we

naar mij om te zien? U bent dáár, in heilige

toegankelijkheid, en ik hier, omlaag, veracht,

buitengeworpen, verloren. Ik wens U te wijzen op het

ongehoorde en onverdiende van deze daad, Heiland. Ste

U voor, een Jood en ik een Samaritaanse, U een Heiland

en ik een zondares!"

Geef mij te drinken!

En dan die vraag: geef mij te drinken. Terwijl Hijzelf de

Bron is, wil Hij van mij, in dit land van de dorst, dat ik

Hèm te drinken zal geven? Wat heb ik te bieden aan Hèm

"Heer, indien iemand te vragen heeft, ben ik het en indie

iemand iets, alles, te geven heeft, bent U het. Zullen wij

rollen niet omdraaien?"

Jezus zegt: Geef gij hen te eten! Wat is er in mij, dat ik a

voedsel kan geven aan mijn naaste? Jezus zegt: Ik ben he

brood des levens! Moet ik U dan aan de wereld geven,

moet ik U breken en uitdelen aan de hongerigen? Moet i

Jezus, als Water des levens, als Wijn, uitschenken, aan h

die dorsten naar de gerechtigheid? Moet ik U anderen te

drinken voorzetten? Verlangt U, de Bron, van mij, dorsti

om drinken?

Indien gij wist Wie het is, Die tot u spreekt

Als Jezus komt tot de zondaar, Hij de gave Gods, blijft

afweer. Cynisch is de vrouw, sceptisch, vol bezwaren. Zij

82


8

als de meesten van ons, vol praktisch materialisme. "Gij

hebt geen emmer en de put is diep" (Joh. 4: 11). Zij

verschuilt zich achter tradities en overleveringen,

vastgeklonken als zij is aan het verleden. Zij duwt de

genade terug, die haar zoekt te vinden en haar leven vol

ongeloof, armoede, wil vernieuwen. Wij komen niet los van

ons formalisme, zo zijn wij allen, inclusief ons hele

christendom. Wanneer Jezus met wonderen komt, komen

wij met bezwaren en dragen onze tradities aan. Men moet

niet aan onze kerk komen, men moet niet iets brengen wat

de dierbare kerk onzer vaderen aantast. Niet iets

bovennatuurlijks alstublieft, wij houden ons als ordentelijke

christenen maar liever aan de beproefde weg der middelen.

Zonder emmer geen water! De put is diep. Buiten ons

emmertje, buiten onze sluitend gemaakte theologie, geen

opwekking! Als de Heer wat wil doen, dan moet het via de

oude, gevestigde manier. Van dat bovennatuurlijke,

wonderbare, zijn wij nuchtere, door en door praktische en

realistische christenen, allerminst gediend.

Al deze wonderbare genezingen van de laatste tijd, die wij

met ons verstand niet kunnen omgrijpen, de mirakuleuze

kracht Gods, die ongewoon en oncontroleerbaar de dingen

tot stand brengt, daarmee zijn wij op zijn zachtst

uitgedrukt, héél, héél voorzichtig! God moet Zijn extra's

maar geven aan de sekten, wij putten niet buiten onze eigen

middelen, onze specialisten, onze organisatie, om. Reeds

duizenden jaren, sedert "onze vader Jacob", putten wij uit

deze bron. De dorst van zeer velen werd zo gelest. Wij

blijven de oude veilige weg maar kiezen en keren ons,

sekuur als wij zijn, van het bijzondere, het mirakel Gods,

af.

Zijt Gij soms meer dan onze vader Jacob?

"Jezus, pretendeert u meer te zijn dan onze vader Jacob"!

Wij houden het bij Jacob, die wij kennen, waaruit wij

middels onze traditionele emmertjes drinken. Ik ben diep

onder de indruk van U w almacht, Heer, maar in

werkelijkheid, in ons leven van allen dag, het leven zoals

het reilt en zeilt, doodgewoon, nuchter, materialistisch, is


Uw woord onuitvoerbaar. Wij rekenen met menselijke

maatstaven en houden niet van dit wonderbare ingrijpen

van U. Deze put van Jacob is diep, en oud, maar wij zij

tenminste - zonder risico, - zeker van het water dat wij

uit opdiepen. Maar Uw ideeën, deze nieuwlichterij, deze

wonderen en tekenen, dit gedoopt zijn met de Heilige

Geest, dit spreken in tongen, deze genezingen buiten onz

specialisten en hospitalen om, Heer, dat kunnen wij zon

meer niet aanvaarden. Dit leven zonder emmer, dit leven

uit naakt geloof, neen, Heer, wij kunnen u zo niet volgen

U zegt mij, Uw Woord restloos te vertrouwen en U zegt

dat ik U aan Uw beloften, die: ja en amen, zijn, houden

mag! U zegt mij Uw uitspraken te geloven met heel mijn

hart! Maar, Heer, wij moeten ons verstand toch ook

gebruiken en nuchter de weg der middelen bewandelen.

U zegt dat ik mijn totale redding en vernieuwing van U

mag verwachten, maar Heer, het gaat zo gemakkelijk nie

U verzekert in Uw Woord dat ik vervuld mag zijn met U

Geest, maar dat is heus niet zo eenvoudig als U het zegt!

zegt in Uw Woord: "Ik, de Heer, ben uw Heelmeester" (

15: 26), maar dat was toch voor die bijzondere situatie v

Uw volk destijds, dat weerloos door de woestijn trok!

Thans hebben wij een zo uitstekend medisch apparaat en

medicijnen en - eventueel - magnetiseurs! Bij die primiti

toestanden in de woestijn heeft de God van Israël zich

garant gesteld voor hun fysiek welzijn. Maar thans hebb

wij het allernieuwste en allerbeste op medisch gebied zelf

geheel in handen genomen. 0, wij wensen wel Uw hulp,

Heer, maar U moogt àchter de dokter staan en hem

bijstaan in zijn behandeling en dit zegenen! Neen, Heer,

wijzen dit volkomen compromisloos vertrouwen op Uw

Woord van de hand, wij blijven in onze emmertjes gelov

Waar is Uw emmer, Heer?

David werd de beste, soliedste wapenrusting van geheel

Israël - notabene van koning Saul - aangedaan, maar ko

eerst strijden toen hij vrij daarvan, als Gods strijder,

aangedaan was met het geloof in zijn God, geloof in Zijn

84


8

machtige bescherming. Ogenschijnlijk liep hij naakt, zonder

de middelen die wij hem zouden hebben geadviseerd, op

deze reus van staal en geweld toe, maar dat was niet waar,

hij was wel degelijk toegerust, gepantserd, met Gods

wapenrusting, hij geloofde zijn God.

,,0, Heer, de nood is te groot, wij kunnen dit

geloofsavontuur niet riskeren. U zegt het wel en wij geloven

U wel op Uw Woord, maar sorry, Heer, wij blijven tàch

maar liever putten uit "onze vader Jacob"!

Wij kijken naar deze put en begrijpen Jezus niet. Wil Hij

nieuwe bronnen slaan náást de onze, wil Hij daar betere

resultaten mee bereiken?

Maar Jezus geeft het levende water niet uit deze put. Hij

zegt: Kijk niet naar beneden, kijk niet achterom, zie op

Mij, want Ik schenk u het water des levens van boven. Ik

ben de Gever, Ik sta achter dit geven. "Indien gij weet Wie

het is, die tot u spreekt!"

Wat biedt Uw bron, 0 Heer?

Wij drinken uit allerlei putten, uit Jacob, Calvijn, Kuyper,

Luther, Wesley, Darbi, Booth, onze kerk. Jezus zegt: U

drinkt daar uw dorst niet aan af, de dorst blijft! Zekerheid,

verlossing, vrede, geven deze bronnen niet. "Een ieder, die

van dit water drinkt, zal weder dorst krijgen; maar wie

gedronken heeft van het water, dat Ik hem geven zal, zal

geen dorst krijgen in eeuwigheid" (Joh. 4: 13,14).

Zie af van uw bron! Wordt geen gewoontedrinker, uit

traditie! Wandel de platgetreden paden der vaderen niet af,

maar kom van deze binding los en buig u over Jezus! Aan

Hem drinkt u uw dorst definitief af. Drink niet uit de

geesten der mensen, drink de Heilige Geest, dit levende

water dat slechts Jezus biedt en bieden kan. Drink niet uit

oud-testamentische bronnen, uit het oude Verbond van de

wet, van het vlees, maar drink uit Jezus, de Bron van Geest

en van Leven. " Tenzij iemand geboren wordt uit water en

Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan" (Joh.

3 : 5). Als hij niet weet van dit: "anothen", dit van boven


geboren worden, zal hij er geen deel aan hebben. Als hij

deze Bron afwijst, zal zij dorst naar vrede en blijdschap,

blijven.

0, wij hebben wel gezien, als wij eerlijk zijn, dat dit

drinken aan onze Jacobsbron de dorst niet stilt, het kom

terug, het komt altijd weer terug, het móet terugkomen,

kan niet nalaten terug te komen. Wij zijn naar waarheid

moe en intens teleurgesteld in onze wereld, in onze

godsdienstige wereld. Wij schrijven over "doorbraak" in

onze kerkbladen, maar van een werkelijke doorbraak ko

niets, omdat wij deze doorbraak forceren willen, terwijl

een doorbraak van de Heilige Geest is. Wij lijden, althan

de besten onder ons, onder deze afschuwelijke

ontoereikendheid, deze geringe daad-kracht, deze strijd v

geesten in plaats van de triomf van de Geest van God, in

kerk en huis en hart. Zien wij aan iets wezenlijks voorbij

Gods heil? Missen wij iets elementairs in ons godsdiensti

leven? Kan het anders, beter, heerlijker, 0 Heer?

Jezus lest onze dorst

"En op den laatsten dag, den groten dag van het feest,

stond Jezus en riep, zeggende: Indien iemand dorst heeft

hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft, gelijk de

Schrift zegt, stromen van levens water zullen uit zijn

binnenste vloeien. Dit zeide Hij van de Geest, welke zij,

tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden" (Joh. 7:

39).

Jezus belooft het water van Zijn Geest slechts aan

dorstigen. Als wij deze uitnodiging horen, om eenvoudig

komen en te drinken, als wij slechts gehoorzamen aan w

de Schrift zegt, - niet wat onze inzettingen, overlevering

en inzichten er van hebben gemaakt - , kunnen wij er van

op aan dat Jezus inderdaad Zijn Geest geven zal. Wij

denken, dat deze wonderbare vervulling met de Geest he

eindstation is van een lange weg van heiligmaking, een p

voor een God gewijd leven. Wij hebben deze Geestesdoo

zo op een mystiek en onbereikbaar hoog vlak gesteld, da

slechts weinigen in de wereld het kunnen vinden. Dat

86


8

moesten wij wel doen om een alibi te hebben voor onze

eigen machteloosheid. Maar Jezus staat daar en roept! Hij

belooft dat Hij geeft wat Hij belooft! Zijn beloften zijn

allen: ja en amen. Hij is de Waarheid. In Hem is geen

zweem van ommekeer. Hij is Dezelfde, nu. Hij zegt: Kom

tot Mij, drink bij Mij! Dat is waarheid en wij zullen ook

zeker drinken, daar is geen twijfel mogelijk. Zijn ja is ja!

Halleluja!

Als Hij zegt: Kom tot Mij!, dan wijst Hij alle andere

bronnen, hoe dierbaar ook, af. Hij belooft stromen,

fonteinen van levend water. Jezus zegt: doe weg dat kleine

emmertje van u, hier is een overvloed, zo heerlijk en vol,

voor u. Ik diep dit niet uit uw put, van beneden, maar u

ontvangt het van boven, van Mij uit. Ik schenk het nieJ van

buiten, als elke zaak van de wereld van buiten uit

ingeschonken wordt naar binnen, maar Ik breng deze bron

in uw binnenste tot uitstroming naar buiten. "Stromen van

levend water zullen UIT UW BINNENSTE vloeien" (Joh.

7 : 38). Gods Geest zal u wonderbaar vullen en waar het

hart vol van is, stroomt de mond van over. Er zullen

woorden stromen van uw lippen, die onbekend en

ongeleerd zijn, een nieuwe "tong" zal het bijzondere teken

zIJn.

Ik kom met overvloed, Ik kan niet anders dan komen met

overvloed. Bij Mijn oceaan is de beperktheid van een

emmertje alleen belachelijk, Mijn overstroming overspoelt

al uw beperkingen. Mijn mateloosheid veegt uw matigheid

weg. De vervulling met Mijn Geest maakt een eind aan alle

kleine en bekrompen dingen van het hart.

Wij zeggen, godsdienstiger als wij zijn dan Jezus: Het gaat

zó maar niet, deze pinksterervaring is slechts voor enkele

uitverkorenen, waar blijven wij als wij er gemeengoed van

maken? Men moet eerst dit en dat beleefd hebben, eerst zus

en zo met de Heer gegaan! Maar Jezus zegt Indien uw

dorst gewekt is, dan zal het drinken slechts afhangen van

uw komen. Indien u bijbels gelooft, bijbels komt, met

ledige handen, dorstige harten. Jezus moet men nemen op

Zijn Woord: Kom en drink! Hak resoluut het


ondoordringbaar struikgewas, dat uw eigen opvattingen

rond deze bron heeft doen groeien, om, buig u over de

bron heen en drink!

In een van de laatste teksten uit de bijbel staat: "En de

Geest en de bruid zeggen: kom! En wie het hoort, zegge:

kom! En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het wat

des levens om niet!" (Openb. 22: 17).

Komen en drinken

De grote dingen uit de bijbel zijn slechts te aanvaarden i

geloof. Geloof op Gods Woord. Redding, verzoening, is

slechts te verkrijgen door te komen tot Jezus, de Heiland

en uw hand te leggen op Zijn belofte, dat allen die gelov

dat Jezus Zijn bloed gaf voor de verzoening van zonden

kinderen Gods zijn. Als wij slechts komen met een

berouwvol hart, vinden wij vergeving en rust. Komt allen

tot Mij en Ik zal u rust geven! Het gaat om dit komen, d

werkelijk gelovig afkomen op dit heil in Jezus, dit met uw

hart aanvaarden wat Hij bereid heeft voor u.

Vervulling met de Heilige Geest kunnen wij, eveneens va

Jezus, de Doper met de Heilige Geest, ontvangen, indien

wij de Schrift geloven en komen op Zijn roep naar de br

van levend water. Evenals bij de verzoening wordt dit nie

gegeven op iets van ons, maar op alles van Hem. Lees uw

Bijbel en zeg: Heiland, met minder dan deze volheid kan

in deze demonische wereld, in deze uiterst bewogen

eindtijd, in deze "laatste dag", niet staande blijven en gee

zielen winnen voor Uw Koninkrijk! Geef mij dit maximu

ik leefde tot dusver uit een geestelijk minimum! Geef mij

van dit water te drinken uit Uw fonteinen, uit Uw bronne

opdat anderen eveneens levenstromen zullen drinken uit

mij!

De genezing van ons lichaam nemen wij in geloof ook va

de Heer. Dit wonder is Schriftuurlijk. Het haakt niet aan

aan onze vroomheid of braafheid, doch op het eenvoudig

nemen van Gods belofte, het geloven van Zijn woord, da

zegt: "Ik de Here, ben uw Heelmeester" (Ex. 15: 26). Nie

redeneren verder, niet theoretiseren of theologiseren, neen

némen, némen in geloof; ja! zeggen. Slechts zeggen: dank

88


8

Jezus! Dank u, Jezus, voor dit heilsfeit, dat U "ONZE

(mijn) krankheden op U genomen hebt" (Jes. 53: 4). "Door

Uw striemen is ONS (is mij) genezing geworden" (Jes.

53: 5). "Door Zijn striemen zijt GIJ genezen" (1 Petr.

2: 24). Genezing is: ja! zeggen tot dit Woord, tot dit voor

ons verworven heil. Het is dankbaar aanvaarden wat het

Bloed van Jezus voor ons bereid heeft, met "al wat in mij

is" stáán op deze genade. En dit aanvaarden zal de

krankheden verjagen, afstoten uit ons vlees. Het Bloed der

verzoening heeft ook het terrein van ons vlees overstroomd.

Halleluja. Het Woord is afgedaald in ons zondige, zieke

vlees en heeft dit genezen. "Zie, Ik maak alle dingen

nieuw!"

Alle beloften, alle zegeningen des Heren kunnen wij slechts

deelachtig worden door af te zien van onze activiteiten, ons

enthousiasme, onze religiositeit, onze emmertjes, maar

slechts door op te zien tot Jezus alleen. Die een volkomen

verzoening heeft bereid voor de wereld, op het kruis van

Golgotha. Het geheim ligt in het geloven en nemen van het

volkomen heil dat Zijn liefde voor ons bereid heeft.

Here, geef mij dit water!

De Samaritaanse ziet ineens haar armoede, haar

gebondenheid. Zij is ontdekt aan haar beperktheid. Zij

roept het uit: "Here, geef mij DIT water, ("Here, geef ons

altijd DIT brood", Joh. 6: 34), opdat ik geen dorst heb en

niet hierheen (en daarheen, bij Jacob, bij deze of gene)

behoef te gaan om te putten" (Joh. 4: 15)! Heer, ik heb het

verschil plotseling ontdekt, voortaan wens ik te drinken uit

deze Bron des levens, uit U!

Kunt u dit ook zeggen, lezer: Here, geef mij DIT water?

Geef mij de Heilige Geest? Ik dank en prijs u daarvoor. Nu

ik van dit "meerdere" hoor dat de dorst niet slechts lest

doch wègneemt, keer ik mij van mijn Jacobs put af en ga

deze nieuwe weg! Ik wil niet van de bedéling leven, maar in

en uitgaan in vaders Huis, als Gods kind, putten uit Zijn

overvloed. Nu mijn ogen gezalfd zijn met de wonderbare


ogen zalf van Openb. 3 zie ik deze dingen ineens scherp.

nu ik ze gezien heb door de werking en het licht van de

Heilige Geest, ben ik dezelfde niet meer, kan ik niet mee

terug en wens dat ook niet, nu ga ik in dit spoor ook

verder. Begrijpen doe ik niet; geloven doe ik alles.

Halleluja! Dank u, Heer!

Roep uw man!

Jezus wil het water des levens aan de Samaritaanse geve

en ook aan haar huis. Er is genoeg voor meerderen,

ALLEN. Hij zegt: Ga heen roep uw man! Leg uw leven

Mij neer, met alles er in, er aan. Volledig. Ik kom met

volheid, volkomen heil, komt gij ook volledig. Roep uw

man! Haal uw vrouw! Kaïn, waar is uw broeder? De

verloren zoon mag komen! Ook die andere verloren zoo

de oudste! Allen! Roep ze, zegt Jezus! Roep ze uit de

heggen en steggen. Adam, waar zijt gij? Kom uit uw

struikgewas, zondaar, kom!

De Samaritaanse antwoordt: Ik heb geen man. Ik heb

niet. Dit is het juist, hier ligt mijn nood. Dit is de wond

van mijn leven. Dit is mijn probleem. Ik heb niet wat

anderen hebben. Al lijkt het meer, het is minder. Zij

hebben, ik niet. Daarom ook kom ik op dit ongebruikeli

uur naar de put, ik kan de andere vrouwen niet ontmoet

ik ben getekend en nagewezen om dat meer dat minder

betekent, niets. Zij veroordelen mij, vreemdeling! Ik heb

niet. Ik ben arm hierin, eenzaam!

Jezus antwoordt haar: "Terecht zegt gij: ik heb geen man

want gij hebt vijf mannen gehad en dien gij nu hebt, is u

man niet" (Joh. 4: 18). Jezus wist het reeds (zie ook Joh.

5: 6). Hij kende deze nood. Hij zag het door de gave van

het woord van kennis, een der openbaringsgaven van de

Heilige Geest, precies wat dubieus was aan deze vrouw.

Dit is de nood der wereld

Dit is de nood der wereld; vijf mannen gehad en wat zij

heeft, is het niet. Alles gehad en toch armer dan ooit. To

de gemeente van Laodicea wordt door Johannes op

90


9

Patrnos, een geïnspireerde brief geschreven. Er komt deze

zin in voor: "Gij zegt: Ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en

heb aan niets gebrek, en gij weet niet, dat gij zijt de

ellendige en jammerlijke en arme en blinde en naakte ... "

(Openb. 3: 17).

Europa, gij hebt geen besef hoe arm gij zijt, vandaag! Rijk

en verrijkt, alles is hier geconcentreerd, op cultureel,

economisch, technisch, financieel, politiek, godsdienstig

gebied, een continent vol opgetaste rijkdommen en

mogelijkheden. Maar de roep van de Macedonische man,

komt ook nu tot ons over: Kom over en help ons! Sticht

geen nieuwe kerken, want wij hebben reeds de mooiste en

grootste en modernste; maar kom over en help ons waarlijk

ons hart genezen. Wij zoeken hulp dat slechts in Jezus te

vinden is. Kom over, maar niet met geld, materialen, Natohulp,

filosofieën, boekenwijsheid, humanisme, dit alles

hebben wij meer dan genoeg. Vijf mannen hebben wij

gehad. Alles is beleefd, de traditie van het avondland is

groot. Wij roepen hulp voor onze ziel, die in de

betonmolen van het moderne leven aan gruis is gekraakt.

Wij roepen om mannen vol des Heiligen Geestes en van

kracht! Wij roepen vanuit ons naam-christendom naar Jezus

Wij roepen vanuit ons kerkisme, naar Jezus! Wij roepen

vanuit ons religieus heidendom, naar Jezus, de Zoon van

God! Vanuit onze onrust, roepen wij om rust in Jezus;

vanuit onze onvrede om vrede bij Hem; vanuit onze

stomme afgoden naar Jezus, het Woord.

Wij met onze vijf mannen lijken rijk en verrijkt, maar zijn

dit in waarheid niet, wij zijn ontluisterd, veracht,

nagewezen, arm, gebroken, vluchtende voor onze eigen

schaduw, blind en naakt; de man die wij nu hebben is de

onze niet. Onrein zijn wij, van hoofdschedel tot voetzool

leproos, voortgejaagd, overspannen.

Wij zouden met 2000 jaar christendom achter ons, de ganse

wereld aan Jezus' voeten hebben kunnen leggen, maar wij

hebben onze tijd misbruikt door te strijden tegen elkaar,

broeder tegen broeder, voorganger tegen voorganger, wij

hebben het lichaam van Christus gebroken en verkaveld tot

een heilloos aantal kerken, kerkjes en kringetjes. Wij


hebben altijd en overal gelijk en de ander, a priori,

ongelijk. Het gaat voort, deze strijd, alle dagen, in

conferenties, discussie-weekends, debatings-clubs en

praatavondjes, in polemieken over en weer, de partijpolitiek

scheurt ons uiteen. Wij zijn zo volhandig en dru

met het zoeken van fouten aan elkander en het luid

rontrompetteren van ons gelijk, dat het wel duidelijk is d

de man die wij nu menen te hebben, toch weer niet de on

blijkt te zijn. Wij hebben niets. Het kerkbezoek gaat

achteruit. Wij zijn ontrouw geworden aan de Heer en Zi

Woord en stellen ons tevreden met de figuur van een

namaak-bruidsgemeente. Maar wij leven in overspel en

zondigen tegen het verbod: andere goden voor Gods

aangezicht te hebben. Wat een vergelijking, liberalisme,

vrijzinnigheid en oppervlakkigheid! Op vele kansels word

het Bloed van Jezus als sectarisch en uit-de-tijd gekritisee

de doop des Geestes als niet meer noodzakelijk; de gaven

des Geestes door het moderne denken onnodig geworden

de gebedsgenezing niet meer voor deze tijd; demonenuitdrijving

een middeleeuws bedrijf dat wij thans hebben

vervangen door een wijze, moderne psychiatrie; de

wederkomst van Jezus een toekomstdroom van een

handvol maranatha-mensen. De man die wij nu hebben,

onze man niet.

Wat zijn wij weggedreven van de gemeente die Jezus Zic

voor ogen heeft gesteld, van de gemeente zoals zij

aanvankelijk ook was. Welk een pinksterkracht, welk een

machtig dynamisch christendom werd daar aan de wereld

gemanifesteerd. Wat is daar weinig van over. Inplaats va

de volkomen leiding van de Heilige Geest, is zoveel

menselijke wijsheid en organiseren gekomen. Helaas. Wij

kunnen het nu zelf wel. En wij blussen de Geest uit.

Evangelisatie

Jezus wees haar op de situatie van haar leven, hij stoot m

Zijn woord door tot in de kern van haar nood en deed h

aan zichzelf ontdekken. En na allerlei schermutselingen,

afleidings-manoeuvres van haar verstand, gelooft zij de

92


9

vreemdeling. Na het dogmatisch rookgordijn der

camouflage, aanvaardt zij Jezus. Na de afwerende vragen

gesteld te hebben, die een mens altijd stelt als hij tegenover

God komt te staan, spreekt zij het antwoord. Zij liet haar

kruik staan en ging naar de stad. Zij die voor zichzelf en

haar man te drinken zocht, kwam aan putten niet toe, nu

haar zoo'n heerlijk, royaal aanbod werd gedaan, zij had

uitzicht op ander water.

In de woestijnen van het verre Oosten bestaat onder de

bedoeïnenstammen een misdaad, die zwaarder wordt

gerekend en gestraft dan moord of roof. Dat is deze

misdaad: een bron te weten en dit niet aan anderen te

vertellen! In het land van de dorst, waar enkele druppels

water leven kunnen betekenen, wordt het geheimhouden,

het voor zichzelf houden van een gevonden bron, met de

dood gestraft.

De Samaritaanse heeft deze misdaad niet gepleegd, zij

haastte zich naar de stad en vertelde overal van deze nieuwgevonden

bron: Jezus. Deze tijding bracht de stad in

beweging, haar blij getuigenis bracht een opwekking teweeg

in Sichar. Zij werd onverwacht een evangeliste. Stil was zij

weggeslopen uit het hete, dommelende middagdorp, maar

juichend kwam zij terug, getuigend! Dit is de kettingreactie

van evangelisatie. Gered om te redden! Zorg dat ieder het

weet! Ga uit en predikt het evangelie!

De stad vergat plotseling wie de vrouw was: een zere plek

in hun gemeenschap. De mensen keken niet meer naar de

onwaardige boodschapster, nu deze Boodschap tot hen

kwam. Zij vergaten, vergaven de vrouwen kwamen op haar

woord af. De kandelaar werd om het Licht dat het droeg,

niet meer gezien. Zij wees op een nieuwe Bron met levend

water, zij wees op Jezus, die een uitweg wees uit haar nood.

Op dit getuigenis kwam de stad in beweging. De mensen

gingen zèlf zien, zèlf horen. Zij zochten Jezus op bij de

bron en zij namen Hem mee naar hun stad, waar Hij twee

dagen tussen hen vertoefde. "En nog veel meer werden er

gelovig om Zijn Woord" (J oh. 4: 41). Haar woorden wezen

naar Zijn woorden en deze geloofden zij. "Wij geloven niet

meer om wat gij zegt, want wij zèlf hebben Hem gehoord


en weten dat deze waarlijk de Heiland DER WERELD

(Joh. 4 : 42). De kwestie van Jood contra Samaritaan, Si

of de berg Gerizim, wordt niet meer aan de orde gesteld;

men herkende Jezus als de Heiland der GEHELE

WERELD! Als men Jezus vindt in Zijn volle heerlijkhei

smelten al deze urgente theologische problemen

automatisch weg, dan blijft alleen dit: Mijn Heer en mijn

God! "Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen

door het Woord van Christus" (Rom. 10: 17).

Jezus nodigt ons uit te drinken uit Hem en Hem alleen.

Wie Jezus zoekt en iets anders naast Hem, vindt Hem ni

Wie Jezus alléén zoekt, vindt alle dingen in Hem! Hij is

Bron van levend water, de Doper met Geest en vuur!

94


95

HET BROOD DES LEVENS

"Ik ben het brood des levens. Uw vaderen hebben in de

woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven; dit is het

brood, dat uit den hemel nederdaalt, opdat wie er van eet,

niet sterve.

Ik ben het levende brood, dat uit den hemel neergedaald is.

Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid

leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor

het leven der wereld." (Joh. 6:48-51)

Jezus is het brood dat leven in zich heeft en dat leven

uitgeeft aan anderen. Hij spreekt over het dagelijkse brood,

"Geef ons heden ons dagelijks brood", dat het lichaam

tijdelijk voedt; maar hier spreekt Hij over ander brood,

eeuwig brood, dat wij in Hem vinden kunnen en eten,

brood dat geen honger stilt maar honger wegneemt.

In Joh. 4 spreekt Jezus tot de Samaritaanse over het water

dat voor immer de dorst stilt. "Een ieder, die van dit water

(Jacobsbron) drinkt, zal weder dorst krijgen; maar wie

gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal

geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik

hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van

water, dat springt ten eeuwigen leven" (Joh. 4: 13 + 14).

Hier, in Joh. 6, zegt Jezus hetzelfde over brood: "Indien

iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven" (vers

51 ).

Jezus geeft niet zoals mensen geven, Jezus helpt niet zoals

mensen helpen, even, incidenteel, alleen de buitenkant

rakend van de nood, maar Jezus helpt in de diepte, Zijn

hulp geeft iets van Zijn Persoon, van Zijn volkomenheid.

Zijn hand brengt in Zijn helpen alle gebieden in beweging,

ook de gebieden waarin deze nood niet direct ligt. Hij doet

meer dan een bepaalde nood oplossen, andere problemen

worden mede opgelost, andere dingen raken bij Zijn komst

ook los en vinden mede een antwoord. De Heer overziet


heel het vlak van het verdriet der mensen en helpt brede

vooral dieper. Als Hij belooft onze honger te stillen, dan

doet Hij meer, Hij raakt de wortel van de honger aan. H

bevredigt de honger niet alleen, maar neemt de honger w

Zijn hulp strekt wijder

Jezus vergeeft niet alleen de zonden, maar wil ons bevrij

van de macht der zonde, de demonische dwang om te

moèten zondigen. Hij doet dit door Zijn Bloed te stellen

tussen mij en de zonde macht, Hij maakt mij zó van de

zonde los. De politiek van de duivel is geheel gericht om

mij aan de zonde vast te ketenen, hij wil mij doen gelove

dat ik een slaaf blijf, altijd. Maar Jezus kwam om mij lo

te maken, vrij van de macht der duisternis en mij uit de

gevangenis van de duivel te bevrijden. De Bijbel zegt: "H

HEEFT mij VERLOST van de MACHT DER

DUISTERNIS en OVERGEBRACHT in het Koninkrijk

van den Zoon Zijner liefde, in wien wij de VERLOSSIN

HEBBEN" (Col. I : 13) Halleluja!

Jezus helpt op ons gebed niet alleen van een aanval

vrees,_ maar Hij bevrijdt mij geheel van deze macht van

vrees en angst, Hij breekt deze macht.

Jezus helpt ons niet alleen als wij een moeilijkheid hebbe

met onze huwelijkspartner, maar, als wij Hem geheel

vrijheid van handelen geven, maakt Hij volkomen ons

huwelijk nieuw, gezond en sterk. Hij ziet niet alleen een

persoonlijk, incidenteel geval, maar Hij komt alles er om

heen genezen. Prijs de Heer!

Jezus komt niet slechts bevrijden van een pijnlijke aanva

van ziekte, maar Hij spreekt met Zijn machtwoord het

gehele organisme van het lichaam aan, hij bouwt het op,

verkwikt het, versterkt het en geeft het betere kansen, ja.

Hij immuniceert het tegen verdere aanvallen van

ziekte machten, dat hebben vele kinderen Gods ervaren.

Jezus doet geen half werk, Hij brengt een

onvergankelijkheidselement in Zijn hulp, Hij tilt ons uit

toestand van verderfelijkheid uit, uit de heerschappij van

stof uit, dus uit het machtsgebied van de koning dezer

96


97

wereld, de duivel, uit, onder de ban der zonde, dus de

dood, uit, en ontsluit voor ons een deur voor een hoger

leven, een openbaring van Zijn Koninkrijk dat niet van

deze wereld is. 0 dit is een geheimenis! De Schepper

benadert niet slechts één afzonderlijk aspect van ons fysieke

of psychische leven, maar raakt ons geheel aan met Zijn

scheppende hand. Halleluja! "Zie, Ik maak ALLE dingen

NIEUW!"

Alle dingen nieuw!

Vele mensen zien in Jezus niet meer dan een Restaurateur

die kleine correcties aanbrengt, niet de Levensvernieuwer,

die komt met scheppende kracht. Zij zien Jezus als de

Helper die dagelijks zonden moet komen vergeven, nood

leningen, pijn wegnemen, tranen drogen, troost bieden. Hij

moet maar weer komen en even helpen! Maar zo is het

niet! De moeder staat dagelijks gereed om het kind te

helpen als het er om vraagt, maar de moeder doet meer, zij

voedt het kind op tot zelfstandigheid, tot leven uit het

bewustzijn van eigen mogelijkheden. Aanvankelijk zal zij

altijd gereed staan om de baby te verschonen, natuurlijk,

maar als het wat groter ~ordt zal zij het leren zindelijk te

worden, zichzelf niet te bevuilen, maar zichzelf rein te

bewaren. Zij leert het kind de vreugde te kennen van

schoon en zindelijk te zijn. Het ouder wordende kind houdt

zijn lichaam schoon, niet meer omdat moeder dit wil, maar

omdat zij dit zelf wil en er vreugde in vindt.

De Heer wil ons graag altijd helpen wanneer wij als baby's

in Christus Zijn hulp nodig hebben, natuurlijk. Maar Hij

doet meer, Hij voedt ons op om de zonde na te laten. Niet

in de eerste plaats omdat het verboden is en er straf dreigt,

maar uit liefde voor Hem wil het kind van God deze zonde

niet meer doen. "Komt tot de rechte nuchterheid en

zondigt NIET LANGER, want sommigen hebben geen

besef van God" (1 COL 15: 34).

De Vader leert ons te leven met Hem, te wandelen in den

Geest, besef te hebben dat wij nieuwe scheppingen zijn en

"alle oude dingen" zijn voorbijgegaan, bewustzijn te krijgen

dat wij deel hebben gekregen aan de goddelijke natuur (11


Petr. I: 4), van: "Niet meer mijn ik, maar Christus woo

in mij" (Gal. 2: 20). De Vader wil dat wij niet meer

zondigen, er mee ophouden! "Een ieder, die in Hem blij

ZONDIGT NIET: een ieder, die zondigt, heeft Hem nie

gezien en heeft Hem niet gekend" (I Joh. 3: 6).

Niet meer zondigen

Een van de geraffineerdste leugens van de duivel, waarm

hij alle christenen heeft weten te vergiftigen, is dit: "Dat

toch maar arme zondaars blijven!' Men hoort dit overal

het kerkelijke erf. De duivel heeft deze leugen zo freque

en vroom in ons denken gegrift, dat de meeste christene

niet beter meer weten en verontwaardigd doen opspring

als het tegendeel wordt beweerd. Trouw blijft zondags in

vele kerken de wet van Mozes voorgelezen worden, terw

Jezus gekomen is om de wet (déze ook) te vervullen. "A

Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmede

eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en

verjaart, is niet ver van verdwijning" (Hebr. 8 : 13).

Trouw blijft men prediken over onze zondige staat, terw

het Lam Gods kwam om de zonde WEG te nemen, doo

te dragen, in Zijn lichaam weg te dragen aan het kruis,

door ze te vergeven. "God heeft Jezus VOOR ONS tot

ZONDE GEMAAKT, opdat ... wij voort zullen gaan o

zondaar te blijven? 0 neen, opdat wij zouden worden

GERECHTIGHEID GODS in Hem" (11 Cor. 5: 21).

Jezus heeft door Zijn zoendood aan het kruis voor de

wereld het zondeprobleem opgelost. Hij betaalde met Zi

Bloed de losprijs. Halleluja! "Een zondaar, een verloste,

Heer, en nu GEEN ZONDAAR MEER!" ,,0, halleluja,

ben NU VRIJ, want Jezus gaf Zijn Bloed voor mij." Pri

de Heer!

Wanneer zal Gods volk zich laten genezen van deze

demonische hersenspoeling: "Dat wij toch maar zondaa

blijven?" Het is een aperte leugen! Het is NIET WAAR!

Voor de gelovige in Jezus is het niet waar! Door het te

geloven, sta ik in het volbrachte verlossingswerk, stel ik

in deze Goddelijke vergeving, neem ik er deel aan. Doo

het niet te geloven, stel ik mij bewust buiten de verzoen

98


99

door het Bloed van het Lam. Jezus heeft voor allen die

daarin geloven, de weg geopend tot de Vader; een verse,

levende weg.

Jezus vergaf mijn zonden en nam ze daardoor weg voor het

oog van de Vader. Zeg mij, ben ik dan nog onder de zonde,

een zondaar? Als Iemand mijn schuld betaald heeft, heb ik

dan nog schuld? Als Iemand de rekening die God mij

presenteert, volkomen betaald heeft, moet ik dan niet

juichen dat de schuld voldaan IS? Moet ik dan niet

neerknielen en Degene die mijn schuld op Zich nam, van

mij over nam, danken en prijzen? Door het niet te geloven

wijzen wij deze betaalde prijs af en terug, het kan niets

voor ons doen. Door het te ontkennen, maakt u de

zoendood van Jezus op Calvarie tot een vergeefse daad,

voor u. Ongeloof wijst af, ongeloof blijft mij in de

zondeschuld vasthouden, maar geloof doet mij aan de

vergeving deelnemen.

Door te blijven zeggen, dat u maar een arme zondaar blijft,

slaat u de liefde van de Vader, door Zijn Zoon voor u te

zenden als uw Plaatsvervanger in de verdachtenbank, in het

Hooggerechtshof van hemel en aarde, af. Evangelie zonder

bloed, verzoening, verlossing, is niets meer dan een religie.

Wat is verlossing? Een illusie? Een idee waarover wij vroom

praten, maar dat wij niet geheel au-serieux moeten nemen?

Is de losprijs maar symbolisch betaald? Behoort de slaaf

dan eigenlijk nog steeds aan de slavendrijver of is hij de

poort uitgewandeld, de vrijheid tegemoet? Is de slavernij

concreet.afgeschaft, het feest van de emancipatie gevierd, of

ligt de zweep van de drijver nog over mijn hart? Hoe is de

toestand vandaag precies? Worden wij bedrogen door onze

leiders en komen wij daarom maar niet tot een concreet

overwinningsleven in Christus? Houden zij ons in het '

diensthuis vast, ons Egypte, als Farao, of leiden zij ons het

diensthuis UIT, de vrijheid tegemoet, naar het beloofde

land, als Mozes? Spreken zij alleen over de melk en de

honing van dat verre land, of hebben zij met de staf die

wonderen doet de poorten voor ons opengeworpen,

waardoor wij wezenlijk op weg zijn gegaan en het land

Gods, het land van de vrijheid des Geestes, bereiken? Aan

wat voor mensen laten wij de zorg voor onze ziel over, wie


kiezen wij als onze herders? Wie zijn de gidsen voor onz

kinderen? Zijn het wezenlijke herders, of zelf zoekenden

nog, onzekeren, die aan de hand van kaarten de weg

zoeken te lezen inplaats van zich te laten leiden door de

vuurkolom, de Shechina van de Heilige Geest?

Wat ben ik? Een zondaar? Of mag ik door mijn geloof

daarin, delen in de verzoening van het Bloed van Jezus?

Mag ik dan zeggen, dat ik vanuit deze volledig aanvaard

verzoening, geen zondaar meer ben? Ziet God in Christu

mij niet meer als zondaar, niet later vóór de Troon, maa

ook thans reeds? Ben ik slechts theoretisch, theologisch,

geen zondaar meer, of ook werkelijk, praktisch, in het

dagelijkse leven? Moet ik, persé, zondigen of kan ik doo

geheel te voldoen aan: "Blijf in Mij, gelijk Ik in u," kom

tot vrij zijn van de zondernacht? Toen ik "in Adam" wa

vroeger, had ik wat Adam had, zijn natuur, gebonden a

zonde en dood; mag ik nu, nu ik door genade, in geloof

Christus" ben, zeker zijn dat Zijn natuur nu in mij is, vr

van de macht der zonde? "En gelijk wij het beeld van de

stoffelijke (Adam) gedragen hebben, zo zullen wij het be

van den hemelse (Jezus) dragen" (I Cor. 15: 49).

God had ons, toen wij nog zondaars waren, geschat op

waarde gelijk aan Zichzelf, n.l. het Bloed van Jezus!

"Christus is niet met het bloed van bokken en kalveren,

maar met Zijn eigen bloed, eens voor altijd (definitief,

afdoend) binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij

(voor de gelovige) een EEUWIGE VERLOSSING verw

(Hebr. 9: 12). "Want door één offerande heeft Hij VOO

ALTIJD hen VOLMAAKT (de toestand van schuld

weggenomen), die geheiligd worden" (Hebr. 10: 14).

Halleluja!

Het brood der engelen

Er is brood dat de wereld den hongerige biedt; dit voeds

stilt de honger maar neemt die niet weg. Ps. 127: 2 spree

van dit vergeefs voeden met het "brood der smarten". E

wordt overal zoveel als voedsel, als brood, aangeboden,

men wijst op specialiteiten als brood van de volle korrel

volkorenbrood, maar al dit" wetenschappelijk", "onder

100


101

medische controle" gebakken brood, kan niet die

wonderbare levenskracht geven die de dood op de vlucht

doet slaan. Er kan een keur aan vitaminen en bijzondere

grondstoffen in het brood zijn, het leven zelf kan ik mij

daaraan niet eten.

Jezus spreekt over het "hemelbrood" van de manna in de

woestijn. "Onze vaderen hebben het manna in de woestijn

gegeten, zoals geschreven is: Brood uit den Hemel gaf Hij

hun te eten" (Joh. 6: 31). De psalmist spreekt van "brood

der engelen," "Hij deed manna tot spijze op hen regenen en

schonk hun hemelkoren; brood der engelen at ieder"

(Ps. 78 : 24 + 25).

De Heer zei tot Mozes dat Hij "brood uit den hemel zou

laten regenen" (Ex. 16: 4); als de morgendauw zou zijn

opgetrokken zou over de woestijn "iets fijns, iets

schilferachtigs, fijn als rijm" liggen (Ex. 16: 14). De

"vaderen" hebben dit manna verzameld, zij hebben het

gegeten, zij werden verzadigd, maar het had, ofschoon het

uit de hemelen kwam, geen leven in zichzelf zodat het de

dood overwon, want de vaderen zijn gestorven (Joh. 6: 49).

Het was bijzonder, Goddelijk wonderbrood, en toch, zegt

Jezus, was het minder van kwaliteit als het brood dat Hij

de wereld aanbood. God gaf aan de Israëlieten brood uit de

hemel, manna, maar God gaf aan de gehele wereld, aan de

honger van de gehele wereld het brood dat Jezus is. "Ik zeg

u, niet Mozes heeft het brood uit den hemel gegeven, maar

mijn Vader geeft u HET WARE BROOD uit den hemel;

want DAT is HET BROOD GODS, dat uit den hemel

nederdaalt en aan DE WERELD HET LEVEN GEEFT'

(Joh. 6 : 32).

Het manna, het engelenbrood uit het Oude Testament, is

het type van Jezus in het Nieuwe Testament. We zien

overeenstemming.

God deed dit brood uit de HEMEL regenen (Ex. 16: 4);

Jezus zegt: "Ik ben het brood, dat uit de hemel nederdaalt"

(Joh. 6: 51).

Wanneer 's nachts de DAUW op de legerplaats neerdaalde,

daalde ook de manna neer (Num. 11 : 9). Dauw is het beeld

van de Heilige Geest, als begeleider en vormgever van de


zegen. "De Heilige Geest zal over u komen, de kracht de

Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom zal ook het

heilige, dat verwekt wordt, Zoon Gods genoemd worden

(Luk. I : 35).

"Toen de dauw opgetrokken was, zo zie, over de woestij

was een KLEIN ROND ding, klein als de rijm, op de aa

(Ex. 16: 14 o.v.). "Het was als korianderzaad, WIT, en d

smaak daarvan was al HONINGKOEKEN" (Ex. 16: 31

o.v.). Allereerst: KLEIN, nederig. Jezus werd gelegd in e

kribbe, er was geen plaats in de herberg. Hij was een

eenvoudig timmermanszoon (Matth. 13 : IS). Voorts:

ROND, vast, compact. Jezus had alles in Zijn karakter i

evenwicht, in harmonie (Petr. 2: 22, 23). WIT, reinheid.

Jezus was volkomen als een onberispelijk en vlekkeloos

Lam (I Petr. I : 19). ZOET. "Zie, Ik verkondig u grote

blijdschap" (Luk. 2 : 10).

Het was als OLIE (Num. 11 : 80.v.). "Daarom heeft U, 0

God, uw God met vreugdeolie gezalfd boven uw

deelgenoten" (Hebr. I : 9).

Het lag op de GROND (Ex. 16: 14). Jezus heeft Zichzelf

ontledigd en de gestalte van een dienstknecht aangenome

(FiI2: 7).

Het kwam als een WONDER. "Zie, de jonkvrouw zal

zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de na

Immanuël geven" (Jes. 7 : 14).

Het werd gemalen, GESTAMPT in vijzels en gekookt

(Num. 11: 8). "Maar om onze overtredingen werd Hij

doorboord, om ·onze ongerechtigheden verbrijzeld, ... en

door Zijn striemen is ons genezing geworden" (Jes. 53 : 5)

Er was voor iedereen GENOEG, een gomer per hoofd

(Ex. 16: 16-18). Niemand kwam tekort. "Ik ben het broo

des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren"

(Joh. 6 : 35).

"Dit is het brood dat de Here u tot spijze gegeven he

(Ex. 16: IS). "Mijn vader geeft u het ware brood uit den hem

(Joh. 6: 32). "Hij nam een brood ... gaf het hun en ze

Neemt, dit is Mijn lichaam" (Mark. 14: 22).

De Israëlieten aten dit manna totdat zij kwamen aan de

gren~ van Kanaän (Ex. 16 : 35) "Eet dit brood ... totdat H

komt" (l Cor. II : 26).

102


10

Sommigen klagen: "Wij krijgen alleen dit manna te zien"

(Num. 11 : 6)."De Zijnen hebben Hem niet aangenomen"

(Joh. 1 : 11).

Wanneer het dagelijkse manna niet opgenomen en gebruikt

wordt, bedierf het en stonk (Ex. 16: 20) "Wordt van dag tot

dag vernieuwd" (IJ Cor. 4: 16).

Het brood Gods

De Samaritaanse vraagt aan Jezus, bij de bron Sichar:

"Here, geef mij DIT water, opdat ik geen dorst heb en niet

hierheen behoef te gaan om te putten" (Joh. 4 : 15). De

Israëlieten vragen aan Jezus: "Here, geef ons altijd DIT

brood" (Joh. 6: 34).

Jezus, wij hebben een groot wonder gezien van Uw

almacht; van vijf gerstebroden en twee vissen schiep U

zoveel voedsel dat vijfduizend mensen daarmee verzadigd

werden en twaalf volle korven bleven over. Toen wij

verbaasd om dit brood U volgden over het meer, sprak U

deze woorden: "Ik zeg u, gij zoekt Mij, niet omdat gij

tekenen gezien hebt (die mijn geestelijk Koninkrijk

openbaren), maar omdat gij van de broden gegeten hebt en

verzadigd zijt (uw magen werden gevuld). Werkt niet, om

de spijs, die vergaat (vergankelijk is), maar om de spijs die

BLIJFT TOT IN HET EEUWIGE LEVEN, welke de Zoon

des mensen U GEVEN ZAL" (Joh. 6: 26, 27). "Hoe kunnen

wij deel hebben aan dit wonder, aan deze scheppingskracht,

aan dit brood Gods?" Dan zegt Jezus: Geloof! Alles door

geloof! "Dit is het werk Gods, dat GIJ GELOOFT IN

HEM, dien Hij gezonden heeft" (Joh. 6: 29). Geloof in

God!

Jezus zegt verder: "Ik ben het brood des levens; wie tot Mij

komt, zal nimmermeer hongeren, en wie in Mij gelooft, zal

nimmermeer dorsten" (Joh. 6: 35). Kom tot Mij en vraag

Mij u dit brood te geven, Ik zal het u schenken en daarmee

het eeuwige leven. "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie

gelooft, heeft eeuwig leven" (Joh. 6: 47). "Indien iemand

van DIT brood eet, hij zal in eeuwigheid leven" (Joh. 6: 51).

Dit brood ben Ik zelf, het is Mijn leven, "Het brood dat Ik

geven zal, is mijn vlees, voor het leven DER WERELD"

(Joh. 6: 51).


Jezus wijst in deze woorden naar Zijn offerdood op

Golgotha, Hij het Paaslam Gods, geslacht voor de zonde

der wereld. Nadat het bloed van het paaslam gestreken w

aan de beide deurposten en den bovendorpel, ging de

familie in Israël staande om de tafel, de lendenen omgord

de voeten geschoeid, de staf in de hand, "overhaast" het

vlees van het lam eten. Het bloed ziende, zou de engel de

verderfs, de deuren voorbijgaan en de bewoners die

gehoorzaam waren aan Gods gebod, sparen. Het vlees da

gegeten werd, deed het volk deel hebben aan de vergevin

en schonk het kracht voor de grote reis van vele jaren do

onherbergzame woestijnstreken. En het resultaat was dat

niemand ziek was, "niemand die struikelde" (Ps. 105: 37)

De engelse Bijbel vertaalt "niemand die zwak was." Dat

was het gevolg van de scheppende levenskracht van het

vlees van het lam dat gegeten was in de avond voor de re

Wanneer Jezus Zichzelf het Paaslam noemt, geeft Hij aa

dat de wereld het leven aan Hem kan eten, kracht,

overwinning; dat Zijn vlees en bloed ware spijs is en war

drank (Joh. 6: 55). "Ik zeg u, tenzij gij het vlees van den

Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen

leven in uzelf. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt,

heeft eeuwig leven" (Joh. 6 : 53 + 54). "Wie mijn vlees eet

mijn bloed drinkt BLIJFT IN MIJ en IK IN HEM"

(Joh. 6: 56).

Wat de wereld, die ten onder gaat, nodig heeft, meer dan

iets of iemand anders is: Jezus! Niet iets was de men

rond Hem heen .hebben opgericht, geen gebouw, geen

organisatie, geen leer, geen dogma, maar Jezus als

PERSOON. Hij, die concreet met mij te maken wil hebb

Hij die mij zoekt te vinden, omdat Hij in mij wonen,

werken, spreken, denken, handelen, leven wil. "Niet mee

mijn ik, maar Christus woont in mij." Niets minder.

Als wij Jezus zoeken en allerlei dingen náást Hem, vinde

wij Hem niet; als wij Jezus alléén zoeken, vinden wij alle

dingen IN Hem. Hij is het Antwoord. Hij heeft het

antwoord niet, maar Hij IS het Zelf! Halleluja!

U die dit leest, kom tot Jezus! Doe dit vandaag! Kom

eerlijk tot Hem, houdt geen lange verhalen tegen Hem di

immers uw hart beter kent dan uzelf, maar kom; kom

104


105

eenvoudig, zoals u bent, oprecht, met schuldbesef, met

verlangen om door Hem aangeraakt te worden, gewassen

door Zijn bloed, gereinigd van de zonden, laat Hij uw hart

binnen komen en daar woning maken, sta Hem toe door

Zijn Geest uw hele wezen te doortrekken, laat Hem u

nieuw leven geven, een nieuwe natuur, Zijn natuur, geef

Hem uw hart, geef alles, alles wat u bent en wat u hebt aan .

Hem over en houdt niets achter, behoudt er heimelijk niets

van maar zeg eenvoudig: "Heer, hier ben ik, maak mij

nieuw! Geef mij Uw brood te eten, want ik wil deel hebben

aan uw lijden en sterven en opstanding voor mij. U hebt

beloofd het mij te geven, opdat ik nimmer meer zal

hongeren. Dank U, Jezus! Dank Ul"

Het brood der kinderen

In het gebied van Tyrus vond Jezus een griekse vrouw, een

Syro-Phenicische, die een dochtertje had met een onreine

geest. Het kind was bezeten, bezet gebied door een

demonische macht die dit leven in bezit genomen had, haar

wilsleven gekluisterd, haar gedachtenwereld beheerst, haar

geest gevangen. De moderne psychiatrie gelooft niet aan

boze, onreine geesten. De Bijbel spreekt er echter veel over.

Wij hebben in ons zendingswerk meermalen tegenover deze

machten gestaan en ze uitgeworpen, in Jezus' naam. De

moeder vroeg aan Jezus de bozen geest uit haar dochter te

drijven. Zij had misschien dit arme kind overal gebracht,

met haar alle bekende namen afgelopen, alle specialisten,

alle tovenaars uit deze streek. Zij was een heidense vrouw

en zocht in het heidendom het antwoord voor deze nood.

Jezus beproeft haar geloof, Hij mat haar vertrouwen in

Hem. Hij wees haar op de begenadigde toestand van Gds

huisgenoten, die mochten delen in het heil. Zij stond buiten

Israël en blééf daar buiten staan. Hij stelt het algemene

politieke en religieuse beeld van die tijd haar voor ogen.

Wat had zij te verwachten, welke rechten op het heil Gods

kon deze vrouw doen gelden?

Jezus wijst op de tafelgemeenschap Gods met Israël, het

eigendomsvolk, de oogappel Gods. Hij spreekt over het

brood dat gegeten wordt tussen de Heer en Zijn volk, de


spijze die niet vergaat. Wat had deze griekse vrouw dee

aan dit brood, wat viel voor haar te hopen?

En dan antwoordt de vrouw, zij spreekt een prachtig

woord. Ja, Heer, dat is waar! Zeker! Het is zoals U ze

Voor mij geen tafelgemeenschap! Maar, Jezus, ik laat

niet los, U zult het antwoord kunnen hebben voor mij

nood, ik geef het niet op. Als wij , grieken, buiten de

tafelgemeenschap staan en het brood niet mogen breke

de God van Israël, dan wil ik U wijzen dat wij , honden

toch kunnen eten van wat van de tafel afvalt. Het broo

dat de Heer geeft, is het brood der kinderen, maar de

verworpenen, de onbesnedenen, de honden, de heidene

willen ook van dit brood eten en schuilend onder de ta

eten van de kruimels die de morsende kinderen laten v

o wat zien wij overal hoe de kinderen van het Huis de

Heren knoeien en morsen met het brood dat God geef

Wat een gebrek aan kennis, aan eerbied, aan geloof,

aangaande dit voedsel. De meesten weten niet eens dat

kinderen Gods zijn, dat zij tafelgemeenschap met de V

kunnen hebben, dat zij brood mogen eten dat Hij voor

brak. In dit boek hebben wij al meermalen geschreven

het gebrek aan begrip inzake deze dingen. Men zit als

schuwe vreemdeling op de punt van een stoel en durft

toe te tasten, wij gedragen ons meer als bastaards dan

kinderen van het Huis, leden van de familie van God.

De genezing wordt hier in dit Schriftgedeelte (Marc. 7

30) genoemd: Het brood der kinderen. De verlossing v

deze demonische macht, de restauratie van dit leven, d

genezing van dit meisje en van alle zieken, het is: Het

brood der kinderen. Het behoort bij de verzoening, he

een deel van het verlossingswerk door Jezus aan het kr

het is het evangelie. De genezing van het lichaam is de

verzoening, uitgedrukt in de stof. Het fysieke leven. De

ziekte is de lepra van het lichaam, zoals de zonde de le

is van de ziel.

Jezus is gekomen om de totale mens aan te spreken en

betrekken in Zijn heil, Hij maakt alle dingen nieuw, el

gebied van ons bestaan. Jezus stierf aan het kruis voor

totale verlossing. De Bijbel zegt: "Hij heeft onze zwakh

op Zich genomen en onze ziekten hij Hij gedragen"

106


(Matth. 8 : 17). "Hij legt met gezag en macht aan de onreine

geesten Zijn bevelen op en zij varen uit" (Luc 4 : 36). In

Jesaja 53 staat: "Nochtans, onze ziekten heeft HIJ op

ZICH genomen, en onze smarten gedragen ... " (vers 4).

"Maar om onze overtredingen werd HIJ doorboord, om

onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons den

vrede aanbrengt, was OP HEM, en door Zijn striemen IS

ONZE GENEZING geworden" (vers 5).

Jezus droeg àl onze nood, de psychische en de fysieke, de

geestelijke en de lichamelijke, op elk gebied, aan het kruis

van Golgotha, en later, het graf, de dood, in, waar Hij het

alles achterliet om verheerlijkt op te staan en tot de Vader

te gaan. Hij droeg het alles weg, voor ons weg, definitief,

volkomen. Aan dit verlossingswerk behoeft NIETS meer te

worden toegevoegd, Zijnerzijds! Het is volbracht! De

schuld is betaald! De straf was OP HEM! Ik ben vrij nu

van schuld en straf. Indien ik de Heer er voor gedankt heb!

En mij daardoor in dit volbrachte verlossingswerk heb

gesteld. Als ik dit niet geloof, wijs ik het af, Hem af; het

kruis en het bloed en de losprijs af, dan is de vervreemding

daar van de Heer, dan hang ik Hem weer terug aan het

kruis en is alles wat Hij leed vergeefs! Voor mij vergeefs,

een gebeuren buiten mijn ziel om, een genade dat mij niet

helpen kan, niet redden kan van de verschrikkelijke toorn

Gods. Dan zal ik daar staan voor Gods troon, voor Zijn

heiligheid, waarvoor geen zonde kan bestaan en Hij zal mij

veroordelen en verwerpen en dan is er geen redding meer

voor mij! Vreselijk lot!

Laten wij toch toe dat Jezus voor onze persoonlijke zonden

geleden heeft, laten wij Hem er toch voor danken en deze

verzoening aannemen, ook al begrijpen wij het niet, ook al

verdienen wij het niet. Ons geloof zegt: Ja! tegen Jezus en

Zijn Bloed! Amen! En Jezus wacht op ons: Ja! Als wij: Ja!

zeggen tot Jezus die het: Ja! is van de Vader tot mij, dan

zal de Vader: Ja! zeggen tot mij, als ik zal staan voor Zijn

troon.

Theoretiseer niet langer, discussier niet, kritiseer niet, houdt

daarmee op, maar kom zoals u bent en waar u bent en zeg

met uw hele hart: Ja! tot Jezus! Dan zegt u: Ja! tot Zijn

vergeving en Zijn volle heil. Geen lange uiteenzettingen

107


alstublieft, want dat zijn allemaal slechts nutteloze

grensgevechten; doe alleen die éne stap in geloof en loo

grens over, uit uw eigen oude leven uit, in Zijn leven, i

Zijn verzoening, Zijn licht! Waarom al dat geredeneer,

heeft geen zin. Waartoe die pogingen uzelf ergens toch

rechtvaardigen of te verklaren, Kom, en zeg: Ja! tot de

Heiland van uw hart!

Als wij door genade weten een kind van God te zijn,

doordat wij Jezus op de troon van ons hart hebben

toegelaten, dan is de genezing ons deel geworden. Het

een door God geschonken recht, voorrecht, het behoor

de vergeving en is daar voor u. Een kind van God, dat

aangetast is door een ziekte macht, mag dit recht om ge

te zijn doen gelden en deze ziekte macht uitdrijven of ui

laten drijven, in Jezus' Naam. Het is niet een bijzonder

soort extra, snoeperij, maar het is: Het Brood der

Kinderen! Het is het voedsel dat wij van de tafel kunne

némen, indien wij tafelgemeenschap hebben met de He

Het brood is daar voor ons, wij mogen het eten hoevee

nodig hebben, daar is overvloed. Danken wij de Heer v

dit levendmakende brood. Halleluja!

Jezus hoort de Syro-Phenische vrouw aan. Goed, zegt

aanvaard het dat ik een outcast ben, een hond. Maar,

wij honden mogen de kruimels van dit brood toch eten

worden wij gediscrimineerd, het brood blijft toch hetze

Het evangelie is toch ook voor ons en het volle heil in

Christus? Welnu, laten wij dan onder de tafel iets van d

brood eten!

Jezus hoort dit aan en ziet de vastbeslotenheid van de

moeder om Hem niet te laten gaan en een glimlach kom

om Zijn mond. Hij zegt haar: "Om dit woord, ga heen

boze geest is uit uw dochter gevareni" (Marc 7: 29). Jez

ziet haar geloof, haar wonder-geloof en handelt daarop

gaat het altijd, de Heer handelt op ONS geloof. "UW

geloof heeft u behouden", staat er op menige plaats in

Bijbel.

"En toen zij naar huis gegaan was, vond zij het kind te

liggen en den bozen geest uitgevaren" (Marc. 7 : 30). Jez

bestrafte de macht in het afwezige meisje en zij is bevri

108


10

verlost! Halleluja! Het brood is gegeten geworden, de

kruimels daarvoor hebben dezelfde levenskracht getoond.

Het brood der kinderen heeft ook de honden het heil

gebracht, want in Christus is Jood noch Griek.

Het broodhuis

Jezus werd in Bethlehem geboren, Bethlehem betekent:

brood huis, want Jezus is gekomen om het brood uit te

delen voor het leven der wereld. Zoals Josef door Farao

werd aangewezen om als "Zafnath-Paäneah", Redder des

Volks, de schuren te vullen met koren en later in tijden van

hongersnood dit brood uit te delen, zo ook is Jezus de

"Zafnath-Paäneah", Redder des Volks, voor de honger van

de wereld vandaag. Iedereen die hongert, kan kopen,

zonder geld, zonder prijs, het brood dat levend maakt!

Laten wij toelopen op dit brood, dit "genade-brood", dat

wij "om niet" mogen ontvangen, dat Jezus ons geven wil.

Laten wij onze energie niet uitputten om het brood te

verdienen, voor duur geld, wat de wereld geeft, "werkt, niet

om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in

het eeuwige leven, welke de Zoon der mensen u geven zal"

(Joh. 6: 27). Hij is de Goddelijke Uitdeler van het brood,

laten wij het ook van Hem ontvangen, want een ieder van

ons heeft het nodig.

Dit brood, dit vlees, dit bloed tot ons te nemen, doet ons

ook de innigste gemeenschap met Hem onderhouden. Hij

komt hierdoor tot ons en wij tot Hem, voor altijd. "Wie

mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in

hem!" (Joh. 6: 56). Evenals de wijnstok en de rank in de

hetzelfde druivenbloed hebben, stromend uit de wijnstok in

de rank en door de rank in de wijnstok, hetzelfde '

levenssap, zo ook leeft Mijn Leven in en door u, mijn

rank .. . Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft en Ik

leef door den Vader, zo zal ook hij, die Mij eet, leven door

Mij!" (Joh. 6 : 57). Mijn leven zal in u zijn, mijn scheppende

kracht, Mijn opstandingskracht. "En indien de Geest van

Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont,

dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt

heeft, ook uw sterftelijke lichamen levend maken door Zijn


Geest, die in woont" (Rom. 8 : 11).

De vader geeft geen stenen voor brood.

110


111

HET ZOUT DER AARDE

"Gij zijt het zout der aarde, indien nu het zout zijn kracht

verliest, waarmede zal het gezouten worden? (Matth. 5: 13).

" Want een ieder zal met vuur gezouten worden."

(Marc. 9 :49).

Jezus spreekt in Zijn prachtige bergrede in beeldrijke taal

de luisterende schare toe, die van alle kanten naar Zijn

woord kwam horen en Zijn krachten zien. Na zijn

negenvoudige zaligspreking vergelijkt Hij Zijn volk dat naar

Hem hoort en Hem volgt, met een licht, een stad op een

berg, een lamp op een standaard, Hij noemt het ook zout,

ja zout der aarde.

Wat is zout? Zout heeft een belangrijke functie in de

bereiding van ons voedsel, weinige gerechten worden

zonder zout bereid. Zout brengt smaak aan ons voedsel,

accentueert en verlevendigt alle andere smaken, zout heeft

de eigenschap goede elementen in ons voedsel op te roepen

en te verrijken. Wij beseffen nauwelijks wat zout in ons

dagelijks menu betekent, totdat wij kennis maken met een

zoutloos dieet, men mist dan de smakelijkheid, datgene wat

het eten tot een genot maakt. Zout, met wijsheid gedoseerd,

brengt eetbaarheid en heerlijkheid aan onze gerechten.

Zout is ook bederfwerend, het conserveert. Men zout het

voedsel in, om het goed te houden. !jet bederf kan daar

dan niet bij komen, het bewaart dit tegen ontbinding. Daar

waar zout is, krijgt de verrottenis geen kans, zout brengt

een onvergankelijkheids-element in de voeddingsstof.

Jezus zegt dat gij, dus wij, het zout der aarde zijn. Gods

volk bewaart de wereld nog voor een totale ontbinding, de

aanwezigheid van Zijn kinderen, van Zijn door de Zoon

met Zijn bloed gekocht volk, houdt de vernietiging van de

boze wereld nog tegen. God bewijst nog genade aan de

gehele mensheid vanwege de minderheid die Hij Zich

daaruit gereinigd heeft.

De goddeloze steden Sodom en Gomorra zouden behouden


gebleven zijn, indien daar maar enkele korrels zout

gevonden waren, slechts tien rechtvaardigen. Maar zelfs

waren er niet en de ontbinding was volkomen. De Heer

dat wij het bederf zullen weren, dat wij stelling nemen te

de algemene ontbinding en dat wij zondaars onder de

bewarende en zegenende invloed van het evangelie des H

brengen. Jezus zegt dat dit onze taak en functie is in dez

wereld: als zout der volkeren te doordringen van de

overwinningskracht van het Koninkrijk.

"Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de

werken des duivels verbreken zou" (l Joh. 3: 8b). In Jezu

Christus kan het bederf (zonde en ziekte: eeuwig en tijde

bederf) worden overwonnen. Deze gedachte moet worde

verkondigd, naar alle kanten.

Satan ontzout het volk Gods

Satan, vorst der duisternis; Jezus noemt hem: overste de

wereld, is uitgebreid bezig zijn plan van destructie in

volkeren, gemeenschappen, gezinnen en mensenlevens te

volvoeren. Zijn politiek is er op uit om via vertekening,

vernauwing, verkramping, verscheuring, naar een totale

vernietiging te leiden. Overal rondom ons zien wij zijn

duistere hand in wereld zaken, de kranten staan dagelijks

vol daarvan, in knap geredigeerd en geraffineerd

opgemaakte berichten en foto's. Dit gaat dagelijks overa

schijnbaar zo gemakkelijk en vanzelfsprekend voort, also

nergens een tegenkracht bestaat en bestaan kan, geen

offensief tegen deze ontbindende machten. Alles schijnt d

overste der wereld, ongehinderd, te gelukken.

Maar wie zien en doorzien kan, ontdekt in dit schijnbaa

succesvolle regiem duidelijk de kenmerken van een verlo

zaak. Jezus zei: "Houdt goeden moed. IK HEB DE WE

RELD OVERWONNEN" (Joh. 16: 33). Niet de overste

wereld doch de Koning der koningen heeft het laatste en

absolute machtswoord, omdat Hij ook het eerste woord

had, ja het Woord was. Op Golgotha heeft Jezus de kop

van de slang vermorzeld, de reeds in het paradijs beloofd

Slangenvertreder is als Overwinnaar uit de strijd gekome

Dat was Zijn doel: de satan en zijn duister regiem te

vernietigen.

112


11

Jezus roept ons om in Zijn naam dezelfde werken te doen

als Hij deed (Joh. 14: 12), ook het offensief te opnenen

tegen de schadelijke invloeden van de boze. Hij roept ons

om als bewarend zout het bederf tegen te gaan, de

voortdurende dreiging van de satan neer te slaan.

Jezus bedoelt ook dat door de werkzaamheid van het zout

de gemeente bijeengehouden wordt, afgescheiden van de

verderfelijke invloeden van buiten. Het volk Gods moet

naar buiten als naar binnen zout zijn: bederfwerend. Maar

daar waar door allerlei invloeden, in de gemeente: ongeloof,

wereldgelijkvormigheid, dorheid, lauwheid, zelfgenoegzaamheid,

onverdraagzaamheid binnenkomt, waarschuwt

de Heer voor het smakeloos (Lucas 14: 34), zoutloos

(Marc. 9 : 50) worden, voor vervlakking en nedergang.

Hij stelt de vraag: waarheen met dit krachteloos geworden

zout? (Matth. 5 : 13). Het is waardeloos geworden zodat het

zelfs als mest niet meer te gebruiken is (Luc. 14: 35), alleen

kan het nog onder de voet vertreden worden (Matth. 5: 13).

Tragies is het lot van degenen die afgeweken zijn van Jezus'

opdracht om Zijn getuige te zijn, om zijn werken te doen,

die in hun getuigenis verslapt zijn, die naar buiten niet meer

het beeld van kracht tot behoud tonen, een levende

opwekking om de Heiland te volgen door alles heen, Zijn

Woord te geloven, Zijn overwinning te openbaren. Scherp

staat daar het oordeel gereed: weg, onder de voet!

Wij zien overal om ons heen deze onzalige vervlakking en

verwereldlijking in het geestelijk leven, het huidige beeld is

ten hemel schreiend. Er is geen scheiding, geen

onderscheiding. Het gaat er om, dat de gemeente de functie

van het zout heeft, in opdracht van haar Heer, d.w.z.

temidden van het bederf het bederfwerend element te zijn.

Zout brandt zich een eigen weg van behoud temidden van

de stof, het haalt de kwaliteit op, niet néér. Doet zij dit wel,

dan is er niets ter wereld waarmede het gered, gezouten kan

worden (Matth. 5 : 13). Als de gemeente ophoudt zout te

zijn, scherp, krachtig zout, dan vervalt zij zelf tot bederf.

Pinksteren, doop met Geest en vuur

Dit is de zin van Pinksteren, dat iedereen op bijbelse wijze


tot levende getuige wordt, door de doop met de Heilige

Geest. En dit laatste moet u zien zoals geschiedde in Hand

2. Niet anders, niet minder, niet verstandelijker, niet

literair of symbolisch, maar gelijk de apostelen ervoeren.

De wereld heeft niets aan slappe en slapende christenen zi

veracht deze zelfs. Daarvan zijn reeds te veel, zouteloos

geworden zout, smakeloos en verwerpelijk.

Het vuur van de Heilige Geest kan een volk "zouten",

krachtig en indringend "bederfvrij" maken. Pinksteren is

gekomen opdat Gods volk de openbaring van Zijn

reinigend, heiligend vuur ervaren kan.

Openbaringen van Gods vuur

Vele openbaringen Gods gaan gepaard met vuur. In

11 Kron. 7: 1 zien wij dit bij de tempelwijding, na het geb

van Salomo. "Zodra Salomo zijn gebed geëindigd had,

daalde VUUR UIT DEN HEMEL neer en verteerde het

brandoffer en de slachtoffers; en de heerlijkheid des Heren

vervulde het Huis." Hierin zien wij een beeld van Pinksteren.

Op de Karrnel (1 Kon. 18: 38) bad Elia tot God en

toen "schoot HET VUUR DES HEREN neer en verteerd

het brandoffer." Ook hierin wil het beeld zien van

Pinksteren.

In de steppen van Midian is een braambos BRANDEND

van Gods tegenwoordigheid, van waaruit God tot Mozes

sprak en hem riep Zijn volk uit te leiden in vrijheid. Vroe

ger riep Mozes zichzelf als leider uit, vanuit zijn VURIG­

HEID wilde hij dit doen. Het bracht hem tot doodslag en

vlucht. Nu riep God Mozes als leider uit, nu zal hij gaan

vanuit Gods VUUR neer op de hoofden van 120 mannen

en vrouwen die 10 dagen daar zich biddend toe hadden

voorbereid (Hand. 1: 14). Vanuit dit vuur konden zij eerst

hun opdracht voor wereldevangelisatie volvoeren.

Met Jezus' komst op aarde is de oude bedeling voorbij, ee

nieuwe werd ingewijd. De stenen tempel werd vervangen

door de tempel van levende stenen. De tongen van vuur

zijn het teken Gods, dat Hij Zijn volk Zelf als tempel wil

114


11

INWIJDEN; de tongen die gesproken werden zijn het teken

Gods, dat Hij Zijn volk Zelf als tempel wil INLUIDEN.

De vuurkolom is niet meer boven de tempel te zien.

Pinksteren bracht de vuurkolom op de kinderen Gods, als

teken dat Hij hen individueel als tempelen Gods ingewijd

heeft, als godshuizen waar Hij wonen wil. Nu geen sacrale

gebouwen meer van steen, geen heilige kathedralen of

tempels noch gewijde plaatsen, maar de Heer zoekt nu een

nieuwe ontmoetingsplaats IN ZIJN KINDEREN, een aanspraak

plaats voor Zijn Geest, vanuit Zijn welbehagen zoekt

Hij Zich woningen onder de mensen.

God fundeert Zijn tempel IN de mens, dat is Pinksteren.

"Weet gij niet dat GIJ GODS TEMPEL zijt en dat de

Geest Gods IN U woont?" (l Cor. 3: 16). - "Weet gij niet,

dat UW LICHAAM EEN TEMPEL is van de Heilige

Geest, DIE IN U WOONT, dien gij van God ontvangen

hebt, en dat GIJ NIET VAN UZELF ZIJT?" (1 Cor. 6: 19).

Pinksteren

Maakt ernst, vrienden, met Pinksteren. Laat dit niet langer

het moeilijkste feest van het kerkelijk haar zijn waar men

uit verlegenheid .maar een zendingsdag van maakt, laat het

niet langer het vergeten en verloren feest zijn met alleen

maar historische betekenis. Strekt u met heel uw hart uit

naar een persoonlijk Pinksteren. Bidt de Heer om Zijn

Geest en ontvangt het uit Zijn handen. Laat uw hart een

aanspraakplaats Gods worden en prijs Zijn naam in nieuwe

tongen. Het is zo'n heerlijk voorrecht, zo'n enorme zegen.

Velen in de wereld wachten op met de Geest vervulde

getuigen, zien met reikhalzend verlangen uit naar een

nieuwe, krachtige openbaring van Gods kinderen, naar een

waarlijk vrijgemaakt en krachtig overwinningsleven, naar

de triumferende kerk van Christus.

Wordt met vuur gezouten! Alleen het vuur Gods zout het

volk Gods tot machthebbers, gezagdragers, overwinnaars

over zonde, ziekte en demonie. Alleen het vuur van de

Heilige Geest kan dit bewerken. Dit geldt voor ons allen.

"Want EEN IEDER zal met VUUR gezouten worden." .

Halleluja!


Dit boek is gratis verkrijgbaar bij het Lektuwfonds,

Huisduinenstraat 9, 2547 TA Den Haag.

116


druk, VANDERWORP OFFSET BV zwole

More magazines by this user
Similar magazines