Klik om de pfd te downloaden - van-rijswijk.nl

van.rijswijk.nl

Klik om de pfd te downloaden - van-rijswijk.nl

G I J S V A N R E I J S W I C K

N E P A S!

Zij zocht een aanvulling

Ik werd haar invulling


Eerste druk april 2005

Tweede druk oktober 2006

september 2009 (eBook)

Copyright © 2005 Gijs van Reijswick

Omslagillustratie Gijs van Reijswick

Omslagontwerp Frank van Veen

Uitgever Bureau Kirja/www.bergboek.nl

ISBN 90-77668-49-7

Website www.gijsvanreijswick.nl

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar

worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, geluidsband,

elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke

toestemming van de uitgever.


Over verliefdheid:

Een opbloeiende verliefdheid kan iemand tijdelijk beroven van zijn

verstandelijke vermogens.

Verliefdheid gaat gepaard met een „volstrekt verwrongen beeld van

de ander, dat totaal geen recht doet aan de werkelijkheid‟.

Zolang een paar nog verliefd is, zou het bij wet verboden moeten

worden, in het huwelijk te treden.

Voorzichtigheid bij verliefdheid is geboden. Tegelijk is

voorzichtigheid de meest fatale houding om te voorkomen dat je

gelukkig wordt.


Hebt elkander lief,

maar maak van de liefde geen band.

Laat zij veeleer zijn: een golvende zee

tussen de kusten van uw zielen.

Vul elkanders beker,

maar drink niet uit dezelfde beker.

Geef elkaar van uw brood,

maar eet niet van hetzelfde stuk.

Zing en dans en wees blij,

maar blijf jezelf zoals de snaren van een luit op zichzelf zijn,

al doortrilt hen dezelfde muziek.

Staat tezamen, maar niet te dicht bijeen,

want de zuilen van de tempel staan ieder op zichzelf,

en de eik en de cypres groeien niet in elkaars schaduw.

Zo is het bij ons precies,

niet al te dicht bij elkaar,

maar toch samen……………

Khalil Gibran (1883 - 1931)


1. Inhoudsopgave

1. Inhoudsopgave ............................................................................... 6

2. Voorwoord ...................................................................................... 7

3. Ineens is daar het contact. ........................................................... 10

4. Ik ben van haar verlost. ............................................................... 11

5. Getrouwd, gelukkig. Gelukkig, getrouwd. ................................. 32

6. Disneyland Parijs .......................................................................... 59

7. Mijn zoektocht is ten einde. ........................................................ 92

8. We worden heel gelukkig samen ............................................. 117

9. Op weg ........................................................................................ 147

10. Mijn huis wordt een thuis ..................................................... 164

11. Ik word papa. .......................................................................... 192

12. Morgen trouwen we. .............................................................. 243

13. Op huwelijksreis. .................................................................... 263

14. De puzzel. ............................................................................... 294

15. Epiloog. ................................................................................... 335


2. Voorwoord

Ik zal niet de eerste zijn die zijn frustratie van zich afschrijft. En

waarschijnlijk ook niet de laatste. In eerste instantie is het schrijven

van dit boek ook zo begonnen.

Met het schrijven van mijn eerste manuscript raakte ik mijn

frustratie kwijt. Ik heb het aan vrienden gegeven en ze gevraagd of

ze het kritisch wilden lezen. Hun reacties hebben mij de motivatie

en inspiratie gegeven om het boek in deze vorm daadwerkelijk te

gaan schrijven en uit te geven. Ik bedank ze daarvoor hartelijk.

Ik heb lang nagedacht over het thema van het boek. Pas toen ik

besloot om louter mijn afgelegde zoektocht te beschrijven, kon ik

het boek schrijven. Ik heb daarbij getracht mijn relaas zo veel

mogelijk vrij van waarden en oordelen te houden. Ik weet ook dat

me dit niet op alle fronten gelukt is, want het is immers mijn

zienswijze op de gebeurtenissen.

Ik heb onderzoek gedaan naar gedragsstoornissen en dergelijke. Ik

zocht de verklaring voor hetgeen me is overkomen. Ik heb mijn

boek niet wetenschappelijk onderbouwd of willen onderbouwen,

ik beschrijf slechts mijn zoektocht.

Mijn relaas kan een steun kan zijn voor mensen, die in een

soortgelijke of aangrenzende situatie verkeren, door herkenning en

wellicht ook erkenning.

Het boek is autobiografisch en bevat openhartige en schokkende

passages. Alle namen van personen en gegevens met betrekking

tot plaatsen en gebeurtenissen zijn zodanig aangepast, dat

herkenning alleen kan berusten op toeval.


Tot slot: Ik draag dit boek op aan haar kind, het enige slachtoffer.

Gijs van Reijswick, 28 maart 2005.


Opmerkingen bij de tweede druk.

De belangrijkste reden om het boek te herzien en uit te geven in

een tweede druk, is dat ik steeds het gevoel heb gehad dat de

eerste druk niet af was. Hetzelfde dreigde me te overkomen met

een ander boek, dat ik net geschreven heb. Dat boek is technisch

weliswaar gereed, maar gevoelsmatig nog niet.

Ik heb dat boek daarom maar eens weggelegd en besloten, eerst

Ne Pas eens „af te maken‟.

Ik heb veel positief commentaar gehad van de mensen, die de

eerste druk hebben gelezen. Ik heb naar ze geluisterd en ik heb

besloten om een deel van hun commentaar te verwerken in een

tweede druk. Maar slechts ten dele, het is immers mijn boek.

Zo heb ik veel kritiek gekregen over het feit dat ik over „haar‟ en

„haar kind‟ schrijf en dat ik ze nergens direct bij hun naam noem.

Men vindt het nogal hard en afstandelijk overkomen. Ik heb daar

bewust voor gekozen, immers, het schrijven van het verhaal had

voor mij tot doel om afstand te nemen van de gehele situatie en

mezelf weer een beetje terug te vinden.

Dat laatste is me, mede door het schrijven van Ne Pas, bijzonder

goed gelukt.

Gijs van Reijswick, 28 september 2006.


3. Ineens is daar het contact.

Week 1, een zaterdagavond in maart.

Ik kom thuis. Het is al laat en voordat ik naar bed ga, neem ik

nog een wijntje. Ik zet een muziekje op en kijk nog even of er

nieuwe e-mail is.

Ik krijg een bericht dat iemand met de nickname Sweetgirl

gereageerd heeft. Ik surf naar de datingsite en ik log in. Ik kijk in

mijn berichten en daar tref ik het bericht van Sweetgirl aan. Ik lees

het en ik bekijk haar profiel. Ze valt niet in mijn „doelgroep‟, dus ik

stuur haar een bericht dat ik niet geïnteresseerd ben.

Ik surf nog even door en bijna direct valt weer een e-mail in mijn

postvak. Het is er weer eentje van Sweetgirl. Ik lees haar reactie en

ik moet er hard om lachen. Ze prikkelt me en ik reageer.

En zij ook weer...


4. Ik ben van haar verlost.

Weer een vrij man. Week 36, maandag.

Ik word wakker met pijn in mijn nek. “Geen wonder,” denk ik,

als ik zie dat ik in het kleine logeerbedje lig dat ik voor mezelf heb

meegenomen. Ik kijk een beetje slaperig om me heen en ik

realiseer me, dat ik in het leegstaande appartement van Rutger, een

goede vriend van me, ben. De vorige bewoners zijn net verhuisd

en ik kan hier wonen tot hij een nieuwe huurder heeft gevonden.

Het pand is dan ook bijna leeg. Behalve mijn logeerbed staat er

alleen een gaskachel. Ik zie ook mijn tas staan, waarin ik de kleren

heb gestopt, die ik denk nodig te hebben voor de komende

periode. Mijn laptop heb ik, net als altijd, ook nu bij me en de

laatste persoonlijke bezitting die ik meegenomen heb, is mijn

akoestische gitaar. Ik weet niet eens wat me bezield heeft om juist

dat ding mee te nemen, want ik ga er in deze situatie waarschijnlijk

toch niet op spelen. Maar wie weet, gaat de huidige situatie me

ineens zodanig inspireren, dat ik er een heel mooi lied over kan

gaan schrijven.

Ik moet hard om mijn eigen gedachten lachen, want ik denk:

“Tjonge, wat zal dat dan een verschrikkelijke smartlap worden!”

Slapen kan ik niet meer en ik lig een beetje naar het plafond te

staren. “Nog twee weekjes,” denk ik, “dan is dit ongemak ook

weer voorbij.”

Ik haal me de gebeurtenissen van gisteravond voor de geest. Mijn

God, wat ben ik opgelucht. Ik ben van haar af en weer een vrij

man. Ik ben verlost van dat gestoorde wijf, dat mijn leven volledig

aan het verzieken was.


Het is eind maart als ik haar ontmoet op het internet. Twee weken later, in

april, hebben wij onze eerste date. Begin mei woon ik zowat bij haar en in juni

verhuist zij naar mijn dorp en trekt bij mij in. Samen met haar kind. In de

stellige overtuiging dat wij voor elkaar bestemd zijn en dat het tussen ons

gewoonweg niet stuk kan gaan. In september geven we elkaar zelfs het „ja‟woord,

als formele bevestiging van onze liefde.

Er gebeuren dingen. Gevoelens veranderen. Althans, bij mij. Ik word door

haar opgesloten in een harmonieus gezin en huiselijk geluk, waarin ik me

steeds meer gevangen ga voelen. Ik probeer het haar duidelijk te maken, maar

ze ziet het niet of ze wil het niet zien.

Ik neem een besluit, exact twee maanden na ons huwelijk. Het is net

november geworden en ik verbreek onze relatie. Precies 220 dagen - ongeveer

31 weken oftewel iets meer dan 7 maanden - nadat ik haar eerste emailbericht

onder ogen had gekregen.

Ik denk aan de gebeurtenissen van gisteravond. Ik zie haar nog

zitten als ik mijn eigen huis binnenstap. Ze reageert hoogst

verbaasd en is in het geheel niet voorbereid op wat er gaat komen.

Ze kan ook niet weten dat ik ongeacht de consequenties de kogel

door de kerk ga jagen.

Ik zie ook even later haar twee broers binnenstuiven. Die gaan

mij wel eens eventjes mores leren. Geen goed woord hebben ze

voor me over. Ze vragen me agressief waarom ik de bruiloft heb

doorgezet. Ik wist toch waaraan ik was begonnen? Ik was toch

volledig op de hoogte van de situatie en de toestand, waarin zij

gevangen zit?

Ze vragen me ook of ik me wel realiseer welke schade ik heb

berokkend. Ze doelen daarbij niet eens op haar, maar

voornamelijk op de schade die ik heb berokkend bij het kind, haar

kind. Ik ben het, die er met mijn volle verstand een onschuldig

kind in heeft betrokken. Ze houden me voor van alles

verantwoordelijk. Ik ben het, die haar en haar kind uit hun stabiele

omgeving heeft gehaald. Ik ben het, die ervoor gezorgd heeft, dat

zij alle schepen achter zich heeft verbrand.


Het is duidelijk hoe ze over me denken, ik deug voor geen meter.

Ik heb ook geen ruggengraat. Want nu ik haar klaarblijkelijk niet

meer zo zie zitten en wat tegenslag ondervind, ben ook ik het, die

zomaar het bijltje erbij neergooit. Zonder rekening te houden met

haar gevoelens, en al zeker niet met de gevoelens van haar kind.

Over en uit. Week 34, woensdag.

Twaalf dagen geleden is het alweer, dat ik het definitief met haar

heb uitgemaakt. Ik zie haar nog voor me staan, rechtop met allebei

haar handen in haar zij. Ze vraagt me letterlijk waar ze aan toe is.

Ik zeg haar recht in haar gezicht dat ik het helemaal met haar heb

gehad en dat het deze keer definitief uit is.

“Daar ben ik godverdomme mooi klaar mee,” zegt ze met een

verwijtende blik, “zit ik hier, met mijn kind, moet ik weg en ik kan

nergens naartoe.”

Ze begint me verwijten te maken. Onmenselijk ben ik in ieder

geval. “Zelf zit ik er niet zo mee,” zegt ze en ze kijkt me met een

opgeluchte blik aan. “Eigenlijk ben ik zelfs blij dat ik van je af ben.

Je bent een harteloze etter. Maar voor het kind vind ik het wel erg.

Realiseer jij je dat wel? Mijn kind houdt namelijk van jou. Ze is

zelfs idolaat van je. Godverdomme, we hebben alles al gehad, alles

besproken en alles uitgesproken. Het kan vanaf nu alleen maar

beter worden. Nu zit ik met mijn kind eindelijk eens in een

normale stabiele gezinssituatie, wordt alles in één keer door jou

weggeschoffeld. Wij, mijn kind en ik in ieder geval, zijn gelukkig

geworden hier in Stompwijk. Eindelijk hebben we gevonden wat

we zo hard nodig hebben en raad eens wat er gebeurt?”

Ik hoef haar antwoord niet eens af te wachten want ik kan wel

raden welke kant het opgaat. Ik zal het wel weer gedaan hebben.

Ja hoor, daar komt ze. “Tjonge, tjonge,” zegt ze met een

verwijtende blik, “wordt het net een beetje leuk, krijg jij het op je

heupen. Ineens heb je er klaarblijkelijk geen zin meer in en ren je


zo hard als je kunt bij ons vandaan. Weg van je

verantwoordelijkheden. Je laat mij en mijn kind zomaar in de

steek. Het ergste is nog de manier waarop je dat doet, je pleurt ons

er nog gemakkelijker uit dan dat je de vuilnisbak buitenzet.”

Ze slingert nog meer naar mijn hoofd, maar ik luister er niet

meer naar. Het heeft nu ook geen zin meer een discussie te

voeren. Ik heb mijn besluit genomen en ik hoef het nu alleen nog

maar uit te voeren. Toch krijg ik weer de bijna onbedwingbare

behoefte om net als in de afgelopen weken de deur uit te lopen.

Niet om ergens naartoe te gaan, maar om bij haar vandaan te zijn.

Ik kan nu wel weer voor haar weglopen, maar ik heb nog niet

nagedacht over wat ik ga doen. Maar één ding staat voor mij als

een paal boven water, ik blijf niet langer dan nodig met haar onder

hetzelfde dak wonen.

Ik denk dat ik morgen maar eens naar Andries ga. Hij is mijn

beste vriend en hij was mijn getuige op onze bruiloft. Hij heeft een

boerderij in het oosten van het land en ik ben er altijd welkom. Ik

kan daar mooi mijn gedachten verzetten en als ik hier weg ben,

dan kan zij in alle rust, hoe betrekkelijk dan ook, bedenken waar ze

naartoe gaat en wat ze gaat doen.

Ik wil de nacht niet met haar in één bed door brengen en ik zeg:

“Jij slaapt vannacht in het logeerbed.”

Ze protesteert en ze zegt dat ik het lazarus kan krijgen. Als er

iemand in het logeerbed slaapt, dan ben ik het en zij zeker niet.

Het maakt me niet uit en ik zeg gedecideerd: “Het maakt me niet

uit waar ik slaap, als ik maar niet naast jou hoef te liggen.”

“Maar als mijn kind ziet dat we apart slapen, dan weet ze direct

dat er iets aan de hand is,” zegt ze, “wat moet ik haar vertellen?”

“Maakt het uit wat ik zeg?” stel ik als wedervraag en ik voeg

eraan toe: “Jij doet uiteindelijk toch wat jij zelf wilt. Ik verdenk je

er zelfs van dat je het kind al op de hoogte hebt gebracht.”


Het kind gaat naar bed en ze gaat direct met haar kind mee naar

boven. Ze vertelt me dat ze bij haar kind in bed gaat slapen en ze

wenst me welterusten. Als ze de deur van de woonkamer

dichtdoet, haal ik opgelucht adem.

Ik ga wat op het Internet surfen en ik speel een spelletje op de

computer. Het wordt een uur of twee en ik ga ook naar bed. Ik

neem nog even een douche en als ik mijn bed in wil kruipen, ligt

zij er in.

Ze slaat het dekbed open en ze nodigt me op die manier uit om

naast haar te komen liggen. Terwijl ze me indringend aankijkt,

loop ik de kamer uit. Ik duik het logeerbed in en niet lang daarna

val ik in slaap.

Het wordt ochtend en ik pak mijn koffer. Het kind is door haar

moeder al op de hoogte gebracht dat ik vertrek en ze vraagt aan

me: “Papa, waarom ga je weg? Waar ga je naartoe?”

Ik vertel het kind dat ik Andries ga helpen met het bouwen van

een stal. Als ze me mist kan ze me altijd bellen of een sms sturen.

Het kind is echter niet gek. “Hebben jullie erge ruzie?” vraagt ze.

Ik voel me niet de aangewezen persoon het kind meer te

vertellen en ik zeg: “Dat moet je maar aan je moeder vragen als ik

weg ben.”

Zij staat op een afstandje naar mij en het kind te kijken en ze zegt

niets. Het kind vraagt: “Hoe lang blijf je weg, papa?”

“Net zo lang als het nodig is om de stal af te maken, schatje,”

antwoord ik en ik werp haar moeder een veelbetekende blik toe.

Na een autorit van twee uur kom ik bij Andries aan. Hij komt

naar buiten en begroet me hartelijk. “Je mag me feliciteren,” zeg ik

lachend tegen hem, “vandaag ben ik precies twee maanden

getrouwd.”

“Nou, proficiat dan maar,” zegt hij met een hoofdschuddend

gebaar, “kom maar snel binnen en vertel me het hele verhaal maar

eens.”


Ik wist het echt niet. Week 34, zaterdag.

Ik logeer twee dagen bij Andries als mijn mobiele telefoon gaat.

Het is Klaas, de oudste van haar twee broers, die benieuwd is naar

mijn kant van het verhaal. Ik zeg hem dat het een lang verhaal gaat

worden en dat ik de telefoon daarvoor niet zo‟n geschikt medium

vind. Klaas zegt: “Ik ben de gehele dag op kantoor en je bent nu

welkom.”

“Ik kom er direct aan, over ongeveer twee uurtjes ben ik bij je,”

zeg ik tegen hem en we beëindigen het telefoongesprek.

Ik voel enige opluchting, want met Klaas kan ik wel praten. “Ik

hoop dat ik met hem vandaag al spijkers met koppen kan slaan,”

zeg ik tegen Andries, “ik ga direct weg en ik kom in de loop van de

avond weer terug.”

Ik stap in mijn auto en ik rijd naar het kantoor van Klaas toe. Ik

word ontvangen in de spreekkamer van het kantoor van het

familiebedrijf. Haar broer Tom, de jongste van de twee, is er ook.

Ik krijg een kop koffie en ik doe mijn relaas. Het gesprek duurt

meer dan een uur.

Er is iets wat me opvalt. De broers vragen me keer op keer:

“Wist je het dan echt niet?”

Terug naar huis. Week 35, vrijdag.

Ik ben nu bijna een week in het oosten en ik begin de kriebels te

krijgen. Zij moet nou toch wel van de eerste schrik bekomen zijn

en nagedacht hebben over hetgeen ze kan gaan doen. Ik hoop dat

ze dat al een beetje weet en dat ze in actie is gekomen. Maar mijn

hoop blijkt ijdel, want er gebeurt helemaal niets. Ze doet niets

anders dan klagen en van Klaas krijg ik, in tegenstelling tot wat hij

heeft beloofd, geen enkel teken van leven. Ik heb regelmatig

contact met haar, zowel via e-mail als de telefoon.


Het zijn vreemde gesprekken die ik met haar voer. Zij is,

begrijpelijk, onzeker over haar toekomst. Ze vraagt dan ook

steevast of ik mijn belofte, dat ik haar zal helpen om op de rit te

komen in het geval dat het tussen ons spaak zou lopen, ga

nakomen. Elke keer vraagt ze ook of ik me echt aan mijn belofte

ga houden en elke keer weer bevestig ik het.

Ik probeer haar uit te leggen dat zij het zelf moet doen en dat ik

alleen maar kan helpen. Ik zeg: “Het is jouw toekomst en jij moet

zelf bepalen hoe je die tegemoet gaat. Ik kan met je meedenken en

ik kan je steunen, in bijvoorbeeld financiële zin. Maar meer doen

kan ik niet.”

Helaas begrijpt ze me niet. Ze verheft de situatie waarin ze

vroeger leefde tot ideaal en ze klaagt over het feit dat ze er niet

naar terugkan. “Alles is weg,” huilt ze, “mijn huis en mijn baan. Ik

moet helemaal opnieuw beginnen en ik heb helemaal niets meer.

Het enige dat ik nog heb zijn zorgen en de verantwoording voor

mijn kind.”

Een bijna onweerstaanbare drang komt bij me op om haar te

vertellen dat het haar eigen schuld is. Zij heeft immers zelf haar

baan en huurcontract opgezegd, ondanks mijn uitdrukkelijke

protesten. Maar ik bedwing het en ik houd mijn mond.

Haar klaagzang gaat over in een andere toon en ik word

onderwerp van haar relaas. “Jij hebt het maar gemakkelijk,” zegt ze

verwijtend, “jij gaat strakjes door alsof er niets is gebeurd. Alsof ik

en mijn kind er nooit zijn geweest. Het enige dat ik je vraag is, me

te helpen en het enige dat ik zie, is dat je maar in het oosten van

het land niets zit te doen.”

“Wat is het dan dat je precies van me verwacht?” vraag ik. “Ik

kan toch niet bedenken wat jij moet gaan doen? Of moet ik een

huis voor jou gaan zoeken? Of een baan? Dat kan ik toch niet, dat

zul je echt zelf moeten doen. Ik zal je, als je eenmaal weet wat je

wilt, echt wel helpen waar nodig. Zoals ik heb beloofd.”

“Maar ik kan toch alleen maar terug naar Rhoon,” beweert ze,

“niet eens voor mezelf, maar voornamelijk voor mijn kind. Met


alles wat er gebeurd is en nog gebeuren gaat, is dat de enige

mogelijkheid. Zij moet terug naar de veilige en vertrouwde

omgeving van Rhoon. Alleen dan kan al het leed dat jij mijn kind

aandoet, enigszins worden verzacht.”

Ze gaat verder: “Helaas zijn er in Rhoon geen huizen te vinden

die binnen mijn budget passen. Daarbij heb ik niet eens een

budget omdat ik geen baan en dus geen inkomen heb. Ik kan niet

eens iets huren of kopen, dus al zou ik terug willen, ik kan niet het

eens.”

“Maar wat ga je dan doen?” vraag ik. “Je kunt toch niet blijven

wachten tot er een goede fee voorbijkomt die een huis en een baan

voor je tovert?”

“Ik heb toch niets te willen?” jankt ze. “Ik weet toch niet waar ik

naartoe moet?”

“Als je in Rhoon niets kunt vinden, dan zul je toch naar iets

anders moeten uitwijken,” zeg ik, “je hebt tenslotte geen keus.”

Ze vervalt in herhalingen. Ze protesteert. Er is maar één plek

waar ze naartoe kan, en dat is Rhoon.

Ik gooi het over een andere boeg. Ik vraag haar of ze bereid is

naar mogelijkheden te zoeken in plaats van steeds alle

onmogelijkheden op te sommen.

Haar reactie is al bijna voorspelbaar voor me: “Verwacht jij

ineens iets van mij? Hoe haal je het in je hoofd? Jij bent het, die

mij en mijn kind er gewoon uitpleurt. Jij bent het, die beloofd

heeft mij weer op de rit te zetten als het spaak zou lopen.”

Ze komt geen spat verder. Ik zie haar worstelen en ik realiseer

me dat ze er gewoon niet toe in staat is. In tegenstelling tot wat ik

lang gedacht heb.

Ik zie haar nog staan. Tijdens onze eerste heftige ruzie. Met het

vuur in haar ogen, haar ene hand in haar zij en haar vinger van de

andere hand heen en weer wapperend: “Jij denkt toch niet, dat als

jij mij dumpt, dat ik je ga smeken of ik bij je mag blijven? Ne pas!

Wie denk jij wel, die je bent? Ik zet dan gewoon mijn kind in mijn


auto en ik vertrek. Ik kijk wel waar ik terecht kan en hoe ik er

bovenop kom. Dat heb ik mijn hele leven al gedaan, dus dat zal

dan ook wel weer lukken. Het enige dat ik van je verwacht, is dat

je mij en mijn kind helpt zolang we nog niet op de rit staan.”

Ik zie het schrille contrast en ik weet dat er iets moet gebeuren.

Ik besluit naar het westen terug te gaan. Want één ding weet ik

zeker: Als ik niets doe, gebeurt er waarschijnlijk helemaal niets.

Ik bel mijn advocaat uit de auto en ik vraag hem om raad. Ik

vraag hem ook wat mijn „worst case‟-scenario is. Hij vertelt het me

en daar schrik ik wel een beetje van. Hij zegt: “Bij een

echtscheiding van tafel en bed zal zij de voorzieningenrechter

vragen om het woonrecht op jouw huis. Het is namelijk het

ouderlijke huis, schrik niet, van jouw gezin en het belang van het

kind wordt dan de bepalende factor. Het kind zit in Stompwijk op

school en haar thuis is toevallig wel jouw huis. Als zij dan ook nog

eens de echtscheiding tegenwerkt en het aanvecht, dan zou het wel

eens negen tot twaalf maanden kunnen duren voordat jij je eigen

huis weer in kan. Let wel, je mag in de tussentijd niet eens een voet

over je eigen drempel zetten zonder haar uitdrukkelijke

toestemming.”

Ik besluit Klaas te bellen en ik vraag hem om hulp. Ik vertel hem

over de impasse waarin ik met zijn zus zit. Hij reageert net zoals

zijn zus en hij zegt: “Jij bent het, die een probleem heeft. Jij bent

het immers, die van haar af wil. Je zult dus zelf naar een

bevredigende oplossing moeten zoeken.”

Ik wijs Klaas op de rol die hij vervult binnen zijn familie. Ik weet

dat hij die morele plicht nu eenmaal heeft. Uiteindelijk kan hij er

toch niet onderuit komen en zal hij zijn zus moeten helpen.

“Ik help haar mijn hele leven al,” zegt hij, “en nu ben ik op het

punt gekomen dat ik het niet meer doe. Het is vechten tegen de

bierkaai en ze leert het toch nooit. Ze moet het nu zelf maar eens

een keertje oplossen. Ik vind jou een aardige vent, daar ligt het niet


aan, maar ik ga je niet helpen. Ik weet dat het vervelend voor jou

is, maar ik kan er helaas niets anders van maken.”

Ik probeer hem nog een keer mijn kant van de zaak te laten zien,

maar hij is er totaal ongevoelig voor.

Ik gooi het over een andere boeg. “Pas op, Klaas,” dreig ik, “je

dwingt mij op deze manier straks een verschrikkelijk flauw

spelletje te moeten gaan spelen.”

Klaas geeft me een duidelijk antwoord. “Dat moet je dan maar

doen,” zegt hij. Hij voegt er ook nog aan toe: “Ik ken die spelletjes

echt wel. Denk jij soms dat ik ze ook niet kan spelen?”

“Daar gaat het niet om, Klaas,” zeg ik tegen hem, “ik zeg alleen

maar dat ik het ga doen, als ik geen andere uitweg meer zie.”

Ik probeer het nog maar eens een keer. “Klaas,” begin ik, “als we

flauwe spelletjes gaan spelen, dan is daar uiteindelijk toch niemand

bij gebaat?”

Ik zet mijn opmerking nog wat kracht bij door mijn kant van de

zaak nog eens te belichten. Hij luistert amper en ik smeek hem

zowat als ik vraag: “Klaas toch, je moet toch met me eens zijn dat

er iets moet gebeuren? Je weet dondersgoed dat jouw zus het zelf

niet kan en ik vraag je om hulp. Als jij me niet helpt dan laat je me

toch geen andere keus dan flauwe spelletjes te gaan spelen?”

Klaas reageert laconiek en zegt vlak voor hij de verbinding

verbreekt: “Het maakt me echt niet uit wat je doet en ik zie het

wel. Gegroet.”

Van Klaas hoef ik dus geen hulp te verwachten, maar er moet

wel iets gaan gebeuren. Ik besluit als eerste om zelf maar eens op

jacht te gaan naar een huis voor haar en ik kijk naar zowel huur-

als koopwoningen. In eerste instantie zoek ik binnen Rhoon, maar

al snel krijg ik in de gaten dat zij gelijk heeft. Er is daar werkelijk

niets te vinden. De enige mogelijkheid die ik vind, is inschrijven op

een wachtlijst en als ze geluk heeft, komt ze op z‟n vroegst over

een jaar of drie in aanmerking voor een huurwoning.


Ik breid mijn zoekgebied uit naar gemeenten naast Rhoon en al

snel vind ik een aantal mogelijkheden. Ik neem meteen een optie

op een direct te betrekken huurwoning in Barendrecht, in een

spiksplinternieuwe flat. Ook vind ik daar nog een gemeubileerde

woning, die per direct te betrekken is. Ik vraag de makelaars de

documentatie op te sturen naar mijn huisadres. Ik doe het expres,

want ik weet dat zij de brievenbus leegt en ik hoop dat ze deze

post onderschept.

Als de volgende dag mijn mobiele telefoon gaat, blijkt dat ik het

goed heb ingeschat. Ze is werkelijk in alle staten. “Wil je ons

helemaal in Barendrecht wegstoppen?” schimpt ze. “Dan heb je

het wel heel slecht voor met mij en mijn kind. Als je ons aan de

zelfkant van de maatschappij wilt brengen, dan moet je daar zeker

een woning voor ons huren. Noem je dat helpen? Is dat jouw idee

van een belofte nakomen?”

Het maakt me niet uit. Zelf is ze nog niet verder gekomen dan

klagen over het feit dat ze niet terug kan naar haar dorp.

Bij toeval loop ik tegen een te huur staande, volledig

gemeubileerde vakantiebungalow aan, nog geen tweehonderd

meter bij mijn huis vandaan. Per direct te betrekken.

Ik krijg een idee. Ik ga die bungalow gewoon voor haar huren,

dan kan ik in ieder geval mijn eigen huis weer in.

Ik bel voor de zekerheid eerst mijn advocaat en ik vertel hem wat

ik van plan ben. Hij zegt: “Ik vind het een uitstekend idee. Op

deze manier neem je haar alle wind uit de zeilen. Ook laat je

merken dat je begaan bent met hun lot. En met de keuze van dit

huis blijf je in de buurt van haar kind, dus dat bewijst dat je ook

nog eens begaan bent met haar lot. Mocht je voor een rechter

komen te staan, dan werkt dit zeker in je voordeel.”

Hij raadt me aan om foto‟s van de bungalow te maken. “Dat is

handig, mocht er een zaak komen,” voegt hij eraan toe.

Ik bel de makelaar, maak een afspraak met hem en ik neem een

optie op de bungalow. Direct daarna dicht ik haar een fraaie e-mail


waarin ik aangeef, dat ik de ideale tussenoplossing heb gevonden.

Ik huur de bungalow voor haar en het kind, zodat zij in alle rust

naar een baan en een nieuwe woning kan uitkijken. Het kind kan

gewoon op school blijven tot de nieuwe woonsituatie bekend is en

ik ben in de buurt van het kind, voor het geval ze me nodig heeft.

Het duurt niet lang voordat er een „reply‟ in mijn postvak valt.

Hij begint met: “Ben je nou helemaal van de pot gepleurd...”

Het spel is begonnen. Ik weet het al, maar zij kan het hooguit

vermoeden. Ik ga een hard tegen hard spelletje spelen. Ik kan niet

anders, ik moet wel.

Ik besluit nog één nachtje weg te blijven, maar haar een

voorbode te sturen dat haar iets staat te gebeuren. Ik stuur haar

een sms met de tekst: “Hallo schatje, ik zit nog bij Rutger en ik

neem nog één biertje. Je ziet me wel verschijnen.”

Ik laat haar daarmee, in de wetenschap dat ze niet tegen dit soort

onzekerheden kan, volledig in het ongewisse.

Spelletjes spelen. Week 36, zondag.

Het is de volgende avond wanneer ik mijn huis binnenga. Het is

half acht als ik de woonkamer binnenstap. Zij zit met haar kind

naar de tv te kijken en ze kijkt me heel verbaasd aan. Ze vraagt aan

me: “Wat kom jij hier nou in hemelsnaam doen?”

Ik zeg: “Ik woon hier, weet je wel. En ik ben terug.”

Het kind schrikt zichtbaar en weet in eerste instantie niet wat ze

met me aanmoet. Ik weet niet wat haar moeder haar verteld heeft,

maar ik kan me er wel iets bij voorstellen. Ik zie aan haar

lichaamstaal dat ze ergens over aan het twijfelen is. Ineens staat ze

op, ze bespringt me en ze klampt zich letterlijk aan me vast.

“Hallo schatje,” zeg ik, “ik ben blij dat ik je weer zie.”

“Ik ben zo blij dat je weer thuis bent, papa,” zegt ze, “ga je nu

nooit meer weg?”


Als blikken kunnen doden, dan had ik dit niet meer in kunnen

tikken, zo vuil als haar moeder me nu aankijkt. Het gaat, zoals ik al

weet, een vreselijke scène worden en ik zet hem in. “Ja wijfie, ik ga

niet meer weg,” zeg ik tegen het kind, “maar jouw moeder wel en

helaas moet jij met haar mee.”

“Vuile asbak,” haalt zij direct uit, “je gaat gewoon mijn kind

misbruiken om je eigen zin door te drijven.”

Ik houd het kind stevig vast en ik kijk haar moeder met een

spottende blik aan. “Ga me niet vertellen dat ik je hier niet voor

gewaarschuwd heb,” zeg ik tegen haar, “ik voel me ook in het

geheel niet schuldig. Als er iemand is die zich schuldig moet

voelen, dan ben jij het wel. Ik heb een streep getrokken en vanaf

nu kom ik alleen nog maar op voor mijn eigen belangen.”

Ze kent me inmiddels goed genoeg om te weten dat het me ernst

is en ze probeert iets anders. “Kunnen we hier niet als

volwassenen over praten?” vraagt ze.

Ik antwoord: “Volgens mij zijn we dat stadium allang voorbij.

Het is al een dag of twaalf dat ik dat probeer. Ik zie niets en ik

hoor niets. Maar goed, laten we het nog maar eens een keertje

proberen. Ik ben er nu toch.”

Het gesprek ontaardt echter binnen enkele momenten in een

ordinaire ruzie. Het kind zit op mijn schoot en ze bemoeit zich

ermee. Ze vindt dat haar moeder en ik niet van die lelijke dingen

tegen elkaar moeten zeggen.

Ineens stapt ze van mijn schoot af en ze gaat demonstratief bij

haar moeder zitten. Het kind trekt duidelijk partij en kijkt mij met

een verwijtende blik aan. Haar moeder maakt me weer het verwijt

dat ik het kind in de ruzie betrek.

Ik beaam het en ik zeg tegen haar: “Stuur het kind dan ook naar

boven. Dan kunnen wij als twee volwassenen elkaar ongeremd en

ongecensureerd voor rotte vis uitmaken. Dat is het toch, wat jij

wilt? Niet constructief naar een oplossing zoeken, maar gewoon

lekker janken en hardop schelden?”


In plaats van het kind weg te sturen, drukt ze het nog vaster

tegen zich aan. Alsof het kind haar voor mij moet beschermen. Ik

besluit de wijste te zijn en ik zeg tegen het kind: “Ik moet met je

moeder alleen praten, een „grote mensen‟-gesprek voeren. Weet je

wel, van die gesprekken waar jouw moeder en ik er de laatste tijd

iets te veel van gehad hebben. Ik wil dan ook dat je nu direct naar

je kamer gaat en ik duld geen tegenspraak.”

Ik kijk het kind dwingend aan en ze gehoorzaamt. Ze staat met

duidelijke tegenzin op. “Gaan jullie het uitmaken?” vraagt ze bij

het verlaten van de kamer.

De deur is nog niet dicht of ze begint me uit te foeteren. Ze

dreigt dat ze 112 gaat bellen en dat de politie me er wel uit zal

gooien.

Ik lach haar midden in haar gezicht uit, waardoor ze mogelijk

nog kwader wordt. Ik zeg: “Ik ben de brave, liefhebbende

huisvader die terugkomt naar zijn gezin. We hebben een ruzie

gehad, dat is waar, maar ik kom terug met de intentie om het goed

te maken. We zijn nota bene net getrouwd. Denk jij werkelijk dat

je een zodanig verhaal kunt ophangen dat ze me eruit gooien? Ik

hoop het overigens wel, want dan gebeurt er tenminste iets.”

Ik kijk haar spottend aan. “Bel dan,” sar ik haar, “alsjeblieft, bel

dan.”

Ik ga door. “Je hebt een beetje buiten de waard gerekend,” zeg

ik, “hoe lang denk je dat ik met me laat sollen? Tot op heden ben

ik ervan uitgegaan dat we dingen als volwassen mensen kunnen

oplossen, ik zie echter helemaal niets gebeuren. Je weigert elke

medewerking en je jankt alleen maar dat je nergens naartoe kunt

en dat je niets meer hebt. Er rest mij niets anders meer dan jou er

gewoon uit te pesten en dat is wat ik nu ga doen. Ongeacht de

consequenties, ongeacht jouw opvatting daarover en ongeacht wat

het met je kind gaat doen. Het is jouw keuze om een spelletje met

me te spelen en je kent me goed genoeg om te weten wat dat

betekent. Alles wat je doet of verzint laat me volledig koud. Wat je

ook doet of welk argument je ook aandraagt.”


Ik voeg er ook nog aan toe: “By the way, morgen heb ik een

afspraak met de makelaar om die vakantiebungalow voor je te

huren. Het kan me niet schelen of je het ermee eens bent of niet,

ik huur hem gewoon. Jij gaat daar fijn met je kind wonen, al moet

ik je er aan je haren naartoe slepen.”

Ze gaat, zoals verwacht, volledig door het lint. Ze vertelt me dat

ze die bungalow zeker niet ingaat. Als ik haar dwing met fysiek

geweld, dan zal ze vechten tot ze er dood bij neervalt. Ik ben een

harteloze etter en ik heb geen enkel gevoel voor haar situatie en

dat van haar kind. Ze trekt haar arsenaal nog verder open en ze

begint me te beschimpen. Ineens ben ik een waardeloze minnaar.

Ik ben impotent, zielig en ik heb een heel klein dingetje. Ze vertelt

me door wat voor hel ze is gegaan. Hoe erg het is om elke avond

met me naar bed te moeten en hoe erg het is om elke ochtend

naast me wakker te worden.

Het maakt me niet uit wat ze zegt en het raakt me nauwelijks. Ik

glimlach naar haar en ik kan het niet laten een pesterige opmerking

te maken. Ik zeg: “Natuurlijk schat, ik hou ook heel veel van jou.”

God, wat is ze boos. Ze blijft maar razen en tieren. Ze doet maar

en ik doe net alsof ik niets hoor. Ik pak mijn laptop en ik ga

demonstratief aan de grote tafel zitten. Zij loopt scheldend heen

en weer terwijl ik haar volledig negeer. Ineens gaat ze naar boven,

waarschijnlijk haar kind instoppen. “Even rust,” denk ik bij mezelf

en ik ga naar de keuken om een kop thee voor mezelf te maken.

Even later komt ze de huiskamer weer binnen en ze kijkt me

verwijtend aan. Ik verwacht dat ze weer tegen me gaat foeteren,

maar na verloop van tijd gaat ze voor de tv zitten. Ik doe net alsof

ik een beetje op het internet surf, maar natuurlijk heb ik mijn

gedachten er niet bij. Ik ben benieuwd wat het volgende is, dat er

gaat gebeuren.

Na een klein uurtje gaat de voordeurbel. Ik heb niet eens lang

hoeven te wachten, want haar twee broers komen op bezoek. Ze

zijn gealarmeerd door het kind.


Het wordt handjeklap. Niet tussen haar en mij, maar tussen

Klaas en mij. Commitments over en weer worden omgezet in geld

en in een verdeling van spullen. Hij vraagt me hoeveel haar vertrek

me waard is. Bloedgeld noemt hij het, een afkoopsom voor mijn

geweten. De familie is het roerend over één ding eens, de prijs die

ik moet gaan betalen, moet hoog zijn, erg hoog. Want wat ik ook

ga betalen, het zal nooit genoeg zijn om al het leed, dat ik heb

veroorzaakt, te compenseren.

Desondanks is Klaas redelijk goed in staat aan al dat leed een

prijs te koppelen. Het is net zo hoog als het bedrag dat ik hem al

eerder heb voorgesteld. Ik twijfel dan ook geen seconde en ik ga

direct akkoord. Ik loop naar de computer en ik type de gemaakte

afspraken in. Het komt er in het kort op neer dat zij instemt met

een echtscheiding, ik het overeengekomen bedrag betaal, zij wat

spullen meeneemt, zij mijn huis uiterlijk over een maand verlaat en

dat we elkaar finale kwijting verlenen.

Ik print de tekst in tweevoud uit, één exemplaar voor haar en één

exemplaar voor mij. Mijn opluchting is groot wanneer de

handtekeningen op papier worden gezet.

Tegelijk bekruipt me het triomfantelijke gevoel dat hoort bij een

overwinning. Ik kan het niet helpen, het gebeurt me gewoon. De

aard van het beestje, zal ik maar zeggen. Want als ik ga spelen, dan

doe ik er ook alles aan om te winnen en ik heb mijn zin gekregen.

Klaas maakt me een verwijt. Hij vindt dat ik een vuil spelletje heb

gespeeld, over de rug van een onschuldig kind. Feitelijk heeft hij

gelijk en ik heb hem dat niet alleen verteld, maar er ook voor

gewaarschuwd. Meerdere malen zelfs.

Ik beaam zijn aantijging en ik voeg eraan toe dat niet ik het ben,

die ervoor gekozen heeft om spelletjes te gaan spelen.

Eventjes lijkt hij echt boos te worden. “Je doet zoiets niet als er

een onschuldig kind bij betrokken is,” zegt hij met een verwijtende

blik.


“Precies,” reageer ik in een ogenblik, “daar ben ik het volledig

mee eens.”

Het sarcasme druipt van mijn opmerking af. Ik kan niet aan hem

zien of hij de strekking van mijn opmerking begrijpt of wil

begrijpen.

Twee verschillende vrouwen.

Terwijl ik me in mijn smalle bedje omdraai, haal ik het beeld van

haar, zoals ze er gisteravond bijzat, voor mijn geest en ik zet het af

tegen het beeld van de vrouw, die ik zeven maanden geleden heb

leren kennen. Het lijken wel totaal verschillende vrouwen. Zo

mooi als ze was toen ik haar voor het eerst zag, zo slecht ziet ze er

nu uit. Ze was altijd al heel erg slank, maar nu is ze heel erg mager.

Haar wangen zijn ingevallen en haar ogen liggen diep. De zorgen

zijn direct van haar gezicht af te lezen. Maar dat zijn slechts de

uiterlijke kenmerken. Het onderlinge begrip dat wij voor elkaar

hadden is ook volledig verdwenen. We maakten alleen nog maar

ruzie. Heftige ruzie. Of we zeiden maar niets meer tegen elkaar.

Helemaal niets.

Net als gisteravond. Vanaf het moment dat haar broers het huis

binnenkwamen, heeft ze nauwelijks nog iets gezegd. Sterker nog,

ze heeft zich nauwelijks met iets bemoeid.

Ik sprak met Klaas over haar alsof ze één of andere patiënt is, die

niet bij machte is een woordje mee te spreken. Net alsof twee

doctoren een inhoudelijk en ingewikkeld probleem bespreken in

het bijzijn van hun patiënt.

De ene: “Collega, wat denk jij? Zullen we snijden of zagen?”

De andere antwoordt: “In mijn optiek is snijden het beste.”

De eerste knikt daarop bevestigend en besluit de patiënt ook van

de keuze op de hoogte te brengen. “Het wordt snijden,” meldt hij


de patiënt op een manier, die geen enkele reactie of tegenwerping

vraagt.

Zij zat er maar bij. Volkomen onbewogen. Tot aan haar gevraagd

werd of er nog persoonlijke dingen waren die ze per se mee wil

nemen. Ze zei: “De Harley-Davidson.”

De Harley had ik weliswaar voor haar gekocht, maar niet aan

haar gegeven. Ik weigerde dan ook resoluut. “Maar het is mijn

Harley,” protesteerde ze emotioneel, “ik heb hem nota bene als

cadeau voor mijn huwelijk gekregen!”

Ik reageerde direct en ik zei tegen Klaas: “Over mijn lijk. Een

Harley-Davidson heeft in mijn optiek niets te maken met haar op

de rit zetten. Jullie kunnen op je kop gaan staan, die Harley is van

mij en hij blijft hier.”

Mijn standpunt was helder en Klaas knikte begrijpend. Hij zei

dwingend tegen zijn zus: “De Harley blijft hier.”

Ik verwachtte nog een tegenreactie van haar, maar die bleef uit.

Ze zat alweer voor zich uit te staren.

Ze krijgt van mij een heel mooi, met de hand geborduurd jurkje. Het staat

haar geweldig en ze is er helemaal mee in haar sas. Ze gaat het dragen met

Kerstmis.

Ineens is ze haar jurkje kwijt, omdat ik het per ongeluk meegenomen had

naar het oosten. Ik had het gevonden tussen mijn kleren en ik had het nog aan

Andries laten zien. Ik vroeg hem hoe het me zou staan.

“Heel goed, denk ik,” grapte hij, “maar het is nogal kort. Dan moet je wel

je benen scheren of zwarte panty‟s aandoen.”

Ze vraagt me twee keer per e-mail of ik weet waar haar jurkje is. Ik doe

alsof mijn neus bloedt en ik kan het niet laten om voor haar te verzwijgen dat

ik het heb. Ik begrijp niet dat ze zich, in deze situatie, druk kan maken over

een jurkje. Ik begrijp sowieso niet dat ze het heeft gemist.

De afspraken zijn gemaakt en de handtekeningen staan op

papier. Ik pak mijn computer in en ik loop nog even naar de


adkamer om wat toiletspullen te pakken. Klaas en Tom blijven

met hun zus aan de grote tafel zitten. Ik kom terug om afscheid te

nemen en Klaas staat op om me uit te laten.

Zij komt achter Klaas en mij aan. “Heb je echt geen idee waar

mijn jurkje is?” vraagt ze aan me, wanneer ik de deur uitloop.

Haar kind, het arme kind.

Gelukkig is nu alles helder en duidelijk afgesproken. De grote lijn

staat op papier en nu hoeft de zaak alleen nog maar afgewikkeld te

worden. Ik mijmer nog een beetje door en ik denk aan het kind,

haar kind.

Het arme kind. Papa noemt ze me. Ik wist niet wat het was om

een kind te hebben, want ik heb er zelf nooit één gehad. In eerste

instantie moest ik haar kind voor lief nemen, want het was een

„package deal‟. Ik kreeg het kind tenslotte tegelijk met haar

moeder.

Met de tijd veranderde mijn gevoel echter voor het kind. Ik ging

zelfs om haar geven. Ik merkte dat ik het leuk begon te vinden om

dingen met het kind te doen.

Andersom was het ook zo en de band tussen mij en het kind

werd steeds sterker. Het kind was door mijn invloed en

bemoeienis veel evenwichtiger geworden in vergelijking met toen

ik haar net had leren kennen. Ik had het niet bewust gedaan, maar

ik had het kind in bescherming genomen tegen het inconsequente

en wispelturige gedrag van haar moeder. Er ontstond een stabiele

en rustige situatie, waarin het kind duidelijk gedijde. Haar moeder

begreep er echter niets van en ze kon het maar niet waarderen, hoe

het kind en ik met elkaar omgingen.

Het is pas sinds kort dat ik me in de volle omvang realiseer wat

het kind al voor haar kiezen heeft gekregen. Erger nog, ik realiseer

me ook wie dat heeft gedaan!


Het kind heeft haar moeder niet kunnen uitkiezen. Ze is net

negen jaar geworden en ik denk dat ik weet wat het lot van het

kind wordt. Ze krijgt waarschijnlijk dezelfde problemen als haar

moeder.

Ik realiseer me ook dat ik voor het kind niets meer kan

betekenen. Ik verlaat haar moeder en die kan niet anders dan haar

kind met zich meenemen. Ik zou graag een positieve bijdrage

willen blijven geven aan de opvoeding van dit kind, maar dat is

helaas niet haalbaar. Ik weet dat en haar broers weten dat. Het

kind heeft rust en stabiliteit nodig. En met de scheiding die komen

gaat, bereik ik exact het tegenovergestelde. Ik kan maar één ding

doen om de schade te beperken. De band tussen mij en het kind

mag niet nog hechter worden en ik kan niets anders doen dan zo

snel mogelijk alle banden verbreken.

Dat haar familie is begaan met het kind is me inmiddels meer dan

duidelijk geworden. Zij weten namelijk precies hoe haar moeder in

elkaar zit. Ze kunnen niet anders dan zich erbij neerleggen en er

voor het kind het beste van proberen te maken. Het is daarom, dat

het kind zo vaak bij haar broers of oma logeert.

Tom had terloops eens een opmerking gemaakt toen ik hem mijn

visie gaf op de onrust van het kind. Hij zei: “Als ze bij mij is, dan

is het een heel lief en rustig kind en ik heb er werkelijk geen

omkijken naar. Geen onvertogen woord krijg ik en als ik haar

ergens om vraag, dan doet ze het direct. Pas als het moment

aanbreekt dat ze weer naar huis toe moet, dan wordt ze onrustig,

hyperactief en zelfs recalcitrant.”

Haar moeder had mij al verteld dat het kind altijd al

aanpassingsproblemen had als het uit logeren was geweest en dat

het er nu eenmaal bij hoorde. Ik begrijp nu pas het waarom ervan.

Het kind heeft geen problemen met het afscheid nemen van

degenen, bij wie ze gelogeerd heeft, maar reageert op het feit dat

ze terug moet naar haar moeder.


Mijn telefoon gaat. Het is oma Connie, de oma van het kind.

“Ach Gijs, wat heb ik een verdriet,” begint ze tegen me, “is er dan

geen enkele oplossing? Het is zo verschrikkelijk wat er gebeurt,

mijn hart breekt ervan.”

Ik begin haar uit te leggen wat er voorgevallen is tussen haar

dochter en mij. Ze laat me echter niet uitpraten en ze onderbreekt

me: “Ik ken mijn dochter als geen ander en ik begrijp heel goed

dat je haar verlaat. Dat hoef je me echt niet uit te leggen.”

Ik sta perplex en ik weet niet wat ik hoor. “Waarom bel je me

dan?” vraag ik haar verbaasd.

“Het kind is weer eens voor de zoveelste keer op een

verschrikkelijke manier de dupe,” zegt ze, “en ik zie hoe goed het

kind gedijt bij jou. Als ik me vervolgens realiseer dat het kind weer

terug moet naar de oude situatie, dan breekt mijn hart. Is er

helemaal niets meer aan te doen?”

Ik krijg het idee dat ze aanstuurt op een verzoening, dus ik leg

haar weer uit dat ik niet verder wil met haar dochter. Ik kom niet

ver, want weer onderbreekt ze me. Ze verzekert me dat ze me

begrijpt en vrede heeft met mijn beslissing. Ze vraagt me haar

slechts één ding te beloven: “Er te zijn voor het kind als dat me

nodig heeft.”

Ik draai me nog eens om en zie dat het pas half acht is. Ik heb

weliswaar mijn zin gekregen en ik ben definitief van haar verlost.

Toch heb ik slecht geslapen. Ik maal maar door. Wat is het toch

dat me dwars zit?

Het is een emotionele tijd geweest. In iets meer dan zeven

maanden tijd verliefd, verloofd, getrouwd én gescheiden. Met

pieken en dalen, waarbij de pieken extreem hoog waren. Helaas

waren de dalen net zo extreem diep.

Wat is er allemaal niet gebeurd? Het maalt maar door. Ik besluit

het maar eens van me af te schrijven. Dan raak ik het wellicht

kwijt. Wie weet, maak ik er ooit nog eens een boek van.


5. Getrouwd, gelukkig. Gelukkig, getrouwd.

Getrouwd. Week 24, zondag.

Ik word zoals gewoonlijk vroeg wakker en ik lig tegen mijn

kersverse echtgenote „aangenapt‟. „Nappen‟, het is het werkwoord

dat wij voor onszelf hebben verzonnen en het is synoniem voor de

wijze waarop ik met haar slaap. Het is een verbastering van

zuignappen. In een lepeltjeslepeltje houding, ik achter haar en zij in

mijn schoot, en met mijn armen strak om haar heen, slaap ik altijd

in. Dat niet alleen, maar meestal word ik ook zo wakker. En tegen

iedereen die het maar horen wil, vertel ik het. Hoe bijzonder het is

dat wij, ja wij, samen in één bed slapen. Iets dat we vroeger allebei

nooit deden. Zo veel behoefte als we vroeger hadden aan ruimte,

zo klein is de ruimte die we nu nodig hebben.

Ik ruik eens aan haar mooie donkere haar en ik bedenk me hoe

blij ik ben, dat we uiteindelijk toch met elkaar getrouwd zijn.

Gisteren zei ze „ja‟ tegen me. Als officiële bevestiging van de

bijzondere band die wij hebben. In het fraaie gemeentehuis in de

Herenstraat in Voorburg. Ten overstaan van de ambtenaar van de

burgerlijke stand en onze familie en vrienden.

Een acht meter lange „streched‟ limousine van Amerikaanse

makelij, onze trouwauto, haalt het gehele gezelschap in Stompwijk

op. Dat bestaat uit het bruidspaar, mijn beste vriend en getuige

met zijn vrouw, haar beste vriendin en getuige met haar vriend en

haar kind, vergezeld door de oudste dochter van haar getuige.

Acht mensen in totaal en we hebben dan ook meer dan genoeg

ruimte in de limousine, waar de champagne, ondanks het relatief

vroege tijdstip, al klaar staat.


De zon schijnt volop en er is geen wolkje aan de lucht te zien.

We rijden langs het kanaal naar Voorburg. We rijden de kleine

brug aan de Kerkstraat over en dat gaat maar net. Vervolgens

rijden we de Herenstraat in, maar de limousine is te lang om de

draai te maken en hij kan niet op een normale manier voor de deur

van het stadhuis komen. Ik denk dat we moeten gaan lopen, maar

de chauffeur geeft zich niet gewonnen. Er ligt een pad in de tuin

van de kerk en dit pad ligt in het verlengde van het stadhuis. De

chauffeur denkt dat we over dit pad precies voor de deur kunnen

komen.

Het is al druk in de Herenstraat en we baren veel opzien met

onze limousine. Zeker nu het ding daar staat en geen enkele kant

meer op kan. De limousine is voorzien van donker glas en je kunt

alleen maar van binnen naar buiten kijken. Het is een hilarisch

gezicht, al die mensen die van heel dichtbij proberen naar binnen

te kijken, waarbij sommigen zelfs hun neus tegen het glas aan

drukken.

Na een kleine verbouwing van twee terrassen en het verplaatsen

van een aantal tafels, stoelen en plantenbakken, lukt het de

limousine op het tuinpad van de kerk te komen. De draai gaat

maar net, de auto moet een keer of zes steken. Ook dat blijkt een

bijzonder schouwspel te zijn, want er staan, buiten onze families,

heel veel mensen te kijken als wij uitstappen.

Dat we opzien baren blijkt uit het aantal „vreemden‟ die ons

complimenteren met onze verschijning. De gemiddelde boodschap

is dat ze niet vaak zo‟n mooi bruidspaar hebben gezien. Het

verbaast me niets, want zeker zij ziet er heel bijzonder uit. Haar

doorschijnend gewaad laat meer zien dan het verhult, zonder

ordinair te zijn. Het is een doorschijnend topje met daarover

alweer een doorschijnend hesje, waardoor je net niets ziet. Haar

platte buik is bloot en ze heeft een lage, brede heupbroek aan van

hetzelfde materiaal als het hesje. Door alle lagen is er ook hier net

niets te zien. Ik loop dan ook zo trots als een pauw naast haar.


We begroeten onze families en we betreden het stadhuis. We

worden de fraaie trouwzaal in geleid, waar de ceremonie

plaatsvindt. We kennen de ambtenaar van de burgerlijke stand al,

ze was bij ons thuis geweest, en ze begroet ons hartelijk.

De ceremonie vangt aan en de ambtenaar houdt een heel mooie

toespraak. Ik kijk mijn bruid aan en er schiet een brok in mijn keel.

Ik zie aan haar prachtige ogen hoe de woorden van de ambtenaar

haar ook raken. De ambtenaar verwoordt exact wat wij voor elkaar

voelen. Het commitment dat we elkaar gegeven hebben, ons

gevoel voor elkaar, wat ons in elkaar trekt, wat ons aan elkaar

bindt. Ze gaat ook in op hoe wij vanaf nu met ons leven om willen

gaan. Open, eerlijk en met wederzijds respect. Elkaar voldoende

ruimte latend, zijn wij de perfecte aanvulling op elkaar. Kortom, ze

verwoordt precies wat voor een bijzondere band wij met elkaar

hebben.

Bizar, verschrikkelijk, ongelooflijk.

Ik kijk op de wekker en ik zie dat het pas half zeven is. Ik doezel

nog even door, terwijl zij in mijn schoot ligt te slapen. In

gedachten ga ik terug naar de periode, waarin we elkaar net hebben

leren kennen en elkaar aan het ontdekken zijn.

Bizar, verschrikkelijk, ongelooflijk. Ik heb geen woorden voor

het gevoel waarmee ik word overspoeld als ik met haar vrij. Elke

keer anders, elke keer heftiger. Ik breng uren met haar door op

haar groene stoel, aan elkaar vastgeplakt alsof we twee Pritt

plakstiften zijn. Een normaal mens zou er pijn in zijn nek van

krijgen, maar ik niet. Zij ook niet, althans, ik heb haar nooit horen

klagen.

Integendeel.


Het zijn vreemde dagen. Overdag is ze in mijn hoofd en is ze het

enige waaraan ik kan denken. Al het andere boeit me niet. Ik kan

nergens mijn aandacht op vasthouden en ik functioneer werkelijk

voor geen meter. Het enige waaraan ik kan denken, is het moment

dat ik weer bij haar kan zijn en haar weer kan aanraken. Ik ga elke

avond naar haar toe en ik gedraag me in eerste instantie als een

gewone vriend voor het kind, niet haar „lover‟. Maar dat vind ik

niet erg, zolang ik maar bij haar in de buurt kan zijn.

Wanneer het kind op bed ligt, dan begint het. Ik ga met haar

werkelijk door elk denkbare barrière. We proberen rekening te

houden met het kind dat op bed ligt en hopelijk slaapt. Echter,

elke keer gaan we over het punt heen, dat we nergens rekening

meer mee kunnen houden. Telkens weer nemen we ons voor om

het niet meer zover te laten komen. En elke keer weer mislukt het

en overschrijden we die denkbeeldige lijn.

Omwille van het kind vindt zij het niet goed dat ik bij haar blijf

slapen. We verliezen echter elk gevoel voor tijd en het is elke keer

al vreselijk laat wanneer ik naar huis toe ga om nog een paar

uurtjes te slapen.

Afscheid nemen valt me erg moeilijk en wordt daardoor een

bijzonder ritueel. Bij elke trede van de trap of stap naar de

voordeur geef ik haar de „laatste‟ zoen. Elke „laatste‟ zoen mondt

uit in een hernieuwde vrijpartij, met als gevolg dat er opnieuw

afscheid genomen moet worden.

Wanneer ik in de auto zit of thuis ben komt direct het smsverkeer

op gang. Het aantal keren dat ik tegelijk met haar een sms

stuur is zo talrijk, dat er van toeval geen sprake meer kan zijn.

Ik weet zeker dat de band die ik met haar heb, verder gaat dan

een gewone verliefdheid en zij denkt er precies hetzelfde over. We

zijn elkaars perfecte soulmates.

Ik heb zo‟n bijzondere band met haar. Ik weet het en ik voel het.

En hoe bijzonder onze band is, wordt door een onbekende kracht


zelfs bewezen. Ik zit, zoals gewoonlijk, met haar op de groene

stoel als ze aan me vraagt: “Voel jij het ook?”

Ik kijk haar aan met een blik van „hoe bedoel je?‟.

Ze vraagt me mijn hand op te steken, net alsof je „ho‟ zegt. Zij

houdt haar hand voor de mijne, zo‟n tien centimeter ruimte latend.

“Voel je het?” vraagt ze. “Die tinteling?”

Ik kijk haar in eerste instantie vreemd aan, want ik begrijp het

niet. Maar ineens voel ik het ook. Ik ervaar een vreemd, warm,

tintelend gevoel, net alsof er een of ander energieveld tussenzit.

Ze heeft wel vaker tegen me gezegd: “Wat doe je toch met me?

Als je me aanraakt is het net of je in me zit in plaats van aan me.”

Het enige dat het toen deed was het strelen van mijn ego, maar ik

had er verder nooit aandacht aan geschonken.

We experimenteren ermee en we gaan ermee spelen. Ik kan haar

voelen en laten voelen, zonder haar aan te raken en dat zelfs over

grotere afstand. Ik merk dat ik het kan besturen, zelfs aan- en

afzetten. Ik plaag haar er regelmatig mee, zeker nadat ik heb

uitgevonden dat ik beter kan zenden dan ontvangen. En zij is een

betere ontvanger.

Ik neem weer eens afscheid van haar omdat ik een poging ga

doen om wat te werken. Het wordt natuurlijk weer zo‟n afscheid,

die een eeuwigheid in beslag neemt. Bij de voordeur gekomen

scheur ik mezelf als het ware van haar los en ik stap in mijn auto.

Als ik wegrijd, voel ik op de één of andere manier haar wezen nog

in mezelf achterblijven.

Ik rijd de snelweg op. Het gevoel zit er nog steeds, maar het ebt

langzaam weg. Ik wil dat niet en ik probeer het vast te houden. Ik

concentreer me op haar en in gedachten trek ik haar tegen me aan.

Het lukt, want ineens zit het er weer.

Ongeveer een half uur later rijd ik in de buurt van Delft. Het

gevoel zit er nog steeds maar de intensiteit verandert. Ik ga ermee

zitten „spelen‟. Terwijl ik me op haar concentreer, denk ik: “Eens


kijken of er iets waar is van die verhalen rondom connecties en

zo.”

Ik „stuur‟ haar „energie‟ zonder enige terughoudendheid. „Sturen‟,

„energie‟? Ik weet niet hoe ik het doe, waarom ik het doe, hoe het

heet of verklaard kan worden, maar ik doe het gewoon. Ik kijk op

de klok van mijn auto en ik zie dat het precies elf uur is. Ik besteed

er geen aandacht meer aan en kort daarna begint het gevoel te

verdwijnen. Ik ben vlak bij kantoor en ik probeer het daarom ook

niet meer vast te houden, ik ga tenslotte proberen te werken.

Als ik even later op kantoor kom, is het helemaal verdwenen. Ik

neem een kopje koffie, praat wat bij met mijn collega‟s en ik pak

mijn laptop uit. Ik zet hem aan en als eerste start ik mijn emailprogramma.

Ik open mijn e-mailbox en als eerste zie ik dat ik

een e-mail heb van haar. Ze schrijft: “Ik zit net achter mijn bureau

te werken en ineens krijg ik het Spaans benauwd. Ik kan het niet

verklaren, maar het is net alsof jij weer met je gedachten hebt

zitten donderjagen. Alleen dit keer heel heftig en intens. Ik ben

naar buiten gelopen, de frisse lucht in en pas na een paar minuten

was het weg. Gek hè?”

Ik stuur haar een reply: “Hoe laat was dat precies?”

Ik wist al welk antwoord ik zou krijgen: “Precies 11:00 uur.”

Zij stuurt mij nog een e-mail met een bijlage. Het gaat over

tweelingzielen. Ik lees het artikel en ik herken bijna alle punten

waaraan voldaan moet worden om een relatie een

tweelingzielrelatie te noemen. Het kan niet missen, het artikel gaat

over haar en mij.

Weer verbaast het me niets. Immers, alles klopt toch aan ons?

Herkenning van de tweelingziel:

Een ontmoeting tussen tweelingzielen en de herkenning is niet

hetzelfde. Tweelingzielen kunnen elkaar ontmoet hebben, zonder

dat (wederzijdse) herkenning plaats vindt. De herkenning is pas

mogelijk als beiden al een voldoende mate van zelfbewustzijn

hebben ontwikkeld. Is deze fase nog niet aangebroken, dan kunnen


ze een relatie hebben zonder te beseffen, dat ze tweelingziel zijn.

Mogelijk is er wel sprake van aantrekkingskracht. De herkenning is

een heftig moment, vaak omschreven als „liefde op het eerste

gezicht‟. In bijna alle boeken staan er voorbeeldverhalen van deze

gebeurtenissen. Vaak wel erg romantisch omschreven, zodat het

verschil tussen die „liefde op het eerste gezicht‟ en een

zielsherkenning vervaagt. De vraag die vervolgens opkomt, is hoe

een tweelingziel te herkennen is. Maar er wordt ook gezegd dat bij

wederzijdse herkenning enige vorm van twijfel niet meer bestaat. De

betrokkenen weten, vanuit hun intuïtie, vanaf dat moment absoluut

zeker wat eraan de hand is.

Herkenningspunten:

Fundamenteel gevoel van eenheid in de relatie.

Gaan samen als één vooruit.

Dezelfde graad van geestelijke ontwikkeling.

Het blijven twee individuen; ze complementeren elkaar.

Je weet dat deze relatie een doel heeft, hoewel dit doel zich pas

later kan ontvouwen.

Zielsliefde gaat verder dan „romantische liefde‟, c.q. verliefdheid.

Men doet elkaar niet opzettelijk pijn, geen steken onder water,

geen behoefte elkaar te straffen.

Men voelt de pijn van elkaar, dus de pijn van de ander moet

z.s.m. opgelost worden. T.b.v. het geheel.

Gelijke aard, of juist complementair.

Dezelfde wilskracht in crisissituaties.

Strijd wordt snel bijgelegd en tot op de bodem uitgepraat.

Onvoorwaardelijke liefde naar elkaar.

Het kind vertoeft regelmatig bij haar vader. Elke keer als het kind

weg is, dan ben ik met haar in mijn huis. De weergoden zijn ons

gunstig gezind en het is over het algemeen heel mooi weer. Ik

breng hele dagen met haar door op het terras en in de tuin. We

hoeven helemaal niets en we doen dan ook helemaal niets. We

gaan zo erg in elkaar op, dat ons idee van tijd helemaal vervaagt.

Ik voer lange gesprekken met haar. Over toeval, spiritualiteit, ons

verleden, wat het met ons gedaan heeft, normen en waarden,

vriendschappen, familie, en nog veel meer. Telkens weer verbaas

ik me over het feit, dat ik me zo goed voel bij haar. Ik vul haar


perfect aan en zij mij. Ze begrijpt me volledig en ik laat haar, voor

het eerst dat ik dat een vrouw toesta, helemaal bij me naar binnen

kijken. Ze oordeelt niet, althans, ze geeft me nooit het gevoel dat

ze dat doet. Ik ervaar hetgeen ze zegt als zuiver opbouwende

kritiek, positief bedoeld.

Geweldig vind ik het, dat ik mijn „andere‟ kant gewoon kan laten

zien, zonder dat ik het risico loop erop afgebrand te worden.

Ze heeft een verrassende kijk op dingen. Ze kan enorm fanatiek

worden als ze haar mening verkondigt. Het is dan duidelijk aan

haar te zien, want haar body language spreekt dan boekdelen. Haar

ogen schieten vuur en ze gaat harder praten.

Zo vertel ik haar hoe ik mijn alimentatieplicht ooit heb

afgekocht. Ze reageert ogenblikkelijk en ze laat haar afkeer zeer

duidelijk blijken. “Alimentatie afkopen?” vraagt ze met een

gezicht, waar haar afkeer met bakken van afdruipt. “Heb je dat

gedaan? Pakte die ex van jou gewoon geld van je aan?”

Ik probeer haar er de redelijkheid van in te laten zien en ik zeg:

“Ik ben dertien jaar met Iris getrouwd geweest. Ik heb in die tijd

mijn maatschappelijke carrière doorgezet. Zij niet en daar wordt ze

met de echtscheiding min of meer de dupe van. Natuurlijk had ik

huwelijkse voorwaarden, maar moreel vind ik dat ze recht heeft op

een deel van wat samen opgebouwd is. Ik vind dan ook dat ik het

goed heb opgelost.”

Ik voeg er nog aan toe: “Iris vindt dat trouwens ook.”

Haar afkeur neemt door mijn betoog alleen maar toe en ze zegt:

“Dat zegt een heleboel over jou, maar helaas ook van alles over

jouw ex. Want weet je wat dat over haar zegt? Jouw ex is dus ook

al weer zo‟n wijf, die haar hand ophoudt als ze door haar man de

deur is uitgepleurd. Dat soort wijven zijn geen knip voor hun neus

waard. Ga je die een bak geld meegeven, alleen maar omdat ze het

een tijdje goed hebben gehad? Moeten ze daarom tot in hun graf

verwend worden? Weet je wat voor minachting ik daarvoor heb?

Voor die wijven? Ze helpen door exorbitante bedragen te eisen


hun ex-mannen zowat naar de sodemieter omdat ze te belazerd

zijn om hun klauwen te laten wapperen. Ziek vind ik het.”

Hoho, hoho, hoho,” lach ik en ik roep haar een halt toe. “Ik

begrijp je boodschap, hoor. Je gespierde taal is me volledig helder.

Maar je praat tegen mij, hoor! Rustig maar.”

“Maar ik ben nog niet klaar,” vervolgt ze haar relaas, “weet je

hoe ik dat zou doen? Stel, ik woon hier samen met jou en jij trapt

me, om wat voor reden dan ook, de deur uit. Denk jij dan dat ik

ook maar één cent van jou zou aannemen? Mooi niet, dat is mijn

eer te na. Daarvoor ben ik veel te trots.”

Ik moet er werkelijk hard om lachen en ik zeg met een grote

grijns: “Ik ben blij dat er nog vrouwen met ballen bestaan, zoals jij.

Maar ik weet ook dat de regels van het spel nu eenmaal zo zijn en

ik leg me daar maar gewoon bij neer.”

“Bovendien,” voeg ik eraan toe, “geld doet rare dingen met

mensen. Zeg nooit, nooit!”

We praten vaker over dit onderwerp en soortgelijke zaken. Ze

verkondigt haar mening tegen wie het maar horen wil, zo ook

tegen mijn zus. Die had tegen mij gezegd: “Zozo, Gijsbertus. Dat

is een pittige tante, die je nu aan de haak hebt geslagen. Volledig

selfsupporting en ook nog met een mening. Dat is zeker wel

wennen, hè broertje? Een vrouw te hebben die jou iets vertelt in

plaats van andersom.”

Ik lach om haar opmerking en ik geef haar gelijk. Ik vertel mijn

zus ook hoe goed we elkaar aanvullen en dat we aan elkaar

gewaagd zijn. We zullen of op hoge toppen verkeren of in heel

diepe dalen terechtkomen. Het wordt het één of het ander, iets

anders bestaat er niet. Maar de basis voor onze relatie is dat we

altijd open en eerlijk naar elkaar zullen zijn en elkaar volledig

zullen respecteren. Natuurlijk zullen wij ook wel eens een

meningsverschil krijgen, maar met dit als gegeven kan het toch

nooit stuk?


Mijn zus kijkt me een beetje meewarig aan en ze zegt: “Tuurlijk

broertje, als jij er maar gelukkig mee bent.”

Een ander populair onderwerp is hoe ik omga met mijn familie

en vrienden. “Ach, lieverd,” zeg ze op een gegeven ogenblik tegen

me, “je hebt het zelf niet eens in de gaten, maar je bent veel te

goed voor deze wereld. Iedereen vindt het maar gewoon wat je

voor ze doet. Jij denkt er zelfs niet eens meer bij na. Als iemand

jou iets vraagt, doe je het bijna automatisch. Vraag jij jezelf wel

eens af of ze iets voor jou zouden doen? Of dat je er iets voor

terugkrijgt, al is het maar een blijk van waardering? Maar ik

vermoed dat zelfs dat er niet eens bij ze afkan.”

Ze gaat verder: “Kijk naar mij. Ik heb dan weliswaar een kleine

vriendenkring, maar ik kan er volledig op vertrouwen en

terugvallen. Ik ben benieuwd met welke vrienden jij dat hebt.

Want zoals ik ernaar kijk, gebruiken ze je allemaal.”

Ik protesteer, want ik vind het allemaal wel meevallen. “Kijk,”

zeg ik, “dat ze me gebruiken daar ben ik altijd zelf nog bij. Ik kan

zelf wel bepalen tot waar ik me wil laten „misbruiken‟. Buiten dat,

ik vind het wel meevallen en ik zie het niet zo zwaar in. Mijn

vrienden kennen me en als ik iets echt niet wil, dan doe ik het ook

niet. Iedereen weet dat ook.”

Ze houdt er niet over op. Ik moet toch behoorlijk diep nadenken

over haar vraag: “Stel dat je ineens zou stoppen met de dingen die

je nu voor jouw zogenaamde vrienden doet. Zou je er ééntje

kunnen noemen, die aan je vraagt hoe het met jou gaat? Gemeend,

om jou en niet om wat je hebt of wat je doet? Ik denk dat het je

zwaar zal tegenvallen. Jij bent het immers, die altijd het initiatief

neemt. Ik denk dat er niemand is, die dat van je overneemt. Ik

vermoed zomaar, dat het wel eens erg stil rondom jouw persoon

zou kunnen worden.”

Ik besluit mijn vriendschappen eens op de korrel te nemen. Ook

doe ik dat met mijn familie. Ik gebruik het criterium „iets


terugkrijgen voor wat ik voor een ander heb gedaan‟, zonder

daarbij een te fijne weegschaal te hanteren.

Ik loop er een aantal af en het maakt me niet blij. Ik val, als ik

ernaar ga handelen, waarschijnlijk heel snel terug naar net zo‟n

kleine vriendenkring als zij. Maar aan de andere kant, dan is daar

de lucht uit en kun je meer aandacht schenken aan de relaties, die

het wel verdienen.

Eureka, het ligt zo simpel. Voortaan baseer ik mijn relaties alleen

nog maar op echte liefde en echte vriendschappen.

Go With The Flow. Het is ons motto geworden. Waar we ons

vroeger uitsluitend door ons verstand lieten leiden, laten we dat nu

volledig varen. We handelen louter en alleen nog maar op ons

gevoel. Een gevoel dat we onszelf vroeger nooit toestonden.

Kwetsbaar, onvoorwaardelijk. Het is wel heel eng en bedreigend.

Want als er iets is dat we allebei niet willen, dan is het gekwetst te

worden.

Tegelijk is het geweldig en overweldigend. Het geeft een extra

dimensie aan het gevoel, waarmee ik de laatste tijd rondloop. Het

is totaal nieuw voor me. Zo verliefd als ik nu ben, ben ik in mijn

leven nog nooit geweest. Dat kan ook niet, want nog nooit heb ik

de „control‟ op mijn gevoelsleven uit handen gegeven.

Kwetsbaar opstellen heb ik al helemaal nooit gedaan. Geen haar

op mijn hoofd die daaraan dacht. Maar gelukkig is het nu anders.

Ik kan nu volledig mezelf zijn bij haar. Ik kan zonder meer mijn

gevoel en emoties aan haar blootgeven. Aan de vrouw die ik

liefheb. Mijn God, wat hou ik veel van haar.

Ik schrijf een lied. Op een melodietje dat ik net heb bedacht. Het

is heel anders dan mijn gewoonlijke werk, wat zich het beste laat

omschrijven als rechttoe, rechtaan rock-‟n-roll. Het wordt een

ballade en ik schrijf de tekst in nog geen uur. Ik duik mijn tot

homestudiootje omgebouwde kelder in en ik neem de eerste versie

van het nummer op in nog geen halve dag. Ik maak er een mp3


van die ik op mijn website zet. Ik stuur haar een e-mail waarin ik

haar vertel, dat ik iets over ons geschreven heb en waar ze het kan

vinden.

Zij is er werkelijk helemaal ondersteboven van. Ik ben zelf ook

uitermate tevreden met het nummer, want niet alleen de muziek

klopt, maar met name de tekst. Elke zin, elk woord ervan klopt.

Feitelijk komt dit nummer recht uit mijn hart op de „plaat‟.

I‟m going round in circles and don‟t know where to go

Is there anybody out there, who dares to show me the road

For everything there‟s a reason, what‟s here is meant to be

Here I am fighting my battle; I don‟t resign to my destiny

Suddenly there was that connection, with someone on the other side

Our stories were of the same meaning, we‟re having a similar fight

Blessed with very deep feelings, hurt by the ones we love

Ignoring our deepest desire, our healing was directed from above

Our strength was also our weakness, total surrender we didn‟t know

We have to make our final decision, whether we will let it go with the

flow

In het bijzonder de zin „Hurt by the ones we love‟ slaat bij haar

in als een bom. Tegelijk met het feit dat zij, net als ik, ons grootste

verlangen volkomen negeren uit angst opnieuw gekwetst te

worden. Onze moeders, die hebben het wel gedaan bij ons. Zij

hebben ons zodanig gevormd, dat we erop onze leeftijd nog steeds

mee aan het worstelen zijn. Zij heeft, naar eigen zeggen, haar

moeder er een keer mee geconfronteerd. Die was, zoals zij zei,

letterlijk van haar voetstuk „gepleurd‟ en er wekenlang van

overstuur geweest. “Jij moet jouw moeder ook maar eens flink de

waarheid zeggen,” zegt ze op een gegeven moment tegen me, “dat

zou jouw relatie met haar eens lekker opfrissen.”

Ik zeg haar direct dat ik dat zeker niet ga doen. “Mijn moeder

heeft altijd de intentie gehad om mij goed op te voeden, ze houdt


van me en ze is verschrikkelijk trots op me,” zeg ik resoluut tegen

haar, “tegelijk heeft het me ook veel goede dingen gebracht. Kijk

maar waar ik sta in de maatschappij. Verder zou ze het nooit

begrijpen en ze zou kapot gaan van verdriet. Ook heb ik er vrede

mee en ik heb me er allang bij neergelegd hoe ze is. Daarbij, ik zou

niet eens weten wat ik er zelf mee zou opschieten.”

“Toch vind ik dat je het bespreekbaar moet maken,” houdt ze

vol, “het heeft mij en de relatie tussen mij en mijn moeder juist

heel erg goed gedaan.”

Ik kijk haar niet begrijpend aan. “De relatie tussen mij en mijn

moeder is goed en geloof me, ik kan heel goed met haar omgaan,”

zeg ik.

“Ach jongen,” zegt ze met een meewarige blik, “neem nou het

voorval met die kast. Ze luistert niet eens naar wat je zegt en ze

gaat volledig haar eigen gang. Ondanks dat je hebt gezegd dat je

het niet zou doen, heeft ze uiteindelijk toch weer haar zin

gekregen.”

Ik denk terug aan het akkefietje met mijn moeders kast en ik

realiseer me dat ze, vanuit haar standpunt gezien, gelijk heeft. Ik

moet even slikken maar ik zeg verder niets.

“En jij, goedlul,” gaat ze verder, “jij trapt er telkens weer in.”

Mijn moeder heeft een kast gekocht. Van een „zet het zelf in elkaar‟-merk.

Ze vraagt me of ik hem in elkaar wil zetten, waar ik, gezien mijn drukke

agenda, weinig mogelijkheden voor heb. Althans, niet op de korte termijn die

mijn moeder voor ogen heeft. Ze vertelt me dat ze een expositie in eigen huis

heeft georganiseerd en dat er veel vrienden en kennissen komen. Ze wil er

„fatsoenlijk‟ bijzitten en daarom wil ze zo graag, dat de kast er dan staat. “Jij

kunt toch wel een gaatje vinden, jij bent toch creatief genoeg,” speelt ze in op

mijn gevoel en in de wetenschap dat ik het haar waarschijnlijk toch niet zal

weigeren. “Bovendien,” gaat ze door, “mijn vriend Jan wil je er graag bij

helpen.”

“Waarom laat je het die man dan niet doen?” vraag ik haar.

Mijn moeder zegt: “Ach, dat kan hij niet en hij is er veel te oud voor.”


Ik kijk eens in mijn agenda. Over twee dagen kan ik wel een gaatje maken,

dan hoef ik er maar één afspraak voor te verzetten. Ik zeg het tegen haar.

“Fijn joh, ik wist dat ik op je kon rekenen,” jubelt ze en ze vraagt: “Hoe

laat kom je? Dan zorg ik ook dat Jan er is.”

“Alsjeblieft?” zeg ik. “Ik wil best die kast voor je in elkaar zetten, maar

dan wil ik dat graag alleen doen.”

Ze begrijpt me niet. Ik kan hulp krijgen en dan is het toch sneller klaar?

Bovendien is werken met zijn tweeën toch veel gezelliger?

Mijn moeder weet dondersgoed dat ik het liefste alleen werk, maar toch breng

ik het geduld nog eens op om het haar uit te leggen.

Ik zeg: “Moet je luisteren. Het is sowieso niet leuk om te doen en of het

gezellig is of niet, dat boeit me voor geen meter. Ik vind het belangrijk om het

snel en goed te doen, dan ben ik er het snelst van af. Daarbij weet je toch wat

voor een zeikerd ik ben. Anderen doen het in mijn ogen toch nooit goed genoeg

en daarom werk ik het liefst alleen. Dan kan ik alles op mijn gemakje

uitzoeken en als het dan mis gaat, dan heb ik het in ieder geval zelf gedaan.

Bovendien heb ik de ervaring dat ik alleen veel sneller werk, dan dat ik dat

met een onhandig hulpje moet doen. Ik ben tenslotte geen bezigheidstherapeut.”

“Ach man, doe niet zo moeilijk,” houdt ze vol, “zo erg kan dat toch niet

zijn? Daarbij, je doet die man er ook nog eens een plezier mee. Hij heeft

namelijk helemaal niets omhanden en hij is blij als hij zich nog een beetje

nuttig kan maken.”

Ik ken mijn moeder en ik benadruk haar nogmaals onder welke condities ik

haar kast in elkaar wil zetten. “Als Jan er is,” zeg ik resoluut tegen haar,

“dan draai ik me om en dan ga ik direct naar huis.”

Ik voeg er nog aan toe: “Ik wil je graag helpen, maar laat het me dan wel op

mijn eigen manier doen.”

“Oké, oké,” moppert ze, “zoals je wilt.”

Woensdagochtend om tien uur stap ik bij mijn moeder naar binnen. Jan is

er ook. Ik kijk mijn moeder aan met een vragende blik: “Wat doet Jan hier?”

Mijn moeder doet net of haar neus bloedt en zegt dat Jan me heel graag wil

helpen. Jan roert zich en voegt eraan toe: “Goh, jongen, wat ben jij een goede


zoon voor jouw moeder. Ze heeft gezegd dat je mijn hulp niet wilt vragen, maar

voor jou doe ik het graag.”

“Ennuh, niet alleen voor jou,” zegt hij er knipogend bij, “maar natuurlijk

ook voor je moeder, snap je?

Eigenlijk ben ik niet eens verrast, want ik had kunnen weten dat ze zoiets

tegen Jan gezegd heeft. Niet rechtstreeks „Gijs wil het niet!‟, maar „Gijs durft

het je niet vragen‟. Het heet leugentje om bestwil en het heeft zich al vaak tegen

haar gekeerd. Ik probeer Jan er nog van te overtuigen dat ik liever alleen werk,

maar hij houdt voet bij stuk. Jan gaat me helpen, of ik wil of niet. Ik kijk

mijn moeder hulpeloos aan, maar die hult zich in „horen, zien en vooral

zwijgen‟.

Nu moet ik voor mezelf een keuze maken. Weggaan of toch samen met Jan

de kast in elkaar zetten. Ik kies voor het laatste.

Ik heb er nog spijt van. Jan is niet echt handig en hij heeft weinig

„bouwkundig‟ inzicht. Hij loopt me in de weg en doet per definitie de verkeerde

dingen. Ik geef hem een paneel en ik zeg: “zet dit links.” Hij pakt het beet,

kijkt op de tekening en hij zet het rechts. Ik zeg er maar niets van en ik

verplaats het als hij even niet kijkt. Jan begint dozen open te scheuren en de

inhoud uit te pakken. “Niet doen,” zeg ik tegen Jan, “dat zijn de laatjes en

die doen we pas later.”

“Ze kunnen toch maar alvast uitgepakt zijn,” zegt Jan en hij gaat

onverstoorbaar door.

Helaas legt hij de spullen tussen de elementen van de kast en ik schuif ze

opzij. Het geeft Jan de gelegenheid om nog eens kritisch naar de tekening te

kijken en weer een paar panelen te verplaatsen.

Ik begin me aan de man te ergeren en het moment breekt aan dat ik mijn

ergernis niet meer kan bedwingen. Ik val zo hard tegen hem uit, dat ik er zelf

van schrik. Ik verontschuldig me, maar het leed is al geschied.

Jan heeft mijn boodschap begrepen en hij druipt af. Ik baal als een stekker.

Ik ben boos geworden op iemand, die het heel goed heeft bedoeld. Ik weet ook

dat ik boos ben geworden op de verkeerde.


“Je hebt verdomd nog gelijk ook,” zeg ik en ik laat het hele geval

nog even de revue passeren. “Ze doet inderdaad wat ze zelf wil en

ze gaat er inderdaad klakkeloos van uit dat ik me wel schik.”

Zij kijkt mij triomfantelijk aan met een blik van „zie je nou wel‟.

Ik begrijp wat ze wil, maar ik wil er niet aan. Ik zeg: “Het is en

blijft mijn moeder. Natuurlijk heeft ze haar streken, maar wie heeft

die niet? Ik ken de aard van het beestje en ik ben echt niet

voornemens die te gaan veranderen. Al zou ik het kunnen, ik zou

het niet eens willen.”

Ze zit me een beetje spottend aan te kijken als ik zeg: “Je hebt

gelijk, ik had het inderdaad kunnen weten. De volgende keer let ik

er beter op en wie weet doe ik het zelfs niet eens meer. Of

misschien juist wel, want het is en blijft mijn moeder.”

Ze legt zich erbij neer dat ik het toch niet ga doen en ze houdt

haar mond. Ze blijft me met haar donkere ogen spottend

aankijken. Ik kan het daarom niet nalaten om te zeggen: “Daarbij

moet je natuurlijk de band die ik met mijn moeder heb niet over

één kam scheren met de band die jij hebt met de jouwe. Natuurlijk

zie ik overeenkomsten, maar ik zie ook een heleboel verschillen. Ik

zie jou dingen accepteren, die ik weer niet begrijp. Het zal wel met

de bloedband te maken hebben.”

Het is één van die dagen. We lopen smoorverliefd door het

winkelcentrum van Zoetermeer. De zon schijnt volop, het kind is

bij haar vader en we doen wat we willen. We nemen een kopje

koffie op één van de volle terrasjes. Ze verrast me wanneer ze

ineens voorstelt om bij mij te komen wonen.

Ik vraag hoogst verbaasd: “Wil je dat dan?”

“Ja,” zegt ze, “ons commitment naar elkaar is zo groot, we

wonen al zowat samen in mijn huis en het zou voor ons - doelend

op haarzelf en haar kind - een nieuwe start betekenen in een

nieuwe omgeving. We zijn dan in één klap verlost van al het oud

zeer uit Rhoon. Het is, gelet op waar jij, mijn kind en ik staan,

volgens mij de enige logische stap.”


“De enige logische stap?” denk ik en ik laat de afgelopen tijd de

revue passeren.

Het is met ons heel erg snel gegaan. Na onze eerste

kennismaking slaap ik de eerste week nog in mijn eigen huis. Haar

broer Tom trouwt na die week en ik ga al met haar mee naar zijn

bruiloft. Het grapje dat hij maakt, valt bij haar verkeerd. “Als hij

maar wat langer blijft dan jouw gemiddelde vriend,” grapt hij,

“want ik heb geen zin om over een paar weken zijn gezicht van

mijn trouwfoto‟s af te moeten knippen.”

Direct na de bruiloft blijf ik bij haar slapen. Ik krijg wat ruimte in

haar kledingkast en een plankje in het badkamermeubel. Ik

probeer het voor mezelf comfortabel te maken, maar ik kan mijn

kont niet keren en ik mis mijn spullen. Het is een logeerpartij die

uit de hand loopt. Ik moet maar met haar gaan latten. Maar zij wil

dat niet en ik eigenlijk ook niet. We willen tenslotte zoveel

mogelijk samen zijn. Ik kijk de hele dag uit naar de nacht met haar.

De hele nacht lig ik in een roes met haar te donderjagen en

overdag geniet ik van elk moment, dat ik maar met haar kan

doorbrengen.

Ik ga kijken naar een pied de terre in Rhoon, maar ik kan niets

geschikts vinden. Zowel kopen als huren gaat niet. Ik besluit naar

een huis met een maatje groter te gaan kijken. En zo overtuigd als

ik ben van „ons‟, kijk ik gelijk naar een huis dat geschikt is voor

mezelf, haar en haar kind.

Ik bekijk zeven huizen, samen met haar. Er komt er slechts

ééntje enigszins in de buurt van mijn wensen, maar dit huis moet

nog ingrijpend verbouwd worden. Daar heb ik, gelet op mijn

recente verbouwingsverleden, absoluut geen zin in. Bovendien,

een verbouwing gaat al snel een maand of vier duren en dat duurt

me ook nog eens veel te lang.

Ik kijk haar aan en ik zeg: “Ik denk inderdaad dat je gelijk hebt.

Het lijkt inderdaad de enige logische stap.”


“Denk je eens in,” jubelt ze, “wij samen. Voor altijd. Het kind in

een rustige, stabiele en vooral veilige omgeving. Mooier kan ik het

me niet voorstellen.”

Ze kijkt me met haar mooie donkere ogen vragend aan en ze

zegt: “Het enige dat ik van je verwacht is dat je me helpt. Begrijp je

dat?”

Ik smelt. Ze heeft het voor mij over om naar Stompwijk te

verhuizen. Ik hoef haar alleen maar te helpen. Maar dat is toch

logisch, natuurlijk ga ik haar helpen.

Ik ben in haar huis en ik verwacht haar elk moment. Ik hoor de

voordeur en even later komt ze binnenstuiven. Ik zie direct aan

haar dat er iets is. “Weet jij wat die fijne moeder me nu weer

geflikt heeft?” raast ze, terwijl ze driftig heen en weer loopt.

Ik kijk haar aan met een vragende blik en ik zeg: “Nou?”

“Ze heeft me letterlijk gezegd dat jij veel te goed bent voor mij,”

raast ze verder, letterlijk door het dolle heen. Haar ogen zitten vol

vuur en ze blijft heen en weer lopen. “Ze praat tegen me alsof ik te

min zou zijn voor jou,” schimpt ze.

“Maak je niet zo druk,” zeg ik tegen haar, “ga even zitten. Ik pak

iets voor je te drinken. Limonade?”

Ze hoort me niet en ze gaat door. “Die takketrol,” zegt ze,

“typisch mijn moeder. Heb ik met jou eindelijk iets moois

gevonden, zegt ze dat ze me het niet gunt. Dat valse kreng.”

“Meen je dat nou serieus?” vraag ik verbaasd. “Heeft ze het

letterlijk zo gezegd?”

Ik kan me werkelijk niet voorstellen dat haar moeder zoiets

gezegd kan hebben en ik kijk haar vragend aan.

“Ja, echt,” raast ze, “godverdomme, wat haat ik dat mens. Ik had

je toch al eerder verteld hoe ze in elkaar zit. Ze is geen echte

moeder, maar gewoon een jaloers kreng dat alleen maar aan

zichzelf denkt. En als er iemand is die niet jaloers op mij hoeft te

zijn, dan is zij dat wel. Integendeel zelfs.”


Ik kijk haar vragend aan en zij vervolgt haar uitleg. “Ik ben het,”

zegt ze, “die altijd jaloers op haar is geweest. Ze was vroeger mooi,

leuk en slank, terwijl ik lelijk, saai en dik was. Bovendien had zij

een prachtige bos stijl, zwart haar en ik liep rond met een

achterlijke bos rode krullen, waar ook nog eens een rode strik in

moest.”

“Dat is toch al een poosje geleden,” zeg ik, “ik neem toch aan

dat daar nu geen sprake meer van is?”

“Pas rond mijn 18e veranderde dat pas,” zegt ze, “toen ik door

anorexia zo‟n slordige 20 kg was afgevallen en rood haar, door het

liedje „meisjes met rode haren‟, in de mode kwam. Ik begon mijn

rode haar zelfs te waarderen, zeker toen het vurige er af ging en

het wat donkerder werd. Jongens die me vroeger nooit zagen

staan, liepen ineens in bosjes achter me aan. Geweldig vond ik het,

en neem maar van mij aan, dat ik ze ook heb laten lopen!”

“Ik begrijp alleen het verband met jouw moeder niet,” zeg ik.

“Dat is eenvoudig,” zegt ze, “toen is ze jaloers op mij geworden.

Ze wilde hebben wat ik had.”

“Hoe bedoel je? Hebben wat jij had?” vraag ik weer.

“Zij wordt ouder en ik mooier,” verklaart ze, “ik krijg de

aandacht die zij wil hebben. Daarom kan ze het gewoon niet

hebben dat ik gelukkig ben.”

Ze komt met een uitsmijter: “Weet je wie die vent is, waar ze al

tien jaar mee samenwoont? Die Hannes? Die lange, die jij op de

bruiloft van mijn broertje Tom hebt gezien. Dat is nota bene mijn

ex, waar ik negen jaar mee getrouwd ben geweest!”

Hannes is haar tweede ex. Hij heeft een eigen zaak die niet goed loopt. Hij

is klant bij het bedrijf van Klaas, die zijn financieel adviseur is. Klaas is van

mening dat de administratieve kant van Hannes‟ zaak slecht geregeld is. Zijn

zus, net afgestudeerd als bedrijfskundige, kan dat voor hem opzetten en

uitvoeren.

Zij werkt een jaar of zes voor hem, als de echtgenote van Hannes haar

voorstelt, om eens een keertje met Hannes uit eten te gaan. In eerste instantie is


ze er verbaasd over, maar ze denkt: “Waarom ook niet?” en ze gaan uit eten.

De aap komt redelijk snel uit de mouw, Hannes wil wel iets met haar. Met

medeweten van zijn vrouw, nota bene.

Hannes blijkt voornemens van zijn vrouw te scheiden en hij wil wel met haar

trouwen. Zij denkt weer: “Waarom ook niet?” en ze trouwen. Het is, zoals

zij zegt, een verstandshuwelijk. Hannes is twaalf jaar ouder dan zij en zij ziet

hem dan ook niet als echtgenoot, maar meer als een goede vriend. Het komt

haar ook wel goed uit, want ze heeft, sinds haar eerste echtscheiding, toch niets

meer op met mannen en seks boeit haar maar matig. Hannes gaat ook nog

met een andere vrouw om, hij heeft er zelfs nog een fotootje van in zijn

portemonnee. Daar heeft zij geen enkel probleem mee. Ze delen het echtelijke

bed toch niet en ze hebben allebei de beschikking over hun eigen vertrekken.

Verder is zij, door haar aantrekkelijke verschijning, goed voor het ego van

Hannes. Zeker als ze modellenwerk doet op de zonnige stranden van

Frankrijk, loopt Hannes als een haantje naast haar. Kortom, een ideaal

koppel met een perfect verstandshuwelijk.

Op een gegeven moment gaat Hannes drinken. Eerst af en toe, later elke

dag. Eerst een paar glaasjes per dag, later een paar flessen per dag. Hij

mishandelt haar als hij dronken is. Eerst nog verbaal, maar later ook fysiek.

Hannes is een alcoholist geworden die elke avond doorzakt en meestal al heel

vroeg in de avond in zijn dronkemansroes valt.

Zij ziet dan direct haar kans schoon. Ze gaat dan direct naar haar vriendje

toe, die een eindje verderop in het dorp woont. Daarmee heeft zij wel de relatie,

die ze niet met Hannes heeft of kan hebben.

“Hannes heeft het altijd vermoed, maar hij heeft me nooit kunnen

betrappen,” vertelt ze met trots tegen me.

Negen jaar duurt haar huwelijk met Hannes, tot zij besluit er een einde aan

te maken. Daarmee is Hannes direct de administratieve kracht van zijn

bedrijf kwijt. Zijn ex-schoonmoeder, haar moeder dus, werkt ook in het

familiebedrijf en ze springt in.

Er ontstaat een romance tussen Hannes en haar moeder. Dat kan niet lang

verborgen blijven en zij komt haar dochter op een gegeven moment vertellen dat

ze hopeloos verliefd is. Die is natuurlijk zeer nieuwsgierig wie die gelukkige is


en ze vraagt haar moeder honderd uit. “Oh, wat is dat leuk voor je,” jubelt ze,

omdat ze zo blij is voor haar moeder: “Wie is het? Ken ik hem?”

Haar moeder geneert zich als ze het vertelt. “Het is Hannes,” zegt ze

blozend en ze voegt er haastig aan toe, “maar als je er problemen mee hebt,

dan maak ik het direct uit.”

Hannes woont nu alweer tien jaar samen het haar moeder en zij neemt het

beiden nog steeds diep kwalijk.

Zij is de ware. Week 3, zaterdag.

De zon schijnt al volop als ik de zware gordijnen van onze

prachtige bruidssuite openschuif. Het raam staat wijd open en de

frisse geur van het park komt me tegemoet. Ik stap weer in bed en

ik kruip tegen haar aan. Ik begin haar zachtjes te strelen. Zij

reageert loom onder mijn aanraking en ze wordt langzaam wakker.

“Goedemorgen, mevrouw van Reijswick,” fluister ik in haar oor,

“heb je lekker geslapen?”

Ze nestelt zich bij het horen van mijn achternaam, voor zover

mogelijk, nog dieper in mijn schoot en vraagt me of ik weet

hoeveel ze van me houdt.

“Natuurlijk weet ik dat,” zeg ik met een brede lach op mijn

gezicht, “ongeveer net zo veel als ik van jou.”

Ze nodigt me uit om haar eens goed beet te pakken en ze

beweegt wulps met haar kont in mijn schoot. Ik laat me zeer snel

verleiden en ik maak een fantastische wip met haar. Als ik nog een

beetje na lig te hijgen, denk ik terug aan de tijd dat ik haar nog

nooit had gezien en ons contact uitsluitend nog via de e-mail

verloopt.

We snijden steeds allerlei onderwerpen aan die steeds opnieuw,

over en weer allerlei reacties uitlokken en emoties losmaken. De

diepgang die we bereiken en de snelheid waarmee we de diepte

ingaan is overweldigend. De herkenning ook.


De titel van een aantal e-mails is: „Het feest van de herkenning‟

en „Re: Het feest van de herkenning‟.

Het gaat al snel veel verder dan het feest van de herkenning en

we beginnen elkaar uit te dagen. De gebruikelijke afronding als

„Groetjes‟ en „Bye bye‟ verdwijnen en maken plaats voor „XXXjes‟,

„veel liefs‟, enzovoorts.

Na een week e-mailen is er nog maar één ding waar ik me mee

bezighoud; zij spookt constant door mijn hoofd. Ik betrap mezelf

erop dat ik zelfs mijn trainingsrondje met de fiets verkort. Want

dan ben ik sneller thuis om te kijken of er weer een nieuw e-mailtje

in mijn postvak zit.

Ik ben hopeloos verliefd aan het worden. Ik weet het en ik wil

het ook zijn. Hoe kan dat nou? Verliefd worden op iemand die ik

nog nooit heb gezien of gesproken? Maar ik kan het gewoonweg

niet weerstaan. Het is sterker dan mezelf. Ik ben gewoon hopeloos

verliefd. Stapelmesjogge ben ik aan het worden op een dame aan

de andere kant van mijn e-mailbox. Ik laat het, voor het eerst in

mijn leven, volledig toe en ik geniet er met volle teugen van.

Onze eerste date in de kasteeltuinen van Rhoon is definitief de

bevestiging van wat ik al wist. Zij is het, de ware, de enige. Ik heb

het met haar over het risico gehad dat onze date een fiasco zou

kunnen worden. Maar er moest in ieder geval iets gebeuren, want

alleen via de e-mail doorgaan was ook geen optie. Het was op zich

al merkwaardig genoeg, dat we ondanks het frequente

e-mailverkeer, nog steeds geen miscommunicatie gehad hebben.

Iets dat met e-mailen maar al te vaak gebeurt.

Ik ga dus het risico van een zeperd voor lief nemen, maar ik kan

niet anders, net als zij. Maar tegelijkertijd denk ik dat het risico

nihil is. Ik denk het niet alleen, ik weet het gewoon zeker. En, zij?

Zij moet het, net als ik, al die tijd ook geweten hebben.

Bij onze eerste kus vliegen de vonken er vanaf. We hebben op

haar „hallo‟ na, nog geen woord gewisseld. We smelten letterlijk

ineen, terwijl het toch behoorlijk koud is. We staan een eeuwigheid


ineengestrengeld en verbonden. We gaan volledig in elkaar op,

allebei de koude niet voelend. De tijd staat een poosje stil.

Enigszins verkleumd gaan we de lokale kroeg van Rhoon binnen.

We nemen een plekje in op de hoek van de bar. Ik bestel een

biertje voor mezelf en een thee voor haar. Ze doet er maar liefst

vier klontjes suiker in. Sweetgirl. Ik begrijp haar nickname van het

internet en ik moet erom lachen.

We diepen onze e-mails mondeling nog eens uit. We verbazen

ons over de gelijkheid in onze gedachten en patronen en de mate,

waarin wij elkaar aanvullen.

We vragen ons ook af of het toeval is of het lot, dat ons

samenbrengt. We kunnen werkelijk onze handen geen moment

van elkaar afhouden. Elke keer als ik in haar prachtige bruine ogen

kijk, smelt ik een beetje verder. Ik heb datzelfde effect op haar,

want zij blijft ook constant aan mij frunniken.

Ik kijk een beetje rond naar de andere stamgasten, want ik geneer

me een klein beetje. Niet zozeer voor mezelf, maar meer voor

haar. Het is tenslotte haar stamkroeg. Maar als zij zich er niet druk

over maakt, waar zal ik me dan druk over maken? Iedereen mag

toch wel zien dat ik smoorverliefd op haar ben? En zij op mij?

Het is één uur en de bel gaat voor de laatste ronde. Ik neem nog

een biertje en zij bestelt haar vierde kopje thee, weer met extra

suiker en ik moet er weer om lachen. De verlichting gaat op volle

sterkte en we verlaten het café in een innige omarming. Op de

parkeerplaats proberen we afscheid van elkaar te nemen, maar dat

lukt niet. We kunnen elkaar eenvoudigweg niet loslaten.

Ik probeer haar over te halen me met haar mee te laten gaan naar

haar huis, maar ze weigert resoluut. “Zeker niet op de eerste date,”

zegt ze, maar ze voegt er direct aan toe, “hoe graag ik het ook zou

willen.”

Het is een paar graden onder nul en de koude wind deert ons

nauwelijks. Elke keer opnieuw geef ik haar een afscheidskus, maar

als ik haar dan loslaat, geef ik haar er nog eentje. Dan pakt zij mij


weer vast en kust mij weer. Het gaat zo maar door tot het

ongeveer half vier is geworden. Ik begin het inmiddels wel een

beetje koud te krijgen en zij ook. Ik probeer nog een keer of ze me

niet wil trakteren op het gebruikelijke kopje koffie, maar ze is

consequent.

Ik spreek met haar af dat ik haar de volgende dag ophaal, dan

gaan we iets leuks doen. Met heel veel moeite ruk ik mezelf los uit

haar omarming en ik stap in mijn auto.

Ik kan het gevoel niet omschrijven dat ik heb als ik naar huis rijd.

Ik heb dat nog nooit gehad. Het is een vreemd gevoel, maar

bijzonder prettig en zelfs overweldigend.

Eenmaal thuisgekomen ga ik eerst nog maar eens in bad liggen

om op temperatuur te komen. Zelden heb ik het zo koud gehad.

Het helpt maar matig, want ik word na anderhalf uur wakker van

het koud geworden water. Ik stap het bad uit en kruip mijn bed in.

Ik bedenk me wat voor een geluksvogel ik ben en ik val in slaap.

Het is ochtend geworden en ik rijd naar Rhoon. Ik heb net via de

e-mail haar adres gekregen, zodat ik haar bij haar thuis kan

ophalen.

Ik neem haar mee naar Scheveningen - wat doen verliefde

stelletjes die elkaar net hebben leren kennen? - om een lange en

romantische strandwandeling te maken.

In een leuk strandtentje drinken hebben we een kopje thee. Ze

neemt natuurlijk weer vier klonten en weer lach ik erom. Nu legt

ze me het uit. “Ik moet wel,” zegt ze, “want als ik te weinig eet dan

word ik veel te mager. In tegenstelling tot de meeste mensen, die

juist minder moeten eten om op gewicht te blijven.”

We kunnen elkaar geen moment loslaten. Buiten sla ik een arm

om haar heen en we slenteren langs het strand. Net als

gisteravond, toen ik met haar stond te vrijen, valt weer de perfecte

fit tussen ons me op. Ze past precies in mijn armholte. Ook dit is

natuurlijk weer geen toeval, want zoals met alles, past dit natuurlijk

ook weer perfect. Ze is, zo mogelijk, nog mooier dan gisteravond,


zeker nu haar lange, donkere haar los wappert in de wind. Ik voel

me, naast haar lopend, de koning te rijk.

Ik neem haar mee naar mijn huis. Het „wippie‟, dat we van

onszelf moeten maken, is omgekeerd evenredig met onze

verwachting. Kortom; een regelrechte ramp. Voor haar, voor mij.

In stilte trekken we onze kleren weer aan en we gaan naar

beneden. Ik zeg iets tegen haar om de stilte te doorbreken. Het

valt volledig in verkeerde aarde. Haar ogenschijnlijke rust slaat om

in een soort van boosheid. Ik zie ineens de rasechte rode furie

voor me staan, waarvan ze me verteld heeft. Er lijkt wel vuur uit

haar ogen te komen, zo venijnig kijkt ze me aan. “Jullie zijn

allemaal hetzelfde,” beschuldigt ze me, “jullie moeten zo nodig,

vervolgens wordt het niks en dan leggen jullie ook nog eens de

schuld bij de ander.”

Ik zeg dat er toch geen sprake is van een schuldvraag, maar ze

heeft er geen oren naar. Ik leg nog wat argumenten op tafel, maar

ze werken averechts en ze wordt nog bozer. Ze staat voor me met

een opgeheven en zwaaiende wijsvinger. “Ne pas,” zegt ze, “no

way mister, je hebt mooie praatjes, maar bij mij gaat dat je niet

lukken.”

Ze wil direct met een taxi naar huis en ik vind dat eigenlijk wel

best. Zeker op dit moment. Toch bied ik haar aan om haar naar

huis te brengen, hetgeen ze in eerste instantie niet lijkt te willen.

“Het maakt mij niet uit,” zegt ze, “van mij hoeft het niet. Ik neem

net zo lief een taxi.”

“Het is jouw keuze,” zeg ik, “maar mijn aanbod om je naar huis

te brengen blijft staan.”

Nu accepteert ze het, zij het lijdzaam.

Het is stil in de auto en de spanning is duidelijk aanwezig. Ik voel

ook dat ik in mijn oude valkuil terug aan het glijden ben en ik

begin mezelf al weer wijs te maken dat ik zo beter af ben.

“Godverdomme,” bedenk ik me vlak bij haar huis, “nu ben ik eens


een keer echt verliefd op een geweldige vrouw en dan zal ik haar

laten glippen?”

Ik kijk eens naar rechts en zie dat zij er ook niet gemakkelijk

bijzit. Ook zie ik die prachtige vrouw, waar ik in zo‟n korte tijd

zo‟n geweldige band mee heb opgebouwd. Straks zet ik haar

gewoon thuis af, en dan? Einde oefening en zand erover? Ik vraag

me af of ik dit wel wil?

Ik besluit een lijmpoging te wagen. Vlak bij haar huis is een

McDonalds en het loopt alweer tegen etenstijd. Ik zeg tegen haar:

“Als ik je nu thuis afzet betekent dit het einde van wat wij hebben.

Vlakbij zit een McDonalds en ik wil je graag op een Big Mac

trakteren. Dan kunnen we, nu we een beetje afgekoeld zijn, eens

bepraten wat ons vanmiddag is overkomen.”

Meer kan ik niet doen, zij bepaalt nu wat het vervolg wordt. Ze

kijkt me diep in de ogen en ik zie dat ze een innerlijke tweestrijd

voert. “Kom op,” zeg ik tegen haar, “wat heb je te verliezen?”

Ze accepteert mijn voorstel.

We gaan de McDonalds in en bestellen een menu. We zoeken

een rustig tafeltje en praten het uit, althans voor zover dat mogelijk

is. Want er is niets uit te praten. Er is ook geen schuldvraag. Die is

feitelijk ook niet belangrijk. Wat pas belangrijk is, is hoe we er zelf

in zijn gaan zitten en ermee zijn omgegaan. Zijn we weer bang

geweest om gekwetst te worden? Bang voor de afgang? Over één

ding zijn we het heel snel eens, we hebben onze negatieve selffulfilling

prophecy weer laten zegevieren!

We besluiten het te laten rusten en wel te zien, hoe het verder zal

gaan. Ik breng haar naar huis en ik blijf in mijn auto zitten omdat

ik voornemens ben weg te gaan.

Ze vraagt of ik nog even binnen wil komen voor een kopje

koffie. Ze opent de deur van haar huis en ik volg haar naar binnen.

Achter me sluit ze de deur en ze gaat pontificaal voor me staan. Ik

pak haar beet en ik trek haar tegen me aan. Ze verzet zich

ongeveer één milliseconde.


De avond en nacht zijn onbeschrijfelijk. Eén en al passie en

gevoel. Ik wist het al vanaf het begin. Zij is de ware. Helemaal.


6. Disneyland Parijs

Disneyland Parijs. Week 17.

Ik schrik wakker uit een vreemde droom. Het is half vier in de

nacht en ik ben direct klaarwakker. Allerlei gedachten spoken door

mijn hoofd en ik ben onrustig.

Ik ken mezelf goed genoeg om te weten dat ik voorlopig niet

meer kan slapen. Thuis zou ik mijn bed uitgaan en een kopje thee

nemen. Vervolgens zou ik wat op het internet gaan surfen, naar de

tv of een videootje kijken, een computerspelletje spelen of een

boek gaan lezen. Maar in deze hotelkamer in Disneyland Parijs

gaat dat niet, want mijn gezin slaapt.

Ik probeer mijn gedachten te verzetten en ik draai me om. Ik ga

toch maar proberen in slaap te komen, want ik kan op dit moment

niets anders gaan doen. Maar ik weet al dat het me toch niet gaat

lukken, het is veel te druk in mijn bovenkamer.

Zij wil iets leuks gaan doen in de zomervakantie. Met mij en haar

kind. Het kind is idolaat van Disney en haar slaapkamer in Rhoon

was helemaal in de stijl van Mickey Mouse ingericht. Nu ze in mijn

huis woont, moet er een nieuwe slaapkamer komen. Ik heb er

eentje voor het kind gekocht in de Disney-prinsessenstijl en haar

kind is er helemaal verrukt over. Het is dan ook niet zomaar dat zij

vraagt of ik met haar en haar kind naar Eurodisney wil. De grote

vakantie komt eraan en dan hebben we een leuk uitje met z‟n

drieën.

“Weet je wat?” stel ik voor. “Als we dan toch in Frankrijk zitten,

dan plakken we er direct een aantal dagen aan vast. We kijken wel

wat voor weer het is en dan zoeken we een leuk plekje waar jij en

ik een beetje in de zon kunnen luieren en jouw kind zich kan

vermaken. Iets met strand en water of zo iets.”


“Ik weet niet of ik dat zo‟n goed idee vind,” reageert ze direct,

“we wonen nu nog maar net bij elkaar. Ik kan me bijna niet

voorstellen dat je nu al behoefte hebt om heel lang van huis te zijn.

Daarbij, mijn kind en ik zijn nog niet eens gewend aan onze

nieuwe leefomgeving.”

“We gaan gewoon op de bonnefooi,” zeg ik, “dat maakt het heel

simpel. Als we geen zin meer hebben of we krijgen heimwee, dan

rijden we gewoon terug.”

“Nou, goed dan,” zegt ze, “al begrijp ik het niet. Maar heb ik het

goed dat Eurodisney je wel aanstaat?”

“Ja hoor,” zeg ik, “ik heb er al zoveel over gehoord. Leuke en

minder leuke verhalen. Ik ben er nog nooit geweest en ik wil het

wel eens met eigen ogen zien.”

“Weet je hoe fijn ik dat voor mijn kind vind?” jubelt ze. “Klaas

neemt zijn vier kinderen er elk jaar mee naartoe. Mijn kind moet

het tot nu toe alleen maar van de verhalen hebben, maar nu kan ze

het zelf een keertje met eigen ogen zien.”

Ze is zichtbaar in haar sas en ik zeg: “Het lijkt wel of jij het nog

leuker vindt dan jouw kind.”

“Wat dacht je,” zegt ze, “weet je hoe ik me voel nu ik mijn kind

zo‟n groot plezier kan doen?”

“Nou, regel het tripje dan maar,” zeg ik en ik ben ook blij voor

haar en het kind.

Ik heb het niet tegen dovemansoren gezegd, want ze gaat direct

achter de computer zitten. Ze speurt op het internet naar de

mogelijkheden.

Ze wil graag in juli, maar al snel blijkt dat juli de drukste periode

van het jaar is. Maar het is niet anders, want we kunnen er alleen

maar naartoe als het kind schoolvakantie heeft.

Zij vertelt me dat bijna alle hotels al vol zitten en dat er alleen

nog plaats is in het luxe Eurodisney-hotel, dat direct aan de ingang

van het park ligt. “Doe maar,” zeg ik en zij vindt het vreemd dat ik

niet terugkom op mijn beslissing, nadat ze me verteld heeft wat het

arrangement gaat kosten. Aan de andere kant, je krijgt er dan ook


heel veel voor terug. Het ontbijt bijvoorbeeld wordt opgeluisterd

door Disneyfiguren, zoals Mickey en Goofy, die door de

ontbijtzaal paraderen en zelfs bij je aan de ontbijttafel komen

zitten.

In de achtbaan.

Het is al laat in de middag, als we ons na een voorspoedige reis

melden aan de balie van het Eurodisney hotel. Zij en het kind

lopen continue „Ohhh‟ en „Ahhh‟ te roepen. Dat mag ook wel,

want zelfs ik heb niet vaak zo‟n luxe hotel gezien. We checken in

en we krijgen van het hotel kamer 453 toegewezen.

“Waar is die kamer precies?” vraagt zij aan de dame achter de

balie.

“Gewoon met de lift naar de 4e,” zegt ze, wijzend op de lift

achter ons, “en vervolgens gewoon de bordjes volgen. Het kan

niet missen.”

“Ik wil niet met de lift,” zegt ze tegen de dame achter de balie.

Deze kijkt haar niet begrijpend aan en zij geeft haar verklaring:

“Ik loop nu eenmaal graag.”

“Dat is een heel eind om,” zegt de dame, “die trap,” ze wijst naar

de trap, “gaat naar de tweede. Dan moet u de gang uitlopen tot bij

het restaurant en daar de trap van de nooduitgang nemen naar de

vierde. Vervolgens loopt u als het ware terug en dan ziet u de

bordjes, die u naar uw kamer wijzen.”

“Ik wil een andere kamer,” zegt ze resoluut tegen mij, “eentje die

gemakkelijk met een trap te bereiken is.”

Ik vraag het de dame achter de balie en zij vertelt dat onze

bagage al op kamer 453 staat en dat ze op dit moment geen andere

kamer vrij heeft. “Je hoort het,” zeg ik tegen haar, “kom op en stel

je niet zo aan. Daarbij moet je dit soort protesten voor je houden,

zeker als jouw kind in de buurt is.”


Ik loop naar de trap en zij en het kind volgen. Ze is duidelijk

ontstemd en ze loopt de hele weg te mopperen. Uiteindelijk

komen we aan bij onze kamer. Ze zegt, terwijl ik de deur open:

“Belachelijk, dat zo‟n hotel als dit niet eens fatsoenlijke trappen

heeft.”

“Die opmerking zegt meer over jou dan over dit hotel,” zeg ik,

maar het valt bij haar niet in goede aarde. Ze kijkt me

beschuldigend aan alsof ik er iets aan kan doen.

Ik zeg: “Stel je niet aan, ik vind het belachelijk wat je doet. Ik ga

voortaan met de lift, want ik heb geen zin in die voettocht meer.

Als jij het niet met me eens bent, dan ga je maar lopen of je regelt

morgen zelf maar een andere kamer.”

Het is de volgende dag als we op weg naar de ontbijtzaal gaan.

Onderweg vraagt ze om even met haar mee te lopen. Ik doe het en

ze loopt direct naar de balie van het hotel. Ze draait zich om naar

mij. “Allerliefste schat van me,” begint ze en ze zet haar

beminnelijkste glimlach op, “regel jij voor ons eens een betere

kamer?”

Nog geen drie minuten later heb ik kamer 131 voor haar

geregeld, recht boven de lobby. Ze hoeft nu nog maar één trap op.

Van het hotel krijg ik, we zijn tenslotte in een VIP-hotel, een

aantal zogenaamde speedtickets. Deze geven voorrang bij de

populaire attracties in het park. Dat is zeer handig bij topdrukte en

het is topdruk. Waar de wachttijd in deze periode zelfs tot vijf

kwartier kan oplopen, ben je met zo‟n speedticket in een minuut

of tien door de rij heen.

Ik laat haar en haar kind de route door het park bepalen, het is

tenslotte voor hen dat ik in Eurodisney rondloop. Ik verbaas me

over het park en eigenlijk ook weer niet. Ik merk dat ik oordeel of

beter gezegd, veroordeel. Al die mensen, het gemaakte plezier, die

rijen, slecht eten, hoge prijzen. Ik kan me haast niet voorstellen dat

al die mensen het echt naar hun zin hebben.


Ik krijg een sms van Henri, één van mijn beste vrienden.

Henri‟s

bericht

Mijn

antwoord

Henri‟s

reactie

Hallo, zitten met bus in

Kroatië op camping

direct aan water met

glas wijn en bier.

Vermaken ons prima.

Jij? Gr Henri

Zit met gezin in

Eurodisney. Het is

mooi weer. Gr Gijs

Eurodisney? Is dat leuk

dan? In juli? Sterkte ;-)

Ik stuur maar niet terug wat ik denk. Maar ik bedenk me tegelijk

dat ik er niet ben voor mezelf, maar voor haar en haar kind. Het

enige dat ik voor mezelf wil, is een ritje maken in één van die

beruchte achtbanen.

Het is nadat we twee keer vlak achter elkaar in It‟s a small world

zijn geweest, dat het me opvalt dat ze de meest spectaculaire

attracties mijdt.

“Zullen we eens een ritje in een achtbaan maken?” vraag ik.

“Lieve schat,” zegt ze, “heb je gezien hoe lang die rijen daar

zijn?”

Ik zeg: “Dat is niet voor niets. Dat zijn volgens mij de enige

dingen hier die echt de moeite waard zijn.”

Ze antwoordt: “Dat ben jij typisch weer. Altijd maar extremen

opzoeken. Kun jij niet eens meer genieten van gewone dingen?

Dingen die mijn kind en ik toevallig wel hartstikke leuk vinden.”

Ze kijkt me hoofdschuddend aan ze voegt er nog aan toe:

“Daarbij, die achtbanen, daar is toch geen bal aan!”

Ik vraag haar: “Ben je er dan wel eens in geweest?”


“Natuurlijk niet,” antwoordt ze, “want behalve dat ze niet leuk

zijn, vind ik het ook nog eens onverantwoord om erin te gaan.

Daarbij is er hier zoveel leuks te doen, dat ik die behoefte niet eens

heb.”

Ik vertel haar maar niet hoeveel ik genoten heb van It‟s a small

world en ik zeg: “Ik snap het niet, die dingen horen er toch ook bij?

Je doet nu net of ik de enige ben die die dingen leuk vind. Ik denk

dat jouw kind een ritje in een achtbaan best wel zal kunnen

waarderen.”

“Geen denken aan,” reageert ze fel, “jij denkt toch niet dat ik

mijn kind aan dat soort attracties ga blootstellen.”

Ik zie haar uitval en ik vraag naar het waarom. Ze geeft me een

complete lezing: “Achtbanen zijn slecht voor je gestel. Weet je hoe

teer het gestel van een kind is? Waarom denk je dat er een

minimum leeftijd is? Dat is, om het tere gestel van een kind te

ontzien. Als je erin gaat stel je jezelf bloot aan krachten, die

onverantwoord zijn. Weet je wat het kan doen met je nek? Ik heb

zelfs slachtoffers van dit soort attracties ziekenhuizen in gedragen

zien worden. Ik ben daarom de laatste die mijn kind in dit soort

apparaten laat gaan. Ik vind overigens dat een moeder, die het

toestaat dat haar kind in dit soort apparaten gaat, een slechte

moeder is!”

Ik moet erom lachen en ik zeg: “Doe toch niet zo belachelijk. Als

het echt slecht zou zijn, dan worden die dingen toch verboden of

gemeden.”

Het kind mengt zich in de discussie. Ze valt haar moeder bij met

de opmerking dat die dingen bovendien hartstikke eng en

gevaarlijk zijn.

Ik kijk ze allebei een beetje spottend aan en ik zeg: “Tot nu toe

doe ik jullie zin en nu doe ik eens één keertje de mijne.”

Ik kies de Blue Thunder Mountain en ik ga in de rij staan. Ze

protesteert heftig en haar kind valt haar bij. “Alsjeblieft,” zeg ik

smekend, “mag ik één keertje? Je kunt toch bij de uitgang

wachten?”


Maar tot mijn verbazing komen ze allebei bij me in de rij staan.

Ze hebben toch maar besloten met me mee te gaan. “Ik doe het,”

griept ze, “maar niet omdat ik het leuk vind. Ik zie er namelijk

totaal de lol niet van in en ik doe het alleen maar omdat het er

klaarblijkelijk bij hoort.”

Ze maakt steeds soortgelijke opmerkingen en het kind is het

roerend met haar moeder eens. Het gemor en de protesten houden

maar niet op en ik zeg er wat van. Ik heb er schoon genoeg van en

ik snoer ze de mond doordat ik zeg: “Ik heb het helemaal met

jullie gehad. Stelletje wijven. Jullie moeten nu kiezen. Of jullie

verlaten ogenblikkelijk de rij of jullie houden vanaf nu je mond

dicht.”

Ze schrikken, want zo‟n uitval hebben ze nog nooit van me

gezien. Het helpt in ieder geval wel, want ik hoor ze niet meer.

We staan al drie kwartier in de rij - ik ben een beetje te zuinig op

de speedtickets geweest - als het kind ineens moet poepen. Dat het

kind het niet naar haar zin heeft is duidelijk van haar gezicht af te

lezen. Ze kijkt namelijk ook alsof ze heel nodig moet poepen. Het

kind staat het huilen nader dan het lachen. Ik kijk het kind en haar

moeder spottend aan en het kind zegt met een benauwd gezicht:

“Het is echt waar, hoor!”

Haar moeder staat me ook met een hulpeloze blik aan te kijken

en ze vraagt: “Wat moeten we hier nu mee?”

Ik doe net of mijn neus bloedt en ik zeg zeer gedecideerd: “Als

ze echt moet poepen, dan gaat ze maar een toilet zoeken. Ze is

oud en wijs genoeg. Jij vindt natuurlijk van niet, dus dan ga jij maar

met haar mee. Het maakt me niet uit wat jullie doen of proberen,

ik blijf in de rij staan. Ik zie jullie wel weer bij de uitgang.”

Ze protesteert en ze vindt dat ik solidair moet zijn. Ze wil dat ik

met haar meega om een toilet voor het kind te gaan zoeken.

Ik bied haar pesterig aan dat ik wel voor het kind een toilet wil

gaan zoeken, maar dan moet zij in de rij blijven staan. Ze kijkt me

verschrikt aan en ze zegt dat ze dat helemaal niet ziet zitten. Ze

kan dus niets anders meer doen dan met haar kind de rij verlaten.


Ze kijkt me beschuldigend aan als ze wegloopt, maar ik doe net of

ik het niet zie.

Ze staan hand in hand op me te wachten bij de uitgang. Ik vraag

met enig sarcasme of het allemaal goed gelukt is en of ze het

jammer vinden dat ze de Blue Thunder Mountain zijn misgelopen.

“Ja,” beweren ze in koor, “dat vinden we inderdaad jammer.”

“Nou,” zeg ik kordaat, “het komt dan voor jullie goed uit dat ik

de speedtickets bij me heb. Die kunnen jullie dan mooi gebruiken

om er alsnog in te gaan.”

Ik kijk ze spottend aan en ik voeg eraan toe: “Ik offer me geheel

voor jullie op want ik ga er nog wel een keertje in.”

We gaan in de rij staan en de protesten beginnen weer. “Begin je

weer?” vraag ik haar venijnig, terwijl ik haar een beschuldigende

blik toewerp. Ze schrikt en ze houdt direct haar mond dicht. Maar

nu begint het kind. Ze vraagt me werkelijk de oren van mijn

hoofd. “Hoe eng is het daarbinnen? Is het donker? Kun je wat

zien? Hoe gevaarlijk zijn de bochten? Gaat de trein heel erg hard?”

De vragenstellerij van het kind steekt ook haar moeder weer aan

en weer kan ze het niet laten, om mij te wijzen op de onnodige

risico‟s die ik haar kind straks ga laten lopen.

Ik krijg er meer dan schoon genoeg van en ik bijt haar toe: “Ik

wil er vanaf nu helemaal niets meer over horen. Zelfs geen geluid.

Die zogenaamde bescherming van jou heet overprotectionisme en

dat is zelfs schadelijk voor je kind. Ik wil dat je er nu over

ophoudt, en zeker als je kind in de buurt is. Dat jij nou last van

allerlei fobieën hebt? Maar op deze manier geef je ze ook nog eens

door. Je hebt het zelf waarschijnlijk niet eens in de gaten, maar op

deze manier plant je jouw kind allerlei gekke ideeën in het hoofd.

Ideeën die daar zeker op deze leeftijd niet horen te zitten.”

Ze ziet aan me dat het me ernst is en ze stopt met argumenteren.

Ik richt me tot het kind en ik leg haar uit dat mensen dit soort

dingen doen omdat het avontuurlijk en spannend is. Dat is heel

iets anders dan eng en gevaarlijk. Haar moeder kijkt mij aan met


een blik van „die begrijpt er werkelijk niets van‟, maar ze durft

gelukkig niets meer te zeggen.

We zijn aan de beurt. Zij stapt luid protesterend het karretje in:

“Gadverdamme, waarom doe ik dit? Ik vind er geen pest aan en

toch doe ik het. Ik weet niet eens voor wie? Wat moet ik in

hemelsnaam bewijzen?”

Haar misgenoegen is goed van haar gezicht te lezen. Ik trek me

er niets van aan en ik ga met het kind in een ander karretje zitten.

Ook dit tot groot ongenoegen van haar moeder die zegt: “Dat is

leuk. Zit ik ook nog eens in mijn eentje in dit karretje. Het kind

kan zich tenminste nog aan jou vasthouden.”

Het kind doet dat dan ook. Ze kruipt zowat in me als het karretje

in beweging komt. Maar na de eerste bocht laat ze me al los. Ze

vindt het geweldig en ze gilt het uit van de pret. “Yoho! Yeah!

Yoho!” roept ze en ze steekt haar armen hoog in de lucht.

Ik kijk naar het kind en ik zie hoeveel ze geniet van de rit. Ik krijg

er een gevoel bij, dat ik niet goed kan verwoorden. Mijn God, is

dat hetzelfde kind dat net nog zo verschrikkelijk bang was?

De rit is afgelopen en we stappen uit. Het kind pakt mijn hand

en samen met het kind loop ik, haar moeder loopt achter ons, naar

de uitgang. Haar moeder is nog steeds ontstemd en ze laat hardop

haar ongenoegen blijken. Ze blijft er maar over doorgaan en weer

werp ik haar een geërgerde blik toe. Ze probeert nog haar gelijk te

krijgen, maar ik doe alsof ik niets hoor. Uiteindelijk stopt het.

Het kind zit er duidelijk anders in dan haar moeder. “Gaan we

nog een keertje?” jengelt ze. “Toe? Alsjeblieft? Nog één keertje?”

Ik zeg tegen het kind dat we er later nog wel in gaan, maar niet

nu. Ik kan het niet nalaten om haar moeder een triomfantelijke

blik toe te werpen.

Ik krijg de smaak van de achtbanen te pakken en ik wil ook wel

een keertje de befaamde Space Mountain in. Ik probeer het kind mee

te krijgen, die daar wel oren naar lijkt te hebben. Haar moeder


esluit eerst inlichtingen in te winnen bij de suppoost. Ze vraagt

hem hoe gevaarlijk de Space Mountain is.

Hij glimlacht en hij vertelt haar dat „gevaarlijk‟ niet het goede

woord is voor de Space Mountain. Aan de andere kant is het niet

voor niets de coolste attractie van de wereld.

Het kind vraagt of hij heel erg eng is en de suppoost beaamt het.

Het kind hoort dit en ze besluit direct om er niet in te gaan.

Ik probeer het kind over te halen om toch met me mee te gaan.

Ik gebruik als argument dat ze in eerste instantie de Blue Thunder

Mountain ook niet in wilde en later wel. Het kind twijfelt.

Haar moeder blijft echter op haar inpraten: “Niet doen, hoor. Je

wordt misselijk en het is hartstikke eng en donker daarbinnen. Het

is ook nog eens slecht voor je. Ze geven niet voor niets allemaal

waarschuwingen.”

Ik krijg er de pest over in dat ze haar kind dit soort pleziertjes

niet gunt. Ik begrijp er werkelijk niets van, want in mijn optiek ga

je daarvoor nu juist naar Eurodisney.

Ik zeg: “Als je niet wilt dat jouw kind de Space Mountain in gaat,

verbied het dan op rationele gronden. Gebruik geen argumenten

als eng en slecht voor je gezondheid. Zo praat je haar op den duur

een getwist normen- en waardenstelsel aan.”

Ze begrijpt me niet en ze blijft inpraten op haar kind. “Niet

doen, het is eng. Het is donker en je kunt niets zien. Het is veel te

heftig en je zult misselijk worden,” blijft ze herhalen.

Ze gaat maar door en ik besluit mijn mond maar te houden. Het

kind geeft definitief aan dat ze de Space Mountain niet ingaat. Dit tot

grote opluchting van haar moeder.

“Gaan jullie nog maar een keertje It‟s a small world in,” zeg ik

sarcastisch, “dan hebben jullie je pleziertje en ik het mijne. Ik zie

jullie wel bij de uitgang.”

Ik loop naar de ingang van Space Mountain toe. Het afscheid

wordt wederom gelardeerd met haar gebruikelijke commentaar.

“Ik hoop werkelijk dat je er heel uitkomt,” zegt ze, “maar ik blijf

het raar vinden dat iemand van jouw leeftijd met jouw zwakke rug


dit soort onverantwoorde risico‟s gaat lopen. Maar ja, je rekent er

waarschijnlijk op dat ik voor je blijf zorgen als je in een rolstoel

terechtkomt.”

Ik loop hoofdschuddend bij haar vandaan en zwaai nog eens

naar haar en het kind. Het lijkt wel alsof ik een wereldreis ga

maken.

Ik sluit aan bij de speedline en ik zie dat ook deze rij erg lang is.

Het gaat zeker een half uur duren. Dan moeten zij en het kind al

die tijd bij de uitgang wachten en dat vind ik te lang.

Ik stap uit de rij. Ik kijk of ik haar en het kind zie, maar ze zijn al

verdwenen. Ik loop naar de uitgang van de Space Mountain, waar ik

ze aantref. Net als bij de Blue Thunder Mountain staan ze hier hand

in hand naar me uit te kijken. Ik schrik van haar reactie als ik haar

op de schouder tik en zeg: “Hallo schat, ik ben hier.”

“Waar kom jij nou vandaan?” vraagt ze verbaasd. “Ben je er niet

in geweest? De uitgang - ze wijst op de uitgang - is toch daar? Je

zou toch - ze wijst weer - daaruit komen? Kun je dan ook nergens

meer van op aan? Had je geen speedticket bij je? Waarom ben je

niet in de rij blijven staan? Je had toch wel even kunnen wachten?

Belachelijk, dat die rijen zo lang zijn!”

Ik zie haar heftige reactie. Ik vind het vreemd. Het lijkt bijna wel

of ze in paniek is. Ik begrijp het niet.

Ik vraag het kind of ze nog een keertje met me de Blue Thunder

Mountain in wil. Het kind heeft daar wel oren naar. We gaan er

naartoe, onder luid protest van haar moeder: “Gadverdamme,

moeten jullie daar nou weer in?”

Ik stap met het kind in de rij en zij blijft achter. Ik houd haar

nauwlettend in het oog.

Ineens zie ik het. Het is een vast patroon. Het kind en ik gaan in

de rij staan. Zij wacht bij de ingang. Net zo lang tot er mensen zich

achter ons hebben aangesloten in de rij. Vlak voordat wij uit haar

gezichtsveld verdwijnen, zwaai ik nog een keer. Zij lacht en zwaait

vervolgens terug. Het valt me op dat haar lach krampachtig en


gemaakt is. Ik stap vervolgens weg en stiekem kijk ik wat ze doet.

Ze loopt direct weg. Niet op haar gemak, maar hard, heel hard.

Het kind en ik komen vervolgens uit de attractie. Als zij ons ziet

dan is haar opluchting duidelijk zichtbaar. Alsof er een last van

haar schouders valt.

Zij ziet niet dat ik het zie.

De grote Buffalo Bill Wild West-show.

Het is nog donker. Ik kijk op de wekker en ik zie dat het pas half

vijf is. Ik lig maar te woelen. Dit tripje naar Disneyland geeft me

zoveel stof tot nadenken. Ik maal maar door. Ik denk weer aan de

grote Buffalo Bill Wild West-show van gisteravond. Mijn god, wat had

ik het benauwd. Ik laat het evenement nog eens de revue passeren

en weer bekruipt me hetzelfde, benauwde en beklemmende

gevoel, waarmee ik gisteravond in mijn bed ben gestapt.

We zijn één dag in Eurodisney wanneer ze me vertelt dat ze heel

graag naar de grote Buffalo Bill Wild West-show toe wil, die speelt in

Disney Village. “Dat is niet alleen leuk voor het kind,” zegt ze,

“maar ook voor ons.”

Ik koop drie kaartjes bij de ticketservice van ons hotel voor de

voorstelling van donderdag, onze laatste avond in Disneyland. De

avond is volledig verzorgd, dus inclusief diner in Wild West-stijl,

bier en fris naar behoefte, koffie en thee na afloop en

waarschijnlijk meer dan voldoende Amerikaans vermaak.

Het is vijf uur in de middag en we lopen met z‟n drieën naar

Disney Village. We zijn iets te vroeg voor de show, maar gelukkig

is er veel te doen. De parade is net gestart en wat schetst onze

verbazing, het is de grote Buffalo Bill Wild West-parade, die voorbij

trekt. Dat is pas een imposant gezicht, al die cowboys en indianen

op paarden, onder aanvoering van een grote man met lang grijs


haar, die ook nog eens het grootste paard berijdt: Buffalo Bill

himself.

De parade is veel te snel voorbij en we slenteren nog wat door

Disney Village voordat we de hal van de show binnengaan. Ik

toon onze tickets en we krijgen een cowboyhoed met een blauw

lint. Er wordt ons verteld dat het de bedoeling is dat we die

dragen, zeker tijdens de show. We kijken voor de zekerheid ook

nog in de souvenirshop of we authentieke of unieke Buffalo Bill

Wild West-gadgets kunnen vinden, maar helaas.

Ik loop al een tijdje te niezen en het wordt erger. Het is al

begonnen op het moment dat ik de hal binnenkwam. “De grote

Buffalo Bill Wild West-show,” denk ik, “natuurlijk, het stikt hier

van de paarden.”

Mijn allergie speelt op. Vreemd, want ik heb er al zo lang geen

last meer van gehad.

Ik had een boekje aangeschaft over NLP (Neuro Linguïstisch

Programmeren) en allergie. Het geeft een verrassend andere kijk op allergieën

en het gaat ervan uit, dat het geen ziekte is. Het is een natuurlijke reactie van

het lichaam op een stof uit de omgeving. Helaas kan het lichaam niet altijd

even goed doseren en dan krijg je de welbekende overreactie. Deze zou bij de

bron moeten worden aangepakt, maar daar bestaan geen geneesmiddelen voor.

Het enige dat zij doen, is het bestrijden van de symptomen. Hier biedt NLP

soelaas. Vanuit de overtuiging dat het je eigen lichaam is, die je overreactie

veroorzaakt, moet je zelf ook in staat zijn om je lichaam zodanig te

programmeren, dat het minder antistoffen gaat produceren. Met andere

woorden, het lichaam merkt: “Hé, graspollen,” en heeft de neiging om

antistoffen te gaan produceren. Je moet tegen het lichaam kunnen zeggen:

“Bedankt voor de waarschuwing, maar ik weet het al en het is goed. Je hoeft

die antistoffen niet aan te maken.”

Het gaat nog verder. Als iemand negatief reageert op zijn omgeving, kan dat

ook een automatisme zijn. Neem bijvoorbeeld de blauwe envelop van de

belastingdienst. Het zien ervan maakt, bij mij althans, een negatieve emotie

los. Ik krijg automatisch de pest in en ik erger me. Ik voel dat ik me erger


zelfs aan mijn hoofd. Het geeft een vreemd prikkend gevoel, dat vanaf mijn

slapen tot achter mijn oren trekt. Dat is vreemd, omdat ik niet eens weet of ik

moet betalen of dat ik geld terug krijg.

Als je kijkt naar het effect van de blauwe envelop en graspollen, dan zie je

dat de patronen hetzelfde zijn. “Hé, blauwe envelop/graspol.”

Vervolgens allergische reactie: “Ergernis/Aanmaak antistof.”

Maar het gaat zelfs nog veel verder dan dit. Er bestaat nog een verband.

Hoe vaak komt het niet voor dat mensen op latere leeftijd ineens allergie

krijgen of kwijtraken? Ik ging terug naar het moment dat ik zelf last begon te

krijgen van mijn allergie. Het viel samen met een enorm spannende tijd waarin

ik toen zat. Het ging niet zoals ik wilde en ik ergerde me toen aan werkelijk

aan alles.

NLP als geneesmiddel voor allergie. Het is niet wetenschappelijk bewezen,

laat staan onderbouwd. Maar ik geloof erin en ik doe af en toe mijn NLPoefeningetjes.

Ik gebruik al twee jaar geen pilletjes meer.

We zoeken onze plaatsen op in de grote zaal. Het is net een

arena met allemaal ringen. Iedereen zit naast elkaar aan dezelfde

lange tafel, met het gezicht naar het spektakel toe. Het bedienend

personeel loopt voor de tafels langs, en omdat zij op de lager

gelegen ring voor je lopen, hoef je geen moment te missen. Wij

zitten in het blauwe vak, rechts zitten de gelen, links de roden en

schuin tegenover ons de groenen.

De show begint. We worden opgeroepen te joelen en met onze

hoeden te zwaaien, wat iedereen ook doet. De wedstrijd tussen de

indianenstammen begint. De stammen hebben ook een kleur. Die

correspondeert met de kleuren van de uitgereikte hoeden. De

groene krijgers beginnen en het groene vak wordt opgeroepen hun

stam te steunen. Ze moeten zo veel mogelijk geluid maken, onder

meer door hard met het bestek op de metalen borden te slaan. De

„niet-groenen‟ worden opgeroepen zo hard mogelijk „boe‟ te

roepen. Zo komt elke kleur aan de beurt en het is een gejoel van

jewelste.


Tijdens de show wordt ons echte Wild West-maal uitgeserveerd.

Het bestaat, hoe kan het ook anders, uit bruine bonen, gebraden

kip en worst. Heerlijk, een echte cowboymaaltijd in een Wild

West-ambiance. Wat wil je nog meer? De Coca-Cola vloeit

rijkelijk, het is een gezellig en spannend festijn en iedereen geniet

zichtbaar.

Waarschijnlijk alleen ik niet. Ik voel me vreemd en ik kan het niet

onder woorden brengen. De show komt me mijlenver mijn strot

uit, zo vreselijk vind ik hem. Normaliter kan ik me nog wel over

mijn aversie tegen een dergelijke show heen zetten en er zelfs de

humor van inzien. Maar in dit geval lukt me het van geen kanten

en de pest kruipt in mijn lijf. Het ergste is, dat ik niet eens weet

waarom.

Ik zit de show uit. Voor haar en het kind, want ik wil hun plezier

niet bederven. En de show wordt, voor zover dat mogelijk is, ook

nog eens verpest omdat het water letterlijk met bakken uit mijn

neus loopt, mijn ogen uit mijn hoofd branden en mijn luchtpijp

steeds dichter gaat zitten. Ik heb het Spaans benauwd. Zo‟n zware

aanval van allergie heb ik nog nooit gehad. Mijn keel zit letterlijk

potdicht en ik begin zwaar te hijgen. Ik denk nog maar aan één

ding: „ik moet eruit‟.

De show is gelukkig voorbij en ik haast me de frisse lucht in.

Eenmaal in het hotel gaan we direct naar onze hotelkamer. Ik heb

het nog steeds benauwd en ik hijg zwaar. Ik duik direct mijn bed

in.

Zij en het kind hebben medelijden met me en ze laten me dat

ook blijken. Zij komt op de rand van het bed zitten en ze probeert

lief voor me te zijn. Helaas zit ze me in de weg en ik vraag haar me

met rust te laten. Ze kijkt me niet begrijpend aan, maar ze staat op

en ze gaat aan de andere kant van de kamer naar de tv zitten

kijken.

Ik ben onrustig, ik voel me opgejaagd en ik heb het helemaal niet

naar mijn zin. Ik vraag me af waar mijn allergie vandaan komt. Is

het alleen de paardenstof of is er iets wat mijn reactie versterkt? Ik


heb het gevoel dat ik „eruit‟ moet en het feit dat ik „erin‟ zit, zou

dat me die benauwdheid bezorgen? Ik moet het maar eens op me

in laten werken en dat kan het beste door het van me af te zetten.

Ik weet toch niets anders te verzinnen dan te gaan slapen en

voordat ik in slaap val, denk ik: “Komt tijd, komt raad.”

Angsten en fobieën.

Het is half zes geworden. Ik heb het warm en ik heb het

benauwd. Al twee uur ben ik klaarwakker en ik heb last van dat

vreemde buikgevoel. Het is iets onheilspellends, alsof ik voel dat er

iets gaat gebeuren.

Ik weet alleen nog niet wat en ik kijk eens naar haar. Ze ligt op

haar zij en ze heeft haar laken in haar vuist, alleen een puntje steekt

eruit. Het is net of ze duimt, maar in plaats van haar duim houdt

ze het puntje van het laken tegen haar lippen aan. Het is een

aandoenlijk gezicht en weer krijg ik dat gevoel voor haar. Het

mengt zich met mijn buikgevoel. Wat is het toch, dat me zo

bezighoudt?

Ik denk aan haar angsten en fobieën. Ik heb ze gezien. Ze heeft

me er ook van verteld en ze heeft me er een verklaring voor

kunnen geven. Toch klopt er iets niet, maar ik weet niet wat. Ik zet

dingen die ze me verteld heeft af tegen dingen die ik heb gezien. Ik

begrijp het niet en allerlei voorvallen flitsen door mijn gedachten.

We kennen elkaar net en ik rijd samen met haar naar mijn huis.

Ik neem dit keer de weg langs de ringvaart, die ook voor mijn huis

langsloopt. Het is een slechte weg en ongeveer vijf kilometer lang.

We zitten hand in hand en na een paar honderd meter valt me iets

op. Ze knijpt in mijn hand en haar hand wordt drijfnat. Ik kijk

naar haar en ik zie dat ze helemaal tegen de deur aangedrukt zit.

Ze lijkt wel een bang vogeltje.


Ze is 18 jaar oud als ze bijna verdrinkt. Ze zit achterin de auto bij

vrienden. De chauffeur rijdt te hard en raakt in een bocht de macht over het

stuur kwijt. De auto raakt van de weg en belandt in de vaart. “Rustig

blijven,” zegt de chauffeur, “eerst moet de auto vol met water lopen, pas dan

kunnen we het portier openen.”

Dat lukt, althans voor de twee personen die voorin zitten. Door de klap op

het water is de achterbank losgeschoten en de auto zakt achteruit de diepte in.

Zij raakt bekneld en ze kan geen kant op. Ze krijgt het benauwd en ze vecht.

Tot het donker wordt.

Als ze bij haar positieven komt, ziet ze als eerste het gezicht van de

brandweerman die haar eruit heeft gehaald. Hij heeft haar ook „terug‟ gehaald.

“Wat zit je in mijn hand te knijpen?” vraag ik. “Heb je het niet

naar je zin?”

“Man, wat doe je me aan?” zegt ze met een benauwd gezicht.

“Als je mijn dag wilt vergallen, moet je dit soort dingen vaker

doen. Rijden langs een sloot. Hoe lang duurt het nog?”

Ik vertel haar dat we er zo zijn. Nog een minuutje of vijf. Ze

raakt zowat in paniek en ze vraagt: “Kunnen we niet terug? Is er

geen andere weg?”

“Ik wil best terugrijden,” zeg ik, “maar dan moet ik keren op

deze smalle weg en op de terugweg zit jij direct aan het water. Zeg

het maar.”

Ze schrikt en ze maakt een keuze. “Rijdt dan maar door,” zegt

ze, “dat is minder erg. Maar wil je dan wel een beetje doorrijden?”

Ik praat met haar over haar fobieën. Ze legt me uit hoe ze er last

van heeft gekregen. “De eerste weken na het ongeluk was er nog

niets aan de hand. Tot ik een keer langs de plaats des onheils reed.

Ik was met de auto en ik werd overvallen door hetzelfde

paniekgevoel als toen ik bijna verdronk. De keer daarna was toen

ik in een auto stapte. Ik kreeg weer dat angstgevoel op het

moment dat ik ging zitten en de deur dichtdeed. Ik moest er


gewoon uit, wat ik ook heb gedaan. Het idee opgesloten te zitten,

net als bij mijn ongeluk, bezorgt me die angst.

Ik stap in een lift. Hetzelfde liedje. En in de loop der jaren is het

steeds erger geworden. Als ik in mijn auto rijd en ik kom in de file

terecht, dan kan ik ook geen kant op. Ook dan raak ik in paniek.

De eerste keer dat het me overkwam, ben ik zelfs uitgestapt en

gaan lopen. De politie heeft toen mijn auto van de weg af moeten

halen.”

“Maar nu begrijp ik ook waarom je niet naar het huwelijksfeest

van je broer in Indonesië wilt,” zeg ik, “je durft gewoon niet te

vliegen.”

Ik vertel haar wat NLP met angsten en fobieën kan doen. Ik geef

haar voorbeelden. Ik schets hoe haar wereld er kan uitzien als zij

haar angsten en fobieën de baas is. Maar ze luistert niet, ze wil er

niet aan.

“Denk jij dat zoiets simpels als een NLP-trucje iets kan, waar

heel de medische wereld nog geen antwoord op heeft gevonden?”

schimpt ze. “Denk jij werkelijk, dat iets waar ik al 25 jaar mee

worstel, zomaar kan verdwijnen? Nee schat, dat zie je toch

verkeerd hoor. En ik kan het weten, ik heb er tenslotte voor

gestudeerd.”

Ik hoor haar praten en ik vraag: “Wat is de kwaliteit van jouw

leven als je zo erg wordt geleefd door je angsten en je fobieën?”

“Ach, het went,” zegt ze, “je leert de situaties te vermijden

waarvan je weet dat ze je in paniek kunnen brengen. Daarbij ben ik

zo sterk, dat als ik het echt wil, me over mijn angst heen kan

zetten.”

“Dat is dan je er doorheen vechten,” zeg ik, “dat kost enorm veel

inspanning. Je zit continu in de angst die je tegelijk moet

bedwingen. Denk je eens in dat je hetzelfde kunt doen, zonder dat

je die angst hebt. Dan hoef je die ook niet te bedwingen. Het enige

dat NLP doet, is die emotie die een lift bij jou oproept los te

koppelen en jou te leren een lift anders te ervaren. Daarbij, je hoeft

niet eens in NLP te geloven om het toch voor je te laten werken.”


Mathijs is een goede vriend van mij en ik ken hem al jaren. Mathijs en

NLP zijn voor mij synoniem. Mathijs beoefent NLP, past het toe op zichzelf,

helpt anderen ermee, draagt het over, draagt het uit, geeft er cursussen in en

schrijft er zelfs boeken over. Mathijs is een autoriteit in Nederland op het

gebied van NLP. Af en toe doe ik een beroep op hem als ik ergens mee zit en

in de rol van persoonlijke coach waardeer ik hem in het bijzonder. Negen van

de tien keer kan hij je met een paar eenvoudige vragen, hij zal je namelijk

nooit vertellen iets te doen, anders naar hetzelfde laten kijken. Hij laat je

hetzelfde gewoon anders benaderen of zien, wat meestal erg verhelderend werkt.

Die vaardigheid beheerst hij als geen ander. Tegelijk weet hij adequate NLPtechnieken

te vinden, waarmee je het „probleem‟ snel en eenvoudig de baas kunt

worden.

Woorden als „probleem‟ en „verkeerd‟ kent hij niet, hij prefereert het over

„uitdaging‟ of „anders‟, respectievelijk „ongemak‟ of „niet wenselijk‟ te praten.

Als er iemand is, die haar kan helpen haar van haar angsten en fobieën af

te laten komen, is hij het wel. Daarvan ben ik ten volle overtuigd. Zij hoeft het

alleen maar te doen.

“Maar waarom zou ik naar Mathijs toe willen?” vraagt ze. “Ik kan

het toch gewoon op mijn eigen manier doen?”

“Verdomme,” zeg ik, “wat ben je toch eigenwijs. Je probeert dat

al 25 jaar, zoals je zelf zegt. En ken je het resultaat? Nou, ik wel!”

Ik schud mijn hoofd en ik begrijp haar weerstand niet. Als je zo

geleefd wordt, dan grijp je toch elke mogelijkheid aan om er vanaf

te komen? Althans, dat zou ik doen. Daarbij loopt ze geen enkel

risico. Baat het niet, dan schaadt het niet.

Ze gaat door met mij te overtuigen: “Ik durf al meer als jij bij mij

bent. Je straalt zo‟n rust uit en ik vertrouw je volledig. Bijna

onvoorwaardelijk. Ik zit erover te denken om toch naar Indonesië

te gaan, want met jou durf ik waarschijnlijk wel het vliegtuig in te

stappen.”

Ze wordt enthousiast en ze zegt: “Wat zal Tom het leuk vinden,

dat ik, zijn enige zus, toch bij zijn huwelijksfeest kan zijn.”


Ik begrijp haar fobieën, maar ik zie ook de beperkingen die ze

haar opleggen. Ik krijg echt bewondering voor haar, als ik zie wat

ze allemaal nog doet ondanks die beperkingen. Als ze een keer bij

me in de lift stapt, als we naar de 17 e etage moeten, vraag ik hoe

dat kan. Ze zegt: “Met jou in de buurt durf ik alles. Dan voel ik me

veilig.”

Het zit me niet lekker. Het is zo‟n gaaf wijf en we houden zo veel

van elkaar. We hebben zo‟n goede band en we vullen elkaar zo

goed aan. Helaas zit ze met die vervelende angsten en het lijkt wel

of ze er niet vanaf wil. Ze kan het niet controleren, lijkt het,

behalve als ik in de buurt ben. Ze koppelt het aan mij. Ze heeft

angst, maar met mij in de buurt niet. Ik snap het niet. Heb je nu

angst of heb je hem niet? Ik besluit Mathijs maar eens om raad te

vragen. Hij weet al van haar af, want ik heb hem al eerder over

haar verteld.

From: Gijs@hotmail.com

To: Mathijs

Subject: Yvon

Hi,

ik heb met Yvon gesproken over haar fobieën en ik kom erachter dat

het niet zozeer de fobieën zelf zijn, maar dat ze worden gebruikt als

argument om dingen niet te doen. Haar belangrijkste drijfveer is dat

ze veiligheid zoekt. In haar eigen omgeving, niet te gekke dingen

doen etc. Met mij in de buurt voelt ze zich veilig en durft ze dingen

wel aan. Voorbeeld, met mij in het vliegtuig stappen gaat ze gewoon

doen. Maar dan is veiligheid gekoppeld aan mij en dat kan volgens

mij ook de bedoeling niet zijn. Ik heb op twee vlakken raad nodig.

1. Is het zinvol om NLP fobie oefeningen te doen en zo ja, welke?

2. Hoe koppel ik haar veiligheid los van mij.

Weet je raad, kun je helpen (en zo ja, hoe dan...)

Ik hoor het graag van je.

ps. het zou mooi zijn als ik medio deze maand weet waar ze staat

ivm een reis naar Indonesië waar haar broer trouwt...


Mijn mobiel gaat en ik loop de huiskamer uit op hem op te

nemen. Ik zie op de display dat Mathijs het is en ik zeg: “Hi

Mathijs, heb je mijn e-mailtje gehad? En?”

Mathijs zegt: “Het enige dat zij moet doen is een afspraak met

mij maken. Ik begrijp de cirkel waarin ze opgesloten zit en ik heb

haar er binnen de kortste keren uit.”

We beëindigen ons gesprek en ik loop weer terug de kamer in.

“Heb je geheimen voor me?” vraagt ze.

Ik zeg: “Ik vind het niet prettig om hardop in een mobiele

telefoon te praten met mensen om me heen. Ik kan me ook

voorstellen dat mensen om mij heen het niet kunnen waarderen

dat ik zit te telefoneren. Ik vind het gebruik van een mobiele

telefoon in het bijzijn van anderen zelfs getuigen van een slechte

opvoeding.”

“Maar dit ging over mij,” zegt ze.

“Ik weet niet hoe je dat kan weten, “ zeg ik, “maar je hebt gelijk.

Het was Mathijs. Ik heb hem om raad gevraagd betreffende jouw

angsten en fobieën.”

“Hoe haal jij het in je hersens om mijn vuile was uit te hangen bij

een vreemde?” bijt ze me toe. “Waar haal jij het recht vandaan?”

“Nou, nou, rustig maar,” zeg ik, “ik heb het beste met je voor.

Trouwens, realiseer jij je wel wat jouw angsten en fobieën voor mij

betekenen of nog zullen gaan betekenen? Ik kan me werkelijk niet

voorstellen dat je er niet vanaf wilt, of zie ik het verkeerd?”

“Natuurlijk wil ik er ook vanaf,” zegt ze, “maar mag ik het

alsjeblieft zelf doen?”

“Daar heb je nou precies Mathijs voor nodig,” reageer ik direct,

om het zelf te kunnen.”

Ik schrijf het telefoonnummer van Mathijs op een briefje en ik

geef het haar. “Hij rekent er op dat je hem belt,” zeg ik, “en ik

ook.”


Veiligheid en geborgenheid.

Ik blijf maar malen en ik lig een beetje wezenloos naar het

plafond te staren. Zij slaapt nog diep, dat hoor ik aan haar

regelmatige ademhaling. Het kind is gisteren laat naar bed gegaan

en slaapt ook nog. Het is muisstil.

Het onrustige gevoel, waarmee ik wakker ben geworden, wordt

niet minder. Hoe meer dingen ik overdenk, hoe heftiger mijn

onrust wordt. Ik begin me nu pas te realiseren, hoe groot de

impact van haar angsten en fobieën op haar leven zijn. Er schieten

me ineens ook andere dingen te binnen. Dingen die ik wel gezien

heb, maar nog niet heb kunnen plaatsen.

Ze vertelt over Rhoon, haar dorp. Hoe geweldig het er is. De

omgeving is schitterend, het heeft alle faciliteiten en gemakken van

een grote stad en toch is het een gezellig dorp gebleven. Het heeft

een leuke kern, een winkelcentrum waar alles te vinden is, een

bibliotheek, enzovoorts. Iedereen kent elkaar, zegt elkaar gedag en

is vriendelijk. Ze woont op een prachtige locatie nabij het centrum

en ze kijkt uit over een parkje. Ze woont er al bijna haar hele leven

en ze gaat er nooit weg.

Ik vertel haar hoe ik naar Stompwijk kijk, want mijn dorp heeft

ook zo zijn charme en voordelen. Het ligt centraal, vlak bij de

snelweg en midden in het Groene Hart van Nederland. Een

kwartiertje met de auto van Den Haag af en een half uur van

Amsterdam en Rotterdam. Verschillende winkelcentra zijn in de

buurt en als je snel een boodschap nodig hebt, dan kun je terecht

in de kleine supermarkt van het dorp.

Ik zie het verschil met Rhoon wel, maar dat dorp is dan ook zo‟n

zes keer groter dan het mijne. Als ik iets positiefs zeg over

Stompwijk, ontstaat er tegelijk een soort competitie met haar.

“Rhoon,” zegt ze triomfantelijk, “is in alle opzichten beter dan dat

suffe Stompwijk.”


“Het maakt me niet uit wat beter is,” zeg ik, “maar je moet toch

minstens toegeven dat het best een lekker stekkie is, waar ik

woon?”

“Ga je me nu vertellen dat Stompwijk leuk is?” zegt ze spottend.

“Feitelijk is het gewoon een achterlijk dorp zonder kern en zonder

winkels, waar alleen maar debiele mensen en boeren wonen. Er is

maar één school, er is niet eens een drogist en de super is niet

alleen duur, je kunt er alleen maar oude troep kopen.”

Ze heeft er geen goed woord voor over. Mijn huis kan er dan

nog wel mee door, ze vindt het alleen jammer voor mij dat het op

de verkeerde plek staat. Bovendien ook nog eens naast een sloot.

Ik kan haar vertellen wat ik wil, Rhoon is haar heilig en Stompwijk

deugt niet. Ze zou er nooit kunnen wonen.

“Is daar dan sprake van?” grap ik nog, maar ze hoort het niet.

Ze kraakt Stompwijk vaker af. Ze polariseert. Ik begrijp haar

opmerkingen niet zo goed. Het maakt mij niet uit, want alles heeft

zo zijn voor en zijn tegens. Het maakt me ook niet zoveel uit waar

ik woon. Ik noem, om het haar duidelijk te maken, mijn huis een

„klomp stenen‟, waarvan ik alleen verwacht dat het me droog

houdt als het regent en dat het op een beetje handige plek in

Nederland staat.

Ze kijkt me meewarig aan en ze zegt: “Weet je wat dat over jou

zegt? Je houdt dus niet van je huis. Je houdt ook niet van jouw

dorp. Je hebt dus geen thuis. Vind je het gek, dat je niet kunt

aarden. Gelukkig heb je mij gevonden en ik ga jou helpen een

thuis te vinden.”

Het zal wel en ik ga de discussie niet met haar aan. Maar ik hoor

het steeds vaker. Ze vertelt het tegen iedereen, die het maar horen

wil. Hoe belachelijk Stompwijk is, hoe debiel de mensen er zijn,

dat het niet eens een winkelcentrum heeft, enzovoorts.

Ik begrijp het niet en ik vraag haar wat voor zin het heeft om

Stompwijk steeds zo af te kraken.

“Ach jongen,” kijkt ze me meewarig aan, “het is niet alleen een

bekrompen dorp, het is bovendien niet veilig.”


“Niet veilig?” vraag ik verbaasd. “Waar heb je het over? Niet

veilig? Alsof jij zo veilig bent in dat dorp van jou.”

Ze spreekt vaker over de veiligheid van Rhoon, haar huis daar, de haar zo

vertrouwde omgeving, haar familie en haar vrienden. Ik zeg steeds tegen haar

dat ik haar opmerkingen over veiligheid maar niet begrijp. Ze draagt zelf de

argumenten voor mijn onbegrip aan. Ze vertelt me van het proces dat ze net

achter de rug heeft om een straatverbod voor haar ex af te dwingen. Ze was al

meerdere keren door hem in elkaar geslagen, zelfs in het bijzijn van haar kind.

Haar verzoek werd afgewezen. Sterker nog, in plaats van een straatverbod

had de rechter op eigen houtje beslist dat de bezoekregeling voor de vader

uitgebreid moest worden. Sindsdien hangt de dreiging van haar ex, zoals ze

dat zelf zegt, continu als het zwaard van Damocles boven haar hoofd.

Ze vertelt me ook over de inbraak. Haar gevoel van veiligheid heeft daarvan

een grote deuk opgelopen. Want toen zij en het kind thuiskwamen, hadden ze

de inbrekers op heterdaad betrapt. Vanaf die dag inspecteert zij, voordat ze

naar bed gaan, samen met haar kind het gehele huis op mogelijke

aanwezigheid van inbrekers of boeven. Het kind slaapt zelfs bij haar in bed,

want anders voelt het kind zich ook niet veilig. Ik verdenk haar ervan, dat zij

het niet zo erg vindt, dat haar kind bij haar in bed slaapt.

“Jij begrijpt het niet, hè,” zegt ze, “mijn dorp is vertrouwd.

Iedereen die me na aan het hart ligt is bij me in de buurt. Pieter en

Hannah wonen hier schuin tegenover, Zus twee straten verderop,

mijn moeder nog een straat verder en Tom aan de andere kant van

het park. Als ik me niet veilig voel, dan is er altijd wel iemand in de

buurt. Ik weet ook dat ik op ze kan rekenen en altijd op ze kan

terugvallen.”

“Het zijn de mensen, die jou dat gevoel van veilig geven,” zeg ik,

“het heeft dus niets te maken met het dorp zelf. Het is dus meer

de geborgenheid van jouw vrienden en familie.”

Ik denk dat ik haar begrijp. Zij zoekt veiligheid en klaarblijkelijk

ook geborgenheid. Maar zoeken we dat niet allemaal?


Ze woont net twee weken bij me en ik sta met haar achter in de

tuin. Jochem is net klaar met klussen en staat naast ons. Jochem is

de zoon van mijn buren. Het is een handige man die er graag een

beetje bijklust. Hij is niet alleen handig, hij kent iedereen in en

rond Stompwijk en weet er de weg. Ook kun je met hem, in ieder

geval altijd op vrijdagavond, een gezellig biertje drinken in de

lokale kroeg.

We staan met z‟n drieën de zonsondergang te bewonderen.

Stompwijk ligt ongeveer een kilometer of vijf van de zee af en ik

heb een vrij uitzicht over de onbebouwde polder. Dat levert, zeker

in de zomer, bijzonder fraaie plaatjes op met vaak spectaculaire

luchten. De zonsondergang van vanavond levert werkelijk het

spectaculairste beeld op dat ik ooit heb gezien. Het lijkt wel een

schilderij van de hemel en de hel. Alle kleuren komen erin voor.

Van lichtblauw tot diep paars. Van lichtroze tot vet rood.

Jochem vraagt me of ik zin heb om vrijdag een biertje te komen

drinken op het lokale rock-‟n-roll festival. Ik heb daar wel oren

naar. Zij hoort mijn antwoord en ze is het er duidelijk niet mee

eens.

“Dus je zadelt mij met het kind op?” zegt ze. “Ik kan geen kant

op. Leuk is dat. Wat moet ik dan? In dat grote huis? In mijn uppie,

alleen met mijn kind. Je had nog zo beloofd me te steunen.”

Ik schrik van haar reactie en ik zie dat Jochem er ook van schrikt.

Ik kijk haar niet begrijpend aan terwijl ze verder gaat. “Ik ga wel

ergens anders heen. Ik ga niet alleen met mijn kind in dat grote

huis liggen wachten tot jij een keertje thuiskomt. Ik ga wel naar

Zus toe.”

Ik vraag haar waarom ze ineens bij Zus wil slapen. Ik ben van

mening dat ik best een paar uurtjes weg kan. Ook kan een biertje

drinken geen kwaad, het is nota bene een paar honderd meter van

mijn huis af. “Ik laat de auto staan,” grap ik.

“Denk je dat ik niet serieus ben?” vraagt ze. “Het huis is nog niet

eens veilig.”


“Niet veilig?” vraag ik, “hoe bedoel je? Ik ben nog geen minuut

bij je vandaan. Als er iets is, dan ben ik er binnen een oogwenk.”

“Maar dan heb je waarschijnlijk al een bakkie teveel op,” houdt

ze vol, “lekkere man ben jij. Waarschijnlijk ben je dan al zo

dronken, dat je jouw mobiele telefoon niet eens meer hoort.”

“Ik vind werkelijk dat je overdrijft,” zeg ik, “en als het jou

geruststelt, dan beloof ik je dat ik niet te veel zal drinken.”

Ze zet haar hand in haar zij en ze wuift met haar vinger van haar

andere hand. “Ne pas, mister, zegt ze, “ik heet geen gekke Marietje

die je van alles wijs kan maken. Geloof je nu werkelijk dat jij, als jij

het daar naar je zin krijgt, wat ik me overigens nauwelijks kan

voorstellen, kan stoppen met zuipen?”

Jochem en ik kijken elkaar verbaasd aan. Wat gebeurt er?

Ze gaat door met het opsommen van allerlei argumenten om me

tegen te houden. Ze zegt: “Je denkt toch zeker niet dat ik in mijn

eentje ga liggen wachten tot jij een keertje thuiskomt.

Waarschijnlijk straalbezopen, lallend en stinkend naar de alcohol?”

Ik sta perplex en ik begrijp haar reactie niet. Jochem zegt niets en

ik houd ook mijn mond. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Maar zij

wel. Ze gaat maar door: “Weet je hoe verschrikkelijk dronken

mensen zijn? Drank, gadverdamme. Weet je eigenlijk wel wat

drank met je doet? Geef maar toe, zuipen is waar het allemaal om

gaat. De muziek is maar bijzaak. Je bent dus al net als al die

anderen. Je ontloopt nu al jouw verantwoordelijkheden. Jij komt

ook jouw beloften niet na terwijl je me nog zo had beloofd dat je

me zou helpen. Het enige dat je nu nog wilt is bij mij en mijn kind

vandaan vluchten en jezelf vol laten lopen met alcohol.”

Ik kijk Jochem aan en hij mij. Ik wissel een blik van

verstandhouding met hem uit. Ik begrijp er niets van en zo te zien

Jochem ook niet.

Het kind gaat naar bed en ik ben met haar samen. Ik vraag haar:

“Wat was dat nou voor reactie, zoëven in de tuin?”


Ze schrikt van mijn directe vraag en ze zegt: “Daar heb ik spijt

van, maar het komt omdat ik me te pletter schrok. Ik realiseerde

me ineens dat ik alleen in dit grote huis moest blijven. Ik vind het

nog niet veilig en daarom wil ik nog niet dat je bij me weg gaat.”

Ik zeg: “Maar moest je dan zo uithalen? Je haalt er allerlei

argumenten bij die niet terzake doen en daardoor ontspoort de

discussie. Ik begrijp er werkelijk niets van.”

“Maar jij hebt beloofd me te helpen,” verdedigt ze zichzelf, “ik

voel me nog niet veilig genoeg. Je moet me wat tijd geven. Het

komt echt wel goed. Geloof me. Je mag van mij te zijner tijd doen

en laten wat je wilt, maar nu nog even niet.”

“Wat is het dan, dat je precies van me verwacht?” vraag ik.

Ze antwoordt: “Dat je bij me blijft tot ik me veilig voel.”

Verlatingsangst.

Het heet dus verlatingsangst. Deborah, een vriendin van haar,

laat het woord uit haar mond vallen, als ik haar aan de telefoon

heb. Ze zei zoiets als: “Yvon met haar verlatingsangst doet zoiets

niet.”

Ik hoor het op dat moment wel, maar ik doe er niet zoveel mee.

Ik kijk wel eventjes op het internet wat er over verlatingsangst

bekend is. Ik verbaas me over het enorme aantal hits dat de

Google zoekmachine teruggeeft. Ik moet daarbij ook wel lachen,

want ongeveer de helft van de treffers gaat over verlatingsangst in

relatie tot honden. Ik skip de sites met honden en er blijft nog veel

informatie over. Ik verbaas me nogmaals. Het internet staat

werkelijk helemaal vol met websites, artikelen en discussiegroepen

omtrent dit onderwerp. Ik lees vluchtig een aantal artikelen en ik

vind een kort, duidelijk verhaal.


Over verlatingsangst:

Voor de mensen die verlatingsangst hebben is het heel moeilijk om

alleen door het leven te gaan. Aan de ene kant klamp je je vast aan

je partner, als je die hebt. Aan de andere kant wil je geen partner,

omdat je bang bent om toch weer in de steek gelaten te worden. Als

je nog geen partner hebt is het vaak moeilijk om er een te krijgen, je

klampt je te veel vast aan de nieuwkomer zodat deze hard wegrent,

of je stelt te hoge eisen om jezelf te beschermen tegen de mogelijke

pijn. De pijn om verlaten te worden ken je maar al te goed. Je wilt je

indekken, en dat doe je zo goed, dat het leven er helemaal niet

leuker op is geworden.

Verlatingsangst. Ik kan me er iets bij voorstellen. Zeker gezien de

gesprekken die wij hebben gevoerd en als ik kijk naar al het leed

dat haar in het verleden is aangedaan. Ik begrijp haar en ik heb ook

met haar te doen.

Ik zoek nog even door en ik lees nog een paar artikelen. Ik vind

er nog eentje die iets dieper gaat, maar ik kan deze niet direct

plaatsen. Ik neem me voor om het er met haar nog wel eens over

te hebben.

WAT IS VERLATINGSANGST?

Hoe normaal is het dat ik me ongerust maak dat mijn vriend of

vriendin mij niet meer leuk vindt of misschien zelfs geen interesse

meer heeft om nog met mij om te gaan?

Zowel kinderen, adolescenten en volwassen worstelen wel eens met

de angst om door de ander verlaten of verstoten te worden. Vaak is

die ander iemand waar men liefde en afhankelijkheid bij voelt. Dit

kunnen je ouders zijn, je partner, iemand waar je verliefd of trots op

bent, of juist iemand die negatief over je zou kunnen oordelen

waardoor je erg verdrietig en gekrenkt raakt.

Als je leven erg gestuurd of beïnvloed wordt door de angst om door

iemand verlaten te worden heeft dit grote invloed op je emoties, je

gedachten, je gedragingen en vertrouwen in jezelf en anderen. Als

de angst en onrustgevoelens je in de greep krijgen en je jezelf in de

loop van weken en maanden kwellen zonder dat je hier goed de

baas over kunt worden, ben je gevangen in een gevoel wat vaak

wordt aangeduid met verlatingsangst. Deze angst wordt door

diegene die daar aan lijdt en/of door de omgeving als buitensporig


eschouwd. Kortom, er lijkt een maat te zijn voor normale en

abnormale verlatingsangst.

Abnormale verlatingsangst wordt bepaald door de lengte van de tijd

dat men geplaagd wordt door de angst, de intensiteit van deze

angst, de mate waarin je je gedachten en gedrag beïnvloed worden.

Iemand met verlatingsangst kan bijvoorbeeld bang zijn om zijn

geliefde te verliezen. Om deze angst te neutraliseren ontstaan

controlerende gedragingen om geruststelling te krijgen. Is de

geliefde niet stiekem verliefd op een ander? Door iemand uit angst

of jaloezie te controleren, door overdreven te „„vissen‟‟ wat de

geliefde heeft gedaan of denkt, door juist heel vaak bij je geliefde in

de buurt te willen zijn, je zo gedragen dat je geliefde je moeilijk kan

verwerpen krijgt verlatingsangst een extra complexiteit.

Vaak zijn mensen met buitensporige verlatingsangst zo gevangen in

hun angst en verwarde gevoelens, negatieve gedachtegangen en

neutraliserende gedragingen, dat ze er alleen niet uitkomen. Al

onderkent men zijn/haar eigen verlatingsangst, de zuigende werking

van de angst maakt dat men te weinig weerstand hieraan kan

bieden. Wat dan? Praten over je angst en controlerende

gedragingen met de partner kan in bepaalde gevallen het patroon

doorbreken. Is dit niet mogelijk dan zijn wijze en goede vrienden

diegene die een klankbord kunnen vormen en goede raad kunnen

geven. Lukt ook dit niet ga dan naar je huisarts of een

relatiedeskundige of psycholoog om het door te praten.

Ineens begrijp ik het laatste artikel. Nu pas zie ik het in volle

omvang. Ze heeft dus niet alleen last van „gewone‟ verlatingsangst,

maar ze heeft ook last van een aantal complicerende factoren.

Haar angst en verwarde gevoelens, waar ze alleen niet uitkomt. Ze

is gevangen in de negatieve spiraal die weliswaar verlatingsangst

heet, maar feitelijk meer omvat.

Verlatingsangst. Als dat het is, dan geeft dat de verklaring voor

allerlei dingen die ik al eerder heb gezien. Al die argumenten die ze

aandraagt om dingen niet of anders te doen, met als enig doel bij

mij te blijven. In ieder geval dicht in mijn buurt, zodat ik haar niet

alleen laat of kan laten. Allerlei puzzelstukjes vallen op zijn plaats.

Tot op heden komt ze ermee weg. Of ik heb haar ermee weg laten

komen.


“Fuck,” denk ik ineens, “sta ik hier?”

Ik lig al uren te malen en ineens begrijp ik het. Puzzelstukjes

vallen op zijn plaats en een beklemmend gevoel bekruipt me.

Bekruipen? Het bespringt me. Ineens overzie ik het speelveld en

ik maak de balans op. Natuurlijk heeft ze angsten en fobieën, dat

begrijp ik maar al te goed. Ik heb er zelfs bewondering voor hoe ze

zich staande heeft weten te houden. Een normaal mens zou er

gestoord van worden, maar ze is zo sterk, dat ze overeind blijft.

Maar nu zie ik dat het om meer gaat. Ze heeft verlatingsangst. En

niet zo‟n klein beetje ook.

Ik kan haar verlatingsangst ineens plaatsen in relatie tot de

verhalen die ze me verteld heeft. Nu pas begrijp ik ze. Als zij het

gevoel heeft in de steek gelaten te worden, dan raakt ze in een

soort blinde paniek. Dat is zo heftig, dat ze zelfs het gevoel krijgt,

dat ze stikt. Vandaar dat ze er ook alles aan doet om niet in paniek

te raken. Zodra ze in een situatie terecht dreigt te komen, die haar

onbekend of niet vertrouwd is, doet ze er dus alles aan om die

situatie te ontlopen.

Ik begrijp het nu nog beter. Haar dorp is niet veilig, maar

vertrouwd. Ze kent er de weg. Daar heeft ze er geen last van. Ik

begrijp nu ook waarom de reis naar Indonesië niet is doorgegaan.

Dat is een vreemd land en stel dat ik er eventjes niet ben.

Hetzelfde geldt voor de vakantie naar Frankrijk. Die is door haar

uiteindelijk beperkt tot dit tripje naar Disneyland. Natuurlijk wil ze

niet dat ik wegga. Ze heeft vaak gezegd dat ik weg mag, maar ze

kan me eenvoudigweg niet laten gaan. Daarom mag ik van haar

niet naar het rock-‟n-roll festival van Stompwijk.

Ik heb het hier in Disneyland voor het eerst zelf gezien. Ze kon

niet anders dan mij alleen de Space Mountain in laten gaan. Ik heb

haar paniekreactie toen voor het eerst gezien en later, toen ik er

mee ben gaan spelen, heb ik het volledige patroon ontdekt. Ik kon

haar opluchting duidelijk waarnemen, wanneer ze me weer zag.


Mijn God, wat moet ze het toch moeilijk hebben en wat legt die

verlatingsangst haar enorme beperkingen op.

Mijn God? Als ik zie hoe haar verlatingsangst haar beperkt, wat

gaat die op den duur dan met mij doen? Hoe lang ga ik dat

volhouden? Allerlei gedachten doemen op in een rij:

Ik woon samen.

Ik woon samen met een vrouw met verlatingsangst.

Ik woon samen met een vrouw met verlatingsangst en zij gaat

me beperken.

Ik woon samen.

Ik woon samen met een vrouw met verlatingsangst.

Ik woon samen met een vrouw met verlatingsangst en zij gaat

me beperken.

Het gaat verdomme nog verder. Ik woon niet alleen met haar

samen, maar ik heb haar ook al een trouwbelofte gedaan. Op een

zaterdag in week 24 treden we in het huwelijk. Zelfs haar

bruidsjurk hebben we samen al uitgezocht en hangt al in de kast.

De zon schijnt op de familiedag van mijn bedrijf, die altijd gehouden wordt

in het eerste weekeinde van juni. Het laatste deel van het programma is

aangebroken, de gezamenlijke barbecue. De zon schijnt nog steeds, de

temperatuur is goed, het kind is heel gezellig en heeft zich aangesloten bij de

groep.

Ik zit na te genieten van de dag en ik kijk met trots naar mijn

medewerkers, die het ook zichtbaar naar hun zin hebben. Zij zit naast me en

vertelt me, zoals ze dat de hele dag al doet, hoeveel ze van me houdt. We zitten

in de roes van de dag en het plaatje is perfect. Alles klopt gewoon. Dat is wat

ze ook tegen me zegt. Ze gaat verder met de opmerking dat ze wel getrouwd

met me wil zijn. Als officiële bevestiging van de bijzondere band die wij

hebben. Ik voel dat ook zo en beaam het. Ze vraagt me of ik echt met haar

zou willen trouwen, waarop ik lacherig zeg dat ze op moet passen omdat ze


het risico loopt dat ik „ja‟ ga zeggen. Ze vraagt het me nog een keer en ik zeg

„ja‟.

Een paar dagen later vraagt ze of ik mijn trouwbelofte gestand ga doen en ik

zeg weer „ja‟. Ze laat me een plaatje van een prachtige bruidsjurk zien en ze

zegt dat ze daarin met me wil trouwen. Ik wil de aanschaf voor me

uitschuiven, maar dan lopen we het risico dat de jurk is verkocht. Het is een

nogal exclusief exemplaar en dit soort jurken worden niet in series vervaardigd.

Natuurlijk kan ik haar niets weigeren en een week later ga ik met haar op

pad. De jurk staat haar geweldig en ik schaf hem voor haar aan.

Ik raak zowat in paniek nu ik me realiseer waar ik sta. Zij gaat mij

beperken in mijn vrijheid. Natuurlijk heb zelfs ik af en toe

behoefte aan rust en stabiliteit, maar niet in de mate waarin zij dat

wil. Ik trek de consequenties door op mijn normale manier van

doen.

Af en toe een biertje drinken met mijn vrienden. Ze zal zich

verlaten voelen. Ook vindt ze het niet veilig genoeg zonder mij in

de buurt.

Af en toe op vakantie. Ze zal altijd binnen een kleine straal van

mij willen blijven. Ik beleef daar dan waarschijnlijk geen plezier aan

en zij waarschijnlijk ook niet. Dus dat doen we dan maar niet

meer. Wat een grote stap moet deze trip naar Eurodisney voor

haar zijn. En daarom heeft ze deze trip beperkt tot drie dagen. Zij

wil gewoon niet langer dan nodig van huis zijn!

Af en toe een leuk ritje op de motor maken. Stel dat haar motor

afslaat en ik het niet tijdig zie. Dat doen we dan ook maar niet

meer.

Ik begrijp het niet, ze is nota bene op me gevallen omdat ze me

zo‟n vrijbuiter vindt. Maar aan de andere kant begrijp ik het weer

wel. Ik ben daar haar perfecte aanvulling. Ik heb precies die

eigenschappen, die zij ontbeert, maar wel zou willen hebben. Maar

haar vrijheid is dan één op één gekoppeld aan mij en dat gaat mij

op den duur opsluiten.

“Wat nu?” denk ik.


Ik heb haar een belofte gedaan.

“Als jij me helpt,” had ze gevraagd.

Ik had het volmondig beaamd: “Natuurlijk schat!”

Alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Ik realiseer me

dondersgoed dat een relatie met haar geen enkele kans heeft. Dus

in plaats van haar te gaan helpen, kan ik niet anders doen dan met

haar breken.

Ach, ach, waarom heeft ze het me niet verteld? We waren zo

open en eerlijk naar elkaar? Hoe komt het dat ik het nu pas zie?

Nu begrijp ik het pas. Het is haar vraag om hulp in relatie tot

haar gevoel van veiligheid en geborgenheid. Ze heeft het me dus

wel verteld, ik heb het alleen niet gehoord.

Uit.

Zij wordt wakker en ze draait zich om. Normaal liggen we tegen

elkaar aangenapt, maar nu lig ik op mijn rug naar het plafond te

staren.

Ze draait naar me toe en ze vraagt aan me of er iets met me aan

de hand is.

“Tja, dat kun je wel zeggen,” laat ik uit mijn mond vallen.

Haar reactie komt in a split second. “Het is zeker uit?” vraagt ze

met wijd opengesperde ogen.

Ik schrik van haar directe vraag en het enige antwoord dat in me

opkomt, schiet zonder na te denken mijn mond uit. Ik zeg: “Ja!”


7. Mijn zoektocht is ten einde.

Ik ben nog niet over Iris heen. 16 weken ervoor, zaterdag.

Het is een zaterdag in november. Gisteravond, of beter gezegd,

vanmorgen vroeg is Margreet bij me weg gegaan. Het is de

zoveelste vrouw, die ik via het Internet heb leren kennen sinds ik,

nu alweer vier maanden geleden, gescheiden ben van Iris.

Ondanks dat ik vele vrouwen ontmoet, lukt het me maar niet om

het gat, dat Iris heeft achtergelaten, op te vullen. Het irriteert me

zelfs mateloos en ik word er een beetje moedeloos van.

Ik haal mijn eerste date met Margreet eens voor de geest. Het

was in Leiden.

Ik kom het eetcafé binnenlopen en ik zie haar direct zitten, want

ik herken haar van de foto. In het echt ziet ze er nog leuker uit. Ze

heeft grappig krullend blond haar, felblauwe ogen en volle, rood

gestifte lippen. Ze is lang, ongeveer 1m84 en behoorlijk

rondborstig. Niet dat ze dik is, maar toch is ze niet het type,

waarvan ik direct voor de bijl ga.

Margreet is van beroep activiteitenbegeleidster en in haar vrije

tijd schnabbelt ze bij als hypnotherapeut.

Nadat we kennis hebben gemaakt, gaan we vrij snel in op

datgene, dat ons het meeste bezighoudt. In mijn geval komt Iris

vrij snel ter sprake. Althans, het feit dat ik als single door het leven

ga en daar mijn draai nog niet in gevonden heb. We gaan vrij snel

de diepte in en Margreet stelt zelfs voor dat ik bij haar in therapie

ga. We lachen er allebei om als ik zeg, dat ze met haar sores ook

wel eens bij zichzelf in therapie kan. “Wie weet doe ik dat nog wel

eens,” zegt ze lachend.

Het is een ontspannen date en van een geheel ander niveau, dan

ik tot op heden gewend ben. Ik denk dat ik weet waardoor het


komt. Het klikt gewoon tussen Margreet en mij. Ik zie Margreet

niet als potentiële lover, maar meer als een maatje, waarmee ik

mijn sores kan delen.

Ik zeg het dan ook tegen haar en zij voelt iets dergelijks bij mij.

“Je wilt dus nog wel een keertje met me afspreken?” vraagt ze, als

we afscheid nemen.

“Natuurlijk,” zeg ik en ik zwaai naar haar, als ik op mijn fiets stap

en naar huis rijd.

Gisteravond had ik mijn tweede date met Margreet. Ik had met

haar afgesproken in een restaurantje, vlakbij het Stadshart van

Zoetermeer.

Ik ga eerst een hapje met haar eten en daarna neem ik haar mee

naar een popconcert in de Boerderij in Zoetermeer.

Het is een aangenaam concert, de band staat lekkere muziek te

spelen en Margreet staat schuin voor me. Ineens begint ze een

beetje aan me te friemelen en ik laat het me welgevallen.

Het concert loopt af en we nemen nog een drankje in het café.

Ze gaat met me mee naar huis, want haar auto staat nog bij mij

voor de deur. Ik vraag haar of ze zin heeft om nog even binnen te

komen voor een afzakkertje, waar ze wel oren naar heeft.

Eenmaal binnengekomen trek ik een flesje wijn open, zet wat

muziek op en we babbelen wat.

Ineens vraagt ze me hoe ik tegenover haar als vriendin sta. Ik

begrijp niet precies waar ze op doelt, althans, ik wil het niet

begrijpen. Ze legt me uit dat ze voor mij meer voelt dan voor de

gemiddelde voorbijganger. Ze hoopt dat ik ook zo naar haar kijk.

“Ik vind je heel erg aardig,” zeg ik met een glimlach.

Mijn antwoord is voor haar niet bevredigend. Ze begint naar de

juiste woorden te zoeken. “Kijk,” begint ze een beetje hakkelend,

“ik heb ook zo mijn behoeften. Een hele goede vriend van mij

ook. We hebben eigenlijk een pure seksrelatie. Maar als ik het met

jou ga doen, dan ga ik stoppen met die relatie. Snap je? Daarom

wil ik het weten.”


“Tja,” zeg ik tegen haar, “ik kan je hierin slecht adviseren.”

Ik voel dan ook niet de geringste behoefte om haar het achterste

van mijn tong te laten zien. Ze kijkt me een beetje hulpeloos aan

en ze zegt: “Ik begrijp het en ik had het ook kunnen weten. Jij

bent natuurlijk ook weer zo‟n vrijbuiter met chronische

bindingsangst.”

Ik zeg niets en ik kijk haar alleen maar een beetje spottend aan.

Ze ziet het en ze voegt er onmiddellijk aan toe: “Ik vraag toch niet

of je met me wil trouwen?”

Ze pakt haar glas en ze heft hem. Ik pak de mijne en ik toost met

haar. Ik weet alleen niet waarop, maar het onderwerp relatie lijkt

voorlopig van de baan.

Ze vraagt me wat ik met Kerstmis ga doen, waarop ik antwoord

dat ik dat nog niet weet. Ze vraagt of ik iets met haar samen wil

doen.

“Sowieso heb ik nog geen plannen,” zeg ik, “en ik heb

momenteel ook geen zin om plannen te maken.”

“Als je toch geen plannen hebt, dan kunnen we toch samen iets

bedenken?” vraagt ze me.

Margreet had me eerder verteld dat ze dienst heeft rondom

Kerstmis en ik plaag haar met: “Heb je zin om met me naar de zon

te vliegen? Of wil je met me mee op wintersport?”

Ze laat blijken dat ze geen prijs stelt op mijn plagerijen en ze zegt

dat ze serieus is.

“Dan moeten we maar naar één of ander luxe dinerdansant,” zeg

ik tegen haar.

Ze vraagt me wat voor kleding ze in een dergelijke gelegenheid

aan moet trekken.

“Ik draag dan altijd een smoking,” zeg ik, “en jij zult iets

passends moeten dragen.”

Ze raakt zowat in paniek en ze zegt: “Maar daar heb ik geen

kleren voor. Ik kom eigenlijk nooit in dat soort gelegenheden.”

Het is flauw van me, want dat wist ik feitelijk al. Ik had het allang

aan haar kledingstijl en de kwaliteit van haar kleren gezien.


We veranderen van onderwerp. Zij zit aan de huisbar tussen de

keuken en de woonkamer in. Ik schenk nog een glas wijn in en ik

blijf naast haar staan. Ineens pakt ze me vast en ze drukt haar

lippen hard op de mijne. Ik open mijn mond en ze duwt haar tong

hard naar binnen. Terwijl ze haar mond nog wijder open doet trekt

ze zich nog harder tegen me aan. Ik probeer mezelf een beetje uit

haar greep los te wurmen, zodat ik wat rustiger overnieuw kan

beginnen, maar du moment dat ik haar gezicht nader, gebeurt

exact hetzelfde.

Tjonge, ik heb wel eens een slecht zoenende vrouw meegemaakt,

maar zij spant de kroon. Ze doet me aan een goudvis denken die

met getuite rode lippen naar adem ligt te snakken. Ik zie het ook

voor me en ik schiet in de lach.

Ze vraagt me wat er is.

“Ik moet gewoon lachen,” zeg ik, “mag dat soms niet?”

Ze laat zich echter niet van de wijs brengen en ze gaat verder. Ik

laat haar gaan en ze begint zwaar te hijgen als ik uit gewoonte mijn

hand in haar slipje steek. Ze is zo geil als boter en ze kronkelt

werkelijk alle kanten op.

Het doet mij echter helemaal niets en ik vraag me zelfs af waar ik

mee bezig ben. Ik vergelijk haar onhandige pogingen om me op te

winden met de wijze, waarop Iris dat deed en ineens staat het hele

gedoe me faliekant tegen.

Ze kan er niets aan doen, maar ik zie haar gewoon niet zitten.

Dan komt daar ook nog dat verhaal over haar seksvriend bij en dat

gedoe rondom Kerstmis.

Het gaat echter nog verder, want ik zie gewoonweg helemaal

niets zitten. Ik zeg dan ook tegen haar: “Laten we hiermee maar

stoppen, ik heb totaal geen zin in deze poespas en het wordt toch

niets meer.”

“Dat komt zeker omdat ik je niet genoeg opwind?” vraagt ze.

Ik beaam het. Ik nuanceer het direct en ik zeg dat er meer aan de

hand is wat me tegenhoudt. Maar ook dat helpt niet, want ze blijft

maar aan me plukken. Ze blijkt behoorlijk sterk te zijn, want


ineens legt ze me op de grond en ze gaat bovenop me zitten. Ze

gaat me eventjes over de streep trekken. Ze trekt allerlei

kledingstukken open, zowel bij mij als bij zichzelf. Ze wurmt haar

tong nog een keertje hardhandig bij me naar binnen en ze botviert

nog wat orale hoogstandjes op me.

Ze heeft echter niet in de gaten dat haar pogingen zelfs een

averechts effect op me hebben. Ik zie het komische van de situatie

en weer schiet ik in de lach. Ik zeg: “Je kunt beter tegen een

betonnen paal aan gaan rijden, die reageert waarschijnlijk meer dan

ik.”

Ineens heeft ze het met me gehad en ze kijkt me diep beledigd

aan. Ze staat op, trekt haar kleren recht en ze gaat naar huis. Het is

half vier in de nacht.

Een paar uur later al ontvang ik een e-mail van Margreet. Daarin

biedt ze haar excuses aan omdat ze er niet voldoende rekening

mee heeft gehouden dat ik pas zo kort van Iris af ben. Ze biedt me

aan om me te helpen over haar heen te komen en ze heeft er

begrip voor dat ik het rustig aan wil doen.

Daar begrijp ik weer niets van. Ik vind dat ik al voldoende over

Iris heen ben, ik moet alleen mijn draai nog zien te vinden. Het is

anders, ik zie Margreet gewoon niet zitten. Wenst zij ondanks mijn

onaardige optreden van gisterenavond toch contact met me te

houden? Na wat er gebeurd is?

Ik besluit het contact te verbreken en ik stuur haar de

boodschap, dat ik geen zin heb in wat voor relatie dan ook. Ik

voeg eraan toe dat het niet aan haar ligt en ik geef haar de goede

raad dat ze vooral haar seksvriend voor mij niet moet opgeven.

Ik heb nog veel meer dates. Ik loop de ene na de andere af en ik

jaag achter allerlei vrouwen aan. Ik krijg ze gemakkelijk daar, waar

ik ze hebben wil. Terwijl ze me feitelijk voor geen meter boeien.

Eén ding wordt me gaandeweg steeds duidelijker. Iris houdt me

meer bezig dan ik voor mezelf wil toegeven.


De Bach Bloesemtherapie.

Ik kan mijn draai maar niet vinden en niet alleen in mijn privéleven.

Ik ben meer dan vroeger aanwezig op kantoor, maar ik ben

er met mijn gedachten niet echt bij. De scherpte ontbreekt en ik

vergeet, geheel tegen mijn gewoonte in, zelfs afspraken. Rodin,

mijn rechterhand en steun en toeverlaat, vraagt: “Wat is er toch

met je aan de hand? Zo ken ik je helemaal niet.”

Ik leg het hem uit, voor zover ik het zelf begrijp. Ik zeg: “Ik ben

sinds kort weer single. Dat betekent een nogal forse omschakeling.

Ik moet ineens boodschappen doen, voor mijn eten zorgen en

mijn huis opruimen. Ik mis iemand om me heen en daar moet ik

aan wennen. Ik heb van alles toe doen, maar ik merk dat de

motivatie me ontbreekt om iets op te pakken. Ik ga eerder voor de

buis hangen, dan dat ik iets uit mijn handen laat komen. Kortom:

Ik heb mijn draai nog niet gevonden.”

“Je bent ook veel meer op kantoor aanwezig dan vroeger,” stelt

Rodin vast, “vind je dat nodig?”

“Nodig?” zeg ik vragend. “Nodig is het woord niet en als je het

zo stelt, denk ik inderdaad dat het niet nodig is. Aan de andere

kant heb ik toch het idee dat ik nuttige dingen doe.”

“Denk je dat echt?” vraagt Rodin met een glimlach. “Wie neem

je nou in de maling? Mij of jezelf? Ga toch weg man. Je zit hier

niet alleen ons in de weg, maar ook jezelf.”

“Daarmee zit ik toch een beetje in een impasse,” zeg ik

beteuterd, “ik weet niet zo goed wat ik moet gaan doen.”

Rodin schiet nu pas echt goed in de lach en hij zegt: “Jij niet

weten wat je moet gaan doen? Jij? Man, ga gewoon doen wat je

vroeger ook deed.”

“Doen wat ik vroeger ook deed?” zeg ik vragend. “Goed idee.

Maar met wie dan?”

Ik hoor mezelf sputteren en ik vind mezelf een beetje zielig.

Rodin ziet het waarschijnlijk aan me, want hij zegt: “Tjonge, jouw


echtscheiding met Iris hakt er inderdaad harder in dan dat je mij

voorspiegelt.”

Ik verdedig me en ik zeg: “Het is niet Iris die ik mis, want geloof

me, ik ben haar liever kwijt dan rijk. Ik moet alleen mijn draai nog

zien te vinden.”

“Ik hoop dat het waar is wat je zegt,” zegt Rodin, “en ik hoop

ook dat je snel je draai weer vindt.”

Ik neem een nieuwe secretaresse in dienst, Babeth. Het is een

lange, slanke, mooie meid van 30 jaar oud met lang, donker

krullend haar, donkere ogen en prachtige tanden. Mijn mannen

zijn het er ook over eens, want ik hoor regelmatig in de

wandelgangen: “Zo‟n mooie hebben we nog nooit gehad.”

Ik vind al snel een aantal dingen uit van Babeth. Ze heeft een

vriend, is een beetje een dromer en ze is heel erg serieus in haar

werk. Ze werkt vier dagen in de week, omdat ze de andere dag

nodig heeft voor haar studie. Als ik haar vraag wat voor studie dat

is, vertelt ze me dat ze zich bezig houdt met de Bach

Bloesemtherapie.

“Wat is dat en hoe werkt het?” vraag ik.

Babeth legt uit dat Dr. Bach, die leefde van 1886-1936, ontdekte

dat er in 38 plantenbloesems trillingen zitten, die negatieve

gemoedstoestanden omzetten in positieve eigenschappen.

Zieltoestanden worden geassocieerd met een bepaalde bloesem en

de bloesems kunnen er een herstellende werking op hebben.

“Dat vind ik een tamelijk ingewikkeld verhaal,” zeg ik lachend

tegen haar.

“Ik kan het ook eenvoudiger uitleggen,” zegt ze en ze begint met

haar verhaal.

Mensen hebben goede eigenschappen. Door bepaalde ervaringen

kan het zijn dat een positieve eigenschap in een geblokkeerde

toestand raakt. Dan ontstaat er feitelijk een teveel van die positieve

eigenschap, waardoor het een negatieve eigenschap wordt. Met

behulp van de bloesemextracten wordt de harmonie weer hersteld.


“Geef eens een voorbeeld?” vraag ik.

“Ik citeer letterlijk wat Bach zei over onzekere mensen,” zegt ze,

“het Loodkruid, oftewel de Cerato-gemoedstoestand, is voor

mensen die onvoldoende zelfvertrouwen hebben om datgene te

doen wat zij zich hebben voorgenomen. Door hun onzekerheid

vragen ze voortdurend de mening van anderen en worden

daardoor vaak op het verkeerde been gezet. Tegen beter weten in

volgen ze de mening van anderen. Als het vervolgens verkeerd

uitpakt, dan hebben ze spijt dat ze erop zijn ingegaan en ze nemen

zich voor het voortaan anders te gaan doen. De volgende keer

echter vervallen ze opnieuw in dezelfde onzekerheid en het proces

herhaalt zich. Daardoor ontstaat een negatieve spiraal en de

persoon wordt steeds onzekerder. Het bloesemextract van de

Cerato helpt ze het evenwicht te herstellen.”

“Daar kan ik me wel iets bij voorstellen,” zeg ik, “maar ik geloof

bijna niet dat onzekerheid met een paar druppeltjes weggenomen

kan worden. Het heeft toch voornamelijk te maken met een

bewustwordingsproces?”

“Dat is nou juist het interessante van mijn studie,” zegt ze, “want

ik specialiseer me in de toepassing ervan op dieren. Ik leer het

toepassen op honden en paarden. Zij hebben niet de

bewustwording van de mens en toch werkt het bij hen ook. Je

kunt aan de gedragingen zien in welke toestand een dier zit en als

je daar de goede druppels voor toedient, verandert het gedrag.

Vaak al binnen een heel korte termijn.”

“Interessant,” zeg ik, “dus jij kunt aan mij ook zien waar ik last

van heb?”

“Zeker weten,” zegt Babeth, “ik ken je inmiddels een beetje en

als ik het gedrag van paarden kan inschatten, kan ik het natuurlijk

ook bij de mens.”

Ik schiet in de lach en ik zeg: “Vergelijk je mij nu met een

paard?”

Ze moet er ook om lachen en ze zegt: “Dat bedoel ik niet. Ik kijk

alleen maar naar jouw gedrag en voor mij is het overduidelijk waar


jij last van hebt. Jij hebt last van een geblokkeerde Beech - Berk in

het Nederlands - en een geblokkeerde Impatiens -

Reuzenbalsemien in het Nederlands - tegelijk.”

“Wat houdt dat precies in?” vraag ik, inmiddels erg nieuwsgierig

geworden.

Babeth legt uit dat de Beech valt in de groep „bezorgd zijn om

het welzijn van anderen‟. De positieve eigenschappen zijn dat de

persoon in den beginsel verdraagzaam is, dingen kan accepteren en

begrip kan opbrengen voor hetgeen om hem heen gebeurt. Maar

als deze persoon geblokkeerd raakt, dan krijgt hij een voorkeur

voor het bekritiseren van anderen, wordt arrogant en

onverdraagzaam. Hij is niet meer in staat zich in te leven in een

ander en dit maakt de persoonlijkheid tot een weinig gemakkelijke.

De Beech-gemoedstoestand is er een van een volkomen

geblokkeerd gevoelsleven voor zichzelf en voor anderen. Hij heeft

het gevoel beter te zijn dan een ander en hij kijkt geringschattend

op de ander neer. Hij krijgt steeds vaker last van het gevoel dat hij

door zijn omgeving wordt gediscrimineerd of gepest, wat steeds

vaker ook klopt, omdat hij dat gedrag zelf oproept. In deze situatie

gaat hij zich nog harder afzetten tegen de ander, omdat hij van

mening is, dat hij toch weer gelijk heeft. Waar hij zich niet bewust

van is, is dat hij steeds sneller geïrriteerd raakt en uitermate kritisch

wordt. Het laatste maakt dat hij zelfs bijzonder arrogant gedrag

gaat vertonen, ook al wil hij het niet. Uiteindelijk denkt hij dat de

hele wereld tegen hem is en dat hij de enige is, die nog normaal

functioneert.

“Dat herken ik,” zeg ik, “ik merk inderdaad, dat ik mezelf

tegenwoordig aan het minste geringste stoor. Ik voel het zelfs aan

mijn slapen. Het vel eromheen trekt dan. Het gebeurt me gewoon,

nog voordat ik het daadwerkelijk heb gezien.”

“Ik ben nog niet klaar,” zegt Babeth, “want je hebt ook nog last

van Impatiens.”

“Nog meer?” vraag ik. “Leg eens uit.”


De Impatiens valt in de groep „eenzaamheid en alleen voelen‟.

De positieve basishouding ervan is dat de persoon ontspannen en

verdraagzaam is. Hij is zachtmoedig voor anderen en kan veel

geduld opbrengen. Maar als deze persoon in een geblokkeerde

toestand terechtkomt, dan verandert dit in het tegenovergestelde.

De persoon wordt ongeduldig, raakt snel geïrriteerd en gaat snel

reageren. Hij zoekt als het ware steeds opnieuw de spanning op en

hij gaat in zijn eigen tempo en op zijn eigen manier werken en

handelen.

Hij vereenzaamt als het ware, doordat hij in zijn ongeduld alles

zelf gaat doen. Bach zei over de Impatiens: “Ze zijn snel van

denken en handelen. Ze wensen dat alles gedaan wordt zonder

aarzelen en vertraging. Bij ziekte willen ze weer zo snel mogelijk

beter zijn. Ze houden van opschieten en hebben erg weinig geduld

met mensen, die minder snel zijn. Op alle in hun vermogen

liggende manieren proberen ze deze mensen tot meer actie en

snelheid aan te zetten. Bij voorkeur werken ze alleen, zodat ze hun

eigen tempo kunnen aanhouden.”

“Dat herken ik zeker,” zeg ik.

“Mind you,” zegt Babeth, “tel een geblokkeerde Beech en

Impatiens eens bij elkaar op. Ik kan me dus heel goed voorstellen,

dat je op dit moment niet echt lekker in je vel zit.”

“Daar moet ik je helemaal gelijk in geven,” zeg ik, “maar is het

dan zo goed te merken?”

“Je bent gelukkig gezegend met een gezond stel hersens,” zegt

Babeth, “daaraan heb je het te danken dat je nog redelijk goed

kunt functioneren.”

“Hoe bedoel je?” vraag ik.

“Ik merk het dondersgoed,” zegt Babeth, “want ik werk voor je.

Ik zie het gewoon bij je gebeuren en ik voel het direct aan. Want

als er iets gebeurt, dan landt die gebeurtenis direct in jouw gevoel.

Vervolgens druk je het weg, omdat je dondersgoed beseft dat je

het niet kunt maken, om te doen wat je gevoel op dat moment


ingeeft. Maar door jouw gevoel steeds weg te moeten drukken,

word je er niet gelukkiger op.”

“Geef eens een voorbeeld?” vraag ik.

“Neem bijvoorbeeld die fax die ik van de week moest versturen.

Die ik per ongeluk naar de verkeerde klant heb gestuurd. Jij komt

erachter en ik zie gewoon dat je denkt: „trut, kun je dan ook niets‟.

Ik zie je zelfs schrikken van je eigen gedachten omdat je zo niet

wilt denken. Het lukt je vervolgens toch om vriendelijk tegen me

te zeggen dat ik de volgende keer beter op moet letten en dat

fouten maken nu eenmaal menselijk is. Maar als jij je gevoel

rechtstreeks had gevolgd, dan had je me de deur uitgegooid.”

“Je hebt helemaal gelijk,” zeg ik, “jeminee.”

“Geloof me, het is niet altijd even gemakkelijk om voor jou te

werken. Maar omdat ik je begrijp, kan ik er goed mee omgaan en

ik ben er uiterst gevoelig voor. De rest van jouw personeel zal het

minder merken.”

“Toch baal ik ervan,” zeg ik, “want dat betekent dus dat als ik zo

doorga, ik allerlei mensen tegen me in het harnas jaag en dat ik

steeds eenzamer word.”

“Je hoeft daarvoor niet eens mensen tegen je in het harnas te

jagen,” zegt Babeth glimlachend, “want uiteindelijk zul je vanuit je

eigen overtuiging mensen niet eens meer laten naderen.”

“Is er nog hoop voor me?” vraag ik. “Want als ik zo doorga, dan

word ik waarschijnlijk zo‟n oude chagrijn, die alleen nog maar

kankert op de wereld die niet deugt.”

“Dat risico loop je inderdaad als je er niets aan doet,” zegt

Babeth, “maar gelukkig is er hoop. Als je het inziet en je bent

bereid er iets aan te doen, kun je dat natuurlijk ook doen. Ik zal

vanavond een aantal druppeltjes voor je mengen, die je erbij zullen

helpen. Ik zal je ook mijn leerboek geven, dan kun je het nog eens

uitgebreid lezen.”


Wat ik wil?

Yolanda is management consultant en ze helpt me mijn bedrijf te

professionaliseren. Ik weet dat ik als ondernemer slecht dingen uit

handen geef en als ik wil groeien, dan zal ik dat toch moeten doen.

Tegelijk wil ik dat het bedrijf niet afhankelijk is van mijn

persoontje en dat mijn mensen de dingen zelf oplossen.

Ik sta dus de groei van mijn eigen bedrijf in de weg. Ik weet dat

wel, maar er iets aan doen is iets anders. Vandaar dat ik hulp

ingeschakeld heb. Yolanda vraagt me waar ik met mijn bedrijf

naartoe wil.

Ik zeg: “Ik heb geen flauw idee.”

Ze zegt: “Dat zul je me toch moeten vertellen, anders kan ik je

niet helpen.”

Ik zeg: “Maar daar heb ik geen flauw idee van.”

Ze vraagt: “Wat wil je eigenlijk zelf?”

Ik zeg weer: “Ik heb geen flauw idee.”

Ze antwoordt: “Als jij niet weet wat je zelf wilt, dan kun je ook

niet weten wat je met jouw bedrijf wilt.”

“Dan moet je me daar eerst maar eens mee helpen, “ zeg ik tegen

haar en ik spreek met haar af dat we in een aantal sessies van zo‟n

anderhalf uur gaan proberen daar een antwoord op te vinden.

Boing. 13 weken ervoor, een zaterdag.

Het is zaterdagmorgen en gisterenavond heb ik de zoveelste date

gehad. Ik weet niet eens waarom ik met haar naar haar slaapkamer

toe ben gegaan, maar om half drie ben ik er uitgevlucht. Eenmaal

thuisgekomen heb ik slecht geslapen en allerlei dingen malen door

mijn hoofd. Ik voel me opgejaagd en onrustig, en ik weet niet waar

het door komt.

Ik kan niet anders doen dan de conclusie trekken, dat ik

emotioneel nogal in een dip zit. Ik voel me verloren, niet


egrepen, niet gewaardeerd en ik weet niet waar het vandaan

komt. Inmiddels zie ik wel een aantal puzzelstukjes, alleen het

grote plaatje kan ik nog niet zien.

“Babeth heeft gelijk,” denk ik ineens, “ik voldoe inderdaad aan

alle criteria van de Beech en Impatiens in geblokkeerde toestand.”

“Margreet heeft gelijk,” denk ik, “ik moet inderdaad eerst eens

van Iris af, voordat ik überhaupt aan een nieuwe relatie kan

beginnen.”

“Yolanda heeft gelijk,” denk ik ook nog eens, “ik weet werkelijk

niet wat ik wil.”

Ik tel alle dingen eens bij elkaar op en ineens valt er een kwartje.

Ik zie in alle omvang waar ik sta. Het is ergens anders dan dat ik

dacht waar ik zou staan. Allerlei dingen vallen in één keer samen.

Het is dan ook geen kwartje dat valt, het is een complete

vuurtoren en het geeft me dan ook een gigantische dreun.

Ik moet wat ik van mezelf gezien heb op me in laten werken en

dat valt me niet mee. Ik plof op mijn bank en ik staar voor me uit.

Ik blijf er het gehele weekeinde op zitten.

Ik zit helemaal in de knoop. Ik zit gevangen in een negatieve

spiraal waarvan ik niet wist dat ik erin zat. Ik vind mezelf wel wat.

Alleen erger ik me steeds meer aan van alles en bijna iedereen in

mijn omgeving. Mijn lontje is steeds korter geworden en iedereen

in mijn omgeving, die het in mijn ogen niet goed doet, moet het

ontgelden. Mijn basishouding wordt steeds harder, op het

meedogenloze af. Daar is op zich niets mis mee, maar wel als het

misplaatst is en dat is het in mijn geval steeds vaker. Ik begin zelfs

zowat paranoïde te worden. Ik ben continu op mijn hoede, want

niemand doet genoeg zijn best of is erop uit om de kantjes ervan

af te lopen.


“Mijn God,” denk ik, “nu snap ik ook waarom mijn relatie met

Iris op de klippen is gelopen.”

Iris kon de laatste tijd werkelijk geen goed meer bij me doen. Wat

was ik opgelucht toen ze na de laatste heftige woordenwisseling

besloot haar biezen te pakken. Na een huwelijk van dertien jaar.

We deden niet veel meer samen, alleen nog ruzie maken over de

verbouwing. Het was haar verantwoordelijkheid, maar ze kon de

aannemers niet de baas. Steeds spande ze mij voor haar karretje en

moest ik ingrijpen.

We gingen ook al niet meer samen op vakantie. Een wintersport

of op de motor weg ging nog wel, want dan waren er tenminste

anderen bij. Zij ging steeds meer met haar vriendinnen weg en ik

met mijn vrienden. Wat wij vroeger samen deden, deden we nog

steeds, maar niet meer met elkaar. We leefden perfect langs elkaar

heen. Ik had mijn werk met mijn beslommeringen, zij haar werk

met de hare. Waar we elkaar vroeger veel vertelden, hielden we nu

ons mond. Ik realiseer me dat ik haar in de loop van de tijd anders

ben gaan zien, net zoals zij mij anders is gaan zien.

Ik was voor haar altijd de stoere, sterke man. Recht voor zijn

raap, eerlijk, no nonsens. Zij was voor mij de lieve, zachte vrouw.

Kwetsbaar, hulpvaardig. Je moest haar nooit vertellen wat ze

moest doen, want dan deed ze het niet. Maar als je het gewoon

vroeg, wilde ze je dat plezier graag doen.

Dat is veranderd. Ik werd voor haar een eigengereide klootzak,

die volledig zijn eigen gang ging en het altijd beter wist. Zij werd

voor mij een onhandig en dom wicht, die niets zelfstandig kon en

als ik zei wat ze moest doen, gooide ze zelfs haar kont tegen de

krib.

Maar nu begrijp ik het ineens. Ik was al lekker aan het

doorschieten in mijn „Beech/Impatiens‟ en zij was daar de schuld

van. Ik kon het geduld niet meer opbrengen om haar de ruimte te

geven en ik begon haar af te vallen. Het laatste dat ze tegen mij zei,

vlak voordat wij definitief opbraken, was dat ik haar niet meer

waardeerde om wie ze was.


Toen was ik het niet met haar eens, maar nu zie ik in dat ze gelijk

had.

Ik besluit het maar eens van mij af te schrijven. Ik kies als vorm

„een brief aan Iris‟. Mijn computer staat vol met dit soort verhalen.

Meestal schrijf ik iets op, leg het een paar dagen weg, lees het terug

en ik leer ervan. Over het algemeen doe ik er verder niets mee.

Maar deze lees ik terug, ik richt hem aan haar en ik verstuur hem.

Hallo Iris,

Afgelopen weekeinde is er verschrikkelijk veel gebeurd. Ineens heb

ik een aantal puzzelstukjes gezien, waarvan ik niet eens wist dat ze

bestonden. Het ging over mezelf en ik ben er nogal van

geschrokken. Ik ben nu een paar dagen verder en realiseer me dat

ik nog een lange weg te gaan heb. Als je uit dit verhaal dingen voor

jezelf kunt halen is dat oké, maar ik heb het primair voor mezelf

geschreven. Er zitten drie punten in:

Ik ben erachter gekomen dat ik steeds meer ben verhard en

verstard. De hele wereld zit vol met klootzakken en ik ben de enige

die het snapt. Ik lok zelfs gedrag uit dat ik daarna veroordeel. “Zie je

nu wel,” zeg ik dan, “ik wist het al op voorhand.” Ik ben daardoor zo

geobsedeerd, dat mijn waarnemingsvermogen is vertroebeld. Zelfs

al heb ik ongelijk, dan matig ik me het recht aan toch te veroordelen.

Ik maak me druk over kleine dingen, in een mate die in geen enkele

verhouding staan tot de dingen zelf. In de volle overtuiging dat mijn

omgeving mij niet aankan en dit soort dingen expres doet om me te

ergeren. Hetgeen natuurlijk ook heel goed lukt.

Ik ben bijzonder ongeduldig. Ik pak alles uit andermans handen

omdat ik het wel even doe. En natuurlijk ook beter, goedkoper,

mooier. Het bevestigt ook nog eens dat niemand deugt behalve ik.

Tegelijk ben ik een ster in het kwetsbaar opstellen. Alleen als

gedrag, maar niet echt. Want ik sta mezelf niet toe emoties te tonen.

Dat kan ik ook niet, want die heb ik zo ver weggestopt, dat ik

eigenlijk niet meer weet wat ik voel.

Je moet de onrust in mij gezien hebben en de zoektocht waarmee ik

al een tijdje bezig ben. Ik heb professionele hulp ingeschakeld en ik

heb al een aantal counsels gehad. Babeth houdt zich bezig met de

Bach Bloesemtherapie en ik heb iemand ontmoet die

hypnotherapeut is. Toeval bestaat klaarblijkelijk niet, want allerlei


dingen kwamen vorige week in een stroomversnelling en ik heb het

afgelopen weekeind het grootste dieptepunt van mijn leven ervaren.

Ik herkende mezelf ineens in twee types uit de Bach

Bloesemtherapie in een zogenaamd geblokkeerde toestand.

Daarom kan ik het nu opschrijven. In deze spiegel kijken is me niet

meegevallen. Even kort over Bach en de types die op mij van

toepassing zijn:

beuk (Beech): Onverdraagzaamheid, arrogantie, kritiek,

veroordelen.

reuzenbalsemien (Impatiens): Ongeduld, gespannenheid, stress.

Prikkelbaarheid, irritatie bij traagheid. Werkt het liefst alleen.

Ik begrijp nu het waarom van onze scheiding beter. Natuurlijk heb ik

in eerste instantie de schuld bij jou gelegd, want het kan tenslotte

niet aan mij gelegen hebben. Zoals ik er nu naar kijk (en waarom ik

je dit ook heb gestuurd) zijn wij beiden niet in staat geweest elkaar

te helpen. Wellicht omdat we teveel met onszelf aan het worstelen

waren en we „wij‟ uit het oog verloren zijn.

Ik heb een vermoeden waar de oorzaken van mijn problemen liggen.

Mijn types zijn in lichte mate geblokkeerd geraakt in de periode van

Molendam & Van Reijswick. De zakelijke scheiding met Bert heeft

die blokkades alleen maar versterkt en daarna ben ik in een

negatieve spiraal terecht gekomen, waarvan ik me net ben gaan

realiseren dat ik erin zit.

De vraag die bij dit alles hoort is wat mijn feitelijke drive is. Waar ben

ik bang voor? Het antwoord weet ik nog niet goed, maar het is zeker

geen minderwaardigheidscomplex. Het zit waarschijnlijk tussen

angst om gekwetst te worden en inbreuk op mijn trots in.

In de wetenschap dat ik nog een lange weg heb te gaan moet ik

mezelf open zetten voor anderen. Waarschijnlijk kan ik dan ook

weer van mezelf gaan houden. Het erkennen naar jou toe is mijn

eerste grote stap…

Groetjes

Gijs

Mijn relatie met Iris klopte gewoon. Feitelijk had ze alles wat ik wilde. Ze

is klein, slank, blond en ze heeft een prachtige mond met volle lippen en gave,

parelwitte tanden. Ze ziet er altijd goed uit, zelfs een jute zak staat haar goed.

Ze heeft een goede opvoeding gehad, ze heeft goede manieren, is sociaal


intelligent en ze weet dingen op de juiste waarde te schatten. Ze is net zo

gemakkelijk mijn echtgenote op een galadiner als motormaatje op de camping.

Het belangrijkste aan haar vond ik dat ze me vrij liet. Het is haar natuur,

net zoals dat de mijne is. Want zij nam op haar beurt ook weer de vrijheid

om te doen wat zij wilde.

Ik ben altijd verschrikkelijk trots op haar geweest, maar dat heb ik haar

nooit laten blijken. Ik zie haar nog voor me, als ze met haar amper 50 kilo

op haar Harley-Davidson Fat Boy, die later ingeruild is voor een Road King,

stapte en wegreed alsof ze op een fiets zat. Dat was de buitenkant, maar aan

de binnenkant was ze er ook altijd voor me. Ze was mijn maatje, mijn

sparringpartner, bij wie ik altijd met mijn sores terecht kon en ze oordeelde

nooit.

Ik besef me ineens volledig waar ik sta. Ik realiseer me ook dat

de tijd haar werk moet doen en dat ik de draad weer op moet

pakken. Ik besluit ook om voorlopig maar eens te stoppen met

daten. Ik verkondig dan wel dat ik niet op zoek ben, maar

ondertussen weet ik wel beter.

Een waardige vervanging. 6 weken ervoor, zaterdag.

Ik krijg een e-mail. Hij is van de datingsite en hij vertelt me dat er

een perfecte match voor me gevonden is. Ik neem, nieuwsgierig als

ik ben en ondanks dat ik me heilig voorgenomen had, de datingsite

met rust te laten, toch maar eens een kijkje.

Ik bekijk mijn perfecte match, maar dat is niets. Ik ben echter

toch op de site, dus ik kan net zo goed nog een beetje rondkijken.

Ik toets wat zoekcriteria in en het profiel van Nicky komt naar

voren. Ik lees het en ik val zowat van mijn stoel. Zij voldoet exact

aan het profiel van de vrouw waarnaar ik op zoek ben.

Ik pik Nicky voor haar huis op. “Wat een geinig ding is dit,”

denk ik, wanneer ze de deur uitstapt. Ze is gekleed in een kort jasje


en dito rokje. Haar blonde haar is heel grappig geknipt en ze ziet

eruit om door een ringetje te halen. Ik rijd met haar naar

Voorburg, waar ik een tafel heb gereserveerd bij een

gerenommeerd hotel-restaurant.

De ambiance is heel goed gekozen, want om pas om vier uur „s

nachts verlaten we het hotel terwijl we nog lang niet zijn

uitgepraat. Ik zet haar voor haar huis af en ik loop met haar mee

naar de voordeur. Ze raakt me nog eventjes aan en een soort

schokgolf siddert door mijn lijf.

Ik rijd naar huis. Het plekje, waar ze me aangeraakt heeft, tintelt

nog steeds na.

Het is een paar dagen later, wanneer Nicky me uitnodigt voor

een kaasfondue bij haar thuis. Er hangt een vreemde en

afstandelijke sfeer. Ik heb er last van, zij heeft er last van. Ik zeg er

iets van. Zij verwijt me dat ik me afstandelijk gedraag en omdat ze

dat aanvoelt, gaat ze zich automatisch ook afstandelijk gedragen.

Dat vind ik gek, want ik heb juist het idee dat het andersom is. Het

verandert niet en ik ga vroeg weg. Terwijl ik de trap afloop,

mompel ik nog, dat ik de volgende dag vroeg aan de bak moet.

Nicky en ik geven niet op en we spreken nog een keertje af. Dit

keer komt ze bij mij thuis. Ik kook voor haar en ik kijk samen met

haar naar het dvd‟tje, dat zij heeft gehaald. Ik val halverwege de

film in slaap en word, zoals me meestal tijdens een film overkomt,

wakker bij het einde. Weer hangt er die vreemde sfeer als op de

avond met de kaasfondue.

Nu blijft Nicky slapen en de volgende avond gaat ze pas naar

huis. De sfeer is onveranderd als ze afscheid neemt.

Ik heb een heel vreemd weekeinde achter de rug en ik ben blij

dat het voorbij is. Ik neem definitief afscheid van haar. Zij ook van

mij. Ze laat me nog eventjes per e-mail weten, dat ze het jammer

vindt dat het eindigt. Ze vindt me een leuke kerel, maar als ze had


geweten, dat ik pas zo kort bij Iris vandaan was, dan had ze niet

eens met me afgesproken.

Ze geeft me nog een welgemeende goede raad. Ik moet de tijd

nemen om Iris te vergeten. Ze belooft me tevens dat ze over een

jaar nog eens contact met me op gaat nemen. Wellicht ben ik Iris

dan kwijt en in staat om een nieuwe relatie aan te gaan.

Een nieuw profiel.

Het avontuur met Nicky maakt wel dat ik iets anders naar het

datingsproces ben gaan kijken. Zoals zij ernaar kijkt, beschouwt ze

het als een moderne en geaccepteerde manier van contacten leggen

en ik moet het wel met haar eens zijn. Aan de andere kant blijf ik

het wel een beetje kunstmatig vinden, maar ik moet toch wat?

Ik moet ook van de jacht af en ik moet mijn dates meer gaan zien

als aardige mensen van het andere geslacht, in plaats van potentiële

lovers, waarmee ik direct in het huwelijk moet treden.

Over de profielschets die je van jezelf maakt, had ik ook iets van

Nicky geleerd. Aanvankelijk had ik mijn eerste profielschets

afkomst en status zorgvuldig gemeden en ik was niet duidelijk

waarnaar ik zocht. “Helemaal fout,” had Nicky lachend gezegd, “je

moet juist laten zien wie je bent en waar je naar op zoek bent.”

Omdat ik toch in het proces van mezelf opnieuw waarderen zat,

besloot ik het eens anders te gaan doen. Ik schrijf een nieuw

profiel.

Hallo lieve vrijgezell(ig)e meid,

ik ben een single van 47 die over het algemeen tien jaar jonger wordt

geschat. Dat komt niet door mijn gladde huidje ;-(, maar meer door de

wijze waarop ik me door het leven beweeg. Ik sta altijd open voor anderen

en ben in voor zowel serieuze als iets minder serieuze zaken. Ik houd van

nieuwe dingen en kan bestaande dingen of gewoonten gemakkelijk

loslaten.


Ik vermaak me net zo goed in een spijkerbroek op een motorcamping als

in een verplicht polo‟tje in een luxe resort op Mauritius. Ik sta net zo

gemakkelijk in mijn maatwerk kostuum te spreken voor 400 man als dat ik

als zanger/ gitarist van mijn eigen rock-‟n-roll band sta te spelen voor een

zaal met 12 man ;-(

Ik ga ook net zo gemakkelijk op wintersportvakantie met een groep waarin

de gemiddelde leeftijd 30 is (zo hoog door de mijne) als dat ik met mijn

oudere zakenrelaties naar de golfbaan ga.

Ik ben eigenaar (en directeur) van diverse bedrijven die me mijn huidige

sociale status hebben gebracht. Mijn interesses zijn eindeloos en ik doe

bewust dingen niet, gewoon omdat ik er geen ruimte voor kan vinden en

omdat het dan ten koste van iets anders moet gaan. Ik heb een grote,

lieve familie en een te gekke vriendenkring. Ik ben financieel geheel

onafhankelijk en leef daar naar. Waarmee ik bedoel, niet nog meer, maar

juist genieten van alle fantastische dingen die het leven biedt.

Ik ben een gevoelsmens, ook al zien de meeste mensen dit niet. Mensen

verwijten me soms dat ik hard en rechtlijnig ben, maar ze vinden me wel

rechtvaardig. Ik beslis en handel veelal op emoties en gevoel, waar ik

meestal later wel de ratio onder kan leggen. Mensen helpen doe ik van

nature. Ik heb alleen geleerd dat dit niet ten koste van mezelf mag gaan.

Als onder meer fervent NLP-er ben ik uitermate bereid diep in mijn

binnenste te kijken en te laten kijken. Kritiek kan ik verdragen, mits die

positief en opbouwend bedoeld is.

Een wippie voor één nacht interesseert me niet. Er moet minstens enige

vorm van connectie zijn. Een vaste relatie is iets waarnaar ik niet op zoek

ben, maar zeker niet uit de weg ga.

Waar ik naar uitkijk...

Iemand die met me kan en wil sparren. Iemand met een eigen ik en

die net zo veel ruimte nodig heeft als ik. En, natuurlijk bereid is die

ruimte net zo veel te geven als te nemen. Iemand die het net zo leuk

vind te eten wat ik voor haar kook als zij voor mij. Daarna samen

met me op de bank bij de open haard een dvd‟tje kijkt, naar een

muziekje luistert of gewoon lekker tegen me aanzit. Iemand die met

me meegaat naar dat gezellige restaurant op de Ramblas in

Barcelona of achter op de motor meegaat naar een barbecue met

vrienden.

Iemand die net zo geïnteresseerd is in wat ik doe als ik ben in wat zij

doet. Waarbij ze het fijn vindt me te steunen op die momenten dat ik

een praatpaal nodig heb. Andersom ben ik er altijd.

Iemand die zich aan mijn zij kan bewegen, ongeacht de situatie.

Waarbij ik trots op haar moet kunnen zijn. Op wie ze is en hoe ze


zich beweegt. In normaal Nederlands: er goed uitzien in

mantelpakje, gala, spijkerbroek of pyjama. Frisse tanden, verzorgde

handen, een slank tot normaal postuur. Roken doet ze natuurlijk al

helemaal niet.

Tot slot...

Ik heb mijn leven goed op orde. Ik vermaak me prima, zowel zakelijk

als privé. Alleen mis ik die ene. Die speciale, die jij zou kunnen zijn.

Ik ga niet voor een zeven-en-een-halfje. Ik verwacht ook dat jij daar

niet voor gaat...

Ik plaats mijn profiel en mijn nieuwe oproep is een daverend

succes. Ik krijg tientallen reacties en ik draai alle interessante

gevallen uit. Ik leg tegelijk een systeem aan, zodat ik niet in de fout

kan gaan. Na een paar dagen zet ik mijn profiel zelfs offline, de

oogst is goed en groot genoeg. Ik heb zes „toppers‟ verzameld en

ik zet er een stuk of tien op de „reservebank‟.

Ineens is daar het contact. Week 1, zaterdagavond.

Sweetgirl reageert met de vraag of ik op mijn profiel nu juist veel

of weinig reacties krijg. Ik vraag haar het waarom van deze vraag

en ze reageert: “Ik kon hem nauwelijks uitlezen. Pas aan het eind

bleek je zowaar ineens een menselijk trekje te vertonen.”

Ik bekijk haar profiel en ik zie dat zij niet in mijn doelgroep zit.

Ze heeft rood haar, ze is bijna net zo oud als ik, ze rookt en

bovendien heeft ze een kind. Ik neem wel de moeite te reageren en

ik grap dat ik er zowat een nieuwe dagtaak bij heb gekregen. Ik zet

er ook nog bij dat het tussen ons nooit wat kan worden. Behalve

motorrijden zie ik geen enkele match, want ik val niet op

roodharige moeders met kinderen, zeker niet als ze ook nog eens

roken.

Sweetgirl laat zich niet uit het lood slaan en reageert weer. Ze

vraagt me waarom ik mijn profiel zo uitdrukkelijk heb neergezet.

Ze doet een paar prikkelende uitspraken en ik voel me voldoende


uitgedaagd, om haar maar eens goed op haar nummer te zetten.

Voordat ik dat doe, kijk ik eerst nog eens op de datingsite naar

haar profiel. Het eerste dat me opvalt, is dat ze er een ander

fotootje bij heeft gezet. Ze heeft heel lang, donkerrood krullend

haar dat in twee eigenwijze, lange staarten over haar schouders

valt. Ik kan niet ontkennen dat het fotootje een bijzondere indruk

bij me achterlaat.

Ik print haar profiel uit en ik lees het aandachtig. Haar tekst is

zeer kort: “Ik zie mezelf graag als aanvulling in een relatie. Niet als

invulling! Jij ook?”

Ik stuur haar een e-mail waarin ik vraag, wat ze precies bedoelt

met aanvulling/invulling. Ook meld ik haar dat ik redelijk onder de

indruk ben van het nieuwe fotootje. Ik krijg dezelfde dag nog

antwoord.

“Ik zoek hooguit een aanvulling op wie ik ben. Ik heb mijn eigen

leven goed op orde en ik verwacht dat die ander dat ook heeft.

Een relatie moet open zijn en gebaseerd op wederzijds respect.

Dat is „aanvulling‟. Op het moment dat ik een „invulling‟ zou

worden voor de ander, dan verdwijnt alle ruimte. Alleen de

gedachte alleen al maakt me benauwd. Het geldt natuurlijk ook de

andere kant op. Ik zou nooit een relatie met iemand kunnen

hebben die mijn invulling is. Dat kan volgens mij ook niet. Dus

voor de ander moet ik een aanvulling zijn, anders kan het nooit

gaan werken.”

“Dat is het,” denk ik, “ruimte voor elkaar, gebaseerd op

wederzijds respect. Dat is precies wat ik zoek.”

“Oh ja,” sluit ze haar e-mail af, “mijn fotootje met die staartjes.

Daar heb ik nu al spijt van. Die had ik beter niet kunnen zetten.

Mijn mailbox van de datingsite loopt over.”

Dat kan ik me, met het fotootje dat ik gezien heb, levendig

voorstellen.

Ik heb het nog niet in de gaten, maar ik heb er naast mijn

categorieën ineens een aparte categorie bij: „Sweetgirl‟.


Er ontstaat een heftige e-mailwisseling met Sweetgirl. Ik kom

nauwelijks meer aan de anderen toe. Ik heb nog een aantal dates,

maar die hebben geen schijn van kans meer. Immers, Sweetgirl zit in

mijn systeem.

Onze e-mails zijn over een weer een feest van herkenning. Elke

e-mail is een verdieping op de vorige. Ik vraag me af of dit toeval

is? Ik merk dat ze de hele dag in mijn hoofd zit, terwijl ik haar nog

nooit heb gezien of gesproken. Het lijkt haast te mooi om waar te

zijn. Ik, net uit mijn crisis aan het opkrabbelen, kom een soulmate

tegen, die soortgelijke ervaringen heeft en er nagenoeg identieke

denkbeelden op nahoudt. Ik word zowat gek, zo houdt ze me

bezig.

Ik krijg een ernstige behoefte om haar in levende lijve te

ontmoeten en zij heeft dezelfde behoefte. Ik realiseer me dat het

risico van een afknapper erin zit, maar ik zal het toch moeten gaan

lopen. Het is erop of eronder. Zij realiseert zich dat ook. Ik peins

me suf hoe onze eerste date eruit moet zien, met name omdat ik er

vreemde ervaringen mee heb. Ik krijg een idee en ik schrijf het in

een e-mail.

Contact maken via RP is niet de ideale plek voor chemie... Daar ben

ik allang achter... Heeft ook te maken met de wijze waarop dates

worden ingestoken... Wat we neigen te doen is in een restaurant of

grand café afspreken en dan gaan we TEGENOVER elkaar zitten...

Een meter van elkaar af... Lekker veilig... Want het is buiten je

personal space... Dan hebben we een fijn gesprek, zo rationeel als

de pest... De checklist wordt afgewerkt en we constateren dat het

een gezellige avond is geweest... We nemen zelfs afscheid met de

drie beruchte zoenen... Niets verkeerd mee, bij vrienden... Dat doe

ik niet meer... Ik heb mijn kop er al over lopen breken wat wij zouden

moeten doen als we voor het eerst live gaan... Het moet er dan

volgens mij ongeveer zo uitzien: We spreken af op één of ander

plein... Onder zo‟n beruchte klok uit zo‟n klassieke film... We zien

elkaar en we lopen naar elkaar toe… We zeggen helemaal niets...

We pakken elkaars handen vast en kijken elkaar minstens een


minuut diep in de ogen... We zeggen nog steeds niets...

Afweermechanismen hebben we thuis gelaten... Geen gegiechel en

zo... Vervolgens pakken we elkaar vast en weer blijven we minstens

een minuut staan... We zeggen nog steeds niets... De rest... Vul

maar in...

Helemaal voor de bijl. Week 3, vrijdag.

Sweetgirl weet de perfecte plaats voor onze ontmoeting. Het zijn

de kasteeltuinen van Rhoon. Ik was er overdag al naartoe gereden,

zodat ik zeker wist waar het was en op tijd zou zijn.

Ik ben iets te vroeg en ik heb last van een vreemd

onderbuikgevoel, alsof ik voor het eerst naar het schoolfeestje van

de brugklas ga. Ik loop over de brug de tuinen in en ik maak een

rondje. Er komt een rode auto aangereden en die rijdt het

parkeerterrein op. Ik vraag me af of ze dat is. Ik kijk op mijn

horloge en ik zie dat het nog te vroeg is. Ik loop terug naar de brug

en ik zie nog niemand. Ik loop weer de tuin in. Mijn

onderbuikgevoel wordt steeds heftiger. Ik kan me niet herinneren

dat ik me eerder zo heb gevoeld. Ik loop weer terug naar de brug

en ik zie iemand in de schemering aan komen lopen.

Het is een lange, slanke, donkerharige vrouw. Het moet Sweetgirl

wel zijn. Mijn hart bonst in mijn keel. Ik loop haar tegemoet. Ik

glimlach en ik zie dat zij mij dat ook naar mij toe doet. Ze is het.

Ik pak haar handen en ik kijk haar in haar prachtige donkere

ogen. Ik zeg, zoals we afgesproken hebben, helemaal niets. Ik blijf

haar aankijken en na periode die een eeuwigheid lijkt te duren,

omhels ik haar. Ze vleit zich helemaal tegen me aan en ik voel een

enorme warmte.

Zij verbreekt de stilte en ik hoor haar mooie, donkere en vooral

diepe stem:


“ H A L L O “.

Ik ga direct helemaal voor de bijl.


8. We worden heel gelukkig samen

We gaan ervoor. Week 17, donderdag.

Mijn korte vakantie met haar en het kind naar Eurodisney Parijs

zit erop en we gaan naar huis. Ik loop naar de balie van het hotel

en ik check uit. Ik ben blij dat ik naar huis kan, maar ik zie enorm

op tegen de reis. Behalve dat ik tegen haar heb gezegd dat het

tussen ons uit is, hebben we het nog nergens over gehad. Dat kan

ook niet, want het kind is bij ons. Ik zie wel dat het contact tussen

haar en haar kind innig is en anders dan anders. Het kind zit de

hele tijd bij haar moeder op schoot of ze lopen hand in hand. Zij

zit maar aan haar kind te plukken en het te liefkozen. Het lijkt wel

of ze in haar kind wegkruipt.

Ik laad de koffers in de auto en niet lang daarna rijden we weg. Ik

rijd de snelweg op en ik kijk eens naar haar. Ze zit voor zich uit te

staren. Ze heeft een plukje haar tussen haar vingers en ze wrijft

continu met de puntjes ervan tegen haar lippen. Ik zie in mijn

achteruitkijkspiegel dat het kind mijn blik probeert te vangen. Ik

kijk het kind aan en direct begint ze vragen aan me te stellen: “Heb

jij het uitgemaakt? Is het echt uit? Net als bij John? Of Adriaan?

Heb jij het uitgemaakt? Of ben je bang dat mama het anders doet,

net zoals bij John en Adriaan en al die anderen? Maar waarom

maak je het dan uit? Houd je niet meer van haar? Ga je nu ook niet

meer met haar trouwen?”

Ik kijk haar moeder verwijtend aan. Ik had haar nog zo gevraagd

nog even niets tegen het kind te zeggen. Maar op de één of andere

manier is het kind al volledig op de hoogte. Dat verklaart ook de

vreemde sfeer tussen het kind en mij tijdens het ontbijt. Ik weet

niet goed wat ik tegen het kind moet zeggen en ik kijk via de

spiegel het kind weer aan.


Het kind verkondigt haar mening. “Het is helemaal niet leuk dat

je het uit hebt gemaakt,” zegt ze verwijtend tegen me, “Mama is

verdrietig en ik vind het ook niet leuk. Ik ben je net papa gaan

noemen en nu moet ik alweer gaan verhuizen.”

Ze richt zich nu tot haar moeder en ze zegt: “Mama, kunnen we

wel terug naar ons oude huis? Krijg ik mijn oude kamer terug?”

“Godverdomme,” zeg ik tegen haar, “ik had je nog zo gevraagd

je mond tegen het kind te houden. Nu verpest je haar terugreis

ook nog eens een keer. Moet je eens kijken waar ze zich allemaal al

mee bezighoudt. Vooralsnog is dit iets tussen jou en mij en daar

hoor jij jouw kind niet in te betrekken.”

Ze verdedigt zich en ze zegt: “Denk jij dat ik voor mijn kind iets

verborgen kan houden? Daar is ze veel te slim en intelligent voor.

Je kunt haar wat mij betreft gewoon antwoord geven.”

Ik zeg tegen haar: “Ik peins er niet over. Wat jij tegen jouw kind

zegt moet jij zelf weten, maar ik doe het niet. Ik wil er wel met jou

over praten, maar in ieder geval niet met het kind erbij. Je zou toch

beter moeten weten.”

Ze probeert nog iets: “Ik heb helemaal geen geheimen voor mijn

kind. Daarbij heeft ze het recht om te weten wat haar boven het

hoofd hangt.”

Ik ben het niet met haar eens en ik zeg: “Dat zoek jij dan maar

fijn zelf uit, maar niet met mij erbij.”

Ik richt me tot het kind en ik zeg: “Sorry wijfie, dit zijn „grote

mensen‟-zaken. Ik wil hierover nog niet met jou praten. Pas als

jouw moeder en ik het erover gehad hebben zal zij of ik je

vertellen wat er gaat gebeuren. Nu weten we dat zelf nog niet

eens.”

Het kind pakt haar Gameboy en begint een spelletje te spelen.

“Mag de muziek op?” jengelt ze. “AC/DC, dat derde nummer.

Waar me met z‟n drieën zo lekker op kunnen headbangen?”

Het kind doet op haar manier een poging om de gespannen sfeer

te doorbreken. Ik moet er bijna om lachen, maar helaas laat de


situatie dat niet toe. “Nee wijfie,” zeg ik, “voorlopig zet ik geen

muziek op. Ik ben er niet voor in de stemming.”

Het wordt stil in de auto. Ik laat mijn gedachten de vrije loop. Ik

kijk uit mijn ooghoek naar haar. Ze zit er nog steeds hetzelfde bij,

ogenschijnlijk onbewogen. Ze frutselt nog steeds met het plukje

haar tegen haar lippen aan. Het is de vrouw, met wie ik een maand

samenwoon. Ik kijk terug op de verschrikkelijk mooie ervaringen

die we delen. Hoe wij tegenover elkaar staan en elkaar op elk vlak

aanvullen. We hebben allebei de intentie uitgesproken om elkaar in

elk opzicht volledig vrij te laten en elkaar de ruimte te geven die

we nodig hebben.

Maar nu heb ik ontdekt dat ze lijdt aan verlatingsangst. Ik heb, zij

het in nog beperkte mate, gezien wat het met haar doet. Ik kan dus

op mijn vingers uittellen wat het met mij gaat doen, als ik samen

met haar blijf. Hoe welgemeend haar intentie ook is om mij vrij te

laten, haar verlatingsangst zal het haar eenvoudigweg beletten. Een

relatie met haar is dus volkomen kansloos. Het is dus beter om de

streep nu te trekken dan te wachten tot we elkaar naar het leven

staan. Ik baal alleen van de uitermate vervelende consequenties. Ze

heeft immers geen huis en geen baan meer.

We besluiten te gaan samenwonen en ze is voornemens de huur van haar

appartement op te zeggen. Ik vraag haar uitdrukkelijk dat niet te doen. Hoe

zeker we ook van elkaar zijn en hoe goed we elkaar ook aanvullen, de kans

dat het mislukt is altijd aanwezig en dan is terugkeren niet zo eenvoudig. Ik

zeg haar ook dat ze het voor het geld niet hoeft te doen, want ik neem de huur

van haar appartement voor mijn rekening.

Het is een poosje later als ze me vertelt dat ze de huur toch maar heeft

opgezegd. Ik laat duidelijk merken dat ik het daar niet mee eens ben. “Ik ben

zo zeker van ons,” zegt ze tegen me, “dat ik het geen enkel zin vind hebben

om het huis aan te houden. Bovendien vind ik het zonde van het geld.”

Toch schrik ik er een beetje van en ik sta erop dat ze haar huisbaas belt om

te kijken of hij bereid is haar opzeggingsbrief te vernietigen. In eerste instantie

weigert ze en houdt ze vast aan haar besluit. Ik gebruik al mijn


overredingskracht en ze gaat, weliswaar schoorvoetend, overstag. Ze gaat haar

ex-huisbaas, die tevens haar buurman was in Rhoon, direct bellen.

“En?” vraag ik twee dagen later.

“Hij wil het niet doen,” zegt ze, “want hij gaat het verkopen, wat hij al heel

lang van plan was. Daarbij is hij veel te blij dat ik weg ben. Niet zozeer om

mij, maar nu heeft hij nooit meer last van die schreeuwende ex van mij voor de

deur.”

Een aantal maanden geleden heeft ze haar carrière in de geestelijke

gezondheidszorg vaarwel gezegd. “Ik heb genoeg van dat gepeur in hoofden,”

vertelt ze me. Ze heeft een administratieve functie aanvaard in het bedrijf van

haar broer Klaas. Haar primaire taak is het organiseren en stroomlijnen van

de administratieve processen binnen zijn bedrijf. De taak is op haar lijf

geschreven, want ze heeft naast psychologie ook bedrijfskunde gestudeerd. Als

manager bij het RIAGG is ze ondermeer verantwoordelijk geweest voor

verregaande reorganisaties en gewapend met deze ervaring, is ze voor Klaas de

perfecte medewerkster.

Ik vraag haar of het werken met familie geen problemen met zich meebrengt.

Ik vertel haar erbij dat ik er geen goede ervaringen mee heb. “Klaas is gewoon

een lastig mens om voor te werken,” vertelt ze, “maar ik weet precies hoe ik

met hem moet omgaan. Daarbij, ik heb al vaker voor hem gewerkt. We zijn

volledig aan elkaar gewaagd.”

Zij is overigens niet het enige familielid dat binnen het bedrijf van Klaas

werkt. Ook haar moeder en haar jongste broer werken er.

“De voltallige familie dus,” grap ik.

“Bijna,” zegt ze, “behalve mijn stiefvader. Die zit in een verzorgingstehuis.”

In mijn gesprekken met haar wordt de rol die Klaas vervult binnen de

familie me steeds duidelijker. Zij ziet veel overeenkomsten tussen Klaas en mij.

“Jongen, ik kan jou helemaal uittekenen,” zegt ze tegen me, “jij bent al net

zo‟n bullebak als Klaas. Ik kan me goed voorstellen hoe jij op je werk moet

zijn. Gelukkig voor jou dat ik daar doorheen kan prikken, want daar waar

anderen gillend voor je weglopen, zie ik ook jouw goede kanten. Wees maar

blij dat je iemand bent tegengekomen die daar mee weet om te gaan.”


Ik leer Klaas ook al een beetje beter kennen en ik zie inderdaad

overeenkomsten. Hij is zo‟n beetje de patriarch van de familie, een rol die ik

ook vervul binnen mijn familie. Hij is net zo hard en zakelijk als ik, maar

toch heeft hij voor zijn moeder een functie gecreëerd binnen zijn bedrijf, iets dat

ik, indien nodig, waarschijnlijk ook zou doen.

Ze kijkt er heel erg tegen op als ze haar ontslag bij haar broer gaat indienen

met als belangrijkste reden dat ze bij mij in Stompwijk komt wonen. Ze

verzamelt al haar moed om het hem te vertellen. Klaas schrikt ervan en hij

vindt het een slecht idee. “Ach, lieve zus van me,” zegt hij tegen haar, “doe het

niet. Het is allemaal nog zo kort. Daarbij, denk aan je kind. Wat ga je doen

als het misgaat?”

Tegelijk wijst hij haar op haar verantwoordelijkheden ten opzichte van zijn

bedrijf, want zij heeft haar opdracht nog niet afgerond. Hij gaat zijn zus aan

haar opzegtermijn houden en hij waarschuwt haar; haar functie zal niet meer

beschikbaar voor haar zijn als ze terugwil.

Zij schrikt, niet zozeer van het feit dat haar functie niet meer vacant zal

zijn, maar omdat ze minstens een maand op en neer zal moeten pendelen

tussen Rhoon en Stompwijk. Ook gaat het betekenen dat ze ver bij haar kind

vandaan is. Ik probeer haar gerust te stellen door te zeggen dat ik in de buurt

ben als er iets aan de hand is, maar dat vindt ze totaal irrelevant. Ze kent

maar één persoon die geschikt genoeg is om dicht bij haar kind in de buurt te

zijn, en dat is ze zelf. Stel je voor dat er iets ernstigs gebeurt. Ze vertelt: “Ik

werd gebeld door school. Mijn kind was heel hard op haar hoofd gevallen en ze

bloedde als een rund. Doordat ik in de buurt werkte, was ik binnen vijf

minuten ter plekke. Ik kon haar kalmeren. Zoals de juf het al zei, ze vroeg

alleen maar naar haar moeder. Ik was de enige die haar tot bedaren kon

brengen.”

Ze kijkt me aan en zoekt de bevestiging of ik haar begrijp. Ik zeg niets en

ik kijk haar alleen maar vragend aan.

“Daarom moet ik bij mijn kind in de buurt zijn,” benadrukt ze haar

stelling, “snap je het nu?”

Ze wacht niet eens op een antwoord van me. Ze zegt het ook tegen Klaas,

maar die vindt het argument dat ze gebruikt niet zwaar genoeg om haar eerder


van haar verplichtingen te ontslaan. Zij vraagt me of ik Klaas zou kunnen

overhalen om haar eerder te laten gaan.

“Maar dan heb je toch geen baan en inkomen meer?” vraag ik haar, waarop

ze antwoordt dat ze direct een baan in de buurt van Stompwijk gaat zoeken.

Ze heeft immers nog tijd genoeg.

Ik bel Klaas op. Klaas ontwijkt de door mij gestelde vraag en hij schuift de

beslissing af op haar directe baas, Rick. Klaas wil haar wel eerder laten gaan,

maar Rick niet.

“Goh,” zeg ik tegen Klaas, “maar jij bent toch de baas van Rick?”

Klaas protesteert en legt me uit dat hij allerlei verantwoordelijkheden bij

Rick heeft neergelegd en dat hij daarmee zijn eigen beleid onderuit zou halen.

“Ik kan me voorstellen dat je het zelfs heel vriendelijk aan Rick kunt

vragen zonder dat je echt op je strepen hoeft te gaan staan,” zeg ik plagerig,

“ik denk dat hij best voor een goed argument, zoals dat het gaat om het wel en

wee van de zus van de grote baas, vatbaar zal zijn.”

Klaas blijft sputteren tot ik zeg: “Vertel jij me nu werkelijk dat jij je oren

laat hangen naar één of andere ondergeschikte van jou?”

Ik voeg eraan toe: “Wie is er bij jou eigenlijk de baas?”

Klaas doet nog een poging en hij vertelt me dat hij speciaal voor zijn zus een

auto heeft gekocht. Als hij dat in het totale plaatje meeneemt, dan komt dat

voor hem wel erg onvoordelig uit.

“Ze heeft toch een auto nodig,” zeg ik tegen hem, “ik neem dat ding gewoon

van je over voor de boekwaarde.”

We rijden in de buurt van Antwerpen en ineens komt ze in

beweging. Ze buigt naar voren, kijkt me indringend aan en ze

houdt haar hand open. Ik kijk haar verwonderd aan. Ik vraag me

af of ze mijn hand wil vasthouden?

Ik steek uit een soort automatisme mijn hand uit en ze legt de

hare er in. Tegelijk begint ze te huilen. Ik weet niet wat ik ermee

aanmoet. Maar het kind ziet het en begint direct te jubelen: “Het is

weer goe-oed! We hoeven niet we-eg. We mogen blijven! We

hoeven niet te verhuizen!”


Het kind kijkt me via de spiegel aan en ze vraagt: “Ga je nu toch

met Mama trouwen?”

Haar moeder schrikt van de directe vraag en ze laat mijn hand

los. Ze gaat zo ver mogelijk bij me vandaan zitten en ze gaat weer

voor zich uit zitten staren. Ze gaat ook weer met een plukje haar

tegen haar lippen aan zitten frutselen.

Allerlei gedachten schieten door mijn hoofd. Ze kan niet

gemakkelijk terug naar Rhoon, want ze heeft er geen huis meer.

Weer vraag ik me af waarom ze toch de huur heeft opgezegd? Zou

het iets met haar verlatingsangst te maken kunnen hebben? Zodat

ze niet in de verleiding kon komen om toe te geven aan de drang

terug te gaan naar haar oude, vertrouwde omgeving?

Ze heeft ook geen baan meer. Ik was er al geen voorstander van

dat zij haar baan opzegde zonder dat ze een nieuwe had. Ik ging

alleen akkoord omdat het, zoals zij zelf zei, voor iemand met haar

staat van dienst en ervaring geen enkel probleem zou zijn, om in

de buurt van Stompwijk een nieuwe baan te vinden. Ik heb haar

sollicitatiebrieven zien versturen en ik heb zelfs reacties daarop

gezien. Ik hoorde of zag echter niets. Toen ik haar op enig

moment vroeg naar de status van haar sollicitaties, reageerde ze

bijzonder emotioneel: “Denk jij dat ik er niet van baal dat ik nog

geen baan heb gevonden? Denk jij dat ik het leuk vind om

afhankelijk van jou te zijn? Ik solliciteer me rot, maar ik ben of

overgekwalificeerd of het zijn banen voor 40 uur en dat doe ik niet

vanwege mijn kind. Nota bene, ik wil in de buurt van mijn kind

werken en ik heb hier in de buurt nog geen ziekenhuis gevonden

met een passende baan.”

Ik denk dat ik het begrijp. Ze heeft haar baan niet alleen

opgezegd om dicht bij haar kind te blijven, maar omdat ze de

snelweg niet op durft. En al helemaal niet in de spits, wanneer ze

ook nog eens het risico loopt in een file terecht te komen.


De reis uit Parijs is voorbij en we zijn weer thuis. Mijn eerste

actie is dat ik het kind naar haar kamer stuur. Op haar „waarom‟vraag

antwoord ik dat kinderen niet bij een „grote mensen‟-gesprek

horen te zitten. En een „grote mensen‟-gesprek is wat ik met haar

moeder ga voeren.

Het kind loopt met duidelijke tegenzin de huiskamer uit, want ze

is gewend dat ze van haar moeder overal bij aanwezig mag zijn.

Ik ben nu alleen met haar en terwijl ik haar aankijk vraag ik haar:

“Wat nu?”

Meer niet.

Ze begint me direct uit te foeteren: “Wie denk jij wel dat je bent?

Mij zomaar aan de kant te schuiven. Alleen maar omdat ik het

prettig vind om in een klein dorp te wonen. Omdat ik het prettig

vind thuis te blijven in plaats van alleen maar verre reizen te

maken. Omdat ik het vervelend vind om de deur uit te gaan.”

Ze kijkt me aan en ze verwacht waarschijnlijk dat ik nu iets zeg.

Maar ik zou niet zo goed weten wat ik nu zou moeten zeggen, dus

ik houd nog even mijn mond. Ze ziet dat ik niet reageer en ze zegt

fel: “Jij denkt zeker dat ik jou ga benauwen. Ik jou benauwen? Ach

jongen, je begrijpt er werkelijk helemaal niets van. Ik ben gewoon

graag en vaak thuis. Ik ben daarom juist een topwijf voor je, want

ik ben er altijd. Net zo vaak als jij me maar nodig hebt. Benauwen?

Dat zit alleen maar in jouw hoofd. Bij mij krijg je juist alle vrijheid

die jij je maar kunt wensen en als er iemand is, die jou geen

strobreed in de weg zal leggen, dan ben ik dat wel.”

Ze kijkt me aan, nu met een vragende blik. Ik kijk haar aan en ik

laat nog steeds niets mijn gezicht aflezen. Ik houd nog steeds mijn

mond dicht en nu is het een tijdje stil. Heel stil. Ze loopt heen en

weer en ze zet water op. Waarschijnlijk gaat ze een kop thee

zetten.

Als ze terugkomt uit de keuken maakt ze een wegwerpgebaar en

ze gaat verder: “Maar goed, ik begin het te begrijpen. Je wilt

gewoon van me af. Wanneer is dat begonnen? Toen je beloofde

om met me te trouwen? Zit dat niet tussen jouw oren? Volgens mij


heb jij last van bindingsangst en daardoor wordt het je zeker

allemaal een beetje teveel, is het niet? Had je je dat niet iets eerder

kunnen bedenken? Dan had ik niet al die moeite hoeven te doen

om naar dit achterlijke dorp te verhuizen. Gelukkig had ik niets

voordat ik hier kwam en ik hoef dus ook niet veel in te pakken.

Ben ik in ieder geval lekker snel weg. Ik stap zometeen lekker met

mijn kind in de auto, laad die paar spullen die ik heb erin en ik

maak dat ik wegkom.”

Ik hoor haar opmerkingen, maar ze laten me min of meer

onberoerd. Ik laat nog steeds niets blijken en ik blijf haar aankijken

met een blik van „ga dan‟.

Ze loopt naar de deur en ze komt direct weer teruggelopen. Ze

zegt: “Jij denkt zeker dat ik het niet ga redden, hè, maar dat heb je

mis. Ik heb het immers altijd al gered. Het zal dus deze keer ook

wel weer gaan lukken.”

Ze zet haar hand in haar zij en daar is het „ne pas‟-gebaartje weer.

Ze gaat door: “Ik ga je nergens om smeken. Ne pas. Je verwacht

het waarschijnlijk wel, maar dan heb je het toch aan het verkeerde

eind. Ik verdenk je er zelfs van dat je daarop aanstuurt, maar dan

kun je heel lang wachten, mister, daar werk ik mooi niet aan mee.

Het enige dat ik van je verwacht, is dat je je aan je woord houdt en

me helpt weer op de rit te komen.”

“Hoe vaak heb ik dat al niet gehoord?” denk ik. “Dat ik haar

alleen maar op de rit hoef te zetten? En dat ze verwacht dat ik me

aan mijn woord houd? Hoe vaak heb ik het haar al gezegd of

beaamd? Hoe vaak gaat ze het nog aan me vragen?”

“Mijn kind, mijn kind,” zucht ze, “als ik toch mijn kind niet had,

dan had je hier voor mijn ogen kunnen barsten en helemaal de

stront in mogen zakken. Weet je wat ik nog het ergste vind? Dat ik

je het wel moet vragen, want ik draag tenslotte als enige de

volledige verantwoording voor mijn kind.”

Ik zit er ogenschijnlijk onbewogen bij. Ik heb geen enkele

behoefte om ook maar ergens op te reageren. Het heeft

waarschijnlijk ook geen zin, dus ik houd mijn mond en ik kijk haar


alleen maar aan. Mijn houding schiet haar in het verkeerde keelgat,

want wat ze ook zegt, ik reageer nergens op.

Haar „ne pas‟-houding verandert in boosheid en ze begint me

verwijten te maken. Ze zegt: “Moet je eens kijken hoe je erbij zit.

Walgelijk. Klaarblijkelijk voel jij helemaal niets meer voor me. Heb

jij überhaupt wel gevoel? Moet je jezelf eens zien. Je zit daar zeker

wel lekker, hè, mister Superman? Geniet je lekker van je macht?

Gadverdamme, je haalt me eerst naar dit achterlijke dorp, met kind

en al. Vervolgens maak je me van je afhankelijk, iets dat jouw ego

klaarblijkelijk nodig heeft, en nu ik afhankelijk van je ben, pleur je

me gewoon de deur uit. Met kind en al. Je voelt jezelf zeker wel

lekker, hè? Geeft het je een goed gevoel? Je voelt je zeker wel

lekker superieur?”

Ik laat haar razen en het doet me werkelijk niets. Ik vraag me af

waarom ze niet gewoon weggaat en waarom ze nog steeds tegen

me staat te foeteren.

Ik vind het nu wel genoeg en ik vraag haar: “Wat ben je eigenlijk

aan het doen? Wat probeer je te bereiken? Denk je dat ik zin heb

om op deze toon met jou een gesprek te voeren?”

Het feit dat ik iets zeg helpt. Ze houdt haar mond en ik kijk haar

cynisch aan. Ik zeg: “Klaarblijkelijk baal jij net zo erg van deze

situatie als ik. Dat is dan mooi toch, of niet soms? Ik heb, net als

jij, ook geen zin in deze teringzooi, zoals jij het zo fijntjes noemt.

Dan zijn we het daar in ieder geval over eens en hoeven we ons

daarover niet druk meer te maken. Perfect, over en uit, tot hier en

niet verder, we trekken nu en hier de streep.”

Ik kan het niet nalaten om er een schepje bovenop te doen en ik

zeg: “Heerlijk dat ik weer mezelf kan zijn. Je denkt toch niet dat ik

zin heb om de rest van mijn leven door te brengen met zo‟n

gestoord wijf als jij?”

Ze verschiet direct van kleur en ze begint weer te razen, zo

mogelijk nog emotioneler dan voorheen: “Ben ik een gestoord

wijf? Godverdomme, hoor je wel wat je zegt? Bedoel je dat ik jou

zou opzadelen met een gestoord wijf? Dat is zelfs het allerlaatste


dat ik zou doen. Dat zou namelijk betekenen dat ik afhankelijk van

jou ben. Wie denk jij godverdomme wel wie je voor je hebt? Ik

heb ook mijn trots.”

Ze gaat helemaal door het lint. Ze dribbelt als een getergde

tijgerin heen en weer en ze schreeuwt: “Godverdomme, vuile

asbak, wat denk jij wel niet van jezelf? Denk jij echt dat ik bij jou

zou willen blijven? Bij zo‟n arrogante kwal met

hoogmoedswaanzin? Ik voel me zelfs opgelucht nu het voorbij is.

Heerlijk, ik ben werkelijk blij dat ik van je af ben.”

De lust om ook maar iets te zeggen of ergens op te reageren

ontbreekt me volkomen. Ik laat haar maar gewoon razen. Ik kan

niets anders doen dan wachten op wat er komen gaat. Weer

komen haar favoriete onderwerpen op tafel, zoals mijn beloften

haar op de rit te zetten, het wel en wee van haar kind en haar

verantwoordelijkheden. Ze schreeuwt en jankt tegelijk: “Weet jij

hoe erg het is dat ik het je moet vragen? Te moeten bekennen dat

ik afhankelijk van jou ben? Dat ik je moet smeken me daar terug te

zetten, waar jij me opgeraapt hebt? Met mijn kind, mijn arme

kind?”

Ik weet werkelijk niet wat ik moet doen of zeggen. Ik doe dan

ook niets en ik zeg ook maar niets.

Ik wacht nog steeds op het moment dat ze de deur uitloopt.

Maar dat gebeurt niet, want ze blijft maar doorrazen: “Mij op de rit

helpen, dat zal voor jou toch niet zo moeilijk zijn. Jij hebt geld

genoeg. Jij blijft lekker in je eigen huis zitten. Jij pakt je leven weer

op alsof er niets gebeurd is. Alsof er nooit een kind in jouw huis

gewoond heeft. Maar ik, ik heb niets meer. Ik kan nergens naartoe.

Ik heb geen huis, geen baan en geen inkomen. Maar ik heb wel de

verantwoording voor mijn kind. De verantwoording die jij

waarschijnlijk niet aandurft en nu dus ontloopt. Dat vind ik nog

het ergste. Voor mijn kind is het ook maar goed dat ze jou kwijt is.

Het is maar goed dat ik er nog voor haar ben.”

Ik heb er schoon genoeg van. Al die verwijten die ze me maakt

komen me m‟n strot uit en ik vraag me nog steeds af waarom ze


niet gewoon weggaat, zoals ze de hele tijd loopt te dreigen. Ik zeg

tegen haar: “Rot toch op. Je bent gewoon een gestoord wijf. En

het ergste vind ik nog, dat je niet eerlijk tegen me bent geweest. Je

hebt het me nooit verteld. Ik realiseerde me pas in Eurodisney dat

jij mij gaat beperken met jouw stoornis. Mij beperken heeft nog

nooit iemand gedaan en dat gaat jou dus ook niet lukken. Ik doe al

veel te veel concessies in een soort van ijdele hoop dat het slechts

tijdelijk is. Je kunt wel blijven zeggen dat het goed komt, maar

voorlopig zie ik helemaal niets veranderen. En ik weet ook dat als

je zo oud geworden bent als jij, de kans daarop minimaal is.

Immers, anders had je er wel eerder iets aan gedaan.”

Ik schrik van mijn eigen toon. Mijn verwijten zijn hard en

rechtlijnig, maar het kan me niet schelen. Zo heeft ze me nog

nooit horen praten. Haar boosheid blijft en haar emoties laaien na

mijn opmerking nog hoger op. Ze probeert dingen terug te

kaatsen en terug te leggen bij mij, maar ik laat me niet verleiden tot

een discussie.

“Jij bent onderwerp van gesprek,” bijt ik haar toe, “niet ik!”

Ineens denk ik aan de artikelen die ik gelezen heb rondom

verlatingsangst. Ik zeg: “Ik heb ontdekt dat jij niet alleen last hebt

van een paar simpele fobietjes, zoals ik eerst dacht, maar nu weet

ik wat het is. Je lijdt gewoon aan ordinaire verlatingsangst.”

“Hoe weet jij dat nou?” vraagt ze met een blik van verbazing.

“Maakt dat iets uit?” zeg ik. “Klaarblijkelijk heb ik het bij het

rechte eind. Tenminste, als ik jouw reactie zo zie.”

Ze kijkt me of ze water ziet branden. Ze spert haar ogen wijd

open en ze kijkt me verbaasd aan. Voor mij is het duidelijk, ze

voelt zich betrapt. Ik kan het aan haar gezicht aflezen. Ik besluit

verder niets te zeggen, ik kijk wel wat ze gaat doen.

Ineens loopt ze resoluut naar de deur, ze pakt de klink, maar ze

doet hem niet open. In plaats daarvan komt ze direct weer terug.

Ze kijkt me weer indringend aan en ik kijk ijskoud terug. Ik zie iets

van twijfel in haar ogen.


Weer loopt ze naar de deur en weer komt ze terug. Ik vraag me

af wanneer ze nou eens ophoepelt? Ik heb het zo langzamerhand

helemaal met haar gehad. Maar ze blijft in de kamer, ze ijsbeert

constant heen en weer en steeds blijft ze me indringend aankijken.

Ineens verandert er iets. Nu begint ze heel hard te huilen. Het

lijkt wel of haar boosheid overgaat in verdriet. Ze kijkt me aan met

waterige ogen en ze begint uit een heel ander vaatje te tappen.

“Weet je wel wat verlatingsangst met je doet?” huilt ze. “Weet je

wel wat het is? Hoe het je leven beperkt? Hoe erg het je wereld

verkleint?”

Ik kijk haar niet begrijpend aan en zeg het haar ook: “Ik begrijp

er werkelijk geen snars van. Het enige dat ik zie is wat het met jou

doet. Ik weet ook al wat het met mij doet of gaat doen en daar pas

ik voor.”

“Weet jij wel hoe erg het is om steeds in angst te zitten? Angst te

hebben dat je me verlaat of me ergens alleen achterlaat?” vraagt ze

snikkend.

“Dat begrijp ik al helemaal niet,” zeg ik, “want inmiddels zou je

toch wel zoveel vertrouwen in me moeten hebben, dat jouw angst

dat ik je verlaat ongegrond is?”

“Het ligt ook veel gecompliceerder,” begint ze uit te leggen, “het

is niet zozeer de angst om verlaten te worden zelf, waar ik last van

heb. Het is meer dat ik een angst heb om in paniek te raken als ik

alleen ben in een vreemde omgeving. Als het niet vertrouwd is,

dan loop ik het risico in paniek te raken. De paniek slaat dan

letterlijk op mijn ademhaling. Ik krijg dan geen lucht meer,

waardoor mijn paniek alleen maar toeneemt. Ik ben bang om te

stikken en daaraan dood te gaan. Mijn angst daarvoor is zo groot,

dat ik er alles aan doe om dat te vermijden.”

Ze kijkt me aan en ze verwacht een reactie. Ik zit verbaasd te

luisteren. “Angst voor de angst?” denk ik. “Angst om te stikken?

Tjonge, dat is heftig!”

Ze gaat door met haar uitleg: “Je moest eens weten wat ik in al

die jaren al heb gedaan om mijn angst de baas te blijven. Als ik


naar een winkel of openbare gelegenheid toe ga, zeker als hij

vreemd of nieuw voor me is, moet ik mijn gezelschap continu in

het oog houden. De angst om verlaten te worden maakt dat ik

bijvoorbeeld geen kleren durf te passen of naar een toilet ga.”

“Heb je daar al lang last van?” vraag ik.

“Voor zover ik me kan herinneren, mijn hele leven,” antwoord

ze, “maar ik weet nog goed, wanneer het me het voor het eerst

overkwam.”

Ze vertelt over haar eerste huwelijk met een arts toen ze net

twintig jaar oud geworden was. Hij was een gevierd specialist en

niemand anders kon hem krijgen, behalve zij. Het eerste jaar

hadden ze een perfect huwelijk tot hij ineens onregelmatiger ging

werken en steeds meer zijn eigen gang ging. Maar dat niet alleen,

hij begon ook nog eens zwaar te drinken en hij kwam steeds vaker

dronken thuis. Hij legde haar uit dat hij het zwaar had, dat het een

kwestie van tijd zou zijn en dat het dan wel over zou gaan. In de

tussentijd probeerde zij lief voor hem te zijn en er voor hem te zijn

als hij haar nodig had.

Zijn gedrag en drinkgewoonten veranderden echter niet en het

werd zelfs steeds erger. Eerst begon hij haar uit te schelden,

vervolgens geestelijk te mishandelen en niet lang daarna ook

fysiek. Ook dat werd steeds erger. Eerst kreeg ze af en toe gewoon

een paar klappen, later tuigde hij haar letterlijk af. De laatste keer

dat hij haar een pak rammel gaf, kon ze met haar laatste krachten

nog net het huis uitvluchten, anders had hij haar waarschijnlijk

vermoord. Ze verstopte zich voor hem en op een veilige plaats

werd ineens alles zwart voor haar ogen. Een poosje later kwam ze

bij haar positieven in een portiek en ze had geen flauw benul waar

ze was.

Op dat moment was het, dat ze voor het eerst echt in paniek

raakte. Het was zo erg, dat ze van pure benauwdheid niet eens kon

schreeuwen. Haar keel zat dicht en ze kon nauwelijks ademhalen.

Ze wilde het portiek verlaten, maar ze was zo verlamd van angst,

dat ze niets anders kon doen dan blijven zitten.


Voor haar gevoel zat ze er een eeuwigheid, tot er iemand het

portiek inliep en zich over haar ontfermde. Vervolgens werd weer

alles zwart voor haar ogen en dit keer kwam ze bij in het

ziekenhuis, waar ze nog drie weken moest blijven om te herstellen

van hetgeen haar echtgenoot haar had aangedaan.

Ze heeft, in ruil voor een snelle en probleemloze echtscheiding,

nooit aangifte voor mishandeling jegens haar man gedaan.

“Begrijp je nu wat het met je doet?” vraagt ze.

“Ik kan me voorstellen dat zo‟n pak slaag je niet in je koude

kleren gaat zitten,” zeg ik, “maar om nou bang te worden om te

stikken omdat er niemand in de buurt is, dat vind ik vreemd en

daar begrijp ik echt niets van.”

“Ik zal je nog een voorbeeld geven,” zegt ze, “ik reed achter

Hannes, mijn tweede ex aan. Het was op de snelweg. Er kwam een

auto tussen ons in rijden. Hij zag het niet of deed of hij het niet

zag en hij reed hard door. Ik verloor hem uit het oog en ik raakte

in paniek. Midden op de snelweg heb ik mijn auto neer moeten

zetten. Ik weet niet eens meer wat er precies gebeurd is. Ik ben net

zo lang op het midden van de snelweg blijven staan tot hij een

rondje had gereden. Pas toen ik hem weer zag kon ik een beetje

ademhalen. Al die tijd heb ik werkelijk gedacht dat ik eraan

onderdoor zou gaan.”

Ze doet er nog een smeuïg detail bij: “De klootzak wist van mijn

angst en toch reed hij me zoek. Hij zou me op zijn manier er wel

eens overheen helpen. Nou, dat is hem mooi niet gelukt.”

In Disneyland had ik het ook gezien, alleen begreep ik het toen nog niet.

Het was nog voor de Buffalo Bill Wild West-show, vlak nadat ik haar

patroon had ontdekt. Zij wist het toen nog niet, maar ze moet het minstens

aangevoeld hebben. Ik had iets nodig dat in mijn auto lag. Zij had de

autosleutels in haar tas en ik vroeg haar erom. Zij weigerde ze aan me te

geven. Ze raakte in een soort van hyperactieve, nerveuze toestand, die ik niet

kon thuisbrengen.


“Wat is het precies dat je nodig hebt?” vroeg ze me. “Ik ga het wel voor je

halen.”

Ik vroeg haar nog een keer om de sleutels. “Doe toch niet zo gek,” zei ik

nog, “ik kan die spullen toch zelf wel halen.”

Ze hield voet bij stuk en ze hield de sleutels krampachtig in haar hand. Ik

heb haar de spulletjes maar uit de auto laten halen.

“Begrijp je nu mijn angst?” vraagt ze.

“Nee, natuurlijk niet,” zeg ik, “sowieso ken ik het niet en als ik

het zo hoor hoef ik daar ook niet rouwig om te zijn.”

Ze vervolgt: “Maar sinds ik jou ken heb ik er al een veel betere

controle over. Ik vertrouw jou en dankzij jou doe ik al dingen, die

ik tot voor kort niet eens voor mogelijk heb gehouden.”

Ze kijkt me triomfantelijk aan als ze zegt: “Ik ga tegenwoordig al

helemaal alleen boodschappen doen in Zoetermeer!”

Mijn primaire reactie slik ik in. Het ligt op het puntje van mijn

tong om te zeggen dat zoiets heel gewoon is en dat het zelfs

ongewoon is om daar trots op te zijn.

Ineens valt er een kwartje en begrijp ik waarom ze zo

gecharmeerd is van dat kleine winkelcentrum in Zoetermeer. De

parallel met het winkelcentrum in Rhoon wordt me duidelijk. Het

winkelcentrum is klein, overzichtelijk en de weg er naartoe is kort.

Ik begrijp ineens waarom ze, steeds als we in Rhoon zijn, daar naar

de Albert Heijn of de DA-drogist wil. Dan hoeft ze geen

boodschappen te doen vanuit Stompwijk. En ik maar tegen haar

blijven volhouden dat elke DA er voor mij hetzelfde uitziet,

ongeacht het winkelcentrum waar hij zit. Ze was het nooit met me

eens en ik vond het al zo raar dat ze de DA in Rhoon zo

ophemelde. Nou ja, ophemelde? Ze was er bijna lyrisch over.

Nu begrijp ik het ineens. Dat ik het toch niet eerder heb gezien?

Ze zoekt veiligheid en ze heeft daarom haar wereld net zo lang

verkleind tot ze hem veilig genoeg vond.


Ze gaat verder: “Met jouw hulp kom ik er wel. Het is een kwestie

van tijd. Denk eens aan wat wij hebben. Jij wilt dat toch niet

weggooien? Kun je daarvoor niet een beetje geduld opbrengen?”

Ik denk aan Mathijs en wat een beetje gerichte NLP-oefeningen

voor haar zouden kunnen doen. Ik heb haar daar al eerder over

verteld. Ik ken mensen, die dankzij NLP hun angsten of fobieën

hebben overwonnen. Zij weet dat hulp om van haar claustrofobie

of „whatever‟-fobie af te komen voorhanden is. Daarvoor hoeft ze

slechts één telefoontje met Mathijs te plegen. Ik heb haar al

meerdere malen gevraagd of ze al contact met hem heeft

opgenomen. Ik heb dat elke keer gedaan, wanneer ik merkte dat ze

iets niet deed vanwege haar fobieën. Maar ook had ik allang in de

gaten dat ze het steeds voor zich uitschoof.

“Klaarblijkelijk vind je het wel prettig zo, met die fijne

stoornissen van je,” zeg ik tegen haar, “want je hebt nog steeds

geen contact met Mathijs opgenomen.”

“Ik was werkelijk in de veronderstelling dat ik die Mathijs niet

nodig zou hebben,” verdedigt ze zich en vervolgt: “Lieve schat,

heb je enig idee wat jij voor me betekent? Hoe groot het

vertrouwen is dat ik in jou heb? Anders was ik toch nooit met jou

naar Disneyland of naar Knokke gegaan?”

Ik had haar gevraagd of ze een weekje met me weg wilde. Ik kende haar net.

Ze ging met me mee toen het kind een week bij haar vader was. Helaas was

het weer slecht en het werd slechts een weekeindje. Maar wel één van de mooiste

weekeinden van mijn leven.

We kwamen in een hotel in Knokke. Ik had een perfect intiem diner met

haar. Ik liep met haar door de regen over de boulevard. We hadden net onze

energie ontdekt en elke aanraking opnieuw was weer een complete aanslag.

Wat was ik verliefd op haar en zij op mij. De nacht was onbeschrijfelijk en de

ochtend was nog veel erger.

De volgende dag verlieten we het hotel. Ik opende het portier en ze stapte in

de auto. Ik liep om de auto heen en ik stapte ook in. Ik startte hem en ik

zette de cd-speler aan. Het requiem van Mozart schalde door de auto. Op het


horen van de eerste klanken barstte zij direct in tranen uit. Ik kon me ook

niet inhouden en ik liet mijn tranen ook de vrije loop. Het waren tranen van

puur geluk. De emoties, die ik altijd zo goed onder controle wist te houden,

hadden me nu tuk. Wat was ik gelukkig.

“Heb jij er enig idee van wat voor progressie ik al maak, dankzij

jou?” vraagt ze.

“Ik zie het niet zo,” zeg ik, “maar als het wel zo zou zijn, dan is

het afhankelijk van mijn aanwezigheid en dat is nu net het punt dat

ik maak.”

“Je bedoelt dat het niet snel genoeg vindt gaan,” probeert ze.

“Het heeft niets met snelheid te maken,” zeg ik, “maar meer met

hoe jij denkt van jouw verlatingsangst af te komen.”

“Als jij denkt dat Mathijs me kan helpen om er vanaf te komen,

dan ga ik naar hem toe,” belooft ze me, “met zijn hulp en jouw

steun moet ik er toch uit kunnen komen? Daarbij, ik krijg al de

bibbers bij het idee dat ik jou met een gestoord wijf zou gaan

opzadelen. Dat zou ik nooit doen. Daarvoor hou ik veel te veel

van je. Geloof me, we zitten nu in een dip, maar vanaf nu zal het

alleen maar beter gaan.”

De toon van ons gesprek is duidelijk veranderd. Het hard tegen

hard ruziën heeft plaats gemaakt voor zachtjes en rustig praten. Ze

heeft de snaar gevonden waarmee ze me heeft kunnen raken. Ik

word overvallen door mijn eigen emoties.

De liefde van mijn leven vraagt me om hulp. Ze heeft het

vertrouwen in zichzelf dat ze eruit kan komen. Ze zal mij nooit

opzadelen met een „gestoord wijf‟, zoals ik haar genoemd heb.

Daarvoor houdt ze veel te veel van me, zoals ze het zelf zegt. We

vullen elkaar zo goed aan en we zijn een ideaal koppel. We wonen

zelfs al samen en we hebben al zoveel meegemaakt. Het wordt

zelfs helemaal perfect als ze haar verlatingsangst overwonnen

heeft. Ze spreekt voor zichzelf het vertrouwen uit, dat ze eruit kan

komen. Ze vraagt me of ik haar wil helpen en of ik haar die kans

wil geven.


Ik zit in een enorme tweestrijd. Aan de ene kant mijn ratio en aan

de andere kant mijn gevoel. Een stemmetje in mijn binnenste

begint me dingen in te fluisteren: “Niet doen jongen, het hangt

allemaal vast aan jouw persoontje. Dat legt je een beperking op die

jij niet lang volhoudt. Ze is al zo oud en ze heeft er op eigen

beweging nooit iets aan gedaan. Wat denk je? Nu ineens wel? Nu

pas, nu ze weet dat het haar laatste redmiddel is? Ze kan nu toch

niet anders dan zeggen dat ze het wil. Je weet toch dat ze het moet

willen voor zichzelf. Niet voor haar kind of voor jou. Want als dat

wegvalt of de druk neemt af, dan zit je met de gebakken peren. Pas

op jochie, dat wil je echt niet.”

Ik hoef voor mezelf de logische consequentie van mijn eigen

redenering niet uit te spreken, maar ik wil er niet aan. Althans, nog

niet, want daarvoor voel ik te veel voor haar. Ik redeneer nog eens

door en ik hoor het stemmetje weer. De toon is veranderd. Het is

ook prettiger om naar te luisteren, want het zegt: “Ze kent NLP

niet en ze weet niet wat NLP voor haar kan betekenen. Ze is in

therapie geweest, maar dat heeft haar helaas niet geholpen. Maar

Mathijs en gerichte NLP-oefeningen zullen wegen voor haar

openen, die ze tot op heden niet gezien heeft. Ze heeft haar

stinkende best gedaan en ze is een vechter. Met wat goede wil en

een beetje steun is ze er zo overheen!”

Ik besluit haar te gaan helpen en haar die kans te geven, waar ze

om vraagt. Ik zeg tegen haar: “Wat mij betreft gaan we ervoor. Jij

praat met Mathijs en gaat zo nodig bij hem in therapie. Ik steun je

waar ik kan, maar je moet het zelf willen en je moet het zelf ook

doen.”

Ik begin me ineens erg goed te voelen. Ik ben heel blij dat ik haar

die kans kan geven. En blij dat zij mij die kans gevraagd heeft.

Whatever, welke van de twee maakt niet uit, want nu hebben wij

de kans. De kans om samen te blijven. De kans om samen uit dit

dal te komen, wat onze relatie alleen maar kan sterken. Er blijft

nog één „maar‟. Het moet wel gedaan worden. Ik zeg het tegen

haar.


“Lieverd,” antwoordt ze, “ik ga er sowieso alles aan doen. Met de

hulp die ik krijg kan het niet mis gaan. Maar mocht er onverhoopt

geen oplossing te vinden zijn, wat ik overigens betwijfel, dan ben

ik de laatste, die een blok aan jouw been wil zijn. Daarvoor hou ik

veel te veel van je. Ik weet hoe je over je vrijheid denkt en als het

me niet gegund is, vertrek ik geheel op eigen beweging.”

Ik word overmand door mijn gevoel voor haar. Ze zegt ronduit

dat ze uit eigen beweging bij me weg zal gaan als haar angsten mij

gaan beperken en me ongelukkig zouden maken. Mijn God, houdt

ze zoveel van me? Ik in ieder geval wel van haar!

Ik pak haar vast en ik kijk haar diep in de ogen. Ze kijkt terug en

ze geeft me een zoen. Ik beantwoord hem, daarmee onze

afspraken bezegelend. De tijd staat weer eens een poosje stil.

Ik ga naar bed en ze gaat direct met me mee. Ik ben kapot, alle

doorstane emoties hebben hun tol geëist. Ik wil in de napstand

gaan liggen, maar ze draait zich nog even om.

“Is er iets?” vraag ik haar. “Ben je niet moe? Of wil je nog niet

gaan slapen?”

“Weet je,” begint ze, “ik heb vandaag iemand gezien waar ik heel

erg van geschrokken ben.”

“Hoe bedoel je?” vraag ik.

Ze zegt: “Ik heb een Gijs gezien die ik helemaal niet ken. Een

Gijs die ik ook niet verwacht had te leren kennen.”

“Dan mag je mij een hand geven,” zeg ik, “ik heb ook zoiets

gezien. Die andere Yvon.”

“Je hebt me wel eens verteld dat jij jouw emoties kunt

uitschakelen, maar nu ik het gezien heb, ben ik er zelfs bang van

geworden,” zegt ze tegen me, “wat gaat dat betekenen in de

toekomst? Stel dat jij het ineens op je heupen krijgt?”

“Weet wel dat jij het bent die me in deze toestand heeft

gekregen,” zeg ik, “ik beschouw mezelf als een redelijk mens en

normaliter kun je altijd met me praten. Althans, zo zie ik het.

Verder, vlak jezelf niet uit. Jouw verbale geweld is ook niet


misselijk! Jij laat je ook niets zeggen. Daarbij zijn we nogal aan

elkaar gewaagd. Normaal leven we op heel hoge toppen en we

wisten dat we het risico liepen in een diep dal terecht te komen.

Nou, dit was er zo eentje. Nu weten we direct hoe diep onze dalen

kunnen zijn.”

“Je hebt gelijk,” zegt ze, “maar als we weer een keertje in een dal

terechtkomen, wat ongetwijfeld gaat gebeuren, dan hoop ik toch

die andere Gijs niet meer tegen te komen.”

De volgende ochtend heerst er een vreemde sfeer bij het ontbijt.

Zij is stil en nog niet over de emoties van gisteren heen. Hetzelfde

geldt voor mij, want ik loop ook in een soort roes rond. Het kind

daarentegen is uitgesproken druk en uitgelaten.

Het kind zegt: “Ik ben zo geschrokken gisteren. Ik was bang dat

jullie echt ruzie gingen maken.”

Ik kijk haar moeder indringend aan, maar die reageert niet op de

opmerking van haar dochter. Ik houd ook mijn mond.

Ik besluit naar kantoor te gaan.

“Maar je hebt toch vakantie?” zegt ze vragend. “Als we langer in

Frankrijk waren gebleven, dan was je vandaag toch ook niet gaan

werken?”

Ik vertel een leugentje om bestwil en ik zeg: “Ik heb een e-mail

van Marco gekregen. Hij zit met een beetje ingewikkelde zaak. Nu

ik er toch ben, kan ik beter even persoonlijk polshoogte nemen.”

Ik rijd naar kantoor en mijn medewerkers kijken gek op als ik

binnenstap.

“Je zou toch langer wegblijven?” vraagt mijn sales Wolf lachend.

“Of heb je zoveel kind en Disneyland achter de rug, dat je ernaar

snakt om te gaan werken?”

Ik moet erom lachen en ik zeg: “Je zit dichter bij de waarheid

dan je denkt.”

Ik neem een kop koffie en ik pak mijn laptop uit. Ik schrijf een

uitgebreide e-mail aan Mathijs. Niet met de intentie hem te


versturen, maar meer om een verslag te doen van mijn tripje naar

Disneyland met haar en het kind. Ik lees hem aandachtig en ik

besluit hem toch aan Mathijs te versturen.

From: Gijs@hotmail.com

To: „Mathijs‟

Subject: Verlatingsangst

Hi,

ik heb Yvon afgelopen week, tijdens de trip naar Eurodisney,

ontmaskerd. Ik heb tot dat moment niet geweten dat ze aan

verlatingsangst leed tot ik het met mijn eigen ogen gezien had. Ik

realiseer me nu dan ook pas wat de omvang en ernst ervan is. Ik

deed het voordien af met een beetje fobietjes zoals claustrofobie en

zo, maar dat is het niet alleen.

Tegelijk ben ik me gaan realiseren wat ik voor haar beteken. Ze had

anders nooit de verhuizing naar Stompwijk doorgezet. Let wel, als ik

het vooraf had geweten, had ik het waarschijnlijk niet eens gedaan.

Maar goed, gedane zaken...

Ik stuur je deze e-mail niet voor mezelf. Ik heb naar Yvon

uitgesproken dat ik geen zin heb mijn leven te laten beperken door

een gestoord wijf met verlatingsangst. Yvon heeft uitgesproken dat

ze niet van plan is mij op te zadelen met hetzelfde gestoorde wijf

waarmee ze me zou kunnen gaan beperken en/of voor haarzelf het

gevoel krijgt dat ze van mij afhankelijk is. Ze heeft dus een keuze en

ze realiseert zich dat.

Ze kiest voor de strijd. Ik ga haar daarmee helpen, net zoals jij dat

kan doen. Ik kan dat alleen door mezelf te zijn en er te zijn als ze me

nodig heeft, jij doet dat vanuit jouw expertise NLP en zo. Vandaar

deze e-mail. Ik beschrijf een aantal ervaringen, opdat je haar wellicht

iets beter de helpende hand kunt bieden. Je moet zelf maar kijken of

je haar vertelt dat je deze e-mail gekregen hebt. Ik vertel het haar

niet...

Ik wilde de Space Mountain doen. Je hebt dan twee rijen, eentje

voor de gewone wachtenden en een „speed‟-rij als je een speciaal

ticket hebt. Ik liep met Yvon en Layla naar dat ding toe, nam

afscheid van hen en ik liep verder naar de ingang. Yvon begaf zich

met Layla naar de uitgang van Space Mountain om me daar op te

wachten. De wachttijd in de speed-rij was dit keer echter zo lang, dat


ik besloot niet in de rij aan te sluiten, maar Yvon en Layla gewoon

weer op te zoeken.

Toen ik Yvon riep, viel mij iets vreemds op. Ze kreeg een soort

paniekaanval en ze begon bijna geobsedeerd tegen me te praten. Ik

weet niet meer exact wat de strekking ervan was, maar ze vond het

debiel dat de speed-rij zo lang was. Kon je dan nergens van op aan,

waarom was ik niet in de rij blijven staan, enzovoorts. Ik dacht nog,

mens, waar maak je je zo druk over?

De volgende achtbaan ben ik met Layla ingegaan. Ik heb nauwgezet

gekeken wat er gebeurde. Ze protesteerde en probeerde me met

allerlei valse voorwendselen ervan te overtuigen dat zo‟n achtbaan

slecht is voor je gestel en ze probeerde Layla ertoe te zetten niet

met me mee te gaan.

Toen ik eenmaal mijn zin doorgedrukt had, vroeg ze aan de

controleur waar de uitgang was en hoe lang de wachttijd bedroeg.

Vervolgens gingen Layla en ik in de rij staan en we werden

uitgezwaaid tot er werkelijk geen millimeter van ons meer te zien

was. Ik zag aan haar lach dat hij gemaakt en geforceerd was.

Eenmaal uit het zicht keek ik om het hoekje naar haar. Ik zag dat ze

zich naar de uitgang van de achtbaan haastte (tot zover ik kon zien).

Toen ik met Layla uit de achtbaan kwam, zag ik duidelijk haar

opluchting.

Ineens zag ik het vaste patroon en ik heb het daarna nog een paar

keer gezien, maar ja, dat is dan geen kunst meer. Ik heb er zelfs een

beetje mee gespeeld. Ik wist echter nog niet wat het precies was en

nu ik het weet, bevreemdt het me zelfs dat ze me de achtbaan in liet

gaan. Ze moet nogal wat doorstaan hebben, terwijl ik in de (rij van

de) achtbaan zat.

Er is mij nog iets opgevallen waar je eens naar zou kunnen kijken. Ik

noem het een beetje „plaatjes kleuren‟. Ik heb het (nog) niet met

haar besproken, daarvoor wil ik het eerst bij jou neerleggen.

Ik merk dat Yvon in een soort ideaalplaatjes denkt., vaak een beetje

dromerig. Op het moment dat er iets niet aan dat beeld voldoet, dan

schiet ze uit haar rol. Voorbeeld, als ik „s ochtends niet heb gezegd

dat ik van haar hou, moet ik iets verzinnen om het „goed‟ te maken.

Ik plaag haar er wel eens mee, maar ze blijft net zolang aandringen,

tot ze haar zin krijgt en haar plaatje weer klopt.

Hetzelfde met Layla. Zolang ze lief is en gewoon zit te spelen, dan is

ze in staat haar dochter dood te knuffelen. Maar als Layla een beetje

baldadig is, dan kan ze op een enorm grove manier uitvallen. Zelfs

met taal, die in geen enkele verhouding staat tot de gebeurtenis. Ze


ent bijvoorbeeld met haar blote voeten door het gras. Ze moet van

Yvon dan haar schoenen aandoen en met haar poppen gaan

spelen. Ze dwingt Layla als het ware, wat ze uiteindelijk met

duidelijke tegenzin doet. Als Yvons plaatje dan weer klopt, gaat ze

direct haar dochter zitten knuffelen, ook al vindt die er op dat

moment geen bal aan.

Ik vraag me af of er een verband is tussen de „gekleurde plaatjes‟ en

haar verlatingsangst. Daarom vertel ik het je. Ik weet dat Yvon je

vandaag of morgen gaat bellen voor een afspraak. Ik hoop werkelijk

dat je haar kunt helpen. Ze heeft namelijk ook een heleboel goede

dingen. Het is een gaaf wijf met helaas een beperking. Eentje met

nogal veel impact...

Het is laat in de middag als ik thuiskom.

“En?” vraag ik haar.

Ze zegt: “Ik heb Mathijs gebeld en aanstaande dinsdag al heb ik

een afspraak met hem.”

“Waar heb je die afspraak?” vraag ik nieuwsgierig, want ik weet

dat Mathijs het liefst zijn „patiënten‟ naar zijn kantoor laat komen.

“Hij wilde in eerste instantie dat ik naar hem toekwam,”

bevestigt ze mijn vermoeden, “maar toen ik uitlegde waar het over

ging, zei hij direct dat hij wel naar mij toe zou komen.”

Ik vermoed dat Mathijs intussen ook mijn e-mail gelezen heeft

en ik vraag: “Heeft hij nog meer gezegd?”

“Jazeker,” zegt ze, “hij heeft me verteld dat hij veel ervaring

heeft in het helpen van mensen met verlatingsangst. Zo had zijn

ex-vrouw er last van toen ze hem leerde kennen en binnen no time

was ze ervan af. Hij heeft mij verzekerd dat ik er vanaf kan komen,

als ik het maar wil. En natuurlijk wil ik het ook heel graag.”

“Daar ben ik blij om,” zeg ik, “ik weet dat er altijd een uitweg is,

als je maar wilt. Het is dus niet alleen een uitweg voor jou, maar

daarmee ook voor mij en dus voor ons.”

Ze kijkt me vragend aan en zegt: “Stel dat het niet overgaat of

het gaat in jouw zin niet snel genoeg, hoe moet het dan verder?”


Ik zeg: “Als jij jouw verlatingsangst niet onder controle kunt

krijgen, dan gaat dat inhouden dat jij mij vroeger of later

beperkingen op gaat leggen. Daar kan ik niet tegen en de logische

consequentie daarvan is het einde van onze relatie.”

“Maar we hebben toch voor elkaar gekozen?” zegt ze. “We gaan

toch voor elkaar? Onvoorwaardelijk?”

Ik kijk haar aan, want ik begrijp haar opmerking niet. Ze gaat

door. “Kijk,” zegt ze, “als jij iets krijgt, dan zal ik altijd voor je

blijven zorgen. Ik krijg het idee dat jij dat niet voor mij zal doen.

Althans niet zoals ik zou doen voor jou. Ik denk dat als ik iets

krijg, dat je me gewoon ergens ver weg parkeert.”

“Ik vind het nogal een verschil uitmaken of een partner ziek

wordt in een relatie of al ziek was voor de relatie,” zeg ik, “en ik

kan het niet anders zien dan het laatste. Als ik eerder van jouw

verlatingsangst had geweten, dan was ik waarschijnlijk niet eens

met jou gaan samenwonen. Ik kom nota bene zelf net uit een

enorm diep dal gekrabbeld. Of dacht je dat ik op dit soort

uitdagingen heb zitten wachten?”

“Ik ben het niet met je eens,” zegt ze, “we hebben elkaar toch

het commitment gegeven dat we onvoorwaardelijk voor elkaar

gaan? Dus ik blijf altijd voor je zorgen, ongeacht de vreselijke

ziekte of handicap die jij zou krijgen. Ik hou namelijk van je. Jij

dus niet van mij, want het lijkt er nu al op dat jij me in de steek wil

laten vanwege mijn beperking.”

“Nogmaals,” zeg ik, “jij hebt geen beperking gekregen, je had

hem al toen ik je ontmoette. Zelfs al heel lang. Je weet wat die

beperking doet en je weet ook wat het doet bij anderen. Wat

verwacht je eigenlijk van mij? Dat ik concessies ga doen? Voortaan

niet verder bij jou wegga dan een meter of vijf? Je nooit meer

alleen laat? Altijd bij je thuisblijf? Ik peins er niet over, dat is

rechtstreeks tegen mijn natuur in. Dat houd ik wellicht een maand

vol, maar niet veel langer. Je vergeet overigens naar de andere kant

te kijken. Natuurlijk wil ik naar jou toegroeien en rekening met jou

houden, maar gegeven de huidige situatie kom jij geen millimeter


mijn kant op. Zelfs al zou je het willen, je kan het niet eens. Nee

dame, dat kan ik niet toestaan en zelfs al zou ik het willen, ik houd

dat gewoon niet vol. Dus, als jij niets aan jouw verlatingsangst

doet, betekent dat automatisch het einde van onze relatie. Jij hebt

de keus en je hebt daarmee jouw lot volledig in eigen hand.”

Ze kijkt me verdrietig aan en ze zegt: “Maar feitelijk geef je me

geen keus.”

Ik zeg: “Ik vind dit een lastige discussie. Aan de ene kant heb je

namelijk wel gelijk. Aan de andere kant lijkt het wel of je niet bij

Mathijs in therapie wil en dat je gewoon op de oude voet wilt

doorgaan. Ben je soms zekerheden aan het inbouwen voor het

geval het mislukt? Als dat zo is, dan kun je er beter niet eens aan

beginnen!”

“Nee, nee,” schrikt ze van mijn opmerking en ze zegt, “ik ga er

alles aan doen. Eerlijk waar, echt.”

Ik kijk haar indringend aan, schud met mijn hoofd en ik zeg: “De

tijd zal het leren.”

Het is een vreemd weekeinde. Het zijn maar een paar dagen tot

dinsdag, de dag dat zij haar eerste counsel met Mathijs heeft. Het

gesprek waarin Mathijs gaat bepalen of en hoe hij haar kan helpen.

Ze is onrustig. Dat is logisch, want ze baalt enorm van mijn

zwart/witte houding. Ze is van mening dat ik haar dwing en dat ik

haar een zwaard van Damocles boven het hoofd heb gehangen.

Feitelijk heeft ze gelijk. Ik troost me met de gedachte dat het

voor haar eigen bestwil is.

Steeds komt ze terug op het gesprek dat we al eerder gevoerd

hebben. Ze gaat steeds opnieuw in op haar onvoorwaardelijke

liefde voor mij. Zij zal wel altijd voor mij blijven zorgen, ongeacht

de consequenties die dat met zich meebrengen. Ze herhaalt ook

steeds dat ze op eigen beweging bij me weg zal gaan, als ze in de

gaten krijgt dat ze mij beperkt en ik er ongelukkig van zou worden.

Ik leg haar geduldig uit dat het voor mij geen kwestie is van niet

willen, maar van niet kunnen. Net zo goed als zij niet van haar


verlatingsangst af zou kunnen komen, zal ik het niet lang kunnen

volhouden met iemand te leven, die daaraan lijdt.

Ik denk na elk gesprek dat we elkaar begrijpen, maar de discussie

herhaalt zich steeds. Ik discussieer in een cirkel met haar en op een

gegeven moment krijg ik er genoeg van. Ik kijk haar geërgerd aan

en ik zeg: “Ik weet niet waar je naartoe wilt. Het lijkt

godverdomme wel of je stiekem hoopt dat ik een handicap krijg,

zodat je voor mij kan gaan zorgen. Dan heb je namelijk direct een

geldig argument om nooit meer de deur uit te hoeven.”

Ze zegt er niets op terug, maar de blik die ze me toewerpt zegt

me genoeg. Mijn opmerking is gelukkig goed tot haar

doorgedrongen, want ik hoor haar niet meer.

Verlatingsangst kan worden overwonnen. Week 18, dinsdag.

Het is dinsdagavond, een uur of zeven. Mathijs komt over een

half uurtje en ik maak aanstalten om de deur uit te gaan. Vanavond

verenig ik het nuttige met het aangename. Ik ga repeteren met de

band zodat ik mijn bandleden ook weer eens zie. Tegelijk ben ik

dan uit huis weg en kan zij in alle rust met Mathijs praten. Het

kind zit al in pyjama en gaat zo naar bed.

Het kind is nieuwsgierig. “Wie is Mathijs?” vraagt ze.

Ik zeg: “Mathijs is een goede vriend van mij en hij komt op

visite.”

Het kind is niet gek en ze vraagt: “Maar waarom ga jij dan weg?

Dat is toch raar. Het is toch jouw vriend?”

Ik moet erom lachen, want vanuit haar optiek heeft ze gelijk. Ik

zeg: “Kleine meisjes horen zich niet te bemoeien met dingen van

grote mensen. Ik ga vanavond met de band repeteren en jouw

moeder gaat strakjes gezellig met Mathijs praten. Zonder jou, want

jij gaat nu naar bed.”


Ik meld me bij Joris en Niek, die naast bandleden ook mijn

motormaatjes zijn. Ik krijg het verwijt dat ze me de laatste tijd zo

weinig hebben gezien. De laatste keer was bij haar op het balkon,

toen ze met haar kennismaakten en dat is alweer een week of tien

geleden.

“Vroeger was jij er altijd en lieten wij wel eens verstek gaan,” zegt

Joris met een pesterig glimlachje, “maar nu zijn wij er altijd en ben

jij er bijna nooit.”

Niek voegt eraan toe: “Bijna nooit? Zeg maar gewoon helemaal

nooit!”

Ze kijken me veelbetekenend aan. Joris zegt lachend: “Ze moet

wel heel bijzondere kunstjes kennen.”

We lachen erom en we gaan spelen. Ik kan mijn gedachten er

niet goed bijhouden en het spelen gaat me maar matig af.

Vanavond is immers de avond.

Mijn God, wat hoop ik dat ze er strakjes nog is. Want ze heeft

me immers verzekerd dat ze weg zal zijn als er niets te doen is aan

die vreselijke verlatingsangst van haar. Dat ze me op eigen

beweging gaat verlaten als ze denkt dat ze mij gaat beperken.

De jongens hebben door dat ik er met mijn gedachten niet bijzit

en we besluiten vroeg te stoppen. Ik neem afscheid met de belofte

dat we snel weer gaan repeteren.

Ik haast me naar huis en van een afstandje zie ik mijn huis al in

het donker liggen. Ik schrik, want er branden geen lichten meer.

Ze zal toch niet weg zijn? Met haar kind?

Ik rijd door en als ik de oprit oprijd, zie ik haar auto onder de

boom staan. Mijn hemel, wat lucht dat me op. Dat betekent dus

dat ze er nog is.

Ik parkeer mijn auto naast die van haar en ik ga het huis binnen,

dat geheel donker is. Ik doe geen lichten aan en ik ga direct naar de

slaapkamer. Zij ligt al in bed en ze slaapt. Ik maak haar zachtjes

wakker. Ze reageert loom, ze moet van ver weg komen.


“Hallo schat,” lacht ze me toe als ze wakker wordt, “heb je een

fijne avond gehad?”

“Dat is nu niet precies het onderwerp waarover ik het met je zou

willen hebben,” reageer ik en ik vraag hoe het met Mathijs is

gegaan.

“Daar heb ik maar één woord voor,” zegt ze tegen me,

“grandioos. Ik ben zo verschrikkelijk opgelucht. Wat is dat een

geweldige man. En weet je wat? Hij kan me echt helpen!”

Ik zit zowat van blijdschap te wippen op de rand van het bed en

ik vraag haar honderd uit.

Ze vertelt verder: “Mathijs verkettert de traditionele psychologie.

Die gaat ervan uit dat als je weet waarom dingen gaan zoals ze

gaan, je ze ook gemakkelijk de baas kunt worden. Helaas geeft het

geen enkel handvat om daadwerkelijk iets aan het probleem te

doen. Dat is waar NLP de instrumenten aanreikt, die de

traditionele psychologie mist. Sterker nog, je hoeft zelfs de oorzaak

niet eens te weten, om toch een verandering te bewerkstelligen.”

Ik wist het. Ik wist het. Het kon ook niet anders. Ik word nog

enthousiaster. “Zei hij nog meer?” vraag ik haar nieuwsgierig.

“Ik kan het niet allemaal meer precies terughalen, want we

hebben het over zoveel dingen gehad. Maar hij heeft al iets bij me

gedaan,” zegt ze, “waar ik nu al heel erg blij mee ben. Ik kijk nu al

heel anders tegen mezelf aan. Hij heeft me gevraagd wat mijn

goede eigenschappen zijn. Die moest ik van hem opschrijven.

Daarna heeft hij gevraagd wat mijn slechte eigenschappen zijn. Die

moest ik op een ander papiertje schrijven. Vervolgens legde hij de

lijstjes naast elkaar en hij liet me zien, dat het lijstje goede dingen

veel langer is dan het lijstje met slechte. Hij zegt dat ik er zo naar

moet leren kijken. Hij vindt mij een prachtige vrouw met slechts

één beperking, die toevallig verlatingsangst heet. Daarbij is het een

beperking waar wat aan gedaan kan worden. De beperking kan

kleiner gemaakt worden en zou zelfs in de toekomst geheel

kunnen verdwijnen.”


Ik ben zo verschrikkelijk blij. Ik kan me niet heugen wanneer ik

voor het laatst zo blij ben geweest. Ik ben niet alleen blij voor haar,

maar ook voor mezelf. Zij kan van die verschrikkelijke

verlatingsangst af geholpen worden. En ze blijft altijd bij mij. We

worden vast heel gelukkig samen.

Ik ga dat haar ook direct bewijzen, want als ze aan me vraagt of

dit nu betekent, dat we alsnog met elkaar gaan trouwen zeg ik uit

de grond van mijn hart: “Ja, natuurlijk!”


9. Op weg

Met de motor op weg. Week 18, zaterdag.

Ik loop met mijn gezin bij Safe in Rotterdam. Ik heb een

onderdeeltje voor mijn Harley-Davidson nodig. Ik groet een aantal

kennissen en ik loop met haar eens langs de motorfietsen. Haar

oog valt op een parelmoer witte Heritage. “Die is mooi,” zegt ze al

wijzend tegen me.

Ik lach erom en ik zeg: “Ga er eens op zitten? Ik wil wel eens

zien of hij je staat.”

Ze doet het en ze past perfect op de machine. “Wat zou het leuk

zijn als ze er ook eentje had,” denk ik bij mezelf, “dan kunnen we

samen gaan rijden.”

In één van de eerste e-mails die ik krijg van Sweetgirl, vertelt ze me

dat ze graag motor rijdt en er tot voor kort altijd eentje heeft

gehad. Ze was ze trotse eigenaresse van een Chopper van het merk

Yamaha, tot ze tegen een boerenkar aanreed.

Het ding bleek helaas alleen maar WA-verzekerd te zijn en

omdat ze nog steeds geen geld heeft voor een nieuwe, rijdt ze niet

meer. Dat betreurt ze, want naast dat ze motorrijden leuk vindt,

heeft een motor een aantal enorme voordelen. Zeker in haar geval,

want ze voelt zich in een auto opgesloten en in een file kun je er

geen kant mee op. Op een motorfiets heeft ze daar allemaal geen

last van.

Het is ongeveer drie weken nadat ik haar heb leren kennen als we

het weekeinde doorbrengen in mijn huis in Stompwijk. Het is

vrijdagavond, een uur of zeven, als ik haar voorstel om een kort

ritje op de motor te gaan maken. Ik op mijn Harley-Chopper en zij

op mijn Harley-Davidson Electra Glide. Het is weliswaar een grote


machine, maar van de vier Harley‟s die ik bezit, de soepelst

sturende fiets. “Dat durf ik nog niet,” zegt ze, “zeker niet direct op

zo‟n groot monster. Ik wil eerst weer een beetje gevoel van

motorrijden krijgen. Ik wil dus wel een ritje met je maken, maar

alleen als jij rijdt en ik achterop mag.”

Ik pak de Electra en ze stapt achterop. Het is fraai weer en na

een rit van een uurtje komen we weer terug bij mijn huis. “Dat was

kicken,” zegt ze, “ik kan niet wachten tot morgen om op deze

motor te rijden.”

Na een geweldige nacht staan we lui op. Zoals gewoonlijk. Het

kind is er niet, we hoeven niets en we doen ook niets. Echter, ik

wil de deur uit. Met de motor weg.

“Ik blijf liever thuis,” zegt ze, “het is lekker weer en ik wil graag

in de tuin van de zon genieten.”

“Ik dacht dat je graag motor wilde rijden?” vraag ik verwonderd.

“Ja, dat was gisteravond,” zegt ze, “maar nu het zulk mooi weer

is, blijf ik liever luieren in de tuin. Daarbij vind ik het eng om op

jouw motor te stappen. Stel dat ik hem in de prak rijd. Ik heb al zo

lang niet gereden.”

“Wat is dat nou voor onzin?” vraag ik. “Als je lang niet hebt

gereden, is het juist een goede reden om weer eens op een motor

te stappen. Anders doe je het waarschijnlijk nooit meer. Daarbij,

mocht er een ongelukje gebeuren, wat ik betwijfel, dan zit ik niet

met financiële schade. Dat moet je zo langzamerhand wel weten.

Ik vind het dan belangrijker dat jij dan niets hebt.”

“Dat is het niet” zegt ze, me met een ondeugende blik

aankijkend, “ik blijf liever hier. Toe? Blijf lekker bij me. Dan gaan

we leuke en stoute dingen doen.”

“Daar hebben we nog tijd genoeg voor,” lach ik, “dat houd ik

wel tegoed. Maar goed, als jij liever in de zon gaat liggen bakken,

dan ga ik wel in mijn eentje weg.”

“Laat je me dan nu al alleen achter in dit grote huis?” zegt ze.

“Als jij weg bent, dan zit ik hier opgesloten. Mijn auto staat in


Rhoon en in de jouwe kan ik niet rijden. Ik kan dus nergens

naartoe.”

“Waar zou je dan naartoe willen?” vraag ik. “Rhoon? Jouw

vader? Zus?”

Ik heb haar tuk en ik zeg: “Het komt dus heel goed uit dat je weg

wilt. Dat kunnen we dan mooi met de motor doen.”

Ze schrikt en ze zegt: “Ik wil wel weg, maar dan achterop. Ik wil

zelf niet rijden.”

“Nee, nee,” lach ik, “zo gemakkelijk kom je er niet onderuit.

Maar je mag kiezen. Of je blijft thuis, of je gaat op mijn Electra

gezellig met me motorrijden.”

“Maar de Electra is toch veel te zwaar voor me,” protesteert ze.

Ik zeg: “Welnee, neem nou Iris. Zij is nog lichter en kleiner dan

jij en zij kan er ook op rijden. Jij hebt veel meer motorervaring dan

zij, dus jij zult er helemaal geen probleem mee hebben.”

“Iris?” reageert ze boos. “Ik weet nu zo langzamerhand wel hoe

geweldig die ex van jou is en hoe goed ze motor kan rijden. Dat is

leuk, mij met haar vergelijken. Nu heb ik er helemaal geen zin

meer in.”

“Jezus,” zeg ik, “stel je niet zo aan. Ik ken meer vrouwen die

Harley rijden. Dat ik die ken, kan voor jou toch geen reden zijn

om niet te gaan rijden?”

Ze kijkt me aan en ze zegt: “Sorry, je hebt gelijk. Maar kun je

begrijpen dat ik er een beetje tegen opzie?”

“Natuurlijk begrijp ik dat,” zeg ik, “we doen kalm aan, dan

breekt het lijntje niet. En je moet me gewoon geloven, de Electra

rijdt namelijk superlicht. Daarbij, je kunt pas oordelen of hij zwaar

rijdt als je het eerst geprobeerd hebt.”

“Ik krijg toch de bibbers bij het idee,” zegt ze, “ik doe het niet.

Ik blijf thuis.”

“Dat is jouw keuze,” zegt ik, “maar toch begrijp ik het niet zo

goed. Hoe vaak heb je me niet verteld dat je graag weer motor zou

willen rijden?”


“Dat wil ik ook,” zegt ze, “maar vandaag niet. We kunnen

morgen toch gaan rijden?”

“Dat heet het probleem voor je uitschuiven,” zeg ik, “maar ik

vind het best. Ik ga overigens gewoon mijn voorgenomen ritje

maken.”

Ik loop naar de schuur en ik zet mijn Chopper buiten. Ik pak

mijn motorkleding en ik maak aanstalten om weg te gaan. Terwijl

ik mijn lederen broek aantrek, zegt ze: “Je doet het echt, hè? Je

gaat gewoon? Je laat mij gewoon hier achter.”

“Ik doe inderdaad mijn motorpak niet aan om naast jou in de

tuin te komen zitten,” zeg ik pesterig, “maar ik blijf niet lang weg.

Over een uurtje ben ik weer terug. Ga lekker in de zon liggen,

zoals je van plan was.”

“Ik ga toch maar mee,” zegt ze ineens, “ik moet er toch een

keertje doorheen. Ik zet me er gewoon toe. Ik ga het gewoon

doen.”

“Dat doet me deugd,” zeg ik, “ik ben heel blij dat we iets kunnen

gaan doen dat we allebei leuk vinden.”

De eerste tweehonderd meter is ze nog een beetje onwennig.

Maar ze kan echt goed rijden, dat zie ik direct. De eerste bocht

neemt ze nog langzaam, maar in de volgende bocht zie ik de

motor al schuiner gaan. Ik rijd naast haar, sta naast haar bij het

stoplicht en ik complimenteer haar. “Je ziet er cool uit,” zeg ik

trots.

Ze is zichtbaar met mijn opmerking in haar nopjes.

Ik moet tanken en terwijl ik dat doe, vraag ik haar of ze al terug

naar huis wil. “Ik wil wel naar Zus in Portugaal toe,” zegt ze, “dan

kan ze met haar eigen ogen zien dat ik weer op een motorfiets

rondrijd.”

Ik vind het best, zelfs meer dan dat. Tegelijk ben ik trots op haar,

ze gaat er dus helemaal voor.

Ik rijd vlak voor haar op de snelweg, richting Portugaal. Ik neem

de afrit en een stukje verder verschijnt de Benelux-tunnel. In mijn


achteruitkijkspiegel zie ik haar knipperlicht aangaan en ze haalt me

in. Ze rijdt nu schuin voor me.

Vlak voor de tunnel geeft ze ineens vol gas en ze scheurt met een

noodgang bij me vandaan. Ik heb de Electra opgevoerd en hij is

veel sneller dan de Chopper, waar ik op rijd. Die is uitgevoerd met

een motorblok uit 1968 en hij kan niet veel harder dan zo‟n 110

km per uur. Als ik even later de tunnel uitkom, ben ik haar kwijt.

Ik weet gelukkig waar Zus woont en ik rijd er naartoe. Ik had

verwacht dat ze er al zou zijn, maar ik zie haar in geen velden of

wegen. Ik kan niets anders doen dan wachten en ik zet mijn motor

af.

Mijn mobiele telefoon gaat. Zij is het. Ze staat aan de andere

kant van de dijk, waar Zus woont. Ze heeft de bocht te ruim

gemaakt en de weg loopt er schuin af. Ze is iets te ver doorgereden

en ze staat met haar voorwiel tegen een hek aan. Ze moet de

motor een stukje naar achteren zien te krijgen, maar de Harley is te

zwaar en het lukt haar niet in haar eentje. Er zit ook geen

„achteruit‟ op het ding en ze kan dus geen kant op. “Ik kom er

direct aan,” zeg ik.

Ik probeer mijn Chopper aan te trappen, maar zoals altijd met

een Harley als je hem nodig hebt, hij wil niet aanslaan. Hij is nog te

warm door de rit over de snelweg. Hij reutelt en proest, maar hij

slaat niet aan. Ik ken deze nukken. De motor moet nu minstens

een half uur stilstaan. Maar zo lang wil ik haar niet laten wachten

en ik probeer het nog maar eens een keer. Met een extra harde trap

moet het lukken. Ik spring hoog op om een ferme trap te geven.

Het tandwiel pakt echter niet en ik schiet daardoor met mijn voet

van de kickstarter af. Met mijn been volledig gestrekt klap ik hard

op de grond. Ik voel een scherpe pijnscheut in mijn knie en ik loop

van de pijn heen en weer te jodelen. Wat doet me dat een zeer.

De pijn zakt enigszins weg en er zit niets anders op dan te gaan

lopen. Ik loop strompelend naar haar toe en ze vraagt me wat er is

gebeurd.

Ik vertel het en ze zegt: “Ach lieverd, het is dus mijn schuld.”


“Jouw schuld zou ik niet willen zeggen,” zeg ik, terwijl ik over

mijn knie wrijf, “maar had je niet bij me kunnen blijven?”

“Nogmaals sorry,” zegt ze, “maar ik werd zo enthousiast. Toen

ik bij de tunnel kwam en ik de rook van mijn dorp opsnoof, kon ik

het gewoon niet nalaten om vol gas te geven. Het was geweldig,

fantastisch! Wat heb ik genoten en wat ben ik blij, dat je me er

doorheen geholpen hebt.”

Ik ontzet de motor en we bellen aan bij Zus. Die is zeer verbaasd

als zij haar beste vriendin voor haar voordeur ziet staan. Jip, de

toekomstige echtgenoot van Zus is er ook en als echte Amerikaan

is hij trots op de USA-producten waar wij op rijden. Hij vertelt

direct honderd uit over het merk en hij vertelt dat hij er ook eentje

heeft gehad; een Sportster.

We blijven een uurtje bij Zus en Jip als we besluiten weer terug te

gaan. Het starten van mijn Chopper lukt me, al heb ik nog veel last

van een stijve en pijnlijke knie. We nemen afscheid en we gaan op

weg.

Een uurtje later komen we thuis en ik zet de motoren in de

schuur. Ik ga mijn huis binnen en ze vliegt me om mijn hals. Ze

bedankt me. Uit de grond van haar hart. Voor het vertrouwen dat

ik in haar heb. Voor de wijze, waarop ik haar over de streep heb

getrokken. Dat zij nu alweer dingen doet, die ze voorheen niet

meer durfde te doen.

Ze zegt ook tegen me dat ze het heel erg eng vond. De Electra

vindt ze toch te groot en te zwaar en ze voelt zich comfortabeler

op een wat kleinere en handzamere machine. Van alle

motorfietsen die ik bezit, is de Electra nog de meest handzame.

Dus als ik met haar wil gaan rijden, dan kan dat niet op één van

mijn machines en ik moet daarvoor iets bedenken.

Terwijl ik zo sta te mijmeren, zegt ze: “Op deze machine durf ik

waarschijnlijk wel te rijden.”

Ik zeg ogenblikkelijk: “Dan schaf ik hem toch voor je aan?”


“Nee, nee,” zegt ze met een verschrikte blik, “zo‟n groot cadeau

kan ik toch niet van je aannemen?”

“Ik koop hem ook niet voor jou,” lach ik, “maar voor mezelf. Jij

mag hem af en toe alleen maar gebruiken.”

Haar eigen Harley-Davidson. Week 19, vrijdag.

Ik wil met haar de parelmoer witte Heritage bij de dealer in

Rotterdam gaan ophalen. Dat vereist nogal wat organisatietalent,

want zij wil haar kind niet alleen laten. Ik stel voor om de

buurvrouw op het kind te laten passen, maar daar wil ze niet van

horen. Ze vindt het nog niet verantwoord om haar kind nu al bij

vreemden achter te laten, met name omdat ze pas zo kort in

Stompwijk woont. Ze is nog niet voldoende aan haar omgeving

gewend en het kind zal zich verlaten voelen. Dat kan ze haar kind

niet aandoen, dus het moet mee.

Eén van mijn andere motorfietsen staat bij mijn dealer in Gouda

en die van haar moet opgehaald worden in Rotterdam. Ik stel voor

dat ze met haar kind in haar auto achter mij aanrijdt, maar dat ziet

ze ook niet zitten. Een motorfiets is sneller in het verkeer en ze

loopt het risico me kwijt te raken. Het zou haar hele dag verpesten

en ze voelt zich nog niet sterk genoeg. Ze is net zo lekker met

Mathijs op weg en ze vindt het niet verstandig om te overdrijven.

Bovendien vindt ze het niet handig om achter me aan te rijden,

want dan moeten we twee keer op en neer.

Ik vraag aan mijn vader of hij taxichauffeur wil spelen. Dan kan

hij het gezin naar Rotterdam brengen, waar ik haar motor in

ontvangst zal nemen. Die rijd ik dan naar Gouda, zodat ik hem

tevens voor haar kan uitproberen. Daar neemt zij het stuur over en

stap ik op de mijne. Vervolgens rijden we in colonne terug. Ik

voorop, zij achter mij aan en daarachter mijn vader met Mila, zijn

vrouw, en het kind.


De operatie verloopt soepel en we zijn weer terug. Mijn vader en

Mila nemen nog een kopje thee voordat ze afscheid nemen. Ze

kunnen helaas niet blijven voor het eten, wat zij en haar kind niet

zo erg vinden. Ze gaan de motoren direct poetsen. Zeker de mijne

krijgt hun onverdeelde aandacht, want die is in hun ogen heel erg

vies. Na verloop van tijd staan er twee glanzende machines in de

tuin te pronken.

“Nu wil je zeker wel een ritje maken?” vraag ik aan haar.

“Helaas gaat dat nog niet,” zegt ze, “want ik ga niet alleen. Jij

moet nog met me mee en ik wil mijn kind niet alleen laten. Ik vind

het ook nog niet verantwoord om mijn kind bij mijzelf achterop te

nemen. Ze kan dus alleen bij jou achterop de Electra, maar ook

dat vind ik niet verantwoord. Ze kan niet bij de treeplanken en er

zit geen ruggensteun op.”

“Als ik dat oplos?” vraag ik. “Zullen we er dan een weekje met

de motor op uittrekken?”

“Je hebt zeker al iets in gedachten,” zegt ze.

“Ik heb Andries en Chantal al een tijdje niet gezien,” zeg ik,

“daar kunnen we een paar dagen naartoe. We laten het kind een

paar dagen bij hen achter en dan trekken we er lekker met z‟n

tweeën op uit.”

“Maar ik ga mijn kind niet bij vreemden achterlaten,” zegt ze

verschrikt.

“Vreemden?” zeg ik vragend. “Andries is mijn beste vriend en

Chantal is de liefheid zelve. Ik weet zeker dat het kind het op de

boerderij geweldig naar haar zin zal hebben. Ze kan helpen met

het verzorgen van de dieren, ze is de hele dag buiten en in een

andere omgeving. Uit ervaring weet ik dat kinderen het bij hen

enorm naar hun zin hebben.”

“Toch zal ze zich verlaten voelen,” zegt ze, “of ze krijg heimwee

naar huis of naar mij.”

“Verlatingsangst is jouw probleem,” zeg ik, “volgens mij moet je

dat juist uit je hoofd zetten. Heimwee naar huis of naar jou, daar

kan ik me nog iets bij voorstellen. Maar ik pas ervoor om daar nu


al vanuit te gaan. Laten we het zo doen: We pakken in alsof we een

week weggaan. Eerst bezoeken we Andries en Chantal. Daar

blijven we een paar dagen en als het klikt tussen hen en jouw kind,

gaan we een paar dagen weg. We gaan niet te ver en we nemen

onze mobiele telefoons mee. Mocht er iets gebeuren, dan zijn we

binnen het uur terug.”

Ik kijk haar aan en ik zie haar weifelen. “Oké dan, zegt ze. Laten

we het zo maar doen.”

Ik ga direct aan de slag. Ik bevestig een ruggensteun en ik

verhoog de treeplanken, zodat het kind goed achterop kan zitten.

Niets kan ons nu nog tegenhouden. We kunnen samen met de

motor op weg.

Op weg. Week 20, vrijdag.

Ik ben al wakker als haar kind bij ons in bed kruipt. Ze komt

tussen haar moeder en mij in liggen en ze jubelt uitgelaten:

“Mama, ik vind het zo leuk dat we op de motor op vakantie gaan

en dat ik Andries en Chantal mag helpen om hun beesten te

verzorgen.”

Haar moeder draait zich om naar mij en ze geeft me een zoen.

“Goedemorgen lieverd,” zegt ze, “heb je last van het kind? Anders

stuur ik haar terug naar haar eigen kamer.”

Ik zeg: “Ik ben al een tijdje wakker en ik denk dat ik er maar eens

uitga. Dan kan ik alvast inpakken voor ons weekje weg.”

“Een weekje?” zegt ze vragend. “We gaan toch alleen maar het

weekeinde?”

“Ja, naar Andries en Chantal,” zeg ik, “maar daarna gaan wij er

samen toch nog een paar dagen tussenuit.”

“Je weet wat ik daarvan gezegd heb,” zegt ze, “ik laat mijn kind

niet alleen bij vreemden en al zou ik het doen, de kans dat ze

heimwee krijgt is zo groot, dat ik het toch niet naar mijn zin zou

hebben als ik niet bij haar in de buurt ben.”


“Deze discussie hebben we toch al gevoerd?” vraag ik. “Waarom

slinger je hem opnieuw aan?”

“Sorry,” zegt ze, “maar een week vind ik te lang. Laten we het zo

doen. Het is vandaag vrijdag en we gaan strakjes naar Andries en

Chantal. Daar blijven we tot dinsdag en dan gaan we terug. Als het

klikt tussen mijn kind en Chantal, dan durf ik mijn kind wel bij

haar achter te laten en dan kunnen wij samen toch wat ritjes gaan

maken?”

Ik ga het bed uit en samen met het kind loop ik naar beneden.

Het is helemaal uitgelaten, hetgeen ik wel begrijp. Sinds ze in

Stompwijk woont heeft ze niemand anders om haar heen behalve

haar moeder en mij. Dat is ook logisch, want toen zij met haar

moeder bij mij kwam wonen, was haar grote vakantie net

begonnen. Het enige uitje was het tripje naar Disneyland en voor

de rest kan ze nergens naartoe. Normaliter gaat ze in de grote

vakantie wel eens een weekje logeren bij oma Corrie of haar broer

Klaas, maar die zijn met z‟n allen naar Indonesië vertrokken, waar

haar jongste broertje Tom zijn huwelijksfeest met de voltallige

familie - zijn bruid is geboren en getogen in Indonesië - viert.

Het kind is in Stompwijk ook nog niet naar school geweest, dus

ze heeft hier nog geen leeftijdsgenootjes ontmoet. Na de vakantie,

als ze naar school gaat, zal dat allemaal gaan veranderen. Dat is

ook beter voor haar, want nu is ze helemaal aangewezen op haar

moeder en mij. Ik kijk dan ook enorm uit naar een paar dagen

samen met haar moeder, zonder dat het kind continu alle aandacht

opeist.

Ik zet de motoren klaar en ik bind de tassen erop. Zij is zichtbaar

nerveus, want ze ziet tegen de lange reis op. Gezien haar

verlatingsangst vind ik dat ook niet zo verwonderlijk. Ze is pas zo

kort bezig met Mathijs en NLP om het onder controle te krijgen

en toch gaat ze al met me mee. Ik vind haar geweldig.


We worden zeer gastvrij onthaald door Andries en Chantal. Zij

en haar kind voelen zich er direct thuis. Het kind roept: “Oh yo,

yeah.” Dat is niet zo vreemd, want het stikt ervan de paarden,

honden, katten, konijnen, inheemse en uitheemse eekhoorns en

nog veel meer levende have.

Het weer is prachtig en we zitten lekker buiten. We hebben een

geweldige rit gemaakt en we zijn lekker rozig. Het kind gaat vroeg

en zonder te zeuren naar bed en ik ga met Andries iets met zijn

computer doen. Zij praat met Chantal en ik zie dat het tussen de

twee dames ook goed klikt. Ik hoor ze praten over normen en

waarden, rollen van ouders ten opzichte van kinderen,

onvoorwaardelijke liefde, enzovoorts. Ik begrijp het wel, want ik

weet dat Chantal soortgelijke ervaringen heeft als zij. Chantal heeft

ook te maken gehad met fysiek geweld in een vorige relatie. Ook

heeft ze problemen in de relatie met haar moeder en ze heeft, net

als zij, op heel jonge leeftijd haar ouderlijk huis verlaten. Het zijn

lotgenoten, en het lijkt erop dat ze elkaar helemaal gevonden

hebben.

Het is de volgende dag en de zon schijnt volop. Zij gaat lekker

op een stretcher in de tuin liggen en het kind helpt Chantal met

het verzorgen van de paarden. Er moeten boodschappen gedaan

worden. Andries vraagt of ik meega.

Ik roep naar haar: “Ik ben even weg. Ik ga met Andries mee om

een boodschap te doen.”

Ze staat direct op en ze komt naar me toegelopen. “Waar ga je

naartoe?” vraagt ze. “Je laat me toch niet alleen?”

“Ik ga gewoon even met Andries mee,” zeg ik, “je wilt vanavond

toch iets eten? We zijn zo weer terug.”

“Ik ga het kind zoeken,” zegt ze paniekerig, “dan gaan we met

jullie mee.”

Ik doorzie het patroon direct. Haar verlatingsangst speelt weer

op en ze vervalt automatisch in haar oude gedrag. Vanuit een bijna


onbeheersbare drang gaat ze proberen om bij me te blijven. Hoe

maak ik dat ze kalmeert en weer rustig in de zon gaat liggen?

“Doe toch rustig,” zeg ik, “heb vertrouwen. Ik kom echt wel

terug. Het kind is met Chantal bij de paarden en jij kunt toch

lekker in de zon gaan liggen. Kop op, ik ben binnen een uurtje

terug.”

“Waarom blijf je niet lekker bij me,” lispelt ze, “je hoeft toch

niets en Andries kan dat boodschapje toch wel even alleen halen?”

Andries zegt dat hij het best vind, maar ik zeg tegen hem: “Nee,

nee, ik ga met je mee.”

Ik kijk haar aan en ik zeg: “Ik ga met Andries mee, of je het nu

wilt of niet. Je zult jezelf eventjes moeten vermaken. Indien je

gezelschap wenst, dan zoek je Chantal of je kind maar op.”

Ik laat me niet overhalen en ik stap naast Andries in de auto. Hij

heeft het hele schouwspel gadegeslagen en als wij wegrijden vraagt

hij: “Wat is er met haar aan de hand?”

Ik vertel hem het hele verhaal. Over haar angsten en fobieën,

mijn avonturen in Disneyland, de ontdekking van haar

verlatingsangst, Mathijs en NLP, de therapie die ze nu volgt,

enzovoorts.

Andries knikt begrijpend en zegt: “Ik begrijp nu de strekking van

haar opmerkingen. Zoals het grenzeloze vertrouwen dat ze in je

heeft. Dat ze zonder jou nooit een dergelijke rit als deze had

durven maken.”

Ik knik en ik zeg: “Ze gaat het „gewoon‟ doen. De NLPoefeningen

werpen nu al zijn vruchten af. Anders had ze me nooit

met jou weg laten gaan. Wat nu gebeurt is al een gigantische stap

voor haar. De reis hier naartoe is voor haar zowat een wereldreis.

Ze blijft nu in haar optiek „alleen‟ achter bij relatief vreemde

mensen. Over een paar dagen moet ze een wereldreis terug

maken.”

“Gelukkig maar dat er iets aan te doen is,” zegt Andries lachend

tegen me, “want als juist jij ergens niet op zit te wachten, is dat op


één of ander wijf dat jou met handen en voeten aan haar

vastbindt.”

Ik stel hem gerust. Ik leg hem uit hoe bijzonder onze relatie is.

Waarop die gebaseerd is. Op wat voor ongelooflijke manier wij

elkaar aanvullen. Over onze spirituele ervaringen. Het vertrouwen

dat zij heeft in mij en het vertrouwen dat ik heb in haar. Daarbij

houden we ook nog eens vreselijk veel van elkaar. Het komt dus

allemaal helemaal goed.

Ik kook die avond. Het is vandaag mijn bijdrage aan het

huishouden van Andries en Chantal. Zij komt bij me in de keuken

staan en kijkt naar wat ik aan het doen ben. “Weet je hoeveel ik

van je hou?” vraagt ze. “En hoe gelukkig ik ben? Het plaatje is zo

compleet. Jij, ik, het kind, hier op deze mooie plek in Nederland.”

Ik kijk haar glimlachend aan. “Ik voel het ook zo, schat,” zeg ik,

“ik ben behalve gelukkig ook heel erg trots op je. Realiseer jij je dat

wel?”

“Ja, ja,” zegt ze en ze pakt me stevig beet.

Ik ga door met koken en ze drentelt een beetje om me heen.

“Wat jammer dat het hier zo vies is, hè?” zegt ze. “Ik vind het niet

zo prettig. Overal liggen haren en stof en de sanitaire

voorzieningen zijn nogal primitief.”

“Wat wil je?” zeg ik. “Het stikt hier van de beesten en ze zitten

midden in een verbouwing. Het is weliswaar primitief, maar alles

wat je nodig hebt is er toch?”

“Maar moet je eens kijken hoe de keuken er uitziet,” zegt ze,

denk je dat ik strakjes lekker eet? Ik ben gewoon bang dat ik iets

oploop. Ook slaap ik hier niet lekker en ik heb de afgelopen nacht

geen oog dichtgedaan.”

“Nou, nou,” zeg ik, “ik vind wel dat je overdrijft. Waar ik nu sta

te koken is het toch schoon? Het is allemaal wel oud, maar dat is

iets anders dan vies. En dat je niet hebt kunnen slapen begrijp ik

als geen ander. Zeker als ik me bedenk wat de reis voor impact op

jou moet hebben gehad.”


“Nee hoor, dat is het niet,” verzekert ze me, “ik vind Andries en

Chantal schatten, maar ik voel me nu gewoon niet prettig. Het

kind heeft hetzelfde en wij zouden het liefst morgen naar huis toe

gaan.”

“We hadden toch afgesproken om een paar dagen te blijven?”

zeg ik vragend. “Morgen of overmorgen zouden we het kind hier

toch laten en lekker samen een ritje gaan maken?”

“Dat klopt in zoverre,” zegt ze gedecideerd, “dat ik ook heb

gezegd dat het eerst vertrouwd moet zijn. Het ligt niet aan Andries

of Chantal, maar ik laat mijn kind hier niet alleen achter. Ze kent

Andries en Chantal nog veel te kort. Stel dat ze me gaat missen of

dat er iets gebeurt. Nee, ik laat haar niet alleen. Daarbij, als je

morgen wilt rijden, dan kan dat toch. Dan rijden we toch gewoon

naar huis.”

“Ik vind dat je alles tot in het belachelijke doortrekt,” zeg ik,

“kun je jezelf er niet overheen zetten?”

“Nee, schat,” zegt ze, “kom op. Laten we morgen lekker naar

huis toe gaan. Het is bij ons thuis tenminste schoon en netjes.

Daarbij heb ik nog zoveel te doen en hier kan ik niets anders doen

dan luieren. Ik heb geen vakantiegevoel en het maakt me zelfs

onrustig. Hetzelfde geldt voor mijn kind.”

“Ik vermoed toch dat het jouw verlatingsangst is, die weer

opspeelt,” probeer ik.

“Dat is het niet,” verzekert ze me, “al moet ik toegeven dat ik

tegen de reis opzie. Het kind is op de heenweg achterop jouw

motor in slaap gevallen en daarover maak ik me inderdaad een

beetje zorgen. Ook al doe ik overdag mijn NLP-oefeningen, ik

houd dat onbehagelijke gevoel.”

Ze pakt me stevig vast. “Ik hou van jou,” zegt ze, “ik ben

dankbaar voor jouw geduld en jouw vertrouwen. Ik ben zo lekker

op de goede weg. Laten we het lot niet tarten en blij zijn met de

progressie die ik maak. We kunnen toch snel weer terugkomen?

Kom, laten we morgen lekker naar huis gaan?”


Ze pruilt haar lip en ze kijkt me met haar grote donkere ogen

vragend aan. “Alsjeblieft?” lispelt ze, in de wetenschap dat ik haar

moeilijk iets kan weigeren.

“Natuurlijk schat,” zeg ik, “ik begrijp het. We gaan morgen

terug.”

Ik dien het eten op. De buitenlucht heeft ons hongerig gemaakt

en we vallen er direct op aan. Ik vertel Andries terloops dat we

besloten hebben morgen weer terug te gaan naar het westen.

Het kind hoort het en roept: “Neeeee, waarom morgen al? We

zouden toch langer blijven?”

Ik kijk haar moeder vragend aan en die haalt haar schouders op.

Ik begrijp het niet en ik zal haar later om uitleg vragen.

Het eten gaat schoon op en het kind begint uit eigen beweging

de tafel af te ruimen. Nadat ze dat gedaan heeft verdwijnt ze de

keuken in. Wij mogen er voorlopig niet in tot hij weer helemaal

schoon is. Het kind gaat de keuken soppen, helemaal zelfstandig

en alleen.

Chantal vraagt haar moeder of haar kind dit wel vaker doet.

“Dat doet ze altijd als ze dankbaar is,” zegt ze, “of als ze iemand

een plezier wil doen.”

Ze voegt eraan toe: “Je hoeft het haar eigenlijk nooit te vragen.”

Na een uur is het kind klaar en ze wil uit eigen beweging naar

bed. Ze is doodmoe en ik breng haar naar boven. Ik stop haar in

bed en ze vraagt: “Papa, ik zou zo graag nog wat langer willen

blijven. Ik vind het zo leuk met alle beesten hier.”

Ik zeg: “Jouw moeder wil heel graag naar huis omdat ze nog heel

veel moet doen. Ik heb met haar afgesproken dat we hier heel snel

weer terugkomen. Wie weet blijven we dan langer en misschien

mag jij hier zelfs wel een paar dagen alleen blijven logeren. Zou je

dat willen?”

“Oh yo, dat wil ik heel graag,” jubelt ze, “maar waarom nu dan

niet? Dan kom je me toch gewoon ophalen als ik van Chantal niet

langer meer mag blijven?”


Ik antwoord: “Nee wijfie, deze keer nog niet. Ik heb het jouw

moeder gevraagd, maar dat wil ze nog niet. Wellicht de volgende

keer.”

Het kind gaat in een andere modus en ze zegt: “Ik begrijp het

niet. Ik ben toch heel lief geweest. Mama is niet één keer boos op

me geweest en toch moet ik mee naar huis. Ik heb Chantal

geholpen met de paarden, ik heb de honden en de katten eten

gegeven, ik heb afgeruimd en de hele keuken schoongemaakt.

Chantal vindt het zelfs fijn dat ik help en toch mag ik hier niet

blijven.”

“Ik roep je moeder,” zeg ik, “dan kan ze je welterusten zeggen.

Zeg maar tegen haar wat je tegen mij hebt gezegd. Wie weet.”

Ik geef het kind een kus en ik ga naar beneden. Zij gaat haar kind

goede nacht wensen en ze komt niet veel later terug.

“Leg mij eens uit,” begin ik, “tegen mij zeg je dat het kind weg

wil en het kind zegt tegen mij dat ze hier wil blijven.”

“Wat had je gedacht,” zegt ze, “je weet nu toch zo

langzamerhand wel hoe ze is. Ze probeert het iedereen naar de zin

te maken. Ze zegt gewoon wat je wilt horen. Ze wil echt graag

naar huis, geloof me. Maar omdat Andries jouw vriend is, denkt ze

dat jij wilt horen dat ze hier graag blijft.”

Het wordt ochtend en we maken aanstalten om te vertrekken.

Het kind onderneemt een poging om te blijven. “Ik zou jou best

graag wat langer willen helpen met de beesten,” zegt ze en ze kijkt

Chantal vragend aan.

Die gaat niet tussen het kind en haar moeder instaan en ze zegt

diplomatiek: “Dat beslist jouw moeder en die zegt dat je mee

moet. Van mij mag je de volgende keer net zo lang blijven als dat

je zelf wilt.”

Het kind vliegt Chantal letterlijk om de nek, zo blij is ze daarmee.

“Wanneer mag ik komen?” jubelt ze. “Over een week? Over twee

weken?”


“Ook dat moet je aan je moeder vragen,” zegt Chantal

diplomatiek.

Ik sta naar het schouwspel te kijken en ik vind het ook jammer

dat we weg moeten. Maar aan de andere kant ben ik ook heel blij.

Ik ben zo trots op haar. Stapje voor stapje, één stapje tegelijk. Het

gaat de goede kant op. Nog even en dan is ze echt van die

vreselijke verlatingsangst verlost en ligt de wereld voor haar open.

En voor ons samen.


10. Mijn huis wordt een thuis

Niet mooi en ook niet veilig. Week 13 en verder.

Na een lang weekeinde van slepen met huisraad uit haar huis in

Rhoon naar het mijne in Stompwijk, woont ze nu met haar kind

bij mij. In mijn huis. Althans, zo kijkt zij ernaar.

Ze woont in mijn huis, met nadruk op „mijn‟. Ze zegt dat ze zich

er nog niet thuis voelt. Ik begrijp dat, want ze moet natuurlijk nog

wennen. Maar ze legt me uit dat het verder gaat, want zoals het

huis er nu bijstaat zal ze er in alle waarschijnlijkheid ook nooit aan

wennen.

Ze somt op wat er allemaal aan mijn huis mankeert. “Het is kaal,

ongezellig, planten ontbreken en het heeft afschuwelijke kleuren,”

zegt ze, “maar het ergste van alles vind ik, dat ik in alles nog de

aanwezigheid van jouw ex bespeur.”

“Daar kan ik best inkomen,” zeg ik, “zo lang is ze ook nog niet

weg en ik heb nog niet de inspiratie of motivatie kunnen vinden

om er iets aan te doen. Daarbij heb ik er ook de moed nog niet

voor kunnen verzamelen, want het is nogal wat, dat er moet

gebeuren. Ik vind het voorlopig wel best zo.”

Ze zegt: “Daar ben je nou typisch een man voor. Een beetje

gezelligheid interesseert je klaarblijkelijk niets. Maar ik ben geen

man en mijn kind ook niet. Wij willen het graag gezellig maken.”

“Wat zou je dan willen veranderen?” vraag ik.

We lopen het hele huis samen door en ze wijst aan wat ze zou

willen veranderen. Ze slaat werkelijk niets over en alles moet in

haar ogen aangepakt worden. Ik zeg: “Wat jij allemaal wilt, dat kun

je rustig vergeten. Heb je enig idee hoeveel werk dat is? Daarbij, de

verf is net droog en ik slaap net zo lekker in een slaapkamer met

een paarse deur als een gele. Daar zul je het toch voorlopig maar

mee moeten doen.”


“Lieve schat,” reageert ze, “het hoeft toch niet allemaal in één

keer? Ik laat alleen maar zien wat ik zou doen als ik volledig de

vrije hand had.”

“Het is maar goed dat je die dan niet hebt,” grap ik.

“Ik realiseer me best dat het jouw huis is, waarin ik met mijn

kind woon,” zegt ze, “maar ik wil wel dat het een thuis wordt voor

mij en mijn kind. Zoals het er nu uitziet is dat het niet en wordt

het dat ook niet. Daar ga ik iets aan doen en ik vind dat je me dat

niet kunt weigeren.” Ze kijkt me met een resolute blik aan.

“Ik heb er geen problemen mee dat je het gezelliger maakt,” zeg

ik, “integendeel. Ik heb er alleen een probleem mee als je het hele

huis op zijn kop gaat zetten.”

“Maar er zal toch op korte termijn iets moeten gebeuren,” gaat

ze door, “want het huis is ook niet veilig. Een willekeurige

vreemde kan er ongestoord omheen lopen. „s Avonds is het

aardedonker, zeker aan de achterkant, want er zit niet eens

verlichting. Het sluitwerk van de bovenverdieping deugt niet

waardoor een willekeurige inbreker zeer eenvoudig binnen kan

komen. Ze lopen dan wel door mijn slaapkamer of nog erger, door

de slaapkamer van mijn kind.”

Ik lach het weg: “Voordat een willekeurige inbreker binnen is,

dan moet hij eerst met een ladder het balkon opklimmen.

Vervolgens moet hij dubbel glas breken voordat hij een raam of

deur kan openzetten. Ik denk dat we dan allang wakker zijn.”

“Inmiddels moet je jezelf toch realiseren wat de inbraak voor

schade bij mij en het kind heeft aangericht?” zucht ze. “Jij wilt

toch niet dat wij bang zijn, in dit grote, donkere huis?”

Ik begrijp haar standpunt best, maar ik wil er niet aan. Ik heb

geen zin in een periode van geklus met ook nog eens allerlei

klussers, die met het klussen automatisch over de vloer moeten

komen.

Het is geen standaard huis, waarin ik ben gaan wonen. Het is het oude

bankgebouw van Stompwijk. De kluis zit er nog in en is volledig in tact. Ik


heb het pand een aantal jaren geleden gekocht voor mijn bedrijf, maar door

omstandigheden heb ik het pas twee jaar geleden definitief in mijn bezit

gekregen. Ik had het niet meer nodig als bedrijfspand en ik ben er in de

tussentijd met andere ogen naar gaan kijken.

Iris en ik denken erover om het pand tot woonhuis te verbouwen en er

wellicht te zijner tijd in te gaan wonen. We maken een plan. Het bankgebouw

wordt woonkamer met open keuken en het woonhuis, dat er bovenop gebouwd

is, wordt de slaapverdieping. Er zit weliswaar nog een zolderverdieping op,

maar die gaat niet gebruikt worden. Het huis staat half op de dijk en er zit

ook nog een kelderverdieping onder. Ook die wordt voorlopig niet gebruikt,

hooguit als berging.

Om een beter beeld te krijgen van de mogelijkheden besluit ik alle kamers

maar eens uit het bankgebouw te gaan slopen. Ik krijg hulp van broers en

vrienden en ik begin met de sloopwerkzaamheden. De ene bak puin na de

andere wordt afgevoerd en na drie weken slopen is de ruimte leeg.

Wat ik oorspronkelijk voor beeld had, klopt. Het is een onwijs gave ruimte,

die 15 bij 12 meter meet. Het fraaiste is de lange zijde aan de achterkant.

Die is volledig open en daar kan een glazen schijfpui in gezet worden over de

volle breedte van de kamer. Ik krijg daardoor een schitterend vrij uitzicht op

de onbebouwde polder, midden in het Groene Hart van Nederland.

Dit laatste is het doorslaggevende argument voor Iris en mij om ons fraaie

grachtenpand in Den Haag te verruilen voor het bankgebouw in Stompwijk.

Ik besluit ook om de oude schuur te vervangen door een nieuwe. Die komt

dan achterin de achtertuin te staan. Iris maakt zich zorgen over de tuin die

overblijft als de schuur geplaatst wordt. Ik schiet in de lach. De achtertuin is

zo‟n slordige 50 bij 20 meter groot en de voortuin ongeveer 20 bij 10 meter.

Er blijft dus tuin genoeg over.

De verbouwing start een aantal maanden later. Het wordt, zoals zo vaak

met verbouwingen, een regelrechte ramp. Onze projectleider, die speciaal is

aangesteld om het bouwproces te begeleiden, blijkt krap in zijn tijd te zitten.

De aannemer heeft geen haast en gebruikt het project als opvulling voor zijn

leegloop. Planningen lopen uit, onderaannemers lopen elkaar in de weg en

iedereen geeft elkaar overal de schuld van.


Er wordt verdeel en heers gespeeld tussen Iris en mij, wat we in eerste

instantie niet in de gaten hebben. De aannemer vraagt aan haar wat ze wil.

Vervolgens vraagt hij het aan mij. Daarna doen ze wat hun het beste uitkomt

en Iris en ik vliegen elkaar in de haren. Tegelijk zit het niet mee met mijn

bedrijf. Ik moet alle zeilen bijzetten om het schip drijvende te houden en mijn

hoofd staat niet naar de verbouwing. Toch wordt telkens een beroep op mij

gedaan en ik hak steeds meer met de botte bijl, ook naar Iris toe.

De verbouwing is weliswaar in grote lijnen afgerond en Iris en ik wonen

inmiddels in Stompwijk, maar de ergernissen en emoties hebben nog steeds vrij

spel. De verbouwing is de spreekwoordelijke druppel die de emmer heeft doen

overlopen en het kost me mijn relatie met Iris. Ze gooit het bijltje erbij neer,

met mijn uitdrukkelijke instemming. Precies zes weken nadat we verhuisd

zijn. Zij vertrekt en ik blijf alleen achter in het verschrikkelijk grote huis.

De verbouwing is weliswaar afgerond, maar het huis is nog lang niet klaar.

Mijn hoofd staat er ook niet naar om het huis af te maken. Toch weet ik

mezelf zodanig op te peppen dat ik het basiswerk, zoals schilderen en de

bestrating, weet af te ronden. Ik ben er nog drie maanden mee bezig.

Weliswaar met hulp, maar toch. Ik put mijn energie uit de „Beech/Impatiens‟.

Het is negatieve energie en ik ben werkelijk kapot. Toch ben ik blij dat ik het

gedaan heb en ik verklaar mijn huis tot „af‟. Ik heb weliswaar een heel lange

waslijst met nog af te handelen puntjes, maar die staan daar best. Voorlopig

doe ik niets meer in en rondom het huis. Eerst wil ik tot rust komen en

proberen mijn draai te vinden.

Alleen de slaapkamers.

Ze begrijpt maar niet dat ik in zo‟n ongezellig huis kan wonen. Ik

grap erover dat het een echt mannenhuis is en dat ik niet houd van

allerlei tierelantijnen. Ik heb wel een uitgesproken mening over

stijl, inrichting en kleur, maar ik hecht eerder aan comfort dan aan

stijl. Het ergste vindt ze als ik mijn huis een keertje een „klomp

stenen‟ noem, waaraan ik me niet snel zal hechten. Ze is er zelfs

zichtbaar van ontsteld.


Ze verwondert zich over het feit dat ik gewoon voor de buis ga

hangen, terwijl ik nog zo‟n lange waslijst met klusjes heb. Ik vertel

haar het verhaal van mijn verbouwing. Ik vertel haar ook dat ik er

gewoon geen zin in heb. Daarbij wil ik het ook niet zelf doen,

want ik heb het al druk genoeg met mijn werk. En als ik al iets

anders wil doen dan werken, dan is het zeker niet klussen. Dan wil

ik iets doen wat ik leuk vind.

Dat laatste begrijpt ze al helemaal niet. “Klussen aan je huis is

toch leuk?” zegt ze vragend. “Zeker als je ziet hoe dingen

opknappen als je ermee bezig bent? Daar haal je toch een enorme

bevrediging uit?”

“Dat kun jij nou wel vinden,” zeg ik, “maar ik denk er toch echt

anders over dan jij.”

“Laat het dan doen,” houdt ze vol, “je kunt je het toch

veroorloven.”

“Dat is wel waar,” zeg ik, “maar er moet nog zoveel gebeuren dat

ik het plaatje nog niet overzie. Daarbij doe ik het liever goed dan

half, dus dat betekent voor een aantal zaken dat het nogal

rigoureus aangepakt moet worden. Tegelijk heb ik geen zin om nu

handen vol met geld uit te geven aan iets, waarvan ik nog niet eens

weet hoe het er moet komen uit te zien.”

“Daar kan ik je toch bij helpen?” vraagt ze. “Ik heb ideeën te

over. Sterker nog, ik zie het helemaal zitten. Denk je eens in, dan

wordt dit echt een huis van ons samen.”

“Nog los van het feit dat ik dat best wil,” probeer ik, “ik zie er

enorm tegen op. Ik ken geen betrouwbare klusjesmannen, die snel,

geruisloos en vooral zelfstandig werken. Daarnaast heb ik geen zin

om een aantal weken lang geconfronteerd te worden met allerlei

vreemden over de vloer.”

Ze geeft niet op: “Maar ik vraag je toch niet om het gehele huis

op zijn kop te zetten? Het enige dat ik graag op korte termijn

opgeknapt zou willen zien, is onze slaapkamer en de slaapkamer

van mijn kind. Nu hangen er niet eens gordijnen.”


“Dat is niet waar,” zeg ik, “bij jouw kind hangen wel gordijnen

en als je wilt, hang ik ze ook op in onze slaapkamer. Ze liggen zelfs

klaar, ik hoef alleen de rails nog maar aan het plafond te

schroeven.”

“Als je nu ook nog eens de gordijnen gaat ophangen die jouw ex

heeft gefabriceerd, dan voel ik me helemaal zo‟n logé,” zegt ze met

een teleurgestelde blik, “bovendien, het is alles wat ik vraag.”

Ik heb begrip voor haar vraag en ik vind hem best redelijk. Maar

tegelijk zie ik de bui al hangen en ik wil er nog niet aan. “Twee

slaapkamers opknappen klinkt eenvoudiger dan het is,” zeg ik,

“het is moeilijk de grenzen te bepalen. Waar begin je en waar

eindig je? Verder blijf ik het kapitaalvernietiging vinden om dingen

half te doen. Daar heb ik al te veel leergeld mee betaald. Het is

kiezen uit „goed doen‟ of „helemaal niet doen‟. Het eerste heb ik

geen zin in, dus blijft het tweede over. Ik vind dat het voorlopig

nog wel even zo kan blijven, ik hang alleen gordijnen voor je op.”

“Waar denk je die dan vandaan te halen?” vraagt ze.

“Ik ga wel met je mee met je naar Ikea of zo,” zeg ik.

“Je spreekt jezelf tegen,” zegt ze, “met gordijnen van Ikea is het

toch ook half werk en je zegt nu net tegen me dat je dat niet ziet

zitten.”

“Laten we even bij de les blijven,” zeg ik, “je wilt met gordijnen

dicht slapen. Dat begrijp ik en dus zorg ik ervoor dat die er

komen. Maar ik blijf van mening dat ons huiselijk geluk niet

afhangt van de kleur van de gordijnen.”

“Ik ben het er niet mee eens,” protesteert ze, “ik woon hier nu

ook. Het is ook mijn thuis. Ik wil me lekker voelen in dit huis en

niet steeds geconfronteerd worden met allerlei dingen die ik niet

zie zitten. Alleen maar omdat jij er geen zin in hebt. Het gaat me

echt niet alleen maar om die afgrijselijke kleuren, die jouw ex heeft

uitgezocht. Het hang- en sluitwerk deugt namelijk ook niet. Ik voel

me hier niet veilig. Daarbij denk ik dat jouw diefstalverzekering

niet eens toereikend is als ze weten hoe slecht het huis beveiligd

is.”


Ik schiet in de lach omdat ze met mijn diefstalverzekering als

argument pro op de proppen komt. Tegelijk begrijp ik haar

standpunt wel. Ik probeer nog een tegenargument te bedenken, ik

kijk naar de vrouw waar ik zo veel van hou en ik stop met

protesteren.

Hij heet Mario en hij is een oude date-vriend van haar. Ze heeft

nooit iets met hem gehad, anders dan een gewone vriendschap. Ze

vertelt me dat Mario een hele goede, betrouwbare timmerman

annex aannemer is. Een perfectionist, een echte vakman. Zo

eentje, die je niet vaak meer tegenkomt.

Mario zit zonder werk en zou iets voor ons kunnen betekenen.

Ik begrijp niet zo goed hoe een goede vakman in deze tijd zonder

werk kan zitten, maar zij legt het uit.

Mario‟s grootste kracht is tevens zijn grootste valkuil. Het

probleem bij Mario is dat hij zijn werk veel te goed wil doen,

terwijl zijn bazen vinden dat hij dat sneller moet doen; zelfs al gaat

het ten koste van de kwaliteit. Mario is het daar niet mee eens en

weigert daarin mee te gaan. Dit kost hem telkens zijn baan.

Mario heeft ook een poosje gewerkt als eigen baas. Maar alle

rompslomp die een eigen zaak met zich meebrengt, houdt hem af

van datgene wat hij graag wil; kwalitatief hoogwaardig werk

afleveren. Hij begint voor zichzelf en sneuvelt als eigen baas. Hij is

erachter gekomen dat klanten niet willen betalen voor kwaliteit.

Het moet zo goedkoop mogelijk of anders niet.

Mario komt op bezoek. Het is een aardige vent en we praten

onder het genot van een hapje en een drankje over koetjes en

kalfjes. Zij stipt aan dat mijn huis, ons „thuis‟, nog niet af is en wat

er allemaal in haar optiek moet veranderen. Ze ziet aan me dat ik

het onderwerp niet zo prettig vind en ze voegt er haastig aan toe,

dat voor haar niet alles in één keer opgeknapt hoeft te worden.

Wat ze wel wil is dat op korte termijn de twee slaapvertrekken op

de bovenverdieping worden aangepakt.


Ik laat Mario mijn huis zien en ik vertel hem ondertussen wat er

allemaal nog meer op mijn lange klusjeslijst staat. We lopen over

de slaapverdieping en ik vraag hem zijn mening.

“Tja,” zegt Mario, “ik denk dat je beter de gehele verdieping kunt

beetpakken. Want als je alleen die twee kamers doet, zit je twee

keer in de troep en je weet nooit goed waar je moet beginnen en

waar je moet stoppen.”

Ik begrijp zijn wijze woorden, want ik denk er net zo over. We

gaan weer naar beneden en we drinken nog een drankje.

Mario wil wel een klusje doen en hij haalt me over. Hij vertelt me

dat hij een „goeie‟ is en het geld dubbel en dwars waard.

Ik trek samen met Mario een plan. De slaapverdieping wordt

toch in één keer aangepakt, waarbij Mario de klus grondig, snel en

vooral zelfstandig gaat uitvoeren. Drie weken de tijd heeft hij

ervoor nodig en hij gaat beginnen in de week, waarin ik met mijn

gezin een tripje ga maken naar Disneyland Parijs.

“Wat fijn dat je dan al kunt beginnen,” jubelt ze, “dan kan ik

alvast met leegruimen beginnen.”

Ze is zichtbaar in haar nopjes.

“Waar gaan we in de tussentijd slapen?” vraagt ze aan me.

Ik zeg: “Het lijkt mij het meest voor de hand liggen dat we dat

op de zolderverdieping gaan doen.”

“Maar daar ligt helemaal niets op de vloer,” zegt ze, “bedoel je

dat we op die kale planken moeten gaan slapen?”

Ze kijkt Mario hulpeloos aan en die zegt tegen mij: “Waarom leg

je niet gelijk kliklaminaat op de bovenverdieping. Dat is heel

weinig werk en dan ben je ook daar direct vanaf. Die paar uurtjes

extra maken ook niet uit.”

Ik ga ermee akkoord en Mario begint een weekje eerder, wat

aanstaande maandag al is.

Ik weet nu waarom Mario niet voor een baas kan werken. Hij

kan zelfs helemaal niet werken. Hij loopt maar rond met een

gordel gereedschap om zijn middel, maar ik zie het hem niet


hanteren. Er komt werkelijk niets uit zijn handen en de enige

voortgang die ik zie, is te danken aan het hulpje van zestien jaar

oud, dat hij elke dag meeneemt. Het wordt het drama, waar ik al

zo bang voor was.

Al snel wordt het erger. Het tempo ligt niet alleen bedroevend

laag, maar ik moet overal achter aan. Mario legt continu alle

problemen bij mij neer.

Hij zegt: “De sloten van de deuren zijn verrot.”

Ik vraag: “Wat ga je daaraan doen?”

“Wat jij wilt,” zegt hij dan, “het is jouw huis.”

Een dag later komt Mario weer bij me. Hij zegt: “Al het sluitwerk

van de ramen is verrot.”

Ik vraag: “Wat ga je daaraan doen?”

“Wat jij wilt,” antwoordt hij, “het is jouw huis.”

Ik bepraat met hem dat ik niet zo gelukkig ben met de manier

waarop hij werkt. Hij belooft beterschap, maar er verandert niets.

Het hele proces herhaalt zich voor alle facetten die hij aanpakt. De

ramen, de binnendeuren, vensterbanken, al het hang- en sluitwerk,

tochtstrippen, enzovoorts. Alles moet eraan geloven. Ik word

steeds naar de bouwmarkt gestuurd om materiaal voor hem te

kopen. Mario kan dat niet doen, hij weet tenslotte niet wat ik

precies wil. Zij zou het wel voor hem willen doen, maar haar auto

is te klein, ze durft niet in de mijne te rijden, ze is nog niet

vertrouwd genoeg met haar omgeving en zij weet ook niet precies

wat ik wil of wat ze moet kopen.

Ik spreek Mario nog eens aan op de voortgang en de kwaliteit

van zijn werk. Hij kijkt me slechts aan en zegt: “Ik zal beter mijn

best doen, maar behalve mijn neefje heb ik niemand kunnen

vinden die me kan helpen.”

Gelukkig komen Zus en Jip op bezoek en ik vertel Jip over

Mario. Jip, die vroeger timmerman is geweest, biedt aan om te

helpen. Ik maak dankbaar gebruik van zijn aanbod en als ik het

Mario de volgende dag vertel, reageert hij verheugd. “Dan kan ik


eindelijk meters gaan maken en het project netjes afronden,” zegt

hij.

Mario, in zijn rol als aannemer, komt bij me met een onplezierige

mededeling. Hij kan maar geen goede schilder vinden. “Daar zou

jij toch voor zorgen?” vraag ik verbaasd. “Jij had toch gezegd dat

jij altijd goede schilders kunt vinden.”

“Het lukt me gewoonweg niet,” zegt hij, “en waar niets is kan ik

ook niets doen. Je zult er zelf eentje moeten regelen.”

Tjonge, wat heb ik er de pest over in. Alles wat ik vreesde,

gebeurt. Het wordt ook snel erger, want intussen krijg ik in de

gaten dat er helemaal niets gebeurt en als er al iets gebeurt, is de

kwaliteit ronduit slecht. Zelfs Jip neemt me apart en hij zegt: “Gijs,

ik moet je waarschuwen voor Mario. De man is niet capabel. Hij

organiseert niets en hij loopt de hele dag alleen maar heen en weer.

Er komt werkelijk niets uit zijn handen en als er al iets uit komt,

dan moet ik het overnieuw doen.”

Ik praat met haar over Mario en de kwaliteit van zijn werk. Zij

zegt: “Het is jouw huis en het zijn jouw centen. Als je niet

tevreden bent, dan trap je hem er toch gewoon uit?”

“Dat vind ik een beetje kort door de bocht,” zeg ik terug, “het is

jouw vriend. Ik heb al eens met hem gepraat en het lijkt wel alsof

hij me niet begrijpt. Moet jij niet eens een keertje met hem praten?

Daarbij heb ik het idee dat hij verdeel en heers speelt. Hij vraagt

jou en mij dezelfde dingen en vervolgens doet hij er niets mee. Ik

loop jou scheef aan te kijken en jij mij. Dat kan toch de bedoeling

niet zijn?”

“Nogmaals lieverd,” zegt ze tegen me, “je denkt toch niet dat ik

het wel en wee van Mario, of het nu waar is of niet, een wig tussen

ons in laat drijven. Jij moet doen wat je goeddunkt, ik steun je

onvoorwaardelijk. Hoewel ik me toch afvraag, of hij werkelijk zulk

slecht werk levert als jij beweert.”

Ik vertel Mario voor de derde keer wat ik van zijn prestaties vind.

Ik doe dat nu nogal ongezouten, maar Mario haalt zijn schouders

op. Hij is het maar gedeeltelijk met me eens. Het ligt in ieder geval


niet aan hem, maar aan de omstandigheden waarin hij moet

werken. Zo zijn de materialen bijvoorbeeld nooit voorhanden als

hij ze nodig heeft en Jip helpt pas een paar dagen mee. Ik ga de

discussie met Mario niet eens meer aan en hij belooft weer

beterschap. Althans voor die dingen, die hij zich kan aanrekenen.

Ik had het natuurlijk kunnen weten, want weer verandert er niets.

Jip neemt mij weer apart en vertelt me dat hij het beste met me

voor heeft, maar dat hij niet meer met Mario wil werken. Als Jip

iets aanpakt, lijkt het zelfs wel of Mario het hem belet en telkens

als hij aan iets is begonnen, moet hij van Mario iets anders gaan

doen.

Dit is de druppel en ik besluit Mario eruit te gooien. Althans,

netjes te betalen voor de tot dan gewerkte - nou ja, gewerkte? -

uren en hem vriendelijk te vragen niet meer terug te komen. Mario

begrijpt er niets van, we zijn zo aardig voor elkaar geweest. Met

mijn opmerking dat ik inderdaad veel te aardig voor hem ben

geweest en dat hij daar misbruik van heeft gemaakt, vertrekt hij.

Hoofdschuddend. Ik ben weer zo iemand die hem niet begrijpt.

Natuurlijk, doordat hij de klus perfect wilde uitvoeren, zou het iets

langer gaan duren dan geraamd, maar kwaliteit heeft zijn prijs en

uitloop heb je overal.

Ondertussen is de klus pas voor een derde klaar en de uitgaven

bedragen al anderhalf keer het bedrag dat ik uit wilde geven. Ik

vraag Jip, Piet, mijn buurman en Jochem, zijn zoon, om me te

helpen de klus af te ronden. Ik ga op zoek naar een schilder en die

begint een paar weken later.

De tuin.

Ze begrijpt nog veel meer dingen niet van me. Ze zegt tegen me:

“Je hebt zo‟n mooie, grote tuin en het enige dat ik zie, is stenen en

gras.”


Dat begrijp ik weer niet, want het grasveld is nota bene mijn

grote trots. Ik bezit zo‟n automatische grasmaaier, die geheel op

eigen kracht het gazon bijhoudt. En als „mijn beestje‟, zoals ik de

machine noem, honger krijgt, dan gaat het automatisch naar het

laadstation voor nieuwe battery power.

Mijn beestje is een bezienswaardigheid. Het is net een levend

wezen, dat de gehele dag in de tuin aan het zwoegen is. Als ik de

tuin inkijk, dan zoek ik het automatisch. Het beestje heeft een

enorm voordeel boven een gewone grasmaaier, want het gemaaide

gras hoeft namelijk niet opgeruimd te worden. Doordat er steeds

maar een paar millimeter van het gazon wordt afgehaald, valt het

fijne maaisel tussen het gras, waar het composteert. Dat is weer

goed voor de bemesting van het gazon. Iedereen die mijn gazon

ziet bewondert het mooie grasveld en natuurlijk ook mijn beestje.

Het verzorgen van het groene spul in haar tuin in Rhoon was

haar grootste hobby en passie. Ze wil zich, ze heeft toch niet veel

omhanden, ook gaan bezighouden met de tuin in Stompwijk. Ze is

van mening dat nu we samenwonen het ook haar tuin is en dat ze

haar ideeën erin kwijt wil. Ik vind het goed, maar ik vraag haar

ermee te wachten. Mario is immers net begonnen met de

werkzaamheden aan de bovenverdieping van het huis.

“Mario gaat zijn gang wel,” zegt ze, “daar hoeven jij en ik ons

niet mee bezig te houden. Oké, dan laten we de achtertuin met

rust, maar gun mij dan tenminste het pleziertje van het „opleuken‟

van de voorkant van het huis. Met een paar eenvoudige plantjes

kom ik al een heel eind. Het enige dat ik je vraag, is dat je een

keertje met me meegaat naar Intratuin. Ik neem het ophangen,

neerzetten van de planten en water geven geheel voor mijn

rekening.”

Ik vind het goed en ik ga met haar mee naar Intratuin. Ze laat

haar oog vallen op hangplantjes voor aan de balustrade op de

eerste verdieping. Ze koopt er een stuk of twaalf en ik zeg haar dat

het er te weinig zijn, gelet op de breedte van het huis. Ze gelooft

me niet en houdt vol dat twaalf genoeg moet zijn.


Ik rijd met haar naar huis en ze gaat direct met het groene spul

aan de slag. Ze hangt alle twaalf de hangplantjes op en ik krijg

direct gelijk, want het is een spetter op een gloeiende plaat. Ik rijd

met haar direct terug naar Intratuin waar ze de laatste planten, het

zijn er nog een stuk of vijftien, koopt.

Alle plantjes hangen nu aan de balustrade en ze staat met haar

handen in haar zij haar werk te bewonderen. Ze vraagt aan me:

“Zeg eens eerlijk, het ziet er nu toch al een stuk gezelliger uit dan

eerst?”

Ik kan niet anders dan haar gelijk geven en mijn opmerking krijgt

direct een onbedoeld motiverende werking op haar, want ze zegt:

“Laat ik dan gelijk maar doorgaan met de perkjes aan de rand van

het huis, want nu die plantjes aan de balustrade hangen, valt pas op

hoe kaal de onderkant is.”

“Dan mag ik zeker weer mee naar Intratuin?” vraag ik. “Daar

heb ik helemaal geen zin in.”

“Je hebt er nauwelijks iets aan gedaan,” zegt ze, “alleen twee keer

op en neer gereden. Stel je niet aan. Daarbij, het zijn maar kleine

perkjes. Moet je eens kijken hoe het aangezicht van het huis ervan

opknapt.”

“Laten we het nou niet doen?” smeek ik haar zowat. “Alsjeblieft,

ik begin inmiddels mijn handen vol te krijgen aan Mario. Ik wil er

eerst voor zorgen dat die klus afgerond wordt.”

“Ach lieverd,” zegt ze een beetje meewarig, “wat ben je toch een

stadsmannetje. Het is nu de tijd om het te doen, want anders

moeten we wachten tot volgend jaar. Bovendien kost het jou geen

tijd of inspanning. Ik doe het allemaal zelf en jij hoeft je er zelfs

helemaal niet mee te bemoeien. Je gunt mij toch ook wel mijn

hobby? Daarbij, ik heb nog geen baan en daarom niet zoveel

omhanden.”

“Ik moet anders wel steeds met je mee naar Intratuin,” zeg ik,

“waarom neem je gewoon mijn auto niet en ga je zelf?”


Ze antwoordt: “Schat, heb je enig idee hoe graag ik dat zou

willen? Helaas durf ik nog steeds niet in die grote auto van jou te

rijden. Stel dat ik dat enorme monster in de soep rijd.”

Ik ga akkoord, maar ik benadruk nog een keertje dat ik er verder

helemaal niets aan ga doen.

Weer ga ik met haar mee naar Intratuin. Ze koopt voor een

vermogen aan groen spul en eenmaal thuis gekomen gaat ze

enthousiast aan de slag. Ze poot de plantjes en de klimrozen

bevestigt ze aan de klimrekken, die door Mario zijn opgehangen.

De rekjes, inclusief rozen vallen helaas allemaal van de muur af.

Ik besluit ze zelf maar even vast te zetten. Het kost me nog geen

half uur en nu blijven ze gewoon hangen.

Weer verkijkt ze zich op de grootte van de perkjes voor het huis

en weer koopt ze te weinig plantjes. Ik moet weer met haar mee en

weer loop ik door Intratuin. Ik vraag haar om een papieren zak,

zodat ik die over mijn hoofd kan doen. Ze vraagt me waarom en

ik schets haar mijn doemscenario. Ik zeg: “Wat zullen mijn

vrienden van me zeggen als ze me hier met al die plantjes zien

lopen? Gelukkig kan ik me aan de gedachte vasthouden, dat mijn

vrienden hier niet komen.”

Ik waggel, een motorisch gestoorde imbeciel nabootsend, naast

haar.

“Doe normaal,” bijt ze me toe, “we lopen voor lul.”

Ik geef haar helemaal gelijk en ik blijf waggelend met haar

meelopen door Intratuin. Ze vindt het echter helemaal niet leuk en

ze zegt pinnig: “Ik ken er wel meer die zo zijn begonnen als jij. Nu

hebben ze hun hobby ervan gemaakt en ze zijn de tuin niet meer

uit te slaan.”

Ik lach haar uit: “Is dat wat je met me voorhebt? Dat ik ook zo‟n

plantjesverzorger wordt? De enige plant die ik nog een beetje kan

waarderen heet ijsbergsla en die kun je gewoon kopen bij de

supermarkt.”


Sinds ze met tuinieren bezig is, zit ze continu in de Bakker

plantengids te lezen, bekijkt folders van terrassen en tuinmeubilair

en ze surft het internet af naar nog meer groen geluk. De hele dag

praat ze over de tuin, welke plantjes ze waar gaat zetten, waar de

terrassen gaan komen, hoe de tuinverlichting eruit moet gaan zien,

hoe de beschoeiing van de vaart opgeknapt dient te gaan worden,

enzovoorts. Ieder mens heeft recht op zijn passie, maar zij sleurt

me nogal fors mee in de hare. Ik reageer fel en ik zeg: “Daar komt

niets van in. De tuin blijft voorlopig zoals hij is. Eerst moet de klus

op de bovenverdieping afgerond worden.”

Inmiddels ben ik vaste klant geworden bij de Intratuin van

Zoetermeer. Ik drijf er steeds meer de spot mee, wat ze helemaal

niet kan waarderen. Ze snapt alleen mijn boodschap niet en ze gaat

volledig voorbij aan het feit, dat ik het alleen voor haar doe.

Ze is gelukkig klaar met de perkjes voor het huis. “Zie je hoe

leuk het staat,” jubelt ze, “en je kunt me niet wijsmaken dat jij er

nu ook geen plezier in hebt. Het is toch geweldig om te zien hoe

het huis is opgeknapt. Zeker als je in ogenschouw neemt hoe

weinig werk het is geweest.”

Ik zeg niets en ik kijk haar bedenkelijk aan. Ze ziet het en ze zegt:

“Of wil je soms beweren dat jij er veel werk aan hebt gehad?”

Denkt ze dat nu echt? Dat ik er geen werk aan of last van heb

gehad? Is ze al die ritten naar Intratuin alweer vergeten? Ziet ze

niet dat ik al haar gepraat rondom bloemen, heesters en bomen

totaal niet boeiend vind, laat staan dat geouwehoer over terrassen

en verlichting voor de achtertuin. Zij kan leuk beweren dat ik niets

aan de tuin doe. Ze heeft eigenlijk wel gelijk, want naast het

klussen op de bovenverdieping ben ik het, die steeds haar kind

uitkleedt, haar in haar pyjama hijst, haar helpt met tanden poetsen

en op bed leg. Zij hoeft haar kind alleen nog maar welterusten te

zeggen. Ook ben ik het die steeds vaker de boodschappen doe en

het eten kook. Ik vraag haar sarcastisch hoe het met haar

waarnemingsvermogen gesteld is.


“Hoezo?” vraagt ze.

Ik vertel het haar, maar ze is zo verrukt over het effect van haar

werk, dat ze me niet eens hoort. Enthousiast gaat ze verder: “Ik

ben nu zo lekker bezig en het huis knapt er zo van op, ik ga gelijk

door met de achtertuin.”

Ik verslik me zoals je dat alleen maar in tekenfilms ziet. Ik proest

uit: “Over mijn lijk! Daar komt niets van in.”

Ze houdt vol dat het mij, net als bij de perkjes, geen tijd en

energie gaat kosten en dat ik er helemaal geen hinder van ga

ondervinden. Daarbij wil ze alleen wat basisvoorzieningen

aanleggen, zodat ze het volgend jaar een goede start kan maken.

“Je kunt mijn rug op,” zeg ik tegen haar, “je ziet niet eens wat ik

allemaal heb gedaan aan de perkjes in de voortuin. Ik zie de bui al

hangen. Als ik „ja‟ zeg, dan ben ik weer de lul. Dat doe ik niet.

Verder is die tuin veel te groot om het net zo aan te pakken als die

perkjes. Daarin heb jij je al verslikt en dat staat je met de achtertuin

nogmaals te gebeuren. Maar dan in overtreffende trap. Zeker als

het om basisvoorzieningen gaat. Dat is grof werk en daar heb je

grote machines voor nodig.”

“Ach, lieve schat, “ zegt ze met een triomfantelijk gezicht, “dat

weet ik toch allemaal allang. Ik ben toch niet blond. Ik heb echt

wel gezien wat je allemaal al gedaan hebt en daarom hou ik ook

zoveel van je. Maar, ik heb er ook van geleerd. De achtertuin ga ik

anders doen. Ik heb het er al met Jochem over gehad en hij is

gaarne bereid me te helpen.”

Jochem heeft een tekening van de tuin nodig. Zij is het niet met

hem eens, want een tuin hoef je niet in één keer af te maken. Het

stukje grond meet echter zo‟n slordige 50 bij 20 meter en Jochem

kan niet beginnen zonder tekening.

Met plantjes en dergelijke kun je smokkelen, maar met de aanleg

van de basisvoorzieningen niet. Ze heeft de hele tijd al zitten

praten over terrassen, verlichtingen, paadjes, plantjes, tuinmeubels,

enzovoorts, dus ik verwacht dat ze een tekening voor Jochem gaat


maken. Ze doet het echter niet en Jochem gaat niet beginnen

zonder. Ik hoor haar met Jochem discussiëren waarbij Jochem

steeds zegt dat zij hem moet vertellen wat ze wil. Hij kijkt mij met

een hulpeloze blik aan, maar ik doe alsof mijn neus bloedt.

Inmiddels heb ik al iets te veel te maken gehad met de tuin.

Inmiddels krijg ik het lazarus van die tuin en ik begin me er aan

te ergeren. Ik erger me niet alleen aan de tuin zelf, maar ook aan

het constante geouwehoer erover. Te pas en te onpas is het ineens

mijn tuin, met name als er een beslissing genomen moet worden

over de uitgaven. Ik wil geen folders meer inkijken van perken,

plateaus, tuinmeubelen en planten.

Ik krijg woordenwisselingen met haar. Ze begrijpt me niet. Ik

geef veel geld uit en ik wil niet eens weten waaraan. Het maakt me

echt niet uit en ik wil er helemaal vanaf.

Ik geef haar een budget en ik vraag als tegenprestatie of ik me

dan helemaal niet meer met de tuin hoef te bemoeien. Ze vraagt of

ik serieus ben, want ze vindt het bedrag dat ik maximaal wil

besteden veel te laag.

“Maak dan een plan,” zeg ik tegen haar, “met een mooi

kostenplaatje erbij. Jij hebt toch bedrijfskunde gestudeerd? Dat

kan dan toch niet zo‟n groot probleem voor je zijn. Met het plan

kun je kijken hoe en wanneer wat moet gebeuren. Dat plan overleg

je vervolgens met mij en dat is dan het allerlaatste dat ik nog aan

die tuin wil doen.”

Ze komt er echter niet uit en ze vraagt me zelfs om hulp. “Jij

durft,” grap ik, “ga je mij om hulp vragen? Jij bent toch het groene

wonder van de natuur? Ik peins er niet over om voor jou een

schets van de tuin te maken.”

“Maar ik weet dat je ideeën hebt,” zegt ze, “want ik heb jou ze

tegen Jochem horen vertellen.”

Ze begint te slijmen: “Ach, toe? Voor mij? Voor één keertje. Ik

maak het vanavond helemaal goed met je.”


Ik laat me overhalen en ik zeg: “Oké, ik ontstijg mezelf en ik ga

voor één keertje met jou als „Hendrik Jan de tuinman‟ door de tuin

lopen.”

Ik loop met haar door de tuin en ik laat mijn creativiteit, voor

zover ik verstand heb van de aanleg van tuinen, zijn beloop. Ik

wijs aan hoe ik de tuin voor me zie. Ik wijs de plaats aan van

terrassen, afscheidingen, perken, planten, bomen en heesters. Ik

houd ook rekening met een grote grasmat, want ik wil mijn beestje

aan het werk blijven zien.

Ze is in een opperste staat van verrukking. “Ik wist het!” zegt ze

enthousiast. “Jij hebt zoveel meer in je mars dan waar je voor uit

wilt komen. Je hebt zelfs verstand van de aanleg van tuinen! Je wilt

het alleen voor jezelf niet toegeven.”

Ik luister maar half naar haar geslijm en ik ga met haar het huis

in. Even later komt ze met een stuk papier en potlood naar me toe

en ze vraagt of ik mijn ideeën op het papier wil krabbelen.

“Ammehoela,” zeg ik tegen haar, “je weet het nu toch. De rest

doe je zelf maar.”

Jochem gaat aan de slag met haar „plan‟. Hij gaat rekenen en

maakt een ruwe begroting. Die komt ongeveer tien keer zo hoog

uit dan ik maximaal wil uitgeven. Ik veeg het plan dan ook zonder

pardon van tafel.

“Jij hebt nota bene zelf verteld hoe je de tuin wilt hebben,” zegt

ze verwijtend.

“Jij hebt nooit rekening gehouden met het budget dat ik je al

eerder genoemd heb,” kaats ik terug, “en daarbij heb jij er dingen

bij verzonnen, die een vermogen kosten.”

Zij is de mening toegedaan dat ik haar op haar bek laat gaan ten

aanzien van Jochem en ze neemt het me hoogst kwalijk. Ergens

heeft ze wel gelijk, maar ze heeft ook niet naar me geluisterd.

Ze baalt ervan als een stekker en ze besluit voorlopig helemaal

niets meer te doen aan de tuin. Iets, dat ik van harte toejuich.


Ze pakt me ineens van achteren beet en ze begint aan me te

friemelen. “Het budget dat je een paar dagen geleden genoemd

hebt voor het opknappen van de achtertuin,” lispelt ze, terwijl ze

in mijn nek hijgt, “heb ik dat nog? Mag ik dat nog gebruiken?”

“Ik heb liever dat je het helemaal niet gebruikt,” lach ik, “maar

hoe erg ik het ook vind dat je in de achtertuin aan de slag gaat,

beloofd is beloofd. Een man een man, een woord een woord.”

“Natuurlijk is het budget veel te laag,” zegt ze, “maar ik ga me er

gewoon mee redden.”

Ik antwoord: “Ik vind alles best, als ik er maar geen last van heb.

Ik hoop dat je nu je lesje wel hebt geleerd.”

“Maar toch is het niet eerlijk,” zegt ze, “want nu moet ik uit mijn

budget ook aan de basisvoorzieningen gaan meebetalen. Die

kosten had je toch gekregen, dus ik vind dat jij die moet betalen.

Mijn budget gebruik ik vervolgens voor het aankleden van de

tuin.”

Ik voel aan mijn theewater dat ik alweer door haar word genaaid.

Aan de andere kant heeft ze ook wel gelijk. Een aantal

voorzieningen, zoals de erfafscheiding tussen mijn tuin en de

buren, stonden inderdaad al op de nominatie om aangebracht te

worden.

“Is het dan klaar? Heb je dan je zin? Ben je dan echt gelukkig?”

vraag ik haar bijna smekend. “Houdt het hierna op?”

“Ik denk het wel,” zegt ze, “maar dat weet ik niet zeker. Een tuin

heeft constant aandacht nodig.”

Ik zeg: “Als ik het maar niet hoef te doen, want ik heb het nu

wel zo‟n beetje gehad met die kuttuin van jou.”

“Gadverdamme,” zegt ze, “waarom zeg je nu het woord

„kuttuin‟? Ik doe het voor ons en ik leg mijn ziel en zaligheid erin.

Daarbij, de winter komt eraan en dan kun je niet eens meer iets

doen. Het is nog maar eventjes. Daarbij hoeft er volgend jaar

helemaal niets anders meer te gebeuren dan het poten van plantjes

en bloemen. Daar heb ik jou niet voor nodig en het kost bijna

geen geld.”


Ik laat haar maar haar gang gaan, terwijl ik vermoed, dat ik er

snel spijt van ga krijgen. Ik vraag me af wat ze gaat verzinnen als

dit achter de rug is.

Ze maakt een lijst, gebaseerd op het nieuwe budget en ze gaat

aan de slag. Ze bestelt 225 coniferen en 150 beukenhaagplantjes.

De coniferen zijn voor de tuinafscheiding met de buren rechts,

dus die vallen buiten haar budget. Ze gaat gelijk door met de rest.

Twee terrassen worden aangelegd, een paar perkjes worden alvast

gegraven en voorzien van planten. In het deel wat „de tuin van het

kind‟ heet, staan nu een blokhut en een schommel. Er komen

grote potten in de voortuin en de bomen op de erfafscheiding met

de buren links krijgen haar onverdeelde aandacht. Ze nemen de

zon weg uit de tuin en ze moeten korter gemaakt worden. Een

aantal bomen moeten zelfs helemaal verdwijnen.

Ze bespreekt met de buurvrouw wat ze van plan is en die lijkt

akkoord te gaan. Jochem gaat aan de slag. Er worden vijf bomen

neergehaald en de rest wordt ingekort tot een meter of vier.

Tot een opzichter van de gemeente het werk stillegt. De

buurvrouw heeft bezwaar gemaakt en een klacht ingediend. Er

ontstaat, zoals zo vaak bij een erfafscheiding, een ordinaire

burenruzie en ik moet het van haar gaan regelen. Het is immers

mijn buurvrouw en mijn tuin, dus het is mijn probleem.

Ik had het kunnen weten. Het leek weer onschuldig te beginnen.

Ik zie haar nog staan toen ze me verzekerde, dat ik me nergens

mee hoefde te bemoeien. Maar ik ben het, die overal over moet

beslissen, keuzes moet maken en op moet treden. En ik wil

helemaal niets te maken hebben met die kuttuin.

Ik wil hooguit de rekening betalen. En de rekening, die betaal ik.

De perkjes voor het huis zijn inmiddels gevuld met planten. De

balustrade hangt vol met groen spul. De tuin staat vol met allerlei

nieuwe beplanting. Het is hoog zomer en behoorlijk warm. Helaas

heeft ze, gezien het feit dat het kind ineens haar volledige aandacht


nodig schijnt te hebben, niet voldoende tijd over om de nieuw

gepote plantjes te besproeien.

“Toen de plantjes de grond in moesten, zat je er niet zo mee dat

je kind zo weinig aandacht kreeg,” verwijt ik haar.

“Dat is anders,” zegt ze, “want als ik ze niet in de grond had

gezet, dan zouden ze dood zijn gegaan.”

“Ze gaan nu toch ook dood?” zeg ik.

“Mijn kind heeft aandacht nodig,” houdt ze vol, “en het is

trouwens jouw investering. Doe ermee wat je goeddunkt.”

Daar kan ik het mee doen.

Ik besluit mijn investering toch maar veilig te stellen. Ik zet mijn

verstand op oneindig en ik ga de plantjes besproeien. Ik doe dat nu

bijna elke avond, want het is zeer warm. Ik zeg tegen haar dat ik

me een Jan Lul voel, maar zij wuift mijn opmerking weg. “Geloof

me schat,” verzekert ze me, “vroeger of later ga jij tuinieren echt

wel leuk vinden.”

Ik kijk haar meewarig aan en ik denk: “Wat haat ik die kuttuin!”

De werkzaamheden rondom het huis - ik krijg het woord tuin

niet meer uit mijn strot - gaan op een laag pitje door. Jochem

werkt samen met Erwin, een goede vriend van hem, elke avond

een paar uurtjes door. Als de schemering invalt stoppen ze.

Voordat ze naar huis gaan, komen ze eerst nog eventjes een biertje

drinken. De jongens kunnen er niets aan doen, maar hun

aanwezigheid ergert me omdat ik het rechtstreeks in verband

breng met mijn ergernis rondom de tuin. Ik zeg het ook tegen

haar, maar ze is van mening dat het mijn eigen schuld is. Ik ben

het, die ze heeft uitgenodigd.


Een huiselijke woonkamer.

Mijn woonkamer ontkomt ook niet aan haar drang om mijn huis

leuker en gezelliger te maken. Wekelijks worden de meubels

versleept en op andere plaatsen gezet. Helaas krijgt ze maar geen

thuisgevoel. Ze heeft echter een tomeloze energie en ze weet niet

van ophouden. Tegelijk baalt ze ervan dat het niet helpt.

Ik zeg tegen haar dat het ook geen zin heeft, omdat de

woonkamer te groot is en dat daar, net als met de tuin, een plan

voor gemaakt moet worden. Ik vertel haar dat ik ook geen grote

uitgaven meer wil doen, omdat ik het gedoe in en rondom het huis

nu zo langzamerhand wel genoeg vind. Mijn opmerking boeit haar

maar matig.

Joke, haar schoonzus, heeft me er al voor gewaarschuwd. “Als zij het op

haar heupen krijgt, en dat krijgt ze, dan sleept en sleurt ze net zo lang met de

meubels tot ze tevreden is,” beweert ze, “eerder stopt ze niet en er is ook niets

dat haar zal kunnen stoppen.”

Ik leg Joke uit dat het tussen ons anders gaat en dat ze wel degelijk luistert

naar redelijke argumenten.

Joke kijkt me meewarig aan en zegt: “Je zult nog wel eens aan mijn

opmerking terugdenken.”

Ik leg letterlijk een embargo op het verslepen van de meubels en

het kopen van prullen en planten. Ik zeg tegen haar: “Het maakt

toch geen verschil, wat je ook koopt en waar je het ook neerzet.

De kamer is te groot en dat moet anders aangepakt worden. Zoals

je nu bezig bent, kun je het dus net zo goed laten. Daarbij is het

een mooi project voor het volgend jaar, als ik tegen die tijd

tenminste niet persoonlijk failliet ben.”

Het kind roert zich in de discussie en ze vraagt: “Wat is dat?

Failliet?”

Ik zeg: “Dan is al het geld op.”


Het kind trekt een bezorgd gezicht en zegt: “Kunnen we dan

geen eten meer kopen?”

Ik grap: “Als jouw moeder zo doorgaat, lopen we dat risico

inderdaad.”

Het kind kijkt haar moeder verschrikt aan en roept: “Mama, stop

er dan mee. We moeten toch eten kunnen kopen!”

Ik schiet in de lach en ik laat het erbij. Haar moeder kan mijn

opmerking echter niet waarderen en ze probeert haar kind gerust

te stellen. Maar ze is het niet met me eens en ze houdt vol: “Het

wordt er toch steeds mooier en leuker op?”

“Ik vind er geen bal aan,” zeg ik, “en ik word er alleen maar moe

en gefrustreerd van. Daarbij vraag ik jou op basis van redelijkheid

iets te doen of te laten. Vervolgens geef je me de stelligste indruk

dat we er overeenstemming over hebben en ineens doe je het toch

weer zoals je het oorspronkelijk in je hoofd had. Dan spreek ik je

erop aan en ik weet niet waar je het talent vandaan haalt, maar je

hebt altijd één of andere reden klaar waarom je het toch of anders

hebt gedaan.”

Ze protesteert. “Dat is niet waar,” zegt ze, “ik doe het nota bene

alleen maar voor jou, want het is jouw huis dat ik verfraai.”

“Hoe krijgt ze het in godsnaam uit haar mond?” denk ik. “Hoor

ik haar nu echt beweren dat ze het alleen maar voor mij doet?”

Ik geloof mij eigen oren niet. Ik kijk haar hoofdschuddend aan

en ik besluit niets meer te zeggen. Hiertegen kan ik niet op.

Ik besluit de toon van mijn vragen te veranderen. Vragen helpt

niet, dus ik ga maar bevelen. Ik doe het en ze pikt het niet.

“Wie denk jij wel dat je bent om mij zo te commanderen?”

vraagt ze me, als ik haar de eerste keer op de nieuwe toon

toespreek.

Ik verdedig het niet eens en ik zeg tegen haar: “Ik ben de baas in

dit huis en als je het niet zint, dan weet je wat je kunt doen. Vanaf

nu bepaal ik wat er wel of niet gebeurt.”


Ze mag nog een paar kleine dingen in de slaapvertrekken

afmaken en een paar dingen doen in de tuin. Aan de woonkamer

mag niets meer veranderen, dat komt pas na de winter. Ik vraag

haar of ik nu duidelijk genoeg ben geweest. Ik vraag haar ook of ze

gaat doen wat ik gezegd heb. Ze kan niet anders en ze gaat

schoorvoetend akkoord.

Toch blijft ze periodiek meubels verslepen en het aantal planten

neemt met de dag toe. Mijn huis lijkt wel een kleine Intratuin. Zij

denkt dat ik het niet zie en ik doe maar net alsof ik het niet zie.

Ik kom thuis en de hele santenkraam is weer eens versleept. Ik

heb er een paar keer niets van gezegd, dus waarschijnlijk denkt ze

dat ze ermee weg kan komen. Ik spreek haar erop aan.

“Je moet toch toegeven dat het leuker staat dan hiervoor,” zegt

ze, alsof ik dat antwoord niet al kende. Ze gaat door: “Je wilt toch

ook in een thuis thuiskomen. Ik heb erover nagedacht, deze

opstelling is veel handiger. Daarbij heb ik toch niets te doen. Is het

nou zo erg? Gun je me het pleziertje van het verbeteren van ons

woongenot niet eens?”

Ik schud mijn hoofd en ik kijk haar verwijtend aan. Ze schrikt er

een beetje van en ze zegt haastig: “Dit is de laatste keer dat ik het

heb veranderd. Het staat nu goed, dus het hoeft ook niet meer

veranderd te worden. Echt waar.”

Zus en Jip komen op bezoek. Het is een doordeweekse dag en ik

heb een vergadering. Terwijl ik weg ben, helpt Zus haar de

meubels te verslepen. Als ik thuiskom zie ik het direct. Ze gokt er

waarschijnlijk op dat ik er geen punt van maak als Zus en Jip erbij

zijn, maar daar vergist ze zich dit keer in.

Ik schiet direct uit mijn slof en ik zeg geërgerd: “Ik heb je toch

verboden om de meubels te verslepen! Waarom doe je het dan

toch?”

Ik verwacht dat ze gaat reageren op mijn kleinerende opmerking,

zeker omdat haar beste vriendin erbij is. Maar de reactie die ik


verwacht blijft uit. Ze lijkt ineens wel een klein meisje dat ik net

een standje heb gegeven wanneer ze met een zacht stemmetje

tegen me zegt: “Zus vond het ook een goed idee. We hebben de

hele dag zo ons best gedaan. We vinden allebei dat het nu veel

beter staat.”

Ze kijkt Zus met een vragende blik aan, maar deze houdt

wijselijk haar mond.

Ik loop de kamer door en ik laat de veranderingen op mij

inwerken. Ik voel me genaaid en ik voel de nijd in me opkomen. Ik

bijt haar in de aanwezigheid van haar vriendin toe: “Ben je

belazerd? Ben je vergeten wat ik je gezegd heb? Leuker boeit me

niet, dat weet je godverdomme. En handiger, handiger? Hoe

bedoel je?”

Ik wijs op de twee rotan stoeltjes die voor het net aangeschafte

107 centimeter brede flatpanel zijn neergezet. “Dat is zeker leuk,”

zeg ik sarcastisch, “heerlijk lijkt me dat. Een avondje voor de buis

in zo‟n rotan kutstoeltje.”

Ik foeter nog wat door, maar de sfeer, voor zover die er was, is

weg.

Niet lang daarna gaan Zus en Jip naar huis. Ze zijn net weg en ik

spreek haar erop aan en weer krijg ik het inmiddels zo bekende

antwoord. Ik luister er niet eens meer naar. “Ik spreek toch

godverdomme geen Chinees?” bijt ik haar toe. “Of ben je gewoon

Oost-Indisch doof?”

“Sorry, hoor,” zegt ze, “als ik geweten had dat je er zo‟n punt

van zou maken had ik het niet gedaan.”

Ze kijkt me aan alsof ze een opmerking van me verwacht. Ik zeg

niets en ik kijk haar alleen maar verwijtend aan. Ze verbreekt de

stilte en ze zegt: “Als je het wilt, dan zet ik het vanavond nog

terug.”

Ik reageer direct: “Dat vind ik een heel goed idee. Dan ga ik

alvast naar bed zodat ik jou niet in de weg loop. Wil je wel zachtjes

doen als je naar bed komt?”


Ze komt om drie uur „s nachts naar bed. Al die tijd heeft ze in

haar eentje lopen slepen om alles terug te zetten.

De Prinsessenkamer.

De slaapverdieping is, op de slaap- en speelkamer van het kind

na, af. Voorlopig is de lijn van de gehele slaapverdieping

doorgetrokken, dus het kind heeft een opgeknapte kamer met

nieuwe gordijnen, maar helaas nog geen Disney-themakamer. Haar

prinsessenkamer is nog steeds niet door Beter Bed geleverd. Ik

vraag haar waarom ze er niet achteraan gaat, maar zij beweert dat

ze overal nul op rekwest krijgt. Het is niet anders, het kind zal

gewoon moeten wachten.

Na veertien weken is het bed er echter nog steeds niet. Maar wat

moet je? Wat kun je? Zij komt niet verder dan zeggen dat we niets

anders kunnen doen dan wachten en het kind wacht al zo lang. Ik

besluit zelf maar eens in actie te komen en ik ga op onderzoek uit.

Ik vind uit dat de opdracht ergens de mist in is gegaan en Beter Bed

belooft dat ze de bestelling alsnog, met voorrang, gaan

behandelen. Dat betekent op zijn minst dat er voorlopig nog twee

maanden geen themakamer geleverd gaat worden.

Als echte „doe het zelver‟ had ik al gekeken hoe de Disneythemakamers

zijn opgebouwd. Feitelijk bestaat het uit gewone

slaapkamermeubelen, waaraan Disney-attributen opgehangen

worden. Ik vraag me af of die dingen los te koop zijn en ik ga op

onderzoek uit. Al snel vind ik een aantal sites op het internet, waar

het Disney-spul in ruime mate voorhanden is.

Ik laat haar het bed bij Beter Bed afbestellen en een nieuwe

bestellen bij Neckermann. Ik laat haar tevens allerlei Disney-spul via

het internet kopen. Het heeft ook nog eens een paar bijkomende

voordelen. Het geheel wordt goedkoper en we kunnen de kamer

geheel naar eigen wens inrichten.


Het bed komt al twee dagen later binnen en ik zet het direct in

elkaar. De Disney-attributen druppelen snel daarna ook binnen.

Helaas is de hele slaapverdieping in uniforme kleuren geschilderd

en de Disney-attributen passen er voor geen meter bij. Ik koop

samen met haar alvast een grote bus lichtblauwe en roze muurverf,

exact de tint die bij het prinsessenspul past. Die kan ik, wanneer ik

een vrij moment heb, fijn op de muren van de slaapkamer van het

kind gaan aanbrengen.

Het is een week later. Het belooft een weekeinde met fraai weer

te worden. Het kind logeert bij oma dus ik heb een weekeindje

vrijaf. Ik heb zin om met de motor weg te gaan, maar zij wil graag

met mij thuisblijven. Ik probeer haar over te halen, maar het lukt

me niet.

Ze zegt: “Mijn kind is morgen weg, dus ik wil niets, ik hoeft niets

en ik ga morgen ook niets doen. Helemaal niets. Ik wil alleen maar

met z‟n tweeën een beetje luieren en genieten van het weer.”

Het lukt haar wel om mij over te halen.

Het is de volgende ochtend, net na mijn tweede kopje Senseo,

wanneer ze een lumineus idee krijgt. We hebben toch niet zo veel

omhanden, want we gaan nergens naartoe. Wellicht kunnen we de

kamer van het kind van een likje verf voorzien.

“We?” vraag ik.

“Ik ga je ermee helpen,” zegt ze, “en dan is echt alles af op onze

slaapverdieping. Daarbij, denk je eens in wat voor verrassing we

hebben voor ons kind als het thuiskomt.”

Een lullig tuinlampje.

De zolderverdieping is af. De bovenverdieping ook. Ook de

woonkamer ziet er al een tijdje hetzelfde uit, want ze durft

inmiddels geen meubelstuk meer te verplaatsen zonder mijn


uitdrukkelijke toestemming. Ook aan de tuin gaat dit jaar niets

meer gebeuren. Zelfs al zou ze willen, het is nu niet eens meer

mogelijk; de herfst is aangebroken en pas in het komend voorjaar

kan ze met de tuin doorgaan.

Er heerst een zekere rust.

Ik nuttig een ontbijtje. Ik zit op een kruk aan de eetbar en ik kijk

naar buiten. Ik kijk mijn tuin in. Ik zie de twee terrassen die door

Jochem zijn aangelegd. Ik vind ze verschrikkelijk. De eerste is

bedekt met scherven van gebroken bloempotten en er liggen zo

links en rechts een paar houten vlonders op. De tweede is een

afgrijselijk geel geval waar een lullig muurtje omheen staat.

“Jouw eigen schuld,” grapte Jochem daar nog over, “jij wilt geen

geld uitgeven.”

Het eerste terras is voorzien van tuinverlichting. Op drie plaatsen

staat een glazen lampje op een zilveren poot. Het ergste vind ik het

koperen kapje dat erop zit. Vanuit mijn positie zie ik er eentje. Het

is voor mij een echte aandachttrekker geworden.

“Hoe heeft ze die in godsnaam kunnen uitkiezen?” denk ik.

Ik ken het antwoord al. Ik ben het, die geen geld wil uitgeven. Ik

kijk weer de tuin in. Ik merk dat ik mezelf niet meer ben. Als

vanzelf worden mijn ogen weer naar dat lullige lampje getrokken.

Ik staar ernaar en er bekruipt me een soort van machteloos

ergernisgevoel. Ik kan het niet van me afzetten. Ik kijk de andere

kant op, maar al snel zit ik weer naar dat lampje te staren. Weer

steekt dat gevoel de kop op. Ik merk dat het me gebeurt en ik wil

het me niet laten gebeuren.

Helaas, ik krijg het gevoel niet weggedrukt.


11. Ik word papa.

Mama’s nieuwe vriend. Week 3, zondag.

Het is zondagavond en mijn allereerste weekeindje met haar

samen is voorbij. Wat een geweldig weekeindje is het uiteindelijk

geworden.

Helaas komt aan alles een einde, zo ook aan ons ongestoord

samenzijn: Haar kind komt thuis.

“Wat nu?” vraag ik haar.

“Tja,” zegt ze, “dat ligt niet zo eenvoudig. Het ziet ernaar uit dat

we elkaar voorlopig niet kunnen zien. Ik heb de verantwoording

voor mijn kind. Ik zit met handen en voeten gebonden dus ik kan

niet zomaar weg. Jij kunt ook niet bij mij komen, want ik wil je

nog helemaal niet voorstellen aan mijn kind. Het is nog veel te

vroeg en we kennen elkaar pas zo kort.”

“Dan moeten we dus wachten tot het weekeinde, waarin jouw

kind weer bij haar vader is,” stel ik vast.

“Dat duurt nog twee weken,” zegt ze, “en dat vind ik veel te lang

duren. Of jij niet soms?”

“Ik vind dat zeker lang duren,“ zeg ik, “kunnen we er niet iets op

verzinnen? Een oppas is toch zo geregeld? Dan kunnen wij een

avondje uit of zo.”

“Dat zou ik heel graag willen,” zegt ze, “maar helaas zal dat niet

gaan. Gegeven de situatie waarin ik momenteel met mijn dochter

verkeer kan ik haar niet achterlaten bij een oppas. Als ze wakker

wordt en ik ben er niet, dan heb je de poppen aan het dansen. Ze

zal de hele buurt bij elkaar schreeuwen, net zo lang tot ik bij haar

ben. Daarbij zal ik in deze wetenschap niet eens kunnen genieten.

Er hangt continu een zwaard van Damocles boven mijn hoofd en

ik zal meer naar mijn mobiele telefoon zitten te kijken dan dat ik

aandacht heb voor jou.”


“Er zit dan niets anders op dan te wachten,” zeg ik gelaten.

“Maar weet je,” zegt ze, “kom toch maar gewoon bij mij thuis. Ik

vertrouw jou en ik stel je aan mijn kind voor als een „gewone‟

vriend, niet als nieuwe liefde. Ik ga er daarbij wel vanuit dat jij daar

terdege rekening mee houdt. Ik kan het haar niet aandoen om haar

aan een nieuwe vriend voor te stellen en vervolgens het risico te

lopen dat het uitgaat. Ze hecht zich toch al zo snel aan mensen en

ze is toch al zo kwetsbaar.”

“Op die uitnodiging ga ik graag in,” zeg ik, “want ik wil jou

blijven zien, ook al moet ik me gedragen als „gewone‟ vriend.”

“Ik houd je aan jouw belofte,” zegt ze, me indringend

aankijkend, “je bent meer dan welkom, maar weet wel dat je niet

kan blijven slapen.”

De volgende dag maak ik kennis met haar kind. Ik word, zoals

afgesproken, voorgesteld als „gewone‟ vriend.

Het kind vraagt direct: “Is dit jouw nieuwe vriend, mama? Net

zoals John?”

“Nee schat,” zegt haar moeder, “Gijs is een gewone vriend. Wij

vinden elkaar aardig en hij komt alleen maar op visite om een

kopje koffie te drinken en een beetje te praten.”

Het kind is echter niet op haar achterhoofd gevallen en ze vraagt

aan mij: “Vind jij mijn mama aardig?”

Ik houd er niet zo van te liegen dus ik grap: “Natuurlijk vind ik

jouw mama aardig, want anders was ik hier niet.”

Het kind vraagt door: “Word jij mama‟s nieuwe vriend?”

Ik moet erom lachen en ik zeg: “Wie weet?”

Het kind kijkt me een beetje boos aan en ze neemt geen

genoegen met mijn antwoorden. “Ik weet best waarom je hier

ben,” beweert ze stellig, “jij bent gewoon verliefd op mama.”

Ik moet er wel om lachen. Ik kan er niet of nauwelijks onderuit.

Wat een bijdehandje is dit. En dan pas acht jaar oud. Maar ze heeft

wel gelijk, niet in de laatste plaats omdat ze niet kippig is. Ik

gedraag me als „gewone‟ vriend, conform haar moeders


uitdrukkelijke wens. Ik heb weliswaar moeite om van haar af te

blijven, maar ik kan me beheersen. Maar zij kan met geen

mogelijkheid van mij afblijven! Elke keer als ze bij me in de buurt

is, kan ze het niet nalaten om me eventjes aan te raken of een zoen

te geven. Ze kan werkelijk geen seconde van me afblijven, zelfs

niet met haar kind in de buurt.

Rituelen.

Ze vraagt of ik blijf slapen na de bruiloft van haar broer Tom. Ik

vraag hoe het dan met het kind moet, want dat is nog niet op de

hoogte van onze relatie. Technisch gezien dan, want het kind heeft

ons allang door.

Zij antwoordt: “Weet jij hoe bijzonder het is dat ik dit doe? Weet

jij hoe groot het risico is dat ik loop? Ik weet dat het niet goed is

dat ik mijn kind lastig val met mijn liefdesleven, maar in dit geval

ben ik er zo zeker van, dat ik het risico wel durf te lopen. We

moeten alleen voorzichtig en zorgvuldig zijn en ik ga er gewoon

van uit dat jij het ook met de nodige zorg benadert.”

De huwelijksdag van Tom en Henriëtte is afgelopen en ik ga met

haar mee naar huis. Het kind wordt op de hoogte gebracht en het

protesteert. Niet zozeer omdat ik blijf, maar omdat zij gewend is

bij haar moeder in bed te slapen. Ik vraag of het kind niet gewoon

in haar eigen bed thuishoort, maar zij geeft aan dat het pas sinds

de inbraak is en dat het een mooie gelegenheid is om ermee te

stoppen.

Sinds de bruiloft van haar broer logeer ik elke nacht bij haar en

het kind. Ik maak direct kennis met de rituelen van moeder en het

kind.

Het kind wil bij haar moeder in bed komen liggen zodra ze

wakker is. Haar moeder kijkt op de wekker en stuurt het kind terug


naar haar eigen bed, want het is nog te vroeg. Het kind kan nog

niet zo goed op de klok kijken, zeker als het haar niet uitkomt.

Tien minuten voor de wekker gaat, mag het kind in bed komen.

Ze knuffelt eventjes met haar moeder tot de wekker gaat en dan

staan moeder en kind op. Moeder verdwijnt de keuken in om het

ontbijt te maken en het kind gaat voor de tv zitten, om op

Nickelodeon naar Spongebob te kijken. Het kind krijgt haar in 16

stukken gesneden boterhammetje met hagelslag. Ze drinkt haar

kopje thee, waar meer water en melk in zit dan thee, met een rietje

en het mag niet te warm zijn. Vervolgens gaat haar moeder gezellig

naast het kind zitten, waarbij zij een beschuitje eet en een kopje

koffie drinkt.

Het kind eet haar korstjes niet op en ook drinkt ze haar thee niet

op. Haar moeder zegt dat ze alles op moet eten, ze moet tenslotte

naar school en ze moet ervan groeien. Het kind weigert en wat

haar moeder ook probeert, ze eet de korstjes niet op en het laatste

restje thee wordt ook niet opgedronken.

Na het ontbijt-gesteggel gaat het kind onder de douche. Haar

moeder helpt haar en zoekt kleren voor het kind uit. Het maakt

niet uit wat haar moeder voor haar klaar heeft gelegd, ze wil toch

iets anders aan. Haar moeder houdt vol dat ze moet aantrekken

wat ze voor het kind heeft uitgekozen en het kind weigert het aan

te trekken. Als ze vraagt wat ze dan wel aan wil en het kind geeft

haar mening, dan wordt haar moeder boos. Ze zegt tegen het kind

dat het geen smaak heeft en dat het daarom is dat zij de kleren

voor haar uitzoekt. Het kind houdt voet bij stuk en uiteindelijk

pakt haar moeder toch maar een setje andere kleren voor het kind.

Nadat het kind is gekleed, moet er iets gedaan worden met het

lange zwarte haar. Haar moeder stelt vlechten voor, het kind wil

een staart. Haar moeder stelt een staart voor, het kind wil het

opgestoken. Als het haar voldoende naar de zin van het kind zit,

gaat ze naar school. Als ze tenminste niet vlak van te voren nog

even de staarten eruit haalt en het eventjes opnieuw gedaan wil

hebben.


Het kind krijgt een rugzak mee. Die wordt gevuld met het 11uurtje,

wat bestaat uit een gezonde koek en een pakje limonade.

Haar moeder heeft zich in de tussentijd ook aangekleed en maakt

zich gereed om het kind naar school te brengen. Het kind moet

een jas aan van haar moeder. Het kind wil geen jas aan of in ieder

geval een andere dan haar moeder net heeft voorgesteld.

Als dit pleit uiteindelijk ook beslecht is gaan ze samen de deur uit

en dan wordt het ineens heel stil in het huis.

Ik doe niets, ik blijf gewoon aan de grote tafel zitten met een

kopje koffie en mijn krantje. Ik heb draadloos internet bij haar

aangelegd en ik handel alvast wat zakelijke e-mail af.

Drie minuten later is zij weer terug, want de school is om de

hoek en nog geen honderd meter ver weg.

Ik kijk de rituelen tussen moeder en het kind een paar dagen aan

en ik vraag haar om uitleg.

“Het kind is nog steeds niet in haar goede doen,” geeft ze als

reden waarom ze het kind zo haar zin geeft.

“Het is de invloed van die ex van mij, Guido,” zegt ze, “het kind

wordt door twee ouders opgevoed en alles wat ik het kind aan

normen en waarden probeer bij te brengen schoffelt hij weer

onderuit. Ik kan niet anders doen dan proberen het kind stapje

voor stapje weer de goede richting op te krijgen. Je had haar vorig

jaar met Kerstmis eens moeten zien, toen was het pas erg. Daarbij

vergeleken is het nu een engeltje.”

Ik zeg: “Ik snap niet dat je haar naar school toe brengt. De

school zit nota bene vlak om de hoek.”

Ze lacht me bijna uit. “Denk je dat ik dat doe omdat ik dat leuk

vind?” zegt ze. “Weet je hoe onveilig dat het hier is? We lopen elke

keer het risico dat Guido pardoes voor onze neus staat. Hij is

onberekenbaar en je weet nooit wat hij gaat doen. Heb je niet

gezien hoe wij op onze hoede zijn als we naar buiten gaan?”

Ze kijkt me aan met een blik die om begrip vraagt. Ze gaat door:

“Het gaat nog verder. Ik haal haar ook altijd uit school. Als ik niet


kan, dan laat ik het mijn moeder of haar vriend Hannes doen. Ik

ben wel eens tien minuten te laat geweest. Het kind heeft toen al

die tijd als versteend in de deuropening van de school op mij staan

te wachten.”

Ik probeer: “Maak je jouw kind op deze manier niet heel erg

afhankelijk van je? Moet je kinderen niet meer zelfstandigheid

geven?”

Ze kijkt me meewarig aan. “Jij bent geen kinderen gewend, hè,”

zegt ze, “jij weet niet wat het is. Ik kan mijn kind toch niet aan

haar lot overlaten. Zeker niet in de emotionele toestand waarin ze

nu nog verkeert. Vergeet niet dat ik haar moeder ben en dat ik het

zelfs graag doe. De liefde tussen ouders en kind is nou eenmaal

onvoorwaardelijk. Ik heb het je al eens gezegd en ik doe het weer.

Mijn kind komt op de eerste plaats, dan een hele tijd niets en dan

kom jij pas.”

De avond kent een soortgelijk ritueel als de ochtend, alleen de

onderwerpen verschillen. Het kind wil nooit naar bed. Haar

moeder is van mening dat het kind op tijd op bed hoort te liggen.

Ik vind dat ook, maar het kind moet wel extreem vroeg van haar

moeder naar bed. Het kind traineert, marchandeert, smokkelt, en

doet er alles aan om maar zo laat mogelijk naar bed te gaan. Als

het eenmaal op bed ligt, dan begint het pas. Ze komt haar bed uit,

ze is misselijk, ze heeft buikpijn, ze moet poepen, ze kan niet

slapen, ze is bang om te stikken of ze is bang voor inbrekers. Haar

moeder reageert elke keer anders. De ene keer stuurt ze het kind

direct terug naar bed en de andere keer neemt ze het op schoot en

gaat ze het zitten troosten en knuffelen. Ik begrijp het niet en ik

vraag haar ernaar.

“Dat zie jij niet,” zegt ze, “maar ik wel. Ik zie aan mijn kind of ze

toneelspeelt of dat het ernst is. Daarbij is het nu alweer zoveel

beter geworden dan vorig jaar.”

“Volgens mij is er niets aan de hand,” zeg ik, “en speelt ze

gewoon toneel. Jij trapt erin. Daarbij verdenk ik het kind ervan dat


ze ons min of meer controleert. Ze is gewoon nieuwsgierig wat wij

uitspoken als zij op bed ligt.”

“Dat zie je helemaal verkeerd,” reageert ze, “ze kent jou nog niet

goed genoeg om je te kunnen vertrouwen. Ik zou met jou de deur

wel eens uit kunnen zijn, net zoals ze bij haar vader heeft

meegemaakt. Dan zou ze alleen in dit huis zijn en volledig in

paniek raken. Als ze ergens bang voor is, dan is het dat ik haar

verlaat.”

Als het kind weer eens uit haar bed komt kijkt het mij aan. Ze

kijkt me niet gewoon aan, maar met een blik van: “Denk jij dat je

mij aankunt?”

Ze weet dat ik haar doorheb. Ik kijk terug: “Ik krijg jou nog wel,

verwend kreng.”

Voorlopig wint het kind, want de kamerdeur blijft open en er

mag geen muziek aan.

Het kind is niet aardig voor me maar ik negeer het. Haar moeder

stoort zich eraan en plotseling zegt ze er iets van. “Jij gunt mij ook

niets,” verwijt ze haar kind, “ik sta altijd voor je klaar en als ik ook

maar iets voor mezelf wil dan dwarsboom jij het.”

Het kind protesteert en er ontstaat een woordenwisseling.

Ik hoor het en ik zeg: “Laat gaan, als je wilt dat jouw kind en ik

enigszins tot elkaar toenaderen, kan dat alleen maar als je haar niet

dwingt. Laat de tijd zijn werk doen.”

We moeten boodschappen doen en het kind wil niet mee. Haar

moeder dreigt dat ze alleen thuis moet blijven. Dat helpt en ze gaat

schoorvoetend mee.

“Gaan we met jouw auto?” vraagt het kind aan me. “Dat wil ik

niet.”

Maar het kind ziet mijn auto voor het eerst en het maakt voor

haar het verschil. Zo‟n „coole car‟, daar wil ze wel in mee. Ze zit

achterin de auto en ze vindt het wel wat. Ze begint tegen me te

praten en ik praat terug. Haar houding ten opzichte van mij lijkt

een beetje veranderd.


Het volgende weekeinde zonder kind nadert, want ze gaat naar

haar vader. Het kind heeft er echter geen zin in. Ze wil bij haar

moeder blijven en ze wil niet geconfronteerd worden met het

„gezeur‟ van haar vader.

Haar vader blijkt twee gezichten te hebben. Hij is lief en dan is

het een supervader of hij gaat zeuren en dan is hij niet zo leuk.

Haar vader heeft een bezoekregeling, dus het kind moet gewoon

naar hem toe, of ze wil of niet. Haar moeder legt dat haar kind ook

uit. Het is merkbaar in het gedrag van het kind dat het weekeinde

nadert. Ze is ronduit hypernerveus en recalcitrant. Ze blijft

herhalen dat ze niet naar haar vader toe wil. De vrijdagavond komt

eraan en zij verzoekt me om weg te blijven tot Guido zijn kind

heeft opgehaald. Hij mag niet zien dat ik er ben, want hij zou dan

wel eens gekke dingen kunnen gaan doen en het is voor de goede

vrede. Ze gaat me een sms sturen zodra hij weg is en dan kunnen

we van ons weekeindje samen gaan genieten.

Het weekeinde is, net als het vorige weekeinde toen we met z‟n

tweeën waren, in één woord; geweldig. Maar ook nu veel te kort

want de zondagmiddag komt in zicht: Het kind wordt strakjes

thuisgebracht door haar vader. Het is ook nu voor de goede vrede

beter dat ik mijn neus pas laat zien als Guido het kind heeft

teruggebracht en zelf weg is.

Nadat ik een sms heb gekregen dat Guido weg is, ga ik direct

naar haar toe. Het eerste dat opvalt is dat het kind overstuur is

geweest.

“Tja,” zegt haar moeder, “Guido heeft lucht van jou gekregen en

hij heeft de hele weg uit Groningen op het kind zitten inpraten.

Vind je het gek dat het overstuur is? Ook heeft hij weer het

gebruikelijke drama opgevoerd toen hij haar afzette. Je moest eens

weten wat hij me allemaal weer naar mijn hoofd heeft geslingerd in

het bijzijn van mijn kind.”


Het kind is ook de avond nog van slag en niet zo‟n klein beetje

ook. Het gebruikelijke ritueel van het uit bed komen wordt weer

opgevoerd, maar nu zie ik dat er wel degelijk iets aan de hand is.

Pas de derde avond is het standaard karakter teruggekeerd.

“Kun je nagaan wat voor verderfelijke invloed die man op mijn

kind heeft,” zucht ze, “wat haat ik hem erom.”

Ik kan dat heel goed begrijpen. Zeker nu ik het met mijn eigen

ogen heb gezien.

Het kind komt weer eens uit bed en haar moeder foetert: “Ga je

bed in! Ogenblikkelijk, onuitstaanbaar rotkind dat je bent! Nu!”

Ik zeg tegen haar moeder: “Laat mij haar eens op bed leggen.

Dan houd ik een gesprekje met haar en dan kijk ik of ik er iets aan

kan doen.”

Het kind vindt het geweldig. Een gesprekje met mij onder vier

ogen. Zonder haar moeder erbij. Wat is dit kind al wijs voor haar

acht jaar. Ze vraagt me de oren van mijn hoofd. Met name mijn

liefdesleven en omgang met vrouwen vindt ze interessant. “Hoe

vaak ben jij getrouwd? Hoeveel vriendinnen heb jij al gehad?”

vraagt ze.

Ze vertelt ook over het liefdesleven van haar moeder en ze

verklapt dat ze steeds nieuwe vriendjes heeft en het altijd met ze

uitmaakt.

“Vorig jaar had ze John,” zegt ze parmantig, “die was zo

verschrikkelijk lelijk, daar ben jij nog een mooie man bij.”

Ik moet er hard om lachen. “Waarom lach je?” vraagt ze. “Vind

je dat niet vervelend dan?”

Ik leg haar uit dat grote mensen wel vaker een vriend of vriendin

hebben en als het de ware niet is, dan stop je met elkaar zien.

“Dat weet ik allang,” beweert ze fier, “want mama gooit altijd

haar vriendjes er heel snel uit. Dat heeft ze al gedaan met John,

Adriaan, Peter en al die anderen.”

Ze begint op haar vingers te tellen. “Het zijn er elf,” zegt ze, “ik

weet alleen niet meer hoe ze allemaal precies heten.”


Ik vraag hoe ze aan die wijsheid komt. “Ik heb ze toch zeker zelf

gezien,” zegt ze, “en van de anderen heeft mijn vader me verteld.”

Ze kijkt me triomfantelijk aan alsof ze alles doorheeft. Ze gaat

door over haar vader. Ze zegt: “Waarom denk je dat ik het zo

vervelend vind om naar mijn vader toe te moeten? Hij zeurt altijd

over de vrienden van mama en hij zegt altijd van die lelijke dingen

over mama en haar vrienden.”

Ik weet niet goed wat ik daarop moet zeggen en ik vraag: “Heb je

wel eens tegen hem gezegd dat je het vervelend vindt als hij zoiets

zegt?”

“Ik kijk wel linker uit,” zegt ze, “dan gaat hij alleen nog maar

meer zeuren.”

Daarmee is dit onderwerp eventjes van de baan, maar ze heeft er

nog eentje. Ze wil weten hoe ik ten opzichte van haar en haar

moeder sta en ze vraagt: “Hou jij van mama? Vind je mij aardig?

Zou jij een dochter als mij willen hebben? Vind je mij en mijn

mama samen ook leuk? Blijf jij bij ons?”

Ik beaam het en ze kijkt me aan. Net alsof ze me niet gelooft.

“Geloof je me niet?” vraag ik haar. “Dat ik blijf?”

Het kind kijkt me nog steeds ongelovig aan en vraagt: “Hoe lang

nog?”

Het helpt. De gesprekjes. Ik neem er de tijd voor en ik kan al

redelijk inschatten wanneer het kind ergens mee zit of gewoon

geen zin heeft om te gaan slapen. Haar moeder vindt dat ik er te

veel tijd voor neem, want op deze manier gaat het kind te laat

slapen en krijgt ze te weinig nachtrust. Ze breekt altijd in als ik met

het kind praat. Ik zeg: “Laat mij m‟n gang nou eens gaan. Ik kan

echt wel inschatten in hoeverre ze serieus is of niet. Daarbij krijgt

ze meer nachtrust als ze direct gaat slapen dan dat ze steeds haar

bed uitkomt en die tien minuten maken ook niet meer uit.”

Haar moeder is het niet met me eens en ze zegt: “Jij hebt

gewoon niet in de gaten dat ze jou misbruikt om later te kunnen


gaan slapen. Ze vindt het alleen maar interessant. Ze is erop uit

om jou bij mij vandaan te houden.”

“Laat toch,” zeg ik, “je ziet toch dat het helpt. Daarbij, ik begin

inmiddels te begrijpen waarom ze zo lastig is. Vertel mij eens hoe

het komt dat ze steeds begint over jouw vriendjes. Ik begin ze al

bij naam te kennen: John, Adriaan, Peter.”

“Guido,” zucht ze, “het is Guido. De asbak. Wat hij dat arme

kind allemaal tussen haar oren plant is verschrikkelijk. Ik haat hem

erom. Hij is jaloers op mij. Hij kan het gewoon niet hebben dat ik

gelukkig ben. Hij twist zelfs de gedachten van het kind om mij

dwars te zitten. Hij is gewetenloos. Hij bepaalt zelfs hoe ik mijn

vrije weekeinde doorbreng. Hij is in staat om het kind op een

zaterdagavond in de tuin te zetten, ongeacht of ik thuis ben of

niet. Hij weet hoe ik ben en rekent erop dat ik thuis ben. Het kind

heeft, op John en Adriaan na, nog nooit een vriendje van mij

gezien. Buiten dat, dan zou zij zich een vriendje van mij

herinneren uit de tijd dat ze nog een jaar of drie was. Dat geloof je

zelf toch niet. Daarbij, die Peter is zelfs van voor de tijd van

Guido. Kun je nagaan.”

Zij brengt het kind naar haar vader. Hij heeft het kind voor het weekeinde

en hij woont op kamers, niet ver van haar huis. De luiaard ligt echter nog in

bed en geeft aan nog geen prijs te stellen op het kind. Hij vindt het te vroeg

terwijl het al vijf uur in de middag is. Zij heeft een afspraak met haar vriendin

en ze zegt dat ze weg moet. Hij wordt boos en verwijt haar dat het een smoes

is.

“Je zult wel weer een date hebben met een of andere vent,” bijt hij haar toe.

Zij is ook niet op haar mondje gevallen en ze vertelt hem haarfijn wat hij in

zijn achterste kan stoppen.

“Maar,” zegt ze, “ik begrijp het. Je gunt mij mijn vrije weekeindje niet en je

stelt niet eens prijs op de aanwezigheid van jouw kind. Maar ik neem mijn

verantwoordelijkheden wel. Ik ga nu weg en ik neem het kind mee.”

“Dat doe jij niet,” zegt hij, “ik heb het recht om haar dit weekeinde te

hebben.”


“In deze situatie laat je me geen keus,” zegt ze tegen hem.

Ze pakt haar kind op en ze loopt de trap af. Hij springt nijdig zijn bed uit

en schopt haar, met het kind en al, de trap af. Ze valt, maar gelukkig weet ze

het kind te beschermen. Haar arm ligt open, maar ze voelt het niet en het

kind heeft gelukkig niets.

Guido staat inmiddels naast haar. Als ze opstaat, krijgt ze een harde klap

midden in haar gezicht. Ze kan niets terugdoen, ze heeft immers het kind in

haar armen.

Mijn gesprekjes met het kind zijn inmiddels onderdeel geworden

van het avondritueel. Ik buig de onderwerpen af en ik nuanceer ze.

Het gaat meestal over haar vader. Het kind zit er dubbel in. Ik

merk dat ze van hem houdt en hem mist, maar dat ze hem ook

verafschuwt als hij zeurt. Ze vindt hem zielig, want hij woont

helemaal alleen in Groningen. Ze moet er bijna om huilen, zo

heeft ze het met hem te doen. Hij is helemaal alleen en hij heeft

helemaal niemand. In ieder geval niet zoals haar mama, want die

heeft altijd vriendjes.

Weer vraagt ze aan me of ze het komende weekeinde niet naar

hem toe hoeft en ik vraag haar waarom niet. Ze houdt toch van

haar vader?

“Maar hij zeurt altijd zo,” zegt ze.

Ik begin zowaar een hekel aan die man te krijgen. Wat heeft hij

dat arme kind allemaal al niet aangedaan?

Ik heb het met haar over haar kind en haar ex. Ze legt me uit dat

Guido zijn dochter continu het beeld schetst van de zielige vader,

die moederziel alleen in Groningen zit, terwijl hij stikt van de

vriendinnen. Hij houdt het hier zelfs met haar ex-vriendin

Deborah die in Portugaal woont, maar voor het kind is het tante

Deborah en hij houdt stug vol dat het slechts een goede vriendin

van hem is.

In de tussentijd gunt Guido haar niets en hij doet er alles aan om

haar zwart te maken, waarbij het hem niet uitmaakt of hij zijn kind


voor zijn karretje moet spannen. Ze vertelt dat ze er allebei zowat

al een trauma aan over hebben gehouden.

“Zowat?” vraag ik. “Ik verbaas me nog over het feit dat jullie nog

zo dapper doorgaan.”

Ze is net bevallen van het kind. Ze gaan op bezoek bij oma, de moeder van

Guido. In Groningen. Het is laat in de avond en zij geeft het kind de borst.

Oma zit er een beetje bij te dutten en Guido is al een tijdje de hort op.

Niemand weet waar hij zit. Het is een huiselijk tafereel, drie generaties

vrouwen in één kamer.

Tot Guido thuiskomt. Hij is in de lokale kroeg geweest en heeft zich flink

vol laten lopen. Hij gaat voor haar staan en hij stompt haar ineens met een

gebalde vuist vol in haar gezicht, zonder dat er een aanleiding voor is. De

tranen springen in haar ogen. Oma is erbij, maar die heeft niets gezien of wil

niets zien. Guido is haar liefste kind, dus waarschijnlijk is het laatste het

geval. Zij kan niet anders doen dan te blijven zitten, ze heeft het kind immers

aan haar borst.

Beschermer van het kind.

Het wel en wee van het kind is uiteindelijk het doorslaggevende

argument om te gaan samenwonen in Stompwijk. Doorgaan op de

oude voet is niet mogelijk. Guido verwringt de gedachten van het

kind en dat is gebaat bij rust. En als het kind rust heeft, dan krijgt

haar moeder rust en ik dus automatisch ook.

Guido is het er niet mee eens dat zij die beslissing alleen neemt.

Hij is van mening dat hij minstens het recht heeft om inspraak te

hebben over de plaats waar het kind gaat wonen. Hij wil feitelijk

niet dat ze verhuist en dat ze in Rhoon blijft.

Guido heeft een lat-relatie met Deborah, de oude vriendin van

haar, en die woont in Portugaal, wat op nog geen vijf minuten

afstand van Rhoon af ligt. Het kind vertoeft dan ook vaak bij haar


vader en tante Deborah, zoals zij de vriendin van haar vader

noemt.

Dat is handig voor Guido, want als hij bij Deborah is, kan hij zelf

bepalen wanneer hij zijn kind ziet. Hij is werkeloos en hij

verschijnt te pas en te onpas ten tonele. Wanneer het kind in

Stompwijk woont, gaat dat natuurlijk niet meer zo eenvoudig en

het is begrijpelijk dat Guido daarvan baalt. Hij woont nu in

Groningen en als hij zijn kind wil zien gaat dat een nogal een

strakke planning vereisen. Daarbij komt nog dat hij gewend is te

doen en te laten wat hij wil, wanneer hij dat wil en wat een ander

daarvan vindt is niet relevant.

Het is Guido echter duidelijk geworden dat het geen zin heeft

om te argumenteren; zij en haar kind verhuizen gewoon naar

Stompwijk. Hij kiest eieren voor zijn geld, maar hij wil nu wel

meer duidelijkheid over de bezoekregeling voor zijn kind. Er gaat

tenslotte voor hem nogal wat veranderen.

Maar praten, dat wil hij alleen met Klaas doen en niet met haar.

Hij is de mening toegedaan dat er met haar toch niet te praten is.

Ik mag bij het gesprek aanwezig zijn, maar ik ben in zijn ogen geen

partij. Ik mag wel luisteren naar wat hij me te vertellen heeft, wie

weet leer ik er nog iets van.

Ik zit met verbazing naar de man te kijken. Alles wat zij over

hem heeft verteld, bevestigt hij met zijn gedrag. Hij komt slecht uit

zijn woorden, alsof hij stoned of aangeschoten is. Hij praat

onsamenhangend, er is geen touw aan vast te knopen.

Gemoedstoestanden wisselen elkaar in een hoog tempo af. Het

ene moment dreigt hij dat hij over de tafel gaat springen om me

eens goed onder handen te nemen. Nog geen tien seconden later

zit hij te huilen dat zijn kind door mij wordt afgepakt. Eén ding

komt regelmatig terug, dat is dat hij zijn ex in alle toonaarden

vervloekt en me vertelt wat voor een onbetrouwbare heks het is.

“Gijs, jongen,” zegt hij met een goedbedoelde blik tegen me, “ik

ken je niet en volgens mij ben jij wel oké. Ik waarschuw je alleen


maar voor haar. Je krijgt er spijt van, let op mijn woorden. Geloof

me, je bent niet de eerste en je bent zeker ook niet de laatste. Ze

doet dit elk jaar. Het is weer voorjaar en ze heeft weer de kriebels.

Elke zomer heb ik hetzelfde gezeur omdat ze wegloopt met één of

andere vent en dan houdt ze direct mijn dochter bij me weg. Na

verloop van tijd krijgen haar vriendjes door wat voor slang het is

en dan dumpen ze haar. Dan is ze zielig en alleen en vervolgens

mag ik weer opdraven. Ineens ben ik weer goed genoeg.”

Hij begint weer te huilen. “En het ergste van alles is,” zegt hij

snikkend, “dat ik het doe. Het is en blijft mijn kind. En ik hou zo

veel van mijn kind.”

Er wordt geprobeerd afspraken te maken over zijn

bezoekregeling. Hij luistert alleen naar wat hij horen wil. Het

gesprek vervalt in herhalingen en verder praten heeft volgens mij

geen enkele zin.

Het gesprek geeft me de bevestiging van de verhalen, die ik zo

links en rechts al had opgepikt. De vader van het kind is een

labiele, onbetrouwbare loser. Ik begrijp nu dat het kind

waarschijnlijk beter af is zonder hem, hoe hard het ook klinkt. Het

definitieve besluit om naar Stompwijk te verhuizen is nu niet

moeilijk meer te nemen. Samen met haar kan ik het kind tegen

haar vader in bescherming nemen. Waar kan dat beter gedaan

worden dan in een volledig nieuwe omgeving, zoals Stompwijk?

Ik word ‘papa’.

Ineens noemt het kind me „papa‟. Met de uitdrukkelijke

instemming van haar moeder, die het zelfs lijkt te stimuleren. Ik

vind het daarvoor veel te vroeg en ik heb liever dat ze me gewoon

bij mijn voornaam noemt.

“Mijn kind heeft daaraan een enorme behoefte,” verklaart haar

moeder, “zeker nu haar vader niet meer in de buurt is. Haar


ehoefte aan een papa is zo groot, dat ze jou ook papa wil

noemen. Je krijgt de vaderrol nu toch, dus je kunt je er maar beter

bij neerleggen. Daarbij gaat ze strakjes hier in Stompwijk op

school. Het is toch handiger dat ze het over jou en mij kan hebben

als papa en mama in plaats van mijn moeder en haar vriend.”

Ik vind het een mooi verhaal. Ik vraag haar of zij het niet is, die

het graag wil, maar ze verzekert me met haar hand op haar hart dat

daar geen sprake van is.

“Het is het kind,” zegt ze nadrukkelijk, “geloof me. Je doet haar

er een enorm plezier mee. Wat maakt het jou nou uit?”

Ik heet dus voortaan „papa‟.

Gesprekjes.

Ik woon inmiddels met mijn gezinnetje in mijn huis in

Stompwijk. Mijn leven krijgt direct een nieuwe regelmaat en niet in

de laatste plaats omdat alle rituelen uit Rhoon meeverhuisd zijn. Er

is echter één groot verschil. In haar huis schikte ik me volledig in

mijn rol als logé. Ik liet haar en het kind volledig hun eigen gang

gaan en ik nam genoegen met de schaarse ruimte die ik kreeg. Dat

komt omdat ik het ook niet anders heb kunnen beschouwen als

een logeerpartij, die uit de hand is gelopen. Maar nu wonen we

met z‟n drieën onder één dak, nota bene het mijne.

Ik vind het tijd worden om met haar en het kind eens een paar

duidelijke afspraken te maken, want ik vind het niet goed om alle

rituelen uit Rhoon zondermeer te kopiëren. Ik ben tenslotte één

van de drie en ik heb ook recht op ruimte.

Ik leg haar mijn standpunt uit en zij zegt: “Alles heeft zijn tijd

nodig. Je moet je wel realiseren dat ik al acht jaar met mijn kind

alleen heb doorgebracht. Ik ben al die tijd met haar samen geweest

en al het lief en leed heb ik met haar gedeeld. Daar kom jij ineens

bij. Zowel mijn kind als ik moeten nogal aan deze nieuwe situatie

wennen en daar zul jij terdege rekening mee moeten houden.”


“Wat denk je van mij?” vraag ik. “Alsof ik al vaker met een

moeder en een kind heb samengewoond. Ik vind het niet erg om

zo links en rechts wat in te leveren, maar ik ga me niet volledig

schikken aan de grappen en grollen van jullie twee. Dat kun je echt

wel vergeten.”

“Ik begrijp je, schat,” glimlacht ze naar me, “natuurlijk heb jij

ook recht op ruimte. Geloof me, we hebben wat tijd nodig, maar

uiteindelijk zal het allemaal goed komen.”

Ik vind het kind een drakepit. Wispelturig en onhandelbaar. Ook

onvoorspelbaar. Het ene moment haalt ze haar moeder het bloed

onder haar nagels vandaan en het volgende moment haalt ze de

vaatwasser leeg. Op eigen initiatief, want als het gevraagd wordt,

kun je er de klok op gelijk zetten dat ze het niet doet. Als haar

moeder echt iets gedaan wil hebben, dan verheft ze haar stem en

gebruikt ze „gespierde‟ taal, zoals ze het zelf noemt. Ik vind het

ongepast en zelfs ordinair taalgebruik, maar dat boeit haar moeder

niet. Ze zegt: “Ik moet wel, want anders luistert ze helemaal niet.”

Het kind heeft ook last van angsten. Ongeveer van hetzelfde

soort als haar moeder. Alles is eng en griezelig en overal is ze bang

voor. “Wat wil je,” verklaart haar moeder, “als jij je eens indenkt

hoe verderfelijk de invloed van haar vader op het kind is geweest.

En niet alleen op het kind, maar ook op mij. Het is maar goed dat

we nu uit zijn greep zijn verlost. Het is waarschijnlijk nog niet te

laat en ik denk dat ze nog jong genoeg is om er overheen te

groeien. Met jou in de buurt krijgt ze de evenwichtige opvoeding

in de stabiele gezinssituatie, die ze nodig heeft.”

Ik woon met haar en het kind dan wel in Stompwijk, maar de

dreiging die van Guido uitgaat, heerst nog steeds. Nog steeds

lopen we het risico, dat hij onverwacht op de stoep staat of het

kind ophaalt uit de enige school die het dorp telt.


Het kind lijkt het wel best te vinden, zo zonder haar vader.

Althans, dat is wat ze zegt tijdens onze gesprekjes. Maar ik vind

toch dat ze wel eens een weekeindje bij haar vader zou kunnen

doorbrengen. Het kind heeft grote vakantie en ze heeft niets

omhanden. Ze hangt continu om haar moeder en mij heen en een

weekeindje weg zou haar waarschijnlijk zelfs goed doen. En niet

alleen het kind, maar mij ook. Want ik zou wel eens een tijdje

alleen met haar moeder willen doorbrengen of nog sterker, ik heb

er al heel veel voor over om eens een dag zonder het alom

aanwezige kind door te brengen.

“Wil je niet een weekeindje naar jouw vader toe?” vraag ik, als ze

op een avond zegt dat ze haar vader mist.

“Nee,” zegt ze resoluut, “ik weet nu al dat hij gaat zeuren. Weet

je hoe erg ik moet oppassen dat ik mijn mond niet voorbijpraat?”

Ik zeg: “Jouw vader is toch blij voor jou als jij het naar je zin

hebt hier in Stompwijk? Met mama en mij? En als je vertelt van je

nieuwe kamer?”

“Pfff…” zucht ze, “stel dat ik vertel dat jij een lampje hebt

opgehangen en ik noem jou per ongeluk „papa‟, dan slaat hij mijn

kop eraf.”

Het kind trekt naar me toe. De gesprekjes doen wonderen. Ze

begrijpt de dingen die ik uitleg. Ze is nog wel recalcitrant, maar ze

speelt het volgens mij meer dan dat het haar ernst is.

De gesprekjes hebben een standaard agenda:

Haar vader. Ze mist hem maar ze wil toch niet naar hem toe.

Seks en liefde. Ze wil weten wat het is. Of je er kinderen van

krijgt? Of mama en ik het doen? Of ze een zusje of een

broertje krijgt, als ik het beaam.

Relaties. Blijven we altijd bij elkaar? Wat gebeurt er als mama

mij zat wordt, wat gelet op haar vorige vriendjes niet

ondenkbeeldig is. Blijven wij elkaar dan nog zien? Vind ik een

kind leuk? Vind ik haar leuk?


Regels en straf. Ik leg haar het waarom ervan uit. Het lijkt of ze

me begrijpt.

Het valt niet mee om de gesprekjes kort te houden en op haar

vragen een bevredigend antwoord te vinden. Het kind is veel te

wijs voor haar leeftijd.

Ontbijtrituelen.

Het is wennen voor de twee dames in mijn huis. Maar ook voor

mij. Ik moet ook gewoontes aanpassen. Ik had mijn eigen

ochtendritueel en dat wordt redelijk wreed verstoord. Vroeger nam

ik een boterham en een kopje espresso, terwijl ik de krant las en

het nieuws en ontbijt-tv keek. Het kind wil ook tv kijken terwijl ze

ontbijt, alleen onder het genot van Nickelodeon met Spongebob

en met het volume op tien. Ze keek Spongebob in Rhoon en dat

gaat ze dus in Stompwijk ook doen. Ze zet elke ochtend de tv aan

zonder het te vragen. Daar kan ik nog inkomen. Maar het kind

schakelt de tv ook over op Nickelodeon, ongeacht of ik naar het

nieuws of mijn ontbijt-tv zit te kijken, waarbij ze niet eens de

moeite neemt me het te vragen. Ik zeg er wat van en het kind staat

me aan te kijken of ze water ziet branden.

“Laat het kind toch naar Spongebob kijken,” valt haar moeder

het kind bij.

“Ik begrijp sowieso niet dat je het kind „s ochtends naar de tv laat

kijken,” zeg ik.

“Jij kijkt ‟s ochtends toch ook tv,” zegt ze.

“Alleen als er niemand is,” zeg ik, “anders zet ik hem uit.”

“Maar als hij toch uitstaat, kan ik toch wel naar Spongebob

kijken,” probeert het kind.

“Vanaf nu geen Spongebob en ontbijt-tv meer,” zeg ik, “en voor

de duidelijkheid, helemaal geen tv meer.”


Ik heb twee dames in mijn nek. Ze vinden het flauwekul. Ze

deden het in Rhoon ook altijd en waarom kan het nu dan niet

meer?

Ik houd mijn poot stijf maar het kind blijft mokken. Ik geef haar

de keuze tussen op haar kamer gaan zitten mokken of hier haar

boterhammetje opeten. Haar moeder kijkt me aan en ziet dat het

me ernst is.

“Sorry kind,” zegt ze, “ik ben het niet met papa eens, maar hij is

wel de baas in huis. Doe in dit geval maar wat hij zegt.”

Het kind is bang.

Het kind moet een plas doen. Op een zaterdagmiddag in het

overvolle winkelcentrum van Zoetermeer. Ik kijk rond en ik kan

zo snel geen openbaar toilet vinden. Ik zie wel een restaurant en ik

zeg tegen het kind dat ze daar een plas kan doen. Ze durft niet

alleen, wat ik wel begrijp. Ik ga met haar mee het restaurant in en

ik begeleid haar naar achteren, waar de toiletten zijn. Ik wacht voor

de deur, maar dat is voor het kind niet voldoende. Ik moet in het

portaal van het toilet komen staan. Het kind laat de deur op een

kier staan en blijft continu tegen me praten. Als ik eventjes niets

terugzeg, gaat de deur direct open en ze kijkt met een verschrikte

blik of ik er nog ben. “Waarom zeg je niets terug?” vraagt het kind

me verwijtend.

Ik praat erover met haar moeder. “Verlatingsangst,” zegt ze,

“pure verlatingsangst. Allemaal de schuld van Guido, die heeft

haar meerdere malen in de steek gelaten.”

Ze vertelt: “Toen hij haar de eerste keer had meegenomen moest

hij pretsigaretjes halen om aan zijn behoeften te voldoen. Het was

diep in de nacht en hij liet zijn slapende kind alleen. Het kind werd

echter wakker en het ging op zoek naar haar vader. In paniek heeft

ze mij toen gebeld. Ik heb haar minstens een uur aan de telefoon


gehad tot hij weer thuiskwam: Knetterstoned. Sindsdien heeft ze

die enorme angst om verlaten te worden.”

Ik ga met het kind naar Duinrell. Ik heb kaartjes gekregen van

een relatie en het is een mooie gelegenheid om de band met haar

eens wat aan te halen. Ze woont tenslotte met mij onder hetzelfde

dak. Haar nichtje Samantha hoort ervan en ze wil wel mee.

Eenmaal in Duinrell valt het enorme contrast tussen Samantha

en het kind me op. Samantha durft overal in en af en het kind niet.

Ik vraag het kind waarom ze zo bang is.

“Het is hartstikke eng en gevaarlijk,” legt ze uit, “en mijn moeder

vindt dat ook. Van haar zou ik er niet eens in mogen.”

Het kind gaat, met nogal wat overredingskracht van mij en

Samantha, uiteindelijk toch een attractie in. Ze komt eruit en het

huilen staat haar nader dan het lachen. Ze wil weg, of zwemmen in

het Tikibad.

Het Tikibad heeft glijbanen, voor elk wat wils. Het kind wil

alleen in de glijbaan als die niet eng en donker is. Het kind is echt

bang. Samantha wijst op een glijbaan en ze overreedt het kind om

samen met mij juist die glijbaan te nemen.

“Is die dan niet eng en donker?” vraagt het kind aan haar nichtje.

“Nee,” beweert Samantha stellig, “want dit is de Starlight en dat

is de ongevaarlijkste.”

Ik stap er samen met het kind in en een paar seconden later zijn

we beneden. Ik word direct door een badmeester uit het water

gehaald en ik krijg een standje. Het blijkt de snelste glijbaan van

het Tikibad te zijn, waar het nota bene ook nog eens ten strengste

verboden is er met z‟n tweeën tegelijk in te gaan. Het kind is

overstuur en het huilt. Ik begrijp het volkomen, want ik ben er ook

van geschrokken.

Samantha komt uit een andere buis gegleden. Ze ziet het tafereel

en ze komt niet meer bij van het lachen.


Later praat ik erover met haar moeder en ik zeg: “Hoe kan het

dat jouw kind zo bang is? Ze durft niets en ze vindt alles maar eng

en gevaarlijk?”

“Het is toch ook zo,” zegt haar moeder, “het is maar goed dat ik

er niet bij was. Van mij had ze er niet eens in gemogen.”

Straf.

Ik introduceer iets nieuws voor het kind: Straf. Haar moeder

dreigt er regelmatig mee, maar ze voert het nooit uit. Ik doe dat

duidelijk anders en dat is wel eventjes slikken. Niet alleen voor het

kind, maar ook voor haar moeder. Die vergeet en vergeeft zeer

snel en het kind weet dat. Ze is er zelfs volledig op ingespeeld.

Als het kind in mijn bijzijn iets doet dan waarschuw ik haar. Ik

doe dat één keer. Luistert ze niet naar me, dan voer ik mijn

dreigement uit. Consequent als ik ben doe ik wat ik beloof, dus

ook met straf.

Ik ga met m‟n gezin boodschappen doen in Zoetermeer. Op

vrijdag in de namiddag na de school van het kind. Met z‟n drieën

lopen we door het Stadshart. Zij is op zoek naar nieuwe kleren

voor haar kind. In C&A pakt zij kleren voor haar kind uit het rek.

Direct beginnen moeder en dochter te argumenteren over smaak

wanneer het kind weigert de kleren aan te passen. Ik waarschuw

zowel het kind als haar moeder, dat als het zo doorgaat ik per

direct naar huis ga. Het argumenteren lijkt te stoppen, maar binnen

de kortste keren zitten moeder en dochter elkaar weer in de haren.

“We gaan nu weg,” zeg ik resoluut.

“Maar we hebben nog geen kleren gekocht,” protesteren ze in

koor.

“Het kan me niet schelen,” zeg ik, “volgens mij ben ik uitermate

duidelijk geweest en we gaan nu naar huis. Althans, ik ga naar huis


en als jullie willen blijven, dan kijken jullie maar hoe jullie

thuiskomen.”

Ze lopen met me mee naar de auto en we rijden terug naar huis.

In de auto gaat het bekvechten nog door en ik waarschuw ze

allebei nog een keer. Ik zeg: “De eerste die nu nog zijn mond

opendoet, krijgt straf.”

Ik zie het kind naar me lachen, maar ik kijk haar streng aan en ze

houdt inderdaad haar mond. Het kind kan het echter toch niet

nalaten om toch nog een opmerking te maken en ik zeg: “Nu is

het genoeg. Je krijgt straf en je mag straks een uur op je kamer

gaan zitten. Daar kun je mooi nadenken over wat je hebt gezegd.”

We komen nog geen drie minuten later thuis en het kind gaat in

de woonkamer met haar Gameboy zitten spelen. Ik vraag het kind

of ze niet iets is vergeten. Ze is echter de mening toegedaan dat ze

genoeg is gestraft omdat we geen kleren voor haar hebben

gekocht. Ook heeft ze het ijsje niet gehad, dat ik haar had beloofd.

Kortom, ze is niet van plan om op haar kamer te gaan zitten. Tot

overmaat van ramp valt haar moeder haar ook nog eens bij.

Ik laat me niet uit het veld slaan en ik stuur het kind naar haar

kamer, onder veel protest en gepaard gaand met luid gekrijs. Het is

de eerste keer dat ik het kind zo‟n „zware‟ straf geef en beide

dames zijn dat niet gewend. Ik vind het nu hard nodig om mijn

poot stijf te houden, want anders kom ik op een hellend vlak

terecht.

Als het kind op haar kamer zit te janken, komt haar moeder in

opstand. “Mijn hart breekt,” zegt ze tegen me, “hoe kun je zo‟n

lief, klein moppie zo laten huilen? Ik kan het niet aanhoren, ik ga

naar haar toe.”

Ze maakt aanstalten om naar haar kind toe te gaan en ik zeg dat

ik dat niet zo‟n goed idee vind. “Jij hebt minstens net zo veel

schuld als het kind,” beschuldig ik haar, “alleen weet ik niet hoe ik

jou moet straffen.”

Ze kijkt me niet begrijpend aan en ik staaf mijn bewering: “In de

eerste plaats zou jij de wijste moeten zijn. Als ik zie hoe jij zit te


ekvechten met een kind van acht over smaak, dan vraag ik me af

wie er nu werkelijk schuld heeft. Ook zie ik hoe jij communiceert

met je dochter. Ik vind het niet verwonderlijk dat ze af en toe haar

kont tegen de krib gooit. Die gespierde taal van jou is veel te grof

voor een kind van haar leeftijd. Sowieso is jouw taal af en toe te

grof. Weet je dat het soms zo erg is dat ik me ervoor geneer?”

Ze kijkt me aan alsof ze water ziet branden. Ik ga door: “Je zegt

dingen tegen haar als: „Houd je murf, ellendig rotkind‟, als ze iets

zegt wat je niet uitkomt. Of: „Lomp mokkel, moet ik je een knal

voor je hersens geven?‟ als ze je tijdens het ochtendritueel iets te

hard knuffelt.”

Ze gaat in de verdediging. “Ten eerste vind ik het wel

meevallen,” zegt ze, “en als ik het al doe, dan heeft ze het

waarschijnlijk verdiend. Verder luistert ze nooit naar me en

daarom moet ik mijn stem wel verheffen. Anders doet ze net of ze

me niet hoort of verstaat.”

Ik probeer nog iets: “Met een beetje geduld en tact bereik je veel

meer. Je zou haar eens om haar mening kunnen vragen in plaats

van te zeggen wat ze moet aantrekken. Kijk eens hoe ze daarop

reageert. Als zij een mening heeft dan moet je eens kijken of jij je

erin kunt schikken. Je zou nog wel eens verrast kunnen zijn. Laat

het gewoon eens gaan.”

Ze kijkt me meewarig aan. “Ach lieve jongen,” zegt ze tegen me,

“ik kan zien dat jij niet weet wat kinderen van acht zijn. Die

hebben namelijk geen eigen mening of een eigen smaak. Ik moet

dus wel voor haar beslissen.”

De straf van het kind zit ervoor de helft op en ik hoor geen

geluiden meer. Omdat het de eerste keer is dat ik het kind zo

„zwaar‟ straf en besluit ik een praatje met haar te gaan maken.

Het kind is duidelijk overstuur en ze zit hard op een oor van haar

lievelingsknuffel te kauwen.


Het kind heeft een poppetje, het is haar lievelingsknuffel. Ze gaat ermee naar

bed en ze staat ermee op. Het is een vies ding, waar de muffe slaap- en

verdroogde speeksellucht van afdruipt. Haar moeder vindt het echter volkomen

normaal. Alle kinderen schijnen er ééntje te hebben en kinderen hechten zich

nu eenmaal aan een knuffel. Ik vind het gewoon een vies ding, hetgeen

zondermeer door moeder en kind wordt beaamd. Helaas kan het niet meer

gewassen worden, want dan valt het waarschijnlijk uit elkaar.

Het poppetje doet nog iets voor het kind. Telkens als er iets aan de hand is

of het kind vermoedt dat er iets gaat gebeuren, dan haalt ze het poppetje uit

haar slaapkamer. Het is haar steun en toeverlaat. Het is eenvoudig te zien als

het kind bang of nerveus is. Ze klemt dan het poppetje stevig in haar armen en

dan sabbelt ze constant aan een oor.

Het is best wel een aandoenlijk gezicht. Als ze dan met haar grote zwarte

ogen naar je staat te kijken, moet je er gewoon iets mee, want haar negeren is

dan nog nauwelijks mogelijk.

Ik vraag het kind of ze begrijpt waarom ze straf heeft gekregen.

“Ja papa,” snikt ze, “maar ben je dan nog steeds boos?”

“Nee, natuurlijk niet,” zeg ik.

“Maar waarom heb ik dan nog straf?” vraagt ze verwonderd.

Boos en straf horen volgens het kind onlosmakelijk bij elkaar.

“Als je niet boos meer bent, is straf toch niet meer nodig?” zegt

ze verwonderd. Ik probeer het haar uit te leggen, wat me niet lukt.

Haar moeder is het roerend met haar kind eens en ze vindt me

maar een bullebak zonder hart.

Een dagje kinderloos.

Ik loop samen met haar, het kind logeert vanavond bij Tom,

door het winkelcentrum van Hoogvliet. Zij bekijkt werkelijk elke

winkel, maar ze kijkt niet naar iets voor zichzelf. In elke winkel ziet

ze wel iets voor haar kind. Kleding, speelgoed, snoep, dvd‟s,

enzovoorts.


Ik vraag haar waarom ze niet naar iets leuks voor zichzelf kijkt.

“Daar heb ik geen geld voor,” zegt ze, “elke cent die ik aan

mezelf uitgeef, kan ik niet aan mijn kind uitgeven en mijn kind gaat

toch echt voor alles.”

“Elke keer als jij boodschappen doet, koop je iets voor haar,” zeg

ik, “en als ik de enorme berg speelgoed en kleren zie die het kind

al heeft, kan het volgens mij geen kwaad om dat eens een keertje

over te slaan.”

“Overcompensatie,” zucht ze, “ik moet het gewoon goedmaken

bij mijn kind. Weet je wat ze allemaal al te verduren heeft gehad?

Ik kan toch gewoon niet anders?”

Zij begrijpt maar niet hoe ik tegenover het kind sta. Zij

vergoelijkt alles en ik niet. Ze vindt me een harteloos monster,

zeker nu ik weet dat het haar „poepie‟ is, de onschuld zelve, die zo

gebukt gaat onder het lot dat Guido heet. Ik zeg haar dat ze moet

stoppen met alles vergoelijken, want als het zo doorgaat, is het

kind binnenkort helemaal niet meer te hanteren. Maar naast dat ze

te veel vergoelijkt, verwijt ik haar ook nog eens inconsequent

gedrag en overprotectionisme.

Ik verwacht een tegenwerping, maar in plaats daarvan beaamt ze

het volmondig. Het lijkt zelfs wel alsof ze er trots op is. Ze voegt

er nog wel aan toe dat elke goede moeder dat doet. Ze legt me uit

dat daarom vaders bestaan, die dat duidelijk anders doen dan

moeders. Vaders en moeders vullen elkaar juist aan, net zoals zij

en ik elkaar zo goed aanvullen.

“Bovendien heeft het kind al zoveel meegemaakt, dat het

eigenlijk al genoeg is gestraft,” zegt ze, “ik wil het kind niet nog

meer straffen.”

“Dat doe ik dan wel,” zeg ik, “maar dan mag jij je er niet mee

bemoeien.”

“Het breekt elke keer mijn hart,” zegt ze, “maar ik zal het

respecteren.”


De grap is dat ik zie dat het kind het helemaal niet erg vindt om

straf te krijgen. Ze vindt het zelfs „cool‟. Ik hoor haar trots tegen

een vriendinnetje van school vertellen: “Mijn papa is heel streng en

als hij straf geeft, doet hij het echt! Ik heb al twee keer straf

gehad!”

Nog meer rituelen.

Mijn nieuwe huiselijke rituelen gaan nog niet zo gestroomlijnd als

ik graag zou willen. Zij is het wel met me eens, maar steevast grijpt

ze terug naar het leven in Rhoon, hoe zij en het kind het daar

deden en ook hoe fijn het daar was. Ik kan het niet laten en ik zeg

het voor de hand liggende. Ik krijg een verwijtende blik van haar

die zegt dat ik weet dat dat niet kan.

Het eerste ritueel begint vroeg in de ochtend. Zij juicht het

overigens van harte toe, volgens haar hebben kinderen rituelen

hard nodig. Orde en regelmaat.

Het kind komt bij ons in bed liggen. Meestal ben ik al wakker en

dan gaat ze naast mij liggen. Vervolgens wordt haar moeder

wakker waarna ze even met haar moeder moet knuffelen. Die stapt

vervolgens uit bed om het ontbijt te gaan maken. Het „hunken‟

met mij kan dan beginnen. Hunken is een term van het kind en mij

en betreft een soort knuffelen. Maar dan gecombineerd met

apenliefde. Het gaat in ieder geval gepaard met veel fysiek geweld

en nog meer geluid. De eerste hunk wordt de buikhunk. Ik blaas

haar hard op haar blote buik, wat niet alleen veel herrie oplevert,

maar ook kietelt. Al snel vindt het kind de okselhunk uit, die lange

tijd haar favoriet is.

Ik vind het hunken in eerste instantie maar beperkt leuk en ik

doe het voornamelijk voor het kind. Ik zit er behoorlijk ambivalent

in. Ik voel me er af en toe zelfs ongemakkelijk bij, omdat het kind

me soms aanraakt of beetpakt op plaatsen die niet kunnen. Ik

vraag me af of ze dit bij haar echte vader ook doet.


Ik heb het erover met haar moeder. Die is echter van mening dat

het wel eens aan mijn verwrongen geest kan liggen. Een kind doet

zoiets niet. Zeker niet expres. En zeker niet haar kind.

Het gaat echter steeds beter. Ik schenk geen aandacht meer aan

de dingen die niet kunnen en het stopt. Ik begin het ochtendritueel

zelfs wel grappig te vinden en ik merk dat ik naar het kind uitkijk

wanneer ik wakker word.

Na een minuut of vijf blazen en fysiek geweld verklaar ik het

hunken voorbij. Ik pak het kind op en gooi het over mijn

schouders. Ik loop vervolgens naar beneden, al roepend: “Heeft

iemand interesse in oude lorren?”

Het kind vindt het geweldig en haar moeder ook. Vervolgens zet

ik het kind neer waarna ik haar moeder nog een keer beetpak om

haar nog nogmaals „goedemorgen‟ toe te wensen. Ik vergeet het

soms, maar dan word ik er fijntjes aan herinnerd dat ik iets vergeet.

Ik doe het dan alsnog, maar dan meer omdat zij het me vraagt, dan

dat het direct uit mijn gevoel komt.

Het gezeurgedeelte begint. Het kind eet de korstjes van haar

brood niet op en ook het grootste gedeelte van haar thee blijft

staan. Haar moeder zegt er iets van en het kind kijkt haar

hoogstens aan. Haar moeder zegt dat ze niet van tafel af mag

voordat ze de korstjes heeft opgegeten. Het kind zegt dat ze geen

honger heeft en moeder en dochter gaan onderhandelen over het

aantal nog op te eten korstjes. Het kind stopt ze voor het gemak

allemaal tegelijk in haar mond en gaat zitten kauwen tot ze er een

bijna oneetbare bal van heeft gemaakt. Zodra haar moeder dat ziet,

krijgt ze een harde sneer: “Rotkind, waarom zit je je murf weer zo

vol te proppen?”

Het kind wordt naar boven gestuurd om te douchen. Het kind

vraagt: “Kom je ook, mama? Je moet kleren voor me uitzoeken.”

Haar moeder zegt dat ze er zo aankomt en blijft vervolgens

gezellig bij mij zitten. Het kind komt na het douchen in haar

blootje naar beneden om te vragen welke kleren ze aan moet


trekken. “Rotkind,” roept haar moeder, “je weet toch dat je niet in

je blootje naar beneden mag komen. Schiet op, naar boven.”

Vervolgens loopt ze zuchtend achter haar kind aan naar boven

en hetzelfde ritueel als in Rhoon wordt opgevoerd. Ik zie nog

steeds een zuchtende moeder, geruzie over de aan te trekken

kleren, een kind dat recalcitrant is en haar dat in een paardenstaart

gedaan moet worden, wat na veel getouwtrek uiteindelijk twee

staartjes worden.

Mama, waar ben je?

Het is weekeinde. Ik sta in de keuken en zij komt kijken wat ik

aan het doen ben. Ze pakt me beet en geeft me een zoen.

Vervolgens roept het kind, die in de kamer zit: “Mama, waar ben

je?”

De moeder roept: “In de keuken, schatje.”

Het kind komt de keuken in en haar moeder laat me los. Het

kind heeft dorst en ze wil een glaasje limonade. Haar moeder pakt

het voor haar kind uit de koelkast en moeder en kind verlaten de

keuken.

Haar moeder komt een kwartiertje later weer bij me kijken. Het

ritueel herhaalt zich. “Mama, waar ben je?” hoor ik het kind direct

roepen.

“Ik ben hier hoor, schatje,” geeft zij antwoord.

Zodra haar moeder uit het gezichtsveld verdwijnt gaat het kind

op zoek naar haar moeder. “Mama, waar ben je?” roept ze telkens.

Ik let er eens op en ik zie dat het kind het louter uit gewoonte

doet. Op het moment dat haar moeder uit beeld is roept zij:

“Mama, waar ben je?”

Vervolgens reageert haar moeder vanuit een of ander

automatisme op de oproep van haar kind. Ik zeg er iets van tegen

haar moeder en zij verklaart het weer met verlatingsangst. Het


woord veilig wordt ook gebruikt. Ik heb er zo mijn twijfels over en

ik verdenk het kind ervan dat ze gewoon aandacht wil.

Ik zeg tegen haar dat zij het kind gewoon moet negeren als het

aandacht wil. Ze verklaart het weer vanuit hun leefsituatie in

Rhoon, toen ze altijd samen waren. Daarbij, een goede moeder

houdt onvoorwaardelijk van haar kind en die doet wat het vraagt

zonder erbij na te denken.

“Maar nu zijn we met z‟n drieën,” zeg ik, “zij moet leren dat jij

niet op elk signaal reageert.”

Haar moeder legt het haar kind uit en ze doet haar best om het te

negeren. Maar het kind is niet gek en ze bedenkt een nieuwe

aandachttrekker.

“Mama, hoe laat is het?” roept het kind, als we weer eens uit haar

gezichtsveld zijn verdwenen.

Haar moeder reageert en ze gaat direct op de klok kijken.

Ik zeg tegen haar moeder dat ze daar ook niet op moet reageren.

“Mag dat dan ook al niet?” vraagt haar moeder.

Gelukkig komt mijn boodschap op een bepaald moment over.

Het kind vervoegt zich bij ons als zij wij weer eens een keertje

buiten haar gezichtsveld terecht zijn gekomen. “Donder

ogenblikkelijk op, lelijk mokkel,” blaft zij haar kind de keuken uit,

“kun je het niet hebben dat ik hier eventjes alleen met papa sta?

Jaloers pokkenkreng!”

Ik kijk haar verbaasd aan en ik zeg: “Ik geloof niet dat ik dat

bedoelde.”

Nu kijkt zij mij verbaasd aan.

Zo moeder, zo dochter?

Het kind wil naast me rijden als we met zijn drieën een stukje

gaan fietsen. Haar moeder vindt het maar niets, want zij wil naast

mij rijden. Ik lach erom en zeg: “Om de beurt, dames.”


Als het kind naast mij fietst, dan help ik haar een beetje. Ik leg

mijn hand in haar nek en ik duw haar voort. Het kind vindt het

geweldig en ze laat dat ook merken. Haar moeder vindt het echter

niet zo leuk. Ze verwijt haar kind een jaloers kreng te zijn dat mij

voor zichzelf wil. Ik hoor deze discussie aan en ik zeg er iets van.

“Wees blij dat er eindelijk een beetje goede band tussen jouw kind

en mij aan het ontstaan is,” zeg ik.

Zij antwoordt: “Het mokkel doet het alleen maar om mij te

treiteren.”

Ik schrik van haar toon en ik zeg: “Ten eerste is het geen mokkel

maar jouw kind waar je over spreekt. Ten tweede heb ik je al vaker

gezegd dat je het gewoon moet laten gaan. Negeren is het beste en

je zult zien, dat het vanzelf ophoudt. Daarbij ga ik ervan uit dat jij

de wijste bent.”

Ik vraag haar ook nog op de man af: “Je bent toch niet jaloers op

je eigen kind?”

Ze ontkent het: “Nee natuurlijk niet, maar ik kan het alleen niet

uitstaan als ik zie hoe ze steeds weer probeert zich tussen ons in te

wurmen. Waarbij ze zich gedraagt alsof ze mij is.”

Ik kan niet anders doen dan toegeven dat ik dat ook zie, maar ik

ben in de stelligste overtuiging dat negeren de beste remedie is.

Zij zoent me te pas en te onpas, ook waar haar kind bij is. Ik heb

er al vaker iets van gezegd, maar het helpt niet. Op zichzelf heb ik

er nog niet eens zoveel moeite mee, maar het maakt dat het kind

ook met me wil zoenen, op dezelfde manier als haar moeder.

Ik let even niet op. Het kind geeft me een zoen boven op mijn

mond, net zoals ze haar moeder heeft zien doen. Ik zeg er wat van

tegen het kind. Ik leg haar uit dat ik dit niet wil en het kind begrijpt

niet wat ik bedoel.

“Mag ik je niet eens een zoen geven?” vraagt ze.

Ik vind het lastig om uit te leggen. Ik probeer het weliswaar,

maar mijn boodschap komt niet goed over. Het enige dat ik bereik


is dat het kind me verdrietig aankijkt en zegt: “Maar ik vind je lief,

net als mama. Zij mag je wel zoenen en ik niet.”

Ik geef het kind geen kans meer om me een zoen te geven. Ik

draai elke keer mijn hoofd weg als ze me een zoen wil geven. Ik

word er een beetje melig van, want het kind wil nog meer aan me

zitten dan haar moeder, lijkt het wel. En hoe meer ik het negeer,

hoe meer ze lijkt te volharden.

Dan maar hard tegen hard. De volgende keer dat ik niet op tijd

mijn hoofd wegdraai en ze me vol op mijn mond zoent, geef ik

haar een standje en ik zeg boos: “Als je dat nog één keer doet,

moet je voor straf een uur op je kamer zitten.”

Ik zie dat ze het niet begrijpt, maar gelukkig stopt het. Al moet ik

wel op mijn hoede blijven. Helaas is het niet het enige gedrag dat

ze van haar moeder kopieert.

Het kind wil met me mee als ik met de auto wegga om

boodschappen te doen. Ze wil dan ook mijn hand vasthouden, net

zoals haar moeder bij me doet.

Ze wil ineens niet meer hunken, maar nappen. Ik negeer het en

ik stap uit bed, maar het valt niet mee. Want inmiddels probeert ze

in alles haar moeder te kopiëren.

Eetgewoonten.

Het avondmaal is gereed en we kunnen aan tafel. Haar moeder

schept op en het kind eet haar bordje niet leeg. Het kind eet

namelijk haar eten nooit op, wat haar moeder ook op haar bordje

schept. Maar ze moet en zal het van haar moeder leegeten. Maar

haar moeder is dan wel vergeten dat het kind vlak voor het eten

nog heeft gesnoept. Zelfs met haar goedkeuring!

Ik zeg: “Geef dat kind dan ook geen snoep of chips vlak voor

het eten.”

Ze legt het me uit: “Als een kind honger heeft, dan moet het

eten. Dat mag je niet tegenhouden.”


Maar het kind is slim en klaagt elke keer vlak voor het eten dat

het honger heeft. Dat doet ze in de wetenschap, dat het diner toch

nog niet klaar is. Haar moeder zegt in eerste instantie, dat ze nog

even moet wachten op het diner. Vervolgens klaagt het kind dat ze

echt honger heeft en haar moeder geeft haar iets te snoepen.

Elke avond opnieuw wordt er onderhandeld over het deel wat

wel en niet opgegeten moet worden. Elke avond hetzelfde liedje,

het kind eet maximaal een derde van haar eten op. Ze blijft net zo

lang met haar eten in de weer tot het werkelijk overal ligt, behalve

op het afgebakende stukje wat ze van haar moeder leeg moet eten.

Het enige dat ze zonder morren opeet is haar toetje. Dat is het

enige dat ze ook echt lekker vindt. Of ze haar eten op heeft of

niet, ze krijgt altijd haar toetje.

Het kind heeft een vreemde gewoonte. Ze eet haar mond niet

leeg voordat ze een nieuwe hap neemt. Ze propt haar mond net zo

lang vol tot ze het niet meer weg krijgt. Ik kijk ernaar en ik moet

erom lachen. Het is een bespottelijk gezicht, want ze lijkt wel een

hamster met de wangzakken helemaal vol.

Haar moeder probeert haar kind deze gewoonte af te leren. Het

patroon waarin dit gebeurt kan ik inmiddels al helemaal uittekenen.

Het kind propt haar mond vol en haar moeder zegt er iets van.

Het kind weet niet wat ze moet doen. Ze kan niet meer kauwen en

slikken gaat ook niet meer. Ze trekt een benauwd gezicht, want ze

is ook nog eens bang dat ze geen adem kan halen en stikt.

Vervolgens probeert ze met haar lepel een deel uit haar mond te

vissen, wat niet lukt. Dit maakt haar moeder furieus en die snauwt

haar kind dan een opmerking toe als: “Pleuriskind, hoe vaak moet

ik je godverdomme nog zeggen dat je je murf niet zo vol moet

stouwen.”

Het kind schiet dan zowat in de stress, zo hulpeloos kijkt ze dan.

Net alsof ze er ook niets aan kan doen. Het enige dat haar nog rest


is de complete bal eten met haar handen uit haar mond halen en

op haar bord laten vallen.

“Dat heeft ze geleerd bij Guido,” verklaart haar moeder, “hij gaat

er prat op dat er niets vies is aan zijn kind en dat hij bij wijze van

spreken haar stront zou kunnen opeten. Dit doet ze ook als ze bij

hem is, met dat verschil dat hij dan haar mond leegeet.”

Het ritueel is overigens dan nog niet afgelopen. Het kind veegt

haar handen af aan haar kleren. Haar moeder, nog steeds

geïrriteerd, snauwt dan tegen haar: “Lomp teringmokkel, zit

godverdomme je vieze klauwen niet aan je schone kleren af te

vegen.”

Haar grootste ergernis is dat ze daardoor zoveel moet wassen en

strijken. Ik zeg haar dat ze het zichzelf aandoet, want het komt

voor dat ze het kind soms drie keer per dag schone kleren

aantrekt. Ik vind dat ze het kind gewoon in haar vieze kleren moet

laten rondlopen, dan leert ze het vanzelf wel af.

Zij is het niet met me eens en ik krijg steeds hetzelfde antwoord:

“Ik ben het, die ze er dan op aankijken.”

Het is direct zichtbaar wanneer het kind niet meer wil eten, want

dan gaat het ermee zitten spelen. Waar ze netjes met mes en vork

kan eten als ze daar zin in heeft, zo onhandig wordt ze ineens als

ze geen trek meer heeft. Ze schiet uit als ze iets snijdt, waardoor de

helft van haar bord afschuift, ze laat haar bestek vallen, raapt

gevallen eten op met haar handen, verschuift haar eten met haar

handen of bouwt er torentjes mee. Het resultaat is altijd hetzelfde,

want ze krijgt weer altijd vieze handen. Die ze natuurlijk direct aan

haar, net schoon aangetrokken kleren afveegt.

Bedrituelen.

Elke avond opnieuw probeert het kind, zoals elk kind, te

smokkelen met haar bedtijd. Ze traineert alles. Ze mag van mij


later naar bed, want ik vind dat ze van haar moeder extreem vroeg

naar bed toe moet.

“Dat is omdat ze anders de volgende dag chagrijnig en niet te

hanteren is,” verklaart zij.

Ik geloof erop een bepaald moment zelf in, want het kind is

sowieso moeilijk te hanteren.

Ik krijg van haar moeder een aantal vaste taken, zoals het kind

helpen met het poetsen van haar tanden, een pyjama voor haar

uitzoeken en haar helpen met uitkleden, haar in bed leggen en een

gesprekje met haar houden. Zij vindt dat goed voor de band

tussen mij en haar kind.

Haar moeder wacht geduldig tot ik klaar ben en haar naar boven

roep, dan kan zij haar kind nog een goede nacht wensen.

Twee-eenheid.

Ik kijk elke dag opnieuw met verbazing naar de rituelen. Ik zeg

haar dat ze het in mijn optiek op een veel eenvoudigere manier

kan oplossen. Je voert gewoon een paar regels in en je houdt het

kind eraan. “Ik wil wel een aantal huisregels verzinnen,” zeg ik

tegen haar, “maar dan moet je wel consequent zijn en jij moet je er

ook aan houden.”

Mijn regels zijn zo simpel. Na schooltijd krijgt het kind een kopje

thee met een koek of een glas limonade met een zakje chips. Na

half vijf mag ze geen snoep of anderszins meer. Als ze echt honger

heeft, dan neemt ze maar een droge bruine boterham. Om half zes

staat het eten op tafel. Eet ze haar eten op, dan krijgt ze een toetje.

Eet ze het niet op, dan krijgt ze geen toetje.

Meer niet.

Het blijkt niet haalbaar.


Het kind mag van mij een half uur later naar bed. Onder luid

protest van haar moeder. De voorwaarde is wel dat ze op tijd in

pyjama zit, met gewassen handen en gepoetste tanden. Dan mag

ze haar favoriete programma afkijken en dan direct en zonder

zeuren naar bed.

Meer niet.

Het blijkt niet haalbaar.

“Ik ben het zat