Beeldkwaliteitsplan van de Delftlanden - Gemeente Emmen

emmen.nl

Beeldkwaliteitsplan van de Delftlanden - Gemeente Emmen

GEMEENTE EMMEN

Beeldkwaliteitplan woongebied Delftlanden-I, 3 e uitwerking (fase 1c)


Project: Beeldkwaliteitplan Delftlanden-I , 3e uitwerking (fase 1c)

Opdrachtgever: gemeente Emmen

Opsteller: Compositie 5 stedenbouw bv

Datum: juli 2009, versie 4

2


INHOUDSOPGAVE

1. Inleiding 5

2. Plantoelichting 7

2.1 Masterplan 7

2.2 Fase 1 7

3. Beeldkwaliteit 9

3.1 Algemeen 9

3.2 Structuurdragers 12

3.3 Woonmilieus 15

4. Profielen 27

Bijlage: Spelregels nader toegelicht 29

3


1. INLEIDING

Onderhavig beeldkwaliteitplan geeft richtlijnen voor het

bereiken van een hoge beeldkwaliteit voor de derde

uitwerking (ook wel fase 1c genoemd) van Delftlanden-I, het

nieuwe woongebied in het westen van de gemeente

Emmen. Het gaat hierbij om de vier noordelijke clusters

‘landelijk’ en de meest noordelijke ‘terp’.

Naast de regelgeving in het globale bestemmingsplan en

het bijbehorende uitwerkingsplan geeft dit document nadere

eisen ten aanzien van de verdere uitwerking. Het gaat

hierbij niet alleen om eisen voor de bebouwing maar tevens

voor de inrichting van de openbare ruimte en de overgang

privé/openbaar.

Een beeldkwaliteitplan kan als volgt gedefinieerd worden:

Een samenhangend pakket van eisen voor het creëren en

verbeteren van de beeldkwaliteit in een bepaald gebied. Het

beeldkwaliteitplan geeft in woord en beeld uitgangspunten

aan voor de te ontwikkelen stedenbouwkundige en

architectonische vormgeving. De grondslag is een

inventarisatie, analyse en evaluatie van de bestaande c.q.

gewenste ruimtelijke kwaliteit van de gebouwde resp. te

bouwen omgeving. Bij het streven naar integraal beleid voor

ruimtelijke kwaliteitszorg is het beeldkwaliteitplan een

onmisbaar instrument.

Daarnaast beoogt de opzet van dit plan het creëren van een

woongebied dat de kwaliteit op de lange termijn behoudt.

Daarom is het belangrijk dat er een woongebied

gerealiseerd wordt met een hoog ambitieniveau. Een goede

ruimtelijke kwaliteit en daarmee een hoge gebruiks- en

belevingswaarde zijn daarbij uitgangspunt. Hierbij spelen

ook de ruimtelijke samenhang en een eigen identiteit een

belangrijke rol. De beeldkwaliteiteisen zijn spelregels die

zorgen voor samenhang binnen de wijk en herkenbaarheid

van de ruimtelijke structuur en de opbouw in verschillende

woonmilieus. Dit wordt bereikt door in sommige aspecten

afstemming na te streven en in andere aspecten juist

differentiatie voor te schrijven.

Het doel is verloedering te voorkomen waardoor een betere

waardevastheid van kavels en opstallen beter worden

gewaarborgd. Handhaving van het voorliggende plan zal

bijdragen tot een blijvend aantrekkelijk nieuw woongebied in

de gemeente Emmen.

Leeswijzer

In een korte introductie wordt, middels een beschrijving van

het masterplan voor de gehele wijk en fase 1 hiervan, de

ruimtelijke hoofdopzet uiteengezet. Deze introductie wordt

gevolgd door een beschrijving van de algemene

beeldkwaliteiteisen voor de gehele 1 e fase van de

Delftlanden (Delftlanden-I). Vervolgens worden de

belangrijkste dragers binnen het plan benoemd met

bijbehorende eisen. Hierna worden de betreffende

woonmilieus afzonderlijk beschreven en uitgewerkt.

Ingegaan wordt op de aspecten: plaatsing, massa en vorm,

gevelkarakteristiek, detaillering, kleur- en materiaalgebruik,

overgang privé/openbaar en openbare ruimte. Een en ander

wordt toegelicht met behulp van referentiebeelden die als

inspiratie dienen (fungeren niet als toetsingskader).

Afgesloten wordt met de doorsneden van de verschillende

wegprofielen die binnen de uit te werken woonmilieus

voorkomen.

In de bijlage worden aan de hand van tekst en tekeningen

begrippen uitgelegd die gebruikt worden bij de uitwerking

van de woonmilieus.

5


De zes woonmilieus

6

Richtbeeld stedenbouwkundig plan Delftlanden-I

Richtbeeld uit te werken woonbuurtjes


Masterplan Delftlanden

Dit document omvat de nadere uitwerking van de beeldkwaliteit voor het

derde deel Delftlanden-I

2. PLANTOELICHTING

2.1 Masterplan

De ruimtelijke opzet van de Delftlanden is verbeeld in het

masterplan (zie tekening) dat uitgebreid beschreven is in

het globale bestemmingsplan. Het masterplan zal in 3 fasen

worden uitgevoerd.

Elke fase bestaat uit een afgerond stedenbouwkundig

geheel. De fasen worden van elkaar gescheiden door grote

structurerende groenelementen in oost-west richting. Het

landschapsvenster is hierbij het grootst en meest

structuurbepalend. Het vormt qua bebouwing een ruimtelijk

en functioneel scheidend element tussen fase 1 en de

overige fasen. Qua groenstructuur vormt het echter een

bindend element.

Fase 2 en 3 worden van elkaar gescheiden door een

groene ruimte waarin een bestaande watergang is

opgenomen.

Een ontsluitingsring verbindt de verschillende fasen en staat

direct in verbinding met de Nieuw-Amsterdamsestraat en de

Rondweg.

In fase 1 is het wijkwinkelcentrum en een brede school

gesitueerd. Daarnaast bestaat fase 3 uit een combinatie van

bedrijvigheid en wonen.

Kenmerkend voor de Delftlanden is de sterk noord-zuid

gerichte structuur. Deze wordt vormgegeven door

bestaande houtwallen, groene scheggen en nieuw te

introduceren watergangen.

Gedurende de planvorming van fase 1 is er enigszins

afgeweken van de begrenzingen binnen het masterplan. De

Zandzoom is in zuidelijke richting verlegd en het

landschapsventer wordt in zuidelijke richting opgeschoven.

Daarnaast worden de brede school en het winkelcentrum

gecombineerd in één voorzieningenstrook aan en deels in

het landschapsvenster. Het bosmilieu krijgt hierdoor alleen

een woonfunctie.

2.2 Delftlanden-I

De 1 e fase bestaat uit een aantal samenhangende

woongebieden met elk een eigen woonmilieu/sfeer. Deze

worden van elkaar gescheiden door noord-zuid gerichte

structurerende groene ruimtes (scheggen).

Voor deze zes verschillende woonmilieus worden spelregels

opgesteld die enerzijds de sfeer en samenhang binnen een

bepaald woonmilieu verzorgen en anderzijds het

onderscheid tussen de verschillende woonmilieus

vastleggen. Per woonmilieu is een architectuurthema

bepaald. Dit architectuurthema is uitgewerkt op

bebouwingsniveau, overgang privé-openbaar en de

inrichting van de openbare ruimte.

Deze uitwerkingsniveaus versterken elkaar onderling

waardoor de na te streven sfeer optimaal wordt

vormgegeven.

Onderhavig beeldkwaliteitplan behelst de uitwerking van de

woonmilieus landelijk (vier noordelijke clusters) en de terpen

(de meest noordelijke terp).

7


8

WONINGTYPOLOGIEËN

vrijstaand en dubbel


Basiskleur donker rood-bruine baksteen

3. BEELDKWALITEIT

3.1 Algemeen

Een aantal eisen ten aanzien van beeldkwaliteit geldt voor

het gehele plangebied van de 1 e fase. Deze eisen gelden

dan ook voor alle woonmilieus.

Materiaal- en kleurgebruik

Om fase 1 in z’n geheel te onderscheiden van de overige

fasen is gekozen voor het gebruik van een gedekte

basiskleur voor de gehele 1 e fase: een donker rood-bruine

(baksteen)kleur die enerzijds aansluit bij een passende

overgang met het buitengebied (voorkomen te groot

contrast) en anderzijds past bij het kenmerkende bomenrijk

gebied.

Per woonmilieu wordt een onderscheid gemaakt door

gebruik te maken van één accentkleur (ondergeschikt).

Hierbij is het belangrijk dat er een goede spreiding en

samenhang van de accentkleuren over het gehele

woonmilieu is. Een (bijna) gehele woning uitgevoerd in

accentkleur is slechts mogelijk op markante plekken,

bijvoorbeeld bij een toegang, einde van een rij en een

zichtpunt. De basiskleur verzorgt de samenhang binnen de

gehele 1 e fase.

De boog in het landelijk gebied is een belangrijke drager en

kenmerkt zich door een wisselend kleurgebruik

(herfsttinten). De terpen worden geheel uitgevoerd in de

basiskleur, dus zonder accenten. Op deze wijze wordt de

overgang met het buitengebied op een passende wijze

vormgegeven en worden grote kleurcontrasten voorkomen.

De bebouwing langs de ontsluitingsring wordt uitgevoerd in

de basiskleur voorzien van een accentkleur behorende bij

het desbetreffende woonmilieu.

De accentkleuren per woonmilieu zijn:

• Stedelijk: oranje

• Tuindorp: wit

• Centrum: rood

• Bos: hout

• Landelijk: geen (kleurgebruik bestaande uit

herfsttinten, varieert per woonbuurtje)

• Terpen geen (alleen basiskleur)

Middels monsterborden worden de toekomstige bouwers

voorgelicht over het gewenste kleurgebruik. Deze

monsterborden worden tevens door de welstandscommissie

als toetsingskader voor de bouwplannen gehanteerd.

Woningtypologieën

Bij de uitwerking van de woonmilieus worden woningtypen

benoemd. Hierbij wordt voor onderhavig plangebied een

onderscheid gemaakt in 2 categorieën (vrijstaand en

dubbel). Deze worden verbeeld in de tekening die hiernaast

is afgebeeld.

Voor de verschillende typologieën gelden verschillende

randvoorwaarden, onder andere ten aanzien van parkeren.

Ook ten aanzien van de plaatsing van een woning op de

kavel gelden er randvoorwaarden. Voor vrijstaande

woningen geldt dat het hoofdgebouw minimaal 3 meter uit

de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd moet worden. Voor

garages geldt een minimale afstand van 2 meter.

Bij geschakelde/ twee-onder-één kapwoningen geldt voor

hoekwoningen dat het hoofdgebouw 3 meter uit de

zijdelingse perceelsgrens moet staan. Voor alle typen geldt

dat er geen garages op de hoek gesitueerd mogen worden.

Rooilijnen

Om een rustig en samenhangend straatbeeld te

waarborgen wordt er een voorgevelrooilijn geïntroduceerd.

Deze rooilijn is op 5 meter uit de aan de voorzijde

gesitueerde perceelsgrens gesitueerd.

9


Aan- en bijgebouwen

Voor twee-onder-één kapwoningen, geschakelde woningen

en vrijstaande woningen geldt dat de afstand van aan- en

bijgebouwen tot de voorgelegen erfgrens minimaal 10 meter

dient te bedragen. Het aan -bijgebouw dient minimaal 5

meter achter de voorgevelrooilijn gesitueerd te worden.

Voor twee-onder-één kapwoningen en geschakelde

woningen geldt dat indien de afstand van het hoofdgebouw

tot de zijdelingse perceelgrens 6 meter of meer bedraagt

(twee auto-opstelplaatsen naast elkaar, dus minimaal 2x

5meter bij 3 meter) mag het aan -bijgebouw minimaal op 9

meter achter de erfgrens gerealiseerd worden. Dit betekent

dat het aan- en bijgebouw in een dergelijke situatie

minimaal 4 meter uit de voorgevelrooilijn gerealiseerd moet

worden.

Voor vrijstaande woningen geldt dat indien de afstand van

het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens 6 meter of

meer bedraagt (twee auto-opstelplaatsen naast elkaar, dus

minimaal 2x 5meter bij 3 meter), het aan -bijgebouw in of

achter de voorgevelrooilijn gesitueerd mag worden.

Randvoorwaarde is dat de massaopbouw van het aan- en

bijgebouw afgestemd wordt op die van de hoofdmassa

zodat er een samenhangend harmonieus geheel ontstaat.

Erkers mogen maximaal 70% van de gevelbreedte van de

woning beslaan met een maximale diepte van 1 meter. Dit

betekent dat de erkers aan de voorzijde van de woningen

binnen de voorgeschreven rooilijn van 5 meter van de

erfgrens gerealiseerd mogen worden. Voor een erker aan

de zijkant betekent dit dat deze binnen de voorgeschreven

afstand van 3 meter van de zijerfgrens gerealiseerd mag

worden (dit geldt niet voor de garagezijde).

10

Parkeren

Ten aanzien van parkeren geldt dat bij vrijstaande woningen

en twee-onder-één kap/ geschakelde woningen minimaal 2

parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd dienen te

worden. Per woning mag één in- / uitrit met een maximale

breedte van 4 meter gerealiseerd worden.

Op bijzondere plekken in het plan mag hiervan afgeweken

worden. Het gaat hierbij om verbijzonderingen/accenten.

Voorwaarde hierbij is dat het ruimtelijk beeld versterkt wordt

en de benodigde parkeercapaciteit op een goede wijze in

het openbaar gebied opgelost wordt.

Voor alle woningtypen geldt dat er voldoende opstelruimte

ten behoeve van de auto(‘s) voor de garage/bijgebouw

gerealiseerd dient te worden (zie paragraaf aan – en

bijgebouwen).

Bij alle woningtypen die voorzien zijn van een garage dient

aan de zijde van de garage het hoofdgebouw minimaal 3

meter uit de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden.

Dit om ook in de breedte voldoende ruimte voor de auto te

creëren.

Hoe hoger de bebouwingsdichtheid, des te groter wordt de

parkeerdruk op de openbare ruimte. De maximale

bebouwingsdichtheid en het te realiseren woningtype dient

afgestemd te worden op de mate waarin bezoekersparkeren

op een goede wijze kan worden opgelost en met voldoende

capaciteit opgenomen kan worden in de openbare ruimte.

Uitgangspunt is dat er, op een goede wijze, minimaal 0,4

parkeerplaats per woning in het openbaar gebied moet

worden gerealiseerd.

Hoekwoningen

Ten aanzien van hoekwoningen geldt dat een goede

hoekoplossing belangrijk is voor de beeldvorming. Dit

betekent een tweezijdige gerichtheid (voorkant) van de

woning naar de openbare ruimte. Blinde zijgevels dienen

voorkomen te worden. Garages mogen dan ook niet op een

hoek gesitueerd worden, tenzij deze architectonisch

onderdeel uitmaken van de hoofdmassa. Op deze wijze

bepaalt de hoofdmassa de gewenste vormgeving van de

hoek (zie voorbeeld tekeningen).

Creatieve hoekoplossingen waarbij niet geëindigd wordt met een

garage: de hoofdmassa is beeldbepalend


Goede hoekoplossing door 2 representatieve

gevels richting openbare ruimte

Accenten

Het stedenbouwkundig richtbeeld geeft op bijzondere

hierbij bijvoorbeeld om belangrijke hoekpunten,

verbijzonderingen in het straatbeeld en einde van

zichtlijnen. Deze accenten kunnen op een aantal punten

afwijken van de belendende bebouwing (bijvoorbeeld qua

detaillering, kleur, materiaalgebruik, massa, vorm,

gevelkarakteristiek en/of plaatsing).

Voorwaarde is dat het accent in samenhang met de

belendende bebouwing en/of het straatbeeld ontwikkeld

wordt en recht doet aan de betreffende functie van het

accent.

Erfafscheidingen

Uitgangspunt is dat erfafscheidingen grenzende aan de

openbare ruimte onderdeel dienen uit te maken van het

architectonisch ontwerp. Bij de behandeling van de

spelregels per woonmilieu zijn specifieke eisen en/of

wensen ten aanzien van erfafscheidingen opgesteld.

Duurzaamheid

Bij de architectonische uitwerking van de bebouwing dient

rekening gehouden te worden met het eventueel toepassen

van duurzaamheidsaspecten (bijv. zonnepanelen). Deze

dienen geïntegreerd te worden in het architectonisch

ontwerp.

11


3.2 Structuurdragers

De infrastructurele hoofddragers spelen een belangrijke rol in

de beeldvorming van een woongebied. Bezoekers en

bewoners maken gebruik van deze hoofdontsluitingsstructuur

en krijgen hiermee een eerste indruk van de wijk. Via de

structurele verkeerslijnen dient de opbouw van de wijk

herkenbaar en afleesbaar te zijn. Architectuur, massaopbouw,

materiaal- en kleurgebruik en de inrichting van de openbare

ruimte zijn middelen om dit te bewerkstelligen. Deze kunnen

ingezet worden om enerzijds samenhang te bewerkstelligen

en anderzijds differentiatie per woonmilieu aan te brengen.

Binnen de 1 e fase van de Delftlanden kunnen twee hoofd-

infrastructurele lijnen onderscheiden worden. Deze worden

hieronder nader uitgewerkt.

Net als de hoofdontsluiting spelen ook de randen van de

verschillende woonmilieus een belangrijke rol. De randen van

de woonmilieus treffen elkaar bij de groene tussenruimtes

(scheggen). Hier vindt een confrontatie plaats tussen

verschillende woonmilieus en wordt het onderscheid ervaren.

Ontsluitingsring

De ontsluitingsring verbindt de woonmilieus stedelijk, tuindorp

en centrum met elkaar en takt aan op het bovenliggende

verkeersnetwerk. Op de ontsluitingsring liggen kleine

verkeerspleintjes die de toegangen vormen tot de

woonbuurten. Elk verkeerspleintje ligt in een groter ruimtelijk

plein dat karakteristiek is voor het betreffende woonmilieu en

de entreefunctie van het betreffende woonmilieu versterkt.

Langs de ontsluitingsring worden de verschillende

woonmilieus zichtbaar door een onderscheid aan te brengen

in architectuur, massa-opbouw en kleurgebruik (gebruik

accentkleur).

Alle woningen zijn met hun voorzijde of, in geval van een

hoekwoning, de zijkant op de ontsluitingsring georiënteerd.

Dus geen achterkanten richting de ontsluitingsring.

12

Hierbij heeft binnen eenzelfde woonmilieu de bebouwing die

de noordzijde van de ontsluitingsring begrenst een duidelijke

relatie met de zuidelijke bebouwingsrand. Beide zijden dienen

een eenheid te vormen en samenhangend te worden

vormgegeven.

Qua bouwmassa en woningtype gelden langs de

ontsluitingsring de volgende regels:

Stedelijk: bouwmassa’s (rijwoningen) bestaan uit twee

bouwlagen met dakopbouw of 3 bouwlagen met

een plat dak. De bebouwing aan het plein bij de

entree bestaat uit 3 bouwlagen met accenten ter

hoogte van de centrale groene zone in 3-4

bouwlagen

Tuindorp: bouwmassa’s (twee-onder-één kapwoning,

geschakeld of vrijstaand) bestaan uit 2 lagen met

een kap

Centrum: bouwmassa’s (hoofdzakelijk twee-onder-één

kapwoning en geschakeld) bestaan uit 2 lagen met

een a-symmetrische kap

Boog landelijk gebied

De boog in het landelijk gebied verzorgt zowel de ontsluiting

van het landelijk gebied als de terpen. Het vormt hiermee een

beeldbepalend element, zeker omdat de woningen in de

buitenbocht en dus in het zicht gesitueerd zijn.

De woningen in de boog zijn met hun voorzijde op de weg

georiënteerd en bestaan uit 2 bouwlagen met kap. De

kapvorm is een zadeldak dat loodrecht op de weg gesitueerd

is.

De architectuur en het materiaal- en kleurgebruik van de boog

vormt een afspiegeling van het achterliggende buurtje. De

buurtjes onderscheiden zich van elkaar door het kleurgebruik.

Samenhang wordt verkregen doordat voor alle buurtjes (en

daarmee de gehele boog) in een landelijke architectuurstijl

vormgegeven worden.

Ontsluitingsring

Boog landelijk gebied


Randen

Noord-zuid lijnen

Randen

De woonmilieus stedelijk, tuindorp, centrum en bos worden

begrensd door noord-zuid gerichte randen die georiënteerd

zijn op de groene ruimtes. Deze randen laten de verschillen

tussen twee woonmilieus zien.

Qua bouwmassa en woningtype gelden hierbij de volgende

regels:

Stedelijk: bouwmassa’s (rijwoningen) bestaan uit 2

bouwlagen met een dakopbouw of 3 bouwlagen

met een plat dak. Uitzondering hierop vormt het

noordelijke deel van de westelijke rand (ter hoogte

van de knik dat tevens een accent vormt). De

bebouwing bestaat hier uit 2 bouwlagen met een

dakopbouw of kap of 3 bouwlagen plat.

Tuindorp: bouwmassa’s (twee-onder-één kapwoning of

geschakeld of vrijstaand) bestaan uit 2 bouwlagen

met een kap (vrijstaande woningen bestaan uit 1,5–

2 bouwlagen waarbij de kap loodrecht op de

openbare ruimte gesitueerd is)

Centrum: bouwmassa’s (twee-onder-één kapwoning of

geschakeld) bestaan uit 2 bouwlagen met een

dakopbouw of kap

Bos: bouwmassa’s (vrijstaand, twee-onder-één

kapwoning en geschakeld) bestaan uit maximaal 2

bouwlagen met plat dak (eventueel met

ondergeschikte dakopbouw)

De woningen worden geheel opgetrokken uit donker-rood

bruine baksteen (basiskleur) met een accentkleur (zie

beschrijving woonmilieus). Indien een kap aanwezig is dient

deze te bestaan uit antracietkleurige pannen.

Daarnaast is het belangrijk dat de rand ten noorden van de

ontsluitingsring in samenhang met de zuidelijke rand wordt

vormgegeven. Alleen op deze wijze wordt het deel ten

noorden en ten zuiden van de ontsluitingsring een eenheid en

wordt de ruimtelijke barrièrewerking van de ontsluitingsring

opgeheven.

Naast deze noord-zuid gerichte randen speelt ook de oostwest

gerichte bebouwingsrand aan het landschapsvenster en

de voorzieningenstrook een belangrijke rol in de

beeldvorming. Deze rand dient per woonmilieu

samenhangend te worden vormgeven en te voldoen aan de

spelregels die gesteld worden voor het betreffende

woonmilieu.

Qua bouwmassa en woningtype gelden hierbij de volgende

regels:

Stedelijk: bouwmassa’s (rijwoningen) bestaan uit 2

bouwlagen met een dakopbouw of 3 bouwlagen

met een plat dak.

Tuindorp: bouwmassa’s (twee-onder-één kapwoning of

geschakeld of vrijstaand) bestaan uit 2 bouwlagen

met een kap (vrijstaande woningen bestaan uit 1,5–

2 bouwlagen waarbij de kap loodrecht op de

openbare ruimte gesitueerd is)

Centrum: bouwmassa’s bestaan uit 3 bouwlagen plat

afgedekt of met een lessenaarsdak met de hoge

zijde richting de voorzieningenstrook

Noord-zuid lijnen

Binnen de woonmilieus stedelijk, tuindorp en centrum zijn een

grote hoeveelheid noord-zuid lijnen aanwezig. Deze worden

gevormd door infrastructurele lijnen die begeleid worden door

oude en nieuwe houtwallen.

Zij structureren deze woonmilieus waardoor de samenhang

van de bebouwing langs zo’n lijn dan ook zeer belangrijk is.

Zeker gezien het feit dat deze lijnen de ontsluitingsring

kruisen, die niet als barrière mag fungeren. Architectonische

samenhang van een totale lijn is dan ook uitgangspunt.

13


3.3 Woonmilieus

Binnen Delftlanden-I van de Delftlanden worden zes

verschillende woonmilieus onderscheiden elk met een eigen

karakter. Deze woonmilieus bestaan uit een samenhangend

cluster van woningen en buurten die op een logische manier

voortvloeien uit het onderliggende masterplan. In

onderhavig beeldkwaliteitplan wordt voor de woonmilieus

landelijk en terpen de randvoorwaarden gesteld betreffende

de bebouwing en de inrichting van de openbare ruimte.

De volgende deelaspecten komen aan bod:

• plaatsing

• massa en vorm

• gevelkarakteristiek

detaillering, kleur en materiaal

• overgang privé/openbaar

• inrichting openbare ruimte

De zes woonmilieus

15


Onderscheid in kleurgebruik tussen de 4, binnen

onderhavig plan uit te werken, woonbuurtjes in het

woonmilieu landelijk. Er wordt gebruik gemaakt van

herfstachtige tinten. Per woonbuurtje wordt een

monsterbord samengesteld

16

A

A+B+C

(evenredige verdeling)

B

A+B+C

(evenredige verdeling)

A

B

monsterbord A

monsterbord B

monsterbord C


Vrijstaande woning met kap haaks op de openbare

ruimte in de boog

LANDELIJK-MILIEU

Karakteristiek

Dit woonmilieu wordt gekarakteriseerd door zes landelijk

vormgegeven woonbuurtjes die in een bosachtige omgeving

gesitueerd zijn. De buurtjes worden van elkaar gescheiden

door groene wiggen die gevormd worden door een

boskarakter.

Elk buurtje heeft een eigen brinkje. De drager in dit gebied

wordt gevormd door de hoofdontsluiting die de vorm heeft

van een boog. Deze drager is zeer beeldbepalend omdat de

woningen in de buitenbocht gesitueerd zijn en dus altijd in

het zicht gelegen zijn. Aan het einde van de drager

bevinden zich accenten waartussen de drager is

opgespannen.

Een tweede boog bestaande uit de interne

ontsluitingsstructuur verbindt voor de fietser alle brinkjes

met elkaar.

Plaatsing

- In dit woonmilieu worden vrijstaande en twee-onderéén

kap-/geschakelde woningen gesitueerd

- De woningen staan in de rooilijn

Massa en vorm

- De woningen in de boog (inclusief accenten aan het

einde van de boog) bestaan uit 1,5-2 bouwlagen met

kap die loodrecht op de openbare ruimte gesitueerd is

- Alle overige woningen bestaan minimaal uit 1

bouwlaag en maximaal 2 bouwlagen voorzien van een

kap. Kapvorm is zadeldak (eventueel met wolfseind) of

schilddak met weldadige overstekken

- De bouwmassa’s zijn eenvoudig en functioneel (niet

samengesteld)

- Samenhang tussen de 6 woonbuurtjes wordt verkregen

door een landelijke architectuurstijl. Het onderscheid

tussen de woonbuurtjes wordt verkregen door een

verschillend kleurgebruik van de gevelstenen en de

dakpannen. Voorwaarde is een gedekt kleurgebruik

- Bij vrijstaande woningen voorzien van een zadeldak

dient deze loodrecht op de openbare ruimte gesitueerd

te worden tenzij er sprake is van een breedtewoning

bestaande uit één bouwlaag met zadeldak, deze

dienen vormgegeven te worden middels een langskap

Gevelkarakteristiek

- De woningen zijn georiënteerd op de openbare ruimte

- Landelijke architectuurstijl (inspiratie kan zijn de

Drentse schuur)

- Geen symmetrie in de gevelindeling

Detaillering, kleur en materiaal

- Per woonbuurt is sprake van een eigen kleurgebruik

waarbij de gekozen kleuren voor de gevelsteen

(handvorm baksteen) afgestemd zijn op die van de

dakpannen. Voor de 4 onderhavige woonbuurtjes is

gekozen voor herfstkleuren die duidelijk verschillend

zijn (zie afbeelding op pagina 16). Een combinatie met

hout is mogelijk aangezien hiermee het landelijke

karakter versterkt wordt. Per woonbuurt wordt een

monsterbord samengesteld dat als toetsingskader voor

de welstand dient. In 2 woonbuurtjes wordt de kleur

gevormd door een combinatie van de drie

monsterborden. Hierbij is het van belang dat er sprake

is van een evenredig gebruik van het drietal

monsterborden

- Indien gebruik gemaakt wordt van dakkapellen dienen

deze klein en smal te zijn

- Detaillering en ornamenten kleinschalig en beperkt

(zie pagina 41) passende bij een landelijke

architectuurstijl

17


schaalniveau onderwerp beeldkwaliteit

bebouwing

hoofdstructuur boog heeft een architectonische samenhang in bouwmassa (2 bouwlagen met kap die loodrecht op de openbare ruimte is georiënteerd)

overgang privé/openbaar

openbare ruimte

18

woningtypologie

plaatsing

massa en vorm

gevelkarakteristiek

detaillering, kleur- en

materiaalgebruik

twee-onder-één kapwoningen, geschakelde woningen en vrijstaande woningen

vrijstaande woningen: hoofdgebouw minimaal 3 m en garage minimaal 2 m uit de zijdelingse perceelsgrens

overige woningen: hoofdgebouw minimaal met één zijde 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens

hoekwoningen (met twee zijden grenzende aan de openbare ruimte) dienen 3 m uit zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden

vrijstaande woningen en twee-onder-één kap/ geschakelde woningen 2 auto-opstelplaatsen op eigen terrein, overige woningtypen 1 auto-opstelplaats op eigen terrein

woningen worden in de voorgevelrooilijn gesitueerd (5 meter uit de aan de voorzijde gelegen perceelsgrens )

half-gesloten ruimtevormende wanden (zie pagina 32)

bebouwing is georiënteerd op de openbare ruimte

geen garages op hoeken (tenzij architectonisch onderdeel van de hoofdmassa)

per woning één in-/uitrit met een maximale breedte van 4 meter

aan-/ bijbouwen 5 m achter voorgevelrooilijn

boog en accenten aan einde boog: 1,5- 2 bouwlagen met kap

overige woningen: 1-2 bouwlagen met kap

bouwmassa is eenvoudig en functioneel (niet samengesteld ) in een landelijke vormgeving (inspiratie kan zijn de Drentse schuur)

kapvorm boog: zadeldak (loodrecht op de openbare ruimte)

overige woningen: zadeldak (eventueel met wolfseind) of schilddak met weldadige overstekken

massaopbouw aan- en bijgebouw dient afgestemd te worden op hoofdgebouw

erkers maximaal 70 % van gevelbreedte met een maximale diepte van 1 meter

gevels zijn vlak en worden landelijk vormgegeven

geen symmetrie in gevelindeling

voorzijde lage beukenhaag

hoekwoningen dienen tweezijdig gericht te zijn (als ware het 2 voorkanten, 2 representatieve zijden naar openbare ruimte)

gevels bestaan uit baksteen (handvorm) in herfsttinten eventueel gecombineerd met hout (kleur verschilt per woonbuurtje, zie pagina 16)

kap bestaat uit dakpannen (kleur is afgestemd op gevelbaksteen)

kleine smalle dakkapellen, erkers, carports, details en eventuele ornamenten kleinschalig en beperkt passende bij een landelijke architectuurstijl

overige zijdelingse perceelsgrens bij hoekkavels: haag

profiel weg

rijweg 5,00 meter breed (keperverband)

molgoot in midden rijweg (m.u.v. brinkjes, toegangswegen buurtjes en kruisingen)

kruisingen worden bol gestraat

de parkeerstrook langs de boog (gecombineerd met een groenstrook voorzien van bomen) is 2,00 meter breed (half-steensverband, 90 graden gedraaid ter hoogte van toegang tot particulier erf) )

brinkjes worden voorzien van een strooisteen

materiaal- en

voor zowel rijweg als parkeerstrook grijze betonstraatstenen

kleurgebruik strooisteen kleur “ferro nova” (15 procent)

inrichting

brinkjes: gras met bomen (extensief beheer) en eventueel enkele groenaccenten

bosstroken: bomen met een nagenoeg gesloten kronendak. De onderbeplanting wordt gevormd door struikvormers en ruiger gras (inheemse beplanting)

speelplekken in de openbare ruimte, bosstroken lenen zich uitstekend voor spelaanleidingen en –routes, de brinkjes voor speelplekken


Overgang privé/openbaar

- Voorzijde wordt vormgegeven door een lage

beukenhaag

- Bij hoekpercelen bestaat de zijdelingse perceelsgrens

uit een haag

Openbare ruimte

- De brinkjes bestaan uit gras met bomen (extensief

beheer) en eventueel enkele groenaccenten

- De tussenliggende bosstroken worden gevormd door

bomen met een nagenoeg gesloten kronendak. De

onderbeplanting bestaat uit struikvormers en ruiger

gras (inheemse beplanting). In de bosstroken worden

wandelpaden opgenomen

- In de openbare ruimte worden speelplekken

opgenomen. De bosstroken lenen zich uitstekend voor

spelaanleidingen en –routes, de brinkjes voor

speelplekken

Vrijstaand wonen in een landelijke stijl

19


20

Indicatieve verkaveling terp


TERPEN-MILIEU

Karakteristiek

De terpen worden omringd door het open landschap en

vormen als het ware de vooruitgeschoven bakens van het

nieuw te ontwikkelen woongebied. Een deel van de terpen

grenst direct aan een waterpartij.

Op de terpen zijn de woningen rondom een hofje

gesitueerd met een semi-openbaar karakter en hebben

daarmee een intiem karakter.

De terpen zorgen voor een “zachte” overgang van het open

landschap naar de nieuwe woonwijk. De landelijk

vormgegeven woningen zijn met de voorzijde op het open

landschap georiënteerd. De voortuinen van de woningen

vormen het verlengde van het open landschap. De

erfafscheiding ontbreekt of wordt gevormd door een lage

haag.

Plaatsing

- Binnen dit woonmilieu worden uitsluitend vrijstaande

woningen gesitueerd

- De woningen worden in de rooilijn gesitueerd

- Bijgebouwen dienen op een dusdanige wijze in de

hoofdmassa geïntegreerd of zodanig gesitueerd te

worden dat deze niet dominant in de beeldvorming

(vanuit het open landschap) aanwezig zijn

- Parkeren geschiedt op eigen terrein aan de achterzijde

op het perceel (bereikbaar vanaf het binnenterrein)

Massa en vorm

- De woningen bestaan uit 1-1,5 bouwlagen met kap

- Kapvorm is zadeldak (eventueel met wolfseind) of

schilddak met weldadige overstekken

- De bouwmassa’s zijn eenvoudig en functioneel (niet

samengesteld)

21


schaalniveau onderwerp beeldkwaliteit

bebouwing

overgang privé/openbaar

openbare ruimte

22

hoofdstructuur terpen vormen vooruitgeschoven bakens

woningtypologie

plaatsing

massa en vorm

gevelkarakteristiek

vrijstaande woningen

hoofdgebouw minimaal 3 m en garage minimaal 2 m uit de zijdelingse perceelsgrens

per woning 2 auto-opstelplaatsen

woningen worden in de voorgevelrooilijn gesitueerd (5 meter uit de aan de voorzijde gelegen perceelsgrens)

ruime open verkavelingsopzet, onderlinge tussenafstand vrijstaand (zie pagina 32)

bebouwing is georiënteerd op de openbare ruimte

geen garages op hoeken, bijgebouwen dienen in de hoofdmassa geïntegreerd te worden of zodanig gesitueerd te worden dat deze niet dominant in de beeldvorming vanuit het open landschap

aanwezig zijn

per woning één in-/uitrit met een maximale breedte van 4 meter

vrijstaande woning: 1-1,5 bouwlagen met zadeldak (eventueel met wolfseind) of schilddak met weldadige overstekken

bouwmassa is eenvoudig en functioneel (niet samengesteld ) in een landelijke vormgeving (inspiratie kan zijn de Drentse schuur)

massaopbouw aan- en bijgebouw dient afgestemd te worden op hoofdgebouw

erkers maximaal 70 % van gevelbreedte met een maximale diepte van 1 meter

gevels worden vormgegeven in een landelijke architectuurstijl, de plasticiteit van de gevel is vlak

geen symmetrie in gevelindeling

hoekwoningen dienen tweezijdig gericht te zijn (als ware het 2 voorkanten, 2 representatieve zijden naar openbare ruimte)

detaillering, kleur- en gevels in een donker rood-bruine handvorm baksteen (basiskleur) met een mat antracietkleurig mat pannendak

materiaalgebruik kleine smalle dakkapellen, erkers, carports, details en eventuele ornamenten kleinschalig en beperkt passende bij een landelijke architectuurstijl

voorzijde erfafscheiding ontbreekt of bestaat uit een lage haag. Steigers/vlonders zijn niet toegestaan

overige zijdelingse perceelsgrens bij hoekkavels:haag

achterzijde: haag

profiel weg

rijweg 5,00 meter breed (keperverband)

kruisingen worden bol gestraat

binnenterreinen worden voorzien van een strooisteen

materiaal- en

voor rijweg grijze betonstraatstenen

kleurgebruik strooisteen kleur “ferro nova” (15 procent)

inrichting

open landschap heeft een natuurlijke inrichting bestaande uit inheemse beplanting en waterpartijen. Het gebied wordt extensief beheerd

speelplekken in de openbare ruimte


Gevelkarakteristiek

- De bebouwing is georiënteerd op het open landschap

- De gevels worden vormgegeven in een landelijke

architectuurstijl (inspiratie kan zijn de Drentse schuur)

- Plasticiteit van de gevel is vlak

- Geen symmetrie in de gevelindeling

Detaillering, kleur en materiaal

- Alles uitvoeren in een donker rood-bruine handvorm

baksteen met een mat antracietkleurig pannendak

- Indien gebruik gemaakt wordt van dakkapellen dienen

deze klein en smal te zijn

- Detaillering en ornamenten kleinschalig en beperkt (zie

pagina 41) passende bij een landelijke architectuurstijl

Overgang privé/openbaar

- Aan de voorzijde, richting open landschap, ontbreekt

een erfafscheiding of wordt deze vormgegeven door

een lage haag. Steigers/vlonders zijn niet toegestaan

- Zijdelingse perceelsgrens, grenzend aan openbaar

gebied (hoekkavels): haag

- Aan de achterzijde, richting hofje, een haag

Openbare ruimte

- Het open landschap rondom de terpen wordt

vormgegeven door een open natuurlijke inrichting

bestaande uit inheemse beplanting en water. Het wordt

aan de westzijde begrensd door de Sleenerstroom. Het

gebied rondom de terpen heeft de functie

waterretentie. Dit betekent dat het bij extreme regenval

onder water kan staan. Het gebied zal extensief

beheerd worden. Daarnaast worden er wandelpaden

aangelegd

- In de openbare ruimte worden speelplekken

opgenomen. De openbare ruimte rondom de terpen

leent zich uitstekend voor spelaanleidingen en –routes

23


DE BELANGRIJKSTE VERSCHILLEN TUSSEN DE WOONMILIEUS

De belangrijkste onderlinge verschillen tussen de behandelde woonmilieus worden hieronder nog eens kort samengevat.

SCHAALNIVEAU ONDERWERP LANDELIJK TERPEN

bebouwing

overgang privé/openbaar

hoofdstructuur boog bestaat uit woningen in 1,5-2 bouwlagen met zadeldak

(loodrecht op de openbare ruimte)

open verkavelingsopzet op een verhoging in het landschap

plaatsing onderlinge tussenafstand half-gesloten/vrijstaand onderlinge tussenafstand vrijstaand

massa en vorm alle woningen 1-2 bouwlagen met kap

vrijstaande woningen 1-1,5 bouwlaag met kap

eenvoudige bouwmassa

bouwmassa is eenvoudig vormgegeven

detaillering, kleur- en materiaalgebruik handvorm baksteen eventueel gecombineerd met hout gevels: handvorm baksteen (basiskleur)

alle woningen worden uitgevoerd met zadeldak of schilddak alle woningen worden uitgevoerd met zadeldak of schilddak

(dakpannen in herfsttinten)

(antracietkleurig matte dakpannen)

kleurgebruik verschilt per woonbuurtje (herfstkleuren, zie

monsterborden)

voorzijde lage beukenhaag erfafscheiding ontbreekt of een lage haag

overige zijdelingse perceelgrens hoekkavels: hagen zijdelingse perceelgrens hoekkavels en achterzijde: hagen

openbare ruimte inrichting brinkjes in combinatie met bosstroken (extensief beheer) open landschap met natuurlijke inrichting en waterpartijen (extensief beheer)


Parkeren vindt plaats op

grasklinkers in parkeervakken

4. PROFIELEN

De profielen van de openbare ruimte in de woonbuurten

onderscheiden zich met name door de wijze van

bezoekersparkeren (zie tekening). Op de

hoofdontsluitingsring is parkeren niet toegestaan om de

stroomfunctie van deze weg niet te frustreren. De woningen

die op deze ontsluitingsring georiënteerd zijn, worden

ontsloten middels parallelwegen.

In de woonmilieus met een hogere dichtheid (met name

stedelijk en centrum) vindt parkeren in de openbare ruimte

in een aparte parkeerstrook plaats. In de minder dichte

woonmilieus (met name tuindorp, landelijk en terpen) vindt

parkeren op de rijweg plaats.

Hieronder volgen de verschillende te onderscheiden

profielen binnen fase 1. Het gaat hierbij om de afmetingen

van de profielen. De uiteindelijke inrichting wordt in een later

stadium bepaald.

27


28

Parkeren vindt plaats

op de rijbaan

Parkeren vindt plaats

op de rijbaan


BIJLAGE: SPELREGELS NADER

TOEGELICHT

29


Hieronder zijn een aantal behandelde spelregels nader

toegelicht en gevisualiseerd.

Plaatsing

In de deze categorie komt de situering van een gebouw

aan de orde. De positie van het gebouw in relatie tot de

belendingen en de openbare ruimte.

Verkavelingtype:

Beschrijft de type verkaveling van de gebouwen. Het

gaat hierbij om de typologie, oriëntatie en de relatie

tussen gebouwen, gerelateerd aan de onderliggende

stedenbouwkundige opzet. Mogelijke variaties zijn:

geschakeld, twee-onder-één-kap, vrijstaand, gesloten

bouwblok, (half)open bouwblok, strokenverkaveling,

e.d.

31


Positie onderling:

Beschrijft de onderlinge plaatsing van gebouwen. Het

gaat hierbij om de plaatsing in de diepte van de kavel

en betreft de wandvorming in de daarvoor bestemde

zone. De wandvorming is optimaal bij gebruik van

rooilijnen en minder groot bij rangschikking die volgt uit

de toepassing van marges of andersoortige

differentiaties. Mogelijke variaties zijn: in de rooilijn,

wisselend, trapsgewijs, vaste marges, gevarieerd, e.d.

32

Afstand onderling:

Beschrijft de onderlinge tussenafstand van gebouwen.

Het gaat hierbij om de plaatsing in de breedte van de

kavel en betreft de onderlinge aansluiting van de

gebouwen c.q. de beslotenheid of doorzichtigheid van

de ruimtevormende wand in relatie tot de kavel- en

gebouwbreedte. Mogelijke variaties zijn: gesloten,

halfgesloten, vrijstaand, open, gevarieerd e.d.


Plaatsing op kavel:

Het gaat hierbij om de plaatsing van het gebouw in

relatie tot de kavel waarop het gebouw gesitueerd

wordt. Mogelijke variaties zijn gehele breedte, links,

midden of rechts op kavel.

Richting:

Beschrijft de opstellingsrichting van een gebouw. Het

gaat hierbij om de hoofdrichting van het gebouw of de

richting van de hoofdvorm in de zone van de

ruimtevormende wand. Mogelijke variaties zijn:

evenwijdig of dwars aan de weg, wisselend met een

bepaalde ordening of gevarieerd, e.d.

33


Herhaling, ritmiek:

Beschrijft de mate aan samenhang door herhaling of

ritmiek van een verzameling gebouwen. Het gaat hier

om de herhaling van gebouwen of onderdelen daarvan

in een bepaalde ordening of systematiek, waardoor een

samenhang ontstaat. Mogelijke variaties zijn:

samenhangend, onsamenhangend.

34


Massa en vorm

Het gaat hier om de hoofdvorm en –massa van een

gebouw in relatie tot of met de omgeving. In de

ruimtelijke verschijningsvorm is de massa en de vorm

van het gebouw het intermediair tussen

stedenbouwkundige en architectonische

beeldaspecten.

Opbouw hoofdmassa:

Beschrijft de combinatie van opstandhoogte en

bovenbelijning van een gebouw. Met betrekking tot

gebouwen gaat het hier om de hoogte van het

gevelwandvlak en de belijning van de bovenbegrenzing

door bijvoorbeeld een kap. Mogelijke variaties zijn: één,

twee, drie of meerdere bouwlagen met of zonder kap.

35


Profiel straat:

Beschrijft het dwarsprofiel van de openbare ruimte. Het

gaat hier om de karakteristiek van het dwarsprofiel van

een ruimte en de daarin /-naast gelegen bebouwing.

Mogelijke variaties zijn smal, breed, symmetrisch,

asymmetrisch, homogeen, gevarieerd.

36

Samenstelling massa:

Beschrijft de compositie en samenstelling van de

hoofdvolumes c.q. de plasticiteit van de bebouwing. Het

gaat hierbij om de afstemming tussen hoofd-, aan-, en

bijgebouwen. Gebouwen kunnen hierdoor hoofdzakelijk

enkelvoudig of samengesteld van samenstelling en

homogeen of gevarieerd van vorm zijn. Mogelijke

variaties zijn: enkelvoudig of samengesteld, homogeen

of gevarieerd.


Kapvorm en –richting:

Het gaat hierbij om de vorm en richting van de kap.

Mogelijke variaties zijn: plat, zadel, schild, mansarde,

lessenaar, samengesteld, langs, dwars, divers.

Relatieve omvang:

Beschrijft de verhoudingen van de hoofdafmetingen van

een gebouw. Het gaat hier om de onderlinge

verhoudingen tussen de driedimensionale afmetingen

van een gebouw. Mogelijke variaties zijn: klein,

middelgroot, groot, zeer grootschalig.

37


Vormbehandeling:

Beschrijft de modellering of aard van de vorm. Het gaat

dan om de kenmerken die de weergave zijn van een

vormkarakteristiek. Mogelijke variaties zijn: eenvoudig,

gevarieerd, kantig, vloeiend, thematisch,

experimenteel, gevarieerd.

38

Gevelkarakteristiek

Het gaat hier om de verschijningsvorm en/of aanzichten

van een gebouw. Naast de relatie met de omgeving

wordt hier met name de karakteristiek van het gebouw

als object beschreven en gewaardeerd.

Gerichtheid en oriëntatie:

Beschrijft de zijde(n) die voor een gebouw

gezichtsbepalend en bezien vanaf de publieke ruimte

beeldbepalend zijn. Het gaat hierbij om de

wisselwerking tussen het gebouw en de (publieke)

ruimte. Mogelijke variaties zijn: gericht op publieke

ruimte, privé-ruimte, twee- of meerzijdig, gevarieerd

e.d.


Geleding:

Beschrijft inzake belijning en/of reliëf het hoofdaccent

van de gevelindeling. Mogelijke variaties zijn: verticaal,

horizontaal, evenwichtig, figuratief of experimenteel,

gevarieerd e.d.

Indeling:

Beschrijft de vorm en indeling van de gesloten en open

vlakken zoals ramen en deuren. Het gaat hierbij om

vormen en maatverhoudingen van de gevelindeling en

de relatie ervan met het gehele gebouw. Mogelijke

variaties zijn: traditioneel, gestileerd, neutraal en

geordend, gevarieerd en chaotisch e.d.

39


Plasticiteit:

Beschrijft de mate aan dieptewerking door het reliëf van

bijvoorbeeld negge, kolommen, penanten, metselwerk

en andere gevelelementen ten opzichte van de gevel

zelf. Het gaat hierbij om reliëf, vormen,

maatverhoudingen van bijvoorbeeld negge, kolommen,

penanten, metselwerk en andere gevelelementen en de

relatie ervan met de gehele gevel. Mogelijke variaties

zijn: veel/weinig schaduwwerking, vlak, ongelijk, rijk

aan dieptewerking, e.d.

40

Detaillering, kleur en materiaal

Het gaat hier om de karakteristieken die invulling geven

aan de verschijningsvorm van een gebouw. Ten opzicht

van de hiervoor genoemde beoordelingsaspecten zijn

deze aspecten bepaald niet ondergeschikt. Juist kleur

en materiaal zijn zeer beeldbepalend voor de

verschijningsvorm van een gebouw, straat en/of gebied.

Gaafheid en oorspronkelijkheid:

Beschrijft de mate aan oorspronkelijkheid van een

bestaand gebouw. Het gaat hierbij om mogelijke

vernieuwende of juist verouderde elementen die het

(gewenste) straatbeeld verstoren of juist versterken.

Mogelijke variaties zijn: verstoord, vernieuwd,

herkenbaar, hoofdzakelijk origineel, oorspronkelijk,

samenhangend, gevarieerd e.d.


Materiaalgebruik:

Beschrijft de aard en stofuitdrukking van het

materiaalgebruik. Het gaat hierbij om de stofuitdrukking

van de aan de buitenkant van een gebouw toegepaste

materialen t.a.v. de expressie van het gebouw en haar

omgeving. Mogelijke variaties zijn: steenachtig, metaal,

kunststof, hout, coatings, keramische tegels, glas,

glanzend, dof, gevarieerd e.d.

Kleurtoon en toepassing:

Beschrijft de specifieke kleurtoepassing en/of kleurtoon

van het kleurgebruik. Het gaat hierbij om de helderheid

van de kleurtoepassingen en het typerende

kleurgebruik of variaties met betrekking tot de

expressie van een gebouw. Mogelijke variaties zijn:

donker, middentoon, licht of in de vorm van een

gerichte omschrijving/ uniform, gevarieerd, ingetogen,

contrasterend.

Decoraties en ornamenten:

Beschrijft constructieve details, ornamenten en

decoraties. Het gaat hierbij om de bijzondere verrijking

die ruimte en bebouwing ondervindt van (constructieve)

details en bijzondere ornamentiek. Mogelijke variaties

zijn: eventuele kenmerkende ornamenten en decoraties

eventueel gecombineerd met de toevoeging fijn, matig,

grof, weinig of gecombineerd met gelijkvormig,

gevarieerd.

41

More magazines by this user
Similar magazines