De campus als publiek domein - Rooilijn

rooilijn.nl

De campus als publiek domein - Rooilijn

Special Roeterseiland: 2 ha. stedelijkheid

Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

P. 229

Stelling

Leon Deben

Interview

“The challenge is to make the

Roeterseiland part of the city”

Achtergrond

Compacte

clusteruniversiteit

1950-2010

Broedmachine van de

creatieve klasse

De campus als een

stad

De campus als

publiek domein

Roeterseiland:

van Complex naar

Campus

Tegels rechtleggen

in de Wibautstraat

Rooilijn

Tijdschrift voor wetenschap en beleid in de ruimtelijke ordening


Rooilijn

Colofon

Uitgever

Rooilijn is een uitgave van de

Faculteit der Maatschappij en

Gedragswetenschappen, Afdeling

Geografie, Planologie en Internationale

Ontwikkelingsstudies van de

Universiteit van Amsterdam.

Bureauredactie en administratie

Rooilijn

Nieuwe Prinsengracht 130

1018 VZ Amsterdam

Telefoon: 020 525 4365

Telefax: 020 525 4051

Email: info@rooilijn.nl

Internet: www.rooilijn.nl

Kopij

De redactie stelt spontane toezending

van voorstellen voor artikelen op prijs.

Auteursrichtlijnen treft u aan op

www.rooilijn.nl of kunnen worden

opgevraagd bij de bureauredactie.

Advertenties

Tarieven kunnen worden opgevraagd

bij de bureauredactie.

Prijzen jaarabonnement 2009

40,00 euro voor particulieren

64,00 euro voor instellingen

26,50 euro voor studenten

Prijs los nummer

7,50 euro exclusief verzendkosten

Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Colofon

P. 230

Abonnementen worden jaarlijks

stilzwijgend verlengd, tenzij uiterlijk

vóór 1 november schriftelijk is

opgezegd.

Rooilijn

Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Oplage: 11.100

ISSN 13802860

Redactie

Annemarie Maarse (hoofdredacteur),

Bart Sleutjes (eind- en beeldredacteur),

Arend Jonkman (bureauredacteur),

Maarten Rottschafer (penningmeester),

Manuel Aalbers, Jelle Adamse,

Wilma Bakker, Els Beukers, Marjolein

Blaauboer, Margot Deerenberg,

Sebastian Dembski, Albertine van

Diepen, Mendel Giezen, Joram

Grünfeld, Nadav Haran, Eva Heinen,

Carla Huisman, Femke Kloppenburg,

Marije Koudstaal, Melika Levelt, Sabine

Meier, Renee Nycolaas, Olivia Somsen,

Andrew Switzer, Ineke Teijmant,

Frans Thissen, Els Veldhuizen, Rick

Vermeulen, Samantha Volgers,

Clémentine Vooren, Hilde van Wijk

Nummerredactie

Carla Huisman, Annemarie Maarse,

Ineke Teijmant, Frans Thissen,

Samantha Volgers

Rechten

© Auteurs en Universiteit van

Amsterdam, Afdeling Geografie,

Planologie en Internationale

Ontwikkelingsstudies.

Deze uitgave heeft geen commercieel

oogmerk. Getracht is alle rechthebbenden

te achterhalen. Diegenen

die menen alsnog aanspraak te kunnen

doen op gelden worden verzocht

contact op te nemen met de redactie.

Artikelen uit Rooilijn mogen niet

worden verveelvoudigd, opgeslagen

of openbaar gemaakt zonder

voorafgaande schriftelijke toestemming

van de redactie.

Ontwerp en productie

LandofPlenty (Antoin Buissink)

Fotografie

Alle fotografie door Marcel Heemskerk

tenzij anders vermeld.

Drukwerk

Dékavé, Alkmaar


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Redactioneel

Redactioneel

Roeterseiland wordt bouwput

P. 231

De Universiteit van Amsterdam is in verbouwing. Na de afronding van

het Science Park in de Watergraafsmeer is het Roeterseiland aan de beurt.

De Faculteit der Maatschappij en Gedragswetenschappen heeft Rooilijn

medio 2008 benaderd met het verzoek een speciale uitgave over de

verbouwingsplannen voor het Roeterseiland te maken. Alhoewel Rooilijn

doorgaans geen uitgaven in opdracht maakt, vond de redactie dit een

bijzondere kans. Rooilijn kan bij uitstek de plannen voor het Roeterseiland

in een breder perspectief plaatsen. Naast de informatiebrieven en glossy

folders met toekomstplaatjes die tot het standaardrepertoire van de

communicatie-afdeling behoren, kan met deze speciale uitgave van

Rooilijn dieper op de achtergrond van de verbouwing worden ingegaan.

In deze special komen verschillende invalshoeken aan bod. Dick Schuiling,

al jarenlang werkzaam aan de UvA, geeft een historisch overzicht van de

relatie tussen universiteit en stad. Met name na de Tweede Wereldoorlog

heeft de UvA tal van verbouwingsplannen gemaakt die stuk voor stuk

na breed verzet, soms onder leiding van Schuiling zelf, op de plank zijn

beland. Met de huidige plannen wordt het tij gekeerd. Dit keer gaan ze

écht door! De drie decanen van de faculteiten die straks het Roeterseiland

zullen ‘bewonen’, de vice-voorzitter van het College van Bestuur en een

studentenvertegenwoordiger treden met elkaar in gesprek over nut en

noodzaak van de verbouwing en de punten die nog aandacht verdienen.

De architect van de nieuwbouw, Simon Allford, geeft een toelichting op

de plannen en presenteert in het beeldkatern de toekomstbeelden van het

vernieuwde Roeterseiland. Naast concrete bijdragen over de verbouwing

van het Roeterseiland, kijkt een aantal auteurs met wat meer afstand naar

de plannen. Arnold Reijndorp en Robert Kloosterman, beiden verbonden

aan de UvA, kijken respectievelijk naar de rol van campusvorming op het

publieke domein en de rol van de UvA voor Amsterdam als kennisstad.

Monique Arkesteijn en Alexandra den Heijer gaan in op campusvorming

in het algemeen. Zef Hemel en Ton Schaap, ten slotte, bekijken de

verbouwing van het Roeterseiland van een hoger schaalniveau als

onderdeel van de aanpak van de Wibautas.

De redactie heeft met veel plezier aan dit extra nummer gewerkt en hoopt

met deze bijdrage meer inzicht te geven in het hoe en waarom van de

toekomstige bouwput.

Annemarie Maarse

Hoofdredacteur Rooilijn (annemarie@rooilijn.nl)


Rooilijn Special Roeterseiland: 2 ha. stedelijkheid

foto: Hilde van Wijk

P. 232


Special Roeterseiland: 2 ha. stedelijkheid

Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Inhoud

Inhoud

234 Inleiding

De plannen

Toelichting op de herstructureringsplannen

van het Roeterseiland

De redactie

237 Stelling

De verbondenheid met de

binnenstad is essentieel voor de

aantrekkelijkheid van zowel de

UvA als van Amsterdam”

Leon Deben

238 Achtergrond

Compacte clusteruniversiteit

1950-2010

Ervaring leert: verwevenheid tussen

universiteit en stad is nog een grote

opgave

Dick Schuiling

248 Interview

“The challenge is to make the

Roeterseiland part of the city”

Interview met Simon Allford, architect

van de herstructurering van het

Roeterseiland

Sabine Meier en Samantha Volgers

252 De campus als een stad

Bouwen Nederlandse universiteiten

hun eigen stad of wordt de campus

onderdeel van de bestaande stad?

Monique Arkesteijn en Alexandra den

Heijer

260 InBeeld

Het nieuwe Roeterseiland

Het Amsterdamse Quartier Latin?

Simon Allford

270 Roeterseiland: van Complex

naar Campus

De nieuwe gebruikers zetten in op

academische meerwaarde voor minder

geld en meer stad en nog meer fietsen

Carla Huisman en Ineke Teijmant

P. 233

278 Broedmachine van de

creatieve klasse

Een meer strategische blik op het

belang van hoogopgeleiden voor

Amsterdam zou geen kwaad kunnen

Robert Kloosterman

284 De campus als publiek

domein

Teken het gebouwencomplex als

onderdeel van de openbare ruimte van

de stad. Nu kan het nog!

Arnold Reijndorp

288 Tegels rechtleggen in de

Wibautstraat

In gesprek met Zef Hemel en Ton

Schaap: “We moeten van die straat gaan

houden!”

Annemarie Maarse

296 Recensie

> De universiteit als ontwikkelaar

Global universities and urban

development. Case studies and analysis

Els Beukers

297 Signalement

> Higher Education and Regions:

Globally Competitive, Locally Engaged,

298 Column

Universitas

O. Naphta


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Inleiding: De plannen

Inleiding

De plannen

De Universiteit van Amsterdam (UvA) werkt aan de

clustering van haar faculteiten op vier plaatsen in de

stad. Met de oplevering van het Science Park in de

Watergraafsmeer komt het Bètacluster gereed. De

Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en

Informatica (FNWI) neemt er dit jaar haar intrek. Door

het vertrek van de FNWI komt op het Roeterseiland

een aantal gebouwen vrij. Deze worden de komende

jaren ingrijpend verbouwd zodat de gehele Faculteit

der Maatschappij- en Gedragswetenschappen (FMG)

en de Faculteit der Rechtsgeleerdheid (FdR) er kunnen

worden gehuisvest. Samen met de Faculteit Economie

en Bedrijfskunde vormen ze het Gammacluster. Door

deze schuifoperatie komt een aantal locaties op de

Oudemanhuispoort en het Binnengasthuisterrein vrij.

In dit Alfacluster wordt in de toekomst de Faculteit der

Geesteswetenschappen en de universiteitsbibliotheek

gehuisvest. Het vierde cluster, de Faculteit der

Geneeskunde, is het Academisch Medisch Centrum,

gesitueerd in Amsterdam Zuidoost.

De UvA heeft verschillende redenen om de faculteiten

te clusteren. De eerste reden is een financiële. De UvA

is op dit moment in vijfenzestig gebouwen gehuisvest,

met flinke beheerskosten tot gevolg. Elk gebouw heeft

bijvoorbeeld een portier nodig en moet apart worden

verwarmd. Door clustering van faculteiten kan het

beheer efficiënter worden georganiseerd. De UvA

wil jaarlijks niet meer dan twaalf procent van haar

budget besteden aan huisvesting. De solvabiliteit, de

verhouding tussen het eigen en het vreemd vermogen,

mag niet onder twintig procent zakken, zodat de

universiteit financieel gezond blijft. Als de UvA haar

huisvesting binnen deze uitgangspunten wil vormgeven

dan moet het aantal vierkante meters wat ze bezit en

beheert omlaag. Een tweede, eveneens belangrijke reden

is de mogelijkheid de samenwerking tussen verwante

disciplines te vergroten en gezamenlijke onderzoeks- en

onderwijsprogramma’s op te zetten. De studies Rechten

P. 234

Door de redactie

en Economie liggen bijvoorbeeld op tal van vlakken

sterk in elkaars verlengde. Als ze ondergebracht worden

op één locatie wordt het gemakkelijker om samen te

werken. Ten slotte biedt clustering meer flexibiliteit.

De studentenaantallen wisselen sterk per jaar en

zijn moeilijk voorspelbaar. In grotere gebouwen kan

makkelijker worden ingedikt en uitgedijt.

Het nieuwe Roeterseiland

Het Roeterseiland was vroeger het ‘afvalputje’ van de

grachtengordel. Het gebied heeft dienst gedaan als

afvalstort, industrieterrein en tramremise alvorens de

UvA zich er rond 1900 vestigde. In de jaren zestig en

zeventig zijn de gebouwen A, B en C gerealiseerd. Het

stedenbouwkundige plan uit die tijd is erg naar binnen

gekeerd. Daar komt met de nieuwe plannen verandering

in. De gebouwen B en C worden na verhuizing van de

FNWI verbouwd, zodat de FMG er haar intrek kan

nemen (2010-2013). Ook Psychologie, nu gehuisvest in

gebouw A, verhuist naar het verbouwde deel. Gebouw A

wordt vervolgens getransformeerd tot Rechtenfaculteit

(2014-2015). Gebouw I, de Diamantslijperij, wordt

gerenoveerd en uitgebreid (2010). Hier komt CREA, de

culturele organisatie van de UvA, in.

De schuifoperatie moet een nieuw karakter geven aan

het Roeterseiland. Van een van de buurt afgesloten

rommelig geheel van gebouwen, wordt het gebied

getransformeerd tot stedelijk studie- en werkgebied,

onderdeel van de buurt. Eén van de belangrijkste

onderdelen van de plannen is de opwaardering van de

Nieuwe Achtergracht tot centrale as van het gebied. Aan

de gracht komen de hoofdingangen van de universiteit

en op de begane grond komen horeca en commerciële

voorzieningen. In het deel van gebouw B boven de

gracht wordt een grote opening gemaakt, zodat er een

ruimtelijke relatie tot stand komt met het achterliggende

gebied. Ook de komst van CREA draagt bij aan het

stedelijke karakter van het gebied. Het is nadrukkelijk


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Inleiding: De plannen

Plattegrond van de UvA-gebouwen op het Roeterseiland (bron: Universiteit van Amsterdam)

de bedoeling niet alleen bezoekers van de universiteit

naar het Roeterseiland te trekken. Ook buurtbewoners

worden gezien als nieuwe gebruikers van het gebied.

Veel mensen weten nu niet eens dat er achter de

gebouwen B en C nog meer is. Dat moet in de toekomst,

als het aan de UvA ligt, anders. Andere onderdelen van

het plan zijn het oplossen van het fietsenprobleem door

de aanleg van fietsenkelders en het onder de grond

parkeren van alle auto’s. In de toekomst wordt niet

meer langs de gracht geparkeerd. De openbare ruimte

tussen de gebouwen krijgt een groen karaker, in plaats

van de huidige stenige uitstraling. Tenslotte wordt er

een doorgang van de Nieuwe Achtergracht naar de

Sarphatistraat gerealiseerd.

P. 235

Oningevulde planonderdelen

Een aantal onderdelen van het verbouwingsplan moet

nog worden uitgekristalliseerd. Zo is nog niet bekend wat

gebeurt met gebouw G, waar nu Planologie, Geografie

en Onderwijskunde gehuisvest zijn. Ook de invulling

van de gebouwen J en K, gelegen aan de achterkant van

gebouwen B en C, is nog onbekend. De UvA kijkt naar

mogelijkheden voor studentenhuisvesting en gebruik

door facilitaire diensten.

Als de verbouwing voorspoedig verloopt, is het nieuwe

Roeterseiland in 2016 klaar.


Rooilijn

Agnietenkapel (bron:Antoin Buissink)

Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

P. 236


Rooilijn

Stelling

Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Stelling

De verbondenheid met de binnenstad is

essentieel voor de aantrekkelijkheid van zowel

de UvA als van Amsterdam”

Sinds het Atheneum Illustre in 1632 de Agnietenkapel betrok,

hoort de UvA bij de binnenstad. De drommen jonge mensen

die na afloop van en tussen de colleges over straat struinen,

schilderen een prachtig beeld van de levendige binnenstad

dat men niet snel vergeet. De universiteit draagt sterk bij

aan het gemengde karakter van het stadscentrum door

haar gebruik van vele historisch waardevolle gebouwen.

De geschiedenis van Amsterdam vindt men op vele plekken

terug. Zo ziet men de handelsgeest aan de Turfmarkt en

in de bestuurskamer van de VOC in het Oost-Indisch-Huis.

Herinnert de Oude Manhuispoort met de aanwezige boekenstalletjes

aan de ouderenzorg en is de sfeer in de prachtige

Aula, de Lutherse kerk, uniek en onvervangbaar. Het is een

fantastisch decor voor het onderwijs dat onmogelijk op de

stadscampus Roeterseiland te creëren is.

Natuurlijk hebben al die oude gebouwen hun keerzijde. Ze

zijn lastig schoon te houden, meerdere portiers zijn nodig en

het is logistiek onhandig, kostbaar en tijdrovend. Maar deze

oude verspreid liggende gebouwen zijn tegelijk het tafelzilver

van de universiteit, dat door zorgvuldig beheer bewondering

afdwingt en nieuwe studenten trekt. De situering in het

stadshart is een wezenlijk onderdeel van de charme van

deze universiteit en speelt een belangrijke rol bij keuze van

studenten voor de UvA. Het geschetste beeld klinkt misschien

romantisch maar blijkt tot op heden effectief.

Het Roeterseiland is weliswaar tot de binnenstad te rekenen,

maar de schaal en concentratie zijn van een andere orde dan

het historische beeld van de Amsterdamse stadsuniversiteit

in het stadshart. Het is een grootschalig mono-functioneel

complex dat een tegenstelling vormt met de fijne structuur

van de binnenstad. De bruisende levendigheid op het

Binnen Gasthuisterrein, Spuistraat en Kloveniersburgwal,

waar studenten zich mengen met toeristen, moeders met

Leon Deben

P. 237

kinderen, dagjesmensen, werkers en buurtbewoners, staat

tegenover de rust in de Plantagebuurt.

De helaas veel te vroeg overleden voorzitter van het College

van Bestuur Jankarel Gevers zei in de nog altijd zeer

behartigenswaardige brochure Assepoester of Prinses

(Amsterdams Binnenstads Comité (ABC), eindredactie

Frans Heddema) dat er wel wat onderdelen naar de

Watergraafsmeer gaan maar dat de binnenstad de hoofdplek

blijft. “We kunnen er goed uit de voeten en de studenten

en medewerkers waarderen de plek om er te werken.” Het

argument dat soms opduikt bij de concentratieplannen is

de vermeende toename van ontmoeting en uitwisseling van

kennis. Zet medewerkers bij elkaar in een gebouw en het

komt wel goed is de doorsnee opvatting. Als kennisuitwisseling

belangrijk wordt gevonden dan gebeurt dat toch wel.

Fysisch determinisme bestaat niet. Een fysieke structuur

kan echter wel gunstige randvoorwaarden scheppen.

De historicus Donald Olsen – bekend door zijn boek De

stad als kunstwerk – wijst erop hoe de Amsterdammers

met een bewonderenswaardige eigenzinnigheid het

bijzondere van hun stad vast hebben weten te houden. Laat

dit ook gelden voor de huisvesting van de UvA en voorkom

dat de stadscampus zich naar binnen gaat opsluiten. Dat

laboratoria naar de rand verhuizen in de Watergraafsmeer

en het enorme AMC aan de Zuid Oostelijke stadsrand

zit, is logisch en voor de handliggend. Dat het

Roeterseilandcomplex wordt vernieuwd, ligt ook voor de

hand. Maar de binnenstad heeft de studenten nodig voor

haar bruisende karakter. De UvA zal haar aantrekkelijkheid

verliezen als ze de historische gebouwen te lichtvaardig

verlaat om louter financiële redenen.

Leon Deben is oud-hoofddocent Stadssociologie aan de UvA


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Compacte clusteruniversiteit 1950-2010

Compacte clusteruniversiteit 1950-2010

Dick Schuiling

A

Kaart 1 Overzicht van de toekomstige universitaire vestigingen naar omvang (bruto terrein- en vloeroppervlak)

Terreinoppervlakte Vloeroppervlakte

Vestiging Uilenburg 106.000 m 2 150.000 m 2

A-faculteit 83.000 m 2 139.000 m 2

B-faculteit 210.000 m 2 226.000 m 2

(bron: dienst der publieke werken afdeling stadsontwikkeling 1967)

U

P. 238

B

Schaal: 1: 12.500


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Compacte clusteruniversiteit 1950-2010

Achtergrond

We schrijven 1632, de oprichting van het Athenaeum Illustre. Bijna vier eeuwen

later worden de herstructureringsplannen van het Roeterseiland gepresenteerd.

Met de opgedane kennis en ervaring richt de opgave zich nu op een succesvolle

transformatie van het Roeterseilandcomplex en de Amstelcampus. In dit artikel

wordt een overzicht gegeven van de huisvestingsplannen die de Universiteit van

Amsterdam sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw heeft gepresenteerd. Lang niet

alle plannen en voorstellen zijn tot uitvoering gekomen. Verschil in inzichten over

verweving en scheiding tussen universiteit en stad volgde de trends van de periode

waarin de plannen werden gemaakt.

De Universiteit van Amsterdam kent een eeuwenoude

traditie om grotere gebouwen te transformeren voor

nieuw gebruik (Souwer, 2000). Het begon met de

voorloper van de universiteit, het Athenaeum Illustre

gehuisvest in de Agnietenkapel. Bij de Alteratie van

Amsterdam in 1578 was deze overgegaan van de

katholieke kerk naar de (inmiddels calvinistische)

gemeente. De kapel werd benut als auditorium en de

toenmalige universiteitsbibliotheek, de ‘stadslibrye’,

werd gehuisvest op de zolder van de kapel. Tot het

einde van de negentiende eeuw konden de 250

studenten daar goed uit de voeten. In 1877 werd

het Athenaeum Illustre universiteit en kwam de

Oudemanhuispoort beschikbaar voor huisvesting.

In het voormalig bejaardenhuis werd ook de aula

gevestigd. De medici kregen het Binnengasthuis en de

P. 239

biologen de Hortus Botanicus en Artis. Later kwamen

in en bij de Plantagebuurt ook instituten voor andere

bètaopleidingen. Tot 1961 is de universiteit van de

gemeente (GU). De gemeente faciliteert in die tijd de

huisvesting, maakt huisvestingsplannen en ontwerpt

zelfs de gebouwen.

Tot 1920 telt de voorloper van de Universiteit van

Amsterdam niet meer dan duizend studenten (zie

figuur 1). Vlak na de Tweede Wereldoorlog wordt de

grens van vijfduizend studenten gepasseerd en in 1950

telt de UvA zevenduizend studenten. Voor de periode

daarna verwachtte de universiteit een beperkte en geleidelijke

groei van het studentenaantal. Een voorspelling

die klopte, want tussen 1952 en 1962 groeide het aantal

niet verder.


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Compacte clusteruniversiteit 1950-2010

P. 240

Figuur 1 Ingeschrevenen 1877-2001 totaal (bron: Bureau Bestuursinformatie UvA)

30.000

25.000

20.000

15000

10.000

5.000

0

Het Drie-kernen-plan 1955

In die periode van stagnerende studentenaantallen

werd in 1955 door de gemeente en de universiteit

het Drie-kernen-plan aanvaard. Het plan voorzag

in de huisvesting van 10.000 à 12.000 studenten op

drie locaties in de stad: het Roeterseilandcomplex en

omgeving (REC), de Oudemanhuispoort (OMHP)

en het Wilhelmina Gasthuisterrein (WG-terrein).

De terreinen waren alledrie in of nabij de binnenstad

gelegen. Het Roeterseiland was bedoeld

voor de huisvesting van de bètafaculteiten en de

Oudemanhuispoort voor de alfafaculteiten en centrale

voorzieningen. De locatie OMHP werd later uitgebreid

met het Binnengasthuisterrein (BG-terrein), de Oude

Turfmarkt en het Maagdenhuis. Het WG-terrein en

omgeving was bedoeld voor de medische faculteit

en het ziekenhuis. Daarvoor moest wel eerst de

Kinkerbuurt-Zuid worden gesloopt.

Alternatieve ideeën

Opvallend voor de periode 1965-1975 en geheel

passend in de tijdgeest van democratisering, is dat de

discussie over het huisvestingsbeleid van de UvA in alle

universitaire geledingen en in de pers werd gevoerd.

De redeneringen vanuit verschillende belangen

1877/78

1880/81

1885/86

1890/91

1895/96

1900/01

1905/06

1910/11

1915/16

1920/21

1925/26

1930/31

1935/36

1940/41

1945/46

1950/51

1955/56

1960/61

1965/66

1970/71

1975/76

1980/81

1985/86

1990/91

1995/96

2000/01

werkten door in de uiteenlopende voorkeuren voor

huisvesting. Sommigen prefereerden de universiteit

in de bestaande stad door rigoureuze sloop en

herstructurering, anderen kozen voor aanpassing aan

het historisch erfgoed en stadsweefsel. Weer anderen

kozen voor de weilanden en nieuwe polders buiten de

stad.

De eerste hoogleraar planologie, Steigenga, bekritiseerde

het drie-kernen-plan. Hij was het weliswaar

eens met het universitaire huisvestingscredo dat alle

faculteiten in elkaars nabijheid behoren te zijn, maar

in de binnenstad en negentiende eeuwse wijken was

daarvoor volgens hem geen plaats. Als alternatief

adviseerde hij de omgeving van de Bijlmermeer. Ook

anderen stelden alternatieve huisvestingslocaties voor.

Zo droomde een clubje verontruste hoogleraren, die

de Oudemanhuispoort een ‘verstopt ex-bejaardenhuis

in een aftandse buurt’ vonden, van een Cité universitaire

op het Frederiksplein. Professor F. de Jong

Edz. stelde de strook tussen de Utrechtsebrug en

Ouderkerk voor. De CPN-gemeenteraadsfractie

propageerde een campusuniversiteit buiten de stad.

Een commissie onder leiding van professor Enschedé

stelde zelfs Flevoland voor (Souwer, 2000).


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Compacte clusteruniversiteit 1950-2010

Groeiende studentenaantallen

Halverwege de jaren zestig was de verwachting dat het

studentenaantal in 1975 zou zijn gegroeid tot 14.000.

Dankzij de babyboom en toenemende participatie aan

het wetenschappelijk onderwijs werd dit aantal al veel

eerder gehaald. Eind jaren zestig werd de studentenprognose

daarom bijgesteld richting 25.000 in 1975

waarvan 18.000 alfastudenten (men maakte in die tijd

nog geen onderscheid tussen alfa- en gammastudies).

De alfastudies moeten volgens de gemeente en de

universiteit grotendeels in de binnenstad gehuisvest

worden.

Het BG-terrein was op dat moment nog niet beschikbaar.

De Nederlandsche Bank, toen nog gehuisvest

in het huidige Allard Pierson Museum, aasde ook op

het terrein. Voor de alfa’s werden daarom steeds meer

kleine grachtenpanden gekocht of gehuurd om te

voorzien in de ruimtebehoefte. De ad hoc oplossingen

wakkerden de discussie over de huisvesting van de

alfawetenschappen voortdurend aan. In de periode

1965-1970 werden zeer uiteenlopende locaties voorgesteld.

Die varieerden van nieuwbouw in de Bijlmermeer

of Flevoland en sloop en nieuwbouw van de gemengde

woonwerkbuurten Uilenburg en Valkenburg tot een

universiteit langs de grachten. Het laatste voorstel

speelde in op de trend dat bedrijven op dat moment

massaal uit de binnenstad vertrokken. De leegstaande

kantoren boden interessante huisvestingsmogelijkheden

voor de universiteit. De leegstand in de binnenstad

en de gelijktijdige woningnood vormden de aanleiding

voor een fel verzet tegen de sloop van woningen op

Uilenburg, Valkenburg en nabij het Roeterseiland

voor de bouw van nieuwe universiteitscomplexen. In

1972 werd zelfs de actiegroep Geen woningsloop voor

universiteitsbouw opgericht (Schuiling, 1972).

Ook de huisvesting van de medische faculteit naast

het WG-terrein verliep problematisch. In 1965

werd duidelijk dat de ‘sanering’ van de Kinkerbuurt

nog flink op zich liet wachten. De gemeente bood

de universiteit als alternatief 64 hectare aan in de

Bullewijkerpolder (naast de Bijlmer) voor het nieuw

P. 241

te bouwen AMC. Dat werd door de universiteit in

dank aanvaard, mede omdat goede alternatieven voor

de huisvesting van de medische faculteit ontbraken

(Jonker en Schuiling, 1974). De planvorming en bouw

op het Roeterseilandcomplex zelf konden wel doorgang

vinden. De nieuwbouw op het terrein week sterk af

van de woonbuurten er om heen. De compacte, hoge

bebouwing zorgde voor een nieuw aanzicht in de

Amsterdamse binnenstad. In 1964 werd Anna’s Hoeve

in de Watergraafsmeer aangekocht. Die locatie, ver

buiten de binnenstad, was bedoeld voor de biologen.

Het Zeven-kernen-plan 1973

In 1973 nam het College van Bestuur van de UvA

het Zeven-kernen-plan aan: een gebundelde deconcentratie.

Vier vestigingen binnen de binnenstad

en vier erbuiten. De door de gemeente aangedragen

locatie Valkenburg/Uilenburg aan weerszijden van

de aanvoerweg naar de IJ-tunnel stond de universiteit

wel aan, maar bleek controversieel. Zowel de beoogde

gebruiker (de Letterenfaculteit) als de Universiteitsraad

(toen het hoogste orgaan) stemden tegen deze locatie.

Het College van Bestuur droeg het besluit vervolgens

voor aan de Kroon, die het vernietigde. Hierop volgde

een jarenlange impasse. In de tussentijd werden panden

gehuurd en voorstellen gedaan voor indikken op het

BG-terrein en bij het AMC.

Ook het eerste plan voor het BG-terrein (1975) vond

geen doorgang. Het was monofunctioneel, diende

alleen de belangen van de universiteit en ging uit van

sloop. Het wordt uiteindelijk door de Universiteitsraad

afgestemd na breed verzet zowel vanuit de buurt als van

monumentenliefhebbers. Veel kritiek was er op het feit

dat er geen inspraak met belanghebbenden had plaatsgevonden,

de cijfers over de ruimtebehoefte van de UvA

discutabel en ondoorzichtig waren en onvoldoende duidelijk

was of concentratie van ongelijksoortige instellingen

wel zinvol was. Ten slotte werd het bezwaar van

velen tegen de grootschaligheid van de nieuwbouw en

de eenzijdigheid van de bestemmingen breed gedeeld.

In 1977 telde de universiteit meer dan 20.000 studenten

en was de prognose voor 1980 opgelopen tot 24.000.


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Compacte clusteruniversiteit 1950-2010

Figuur 2 Percentage studenten naar opleiding 1945 - 2001 (bron: Bureau Bestuursinformatie UvA)

1945/46

1950/51

1955/56

1960/61

1965/66

1970/71

1975/76

1980/81

1985/86

1990/91

1995/96

2000/01

Figuur 3 Aantal ingeschrevenen UvA 1991-2007 (bron: Bureau Bestuursinformatie UvA)

30.000

25.000

20.000

15000

10.000

5.000

0

0%

1991

1992

10%

1993

1994

1995

Alle ingeschrevenen Voltijd ingeschrevenen

20%

Humanities/Law Social sc./Economics Science Medicine

BG-areaal en Huisvestingsplan 1980-2005

In 1978 werd ten behoeve van de ontwikkeling van het

BG-terrein een gemengde werkgroep voorgesteld. Deze

organiseerde een soort open planproces (Schuiling,

1980, 1982 en 1984). In 1981 verschijnt het eindrapport

(Werkgroep BG-areaal, 1980-1981). Het tweede

BG-plan behelsde veertig procent niet-universitaire

30%

1996

1997

40%

1998

50%

1999

2000

60%

2001

70%

2002

2003

2004

P. 242

functies (vooral wonen) op het BG-terrein. Daarnaast

werd het tot dan toe gesloten (ziekenhuis)complex

geopend voor fietsers en voetgangers. De werkgroep

sprak van “het terrein teruggeven aan de stad”. De

concentratiegedachte werd in het plan verder afgezwakt

wat de verwevenheid met de stad bevorderde. Het plan

werd grotendeels uitgevoerd.

80%

2005

90%

2006

100%

2007


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Compacte clusteruniversiteit 1950-2010

In het eveneens in 1981 verschenen Huisvestingsplan

1980-2005 werden per faculteit nieuwe ruimtenormen

vastgesteld. In figuur 2 is de ontwikkeling van het

aantal studenten naar type opleiding weergegeven.

Het feit dat de bèta’s door dalende belangstelling in die

opleidingen op het Roeterseiland veel te ruim in hun

jasje kwamen te zitten, werd een beetje verdoezeld.

Ombouwen van halfgebruikte practicumruimten

was ook erg kostbaar. In de jaren tachtig namen

de gammafaculteiten Economie en Bedrijfskunde

(FEB) en delen van de huidige Maatschappij- en

Gedragswetenschappen (FMG) steeds meer hun

intrek in bestaande en nieuwe gebouwen op het

Roeterseiland. Nog steeds geven die soms colleges

vanachter een practicumtafel, ooit bestemd voor schei-

en natuurkundigen.

De ruimteprognoses klapten vanaf 1982 om.

Bezuinigingen leidden tot een formatiekrimp van een

kleine 20 procent tussen 1980 en 1986. Het ministerie

verwachtte nog een lichte studentengroei als gevolg

van het emancipatie-effect, maar in de periode daarna

(1988-2000) werd een scherpe daling verwacht van

maar liefst 33 procent. Prognoses zijn blijkbaar erg

lastig want rondom 1992 had de UvA een piek van

28.000 studenten (zie figuur 3). Na een dip in 2000 met

21.000 studenten telt de UvA in 2009 inmiddels 28.000

studenten in voltijd en deeltijd samen.

De vier-clusters-plannen van 2005

en 2008

Na een periode van huisvesting in zes kernen

(Uilenburg/Valkenburg is inmiddels afgevallen) en

een aantal verspreide panden, wordt in het huisvestingsbeleid

langzamerhand een draai gemaakt. Van zes

kernen is het huidige beleid erop gericht de faculteiten

te concentreren in vier clusters: de OMHP en het

BG-terrein in de binnenstad, het REC eveneens in de

binnenstad, het Science Park in de Watergraafsmeer

(rondom de oorspronkelijke Anna’s Hoeve) en het

AMC. Op de lange duur wordt verwacht dat de

gebouwen van het Spui en het Singelgebied (UB,

Maagdenhuis, Bungehuis, PC Hoofthuis) niet meer

P. 243

nodig zijn voor het zogenaamde primaire proces.

De functies van deze gebouwen worden in de plannen

overgeplaatst naar de OMHP, het BG-terrein en het

Roeterseilandcomplex. Daar vindt verdichting plaats,

waarvoor nauwelijks meer woningen maar wel andere

monumentale gebouwen gesloopt moeten worden.

Sommige van die gebouwen in het Spui/Singelgebied,

zoals het Maagdenhuis en de Universiteits Bibliotheek,

zijn echter beeldbepalend voor de historie van de

universiteit en de verwevenheid met de stad.

Huisvestingsplan 2005-2015

Het Huisvestingsplan 2005-2015 vermeldt vier doelen

die de UvA wil bereiken. Ten eerste is dat het hebben

van een karakteristieke en herkenbare uitstraling

zodat de identiteit en zichtbaarheid van de universiteit

worden versterkt. Het tweede doel is om als stadsuniversiteit

de cultuur en geschiedenis van de stad te

bewaren en ontsluiten. Het derde doel is te fungeren als

ontmoetingsplaats voor mensen die zich bezighouden

met wetenschap en cultuur. Ten slotte is het doel een

inspirerend lokaal centrum met een mondiale toegang

tot informatie te zijn.

Het belangrijkste uitgangspunt van het Huisvestingsplan

2005-2015 is dat de UvA een stadsuniversiteit is en

dus in de stad wil blijven. Omdat de huidige huisvestingssituatie

van de universiteit verre van ideaal wordt

genoemd, is het idee de universiteit te concentreren in

vier clusters. Een van de redenen voor clustering zijn de

hoge onderhoudskosten van het huidige aantal gebouwen.

Daarnaast wordt gesteld dat in grotere eenheden

flexibeler met wisselende studentenaantallen kan

worden omgegaan. Ook neemt de herkenbaarheid van

de UvA toe als er vier grotere clusters zijn. Onderlinge

samenwerking en het opzetten van nieuwe onderwijs-

en onderzoeksprogramma’s wordt met vier clusters

gemakkelijker. De vier clusters zijn onderverdeeld op

basis van verwante disciplines. Alfa op de OMHP en

het BG-terrein, bèta op het Science Park, gamma op

het Roeterseilandcomplex en het medische cluster

op en rondom het AMC. Het Academisch Centrum

Tandheelkunde Amsterdam (ACTA) in Slotervaart


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Compacte clusteruniversiteit 1950-2010

wordt verplaatst naar het VU-kwartier aan de Zuidas.

Dat heeft ermee te maken dat deze opleiding door de

universiteiten gemeenschappelijk wordt gebruikt.

Meerjarenplan Huisvesting 2008

Het Huisvestingsplan 2005-2015 gaat voor die periode

uit van nulgroei. Dat is opmerkelijk want sinds 2002

heeft de UvA aan populariteit gewonnen en zijn de studentenaantallen

flink gegroeid. In het Meerjarenplan

Huisvesting 2008 van een nieuw aangetreden College

van Bestuur is de prognose dat de studentenaantallen

tot 2020 waarschijnlijk stijgen. De universiteit gaat uit

van een groei van 0 tot 25 procent. Het is zodoende zeer

waarschijnlijk dat de studenten- en onderzoekerspopulatie

toeneemt. Die grotere aantallen worden op vier

clusters gehuisvest, de footprint van de UvA in de stad

neemt in die zin dus af. Daar tegenover staat verdichting

op de open binnenterreinen die in eigen bezit zijn.

Daarnaast is er sprake van een ‘centrifugale schuifoperatie’;

overbodig geworden panden in de binnenstad

kunnen worden getransformeerd of afgestoten.

Voor de schuifoperatie van faculteiten naar de vier clusters

is een grootscheepse verbouwing noodzakelijk. De

afronding van het Science Park is in zicht. Na vertrek

van de bètastudies is het REC aan de beurt. Om in de

toekomst de volledige FMG en Faculteit der Rechten

(FdR) te kunnen huisvesten (de FEB blijft in de huidige

gebouwen op het REC) worden de gebouwencomplexen

op het REC grondig verbouwd. Tegelijkertijd

vindt de verbouwing en nieuwbouw van de Hogeschool

van Amsterdam (HvA) plaats aan de Wibautstraat, de

nieuwe Amstel-campus. De bouwplannen van beide

opleidingsinstituten zouden mogelijkheden voor

verweving met elkaar moeten bieden.

Het verwevingsdiscours

In december 2008 is in opdracht van de HvA en

UvA een verkennende studie verschenen over de

kansen voor de verbetering van de ruimtelijke en

functionele verbinding tussen het Roeterseiland

en de Amstelcampus onderling en met hun directe

omgeving (Van Iersel en Jenniskens, 2008). In het

P. 244

rapport worden als speerpunten voor verbetering de

opwaardering van de openbare ruimte, de ontwikkeling

van aantrekkelijke nieuwe voorzieningen en de

opwaardering van het metrostation genoemd.

Voor het Roeterseiland (135.000 m 2 bvo) wordt in het

rapport uitgegaan van circa 15.000 studenten en 2.500

medewerkers. De bouw start in 2009 en de geplande

oplevering is in 2016. De Nieuwe Achtergracht wordt

de centrale openbare ruimte waaraan alle ingangen

worden gesitueerd. Parkeren kan straks niet meer op

het maaiveld, maar alleen nog in parkeerkelders. Het

maaiveld wordt verlevendigd door de toevoeging van

publieksfuncties en (studenten)woningen.

De Amstelcampus (100.000 m 2 bvo) bevindt zich aan

weerszijden en op de noordkop van de Wibautstraat.

Het wordt met 25.000 studenten en 5.000 medewerkers

de grootste vestiging van de HvA. Verder komen

er 250 studentenwoningen, een sport- en fitnesshal,

een basisschool, een jongerencentrum met horeca

en onderwijsgerelateerde bedrijvigheid. De meeste

bedrijvigheid bevindt zich op de begane grond

waardoor levendigheid in de plint wordt gecreëerd.

Om de Amstelcampus te realiseren is de sloop

van het Wibauthuis jaren geleden al gestart. Het

Kohnstammhuis wordt nu getransformeerd

en de verbouw van het Singelgrachtgebouw is inmiddels

gereed. Roeterseiland en Amstelcampus samen

worden met 40.000 studenten en 7.500 medewerkers

het grootste onderwijscluster van de stad. In het

rapport wordt zelfs gezegd dat zij een meerderheid

vormen ten opzichte van de 22.000 inwoners van de

omliggende buurten Oosterparkbuurt, Weesperzijde,

Weesperbuurt en Plantage.

In het rapport wordt terecht geconstateerd dat

de wisselwerking tussen het Roeterseiland en de

Amstelcampus nu nog zeer beperkt is. Studenten en

medewerkers zijn grotendeels gericht op hun eigen

onderwijsfaciliteiten. Ook bewoners hebben weinig

reden om beide onderwijscomplexen te bezoeken

omdat het ontbreekt aan publieksvoorzieningen en


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Compacte clusteruniversiteit 1950-2010

een aantrekkelijke openbare ruimte. Het Weesperplein

vormt als verkeersknooppunt voor beide onderwijsclusters

het scharnierpunt. De routes voor het

openbaar vervoer verschillen wel van de belangrijkste

fiets- en looproutes. Rondom het Weesperplein is het

voorzieningenniveau laag. Er is wat horeca en een

enkele winkel. Maar er zijn geen grote publiekstrekkers,

die liggen verder weg.

Het vraagstuk van scheiding of verweving en de voor-

en nadelen van campusuniversiteiten kent al een lange

historie. In een interview in het vaktijdschrift Plan met

de Delftse prof.ir. S.J. van Embden, stedebouwkundige

van de TU Twente en Eindhoven (Plan, 1970), zegt Van

Embden dat de sleutelbegrippen interne en externe integratie

en flexibiliteit zijn. Maar volgens hem “bemoeilijkt

de eis van een nauwe interne samenhang, ter wille

van de integratie van de disciplines, gecombineerd met

deze toenemende omvang van het totale instituut, de

integratie van dat totale universiteitscomplex in het

stadsgeheel en daarmee van de universiteitsgemeenschap

(zo die al zou willen ontstaan) in de maatschappij.

Was de universiteit vroeger misschien een soort collectieve

ivoren behuizing voor een kleine elite, vandaag

dreigt zij een onverteerbare reuzenklont te worden

in het stadsgeheel” (Plan, p. 673). Deze opmerkelijke

waarschuwing van de Nederlandse campusspecialist bij

uitstek heeft nog niets van zijn waarde verloren. Het is

dan ook opvallend dat de term campus aan de UvA en

HvA weer zo populair is geworden, terwijl men tegelijkertijd

propageert een stadsuniversiteit te zijn. Volgens

van Dale’s Etymologisch Woordenboek betekent de term

campus wel universiteitsterrein, maar stamt deze af van

het Latijnse campus, wat het vlakke veld betekent. Dat

lijkt niet bepaald een geschikt label om de verweving

van de universiteit met de stad aan te duiden. In die zin

is de term cluster veel neutraler en minder verwarrend.

Creëren van stedelijkheid

Van Iersel en Jenniskens (2008) constateren dat het

gebied rond de Wibautstraat nu nog de aantrekkingskracht

en de levendigheid van beroemde studentenwijken

als Quartier Latin in Parijs of Greenwich Village

P. 245

in New York mist. Volgens hen ligt dat onder andere

aan de ligging in de stad, het soort en aantal studenten

en de schaalverschillen tussen de onderwijsgebouwen

en de directe omgeving. Hier wordt mijns inziens de

vinger op de zere plek gelegd. De monofunctionaliteit

en grofkorreligheid van de huidige gebouwen van de

UvA en HvA zijn een handicap om de beoogde unieke,

levendige stadscampus te bereiken. Het stofferen van

de plinten met publieksvoorzieningen is onvoldoende.

Winkels dienen immers aan een doorgaande belangrijke

looproute te liggen. De krimp in de bestaande

winkellinten in de Plantage Kerklaan en Plantage

Middenlaan en de moeilijke verhuurbaarheid van de

nieuwe commerciële ruimten in de Roetersstraat en

Sarphatistraat illustreren dit.

Van Iersel en Jenniskens (2008) zien diverse ruimtelijke

en functionele kansen en bedreigingen. In ruimtelijke

zin ligt het Roeterseiland nu erg verscholen.

De Singelgracht en de Mauritskade vormen fysieke

barrières voor de doorsteek van de Amstelcampus

naar het Roeterseiland. Een eerste kans zou zijn het

Weesperplein het ‘huisadres’ van de UvA en HvA te

laten zijn. Hoewel geluid- en stankoverlast rondom

het Weesperplein de gebruiksmogelijkheden daar

belemmeren, kan de universiteit wel beter zichtbaar

worden gemaakt in de metrohalte en op straat.

Een nieuwe naamgeving van het metrostation,

‘Universiteit van Amsterdam’, is volgens hen een

eerste stap in de goede richting. Een andere kans

is te zorgen voor extra studentenhuisvesting op de

beide campussen zodat er meer levendigheid komt.

Ook het toevoegen van sportfaciliteiten (op de

Amstelcampus) en culturele voorzieningen (op het

Roeterseiland) zorgt voor meer onderlinge loopstromen

en daarmee voor meer levendigheid.

Voor het Roeterseilandcomplex lijkt de les van het

BG-terrein enigszins ter harte genomen. Er komen

meer openbare routes over het terrein die ook voor

andere stadsbewoners toegankelijk zijn. Ook komen

er meer niet-universitaire functies in de plinten. Het

percentage niet-universitaire functies is weliswaar


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Compacte clusteruniversiteit 1950-2010

foto: Hilde van Wijk

veel lager dan op het BG-terrein, maar ook op het

BG-terrein zal dat percentage flink afnemen als de

nieuwe Universiteitsbibliotheek zich daar vestigt.

In een notendop

In de periode van functiescheiding en verkeersdoorbraken

(1950-1975) bleef de UvA niet achter. Er

werden grootschalige kantoorkolossen (Roeterseiland)

gebouwd en de sloop van gemengde woonbuurten

werd gepland (Uilenburg en het eerste plan voor

het BG-terrein). Niet toevallig was de architect

van het Wibauthuis dezelfde als die van de

Roeterseilandgebouwen B en C. Grootschaligheid en

functieconcentratie leken toen ook het meest efficiënt

voor het beheer. De universiteit en de gemeente

traden in deze tijd op als gesloten organisaties, die

de zaakjes onderling regelden. Dat leidde tot veel

maatschappelijke weerstand. De sloopplannen voor

de Kinkerbuurt, Uilenburg/Valkenburg, de omgeving

van het Roeterseilandcomplex en het BG-terrein

kwamen dan ook vrijwel nergens tot uitvoering.

In de daarop volgende periode van meer behoedzame

stadsvernieuwing (1975-1990), werden, na flink wat

strijd, de uitgangspunten aanpassing aan de schaal

P. 246

van de binnenstad en functiemenging. Een tijd lang

hebben deze nieuwe uitgangspunten geprevaleerd,

zoals in de plannen voor het Bungehuis, PC Hoofthuis

en het tweede plan voor het BG-terrein. De top van

de UvA liep niet voorop in deze omslag in het denken.

Terwijl de basis het al eerder aanvoelde, zagen de

toenmalige bestuurders en raadsleden uiteindelijk ook

in dat een gewenste en belangrijke instelling als de UvA

niet als een eenkennige moloch te werk kan gaan.

In de huidige plannen wordt een zekere mate van

functiemenging nagestreefd. De functies waarmee

wordt gemengd liggen erg dicht bij het universitaire

belang. Het gaat vaak om studentenwoningen of aan de

universiteit verwante commerciële voorzieningen zoals

een kopieerwinkel. Met de internationalisering van

het wetenschappelijk onderwijs bestaat immers steeds

meer behoefte aan (snel beschikbare) woningen voor

buitenlandse studenten en onderzoekers. Menging

met de woonfunctie is daardoor een universitair

belang geworden, én een wapen in de concurrentie met

andere universiteiten. In totaliteit wordt de UvA meer

grofkorrelig. Ze trekt zich terug op minder clusters, die

in volume toenemen.


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Compacte clusteruniversiteit 1950-2010

Opgave

Kostenoverwegingen en efficiencywensen zijn van

alle tijden, maar des te meer sinds universiteiten hun

eigen huisvesting moeten betalen. Het geeft toch te

denken dat juist veel van de speciaal voor de UvA

ontworpen gebouwen uit de jaren zestig, zoals het

Swammerdaminstituut aan de Eerste Constantijn

Huygensstraat, de Narwal op het Bickerseiland en

het Maupoleum aan de Jodenbreestraat, al weer

verdwenen zijn. Dat de VU niet meer uit de voeten

kan met haar campusgebouwen uit de jaren zeventig

is ook opvallend. Groter is dus kennelijk lang niet

altijd flexibeler.

De waardering onder professoren voor het Oudemanhuispoortcomplex

heeft ook een flinke verandering

doorgemaakt. In de Frederikspleinvoorstellen van

vroeger wilden zij weg van de OMHP, nu voeren de

juristen actie om op de OMHP te blijven. Daarbij wordt

het argument ‘verlies aan identiteit’ genoemd. Dat

blijkt op meerdere vlakken een belangrijk dilemma.

Het College van Bestuur van de UvA wil al jaren haar

corporate identity in steen laten zien, met grote hoge

logo’s die van verre zichtbaar zijn. Vele medewerkers en

studenten hechten minder aan die corporate identity,

maar meer aan de identiteit van hun eigen opleiding of

instituut. Zij vrezen verloren te gaan in grote flexibele

clusters. In die zin zou de slogan uit het instellingsplan

“klein binnen groot” veel verder geconcretiseerd

moeten worden.

De onderlinge verwevenheid tussen de instellingen

UvA en HvA zal moeilijk blijken. De verwevenheid met

de stad doet daar nog een schepje bovenop, zeker als de

clusters groter worden. Er ligt nog een grote opgave.

Dick Schuiling (d.schuiling@uva.nl) is docent aan de opleiding Planologie van

de Universiteit van Amsterdam.

Literatuur

Iersel, M. Van & A. Jenniskens (2008) Verbinding Roeterseiland en

Amstelcampus; kansen voor verbetering van het gebied rondom de campussen

van de UvA en HvA, LAgroup, Amsterdam

Jonker, M. en D. Schuiling (1974) ‘Godshuis, gasthuis, ziekenhuis, medisch

centrum, cité medicale’, Wonen-TA/BK, nr. 24, p. 22-28

P. 247

Plan; maandblad voor ontwerp en omgeving (1970) ‘Interview met prof.ir. S.J. van

Embden; sleutelbegrippen: integratie en flexibiliteit’, nr.10, p. 671-673

Schuiling, D. (1972) ‘Universiteit helpt mee de bewoners de stad uit te jagen’, Folia,

nr. 24, p.5

Schuiling, D. (1972) ‘Het slopende bouwbeleid van de Amsterdamse Universiteit’,

De Groene Amsterdammer, nr. 17-23 oktober, p. 9

Schuiling, D. (1980) ‘Planvorming Binnengasthuis’, Rooilijn, nr. 6, p. 162-168

Werkgroep Binnengasthuisareaal (1980-1981) Naar een plan voor het

Binnengasthuisterrein deel 1 en 2, Amsterdam

Schuiling, D. (1982) ‘Bouw- en huisvestingsbeleid van de UvA 1950-2000’, Rooilijn,

nr. 6, p. 193-201

Schuiling, D. (1984) ‘Tweedehandsplanvorming op het BG- en WG-terrein’,

Rooilijn, nr. 1, p. 24-31

Souwer, G. (2000) ‘De krappe kleren van de UvA; drie eeuwen van het ene

kapelletje naar het ander’, Folia, jg. 53, nr. 38, p. 6-8

foto: Hilde van Wijk


Rooilijn

Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Simon Allford

“The challenge is to make the Roeterseiland

part of the city”

Sabine Meier and Samantha Volgers

“The challenge is to make the Roeterseiland part of the city”

Allford Hall Monaghan Morris (AHMM) won the international competition for the

restructuring of the Roeterseilandcomplex (REC). The scope of the project is to

renovate buildings A, B and C. One of the major interventions is the intersection in the

building crossing the Nieuwe Achtergracht to open up the area behind it. The jury was

convinced by AHMM functional and flexible concept of architecture. “New architecture

is a way of thinking of a building. The three key-elements are strategy, people and

aesthetics.” Simon Allford speaks with us about how to integrate the REC in the daily

lives of students, staff and the urban public.

“We studied together and invented AHMM in 1989

because we wanted to make architecture that is beautiful

to look at and satisfying to use. Everyone has his

own projects and the individual intelligence has a great

amount of autonomy, even though the collective intelligence

can be much better than the individual one.

That means that we share experience and opinions. If

one feels constrained, the collective intelligence helps

to liberate and invigorate it. This is what we call ‘our

fifth man’.”

How do you and your ‘fifth man’ approach the restructuring

of the REC?

“The international competition for the REC was a

challenge for us; we had never built outside of England

before. It was an interesting competition because

P. 248

they asked us to tell what we thought of the existing

buildings, instead of asking us to present a complete

and elaborated design. We showed our ideas of the

restructuring as a way of thinking of a building. We

actually showed a process of thinking.”

What is the process about?

“First, a process is always about trying to understand

a place and the politics in the broader sense, and

analysing the needs later on. They do not come to us

and say we need a university building. They say we

have got this site and we may place a hotel, offices,

some housing here and a school there. All those

buildings can come together within a multi-layered

city programme. Second, consultation is part of the

process. When making all those buildings smart and


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 “The challenge is to make the Roeterseiland part of the city”

P. 249

bron: ALLFORD HALL MONAGHAN MORRIS


Rooilijn

Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

clever, it becomes possible to trade functions. In the

end, the building stays alive much longer. Far too often

a building has just one function and we cannot change

it when the context has changed.”

How do you interpret the existing place of the REC?

“To keep this building at the REC and to reinvent it,

was a very good decision. In that sense, it is almost

the opposite of the general danger of conservation.

The danger of all our good intentions (by rules about

aesthetics – red.) lies in the fact that it becomes too

difficult to regenerate historical cities for all kinds of

people. The consequence is that we build places outside

of the city for the workers and all the rich people live in

the middle of Amsterdam. Although this is my London

experience, I think it is a general danger. To freeze a

city, for example by saying 1972 is the end of all changes,

then inevitably that part becomes more and more

valuable. It becomes more and more expensive. In the

end, anyone who works in Amsterdam and makes the

city happen, ends up living outside. I am not against

preservation, but I think it can kill the city.”

So your design is the opposite of preservation?

“Physically the REC has a powerful impression. But

the building is tired now. When I was walking around

this building I remembered the 1960s. I could see the

ambition of the past times. Nowadays, this ambition has

been lost because of all the changes inside and outside

the complex. For me the strengths and weaknesses are

very clear. I have called it an ‘elegant banality’.”

“If you start a project, very often it looks fantastic at

the beginning. The danger is you are either losing

your eye or repeating something you already know

which is comfortable, lazy even. I like it more to

work in a project that may at times appear dubious.

It creates nice challenges. Architects need buildings

that are difficult at times because it means you are

asking difficult questions.”

What is the most difficult question for restructuring

the REC?

“This building at the Nieuwe Achtergracht has a super

large scale. It is a modernist building in the middle of

“The challenge is to make the Roeterseiland part of the city”

P. 250

historic Amsterdam. As one of the few major physical

interventions it stands out: because of it’s remarkably

different scale to the surrounding city. Amsterdam is

particular because it is quite well-preserved. The more

well-preserved a city is, the more likely the danger of

conservation becomes. But cities need functions like a

hospital, a school, a university. So they have to fit them

in. Otherwise the energy of a city disappears. Cities

are built in layers. The different layers cover different

pieces of history. Each layer is another piece of history

on which you have to react differently. Nowadays,

people tend to say that what was built in the 1960s is

wrong and it has to be removed. I think it is not wrong

at all, it is just another piece of history. So to reinvent

a building like the REC is smart to do because you do

not throw away everything.”

What is your strategy to react on this piece of history?

“The REC is part of the grain of the city. It is not a

cloister or a courtyard building. But at the moment

the connections are bad. There are no reasons to walk

into it. The only people who go there are students and

staff. It is such a particular world. Therefore potentially

it becomes a dead end. The danger is that it becomes a

monoculture dislocated urbanity: the opposite of what

people like if they are in a city: a rich mix and multiculture.

The challenge is to make the REC part of the city

and to employ different forms of use. Otherwise why

build it in a city?”

Which interventions are necessary for the connection

of the REC to the city?

“The building over the water is a dead end. Visually

it says ‘do not come in’. People do not go from there

to the zoo, so it functions as a barrier. Whatever you

put behind it. To get more movement you need a

multilayered programme. The first intervention is to

cut a big hole in that part of the building crossing the

water so suddenly people enter a new world. Our job is

to remake the connection in the buildings, the entrance

and the crossing of the water as well as to make the connection

to the Sarphatistraat and Artis.

“The second intervention has to do with the assignment.

It is not especially a university building. We


Rooilijn

Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

don’t concentrate on making a university building in

particular. It could be any public office building. We

want to design a legible building that communicates,

that is open to the public and for university members.

In a sense it is about organizing public programmes

within and throughout the building. Cities have a

public and a private world so it does not mean that the

building should be open always and at every entrance.

But it is important that the general public, not just

one type of person, will naturally filter through the

area. If we get that right, architecture can flow.”

“The third intervention is playing with the levels of

the building. What was wrong about the REC was

the idea of upper level access, because people live on

the street. A building begins to engage when people

like it and has the possibility for easy entry. If people

enjoy the building that comes across on every level.

Maybe they do not like the furniture, but that does

not matter because furniture comes and goes. To

make people like the building in the future is one of

your key challenges. Our focus lies on the redesign of

the entrances, the atrium and the connection of the

different departments.”

A new atrium?

“One of our key ideas for making the connection

is to create an open view on the outside as well as

the inside of the building. This is done by creating a

few mini-atria. The mini-atria are made as vertical

connections so that they become little buildings in

themselves. University and the use of the different

departments will always change, but the lift and stairs

will not change. Whenever you come out of the lift

in one of the atria you will see the city. That gives

the building an identity and in addition there is an

orientation what makes the building visible and intelligible

internally. The atria combine flexibility with

a kind of personality and specific views: flexibility

because the basis of the building is suitable for different

functions, personality because the atria create

social engagement. The different atria are one of the

opportunities the users can respond to. Finally, the

idea of the mini-atria is an idea that can be applied to

other projects as well.”

“The challenge is to make the Roeterseiland part of the city”

P. 251

What advice would you give to students in their career?

“My advice to students would be live your life, look and

learn, and see what comes out. Invention is not for the

sake of invention. From life experience you notice that

things can be done differently and always better. Do

not just drop visions on the city, but try to understand

what is going on. Then what comes out might be

extraordinary.”

How do you deal with the complex contracting body of

the University of Amsterdam?

“We work with a strategy and not with a vision as a

starting point. The danger of working with a vision

is that when you have 25 university stakeholders, the

vision gets picked apart in an instant. With a set of strategic

ideas that are robust and intelligent, architecture

can slowly develop. Ideas that were unpopular in the

beginning slowly get more and more interesting. It is

about going on a journey together that allows everyone

to do more risky things. In this way it is possible to

be more responsive to key ideas. It is about creating

architecture instead of fighting for sketches of visions.”

“You could compare building architecture with playing

music. It is inevitable that we are playing for different

audiences at different times. If you chase the audience

I think you’re lost as a band and as a band of architects.

In addition to that, it is not about fashion. Of course,

you do not want to be not of your time, but you also do

not want to be just an instant reflection of your time.

We have to make uneasy, tough, challenging music.

Not a soft easy melody, not a mainstream production.

Furthermore, we should not be obsessed with one thing

because then you loose the vision on other things. If

you are obsessed with one thing you cannot really

make the right choices.”

Sabine Meier (s.o.meier@uva.nl) is als promovenda verbonden aan de

onderzoeksgroep Urban Geographies bij het Amsterdam Institute for Metropolitan

and International Development Studies, Universiteit van Amsterdam.

Samantha Volgers (samantha@bureaumiddelkoop.nl) is als adviseur en

onderzoeker werkzaam bij Bureau Middelkoop. Beiden zijn redacteur bij Rooilijn.


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 De campus als een stad

P. 252

De campus

als een stad

Monique Arkesteijn en Alexandra den Heijer

Foto boven: de Uithof (bron AAArchitecten). Onder: Relatie publieke ruimte en functies (academiegebouw) in de binnenstad van Groningen (foto: Alexandra den Heijer)


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 De campus als een stad

P. 253

Universiteiten erkennen in toenemende mate

de strategische waarde van de campus. Niet

alleen voor het aantrekken en vasthouden van

talentvolle studenten en wetenschappers in

een globaliserende kenniseconomie, maar

ook voor het stimuleren van samenwerking

binnen en buiten de universiteit. De traditionele

campus voor onderwijs en onderzoek maakt,

in Nederland en buitenland, steeds meer

plaats voor woningen, bedrijfsruimte, horeca

en vrijetijdsvoorzieningen. Met deze ambities

worden campusmanagers steeds meer

stadsontwikkelaars. Tegelijkertijd erkennen

steden het economisch belang van een goede

kennisinfrastructuur. Wordt de campus een stad

of wordt de stad een campus?

Campusstrategieën van universiteiten in

binnen- en buitenland krijgen steeds meer

parallellen met gebiedsontwikkelingen.

Het multifunctionele karakter, de toenemende

aandacht voor de openbare ruimte

en de multiculturele universiteitspopulatie

zijn slechts enkele overeenkomsten. Perry

& Wiewel (2007) beschrijven voorbeelden

van ‘de universiteit als stedelijke ontwikkelaar’.

Zij benadrukken ook de verantwoordelijkheid

die vooral Amerikaanse

universiteiten nemen voor de economische

groei en maatschappelijke dienstverlening

in de steden waarin zij gevestigd zijn.

Campusstrategieën zijn echter primair

huisvestingstrategieën voor steeds bedrijfsmatiger

opererende universiteiten.

Kansen en bedreigingen

Sinds de Nederlandse universiteiten in 1995

eigenaar werden van hun grond en gebouwen

is de bestuurlijke aandacht voor de

campus gegroeid. Op de agenda verschenen

echter niet alleen kansen, maar ook bedreigingen.

Met de eigendomsoverdracht van

het rijk naar de universiteiten werd, naast

de beslissingsvrijheid over investeringen in

de campus, een technisch en functioneel

verouderde gebouwenvoorraad overgedragen.

Dit bleek destijds uit de vergelijking

van de universitaire masterplannen, huisvestingsplannen

en campusvisies (De Jonge

e.a., 2000). Ambities werden geformuleerd

om onderwijs en onderzoek beter te

ondersteunen of, negatiever geformuleerd,

om productiviteitsverlies en ontevreden

gebruikers te voorkomen. Bij deze plannen

hoorden herinvesteringsopgaven en

onderhoudsplanningen, met grote gevolgen

voor de universitaire financiën.

Binnen deze veranderde context moeten

campusmanagers de potentiële baten van

elke campusbeslissing afwegen tegen de

lasten. Voor hun advies aan bestuurders

hebben zij steeds meer behoefte aan

vergelijkingen met andere universiteiten

(Den Heijer, 2007). Krachten van alle

Nederlandse universiteiten zijn gebundeld

om campusdata en recente projecten te

vergelijken en collectieve trends te signaleren

ten bate van de universiteitsspecifieke

campusstrategieën. Het gezamenlijke

onderzoeksresultaat is een bron van

managementinformatie voor het onderbouwen

van een campusstrategie. Een van

de collectieve trends in de strategievorming

is de steeds sterkere relatie tussen campus

en stad.


Rooilijn

Campusstrategieën

Strategievorming is een proces dat volgens

de theorie (De Jonge e.a., 2008) uit vier

stappen bestaat. Voor een campusstrategie

omvat dit proces het in kaart brengen

van de huidige campus (stap 1), trends en

ontwikkelingen rond de campus (stap 2),

toekomstbeelden voor de campus (stap

3) en mogelijke strategieën en samenwerkingsverbanden

om de huidige campus

te transformeren in de campus van de

toekomst (stap 4). In dit artikel worden

deze stappen beschreven met de nadruk

op de relatie met de stad.

De huidige campus

De hedendaagse campus laat zich

karakteriseren door een groot aandeel

gebouwen uit de jaren zestig en zeventig

(Den Heijer, 2007). De sterke groei in

Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 De campus als een stad

P. 254

studentenaantallen die de universiteiten in

deze decennia hebben doorgemaakt, laat

nog steeds zijn sporen na. In tabel 1 is de

leeftijdopbouw van de gebouwenvoorraad

van de Nederlandse universiteiten anno

2007 weergegeven. De sterk toegenomen

ruimtebehoefte werd destijds vervuld

met grote faculteitsgebouwen op perifere

campussen met een ruime stedenbouwkundige

opzet. Zo verlieten veel faculteiten,

vooral de bètawetenschappen vanwege

de veiligheidseisen van laboratoria, de

historische binnensteden en ontstonden

van de stad geïsoleerde campussen.

De ruime opzet en relatief perifere ligging

hebben de universiteiten lange tijd autonomie

gegeven in de stedelijke ontwikkeling.

Inmiddels hebben de universiteitssteden

veel campussen gedeeltelijk of geheel

Tabel 1 Leeftijdopbouw gebouwenvoorraad Nederlandse universiteiten 2007 (bron: Den Heijer, 2007)

EUR LEI RU RUG TUD TUE UM UT UU UvA UvT VU WU OU

% m 2 % m 2 % m 2 % m 2 % m 2 % m 2 % m 2 % m 2 % m 2 % m 2 % m 2 % m 2 % m 2 % m 2

< 1900 4% 5% 16% 15% 4%

00’s 1% 2%

10’s 1% 4% 3% 3%

20’s 2% 2%

30’s 1% 2%

40’s 0%

50’s 5% 1% 15% 11% 18%

60’s 30% 27% 27% 9% 28% 45% 47% 20% 20% 50% 16%

70’s 7% 14% 23% 36% 37% 16% 14% 34% 19% 64% 33% 41% 28%

80’s 9% 34% 8% 21% 4% 4% 29% 5% 16% 18% 13% 10% 66%

90’s 27% 5% 3% 12% 7% 8% 19% 13% 11% 10% 24% 2% 20% 21%

> 2000 27% 8% 39% 8% 7% 17% 21% 1% 16% 4% 11% 7% 4% 13%

100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100%


Rooilijn

Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 De campus als een stad

P. 255

Figuur 1 De Nederlandse campussen getypeerd naar drie modellen in relatie tot de stad (bron: Den Heijer, 2007)

campus

stad

CAMPUS BUITEN DE STAD

UT-Enschede

UU-Utrecht (De Uithof)

campus

omsloten. Er is onderscheid te maken in

drie ruimtelijke configuraties van campus

en stad, geïllustreerd in figuur 1: een

campus buiten de stad, een campus als relatief

geïsoleerd gebied binnen de stad en de

campus die geïntegreerd is met de (binnen)

stad. In dezelfde figuur zijn de Nederlandse

campussen anno 2007 gegroepeerd naar

één van de drie modellen (Den Heijer,

2007). Het eerste model, de campus buiten

de stad, komt in de Nederlandse context het

minst voor. Dit heeft te maken met relatief

korte afstanden, verstedelijking en hoge

dichtheden. Dit model kent in bijvoorbeeld

de Amerikaanse context veel extremere

vormen. In Nederland liggen dergelijke

campussen nog steeds op fietsafstand van

de nabije (binnen)stad. Het tweede model,

de gesloten campus binnen de stad, heeft

duidelijk gedefinieerde grenzen die een

drempel opwerpen voor niet-universitaire

gebruikers van de stedelijke bevolking.

In het derde, geïntegreerde model is de

campus onderdeel van het stedelijk weefsel

door functiemenging met wonen, werken

en andere niet-universitaire functies.

stad

CAMPUS ALS (GEïSOLEERD)

GEBIED BINNEN DE STAD

EUR-Rotterdam

LEI-Leiden (Leeuwenhoek)

RU-Nijmegen

RUG-Groningen (Zernike)

TUD-Delft

WU-Wageningen

TUE-Eindhoven

UU-Utrecht (University College)

UvA-Amsterdam (Watergraafsmeer)

UvT-Tilburg

VU-Amsterdam

campus

stad

CAMPUS GEïNTEGREERD

MET DE (BINNEN)STAD

UM-Maastricht

LEI-Leiden (city centre)

RUG-Groningen (city centre)

UvA-Amsterdam (city centre &

Roeterseiland)

UU-Utrecht (city centre)

Door de groei van de stad en de verdichting

van de campus met andere functies

kunnen deze drie modellen ook worden

gezien als drie stadia van de veranderende

relatie tussen campus en stad. Dit is een

ontwikkelingsproces van geïsoleerd naar

geïntegreerd, maar het verleden heeft laten

zien dat het omgekeerde proces ook een

campusstrategie kan zijn. Universiteiten en

steden kunnen dit proces samen sturen.

Veranderende eisen

Strategische plannen van de meeste

universiteiten benadrukken dat enerzijds

onderwijs- en onderzoeksprocessen steeds

plaatsonafhankelijker worden en dat

anderzijds ‘meaningful places’, ‘community

building’ en ‘creating a place to meet’ steeds

belangrijkere thema’s worden (Chapman,

2006; Den Heijer, 2007). In vele scenario’s

voor de universiteit van de toekomst is

netwerksturing een gemeenschappelijk

begrip. De netwerkuniversiteit legt vele

verbindingen met nationale en internationale

kennisinstellingen, gerelateerde

bedrijvigheid en de voorzieningen


Rooilijn

in de universiteitsstad en regio. Ook

Worthington (2007) stelt dat leren en

onderzoeken meer multidisciplinaire

samenwerking behoeft en dat faculteiten

en afdelingen daartoe gestimuleerd

moeten worden, ook via de universitaire

huisvesting. Dit legt veel meer nadruk op

de informele ruimte dan op de formele,

meer traditionele onderwijsruimten, kantoren

en laboratoria. Er is een toenemende

behoefte aan publieke ruimte tussen

afdelingen, tussen faculteiten en ook

tussen universiteit en stedelijke functies.

Door de ambities om een ‘learning

experience’ en ‘homebase’ te bieden aan een

steeds internationaler wordende populatie

van studenten, docenten en wetenschappers,

wordt de campus steeds multifunctioneler

(Worthington, 2007; Den Heijer,

2007). Voorbeelden zijn studentenwoningen,

maar ook woningen of hotelcapaciteit

voor visiting professors, hippe koffiebars en

ruimten voor startende ondernemingen.

Voor het realiseren van deze functies is de

universiteit steeds meer aangewezen op

de samenwerking met gemeente, woningcorporaties

met studentenhuisvesting en

lokaal en regionaal bedrijfsleven. Toch

bestaat de campus anno 2007 bij de meeste

universiteiten nog voor het overgrote deel

uit gebouwen voor onderwijs en onderzoek.

Daarmee staan de universiteiten

voor een belangrijke afweging: bouwen we

een eigen stad of gaan we voor het voorzien

in de veranderende behoefte samen te

werken met de stad?

Ontwikkelingen kennisstad

Parallel aan de ontwikkelingen binnen

de universiteit, richten steden zich onder

invloed van de veranderingen in de

economie steeds meer op hun rol in de

Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 De campus als een stad

P. 256

diensten- en kenniseconomie. De kenniseconomie

is veel minder plaatsgebonden dan de

agrarische of industriële: het is een netwerkeconomie.

Dit betekent dat bedrijven en kennisinstellingen

in de kenniseconomie steeds

meer als knopen in een netwerk (moeten)

gaan fungeren, en dat specialisatie noodzakelijk

is in de mondiale concurrentie. Een

tendens voor de meeste universiteitssteden is

de transitie van studentenstad naar kennisstad

(Den Heijer, 2007). Uit onderzoek van

Van den Berg (2005) naar Europese steden

in de kenniseconomie blijkt dat steden een

zevental fundamenten moeten hebben om

kennisstad te worden of te blijven: een kennisbasis,

een economische basis, kwaliteit van

leven, toegankelijkheid, stedelijke diversiteit,

stedelijke schaal en sociaal potentieel. Naast

deze fundamenten noemt Van den Berg het

organiserend vermogen om achtereenvolgens

kenniswerkers aan te trekken, kennis te

creëren, kennis toe te passen en groeiclusters

ontwikkelen. Voor deze vier activiteiten, met

als doel economische groei, moet een stad de

krachten bundelen met de aanwezige kennisinstellingen

en bedrijven, respectievelijk

de kennisbasis en de economische basis. Dit

ook om te voorkomen dat steden en universiteiten

de synergie tussen beide onvoldoende

benutten. Nadin & Rocco (2008) herdefiniëren

de rol van de stad van ‘randvoorwaarden

scheppen voor ontwikkelingen’ naar het

‘creëren van synergie in samenwerking met

haar economische motoren in de kenniseconomie’.

Bestaande stedelijke voorzieningen

en de kwaliteiten van de stad zijn belangrijke

bouwstenen voor zowel de kennisstad als de

campus van de toekomst.

Toekomstmodellen

Ook in de literatuur blijken modellen voor

de campus van de toekomst sterke overeenkomsten

te vertonen met modellen voor de


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 De campus als een stad

P. 257

kennisstad (Van den Berg, 2005; Chapman,

2006; Hoeger e.a., 2007). De campus wordt,

ook vanuit de Angelsaksische definitie,

steeds meer een verzamelterm voor alle aan

de instelling gerelateerde voorzieningen.

Hierbij gaat het om vijf groepen campusfuncties:

onderwijs & onderzoek, wonen,

winkels & vrijetijdsvoorzieningen, gerelateerde

bedrijvigheid en infrastructuur.

Universiteitsbestuurders geven aan dat de

universiteit voor het bereiken van de instellingsdoelen,

waaronder internationalisering

maar ook de tevredenheid van studenten en

medewerkers, steeds meer afhankelijk is van

de nabijheid van deze functies; functies die

doorgaans al aanwezig zijn in de stad maar

niet specifiek voor de universiteit of voor

studenten of medewerkers. Afhankelijk van

de ruimtelijke configuratie (figuur 1) zijn

de vijf groepen campusfuncties in minder

of meerdere mate in samenwerking met de

stad te ontwikkelen. In het geval van het

Roeterseiland is de uitgangssituatie, een

campus geïntegreerd met de Amsterdamse

binnenstad, gunstig voor het gezamenlijk

ontwikkelen en managen van deze functies.

Ook het delen van academische voorzieningen

met de Hogeschool van Amsterdam in

de nabijheid biedt kansen.

Voor de afwegingen bij de campus van

de toekomst zijn drie campusmodellen

van Chapman (2006) illustratief: ‘Clicks

& Mortar’, ‘Intellectual Agora’ en ‘Back to

the future’. ‘Clicks & Mortar’ gaat uit van

een veel kleinere campus met veel inspirerende

ruimte voor sociale en intellectuele

ontmoetingen, een belangrijke trend in

campusontwerp. ‘Intellectual Agora’ staat

voor een open marktplaats voor het creëren

en uitwisselen van kennis en de campus

als integraal onderdeel van de stad, waarin

veel ruimten met andere gebruikers worden

gedeeld. ‘Back to the future’ blijft het meest

bij de huidige situatie: een instelling met

een grote vastgoedvoorraad die grotendeels

exclusief door de instelling zelf gebruikt

wordt. De relatie stad-campus is het meest

gebaat bij de keuze voor ‘Intellectual Agora’

maar kan in elk model een rol krijgen.

In relatie tot modellen voor de kennisstad

(Van den Berg e.a., 2005), wordt de

kwaliteit van leven, een van de eerder

genoemde zeven fundamenten, als belangrijke

concurrentiekracht gezien van zowel

de Europese universiteit als de Europese

kennisstad. Corneil & Parsons (2007)

pleiten voor het zo goed mogelijk inzetten

van het cultureel erfgoed: de historische

gebouwen en de fijnmazige historische

binnensteden. De aantrekkingskracht

op de steeds internationaler wordende

kenniswerker wordt door diverse bronnen

bevestigd. Ook recente bevindingen naar

aanleiding van de herhuisvesting van de

faculteit Bouwkunde van de TU Delft in

een monumentaal universiteitsgebouw en

de discussies over het faculteitsgebouw van

de toekomst (Arkesteijn, 2009) bevestigen

dit. In de samenwerking tussen universiteit

en stad dienen deze baten zorgvuldig te

worden afgewogen tegen de (extra) lasten

van gebruik en eigendom van historisch

erfgoed.

Geïntegreerde strategieën

Uit recente studies (Arkesteijn, 2009) en

universitaire campusplannen (Den Heijer,

2007) blijkt dat er steeds meer krachten

zijn die het samenwerken en het delen van

voorzieningen bevorderen. Niet alleen de

primaire processen geven daartoe aanleiding,

maar ook ‘de duurzame campus’ is

een belangrijke internationale doelstelling.

Het spaarzaam omgaan met kostbare

middelen en schaarse energiebronnen


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 De campus als een stad

P. 258

foto: Hilde van Wijk


Rooilijn

Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 De campus als een stad

P. 259

krijgt tevens bij de gebruikers, studenten

en medewerkers, steeds meer draagvlak.

Bovendien bevorderen de krappe financiële

kaders het delen van voorzieningen,

zeker als er sprake is van een relatief lage

bezetting en benutting.

Ook hebben gebruikers steeds liever

minder oppervlak met een hogere kwaliteit

dan een grote gebouwenvoorraad met

een matige tot redelijke technische conditie

(Den Heijer, 2007). Daarnaast krijgt

het toelaten van andere gebruikersgroepen

ten dienste van de kwaliteit steeds

meer draagvlak, zowel tussen faculteiten

als tussen universiteit en stad. Bijkomend

voordeel is dat gemeenschappelijk

gebruik de ontmoetingsfunctie versterkt,

ten gunste van onderwijs en onderzoek,

de levendigheid van de kennisstad en

de ‘learning experience’ van student en

wetenschapper. Hiermee bindt de stad de

kenniswerker die de economische motor

laat draaien, waarmee de batenkant

van investeringen in campus en stad

meetbaar wordt.

De campus wordt in toenemende mate

ontwikkeld als een stad. Afhankelijk

van de historische context, de huidige

inpassing in de stad en de scenario’s voor

de toekomst, zijn er voor de relatie met

de stad twee modellen: de campus als

autonome stad of de campus als geïntegreerd

stadsdeel. De meeste universiteiten

en universiteitssteden geven aan dat

zij gebaat zijn bij het laatste. Dit stelt

hoge eisen aan de samenwerking en de

bereidheid om voor gezamenlijke doelen

gezamenlijke middelen in te zetten.

Alexandra den Heijer (a.c.denheijer@tudelft.nl) en

Monique Arkesteijn (m.h.arkesteijn@tudelft.nl) zijn beiden

universitair docent Real Estate Management bij de afdeling

Real Estate & Housing van de faculteit Bouwkunde aan de TU

Delft.

Literatuur

Arkesteijn, M. (red.) (2009) Envisioning the faculty of the

future, TU Delft, Delft

Berg, L. van den & P. M.J. Pol e.a. (2005) European cities in the

knowledge economy, Ashgate, Aldershot

Chapman, M. P. (2006) American Places, in search of the

twenty-first century campus, ACE Praeger, Westport, CT

Corneil, J. & P. Parsons (2007) ‘The contribution of campus

design to the knowledge society’, in K. Hoeger & K.

Christiaanse (red.), Campus and the city. gta Verlag, Zurich

Heijer, A. den (2007) Universiteitsvastgoed in Nederland

(onderzoek in samenwerking met Nederlandse

universiteiten). Real Estate & Housing, Faculteit Bouwkunde,

TU Delft, Delft

Heijer, A. den, J. de Vries, T. Raas (2006) ‘Hoger Onderwijs als

motor voor de stad’, Nova Terra, 6, nr. 4, p. 3-8

Hoeger, K. & K. Christiaanse (red.) (2007) Campus and the city,

urban design for the knowledge society, gta Verlag, Zurich

Jonge, H. de (2000) Analyse universitaire vastgoedplannen,

TU Delft, Delft

Jonge, H. de (2008) Corporate Real Estate Management,

designing an accommodation strategy in four steps, TU Delft,

Delft

Nadin, V. & R. Rocco (2008) ‘A new role for comprehensive

spatial planning’. In: Corporations & Cities, proceedings for

colloquium Brussels, May 26-28, 2008

Perry, D. C. & W. Wiewel (2007) The University, the City, and the

State: Institutional Entrepreneurship or Instrumentality of the

State?, M.E.Sharpe / Lincoln Institute of Land Policy, New York

/ Cambridge

Wortington, J. (2007) ‘European Universities - Ivory Tower

of City Quarter?’ Proceedings for conference Competitive

Campuses. NTNU, June 2007. Trondheim


Rooilijn

InBeeld

Het nieuwe

Roeterseiland

Het Amsterdamse Quartier Latin?

Simon Allford

Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Simon Allford is de ontwerper van het nieuwe Roeterseiland. Bij de herontwikkeling

van het gebied is niet gekozen voor sloop of nieuwbouw, maar voor grondige renovatie

van de bestaande gebouwen. De geplande veranderingen vinden zowel aan de

binnenkant als aan de buitenkant van de gebouwen plaats en hebben zo een complete

metamorfose tot gevolg. Eén van de grote geplande veranderingen die direct in het

oog springt, is het verwijderen van de onderste verdiepingen van het bruggebouw

over de Nieuwe Achtergracht. Dit moet zorgen voor een betere verbinding met de rest

van de stad. De gracht zal bovendien de centrale as van het eiland gaan vormen.

De nieuwe huisvestingsplannen moeten er voor zorgen dat het straatbeeld levendiger

wordt en dat het Roeterseiland een studentikoze, academische omgeving wordt, à

la Bloomsbury of het Quartier Latin. Bekijk en vergelijk de huidige situatie met de

nieuwe plannen en oordeel zelf.

InBeeld: Het nieuwe Roeterseiland

P. 260


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

InBeeld: Het nieuwe Roeterseiland

P. 261


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

InBeeld: Het nieuwe Roeterseiland

P. 262


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

InBeeld: Het nieuwe Roeterseiland

P. 263


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

InBeeld: Het nieuwe Roeterseiland

P. 264


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

InBeeld: Het nieuwe Roeterseiland

P. 265


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

InBeeld: Het nieuwe Roeterseiland

P. 266


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

InBeeld: Het nieuwe Roeterseiland

P. 267


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

InBeeld: Het nieuwe Roeterseiland

P. 268


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 InBeeld: Het nieuwe Roeterseiland

P. 269

Simon Allford is partner bij het Londense architectenbureau ALLFORD

HALL MONAGHAN MORRIS (www.ahmm.co.uk), winnaar van de

open internationale competitie voor het ontwerpen van het nieuwe

Roeterseilandcomplex.


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Roeterseiland: van Complex naar Campus

P. 270

Roeterseiland:

van Complex

naar Campus

Carla Huisman en Ineke Teijmant


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Roeterseiland: van Complex naar Campus

P. 271

Complex is het zeker. Het Roeterseiland is een

wirwar van gebouwen die daar in de loop van

honderd jaar zijn neergezet. Het geeft onderdak

aan een veelheid van, weinig met elkaar delende,

faculteiten. Met het vertrek van de Bètafaculteiten

naar het Science Park komt daar verandering in.

Het Roeterseiland wordt een Gammacampus.

Rooilijn praat met de toekomstige gebruikers:

de decanen van de drie faculteiten, een

afgevaardigde van de Centrale Studentenraad en

de vice-voorzitter van het College van Bestuur. Het

gesprek gaat over de voordelen van het nieuwe

cluster, de voorwaarden voor een succesvolle

campus, de massaliteit van mensenstromen en

de kwaliteit van de gebouwen.

Het Gammacluster

De drie decanen zien veel in het

Gammacluster, zowel in de academische

meerwaarde als in de economies of

scale. Edgar du Perron, decaan van de

Rechtenfaculteit, ziet een directe en voor

de hand liggende relatie tussen rechten,

economie en sommige maatschappij- en

gedragswetenschappen. “Dat zijn deels

verwante studies. Ze hebben te maken met

prikkels en hoe mensen daarop reageren,

met de ordening van de samenleving.

Je ziet dat studenten de belangstelling

daarvoor vaak combineren. Daar ligt dus

voor het onderwijs een geweldige mogelijkheid.

Rechten is al lang niet meer alleen

een tekststudie; een studie van het heilige

boek, het wetboek. Het gaat in de moderne

rechtenstudie steeds meer om hoe regels

worden gemaakt en hoe ze in de praktijk

werken of niet werken, en dan komen we bij

de gedragswetenschappen. Het verbaast me

dat mijn eigen studentenraad ook inhoudelijk

tegen de verhuizing is. Vraag je aan de

individuele goede student: ‘Wat voor soort

opleiding zou je willen?’ dan zeggen de

meesten: ‘Wat recht, ethiek, beetje politicologie,

beetje economie en aan het eind van

de bachelor of in de master specialiseren,

dat lijk me nou hartstikke leuk.’ Dat kan

toch veel makkelijker als je bij elkaar zit.

‘Maar dat kan ook op afstand’, wordt dan

gezegd, ‘via internet en desnoods fiets je

een stukje’, maar zo werkt het in de praktijk

niet. De ontmoeting - het centrale thema

van het instellingsplan - is essentieel voor

de geboorte van spontane ideeën. Als die

ideeën er eenmaal zijn, kun je ze op afstand

uitwerken. Een relatie kan inderdaad op

internet tot bloei komen, via datingsites,

dat weten we. Maar het café is toch nog

steeds een veel effectievere methode. En

zo is het in de wetenschap ook.” De andere

twee decanen knikken instemmend.

De mogelijkheden voor samenwerking

zijn natuurlijk vele malen groter door


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Roeterseiland: Van Complex naar Campus

P. 272

fysieke nabijheid”, aldus Tom Wansbeek,

decaan van de Faculteit Economische

Wetenschappen. Edward de Haan

ziet, als de decaan van de Faculteit der

Maatschappij- en Gedragswetenschappen,

niet alleen een meerwaarde in de

samenwerking met de andere faculteiten,

maar ook dat al zijn nu nog door de stad

verspreid liggende afdelingen voor het eerst

in de geschiedenis onder één dak komen.

Mooier kan het natuurlijk niet in zijn ogen.

Last but not least de mening van de studenten.

Gijs van der Poel heeft de onmogelijke

taak hier als vertegenwoordiger van de

Centrale Studentenraad (CSR) voor 28.000

studenten te spreken, waarmee hij meteen

aangeeft dat er niet één mening bestaat.

Hij begrijpt heel goed dat de rechtenstudenten

en de Spin- en Bushuisstudenten

emotioneel aan hun plek zijn gehecht. Dat

is hij zelf ook, maar toevallig zit hij al op het

Roeterseiland en vindt het er prachtig. Ook

de CSR staat zeker niet afwijzend tegen

de clustering. “Als je bedenkt dat al vanaf

1955 over clustering wordt gesproken, is

het nu misschien wel tijd dat het ook gaat

gebeuren.”

“Het liefst zou je alles bij elkaar willen

hebben, maar dat gaat niet. We hebben er

daarom voor gekozen de stad de campus

te laten zijn en dat is een uitdaging,” aldus

Paul Doop, vice-voorzitter van het College

van Bestuur. “Wat we niet willen, zijn vier

eilanden in de stad die elkaar niet bereiken.

De stad verbindt ze met elkaar. Het

Roeterseiland is wat dat betreft een fantastische

locatie, met Geesteswetenschappen

op een fietsafstand van vijf minuten en de

Bèta’s op vijftien minuten. Dat moeten we

weten duidelijk te maken.”

Fysisch determinisme

Zijn de decanen niet bang dat de fysieke

clustering een eerste stap is naar een grote

brede bacheloropleiding met een veelheid

Paul Doop:

Een lege campus is het ergste

wat je kan gebeuren; hoe

meer studenten hoe beter


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Roeterseiland: Van Complex naar Campus

P. 273

Edward de Haan:

Geen campus zonder

studentenhuisvesting

aan specialistische masters? Du Perron

verwacht dat niet. Opleidingen zullen niet

samensmelten tot een brede gammaopleiding,

maar zullen eerder een palet aan

opleidingen vormen, met brede naast meer

gespecialiseerde opleidingen. “En dat maak

je mogelijk door de faculteiten bij elkaar te

zetten. Er moet voor de Rechtenfaculteit

natuurlijk wel de inhoudelijke meerwaarde

zijn, anders heeft verhuizen geen zin. Ik

moet meteen zeggen dat in mijn faculteit

niet iedereen overtuigd is van die meerwaarde.

Het vervelende is dat er zelfs een

beweging de andere kant op is. Mensen

willen heel graag op een bepaalde locatie

blijven en willen daarom niet meer over

die inhoudelijke samenwerking nadenken.

Zouden ze zeggen: ‘die samenwerking is

een goed idee’, dan stemmen ze ook in

met verhuizen, terwijl ze dat niet willen.”

Wansbeek gaat in die samenwerking nog

een stapje verder, of liever gezegd hij licht

een tipje van de sluier op over vergevorderde

toekomstplannen. “Meerwaarde

krijg je door samen een kindje te maken.

Misschien niet zo’n gelukkige metafoor als

je met z’n drieën bent, maar juist door deze

drie faculteiten bij elkaar te zetten genereer

je meerwaarde. Er wordt op dit moment

met de drie faculteiten serieus gesproken

over een tweede University College: alleen

voor de UvA, Engelstalig en met een breed

bachelorprogramma.” Paul Doop rekent

voor dat als het College van Bestuur als

doel heeft tien procent van de studenten

in de toekomst op de een of andere manier

een honoursprogramma aan te bieden, een

tweede University College geen overbodige

luxe is. Het eerste University College telt

900 plaatsen, waarvan 450 naar buitenlandse

studenten gaan en 225 naar de VU.

Daardoor krijgt slechts een klein gedeelte

van het huidige potentieel goede UvAstudenten

een kans. De uiterst representatieve

Artisbibliotheek, “die zoveel wijsheid

uitstraalt”, wordt nu al voor het nieuwe

University College gereserveerd.

Economies of scale en

massaliteit

Het Roeterseiland is volgens Doop voor de

drie grote faculteiten bijzonder geschikt,

niet in de laatste plaats vanwege de grote

collegezalen. Het gaat om circa vijftienduizend

studenten. Weliswaar zijn die niet

allemaal tegelijk, alle dagen van de week,

aanwezig, maar als ze er zijn verplaatsen ze

zich continu. De Haan voegt hieraan toe:

“Wanneer bij een college met vijfhonderd

studenten twee groepen binnen tien minu-


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Roeterseiland: Van Complex naar Campus

P. 274

ten eruit en erin moeten, is dat een hele

opgave. Dat kan niet in elk gebouw. Als het

verkeerd is georganiseerd, sluiten colleges

niet meer goed op elkaar aan in de tijd en

daar zal de organisatie van het onderwijs

onder lijden. Dat soort dingen kunnen we

hier goed regelen. Alle grote collegezalen

zijn op de begane grond of eenvoudig met

de trap bereikbaar”. Du Perron: “Kijk naar

de VU hoe het mis kan gaan. Daar ben

je afhankelijk van de lift. Een afspraak

op een hoge verdieping betekent twintig

minuten eerder komen om een plaatsje in

de lift te bemachtigen. Te veel onderwijsruimtes

zitten hoog in het gebouw waar

studenten niet met de trap naartoe gaan.”

Grote aantallen studenten betekent ook

een groot draagvlak voor voorzieningen.

Op en rond het Roeterseiland verwacht

men een binnenstedelijk voorzieningenniveau.

Weliswaar voorzieningen voor

een specifiek publiek maar daardoor niet

minder aantrekkelijk voor de rest van de

buurt en de middenstand. In ieder geval

zal de plint van een aantal gebouwen in

het complex een vrolijke facelift krijgen en

wordt CREA met haar druk bezochte café

en theater- en danszalen de nieuwe gebrui-

Edgar du Perron:

De ontmoeting is essentieel

voor de geboorte van

spontane ideeën

ker van de oude monumentale diamantslijperij

en daarmee een binnenstedelijke

attractie. Ook binnen en tussen de gebouwen

wordt het een gaan en komen van

mensen. Het zorgt voor de nodige reuring.

Volgens Van der Poel is er op dit moment

“een gigantisch tekort aan studieplekken,

groepswerkplekken en informele ruimten

om met een groep te kunnen overleggen en

opdrachten te maken. Er komen hier veel

extensieve faculteiten, extensief onderwijs

met weinig contacturen. Dat betekent nog

meer zelfstudie dan nu. Terwijl er nu al

een schrijnend tekort aan studieplekken

is. Als de universiteit groter wordt, moeten

er veel plekken bij komen.” Hij krijgt

onmiddellijk bijval van Du Perron: “We

hebben als Rechtenfaculteit gevraagd om

een eigen bibliotheek, daarmee bedoelen

we vooral eigen studieruimten. Studenten

moeten in de buurt van hun eigen faculteit

kunnen studeren en een bibliotheek is een

goede ontmoetingsplek tussen studenten

en docenten. Dat bereik je niet door in de

binnenstad één grote studieruimte neer

te zetten. Ontmoetingsplekken horen zo

dicht mogelijk bij de medewerkers te zijn,

zeker bij het masteronderwijs. Dat moet

beter worden ingevuld.”


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Roeterseiland: Van Complex naar Campus

P. 275

De Campus

Het was De Haan opgevallen dat in de

laatste presentatie van de plannen het

woord campus ontbrak. Hij hoopt dat het

geen opzet is, want studentenhuisvesting

maakt volgens hem een cruciaal deel

uit van het plan. Geen campus zonder

studentenhuisvesting. Over de wenselijkheid

en noodzakelijkheid van studentenhuisvesting

bestaat een opmerkelijke

gelijkgezindheid onder de decanen en

de studentvertegenwoordiger. Volgens

Wansbeek neemt de rol van een campus

zelfs “kwadratisch toe met de toename van

het aantal campusbewoners”. En daar komt

bij “dat de toekomst van de universiteit

afhangt van de komst van buitenlandse

studenten, zowel financieel als academisch.

De behoefte aan huisvesting onder die

groep is nog veel groter; binnenhalen

betekent ook ze een thuis geven. Gebouw J

en K zou ik nooit afstoten. Gebouw J lijkt al

een beetje op het Maagdenhuis en kan die

functie goed vervullen als het Maagdenhuis

wordt afgestoten. Het zou geweldig zijn als

gebouw K wordt bestemd voor huisvesting.


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Roeterseiland: Van Complex naar Campus

P. 276

Ton Wansbeek:

De rol van een campus

neemt kwadratisch toe met

de toename van het aantal

campusbewoners

Het ligt achteraan, mensen moeten over het

terrein lopen en dat brengt levendigheid

in het gebied.” Wansbeek ziet het helemaal

zitten. Nu is het “een beetje een achterbuurtje”,

waar hij wel komt, maar niet graag

is. Du Perron vult aan “dat huisvesting

bieden aan buitenlandse medewerkers en

studenten verschrikkelijk belangrijk is voor

de internationale concurrentiepositie.”

Niet helemaal onverwacht houdt ook

Van der Poel een warm pleidooi voor

studentenhuisvesting op het Roeterseiland.

Hij vindt op dit punt ook het College van

Bestuur aan zijn zijde, echter niet zonder

voorbehoud: “We hebben gezegd, het moet

wel betaalbaar blijven.” Blijkbaar is dat

nog niet gegarandeerd want er is nog geen

definitief besluit genomen, aldus Doop.

Wel wijst hij de aanwezigen er op dat het

met die studentenhuisvesting helemaal

niet zo slecht is gesteld. Zeker niet als het

aan de gemeente ligt. Die heeft de ambitie

de komende jaren circa 7.600 studentenwoningen

te realiseren. Hij is het overigens

volstrekt met Wansbeek eens wat betreft de

buitenlandse studenten. De universiteit is,

door de toenemende vergrijzing, de afname

van het aantal achttienjarigen en zeker

gezien de nieuwe tariefstelling, in toenemende

mate van die groep afhankelijk. In

die zin is de opgave dan ook residentieel;

huisvesting hoort erbij. “Een lege campus

is het ergste wat kan gebeuren. Hoe meer

studenten hoe beter”.

Horizontale en verticale

kwaliteit

Het huidige Roeterseiland is geen aantrekkelijk

geheel. Daar is iedereen het over eens.

Het is rommelig en ongeordend, gebouwd

in verschillende perioden in totaal verschillende

bouwstijlen en tot nu toe zonder

enige poging daar een stedenbouwkundig

samenhangend geheel van te maken.

Dat negatieve oordeel geldt niet voor de

gebouwen afzonderlijk. De voormalige

diamantslijperij staat op de monumentenlijst,

het G-gebouw is een min of meer

klassiek voorbeeld van de Amsterdamse

Schoolarchitectuur en het B- en C-gebouw

toonbeelden van het modernisme. Op z’n

minst een interessante verzameling, te

meer daar de hoge pijp op het laboratorium

van scheikunde niet alleen een uiting is

van puur rationele architectuur, maar ook

als een landmark functioneert. Met het

logo van de Universiteit van Amsterdam

erop is hij in de wijde omtrek te zien. Met

deze verticale kwaliteit van het complex

is dus iedereen dik tevreden. Horizontaal,


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Roeterseiland: Van Complex naar Campus

P. 277

op het maaiveld, moet nog wel het een

en ander gebeuren. Hoe pakken de fraaie

toekomstbeelden in werkelijkheid uit, is

een vraag die op ieders gezicht is te lezen en

op dat punt zijn er wel wat twijfels. Edgar

du Perron maakt zich zorgen over de mooie

plaatjes: “Ik vind de plaatjes altijd heel

mooi, maar ben altijd benieuwd naar de

computersimulatie met hoe mensen zich

daadwerkelijk gedragen in een bepaalde

omgeving. Zouden de fietsen dan echt

allemaal netjes in de rekken geparkeerd

staan? Natuurlijk niet!” Edward de Haan

onderschrijft het fietsenprobleem en noemt

daarnaast de plaatsing van de hoofdingang

aan de Achtergracht “problematisch”. Is dat

de juiste plek? Lopen daar straks de meeste

mensen langs? Paul Doop geeft toe dat er

nog een aantal puntjes op de ‘i’ moeten

worden gezet in de verbouwingsplannen,

maar hij is hoopvol. De universiteit

timmert hard aan de weg met de clustering.

Doop: “Natuurlijk moeten we niet onbezorgd

door het leven gaan. Als we als universiteit

echt alleen maar plannen zouden

Gijs van der Poel:

De universiteit kan best

een beetje meer doen, dan

wettelijk is voorgeschreven

hebben en niets tot uitvoering brengen, zou

ik ook twijfels hebben. Maar we doen wat

we zeggen. Zelfs de Rechtenfaculteit naar

het Roeterseiland verhuizen.” “Mooi”, zie

je Gijs van der Poel denken, “maar kijk en

passant ook nog even naar de duurzaamheid

van de plannen, want wij zagen de

energie- en milieubesparende maatregelen

er niet echt van af druipen. De universiteit

mag best iets meer doen dan wettelijk is

voorgeschreven.”

Carla Huisman (carla.huisman@student.uva.nl) is student

stadssociologie en Ineke Teijmant (i.teijmant@uva.nl) is docent

stadssociologie bij de Universiteit van Amsterdam. Beiden zijn

redacteur van Rooilijn.


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Broedmachine van de creatieve klasse

P. 278

foto: Hilde van Wijk

Robert Kloosterman

Broedmachine

van de creatieve

klasse


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Broedmachine van de creatieve klasse

P. 279

De plannen voor het Roeterseilandcomplex (REC) ademen de sfeer van

institutionele veranderingen waarbij de financiering steeds meer gekoppeld raakt

aan de aantallen studenten. Maar dat is niet de enige verandering die van belang

is voor de herontwikkeling van het REC. Er is ook sprake van een veranderde visie

op de relatie tussen kennis(-werkers) en steden waarbij de kwaliteit van de plaats

als een belangrijke vestigingsfactor wordt gezien. Universiteiten moeten opereren

in een context die in bepaalde opzichten verschilt van die van tien jaar geleden.

Het Roeterseilandcomplex is op te vatten als

een geologische formatie met de individuele

gebouwen als representanten van verschillende

perioden. Het zogeheten G-gebouw

aan de Nieuwe Prinsengracht is een specimen

uit de jaren dertig. Dit gebouw, in de

stijl van de Amsterdamse School maar met

een eigen identiteit en zelfs met een in steen

gehouwen opschrift ‘Geologisch Instituut’,

ademt de sfeer van de universiteit als een

tamelijk verheven en gesloten bolwerk van

kennis. Eenmaal binnen biedt het gebouw

ruime toegang tot de werkplekken van

de medewerkers. Het A-gebouw aan de

Roetersstraat weerspiegelt veel meer de veranderingen

van de jaren zestig en zeventig

toen studeren massale proporties begon aan

te nemen en de wereld doortrokken was van

een optimistisch modernisme. Een grote

hal, grote collegezalen zonder enige opsmuk

en bordjes met namen van instituten die

snel weer vervangen kunnen worden. Voor

de medewerkers, toen nog de nieuwe vrijgestelden,

de gestandaardiseerde wereld van

systeemplafonds, dunne scheidingswanden

en plastic koffiebekertjes. De meest recente

toevoeging, het E-gebouw, eveneens aan de

Roetersstraat, is weer anders. De universiteit

als een in zichzelf gekeerde broedmachine.

Na een grote hal, een labyrint van smalle

gangen en klein bemeten uniforme kamertjes

met nauwelijks uitzicht op de wereld

daarbuiten. Voor de daar gehuisveste

economen maakt het misschien ook weinig

uit. Doorgaans zijn ze toch alleen maar

geïnteresseerd in de wereld van hun model

en niet in de wereld om hen heen.

De student als consument

We staan nu aan de vooravond van een

nieuwe periode. De Universiteit van

Amsterdam wil een grote slag slaan in de

huisvesting en overgaan tot het ruimtelijk

concentreren. In dat plan zal het REC

domicilie bieden aan drie Faculteiten:

de Faculteit der Rechtsgeleerdheid, de

Faculteit Maatschappij- en Gedragswetenschappen

en de Faculteit Economie

en Bedrijfskunde. Deze ruimtelijke

clustering omvat een grootscheepse verbouwing

en nieuwbouw. In 2006 hadden

de drie Faculteiten samen zo’n 18.100

studenten en 1.560 fte medewerkers. In

de ramingen voor 2020 gaat het respectievelijk

om 24.400 studenten en 1.790 fte

medewerkers bij de FEB, FGW en FdR.

De plannen (Roeterseiland gebiedsontwikkeling,

2007; Meerjaren Huisvestingsplan,

2008) laten een duidelijke koerswijziging

zien. Ten eerste wil men streven naar

een soort van campus waarbij meerdere

functies (onderwijs, kantoren, sport,

winkels, theater en horeca) in één complex

worden ondergebracht. Ten tweede wordt

gestreefd naar een veel minder scherpe

scheiding tussen de semi-publieke ruimte

van de universiteit en de openbare


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Broedmachine van de creatieve klasse

P. 280

ruimte: “Gebouwen moeten zich openen

op het maaiveld naar de voorbijganger”

(Meerjaren Huisvestingsplan, 2008, p.

9). De UvA wil niet alleen de kosten van

de huisvesting drukken, maar zich met

de herontwikkeling van het REC ook

profileren om zo de concurrentiestrijd met

andere universiteiten binnen en buiten

Nederland, maar heel expliciet vooral die

met de VU, aan te gaan. Want veel meer

dan voorheen moet een universiteit aantrekkelijk

zijn voor studenten. Die vormen

“een belangrijke inkomstenbron voor de

universiteit” (Meerjaren Huisvestingsplan,

2008, p. 12). De huisvesting speelt in dat

gevecht om de student een belangrijke

rol. Mooie gebouwen zijn dan niet meer

voldoende, ook de directe omgeving, de

campus’, moet aantrekkelijk worden.

Van kathedraalschool tot

opwerkfabriek

De eerste universiteiten in Europese steden

werden opgericht in de Middeleeuwen,

met die van Bologna in 1088 als eerste.

Deze instellingen hadden een nauwe band

met de (katholieke) kerk en waren deels

een uitvloeisel van kathedraalscholen.

De locaties van universiteiten waren dan

ook nauw verbonden met de ruimtelijke

structuur van de katholieke hiërarchie.

Na de Reformatie en mede onder invloed

van de Verlichting werden in tal van grote

steden nieuwe universiteiten opgericht om

te fungeren als leverancier van theologen,

juristen en artsen. Veel recenter, na de

Tweede Wereldoorlog, werden universiteiten

ingezet als instrument om regionale

ontwikkeling te bevorderen (Newlands,

2002). Met het oprichten van een nieuwe

universiteit dachten beleidsmakers de lokale

economie te kunnen versterken. Eerst en

direct door de bouw van het complex, vaak

een echte campus, en naderhand door de

lokale bestedingen van de universiteit zelf,

de studenten en de medewerkers. Daarnaast

zou de vestiging van een universiteit een

zeker prestige met zich mee brengen. In

bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk

en Frankrijk treffen we veel van deze,

inmiddels vaak al weer enigszins vervallen,

modernistische complexen aan. In

Nederland kunnen de universiteiten van

Enschede, Tilburg en Maastricht onder deze

noemer worden geschaard. Hun vestiging

was mede ingegeven om de lokale economische

ontwikkeling te stimuleren. Geheel

in de geest van het modernisme trachtte

men vaak de mogelijke effecten van zo’n

vestiging in te schatten met behulp van regionale

input-output modellen (zie Bleaney

et al., 1992; Armstrong et al., 1997; Harris,

1997). Met de bestedingen kwam men een

heel eind. Maar met minder tastbare en

direct meetbare effecten die gekoppeld zijn

aan kennisverspreiding wist men in zulke

modellen veel minder raad (Felsenstein,

1996). Toch zijn het juist de indirecte (meer

lange termijn) gevolgen in termen van

verbetering van het lokaal beschikbare

human capital die er steeds meer toe lijken

te doen in een kenniseconomie. Human

capital is echter mobiel en kan letterlijk de

benen nemen naar andere, meer aantrekkelijke

plekken. De universiteit en de stad

waarin deze gevestigd is zou dan een soort

van ‘opwerkfabriek’ voor human capital

worden, waarbij eenmaal afgestudeerden

hun heil elders zoeken.

De creatieve klasse

Het strategische belang van human

capital voor de economische ontwikkeling

van steden heeft door het werk van

Richard Florida (2002) nieuwe aandacht

getrokken. Hij wees niet alleen op het


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Broedmachine van de creatieve klasse

P. 281

belang van human capital in de mondiale

concurrentie maar onderstreepte ook de

ruimtelijke mobiliteit van deze hulpbron.

Werd in de literatuur veelal gesteld dat

hoogopgeleiden het werk en dus de locatie

van bedrijven volgen, Florida draaide deze

relatie om. In zijn ogen kiezen hoogopgeleiden

een stad uit vanwege de kwaliteiten

en niet zozeer vanwege het werk en de daar

gevestigde bedrijven. Die hoogopgeleiden,

die hij met een handige vorm van sales talk

de ‘creatieve klasse’ heeft genoemd, zijn

primair geïnteresseerd in een interessante

leefomgeving. Een tolerante stad met een

reeks van voorzieningen, van poptempels

tot klimmuren, van galerieën tot grand

cafés en van niche winkeltjes tot flagship

stores, is in zijn ogen essentieel in het

behouden en aantrekken van leden van de

creatieve klasse.

Op de visie van Florida is veel kritiek

gekomen. De creatieve klasse is geen echte

klasse, creativiteit is niet erg nauwkeurig

afgebakend, de ruimtelijke schaal is

onduidelijk, en de empirische basis van

zijn verhaal laat te wensen over. Dit zijn

maar een paar van de kritiekpunten die

naar voren zijn gebracht. Belangrijker in

dit verband is de kritiek (zie bijvoorbeeld

Scott, 2008) dat Florida de vrijheidsgraden

in de keuze van woon- en werkplaats, zelfs

van hoogopgeleiden, heeft overschat en

de rol van de lokale productiestructuur

heeft onderschat. Om het heel beknopt te

zeggen: tolerantie en voorzieningen zijn

allemaal heel aardig, maar als er geen werk

is, houdt het snel op en zullen ook hoogopgeleiden,

hoe creatief ook, naar een andere

plek moeten uitkijken. De komende tijd

zal uitwijzen in hoeverre de analyse van

Florida vooral op een hoogconjunctuur

van toepassing is waarin de vraag naar

arbeid relatief groot is en wat de waarde is

in een periode waarin juist bedrijven de

werknemers kunnen uitkiezen.

Quality of place

Die kritiek op Florida neemt echter niet weg

dat het belang van hoogopgeleiden voor de

lokale stedelijke economie, zoals ook voor

Nederland empirisch is vastgesteld (Marlet

& Van Woerkens, 2004), inderdaad groot

is. Tevens is het duidelijk dat de quality of

place in termen van voorzieningen van

stad tot stad sterk kan verschillen en dat er

een relatie bestaat tussen die kwaliteit en

de omvang van de lokale creatieve klasse

(Trip, 2007). Hoe de quality of place en de

creatieve klasse nu causaal samenhangen

is veel minder duidelijk, wel is zeker dat

de voorzieningen een rol spelen in het

keuzeproces van hoogopgeleiden.

De plannen voor het REC sluiten aan bij de

visie dat studenten kunnen worden gezien

als aspirant-leden van de creatieve klasse.

De verwachting dat studenten niet alleen

maar voor een universiteit kiezen op basis

van het aangeboden onderwijs, maar ook

op grond van de kwaliteit van de voorzieningen

ligt evident ten grondslag aan de

herontwikkeling. Een belangrijk deel van

die voorzieningen ligt buiten het bereik

van de universiteit, namelijk in de stad

Amsterdam zelf, maar met het nieuwe plan

voor het REC wordt nu toch een poging

gedaan om een grotere ruimtelijke greep

te krijgen en ook de directe omgeving

erbij te betrekken. Niet alleen onderwijs

en onderzoek moeten een plaats krijgen

maar ook “aanpalende faciliteiten (die)

ter beschikking staan voor student en

medewerker. Daarbij valt te denken aan

voldoende culturele ontmoetingsplekken,

ontspanningsmogelijkheden, horeca


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Broedmachine van de creatieve klasse

P. 282

en specifiek winkel aanbod… Ook het

plaatsen van voorzieningen in de plint

moet bijdragen aan een betere inrichting

van de campus van de UvA” (Meerjaren

Huisvestingsplan, 2008, p. 12). De plannen

voorzien in een verbetering van de

openbare ruimte: “Bij de planvorming

van het Roeterseilandcomplex wordt

uitgegaan van een hoger kwaliteitsniveau

van afwerking in de openbare ruimte”

(Meerjaren Huisvestingsplan, 2008, p. 12).

Ontmoeting en functiemenging

Geavanceerde steden moeten het hebben

van kennisintensieve activiteiten. In de (re)

productie van kennis spelen universiteiten

een grote rol. De plannen voor de herontwikkeling

van het Roeterseilandcomplex

passen in een perspectief van het aantrekkelijk

maken van de universiteit voor

een categorie van mobiele (aspirant-)

kenniswerkers. Met het nastreven van een

soort van campus tracht de UvA de quality

of place te verhogen en de opbrengsten

daarvan voor een deel te internaliseren.

Dat is allemaal heel mooi. De schitterende

verbouwing van het Kamerlingh

Onnes Gebouw van de Faculteit

Rechtsgeleerdheid van de Universiteit

Leiden heeft laten zien wat een kwaliteitsimpuls

kan betekenen voor studenten en

medewerkers. Ook mooi dat men inziet dat

ontmoetingen, gezochte en ongezochte,

een essentieel element vormen van een

universitaire gemeenschap. Dat daarmee

allerlei vormen van samenwerking tussen

de drie faculteiten zullen opbloeien, lijkt

me weer een typisch idee van managers

die van bovenaf kijken en geen flauw idee

hebben wat er nu eigenlijk op de werkvloer

speelt. “Hier is ook de wisselwerking

tussen de faculteiten onderling maximaal

mogelijk” (Meerjaren Huisvestingsplan,

2008 p. 6) heet het dan in even ronkend als

nietszeggend proza. Maar ach, het idee om

ontmoeting centraal te stellen is op zichzelf

goed. De gedachte om de functiemenging

op het REC verder door te voeren, moet

ook worden toegejuicht. Interessant zal

zijn om te zien hoe universiteitsfuncties en

andere functies in elkaar zullen grijpen.

Een bezoekje aan een Starbucks of een

grote boekhandel in een Amerikaanse

universiteitsstad waar veel gasten achter hun

laptop zitten te werken, toont de vervaging

van plekken om te werken of te studeren en

plekken om te consumeren, te ontspannen

en mensen te ontmoeten. Juist dit soort

plekken maken de omgeving van een

universiteit tot een aantrekkelijke plaats in

de stad.

Kanttekeningen

Toch zijn er nog belangrijke kanttekeningen

te maken bij de plannen voor het REC mede

vanuit het perspectief van het belang van

hoogopgeleiden voor de stad Amsterdam.

Het binnenhalen van studenten is heel

positief voor universiteit en voor de stad.

Zij maken mede een hele infrastructuur

van culturele en horecavoorzieningen

mogelijk. Maar voor de stad is het vooral

belangrijk om een deel van deze in potentie

mobiele groep ook een tijdje te behouden

na het afstuderen. Wat lijkt te ontbreken

zijn voorzieningen voor startende bedrijven,

zoals die wel zijn aangebracht in en

om het Sciencepark van de Faculteit der

Natuurwetenschappen, Wiskunde en

Informatica in de Watergraafsmeer. Dat de

Amsterdamse economie het vooral moet

hebben van bedrijvigheid in de zogeheten

creative industries met kleine bedrijven

in communicatie, (juridisch) advies en

reclame, is blijkbaar nog niet overal doorgedrongen.

Omdat juist ook de stad hiervan


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Broedmachine van de creatieve klasse

P. 283

Sfeerimpressie van openbare ruimte op de Nieuwe Achtergracht (bron: ALLFORD HALL MONAGHAN MORRIS)

profiteert, zou het raadzaam zijn om met

de stad naar mogelijkheden te zoeken voor

ruimten waar starters hun eerste stappen

kunnen zetten. Een bredere en meer strategische

blik op het belang van broedmachine

van hoogopgeleiden voor Amsterdam zou

geen kwaad kunnen.

Los van de soms zelfs hemeltergende

taal, ‘ontmoetings- en leerfaciliteit’ en,

jakkes, ‘faciliteren van het ontmoeten’

(Meerjaren Huisvestingsplan, 2008, p.7) is

veel van wat in de plannen staat zinvol. Het

opknappen van de openbare ruimte op en

rond het Roeterseiland is hoognodig en

ook het meer transparant en open maken

van de universiteit verdient steun. Maar

bij de UvA zit het venijn doorgaans in de

uitvoering. Mooie plannen worden vaak

uiteindelijk door geldgebrek of ordinaire

klunzigheid om zeep gebracht. Dus eerst

maar eens zien en dan geloven.

Robert Kloosterman (R.C.Kloosterman@uva.nl) is als

hoogleraar economische geografie en planologie werkzaam

bij de Afdeling Geografie, Planologie en Internationale

Ontwikkelingsstudies aan de Universiteit van Amsterdam.

Literatuur

Armstrong, H.W., J. Darrall, R. Grove-White (1997) Maximising

the local economic, environmental and social benefits of a

university: Lancaster University, GeoJournal, jg. 41, nr. 4, p.

339-350

Bleaney M.F., M.R. Binks, D. Greenaway, G.V. Reed, and

D.K. Whynes (1992) What does a University add to its local

economy? Applied Economics, vol.24(03), p. 305-311

Felsenstein, D. (1996) The University in the Metropolitan

Arena: Impacts and Public Policy Implications, Urban

Studies, jg. 33, nr. 9, p. 1565-1580

Florida, R. (2002) The Rise of the Creative Class; and how it’s

transforming work, leisure, community and everyday life,

Basic Books, New York

Harris, R.I.D. (1997) The impact of the university of

Portsmouth on the local economy, Urban Studies, jg. 34, nr.

4, p. 605-626

Marlet, G. en C.M.C.M. van Woerkens (2004) Het economisch

belang van de creatieve klasse, Economische-Statistische

Berichten, jg. 89, nr. 4435, p. 280-283

Newlands, D. (2002) The contribution of universities to

regional economic development In: Y. Higano, P. Nijkamp, J.

Poot and K. van Wyk (Eds.) The Region in the New Economy:

An International Perspective, Ashgate Pub Ltd, Aldershot

Palmboom & van den Bout Stedenbouwkundigen bv. (2007)

Roeterseiland gebiedsontwikkeling

Scott, A.J. (2008) Social Economy of the Metropolis;

Cognitive-Cultural Capitalism and the Global Resurgence of

Cities, Oxford University Press, Oxford

Trip, J.J. (2007) Assessing quality of place: a comparative

analysis of Amsterdam and Rotterdam, Journal of Urban

Affairs, jg. 29, nr. 5, p. 501-517

Universiteit van Amsterdam (2008) Meerjaren

Huisvestingsplan, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 De campus als publiek domein

P. 284

In de plannen voor de Roeterseiland Campus is veel aandacht voor de openbare

ruimte. De huidige slagbomen zullen verdwijnen, de ingangen van de verschillende

gebouwen komen aan de Nieuwe Achtergracht als centrale openbare ruimte

en deze wordt met een passage verbonden met de Sarphatistraat. Tussen de

gebouwen ontstaan openbare groene binnenhoven. Het ziet er veelbelovend uit.

Maar wordt die belofte ook ingelost?

Arnold Reijndorp

De campus

als publiek domein


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 De campus als publiek domein

P. 285

Vorig najaar was ik te gast bij één van de

nieuwe, particuliere universiteiten, die in

Istanboel als paddenstoelen uit de grond

springen. De Santral Istanbul vestiging van

de Bilgi Universiteit is gevestigd op het terrein

van een voormalige elektriciteitscentrale.

Een deel van de gebouwen is gehandhaafd.

De generatorhal functioneert nu als

museum van de elektriciteitsvoorziening en

als een kunsthal met wisselende tentoonstellingen.

Tijdens mijn verblijf toonden

ze de enorme impact van de bekende foto

van Che Guevara, die als icoon op talloze

manieren is gereproduceerd. In de voormalige

werkplaatsen zijn naast een infocentrum,

café’s en restaurants gevestigd in

verschillende prijsklassen. Daartussendoor

zijn de faculteitsgebouwen gelegen. Dit alles

in een parkachtige setting.

Santral Istanbul

Juridisch gesproken is het nog steeds

privé-terrein. Dat was het natuurlijk ook

toen het nog een elektriciteitscentrale was.

Maar door het gevarieerde programma

is het nu feitelijk openbaar, hoewel er een

slagboom is. Met de auto kun je er niet

zomaar op, maar de voetganger loopt

gewoon door. Tegelijk bepaalt de combinatie

van universiteit en cultureel centrum

de sfeer en de uitstraling van het gebied. De

studenten behoren duidelijk tot de rijkere

middenklasse. De campus onderscheidt

zich mede daardoor van de wat verkommerde

arbeidersbuurt aan de overkant

van de straat, waarvan waarschijnlijk

een belangrijk deel van de bewoners in

de centrale werkte. Het is absoluut niet

ondenkbaar dat de gentrification van

deze buurt al is begonnen.

Parochiale ruimte

Hoe de vestiging van deze universiteit

bijdraagt aan de revitalisering van dit

deel van Istanboel staat ter discussie.

Het antwoord op die vraag hangt af

van de wisselwerking tussen campus

en wijk op het gebied van huisvesting

en voorzieningen. Die wisselwerking

bepaalt de manier waarop en de mate

waarin de campus, als een in principe

parochiaal domein, bijdraagt aan het

publieke domein van dit deel van de

stad. Maarten Hajer en ik (2001) hebben

laten zien dat de kwaliteit van de openbare

ruimte niet zit in de onbepaaldheid

ervan, als een neutrale ontmoetingsruimte

van en voor iedereen. Culturele

uitwisseling tussen verschillende groepen

vindt juist daar plaats waar bepaalde

groepen hun stempel op die ruimte

drukken, zowel door hun aanwezigheid

als door de voorzieningen die symbool

staan voor hun levenswijze. In de stadssociologische

literatuur staan dergelijke

plaatsen te boek als parochiale ruimten

(Lofland, 1998). In Op zoek naar nieuw

publiek domein verdedigen we de stelling

dat de ervaring van het verschil, die

het gevolg is van het betreden van de

parochiale ruimte van een andere groep,

het kenmerk is van publiek domein. Het

publieke domein van de stad is zogezien

de optelsom van elkaar overlappende

parochiale domeinen.


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 De campus als publiek domein

P. 286

Vreemde eend

Met de ervaring van de hiervoor beschreven,

in sommige opzichten, voorbeeldige

campus, kijk ik naar de plannen voor het

Roeterseiland. Er zijn natuurlijk belangrijke

verschillen. Het eerste is wel dat het

Roeterseiland al een universiteitslocatie

is. Het tweede dat de Universiteit van

Amsterdam geen elite universiteit is,

hoewel ze daar vergeleken met de Vrije

Universiteit of de Erasmusuniversiteit

wel de trekken van vertoont. Kijk alleen

maar naar het geringe aandeel allochtone

studenten. Waar het mij om gaat is de

wisselwerking van het huidige complex

en de toekomstige campus met dit deel

van Amsterdam. Het is duidelijk dat deze

momenteel niet groot is. Dat ligt niet eens

aan de afwezigheid van, voor een universiteitsbuurt,

typische parochiale voorzieningen.

Het aantal cafés’s en goedkopere

restaurants is niet veel kleiner dan in de

directe omgeving van het Binnengasthuis,

het Oost-Indischhuis en het Spinhuis.

Met Kriterion en een boekhandel heeft de

Roetersstraat zelfs een paar troeven. Verder

kan dit deel van de stad er met de Hortus,

Artis en het Tropeninstituut prat op gaan

al een eeuwlang universiteitswijk te zijn.

Maar waarom beschouwen de meeste

studenten sociale wetenschappen dit

gebied desondanks als een buiten het

centrum gelegen complex? En waarom

ervaart geen enkele bezoeker het als het

typische parochiale domein dat men met de

aanwezigheid van een universiteit verbindt?

Het grote verschil met de vestigingen in de

oude binnenstad is, denk ik, dat deze daar

van de grachten en de straten een campus

maken. Voorzieningen en de massaal op

straat aanwezige studenten drukken er dat

stempel op. Die situatie is heel vergelijkbaar

Columbia University

met de ‘campus’ van de City University

of New York rond Washington Square

in zuidelijk Manhattan. Een situatie die

wezenlijk verschilt van die van de campus

van Columbia University in Harlem, die

veel meer weg heeft van het Istanboelse

voorbeeld. Het Roeterseiland zit er tussen

in. Het doet zich, ook architectonisch, voor

als een enorme school zonder enige relatie

met de omgeving; een fremdkörper.

Wisselwerking met de stad

In de plannen voor de Roeterseiland

Campus, waarvoor nu al de vreselijke

aanduiding REC is ingebureaucratiseerd,

is veel aandacht voor de openbare ruimte,

maar weinig voor de wisselwerking met de

stad. Die is zuiver functioneel en logistiek.

De tekeningen van de stedenbouwkundige

opzet beperken zich tot het gebied van de

universiteit binnen enge eigendomsgrenzen.

Daarmee wordt de indruk gewekt

van een campus à la Columbia. Maar de

omvang en de kwaliteit van de openbare

ruimte binnen het complex weerspreken

dat. Op de dag van de buluitreiking is de

campus van Columbia, met een centraal

podium en heel veel partytenten, één

groot feestterrein. Dat zal op de REC nooit

gebeuren. Daarvoor is een andere strategie

gekozen. Met de Nieuwe Achtergracht als


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 De campus als publiek domein

P. 287

centrale openbare ruimte en de passage

naar de Sarphatistraat wordt de stad ogenschijnlijk

naar binnengehaald. De vraag

is, of de aan de Nieuwe Achtergracht gesitueerde

publieke voorzieningen (horeca,

CREA) voldoende zijn om dat streven ook

daadwerkelijk te realiseren. Het antwoord

op die vraag is afhankelijk van de functie

die de Nieuwe Achtergracht en de passage

gaan vervullen in het stratenpatroon van

dit deel van Amsterdam. Daar bieden

de stedenbouwkundige tekeningen geen

inzicht in. Die tekeningen laten zien dat

bij opdrachtgevers en ontwerpers een

duidelijk idee ontbreekt van het type

campus’ dat het REC moet worden en

op welke wijze een wisselwerking met de

stad zal ontstaan. Daarin staan ze niet

alleen. Het geldt in overtreffende trap

voor de opdrachtgevers en ontwerpers van

de enorme uitbreiding van het Erasmus

MC in Rotterdam, dat door zijn omvang

en geslotenheid een heel stadsdeel op slot

dreigt te zetten. In beide gevallen is het

nog niet te laat.

Helikopter view

De wisselwerking tussen universiteit en

stad kan nu nog als een belangrijk uitgangspunt

voor de planvorming worden

genomen. Dan moeten eerst de grenzen

van de tekening worden opgerekt. Teken

het gebouwencomplex als een onderdeel

van de openbare ruimte van de stad. Op de

manier waarop Giambatista Nolli in 1748

een kaart van Rome tekende, waarin hij niet

alleen de straten en pleinen maar ook de

ruimte in de (semi-)openbare gebouwen als

openbare ruimte weergaf. Vervolgens kun

je daarop intekenen waar zich parochiale

domeinen ontwikkelen door specifieke

voorzieningen en het gebruik van de

straat. Een voorbeeld van een dergelijke

werkwijze is de ontwikkelingsvisie voor het

Coolhaveneiland in Rotterdam, van de hand

van stedenbouwkundige Miranda Reitsma

(zie Reijndorp en Reitsma, 2006). De (nog

liggende) ontwerpopgave is dan om de ontwikkelingsmogelijkheden

van die parochiale

domeinen, binnen en buiten de muren, en

daarmee de bijdrage van de Roeterseiland

Campus aan het publieke domein van de

stad te vergroten.

Publiek domein

Publiek domein is niet enkel een kwestie

van ontwerp, maar vooral van beheer

en regels. Bibliotheken die, zoals de

Koninklijke Bibliotheek in Den Haag,

controle op lidmaatschap uitoefenen

aan de ingang zijn collectieve domeinen,

vergelijkbaar met een besloten club.

Bibliotheken die aan de uitgang controleren

of men niet zonder te registreren een boek

meeneemt en verder alleen het gedrag van

de bezoekers enigszins sturen, ontwikkelen

zich tot ware publieke domeinen, waar ook

een dakloze de krant leest. En een college

van bestuur dat contracten afsluit met grote

cateraars, die geen concurrentie dulden van

initiatieven van studenten en medewerkers,

belemmert de ontwikkeling van nieuw

publiek domein.

Arnold Reijndorp (A.Reijndorp@uva.nl) is bijzonder hoogleraar

sociaal-economische en ruimtelijke ontwikkelingen van nieuwe

stedelijke gebieden aan de Universiteit van Amsterdam.

Literatuur

Hajer, M. & A. Reijndorp (2001) Op zoek naar nieuw publiek

domein, NAi Uitgevers, Rotterdam

Lofland, L.H. (1998) The Public Realm. Exporing the City’s

Quintessential Social Territory, Aldine de Gruyter, New York

Reijndorp, A. & M. Reitsma (2006) ‘De stad in kaart. Onderzoek

en ontwikkeling: Coolhaveneiland Rotterdam’, Stedenbouw &

Ruimtelijke Ordening, nr. 4, p. 38-43


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Tegels rechtleggen in de Wibautstraat

P. 288

Annemarie Maarse

Tegels rechtleggen

in de Wibautstraat

Stedelijke voorzieningen aan en nabij de Wibautstraat (bron: Gemeente Amsterdam)


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Tegels rechtleggen in de Wibautstraat

P. 289

In oktober 2007 presenteerde het stadsdeel Oost-Watergraafsmeer de conceptvisie

Wibaut aan de Amstel. Het doel is een volwaardige stadsentree vanaf de

A10 tot aan de oostelijke binnenstad te realiseren, met daaraan culturele en

onderwijsvoorzieningen, overheidsinstituties, levendige woonbuurten en het

stedelijke knooppunt Amstelstation. Zef Hemel en Ton Schaap, respectievelijk

adjunct-directeur en stedenbouwkundige van de Dienst Ruimtelijke Ordening van

de gemeente Amsterdam, geven een toelichting op het project.

“Voor het project Wibaut aan de Amstel

kwam het stadsdeel Oost-Watergraafsmeer

bij de wethouder van de centrale stad”,

vertelt Zef Hemel. “Het stadsdeel had

hulp nodig bij het verwezenlijken van

haar plannen. Het project was te groot

voor het stadsdeel alleen. Toen is het

Projectbureau Wibaut aan de Amstel

opgericht; een coalitie tussen de centrale

stad en het stadsdeel”. Ton Schaap vult

aan dat het logischer was geweest ook het

stadsdeel Centrum te betrekken bij het

projectbureau maar dat zou het project

volgens de wethouder onnodig ingewikkeld

maken. Bovendien heeft het stadsdeel

Centrum al veel grote projecten, zoals het

rode loper-project en de herinrichting van

het Leidseplein. Er is simpelweg te weinig

geld beschikbaar om op dit moment

mee te doen aan de plannen rondom de

Wibautstraat, aldus Ton Schaap.

Rond de Wibautstraat zijn verschillende

ontwikkelingen gaande, waarop het

projectbureau aansluit. De grootste ont-

wikkelingen zijn de verbouwingen van

de UvA op het Roeterseiland en de HvA

aan de Wibautstraat. Ton Schaap spreekt

over ‘cadeautjes’. De gemeente is alleen

verantwoordelijk voor de herprofilering

van de Wibautstraat en de inrichting van

de openbare ruimte. De herontwikkeling

van grote complexen langs de straat zijn

dan natuurlijk zeer welkom voor het

vormgeven aan de ‘facelift’ van de as.

Verblijfskwaliteit

De Wibautstraat is één van de weinige

straten in Amsterdam waar infrastructuur

onder de grond is gebracht; de

metrolijn. Het verhogen van de kwaliteit

op het maaiveld wordt vaak als argument

genoemd om zoveel mogelijk infrastructuur

onder de grond te brengen, maar

dat is in de Wibautstraat nooit gelukt.

Het is een weinig geliefde straat bij

Amsterdammers en de verblijfskwaliteit

laat te wensen over. Ton Schaap

heeft hier wel een verklaring voor:

“Toen de metrolijn af was, was het geld


Rooilijn

op. Het verhaal doet de ronde dat het

toenmalige hoofd Groenvoorzieningen

van de gemeente heeft voorgesteld de

Wibautstraat vol te planten met linden;

lekker goedkoop. Alle restruimten ‘overhoekjes’

zijn zo vol geplant, maar linden

kunnen slecht tegen verdichting van het

wortelgestel. Tussen stoepen gaan ze

dood.” De oostlijn was de eerste metrolijn

van de stad. “Men wist nog niet dat als

je zo’n lijn ontwerpt, je de ingangen en

openingen van het station heel goed in

het bovengrondse plan moet inpassen”.

De openbare ruimte in de Wibautstraat

is destijds als ‘restruimte’ behandeld. Het

maken van een mooie stedelijke stadsentree

was toen geen doel op zich, nu wel.

De Parooldriehoek is één van de grote Wibautsasprojecten

Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Tegels rechtleggen in de Wibautstraat

P. 290

Groene loper

Één van de belangrijkste opgaven van de

gemeente nu is van de Wibautstraat een

mooie, geliefde straat te maken. Volgens

Zef Hemel is de belangrijkste ingreep het

aanpakken van de infrastructuur. “De

huidige Wibautstraat is nu teveel een

racebaan: zodra de verkeerslichten op

groen springen trekt iedereen hard op;

twee rijen aan de ene kant en twee aan de

andere kant. Dat zijn we in Amsterdam

helemaal niet gewend! Daarom houden we

ook niet van de Wibautstraat”. Ton Schaap

vult aan dat “het openbaar gebied in de

eerste plaats prettig moet aanvoelen voor

voetgangers en fietsers. Vervolgens moet

al het gemotoriseerde verkeer er op een


Rooilijn

Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Tegels rechtleggen in de Wibautstraat

P. 291

Het metrostation Weesperplein wordt over een aantal jaar metrostation Universiteit van Amsterdam

elegante en comfortabele manier doorheen”.

De verkeerssituatie wordt aangepakt

door meer stoplichten en misschien

drempels, maar ook door optisch bedrog;

je kunt de rijbaan smaller laten lijken dan

die is. Schaap: “Smaller maken is moeilijk

aangezien je aan wettelijke bepalingen

moet voldoen, maar door witte strepen en

detaillering van de goot kun je net doen

of de straat smaller lijkt. Dan denkt de

automobilist ‘even rustig aan nu’. Verder

gaan we goede bomen planten, in kaarsrechte

lijnen, vier rijen dik, mooie rechte

fietspaden en een groene middenberm”.

De Apollolaan en lanen in Buitenveldert

zijn daarbij de referentiebeelden. De

Wibautstraat wordt de ‘groene loper’ die

leidt naar het centrum van de stad.

“Vervolgens kijken we naar de gebouwen”,

aldus Schaap. De Hogeschool aan de kop

van de Wibautstraat en de Parooldriehoek

(bij metrostation Wibautstraat – red.) zijn

de grootste projecten. “Het gaat allemaal

vanzelf!”, roept Schaap enthousiast. “De

stad is er klaar voor, wij hoeven alleen


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Tegels rechtleggen in de Wibautstraat

P. 292

De Amstelcampus in verbouwing


Rooilijn

Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Tegels rechtleggen in de Wibautstraat

P. 293

maar de tegels recht te leggen”, zegt hij

gekscherend. Hemel voorspelt dat als het

“verkeersriool” wordt aangepakt, we met

terugwerkende kracht van de Wibautstraat

gaan houden. “Dan denken mensen

ineens: ‘Wat een leuke gebouwen!’, net

zoals het Volkskrant-gebouw nu pas

wordt ontdekt. Op een haar na was de

Renaultgarage waar nu café-restaurant

Dauphine in zit, gesloopt.” Je moet er toch

niet aan denken, lees je van de gezichten af.

Levendige woonbuurt

Aan de Wibautstraat staan overwegend

kantoren, overheidsgebouwen

en onderwijsinstellingen. Allemaal

gebouwen die mensen aantrekken tijdens

kantoortijden. De uitdaging is zo’n straat

ook ’s avonds een stedelijk karakter te

geven. Schaap licht toe dat het projectbureau

daarom niet alleen focust op de

Wibautstraat zelf, maar ook probeert

de omliggende buurten naar de as toe te

halen. “De menging met wonen is heel

interessant. Nieuwe woningen bouwen

aan de Wibautstraat is ingewikkeld.

Er moet in een hoge dichtheid worden

gebouwd, de woningen moeten een

geluidsluwe gevel hebben en de bezonning

moet goed zijn. Schaap: “Je wil

zon, een balkon, maar geen geluid. Dat

is architectonisch een superinteressante

puzzel, daar nemen we de tijd voor.”

De menging met wonen wordt daarnaast

gezocht in de omliggende buurten. Alle

zijstraten van de Wibautstraat zijn woonstraten.

De negentiende eeuwse straten

vormen een heel aangenaam stedelijk

milieu, met straten van vijftien meter breed

en huizen van vijftien meter hoog, dat door

iedereen aantrekkelijk wordt gevonden”.

De gebouwen aan de Wibautstraat zijn van

een andere schaal. Volgens Schaap is het

belangrijk dat in ieder geval de hoeken,

de uitmondingen van de zijstraten in de

Wibautstraat, de sfeer ademen van de

achterliggende straten. De hoekoplossing

is daarom heel belangrijk. “Van die oude

oplossingen waarbij de entree van een

winkel onder een hoek van 45 graden op

de hoek van het gebouw is gesitueerd,

gaan we herintroduceren”. Hoe hoog de

gebouwen in de tussenliggende stukken

worden, maakt Schaap niet zoveel uit,

als het karakter van de zijstraten maar

zichtbaar blijft”.

De visie van het Projectbureau werkt als

een katalysator voor andere projecten.

Alle corporaties werken aan plannen om

hun bezit aan en rond de Wibautstraat aan

te pakken. Nu de stad aandacht besteedt

aan dit deel van de stad komen ook zij in

actie. Schaap vertelt dat “het tien jaar lang

zo’n soort gebied was waar niemand wat

aan deed. Het was Het land achter Gods

rug (roman van A. den Doolaard – red.),

waar je een beetje aan kon kloten. Nu zijn

opeens alle ogen op het gebied gericht.

De stad investeert in asfalt, stoepen en

bomen. De andere investeringen moeten

van andere partijen komen en dat gebeurt

nu ook”.

Discussies over stedelijkheid

De gemeente moedigt de verbouwing

van het Roeterseilandcomplex aan.

“Met de nieuwe ontwikkelingen liggen

er kansen om van het Roeterseiland

een Oudemanhuispoortachtig gebied

te maken”, aldus Schaap. Door van de

Nieuwe Achtergracht de centrale as te

maken waaraan de ingangen komen,

kun je straks “door allerlei vertrekken en

gangen scharrelen om er aan de andere


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Tegels rechtleggen in de Wibautstraat

P. 294

kant, bij de volgende gracht, weer uit te

komen”. Schaap vindt de clustering van

faculteiten een logische keuze van de UvA.

De bètastudies hebben meer behoefte

aan een kloosterachtig complex. In de

Watergraafsmeer is dat met het Science

Park goed gelukt.

Voor de gemeente is het vooral van belang

dat de entrees van de universiteit goed

aansluiten op het openbaar gebied. De

bijdrage van de gemeente is de opwaardering

van het metrostation Weesperplein.

De ingangen van het station worden zo

georiënteerd dat de routes richting de

UvA en HvA logisch zijn. Overigens is de

routing één van de discussiepunten tussen

gemeente, universiteit en hogeschool.

Er is over gesproken om de route van de

HvA en de UvA zoveel mogelijk via het

oude spoorbruggetje over de Singelgracht

achter de Sarphatistraat te laten lopen. Die

route wordt nu al veel gebruikt en is binnendoor

bovendien het snelst en veiligst.

Schaap: “Het is de vraag of dat slim is.

Laat de studenten van de hoofdboulevard

(Wibautstraat – red.) gebruik maken,

daar zitten de meeste cafés, daar komen

de printshops enzovoort. De route via het

bruggetje leent zich er minder goed voor.

Daar wonen mensen en die zitten niet

op grote stromen studenten te wachten.”

Een andere route die de universiteit

graag gebruikt ziet worden, is de route

Weesperstraat – Nieuwe Achtergracht.

De gracht moet straks immers de centrale

as van het Roeterseilandcomplex

worden, waar ook de ingangen van de

faculteiten Rechten en Maatschappij- en

Gedragswetenschappen komen. Schaap

voorspelt echter dat de meeste studenten

ook na de verbouwing voornamelijk

gebruik zullen blijven maken van de loop-

route door de Valckeniersstraat, omdat de

uitgang van de metro precies aan het begin

van die straat uitkomt. “Eén van de stellingen

was dat dat verholpen moest worden,

maar we kunnen mensen niet dwingen een

bepaalde route te lopen. Kun je niet beter

zeggen: ‘Van dat straatje maken we een

voetgangersstraatje, niet al te ingewikkeld,

met een rij bomen desnoods’? Daarmee

proberen we elkaar op te zoeken.”

De gemeente heeft met de HvA een discussie

gehad over luchtbruggen. Er is in het

verleden gesuggereerd tussen de gebouwen

aan beide zijden van de Amstelcampus een

luchtbrug te maken, aldus Schaap. “Daar is

de gemeente faliekant op tegen. Esthetisch

is het natuurlijk niet wenselijk, maar nog

belangrijker is het maaiveld. De gemeente

wil juist levendigheid op straat. Dan is een

luchtbrug niet erg bevorderlijk. Dit is een

stuk stad. Als je als hogeschool optimale

verkeersveiligheid wil, dan is een buitenwijk

in Almere een betere optie. Daar gebeuren

nooit ongelukken, maar het is ook saai.

Hier is het juist omgekeerd, hier zit je in de

stad, dus we willen het stedelijk leven, met

verkeer, horeca, en winkels op het maaiveld,

niet in gebouwen en luchtbruggen.” Voor de

gemeente zijn de hogeschool en de universiteit

heel belangrijk. Schaap is er zelfs “dol

op”, maar vervolgt dat de gemeente niet wil

dat ze “in hun eigen domein, los van de stad

gaan zweven. Zo ligt het een beetje.”

Annemarie Maarse (annemarie@rooilijn.nl) is werkzaam

als onderzoeker en adviseur bij Bureau Middelkoop en is

hoofdredacteur van Rooilijn.


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Tegels rechtleggen in de Wibautstraat

De Wibautstraat: nu nog een verkeersader, straks een groene loper

P. 295


Rooilijn

Recensie

Els Beukers

De universiteit als

ontwikkelaar

Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Wiewel, Wim & David C. Perry (eds.)

(2008) Global universities and urban

development. Case studies and analysis,

Lincoln Institute of Land Policy,

Cambridge, MA, 384 p.,

ISBN 978-0-7656-2040-8, $39,95

Waar een universiteit is, zijn studenten,

bevinden zich cafés, ontmoetingsplekken,

copyshops, andere

dienstverleners en is er vraag naar

studentenhuisvesting. Universiteiten

zijn door hun omvang en karakter

duidelijk aanwezig in de stad of regio,

maar deze aanwezigheid is rond sommige

universiteiten duidelijker dan bij

andere. De universiteit en campus van

de Universiteit van Wageningen zijn

bijvoorbeeld zeer dominant in de stad,

terwijl de binnenstedelijke faculteiten

van de Universiteit van Amsterdam

vrijwel geruisloos opgaan in het stedelijke

leven. Voor de publicatie Global

universities and urban development

hebben de redacteuren Wim Wiewel en

David Perry van het Lincoln Institute of

Land Policy een internationale oproep

gedaan aan auteurs om in te gaan op

de relatie tussen de ontwikkeling van

universiteiten en steden.

Dat de aanwezigheid van een universiteit

invloed heeft op het (internationaal)

functioneren van een stad en de stedelijke

economie is volgens de redacteuren

al uitgebreid beschreven, maar

niet hoe deze relatie precies werkt.

De universiteit wordt in toenemende

Recensie

mate gezien als een maatschappelijke

speler die naast een rol bij kennisontwikkeling

ook een sociale, culturele en

economische rol heeft. Gesuggereerd

wordt dat een universiteit een internationale

invulling geeft aan idealen als

democratie, tolerantie, de ontwikkeling

van menselijk kapitaal en gelijke kansen

voor verschillende sociale klassen. Ook

een internationaal concurrerende regionale

en stedelijke economie is gebaat bij

kennisontwikkeling op universiteiten. Bij

de fysieke uitbreiding van een universiteit

zou de mogelijkheid bestaan om de

aanwezigheid en invloed van de universitaire

cultuur strategisch in te zetten

en zo het stedelijke leven te beïnvloeden

en de internationale concurrentiepositie

van de stad te vergroten.

In de casestudies wordt echter duidelijk

dat ontwikkeling en uitbreiding van

universiteiten bij uitstek door pragmatische

redenen worden gedreven als

financiering en de beschikbare ruimte.

P. 296

Ook de expansiedrift van universiteiten

komt voornamelijk door demografische

groei. In hoeverre ideeën over gelijkheid

en toegankelijkheid van het hoger

onderwijs daarbij een rol spelen, komt

in de casestudies minimaal aan de orde.

Wel geven de casestudies vanuit elf

verschillende landen een variatie op wat

er komt kijken bij lokale vastgoedontwikkeling.

Daarbij is de ontwikkeling van een

universiteit bijzonder vanwege de vele

betrokken publieke en private partijen.

Om de diversiteit van de casestudies te

ondervangen is het boek ingedeeld in

vijf delen. Naast een goed leesbare en

informatieve introductie en conclusie

(delen I en V) bestaat het boek uit ‘The

university, the devolving state, and

development’ (deel II), ‘The university as

a zone of development’ (deel III) en ‘The

university and the contested city’ (deel

IV). In deel II komen casestudies aan de

orde uit Helsinki (Finland), Lüneburg

(Duitsland), Aberdeen, Dundee (beide

Schotland) en Tokio (Japan) met als

gemeenschappelijke deler de invloed van

een terugtredende overheid en de explosieve

toename van het aantal studenten

die de ontwikkeling van de universiteit

bepalen. Universiteiten kregen in de

jaren zestig en zeventig van de vorige

eeuw een grotere toestroom studenten te

verwerken als gevolg van de babyboom

en de toegenomen welvaart.

De behoefte aan uitbreiding van

bestaande historische universiteiten en

de oprichting van nieuwe universiteiten

om de stroom studenten op te vangen

kan vanuit financieel oogpunt niet in de

dure binnenstad worden gerealiseerd.

Universiteiten worden geconfronteerd


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Signalement

met het dilemma of zij geheel of

gedeeltelijk, buiten of aan de rand van

de stad uitbreiden. Een gedeeltelijke

verplaatsing en uitbreiding van bepaalde

faculteiten van de universiteit buiten de

stad kan een achteruitgang betekenen

van het interdisciplinaire onderwijs en

onderzoek. Ook kan de verkoop van

het binnenstedelijk vastgoed veel geld

opleveren om de benodigde nieuwbouw

te financieren. Dit laatste argument

wordt mede ingegeven door een terugtredende

overheid die universiteiten

stimuleert financieel zelfstandig te zijn.

Inkomsten uit vastgoed worden daarbij

niet over het hoofd gezien. De traditionele

varsities (Schotse benaming voor

volksuniversiteiten) die voor een breed

publiek toegankelijk zijn, illustreren

echter dat een binnenstedelijke locatie

cruciaal kan zijn. De casestudies in deel

II zijn in grote lijnen vergelijkbaar met

de Universiteit van Amsterdam, net

als de gekozen pragmatische ontwikkelingsrichting:

de faculteiten gericht

op de maatschappij (rechten, filosofie,

maatschappij- en gedragstudies)

behouden hun binnenstedelijke locatie

en de bètastudies verschuiven naar de

rand van de stad.

In deel III staat de universiteit als actieve

ontwikkelaar ter discussie. In Mexicostad

(Mexico), Seoel (Zuid-Korea),

Caracas (Venezuela), Jatinangor

(Indonesië) en Porto (Portugal) hebben

de universiteiten ambitieuze vastgoedontwikkelingen

gerealiseerd. Soms met

de staat als initiator, zoals in Jatinangor,

terwijl in Seoel private partijen het

initiatief hebben genomen voor de

vastgoedontwikkeling. Interessant aan

de casestudie van de Universiteit van

Caracas is de bijzondere architectonische

en stedenbouwkundige ontwikkeling

waarbij het noodzakelijk was om

een onafhankelijke ontwikkelingsorganisatie

op te zetten. De architectonische

kracht van universitair vastgoed komt

ook in deel IV tot uiting in de casestudie

van de Hebreeuwse Universiteit als

politiek symbool in Jeruzalem (Israël).

Dat de universiteit een actieve politieke

functie kan hebben geldt ook voor

Belfast (Noord-Ierland) waar de universiteit

meewerkt aan een poging om de

strijdende partijen te verenigen.

Universiteiten drukken over het algemeen

een stempel op hun omgeving,

echter zonder dat deze invloed van

culturele, sociale of economische aard

hoeft te zijn. De aangekondigde te

onderzoeken relatie tussen de ontwikkeling

van universiteiten en de stedelijke

ontwikkeling komt in de casestudies

helaas nauwelijks aan bod. Ook de

redacteuren betreuren dit in hun conclusie.

Potentiële lezers die vooral geïnteresseerd

zijn in de strategische rol van

de universiteit in stedelijke ontwikkeling

kunnen deze publicatie beter overslaan.

Wel wordt de vastgoedontwikkeling van

de universiteiten belicht, wat door de

internationale variatie een interessant

beeld oplevert. Daarmee staat de vraag

nog steeds open hoe universiteiten

bijdragen aan de ontwikkeling van de

(internationale) stedelijke dynamiek en

stedelijke economie. In een tijd waarin

kenniseconomie als belangrijk thema

naar voren wordt geschoven zou het

mooi zijn om deze vragen te beantwoorden.

Wellicht kan daar in een volgende

publicatie wel aandacht aan worden

besteed en een artikel over de ontwik-

P. 297

Signalement

keling van de Universiteit van Amsterdam

zou hier niet misstaan.

Els Beukers (e.beukers@decisio.nl) is redacteur

van Rooilijn en werkzaam bij het onderzoeks- en

adviesbureau Decisio.

Higher Education and

Regions

OECD (2007) Higher Education and

Regions: Globally Competitive, Locally

Engaged, OECD Publishing, Paris, 240 p.,

ISBN 978-92-64-03414-3, € 40,00

De titel van deze OECD (Organisation

for Economic Co-operation and

Development) studie zegt al duidelijk

waarover het gaat: de relatie tussen

instellingen voor hoger onderwijs

(universiteiten en hogescholen) en de

regio. De internationale oriëntatie van

zowel universiteiten als ook regio’s gaat

vaak niet gepaard. Erger nog, universiteiten

raken footloose en hebben alleen

nog zwakke banden met hun regio.

Tegelijkertijd wordt de aanwezigheid van

kennis voor regio’s belangrijker. In het

verleden was er noch door de overheid

noch door onderwijsinstellingen veel aandacht

voor de betekenis van instellingen

voor hoger onderwijs voor de ontwikkeling

van de regio waarin deze gevestigd

waren. Deze publicatie verkent een set

van beleidsmaatregelen en institutionele

aanpassingen. Puttend uit een uitgebreide

studie van veertien regio’s in twaalf

landen, waaronder de regio Twente, kijkt

deze studie naar het regionale engagement

van universiteiten en hogescholen

met betrekking tot onderwijs, onderzoek

en maatschappelijke dienstverlening.


Rooilijn

Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Column O. Naphta

Universitas

De universiteit is ontstaan in de polis die in het

klassieke Griekenland de bakermat was van onze

Westerse stadssamenleving, onder meer gekenmerkt

door een levendige belangstelling voor abstracte

waarden, zoals openbaar bestuur, kennis en kunst.

Het oorspronkelijke doel van de universiteit was om

stedelingen te scholen tot burgers die zich staande

kunnen houden in de samenleving. Wij danken daaraan

het begrip pedagogai.

Onze oudste universiteiten zijn rond 1200 gesticht.

Nederland was dus laat met de Leidse uit 1575, Italië

had er toen al 16, Duitsland en Frankrijk ieder 14. De

oudste universiteiten staan in Bologna en Parijs. Van

meet af aan heeft de universitas twee betekenissen:

de organisatie van het wetenschappelijk onderwijs en

studie en de sociale organisatie van de universitaire

bevolking. Daarbij ging en gaat het om gezamenlijkheid

en verbondenheid. Deze corporatie van leermeesters

(magistri) en leerlingen (scolares), zegt

mijn oude encyclopedie, sloten zich aaneen ‘om zich

in rechte af te zetten tegen andere maatschappelijke

verbanden, inclusief de wereldlijke en kerkelijke

overheid.’ Wie in de geschiedenis van een eerbiedwaardige

instelling zoals de universiteit leest, komt

evengoed geknoei tegen als in de geschiedenissen

van iedere andere maatschappelijke instelling van

betekenis zoals de stad en de staat. Het recht om te

doceren (licentia docendi) was al vroeg voorwerp van

lucratieve handel die in 1179 op het Derde Lateraanse

Concilie werd verboden. Doceren werd voortaan

alleen toegestaan op grond van een wetenschappelijke

graad, uiteindelijk die van doctor (= docent). De

doctorstitel kreeg het karakter van een meesterstuk

dat toegang gaf tot het lidmaatschap van een gilde.

In 2009 is dat nog steeds zo: geen (vaste) aanstelling

zonder doctorsgraad.

De oudste Engelse universiteiten van Cambridge en

Oxford hebben het best de corporatieve structuur van

Column: Universitas

P. 298

gezamenlijkheid en verbondenheid behouden, getuige de

levenslange verbondenheid van studenten met het college

waar zij studeerden. De autonomie van de universiteiten

die in de loop van de dertiende eeuw ontstond ging

ver. De universiteiten hadden een eigen rechtsspraak

ontwikkeld, uitgeoefend door de rector. Tegen de dreiging

van ingrijpen door een stadsbestuur werd het secessio of

dispersio ingezet: uitwijking naar elders. Zo is Cambridge

ontstaan, weggetrokken uit Oxford; natuurlijk leidend tot

eeuwigdurende rivaliteit. Een blijvend kenmerk van de

colleges is het persoonlijk onderricht, het privatissimum,

dat in onze massa-universiteiten jalousie opwekt.

Cambridge en Oxford, beide kleiner dan de Universiteit

van Amsterdam, maken zich absoluut niet druk om zoiets

als internationalisering of groei van studentenaantallen.

Ik herinner me dat bij de opening van het huidige

academische jaar de rector, ik meen van Cambridge, haar

afschuw uitsprak over de politieke oproep dat universiteiten

minder elitair moeten worden en hebben bij te dragen

aan de verheffing van de zwakkeren in de samenleving.

De vooruitgang van wetenschappelijke kennis is het enige

dat telt. Wie er te stom voor is heeft er niets te zoeken,

aldus mijn even korte als lompe samenvatting van haar

scherpzinnige betoog. Een instelling begrijpt men beter

door haar geschiedenis te bestuderen. Hetzelfde geldt

voor de ruimtelijke omgeving waarin ze gedijt. Kan de

UvA nu nog besluiten om zich in Almere te vestigen?

Deze daad van dispersio zal in de nieuwe stad met open

armen worden ontvangen. In Leuven is het nog gebeurd

in de jaren zestig. Toen de taalkwestie weer eens hoog

werd opgespeeld, werd Louvain-la-Neuve gesticht, een

echte campusuniversiteit. Op het Roeterseiland moet

een open stadscampus ontstaan, niet meer afgesloten

maar samensmeltend met de locale stedelijke omgeving.

Juist daarom moet gestudeerd worden op de eigentijdse

betekenis van de universiteit als verzameling corporaties

van gezamenlijkheid en verbondenheid en moet worden

doorgrond wat dat voor de ruimtelijke inrichting betekent:

dubbel reflexieve planning is een delicate opgave.


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Advertentie

Promotie

De promotie van Marjolijn van der Klis vindt plaats op

vrijdag 15 Mei om 14.00 in de Agnietenkapel van de UvA,

Oudezijds Voorburgwal 231.

P. 299


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 InBeeld: Het nieuwe Roeterseiland

P. 300

More magazines by this user
Similar magazines