1 September 1938 H. DEKKING. WEER AAN DEN ARBEID.

webstore.iisg.nl

1 September 1938 H. DEKKING. WEER AAN DEN ARBEID.

No. 548

Adres voor Redactie:

Flatgebouw Westzeedijk 128 b

Rotterdam (Telefoon 50538)

INHOUD. Weer aan den arbeid. — Officieel. — Comité Executief.

— De uitstap naar Amsterdam. — Inhuldigingsfeesten en

pers. — Mr. Joh. I. Belinfante. — C. J. Schotel. — }. G. Barenbroek.

— H. W. de Ronde, f — Uit den lezerskring. — Binnenland.

— Allerlei. — Buitenland,

WEER AAN DEN ARBEID.

De vacantietijd is voorbij, we moeten weer aan den

arbeid, wij, bestuur en leden van den Nederlandschen

Journalistenkring, voor den Kring en voor het beroepsbelang.

Zoo in den mid-zomer ligt de vacantiestemming over

het heele leven. Wel gebeuren er in dezen feilen tijd,

óók in Juli en Augustus, ernstige en dreigende dingen,

anders dan voorheen, toen met het verlangen naar-opreis-gaan

alle plannen en wenschen, alle animositeit en

alle internationale vriend- en vijandschappen werden opgeborgen

tot de dagen weer een heel eind waren gekort,

de temperatuur frisscher was geworden en men, behoorlijk

uitgerust, opnieuw aan 't harrewarren en bedisselen

kon gaan.

Doch in ons land en in ons vak hebben we ook nu

vrij wel komkommertijd gehad en over de grens zijn

geen dingen gebeurd, die vacantieplannen bedreigden of

verstoorden.

In Juli en Augustus heeft ons de post opeens goeddeels

met rust gelaten; uit den ledenkring kwam geen correspondentie

die actueele behandeling noodig maakte, de

Journalist in Augustus was ook nu weer vrijwel overbodig.

Nog daargelaten dat hij misschien ook niet zou

zijn gelezen.

Staat September vóór de deur, dan trekken we 't tenue

met den schillerkraag of 't shirt, de korte broek en de

reispet weer uit en 't werkpak aan, we zetten den bergstok

en den Baedeker in de kast, vergeten de zee en

de meren en de Dolomieten voor een maand of tien en

richten ons weer uit voor de plichten van allen dag.

Behalve het welgeslaagd noenmaal en de door de

Amsterdamsche Pers met zooveel hartelijke collegialiteit

ons aangeboden excursie naar de stad van Vondel en

Rembrandt hebben de afgeloopen twee maanden den

Kring geen vermeldenswaardige evenementen geleverd.

Maar nu moeten toch de volle ambitie en de stoere

werklust naar de naaste toekomst worden gericht.

H.

Redacteur:

DEKKING.

int. Instituut

s o


102 DE JO URNALI S T

Oflïciëele berichten.

LEDENLIJST.

Aangenomen als gewoon lid:

A. J. Schuwer, Prov. Ov. en Zw.Ct., Prins Hendrikstraat

16, Zwolle.

J. M. van Dansik jr., Prov. Ov. en Zw. Ct., Assendorperstraat

248, Zwolle.

H. W. Th. Ruijters, Utr. Nbld., Lindelaan 14, Driebergen-Rijsenburg.

G. Stants, Gr. Prov. Dbl, Burg. v. d. Voort v. Zijplaan

68, Maartensdijk.

E. Verthoren, Utr. Nbld., Adr. v. Ostadelaan 100,

Utrecht.

T. Koerner, Argent, en Chil. bladen, Parkflat Marlot,

Offenberglaan 1, 's-Gravenhage.

T. Elema, TV. Winsch. Ct. Langestr. 3, Winschoten.

Mr. W. Verkade, Arb.pers, Cath. v. Clevepark 47,

Buitenveldert (post A'dam Z.).

K. H. M. van den Berg, N. Utr. Ct., van Musschenbroekstr.

72, Utrecht.

Voorgedragen als gewoon lid:

J. H. Mackenzie, Dbl. v. Rott., Leede 132, Rotterdam

Z.

J. M. Kok, Dbl. v. Rott., Valckeniersweg 1, Rotterdam

C.

L. W. A. de Bot, Dordr. Ct., Schoonebergerweg 71a,

Rotterdam.

C. Craamer, Aneta, Havenkade 21a, Scheveningen.

C. J. Rotteveel, Ned., Galileïstraat 58, den Haag.

J. van Oostende, N. Utr. Ct., Prinsenstr. 76, Utrecht.

B. B. L. Smid, Utr. Nbld., Rembrandtlaan 76, Bilthoven.

H. de Lange, Meppeler Ct., e.a. bl., Reestsingel 17,

Meppel.

H. C. Everhard jr., Arb.pers, Belgische straat 16,

Zaandam.

H. M. A. N. Koemans, A.N.P., v. Galenstraat 29,

den Haag.

C. Riezebos, Bred. Ct., Regentesseplein 7, Ginneken

(thans buitengew. lid).

Overgeschreven van gewoon naar buitengewoon

lid:

}. F. L. de Balbian Verster, v. d. Veldestr. 7b, Amsterdam

z.

Bedankt als gewoon lid:

J. v. d. Feijst te Rotterdam (wegens uittreding uit

het vak).

Adresverandering t

G. H. Hoek naar Burgemeester Gülcherlaan 43, Hilversum.

H. B. Wildevuur naar Dahliastraat 18, Enschede.

M. Pont van Valckenborgh naar Trekweg 70, den

Haag.

G. Ch. Goddijn naar Moreelsestraat 17 hs., A'dam.

D. }. F. de Man naar 12 Courtlands Road, Surbiton,

Surrey.

Drs. Th. B. F. Hoyer naar Westerkade 21, Rotterdam.

A. Koolhaas naar Westerkade 20, Rotterdam.

Jhr. mr. B. de Jong van Beek en Donk naar Pacific

Apartment House, Genève.

Mevr. G. R. J. Buining naar Nic. Witsenstraat 6,

Amsterdam Z.

B. Blinxma naar Vondelweg 270, Haarlem N.

A. H. van Kollem naar Oranje Nassaustr. 18, Leeuwarden.

}. G. de Haas naar Roerstr. 69. Amsterdam Z.

L. R. Stallinga naar Joh. Verhulststr. 62 II, Amsterdam

z.

J. G. A. van Zijst naar villa „Lou Gravas", Route de

Venanson, St. Martin-Vésubie (Alpes Maritimes).

N. D. Kuiper naar Flatgebouw Willemspark, Zeestr.

73, den Haag.

H. Greven naar da Costastraat 13A, Zwolle.

R. Blijstra naar Amstellaan 70 III, Amsterdam.

N. H. Lindeman naar Geraniumstraat 40, Almelo.

Dr. H. B. Wiardi Beekman naar Pernambucolaan 55,

Overveen.

R. Weemhoff naar Da Costalaan 120, Rijswijk (Z.H.).

H. A. Winckel naar van Lansbergestr. 62, den Haag.

S. Swaalep naar Westeinde 5, Amsterdam.

J. D. Rempt, Thorbeckelaan 104, Den Haag.

ONS LEDENTAL.

Een nieuw record.

In mijn jongste jaarverslag waagde ik de voorspelling,

dat de Kring dit jaar een ledental van 700 zou bereiken.

Dit nieuwe record is thans behaald.

Als 700e lid meldde zich op 4 Juli jl. aan de heer

C. Craamer, redacteur van Aneta te 's-Gravenhage.

Formeel is nummer 700 nog niet toegelaten, doch twee

gewaardeerde collega's dragen hem voor en het Bestuur

der H.J.V. gaf reeds zijn fiat. Het zevende honderdtal

is dus vol, een cijfer nog nimmer door den Kring behaald.

De Kring telt thans 4 eereleden, 620 gewone en 76

buitengewone leden.

Bij zijn oprichting in 1884 had de Kring 47 gewone

leden.

Het volgende staatje geeft een beeld van den groei

onzer vereeniging:

Jaar Eereleden

1884

1900

1910

1920

1933

1934 4

1935 4

1936 3

1937 3

Febr. 1938 4

Juli 1938 4

Gewone

47

244

259

404

521

557

565

575

575

600

620

Buitengewone

16

56

64

52

61

57

63

70

79

76

Totaal

47

260

315

468

573

622

626

641

648

683

700

G. POLAK DANIELS.

COMITÉ EXECUTIEF VAN DE F.IJ.

Persvrijheid, Beroepseer. Beroepsgeheim.

Collega mr. M. Voorbeytel schrijft ons uit Parijs:

Toen het, als gevolg van de tijdsomstandigheden en

de internationale ontwikkelingen, onmogelijk gebleken

was in Polen een voldoend aantal vertegenwoordigers

der aangesloten organisaties bijeen te brengen, heeft het

Alg. secretariaat van de „Federation Internationale des

Journalistes" in allerhaast een Comité Exécutif in elkaar

gezet van 30 Juni tot 2 Juli, te Royaumont, de oude abdij

niet ver van Chantilly. Feestelijkheden en ontvangsten

werden ditmaal geheel achterwege gelaten — het was

uitsluitend een werk-comité. De deelnemers, ondergebracht

in de abdij, die als „Foyer" voor intellectueelen

en kunstenaars is ingericht, genoten echter volop van de

ideale rust en van de mooie omgeving van het Oise-dal.

De voornaamste taak van deze bijeenkomst was de

voorbereiding van het Congres van September. De

statuten bepalen dat, wil een statuten-wijziging op een

van de tweejaarlijksche Congressen in behandeling kunnen

komen, ze op de agenda geplaatst moet worden door

het laatste Comité Exécutif dat eraan voorafgaat. Ditmaal

was de vaststelling van de agenda zeer belangrijk,

omdat de houding van Zwitserland de vraag had opgeworpen

of er wijziging gebracht behoorde te worden in

art. 2, dat als eerste deel van de F.IJ. noemt den strijd

voor de vrijheid van de pers en van de journalisten.

De Zwitsers hadden niet, zooals vereischt was, een

concreet voorstel tot het wijzigen van art. 2 ingediend.


en slechts in algemeenen zin gevraagd de politiek van

de F.IJ. zoodanig te herzien dat ook landen waar de

persvrijheid niet bestaat, omdat ze niet past in het kader

van een autoritair bewind, er deel van zouden kunnen

uitmaken. Zij hadden ook geen vertegenwoordiger gezonden,

en het was al sinds vele maanden duidelijk dat

zij zouden uittreden, omdat zij, als neutraal land, door

dictaturen omringd, den strijd voor de persvrijheid niet

langer meenen te kunnen voeren, en contact wenschen

met de collega's in die dictatoriale landen. Het onlogische

in hun houding was dat niets hen verhinderde dit

contact als onafhankelijke organisatie te onderhouden,

en toch deel te blijven uitmaken van de F.I.J.

Hoe dit zij, de antwoorden door de aangesloten organisaties

ingezonden hadden ten duidelijkste aangetoond

dat buiten de Zwitsers geen enkel land den strijd voor

het beginsel der persvrijheid wilde laten vallen, ook al

is die vrijheid in eenige van die landen die de F.I.J.

bestrijkt vaak praktisch niet zoo heel groot meer. Het

debat duurde dan ook niet lang. Men had den Zwitsers

kunnen antwoorden dat, nu ze geen concreet voorstel

tot herziening van art. 2 hadden ingediend, een herziening

van dat art. op het komende Congres technisch

niet mogelijk was. Om echter niet den minsten twijfel te

laten omtrent de algemeene opvatting werd een motie

aangenomen (met algemeene stemmen) luidende: „Het

Comité Exécutif, acte nemende van de resultaten van

de enquête Eskelund-Kenyon, constateert dat er geen

aanleiding bestaat de statutaire en leerstellige positie

van de F.I.J. te wijzigen".

Op haar kort hierna gehouden jaarvergadering heeft

de Zwitsersche persvereeniging het besluit genomen de

F.IJ. te verlaten.

Tegenover deze uittreding staat het toetreden van de

„Association Internationale des Journalistes Accrédités

auprès de la Société des Nations", dat de Zwitsers tot

dusverre hadden tegengehouden en van de Journalistenvereeniging

van Littauen, terwijl met de buitenlandsche

persvereeniging te Tanger besprekingen worden gevoerd.

Oostenrijk is natuurlijk door den „Auschluss", als

lid verdwenen.

Op de agenda der statutenwijzigingen werden geplaatst:

een voorstel van den Belg Herman Dons de

mogelijkheid te openen voortaan maar éénmaal 's jaars

te vergaderen, als zuinigheids-maatregel, een voorstel

van de Polen de aanwijzing van het land dat den Voorzitter

levert voortaan alfabetisch te doen plaats hebben,

en een voorstel van Mile Dusserf, van de Buitenlandsche

Persvereeniging te Brussel, de rechten van vereenigingen

van buitenlandsche correspondenties in de F.I.J. uit te

breiden. Deze voorstellen zullen dus op het eerstvolgende

congres behandeld worden.

Statutair moest dit congres plaats hebben in het land

van den aftredenden President, dus in Denemarken.

Maar bij het begin van het Comité Exécutif was van

den voorzitter Eskelund een brief ontvangen, waarbij hij

mededeelde een benoeming te hebben gekregen tot Rijksambtenaar

van Denemarken, en deswege zijn ontslag te

geven als voorzitter. In de vacature behoefde voor deze

enkele maanden niet te worden voorzien — de twee

vice-presidenten, de Tsjechische mejuffrouw Sisova en

de Engelschman Kenyon kunnen de taak overnemen.

Maar er moest een land voor het Congres worden aangewezen.

Op voorstel van den alg. secretaris Stephen

Valot werd besloten het congres in de tweede helft van

September in Marokko te houden. Mocht dit niet of

moeilijk te organiseeren zijn, dan zal men te Straatsburg

bijeenkomen.

Ten aanzien van het vraagstuk van de beroeps-eer;

waarvoor de Fransche afgevaardigde Sudre een rapport

had uitgebracht, werd besloten dat het secretariaat, in

samenwerking met Sudre en met de Engelsche ,,Union

of Journalists", een ontwerp van een tekst zal opstellen

voor het eerstvolgende congres, dat aangenomen zou

kunnen worden door de organisaties die zulk een code

nog niet bezitten, of een richtsnoer zou kunnen vormen

bij.de opstelling ervan.

DE JOURNALIST 103

Over de Fondsen en Kassen tot hulp en steun was

door de Belgen rapport uitgebracht, omdat de Belgische

organisaties die het best geregeld hebben. Besloten werd

een groote enquête te houden voor hetgeen op dit gebied

in de verschillende aangesloten landen bestaat, ten

einde de verkregen resultaten ter algemeene kennis te

brengen en de tot standkoming in andere landen te

bevorderen.

Ten opzichte van een beperking van den arbeidsduur

en de arbeidsvoorwaarden van buitenlandsche correspondenten

werd een motie aangenomen, zeggende:

dat de situatie van de buitenlandsche correspondenten,

die onder de tegenwoordige omstandigheden een bijzonder

belangrijk en delicaat karakter draagt, door de F.I.J.

met bijzondere aandacht moet worden gevolgd, ten einde

hun eenerzijds alle mogelijke waarborgen te bezorgen en

anderzijds de bladen die er buitenlandsche correspondenten

op nahouden niet overmatig te belasten.

Over ,,pers-accoorden" werd een motie aangenomen

van den volgenden inhoud:

„Het Comité Exécutif vestigt de aandacht van de

nationale organisaties en van die van de buitenlandsche

pers op de gevaren, die kunnen voortvloeien uit zekere

bepalingen van pers-overeenkomsten, waarvan de betrokken

regeeringen kunnen gebruikmaken om op willekeurige

wijze en zonder dat men daar altijd iets aan

doen kan de terugroeping te bewerken van een correspondent

in het buitenland, wiens eenige fout daarin heeft

bestaan dat hij zijn taak volgens zijn geweten en in alle

onafhankelijkheid heeft vervuld, met het eenige doel de

nationale en internationale openbare meening in te lichten,

en daarmee het algemeen belang te dienen. Het

noodigt de aangesloten organisaties uit zich waakzaam te.

toonen, en voort te gaan het noodige te doen om de

uitwerking ongedaan te maken van een verborgen actie,

die in haar gevolgen en consequenties nog ernstiger is

dan de uitzettingen van journalisten om politieke redenen,

welke uitzettingen in het openbaar plaats hebben,

en daardoor onderworpen zijn aan de sanctie van de

openbare meening".

De motie die werd aangenomen betreffende het beroepsgeheim

luidt:

„Het Comité Exécutif, getroffen door recente voorvallen

die zich in verschillende landen hebben voorgedaan,

brengt plechtig in herinnering dat het beroepsgeheim

een onontbeerlijke moreele regel in om de journalisten

in staat te stellen hun taak in vrijheid te vervullen,

en de pers haar politieke en sociale missie te

doen uitoefenen,

herinnert enaan dat de journalist zijn taak vervult overeenkomstig

zijn beroepsgeweten en binnen de grenzen

van het algemeen belang, waarvan hijzelf, onder controle

van zijn gelijken, de beoordeeling heeft.

herinnert eraan dat het beroepsgeheim, dat met name

in de codes van beroepseer der Engelsche en Fransche

journalisten geschreven staat, door een lange tmditie is

bevestigd, en reeds in een aantal landen door de jurisprudentie

erkend wordt,

verklaart dat op dit gebied teruggang niet toelaatbaar

is,

spreekt opnieuw zijn overtuiging uit dat de journalisten

verplicht zijn het beroepsgeheim strikt in acht te nemen

(welke de gevolgen daarvan ook mogen zijn), noodigt

de overheden uit het beginsel ervan, dat een van de

voorwaarden der persvrijheid is, te eerbiedigen, verzoekt

de nationale organisaties hun streven voort te zetten het

beroepsgeheim te handhaven en wettelijk erkend te

krijgen, en besluit het onderzoek van het vraagstuk op

het eerstvolgende Congres voort te zetten."

Ten aanzien van de financiën werd ten slotte bepaald

dat de betaling der contributies zal worden voortgezet

op de voorwaarden van het afgeloopen jaar, te weten

op de basis van 90 % van de contributie van 1936, zonder

dat, in Fransche francs gerekend, het bedrag lager

mag zijn dan in dat jaar.

Mr. M. VOORBEYTEL.


104 D E J OURNALIST

„WERELDFILM". EN „PERS'BALS.

Het z.g. Scheveningsche „wereldfilmbal" is een grootsche

mislukking geworden, zoo constateeren de bladen.

We dachten daarbij aan de pogingen die herhaaldelijk,

ook nog onlangs, bij het Kringbestuur zijn gedaan om

dit te bewegen een z.g. Persbal in Scheveningen te

ondernemen. De schoonste beloften werden erbij geleverd,

kleurige programma's bijgevoegd, een reeks autoriteiten

genoemd, wier deelneming men zich aanstonds

zou verzekeren. Het bestuur heeft deze festiviteiten op

naam van en ten koste van de pers steeds, ook nu weer,

afgewezen.

Reclame behoort in het redactioneele gedeelte niet

thuis.

DE UITSTAP NAAR AMSTERDAM

Onze goede vrienden van de A.P. hebben wederom

den Kring een grooten dienst bewezen en wederom

hebben zij getoond, hoe zij in ons organisatieverband

er aldoor naar streven trouw, toewijding en sympathie

te schenken.

De uitstap — van een uitstap"je", kan moeielijk worden

gesproken — op 16 en 17 Juli is een volledig welslagen

geweest, een paar prettige en feestelijke dagen,

werden het, waarvan de organisatie bewonderenswaardig

was.

Nooit te voren hebben we zooveel journalisten op

een uitstapje bijeen gezien. Met ruim 120 waren we

en zelden was een excursieprogram zoo gevuld en zoo

vol afwisseling.

Zaterdagmiddag werd het gezelschap in het Centraal

Station ontvangen waar de Ned. Spoorwegen vertegenwoordigd

door ir. W. J. Berdenis van Berlekom, hoofdinspecteuren

den stationschef, den heer W. Jongstra,

ververschingen aanboden.

De voorzitter van de Amsterdamsche pers, de heer

D. Kouwenaar, heette allen welkom en de Kringvoorzitter

sprak reeds een voorloopig woord van dank. Hij

herinnerde erbij aan den uitspraak van Busken Huet

dat scribenten eigenlijk nooit moeten tafelen met hen

die zij critiseeren. Doch een zoo oprecht hartelijke uitnoodiging

konden de journalisten zonder gemoedsbezwaren

aanvaarden.

Namens de Spoorwegen sprak de heer Ir. W. J. Berdenis

van Berlekom eenige hartelijke woorden.

Het gemeente bestuur van Amsterdam bood den journalisten

een boottocht door de havens en grachten aan.

De waarnemende havenmeester, de heer B. de Vries,

was hierbij tegenwoordig.

We voeren in een viertal fraaie motorbooten in den

koelen zonnigen namiddag door het onvergelijkelijk

wonder van stedepracht, dat Amsterdam is en genoten

er volop van.

In het Carlton-hotel ontving de Amsterdamsche pers

de collega's op een thee-uur.

's Avonds waren de journalisten in Krasnapolsky de

gasten van het gemeentebestuur. Aan den feestelijker:

maaltijd namen o.m. de wethouders Boekman, Rustige

en Van Meurs deel.

De heer Boekman hield bij deze gelegenheid een tafelrede,

waarin hij er op wees, dat het te Amsterdam —

in strijd met het woord van Busken Huet — mogelijk

is aan tafel te gaan zitten met hen, die men critiseert.

Als overeenkomstige taak van een gemeentebestuur en

de pers zag spr. het leiding geven aan een vrij publiek.

In een democratisch land staan overheid en pers vrij

ten opzichte van elkaar. Beide werken aan het algemeen

belang.

De Kringvoorzitter beantwoordde deze zeer toegejuichte

rede met eenige hartelijke woorden, waarin hij

met citaten uit Vondel dank bracht voor de gulle ontvangst

en Amsterdam alle goeds toewenschte.

De Zondag ving aan met een bezoek aan de Fransche

tentoonstelling in 't Stedelijk museum welks directeur,

jhr. D. C. Röell, de pers met een vriendelijke toespraak

welkom heette.

Een groepje excursisten in Amsterdam.

De Secretaris en Mevrouw Polak Daniels en L. Schotting ontdekt

men op deze groep.

(Foto Van Zuiden).

Om twaalf uur toog het gezelschap naar Schiphol.

Na de lunch hield de directeur der K. L. M. de heer

A. Plesman, een causerie over de luchtvaart ten dienste

van de landverhuizing.

Bij het bezoek aan de roeibaan dat hierop volgde, gaf

mr. P. J. Mijksenaar, de gemeentelijke commissaris voor

het vreemdelingenverkeer een overzichtelijke uiteenzetting

van het boschplan en zijn beteekenis voor de hoofdstad.

's Avonds waren de journalisten de gasten van de

Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer, welke een

maaltijd in het A.MJV.-gebouw aanbood.

De voorzitter van de V. V. V., de heer D. Hudig

LJzn., wees er op, dat deze vereeniging op haar wijze

de economische en cultureele belangen van het volk

dient, hetgeen eveneens de taak van de pers is.

De Kringvoorzitter dankte en wenschte V.V.V. succes

in haar streven om voor Amsterdam de belangstelling

te wekken en te voeden, die onze grootsche hoofdstad

zoo ten volle verdient.

En tot de Amsterdamsche Pers, de promotrice van

deze zomerreis, richtte hij een afzonderlijk woord:

In de landelijke journalistenorganisatie is de A.P.

een der grootste afdeelingen. Herhaaldelijk heeft het

Kringbestuur op de A.P. een beroep moeten doen als

groote nationale gebeurtenissen in Amsterdam of zijn

omgeving plaats vonden en altoos heeft de A.P. door

haar connecties, haar invloed, haar zuiver begrip van

Collega De Vries kondigde op het eind van den rijtocht naar het

A.M.J.V.gebouw aan dat de A.P. ervoor had gezorgd dat Mevrouw

Mann-Bouwmeester „zich op onzen weg bevond". Dat was natuurlijk

toeval. Nochtans heeft de Kringvoorzitter de groote artieste namens

de journalisten gecomplimenteerd.

(Foto Van Zuiden).

wat de journalistiek dan noodig had uit publiciteitsoogpunt,

tot het welslagen dezer gebeurtenissen belang-


ijk bijgedragen en zich de oprechte dankbaarheid verzekerd

van Kringbestuur en collega's.

In zekeren zin is de A.P. in onzen Kring wat Amsterdam

is in ons land. Ook voor de A.P. zijn, wat niet

in Amsterdam werkt „provincialen". We hebben eigenlijk

aldoor lesjes noodig van de groote zuster. Als we in Amsterdam

onze periodieke vergadering hebben wordt blijkbaar

de lust vaardig over de A.P. om den kleinen broers

eens te toonen wat een grootstijlsche vergadering is. Er

moet wat leven in de brouwerij komen! Enkele van haar

geroutineerdste sprekers worden opgecommandeerd om

'm eens van katoen te geven met critiek en bezwaren,

zelfs met een motie van afkeuring in het bestuur, die

zij heelemaal niet denken in te dienen. En als dan de

provincialen wat onthutst doen, hebben de Amsterdammers

een grondeloos plezier en ze zijn verder de charmantste

collega's. Hoezeer ze ons tenslotte genegen zijn

toonden zij ons nu weer door deze reis ineen te zetten.

Waarde vrienden van de A.P. we zijn u allen hartelijk

dankbaar voor de massa werk die speciaal het bestuur,

bijzonderlijk collega's De Vries en Van den Bergh voor

ons op u hebt willen nemen en die met zulk prachtig

resultaat werd beloond. (Een langdurig applaus volgde

dat herhaald werd toen ook Mevrouw De Vries voor

haar medewerking in de voorbereiding werd gehuldigd).

Spreker besloot: Het spijt me als „provinciaal" een beetje

eerlijk te moeten zeggen dat we nog nooit zóó zijn ontvangen

als nu in Amsterdam. De A.P. heeft bewezen

dat zij er recht op heeft te meenen dat zij, als het er

aan komt, ons allen een lesje kan geven. Nogmaals hartelijk

dank vrienden van het A.N.P., we nemen opnieuw

een dankbaar gevoel jegens u mee naar onze provincie!

Collega Van Bolhuis, die namens de H.J.V. dankte,

zei dat hij zich thans zéér bezwaard gevoelt, als hij

denkt dat nu ook de H.J.V. eens voor een uitstapje zal

moeten zorgen!

INHULDIGINGSFEESTEN EN DE PERS.

Het was een eigenaardig genoegen nog eens na te

lezen wat veertig jaren geleden de Kring heeft gedaan

voor de regeling van de perszaken ter gelegenheid van

de Inhuldiging.

Er waren daartoe twee comité's gevormd, een „binnenlandsch",

bestaande uit de heeren P. J. Appel, voorzitter,

mr. G. Keiler, secretaris; }. H. Geerke, penningmeester,

W. F. Andriessen, M. E. Belinfante, E. W.

de Jong, J. Timmer, R. C. Verwijck en M. Vierhout en

een „buitenlandsch": Prof. dr. A. Kuyper, 1ste voorzitter;

D. A. van Waalwijk, 2de voorzitter, W. M. Derkinderen,

penningmeester; Jacq. Deen, 1ste secretaris; C. K. Elout,

2de secretaris.

Beide comité's hebben uitnemend werk van voorbereiding

gedaan en hun arbeid heeft den journalisten aanzienlijk

profijt geschonken.

Het binnenlandsch comité zorgde dat 78 vertegenwoordigers

van Nederlandsche en Nederlandsch Indische

bladen te Amsterdam en te 's-Gravenhage en bij de

vlootrevue behoorlijk werden ontvangen en hun werk

konden doen en het wist allerlei faciliteiten voor hen te

verwerven.

Het buitenlandsche, dat aan een subcomité in Den

Haag, onder leiding van den heer J. Doorman met

verder de heeren M. E. Belinfante, A. G. Biemond, P.

A. Haaxman, M. van Raalte en A. C. A. van Vuuren

het feest in de residentie overliet, ontving van de Regeering

een subsidie ad ƒ 25.000 plus nog ƒ 3180 door „de

offervaardigheid van een aantal bekende personen" en

ontwierp een bijzonder belangwekkend program. Het

qaf een „Handboek" uit, dat het buitengewoon lid van

den Kring de heer A. W. Sijthoff voor zijn rekening

nam in Fransch, Duitsch en Engelsch; verkreeg vrij

spoorwegvervoer 1ste klasse van 1 tot en met 17 September,

logies te Amsterdam van 2 tot 10 September

voor f 60—, een Persgebouw in „Eensgezindheid" enz.

Voorzitter' Boissevain getuigde op de Algemeene Vergadering

van 26 December 1898, dat: „beide comités

DE JO URN A L 1ST 105

als mannen hebben gewerkt, georganiseerd, alles voorbereid;

geen moeite was hen te veel". Hij had zelf, om

gezondheidsredenen, niet aan de commisoriale taak kunnen

deelnemen.

Het buitenlandsch comité was in de feestweek nog

terzijde gestaan door de heeren mr. J. Kalff, J. F. L.

de Balbian Vester en A. G. C. van Duyl Jr.

Men krijgt den indruk dat vooral de buitenlandsche

journalisten geweldig zijn gecajoleerd: de Engelsche

vrije reis met de booten van de Zeeland, de Amerikanen

met de booten van de Holland Amerika lijn, raout bij

den burgemeester van Amsterdam, diner bij het gemeei^tebestuur,

boottocht door ide grachten, in Den

Haag kunstfeest in Pulchri, afternoon tea bij den

schilder H. W. Mesdag, raout bij jhr. mr. J. Roëll, in

Rotterdam boottocht op de Maas onder leiding van den

handel en diner vanwege het gemeentebestuur, tocht in

de omstreken van Arnhem en voorts nog een eigen boot

„Koningin Regentes" van Amsterdam naar Lissabon

voor het daar te houden Perscongres.

En tenslotte de wat trieste overdenking dat van

alle hier genoemde medewerkers aan de persontvangst

er nog maar vier in leven zijn: Elout, Biemond, Kalff en

de Balbian Verster.

Hoevelen nog van de Nederlandsche collega's die toen

als verslaggevers zijn uitgezonden naar de Kroningsfeesten

lezen dit?

MUTATIES.

Met ingang van 15 Augustus is collega G. H. Hoek,

thans verbonden aan de redactie van De Rotterdammer,

secretaris der R.J.V., benoemd tot chef van den reportagedienst

van de N.C.R.V.

Collega J. F. E. Belinfante is met ingang van 1 Aug.

j.1. benoemd tot adjunct-directeur van het Algemeen

Nederlandsch Persbureau „A.N.P."

SNEL-JOURNALISTIEK.

Het Dagblad van Gouda beklaagt er zich over dat

de Goudsche Courant op Donderdagavond een volledige

uitslag had van de eind-examens der Goudsche Industrieen

Huishoudschool, welke Vrijdagmiddag j.1. pas aan

de geslaagde leerlingen zou worden medegedeeld!

De redactie van de Goudsche Courant heeft zich niet

gehouden aan een verzoek van de directrice van de

Huishoudschool om de namen der geslaagde leerlingen

niet eerder dan Vrijdagavond te publiceeren.

Het Dagblad van Gouda toornt, en terecht, zéér.

ADRESSEN.

Onze leden gelieven correspondentie betreffende

arbeidsbemiddeling en redactioneele bijdragen voor „De

Journalist" te richten tot collega HENRI DEKKING,

Flatgebouw Westzeedijk 128b, Rotterdam (tel. 50538);

correspondentie voor het Kringbestuur, benevens

adreswijzigingen, verandering van hoofdfunctie, aan-

melding voor het lidmaatschap en de aanvragen van

kaart van de F.I.J. naar collega G. POLAK DANIELS,

Schiefbaanstraat 15, den Haag (telef. 117029);

correspondentie betreffende contributiebetaling en

pensioenverzekering naar collega J. SCHRAVER, Flat­

gebouw Kralingsche Plaslaan 184 (telef. 14844), giro

254336.


106 DE JOURNALIST DE JOURNALIST 107

De bevoorrechte collega's en hun dames die achterin de zaal zaten zullen zich op deze

foto gemakkelijk en met begrijpelijk genoegen herkennen. Heel achterin staan de

meer „officieele" dames en heeren. Van links af herkent men met wat goeden wil als

3de Polak Daniels, als 4de mevrouw Kouwenaar, als 5de Lievegoed, dan mevrouw Boekman,

Het diner in Krasnapolski, door het

Gemeentebestuur van Amsterdam

aangeboden op 16 Juli 1938.

(Cliché Haagsche Courant)

Elout, mevrouw Dekking, de heer Boekman, mevrouw Polak Daniels. Achter de vaas

gaan wethouder Rustige en mevrouw Lievegoed schuil, dan volgen de Kringvoorzitter,

mevrouw Van Bolhuis, wethouder Van Meurs, Kouwenaar, Van Bolhuis. De overigen

verliezen zich in het ongewisse.


106 DE JOURNALIST DE JOURNALIST 107

De bevoorrechte collega's en hun dames die achterin de zaal zaten zullen zich op deze

foto gemakkelijk en met begrijpelijk genoegen herkennen. Heel achterin staan de

meer „officieele" dames en heeren. Van links af herkent men met wat goeden wil als

3de Polak Daniels, als 4de mevrouw Kouwenaar, als 5de Lievegoed, dan mevrouw Boekman,

Het diner in Krasnapolski, door het

Gemeentebestuur van Amsterdam

aangeboden op 16 Juli 1938.

(Cliché Haagsche Courant)

Elout, mevrouw Dekking, de heer Boekman, mevrouw Polak Daniels. Achter de vaas

gaan wethouder Rustige en mevrouw Lievegoed schuil, dan volgen de Kringvoorzitter,

mevrouw Van Bolhuis, wethouder Van Meurs, Kouwenaar, Van Bolhuis. De overigen

verliezen zich in het ongewisse.


108

Mr. JOH. J. BELINFANTE.

Al bladerende in „Wie is dat?" las een Haagsche

redacteur van het Algemeen Nederlandsch Persbureau,

dat mr. Joh. J. Belinfante in 1898 op een dissertatie getiteld

„Opmerkingen over het beheer van gemeenteondernemingen"

te Leiden is gepromoveerd. Hij blies,

na ,deze vondst, onmiddellijk „verzamelen" en de redactioneele

hoofden werden bij elkaar gestoken. De conclusie

van dit beraad was — wie den heer Belinfante

kent heeft haar reeds geraden —: daar moeten wij iets

aan doen. Maar spoedig bleek, dat de dag van herdenking

voorbij was. De doctorsbul kreeg mr. Belinfante

op 8 Juli en, zoo vroegen zich de Haagsche redacteuren

even af, mogen wij mijnheer Belinfante op den 21 sten

nog wel aan dien dag herinneren. Het eenstemmige antwoord

hierop luidde dat, al was de dag verstreken, dit

toch geen reden behoefde te zijn om te blijven zwijgen.

Integendeel: allen voelden het als een verzuim van de

gelegenheid den hooggeachten directeur van het A.N.P.

te eeren niet een bescheiden gebruik te hebben gemaakt.

Dit zoo zijnde trok een hunner er op uit om een geschenk

te koopen en den volgenden ochtend vereenigde de

Haagsche staf zich in een van de kamers der redactie,

opdat een onzer tot den heer Belinfante zou zegg e £'

dat dit veertigjarige jubileum een oogenblik aandacht

eischte. Verrast, zelfs lichtelijk ontroerd, luisterde de

heer Belinfante naar de huldigende woorden te zijner

eere. Hij hoorde uit den mond van den redactioneelen

tolk dat allen er trotsch op zijn onder mijnheer Belinfantes

leiding te schrijven. Een leiding, die nooit drukt,

maar altijd verfrisschend werkt op hen, die van dezen

overvloed van wetenschap, scherp inzicht, humor bescheiden-

en beminnelijkheid dagelijks gemeten. Hartelijk

was het wederwoord van den heer Belinfante, die

zeer dankbaar bleek voor het geschenk en de bloemen

van zijn mededirecteur, den heer H. H. J. van de Pol.

Nauwelijks tien minuten duurde deze reunie. Buiten

kantoor wachtte mijnheer Belinfante werk. En toen de

Haagsche redacteuren hem even later het Voorhout

zagen oversteken, de onafscheidelijke pijp in de hand

sprak een hunner aller gedachten uit: ik ben blij, dat

wij dit gedaan hebben.

DE JO U R N A L I S T

J. OPPENHEIM. •

C. J. SCHOTEL.

Op 1 Augustus was het 40 jaar geleden, dat collega

C. J. Schotel zijn loopbaan in de journalistiek begon.

Hij was eerst verslaggever van het Nieuwsblad voor

Nederland, later van het Handelsblad. Daarna is hij

overgegaan naar de redactie-buitenland van dat blad

waarvoor zijn groote talenkennis hem in het bijzonder

geschikt maakte en waartoe hij nog altijd behoort. Van

zijn oude liefde voor de verslaggeverij getuigden niet

lang geleden eenige herinneringen „Uit een oud reporterboekje".

Van de vereeniging De Amsterdamsche pers is

de jubilaris jarenlang secretaris geweest; als zoodanig

nam hij een werkzaam aandeel in de organisatie van

de ontvangst der buitenlandsche pers in ons land ter

gelegenheid van de Olympische spelen van 1928. Ook

was hij gedelegeerde der A.P. bij het bestuur van den

Nederlandschen Journalistenkring.

Hij was in het Kringbestuur een zeer gewaardeerde

verschijning, geestig, origineel, en als het moest ook

heel ernstig in zijn beoordeelingen en adviezen. Het speet

allen daar, dat Schotel afscheid nemen moest als gedelegeerde.

Het bestuur van den Kring heeft hem op zijn feestdag

een mooi bloemstuk gezonden. Hij is in intieme bijeenkomst

door directie, hoofdredactie en redactie van het:

Handelsblad gehuldigd.

J. G. BARENBROEK 70 JAAR.

Een in journalistenkring zeer gezien collega, J. G.

Barenbroek werd op 26 Juli 70 jaar.

Hij had aan het Handelsblad, na medewerker te zijn

geweest van den om zijn breede kennis en zijn citatenschat

onvergetelijken Chr. Nuys de leiding van de

rubriek Buitenland.

In talrijke artikelen over vraagstukken van internationale

politiek en in de dagelijksche en wekelijksche

overzichten, waarin hij de wereldgebeurtenissen analyseerde,

heeft hij zich, mede dank zij zijn groote belezenheid

en gedegen kennis, een betrouwbaar gids getoond.

Veertig jaar is de heer Barenbroek in de Nederlandsche

journalistiek werkzaam geweest en toen hij op

31 December 1931 zijn vruchtbare pen neerlegde om de

rust te gaan genieten, die hem na zijn werkzaam leven

alleszins toekwam, is hem door de vele vrienden die hij

zich in den loop der jaren onder collega's gemaakt heeft,

een hartelijk afscheid bereid. De wensch, hem toen

gewijd, dat hij de rust en de voldoening mocht genieten,

die toekomt aan hen, die hun plicht met overtuiging vervuld

hebben, zij op zijn zeventigsten verjaardag van

qanscher harte ook door den Ned. Journalistenkring

herhaald.


H. W. DE RONDE f

Op den lsten dezer nacht is te Hillegersberg op 67jarigen

leeftijd overleden de heer H. W. de Ronde, die

bijna 40 jaar lang voor zijn courant, het Rotterdamsch

Nieuwsblad, zijn veel gelezen muziekcritieken heeft geschreven.

Als opvolger van Willem Smalt nam de Ronde, die

oorspronkelijk ambtenaar ter posterijen en telegrafie was

en 1 November 1896 als redacteur-stad aan het Rott.

Nieuwsblad verbonden werd, aan het einde der vorige

eeuw de verzorging der muziekrubriek over en wist deze,

dank zij zijn kennis, zijn belezenheid en zijn weloverwogen,

doch zeker lang niet altijd mild oordeel tot een

der belangrijkste en aantrekkelijkste van zijn courant te

maken.

Enkele jaren lang was hij vóór 1903, muziekredacteur

aan het Weekblad voor Rotterdam onder leiding toen

van A. Voogd.

In later jaren was hij tevens een gewaardeerd medewerker

van tal van vakbladen op muziekgebied: Symphonia,

Caecilia en vele andere.

Van zijn hand verscheen het door leidende leerkrachten

van conservatoria en muziekscholen gaarne aanbevolen

overzicht der muziekgeschiedenis, uitgegeven bij

E. Querido te Amsterdam.

Den lsten Mei 1936 nam de Ronde onder tal van

blijken van hartelijke belangstelling afscheid als muziekredacteur

van het Rott. Nieuwsblad.

Aan de groeve heeft de Kringvoorzitter ons leedwezen

over dit droef verscheiden, na zóó korten rusttijd uitgesproken.

EMMY J. BELINFANTE.

Het was dezer dagen tien jaar geleden dat mej. Emmy

J. Belinfante de functie van redactrice van het maandblad

der Ned. Vereeniging van Huisvrouwen aanvaardde.

Het blad drukt op de eerste pagina, bij haar portret

een artikeltje af, waarin mej. Belinfante erkentelijkheid

wordt betuigd voor de voortreffelijke wijze, waarop zij

in de afgeloopen jaren haar taak heeft vervuld.

UIT DEN LEDENKRING.

DE WEG UIT DEN SALARISDOOLHOF.

Wanneer ik — na verkrijging van het gehoopte consent

van den Redacteur van De Journalist — een en

ander over de salaris-affaire schrijf, doe ik dat zonder

grein van verband met de vele boosaardigheden ons,

DE ) O URNA L 1ST 109

journalisten, door het groene (inderdaad: ook in onze

vakaangelegenheden groene!) Weekblad De Waag

naar de hoofden geslingerd. Ten opzichte van dit orgaan

trooste de Nederlandsche journalist zich met de gedachte

dat Haarlem al eerder in de geschiedenis de vindplaats

van „een onaangenaam mensch in den Haarlemmerhout"

is geweest, en dat wij de mogelijkheden ruimschoots bezitten

om onze wasch thuis te behandelen, zonder vreemde

hulp. Voor het overige gebiedt de redelijkheid de

erkenning dat hier en daar een opmerking van De Waag

hout snijdt — al zij het Haarlemmerhout.

Terzake. Wij zitten in en met de salarisaffaire.

Klachten over de niet-naleving van het „agreement"

hebben tot een „enquête" aanleiding gegeven („afspraak"

en „onderzoek" zijn, tusschen haakjes, voortreffelijke

en bovendien Nederlandsche woorden!) en het

wachten is op de uitkomst van deze rondvraag. Natuurlijk

loop ik er niet op vooruit: ontmoedigende feiten verneemt

een mensch altijd nog vroeg genoeg! Maar wel

zou ik de aandacht van mijn soortgenooten willen vragen

voor een enkele zichtbare zwakheid in onze eigen

positie.

De journalistiek is voor haar doorsnee-beoefenaar een

slecht betaald vak. Het „agreement" met de directeurenvereeniging

leeft een plantenleven. De enquête zal het

bevestigen. Wat moeten wij doen? Laat ons voorop stellen

dat geen verstandig man de directies ongelijk kan

geven. Voor haar zijn couranten geheel of grootendeels

ondernemingen, die op economischen grondslag beheerd

moeten worden. Waarom zouden zij een redactioneele

kracht méér salaris geven dan het bedrag waarvoor zij

bereid is te werken? De journalist die een boek van

ƒ 2.90 bijzonder nuttig oordeelt, haalt het ook niet in

zijn hoofd er op dien grond ƒ 3.90 voor te betalen!

Ook wij, journalisten, hebben een „marktwaarde". Wij

kunnen niet hopen dat een „agreement" zonder economische

noodzakelijkheid ons ooit uit de salariskwestie

zal helpen. Te eischen dat de directies ten aanzien van

redacteuren zonder economische noodzakelijkheid den

commercieelen grondslag van haar functie zullen prijsgeven,

is zoo irreëel dat het aan domheid grenst.

Vrage: wat hebben wij zelf tot dusverre gedaan om ons

vak zóó te organiseeren dat het mogelijk wordt er den

grondslag voor een (bindende) overeenkomst (hetgeen

méér is dan een „agreement") in te vinden? Immers eerst

indien wij er ons van overtuigd mogen houden dat wij

voor een zoo sterke en zoo goede vakregeling gezorgd

hebben dat onzerzijds van „onderhandelen" sprake kan

zijn hebben wij „unsere Schuldigkeit getan". Wel: het

lijkt er niet naar!

Hier valt tegen een misvatting en een gevaar te waarschuwen.

Wij moeten m.i. niet een „vakorganisatie"

willen zijn in dien zin dat machtsvorming ons eenig doel

wordt. De methodiek van den vakorganisatie-strijd komt

mij, met zijn stakingsdreiging, zijn vrijgestelden, zijn

zuiver economisch ingestelde wijze van denken en doen,

voor ons in schier alle opzichten onbruikbaar voor, al

was het maar alleen omdat juist het dagbladbedrijf zoo

bijzonder berekend is op de samenwerking van de erbij

betrokkenen. Maar wèl zal het onvermijdelijk zijn dat wij

als groep een erkenden invloed verwerven op de bepaling

van ons materiëele lot, door het vaststellen en verdedigen

van zekere journalistieke standaarden. Immers

waarom is ons „agreement" een ding zonder merg of

pit?; waaróm verliezen wij onvermijdelijk eiken strijd

waarin „de journalist" als soort een rol speelt? Omdat

de soort in het vage zweeft zoodat niemand, noch een

dagbladdirecteur nóch een rechter van instructie nóch

een officier van justitie, er eenig houvast aan heeft.

Onze „standsorganisatie" is zóó zwak op de beenen,

dat wij het met een „agreement" en met zoo af en toe

een beleefd verzoek om naleving ervan moeten stellen.

Nooit zullen wij verder komen zoolang dat zoo blijft. Wij

zijn, een beetje al te hard gezegd, aan het verkeerde eind

van het touw gaan trekken. Wij hebben een slappe afspraak

en doen krampachtige pogingen om de naleving

ervan te verkrijgen maar wij hebben een luchtledig


110 DE JOURNALIST

achter ons: het mangelt ons deerlijk aan gezag als groep

en aan den met alle gezag oorzakelijk verbonden invloed.

Door daarin verandering te gaan brengen zouden wij

aan het goede eind van het touw gaan trekken. De eerste

gevolgtrekking uit die overwegingen is overigens niet bemoedigend:

daar het opbouwen van een sterke standsorganisatie

een zaak van jaren is, zal de oplossing van

de salariskwestie dat óók zijn! Geen enquête en geen

welgemeende verzoeken om handhaving van het „agreement"

zullen aan dat feit wrikken.

Hoe komen wij dan op den goeden weg? Ik geloof:

allereerst door te erkennen dat wij den Nederlandschen

journalist moeten maken tot een hanteerbaar begrip.

Zoolang ieder journalist is die er zich voor uitgeeft;

zoolang de Kring niet geslaagd is in het verleenen van

een prestige aan het Kringlidmaatschap van gelijk allooi

als het lid zijn van den B.N.A. voor den architect of

van het Ned. Instituut van Accountants voor den accountant

bezit — zoolang hebben wij het mogelijke niet

gedaan. Wij moeten een journalistenporrmng' in de hand

werken, voor mijn deel een „diploma", althans een afronding

scheppen, en dus een zeef construeeren, die

kaf van koren kan scheiden. Wij moeten het peil van

den als ,,vol" te erkennen journalist omhoog hijschen en,

als Kring daarbij de leiding nemend, ervoor zorgen dat

in het Kringlidmaatschap een waarborg voor bekwaamheid

en geschooldheid komt te steken. Lukt dat — en

waarom zouden wij het tegen de architecten en de

accountants moeten afleggen? — dan ontstaat de invloed

dien wij voor een overeenkomst noodig hebben en dien

wij nü zelfs voor een „agreement" niet bezitten.

Het is hier niet mijn bedoeling om de grondslagen

voor een journalisten-opleiding onder voogdij van den

Kring te gaan uiteenrafelen. Maar ik zou het waardeeren

indien anderen hun oordeel wilden bekend maken

over de hier als eenig-juiste bepleite richting van het te

voeren beleid. Om één punt van activiteit te omschrijven:

waarom niet een jaarlijksche „Journalistendag" (i£e

bijv. de „Accountantsdagen" van het Instituut) waar aan

de hand van tevoren gedrukte praeadviezen de groote

vragen van ons vak (zij zijn er!) besproken worden? Op

den duur kan dat een tweedaagsch congres (Ned. Juristenvereeniging!)

worden, waarvan invloed uitgaat.

Maar niet over den vorm, wél over de kern van het probleem

wilde ik het hebben: eerst een bepaling van het

zwevend begrip „Nederlandsche Journalist", en via die

bepaling (alleen door het vormen van een gezonde

standsorganisatie mogelijk) naar een salarisregeling die,

dank zij werkelijken Kring-invloed, redelijker zal kunnen

zijn dan die van een door ons gezagsgebrek voos „agreement".

G. J. v. H. G.

DE OSSCHE ZAAK EN DE R.PXK

Ondergeteekende moge zich enkele korte opmerkingen

veroorloven met betrekking tot het op 30 Juni jl. via

den Regeeringspersdienst verspreide communiqué nopens

de behandeling van de zg. „Ossche kwestie voor

het Ambtenarengerecht in Den Haag, alsmede de daarvan

in de pers verschenen verslagen.

Het is niet de bedoeling, hier de algemeener aspecten

dier publicatie ter sprake te brengen; de aandacht blijve

thans bepaald bij de rol, welke de Regeeringspersdienst

in deze aangelegenheid vervuld heeft, een rol, die, het

zij bij voorbaat opgemerkt, wellicht als niet in allen

deele aantrekkelijk mag worden gekenschetst.

Vooral de redactioneele structuur van het hier bedoelde

communiqué verdient in dit verband beschouwing.

De eerste alinea daarvan, voorafgegaan door de woorden:

„De Regeeringspersdienst meldt", vormde een beknopt

exposé der na de zittingen van het Ambtenarengerecht

geschapen situatie en bevatte o.a. de mededeeling,

dat door de in een deel der pers verschenen verslagen

de indruk was gewekt, als zouden de verklaringen

van den minister van Justitie op 7 April in de Tweede

Kamer wat euphemistisch getint zijn geweest, met name

voor zoover betrof het contact tusschen dien bewindsman

en het departement van Defensie. Op deze summiere

schets volgde de alinea, openende met de woorden:

„De Raad van Ministers is van oordeel "

Uit dezen vorm van redactie valt niet anders te begrijpen,

dan dat het in de eersfe alinea vervatte, inclusief

dus de opmerking over 't ongelukkige effect van zekere

persverslagen, niet komt poor de verantwoording van den

Raad van Ministers, doch voor die van den R.P.D.

Eerst na dit exposé immers werd de Regeering zelve aan

't woord gebracht. Deze stand van zaken kan o.i. de

vraag wettigen, of in dit geval de R.P.D. het gevaar

van het „trop de zèle" niet even uit het oog verloren

heeft.

Het is den lezers van dit vakblad natuurlijk terdege

bekend, dat de dagbladen, die het bewuste communiqué

van een eigen notitie voorzagen, gemakkelijk en volkomen

afdoende hebben kunnen aantoonen, dat de twijfel

en de daarmede verband houdende minder aangename

indrukken bij het publiek, van welke de R.P.D. gewaagde,

het gevolg waren niet van het karakter der

zittingsverslagen, doch naar voren traden uit de voor

het gerecht onder eede afgelegde verklaringen van getuigen

en uit hetgeen de verdediger der requestranten,

mr. James, uit die verklaringen gemeend had, te mogen

concludeeren. De aanwezige verslaggevers deden daarbij

slechts hun plicht, door die verklaringen en conclusies

getrouwelijk in hun bladen te registreeren. Dat een enkel

dagblad bovendien zijnerzijds enkele kantteekeningen

daarop heeft afgedrukt, doet aan deze zaak niets af,

daar ook in dat geval de getuigen-verklaringen en de

opmerkingen van den verslaggever voldoende duidelijk

gescheiden zijn gehouden.

Men kan zich, dunkt ons, met eenige verwondering

afvragen, hoe het juiste karakter der hier ter sprake

gebrachte verslagen aan den R.P.D. zóó zeer kan zijn

ontgaan, dat deze instantie de vergissing heeft kunnen

begaan, aan die verslagen effecten toe te schrijven, welke

inderdaad op rekening behoorden te worden gesteld van

de feitelijke verklaringen, in den arbeid der verslaggevers

vastgelegd. In allen gevalle meenen wij het te mogen

betreuren, dat, mede door de bemoeienis van den R.P.D.,

het leven is geschonken aan een geenszins gelukkige

formule, welke slechts den indruk vermag te wekken, als

heeft men willen beproeven (gemakshalve?) de pers verantwoordelijk

te stellen voor het ontstaan van impressies

en gewaarwordingen, welke in feite uit andere, slechts

door die pers objectief genoteerde ,oorzaken zijn voortgekomen.

Ook indien men de mogelijkheid laat gelden, dat de

gekozen formuleeringen in de eerste alinea van het

communiqué correspondeerden met de meening der Regeering

en het gevolg zijn geweest van een door den

Raad van Ministers kenbaar gemaakten wensch — hetgeen,

wij herhalen het, uit de wijze van redactie niet

kon blijken, integendeel! —, dan nóg blijft een gevoel

van onbevredigdheid bestaan.

Dan immers zou men gaarne hebben gezien, dat de

R.P.D., krachtens zijn autoriteit van deskundige in perszaken

en zijn nauwe bekendheid met het dagbladwezen,

zou hebben gewezen op het minder juiste van deze voorstelling

van zaken, en zijn invloed te bevoegder plaatse

zou hebben aangewend, opdat deze voorstelling niet in

het beraamde communiqué zou worden opgenomen. Het

stelt teleur, dat in stede hiervan de R.P.D. bereid gebleken

is, de in dit geval wat vlot geformuleerde diskwelificatie

der door de pers gevolgde gedragslijn met

zijn vlag te dekken.

Velen onzer hebben indertijd de oprichting van den

R.P.D. van harte toegejuicht als een middel tot betere

wederzijdsche waardeering, juister wederkeerig begrijpen

van taak en functies van overheid en pers. In vele

gevallen heeft de R.P.D. reeds blijk gegeven, in dit opzicht

inderdaad van waarde te zijn.

Het wil ons echter voorkomen, dat het mede tot de

functie van den R.P.D. behooren kan, bij de overheid


pleitbezorger der pers te zijn, telkens als dit pas geeft.

Pleitbezorger niet in den zin, dat men zou trachten,

eventueele feilen der pers te vergoeilijken of te verbergen,

maar zoodgnig, dat hij, zich baseerend op zelfstandige

en deskundige beoordeeling van den journalistieken

arbeid, somtijds de overheid van voorlichting

kan dienen omtrent bedoeling en structuur van bepaalde

dagblad-publicaties en derzelver effect.

In dit geval ware hiervoor klaarblijkelijk gereede aanleiding

geweest. Mocht al bij den Raad van Ministers

of bij enkele zijner leden de meening hebben postgevat,

dat de persverslagen betreffende de Ossche zaak oorzaak

waren van een door de Regeering niet gewaardeerde

meeningsvorming, dan had mogelijk een weloverwogen

toelichting van de zijde van den R.P-D, veel

kunnen bijdragen tot een juister onderscheiding tusschen

de figuren der verslaggevers en van de door hen aan

't woord gelaten getuigen.

In dit licht gezien, stemt het tot teleurstelling, dat

integendeel een diskwalificatie van de houding der pers

— naar is gebleken, op zoo weinig steekhoudende gronden

— is uitgesproken, niet uitdrukkelijk door den Raad

van Ministers, doch juist onder de verantwoordelijkheid

van die instantie, die de verbinding vormen kan tusschen

overheid en pers.

Het zal uit den aard der zaak overbodig zijn, de aandacht

van het diligente Kringbestuur voor deze aangelegenheid

van vakbelang te vragen; uiten wij daarom

nog slechts den wensch, dat eenige contact hierover tusschen

ons Bestuur en den Chef van den R.P.D. ook

in dit geval tot harmonie van opvattingen zal kunnen

leiden.

P. A. WANSINK.

Collega Wansink bedoelt het best — maar heusch,

hij trapt wijd openstaande deuren in, wanneer hij den

Regeeringspersdienst aanmaant om, waar het pas geeft,

bij de Regeering op te treden als pleitbezorger van de

pers. Door journalisten, en geen ambtenaren, tot chef

en adjunct-chef van den dienst te benoemen, heeft de

Regeering immers bewezen dat zij zelve de pers als een

wereld met eigen belangen en behoeften erkent. Een

praktijk van 4J/2 j a a r heeft dit bevestigd. Daar kan de

heer Wansink niets van weten. Maar waarom suggereert

hij het tegendeel?

Eenvoudig omdat hij warm is geloopen op een communiqué,

dat hij te haastig gelezen heeft, daardoor verkeerd

interpreteert en dan een betoog opzet dat op

twee peilers rust:

Ie. een ontoelaatbare splitsing.

Het besproken communiqué kan niet verdeeld worden

in een eerste deel, dat voor rekening van den

Regeeringspersdienst, en een tweede deel, dat voor

rekening van den Raad van Ministers komt. De

aanhef van de tweede alinea: ,,De Raad van Ministers

acht het niet verantwoord dat de mogelijkheid

van een indruk als vorenbedoeld blijft bestaan"

sluit reeds de veronderstelling van zulk een

dubbel auteurschap uit.

2e. een slordige weergave.

In het communiqué stond: „Door verslagen, zooals

die in een deel der pers zijn verschenen enz

is de indruk gewekt". Collega Wansink geeft dit

weer: „Door de in een deel der pers verschenen

verslagen enz. enz." Dat is heel wat anders. De

zinswending van het communiqué met het woord

zooals legt duidelijk het causale verband tusschen

den vorm, waarin getuigenverklaringen aan het

publiek zijn voorgelegd en den daardoor gewekten

indruk. Men zal over de al dan niet toelaatbaarheid

van bepaalde vormen kunnen twisten, maar er is

géén sprake van dat het communiqué verslagen met

getuigenissen verwart. Wat collega Wansink daaraan

vastknoopt, is dan ook niet ter zake dienende.

DE JOURNALIST lil

Tenslotte aan schrijver het verzoek om als hij den

Regeeringspersdienst critiseert -— ik leer graag van gefuideerde

critiek — te citeeren en niet te „interpreteeren".

Zoo heeft hij het (al. 6) over: „de twijfel en

de daarmede verband houdende minder aangename

indrukken bij het publiek, van welke de Regeeringspersdienst

gewaagde" — terwijl daarvan in het heele

communiqué tittel noch jota te vinden is. Dat kan niet

door den beugel.

U, redactie, mijn dank dat gij mij gelegenheid bood

voor een naschrift.

LIEVEGOED.

BINNENLAND.

DE UITZETTING VAN DE CORRESPONDENTE

VAN DE N.R.C. UIT POLEN.

De Nederlandsche Journalisten-Kring heeft den navolgenden brief

gezonden aan den minister van buitenlandsche zaken:

Het bestuur van den Nederlandsch Journalisten-Kring neemt de

vrijheid zich tot Uwe Excellentie te wenden om haar het belang

van de journaliste mevrouw van Meurs-van der Burg met den

meesten aandrang aan te bevelen. Zooals Uwe Excellentie bekend is,

werd aan genoemde dame, correspondente van de Nieuwe Rotter'

damsche Courant, het verblijf in Polen door de Poolsche autoriteiten

ontzegd, naar de meening van ons bestuur zonder eenige te aanvaarden

reden.

Sindsdien heeft zoowel mevrouw van Meurs als de hoofdredactie

van de Nieuwe Rotterdamsche Courant en ons bestuur herhaaldelijk

bij de Poolsche autoriteiten aangedrongen op herziening van hun

beslissingen, evenwel zonder resultaat voor de getroffene.

Het spijt ons bestuur aan Uwe Excellentie als zijn opvatting te

moeten mededeelen, dat vanwege de Nederlandsche autoriteiten aan

de zaak-van Meurs niet de aandacht werd geschonken, die zij zoo

ten volle verdient. Iedere journalist, in het buitenland werkzaam,

gevoelt, dat hij in de omstandigheden kan komen te verkeeren,

waarin nu mevrouw van Meurs zich bevindt en hij zou meenen

daarbij recht te hebben op de medewerking van de regeering en

van H. M.'s gezant ter plaatse zijner werkzaamheden.

Uwe Excellentie zou zich de erkentelijkheid verzekeren van alle

Nederlandsche journalisten, als zij voor mevrouw van Meurs de

ernstige en daardoor afdoende beslissingen zou willen nemen, die

het correspondentschap dier dame konden herstellen en aan H. M.'s

gezant te Warschau wilde opdragen, bij de Poolsche regeering thans

met ernstigen aandrang op te treden.

De N. R. C. schrijft hierbij:

Wij herinneren er aan, dat deze kwestie reeds hangende is van

de laatste dagen van April, zonder dat de Nederlandsche autoriteiten,

zooals het bestuur van den Ned. Journalisten-Kring terecht

opmerkt, haar de vereischte aandacht schonken.

Men had hier ten eerste te doen met een aan de uitzetting voorafgegane,

reeds in Januari aangevangen bemoeilijking van de werkzaamheid

van een Nederlandsche journaliste door de Poolsche autoriteiten,

hoewel zij door ons op regelmatige wijze van een perskaart

was voorzien en die bemoeilijking niets met haar correspondenties

had uit te staan, immers daarover toen nog niet werd geklaagd. Dit

was reeds zeer ongewoon. Iets dergelijks is ons nog nooit overkomen.

Het wekte de gedachte, dat zich hier particuliere invloeden

lieten gelden, welke te denken gaven.

Daarna is in April van Poolsche zijde, om het toen genomen

besluit tot uitzetting te motiveeren, een beroep gedaan op een

„reeks" artikelen, welke aanstoot zou hebben gegeven wegens een

daaruit blijkende hetze-campagne tegen Polen en onware berichtgeving.

Toen er een lijst werd overgelegd van wat alleen voor

rekening van onze correspondente kon komen, heeft de Poolsche

regeering, omdat bewezen kon worden dat wat haar verder ten laste

was gelegd niet van haar hand was, zich van'de „reeks" teruggetrokken

op één artikel, dat inderdaad door onze correspondente

was geschreven. Ondanks dezen terugtocht op slechts één artikel,

is het besluit tot uitzetting gehandhaafd en uitgevoerd.

D.w.z. aan de correspondente van een buitenlandsch blad, die

nooit een waarschuwing had ontvangen, werd het verblijf in Polen

ontzegd bij de eerste de beste gelegenheid, dat haar arbeid, dien

men om onbekende redenen reeds bemoeilijkt had, reden tot ontstemming

gaf, en dat dan nog zender dat men van Poolsche zijde

de moeite nam den feitelijken inhoud ook maar op één punt te

betwisten bij het beklag, dat het hierbij betrokkene artikel, dat over

de antisemietische uitspattingen in Warschau handelde, van een

tegenover Polen vijandige mentaliteit getuigde.

Zooals wij indertijd reeds schreven, moest een Nederlandsch diplomatiek

vertegenwoordiger in het buitenland het trouwens als een

bewijs van geringschatting gevoelen, dat een landgenoote zoo abrupt,

zonder voorafgaand overleg met hem, buiten de landspalen werd

verwezen en hierin een bewijs zien, dat Polen op het onderhouden

van goede betrekkingen met ons land niet voldoende prijs stelt. De

Nederlandsche gezant had hier reden kunnen vinden tot een zeer

krachtig protest. Verwonderlijk is ook, dat waar herhaaldelijk

vragen door Kamerleden aan de regeering worden gesteld naar


112 D E J OURNALIST

aanleiding van uitzettingen van vreemdelingen uit het Nederlandsche

grondgebied, geen Kamerlid zich deze zaak van een Neder-

Iandsche heeft aangetrokken. Met des te meer waardeering hebben

wij daarom kennis genomen van den brief van het bestuur van den

Ned. Journalisten-Kring.

JOURNALISTIEK EN HERDENKINGS-

LITERATUUR.

Hans, altijd scherp op den uitkijk naar aantasting van

persdeugd, persvrijheid, persactiviteit, perswaardeering,

heft in de Avondpost een klacht aan over de miskenning

van de journalistiek in de literatuur ter gelegenheid van

het a.s. jubileum.

Toen voor vijftien jaren bij het zilveren regeeringsfeest

onzer Koningin, twee groote, dikke, zware Gedenkboeken

verschenen, waarin alles, letterlijk alles, wat

het openbare leven betreft, door deskundige schrijvers

werd behandeld, voor zoover het zijn geschiedenis betreft

onder het bewind der Vorstin, in één van die Gedenkboeken

de journalistiek totaal hetzij vergeten, hetzij opzettelijk

voorbijgegaan, dit weten wij niet. Onder de

talrijke portretten was er geen enkel van een journalist.

In het andere Gedenkboek, groot 1150 bladzijden, werden

zeven (7) bladzijden aan de journalistiek gewijd;

het artikel was verlucht met drie foto's, n.1. van Charles

Boissevain, mr. L. J. Plemp van Duiveland en nog een

derden journalist.

Heel gematigd uitgedrukt mag verklaard worden, dat

een zoo belangrijk deel van ons openbare leven, als de

journalistiek toch is, in deze boeken uiterst stiefmoederlijk

werd behandeld. Vooral het totaal negeeren in één

dier werken was uitermate karakteristiek.

Thans is het haast nog erger.

In het boek van prof. dr. H. Brugmans, „Geschiedenis

van Nederland onder de Regeering van Koningin Wilhelmina",

over de journalistiek: niets. Onder de foto's

geen enkele van een journalist. En dit in een groot werk

(320 bladzijden) van een historicus, wien wij toch

waarlijk niet behoeven te wijzen op de beteekenis der

pers ook als geschiedenis-bron. Hij allereerst voelt die

beteekenis; toch geeft de lange regeeringsperiode onzer

Koningin, waarin hij het geheele openbare leven overziet,

hem geen aanleiding ook maar iets van de journalistiek

of van bepaalde journalisten te zeggen.

Het „Officieele Gedenkboek" van den heer W. G de

Bas, 840 pagina's groot wijdt aan de journalistiek vijf

heele bladzijden; onder de vele foto's is er echter geen

enkele van een journalist of van een journalistiek bedrijf.

Er is ook een bescheiden gedenkboek verschenen,

„Wilhelmina Regina", samengesteld door Jan Feith.

Een boek zonder foto's, met allemaal kleine opstelletjes.

Ook aan de journalistiek zijn eenige pagina's gewijd,

maar uitermate curieus is, dat de schrijver daarvan wat

de personen der journalisten uit het tijdperk 1898—1938

betreft (het tijdperk onzer Koningin dus) niets anders

weet te zeggen dan dat het géén journalisten opleverde

als Kuyper, Boissevain en De Koo uit een „vorige"

periode. Dit heeft ons — aldus Hans — toch wel in

hooge mate bevreemd. Kuyper laten wij rusten, omdat

ook wij meermalen hebben getuigd dat die geniale journalist

tot dusver niet is geëvenaard, doch dat er uit

het tijdperk onzer Koningin geen journalisten zijn aan

te wijzen, die tot de hoogte reiken van Charles Boissevain

en De Koo, (talentvolle mannen, maar wier reputatie,

als alles wat legende wordt, wel eens wordt overschat)

ontkennen wij, en het is uitermate merkwaardig,

dat men, het tijdperk onzer Vorstin behandelend, meent

te kunnen volstaan met het noemen van eenige namen

uit een „vorige" periode, om te zeggen dat zulke er niet

meer zijn.

Alles bijeen genomen is, gerekend naar de mate der

belangstelling, in de gedenkboeken, die bij dit jubileum

zijn verschenen, de journalistiek al evenmin op behoorlijke

wijze erkend en gewaardeerd, als in 1923. En dit

is weinig minder dan ergerlijk."

Dan maakt Hans nog deze rake opmerkingen:

Ons treft dikwijls, en ook thans weer in deze gedenkboeken,

de overschatting van het literaire en de onderschatting

van het journalistieke.

Een heer of dame, die een goed boek, of een paar

goede boeken schrijft, staat al spoedig als kunstenaar

vermeld en wordt dan in herdenkings-geschriften genoemd

en representatief geacht. Een goed journalist, die

vele jaren achtereen op voortreffelijke wijze en in de

spanning en de jacht der gebeurtenissen zijn taak verricht,

en zijn voorlichtend of beschrijvend of verslaggevend

werk doet, neen, dat is, zeggen velen, geen literator

en dus de moeite van het vermelden niet waard.

Een schromelijke en kortzichtige fout noemt Hans

deze miskenning van de journalistiek.

Juist in onze dagen is de pers van zoo ontzaglijk veel

belang voor het nationale leven en ter handhaving van

volksrechten en volksvrijheden, dat dit tekort aan waardeering

in de kringen der journalisten en der dagbladdirecties

pijnlijk moet worden gevoeld. Zoowel voor hun

werk als voor hun persoon.

ALLERLEI.

JOURNALISTEN SCHRIJVEN BOEKEN.

Romans door journalisten geschreven ontvangt de

redactie van De Journalist nimmer „ter recensie". De

romanciers onder ons hebben ook niet veel aan het oordeel

der redactie, wat de marktwaarde van hun kunstwerken

betreffen. Trouwens, op de bladen zelf worden

hun boeken, als presentexemplaren binnengekomen, vanzelf

door de collega's gelezen.

Uitgaven niet op belletrisch gebied worden ons af

en toe gezonden „ter recensie" of als vriendelijkheid van

de schrijvers, zelfs wel met de uitdrukkelijke vermelding:

niet voor de Journalist.

Doch, welwillendheid tegenover welwillendheid, wij

willen enkele boeken ons in de afgeloopen weken toegezonden

minitieus „aankondigen".

Verkeersveiligheid op den weg.

N. Samson, Alphen aan den Rijn.

Collega J. A. Leerink is, zooals we in de vorige

Journalist reeds mochten vermelden, gepromoveerd tot

doctor in de rechtsgeleerdheid aan de universiteit van

Amsterdam.

Cum laude.

Zijn proefschrift „Verkeersveiligheid op den weg

is een zeer omvangrijk boek geworden, 700 bladzijden,

een uitvoerige literatuurlijst en een personenregister inbegrepen.

Het is een juridische, sociologische en verkeerstechnische

studie, „samengesteld om bij te dragen tot den

strijd, thans in alle werelddeelen gevoerd tegen de verkeers-onveiligheid

op wegen en straten, die dag aan

dag slachtoffers eischt, schade toebrengt, leed. hinder

en ongerief veroorzaakt."

Collega Leerink heeft zich moeten bepalen tot het

verkeer op den openbaren weg, waarvan hij eerst de

ontwikkeling schetst, van de Fransche revolutie tot den

tegenwoordigen tijd. Vervolgens laat hij de voor- en

nadeelen uitkomen van het moderne verkeer. Aan het

belangrijkste van de nadeelen: de verkeersongevallen, is

dan de tweede afdeeling gewijd. Op het statistisch

onderzoek van de oorzaken volgt het casuïstisch onderzoek,

waarbij eerst de endogene, de uit de bestuurders

zelf voortvloeiende oorzaken van ongevallen in beschouwing

zijn genomen en daarna de exogene oorzaken,

waarbij de fouten liggen in het voertuig, den toestand

van den weg enz. Op de uitvoerige derde afdeeling:

Therapie, volgt nog een hoofdstuk over bescherming van

de door verkeersongelukken gedupeerden: hulpverleening

en schadevergoeding aan de slachtoffers en de

verzekering der motorrijtuigen. De schrijver hoopt met


zijn proefschrift te hebben aangetoond, dat er reden

bestaat voor de uitgave van een „handboek van het

verkeer".

Hij heeft een ontzagwekkende arbeid aan verzamelen,

ordenen, concludeeren geleverd: ,,een boek uit duizenden

losse aanteekeningen gegroeid" zegt hij, maar zoowel

in leesbaarheid als in volledigheid lijkt het boek ons

volledig geslaagd.

Onrust in het land van Masarijk.

DE JOU R N A L I S T 113

(Erven /. Byleveld, Utrecht).

Collega Van Heuven Goedhart heeft in de gevaarlijke

dagen van Mei den Tsjechoslowaakschen staat

bezocht, daar vele lieden van gezag gesproken, vooral

veel, onbevooroordeeld, gezien en zijn belangstelling

voor het land van Masarijk toont hij hier in een uitvoerige

historie van het ontstaan ervan en een zeer

doorwerkte analyse van zijn levensomstandigheden,

plichten en rechten. Volkomen onpartijdig.

De omstandigheden in onzen tijd wisselen zoo snel

dat misschien wat hier als uitermate waarschijnlijk, misschien

ook noodzakelijk wordt aangekondigd, over enkele

weken door de feiten zijn zekerheid heeft verloren. Maar

ter completeering van wat ons van het land van Masarijk

bekend is, ook als inleiding tot wellicht wereldschokkende

gebeurtenissen in de naaste toekomst is mr. Goedharts

boek een voortreffelijke uitgave.

Oost-Europa dient zich aan.

De Tijdstroom, Lochem.

Collega Sjoerd Broersma te Warschau vertelt bij

bijzonder fraaie reproductie van foto's van Litauen, Letland

en Estland. Een reisreportage in de jonge Baltische

landen.

Met een beschrijving van de sterk uiteenloopende

bevolkingsgroepen in de drie republieken een beschrijving

ook van het landschappelijk schoon, van meren,

dalen, vlakten en eindelooze wouden, van oude verdroomde

Hanzesteden als Riga, Tallinn (Reval), Narwa

enz., van de karakteristieke weinig bezochte eilanden in

de Oostzee, ideale badplaatsen en kuuroorden, eeuwenoude

Russische kathedralen en kloosters, inheemsche

kleederdrachten, feesten, zeden en gebruiken, behandelt

de auteur vraagstukken van economische, sociale en politieke

beteekenis, die op deze landen betrekking hebben.

De drie Baltische landen — aldus de auteur — zijn

tot dusver voor de meeste Nederlanders „terra incognita"

gebleven, ofschoon zij vooral uit een oogpunt van

toerisme in hooge mate karakteristiek zijn. Dit boek nu

wil bijdragen tot een beter begrip van het leven en streven

in de republieken, die zoo typisch aan den scheidslijn

van twee culturen zijn gelegen. De stof daartoe werd

verzameld tijdens een journalistiek verblijf in het Baltische

land.

DE EERSTE COURANTEN IN HOLLAND.

Bij Joh. Enschedé en Zonen te Haarlem is verschenen

De Eerste Couranten in Nederland, bijdrage tot de geschiedenis

der geschreven nieuwstijdingen" door Dr.

A. Stolp.

Een uitspraak van P. C. Hooft (24 Juni 1640) is als

motto afgedrukt: „ Oft goede ofte quaede nieuwmaren

zyn, zy zyn my altyds welkom, omdat ze leeren

de wereldt kennen !

Dr. Stolp behandelt allereerst het ontstaan van de

pers in Europa, bespreekt dan het nieuws van de kooplieden

en dat van de regeeringscolleges, vertelt van de

„nouvelliers" te Keulen en van het nieuwscentrum Amsterdam,

en deelt dan mee hoe „de couranten van Bilderbeek"

ontstonden en floreerden.

De auteur heeft blijkbaar een groot aantal bronnen

gezocht en daaruit geput en zoo schreef hij een uitnemend

voorloopig eerste deel van de historie van het

Nederlandsche dagbladwezen, dat nog altoos ons ontbreekt.

BUITENLAND.

JAMMERLIJK „PERS'PRODUCT.

Een bloedverwant bracht dezer dagen uit Weenen

een, niet voor uitvoer toegelaten, „Sonder-nummer" van

Der Sturmer voor ons mêe, „Deutsches Wochenblatt

zum Kampf um die Wahrheit".

't Was gericht tegen den „Jude in Oesterreich".

Bij de doorlezing van dit ellendig pamflet hebben we

ons afgevraagd hoe het mogelijk is dat er menschen zijn

die zóó iets schrijven, zóó iets zetten en drukken, en die

zoo iets lezen, zonder een gevoel van verbijstering en

schaamte.

De „vrije drukpers" heeft al heel wat boosaardigs op

haar geweten, maar we gelooven niet ooit iets onder de

oogen te hebben gehad, dat zóó in strijd is met redelijkheid,

eerlijkheid en menschelijkheid.

De „Kampfe um die Wahrheit" wordt hier gevoerd

tegen een aantal weerlooze, mishandelde, angstige en

rechtlooze menschen, die van allerlei worden beschuldigd,

die worden gehoond, belasterd en getrapt. Het is

precies of in een gevangenis met zwaar geketende veroordeelden

in cellen de directie elke week een schotschrift

tot de cipiers richt om hen tegen de gevangenen

in woede op te zweepen en tot verdere mishandelingen

aan te stoken.

In het zonnige blije Oostenrijk, het land van Mozart!,

met voorheen zooveel levensvreugd en menschenliefde

wordt een blad als dit verspreid en we kunnen ons niet

voorstellen welk een smart den oprechten goedmoedigen

Weener treffen moet als hij dit pamflet, dezen Stürmer,

dit Kampfblatt um die Wahrheit (ook al telegramadres

„Waarheid" veronderstellen we!) onder de oogen

krijgt.

Er staan portretten in met honende onderschriften,

alleen met de bedoeling te beleedigen. Het zou geen

moeite kosten een portret van arischen u of mij, ingeslapen

op een bank te krijgen en met het opschrift „Die

Zigarre im Maul, gemastet und immer satt" in een

„strijdblad voor de waarheid" te zetten als een bewijs

hoe de Christen „in den Tag hinein faulenzte".

En wat te zeggen van een portret van een aardig

jonkske van misschien twee jaar, waar dan bij is geschreven:

„Schon aus dem gesicht des kleinen Kindes

schaut die ganze übersatte Anmaszung und Frechheit der

jüdische Rasse"?

Wat er te lezen wordt gegeven over Rothschild, over

de Joodsche pers, over het „verjadete Theaterleben"

(namen als die van Max Reinhardt, Bruno Walter, Richard

Tauber, Ernst Lothar worden als die van de

snoodste misdadigers bevuild) over Rassenschande enz.

enz. is afschuwelijk. De vrijmetselarij en Schuschnigg

worden in 't voorbijgaan nog in woord en beeld beleedigd.

De barbaren die eertijds menschen van een ander

geloof in de arena voor de wilde dieren wierpen, waren

nog edele ridders bij de Julius Streichers uit Neurenberg

Juli 1938. Deze binden en knevelen hun slachtoffers,

leggen ze op martelbanken en verlustigen zich in de

pijnen die zij hun aandoen.

De indruk die dit alles op den niet ver-n-s-b-den lezer

maakt is schaamte, dat zóó iets in de twintigste eeuw

nog mogelijk is en dat een produkt van een drukpers

als dit een „weekblad" wordt genoemd en tot „de

pers" behoort.

ZESTIG JAAR JOURNALIST.

In The journal vinden we vermeld dat te Sheerness

de heer W. J. Word zijn 80sten verjaardag vierde en

nog steeds de rubriek „Round the Island" verzorgt in

de Sheerness Times, aan welk blad hij nu zestig jaren

is verbonden.

Een andere Engelsche collega F. J. O Redpath heeft

na 59 jaren dienst de New Castle Chronicle verlaten.


114 DE JOURNALIST

Discipline from within.

It is up to journalists at the trustees of the great

traditions of British journalism to give their minds and

their energies to the creation of a happier state of affairs.

Discipline there must be, or freedom perishes through

licence, and lawlessness. But it must not be discipline

by the State. That way lies danger

What the Institute proposes is the application of

discipline from within the profession—as against control

imposed from without.

The President, H. A. TAYLOR.

(The Journal).

ENGELSCHE PERS.

Het is geen toeval, dat het een Engelschman was, die het begrip

van de „fourth estate" heeft uitgevonden. Er zijn vier standen,

zei hij, de adel, de geestelijkheid, het volk en de pers. Hij

bracht daarmee op kernachtige wijze tot uitdrukking dat de pers

in Engeland als een sociale factor van de grootste beteekenis

wordt beschouwd. Zij vormt veel meer dan in eenig ander land

een onafhankelijke macht, welke een geaccepteerde en gerespecteerde

plaats in het sociaal bestel inneemt. Gedeeltelijk komt dat

omdat de Engelsche pers een sterk geconcentreerd karakter draagt.

De pers in Engeland beteekent niet, zooals in verschillende

andere landen, een schier oneindig aantal kleine bladen van evenveel

verschillende politieke schakeeringen, maar zes of zeven Londensche

bladen met hun provinciale satellieten. Al zijn er hier en daar nog

wel een aantal invloedrijke onafhankelijke bladen te vinden, zooals

de Yorkshire Post of de Liverpool Post, de overgroote meerderheid

van de dagbladindustrie is in de handen van vier of vijf familie's

geconcentreerd, de Astor's, Berry's, Camrose's, Beaverbrcok's, Rothermere's.

Een andere reden is dat de journalistieke professie in

Engeland van ouds een hoog aanzien heeft genoten, Fleetstreet

werkt nog immer als een magneet voor allerhande talenten en begaafdheden.

Winston Churchill is slechts een van de vele vooraanstaande

figuren die in „de Street" zijn carrière is begonnen. Geoffrey

Dawson, de hoofdredacteur van de Times, is even beroemd en

machtig als de Governor of the Bank of England. Maar ook onder

de lagergeplaatsten bevinden zich tal van lieden die in het krantenvak

een nationale bekendheid hebben verworven zooals de nu

eenigszins op zijn retour zijnde Vernon Bartlett.

Vraag den gemiddelden Nederlander u een aantal journalisten

op te noemen en hij zal u naar alle waarschijnlijkheid, met misschien

één uitzondering, het antwoord schuldig blijven. De gemiddelde

Engelschman zal dadelijk met een half dozijn namen komen, wat

niet alleen te danken is aan het gebruik van de populaire kranten

hun medewerkers onder eigen naam te laten schrijven, maar evenzeer

aan de veel grootere plaats, welke de krant in de Engelsche

samenleving inneemt. Een treffend bewijs voor de erkenning die

de pers in deze samenleving geniet, ligt in de buitengewoon intieme

betrekkingen tusschen pers en regeering. De gemakkelijke familiariteit

waarmee ministers en journalisten met elkaar omgaan zou in

ons eigen land ondenkbaar zijn.

(Nieuwe Rott. Crt.)

ZWITSERSCHE PERS.

(Uit een kroniek in Hollandsch Weekblad).

Enkele uitzonderingen daargelaten, kan men zeggen, dat de pers

in Zwitserland op een vrij hoog peil staat. De verdeeling van het

land in 22 kantons, die veel scherper van elkaar gescheiden zijn

dan onze elf provinciën, is oorzaak, dat de pers in hooge mate

gedecentraliseerd is. Groote dagbladen, die vrijwel overal gelezen

worden, vindt men hier reeds daarom niet, omdat men in Zwitserland

met drie taalgebieden te doen heeft. De Duitsch-Zwitser

— een aantal intellectueelen uitgezonderd — neemt zelden of nooit

een Fransch-Zwitsersch blad in handen. De Fransch-Zwitser bladert

slechts bij hooge uitzondering in de persorganen der Duitsch

sprekende kantons, ook al omdat hij de Duitsche taal öf in het

geheel niet — öf slechts zeer oppervlakkig kent. De Italiaansch-

Zwitsersche pers wordt uit den aard der zaak benoorden de Alpen

vrijwel niet gelezen. Bovendien treedt in nagenoeg alle Zwitsersche

bladen het kantonale en stedelijke karakter sterk op de voorgrond,

hetgeen meebrengt, dat iemand, die heel Duitsch-Zwitserland wil

bereiken, advertenties moet plaatsen in minstens vier groote bladen,

waarvan er twee te Bazel, een te Zurich en een te Bern verschijnen.

Wie iets te zeggen heeft tot het Fransch-Zwitsersche publiek,

moet minstens in vier of vijf bladen een mededeeling plaatsen, omdat

ook hier ieder kanton zijn eigen pers heeft .veelal nog weer over

drie of vier bladen per kanton verdeeld, die buiten de kantonale

grenzen slechts een zeer beperkten lezerskring bezitten.

Deze versnippering in de pers, dit sterk geaccentueerde kantonale

karakter, brengt mee, dat de persorganen minder omvangrijk zijn

dan bij ons en dit heeft weer ten gevolge, dat de berichtgeving,

over het algemeen genomen, veel beknopter is.

Hierin ligt, ten deele althans, de verklaring van het door ons,

Nederlanders, maar al te vaak met leedwezen geconstateerde feit,

dat het Zwitsersche publiek heel wat minder over Nederland en

koloniën te lezen krijgt dan de Nederlandsche courantenlezer over

Zwitserland, waarbij kan worden aangeteekend, dat deze leemte in

Fransen-Zwitserland (over Italiaansch-Zwitserland kan ik niet

oordeelen) heel wat grooter is dan in de Duitsch-Zwitsersche

kantons.

Wel wordt eenige notitie genomen van belangrijke nationale

feiten als daar zijn: de gebeurtenissen in ons Koninklijk Huis, de

verkiezingen voor het parlement en internationale onderhandelingen,

waarbij ons land betrokken is, wel kan men in de Duitsch-Zwitsersche

pers verslagen vinden van officieele bezoeken van Zwitsers

aan ons land, maar de geregelde berichtgeving over Nederland is

veel te fragmentarisch en te weinig systematisch, dan dat de Zwitser

een duidelijk beeld zou hebben van wat er in het Nederlandsche

volk leeft en omgaat.

Het zal niet gemakkelijk zijn, de redacties te bewegen daarin verbetering

te brengen, hoe zeer dit ook in het belang van een goede

samenwerking, niet het minst op economisch terrein, zou kunnen

zijn.

Niettemin rijst de vraag, of van Nederlandsche zijde wel alles in

het werk wordt gesteld om het buitenland beter en uitvoeriger over

ons land en zijn overzeesche gebieden voor te lichten. Met name

zouden op ruimer schaal buitenlandsche journalisten — en vooral

ook redacteuren van dag- en Weekbladen — uitgenoodigd moeten

worden tot een verblijf in ons land, waarvan tevens gebruik zou

gemaakt kunnen worden om met de leidende personen zelf de mogelijkheid

van betere samenwerking te bespreken.

WOORD VAN EEN MAGISTRAAT.

Met vette letters drukt de Evening Standard van 11

Augustus een uitspraak af van politierechter Bertrand

Watson te Londen.

Een getuige, die een overtreding had aangebracht verzocht

zijn naam geheim te mogen houden, omdat hij onaangenaamheden

vreesde. Waarop mr. Watson sprak:

„De pers treedt altoos met wijsheid en discretie op.

Ik heb niet de macht, en als ik ze had zou ik ze niet

willen gebruiken, om te gelasten wat u wenscht. U kunt

de zaak gerust geheel aan de pers overlaten.

JOURNALISTIEK RECEPT.

J. }. David. „Die Zeitung:

Eerste ver>eischte voor den journalist is een zekere

bewegelijkheid van den geest, die zich tot onrust kan

verheffen; 2e. een rijk geheugen; 3e. kennis van talen,

zonder philologische studiën, die maar ballast zijn; 4e.

eenig begrip van bespiegelende wijsbegeerte, want hij

moet den lezer imponeeren goed onderlegd te zijn, althans

te schijnen; 5e. over allerlei vraagstukken van den

dag zich een oordeel vormen; 6e. een nerveus, voor indrukken

vatbaar temperament.

Zoo vreedzaam het vak lijkt, er ligt een oorlogzuchtig

element in: wie voor ernst en waarheid opkomt, voelt

zich sterker bij eiken strijd: dat verlicht zijn arbeid.

Er zijn journalisten, die niemand kent, en die voor de

krant van veel meer waarde zijn dan de met roem bedekte

mannen, die nu en dan er in schrijven.

ADVERTENTIES.

M. J. Brusse betuigt hartelijk dank aan de

collega's, die hem op zijn 65 stcn verjaardag

vriendelijk hebben bejegend. Hij brengt

hierbij onder de aandacht van hen, die

hun goede verwachtingen uitspraken van

zijn verdere werkzaamheden,

dat hij nu medewerking zoekt

aan couranten en tijdschriften,

ook in Inde.

Adres: „de Krocht", Groet N. H.