ET WEEKBLAD™,^

bibliotheek.eyefilm.nl

ET WEEKBLAD™,^

ET WEEKBLAD,^

2 1 st« Jaargang

No. 18 - 24 MEI 1941


| n e « n d « r «talages van het mode-magazijn

„De Gouden Korf" stond een bontmantel. Hei

moest een uniek exemplaar zijn, want geen

vrouw passeerde de etalage of ze bleef staan

en tuurde naar den „Persianer".

Maar ook de aandacht van de beeren der

schepping werd er vaak door getrokken, en men

kan wel zeggen, dat de mantel reeds lang ver-

kocht zou zijn geweest, Indien „De Gouden

Korf er niet zooveel voor had gevraagd. Maar

ja. .. alle waar is naar zijn geld, zegt men wel

eens, en ook het omgekeerde is waarl

Toch verscheen er op een- ochtend een ele-

gant gekleede, blonde Jongeman In den winkel,

die den bontmantel verlangde te zien. De chef

hielp hem persoonlijk. .Terwijl deze den mantel

uit de etalage haalde, gebeurde er echter iets

bijzonders.

Er verscheen opeens een andere. Iets oudere

en zéér dikke heer voor de glimmende spiegel-

rult, die tegen het raam tikte en, toen de chef

verbaasd opkeek, riep; „Hé, dien bontmantel

wil ik hebbenl"

De chef dacht natuurlijk met een grappenma-

ker te doen te hebben. - Hébben... Iedereen

wilde dien mantel natuurlijk wel hebben. Maar

köópen; dat was Iets anders... Als ulterlijk-

deftig man, waagde hij het echter niet uit den

toon te vallen, en daarom bleef hij ernstig en

zei, zoo luid dat de heer buiten het hooren

kon: „Een cliënt wenscht den mantel te zien,

mijnheerl"

„Zien mag hij hem," riep de dikke jonge-

man terug, „dat kan me niet schelen, maar hem

kóópen, dat zal ik alleen doen."

»We hebben een groote sorteering in bont-

mantels," nep de chef terug, „er zal dus ook

wel Iets van uw gading bij zijn."

„Ik heb uw sorteering niet noodigl Ik heb

dézen mantel noodig,"

De chef begreep, dat de conversatie op die

manier niet was voort te zetten; bovendien vond

hij dien dikkerd nogal eigengereid. Daarom haal-

de hij • zijn schouders op en verdween met den

bontmantel, dien hij nu van de wassen pop ge-

peld had, In den winkel, waar onmiddellijk na

hem ook de ander verscheen. Deze posteerde

zich vlak voor het jongmensch, dat den mantel

wilde zien, en keek hem met vijandige blik-

ken aan.

„Zoo. - U bent dus de heer, die dezen

bontmantel wil koopen?" vroeg hij, naar de

NTM

VRIJ NAAR HET DEENSCH

Persianer jas wijzend, die over den arm van

den chef hing.

„Jawel," antwoordde het slanke jongmensch,

en hij keek den heer, die misschien een paar

Jaar ouder was dan hij, maar zéér uit de hoogte

optrad, verbaasd aan. „Ik hoop, dat u er niets

op tegen zult hebben," voegde hij er dan iro-

nisch aan toe.

„Ik heb er zooveel op togen," was het ant-

woord, „dal ik dien mantel koopen wil - en

koopen zal."

„Dat zullen we eens zien," zei de ander ge-

pikeerd. „Wie was er eerder?" zoo wendde hij

zich tot den chef om een beslissing.

„Eigenlijk... strikt genomen... hebt ü het

eerst naar den mantel gevraagd," antwoordde

de aangesprokene, die echter niet .graag als

scheidsrechter wilde optreden tusschen twee

klanten, en waarschijnlijk twee goede klanten,

te oordeelen naar het bedrag dat zij konden

uitgeven.

„Dan heb ik ook de voorkeur," was het

trlomfeerende antwoord.

„Onzin," viel de dikke jongeman uit „AJs

ik niet door mijn zaken was opgehouden, zou

ik al een uur eerder hier geweest zijnl"

„Heeren," zoo kwam nu de chef tusschenbei-

den, „laat Ik u een voorstel mogen doen. Nog

vandaag zal ik in mijn ateliers precies zoo'n

zelfden bontmantel laten maken. Die is dan

morgenavond gereed. Een van uw beiden be-

hoeft dus slechts één dag geduld te hebbenl"

„Ik kan echter tot mijn spijt géén geduld heb-

ben," beweerde het elegante Jongmensch ener-

giek. „Ik moet den mantel vandaag nog be-

zorgd hebbenl"

„En ik moet hem óók beslist vandaag bezorgd

hebben," zei de ander. „Morgen is te laat

voor mij."

„Ik heb den mantel noodig als verjaarsge-

schenk voor een dame," verklaarde de elegante

Jongeman.

„Ik ook."

„Koopt u dan 'n anderen bontmantel," stelde

de slanke aan den dikke voor. „Mijn... eh...

verloofde heeft speciaal dezen mantel uitge-

zocht. Ik kan met geen anderen bij haar aan-

komen."

„Ik bij... eh... mijn verloofde ook niet"

Het ging den ander nu vervelen. Hij liet zijn

mededinger naar den bontmantel eenvoudig

staan, en wendde zich tot den chef. „Laten wij

er een eind aan maken," zei hij. „Ik was het

KERMIS! De filmsterren Charlott Daudert en Hilde Krüger amuseeren zich best

(/oto Tobis)

eerst, zooals u zelf zei, en Ik koop dus den

mantel. Afgeloopen. Als ik goed heb gehoord

van Wiesie... eh van mijn verloofde, kost

hij drieduizend gulden?"

„Wiésje?" herhaalde de dikke, groote oogen

opzettend. „Wiesje, zei u? Zei u Wiésje?"

„Ja, dat zei ik," antwoordde de ander driftig.

„Wilt u nu nog soms beweren, dat... eh ...

uw verloofde óók Wiesje heet?"

„Ja, dat wil ik zékerl" zei de dikkerd met

nog grootere oogen. „En ik kan er niets aan

veranderen. Ze heet inderdaad Wiesje."

De Jongeman verbleekte lichtelijk.

„Misschien zelfs wel Wiesje Bisschop?" vroeg

hij flauwtjes.

„Juist Wiesje Bisschopl En ze woont.."

„ ... Parkstraat 55," vulde het slanke jong-

mensch aan, op een stoel neervallend.

De dikkerd knikte somber, en liet zich even-

eens op een stoel,) die achter hem stond, neer-

vallen.

Zwijgend staarden ze elkaar eenige oogen-

blikken aan. Het was de dikkere heer, die het

eerst zijn zellbeheersching weer terugkreeg.

„Dan is uw Wiesje naar alle waarschijnlijkheid,

of neen, wel zeker..

„Uw Wiesje..." vulde de ander verslagen

aan.

De dikkerd knikte weer. Toen stond hij op en

reikte zijn^ rivaal de hand. ,;Laten we het toe-

val zegenen, dat ons tegelijkertijd hier gebracht

heeft" zei hij. „We weten nu allebei wie

Wiesje is. Om den mantel In ieder geval te

krijgen, heeft ze hem bij ons allebei besteld.

Maar Ik kén haar nu... Voor mij heeft ze af-

gedaan. En ik zou mijn hand voor haar in het

vuur hebben gestoken..." besloot hij zuchtend.

„Wees dan maar blij, dat u hét niet gedaan

hebt, anders had u nu nog maar één hand

gehad."

De dikkerd lachte. Wel niet van harte, maar

het was het eenige wat hij kon doen. De chef

was door den gang van het gesprek wat be-

ducht geworden. „En beeren," zei hij, „hoe

moet het nu met dien mantel? Wie... ?"

„Ik geloof," antwoordde het slanke jong-

mensch, „dat u reeds wel gemerkt zult hebben,

dat onze behoefte aan bontmantels op het

oogenbllk sterk Is afgenomen. Ik althans moet

hem niet meer hebben. Goedendag I"

En gevolgd door den dikkerd, die had ge-

zegd: „En ik ook nietl Goedendag," verliet hij

den winkel. Op straat namen de belde lotge-

nooten hartelijk afscheid.

„Dat zal haar straf zijn," zei de dikkerd, ter-

wijl zij elkaar de hand schudden, „dat zij met

één slag niet alleen haar beide aanbidders ver-

liest, maar tevens den bontmantel. Ze had mij

nog wel niet definitief aangenomen, maar Ik

mocht toch, geloof ik, goede hoop hebbenl En,

eerlijk gezegd, wist ze ook niet, dat ik dien

mantel voor haar ging koopen. . ."

„Mij had ze ook nog niet definitief geaccep-

teerd," zei de slanke Jongeman, „en ook Ik had

haar niet gezegd, dat ik haar dien mantel ca-

deau wilde doen. Ik wist alleen, dat ze hem

graag wilde hebben, en ik dacht dat het mis-

schien eenig gewicht in de schaal kon leggen

als ik..." Hij zuchtte, en zweeg.

De dikkerd knikte.

Daarna gingen ze ieder huns weegs.

Vijf minuten later stond de dikkerd weer voor

den chef.

„Wilt u den bontmantel maar laten bezor-

gen?" vroeg hij, zijn portefeuille uit zijn zak

halend. „Het adres Is..."

„Parkstraat 55," zei de chef, opgelucht om-

dat de kostbare Persianer er toch nog uit ging.

„Weineen," zei de dikkerd lachend. „Ik ken

die Wiesje Bisschop niet eens. Het was maar

een trucje van mij. U moet dien mantel laten

bezorgen bij mijn... vrouw. Mevrouw Van

Swieten, Llnoleumstraat 67..."

mma^^^^^^^ ^__ '^,:


T O

KORTE INHOUD VAN HET VOORAFGAANDE.

In den Ratskeller te Bremen maakt Casca Föderzeji. die violist

en ejyenlijk Julius Löpelmann heet. kennis met Ada Rasmus

rVÜ %T'' M i '' de Dicht van " n r « ken r « d in een strijkje Is

en haar vriend

" «» weduwe. c. Voorts > is zü ver-

„l\jll\- T i ° n9,:n » i:h «P''">"w". hetgeen haar echter niet belet

Hnl,, K Pr J aak,< L m "D den L Viol, ï te maken - Den eisenden da8 wordt het door

"e° fe^Taf ..'r P r Ber i h0 i d t Ra5mU5 "J d00r Ada het feest, dat ter «eleoenhe.d hiervan des avonds " door """" consul ««'""• Rasmus Gedurende wordt

geseven, verwacht iedereen, dat Thomas Holk rijn verloving met ATzal aan

kond,8en, waarvan evenwel niets komt. Een der volgende dagen neem. Holk ha«

rnHn P h t j Cht '"" Ni d ° r '. "in Seboorteplaats, waar zij mevrouw Löp"

On H,„ ,r n ' "°edvrouw is en geassisteerd heeft bij Thomas' geboorte.

^ef, da, K^r 9 , rü" A%, m0 " 1 " k . h


Heinz Rühmann, de bekende komiek, speelt

de rol van den gasman Knittel, die plotseling

rijk wordt. {Foto Ufa)

o

Een arm mensch, die rijk wordt.. . ziehier een

welhaast onuitputtelijk gegeven. Het vaakst is

het gebruikt in sprookjes, waar het steeds

een van de meest succesvolle slotmotieven vormt.

Het „happy ending" is werkelijk niet het eerst

door de film uitgevonden I

Wanneer men de oude volkslegenden be-

schouwt als een uitdrukking van het verlangen

naar een ideale gerechtigheid, dan is de plotse-

linge welstand van onschuldige armen een tref-

fend symbool. Er treden geheimzinnige machten

in werking, die, in de gedaante van goedhartige

toovergeeslen en feeën, in den strijd met hun

collega's van den slechten kant steeds zegevieren,

opdat de toestand, zooals iedere brave lezer of

toehoorder zich dien wenscht, het einde zal zijn.

Terwijl de sprookjesschrijver zeer vrij kan om-

springen met zijn figuren, moet de tooneelauteur,

die voor tooneelspelers schrijft, dus voor lijfelijke

en handelende personen, zich in het algemeen

dichter bij de concrete werkelijkheid houden. Hij

kan niet zulke voor stervelingen onwaarschijnlijke

veranderingen en plotselinge wendingen gebrui-

ken als de grootmeesters van het vertelsel. De

technische gebondenheid van het tooneelapparaat

heeft reeds voor een vernauwing van de grenzen

gezorgd. Uit deze begrenzing van de mogelijk-

heden is in den loop van de tooneelgeschiedenis

de uitbeelding van bepaalde typen voortgekomen,

die, met zekere afwijkingen en veranderingen,

steeds weer zullen terugkeeren. Tot deze figuren'

behoort, ook de mensch, die, opeens rijk wordt.

De plotselinge verandering van de levensomstan-

digheden van den mensch is een dankbare aanlei-

ding voor een heele reeks psychologische gebeur-

tenissen. Dat weten de goede tooneelschrijvers

best. En aangezien ook het zieleleven van de

menschen in de zaal bekend terrein voor hen is,

houden zij rekening met de omstandigheid, dat

een gebeurtenis »Is plotseling rijk worden uiter-

mate geschikt is, om een opgewekt medeleven

van het publiek te ontvangen. Zonder twijfel zien

het grootste deel van de menschen zichzelf gaar-

ne in dengene, dien de plotselinge rijkdom te beurt

valt. Daarom is men bij een dergelijken toestand

eerder geneigd te lachen dan te huilen. Waar-

mee niet gezegd wil zijn, dat er niet evengoed 'n

tragedie aan het rijk worden verbonden kan zijn,

evengoed als het arm worden een comedie kan

zijn. In ieder geval is het een feit, dat de come-

die een voorliefde heeft voor het gegeven van

'.t rijk worden en dat de klassieke blijspelschrijvers

hierdoor onvergankelijke figuren hebben gescha-

pen. Molière bij voorbeeld heeft een heele reeks

comedies geschreven, waarin de rijk geworden

arme optreedt, die zich in zijn nieuwe milieu hee-

lemaal niet weet te gedragen. In de eerste plaats

noemen wij van deze categorie „Le bourgeois

gentilhomme". Shakespeare toont ons den armen

dienstknecht, die voor een paar uren „heer" mag

zijn en die nu een overvloed heeft van alles,

wat hij eerst heeft moeten ontberen, zoo rea-

listisch mogelijk in het voorspel van „De getem-

de feeks".

Min of meer schematisch werd het. thema steeds

weer gebruikt en ten slotte door de na-apers der

groote schrijve« als het ware dood-geschrevan.

Tot de kracht van het genie zich op een goeden

keer weer baan brak om een nieuwe artistieke

schepping te vormen uit het oude en zoo men-

o

Heinz Rühmann als Knittel en Army Ondra

al* zijn vrouw Erika Knittel.

(Foto Ufa.LIndntrj

schelijke gegeven. In de personen van

Ferdinand Raimund en Johann Nestroy

ontstond tegen hei midden van de vo-

rige eeuw in Weenen het waarachtige

Dultsche volkstooneel. Door zich te

wenden tot het eenvoudigst denkbare

publiek, begon het eigenlijk weer dier,

waar de oude sprookjeswereld was op-

gehouden.

Raimund en Nestroy, die leder voor

zich schrijver, dramaturg, regisseur en

acteur waren, braken voor hun tijdperk

kortweg met alle tot dan toe geldende

wetten van het tooneel. Daar 't bij hen

voornamelijk aankwam op het sprookje,

en zij de hooge vlucht van hun fantasie

niet wenschten te belemmeren, bouw-

den zij voor zichzelf een tooneel wereld

op van onophoudelijke veranderingen;

een verbazend gecompliceerde coulis-

senwereld, die een zoo veelvuldige

verwisseling van achtergrond toeliet, als.

tegenwoordig alleen nog maar bij de

film mogelijk is. De plaats van hande-

ling speelt In hun manuscripten feitelijk

dezelfde rol als In een modern draai-

boek.

Met zijn tooversprookje „Der Bauer

o

Knittel (Heinz Rühmann) op bezoek

bij een charmante dame (Gisela

Schifiter). (Foto Ufa-Undntrj

als Millionnär" heeft Ferdinand Raimund in een

onvergelijkelijk poetische sfeer de comedie van

het rijk worden geschreven, die men ondanks, of

liever juist door den ernst van den achtergrond

als zoodanig moet betitelen. In een klucht zouden

alleen de buitenomtrekken van de situatie zijn be-

licht, Raimund echter dringt door tot het Innerlijk

van den mensch, die door zijn eigen onzinnige

instelling ten opzichte van den rijkdom schipbreuk

moet lijden. Dezelfde dichterlijke ernst ligt ten

grondslag aan de comedies van den meer ironi-

schen Nestroy.

In zijn „Lumpazivagabundes" volgt hij den le-

vensweg van drie jongelui, handwerkslieden van

beroep, die door bovenzinnelijke machten plotse-

ling een geweldigen rijkdom genieten. Hoe zullen

deze drie menschen zich ieder voor zich en on-

derling daaronder gedragen? Dat is de vraag,

waarvan de oplossing op het tooneel de toeschou-

wers In de zaal veel te denken en veel te lachen

geeft.

Wij herinneren ons nog de verfilming van dit

gegeven van Nestroy. Heinz Rühmann was een

der handwerksiui, die door hun merkwaardig lot

in even menschelijke als komische situaties ver-

ward raken. Thans beeldt dezelfde acteur de

hoofdpersoon uit in de filmbewerking van een

modern gegeven, dat eveneens het plotseling rijk

worden tot motief heeft Het Is „De Gasman",

naar het boek van Heinrich Spoerl. Men zou het

een sprookje In de werkelijkheid kunnen noemen.

Hoewel er Iets ongewoons gebeurt. Is toch »lies,

wat zich in deze film afspeelt, in werkelijkheid

mogelijk. De moderne tooneelschrijver heeft be-

grijpelijkerwijze afgezien van de zichtbare sym-

bolen of de menschelijke uitbeelding van booze

en goede geesten, die het publiek van de vorige

eeuw als zinnebeeld heel vertrouwd waren. Want

omdat hij modern is, weet hij, dat de menschen

tegenwoordig nuchterder denken. Maar als een

verstandig schrijver weet hij ook, wat is blijven

bestaan: het gevoel voor den dieperen zin van

het sprookje, waarop wij in het begin van deze

beschouwing zinspeelden. -

Het gemoedelijke Weensche publiek van eens

zag maar al te graag een gevleugelden brieven-

besteller van half-hemelsch karakter, zooals in

„Der Bauer als Millionnär", die dus als de bode

van de gepersonifieerde tevredenheid bij arm

en rijk moest spionneeren. De gasman van onzen

tijd komt daarentegen op geheel natuurlijke

wijze in de huizen der verschillende maatschap-

pelijke kringen. Daarom is 't des te verrassender,

wanneer de beambte met het bescheiden Inkomen

voor den armen kleermaker, die de gasrekenlng

niet kan betalen, plotseling in zijn eigen zak tast

en den ontstelden man vijftig mark schenkt, alsof

dat vanzelfsprekend isl Iedereen zal In dit ver-

band het onwaarschijnlijke goed vinden, precies

zooals In het omgekeerde geval, als dezelfde be-

scheiden employé van de „Gasag" als de ver-

tegenwoordiger van een hoogere gerechtigheid

optreedt, als hij tegenover een huichelachtige

vrouw onomkoopbaar blijkt te zijn.

In overeenstemming met den geest van het mo-

derne publiek, dat vóór alles de werkelijkheid

wenscht, worden alle onwaarschijnlijkheden aan 't

slot van de geschiedenis verklaard. Wij stellen er

prijs op, dat de helden van onze romans, tooneel-

stukken en films, duidelijk zichtbaar in het werke-

lijke leven staan. Wat do komieken betreft, wij

kunnen alleen din hartelijk om hen lachen, als

wij bemerken, dat zij wezens zijn van vleesch en

bloed zooals wij, als zij dezelfde zwakheden heb-

ben als wijzelf. Met andere woorden: wij moeten

hen „au sérieux"_ kunnen nemen. Dat is bij „De

gasman" alleszins het geval. Hoewel de gasman

in de hierboven genoemde gevallen met overleg

voor gerechtigheidje speelt, wordt hij zelf het

slachtoffer van de situatie, die hem vooral in

moeilijkheden brengt met zijn sympathieke jonge

vrouw, in de film voorgesteld door Anny Ondra.

De rijk wordende persoon moet zich naar alle

kanten verantwoorden. Als hij het ten slotte met

zijn lieftallige wederhelft, na veel heen en weer

gepraat, eens geworden is over de manier, waar-

op het geld gebruikt zal worden, komen de auto-

riteiten er nog bij, die den armen, veelgeplaagden'

„gelukkige" handen vol werk geven, om nog

maar niet te praten van alle „vrienden" en „vrien-

dinnen", die plotseling opduiken.

Zoo is onder de leiding van professor Carl

Froelich naar een boek, dat geheel in den tegen-

woordigen tijd past en weergeeft wat er heden

ten dage in het volk leeft, een film ontstaan, die

van een onvergankelijk gegeven uitgaat. Met

Heinz Rühmann, den beproefden meester van den

fijnen humor, in de titelrol, is „De Gasman" een

nieuwe comedie van het rijk-worden.


i8o4—02

Van deze modeilen ziïn b(f de administratie van oijj

biad patronen verkrQgbaar in de maten AO tot èn

met 46 tegen den prffs van fO,25 per stuk.

■^ - ■ . .

1804—04

£'»•


VOOR ONZE KNUTSELAARS

»-3.5 _ui5 U +23-t-5.5-i U5J.24 2/ t2+25_J

2. EEN

MOUWPLANKJE

Een dergelijk

plankje is bij strij-.

ken onmisbaar en

daarom meenen wij

goed te doen er een

af te beelden op

onze knutselpagina

U hebt er weinig

hout voor noodig.

Hieronder volgt

het «taatje:

1 plankje van

50,5 cM. 1., 12 cM

breed en 2 cM. dik

Eigen tttkénino

i. EEN VOETENBANKJE VOOR DEN TUIN

Deze week geven wij u een paar zeer eenvoudige knutselwerkjes.

Het voetenbankje, dat u op deze pagina vindt afgebeeld en waarvan we

een boven-, voor- en zij-aanzicht benevens een scheeve projectie geven is

36 cM. lang, 21 cM. breed en 10.5 cM. hoog. Wanneer u het rugaanzicht aan

d&hnker zijde van de pagina bekijkt, ziet u dat er ten eerste 6 latjes npodig

zijn — benevens 2 die wat schuin bevestigd zijn en nog 2 waarvan de helft

is ingelaten in het hout.

In het geheel is er dus het volgende hout voor noodig i 10 latjes van *6 cM

lang, 2 cM. breed en 1.5 cM. dik.

2 stukken van 21 cM. lang, 2 cM. breed en 9 cM. hoog. De latjes worden

op de zijstukken geschroefd.

Het bankje kan in de lijnolie gezet worden of in een bijpassende kleur

geverfd.

1 plankje van 59 cM. lang, 12 cM. breed en 2 cM. dik.

1 plankje van 30,5 cM. lang, 12 cM. breed en 2 cM. dik.

1 plankje van 12 cM. lang, 12 cM. breed en 2 cM. dik.

Aan het grondplankjé schaven we een schuinen kant van 1 cM. (zieteekening). Het

bovenplankje wordt aan het eind tot 8 cM. breedte geschaafd en tevens voorzien van

een ronden kant. Wanheer alle deelen „pas" gezaagd en gestoken zijn, schroeven we

deze in elkaar, waarna de bekleeding er op gemaakt wordt. Het beste hiervoor is een

stukje molton, dubbelgevouwen, met als buitenbekleeding een reep flanel, die met

koperen taatsjes bevestigd wordt.

M«t w«l(avallcn bekijkt on-

derofficier Guggcmos (Han-

ne» Keppler) dan eerttgebo-

-ene vmn zijn kameraad Zeil-'

■ar (Adolf Fischer, achtar zijn

•choudar itaanda). Da piloot

ickhard (Hermann Braun),

schijnt ar ook plaiziar in ta

nebben. Stralend zien da

jonge moeder (Carita Löck)

en oma Zeitler (Leonie Du-

val) toa, terwijl da kleine,

itevige Jongan zich da bewon-

dering van het gezalechap ga-

nadiglijk laat welgevallen.

(foto Tobis)

.•ia

UGGI GENEERT ZICH

In werkelijkheid is hij onderofficier

• Guggemos. Zijn kameraden van het

„Luchteskader Lützow", indegelijknamige

grooie film van de Tobis, noemen hem

echter „Guggi". In een vroolijke epi-

sode van deze film moet hij peet zijn.

Dat -is de wensch van zijn kameraad,'

onderofficier^Bordwart Zeisier (wij ken-

nen hem reeds uit de film ,JD lil 88"),

die als trotsche vader voor zijn eerst-

geborene een grootsch doopfeest op

touw zet. Voor de paar dagen van hun

verlof heeft hij de piloten Paulsen en

Eckhard (eveneens twee goede beken-

den uit de film „D III 88") en zijn kame-

raden Hasinger en Hellweg naar zijn

woonplaats in Oldenburg meegenomen.

De op handen zijnde gebeurtenis is snel

bekend geworden, het heele dorp is op

de been. Op hun Zondagsch uitgedost

wachten jong en oud op den terugkeer

van het gezelschap, dat bij de doop-

plechtigheid in de kerk aanwezig is ge-

weest. Met een half dozijn Flak-soldaten,

die nieuwsgierig uit de rijen kijken',

staan zij aan weerszijden van den weg

Een episode uit de Tobis-film „Luchteskader Lützow"

opgesteld. Maar noch grootvader Zeis-

Ier in zijn dorpsche Zondagsche jas en

met zijn ouderwetschen hoogen hoed

op, noch zijn mollige gade in de zwarte

zij, noch de trotsche jonge moeder Lina

(het meisje uit „D III 88") zijn het

middelpunt van hun belangstelling. Aller

oogen zijn thans gericht op Guggi, die

met een angstig gezicht het draagkussen

met het zoojuist gedoopte kind op zijn

armen houdt en aan het hoofd van den

stoet staat. Guggi geneert zich doodl

„Ga zoo door, jongmensch," spot

Hasinger. Met knikkende knieën zet

Guggi zich eindelijk in beweging. Zelfs

bij de moeilijkste situaties in den oorlog

heeft hij niet zoo'n toer gehad zich-

zelf te overwinnen. Een Berlijnsche Flak-

soldaat neemt hem in het ootje tot

groote vreugde van de omstanders.

„Moed en volharding bij alles wat de

dienst meebrengt!"* Guggi knarsetandt.

„Laat het kind niet vallen," sluit een

onderofficier uit Saksen zich bij de rest

aan en de kanonnier Horn constateert

met Rijnlandsche gevatheid: „Tjonge,

jonge, nu krijg je vast en zeker gauw

het moederkruis."

Vooruitl denkt Guggi. Hoe eerder ik

door dat cordon van plaaggeesten heen

ben, hoe beter. Pas als de tevoren in-

gelichte herbergier een muntstuk in het

groote orgel steekt en er prompt uit de

open ramen van het café een marsch

schettert bij wijze van militaire hulde,

verdwijnt de aarzeling uit zijn houding.

Hij is de situatie weer meester, spoort

mèt zijn kameraden ook de dames van

het gezelschap aan om in de pas te

loopen en redeneert tegen de jonge

moeder, die vindt dat een koraal toch

eigenlijk meer passend geweest zou

zijn: „Neen-neen, geen koraal, zoo is het

veel beter. Dan weet de jongen meteen,

waar hij thuis hoort."

Het is alleszins begrijpelijk, dat Ha-

singer bij het afscheid, onder fuid ge-

juich van zijn kameraden, uit den ver-

trekkenden trein zijn indrukken op de

volgende wijze weergeeft: „Dus, vader

Zeisier, bij het volgende doopfeest ko-

men wij weer, hoorl"


Geen wonderboomen van Mars of van

de. Maan, geen landschap van uitge-

doofde vulkanen, maar -het eens om

zijn geneeskracht bekende STEEN-

LEVERMOS, 8 x vergroot.

MOSSEN

BOEIEND UVENSVEHS CHIiNSE

Achteloos loopen wij menschen langs vele boeiende levensverschijnselen. Wat

weten wij van kevers en rupsen, van wormen en . . . van mossen? Van

de laatste waarschijnlijk wel hèèl weinig. Na een regenbui, ja, dan vallen zij wel

op, dan vormen zij prachtige groene tapijten in de di/lnen en op de heide-

velden, onder de eiken en op de kleigronden. Maar wanneer het droog

weer is, schrompelen de mossen inéén, zij knisteren onder uw voeten, zij

schijnen dood . . .

Maar deze laag ontwikkelde planten kunnen hèèl wat hebbenl Want al

schroeit de zon ze dagenlang, al zijn zij zoo droog dat ze bij de eerste vonk

uit een locomotief, bij een slecht gedoolden lucifer, gaan branden, één regen-

buitje is genoeg om ze weer sterk en frisch te maken.

Wanneer het een mosplant goed gaat, dus wanneer het veel regent,

begint zij aan de voortplanting. En, allen cynischen opmerkingen van aartsmoppe-

raars ten spijt, wij kennen in ons klimaat maar twee regentijden: herfjit en

lentel In den herfst bloeien de mossen, dat wil zeggen, er groeien doosjes

op hun takken, en in die doosjes ontwikkelen zich de sporen, een soort

zaad, maar veel fijner. Eén sporendoosje bevat vele honderden heele kleine

korreltjes, die een winter lang den tijd hebben om zich op hun taak voor

te bereiden, want pas in het voorjaar springen de sporendoosjes open en dan

worden door den lentewind de duizenden sporen vervoerd. Die vallen dan ergens

Het lijkt een fantastische neer en wann eer nu de grond maar voor hen

plant uit de oerwouden, geschikt is, ontwikkelen zij zich weer tot een

maar het is slechts een

S'/a maal vergroote opname

van hetVEENMOS

met sporendoosjes, die

nieuwe plant. Verreweg de meeste van die

sporen gaan natuurlijk verloren, omdat zij geheel

.afhankelijk zijn van wind en weer. Maar

zwart zijn en op witte juist daarom worden zij in zulke onnoemelijk

steekjes staan. groote hoeveelheden geproduceerdl En daarom.

De sporendoosjes van het

DUINSTERRENMOS,

waaruit in het voorjaar

de kleine zaadjes zwer-

men, 6 x vergroot.

{Foto's LP. & R.S-)

hoe ongunstig ook het

weer, hoe hard de wind,

er komen altijd wel zoo-

veel sporen goed terecht

DUINSTERREN MOS, 4 x vergroot. Na een paar minu- Slechts 3 x werd dit PALMPjESMOS vergroot, en

ten regen is dit mos in staat een eerst dorre, bruine reeds geeft het een uiterst mooi en merkwaardig beeld,

zandvlakte in een helder, f rischgroen tapijt te veranderen.

dat er den volgenden herfst weer voldoende sporendoosjes groeien. En zoo wordt

onze mossenrijkdom op peil gehouden.

De mensch heeft tot voor een paar jaar weinig belangstelling voor de mossen

gehad en dat blijkt wel onmiddellijk uit het feit, dat er vele soorten waren, die

zelfs geen naam hadden in onze taall Tegenwoordig komt er echter steeds

meer belangstelling voor deze merkwaardige en interessante planten.

Eén mos is er, dat al een paar eeuwen aan het volk bekend was, en dat is

het Levermos, want dat werd in de oude volksgeneeskunde toegepast tegen

leverkwalen. En één mos zult u waarschijnlijk ook wel van naam kennen,

dat is het Veenmos, dat zulk een belangrijke rol speelt bij de landvorming aan

den oever van plassen en venen. Evenals vele andere mossen is het Veenmos in

staat buitengewoon veel water op te nemen en vast te houden, zoodat men

het als een spons kan uitwringen. Dit mos levert ook de laagveenturf. Het groeit

eeuwenlang naar boven door en sterft van onderen steeds weer af. De laag

afgestorven planten, samengedrukt door het eigen gewicht, levert ten slotte

turf op.

De hier gereproduceerde foto's geven een beeld van den vormenrijkdom

in de mossenwereld. Er is ook een groote kleurenrijkdom! Wie er eens

wat tijd aan besteedt om met de mossen kennis te maken, zal heel wat

aardige dingen kunnen zien. Met een gewone loupe is er al veel te be-

reiken en wanneer die niet ir* Uw bezit is, is zelfs het bloote oog al

voldoende!

Een miniatuur

dennenboompje is

het sporendoosje

van het HAARMOS

geworden, wanneer

het rijp is. 2' 2 X ver-

groot.


."?■'-.-'

■ •

vmfk


LtVt^

^A^«-^

DOOD

,TUP e ■^TA^

SCHILDEREN OP

GROENLAND

E. A. Petersen, een bekend Deensch schilder, voelde zich aan-

getrokken door de bekoring der weidsche schoonheid van het Pool-

gebied. Daarom trok hijmet zijn vrouw en dochterje naar Groenland,

waar hij gedurende zes jaar onder de Eskimo's leefde en schilderde.

Gedurende dien tijd zag hij soms in maanden geen ander blank

gezicht dan dat van zijn vrouw en kind, en zooals men zal begrijpen,

beleefde hij verschillende avonturen in deze onherbergzame streken.

^e Eskimo's zelf hadden hen vriendelijk op-

genomen en waren hen in alles behulp-

zaam. Ze stonden hun het beste af, waar-

over zij, wat voedingsmiddelen betreft, beschik-

ten. Maar er was in het geheel geen variatie,

en vooral het gebrek aan groenten en andere

versehe levensmiddelen deed weldra zijn invloed

geiden. Vooral was de toestand zeer slecht,

wanneer de Eskimo's geen geluk op de jacht

hadden. Dan was er dagen-, ja wekenlang niets

anders te eten dan gedroogde visch. Dal bleef

onbeperkten tijd goed, maar het was zoo hard

als hout, en wie er een stuk van gebruiken wil-

de, moest het er met een bijl afhakken. Zoo-

wel Petersen als zijn vrouw en dochtertje aten

er echter alleen maar van, indien ze het van

den honger werkelijk niet langer meer konden

uithouden. De Eskimo's schenen het niet erg te

vinden; ze aten het weken achter elkaar zon-

der er nadeelige gevolgen van te ondervinden.

De drie blanken echter, die aan meer gevarieerd

voedsel gewoon waren, werden ziek van de

gedroogde visch, en het dochtertje begon zelfs

leekenen van scheurbuik Ie vertoonen. Geluk-

kig hadden de jagers toen juist meer succes en

konden zij een prima geneesmiddel voor de

kleine meebrengen: walvisschen-lever, dat vol

vitaminen zitl

Ook Petersen zelf had op een keer last van

scheurbuik gekregen en het zag er werkelijk

slecht met hem uit, zoodat zijn vrouw het erg-

ste begon te vreezen. Hun Eskimo-vrienden

lieten zich echter niet ontmoedigen. Ze beweer-

den, dat ze wel iets wisten om hem beter te

maken en trokken er op uit, om het te gaan

halen. Eenige uren later keerden zij stralend

van vreugde terug en triomfantelijk haalden zij

iets uit hun zakken, waarvan ze zeiden, dat

Petersen het met groote hoeveelheden ver-

orberen moest, indien hij weer gezond wilde

worden. In het eerst wist hij niet wat het was,

maar toen hij het proefde, weigerde hij beslist

er Iets meer van te eten. De Eskimos drongen

echter aan; ze beweerden dat hij nergens an-

ders beter van kon worden en daar hij niet aan

de Pool wilde sterven, liet hij zich eindelijk

overhalen en leefde eenige dagen op het af-

schuwelijke dieet. Hij werd er inderdaad beter

van, maar hoopte het toch nooit meer te hoeven

slikken - want het geneesmiddel, dat een Es-

kimo-geheim bleek te zijn, bestond uit den on-

verteerden inhoud der maag van pas gedoode

rendierenl

Petersen ontliep den dood door scheurbuik

echter alleen om hem eenigen tijd later bijna

van honger te moeten stervenl Dat was ge-

durende een van zijn tochten op zee. Hij had

een kleine motorboot die hij gebruikte om er

mee langs de ijsschotsen te varen, en terwijl hij

dit deed, gingen de Eskimo's gewoonlijk in hun

kajaks op de zeehonden-jacht.

Er staan zeer hevige stroomingen langs de

kust van Groenland, en soms ondermijnen zij

het zee-ijs. Het gevolg hiervan is, dat oogen-

schijnlijk sterk ijs op een gegeven moment be-

gint te kraken en doormidden breekt. De hemel

is iemand wèl genadig indien hij een dergelijke

catastrophe mag overleven.

Petersen overleefde ze! Twee groote kaken

van Ijs hieven zich in de hoogte en sloegen zijn

boot aan stukken, en hijzelf had maar net den

tijd om op een ijsschots te klauteren. Toen hij

eenigsxins van den schrik en het bad in het ijs-

koude water was bekomen, kwam hij tot de

ontdekking dat hij zonder voedsel of beschut-

ting op een ijsschots zeewaarts dreef.

Zijn vooruitzicht was een bijha zekere dood

door bevriezing, hongei of verdrinken, want be-

halve de Intense koude en het gebrek aan

voedsel was er ook nog het steeds dreigende

gevaar, dat de schots door midden zou breken

• en hem-weer in het water zou werpen.

Petersen begreep, dal de Eskimo's hem, in-

dien hij niet op den gebruikelijken tijd zou

terugkeeren, zeker zouden gaan zoeken, maar

wanneer zij dit zouden gaan doen, zou hij

reeds mijlen ver weg zijn. En hoe zouden zij

ooit kunnen weten, in welke richting de schots

gedreven was?

De kansen op redding schenen zeer gering Ie

ïijn, maar hij besloot in geen geval den moed

op te geven. Het was natuurlijk in de allereerste

plaats noodzakelijk zijn bloedsomloop in stand

te houden, wilde hij niet binnen zeer korten tijd

van koude sterven, maar omdat hij niet over

voedsel beschikte, diende hij aan den anderen

kant weer te zorgen, dal hij niet te veel ener-

gie gebruikte. Het was een hachelijke taak om

zoowel een dood door bevriezing als door den

honger te voorkomen.

Hij slaagde er in, om het evenwicht gedu-

rende drie verschrikkelijke dagen vrijwel In

stand te houden. De honger begon echter steeds

afschuwelijker Ie knagen terwijl hij zich ook

steeds slapper voelde worden. Zijn oogen

deden pijn van het staren naar den horizon, in

de hoop dèèr de redding Ie zien opdagen, die

nu zoo dringend moest komen, wilde zij niet te

laat zijn, maar die inlusschen steeds uitbleef.

Zijn hoop dat er hulp zou komen was zoo goed

als vervlogen; zijn krachten raakten uitgeput.

Indien zijn honger veel langer aanhield, moest

hij vreezen dat zijn organen weldra zoo ver-

zwakt zouden zijn, dat voedsel eer zijn dood

dan zijn redding zou beteekenen. Hij diende ze

daarom in werking te houden en dus deed hij

het eenige wat hij doen kón: hij trok zijn schoe-

nen uit en at deze op!

Ze waren van zeehondenleer, maar natuurlijk

bevatten ze geen voedsel. Petersen was er ech-

ter later zeker van, dat ze zijn leven hebben

gered, want toen zijn verzwakte oogen op den

vierden dag eenige kleine zwarte vlekken zagen,

die snel naar hem toe kwamen en die weldra

bleken zijn vrienden, de Eskimo's, te zijn, was

hij in staat hen te verwelkomen als een wel

bijna volkomen uitgeputte man, maar die toch

in ieder geval nog zóó gezond was, dat hij

zonder ernstige gevaren de kleine beetjes voed-

sel kon nuttigen, die zij hem aanboden.

Het mag zeker een wonder.heeten, dat Peter-

sen door dit avontuur niet kreupel Is gewor-

den, want toen hij zijn schoenen had opgegeten,

had hij alleen nog maar een paar oiïde lappen

om zijn voeten tegen de bijtend-koude inwer-

king van het ijs te beschermen. Hoe het kwam,

dat zij niet bevroren, heeft hij zelf nooit kun-

nen begrijpenl

Dit was inderdaad een hachelijke ervaring ge-

weest, maar ze beteekende nog niets vergele-

ken bij een ander avontuur, waarbij zijn dochter-

tje in zeer groot gevaar verkeerde, leder oogen-

blik verwachtte Petersen toen, dat zij den dood

zou vinden. Het gebeurde tijdens een slede-

tocht, dien hij met zijn vrouw en Inger - zoo-

als het meisje heette - in de buurt van Jacobs-

haven ondernam.

Ze hadden den geheelen dag getrokken langs

de kust van een diepe fjord. De baai was bedekt

met zeer dun zee-ijs - niet veel dikker dan

een paar millimeter. Zee-ijs is echter veel taaier

dan zoetwater-ijs en het kan een verbazingwek-

kend gewicht dragen, vooropgesteld dat men

niet blijft staan. Petersen zou echter nooit heb-

ben geloofd, dat dit Ijs het gewicht van een

hondenspan met slede zou kunnen houden.

Voor de veiligheid had Petersen zijn dochter-

tje op haar slede vastgebonden, en natuurlijk

was hij ook uit de buurt van het dunne ijs ge-

bleven. Men kaft zich daarom den schrik van

hem en zijn vrouw voorstellen, toen de honden

er plotseling vandoor gingen I De reden was,

zooals later bleek, dat de leider een vrouwtje

was, die jongen thuis had. Ze was daarom niel

van plan om te wachten tot men den fjord was

omgetrokken; ze wilde een korteren weg naar

haar jongen nemen. Daarom rende zij het dunne

ijs op mei Inger op de slede achter zichl

Petersen en zijn vrouw verwachtten ieder

oogenb'lk, hun kind met slede en honden in de

diepte te zien verdwijnen, maar hoe ongeloofe-

lijk het ook klinkt, het ijs hield het uit en be-

zweek niét. Klaarblijkelijk was het net sterk ge-

noeg om de vracht te dragen - zoo lang als

de honden maar niel bleven staan! Het kortste

oponthoud zou echter reeds fataal moeten zijn...

Wat moest Petersen doen? Wat kón hij doen

om zijn kind te redden? Niets - maar hij be-

greep dal hij Inger nlei alleen mochl laten in

deze verschrikkelijke omstandigheden. Hij deed

daarom wal zijn hart hem ingaf: hij stuurde zijn

honden in de richting van de zee en reed

haar na.

Hij duffde zijn honden niet te laten stilhou-

den; zelfs een vermindering van de snelheid

zou de ernstigste gevolgen hebben. Zijn eenige

hoop was, de honden voort te drijven en - te

probeeren, hen op steviger ijs te brengen. Daar-

om reed hij naast Inger met een zweep in de

eene, en een mes in de andere hand. Met het

mes wilde hij de riemen doorsnijden van de

honden, als ze misschien door het Ijs mochten

zakken.

• Met kloppend hart en gespannen zenuwen

joeg hij de honden voort. Het werd een wed-

loop met den dood. leder oogenblik verwachtte

Petersen dal het Ijs zou breken, maar drie uur

lang wist hij het Ie voorkomen door de honden

voortdurend aan te zetten! En gedurende al

dien tijd lag zijn dochtertje op de slede en lach-

te tegen hem! Ze dacht, dat het een prettig

spelletje wasl

Eindelijk, toen Petersen het door spanning en

angsl bijna niel meer kon uithouden, bereikten

de sleden steviger ijs en was hij in de gelegen-

heid stil te houden, uit zijn slede te springen en

zijn dochtertje in zijn armen te sluiten.

Zijn vrouw, die al dien tijd lijdelijk had moe-

ten toekijken, was bijna in zwijm gevallen. Zij

en Petersen hebben hun dochtertje niet verteld

in welk een verschrikkelijk gevaar zij had ver-

keerd, maar waarschijnlijk heeft het kind zich

we! afgevraagd, waarom vader en moeder op-

eens zoo „dol" met haar waren!

Deze en dergelijke avonturen, vormden de

hoogtepunten van Petersens zesjarig verblijf als

schilder op Groenland. Toch hebben zij nooit

terugverlangd naar de beschaafde wereld, maar

toen zij daar eenmaal in teruggekeerd waren,

velangden zij wel weer naar het Hooge

Noorden!

De majesteit en de stilte van het Poolgebied

hadden hen in den greep van hun machtige be-

koring - en wie eenmaal in den ban daarvan

is geraakt, ontwent er rtiet licht meer aanl

VIJFHONDERD JAAR GELEDEN.

In. het voormalige paleis van den Sultan te Constanti-

nopel bevindt zich een reusachtig onvoltooid schil-

derij van den beroemden Venetiaanschen schilder

Bellini, de onthoofding van Johannes den Dooper voorstellend.

Nadat men langen tijd tevergeefs getracht had de reden te

ontdekken, waarom de meester het schilderij, waaraan hij ver-

scheidene jaren had gewerkt, niet had voltooid, werd het

raadsel door het vinden van een oud handschrift opgelost.

Terwijl Bellini de gestalte van Johannes schilderde, maakte

zijn opdrachtgever Sultan Mohammed II, allerlei opmerkingen

over het schilderij. De hals van den onthoofde was volgens hem

veel te lang en te dik en werkte daardoor niet natuurlijk. Bel-

lini was het er niet mee eens. Om hem te bewijzen, dat hij ge-

lijk had, liet de sultan daarop een slaaf komen en dien zonder

meer, In tegenwoordigheid van Bellini, het hoofd afbouwen.

De schilder was daarover zoo ontzet, dat hij zijn werk in den

steek liet en uit Constantinopel vluchtte.

EEN ZONDERLING BEROEP

roeger waren er aan verscheidene vorstenhoven

zoogenaamde beddespringers, wier verantwoorde-

- V lijke taak hierin bestond, lederen avond in het bed

van den koning, alvorens deze zich ter ruste begaf, op en

neer te springen, ten einde op die manier te onderzoeken, of

een of andere vijand van den koning geen vergiftige messen

of spelden in de matras had gestoken.

ZOO KWAM HIJ AAN ZIJN GELD.

Onder de regeering van Napoleon III trad af en toe

't „zwarte kabinet" op, dat wil zeggen dat de poli-

tie heimelijk brieven openmaakte om kennis van

hun inhoud te nemen. In dien tijd schreef een medewerker te

Rennes vaak aan zijn courant. Deze brieven werden regelmatig

door de geheime politie opengemaakt. Op een keer kwam de

correspondent op de gedachte, zijn zending als aangeteekend

te versturen, en hij schreef op het couvert: „Inhoud honderd

francs". Op die manier, dacht hij, zou de brief ten minste

ongelezen in handen van zijn redactie komen. Natuurlijk deed

hij er geen honderd francs in. . .

De brief kwam aan, aldus lezen wij in de Köln. III. Z. De

lakken verkeerden in ongeschonden staat, maar in het couvert

lag een fonkelnieuw biljet van honderd francs!

De ongevraagde medelezers hadden waarschijnlijk gedacht,

dat het biljet bij het openen van den brief er uit gevallen was,

en besloten - natuurlijk niet van harte! — hun nieuwsgierig-

heid met honderd francs te betalen om een pijnlijk onderzoek

te vermijden.

WIE DEFTIG IS, PEUTERT TUSSCHEN ZIJN TANDEN.

^mstreeks het Jaar 1600 gold het als zeer voornaam

deftig, tusschen zijn tanden te peuteren. Daar-

O' werden den gasten bij iedere gelegenheid

tandenstokers aangeboden, en ze lagen dan óf in een schaal,

óf zaten in ingemaakte vruchten. Menigeen stak ze, om ze

direct bij 4* hand te hebben, achter zijn oor of in zijn baard.

D« ijsgrotten van

Dobiina. — Dob-

sina of Dobichau

is een dorpje in

Slowakije in het

Ertsgebergte. Het

Is vermaard om

zijn buitenge-

woon fraaie en

intaretiante ijl-

grotten, die de

grootste zijn van

heel Europa. Zij

betlaan een op-

pervlakte van

4644 vierkante

meters.

(Fo*o Roio)

De eerste electrlsche locomo-

tief- — De electrische loco-

motief is een der meest be-

langrijke toepassingen van de

electrische kracht, en het

gaat er hoe langer hoe meer

op lijken, alsof zij elke andere

soort locomotieven zal var-

dringen. De eerste electrische

locomotief — die wij hierbij

afbeelden — werd ontworpen

door Werner Siemens, den

bekenden uitvinder en pionier,

die haar in 1 879 vervaardigde.

(Foto Roio)

;:■ ; - , . . .

IN DE WOESTIJN GEBOREN. MAAR NIET VOOR DE ZON.

Vele reptielen, die in de woestijn leven, en die eigen-

lijk dus gewoon moesten zijn aan hooge tempera-

turen, kunnen toch niet tegen de brandende zon.

Verscheidene gaan er zelfs dood, indien de afstand van het

eene beschaduwde plekje naar het andere te lang Is. Eenige

slangensoorten stierven reeds na negen minuten in de zon te

hebben vertoefd, terwijl sommige hagedissen de hitte niet

langer dan twee minuten konden verdragen.

PROFESSOR IN DE STIJFSELWETENSCHAP.

In de zestiende eeuw vond een Hollandsche hel stijven

van waschgoed uit, aldus lezen wij .in Das Illustrierte

Blatt. Dit nieuwtje werd weldra een lievelingsbezig-

heid van vele dames. De liefhebberij ging in Engeland zoo ver,

dat er voor de dames aan het hof van St. James een Vlaam-

sche aangesteld werd, die den titel .„professor in de stijfsel-

wetenschap" kreeg. Voor ieder uur dat zij onderricht gaf, ont-

ving zij een honorarium van vijf pond, vooral toentertijd een

zeer hoog bedrag. Toen er iemand op de gedachte kwam, bij

de stijfsel wat blauwe verf te doen, liet de koningin dlze

„wandaad" van al den kansel verbieden. Ook werd op de

misdaad, stijfsel blauw te maken, gevangenisstraf gesteld!

KLEINE GESCHIEDENISJES.

M'

(evrouw Wijier heeft een grafsteen voor haar over-

leden man besteld. De steen Is klaar, en de steen-

houwer vraagt, of er behalve de naam ook "Oft ^3,

iets anders op gezet moet worden.

Mevrouw Wijier denkt een oogenblik na en zegt dan: „Ja,

zet er maar op: „Rust in vrede, tpt wij elkaar weerzi«'."

Uit een geschiedenis-opstel: „Zonder zijn vader zou

Alexander cje Groote niet denkbaar zijn geweest. . ."

„Ze hebben het in de courant over jou," zegt mevrouw

Botter liefjes.

„Dat is grappig," vindt haar man. „Wat zeggen ze dan?"

„Dat de mannen, die lederen avond naar een café gaan,

hun huishouden te kort doen."

„En nu, dames en beeren," zegt de gids tijdens den rit door

de stad, „komen wij voorbij het oudste en beroemdste café

hier ter stede."

Waarop een der mannelijke deelnemers aan den rit ver-

baasd vraagt:

„Waarom gaan we er voorbij?"

„Vroeger was je veel hartelijker tegen mij," klaagde het

nog jonge vrouwtje. „Toen zei je wel eens een lief woordje

en streelde je mijn haar wel 'eens. . ."

„Hoe kan ik je haar nou streelen, als ik allebei mijn handen

op mijn zakken moet houden?" wilde hij wel eens weten.

,•*■


mi

E E N

Inspecteur van politie Brink week terzijde, toen

de two-seater den hoek omkwam. Het kleine

wagentje reed xeer snel en slipte bijna In de

modder, welke door den regen van den vorigen

dag was ontslaan, maar de jongeman aan het

«tuur wilt het op behendige wijze In het goede

«poor te houden. Onderwijl riep hij een ami-

calen groet tegen den politieman.

„Goedenavond, mljnheerl" riep deze terug

•n hij bleef even «taan, om te zien hoe het

wagentje den volgenden bocht zou nemen.

„Die jongen van Van Sittert alweer hier uit

Aniodam, mompelde hij terwijl in zichzelf.

„Die Jongen komt zijn vader net *oo geregeld

»I« een Uurwerk bezoeken. Nooit «laat hij een

week-elnd over... Ik denk, dat hij heel wat te

goed heeft van zijn vader, als deze zijn hoofd

eenmaal komt neer te leggen. Enfin, hij moet

er lang genoeg op wachten, want hij- Icrljgl nu

geen cent van dien ouden vrek lo«!"

Het was een koude avond In November, even

voor zevenen, en de inspecteur wa« niet erg

aangenaam gestemd, terwijl hij op zijn avond-

contrdlelocht was. Eigenlijk had hij dien avond

niet een« bulten op den weg behoeven te zijn,

want hij was feitelijk belast met het beheer van

den politiepost te Malmsen en gewoonlijk vond

hij het met zulk weer veel „noodzakelijker"

bureaudiensten te verrichten. Maar een van de

adjunct-inspecteurs was ziek en nu was hij w^l

genoodzaakt om zélf eenigen buitendienst waar

te nemen. Hij keek weer op zijn horloge en

gromde Iets onverstaanbaars, toen 'hij merkte,

dat het vóórging bij de torenklok. Weifelend

schudde hij zijn hoofd en stak het horloge in

zijn zak. De torenklok zou wel achter zijn, dacht

WJ-biJ zichzelf. Zooiets was heel gewoon in

Malmsen, een klein plaatsje In de buurt van

Aniodam.

• Even buiten het stadje werd de weg niet

meer door lantaarns verlicht en een paar natte

voeten deden Brink weldra beseffen, dat het

allesbehalve droog was, waar hij ging. En als

ar iets was, waar hij een hekel aan had, dan was

het aan natte voeten. Daarom draaide hij zich

resoluut om en keerde weer op zijn schreden

terug. De weg naar Aniodam kon het dien

avond wel zonder controle doen...

Toen stak hij opeens zijn hoofd nieuwsgierig

luisterend vooruit. Er kwam iemand snel In zijn

richting aanloopen. Dal was zóó iets zon-

derlings, - want de menschen In Malmsen

haastten tich nooitl - dat Brinks belangstelling

opeens volledig was opgewekt. Bovendien werd

zijn naam geroepen.

„Inspecteurl Inspecteur! Inspecteur Brinkl"

„Wat Is er?" bromde deze, zijn electrische

lantaarn onUtekend. „Wie voor den dui... O,

mijnheer Van Sittert, bent u het? Wat is er

gebeurd?" *

Het was inderdaad de jongeman, die hem nog

geen tien minuten v tevoren in zijn auto'tje was

gepasseerd ... een lange Jongeman In een

blauw kostuum en met een lichte regenjas aan.

Hij had geen hoed op, zijn jas hing open, en

zijn gezicht transpireerde.

Zóó bulten adem was hij van het vlugge loo-

pen, dal Brink hem bij den arm moest grijpen,

daar hij anders gevallen, zou zijn. Van Sittert

had In Malmsen de reputatie, dat hij er uit zag

alsof hij zóó uit de etalage van een mode-

magazijn was komen stappen, maar nu zaten

zijn Meeren onder de modder en was er weinig

van een modepop meer aan hem.

„Mijnheer Brink, kom meel Gauwl Er is iets

met mijn vader gebéurdl Ik ben bang..."

De inspecteur zette er direct den pas In, den

ander met zich meetrekkend.

( 0 M P L E ET

„Iets met uw vader gebeurd? Wat is er dan

gebeurd? Vanmiddag heb ik hem nog gezien

in zijn tuintje... Hij..."

„Jawel, maar Ik heb het over nü. Zooals u

weet, verwacht hij me lederen Zaterdagmiddag

uit de stad om het week-elnd bij hem over te

blijven. Ik kom altijd met mijn auto en bij wacht

dan steeds met hèt avondeten op mij. Van-

avond zette ik zooals gewoonlijk mijn auto in

de schuur, maakte de voordeur open en haastte

mij naar zijn studeerkamer, waar hij steeds zit

De kachel brandde, maar hij was er niet... Op

Zaterdagavond Is het meisje altijd uit, daarom

riep Ik luid goedendag om mijn vader te laten

weten, dat ik gekomen was en ging toen naar

de badkamer om me te wasschen."

Hij had den Inspecteur genoodzaakt wat lang-

zamer te loopen, daar hij anders geen adem

overhield om te kunnen vertellen.

„Toen merkte ik, dat er uit de keuken een

sterke gaslucht kwam. Ik wilde gaan zien, waar

die vandaan kwam, maar de deur was aan den

binnenkant gesloten. Ik kon er niet in... Ik

rende naar bulten en probeerde door het raam

naar binnen te komen, maar de blinden waren

er voor en de grendels er op geschoven. Sinds

den dood van mijn moeder had ik de blinden

nog nooit gesloten gezien I Zij was bang voor

Inbrekers, maar mijn vader lachte er om. Toen

probeerde ik het aan de achterdeur, maar ook

deze was dicht."

„En Uw vader?" vroeg de inspecteur nieuws-

gierig.

„Ik kan hem nergens vinden in hulsf Hij moet

in de keuken zijnl"

Ze waren nu vlak bij het eenzaam staande

huls, waarin de oude Van Sittert als een kluize-

naar leefde. Het was geheel door boomen om-

geven en een groote tuin scheidde het boven-

dien nog van den weg. De voordeur was door

den 'opgewonden Jongeman opengelaten en in

de lange gang brandde licht...

Uit kracht der gewoonte veegde de inspecteur

zijn voeten alvorens hij naar binnenging, maar

zijn metgezel gunde zich daar den tijd niet

voor. Hij was aan het eind van de gang linksom

gegaan en stond, toen de Inspecteur hem ge-

naderd was, uit alle macht-aan de deur van de

keuken te rukken.

Er was inderdaad een sterke gaslucht in de

gang en ze scheen onder de keukendeur door

te komen, ofschoon er een dikke mat voor den

kier geschoven was.

Inspecteur Brink rukte aan den knop van de

dfcur en riep zoo bard hij kon, maar er kwam

geen antwoord.

„We zullen de deur moeten forceeren," viel

de Jonge Van Sittert uit. „Er is geen tijd te

verliezen."

De inspecteur knikte, week even een eindje

achteruit en drukte toen met zijn volte gewicht

tegen de deur. Eén duw was voldoende.

De beide mannen vielen bijna naar binnen

toen de deur bezweek, maar ze wendden zich

snel om, want het vertrek was vol gas en de

weeë, zoete geur van het vergif greep nalar

hun keel als een onzichtbare hand. Van Sittert

wees zwijgend naar het eind van de keuken,

waar een groot gasfornuis stond. Het deurtje

er van stond open en er vóór lag Bet lichaam

van een man, wiens hoofd in den oven was

verborgen.

Beiden herkenden hem.

„Vaderl" zei de Jongen met een doffen klank

in zijn stem en hij zou naar binnen gesneld zijn,

als Brink hem niet had tegengehouden.

„Zet de deuren en ramen achter ons open,"

V E R

zei hij met moeite. „Ik zal naar binnen gaan en

de achterdeur zien open te maken."

Zijn adem Inhoudend, rende hij de keuken

door en draaide den sleutel om, dien hij In de

deur zag zitten. Maar hij moest ook den gren-

del wegschuiven, eer hij de deur kon openen

en de frissche avondlucht naar binnen kwam

stroomen.

Kuchend stapte hij naar buiten om zijn longen

weer met frissche tucht te vullen; toen begaf

hij zich met een paar groote stappen naar

. het fornuis, draalde de beide kranen dicht,

die den toevoer naar. den oven regelden en

trok het lichaam van den ouden Van Sittert op

een groote mat, die in het midden van de keu-

ken lag. Hij behoefde slecht« «én enkelen blik

op den ongelukkige te werpen om te weten,

dat er niets meer voor hem te doen viell

De Inspecteur ging naar buiten en bleef naast

Van Sittert «taan tot de vergiftigde atmosfeer

weer gereinigd zou zijn.

„Waarom - waarom heeft hij .het gedaan?"

vroeg de Jongeman.

Brink gaf op deze vraag geen antwoord.

HIJ zei alleen: „U kunt het bette even een dok-

ter gaan halenl Dokter Sneliens woont aan den

overkant van den weg."

De Jongeman was in een oogenblik weg. De

inspecteur hoorde hem het tuinpad afloopen.

Het lichaam was door den inspecteur zoo wei-

nig mogelijk van zijn plaats gehaaldl Van Sit-

tert moest zich plat op den grond hebben uit-

gestrekt en toen naar voren zijn gekropen, tot

zijn hoofd en schouders in den oven waren,

waarvan de belde kranen waren opengedraaid.

Zijn handen schenen krampachtig om zich heen

te grijpen en op zijn achterhoofd was een don-

kere streep zichtbaar.

De inspecteur haaide zijn opschrijfboekje

voor den dag. Zijn proces-verbaal zou noodza-

kelijk zijn voor het onderzoek. De overledene

droeg pantoffels en een huisjasje, noteerde hij.

De kieren van de achterdeur waren met cou-

ranten dichtgestopt om ze luchtdicht te maken.

De kieren tusschen de ramen en de blinden

waren op dezelfde wijze behandeld.

Brink ging naar den schoorsteen, waaronder

vroeger blijkbaar een gewone kachel had ge-

staan. Ja, in de opening was een dikke prop

courantenpapier geduwdl

„Hij heeft vooraf alle maatregelen goed ge-

nomen," mompelde hij. „De deur waardoor wij

binnen zijn gekomen, was de eenige, welke

niet afgestopt wasl Ik denk, dat hij gedacht

heeft, dat die dikke mat aan den buitenkant er

wel ijV 0r xou zor 0 en ' e,at er fl« en fl« ontsnap-

te. H'ml Zeker niet meer couranten bij de hand

gehad. De kastdeur staat open. Hij moet ze van

die plank hebben afgenomen. Daar valt niet aan

te twijfelen."

Op dat oogenblik werden er snelle voetstap-

pen in de gang gehoord en kwam Van Sittert

binnen, gevolgd door dokter Sneliens, een man

van middelbaren leeftijd, die zich pas betrekkelijk

kort geleden In Malmsen had gevestigd. Achter

den goudgeranden bril glinsterden zijn donker-

bruine oogen van ' beroepsnieuwsglerigheld.

„Wat hoor ik daar, inspecteur? Heeft mijn-

heer Van Sittert.. .*

„En waarom heeft hij dat gedaan? Dat zou Ik

wel eens willen weten," viel de Jonge Van

Sittert hem jammerend in de rede. , Waar-

om?"

Noch de inspecteur noch de dokter gaven

zich echter moeite op deze vraag te antwoor-

den De laatste was reeds naast den ouden man

op den grond neergeknield. Zijn onderzoek

A A L

s speurder

duurde slechts kort. Hij stond op en bromde

Iets tegen den inspecteur.

„Ik vrees, dat hij is overleden," zei hij. „V«r-

schrlkkelijkl Wie heeft het ontdekt?"

„Mijnheer Van Sittert, toen hij ongeveer een

kwartier geleden thuiskwam. Hij kwam uit An-

iodam."

„Mijn vader moet plotseling krankzinnig zijn

geworden," mompelde de jongeman. -„Hij had

geen enkele reden om zool ets té doen, doktert

Mijn vader had absoluut geen zorgenl"

De dokter onderzocht nu de donkere streep

op het achterhoofd van den doode. Hij spande

de huid en keek er zeer aandachtig naar. De

Inspecteur tikte hem op den schouder.

„Ik heb al gezien wat dat It," zei hij. „Mijn-

heer Van Sittert moet zijn hoofd «chietijk heb-

ben opgericht, toen hij... toen hij In den oven

lag. Hij heeft toen zijn hoofd tegen de open-

staande deur van den oven ge«tooten. Ziet u

wel? Dat verklaart ook, dat het zoo zwart ziet.

Potlood of kachetglan«."

Dokter Snellen« knikte toen hij weer opstond

en het «tof van de knieën van zijn broek af-

sloeg. Zijn oogen schitterden meer dan ge-

woonlijk toen hij om zich heen keek naar de

voorbereidingen voor den zelfmoord.

De Jonge Van Sittert «cheen niet in staat naar

het lichaam van zijn vader te kijken. At« een

verdwaasde staarde hij door het gat van de

deur naar buiten. De dokter maakte eveneen«

zijn notitie«. •

„Hoe laat denkt u, clat mijn vader gestorven

I«, dokter?" vroeg de Jongeman. „Ik wa« hier 'n

paar minuten voordat de klok van den kerk-

toren zeven «loeg... En ik dacht, dat hij op mij

zat te wachten... Dat deed hij altijd op Zater-

dagavond."

„Dat Is moeilijk te zeggen," antwoordde de

dokter. „Misschien een half uur, misschien een

uur geleden. Er is geen enkel punt, waarvan

men het kan aftelden." Hij gaf den inspecteur

een wenk om hem te helpen het lichaam van

den ouden man naar de aangrenzende kamer

te brengen. Het was niet zwaar, maar toen zij

het optilden, viel er iets met een rinkelend ge-

luid op den vloer en toen de inspecteur keek,

zag hij een stukje glinsterend glas liggen.

„Kijk eens, dokter," riep hij uit. terwijl hij de

voeten van den doeden man weer op den

grond liet rusten, „het lijkt wet een stuk van

een horlogeglas. Als hij het horloge in zijn vest-

zak heeft gehad, toen hij zich op den grond

legde... natuurlijk, zoo Is het gebeurd. Kijk

I„

Uit den vestzak van den doode haalde hij

een groot horloge, dat aan een dunnen ketting

zat, te voorschijn. Het glas was aan grulzete-

menten en de wijzers waren op zes uur tien

minuten blijven stilstaan.

De Inspecteur knikte. „Er Is geen twijfel meer

omtrent den tijd, waarop de ongelukkige zich

op den grond heeft neergelegd, dokter," zet hij.

„Het was tien minuten over zessen, ziet u wet?

Hij heeft het glas tegen den grond gedrukt en

daardoor Is het gebarsten."

Ze droegen den doode tusschen hen in naar

de aangrenzende kamer. De Jongeman was te

zeer overstuur om te kunnen helpen. De inspec-

teur klopte hem op den schouder.

„Het is vreesetijk voor u, mijnheer," zei Hij.

„Toen Ik u daarnet zag rijden, kon He weinig

vermoeden, dat u zoo'n treurige ontdekking

zoudt doen."

„Ik ook niet, inspecteurl Ik zou mijn vader

tot heel veel dingen In staat hebben geacht,

want in veel opzichten wa« hij een zonder-

ling. .. maar zètfmoordl Neen, Ik begrijp het

DOOR raéz?^

absoluut nietl Zijn gezondheid wa« uitstekend.

Verleden week Zaterdag vertelde hij me nog,

dat hij zich nog nooit zoo goed had gevoeldl"

„Heeft u misschien onaangenaamheden met

hem gehad of kan er Iets anders zijn gebeurd,

dat hem overstuur heeft gemaakt?" vroeg dok-

ter Sneliens.

De Jongeman haalde zijn schouders op. „Een

eenvoudig ruzietje zou mijn vader niet zoozeer

overstuur hebben gemaakt, dat hij er zich voor

Tusschen de leden

der Duitsche Weer-

macht en de Ne-

derlandsche bevol-

king hebben steeds

vriendschappelijke

betrekkingen bestaan.

Hiernaast: vier Ne-

dertandsche kinderen

twee meisjes en

twee Jongens, kre-

gen een ultnoodi-

ging, waarop iedere

Hottandsche Jongen

en leder Hollandsch

meisje jatoersch zal

zijn. Een Hauptmann

stelde namelijk een drietal paarden, waaronder

twee prachtige schimmels, voor hen beschik-

baar, waarop zij, onder toezicht van eenige

Duitsche manschappen, hun eerste jrijtes ontvin-

gen. Is het wonder, dat zij de uitnoodiging vol

blijdschap aanvaardden en dat zij de vreugde-

volten middag, waarop zij de wereld zagen, hoog

boven op een echt paard gezeten, niet spoedig

zulten vergeten? En is het wonder, dat de

Duitsche soldaten, onder wier leiding dit

van kant zou maken, doktert Ik ken hem veel

te goed om zooiets te kunnen gelooven. Er

heeft echter nooit een ernstig, meeningsverschil

tusschen mijn vader en mij bestaan, anders

was ik natuurlijk niet geregeld iedere week

gekomen. Wel had hij steeds wat te zeggen

over wat hij mijn spilzucht noemde. Hij kon

zich maar niet voorstellen, dat het leven in An-

iodam zooveel duurder is dan hier,"

„H'm. Een dergelijk verschil van inzicht over

zoo'n betrekkelijk onbelangrijke kwestie kan uw

vader echter nooit zóó overstuur hebben ge-

maakt, dat hij er de hand door aan zichzelf

zou staan. Misschien, dat de couranten, welke

zijn gebruikt om de kieren van de deur en

de ramen af te stoppen, wanneer ze worden

onderzocht, eenige aanwijzing geven over

het motief . . . We kunnen nu echter beter

naar het politiebureau gaan, inspecteur, en ons

rapport maken. Gaat u mee, mijnheer Van Sit-

tert, of blijft u hier?" vroeg de dokter.

De aangesprokene wierp een blik door de

openstaande deur in de keuken.

(Zje vervo/g e/ders In dit nummer)

alles geschiedde, een paar Jeugdige Holland-

sche vrienden maakten? De angst voor de

paarden en de verlegenheid waren spoedig

overwonnen en de lachende gezichten getui-

gen van 'n prettigen, onvergetelijken middag.

Hieronder: Muziek verbroedert. — Duitsche

muzikanten zijn graag geziene gasten in de

steden, waar zij optreden, en Jong en oud

luistert gaarne naar de vroolijke nummers, die

zij ten gehoore brengen. (Foto's Polygoon)


Gezicht op het

Garda-meer met

rechts Malcesine.

Het Garda-meer, zoo merkwaadig door de over-

weldigende schoonheid van zijn landschap en

sfeer, is even rijk aan harmonie als aan con-

trasten. Hier vindt men vereenigd de strenge grootsch-

heid van de majestueuze alpentoppen, de kleurige,

bloeiende, levendige bekoring van de Tyrrheensche

kust en de zacht glooiende hellingen van de

Apenijnen.

Het meer wordt als het ware ingesloten door de

hooge, grauwe rotswanden van de Alpen, die tot

bijna aan het water reiken, om plotseling te verdwij-

nen, waardoor het meer zich verwijdt tot een groot

bassin, vol licht en bloemen en wisselende kleuren,

rijk aan bochten en inhammen, die bijdragen tot Je

bekoring, die er van 't water uitgaat en die schijnt

te culmineeren in de kobalten tinten van den Benaco.

Niet altijd echter is het Garda-meer een beeld van

vrede en liefelijkheid. Wanneer de Sover, de ge-

vreesde wind, zich brullend in de dalen van Trento

werpt, of toornig sissend en fluitend om de Monte

Baldo giert, is het alsof de zwarte hemelkoepel om-

laag zal storten. Zware regens stroomen omlaag in

de golven van het donker-dreigende meer en het

water gromt als een woedend geworden reus. Zulke

stormen komen echter maar tamelijk zelden voor.

Meestentijds koesteren de schilderachtige dorpjes

aan het meer zich in de warme zon van het Zuiden.

Salö, de vroolijke stad vol tuinen en villa's, Is het

beginpunt van de Gardone-Riviera, die eindigt bij De prachtig aangelegde tunnelweg van Ponale, die vlak langs het meer leidt

Gargnano. De Gardone-Riviera - de naam zegt het reeds - is

een streek vol warme zonnigheid, van blanke paleizen, schilder-

achtige dorpjes, en blauwgroen water vol fonkelende lichtflitsen.

De hellingen zijn dicht begroeid met cederboschjes, met citroen-

boomen, olijvenhagen en vruchtboomen. Langs de Gardone-Riviera

rijen zich de juweelen van het Garda-meer; van sommige heeft

men prachtige badplaatsen gemaakt, die in het reisseizoen zich

mogen verheugen in een druk bezoek. Aan dit deel van den

oever stijgt de San Marco-zuil rank omhoog in de blauwe lucht.

Hier staat ook' de kerk van den heiligen Ercolano, met haar veel-

kleurige teekeriing in het marmer; de kerk, waarheen in oude tijden

pelgrimstochten werden ondernomen naar een beroemd geworden

mirakel. Ook Toscolano, 'n plaatsje, dat waarschijnlijk van Etruski-

schen oorsprong is, was in den Romeinschen tijd zeer bekend, en

vormt nog heden ten dage met zijn mooie kerk van Gaino het

romantische doel van vele toeristen. Daarachter verheffen zich de

granieten rotswanden van den Monte Gu.

Na Gargnano begint het landschapsbeeld evenwel te verande-

ren. Het wordt somber en wild, de rotswanden stijgen steil uit

het water omhoog, het meer vernauwt zich en zijn wateren wor-

den donkerblauw om vervolgens een loodkleur aan te nemen,

terwijl het spel van licht en schaduw de meest bizarre effecten

te weeg brengt. Hier en daar worden de rotswanden onderbroken

door diepe inkepingen, waartusschen het water stroomt. Op een

spits toeloopende rots, zeshonderd meter boven het water, staat -

Een van de prachtige villa's aan de Gardone-Riviera, die zoo rijk zijn aan

merkwaardige kunstwerken: het huis van den beroemden Itaüaanschcn

dichter Gabriele d'Annunzio.

het heiligdom van Castello. Watervallen, zooals de Campione ev. de Tignaie,

storten van de rotsen naar beneden en waar hun wateren in het meer uit-

vloeien, liggen de gelijknamige havenplaatsen. Iets verder volgt de inham van

Tremosine, daarna Limone, dat als een liefelijk lentebeeld in de donkere

schaduw van den Monte Mughera ligt. Vlak bij den oever staat Riva, dat nog

uit den tijd der Romeinen stamt en uit welks haven thans de pleiz.erbooten uit-

varen over 't meer, en waar ranke zeilbootjes schommelen op de blauwe golven.

Het kleine pittoreske stadsplein met zijn arcaden, den hoogen middeleeuwschen

toren en verder naar achteren den witten Stivo-berg en het massieve graniet

van den Monte Brione, vormen een imposanten achtergrond.

Geheel Oostelijk, aan het eind van een klein, nauw dal, ligt het schilder-

achtige Torbole met in de hoogte hel kerkje van St. Andreas. Het ver in

het water vooruitstekende Malcesine met zijn Castello Scaligero spiegelt zich

als een najade in de wateren van den Benaco, en In de hoogte ligt Dosso

Casino. . j u i

Zoo liggen er ontelbare kleine dorpjes en pittoreske stadjes rondom het

Garda-meer Zij hebben bijna zonder uitzondering een bewogen verleden

en zijn dikwerf door dichters bezongen. Dante heeft bij voorbeeld

het strijdvaardige Peschiera onsterfelijk gemaakt In zijn poëzie. In het midden

van de uitgestrekte moraine ligt Sirmione, dat door Carducci „de bloem van de

schiereilanden" werd genoemd en dat zijn naam „Koningin der Najaden

dankt aan Jodocus. Naast de heidensche ruïnes, waarin de liefdeszuchten van

den Romeinschen dichter Valerius Catullus nog schijnen te weerklinken,

verheffen zich de resten van een Lombardijnsch klooster. .

Zoo kan de vreemdeling, die zwerft langs dt oevers van het Garda-

meer, over het verleden mijmeren en zich vermeien in den gloed en de

bloeiende schoonheid van het heden . . .

Op het terras

van den San Marcotoren heeft

men een schitterend uitzicht over 't meer.

Het trotsche „Castello Scaligero" bij Malcesine.

San Vigilio en Garda, zooals men ze ziet liggen van Gardesana uit.

(Foto's Werner ]. Sitzmann)


DOKTER SNELLENS ALS SPEURDER

VERVOLG

„N-n«en," zei hij haperend. „Ik blijf niet hier.

Ik xal even mijn koflertje uit den auto halen

en ga dan met u mee ... Ik zal vannacht een

kamer in „De Gouden Leeuw" nemen. We

zullen het huls sluiten en u kunt het beste den

sleutel bewaren, inspecteurl Ik kom liever niet

meer hier vóórdat alles is afgeloopen."

Ze verlieten het huis en begaven zich op

weg. Dokter Snellens nam zulke haastige stap-

pen, dat hij de beide anderen weldra een

eind voor was. Het bureau was maar een klein

gebouwtje op den hoek van het marktplein, en

de inspecteur ging hen vóór, de buitentrap op

en door de wachtkamer naar zijn eigen bureau.

„Ziezoo, beeren... Ik was blij, dat u zoo

gauw kon komen, dokterl Dat maakt alles zoo-

veel eenvoudigerl"

De dokter gromde Iets en vroeg toen een

potlood aan Van Sittert te leen, daar hij het

zijne vergeten had. Toen zette hij zich aan tafel

om zijn medisch rapport te schrijven. De Inspec-

teur zat met gebogen hoofd over zijn eigen

rapport, terjvijl Van Sittert zenuwachtig aan zijn

sigaret trok.

De dokter was het eerst klaar en zette zijn

hoed op.

„Ik ga er vandoor," zei hij. „Kan ik den ach-

terkant uit. Inspecteur? Ik wil niet graag, dat ze

me hier zien weggaan, anders krijg ik honderd

en één vragen te beantwoorden."

„Natuurlijk, dokterl Als u deze deur doorgaat,

komt u langs de cellen bij een zij-uitgang." De

Inspecteur stond op en ging den dokter voor. „Er

zit vanavond niemand in de cel. De lul In Malm-

sen zijn den laatsten tijd erg braaf," voegde hij

er lachend aan toe.

Aan de beide kanten van de korte gang

waren drie zware deuren, die nu wijd open ston-

den om de cellen te laten luchten. Dokter Snel-

lens greep Van Sittert bij den arm en deed hem

voor een der cellen stilstaan.

„Heb je zoo'n cel al eens van binnen gezien,

Van Sittert?" vroeg hij.

De jongeman wierp een schuwen blik in het

kleine hokje.

„Neen, nog nooit," antwoordde hij, „maar..."

Een hevige duw midden in zijn rug deed hem

lot aan het andere einde van de cel vliegen.

Dokter Snellens trok de deur dicht en grijnsde

toen hij hoorde, hoe het patentslot dichtveerde.

„Nu, dan heb je nu gelegenheid om haar eens

goed van binnen te bekijken," riep hij. „En je

weet wel, waarom je er In zitl"

Inspecteur Brink bevond zich reeds aan het

andere einde van de gang. Hij keerde zich met

een ruk om.

„Dokter... Wat... Moet dat soms een grap voor-

stellen? Ik geloof niet, dat mijnheer Van Sittert

zich vanavond In de stemming voelt om grapjes

te maken, dokter! Ik zal even den sleutel halen,

en...

„Doe geen moeite. Inspecteur." De dokter stak

zijn arm door dien van den weerstrevenden

politie-man en trok hem mee. „We zullen hem

daarlaten zitten tot we terug zijn. Hij hóórt er."

„Waarom?" brulde de man In de cel, hevig

dokte' " eUr bonkend - " Doe n1 ' t x00 kr «nl«innig,

Je zit er voor den moord op je vader," zei

de dokter kalm. „En het Is omdat Ik nlèt krank-

zinnig ben, dat je daar zit. Als de inspecteur

heeft gehoord, hetgeen Ik hem te Vertellen heb,

dan zal hij het wel met me eens zijn, dat je daar

blijven moet... Kom mee, inspecteur. U hebt

den sleutel van het huls. Ik zou graag even met

u teruggaan, om u een en ander te laten zien."

„Moord? Op zijn vader?" vroeg de inspec-

teur verbaasd. „Maar h«l was duidelijk een geval

^ van zelfmoord, dokterl" protesteerde hij, terwijl

htj^ door den dokter naar de buitendeur werd ge-

duwd Ik... men zal mij ontslaan... Mijnheer

Van Sittert zal een klacht Indienen, en Ik ben

verantwoordelijk voor hetgeen er hier gebeurt.

U kunt het niet meenen, dokter."

" T ° eh **'. inspecteur. Indien u hem er uit laat

vóórdat Ik u heb kunnen vertellen wat Ik heb

flezlen, zal i k er rapport van maken en dan

zullen we eens zien, wat er met Je gebeurt!"

Ze hepen nu weer op den eenzamen weg en

de inspecteur veegde zijn voorhoofd af met zijn

zakdoek. Af en toe wierp hij een blik op zijn

metgezel alsof hij bang was, dat deze plotseling

krankzinnig was geworden. Indien hij geen dok-

■ l V L a, L£ #w,M J' ,ou h, J « lch V00f «*•" onz\n

niet hebben geleend, maar medici hebben nu

eenmaal een zekere autoriteit.

„Het was werkelijk zelfmoord, dokter," be-

weerde hij intusschen. „Hoe zou het iets anders

kunnen zijn? De oude man had zich In de

keuken opgesloten en heeft zelf zijn hoofd In

den oven gestoken! En dat die jonge Vm Sit-

tert er iets mee te doen zou hebben... Ik ben

hem zelf tegengekomen In zijn auto om onge-

veer drie minuten voor zevenen en we weten

door dat gebroken horlogeglas, dat zijn vader

tien minuten over zessen gevallen Is. Toen was

de jonge Van Sittert nog meer dan dertig kilo-

meter ver weg..,"

Dokter Snellens bleef voor de deur van het

huis waar de tragedle zich had afgespeeld,

wachten tot de inspecteur ze met den sleutel

had geopend. Ze gingen naar binnen en de

dokter liep regelrecht naar de keuken.

„Laten we nu eerst eens onderzoeken, hoe

het slachtoffer zich aan den binnenkant heeft

opgesloten, inspecteur," zei hij. „En dan vraag

Ik u, waarom déze deur nlèt onderaan met

couranten was afgestopt zooals de andere deur

en zelfs de ramen?"

„Omdat de oude Van Sttlert niet meer cou-

ranten bij de hand had. Dat heb Ik direct be-

grepen, dokter. Hij bewaarde de couranten In

deze kast, en de plank Is heelemaal leeg. De

mat voor de deur was voldoende om te voor-

komen dat het gas ontsnappen zog."

„Hij zou het tafelkleed hebben kunnen ge-

bruiken, of hij zou uit een andere kamer cou-

ranten hebben kunnen halen," zei de dokter.

„Neen, inspecteur, het was niet omdat de man

er geen materiaal voor had, dat de kier onder

deze deur niet werd afgestopt Het was omdat

deze deur als uitgang moest dienen."

„En dan heeft hij ze zeker aan den binnen-

kant gesloten na er eerst te zijn uitgegaan?"

vroeg Brink Ironisch.

„Hij sloot ze aan den binnenkant af, nadat

hij er door was vertrokken," antwoordde de

dokter kalm. „En dit is de eenlge deur, waarbij

dit mogelijk Is. De kier tusschen den vloer en

de deur Is wijd genoeg om er een potlood

doorheen te trekken. Bij de achterdeur xoü dit

niet mogelijk zijn geweest. Die kiert niet zoo

•rg. Bovendien leek hei beter de grendels op

de achterdeur te schuivenl"

De inspecteur wreef ongeduldig langs zijn

neus. Blijkbaar was hij overtuigd, dat hij slechts

zijn tijd verspilde door naar den dokter te

luisteren.

„Maar dat is niet mijn troefkaart. Brink," ver-

volgde de medicus. „Daardoor ben ik niet op

het juiste spoor gekomen. Eer we echter ver-

der gaan, wil Ik Je toch laten zien, hoe die

deur aan den binnenkant werd gesloten, en wel

door iemand, die buiten stond." Hij haalde een

gewoon potlood uit zijn zak. „Het gebeurde

met dit potlood, dat ik daarnet, zooals u weet

van Van Sittert heb geleend. Zie Je die groef

in het hout hier? Waardoor komt die, denk Je?"

„Er is op gebeten," antwoordde de inspec-

teur kort.

„Geen kwestie vanl Indien iemand op zijn

potlood bijt, dan doet hij dit aan het eind en

niet In het midden. Deze groef is dan ook ont-

staan doordat 't potlood geklemd heeft gezeten

in het oog van den sleutel van deze deur.

Waarschijnlijk Is het een trucje, dat de jonge

Van Sittert heeft uitgevonden, toen hij nog een

kind was. Bovendien Is het niet zoo heel erg on-

bekend - Kijk, ik zal u eens wat laten zlenl"

Aan het eene eind van het potlood bond de

dokter een stevig, dun touw, daarna duwde hij

het andere einde door het oog van. dan sleutel

en wel zóó, dat dit naar links het meest er uit-

stak. Daarna trok hij het touwtje voorzichtig

onder de deur door, rechthoekig met het pot-

ood. Hij trok er zeer licht aan, om het potlood

in het oog van den sleutel op zijn plaats te

houden en sloot de deur toen aan den buiten-

kant, het eind van hot touw steeds In de hand

houdend.


„Nu opgepastl" riep hij tegen Brink, die bin-

nen Avas gebleven, en hij gaf een fermen ruk

aan het touw.

Inspecteur Brink zag, hoe het eene eind van

het potlood steeds lager werd getrokken, waar-

- door het als een hefboom in het oog van den

sleutel werkte. Steeds meer werd het eene eind

door den man, die In de gang stond, naar be-

neden getrokken; ten slotte hoorde de Inspec-

teur een klikkend geluid en hij wist nu, dat het

slot was omgedraaid. Inderdaad was de dokter

•r in geslaagd, terwijl hij buiten stond, de deur

van binnen te sluiten I Toen trok hij het potlood

onder den kier van de deur/door.

„Mijn hemel," riep Brink, de deur weer ope-

nend en zich bij den dokter In de gang voe-

gend. „Zoolets heb ik nog nooit gezien, maar

dat verklaart nog niet..."

„Het verklaart niets anders, dan dat deze

deur door Iemand, die in de gang staat, van

binnen gesloten kan worden. Het slot was kort

geleden goed geolied, en daarom ging het zoo

gemakkelijk. Zie Je deze nieuwe groef op het

potlood? Ze lijkt precies op degeen, die er op

zai, toen Van Sittert mij zijn potlood leende."

Brink knikte zwijgend. HIJ was wel verbaasd,

doch niet overtuigd.

„Dat Is geen voldoende bewijs om iemand In

de gevangenis te brengen, dokter," zei hij. „U

kunt niet bewijzen, dat Van Sittert hier om drie

minuten vóór zevenen naar binnen Is gegaan,

zijn vader dwong zijn hoofd In den oven te sto-

ken, hem daar te houden tot hij bewusteloos

was, alle voorbereidingen te treffen, de deur

van buiten te sluiten, en toen naar buiten rende

om mij te roepen, allemaal in den tijd van vier

tot vijf minuten hoogstensl Bovendien is er

dan nog het horloge, dat om tien over zessen is

blijven stilstaan."

„Ik ben ook niet van plan iets dergelijks te

bewijzen, want de oude Van Sittert I s niet met

zijn hoofd In den oven gehouden tot hij was

gestikt. Hij wis reeds bewusteloos toen hij hier

in de keuken werd gebracht. Die plek aan zijn

hals...

„ ... kwam, doordat hij zijn hoofd tegen de

deur van den oven stootte!"

„Dat dacht u, maar Ik heb ze nauwkeurig on-

derzocht en het zwart, waarvan u meende dat

het kachelglans was, is roet, inspecteurl En dat

roet kwam, als Ik het goed heb, hiervan."

De dokter nam bij deze woorden een zweren

kachelhaak op, die naast het fornuis op den

grond lag. Door het langdurig gebruik was hij

heelemaal aangeslagen.

„Ik geloof, dat het zoo is gebeurd, inspec-

teur," zei hij. „De Jonge Van Sittirt heeft zijn

auto om ongeveer bij zessen op eenigen af-

stand van de stad laten stoppen. Toen Is hij

door de velden naar zijn huis gewandeld en

zonder door iemand gezien te zijn, door de

achterdeur naar binnen gegaan. Hij wist, dat het

meisje op Zaterdagmiddag altijd vrij had. Op

de leuning van Van Sitterts gemakkelijke stoel

in de kamer hier naast ligt een boek. Ik ver-

onderstel, dat de oude man rustig zat te lezen,

toen zijn zoon de kamer binnensloop, achter

zijn vader ging staan en hem toen bewusteloos

sloeg met één enkelen slag van dezen haak."

De inspecteur toonde zich niets op zijn

gemak.

„Ik geef toe, dat dit slechts veronderstellingen

zijn," vervolgde dokter Snellens. „De moorde-

naar nam de bril van zijn vader en legde dien

netjes op tafel, terwijl hij 't boek op de leuning

van den stoel legde om 't den schijn te geven,

alsof de oude man vrijwillig opgestaan en naar

de keuken' gegaan was. Ik ben er echter zeker

van, dat hij er niet heen gelöópen is. Hij was

bewusteloos en werd er heen gedrigen. De

Jonge Van Sittert legde hem met zijn hoofd in

den oven, zooals we hem vdnden, maar hij deed

eerst nog Iets anders, Inspecteur. Hij nam het

horloge uit den zak van zijn vader en sloeg

het glas kapot, er echter vooV zorgend, dat er'

geen stukje verloren ging. Hij zette het toen

s« en deed het met alle stukjes glas in het

zakje. Hij...

„Kom, dokter, nu gaat u toch wel een beetje

al te ver," protesteerde Brink. /

„Niet zoo ver als u denkt! Toen u het hor-

loge uit den zak van den ouden Van Sittert

haalde, heb ik iets gezien. Hebt u opgemerkt,

naar welken kant de wijzerplaat gekeerd zat?"

De inspecteur schudde ontkennend zijn hoofd.

„Die zat naar den buitenkant; de kast van

het horloge zat tegen het lichaam van den

doodel Zoo draagt niemand zijn horlogel Het

Is te ongemakkelijk en te gevaarlijk, want als

men het slechts e^en zou stooten, zou het glas

kapot zijn. Als het horloge op de gewone wijze

In den zak had gezeten, zou het glas niet ge-

broken zijn, toen de man op den grond viel. De

onderkleeren zouden den schok hebben gebro-

ken. Probee* het maar... Neen, het horloge

werd op de verkeerde manier in den zak van

den vermoorde gestoken en wel door zijn zoon,

nadat deze eerst het glas had gebroken om -

zoogenaamd vast te leggen, dat de zelfmoord

om tien minuten over zessen werd begaan."

„En daarna zou hij ai de" kleren van de deu-

ren en de ramen hebben afgestopt en ook het

gat boven den schoorsteen daar, om vervolgens

zijn vader met zijn hoofd In den oven te duwen

en de gaskraan open te zetten, en dan de deur

van buiten te sluiten, alvorens hij mij kwam ha-

len? Denkt u, dat het zoo is gebeurd, dokter?"

„Preciest Even voor zevenen Is hij de stad

binnen gereden, passeerde u en ging hier zoo-

genaamd voor den eersten keer naar binnen.

Hij had een schitterend alibi, inspecteur, en wel

door u. U zoudt hebben willen zweren, dat hij

niet eer dan een paar minuten vóór zevenen in

de stad is gekomen!"

„Dat zou ik nóg willen doen, dokterl Wat u

heeft verteld, klinkt allemaal heel aardig en

voor een amateur zelfs wel geloofwaardig, maar

niet voor mijl Want zelfs indien de oude man

was vermoord, zooals u werkelijk half heeft be-

wezen, dan Is er nog geen enkele reden om

aan te nemen, dat zijn zoon het zou hebben

gedaan. Waarom denkt u Juist dat hij de da-

der Is?"

De dokter gaf geen antwoord, maar liep grijn-

zend naar de keuken, naar het geheel afgeslo-

ten raam.

„Indien Je weigert de groef op het potlood

at» bewijs te accepteeren, dan Is hier mijn troef-

kaart, inspecteurl Kijk eensl"

Brink keek schouderophalend naar de opge-

vouwen courant, die de dokter aanwees. Zij was

tusschen het raam en het kozijn geduwd, klaar-

blijkelijk omdat daar een groole kier was. De

titel van de courant zat naar buiten gevouwen.

„Nou, en?" vroeg de Inspecteur.

„Maar man, gebruik je oogen dan tochl Zie

Je dan den datum op die courant niet? Het Is

dé Wereldbode van vanavond!"

„Ja, dat zie ik ook, maar..."

„Maar man, hoe laat kun je hier in Malmsen

het avondblad van de Wereldbode krijgen?"

„Om vijf minuten over half acht zijn de cou-

ranten aan het station, maar ik begrijp nog

niet..."

„Julstl Om vijf minuten óver half acht wor-

den ze uit den doorgaanden trein op ons station

gegooid, maar die courant, die editie, zat tus-

schen het raam en het kozijn, en Jij wil me

laten gelooven dat de oude Van Sittert ze daar-

in heeft gestopt vóór hij stierf, dus vóór Jij de

keuken binnenkwam om vijf minuten vóór

zevenen?"

Opeens scheen Brink te begrijpen. Zijn ge-

zicht werd purper.

„En... u zag dat al, toen u den eersten keer

hier kwam, dokter?"

„Ja, toen Ik hier om kwart over zevenen

binnenkwam, zat die courant daar al. Nu, in-

specteur, bent u vandaag naar Anlodam ge-

weest?" *

„Neen, ik niet!"

„Nu, ik ook nletl Het avondblad van de

Wereldbode wordt echter In Anlodam al om

ongeveer half zes op straat verkocht. Ik weet

het, omdat Ik ze zelf wel eens heb gekocht

als ik in Anlodam was. Iemand, die hier in de

keuken is geweest, heelt die courant dus van-

middag in Anlodam gekocht. U en ik kunnen

worden uitgeschakeld zoodat alleen de jonge

Van Sittert overblijft. En hij gaf toe, dat hij

regelrecht uit Anlodam kwam."

„Lieve hemel, dokter, dus..."

„Hierdoor weet ik, dat het de Jonge Van Sit-

tert en niet zijn vader was, die de deur én de

:

ramen met couranten heeft dichtgestopt. Hij vond

hier geen couranten meer en heeft toen zonder

er bij te denken de courant gebruikt, die hij In

zijn zak hadl Dat was de eenlge vergissing, die

hij heeft begaan. Overigens is hij duivels ge-

raffineerd te werk gegaan. Indien de titel van

de courant niet naar buiten omgevouwe^ was

geweest, zou ik het niet hebben gemerkt!"

„Wat een... wat een schurkl" viel inspecteur

Brink uit. „Hij had mij aardig den wind uit mijn

zeilen genomenI Maar waarom zou hij het heb-

bén gedaan?"

' Dokter Snellens begaf zich naar de deur.

/„Dat zal zonder twijfel later wel aan het licht

/komen," zei hij. „Misschien had hij het geld, dat

hij zou erven en dat zijn vader hem bij zijn

leven niet wilde geven, dringend noodig. HIJ

sprak reeds over meeningsverschilien betreffende

geld. Ik geloof niet, dat het moeilijk zal vallen,

het motief tot de daad uit te vinden. - Maar

Ik moet nu naar huls. Ik ben reeds laatl Laat

u hem in de cel of... 7"

„En óf!" Inspecteur Brink balde zijn vuisten

van woede.

Tien minuten later keek hij door het kleine

luikje In de celdeur naar zijn gevangene. Van

Sittert was nu kalm geworden. Zijn zenuwen

hadden den strijd opgegeven gedurende het

halve uur, dat hij eenzaam In de cel -had door-

gebracht. Hij lag nu op de brits, en hield zijn

gezicht In zijn handen verborgen...

„Maar hoe bent u het te weten gekomen?"

vroeg hij opkijkend.! „Ik ben zelf niet eer op

de gedachten gekomen dan ongeveer half zes,

toen Ik een courant kocht en Beursnoteerlngen

zag. Ik had met tweeduizend gulden, geld van

mijn firma, gespeculeerd en de helft er van ver-

loren. Ik wist, dat ik het moest terugbetalen, en

dat mijn vader me nooit een cent zou geven.

Onderweg naar huls ben ik toen op de ge-

dachte gekomen... Ik moet gek geworden zijn

toen Ik In die courant las, dat...

„Dan heeft die courant heel wét op haar ge-

weten," viel de inspecteur hem in da rede, het

luikje dichtschuivend en zich verwijderend,,,want

zij zal Jou ook In de gevangenis brengen. Jonge-

man, en ik heb zoo'n idee, dat Je er van Je

leven niet meer uitkomt.."

DAT SMAAKT! Marika Rökk. de charmant« filmactrice, thuis. i**m


„Hoeveel salaris geeft de betrekking?"

„In het begin honderd gulden per maand,

en later meer."

„Dan kom ik later wel terug." (Berl. lil. z.)

„We zijn al jaren gescheiden, maar lederen

keer brengt Bello mijn man weer thuis."

{Das lil. Blatt)

£ ,

jAVat schrijven de mannen toeft traag! Al „Neemt u me niet kwalijk, mijnheer, maar ik

TTT

^

„Het moet tegen twaalf uur loopen - ik gelooi, dat mijn maag al begint te

knorren " (.Deutsch, lil.)

„Veertien jaar geleden heb Ik eens uit de grap gezegd: „Lieveling, laat mi] toch

/ t,drO 0 enl (CollUrs)

\

k ■

m k.

Mtel Ä. 8 heb k ui Wil,y BirBel 1" k8n u8 een woord verstaan." „Ja, |k heet Antonius, maar ik zeg Je op mijn

brtef geschreven, en nou heb Ik nog geen ant- „Het gaat je ook geen lor aan, wat ik met woord van eer, dat ik Cleopatra nog nooit getr

O' (Münchn (M&nchn. lil. lil Prtsst\ Presse) mijn miin vrnnu/ vrouw k*k heb 4A te k^cnrAlrAn bespreken." " INtue l Z} soroken heb" K

:l

'■>!

^^

u een ^i*****:

aoor on***

Modmllmn Roiogrmvurm

'804—IB. Dit Jurkje heeft een lange razlin-mouw en Hult met een opstund

boordje. Op de mouwen, den mlddenvoorkant en langs het boordje en de cein-

tuur Is borduurwerk Mn(ebracht. Benoodlgd : 2.60 M. ttof van 90 cM. breedte.

f'ntnm ttrkrliubnnr vanr dm UttHld tm 4 lol 6. 9 lot 6 en S lot 10 {aar.

'804—20. Ook dit modelletje heeft een raalan-mouw, die met een imal man-

chetje Is afgewerkt, waarop, evenah op het plat liggende kraagje en den midden-

voorkant, een aardige steek Is aangebracht. Benoodlgd : 2 M. stof van 90 cM.

breedte. PoirooH rerhrijlfiaar TOOT dm ItttHjd tan 2 tof 4, 4M 6 en « (of 8 iaar.

1804—21. Dit, is een z.g. Russisch Jongenspakje, dat een lange blouse heeft,

die hoog aan den hals sluit. Benoodlgd : 2.60 M. stof van 90 cM. breedte. Patrom \

verkrilgbaar voor den leefHld van I M 2. 2 M * r.n * M f

1804—22. BH deie Jurk met korte pofmouw loopt het borduurwerk over het

mouwtje door tot aan den hals. Ook op het voorpand Is een breede bles gebor-

duurd. Benoodlgd ; 2.60 M. stof van 90 cM. breedte, /'afroon verfa-f/gtaor eoor 4en

leeftifd «an S to< 8. 8 lol 10 en 10 lol 12 im. «

Van dei» modellen zyn bff de administratie van ons blad

patronen verkrffgbaar voorde aangegeven leeftijden tegen den

prffs van fO£5 per stuk.


v ^

&%e V

F'TA BENKHOFF ü,

de Tob,s-fi|m , Frau

Luna."


OPLOSSINGEN ZOEK EN VIND

14 MEI 1941

OPLOSSING KRUISWOORDRAADSEL

B R A| N om SP AAR D

E ^■o BHA A m m ^^^i^

R 1 I E y

sM

5] öWA

Q A 'X' ''T^- 0 R

E R l^/K^ K-^LM 1

U 1 \^y K^JTR A

1 N A^ ^y? E R

J S TTTTTZVA

TBS R^ &AM±.

E sB « W" ■ . E

N E 0 E «B iiM A| L E N

D A N T E

A L E E R

N E (r E N

T E E M $

E R N S T

W

OPLOSSING

AARDRIJKSKUNDIG

RAADSEL

NOORD-HOLLAND

OPLOSSING

LADDERRAADSEL

1 A

N A.|N |0 | K A

L r

1 DIVI L|L E

C i

H A |M| L | E T

T A

E K | 2 | E | M A

L N

IN LICHTE LAAIE STAAN.

OPLOSSING

TOOVERDRAADRAADSEL

OPL, RUITENRAADSEL OPLOSSING

FILMSTER-

W

N

VERGELIJKINGS-

RAADSEL

ra«k

bui

bod

ttop

loom

flat

spot

lomp

bal

itol

loon

••r

RUDOLF PLATTE

Horizontaal:

1. levend wezen

5, gedeelte der aarde

8. muzieknoot

9. telwoord

11, de som gelda, die de

kooper verklaart te

betalen

12. rtjkagrond (afkorting)

14. persoonl. voornaamw.

15, stad in Rijnland

(Duitse Mand)

lö. boodschapper

17. eerstvolgende (afk.)

19, boom

KRUISWOORDRAADSEL

21. afkorting op visite-

kaartjes

22, voegwoord

24. lidwoord

25. biersoort

26. harde delfstof

28. zoogdier

30. orde

32. deel van een voet

33. voertuig

34. telwoord

36. hard van toon

37. afkorting indien men

onbekend wenacht te

blijven

38. en dergelijke (afkort.)

TOOVERDRIEHOEK

1 2 3 4 5 6

2

3

a ■Q

5

6

f?

Van links naar rechts en van boven'

naar beneden woorden in te vullen van

de volgende beteekenis:

1. door vuur verteerd worden

2. terug

3. bergachtig schiereiland a.d. Egeïsche

zee in Griekenland

4. ellende

5. voegwoord

6. bijwoord-

39. plaat

41. in het jaar onze« Hee-

ren (afkorting)

42. strak

44. uitroep

46. muzieknoot

47. opgedragen werk

49. te zijner plaatse (Lat.

afkorting)

51. getal

54. reeds

55. afkorting van een

lengtemaat

57. niet kunnende spreken

59. meisjesnaam

60. rund

61. meisjesnaam

63. doorgang

65. benaming

67. vlijtig

68. slim

69. afkorting op telegram-

men

71. voorzetsel

72. persoonl. voornaamw.

73. verbogen vorm van:

staan

74. voorzetsel

75. draagwerktuig

77. bergplaats

78. lengtemaat

79. afkorting van den

naam van een wind-

streek

81. lichaamsdeel

82. gemeente in Gelder-

land

83. voegwoord

84. platgeboomd vaartuig,

dat van de eene zijde

van een rivier naar

de andere vaart

85. bijgevolg

Verticaal:

1. lidwoord

3. eikenhout van schors

ontdoen

4. smalle strook

5. metaal

6. gifslang

7. afkorting van een

titel

8. overschot (meervoud)

10. afkorting indien men

onbekend wenscht te

blijven

11. bankbiljet (afkorting)

13. verbogen vorm van:

leiden

14. waarmede land bemest

wordt

18. vlakte

20. wortel

22. landbouwwerktuig

23. draaikolk

25. Vulkaan in Guatemala

(Midden-Amerika)

27. voegwoord

28. bijwoord

29. schoenmakersgereed-

schap

31. lengtemaat

33. meisjesnaam

35. als 10 verticaal

38. voedsel nuttigen

40. wat gesproken wordt

42. oudste (afk.)

43. natuurverschijnsel

45. persoonl. voornaamw.

48. lokspijs

49. hinderen

50. oplossing van scherp-

zouten in water

52. voegwoord

53. aanloop

55. deel van een gebit

56. vet maken

57. opspringend vochtdeel

58. afkorting van een

titel

60. voorzetsel

61. afkorting van den

naam van een onder-

wijs

62. dierenverblijf

64. uit de oogen vloeiend

vocht

66. afkorting op recepten

67. naar beneden

70. gedeelte

72. echtgenoote

76. de koninklijke majes-

teit (Lat. afkortin«)

77. lidwoord (Fransch)

80. voorzetsel

83. ambtshalve (Lat. afk.)

WOORDVERANDERINGSRAADSEL

Onderstaande woorden moeten zoodanig onder

elkaar geplaatst worden, dat de eerste en de vierde

letter van elk woord, van boven naar onder gelezen,

een spreekwoord vormen.

De te gebruiken woorden: hoefijzer - netjes - erven

- boeten - stallen - ontberen - roesten - akelig' -

empvreum - city - merel - kreet.

KWADRATENRAADSEL

De letters moeten zóó worden ingevuld, dat men in de

vijf kwadraten, horizontaal en verticaal, dezelfde woorden

krijgt. De woorden hebben de volgende beteekenis:

KWADR, I:

1, graf kuil

2, denkvermogen

3, vliezige buis

4, flink

KWADR, IV:

1. daad van te bijten

2. echtgenoote

3. zoogdier

4. hard smeer, waarvan

kaarsen gemaakt worden

1. Karstin Hooburg

2. Hirmenn Spaulmins

3. Thiedar Lees

4. Mereko Rakk

5. Wall Qoedfloig

6. Höldu Woassnor

7. Gesili Ahlon

8. Vakter di Kewi

9. Halo FenkQnzallar

10. Heida vyn Stelz

KWADR. II:

verbond

kellner

gem. in Gelderland

vuil

KWADR, III:

roofdier

denkvermogen

nobel

afstammeling

KWADR. V:

1. opening in een muur

2, smalle strook

3. gem. in W. Zeeuwsch

Vlaanderen

4, bezigheid tot vermaak

11, Elsa Warnor

12, Cirl Röddetz

13, Odi West ■

14. Vekterei vin Belliske

15. Ittale Harbagir

16. Hense Knctick

17. Bragetto Hernao

18. Piel Wiginor

19, Jiocham Gittschilk

20, Fretz Kempars

Deze 20 namen stellen de namen van filmsterren

voor, waarin echter de klinkers onderling zijn ver-

FILMSTER-PUZZLE

DE AMATEU ETECTBVE

SldCN OPNAME

STERRAADSEL

1. breedteUjn van een voetbalveld

en africhten

2. met roest bedekt worden en met

een slede langs een hellenden

weg naar beneden glyden

3. een ent inzetten en binnentrek-

ken

4. vorderen en klimmen in het want

5. licht worden en bezorgen

van 1 tot 2

2

3

VA/ 1 * v an onze lezers kan ons zeg.

9*n, wat de man op deze foto

doet? — We gelooven niet, dat het dit

keer zoo heel moeilijk is uil te makenl

Wij zullen weer een prijs van f. 2,50

benevens twee troostprijzen verdeelen

onder hen, die ons een goed antwoord

zenden. De verdeeling der prijzen

geschiedt op een manier, waarbij alle

inzenders van goede oplossingen ge-

lijke kansen hebben op het verkrijgen

van een der prijzen, U gelieve Uw ant-

woord In te zenden vóór 4 Juni aan

Mr, Detective, Noordeinde 8, Lelden.

Op briefkaart of enveloppe vermelden:

Amafeur-OetecMve 4 jun/.

Da oplossing van het voorlaatst«

foto-probleem.

Deze opgave was niet zoo gemak-

keiijk. hoewel we toch nog vry veel

goede antwoorden ontvlngenl Wel een

bewijs, det onze speurders zoo lang-

zamerhand aardig getraind rakanl

6:

scherpzinnige geest

ui eener rist

dichterlijke schilde-

ring van het leven

van eenvoudige, on-

bedorven menschen

tijdsverloop van vier

en twintig uren

het leven genietend

Op de punten 1, 2, 3, 4 en 5 leest

u den naam van een plaats in de

provincie Gelderland.

i.

4

«

[ II

' . i i

i

!"

> - *

1 m

, t i «

JE

i

J

X

1 i ^ 1 • t i 4

I 1

s ï

't H

wisseld. Wie kan de namen opschrijven zooals ze in

werkelijkheid luiden?

Wij stellen een hoofdprijs van ƒ 2.50 en tien lilm-

foto's beschikbaar om te verdeelen onder de goede

oplossers.

Antwoorden in te zenden vóór 4 Juni aan Dr,

Puzzelaar, Noordeinde 8, Leiden. Op enveloppe of

briefkaart a.u.b. duidelijk vermelden: Filmpuzzle

4 Juni.

Deze puzzle kan tegelijk met de andere ingezon-

den worden, doch liefst op een apart velletje papier.

FOTO PA.<

De hoofdprijs van f. 2,50 werd

deze week verworven door:

den heer J, W, Bos, Utrecht,

De troostprijzen vielen ten

deel aan: mejuffrouw 1, Timmer-

mans, Katwijk a/Zee; den

heer R. ten Kate,'s-Gravenhage,

*?'

DE PRIJSWINNAARS

De hoofdprijzen werden deze week verworven

door:

mejuffrouw J. Stofregen, Rotterdam;

mejuffrouw A. van Schie, Rotterdam;

mejuffrouw L. Brugman, Rotterdam;

mejuffrouw A, Standaar, Amsterdam;

den heer C, Böhne, Amsterdam,

De troostprijzen konden worden toegekend

aan:

mejuffrouw J, Hagendijk, Rotterdam;

mejuffrouw van Loon, 's-Gravenhage;

den heer J, C, Verheul, Amsterdam;

den heer A. Boschman, Schiedam;

den heer Th. Barendregt, 's-Gravenhage;

den heer W. Wals, Groningen;

den heer J, W, G, Kirberger, Amsterdam;

den heer J, Pouli, Amsterdam;

den heer B. Dingemans, Amsterdam;

den heer M. P. C. de Koning, Zeist;

den heer J. M. Hayes, 's-Gravenhage;

den heer H. de Priester, Borssele;

den heer Ad, v, d. Sterre, Bilthoven;

den heer H, Jager, Twello;

den heer J. P. Trimp, Hillegersberg;

den heer J. P. de Ruiter, 's-Gravenhage;

den heer J. Bokma, Amsterdam;

den heer W. F, Hensing, Rotterdam;

den heer J, B, Hulzer, Rotterdam;

den heer W, Spoel, Schiedam.

Den hoofdprijs van de „Filmpuzzle" verwierf :

mevrouw L, Visser-van Elleswijk, Kamerik.

De troostprijzen vielen ten deel aan;

mevrouw B, Peerbolte, Rotterdam;

mevrouw C. W. Putters-v. d. Berg, Rotterdam;

mejuffrouw I. Timmermans, Katwijk aan Zee;

mejuffrouw W, Sanders, Eist;

den heer J. Burggraaf, Rotterdam;

den heer A, Bos, Wormerveer;

den heer G, H. Peerbolte, Rotterdam;

den heer F, C. Thomson, 's-Gravenhage,

Daar wij niet voldoende goede oplossingen

van de Filmpuzzle hebben ontvangen, konden

wij niet alle prijzen toekennen. Een volgend

maal zullen wij ze weer beschikbaar stellen.

ONZE PRIJZEN.

Voor goede oplossingen van iedere

puzzle, stellen wij een prijs van

ƒ2.50 benevens vier troostprijzen

beschikbaar. In totaal dus deze week

7 prijzen van ƒ2.50 elk,

22 troostprijzen en

10 filmfoto's.

DE OPLOSSINGEN

op de in dit nummer voorkomende

puzzles, enzoovoort, gelieve men

vóór 4 Juni 1941 in te zenden aan

Dr. Puzzelaar, Noordeinde 8, Leiden.

Op enveloppe of briefkaart vermelde

men duidelijk:

Oplossingen Zoek en Vind

4 Juni 1941


DE ROLFILM IN HET BEKENDE

FRISSCHE ORANJE DOOSJE.

Vervoli van : De roman van Thomas Holk

-vS

den heer met den zwarten domino, die waarschijnlyk de werkgever

van den Chiromant was. De dame zou arglistig door de concur-

rentie gehuurd zjjn, brulde de heer spinnydig door zyn spreek-

trompet, die van groen geverfd bordpapier was gemaakt.

Midden in het gewoel troffen zy elkaar, ademloos. De symphonie

van het lawaai streek ongestoord over hen heen. Ze gaven elkander

hartelyk de hand. ■. ,.

Als een stout kind, dat op een verdiend standje wacht, liep zy

naast hem, alsof zy zich uit de menigte had losgemaakt. Hy raasde

niet meer. ... j-

„Zou het niet veel mooier zyn, als ik je, in plaats van dien

brutalen profeet, iets van je toekomst vertelde, Knsta?

„Alsof je dat zou kunnen "

De tent, waaruit heerlijke geuren van gebraden, kippetjes op-

stegen, vormde een verleiding, waaraan zy geen weerstand konden

bieden. Op ruwe houten banken, vóór tafeltjes van geschaafde

iepen planken en in de helle vreugde van een boerenmuziekkapel,

zaten de scharen hongerigen, die zich aan knappende broodjes te

goed deden, benevens aan het krachtige bier, dat in aarden kannen

voor hen stond. Ook Barbara en Bastl, de cavalenst, zaten er,

en vooral de opgewekte soldaat sloeg tot Barbara's vreugde heel

wat'naar binnen, „ . . •. » „„

Krista en Holk gingen by hen zitten. „Dat is myn broer, en

Barbara kende hy reeds van de bron. De ongekunstelde eenvoud

van deze menschen, het pleizier dat zy in hun kleine vreugden

hadden, werkte aanstekelijk op Holk en deed hem besluiten zich

precies zoo te gedragen.

„Twee kippetjes en twee bier!"

Ze aten en dronken en het halve uur dat zy-met Barbara en

Bastl samen waren, verliep onder genoeglyk eten en drinken en

aangenamen kout. Gedurende een oogenblik s echts viel er een

lichte schaduw op het gesprek, toen Bastl vertelde, dat hy weldra

uit dienst zou komen. „Dan moet ik in betrekking gaan als paarden-

knecht by dien schurk, ik, een huzaar en boerenzoon, om het

aeld, dat mijn vader hem verschuldigd is, aan te werken!

Zonder er by te denken, zei Krista, toen zü weer buiten, temidden

van het lawaai en de tenten stonden: „Alsof u dat zou kunnen

Holk wist eerst niet, wat zy bedoelde. ,. , .

„Alsof u dat zoudt kunnen.... iets van mijn toekomst ver-

16 O*'ia. zeker^dat "kém ik," en hij sloeg een züpaadje tusschen de

tenten in, waar het minder druk en minder roezemoezig was, maar

waar hy toch weer niet kon overgaan tot de door Kristtf zoo-

zeer verlangde voorspelling, want uit een zeer klein tentje riep

er een spraakzame vrouw, die met behulp van een eenvoudig

blikken instrumentje allerlei vormen uit koekdeeg sneed dat op

de toonbank lag: „Dank den hemel, jonge vrouw, dat deze u tot

my en myn universeelé koekenuitsteekvormen heeft gevoerd! Hoe

heet u, Jonge vrouw?"

„Krista!"

„Ook myn moeder heette Krista, en u ziet dus, hoe het raads-

besluit van het toeval ons tot elkaar heeft gebracht! Uw heer

gemaal is een rare klant, zeg ik u. Dat zijn ze allemaal, de beeren

der schepping!"

„Nou, moedertje! Waarom ben je zoo boos?" mompelde de rare

klant.

„Maar hoe houdt men zoo'n heer gemaal? Door mijn gepaten-

teerde universeelé koekenuitsteekvormen, beste mevrouw Ttrista."

En toen hing zy een monumentaal verhaal op van die vormen.

„Ook uw lieve kindertjes zullen genoegen beleven van myn appa-

raat, en op die manier is dus het familieleven gered! Een Mark

per stuk, mit is maar een beetje geld, in de' verhouding tot de kosten

van een echtscheiding! Het is geen geld voor zoo'n neer gemaal!"

Krista stak het blikken ding, dat zy met groote oogen van be-

wondering bekeek, in haar zak. Wat die vrouw daar echter alle-

maal had staan praten, neen maar.... Ze dacht aan den heer

gemaal en aan de kindertjes, neen maar....

„Zie je, Krista, dat was nu misschien een beetje uit de toekomst

verklapt, wat die vrouw daar allemaal vertelde!" Hy nam haar

hand. De paardenhandelaar ging voorby. Hy was eenigszins be-

schonken.

Holk en Krista vermaakten zich in een caroussel, welks schuin

liggend grondvlak op zyn vergenoegde baan door een tunnel ging,

die by de jongelui wegens zyn aparte gelegenheid om te kussen

zeer in den smaak vief. Aan een schiettent schoot Krista midden

in een groep bewegende figuren, die by een treffer een vrooiyk

deuntje begonnen te spelen. Ze trof precies, en het speelwerk

beloonde haar met een ratelend wysje. Bovendien kreeg zy, want

haar schot was een meesterschot, als prys een groeten teddybeer,

dien zy stevig tegen zich aandrukte.

Overal heerschte leutigheid en pret. De hemel glansde prachtig

blauw. Er stond maar net genoeg wind om de duizenden vaantjes

en vlaggetjes en guirlanden lustig te doen fladderen 1

In de tent waar men gebraden kippetjes at, kwam de paarden-

handelaar binnen en zette zich, ofschoon er overal nog genoec

E laats was, aan het tafeltje waaraan Barbara en Bastl zaten. Bastl

estelde nog een groot glas bier, het vyfde, want waarom zou hy

onderdoen of weggaan voor dien dronken schobbejak? Spoedig

kwam ook mynheer Oehrle nog binnen, de burgemeeser. Dat was

een keurige, rechtschapen man.

Krista en Holk hadden intusschen in een fotografisch atelier

in den gondel van een ballon gezeten, die zeer avontuurlyk op den

achtergrond van linnen was geschilderd. Ze bekeken nu de

foto'tjes en vonden ze aardig en goedkoop voor zoo'n tocht in de

romantisch boven elkaar gestapelde wolkenbergen.

Ze zochten, als hadden zy genoeg van het tumult van kramen

en menschen, de verte van het groote plein, liepen langs «een land-

weg, die over de levensmoede bedding van een beek leidde, en

kwamen midden in het dorp aan een café, dat eerst des avonds

veel klandizie zou lokken wanneer er om pryzen gedanst zou

worden! ,.,■,.

In een eenvoudig gemaakte nis, zooals de handige eifjenaar er

ter bevordering van de intieme sfeer wel een stuk of tien langs

de wanden van het kleine zaaltje had laten aanbrengen, vonden

zy voor zich alleen een plaats. Holk bestelde een flesch rooden

wyn. Ze zetten zich naast elkaar. Voor hen, hangend aan de

zoldering, bengelde een lampion van rood papier. Krista begon

Holks bloem in orde te brengen, die in het gedrang wel iets

geleden had.

De kellnerin bracht den wyn,

„Maar ü moet zorgen, dat ik niet te veel drink!" zei Krista.

De glazen klonken teeder tegen elkaar, als waren zy bang, zich

te laten hooren. , ...,,.,, . u»i

Ze keek Ijêm aan. Holk wist precies, dat uit dit heldere gezichtje

zyn levenslot sprak. , ,. , ,

Van heel uit de verte drongen dè verwarde klanken der kermis-

vreugde tot hen door. .,

De eigenaar kwam en informeerde deemoedig naar hun w«lzyn.

• Helaas zou het hier vanavond pas gezellig worden. Hy stak echter

nü reeds tot verhooging der feestvreugde van het paartje, een

kaars aan in de roode lampion.

„Bastl wil écht met Barbara trouwen! Ze is niet knap, maar

ze is wel erg aardig!" x , » , j ui ^„„A

Holk vertelde Krista dat in een beroemd tooneelstuk de bloeiend

1 schoone Titania een dwazen ezelskop streelde en liefkoosde, zoodat

de warfe liefde eigenlyk maar zeer weinig van de schoonheid

afhankeiyk was. Dat begreep zy niet heelemaal. Een dwazen ezels-

kop verliefd streelen, neen, daar kon ze alleen maar luid om

I lachen, om zooiets. . u„„.„i.

Neen, dan hield zy toch maar meer van mynheer Holk, heusch

' waar, en ze legde, wat opgewonden door den rooden wyn, haar

, hand op zyn schouder. w » —

1 Het teedere gebaar, geboren uit de genegenheid en het ver-

trouwen, die er sinds twee weken tusschen len heerschte, bond


>! , - ■


hen beiden nog vaster tezamen.

De glazen klonken licht en helder

tegen elkaar.

. ;\ De schemering viel in' het ver-

. trek. De roode wyn fonkelde in de

glazen. De teddybeer sluimerde in

en hoek naast Krista.

In de gelagkamer begon het

drukker te worden. Er waren stel-

lig nieuwe gasten en bezoekers ge-

komen.

Alsof zy bang was voor vreemde

menschen, voor alles wat in dit

oogenblik niet alleen hém en haar

gemeenzaam toebehoorde, vlyde

Krista zich tegen hem aan. Hy

legde zyn arm om haar hoofdje,

trok het heel dicht naar zich toe

en kuste haar.

De lampion van rood papier,

waarin de kaars fonkelde, bengelde

vergenoegd boven het tafeltje.

In de gelagkamer ging het steeds

vrooiyker toe. Bastl en Oehrle ston-

den in de deuropening. Hun starre,

onbeleefde, bijna vijandige houding

maakte plaats voor een zekere ver-

" legenheid. toen zy het paartje zagen,

vertrouwd naast elkaar zittend. In

de gelagkamer lachte lallend de

paardenhandelaar.

Holk keek verbaasd naar de

beide onhandige mannen. „Heeren,"

lachte hy, „waarmee kunnen wy u

van dienst zyn?"

Oehrle trad naar voren, wat ver-

legen en schuchter, maar toch in

ieder geval met de passen van een

man, die iets gewichtigs mee

bracht. Bastl aarzelde. Hy bleef bij

de deur staan.

„Neemt u me niet kwalyk, maar

de paardenhandelaar heeft ons iets

verteld, wat wy als mensch en als

gemeente niet voor juist houden,

voor heel laag en gemeen zelfs," zei

de burgemeester. „Dat namelyk

deze heer hier, de kurgast, den

paardenhandelaar een brief heeft

geschreven, dat hy direct wilde

weten hoe groot de schuld was, op-

dat hy ze voor den boer betalen

kon. En waarom? Omdat mynheer

de kurgast, zegt de paardenhande-

laar, ongestoord met Krista "

Holk sprong overeind, souverein.

Met veel minder zekerheid ver-

volgde mynheer. Oehrle: „Wy na-

melyk, als mensch en als ge-

meente "

Bastl bewoog by de deur; hy

richtte zich iets op: „En ik als-

broer "

Holk was nu heel rustig, hy wees

hoffelijk met zyn hand naar de

leege plaatsen aan zyn tafeltje:

„Gaat u toch zitten, beeren, deze

kwestie interesseert ook myn....

verloofde.,.."

Verloofde!

Over het gezicht van den burge-

meester en van Bastl vloog een trek

van pijnlijke verlegenheid.

„Jawel, beeren, ik heb den

E aardenhandelaar geschreven. Ik

etaal namelyk de schuld. De man

is een lomperd, een vlegel."

„Inderdaad, heel juist," zei myn-

heer Oehrle, byna onvrywillig, dus

uit overtuiging.

De merkwaardige situatie orden-

de zich, toen Krista van tafel op-

stond, langs Holk en Oehrle heen

liep en haar broer Bastl een flinke

oorvyg gaf, die deze als een soort

kwitantie'in ontvangst nam: „Ken

jÜ je eigen zuster niet? vroeg ze

Toen was alles plotseling duideiyk. Al deed de paardenhandelaar,

gemeen lachend, ook nóg zoo gewichtig, eenige minuten later

hadden Basils vuisten hem reeds het lachen doen vergaan.

Spoedig kwam ook Barbara en noemde haar beminden schat

een os en een reuze sufferd. '^

^rVet ci qekci aemint

VAN EEI\ GOEDE TAINDVERZORGIING

bestaat niet alleen uit het zorgvuldig en regel-

matig borstelen van het geheele gebit. Zelfs

als Uw tanden er helder wit uitzien, kunnen

zij nog aangetast zijn door tandsteen. Tand-

steen is veel gevaarlijker dan velen denken

In vele gevallen is het de oorzaak van het

losraken der tanden, die ten slotte uitvallen

Alleen de regelmatige, mechanische verwijde

ring van het tandsteen was tot voor korten

tijd mogelijk. Tegenwoordig is het echter vrij

wat gemakkelijker, een schitterend wit en

een gezonj gebit te bezitten: Er is een nieuw

Nederlandsch tandpasta, dat tandsteen met

succes tegengaat: Solidox-tandpasta. Het is het

eenige Nederlandsche tandpasta, dat Sulforiciu-

olcaot bevat (Ned. Octr. 19178). Wetenschappe-

lijke onderzotkingen hebben aangetoond, dat

Sulforicinoleaat het aangewezen middel is voor

de bestrijding von tandsteen. Begin daarom nog

heden Uw gebit te verzorgen met Solidox.

Gebruik Solidox-tandpasta tweemaal per dag

en ga tweemaal per jaar naar Uw tandarts.

SOLIDOX

tegen tandsteen

■ ■ ^...„^^^^enM-^t-aOe^O

Dr. H. NANNING'i

KINADRUPPELS

Het aangewezen middel bijt

BLOEDARMOEDE . BLEEKZUCHT

MALARIA - GEBREK AAN EETLUST, enz,

Men lette op den naam ..©r. ƒƒ. ^Canning" bulten op

dooi en op de flacon. * Prijs f 1.30.

Krista en Holk gingen reeds weg toen de schemering nog bezig

was haar teere stemmingen te weven, om het geluk van den avond

voor te bereiden.'

Een dansend sterretje groette als heraut van den nacht dit geluk,

en de gelukkigen wandelden het dal binnen. (Wordt vervolgd)


j \..

' ■■ ■ - ■ ' ^, ■ , - - '

More magazines by this user
Similar magazines