Untitled

resources21.kb.nl

Untitled

EPISODEN UIT VUCHT

1944

DOOR

KEES VAN DORDT

P 1713

DRUKKERIJ G. W. PIETERS - DORDRECHT


VOORWOORD.

Dit boekje beoogt niet, de onmenselijke wreedheden,

welke in bijna elk concentratiekamp begaan zijn, te

beschrijven. Er zal heel wat lectuur verschijnen, die

gruwelijker is. De nadruk is vooral gelegd op de dagelijks

terugkerende kleinere of grotere kwellingen en plagerijen,

aan het raffinement, waarmee die maatregelen werden

uitgedacht. Ook is de aandacht gevestigd op de demorali­

satie, de kampkolder, waaraan niemand tijdens zijn of

haar verblijf daar, ontkomt, doch die meestal —< gelukkig

— van tijdelijke aard is.

Moge het bijdragen tot een heldere kijk op het gruwel-

systeem.

SCHR.


Februari 1944. De nacht hangt nog over de Maas. Eerst

voorarrest in de kelders van het Haagse Veer en daarna

overgebracht naar de Rivierpolitie. Wat een verschil, die

twee gelegenheden. In het Haagse Veer donkere kelderruimten,

geen daglicht. Een Iawaai-makende luchtververser

dag en nacht en voor het merendeel — misschien

toevallig i— een liederlijk stelletje arrestanten, 's Avonds

zelf je stroozak aanslepen en vlug een beetje, of. . . en

dan trachten te maffen langs een tochtige vloer en onder

een loeiende Föhn.

En de Rivierpolitie! Een en al licht en lucht. Je zou er

haast blijgemoed onder raken, als je niet zoveel sombere

gezichten om je heen zag of je eigen „zaak niet zo

„zwaar was. Daar werd veel over gepraat en dat maakte

nerveus.

Nu dan, ik voelde voor de „rivierpolitie . Beste mensen;

hoopte er ingeburgerd te raken, als het dan toch lang

moest duren. Vv'ant de een sprak van enige weken, een

ander van enige maanden voorarrest. Dat wist je nooit

en had je maar af te wachten van die Sicherheitsdienst.

Als je maar niet te veel in verhoor moest, zie je, op de

Heemraadsingel. Daar werd gemept en nog meer . . .

Maar goed, het mocht niet zo zijn. Een tweede „zwaar '

verhoor werd me bespaard, doch na 1 dag Rivier-

,.paradijs werd ik op transport gesteld naar Vught,

„het" concentratiekamp. Het werd te vol; er moesten

er zo n honderd geloosd worden van dat misdadigersslag

en Vught had nog ruimte genoeg.

Jammer; niet lang heb ik in Rotterdam „gezeten", beste

politiemensen, maar ik en honderden anderen hebben

jullie Ieren waarderen als prima vaderlanders, die onder

5


de ogen ener wrede bezetting pracktstaaltjes van moed^

en durf gaven.

Het was nog pikdonker, toen.we als worst in een autobus

gestopt werden, onder veel lawaai en gekrijs van stemmen.

De recherche meende het zo kwaad niet, maar het waren

eventjes honderd misdadigers en geheel ontkomen aan

de Duitse bruimethode konden ze niet. Voor we afreden

naar station Maas hield de transportleider even een

kernachtige toespraak en spoorde ons op de volgende wijze

aan tot gehoorzaamheid:

„Mannen, ik verwacht van jullie, dat je niet zult proberen

te vluchten, want dan schieten we je achter elkaar neer.

Weest dus rustig, als je levend in het kamp wilt komen;

je zult al je energie nodig hebben om er levend uit te

komen.

~ln Rotterdam-Maas veel bekijks. We waren immers

boeven, die opgebracht werden.

Daarna in een extra-trein. W.C.'s waren er niet en de

chef kon er geen speciale wagen voor aankoppelen. Geen

materiaal. En de Duitsers vonden het helemaal geen

noodzaak. Dat zou weldra blijken. Onze geleiders waren

de kwaadste niet en ze zochten een oplossing. De ruimte

tussen twee wagons met harmonica-verbinding werd de

retirade. Het ging moeilijk in zo'n rijdende trein; het was

vies. maar het ging. En zo kregen mannen en vrouwen

een beurt. Wat een toestand, 't Is of je je beschaving

voelt wegzinken, je raakt er gauw aan gewoon en doet

zelfs mee aan de wrange moppen, die er over worden

getapt. Waarom ook niet? Waarom je maar niet aangepast?

Dat maakt je het leven wat draaglijker.

In het kamp heb ik mensen zien wegkwijnen binnen een

6


paar maanden, omdat ze hun innerlijke beschaving niet

konden afleggen en niet waren opgewassen tegen zoveel

bruutheid^

Na een voorspoedige treinreis arriveerden we in ons

recreatie-oord.

Vughtl Concentratiekamp! Met angst in het hart stapten

we uit dè trein. Op het kleine perronnetje werden we

in rijen gezet. Onze bewakers tijdens de reis •—> ze

vergezelden ons tot het kamp


Onze rijen waren wat door elkaar geraakt, maar met een

paar fikse stompen en trappen stond alles veel spoediger

op zijn plaats dan bij onze brave Rotterdamse bewakers.

We marcheerden verder; het fatale ogenblik; we gingen

onder de slagboom door die achter ons dichtgesmeten

werd. We zaten gevangen en hoe lang en wat zou ons

lot zijn. Als ze maar weer niet over fusilleren begonnen;

daar hadden ze me bij het verhoor al genoeg mee gedreigd.

Zo'n kamp is een eigenaardig iets. De mensen lijden en

strijden en ze gaan dikwijls ten onder. De grootste menselijke

smarten worden daar geleden en uitgestreden in een

omgeving, die zo rijk is aan natuurschoon. Een groot

contrast, zo'n brute onrechtvaardige macht te midden van

Gods milde, schone schepping.

Velen vragen zich misschien af, hoe het concentratiekamp

Vught er uit ziet. Nu, ligging en bouw doen prettig aan;

de behandeling is een ander geval.

Maar het ligt als het ware verscholen tussen de dennenbossen

en dat bosrijke karakter heeft men bij de bouw

van het kamp bewaard. Hele reeksen barakken zijn er

opgetrokken langs de kampstraten met flinke ruimte er

russen. En waar maar plaats is, heeft men dennen en

struiken laten staan of opnieuw geplant. De barakken zelf

zijn opgetrokken van steen. Het zijn z.g. dubbelstellen,

een A- en een B-gedeelte, elk bestaande uit slaapzaal,

dagverblijf, waslokaal en W.C.-ruimte. Er zijn veel ramen

in; dus aan frisse lucht geen gebrek, die hadden we meer

dan goed eten. De kampstraten russen de barakken

worden heel zindelijk gehouden door een speciale

reinigingsdienst. De „lagers" zelf worden elke dag

geschrobd of gedweild. Tijdens mijn verblijf werd al het

8


mogelijke gedaan om de Hygiëne op peil te houden. Zo

staan er op een grote uitgestrektheid een 50 a 60 barakken,

in die dagen goed gevuld met Hollandse jongens. Later,

tegen de lijd, dat vrees voor invasie bij de moffen begon

te rijzen, werden alvast Franse en Belgische kampen

overgebracht naar Vught.

De Hoofdwacht, de Kommandanlur en z'n bijgebouwen,

alles deed zo n beetje Tirools aan in bouwtrant.

Alleen bloemen, waarnaar ieder zo hunkerde, ontbraken.

In een perk kwam éne tulp op en die kostte enkelen een

pak ransel. We waren zeker nogal bloemenliefhebbers

en wilden van het ontluikende voorjaar in die lugubere

omgeving niets missen. We keken maar naar dat ding,

we keken . . . echter niet of we wel precies gericht liepen

en . . . een paar stompen en schoppen brachten me terug

tot het besef, dat we in een concentratiekamp waren.

Duizenden meters prikkeldraad had je in het kamp. Want

niet alleen rondom, maar ook in het kamp was genoeg

te vinden. Een plusminus drie meter hoge omrastering,

behoorde ontvluchten onmogelijk te maken, doch ook

daarvoor zag men nog kans. Ja, daar werkten verschillende

factoren samen en wel in de eerste plaats de drang

naar vrijheid en verder de angst voor de dood. Verscheidene

gevangenen probeerden het en gingen er overheen

of onderdoor en meestal met succes. Op een enkele

uitzondering na, keerden ze nooit in het kamp terug.

Toch werd er „zwaar" gepost. Het gehele kamp

was omgeven door een krans van wachthuisjes, die wel

iets weg hadden van Indische rijsthuisjes. Hoog bovenin

zat dan de schildwacht met een gerichte en geladen

mitrailleur of met een zoeklicht voor de nacht. Op die

9


manier werd de kans op ontvluchten wel klein. We

hoorden 's nachts nog wel eens knallen ... en waren dan

in gedachten hij de waaghalzen.__'

Er was ook een hospitaal voor mannen en vrouwen, een

tandheelkundige dienst, een Röntgenafdeling, enz. Daarover

later meer!

Philips uit Eindhoven had er enige barakken ingericht en

daar vonden veel gevangenen werk, plus een extra

„Philipsprak". Dat waren de „bevoorrechten", omdat ze

wat meer kregen dan gevangenisvoer van slechte kwaliteit.

Wat ons sterk steunde, was het feit, dat-we dagelijks

enige malen „het nieuws" door kregen; ook via Philips.

Hoe streng de controle was, taaie, kloeke prachtkerels,

wisten op die manier het contact met de buitenwereld te

bewaren. Een eresaluut voor hen.

Het zal geen geordend dagboek worden, misschien zou t

ook te saai zijn in die vorm. Doch fragmentarisch zal ik

mijn belevenissen en mijn gevoelens neerschrijven, t Zal

veel bitterheid zijn en wreedheid, afgewisseld met de

wrange kamphumor, die ons toch weer eens deed lachen

zo nu en dan, al bleef er een tragische kant aan.

We waren dan in Vught aangekomen en overgenomen

door de kampleiding. Met een dikke honderd werden we

in een gebouw gedreven, dat badhuis en „Bekleidungszimmer"

bevatte. We noemden het maar Bekleedkamer,

een minderwaardig germanisme voor een nog minderwaardiger

handelwijze. Want van goede aankleding der

gevangenen was immers geen sprake. Daar werd een

begin gemaakt met het afleggen van je persoonlijkheid.

Je kreeg je nummer, waar je al die tijd in de Hel van

Brabant naar zou moeten luisteren. En aangezien ik

10


politiek gevangene was, werd er nog een P. voor gezet.

Van namen was verder geen sprake, je was nu nummer

geworden en de „Edelgermanen" zouden met je kunnen

sollen zoals ze wilden. Alles ging verder vlug en ordelijk.

Maar als je uit een beschaafde maatschappij komt is het

toch maar raar, als je even later met zo'n honderd naakt •

tegenover elkaar staat. AI onze plunje werd ingenomen,

niets mocht je behouden dan een badhanddoek, als je die

tenminste bezat. Hollandse gevangenen van de „Bekleidungszimmer"

en de „Schreibstube" verleenden bij die

handelingen hun gewaardeerde medewerking. Dat vond

ik aardig, maar na een paar dagen was ik genezen. Want

hoe die kerels nog een baan konden accepteren om

zodoende het regiem te steunen, hun practijken mede te

verwezenlijken, is me een raadsel.

Alles werd ons dus ontnomen; vulpen, horloge, sigarenkokers,

sigarettenkokers, trouwring. Het werd keurig in

zakjes gedaan; later zouden we het terug ontvangen bij

onze „Entlassung" uit de hel. Ik heb ook alles terugontvangen,

zelfs mijn portemonnaie met los geld.

Wat nu weer? We stonden al te klappertanden van kou.

Zouden we onze kleren krijgen? O, nee, daar verschenen

een paar „kappers", medeglvangenen. „Vlu^ laten knippen

, werd er gebruld. Opschieten. En zo werden niet

alleen onze koppen geknipt, doch we werden tevens

beroofd van alle andere beharing. Dat was wel de eerste

grote vernedering. Bovendien moest het niet te lang duren

en de tondeuses waren niet best. U begrijpt dus . . .

Zie zo. daar stonden we kaal en wel voor de grijnzende

S.S.-mannen. Koud genoeg hoor, in de maand Februari.

Grote vellen werden voor de dag gehaald voor controle

11


van beroep, politieke richting, leeftijd, enz. Zo'n heel

zondenregister. Even een klein incident.

„Wat doe je voor de kost?" blaft er een me zo onbeschaafd

mogelijk toe. „Onderwijzer." „Welke talen

spreek je?" „Frans en Engels." „Waarom geen Duits?"

„O, dat vond ik niet prettig en had er geen zin in." „Dat

zullen we je hier dan wel Ieren," nijdaste hij en gaf me

maar gelijk een flinke klap in mijn gezicht. Woest werd

ik; mijn handen jeukten, maar. . . al die naakte lijven

deden me spoedig terugkeren tot de werkelijkheid. Ik was

niet meer mijn eigen rechter, ik was nummer geworden.

Geen persoonlijkheid meer.

Toen naar de badzaal. Geen zeep, geen handdoek. Hoe

moest dat? Maar daar werd niet naar gevraagd. Je werd

er in gejaagd en weldra stonden er onder elke douche

4 of 5 man te proesten en te blazen. Juist stond ik me te

realiseren, hoe fijn dat warme water toch wel was, toen

de Copo van het badhuis het genoeg vond en brulde:

„Heraus, Schweinhunde." Dat begrepen we nog niet best,

maar met honderd mensen had die ellendeling geen last;

hij nam de spuit en slingerde met een wellust stralen koud

water over onze boddies. Toen was de badzaal in een

ogenblik leeg.

Volgend bedrijf. Een grote ruimte. Er werd kleding uitgereikt.

Met een soort boezeroen droogden we ons wat af

en trokken het ding aan, plus een onderbroek. Toen de

blauw-wit gestreepte pakjes en we waren „Haftlinge

geworden. Ja, die pakken, dat was wat. Voor de vuist

weg kreeg elk er een, te groot of te klein, dat deed er niet

toe. Dan ruilde je maar of trok het zo aan. Soms geen

knopen, geen banden; je 'sjorde maar wat. Hopeloos

12


ellendig voelden allen zich in dat onwennige boevenpak.

Sokken waren er niet. „Doe het maar op je blote poten,

werd er gezegd door Hollandse helpers. Toen de klomp­

schoenen of klompen. Je had keus en er was genoeg, maar

niets goeds natuurlijk.

Als er iets een kwelling geweest is voor duizenden, dan is

dat wel het schoeisel. Lopen moest je, staan moest je en

niets, dat behoorlijk paste. Alles wrong en deed pijn. Je

haalde wel eens andere op de Bekledingskamer, maar in

de regel werd het er maar erger door. Alles was kwelling,

opzettelijke plagerij. Als je in je schafttijd, die toch al zo

kort was, naar de Bekledingskamer ging voor een of ander,

zag je geen kans meer om te eten en als je eerst at, kon je

daar niet meer heen. Je bleef dus maar zo lang mogelijk

lopen met die kwelgeesten aan je voeten. En zo ging het

overal mee. Een lange vent kreeg een korte broek.

Gevraagd om een behoorlijk model; werd op de meest

onheuse manier afgesnauwd en kreeg een schop toe van

den Capo tegen zijn onbedekte scheenbeen. Ja, ze wisten

precies, waar ze trappen moesten, die „Kultur-dragers".

Je begon met je te verdiepen, wat een „Capo" eigenlijk

wel was. Sommigen zeiden, dat het woord een afkorting

was van „Kamppolizei , anderen haalden een vreemd

woord, „Caporium", er bij, wat een ongunstige betekenis

zou hebben. Hoe het ook zij, het waren ellendige sadisten,

bijna zonder uitzondering. Zelf gevangenen, hadden ze

in het Derde Rijk in de kampen een goede oefenschool

ontvangen. Waren ze dan zelf genoeg getuchtigd en

genegerd, en tot sadisten opgeleid, dan kregen ze de

lugubere baan van „Capo" of opzichter over hun mede­

gevangenen in andere kampen. In kleding onderscheidde

13


niets hen van de andere gevangenen dan een zwarte muts

en behoorlijke schoenen, meestal afgegapt van de Joden.

Ze droegen dikwijls beter ondergoed, gingen keurig in

pyama onder de wol en hadden zelfs getailleerde jassen

aan. Prachtexemplaren, die verdierlijkte wezens. Hun

emplooi was de hele dag slapen en drinken en dan gaan

slaan, als 's avonds de barak zich vulde met afgetobde,

hongerige Haftlinge.

Zo'n vent werd bijgestaan door den z.g. „blokschrijver ,

een administrateur, soms een twijfelachtig nummer, die

„meneer de capo" de hele dag naliep, z'n bed opmaakte,

z'n potje warmde. Want er werd reusachtig veel, wat we

noemen, „georganiseerd". Een wijsgerige beschouwing

hielden we in alle ernst onder elkaar, ofdat nu hetzelfde

was als „gappen". Sommigen beweerden, dat organiseren

een soort toegestane diefstal was. Maar ze aten in ieder

geval geen kampkost, maar echte aardappelen en pap. x

Die kampkost was voor ons boeven — mooi genoeg.

O, als de zorgende en bezorgde vrouwen ons niet de

wekelijkse pakketten hadden gezonden, wat zou er van

ons geworden zijn. Er waren er, die ze nooit kregen en ze

waren er dikwijls zielig aan toe. Dat middageten was

een kwelling, op een heel enkele uitzondering na. Je at

het maar met je ogen dicht en soms ook met dichtgeknepen

neus. Het was altijd soep, koolsoep, wortelsoep, koolraapsoep,

enz. Die werden in het voorjaar half rot en toch

verwerkt. U kunt zich voorstellen . . .

Daarnaast stond in de keuken de verse spinazie voor de

Hollandse S.S.-keuken.

l3m nog even op de Capo's terug te komen, die dan toch

officieel door het Hitlerregiem waren aangesteld. Een was

14


er onder, die behoord had tot een, internationale bende

hotelratten, opererend te Berlijn, een ander had zijn twee

vrouwen vermoord en dacht er niet aan de "derde, die

nog vrij rondliep en hem te glad was geweest, te laten

lopen. Als hij maar eerst „er uit" was. Dat waren je

voorbeelden dagelijks, in de Hel van Brabant, te midden

dier onvolprezen natuur.

We waren „aangekleed'. Inmiddels was het avond

geworden. Vijf lange uren was er met ons rondgesold;

we waren bekaf. Nu werden we gedirigeerd in rijen van

vijf naar Blok 13, het Polizei durchgangslager, kortweg

P.-Iager genoemd. De Capo met z'n dikke lijf zat al klaar,

z'n benen op een stoel, zei nog niets, maar 't leek onheilspellend,

't Was maar rumoerig in Blok 13. Daar verhief

de „schrijver", een Amsterdamse jongen, z n stem, en

hield een gloedvolle rede, nu en dan met een tikje humor,

dat zelfs de Capo, die oppergod-majoor, deed grijnzen.

„Mannen," zo zei hij, „ik zal jullie een en ander vertellen,

dan ben je het gauwste hier ingeburgerd; ik zal er zon

beetje de tien geboden van maken. Als de Capo zegt

„Maul halten", doe het dan gauw, want anders slaat ie

je kakement te pletter. Zorg, dat je vooral uit z'n buurt

blijft, dan heeft hij het rustig en jullie lopen geen gevaar.

A.s. Zondag mag je naar huis schrijven. Dat is een hele

gebeurtenis, maar het heeft niets öm het lijf. Vijftien

regels mag je schrijven en niet anders, dan dat je goed

gezond bent. Lig je in het hospitaal, of ben je drie kwart

gekrepeerd, denk er dan aan, dat je toch schrijft: „Ik maak

het hier best enz.

Als je bij Joep door de pijp gaat, is het vroeg genoeg om

15


ze te waarschuwen." i— Joep was de Capo van het

crematorium, vandaar de kernachtige uitdrukking. —

Zo ging hij nog een tijdje door met zijn wijze wenken en

raadgevingen. Toen moesten we allen ons nummer op

onze kleren naaien. Dat ging niet zo vlot. Geen naalden

genoeg, ongewoonte, wat nerveus . . .

O, wat waren we blij, dat we naar bed konden. Om 8 uur

kwam het sein; inderdaad, kinderbedtijd. Na een paar

dagen kropen we, als het enigszins mogelijk was, er nog

vroeger in met onze afgebeulde en moegezeulde lichamen.

Dat vieze bed, je vond het een heerlijkheid. Als je er

pas bent, verkeer je in de mening, dat je een frisse strozak

en gestoomde dekens krijgt. Niets van dat alles! Elke dag

zie je mensen komen en gaan en je begrijpt al heel gauw,

dat je onder het stinkboeltje van diverse voorgangers ligt.

Maar, zoals gezegd, de eerste tijd vind je het heerlijk. Je

legt een handdoek of lap op het harde kussen, je slaat

er een om je deken en je slaapt hygiënisch.

Slapen! Hoeveel heb ik bijgedragen aan het neus- en

keelconcert, dat zich weldra en telkens deed horen!

Benauwd was het toch niet op de slaapzaal, want er

werd goed geventileerd. De vele ramen stonden tegen

elkaar open en dan in Februari. Je woei van je bed, maar

vooruit dat was Germaans", zei de Capo, als er

gevraagd werd, ze aan de windzijde te sluiten. Ja, er was

daar heel wat meer Germaans!

Vijf uur in de morgen. Aardedonker! „Opstaan , wordt

er gebruld. Zo'n eerste ochtend is waard even beschreven

te worden. Je bent nog maar een „broekie" in het kamp

en je haast je uit bed. Anderen tukken nog even door,

die zijn al „ingeburgerd". Gauw naar het waslokaal. De

16


Capo loopt al rond te dazen; die zal die nieuwelingen

wel eens opvoeden. Al dat weke Hollandse gedoe ookl

Bovenlichaam bloot! is het parool. Ik stond m'n gezicht

al te wassen, hoorde niets van dat commando, doch voelde

plotseling een harde schop tegen m'n achterdeel. Ik werd

even beet gepakt en ontkleed. Zo stopten ze me even onder

de ijskoude kraan, de Capo en z'n trawanten. Dan stond

je te rillen van kou en wist niet, hoe gauw je je weer

drogen moest. Zo begon het daar! Dan ontbijten. Een

stuk kuch, een heel klein beetje jam met iets dat op koffie

leek en meestal na de maaltijd kwam. Smakelijk was het

niet; daar moest je nog aan wennen. Eten deed je aan

lange tafels in het „dagverblijf" en om de beurt kreeg je

corvee. Bijvegen, dweilen. Waslokaal reinigen. W.C. s

schoonmaken. Dat laatste was moeilijk. U moet zich een

flinke ruimte voorstellen met twee maal 6 W.C. s tegenover

elkaar, gescheiden door een muurtje, als urinoir

ingericht, 's Morgens vroeg zat het er al vol en het bleef

er vol. Er was maar één middel; ze d'r uit spoelen met

emmers water. Ja, we kregen ook Capo-neigingen, maar'

't hielp tenminste. Als corveeër was je niet van appèl

vrijgesteld en alles moest op tijd klaar zijn. Daar wisten

ze raad op, hoor! Dan kreeg je een pak slaag en de tweede

dag was alles in orde. Had je geen dienst, dan was er na

het ontbijt nog even gelegenheid je te „verpozen . Maar

je werd uit het dagverblijf geslagen, idem uit het waslokaal

en, zoals reeds opgemerkt is, de W.C.'s waren evenmin

veilig. Dus naar buiten om 6 uur, de nacht en de kou in.

Je kon dan tenminste nog een trekje doen tot de appèl-bel

ging en dat vergoedde veel.

i Die kleine dagelijkse kwellingen werden uitgevoerd met

17


een weergaloos raffinement. Zonder er dikwijls erg in te

hebben, liep je weer in de val. Het ging niet. altijd over

mishandelingen; die waren zelfs een tijd lang verboden.

De Capo s moesten hun handen thuis houden en hun

sadisme beteugelen. Of ze het deden? Ze moesten wel,

maar dan werden de dagelijkse pesterijen erger. Sommigen,

doorgewinterden, hadden liever een pak slaag, dan

dat getreiter steeds weer. Want ook dat maakte van

Vught een nel.

Order — tegenorder. Doen — niet doen. Alles was vol

tegenstrijdigheden. Dat maakte het kamp onrustig. Als je

aan een bepaald karwei begon, wist je al, dat het na een

paar dagen weer ongedaan gemaakt werd. Er was dan

natuurlijk een tegenorder verschenen en de Haftlinge

knapten het wel weer op.

Vught was vooral een arbeidskamp. Er waren verschillende

„commando s of werkobjecten en daar werd je

ondergebracht. Als je een beetje gehaaid was, kon je zelf

kiezen, maar 't moest vooral niet in de gaten lopen, wanf

dan werd je even genomen. Toen ik er kwam, had de

laatste opvoering plaats van „25 of 50 voor de broek".

Met een bullepees werd het slachtoffer dan op de ontblote

zitdelen geslagen en moest er zelf hardop bij tellen. Had

hij na afloop het bewustzijn nog niet verloren, dan moest

hij zelf het ziekenhuis maar zien te bereiken. Meermalen

was het een afzichtelijke, bloederige massa. Opdat de

slagen goed zouden aankomen, werden ze over verschillende

beulen verdeeld — dat waren de Capo's — die in

onderlinge na-ijver hun krachten maten op het slachtoffer.

Elk diende dan 5 slagen toe, want de kracht mocht niet

afnemen.

18


Die walgelijke vertoning had in de eerste tijd dagelijks

plaats.

Zoals ik zei, waren er verschillende commando's. Over

het Philips-commando repte ik reeds. De grote firma had

daar enkele barakken als werkplaats ingericht en men

had het er goed. Er was wel kamptoezicht, doch onder

invloed der burger-employé's ging alles er gemoedelijker.

Geen drastische straffen, matige arbeid en ... de Phil ïpsprak

uit de fabriekskeuken te Eindhoven. Dan had je

commando „Luftwaffe", dat zich bezig hield met het

slopen van neergeschoten geallieerde bommenwerpers.

Verder had je er een boerderijtje met heel wat land er

omheen, dat eveneens bewerkt werd door de Haftlinge.

Dan nog commando Holzplatz. Bauplatz. Keuken. Lagerreiniging.

Tornkamer. Eisenbahn. Enz.

De Tornkamer was voor mensen met geconstateerde

kwalen, die geen zware arbeid verrichten mochten. Dat

advies werd dan door de aangestelde doktoren onder

goedkeuring van den kampdokter gegeven. Daar hield

men zich bezig met het lostornen van oude uniformen,

afkomstig van frontsoldaten, wat dan ook heel goed te

zien was. Bloed, kogelgaten, enz. Een luguber en tevens

ongezond, stoffig werk. Gevangenen met hartkwalen zaten

er rustig, doch kwijnden weg in zo'n atmosfeer. Alles was

trouwens even beroerd, ook het buitenlucht-werk. Je kon

heus wel eens de lijn trekken, stiekum even er tussen uit

gaan, maar wat je niet lukte was, eens te gaan zitten.

Lopen moest je, staan zou je; dat was de Hel van Brabant.

Van s morgens zes uur tot 's avonds half acht of nog

langer, met een half uurtje voor je heerlijke middagmaal.

Alleen de pap in Vught was behoorlijk, maar je kreeg

19


er niet al te veel van. Het hield je echter mee op de heen

en ieder verlangde er naar. Zonder de bemoeiing van het

Rode Kruis echter zou ons leed op voedinggebied niet te

overzien zijn geweest. Elke week werd een uitdeling

gedaan van belegde boterhammen, koek, biscuits, soms

sigaretten, gerookte paling, enz. Dat was heerlijk, vergoedde

veel en ik hoop, dat iedereen, die kennis met een

kamp gemaakt heeft, zijn steentje later zal bijdragen aan

ons mooie Rode Kruis. Uit dankbaarheid!

Appèl. Je kunt in dienst geweest zijn, je kunt veel appèls

meegemaakt hebben, maar dan toch zeker niet zoals in

Vught. Een appèl van drie kwartier was kort. Je keek

elkaar eens aan en vroeg of de moffen gek geworden

waren of met verlof gingen. Uren lang hebben we daar

gestaan op de appèlplaats, tussen keuken en Koinmandantur

en schrijfkamer, 's Morgens 6.30 uur begon het al.

In het vroege voorjaar opgeluisterd door een paar schijnwerpers.

In het donker sukkelde je maar naar het terrein

toe en dan begon het staan. Er was ook zo veel te doen!

Wat allemaal, begrepen we nooit goed. Het was je reinste

kwellerij. Niemand mocht ontbreken, [tin als je te ziek

was om te gaan? Ja, maar dat kon een dokter niet beoordelen,

want daar alleen kon je 's avonds terecht en je

moest die dag maar volhouden.

Ik heb ze meermalen in elkaar zien zakken, of stiekum

in een hoekje zien wegkruipen onder het werk, die

stakkerds, rillend van koorts in kou, hagel of sneeuw.

Maar dienst was dienst en behoudens hoge uitzondering

mocht je je bij den dokter niet melden voor 's avonds

na het appèl. Ook weer zo n geraffineerde streek. Want

het was daar druk, en je moest wachten. En als je dan

20


weer in je blok kwam; was de pap meestal door je

medegevangenen verorberd en tijd om uit je pakket wat

te eten, was er niet meer. Dus ziek en hongerig naar bed.

Dat was voor velen een ellende, die even hard aangreep

als de meppen en trappen van de bewaking.. Soms oordeelden

je lotgenoten het onverantwoord en dan namen ze den

armen drommel maar tussen in; dan hing hij zo n beetje

en kon, staande op het appèl, slapen. Meermalen zag ik

een ernstige zieke, met ledikant en al, naar het appèl

gedragen. Want ontbreken mocht niemand, alleen zij, die

er s nachts russen uit geknepen waren. Later op de dag

zag je de brancard naar het crematorium rijden, weg,

dood, bij Joep door de pijp, nummer zoveel. Dat is de

ellende van het kamp. Heden jij, morgen ik en wie geeft

er om je en wanneer zullen ze het thuis ooit Weten. Nooit

zullen ze van je lijdensweg horen, alleen wat kleren thuis

krijgen en een kaart om distributiebescheiden in te leveren.

Medelijden, meegevoelen, dat kende men niet. Je zag

na ontvangst van een brief soms mensen huilen, je

begreep ... en liet hen met het verdriet alleen als fatsoenlijk

mens. Een meer opdringerig, onbescheiden type ging

eens vragen: „Moeder dood . . . een kindje gestorven? "'

Het lak onieke kampantwoord was: „Zo, da s erg, dan

heb je „pecfi gehad. Dan werd je verder met je verdriet

alleen gelaten.

Maar ik had het over het appèl. De gewoonte was ook

geworden, s ochtends nummers „uit te roepen". Wat er

dan met je gebeurde, wist je niet. Dat was de eerste uren

nog gissen. De mogelijkheden waren: „op verhoor" naar

Utrecht; op transport naar Duitsland, of ontslagen worden

21


en naar Kuis. Zo lang mogelijk werd je in onwetendheid

gelaten en dat was een kwelling.

*~AIs je daar stond, sloop de Hollandse S.S. — die edelgermanen

— achter je heen en deelden porren en trappen

uit. Dat vonden ze leuk, dat dwong respect af.

Onder dat zootje vond ik niet één snuggere jongen, allemaal

ezels en nietsnutters. Verscheidene hadden getekend

om een vonnis te ontlopen, waren een blauwe Maandag

aan het front geweest, hadden een danige frontkolder

opgelopen en werden nu als bewakers op ons losgelaten.

Eerste klas dieven, die zich zelfs gaarne vergrepen aan de

dierbare pakketten, die we van huis kregen. Ellendelingen

waren het, zonder karakter, totaal ongeschikt voor maatschappelijk

leven. Ze deden meer! Men had geconstateerd

dat niet iedereen z'n trouwring had ingeleverd. Plotseling

. . . Hande ho.ch (want Hollands praten konden ze

niet) en dan werden die dierbare kleinoden, de laatste

band met je huisgezin, je ontroofd. Waar ze bleven, wist

niemand!__

, Na het appèl vormen van werkgroepen. Ieder snelde vlug

naar de aangegeven plaats. Liep je niet op een draf, dan

kon je op het kampstraatje, dat je dwars over moest steken,

de nodige Capo's vinden om geschopt of geslagen te

worden. Met wellust in hun ogen stonden ze je op te

wachten.

Het avondappèl was wel „de" verschrikking. Na een dag

van sjouwen, weer staan, maar wachten, tot alle commando's

binnen waren. Dan werd je weer geteld. Ja, 'dat

gebeurde ongeveer 20 maal per dag. Telkens tellen. Ze

waren dus niet heel zeker van het prikkeldraad, die dan

ook later geëlectrificeerd werd. Bovendien werden op het

22


avondappèl de nummers der gestraften afgeroepen. Dan

werd je in het strafblok geplaatst of je ging de bunker in,

allemaal lieflijkheden, waarop ik wel nader terug kom.

Dan kwam nog het afroepen van de pakketpost, die je

na afloop halen kon op het kamppostkantoor. Ze lieten je

opzettelijk lang staan; de Duitser, die het appèl afnam,

kwam niet al te vroeg of wandelde met z'n collega's wat

heen en weer op de kampstraat.

Eindelijk ... nu begon het. „Mütze . . . ab" (klap). Was

die klap niet gelijk, dan deden we dat tien of meer malen

over, alles gecommandeerd door de Hollandse „Lager-

Alteste". Tot alles goed gelijk ging. En dan correct in de

houding blijven staan, anders strafte na afloop de Block-

Alteste je nog eens met een half uur extra staan of looppas

maken. Als alles dan zover zonder ongelukken voor je

was verlopen, was je vrij, nog ongeveer 5 kwartier, want

dan was het bedtijd en dan werd je weer 3 maal geteld.

Ieder voelde z'n verantwoordelijkheid op dat gebied: de

BIock-AIteste, de Stube-Alteste, de schrijver. Het is

gebeurd dat het niet klopte en dat men in nachtgewaad,

voor zover er sprake van kon zijn, naar buiten werd

gejaagd, in het gelid in de houding. Een longontsteking

meer of minder werd niet geteld. Are je, dat zijn zo van

die dagelijkse kwellingen; dan zus, dan zo, maar ze.

werden je bereid. En men moest een sterk zenuwgestel

hebben om ze te verdragen en er over heen te komen.

Velen hielden dat niet vol, werden ziek!

In die korte tijd moest je soms eten, pakket halen en naar

den dokter. Dan schoot meestal het eten er bij in, want je

pakket liet je niet staan; de band met je familie. En ook

23


den dokter sloeg je niet over, met grote wonden aan

je voeten ...

De nieuwelingen werden alle ingedeeld bij bet commando

„Bauernhof ', de boerderij. Dat leek me wel. Ik was

vroeger veel op een boerderij geweest, kende de werkzaamheden

door en door. Dat zou dus wel gaan. Maar

spoedig bleek, dat ik alleen de mooie kant had bekeken.

Daar was het ellendig. AI direct werden we aan het

mestkruien gezet. Een Hollandse jongen keek toe of de

kruiwagens wel vol geladen werden, anders nog een paar

scheppen er bij. Vooral de sukkelaars, de onwennigen,

moesten het ontgelden. En dan maar aan het rijden door

een rulle weg, die herschapen was in een modderpoel

vanwege de vele regens, ruim een kilometer ver, naar de

tuinderij.

Over paard en wagens beschikte men daar ook, doch de

kampleiding vond slavenarbeid beter. En we werden

geëscorteerd door prima slavendrijvers. Even rusten! Wat

rusten? Vooruit zul je zo lang ik het wil. Rusten doen

we gelijk, op commando. Sommigen konden niet verder,

vielen neer achter hun wagen, om dan door zo n slavendrijver

even hardhandig te worden opgeholpen. Vervloekt

heb ik die boerderij. Dat was massa-afbeulerij. Goede

boeren regelen hun werk naar het weer. Hier niet. Dat

ging door onder hevige hagel- en sneeuwbuien. Zonder

sokken, in klompen of klompschoenen met geïnfecteerde

wonden. Onvoldoende gekleed en rillend van kou. Mijn

God, wie had zo iets uitgedacht. Alles even geraffineerd

van opzet, om je geest te doden, je wilskracht te doden en

eindelijk je lichaam. Zo brachten we Februari door.

Gedurende tien achtereenvolgende dagen waren we drijf-

24


nat van sneeuw en hagel, met benen blauw van kou.

Schuilen op het open veld ging niet. De bewakers ,—•

Hollandse S.S. i op de boerderij hadden een afgerichte

hond bij zich, die ze op je af stuurden, zodra je 'm smeerde

of in clubjes stond.

Zo zijn er verscheidenen in benen of zitvlak gebeten.

Veel nutteloos werk werd er verricht. Het land was

gescheurd en het onkruid tierde welig. We moesten het

onkruid er uit vissen en de bullen gelijk slechten. Een zeer

vervelend en vermoeiend werk, vooral in die drijfnatte

slijkboel. Iedereen trachtte de luwte van een bosje op te

zoeken, wat natuurlijk niet lukte. En dan die hongerige

magen! Maar we ontdekten een knollenveldje, waar nog

wat was overgebleven. U weet wel, die witte knollen, het

veevoer. Met een graagte vielen we er op aan en behoudens

een pak slaag voor enkelen, konden we daarmee nu

en dan onze honger stillen. Wat waren we diep gezonken,

sommigen aten zich achter elkaar ziek aan die knollen,

's Middags kreeg je ze weer in soepvorm; de meeste zieken

hadden dan ook maagstoornissen.

Na een paar dagen raakte je op de boerderij „ingeburgerd".

Dat was gevaarlijk; je ging je dan meer vrijheden

veroorloven en dan vloog je er onherroepelijk in, want het

waren net aasgieren, de bewakers, en niets ontging hun.

7n een lege kamer van de boerderij werden we eens bijeen

geroepen. Een Capo klom op tafel, ging een toespraak

houden over kameraadschap in het kamp. Alles voor

elkaar over hebben, onder elkaar je lot draaglijk maken,

je opofferen voor minder gezonden en zwakken, één voor

allen, allen één. Dat viel er in! Wat een fijne vent was

dat! Doorgewinterden onder ons grijnsden; ze kenden

25


hem al. Een jonge vent nog, had vanaf zijn zestiende

jaar in concentratiekampen doorgebracht, een pracht

opleiding als sadist genoten en nu in Vught. Had zich

bovendien zeer verdienstelijk gemaakt bij de Jodenmishandelingen

vóór mijn tijd in Vught. Meneer liep rond

met prachtschoenen, had keurig ondergoed, alles van de

Joden gegapt. Trouwens, in verschillende barakken

stonden piano s, uit Jodenhuizen gestolen; er waren

strijkjes, met instrumenten, van de Joden afgenomen.

De val was listig door hem uitgezet en we waren er fijn

ingetippeld. Verscheidene jongeren namen het zware

werk van zieken en zwakken en ouden van dagen er bij

en die konden dan wat lanterfanten. Het duurde niet lang.

Er werd niet voldoende gearbeid. Even ter plaatse een

strafexercitie. Allen in het gelid, oude sukkels en gewonde

voeten voorop. Marcheren! Na een paar minuten het

commando: Looppas. Dat duurde zo een poosje, tot er

uitvallers kwamen. Halt! Rollen. Dan plat op de grond

en maar omwentelen, juist door de slikpoelen heen, precies

uitgekozen door de moffencapo, die kameraadschap

predikte. Doornat en vol viezigheid, want je rolde ook

door menselijke en dierlijke uitwerpselen, stond je dan

maar weer op. Zou ie klaar zijn? Weer macheeren, weer

looppas om warm te worden. Zie zo, en nu aan het werk.

Mest kruien en tot over de enkels door het slijk. Sommigen

waren al aardig geknakt en hun energie zat in de klompschoenen,

maar dat was ook de bedoeling. Een goed

„nummer" heeft geen persoonlijkheid meer. Als vee, zo

willoos maken ze je; tenminste dat is hun opzet. Telkens

moest je je inprenten, dat je nog bestaat, dat je nog leeft

en dat je het verd . . . , er onder gebracht te worden. '

26


Elke morgen, dat je weer ontwaakte, waren dat je eerste

woorden: „Ze krijgen me er zó niet onder." Velen baden,

geknield voor bun krib.

Alle concentratiekampen zijn niet gelijk. Men bad

arbeidskampen, zoals Vught er een was, en ook

vernietigingskampen, zoals er binnen de Hunnengrenzen

verscheidene waren: Buchenwalde, Dachau, Sandrosten

(waar de mannelijke bevolking van Putten voor een deel

werd vermoord). Wat dat betreft, was Vught niet het

ergste; je werd er niet vermoord, niet aan lijken geketend;

je had er alleen maar „kleine" straffen. Maar dan toch

zo, dat ze littekens achterlieten voor je hele verdere leven,

op je lichaam en in je ziel. {Zo'n concentratiekamp is een

maatschappij op zich zelf. een werkgemeenschap. Het

verschil met de buitenwereld is echter, dat de laagste

instincten aangewakkerd worden en naar voren gehaald

worden. Wie daar voldoende op reageert, krijgt een baan

als slavendrijver, Block- of Stube-Aelteste. Vele beroepsmisdadigers

verkeerden in Vught tussen de Politieke

gevangenen en ze konden zich zelfs leidende functies

veroveren. Dat was de hele Duitse opzet. De Wehrmacht

tuchtigde niet, vervulde vrij kalm haar bewakingsplicht.

Maar ze lieten toe, dat S.S.-mannen en Capo's er op los

trapten en sloegen. Ze lieten toe, dat je in je blok overgeleverd

was aan de sadistische grillen en luimen van een

moffencapo. En werd er geklaagd, dan hoorde je niets

meer, de toestand veranderde niet en de klager moest

liet kunnen.

Nergens heb ik zoveel op elkaar horen kankeren als in

het kamp. Trad je iemand vriendelijk tegemoet, dan kon

je een grauw en een snauw krijgen; had je het met een

27


Capo aan de stok, dan waren er weinig die je steunden.

Kreeg je er van langs om niets, zodat je in elkaar stuikte

of het bloed uit je neus spatte, dan hoorde je nog om je

heen het laconieke: „Pech gehad, vader." Nu weet ik wel,

het was meestal niet de heffe des volks, maar het bleef

steeds weer schrijnend, dat gebrek aan medegevoel. Velen

waren ook anders hoor, en zelfs in het kamp was het

mogelijk, een beschaafd kringetje om je heen te verzamelen.

We zagen zelfs onder de arbeid kans, problemen

en vraagstukken van deze tijd te behandelen en daarover

discussies te openen. Dat lukte, maar 't was uitkijken.

Het stilzwijgend parool was: Zo veel mogelijk niets doen,

alles saboteren. Die kunst ben je machtig of je leert het

nooit. Ik heb het altijd een eigenaardig verschijnsel gevonden,

dat velen naar Vught werden gezonden wegens

gepleegde sabotagedaden en dat in dat beruchte arbeidskamp

juist de sabotage hoogtij vierde. Sommigen leerden

het inderdaad nooit, zwoegden voort met hongerige magen

en kwijnden weg, anderen probeerden het en liepen tegen

de lamp. Dan kreeg je op je vrije Zondagmiddag strafexercitie

of bij herhaling „bunkerstraf".

Zoals ik reeds zei, werden de laagste instincten naar voren

gehaald. Je moest maar niet te veel zeggen, als je je

medegevangéne niet kende; je had dan kans aangebracht

te worden. Wie veel aanbracht kon een „baan" veroveren,

hem door een of ander gewetenloos sujet toebedacht voor

zijn ijver in die richting. Na mijn ontslag uit Vught vroeg

men mij vanzelfsprekend dikwijls, of ik veel te verduren

had gehad en altijd is mijn antwoord geweest: Geestelijk

meer dan lichamelijk. AI vielen ook die spontaan uitgedeelde

mishandelingen niet mee . . . Velen van najaar

28


43 zullen daar echter nog meer over te klagen hebben

gehad.

Maar met de uitroep van sommigen: „Wat een kampie,

wat een kampie ", daarbij doelende op het verschil met

de Duitse kampen, waar velen al geweest waren, konden

ik en menig ander zich toch niet verenigen.

Zware arbeid! Nu, daar mankeerde het de eerste dagen

niet aan. Mestkruien over meer dan een kilometer afstand

langs een ongebaande landweg, waar het wiel soms tot

z n as wegzakte, was geen pretje. Vóór de middag was

je al doodop en dan mocht je weer terug marcheren ruim

20 minuten naar het Blok om te middagmalen. En dan

weer terug naar het veld, weer of geen weer. Maar we

werden toch beloond voor die zware arbeid met een

extra boterham en een stuk worst.

Dat werd dan tegen het einde van de werktijd uitgedeeld

op de boerderij. Je at het al lopend onderweg maar op.

Soms werd ons even toegestaan in de tochtige koestal te

rusten en te eten. Dat was een genot en ieder vlaste er op.

Je kon dan drijfnat en koud uitrusten op een baal kunstmest

of op de lemen vloer en dat vond je al fijn. De

Capo s en ander gespuis verdwenen, deden zich ergens

anders heerlijk te goed en lieten ons enige tijd met rust.

Stiekum konden we dan nog eens een trekje doen, want

roken was op het werk streng verboden; daar stond

bunkerstraf op. Daarover later!

We kregen het plotseling gemakkelijker. Op een morgen

werden we met ongeveer twintig anderen apart gezet en

de opdracht was een draineergreppel te graven langs de

scheidingsrand van bos en akker. Dat leek wel wat, en

het werd ook wat. Het toezicht verslapte of wij werden

29


gehaaider en het grootste deel van de dag konden we

om beurten rokend in het bos doorbrengen. Toch één groot

nadeel zat er aan vast. In het vrije veld kon je zo ver van

je af zien. Je zag de torentjes van Vlijmen, Nieuwkijk,

Helvoirt en Cromvoirt, allemaal bekend terrein voor me,

en dan werd het verlangen naar de vrijheid wel eens heel

groot. Zo stond ik eens te staren in de verte en hoorde

den sluipsadist niet achter me. Dat kostte me bijna een

oor, zo draaide en plukte hij er aan. Dagen later had ik

daar nog veel last van.

Maar dat waren slechts van die kleinigheden. In Vught

gebeurde immers niets. Als je tegen de vlakte getrapt

werd, tegen een muur geslagen, als je op de grond gebokst

werd en je gezicht tot bloedens getrapt werd met de

zware ijzeren hakken, toen hoorde ik zo n stuk gespuis

nog zeggen: „Dat zijn geen mishandelingen; dat doen ze

in Duitse „Lagers" nog anders. Dat geloof ik dan ook

wel, maar t was voor ons soort mensen uit de rustige

burgermaatschappij voldoende om Vught tot een hel te

maken.

Inmiddels groeven we ons greppeltje, hielden gesprekken

over de invasiekansen en soms zelfs over de na-oorlogse

problemen! Alsof we al zeker waren, er uit te komen.

Als je hoorde om je heen, welke straffen na verhoor

werden uitgedeeld, verloor je alle hoop. Meestal op transport

naar Duitsland of executiepeloton . . .

Na een week of drie veranderde het commando. Men

zag zeker, dat het zo niet ging en men vroeg speciaal

vakmensen voor de boerderij. Het naploegen, eggen en

zaaien moest beginnen. Capo's, die geen vakmensen

waren, moesten toezicht uitoefenen, 't Ging er immers

30


maar om, of je liep of stond, als je maar nooit ging

zitten . . .

Ik werd bij bet commando „Holzplatz" gestopt.

De eerste tijd is je moeilijkste tijd. De pakketten van

buis gezonden —i komen dan nog niet. Dat duurt ongeveer

twee weken en je mist van alles. De buisgenoten bebben

er geen erg in, dat je uitgekleed bent tot op bet naakte

lichaam en van al die kleding niets terug krijgt. De

uitreiking is totaal onvoldoende, dus je loopt met onvoldoende

ondergoed en geen sokken. Ja, dat is een probleem,

want je moet toch je voeten trachten te beschermen.

In het kamp bekommert men zich nergens om. Maar je

gaat al spoedig zoeken en vindt hier of daar wel een paar

vuile lappen of papieren zwachtel. Daarmee tracht je dan

de eerste nood te lenigen, wat enigszins lukt. Er werden

ook handschoenen uitgereikt in de winter, doch daar moest

je vlug bij zijn,-anders waren ze al weg.,Toen ik eens in

het Vrouwenlager kwam om hout te brengen — het was

guur en de sneeuw lag dik ~- bood de Lageroudste, een

domineesvrouw uit het Noorden, me een paar dameshandschoenen

en een borstrok aan. Die gauw weggestopt, want

dat mag niet, en nog nooit ben ik zo dankbaar geweest.

Vermoedelijk had deze hoogstaande vrouw direct door,

hoe ellendig ik er op dat ogenblik aan toe was.

•~Zo scharrelde je maar door. Hier vond je wat, daar kreeg

je wat. Alleen de grote kunst was, om het te behouden.

Want er werd veel „georganiseerd" in zo n kamp. Daar

lette je in het begin nog niet zo op, doch alles was zo

verdwenen. Zelfs als je je 's morgens waste, zagen de

onverlaten — lotgenoten nog wel, doch behorend tot de

beroepsboeven-categorie t-* kans om je stukje zeep, waar

31


je zo zuinig op was, af te gappen. En zo ging het met

alles. Hing je de handdoek of iets anders te drogen, dan

moest je er maar hij hlijven, of het was foetsie. Het gevolg

was dan ook, dat we 's Zondagsmiddags wat gingen

wassen met koud water en zonder zeep en dan ging je

met de sokken op je schouders of een handdoek op je rug,

maar in de wind of in de zon wandelen. Dan bleef het

tenminste je eigendom. Het is verschrikkelijk, zoveel als

dóór gestolen werd. En deden je kameraden het niet, dan

wist zo nu en dan de Hollandse S.S. er wel raad mee.

Als overdag de barakken leeg waren, kwamen ze wel

eens controleren; namen tevens de sleutel van de pakkettenkast

en gapten dan uit verschillende pakketen boter

en sigaretten enz. Alles was van hun gading. Een goed

voorbeeld dus voor de gevangenen met een ruim geweten,

die er dan ook op los „organiseerden". Onder of in de

stroozak verstoppen was nog wel eens een goed middel

om je kampkostbaarheden te behouden. En daartoe

behoorde alles, ook de kampkleding.

Het was een stuivertje wisselen. Als er bij den een wat

gegapt was, probeerde die het weer van een ander af te

stelen, de mutsen incluis. Van mij stalen ze in een onbewaakt

ogenblik ik ging alleen even naar de kachel om

een klandestiene sigaret aa nte steken i~ twee paar warme

wollen wanten, juist in een kledingpakket van huis

gearriveerd. En dat was langs niet alles in de loop van

de tijd. En niet altijd waren het boeven, die het deden . . .

De moraal bij ieder zakte!

Ik kwam dus op de Houtplaats terecht. Dat was het

commando, dat zich bezig hield met hout verzamelen voor

32


de kachels. Een groot terrein vlak naast berkenbosjes, dus

een prettige omgeving.

De eerste ochtend, met een niet uitgeslapen stuk Capo!

Dat viel niet mee. We moesten bomen sjouwen. Mannen

genoeg, dus op een boompje werd niet gekeken. Ze waren

behoorlijk dik en zwaar, stammetjes van ongeveer vijf

meter lengte. Die werden dan met zessen opgetild en met

twee of drie man weggedragen.

Als je over niet al te veel kracht beschikt, of die arbeid

niet gewoon bent, is het beulenwerk. Bukken! Ein zwei . . .

Het ging niet. Nog eens! Hij was al nijdig; het ging

weer niet.

Toen een vloed van scheldwoorden over ons heen: Drecksack,

Schweinhund, die dumme Hollander, enz. Maar

toen hel voor de derde maal niet naar dat heerschap z'n

zin ging, omdat de boom werkelijk te zwaar was, ging hij

er op los slaan; hij pakte een stok, sloeg langs onze benen,

trapte in je lenden of gebruikte zijn vuisten voor nekslagen.

Daar waren die smeerlappen sterk in en je moest wel

tillen, boven je kracht, om niet geheel tegen de grond

geslagen of getrapt te worden., Tiet gevolg was een verzwikte

pols, een z.g. kraakpols. Ik kon er niets meer mee

uitvoeren. Het werd bij de dokter gespalkt en gezwachteld

en ik kreeg vijf dagen huisarrest om te genezen. Dat

noemde men daar .Blockschonung". Aanvankelijk stond

me dat aan; met nietsdoen in een kamp ben je altijd blij

en je voelt het ook aan als een vorm van sabotage, doch

het bleek evenals zovele dingen een kwelling te zijn. Om

te beginnen mocht je het Block niet uit. Dus geen gewandel,

terwijl een ander werkt. Maar dat was het enige niet!

Je mocht niets. Het was verboden op de slaapzaal te

33


komen; ook niet in het dagverblijf. Je mocht alleen de

hele dag van half zes 's morgens tot acht uur 's avonds

in het waslokaal zitten. Bij de kachel, die dan clandestien

gestookt werd. Ettelijke keren per dag moest je je melden

als er een S.S. kwam controleren. Dan was het: Haftling

nr. ... meldet sich. Meestal was niksdoen dan uit den

boze en werd je aan het werk gezet. Stof afnemen, of

waslokaal schoonhouden of dweilen. Dat moest je dan

maar met één hand doen. Ik zag, hoe iemand, die zich

voor zo n karwei niet snel genoeg bukte, voorover met

z n hoofd in de emmer vuil water, die voor hem stond,

geschopt werd. Dat alles tot grote hilariteit der omstanders,

n.I. een Capo en een paar S.S-soldaten.

Of je je werk goed deed werd niet gevraagd, nog minder

gecontroleerd. Als je maar in beweging was. Bewegung!

brulde iemand je dan weer toe, als je stond te soezen!

Zo heb ik uren met een stofdoekje in de buurt van de

kachel gelopen, als maar niets doende en toch werkend en

zodoende nog wat warmte opvangend. En dan vijf lange

dagen. De dokter wilde het nog een paar dagen verlengen,

maar ik heb hem werkelijk gesmeekt, me te laten gaan. f

Zo kwam ik dus weer op de Houtplaats terecht. Een

prachtjob. De Capo mafte de hele dag of sloop naar het

Vrouwenlager en je deed dan ook niets. Was er onraad,

dan een seintje aan elkaar. Men riep dan „Twee en

twintig" of „Vingt deux."

Het werk op zichzelf was geestdodend.

Maar je kwam ook in het Vrouwenlager en dat betekende

met zo n kou, koffie of pap. Ze hielden altijd wat achter

voor de houtbrengers. Je deed daar je werk niet te vlug,

ging je eens warmen bij de kachel. De Capo, die je

34


egeleidde, was tocb naar z n liefje. Ja, inderdaad, dat

kon daar bestaan. Zo zelfs, dat bet kampcommando krasse

maatregelen ging nemen tegen de Capo's die zicb daar

nog waagden zonder „Passierscheiri '.

f~In een sleur volgden de dagen elkaar op. Iedere dag weer

betzelfde: Houtjes bakken, zwaar bout kloven en daarvan

boutstapels maken. Dat moesten we doen zoals de kolenbranders

die maakten, dus in 't rond opstouwen met spitse

top. Je banden badden bet meest te verduren, vol wondjes

en kloven van de kou en bet werk. En waar werkte je voor?

De Capo dacbt, dat bij bet al goed liet doen, maar toen

er na een poosje weer een ander kwam, werd alles

afgekeurd; de stapels werden weer afgebroken en bet bout

werd naar andere plaatsen gebracbt. Zo bleef daar bet

werk in de wereld en dit bedroevende verscbijnsel deed

zicb voor bij alle commando s.

Ik bad er al weer genoeg van en op een goede ocbtend

waagde ik bet, bij bet commando wegenbouw te gaan

staan. Dat was weer eens wat anders en bracbt wat

afwisseling in bet beroerde kampleven.

Gestraft worden kon je op ieder moment van de dag.

Natuurlijk bad je wat gedaan. Bijvoorbeeld gerookt op

een plaats en tijd dat bet niet mocbt; je was zittend in

plaats van staand of lopend aangetroffen.

Je vertoefde in bet waslokaal op verboden tijd, je maakte

een prakje warm op de kacbel; al die dingen en nog

bonderd een meer, waren verboden.

In bet begin zag je er als een berg tegen op, maar al

doende leert men en met een beetje uitkijken kon je bet

zonder straf aardig ver brengen.

De straffen varieerden van strafexercitie op Zondagmid-

35


dag tot bunkerstraf. Ook werd er snel recbt gedaan ter

plaatse. Je moest dan b.v. bardlopen, rollen of wat gymnastiek

doen, als ze je ergens betrapt badden op een

klein vergrijp. Het was zo sterk, dat eens een Capo zei:

„Als ik je een pak slaag mag geven, ben je overal van af."

Nu, Haftli ng nr. . . . [iet zicb dat gewillig aanleunen en

bleef op die manier gespaard voor de „bunker".

Wat een goedbeid van dat ontaard slag mensen! En wat

een geharde gevangene, want zo'n afrossing ontaardde

in een bokspartij, waarbij alleen de sterken nog wat

„partij konden geven. De meesten waren daarvoor echter

te slap geworden. Soms wist je niet, dat je gestraft was;

je hoorde dat wel op het appèl. En ook niet, waarvóór ze

je te grazen hadden genomen. Men kon zich altijd

beroepen op den commandant. Jawel, meermalen is zo'n

brutale Haftling het bureau afgeranseld.

Verder kon men onverwacht in het „strafblok" geplaatst

worden. Minimum 3 maanden; in de regel deden ze er

nog wat bij. Dat was een afdeling, die niet in de „kampvrijheden

of andere „kampgeneugten" mochten delen.

Wegens wangedrag kon je daarin verzeild raken. Maar

meermalen lapte de instantie, die je gearresteerd had, 'em

dat. Dus Sicherheitsdienst of Gestapo. Die zonden soms

na weken nog een rapport in en dan werd je in het

strafblok gebracht. Achter prikkeldraad in kwadraat.

Nooit vrij en minder eten. Strenger kampleven enz. Alleen

spreekt het vanzelf, dat de jongens aan eten geholpen

werden op een reuze manier en dikwijls méér ontvingen

dan de anderen. Prettig was hef verblijf daar echter

allerminst.

Dan de bunkerstraf. Dat is de strengste vorm van

36


cellulaire straf, die men dan ook moest uitzitten in de

gevangenis. Weinig of nooit luchten, pikdonker, koud

genoeg, geen bovenkleding, cementvloeren, één deken en

slecht voedsel enz. Bij het minste vergrijp, b.v. een sigaret

roken, werd je er in gestopt. Minimum drie dagen. Dan

kwam je er al beroerd en akelig slap uit. Ik heb er „zware

jongens uit zien komen, die hadden 90 dagen „bunker'

gehad en zeiden Iakoniek: „Als ze denken, me zo klein

te krijgen, zijn ze d'r glad naast." Hun wilskracht, hun

jeugdige veerkracht hadden ze behouden, en gelukkig

maar.

Niemand werd ontzien. Toen eens een marechaussée met

gebroken been spoorloos verdween, werd het hele hospitaal,

dus dokters, verplegers en patiënten, in de bunker

gestopt. De gevangenis was groot genoeg; er kon steeds

meer bij. Zelf was ik pas 2 dagen uit het hospitaal

ontslagen, had dus „mazzel" gehad, maar ik vrees, dat

sommige patiënten voor hun leven genekt zijn met die

behandeling. Het was een geraffineerde ontvluchting

geweest van een ter dood veroordeelde; het was natuurlijk

goed in elkaar gezet en bet plan slaagde.

De moffen konden toen alleen bun „onmacht er tegen

tonen, door iedereen op te pakken. Er werd danig op het

verplegend personeel Iosgeranseld, doch de ontsnapte is

niet teruggekeerd en ik hoop, dat S. . . . nog in leven is.

Hij heeft het verdiend en het zou de kroon zijn op bet

werk der medeplichtigen.

Altijd is me in zulke gevallen gebleken, dat onmacht

tegenover iets of iemand vooral gedemonstreerd werd met

mishandelingen. Ze zagen er heus niet tegen op om oren.

ogen, neus of desnoods je hele kop kapot te timmeren. En

37


hoe minder weerstand je bood, des te barder gingen de

beesten te keer. Terug slaan en trappen was tegenover de

Capo s meestal de beste manier. Dat ging niet bij de

opzettelijke misbandelingen in de gevangenis, daar werd

je eerst weerloos gemaakt en beulde men met meer overleg.

Ik vind bet geen zin bebben, soortgelijke misbandelingen

te beschrijven, zelf heb ik ze niet alle, goddank, meegemaakt.

Maar in kranten, boeken en tijdschriften wordt

zo n zondvloed van soortgelijke lectuur over de mensheid

uitgestort, dat dit hier wel achterwege kan blijven. Ik heb

in mijn beschrijving steeds meer het zwaartepunt willen

leggen op het raffinement dan op het geweld. Zeer zeker

is er veel gebeurd in Vucht: ranselpartijen op Joden, het

Bunkerdrama der vrouwen van Januari 1044, dat ons

allen met afgrijzen vervulde, doch het was nog geen Duits

vernietigingskamp. Daar ging men nog anders te werk.

De moderne en middeleeuwse foltermethoden vervullen

de wereld met afgrijzen.

De lichtste straf was de strafexercitie op Zondagmiddag.

Wat niet wegneemt, dat je afgebeuld in de barak terug

kwam. Dat afdrillen duurde twee a drie uur en ze zochten

daarvoor het zand op; dat liep zwaar. Dan was het

gewoon marcheren afgewisseld met looppas en rollen.

Verder het idiote: Mütze ab, mütze auf, corrigier, daarbij

doelend op de bespottelijke exercities met je petje.

De Capo s hadden er echter ook een hekel aan, een

paar werden getroffen in hun Zondagsvrijheid en zo kon

het gebeuren, dat je na twee uren inrukte, doodop en met

blaren op je voeten.

Zo raakte ik dan verzeild bij het commando „Wegenbouw

. De werkzaamheden waren zeer verschillend. Er

38


werden kuilen gegraven, men kon zand kruien, stenen

kruien, auto s met stenen lossen, ontbossen, enz. Maar de

eigenlijke wegenbouw, dus bet straatleggen, werd door

vaklui civilisten — gedaan. Wij waren de slaven, die

alles mocbten aanbrengen.

Met een bandigbeidje koos ik bet gemakkelijkste maar

en ging aan bet grond afsteken. Het was daar n.ï. allemaal

bosgrond en die bumuslaag moest verwijderd worden,

zodat men zand ter bescbikking kreeg. Het was geen

zwaar werk en bet toezicbt een beetje slap. Dat werd daar

uitgeoefend op open terrein door Hollandse S.S.-soIdaten.

Die wandelden been en weer, gaven je de bele dag een

grote bek in bet Duits ~ bun moedertaal kenden ze zeker

niet meer — en krijsten maar: Bewegung da! Dan stond je

even op je scbop te leunen om de pijnlijke lenden eens te

strekken. Vooruit maar weer in gebogen bouding. Niets

doen natuurlijk; alleen maar alsof. Was bij eens weg ~

meestal eclipseerden ze zo tegen 5 uur, dan was bun dag

om i— dan deden we gauw een trekje of vermaakten ons

met een oude brandbom, die ergens opgediept was. Dat

ding knetterde en siste en dackt er niet aan bet op te

geven. Men boorde bet gesis nog als er een balve meter

zand op lag. Toen beb ik weinig vertrouwen gebouden

in die paar zandzakjes tbuis bij me op zolder. Zo kon je

als kwajongens je nog wel eens een paar minuten uitleven.

Na een paar dagen moest ik gaan zandkruien. Dat stond

me niets aan en beeft me dan ook in bet bospitaal

gebracbt. Daar was scberper toezicbt en je bad weinig

rust.jTk herinner me een Belg, die z'n wagentje te licht

vulde volgens den Capo. Hij moest in looppas met een

zwaar gevulde kruiwagen het terrein rond. En toen hij

39


een schop kreeg, omdat hij niet gauw genoeg aanstalten

maakte, pakte hij pardoes de kruiwagen niet zand op in

z n gespierde armen en mikte die hoven op den nietsvermoedenden

Capo, die achter elkaar het ziekenhuis

in kon. De Belg was beroepsbokser . . . Dat waren zo van

die kleine incidenten, waar je verder niet bij stil stond,

doch die je goed deden. Elke kleinere of grotere represaille,

die je kon nemen, deed je goed.

Ik kreeg last van mijn voet; ik liep blaren op hielen en

wreef. Zo erg was t niet, 's avonds ging ik naar den

dokter, die ze behandelde. Maar rust krijg je nooit en zo

werd het voortdurend erger. Ze gingen open; bet werd

rauw vlees. Weer naar den „sanitator". Die deed er een

papieren zwachtel om en het zou wel overgaan. Maar

het werd steeds erger, vieze sokken en zand werkten, ook

niet mee; het werd een flinke infectie. Mijn voet en been

werden abnormaal dik tot aan de knie en ik kreeg flink

koorts. Het was om 11 uur 's morgens, dat ik me flink

beroerd ging voelen en bijna niet meer staan kon. Opname

was onmogelijk, dat deed men 's morgens na het ochtendappèl.

Dus je moest doorsukkelen en dat werden kwade

uren. Ik vroeg te mogen gaan zitten, doch dat werd me

verboden. Eén middel was er nog, telkens naar de latrine

in het bos gaan, dan zat je vanzelf en daar deden ze niets

aan, als het tenminste niet al te hard in de gaten liep.

Dan werd ook die gelegenheid even schoon geveegd op

een harde manier, s Avonds weer naar den dokter, die

de wonden schoon maakte en me aspirine gaf. Maar ik

werd nog steeds niet opgenomen, wat m'n ergernis opwekte.

De dokter zei niet veel en lachte maar eens.

„Morgenochtend terug komen", was het antwoord. Toen

40


kon ik ook niet meer lopen en twee lotgenoten brachten

me weg. Zie zo, zei de dokter vrolijk, nu ben je, waar

ik je bebben wou. Dat was een manier van belpen, die

ik achteraf zeer gewaardeerd heb. Half zacht mochten ze

je nu eenmaal niet opnemen, dus dan maar gewacht tot je

goed beroerd was; de „Lagerarzt" kon dan tenminste geen

aanmerking maken of je er radicaal weer uitzetten, zoals

meermalen gebeurd was.

Dat opnemen wil wat zeggen! Ze stellen ijselijk veel

belang in je naakte lichaam. AI weer helemaal uitkleeden

en maar wachten, tot er personeel komt. Je wordt op een

brancard gelegd en naar het bad gereden. Op zich zelf

een goede maatregel, maar 't gaat alles zo ruw. Een doosje

met tabak, dat ik zonder erg meenam, werd me afgenomen

met een fikse reprimande door een verpleger, die heel goed

was, maar veel praats had.

Voor de tweede maal werd alle overtollige beharing afgeknipt,

terwijl je grondig werd geïnspecteerd op luizen. De

organisatie echter was wel in orde; toen ik er later uit

kwam, kreeg ik van de Schrijfkamer alle ingeleverde

voorwerpen terug, benevens alle rookmateriaal, dat mijn

vrouw me gezonden had in die vier weken. Dat werd n.I.

uit de pakketten verwijderd als verboden waar in het

hospitaal. Toch wisten we nog wel wat binnen te smokkelen.

Niet om te roken, maar om te ruilen en zo n beetje

om te kopen voor pap, enz. Het was er goed. Men kreeg

er beter eten dan die kampkost. Verder zorgde elke Vrijdag

bet Rode Kruis voor ons en ook tussentijds werden extra

uitreikingen gedaan. Na een paar hevige koortsdagen was

de infectie geweken. De hele voet lag open, doch dat was

een kwestie van genezen, wat m.i. maar niet te spoedig

41


moest. Elke week ging je in het had. Wie niet lopen kon,

zoals de meesten met voetwonden, werd per brancard

gereden. Er was lectuur in overvloed, Amerikaanse

romannetjes, die in het land verboden waren, lazen we

uit de Vughtse bibliotheek. Ja, 't kan raar gaan. Communisten

werden opgepikt en van hun vrijheid beroofd als

staatsgevaarlijk en in het kamp deelden ze stiekum dé

lakens nog uit. Allemaal tegenstrijdigheden. Zo rolde ons

leven genoeglijk voort in het hospitaal. Doch het teugeltje

was te slap; plotseling kwamen er verordeningen los. Een

paar er van zal ik U noemen. Men lag alleen met een

lang. wit hemd in bed, echt ouderwets met slipjes. Zo

stapte je uit bed en ging W.C.-waarts. Mocht niet langer;

het was een gevaar voor de meisjes, die er nu en dan

rondliepen en we moesten ons hullen in een deken, om

het middel geslagen.

Een idioot gezicht, dat veler spotlust opwekte.

Toen kwam de Hoofdcapo en we kregen oefening in het

jn de houding liggen. Want de Iagerarts vond het maar

rommelig als hij binnen kwam en dat ging niet langer.

Hielen tegen elkaar en armen gestrekt boven het laken.

De oudste zieke moest dan gaan zitten en zeggen: „Sieben

kranke Haftlinge melden sich", waarna de dokter zei:

,,Weiter machen", en dan kon je weer eens draaien. We

hebben wat gelachen om die idioterie, hè, Opa Bos, weet

je t nog. En wat een heerlijk zaaltje was dat, die chirurgische

afdeling. Altijd zon en frissche lucht. Wel eens te

veel van het goede. Soms werd een muziekavond georganiseerd

op de gang. Dat was fijn en je vergat even, dat je

toch altijd nog onder Duitse klauwen zat.

De verpleging was goed. Hollandse, Belgische en Franse

42


artsen werkten samen en deden hun best. Er was geen

materiaal genoeg, doch men woekerde met wat men had.

Voor hen zonder uitzondering 1

een eresaluut; zelf gevangenen,

vergaten ze hun beroepsplicht niet en maakten

ons zoveel ze konden het leven draaglijker. Schaduwzijden

waren er ook, Capo's regeerden er ook, maar waarom dat

alles te beschrijven. Er werd met ernst gewerkt aan ieders

genezing en dat bleef toch hoofdzaak.

Toch zag ik op een dag, hoe een goede Belgische arts

door een Capo uit het hospitaal geranseld werd met een

dikke stok. Hij stond daarna op de stoep, oren, neus,

lippen en tanden kapot; nooit zouden we hem weer

zien . . .

Mijn voet genas; ik werd beter goddank. Vier weken Jang

had ik naar huis moeten liegen: „Ik maak het goed, ben

goed gezond". Met mij liep het los; met hoevelen echter

niet. En toch moesten ze hetzelfde briefje maar schrijven,

tot hun laatste snik.

Toen ging ik over naar wat men noemt „Revier 2 , een

barak om na te kuren. Nooit heb ik m'n boevenpakje zo

gewaardeerd. Je meende weer wat normaals aan te

trekken, na een maand in een sliphemd rondgewandeld

te hebben. Je voelde weer dat je „aangekleed" was. Je

kon daar weer een paar dagen het lopen zonder krukken

aanleren. Je mocht er roken, je kon buiten in het zonnetje

zitten; echt zo n knus oude-mannenhuisje. Zo nu en dan

verscheen de Lagerarts om eens te kijken of het niet te

druk werd in het Kurhaus. In de regel werden er dan weer

een stelletje kerngezonde lijntrekkers naar hun commando

terug gezonden.

De wereld is vol. problemen; ook het kamp had ze. Dat

43


merkte men spoedig.(Voor hartstochtelijke rokers was het

grote probleem: hoe kom ik aan een trekje? Men bad ons

wel verteld, toen we aan kwamen, dat roken in je eigen

tijd was toegestaan. Maar wanneer had je vrije tijd?

Wilde je je zelf of je lichaam enigszins verzorgen, dus rein

houden, dan was er die vrije tijd niet. Alleen 's morgens

even na het ontbijt, als je niet in corveebeurten viel. Verder

was bet in de barakken overal verboden. Er bleef weinig

anders over, dan het overdag te proberen op het werk,

onder de arbeid. Maar dat was gevaarlijk, want gesnapt

worden betekende drie of zes dagen „bunker". De grote

kunst was om snel een strootje te maken en dan verscholen

of in gebukte houding aansteken en trekken. Net kwajongens!

De rook mocht niet gezien worden en die blies

je dan heel langzaam of langs den grond weer weg.

Sommigen kregen er verbazende handigheid in. Het grote

gevaar was lucifers. Die had niet iedereen en als je er

over beschikte, had je de hele dag vragers om je heen. Ook

kon je wel eens ruilen, eenige lucifers voor een sigaretje.

Een doosje was niet nodig, dan ging je op de vuilnisbelt

maar een oud doosje zoeken tussen de vieze rommel.

Aanvankelijk was het veiligste roken op de latrine in het

bos. Die waren er enige, zoals in militaire kampementen.

Een balk, met put er achter, die nu en dan werd dicht

geworpen en verplaatst. Daar zat je dan met zessen op

een rijtje en de rook bliezen we dan achterwaarts omlaag,

de put in. Zó moest je oppassen, dat de bewakers dat

vooral niet zagen. Het geheel had de vorm van een

schuurtje en in de planken hadden we naden gemaakt

om te gluren naar onraad. Ik ken er, die drie kwart van

de dag op de W.C. doorbrachten en heel wat sigaretjes

44


wisten te vaandelen en op te roken. En als je een Beig

zag gaan in die richting, dan moest je plotseling ook weer

geweldig naar die latrine. Want de Belgen kregen elke

maand een pond tabak in hun R. Kr. pakket en ze waren

er gul mee. Alles ging goed, tot op een ogenblik door een

of andere snuggere S.S.-knaap de truc werd ontdekt.

Op een hardhandige manier werden we er met een stok

uit geslagen en de latrinebalk werd ogenblikkelijk bespijkerd

met prikkeldraad. Zelfs daar die nare prikkeldraad.

Dan zat je er ten minste niet voor je plezierl Dat dachten

ze ja, maar vóór het een dag verder was, waren alle

scherpe .puntjes met een tang afgeknepen of omgebogen en

de rookzaal was weer in orde. Overal joegen ze je maar

na. Het werd een sport. Als het hard regende, trachtte je

daar te schuilen, maar niet zodra kregen ze het in de

gaten, of het dak werd er af gebroken. Altijd maar weer

die geraffineerde plagerijen. Er lagen ook lege benzinereservoirs

in torpedovorm. Er waren er, die er in kropen

— languit •— en dan op die manier nóg rookten. Ze werden

eveneens gebruikt om een tukje te doenj 1

Het gevaar was ook niet denkbeeldig, dat ze je onverwachts

eens fouilleerden op het werk. Dat is een hoogst

enkele maal gebeurd en bij bosjes werden ze in de bunker

gebokst. Je stopte alles maar zo ver mogelijk weg, b.v. je

shag in je onderbroek of sokken, evenals je brood. Want

ook eten mocht je niet onder de arbeid. Razende honger

kreeg je om tien uur; om half zes had je al ontbeten.

Stiekum je stuk kuch — droog natuurlijk *-1 oppeuzelen

dat ging wel, anders deed je ook dat maar op die smerige

latrine. Het was nog de veiligste plaats en vieze varkens

worden niet vet, was het spreekwoord . . .

45


Na mijn ziekenhuisperiode, die me zo best bevallen was,

kwam ik terecht bij het commando: Luftwaffe. Een

klinkende naam! Maar niet de Luftwaffe van Göring!

Nee, die afdeling in Vught hield zich bezig met het slopen

en demonteren van neergeschoten vliegtuigen. De laatste

tijd k wamen er nog al eens. Liberators en Boeiings. Sommige

hadden een noodlanding achter de rug en arriveerden

dus vrijwel gaaf in Vught. De romp tenminste, want

voor vervoer per trein en auto werden de vleugels enz. er

af gebrand. In sommige opzichten een interessant commando,

vooral voor technici. Die konden aan de fijne

en vele instrumenten en de verschillende boordwapens

hun hart ophalen. Zo kwam ik ook een paar dagen in

zo n enorme vlie gtuigromp terecht. Er werden monteurs

gevraagd. AI meermalen had ik gemerkt, dat ook die

„vaklui daar niet meer dan een schroevendraaier eh een

tangetje in hun vingers kregen. En ik zou al een rare

schutter zijn om die instrumenten niet te kunnen hanteren.

Zo gebeurde; ik werd grif „aangenomen" en ik zat een

paar dagen heerlijk hoog en droog in de romp.

Instrumenten er uit halen was hoofdzaak. Controle was

er niet, dus je kon nog eens heerlijk dutten. Er was allicht

iemand bij je in de buurt, die waarschuwde bij onraad.

Je kreeg een beetje kijk op zo n ding. Bommenring, boordwapens,

seinlichten, vuurpijlen, alles was intact. Tot de

tanden toe was x

het bewapend. Alle ruimte binnen de

romp was benut en honderden mitrailleurbanden met

duizenden kogels hingen langs de wanden. Als het kon

pikten we ze weg, begroeven ze, dan konden die tenminste

niet meer gebruikt worden tegen onze bondgenoten.

Weldra was ik ex-monteur en werd geplaatst waar de

46


meesten stonden, bij een reusachtige hoop aluminimum,

allemaal onderdelen en flarden van uiteen gebrande en

verbrande vliegtuigen. Die massa besloeg een enorm

terrein en had een hoogte van 10 meter. Met een groot

aantal lotgenoten moesten we die hoop verwijderen en

sorteren op andere plaatsen. Je moest even Ieren het

onderscheid tussen de verschillende metalen als aluminium,

nikkelstaai, rood en geel koper, enz.

De Capo begon altijd met te roepen, dat hij ons wel

krijgen zou als we niet werkten. Maar het parool voor

allen bleef: doe zo weinig mogelijk, dus saboteerl In de

regel begonnen mijn maat en ik met aan een zwaar stuk

te sjouwen. Maar dat duurde niet lang: vriend „Capo

bad je goede wil gezien. Want die kerels waren ook zo,

als ze zagen, dat je in „beweging" was, kon bun de rest

weinig schelen. Nu dan. na zo'n kwartiertje sjouwen, was

het óns genoeg en we gingen wandelen met een blikje in

onze banden. Het woog circa 1 ons, maar je was gedekt.

Mooier nog was, als je iets aparts kon ontdekken, dat je

moest inleveren in het magazijn of bij den wapenmeester.

Dan wandelde je maar wat rond, niet naast elkaar, maar

vóór of achter je maat, anders liep het in de gaten. Je

kon dan toch een hele boom opzetten en tevens uitkijken.

Zo liepen we uren over dat grote terrein rond en geen

„Capo", die er naar kraaide,.

Het lot viel altijd op Jonas. Naast ons stond een oudere

man, een Vlaming. Men kon zien, dat het werk hem

zwaar viel. Ongeveer twee en zestig jaar en dan die

ongewone arbeid verrichten, valt niet mee. En niet iedereen

kan dat camoufleren. Dat is daar juist de kunst,

doen alsof . . . „Zeg, ouwe, wat is jouw beroep? „O, ik

47


en professor en geef dus onderricht aan studenten."

„Dan zal ik jou eens leren, wat werken is, drekzak, je bent

lui en je moetl Kom bier!" En de oude man moest met

een ijzeren staaf op de scbouder van meer dan vijftig kilo,

in de looppas, bet grote terrein rond met een briesende

Capo op z'n hielen. Toen bij dal met vele malen struikelen

en opstaan volbracht bad en enkele barde trappen bad

geïncasseerd, was bij niets meer waard. Tocb moest bij

weer aan de slag en bard ook. Maar er is ook wel kampverbroedering

in sommige gevallen en telkens als bet

toezicbt weg was, werkte men voor bem. Dan kon bij

rusten. We raadden bem aan op de latrine in bet bos te

gaan zitten. Met welk doel je daar kwam, doet er niet toe,

maar op die gelegenheid moest je ook doen alsof, dus,

zoals we onder elkaar zeiden, „broekie af". O, wee, als

ze je daar anders aantroffen.

We raakten ingeburgerd en verzonnen weer een andere

baan. Meer zittend werk als het kon. Er zaten een paar

ouden van dagen bij Joep in. de buurt ~ het crematorium

— gummiringen van de aluminium buizen af te halen. Een

pracht baantje, maar op een goede morgen waren ze

verdwenen. Na informatie bleek, dat ze bun vrijheid

hadden herkregen.

Dat was iets voor mijn maat en mij. De Capo's wisten toch

nooit wie er kwamen 's morgens. Ze telden alleen maar;

de rest liet hun koud. We gingen er met een brutaal

gezicht zitten en arbeidden hard. Een Capo kwam langs.

„Schiet dat hier op? Hoe lang zitten jullie hier al? Denk

er aan, 't moet deze week klaar!" Nou, het was pas

Dinsdag, dus we hadden de tijd.

Nog langer zelfs. We zaten zowaar twee weken bij elkaar

48


en hadden zowat niets uitgevoerd. Toen kwam er een

autoriteit, die Iakoniek opmerkte, dat al dat werk niet

gedaan behoefde te worden. Natuurlijk vergezeld door

het nodige gebulder en de nodige standjes. Die reprimandes

volgden de militaire hiërarchieke weg omlaag en drie

zondebokken werden uit hun vreedzaam bedrijf getrapt.

Weer naar een andere stapel, weer ander werk, andere

Capo s, nieuwe trucs en nieuwe ellende. Zo ging het dag

in dag uit; geraffineerdheid tegenover elkaar zetten.

Een terugkerende wekelijkse maatregel was de ontluizing.

Dat gebeurde s Zondags na één uur, als je in de barak

terug kwam. Want 's Zondags werkten we tot twaalf uur,

daarna appèl. Middageten kreeg je dan pas na de ontluizing.

Op zich zelf een heel goede maatregel, als ze hem maar

stipt konden uitvoeren. Luizen zijn de verbreiders van

vlektyphus en andere ongewenste ziekten, die zich vooral

zullen openbaren daar, waar veel mensen dicht opeen

wonen, s Zondags dus was dat onderzoek. Je moest je

dan weer helemaal uitkleden dat mocht je daar om

een havetklap — en dan kwam de dokter of een verpleger.

Het geheele lichaam werd dan even bekeken. Het was

gauw gebeurd! Had je niet van dat liefelijk ongedierte,

dan snel aankleden en eten, maar anders moest je ontsmet

worden; ook kleding en bedstel. Die lui stonden nog een

tijdje naakt op de slaapzaal en werden daarna naar het

badhuis getransporteerd, gebaad en van andere kleding

voorzien. Maar daar stond niet je gevangennummer op,

je kon dus aan de haal gaan en om dat te voorkomen,

mocht je binnen blijven, althans geen dienst doen. Eerst

je ontsmette kleren weer terug! Dat duurde wel eens wat

49


lang. En zo maakte ik het volgende ontaarde staaltje mee

van twee rasechte Mokummers.

„Sèg, heb jij Iuize? „Ja, wat sou det?" „Wel, dan heb

jij een fane vrije dag, is det effe wat? Je kunt er een paor

aan me verkoupe, dan heb ik se volgende week!"

Zo gezegd, zo gedaan! Ik zag A. twee diertjes op B.

planten; hij kleedde zich rustig aan en gaf A. enige

rookertjes. Dat was ook een vorm van ruilhandel! De

demoralisatie van den mens achter het prikkeldraad. De

volgende week kreeg hij ook twee vrije dagen; B. moest

ontluisd worden . . .

Iedere dag biedt wat in het kamp. Dan wordt er weer

eens gelachen óm de ruwe, wrange kamphumor; dan heb

^ je weer eens een kwade dag door diverse ranselpartijen.

~Een paar weken hadden we het vrij rustig. Op een avond

moesten plotseling alle Capo's en Blokoudsten naar voren

treden, uitsluitend de Duitsers; de volgende dag zagen we

ze vertrekken en vervangen door meestal Hollands toezicht.

Enkele gevangenen waren tot Capo en Blokoudste

gebombardeerd en het zaakje liep weer. Wat een weelde,

wat een genot. Er werd tenminste niet geranseld en

geslagen.

Wat wilde het geval? AI die kerels waren naar de verschillende

vliegvelden gezonden om „blindgangers" uit te

graven en te demonteren. Ze zouden dan vermindering

van straf krijgen. Een soort premie dus op dat gevaarlijk

karweitje. Men noemde dat spottend het „Hemelvaartcommando

. De naam zegt genoeg. Later keerden ze

echter allen weer terug en werden op een enkele uitzondering

na in hun oude „ambten" hersteld. Ze vonden het

nodig, de boel eens recht te zetten. Het hek was van de-

50


dam geweest volgens hun mening en het gevolg was weer,

dat klappen, schoppen en ranselpartijen in enkele bloks

aan de orde van de dag waren. We hadden te vroeg

gejuicht.jHet werd wel een beetje erg. Ik herinner me een

blok, waar een echte strijd ontbrandde met al wat men

vinden kon. Om een kleinigheid — want dat was altijd

de oorzaak — hadden een paar van die Duitse boeven

hem ingezet en in minder dan geen tijd werd er gegooid

met borden, kroezen, schalen en bloempotten. Veel snijwonden,

blauwe ogen en een grote ravage. Dat laatste

was nooit hel ergste. Men leefde er aan de andere kant

gemakkelijk. Het werd weer bijgeveegd en in de afgetakelde

barak leefde men verder! Niemand toonde enig

verantwoordelijkheidsgevoel voor netheid. Daarom waren

alle barakken zo kaal, nergens een bloem, nergens enige

wandversiering van betekenis, of bet moest een Duitse

plaat zijn of een papier met waarschuwingen en verordeningen.

Ieder leefde van de ene dag in de andere in

afwachting; vrijheid of naar Duitsland . . . Velen heb ik

er in Vught ontmoet, waarvan me bekend is geworden,

dat ze omgekomen zijn in vernietigingskampen.

Slaat er maar op! Dat was hun leuze en ze deden het,

te pas en te onpas. Op een keer liep een ongelukkige

man voor me. Hij trok danig met z n been en kon de pas

niet houden. Maar het gevolg was, dat ik er een moment

uitraakte en dat werd me noodlottig. Het gebeurde juist

in de „Duitse bocht". Vóór de Kommandantur maakte de

kampstraat een bocht en daar stonden bij het afmarcheren

de nodige Duitsers van de Wehrmacht en Capo's. Dat

moest daar perfect gebeuren, terwijl we het geboefte

blootshoofds moesten passeren. De Capo ziet een ogenblik

51


mijn getob, springt als een wild dier op me af en verkoopt

me een paar vuistslagen op mijn gezicbt, waardoor bij

een kies er radicaal uit timmerde en mijn kaak enigszins

ontzet werd. Ik werd door een duizeling bevangen, een

paar kameraden sleepten me tocb mee, want, zo zeiden

die lui met meer ervaring: „Als je op de grond terecbt komt,

wordt bun woede opgewekt en trappen ze je dood." Nu, ik

bad op dat ogenblik genoeg te pakken en nam me voor

om de volgende keer terug te slaan. Wie weet, wat ik er

mee bereiken zou!

Ik beboefde de eerste niet te zijn. De mensen werden

steeds meer geprikkeld en om elke kleinigbeid bad je

botsingen. De gevangenen gingen terug slaan als een

Capo mepte en was deze oersterk, dan boden we bulp.

Dan werd ook zo n Capo eens flink afgedroogd door

enkelen. Mij viel de eer te beurt, kleine Kareltje met een

stoffer op z'n oog te timmeren, dat weldra dicbtzwol. De

gevolgen vielen ecbter mee. Ik bad minstens op „bunker"

gerekend, docb kreeg een ernstige berisping op de Kommandantur

met enige anderen. Tocb bad bet wel enige

uitwerking. Ter verdediging voerde ik aan, dat in de

buitenwereld bekend was, dat de Webrmacbt in Vugbt

niet ranselde.

Dat deden ze dan ook niet, docb ze lieten bet doen door

de beroepsboeven. Dat stond dus gelijk, was zelfs nog

gemener, omdat oogluikend dat systeem in de band

gewerkt was. Ze bielden zicb op de acbtergrond. Het

resultaat was, dat de Capo's verboden werd tot handtastelijkheden

over te gaan. W^el een vooruitgang, maar

sommigen vergaten bet. . .

Er zou meer, veel meer, te~Fescbrijven zijn, doch zoals ik

52


eeds zei, het zou in de schaduw staan van de wreedheden

der vernietigingskampen.pSommigen hadden het in een

kamp niet slecht, doordat ze in bijzondere functies vielen.

Enkelen verkregen die „baantjes" op een minderwaardige

manier, zoals ik reeds beschreef, maar er waren er ook.

die ze uit hoofde van hun burgerlijk beroep hadden te

aanvaarden.

Ze hebben niet altijd die bittere ervaringen opgedaan, die

men bij de dagelijkse slavenarbeid opdeed, j

Maar hoe men ook gevaren is, ieder zal erkennen, dat het

concentratiekampwezen, uitgaande van en opgebouwd

door het Nazi-systeem, iets mensonteerends is.

Dat heeft een knak gegeven aan de Europese beschaving.

Men lijdt er naar lichaam en geest. Velen hebben het niet

overleeld en zijn ten ofler gevallen aan het brute, verdier­

lijkte systeem. Maar die zijn teruggekeerd, hebben een

taak. Zij hebben van nabij het mensonterende meege­

maakt in al zijn verschrikking. Zij hebben vooral mede te

zorgen, dat die „wederopbouw" onmogelijk is. Zij moeten

nu propagandisten zijn voor een betere wereld, voor

meerdere beschaving door hun houding, hun arbeid, hun

grote liefde voor den medemens. Naastenliefde, opoffe­

ring, gemeenschapsgevoel, rechtvaardigheid, " die mooie

eigenschappen, waarover elk mens kan beschikken,

moeten tot ontplooiing gebracht worden.

Een arbeidsveld voor iedereen!

KEES V A N DORDT.

P 1713.

53

More magazines by this user
Similar magazines